• Embed Doc
  • Readcast
  • Collections
  • CommentGo Back
Download
 
In de voetsporen van Fernand Braudel :
 
De wereld-systeemanalyse
Marc Vandepitte
Gevonden op: http://www.flwi.ugent.be/worldsystems/WatisWSA.htmVlak na de Tweede Wereldoorlog lanceerde
Harry Truman
, toenmalig president van de VS,de zogenaamde ‘mythe van de ontwikkeling’: indien de ‘onderontwikkelde landen' enkelekenmerken van de rijkere landen zouden overnemen - o.a. moderne wetenschap, technischekennis, industrialisering, democratie - dan zouden ze na verloop van tijd hetzelfdewelvaartspeil kunnen bereiken als de ‘ontwikkelde landen’. Tegen dit eurocentrischvooruitgangsoptimisme kwam al gauw protest, vooral vanuit de Derde Wereld. In Latijns-Amerika ontstond het ‘dependentie-denken’.
Gunder Frank 
publiceerde
 De ontwikkeling van de onderontwikkeling 
,
Samir Amin
schreef een aantal baanbrekende werken over deongelijke ruil en de kapitaalaccumulatie in het licht van de Noord-Zuidverhoudingen. Sterk geïnspireerd door de Franse historicus
Fernand Braudel
, publiceerde
ImmanuelWallerstein
het eerste deel van
The Modern World-System
. Al gauw groepeerden zich in deVS een aantal onderzoekers uit verschillende menswetenschappen zich rondom Wallerstein.De wereld-systeemanalyse (WSA) was geboren en groeide uit tot een heuse denktank, jaarlijks goed voor honderden wetenschappelijke publicaties, colloquia, seminaries. Dezedenkrichting is niet meer weg te denken en heeft vaste voet gekregen in de handboeken voor sociale wetenschappen, internationale politiek, derdewereldproblematiek, geschiedenis, enz.De WSA was en is niet zozeer een nieuwe theorie dan wel een protest tegen hethogervermelde ontwikkelings- en moderniseringsdenken. Dit protest gebeurt wel opwetenschappelijke basis. Het kant zich ook tegen het positivisme en tegen de zogenaamdeneutraliteit van de sociale wetenschappen. Het deelt dit protest met veel andere stromingen,maar de kritiek gaat meestal dieper, tot en met het in vraag stellen van de fundamenten van desociale wetenschappen die in de negentiende eeuw het licht zagen. Het is dus een debat over de fundamenten. De WSA bevat veel elementen uit andere theorieën of paradigma's. Oudereaspecten worden op een andere wijze behandeld. Hier en daar zijn er nieuwe concepten enandere invalshoeken of benaderingen. Het zijn vooral de combinatie en de accenten diegelegd worden, die het eigene van de WSA uitmaken.De WSA kan niet echt een school genoemd worden, ofschoon er tientallen onderzoekers zich
 
 bekennen tot de WSA. De WSA bezit geen canon, geen vast platform dat alle 'volgelingen'onderschrijven. Het is eerder te vatten met het concept 'familiegelijkenissen' zoalsWittgenstein dat gebruikte. In wat volgt proberen we enkele van die familiegelijkenissen te beschrijven.1. Statuut van de sociale wetenschap: unidiciplinariteitTraditioneel worden de sociale wetenschappen onderverdeeld in een aantal onderscheiden'disciplines': economie, politieke wetenschappen, sociologie en antropologie (en eventueelgeografie). Deze opsplitsing (zowel wat betreft onderwerp als methodologie en diegeïnstitutionaliseerd is in onderscheiden faculteiten, onderzoeksinstituten, enz.) is volgens deWSA het gevolg van de liberale opvatting van de negentiende eeuw, die stelde dat markt enstaat, politiek en economie analytische van elkaar moesten gescheiden worden en elk eeneigen logica hadden. De criteria (niveau van analyse, onderwerp, methode, theoretischevooronderstellingen) voor het onderscheiden van die aparte disciplines is niet langer houdbaar. Het verschil binnen de disciplines is groter dan ertussen.Interdisciplinariteit is geen oplossing omdat het de tussenschotten behoudt en zelfs versterkt.De WSA pleit voor één discipline, één onderzoeksveld met eenzelfde logica, waar welverschillende accenten kunnen gelegd worden. Dit doel moet zowel bereikt worden optheoretisch, op methodologisch als op organisatorisch vlak.2. De historische dimensieDe opdeling tussen sociale wetenschap en geschiedenis is ook niet zinvol. Traditioneel wordtgeschiedenis opgevat als de studie van het particuliere zoals het zich werkelijk heeftvoorgedaan in het verleden. Sociale wetenschap gaat op zoek naar een universeel set vanregels of patronen die het menselijk/sociaal gedrag kunnen verklaren. Dit is de fameuzedistinctie tussen de ideografische en nomothetische manier van analyseren.Het probleem is dat men veronderstelt dat het mogelijk is om enerzijds 'gebeurtenissen' teisoleren en ze 'historisch' te onderzoeken en anderzijds kleine 'universa' te isoleren en deze teonderwerpen aan 'sociaal wetenschappelijke' analyse. Maar alle descriptie (van universa)heeft een tijdsdimensie, de enige vraag is hoe ver men moet gaan (in de tijd) om een beduidensvolle eenheid af te bakenen. Omgekeerd is elke particuliere of unieke gebeurtenisalleen te beschrijven in niet-unieke of algemene categorieën. Een strikt particularistische benadering van de geschiedenis is dan ook bedrog.
 
De WSA opteert daarom voor een via media tussen transhistorische generalisaties en particularistische verhalen. De oplossing van het dilemma gebeurt door te vertrekken vansystemische raamwerken die temporeel lang genoeg zijn en ruimtelijk groot genoeg om de'logica's' te bevatten die het grootste deel van de bevattende historische realiteit determineren.Om bijvoorbeeld van weerkerende patronen te kunnen spreken moeten de tijdsintervallengroot genoeg genomen worden, bijvoorbeeld tijdseenheden van vijftig tot honderd jaar, of zelfs meer. In plaats van zich te beperken tot de studie van afzonderlijke natiestaten, wordt deaandacht eerder gericht op grotere regio’s of zelfs ‘wereld-systemen’. Terzelfdertijd wordterkend dat deze systemische raamwerken een begin en een einde hebben en dus geeneeuwige, universele entiteiten zijn. Dit impliceert dat zowel wordt gekeken naar de 'cyclischeritmes' van het systeem, die conceptueel worden beschreven, als naar de 'seculaire trends' vanhet systeem die tot de ondergang van het systeem kunnen leiden en dewelke sequentieelworden beschreven.· De cycliOver de korte economische cycli is weinig discussie, die worden door de meeste economen enhistorici aanvaard. De langere cycli, de zogenaamde Kondratieffs zijn meer omstreden. DeWSA maakt een onderscheid gemaakt tussen een opgaande fase (A) en een neergaande (B).Een belangrijke vraag is of er ook langere cycli bestonden van ongeveer 150-300 jaar in de'lange zestiende eeuw' (prijsrevolutie) en één in de zeventiende eeuw (depressie). In elk gevalworden deze lange-termijn cycli als concept aanvaard. Daarvan wordt gesteld dat deze nietlouter descriptief zijn maar ook constitutief voor het verloop van de wereldeconomie: zij zijnverantwoordelijk voor de structuurveranderingen van de wereldeconomie en leveren de basisdynamiek voor de seculiere trends.· De seculiere trendsHet wereld-systeem is geen entiteit die zich eerst vestigt en dan ontwikkelt, de ontwikkeling íszijn existentie. Het stagneert én groeit, maar het stagneert in groei. Het heeft geengeschiedenis maar is of maakt geschiedenis. Over 'ontwikkeling' (cfr. hetontwikkelingsdenken) spreken is enkel zinvol als men het over geheel het systeem heeft. Drieseculiere trends worden opgemerkt:·
 Expansie
. Vanuit Europa werden steeds meer gebieden ingelijfd. Deze inlijving bestond integenstelling tot vroegere imperia of tributaire rijken in een 'periferalisering' van de gebiedenwaardoor deze werden opgenomen in de wereldwijde arbeidsverdeling. In plaats van een
of 00

Leave a Comment

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...
You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...