• Embed Doc
  • Readcast
  • Collections
  • CommentGo Back
Download
 
Episode 2 van de kosmospiraat http://kosmospiraat.com/episode-2Niet bepaald.De nacht was reeds neergedaald. Op dit tijdstip krimpen de meeste mensen ineentussen de muren van hun huizen om zich genadeloos over te geven aan de laatsteuren van de dag. Ik voelde mij een gesmolten bliksemflits, beukte op de velemensenblikken die naar me staarden, en had het gevoel dat ik geen schijn van kanshad om morgen de zon te zien opkomen. Ik had mij ondertussen genesteld aan eenvensterraam en keek er naar de knipperende lichten van een willekeurige straatterwijl ik de ene sigaret na de andere opstak, hierbij dacht ik aan het feit datmijn leven verderging met gevoelens van schokkende tijdelijkheid. Gelukkig werd ikgewekt uit mijn troosteloze gedachten door een zatlap die met zware slagzij hetcafé uitstrompelde om uitgeteld, met de fles tegen de boezem geklemd, zijn laatstetranen uit te zweten, in de goot. In mijn lichaam zat zoveel ijzer dat ik er eenstang van kon maken om er iemand het hoofd mee in te slaan, ofschoon, ik hieldmijn onverklaarbare razernij in toom en deed een poging om te genieten van demenselijkheid om mij heen.Aan het vermolmde plafond van het café hing één naakte gloeilamp en in mijnschaduw kwam er een meisje naast me zitten. Ik maakte de inventaris op van haarlichaam. Haar benen leken als goud. Ik wou haar jurk optillen en er mijn hoofdonder steken, maar in plaats van mij aan mijn lustgevoelens over te geven, zei iktegen haar terwijl ik de eerste trillingen van mijn stem gewaard werd, dat ik geenfatalist ben, maar een realist. ‘Wat is dat een fatalist?’ vroeg het meisje.Waarom moeten mooie meisjes altijd domme vragen stellen, vroeg ik me af. Ik hadmisschien toch beter mijn hoofd onder haar jurk gestopt, verstond het niet waaromik het nodig achtte klanken uit mijn mond te toveren en gaf mij over als eenblinde aan het donker. Ik besloot het simpel te houden, vertikte het om mijndiepste gedachten aan haar toe te vertrouwen, wou de weg van de krijger inslaan,trouw tot aan de dood. Ik had geen zin om rake klappen uit te delen, het meisjezag er niet uit als de generatie die behoorde tot het incasseren van slagen enwijselijk vroeg ik haar of ze de mop kende van die Pool die naar het schijthuisging? ‘Ja die ken ik, stomme mop.’De kosmospiraat en AmilifantoNiet bepaald.De nacht was reeds neergedaald. Op dit tijdstip krimpen de meeste mensen ineentussen de muren van hun huizen om zich genadeloos over te geven aan de laatsteuren van de dag. Ik voelde mij een gesmolten bliksemflits, beukte op de velemensenblikken die naar me staarden, en had het gevoel dat ik geen schijn van kanshad om morgen de zon te zien opkomen. Ik had mij ondertussen genesteld aan eenvensterraam en keek er naar de knipperende lichten van een willekeurige straatterwijl ik de ene sigaret na de andere opstak, hierbij dacht ik aan het feit datmijn leven verderging met gevoelens van schokkende tijdelijkheid. Gelukkig werd ikgewekt uit mijn troosteloze gedachten door een zatlap die met zware slagzij hetcafé uitstrompelde om uitgeteld, met de fles tegen de boezem geklemd, zijn laatstetranen uit te zweten, in de goot. In mijn lichaam zat zoveel ijzer dat ik er eenstang van kon maken om er iemand het hoofd mee in te slaan, ofschoon, ik hieldmijn onverklaarbare razernij in toom en deed een poging om te genieten van demenselijkheid om mij heen.Aan het vermolmde plafond van het café hing één naakte gloeilamp en in mijnschaduw kwam er een meisje naast me zitten. Ik maakte de inventaris op van haarlichaam. Haar benen leken als goud. Ik wou haar jurk optillen en er mijn hoofdonder steken, maar in plaats van mij aan mijn lustgevoelens over te geven, zei iktegen haar terwijl ik de eerste trillingen van mijn stem gewaard werd, dat ik geenfatalist ben, maar een realist. ‘Wat is dat een fatalist?’ vroeg het meisje.Waarom moeten mooie meisjes altijd domme vragen stellen, vroeg ik me af. Ik hadmisschien toch beter mijn hoofd onder haar jurk gestopt, verstond het niet waaromik het nodig achtte klanken uit mijn mond te toveren en gaf mij over als een
 
blinde aan het donker. Ik besloot het simpel te houden, vertikte het om mijndiepste gedachten aan haar toe te vertrouwen, wou de weg van de krijger inslaan,trouw tot aan de dood. Ik had geen zin om rake klappen uit te delen, het meisjezag er niet uit als de generatie die behoorde tot het incasseren van slagen enwijselijk vroeg ik haar of ze de mop kende van die Pool die naar het schijthuisging? ‘Ja die ken ik, stomme mop.’Tot mijn verbazing vond het meisje de mop die het fundament was van mijn bestaan,slecht. Als een samoerai die zijn handen stevig rond zijn zwaard geklemd houdt,balde ik mijn vuisten, met de bedoeling mezelf te demoniseren. ‘Waarom bal je jevuisten?’ vroeg het meisje me, terwijl ze met haar tong over haar lippen gleed. Ikkeek haar aan als een dorstige hond en besefte, dat het een excentriek figuurtjewas. Ik besloot mij kalm te houden, maakte mij als een leeuw geen zorgen over deluizen in zijn pels, en bestelde nog een derde biertje. Ik besefte dat het nietmijn laatste biertje zou worden. Op sommige dagen drink je meer dan je gewendbent. Ik begon mij thuis te voelen in Langepootmüggenstad en mijn tong kwamlangzaam los. Ik beantwoorde haar vraag. ‘Waarom ik mijn vuisten bal?’ ‘Ja, waaromin hemelsnaam bal je je vuisten?’ ‘Omdat ik soms tomeloos gewelddadig word dat jemaar beter niet binnen knuppelafstand van mijn kunt zitten. Het heeft allemaal temaken met een enzym dat ervoor zorgt dat ik soms zin heb om een gans leger plat teslaan.Mijn dokter zegt dat het een soort van syndroom is.’ Terwijl ik dit opbiechtte,voelde ik mij gelukkig en bedroefd tegelijkertijd. In mijn stem klonk een soortvan weemoed die met geen andere weemoed vergelijkbaar was. Plots zei het meisjeiets tegen me dat me enigszins tot nadenken stemde. ‘Weet je wat jij bent?’ ‘Ikzou het niet weten. Een doelloos wezen op zoek naar nog meer doelloosheid,’antwoordde ik simpel, doch beredeneerd. ‘Een kosmospiraat.’ ‘Een kosmospiraat?’vroeg ik verdwaasd, daar ik ondertussen al zeven biertjes binnen had. Ik had hetgevoel dat ik kopje onder ging in een duister vagelijk vertrouwd meer, waar ik innachtmerries meermaals in verdronken was. Hoe krijg ik de situatie onder controle,dacht ik, voelde mij omringd door geestesverschijningen, die als ik eraan toegafondraaglijk zouden toenemen. Ik voelde een soort van pijn, maar besefte dat depijn er niet toe deed, toch had ik zin om een ambulance op te bellen die mij naarmijn graf moest rijden. ‘Een kosmospiraat,’ zei ik totaal van de kaart.De kosmospiraat en AmilifantoNiet bepaald.De nacht was reeds neergedaald. Op dit tijdstip krimpen de meeste mensen ineentussen de muren van hun huizen om zich genadeloos over te geven aan de laatsteuren van de dag. Ik voelde mij een gesmolten bliksemflits, beukte op de velemensenblikken die naar me staarden, en had het gevoel dat ik geen schijn van kanshad om morgen de zon te zien opkomen. Ik had mij ondertussen genesteld aan eenvensterraam en keek er naar de knipperende lichten van een willekeurige straatterwijl ik de ene sigaret na de andere opstak, hierbij dacht ik aan het feit datmijn leven verderging met gevoelens van schokkende tijdelijkheid. Gelukkig werd ikgewekt uit mijn troosteloze gedachten door een zatlap die met zware slagzij hetcafé uitstrompelde om uitgeteld, met de fles tegen de boezem geklemd, zijn laatstetranen uit te zweten, in de goot. In mijn lichaam zat zoveel ijzer dat ik er eenstang van kon maken om er iemand het hoofd mee in te slaan, ofschoon, ik hieldmijn onverklaarbare razernij in toom en deed een poging om te genieten van demenselijkheid om mij heen.Aan het vermolmde plafond van het café hing één naakte gloeilamp en in mijnschaduw kwam er een meisje naast me zitten. Ik maakte de inventaris op van haarlichaam. Haar benen leken als goud. Ik wou haar jurk optillen en er mijn hoofdonder steken, maar in plaats van mij aan mijn lustgevoelens over te geven, zei iktegen haar terwijl ik de eerste trillingen van mijn stem gewaard werd, dat ik geenfatalist ben, maar een realist. ‘Wat is dat een fatalist?’ vroeg het meisje.Waarom moeten mooie meisjes altijd domme vragen stellen, vroeg ik me af. Ik hadmisschien toch beter mijn hoofd onder haar jurk gestopt, verstond het niet waaromik het nodig achtte klanken uit mijn mond te toveren en gaf mij over als een
 
blinde aan het donker. Ik besloot het simpel te houden, vertikte het om mijndiepste gedachten aan haar toe te vertrouwen, wou de weg van de krijger inslaan,trouw tot aan de dood. Ik had geen zin om rake klappen uit te delen, het meisjezag er niet uit als de generatie die behoorde tot het incasseren van slagen enwijselijk vroeg ik haar of ze de mop kende van die Pool die naar het schijthuisging? ‘Ja die ken ik, stomme mop.’Tot mijn verbazing vond het meisje de mop die het fundament was van mijn bestaan,slecht. Als een samoerai die zijn handen stevig rond zijn zwaard geklemd houdt,balde ik mijn vuisten, met de bedoeling mezelf te demoniseren. ‘Waarom bal je jevuisten?’ vroeg het meisje me, terwijl ze met haar tong over haar lippen gleed. Ikkeek haar aan als een dorstige hond en besefte, dat het een excentriek figuurtjewas. Ik besloot mij kalm te houden, maakte mij als een leeuw geen zorgen over deluizen in zijn pels, en bestelde nog een derde biertje. Ik besefte dat het nietmijn laatste biertje zou worden. Op sommige dagen drink je meer dan je gewendbent. Ik begon mij thuis te voelen in Langepootmüggenstad en mijn tong kwamlangzaam los. Ik beantwoorde haar vraag. ‘Waarom ik mijn vuisten bal?’ ‘Ja, waaromin hemelsnaam bal je je vuisten?’ ‘Omdat ik soms tomeloos gewelddadig word dat jemaar beter niet binnen knuppelafstand van mijn kunt zitten. Het heeft allemaal temaken met een enzym dat ervoor zorgt dat ik soms zin heb om een gans leger plat teslaan.Mijn dokter zegt dat het een soort van syndroom is.’ Terwijl ik dit opbiechtte,voelde ik mij gelukkig en bedroefd tegelijkertijd. In mijn stem klonk een soortvan weemoed die met geen andere weemoed vergelijkbaar was. Plots zei het meisjeiets tegen me dat me enigszins tot nadenken stemde. ‘Weet je wat jij bent?’ ‘Ikzou het niet weten. Een doelloos wezen op zoek naar nog meer doelloosheid,’antwoordde ik simpel, doch beredeneerd. ‘Een kosmospiraat.’ ‘Een kosmospiraat?’vroeg ik verdwaasd, daar ik ondertussen al zeven biertjes binnen had. Ik had hetgevoel dat ik kopje onder ging in een duister vagelijk vertrouwd meer, waar ik innachtmerries meermaals in verdronken was. Hoe krijg ik de situatie onder controle,dacht ik, voelde mij omringd door geestesverschijningen, die als ik eraan toegafondraaglijk zouden toenemen. Ik voelde een soort van pijn, maar besefte dat depijn er niet toe deed, toch had ik zin om een ambulance op te bellen die mij naarmijn graf moest rijden. ‘Een kosmospiraat,’ zei ik totaal van de kaart.‘Precies een kosmospiraat, maar nu moet ik je verlaten.’ Ik vond dat normaal, elkmeisje had immers besloten van mij te verlaten, het zou in Langepootmüggenstad netzo zijn. Ik ben iemand die zich aan het verlaten heeft aangepast. Toch wou ik haarnaam weten, daar ik een naam zeer belangrijk vind in een mensenleven. ‘Daar houdik mij niet mee bezig en bovendien doet dat er niet toe, je zou toch maar je hoofdwillen begraven onder mijn rok als ik je zeg hoe ik heet,’ wist het meisje me tevertellen. Ze had een mooie stem en werd er een tikkeltje opgewonden van. ‘Dat isniet waar, dat is misbruik maken van de situatie,’ zei ik en besefte dat ze gelijkhad. Toch bleef ik aandringen tot ik vond wat ik wou en had het gevoel dat iknogal te keer ging. ‘Komaan, hoe heet je,’ drong ik voor de tweede keer aan. ‘Wilje het echt weten?’ ‘En of dat ik het wil weten.’ ‘Nou, in theorie ben ik een manen mijn mannelijk naam is Amilifanto.’De kosmospiraat en AmilifantoNiet bepaald.De nacht was reeds neergedaald. Op dit tijdstip krimpen de meeste mensen ineentussen de muren van hun huizen om zich genadeloos over te geven aan de laatsteuren van de dag. Ik voelde mij een gesmolten bliksemflits, beukte op de velemensenblikken die naar me staarden, en had het gevoel dat ik geen schijn van kanshad om morgen de zon te zien opkomen. Ik had mij ondertussen genesteld aan eenvensterraam en keek er naar de knipperende lichten van een willekeurige straatterwijl ik de ene sigaret na de andere opstak, hierbij dacht ik aan het feit datmijn leven verderging met gevoelens van schokkende tijdelijkheid. Gelukkig werd ikgewekt uit mijn troosteloze gedachten door een zatlap die met zware slagzij hetcafé uitstrompelde om uitgeteld, met de fles tegen de boezem geklemd, zijn laatstetranen uit te zweten, in de goot. In mijn lichaam zat zoveel ijzer dat ik er een
of 00

Leave a Comment

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...
You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...