• Embed Doc
  • Readcast
  • Collections
  • 1
    CommentGo Back
Download
 
 [p. 5]Voor Sigrid[p. 7]
Woord vooraf 
In de vernietigende kritiek die Kant in 1766 schreef op de Zweedse spiritist Schwedenberg,verontschuldigt hij zich de lezer een paar ogenblikken te ontroven ‘die hij anders waarschijnlijk met even weinig resultaat aan de lectuur van
 grondige
geschriften over dezematerie was kwijt geweest’. Toch meende Kant de lezer tegemoet te komen ‘door vele wildehersenspinsels weg te laten’, waarvoor hij evenveel dank verwachtte ‘als een patiënt zijnartsen ooit eens schuldig dacht te zijn, omdat ze hem alleen de bast van de kinineboom lietenverorberen terwijl ze hem net zo goed hadden kunnen dwingen de hele boom op te eten’. Datis, denk ik, de beste houding die een filosoof aan kan nemen wanneer hij of zij zich op hetgebied van de kunsten waagt, iets waar ik mij de laatste jaren tot mijn eigen verbazing in hebvermeid. In dit boek zijn de vele hersenspinsels die zich in de esthetica voordoen zoveelmogelijk over het hoofd gezien, zij het aan het eind vooral om de eigen speculaties de ruimte te bieden die ik anderen nauwelijks heb gegund.De titel van dit boek en enkele zinsneden uit de laatste hoofdstukken ontleende ik aanhet gelijknamige artikel dat ik in 1989 in
 De Gids
publiceerde. Ook hoofdstuk 5 over deBeweging van Vijftig verscheen eerder in een wat kortere versie in
 De Gids
(1991). De citatenin
Steeds mooier 
zijn alleen dan vertaald, als het origineel gemist kon worden. Bij enkelecitaten ben ik de lezer tegemoet gekomen door in de noten een vertaling op te nemen,strevend naar de hachelijke balans tussen achting voor de lezer en een behaaglijk snobisme.Dit boek was zonder de onvermoeibare en even strenge als opbeurende kritiek vanGerard de Vries niet in deze vorm ver-[p. 8]schenen en hoogstwaarschijnlijk zelfs nooit geschreven. Ik ben hem dan ook aanzienlijk meer dank verschuldigd dan de door Kant genoemde patiënt. Dat geldt ook voor mijn leermeester van het eerste uur, Maarten van Nierop, wiens nauwgezet lezen en ruimhartige scepsis mijvoor een aantal uitwassen hebben behoed. Daarnaast gaat mijn dank uit naar prof. dr. CarelBlotkamp, dr. R.L.K. Fokkema, Hans van Straten en Willem Visser, die het manuscript of delenervan van kritisch commentaar voorzagen, evenals Rein de Wilde en Jo Wachelder. Delaatsten waren de afgelopen jaren met veel andere collega's uit Maastricht verantwoordelijk voor een intellectueel klimaat dat in deze voor universiteiten zo sombere tijden toch welongebruikelijk mag heten. Als laatste dient de eerste genoemd te worden naar wie mijn dank voor veel zinvol commentaar en nog meer uitgaat, Sigrid Sijthoff. Aan haar draag ik dit boek op. Amsterdam, juni 1994
Woord vooraf bij de derde druk 
 
De vele reacties die dit boek de afgelopen jaren opriep maakten het verleidelijk om met namede slothoofdstukken flink uit te breiden. Daarmee zou het echter een ander boek zijngeworden. Aangezien mijn opvattingen in grote lijnen niet veranderd zijn, is in overleg met deuitgever besloten, om met enkele kleine aanpassingen en toevoegingen te volstaan. Amsterdam, mei 1997 
 
[p. 11]
Inleiding
 Het tweede werk van Herakles
 
Aan het voorwoord van zijn
 Philosophische Untersuchungen
liet Ludwig Wittgenstein eenmotto voorafgaan van de negentiende-eeuwse Oostenrijkse toneelschrijver en satiricus Nestroy: ‘Ueberhaupt hat der Fortschritt das an sich, daß er viel größer ausschaut, als er wirklich ist.’ Dit motto, aldus de inleiding tot de Nederlandse vertaling, slaat eigenlijk nergensop, want Wittgenstein heeft het in de
 Philosophische Untersuchungen
nooit over historischezaken of processen, laat staan over vooruitgang. Zijn filosofie sluit ook uit dat over eenverschijnsel als vooruitgang iets zinnigs kan worden beweerd. Daarom, schrijft de inleider,‘blijft het min of meer raadselachtig, waarom Wittgenstein tot de keuze van juist dit citaatgekomen is’.
1
 Die raadselachtigheid kleeft steeds aan de manier, waarop de idee van vooruitgang indeze eeuw weer opduikt. Vooruitgang, zo hoort men voortdurend, is een verouderde idee,gebaseerd op een metafysische geschiedopvatting waar reeds lang mee is afgerekend.Vooruitgang, zo luidt de gangbare mening, was het geloof van de negentiende eeuw, eengeloof dat toen al aan kritiek blootstond, maar dat definitief gevonnist werd met het uitbrekenvan de Eerste Wereldoorlog, een gebeurtenis die het optimistische Westen de schellen van deogen deed vallen.
2
Vooruitgang, zo wordt telkens opnieuw geconstateerd, is de fossiele brandstof die de grote verhalen van de geschiedenis en de rampzalig gebleken ideologieënlang gaande heeft gehouden, een brandstof die nu eindelijk is uitgeput. Of, zoals Gerard Revehet eens kernachtig samenvatte: ‘Vooruitgang bestaat niet, en dat is maar goed ook, wantzoals het is, is het al erg genoeg.’
3
 Het is dan ook merkwaardig dat filosofen van de twintigste[p. 12]eeuw onophoudelijk bezig zijn geweest om een geloof of een idee af te zweren, die volgens de
communis opinio
van hun vakgebied eigenlijk al sinds jaren achterhaald is. Een aanzienlijk deel van de wijsgerige arbeid van deze eeuw heeft aldus veel weg van het geploeter waarvoor Herakles zich gesteld zag toen hij de koppen van de vreselijke Hydra moest afslaan, terwijl bekend was dat ze onmiddellijk weer aan zouden groeien. De naam van het veelkoppigemonster is Vooruitgang: de mythologische lading van dit begrip doet niet onder voor die vanhet gedrocht dat Herakles onder handen nam. Maar de laatste had meer succes dan defilosofie in haar worsteling met Vooruitgang, want nog altijd is het de vraag of het wijsgerigwerk inmiddels voltooid is. Moet Nestroy's motto niet eerder worden omgedraaid,
hat der  Fortschritt nicht das an sich, daß er viel kleiner ausschaut, als er wirklich ist 
?Zo richt een omvangrijk deel van vooral het continentale denken van deze eeuw zich opwat onze door technologie beheerste cultuur wordt genoemd. In de invloedrijke filosofie vande latere Heidegger, maar niet minder in die van zulke uiteenlopende auteurs als LewisMumford, Hans Jonas, Hannah Arendt en Arnold Gehlen klinkt als onafgebroken grondtooneen fundamentele kritiek mee op het westerse vooruitgangsdenken, op een voortschrijdendetechnologie die vanuit een even fataal als kortzichtig geloof het bestaan, de cultuur of hetleven allengs meer veronachtzaamt en bedreigt.Ook in de traditie van de Frankfurter Schule, en dan in de eerste plaats sinds hetverschijnen van Horkheimers en Adorno's
 Dialektik der Aufklärung 
(1947), vormt de kritiek op ‘het destructieve van de vooruitgang’, op
le prix du progrès
, een zelden ontbrekend bestanddeel.
4
Belangrijke naoorlogse denkers als Marcuse en Habermas hebben veelaandacht besteed aan een als instrumenteel of technisch gekarakteriseerde rationaliteit; in hunanalyse daarvan worden ontwikkelingen doorgelicht en aan de kaak gesteld die bij nader inzien maar al te vaak als het geraamte van een impliciete vooruitgangsideologie kunnenworden herkend.Bij een filosoof als Foucault komt dat in nog sterkere mate[p. 13]naar voren. Zijn werk kan begrepen worden als een niet-aflatend gevecht met het monster datVooruitgang heet. Enerzijds brengt zijn historisch werk vanuit talloze invalshoeken destructuren aan het licht waarmee de als vooruitgang begrepen ontwikkeling van onze cultuur ontmaskerd wordt als een juist toenemende disciplinering en beheersing van het menselijk  bestaan. Anderzijds beklemtoont hij als historicus telkens de breuken in het verleden enneemt hij de discontinuïteit tussen verschillende periodes tot vertrekpunt van dergelijkeontmaskeringen.In andere regionen van de filosofie waart dezelfde hydra van de vooruitgang rond, bijvoorbeeld in de debatten die vanaf Thomas Kuhns baanbrekende
The Structure of  Scientific Revolutions
(1962) in de wetenschapsfilosofie zijn gevoerd. Weliswaar gingen dezediscussies het meest expliciet over de vermeende rationaliteit waarmee wetenschap zichontwikkelde, maar onder de oppervlakte speelde voortdurend de vraag mee, in hoeverre dieontwikkeling als een vorm van vooruitgang kon worden opgevat, als een steeds verder voortschrijden in kennis. Uitgerekend hierin school het engagement waarmee deze strijd werdaangegaan.Het misschien wel meest opvallende gebied waarin vooruitgangsideeën zich even
 
krachtig als onzichtbaar, of beter: op een nauwelijks gereflecteerde manier manifesteerden, ishet terrein van de kunsten. Terwijl in onze eeuw de vraag naar de betekenis en zinvolheid vandergelijke ideeën in de kunst vrijwel nooit meer aan een serieuze analyse werd onderworpen,was de vooruitgangsgedachte tegelijkertijd een van de meest cruciale uitgangspunten van deavant-garde, en eigenlijk van alle stromingen en bewegingen (reeds veelzeggendesubstantiva) in de moderne kunst. Kunstwerken die niet ‘modern’ waren of zich niet lieten beschrijven in termen van een impliciet vooruitgangsjargon, telden lange tijd nauwelijks mee.Pas met het tegenwoordig veelbesproken eind van de avant-garde, met de sinds enkeledecennia steeds vaker geconstateerde ‘crisis’ in de hedendaagse kunsten en met de algeheleverbreiding van het postmoderne gedachtengoed ontstaat er enige reflexieve be-[p. 14]langstelling voor de zo invloedrijke historische categorie van vooruitgang.
 Na de geschiedenis
 
Er is iets aan het veranderen in de kunst. Of dit de laatste tien jaar zo is, of de laatste vijftig jaar, valt moeilijk te zeggen. Het gaat om een complex verschijnsel bij zeer uiteenlopendekunsten in niet minder verschillende landen en culturele tradities. Hoewel er in de westersesamenleving steeds meer aandacht aan kunst wordt besteed, heerst er tegelijkertijd een soortstuurloosheid, een gevoel van ijdelheid en willekeur dat deze aandacht uitholt, vluchtig maakt.De voorspelbare toekomst en een bevattelijk geordend verleden beginnen langzamerhand uitzicht te raken en daarmee de oriëntatie in het heden. De kunsten lijken in de pluriformiteit vanhet eigen succes hun identiteit en zeggingskracht te verliezen.Dergelijke intuïties en opvattingen leven onder kunstenaars, critici en consumenten vanelke kunsttak. Nieuwe composities in de hedendaagse muziek dreigen steeds in de margeterecht te komen of te blijven, terwijl er door de enorme veelvormigheid weinigovereenstemming meer bestaat over welke ontwikkelingen er eigenlijk toe doen. In deliteratuur is de tijd van de experimentele roman voorbij, evenals een omvangrijke reeksvernieuwingen in de poëzie; men valt op oude vormen terug of zet ze voort. De architectuur heeft zich de laatste twintig jaar aan een lang overheersend functionalisme ontworsteld enciteert nu met meer of minder exuberantie uit de rijkdommen van het verleden. Tijdschriftenover beeldende kunst en kunstenaars discussiëren al jaren over het einde van deschilderkunst.Deze hele ontwikkeling, of misschien juist dit gebrek aan ontwikkeling, gaat met een zeker onbehagen gepaard. Is alles al gedaan en gezegd, is vernieuwing niet meer mogelijk? Was hetfin de siècle van honderd jaar geleden slechts een kortstondige voorafspiegeling van hetallesverpletterende
 finis millennii
dat ons nu te wachten staat? Zijn we op het gebied van dekunst[p. 15]werkelijk in een post-historische tijd terechtgekomen, waarin alles kan en dus niets meer telt?Het is duidelijk: de kunsten hebben het moeilijk en er gaan stemmen op dat ze hun tijd hebbengehad.Een van de belangrijkste hedendaagse vertegenwoordigers van deze idee is deAmerikaanse filosoof en kunstcriticus Arthur Danto, die zijn veelbesproken stelling over heteinde van de kunst van een filosofische fundering voorziet door precies het concept vanvooruitgang in de kunst aan te vallen. Danto gaat een stap verder dan de vele schrijvers,critici en kunstenaars die in de voorafgaande jaren het eind van de avant-garde en hetmodernisme hebben verkondigd; hij ziet het tijdsgewricht van nu als het eindpunt van eenveel langere ontwikkeling.
5
 Zijn fascinerende relaas beperkt zich tot de beeldende kunsten, maar heeft een ruimerestrekking. Danto stelt dat er drie modellen zijn om de geschiedenis van kunst te beschrijven.Het eerste beschouwt kunst als
representatie
van de werkelijkheid, en haar geschiedenis alseen geleidelijk betere weergave van die werkelijkheid. (Vasari beschreef dit destijds voor een beperkte periode - van Cimabue tot Michelangelo - en deze eeuw verdedigde dekunsthistoricus Gombrich het voor een veel langere termijn.) Op een gegeven moment isverdere perfectionering niet meer mogelijk. Schilderkunst en sculptuur worden bijvoorbeelddoor de filmkunst voorbijgestreefd, die immers beweging in beeld brengt en aldus dewerkelijkheid veel dichter benadert. De uitweg van de abstracte kunst is binnen dit model eendoodlopende weg, want een verwijdering van het ideaal van een volmaakte, door Dantooptisch opgevatte, mimesis.
6
 De tweede vorm van kunstgeschiedenis ziet kunst als
expressie
. Danto presenteert deze benadering als een vluchtroute voor beeldende kunstenaars uit het begin van deze eeuw, diezich van het failliet van representerende kunst bewust werden. In deze geschiedopvatting isvooruitgang even onzinnig als in het vorige geval, omdat er geen ‘mediating technology of expression’ valt aan te wijzen. Waar de middelen om de realiteit weer te geven nog als eenreeks voortschrijdende technieken en kunstgrepen (zoals de uitvinding van het perspectief)konden worden[p. 16] beschreven, is dit bij expressie niet mogelijk. Kunstgeschiedenis is zo beschouwd niet meer dan een opeenvolging van losse, min of meer artistiek geslaagde uitingen, een soort biografieënreeks zonder vooruitgang.
7
 Het derde, door Danto vertolkte soort kunstgeschiedenis ziet kunst op een hegeliaansemanier als een vorm van
 zelfbegrip
, waarin het theoretische bestanddeel allengs groter wordt,totdat het conceptuele gehalte zo omvangrijk is dat kunst in filosofie overgaat. Danto
of 00

Leave a Comment

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...

pdf is beschadigd ...helaas

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...