LJN: BH0726Rechtbank Rotterdam08/3181
financieel toezicht en het in het overgangsrecht begrepen afwikkelen van het bedrijf als bedoeld inartikel 6c van de Tijdelijke regeling invoering Wft aan bod zal komen. In dit verband zal de vraagspelen of de begrippen beheren en afwikkelen al dan niet inwisselbaar zijn en zal de vraag aan bodkunnen komen in hoeverre het zojuist genoemde overgangsrecht met zich brengt dat eventueleaanwijzingen van de AFM met betrekking tot de termijn waarbinnen afwikkeling dient plaats tehebben mede aan bod kunnen komen bij de beoordeling van de weigering van vergunning. In ditlaatste verband kan ten slotte de vraag naar de verhouding tussen het voornoemdeovergangsrecht en artikel 1:75, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht aan bod komen.”Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2008. Eisers hebben zich latenvertegenwoordigen door mr. Van Eersel en mr. Bos. Voorts is namens eisers verschenen [X]. De AFMheeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.2 Overwegingen2.1 Grondslag van het geschilArtikel 1:1 van de Wft bevat definitiebepalingen van onder meer aanbieden en beleggingsobject.Onder aanbieden wordt – voor zover hier van belang – verstaan: het in de uitoefening van een beroepof bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartijaangaan van een overeenkomst met een consument of, indien het een verzekering betreft, cliëntinzake een financieel product dat geen financieel instrument is of het in de uitoefening van eenberoep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst. Onderbeleggingsobject wordt – voor zover hier van belang – verstaan: een zaak, een recht op een zaak of een recht op het al dan niet volledige rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van eenzaak, niet zijnde eenproduct als bedoeld in de onderdelen b tot en met h van de definitie vanfinancieel product in dit artikel, welke anders dan om niet wordt verkregen, bij welke verkrijging aande verkrijger een rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer van dezaak hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de verkrijger.Ingevolge artikel 2:55, eerste lid, van de Wft is het verboden in Nederland zonder een daartoe doorde AFM verleende vergunning beleggingsobjecten aan te bieden.Artikel 2:58 van de Wft luidt:“1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in 2:55,eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in datartikel bedoelde personen;b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integerebedrijfsuitoefening;d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; ene. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur te bepalen gegevens.3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen vande eisen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot het tweede en vierdelid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot hettweede lid van artikel 4:15, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
Jure.nl- rechterlijke uitspraken online Pagina 2/9
Leave a Comment