• Embed Doc
  • Readcast
  • Collections
  • CommentGo Back
 
LJN: BH0726Rechtbank Rotterdam08/3181
Datum uitspraak: 15-01-2009Datum publicatie: 23-01-2009Rechtsgebied: Bestuursrecht overigSoort Procedure: Eerste aanleg - meervoudigZaaknummers: 08/3181Inhoudsindicatie: Artikel 2:55 Wet op financieel toezicht. Weigering vergunning door AFM aanaanbieder van beleggingsobjecten. Beheerste en integere bedrijfsvoering,doorzichtigheid zeggenschapsstructuur en deskundigheidsvereisten. Deafwikkeling van het bedrijf valt buiten de omvang van het geding.
Uitspraak 
RECHTBANK ROTTERDAMSector BestuursrechtMeervoudige kamerReg.nr.: AWB 08/3181-BCUitspraak in het geding tussen1. GIN Bomenexploitatiemaatschappij B.V., te Veldhoven (hierna ook: GIN Bomen),2. [Belanghebbende], te [woonplaats] (hierna ook: [X]),tezamen hierna ook: eisers,gemachtigden eisers mr. G.P. Roth, mr. M. van Eersel en mr. P. Bos, advocaten te Amsterdam,enStichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (hierna: de AFM),gemachtigde mr. H.J. Sachse en mr. P.L. Reeser Cuperus, advocaten te Amsterdam.1 Ontstaan en loop van de procedureBij besluit van 26 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft de AFM het bezwaar van eiserstegen het besluit van 28 december 2007 strekkende tot afwijzing van de aanvraag om vergunningals bedoeld in artikel 2:55 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft), ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.De griffier heeft partijen bij brief van 3 december 2008 als volgt bericht:“Met betrekking tot bovengemelde zaak bericht ik u dat ter zitting op 12 december 2008 deverhouding tussen beheren als bedoeld in de definitie van aanbieden en in de definitie vanbeleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2:55 in verbinding met artikel 1:1 van de Wet op het
 Jure.nl- rechterlijke uitspraken online Pagina 1/9
 
LJN: BH0726Rechtbank Rotterdam08/3181
financieel toezicht en het in het overgangsrecht begrepen afwikkelen van het bedrijf als bedoeld inartikel 6c van de Tijdelijke regeling invoering Wft aan bod zal komen. In dit verband zal de vraagspelen of de begrippen beheren en afwikkelen al dan niet inwisselbaar zijn en zal de vraag aan bodkunnen komen in hoeverre het zojuist genoemde overgangsrecht met zich brengt dat eventueleaanwijzingen van de AFM met betrekking tot de termijn waarbinnen afwikkeling dient plaats tehebben mede aan bod kunnen komen bij de beoordeling van de weigering van vergunning. In ditlaatste verband kan ten slotte de vraag naar de verhouding tussen het voornoemdeovergangsrecht en artikel 1:75, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht aan bod komen.”Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2008. Eisers hebben zich latenvertegenwoordigen door mr. Van Eersel en mr. Bos. Voorts is namens eisers verschenen [X]. De AFMheeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.2 Overwegingen2.1 Grondslag van het geschilArtikel 1:1 van de Wft bevat definitiebepalingen van onder meer aanbieden en beleggingsobject.Onder aanbieden wordt – voor zover hier van belang – verstaan: het in de uitoefening van een beroepof bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartijaangaan van een overeenkomst met een consument of, indien het een verzekering betreft, cliëntinzake een financieel product dat geen financieel instrument is of het in de uitoefening van eenberoep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst. Onderbeleggingsobject wordt – voor zover hier van belang – verstaan: een zaak, een recht op een zaak of een recht op het al dan niet volledige rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van eenzaak, niet zijnde eenproduct als bedoeld in de onderdelen b tot en met h van de definitie vanfinancieel product in dit artikel, welke anders dan om niet wordt verkregen, bij welke verkrijging aande verkrijger een rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer van dezaak hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de verkrijger.Ingevolge artikel 2:55, eerste lid, van de Wft is het verboden in Nederland zonder een daartoe doorde AFM verleende vergunning beleggingsobjecten aan te bieden.Artikel 2:58 van de Wft luidt:“1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in 2:55,eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in datartikel bedoelde personen;b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integerebedrijfsuitoefening;d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; ene. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur te bepalen gegevens.3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen vande eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot het tweede en vierdelid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot hettweede lid van artikel 4:15, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
 Jure.nl- rechterlijke uitspraken online Pagina 2/9
 
LJN: BH0726Rechtbank Rotterdam08/3181
voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereikenanderszins worden bereikt.”Ingevolge artikel 1:75, eerste lid, onderdeel a, kan de toezichthouder een financiële ondernemingdie niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het geven vaneen aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn tenaanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.In het derde lid van dat artikel is bepaald dat een aan een persoon gegeven aanwijzing niet strekttot aantasting van overeenkomsten tussen die persoon en derden.Artikel 6c van de Tijdelijke regeling invoering Wft (Stcrt. 2007, 162), dat voorheen was genummerd6aa (Stcrt. 2007, 95), luidt als volgt:“Artikel 31 van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht dient te wordengelezen als waren aan dat artikel twee leden toegevoegd, luidende:5. Indien de aanvraag van een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, door detoezichthouder is afgewezen, mag de financiëledienstverlener zonder vergunning of ontheffing zijnbedrijf afwikkelen. De toezichthouder kan een termijn bepalen voor de afwikkeling. De AutoriteitFinanciële Markten kan de financiëledienstverlener voorschriften geven terzake van de afwikkelingmet het oog op het adequaat functioneren van de financle markten of de positie van deconsumenten op die markten.6. Het bij en krachtens het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wet op hetfinancieel toezicht bepaalde is van overeenkomstige toepassing op financiëledienstverleners die opgrond van het eerste lid hun werkzaamheden mogen voortzetten en op financiële dienstverleners dieop grond van het vijfdelid hun bedrijf mogen afwikkelen.”De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten.GIN Bomen heeft aan consumenten in Nederland het product Groengroeiplan aangeboden. Ditproduct gaf de consument recht op de verkoopopbrengst van Robiniahout van een specifiekgenummerd perceel op één van de plantages van GIN Bomen in Nederland of Frankrijk. Vanaf 1 januari 2006 werden uitsluitend nog participaties in Frankrijk verkocht. De consument betaalde voorhet verkrijgen van een recht opde verkoopopbrengst van het Robiniahout een inlegbedrag van €69.000,- per hectare. Dit bedrag is overigens niet de minimale deelname. Deelnemers kondendeelnemen voor een bedrag onder de € 50.000,-. De einduitkering aan de consument heeft plaats na20 jaar. Op de Nederlandse plantages vindt een tussenkap plaats na acht en na vijftien jaar, waarvande opbrengsten ten goede komen aan de consument. De verkoopopbrengst van de kap (planken) isafhankelijk van het houtvolume dat zich op het perceel bevindtbij de afwikkeling van het contract, dedan geldende marktprijs en de verwerkingskosten. Aan de participanten is destijds een certificaatvan deelname toegezonden. Voorts konden zij deelnemen aan een volumegarantieregeling.De aandelen van GIN Bomen zijn voor 100% in het bezit van Groen Invest Nederland B.V. (hierna:Groen Invest). Groen Invest heeft daarnaast nog de volgende 100%-dochtermaatschappijen: GINGrondexploitatiemaatschappij B.V., GIN Research&Development B.V. en GIN Vastgoed B.V. Deaandelen van Groen Invest zijn voor 100% in bezit van FAM Beheer II B.V. (dit laatste komt nietovereen met het handelsregister, maar volgt uit opgave van GIN Bomen). De aandelen van FAMBeheer II B.V. worden alle gehouden door Stichting Administratiekantoor FAM Beheer II B.V., diedaarvoor op haar beurt certificaten van aandelen heeft uitgegeven aan [X] Beheer B.V. (40 000certificaten) en de Stichting Certificaathouders Groen Invest Nederland (2 certificaten, die het rechtop twee prioriteitsaandelen vertegenwoordigen). [X] is bestuurder van [X] Beheer B.V., de Stichting
 Jure.nl- rechterlijke uitspraken online Pagina 3/9
of 00

Leave a Comment

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...
You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...