• Embed Doc
  • Readcast
  • Collections
  • CommentGo Back
Download
 
De archeologische-genealogische methode
Mark LambrechtsKeren we terug naar Foucaults archeologie. De kortste omschrijving die hij ooit van het begrip archeologieheeft gegeven is misschien: 'beschrijving van het archief''. Daarbij moet archief, zoals gezegd, zeer ruimworden opgevat. 'Onder archieven versta ik in de eerste plaats de verzameling van dingen die in een cultuur worden gezegd, die worden bewaard, geëxploiteerd, of opnieuw gebruikt, die worden herhaald en veranderd.Heel die verbale massa kortom die door de mensen is geproduceerd, die in hun technieken en instellingen is belichaamd en verweven is met hun geschiedenis en hun bestaan.' Iets technischer omschrijft Foucault hetarchief als volgt: 'Onder archief versta ik het geheel van vertogen dat daadwerkelijk is uitgesproken.'Uiteindelijk gaat het hem dus om de beschrijving van het vertoog, het discours, dat hij eens definieerde alsvolgt: 'De term vertoog zullen we hanteren voor een geheel van uitspraken voor zover deze behoren totdezelfde discursieve formatie.' Ook het begrip 'discursieve formatie' verduidelijkt Foucault: '...wanneer menin een groep van uitspraken een zelfde referentiesysteem kan opsporen en beschrijven, een bepaalde matewaarin uitspraken van elkaar afwijken, een zelfde theoretisch netwerk en een zelfde veld van strategischemogelijkheden, dan kan men er zeker van zijn dat zij behoren tot wat men een discursieve formatie zoukunnen noemen.' Ons inziens heeft IJsseling gelijk wanneer hij het vertoog (discours) met de 'logos' van desofisten vergelijkt. 'Discours kan het beste begrepen worden als een Franse vertaling van de Griekse logos,maar dan niet opgevat als een soort innerlijke ratio maar eerder als een oratio of als een netwerk vangesproken en geschreven woorden, die beschouwd worden in hun feitelijke en materiële bestaan, in hun totstand komen of productie en in hetgeen zij tot stand brengen of in hun effect. Het is de betekenis van delogos zoals men die aantreft bij de sofisten en in de retorische traditie.' Nu is het Foucault niet om het vertoog omwille van het vertoog te doen, maar om de praktijk die aan devertogen ten grondslag ligt. In
 L' archéologie du savoir 
wordt dat met klem gesteld. 'De archeologie ( ... ) iser niet op uit de eenzelvige en soevereine zelfstandigheid van het vertoog te waarborgen; wat ze wilontdekken is het veld waarin een
discursieve praktijk 
 bestaat en functioneert.' (cursief M. L
.)
Foucault is er dus niet primair op uit woorden of dingen te beschrijven; zijn analyseobject is een discursieve praktijk. 'Ik  probeer het vertoog te nemen in zijn zichtbaar bestaan, als een praktijk die aan regels gehoorzaamt ( ... ) Enhet is deze praktijk die ik in haar consistentie, om niet te zeggen haar materialiteit, beschrijf.' De discursieve praktijk ligt ten grondslag aan het vertoog. 'Als we het vertoog nu denken als een verzameling uitspraken diealle door dezelfde historische voorwaarden mogelijk zijn gemaakt, dan is duidelijk dat de regels die het bestaan van de uitspraken beheersen, ook heersen over het vertoog voor zover het vertoog als een praktijk te beschouwen is. Technisch gesproken noemen we de verzameling van verbale uitingen die alle aan dezelfderegels gehoorzamen, een discursieve formatie.' Lecourt merkt ons inziens terecht op dat de discursieve praktijk bij Foucault alleen op immanente wijze kanworden verklaard. 'Het vertoog kan niet worden gedefinieerd buiten de betrekkingen die het constitueerden;daarom kan men beter spreken van "discursieve relatie" of "discursieve regelmatigheden" dan van "vertoog".In laatste instantie is het vertoog een praktijk.' In die zin is het ook begrijpelijk dat Foucault door Lecourtenigszins als 'materialist' wordt beschouwd: 'De categorie “discursieve praktijk" zoals zij hier door Foucaultvoorgesteld wordt, geeft de theoretische vernieuwing aan die hij doorvoert; een vernieuwing die in de grondvan de zaak een materialistische is omdat zij geen enkel "vertoog" aanneemt buiten het systeem van demateriële betrekkingen waardoor het wordt gevormd en gestructureerd.' Het is echter juist deze immanentievan de discursieve praktijk die voor Lecourt als marxist problematiek is. Naar zijn mening kan de plaats vande discursieve praktijk slechts worden bepaald vanuit een externe positie of vanuit een 'basis'. Maar het isduidelijk dat Foucault zijn archeologie zou moeten opgeven als hij van de 'immanentie' van de discursieve praktijk afstand zou doen. 'Hier ziet men', zegt Lecourt daarom ook, 'welke de betekenis is van Foucaultskeuze tussen het historische materialisme en zijn eigen constructie; deze theoretische keuze is uiteindelijeen politieke. We hebben de consequenties van deze keuze tot in detail onderzocht: zij stelt aan dearcheologie de "limiet die zij niet zal kunnen overschrijden". Wanneer de archeoloog daarentegen van terreinveranderen zou, zou hij ongetwijfeld vele andere rijkdommen ontdekken. Met dien verstande dat hij danopgehouden zou zijn "archeoloog" te zijn.' Ysmal schaart zich achter het verwijt van Lecourt dat dearcheologie van Foucault geen determinatie 'in laatste instantie' kent. 'Met betrekking tot het marxisme, metname tot de theorie van het maatschappelijke geheel zoals deze door Louis Althusser is geschetst, bevindt
 
zich bij Foucault een "blinde vlek", een lacune, en wel die van de determinatie in laatste instantie. Meerderemalen zet Michel Foucault de rol van de instituties bij de formatie van een vertoog uiteen, met name, bij deformatie van het medische vertoog. Maar hij doet dat steeds in de vorm van een opsomming of van eennevenschikkende reeks.'Dit laatste verwijt van Ysmal gaat echter ons inziens niet op! Foucault neemt juist het voorbeeld van degeneeskunde om aan te tonen hoe belangrijk de politieke praktijk in zijn ogen is. Alleen geeft hij deze eenzeer eigen functie. Naar zijn opvatting is het niet zo dat de politieke praktijk het bewustzijn van de mensen of hun concepten heeft moeten veranderen, opdat daarna ook de geneeskunde een verandering kon ondergaan.'De politieke praktijk werkt op veel directer wijze op de geneeskunde in: wat de politieke praktijk heeftveranderd, is niet de betekenis of de vorm van het vertoog, maar de voorwaarden waaronder het ontstond,werd opgenomen en functioneerde; het is de bestaanswijze van het medische vertoog die veranderd is.' Nietde objecten van het medische vertoog ondergaan een verandering onder invloed van de politieke praktijk,maar het systeem dat aan de geneeskunde een mogelijk object verschaft; evenmin zijn het de analyses zelf die onder invloed van de politieke praktijk een verandering ondergaan, maar wel het systeem waarop deformatie van analyses berust; de politieke praktijk bepaalt ook niet de begrippen, maar wel het systeem datde vorming van een aantal begrippen regeert. Kort en bondig omschrijft Foucault de wisselwerking van politieke praktijk en geneeskundig vertoog daarom als volgt: 'Het wetenschappelijke karakter van eenwetenschap kan men niet beoordelen uit naam van een politieke praktijk ( ... ) Maar wel kan men uitgaandevan een politieke praktijk de bestaanswijze en het functioneren van een wetenschap ondervragen.' Kortom:het is niet de politiek die de discursieve praktijken bepaalt; noch de discursieve praktijk die de politiek  bepaalt; de discursieve praktijk zelf is immers reeds wezenlijk politiek.Foucault geeft zelf toe dat hij dit politieke karakter slechts geleidelijk aan ontdekt en ontwikkeld heeft. 'Wataan mijn werk ontbrak, was het probleem van het "discursieve regiem", dat wil zeggen het probleem van demachtseffecten die uitgaan van het spel van de uitspraken. Ik verwisselde dit "discursieve regiem" al te zeer met het systematische karakter van de uitspraken, met hun theoretische vorm of met zoiets als het paradigma.Op het punt waar 
 De geschiedenis van de waanzin
en
 De woorden en de dingen
samenkomen, bevond zich,onder twee zeer verschillende opzichten, dit centrale probleem van de macht, dat ik nog maar heel slechtafgebakend had. In tegenstelling tot de traditionele geschiedschrijvingen waarin de menselijke soevereiniteitop de voorgrond staat, richt Foucault - in navolging van Nietzsche - zijn genealogie op de meest diversevormen van onderwerping. 'De genealogie daarentegen maakt de verschillende onderwerpingssystemenweer zichtbaar: niet de anticiperende macht van een betekenis maar het hazardspel van de overweldigingen.'Dat Foucault met deze genealogie nog méér nadruk legde op de inwerking van macht op de mensen, loktenatuurlijk nieuwe reacties uit. Bauch bijvoorbeeld meent dat daarmee elk perspectief uit de geschiedenisverdwijnt, omdat alle gebeurtenissen nog slechts ondergeschikt worden gemaakt aan de grillen van de macht.'Foucault sluit aan bij Nietzsche's
Wille zur Macht,
het boek waarin in wezen de 'Umwertung der Werte'voltrokken werd, omdat het alles in de westerse filosofie vanaf Herakleitos zijn geldigheid deed verliezen behalve de eb en de vloed der substantie die slechts komen. en gaan, zonder doel of hogere ontwikkeling;iets dat zich weliswaar rusteloos beweegt, maar uiteindelijk neerkomt op een pas op de plaats.' Inwerkelijkheid gaat het Foucault echter niet om een aanbidding van de macht. Wat hij met zijn genealogie willaten zien is, hoe ons denken en weten gedetermineerd is door praktijken die wij niet in de hand hebben. 'Datnu zou ik genealogie willen noemen: een vorm van geschiedschrijving die de ontstaanswijze van vormen vanweten, vertogen, Sovjetgebieden enzovoort weergeeft, zonder te moeten verwijzen naar een subject dat aanhet veld van de gebeurtenissen transcendent zou zijn of dat met zijn loze identiteit door heel de geschiedenisholt.'Wat Foucault hier met genealogie bedoelt staat ons inziens niet ver van zijn omschrijving van dearcheologische methode af. 'Vaststellen wat, in zijn verschillende dimensies ( ... ) de bestaanswijze van devertogen is, in het bijzonder van de wetenschappelijke vertogen (hun formatieregels, hun voorwaarden, hunafhankelijkheden, hun veranderingen) waardoor het weten ontstaat dat momenteel het onze is, of nauwkeuriger gezegd, het weten dat dat opmerkelijke object, de mens, als domein heeft genomen.' Zonder zover te gaan als Jambet , die niet het minste onderscheid tussen Foucaults archeologie en diens genealogieziet, menen wij, net als Riddel, dat er een grote verwantschap tussen beide bestaat. Deze verwantschap iswellicht nog het beste door IJsseling samengevat: 'Elk weten is slechts mogelijk op grond van hetfunctioneren van een veld van machtsverhoudingen en deze machtsverhoudingen kunnen slechts
 
functioneren op grond van een weten. De
archeologie
van het weten valt dan ook samen met een
 genealogie
van de macht.'Er zijn niettemin auteurs die menen dat de genealogie, die Foucault voor het eerst in
Surveiller et punir zou
hebben gebruikt, een belangrijke afwijking of zelfs een totale ommekeer ten opzichte van de vroegerearcheologie impliceert. Wat daarbij moet worden opgemerkt is dat Foucault de term 'genealogie' in 1967weliswaar verwierp (omdat ze de indruk kon wekken dat het bij de genealogie om een beschrijving zou gaanvan een begin en een vervolg), maar dat hij het genealogiebegrip wel al hanteerde in zijn inaugurele redevoor het Collège de France van 1970. Hij noemde toen als taak van de genealogie na te gaan op welke wijzeeen vertoog wordt gevormd. En reeds toen behandelde Foucault de relatie tussen de genealogische en dekritische benadering. 'Het verschil tussen de kritische en de genealogische aanpak betreft niet zozeer objectof domein, maar aangrijpingspunt, perspectief en begrenzing ervan.' Ook is het beslist onjuist dat Foucaultvóór 
Surveiller et punir 
(1975) geen aandacht voor het machtsvraagstuk zou hebben gehad. Naar zijn eigenmening is hij daar eigenlijk vanaf zijn eerste werken mee bezig geweest. 'Als ik nu terugdenk, zeg ik bijmezelf: waar kon ik het bijvoorbeeld in
 De geschiedenis van de waanzin
of in de
 Naissance de la clinique
anders over hebben dan over de macht? We zijn het met Leysen eens, die verdedigt dat het begrip macht al in
 L'archéologie du savoir 
een belangrijke plaats inneemt.In elk vertoog is de werking van machtsprocedures dus aanwezig. Telkens wanneer de archeoloog teksten uithet verleden opgraaft, stuit hij op macht. 'Het is daardoor beslist onmogelijk om ze ooit te pakken te krijgenzoals ze "in vrije toestand" zouden kunnen zijn; men kan de teksten niet anders opsporen dan in hunretorische vorm, hun tactische vooringenomenheid of hun dwingende leugens die nodig zijn voor het spelvan hun betrekkingen tot de macht.' Een van de grondinzichten van Foucault is, zoals door IJsseling enFranck naar voren wordt gebracht, dat spreken en weten altijd in een netwerk van machtsposities zijn vervat.Dat houdt onder andere in dat een woord slechts de betekenis heeft die het door de macht krijgt toegewezenof opgelegd. Lebris heeft dus gelijk wanneer hij zegt dat het archief nooit 'onschuldig' is: 'Foucault heeftaannemelijk weten te maken dat het archief, dat als definitieve bewijs van "de werkelijkheid" geldt, niet"onschuldig" is, maar altijd het effect van een indeling, de neerslag van een voorbij scenario, een restant datreeds op een bepaalde wijze is georganiseerd, dat dus niet ophoudt te functioneren en in de loop van degeschiedenis blijft veranderen. "De werkelijkheid" van de historicus is altijd "gestrikt" - zij bestaat altijd alals historisch vertoog.' Wanneer een woord een bepaalde betekenis heeft, dan is het omdat in de eindelozestrijd van de interpretaties, een bepaalde interpretatie dominant geworden is. 'Er bestaat niet zoiets als eenabsoluut eerste stof die nog moet worden geïnterpreteerd, want in de grond van de zaak is alles alinterpretatie ( ... ) Dat is ook wat Nietzsche beweert wanneer hij zegt dat de woorden altijd door de hogereklassen zijn uitgevonden; zij verwijzen niet naar iets dat zij betekenen, zij leggen een interpretatie op.'Foucault stelt niet alleen dat elk vertoog op de macht stuit of dat de macht van invloed is op elk vertoog,maar ook dat vaak alleen door de macht een bepaald gebeuren tot vertoog getransformeerd wordt. Ook komthet vaak voor dat het optreden van de macht rechtstreeks wordt weergegeven in een bepaald vertoog, zodatde archeoloog slechts dit vertoog hoeft te volgen om de macht aan het werk te zien: 'Al die dingen die hetgewone uitmaken, het onbelangrijke detail, het onaanzienlijke, de roemloze dagen en het dagelijkse leven,kunnen en moeten worden gezegd. Nog beter is het als ze worden opgeschreven. Ze zijn beschrijfbaar enoverschrijfbaar geworden, juist in de mate waarin ze doortrokken zijn van de mechanismen van de politiekemacht (...) Dat er in de alledaagse gang van zaken zoiets als een te ontraadselen geheim zou kunnen zijn, endat de onbelangrijke dingen op een bepaalde manier essentieel zouden kunnen zijn, dat werd steeds nietgezien tot het moment dat op al deze minuscule beroeringen de kleurloze blik van de macht kwam te rusten.'Wanneer het waar is dat er geen vertoog zonder machtsuitoefening mogelijk is, dan geldt dat natuurlijk ook voor Foucaults eigen vertoog, en moet de vraag worden gesteld naar de consequenties die dit voor hetwaarheidskarakter van zijn vertoog heeft. Nu geldt ook voor het waarheidskarakter van de vertogen dat ditslechts in en door de machtsverhoudingen kan bestaan. 'De waarheid is van deze wereld; ze wordt er voortgebracht door veelvoudige dwang. En tegelijkertijd gaan er geregelde machtseffecten vanuit'. De strijdvan de interpretaties is uiteindelijk ook een strijd om de waarheid. 'Er is strijd "om de waarheid", of in elk geval "rondom de waarheid", waarbij nogmaals moet worden bedacht dat ik onder waarheid niet zoietsversta als "de verzameling van ware dingen die moeten worden ontdekt of aanvaard", maar "de verzamelingvan regels volgens welke men het ware en het onware scheidt en men aan het ware specifieke machtseffectentoekent”.'. Onder het begrip 'waarheid' verstaat Foucault dus een geheel van procedures die de productie, de
of 00

Leave a Comment

You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...
You must be to leave a comment.
Submit
Characters: ...