• Embed Doc
  • Readcast
  • Collections
  • CommentGo Back
Download
 
Levensbericht van Mr. Willem Cornelis Mees
 ‘De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde geeft van hare leden geene lofredenenmaar levensberichten. Het oordeel over hunne verdiensten wordt het best aan dennakomeling overgelaten. Wij hebben slechts te zorgen, dat de feiten wordenopgeteekend, die bij de bepaling van dat oordeel gekend moeten worden’. Daarom is ‘inhet beoordeelen van het karakter, de handelingen en de geschriften van den overledenede meeste beknoptheid en strenge onpartijdigheid aan te bevelen’.Aan deze regelen gebonden heb ik geen bedenking, aan de beleefde uitnoodiging van hetBestuur der Maatschappij, om een levensbericht van wijlen Willem Cornelis Mees televeren, gehoor te geven. Tegen eene uitvoerige studie van zijn karakter en zijne gaven,zijner waardig, van zijn leven en werken, zijn willen en doen, en tegen een beoordeelingzijner verdiensten als ‘man van wetenschap’ en ‘man van zaken’, vooral tegen eenekritische beschouwing van zijne denkbeelden en leeringen zou ik hebben opgezien. Ik zoutrouwens daarbij gevaar loopen van in herhaling te vervallen van wat reeds door anderenelders gezegd is. De heer Mr. J.G. Gleichman heeft ons in Eigen Haard (no. 2 van 1885)het beeld geschonken van zijn karakter als mensch; de heer Mr. N.G. Pierson heeft hemons als ‘man van wetenschap’ voorgesteld in de hulde hem gebracht in de vergaderingder Letterkundige Afdeeling van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, gehoudenden 16 Februari 1885, en zijne rede is in het Jaarboek der Akademie voor 1884opgenomen; in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 26 Maart 1885 v.v. heeft eenongenoemde over Mees als ‘man van zaken’ in het bestuur der Nederlandsche Bankgehandeld. In de Economist, in het Handelsblad, in andere tijdschriften en bladen zijnopstellen ter gedachtenis van Mr. W.C. Mees opgenomen, uitvoeriger of beknopter, allenzijne groote gaven in het licht stellende en eenstemmig in zijnen lof.Men verwachte dan hier, overeenkomstig de bedoelingen der Maatschappij, niet andersdan een eenvoudig verhaal van zijn leven en bedrijf, slechts hier en daar, waar ditonmisbaar scheen, met enkele opmerkingen toegelicht. Willem Cornelis Mees is geboren te Rotterdam den 6en September 1813. Zijn vader wasMr. R.A. Mees, hoofd van het kassierskantoor R.A. Mees en Zoonen, zijne moeder eenedochter van Mr. Willem Cornelis Ackersdijck, een man, die als landsambtenaar engeleerde een goeden naam heeft achtergelaten, en zuster van Mr. Jan Ackersdijck,Hoogleeraar te Utrecht van 1831 tot 1860. Zijne opleiding genoot hij in het ouderlijkhuis, in eenen talrijken kring van broeders en zusters, waarvan hij op één na de oudstewas. In zijne jeugd tenger van lichaamsgestel bezocht hij geene lagere school maarontving het noodige onderwijs door privaatlessen; een korten tijd was hij leerling van hetRotterdamsche Gymnasium. Op 17-jarigen leeftijd werd hij in September 1830 aan deHoogeschool te Utrecht als student in de medicijnen ingeschreven. Met de CompagnieVrijwillige Jagers der Hoogeschool trok hij weinige weken later naar de Belgische grenzenuit; maar aan de eigenlijke krijgsbedrijven in Augustus 1831 heeft hij geen deel mogennemen. Zijne gezondheid was tegen de vermoeienissen van het soldatenleven nietbestand gebleken. De natuurwetenschap had hij lief en deze liefde is hem tot den eindebijgebleven, maar tegen de toekomst eener geneeskundige praktijk zag hij op, en zoobesloot hij in 1832, na de terugkomst aan de Hoogeschool, tot de faculteit der
Gepubliceerd op: www.nachtwakersstaat.nlpag. 1 van 22Januari 2008 bron:
<nog uitzoeken, zie www.dbnl.nl>
 
rechtsgeleerdheid over te gaan. Hier was hij leerling van de Brueys, van Goudoever enHoltius; met bijzonderen dank gedenkt hij ook in de voorrede zijner dissertatie aan de jucundissimae de philosophia antiqua et recentiore lectiones privatae’ van van Heusde enSchröder, die hij ‘per plures annos’ mocht bijwonen; maar den overwegenden invloed opde richting en den gang zijner studiën had zijn oom Ackersdijck.Den 22en November 1838 werd Mees tot doctor in het Romeinsch en HedendaagschRecht bevorderd na openlijke verdediging eener Dissertatio Juridica Inauguralis: de vimutatae monetae in solutionem pecuniae debitae. Dit proefschrift, zonder omhaal vangeleerdheid in soberen, bondigen stijl gesteld, gaf blijk van het scherpzinnig oordeel des jeugdigen schrijvers. Het trok de aandacht van buitenlandsche geleerden: Savigny preeshet. Na eene zeer beknopte inleiding over het economisch karakter van het geld en zijnrol in het maatschappelijk verkeer, gaf het als Ie hoofdstuk de algemeenerechtsbeginselen betrekkelijk het behandelde vraagstuk, om in hoofdstuk II historisch devragen te ontwikkelen, die zich in het romeinsche en het oudhollandsche recht op dit stukhadden voorgedaan, en in hoofdstuk III den zin en de beteekenis te onderzoeken derbepalingen van het nieuwere fransche recht en van de nederlandsche wetboeken, diekort te voren (op 1 October 1838) waren ingevoerd. Karakteristiek is het motto, aanCicero ontleend, dat hij er voorop stelde: ‘Re intellecta in verborum usu faciles essedebemus. Istiusmodi autem res dicere ornate velle puerile est.’ Aan deze methode isMees later bij al wat hij schreef getrouw gebleven.Maar aan het opstellen en verdedigen van deze Dissertatie was de bewerking en uitgavevan een ander geschrift in de nederlandsche taal voorafgegaan. Dit was de Proeve eenergeschiedenis van het Bankwezen in Nederland gedurende den tijd der Republiek, doorW.C. Mees, Jur. cand. Zoowel in de voorrede van dit boek als in de praefatio derdissertatie werd rekenschap gegeven van zijne verschijning. De geschiedenis van deberoemde Amsterdamsche Wisselbank en van andere gelijksoortige instellingen teRotterdam en te Middelburg onder de oude Republiek had den jeugdigen auteuraangetrokken. Wat daarover tot nog toe geschreven was, bleek hem onvolledig en tendeele onjuist. Zijn wensch was geweest, het onderwerp tot stof voor de inaugureeledissertatie te mogen kiezen. Maar de toen nog onverbiddelijke wet, die voor zoodanigedissertatie het gebruik der latijnsche taal eischte, had hem onoverkomelijke bezwaren inden weg gelegd, en hij had dus hiervoor een ander, zij het dan ook verwant, onderwerpmoeten nemen. Maar aangemoedigd door de goedkeuring van mannen op wier oordeelhij prijs stelde, inzonderheid van zijnen vader en van den hoogleeraar Ackersdijck, washij er toe gekomen, de vruchten van zijn historisch onderzoek met alle bescheidenheidaan het publiek aan te bieden. Men mocht het dan evenzeer als een akademischproefschrift aanmerken. Reden te meer voor de uitgave was, ‘dat juist sedert eenige jaren in ons land veel was gesproken en geschreven over den geldsomloop en bijzonderover banken; dat bestaande inrichtingen beoordeeld, nieuwe ontworpen waren, en dat bijden strijd, hierover ontstaan het niet zelden de voorvaderlijke instellingen waren, opwelker voorbeeld men zich beriep’. De jeugdige schrijver voegde er niet bij, maar uit deninhoud van zijn werk kon afdoende blijken, dat zulk beroep niet kon opgaan, omdat hetniet op grondige kennis van den aard en de werking dier oude instellingen berustte. DeProeve wordt thans als een standaardwerk gewaardeerd. ‘Van dat werk mag gezegdworden (zoo luidt het oordeel van Mr. N.G. Pierson) hetgeen men naar waarheid kangetuigen van alles wat Mees heeft uitgegeven: niets daarvan is à refaire. Men kan er opvoortbouwen: men kan het aanvullen: maar het behoeft nooit te worden overgedaan.Talrijk zijn zijne geschriften niet, en het een is belangrijker dan het ander. Doch niets
Gepubliceerd op:www.nachtwakersstaat.nlpag. 2 van 22Januari 2008bron:
<nog uitzoeken, ziewww.dbnl.nl>
 
heeft zijne waarde verloren; alles is degelijk, met zorg bewerkt. Men mag dit reedsverklaren van de Proeve. Na 1838 heeft niemand hetzelfde onderwerp behandeld, wanthet was niet noodig. Hetgeen Mees gedaan had, was goed gedaan’.Maar indien de jonge auteur in 1838 op eenige openbare goedkeuring van zijn werk (zoowelkom aan jeugdige vernuften, die hun eersteling de wereld inzenden) gehoopt heeft,dan is hij bitter teleurgesteld geworden. Zijn boek ontmoette strenge gisping. Slag opslag verschenen achtereenvolgens recensiën, eerst in het Amsterdamsche Handelsblad
1
,vervolgens in de Konst- en Letterbode
2
, eindelijk in de Gids
3
- die in die dagen begonnenwas, meedoogenloos den geesel der kritiek te zwaaien - recensiën, alle naamloos, maaralle even ongunstig. Dezen troost had althans de schrijver, dat zijn werk nietdoodgezwegen werd. Maar dit was ook de eenige. Na eenige vriendelijke loftuitingen overnaarstig onderzoek, vlijtige studie en goeden stijl, wordt den schrijver eene scherpeberisping toegediend over den inhoud en de strekking van zijn werk. In zijne theorie overde Banken, Bankgeld en Crediet (zoo werd er gezegd) is niet één enkel helder en zuiverbeginsel te ontdekken; er heerscht in het boek eene schromelijke verwarring vandenkbeelden; de schrijver is zijn onderwerp niet meester en tast en struikelt rond in denblinde; hij is het spoor bijster; zijne redeneeringen zijn omslachtig en onjuist en in strijdmet de wetenschap; ja, hij bezigt uitdrukkingen, die verraden, dat de eerste beginselender wetenschap hem onbekend zijn; hij laadt den schijn op zich van groote aanmatiging. ‘Zijn boek (dus luidt het eindoordeel in de Gids) heeft getoond, dat men velebuitenlandsche schrijvers doorgelezen en daarenboven nog akademische lessen kangehoord hebben, zonder daardoor nog in staat te zijn, om met eigen oordeel zelf op denbodem der zaak door te dringen’. En in de Konst- en Letterbode is het besluit, ‘dat,wanneer men dit werk tot maatstaf neemt, waarmede wij de kennis en het oordeel zijnerhooggeleerde leermeesters mogen afmeten, het bedroevend is te zien, welke theorieënuit de school der Utrechtsche faculteit voortkomen.’ Vanwaar deze eenstemmig vinnige bestrijding? Het valt ons thans niet moeielijk, op dezevraag het antwoord te geven. Daartoe is het voldoende, de herinnering op te halen aaneene lang verledene en thans zeker bijna vergeten episode uit onze letterkundige enhandelspolitische geschiedenis van die dagen, die toen tot veel en heftig geschrijf en zelfstot spotprenten aanleiding gaf. In 1832 waren bij den boekhandelaar Johs. Guykenszonder naam des auteurs twee vlugschriften uitgegeven: Bedenkingen over het credieten Gedachten over den handel, die blijkbaar uit ééne pen gevloeid waren. In dezegeschriften werd eene geheel nieuwe, althans eigenaardige theorie van het credietverkondigd, in verband met staatsschuld, papiergeld, credietpapier en bankwezen. Deslotsom was, de voortreffelijkheid van eene circulatie in credietpapier boven die in specieaan te toonen. Spoedig bleek het, dat deze boekjes slechts voorloopers en wegbereiderswaren van plannen tot oprichting eener nieuwe, grootsche credietinstelling, aanvankelijkgiro- en wisselbank later handelsbank genoemd. Deze plannen werden eerst in (1835 en'36) in beperkten kring vertrouwelijk medegedeeld, later in (1837 en '38) na velerleiomwerking, aan het groote publiek ten beste gegeven. Bij deze latere voordracht haddenzich als ontwerpers bekend gemaakt de heeren J.J.A. Santhagens, assuradeur teAmsterdam, Prof. J. Bake (zijn schoonbroeder) te Leiden, Mr. P.A. Brugmans, advocaat teAmsterdam en lid van de Permanente Commissie van het Amortisatie-Syndicaat. Denieuwe Handelsbank zou, op het voorbeeld der oude Amsterdamsche Wisselbank, maar
1
Van 5, 9, 11 en 17 October 1838.
2
Van 26 October en 2 en 6 November 1838.
3
Van November 1838, Boekbeoordeelingen blz. 596 v.v.Gepubliceerd op:www.nachtwakersstaat.nlpag. 3 van 22Januari 2008bron:
<nog uitzoeken, ziewww.dbnl.nl>
of 00

Leave a Comment

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...
You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...