heeft zijne waarde verloren; alles is degelijk, met zorg bewerkt. Men mag dit reedsverklaren van de Proeve. Na 1838 heeft niemand hetzelfde onderwerp behandeld, wanthet was niet noodig. Hetgeen Mees gedaan had, was goed gedaan’.Maar indien de jonge auteur in 1838 op eenige openbare goedkeuring van zijn werk (zoowelkom aan jeugdige vernuften, die hun eersteling de wereld inzenden) gehoopt heeft,dan is hij bitter teleurgesteld geworden. Zijn boek ontmoette strenge gisping. Slag opslag verschenen achtereenvolgens recensiën, eerst in het Amsterdamsche Handelsblad
,vervolgens in de Konst- en Letterbode
, eindelijk in de Gids
- die in die dagen begonnenwas, meedoogenloos den geesel der kritiek te zwaaien - recensiën, alle naamloos, maaralle even ongunstig. Dezen troost had althans de schrijver, dat zijn werk nietdoodgezwegen werd. Maar dit was ook de eenige. Na eenige vriendelijke loftuitingen overnaarstig onderzoek, vlijtige studie en goeden stijl, wordt den schrijver eene scherpeberisping toegediend over den inhoud en de strekking van zijn werk. In zijne theorie overde Banken, Bankgeld en Crediet (zoo werd er gezegd) is niet één enkel helder en zuiverbeginsel te ontdekken; er heerscht in het boek eene schromelijke verwarring vandenkbeelden; de schrijver is zijn onderwerp niet meester en tast en struikelt rond in denblinde; hij is het spoor bijster; zijne redeneeringen zijn omslachtig en onjuist en in strijdmet de wetenschap; ja, hij bezigt uitdrukkingen, die verraden, dat de eerste beginselender wetenschap hem onbekend zijn; hij laadt den schijn op zich van groote aanmatiging. ‘Zijn boek (dus luidt het eindoordeel in de Gids) heeft getoond, dat men velebuitenlandsche schrijvers doorgelezen en daarenboven nog akademische lessen kangehoord hebben, zonder daardoor nog in staat te zijn, om met eigen oordeel zelf op denbodem der zaak door te dringen’. En in de Konst- en Letterbode is het besluit, ‘dat,wanneer men dit werk tot maatstaf neemt, waarmede wij de kennis en het oordeel zijnerhooggeleerde leermeesters mogen afmeten, het bedroevend is te zien, welke theorieënuit de school der Utrechtsche faculteit voortkomen.’ Vanwaar deze eenstemmig vinnige bestrijding? Het valt ons thans niet moeielijk, op dezevraag het antwoord te geven. Daartoe is het voldoende, de herinnering op te halen aaneene lang verledene en thans zeker bijna vergeten episode uit onze letterkundige enhandelspolitische geschiedenis van die dagen, die toen tot veel en heftig geschrijf en zelfstot spotprenten aanleiding gaf. In 1832 waren bij den boekhandelaar Johs. Guykenszonder naam des auteurs twee vlugschriften uitgegeven: Bedenkingen over het credieten Gedachten over den handel, die blijkbaar uit ééne pen gevloeid waren. In dezegeschriften werd eene geheel nieuwe, althans eigenaardige theorie van het credietverkondigd, in verband met staatsschuld, papiergeld, credietpapier en bankwezen. Deslotsom was, de voortreffelijkheid van eene circulatie in credietpapier boven die in specieaan te toonen. Spoedig bleek het, dat deze boekjes slechts voorloopers en wegbereiderswaren van plannen tot oprichting eener nieuwe, grootsche credietinstelling, aanvankelijkgiro- en wisselbank later handelsbank genoemd. Deze plannen werden eerst in (1835 en'36) in beperkten kring vertrouwelijk medegedeeld, later in (1837 en '38) na velerleiomwerking, aan het groote publiek ten beste gegeven. Bij deze latere voordracht haddenzich als ontwerpers bekend gemaakt de heeren J.J.A. Santhagens, assuradeur teAmsterdam, Prof. J. Bake (zijn schoonbroeder) te Leiden, Mr. P.A. Brugmans, advocaat teAmsterdam en lid van de Permanente Commissie van het Amortisatie-Syndicaat. Denieuwe Handelsbank zou, op het voorbeeld der oude Amsterdamsche Wisselbank, maar
1
Van 5, 9, 11 en 17 October 1838.
2
Van 26 October en 2 en 6 November 1838.
3
Van November 1838, Boekbeoordeelingen blz. 596 v.v.Gepubliceerd op:www.nachtwakersstaat.nlpag. 3 van 22Januari 2008bron:
<nog uitzoeken, ziewww.dbnl.nl>
Leave a Comment