• Embed Doc
  • Readcast
  • Collections
  • CommentGo Back
Download
 
Levensbericht
1
van Mr. S. Vissering.
De man wiens leven en werken ik U in korte trekken zou willen teekenen, is mij sedertmijne jongelingsjaren een hartelijke vriend en raadsman geweest. Reden genoeg om mijniet te onttrekken aan de taak, welke het bestuur van deze afdeeling mij wel heeft willentoevertrouwen, maar zeker geen reden om den schroom te overwinnen met welken ik dietaak aanvaard.Intusschen is er ééne gedachte die mij moed geeft: Vissering is in den vollen zin van hetwoord een publiek man geweest; niet de geleerde die bij het ontvouwen van zijnewetenschap eigen gemoedsleven zorgvuldig afgesloten hield, maar veeleer de man diezich in zijne verspreide geschriften gegeven heeft, zooals hij zich gaf aan zijn gezin enaan zijne vrienden, met al zijn eigenaardigheden: zijn optimisme en godsdienstigen zin,zijne hoogheid van karakter en zijne voorzichtigheid, - altijd aan het ne praeter modumgedachtig - de fijnheid van zijnen scherpzinnigen geest, zijne oorspronkelijkheid enfrischheid van opvatting, zijn humor en schalkschen zin. Gelukkig zijn de geschriften, dievan dit alles getuigen, voor de meesten mijner toehoorders een open boek, zoodat dezeallen zonder moeite uit eigen herinnering aanvullen wat aan mijne schets ontbreken zal.Vissering is op 23 Juni 1818 te Amsterdam geboren en Amsterdammer bleef hij zijn levenlang, al werd ook het grootste deel van dat leven buiten de grenzen der staddoorgebracht. Niet alleen door wetduiding is Amsterdam voor hem hoofdstad: haarbedrijf is en blijft het hoofdonderwerp van zijne belangstelling en studiën; in haarspiegelt zich voor hem het grootsch verleden van zijn vaderland af, en als hij van detoekomst van dat vaderland droomt, moet Amsterdam voor dien droom de omtrekkenleveren.De ouderlijke woning stond in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar ik spreek, teweten in dat gedeelte van de stad, 't welk, ook in de jaren van verval, met zijnekinderjaren samenvallende, zijn bedrijvig karakter, beter dan eenig ander deel, bewaardhad. Bij het lezen van zoo menig opstel waarin later zijne fijne en keurige pen dewoelingen van eene groote stad kwam afteekenen: het aan- en afvaren van schepen, hetreppen van de nijvere handen met lossen en laden bezig, het gejoel van denluidruchtigen kleinhandel, heb ik dikwijls gedacht, dat wat hij ons daar zoonatuurgetrouw schetste het beeld moest zijn dat hij als kind opving, wanneer hij in deouderwetsche zijkamer, het voorhoofd tegen het vensterglas gedrukt, naar debuitenwereld uitkeek, zooals alleen een kind dat doen kan: met inspanning van al zijnevermogens.Met de indrukken van de buitenwereld zijn die van de ouderlijke woning inovereenstemming, want ook daar maken de groote belangen van handel en nijverheidschering en inslag uit van de dagelijksche gesprekken. Hem zelven voor den handel tewinnen vermochten al deze uitwendige invloeden niet; maar zij hebben toch ongetwijfeldsterk teruggewerkt op de verbeelding van het kind, hem de stof geleverd voor zijneeerste overdenkingen, en van den aanvang af aan die overdenkingen de praktischerichting gegeven, welke hij sedert bij zijne studiën nimmer uit het oog verloor.
1
Door gunstige beschikking van den schrijver overgenomen uit het Jaarboek der Koninklijke Academie vanWetenschappen 1890.Gepubliceerd op: www.nachtwakersstaat.nlpag. 1 van 18Januari 2008 bron:
<nog uitzoeken, zie www.dbnl.nl>
 
Al de neigingen van het kind wezen intusschen naar eene wetenschappelijke loopbaanheen, en gelukkig heeft de gelegenheid niet ontbroken die neigingen te bevredigen.Vissering studeerde van 1835 tot 1842 te Amsterdam en later te Leiden, tegelijk in deletteren en in de rechten; in de letteren omdat zijn hart daarheen trok; in de rechtenvermoedelijk om dezelfde praktische reden waarom duizenden aan die studie de voorkeurgeven: minder hare aantrekkelijkheid dan wel het besef dat, is de doctorstitel verworven,men een sleutel in handen heeft die in onze nederlandsche maatschappij op vrij watmeer sloten past dan welke andere ook, dien men aan het einde van eene akademischeloopbaan kan machtig worden.Te Amsterdam mocht hij nog D.J. van Lennep hooren en te Leiden trokken hem vóór allesBake en Peerlkamp, maar naast dezen, op rechtsgeleerd terrein, Van Assen enThorbecke: Van Assen omdat deze, evenals hij zelf, in de eerste plaats litterator en eerstdaarna rechtsgeleerde was; Thorbecke om de persoonlijkheid zelve, om de kracht die vanhem uitging, om het licht dat hij ontstak.Vissering is intusschen geen uitzondering geweest op den regel, dat wat wij aan dehoogeschool worden, veel meer van onze naaste omgeving afhangt dan van onzeleeraren. Zijn boezemvriend was Jean Gérard Frédéric Estré, de schrijver van deHoratiana Prosapographeia, een reine figuur bij uitnemendheid, in zeldzame matebeminnelijk en eerbiedwaardig tevens; een kweekeling op de school van het Waalscheweeshuis te Amsterdam, die door de weldadigheid van eenige stadgenooten tot de eerstevoorbereidende studiën werd in staat gesteld, maar later, aan zich zelven overgelaten,met taaie volharding en onuitputtelijk geduld door eigen inspanning de middelen wistbijeen te brengen om verder te komen, en die, als eindelijk de laatste belemmeringoverwonnen, het doel bereikt en de naam gevestigd is, op het eigen oogenblik waaropeen jarenlang vurig begeerd huwelijk zijn geluk bekroonen zal, door typhus werdweggerukt. In allerlei opzichten is Vissering een zondagskind van de fortuin geweest,maar wanneer op mij de taak rustte om de betrekkelijke waarde te bepalen van de veleongewone zegeningen die hem ten deel vielen, zou ik aan de vriendschap van Estré eenevan de eerste plaatsen willen toekennen. Of was het geen uitnemend voorrecht in de jongelingsjaren zijne hartsgeheimen aan zulk een hart te kunnen toevertrouwen - metzulk een geest te mogen samenwerken aan éénzelfde taak, en, te midden van deverstrooiingen der studentenwereld, door zulk een vriend in den ernst van het leven teworden ingewijd? Vissering heeft in de Gids aan de nagedachtenis van Estré een beknoptopstel gewijd, dat onder zijne verspreide geschriften de allereerste plaats inneemt, eenopstel waaruit ingehouden droefheid spreekt en dat als met zijn hartebloed geschrevenis, eene machtelooze poging om een tol van dankbaarheid te betalen die niet te betalenwas.Hoe innig en nauw de litterarische en juridische stu diën van Vissering verbonden waren,heeft hij zelf bij zijne promotie op 20 Juni 1842 eigenaardig uitgedrukt. Immers zijnedissertatie, Quaestiones Plautinae, moest hem zoowel het doctoraat in de letteren als datin de rechten verzekeren; want terwijl het eerste deel van dit proefschrift denblijspeldichter zelven gold, was het tweede bestemd om aan diens hand denrechtstoestand van het toenmalig Rome breedvoerig en nauwkeurig te schetsen. Ik benin geen enkel opzicht bevoegd over deze eerste vrucht van zijne studiën een oordeel uitte spreken, maar geef eenvoudig het oordeel van zeer bevoegden terug, wanneer ik zeg,dat zij zich door groote en ongewone verdiensten onderscheidde en dat de Quaestiones
Gepubliceerd op:www.nachtwakersstaat.nlpag. 2 van 18Januari 2008bron:
<nog uitzoeken, ziewww.dbnl.nl>
 
Plautinae, niet enkel hier maar eveneens in Duitschland, veel meer aandacht wekten dangewoonlijk aan akademische proefschriften ten deel valt.Na eenigen tijd in den vreemde te hebben doorgebracht, staat Vissering in 1843 gereedhet praktische leven in te gaan. Amsterdam is voor hem de aangewezen plaats om datleven te beginnen: het is zijne vaderstad en de gemeenschap waar hij meer dan eldersuitzicht heeft gelijkgezinden te zullen aantreffen bij wie hij zich zal kunnen aansluiten,meer dan elders ook vraag naar de diensten welke hij bij machte is der maatschappij tebewijzen. Toch gevoelt hij zich aanvankelijk eenzaam en verlaten genoeg in de grootestad. Ofschoon als lid van de balie ingeschreven, blijkt hem reeds spoedig dat daar zijnetoekomst niet liggen kan, want - hoe voortreffelijk jurist ook - de natuur had hem velevan de neigingen en eigenschappen onthouden zonder welke ook de beste jurist geenadvocaat wordt. Aan de hoogeschool had vooral het leven van Staat en Maatschappijzijne aandacht geboeid, misschien wel omdat bij de studie van de wetten, welke datleven beheerschen, weder die groote belangen van handel en nijverheid op denvoorgrond traden, welke reeds aan het kind zooveel ontzag hadden ingeboezemd. Dezebelangen, toen in zoo vele opzichten miskend, met zijne pen te dienen, was van denaanvang af zijn liefste wensch.Maar hoe dien wensch te bevredigen? Lang wachten paste hem niet, ook niet om hetbeperkte van de middelen waarover hij in die dagen beschikken kon, en hij mocht nietrekenen op den steun van anderen, want in de kringen, welke toen te Amsterdam overambten en voorrechten beschikten, was hij een vreemdeling. Met eenige inspanning zouhet zeker wel gelukt zijn tot die kringen door te dringen, maar hier stonden hem zijnenatuurlijke schuwheid en ook zijne van vragen afkeerige fierheid in den weg ‘Ik bedelliever om brood dan om posten’ schreef hij in het dagboek, waaraan hij tusschen '45 en'48 zijne geheime gedachten, zijn zoeken en aarzelen, zijne verwachtingen enteleurstellingen heeft toevertrouwd.Hij moest dus zich zelven eene baan breken, en op het voetspoor van Estré, die vrij watgrooter moeielijkheden zegevierend was te boven gekomen, wenschte hij niet anders.Trouwens hij mocht zoo wenschen, want wie hem kenden wisten dat hij alles in zichvereenigde wat noodig was om juist in die dagen te slagen. Vissering kwam de wereld inmet een wetenschappelijke bagaadje van meer degelijken en deugdelijken inhoud danaan verreweg de meesten van zijne tijdgenooten toebehoorde, en hij beschiktedaarenboven over bijzondere gaven, welke allen hem mochten benijden; - hij kwam meteen zeer zelfstandig karakter, niet gewoon voor vreemden invloed te bukken; - hij kwammet strenge beginselen van godsvrucht, deugd en zedelijkheid, welke hij te midden vanhet studenten-leven onbesmet had weten te handhaven; - hij kwam met eene brandendebegeerte om zich tot een man van beteekenis op te werken, en hij kwam in een tijd toende maatschappij aan mannen van zijn stempel dringende behoefte had.Bedrieg ik mij niet dan heeft de jongelingschap van heden aan Vissering en zijnetijdgenooten niets zoozeer te benijden als het oogenblik waarop het hun gegeven werdhunne praktische werkzaamheid te beginnen; want kwalijk zou men in deze negentiendeeeuw een ander kunnen noemen, zoo opwekkend, zoo aangrijpend, zoo prikkelend voor jonge mannen, die, bewust van hunne kracht, naar een tooneel zoeken waarop zij diekracht kunnen ontwikkelen, als dezelfde jaren '44 en '45 geweest zijn. De oude ordestaat nog overeind, maar de zichtbare teekenen van haren naderenden val zijn overalvoorhanden en vermenigvuldigen zich met den dag.
Gepubliceerd op:www.nachtwakersstaat.nlpag. 3 van 18Januari 2008bron:
<nog uitzoeken, ziewww.dbnl.nl>
of 00

Leave a Comment

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...
You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...