Mijn aanpak zou ik trouwens niet willen adviseren aan debutanten, of aan lopers metnog maar heel weinig marathonervaring. Het lopen van meer en langere duurlopenmoet ook redelijk voorzichtig worden opgebouwd, als je tenminste vervelende blessures buiten de deur wilt houden. En wat niet minder belangrijk is: je moet zoietsook leuk vinden! Jij schrijft zelf ook voortdurend dat je moet trainen op een manier die je leuk vindt. Op dat punt zijn we het helemaal eens, en dat uitgangspunt kan ook nooit teveel benadrukt worden. Lopers die vooral opzien tegen de lange duurlopen dienu eenmaal bij elke marathontraining horen, en daar weinig lol aan beleven, moetenzich dus niet aan mijn aanpak wagen. Laat dat duidelijk zijn.Je vroeg je af of ik in die eerste periode van marathonlopen mijn intervallen entempoloopjes niet in een te hoog tempo had gedaan. Ik vermoed van niet, maar met100% zekerheid kan ik dat niet stellen. Ik train namelijk niet op de baan, en gebruik ook vrijwel nooit een hartslagmeter. Wel heb ik in de omgeving diverse looproutesopgemeten, met op veel plaatsen stukken van precies 500 meter of een kilometer. Opdie plaatsen kan ik het tempo altijd even controleren. Ook neem ik regelmatig evenhandmatig mijn hartslag op (ik kwam er al snel achter dat het resultaat daarvannauwelijks afweek van wat de hartslagmeter aangaf). Bij intervallen werk ik meestalmet minuten in plaats van afstanden, dus 3, 4 of vijf minuten tempo. Als ik datomreken naar duizendjes, dan gingen die hooguit in iets boven de 4 minuten (duslangzamer dan mijn tempo op de 10 km), en de meeste tempoloopjes werden ietslangzamer dan het beoogde marathontempo van 4.15 per km afgewerkt (4.15 tot4.30). Maar ik liep toen wel beduidend minder lange duurlopen, en die langeduurlopen gingen ook vlotter dan tegenwoordig. Toen was het duurlooptempo meestaliets van 5.00 tot 5.15 per km, nu iets van 5.30 tot 5.45 per km. Destijds wilde ik delange duurlopen niet veel trager doen, omdat dat ten koste zou kunnen gaan van delooptechniek. Ook langzaam lopen moet je namelijk leren. Nu ik wel langzamer durf te lopen, bouw ik in lange duurlopen regelmatig een ontspannings- of versnellingselement in. Bijvoorbeeld elk half uur een paar minuten versnellen, evenwat skippings doen, of een stukje achterstevoren lopen. Je voorkomt ermee dat hetlichaam “indommelt”, je zet de boel weer een beetje op scherp, en kunt veel langer lopen met het gevoel dat het redelijk soepel gaat.Het grootste verschil tussen ons zit hem vooral in de manier waarop er naar snelheid,duurvermogen en energie wordt gekeken. Jij benadert het van een andere kant dan ik.Eerst maar even het punt “snelheid”. Je schrijft: “Maar je wil juist snelheid winnen”.Dat snap ik niet goed. De snelheid die je op de marathon kunt bereiken ligt altijdonder de snelheid die je op een 10 km weet te realiseren. Die marathonsnelheid heb jedus al, die hoef je niet meer te winnen. Natuurlijk komt het voor dat lopers hun basissnelheid op moeten voeren, om de gewenste marathontijd te kunnen realiseren.Maar dan moeten ze ook eerst hun tijd op de 10 km verbeteren. Over die categoriehad ik het niet. Ik had vooral lopers in gedachten wiens marathontijd achter blijft bijwat je zou mogen verwachten op grond van hun tijden op bijvoorbeeld de halvemarathon. Jouw opmerking over mijn eventuele “wens” om 2.48 op de marathon telopen illustreert dat fraai. Uitgaande van mijn tijden op 10 km en halve marathon is2.48 een irreëel streven. Daarvoor moet eerst mijn basissnelheid omhoog. En daarvoor moet je inderdaad anders gaan trainen. Maar dat wil ik helemaal niet.
Voor een 50-plusser heeft dat ook niet zoveel zin meer.
Mijn uitgangspunt is dus het al bereikte niveau op de halve marathon, en vervolgens kijk ik naar de tijd die je dan
Leave a Comment