functioneren op grond van een weten. De
archeologie
van het weten valt dan ook samen met een
genealogie
van de macht.'Er zijn niettemin auteurs die menen dat de genealogie, die Foucault voor het eerst in
Surveiller et punir zou
hebben gebruikt, een belangrijke afwijking of zelfs een totale ommekeer ten opzichte van de vroegerearcheologie impliceert. Wat daarbij moet worden opgemerkt is dat Foucault de term 'genealogie' in 1967weliswaar verwierp (omdat ze de indruk kon wekken dat het bij de genealogie om een beschrijving zou gaanvan een begin en een vervolg), maar dat hij het genealogiebegrip wel al hanteerde in zijn inaugurele redevoor het Collège de France van 1970. Hij noemde toen als taak van de genealogie na te gaan op welke wijzeeen vertoog wordt gevormd. En reeds toen behandelde Foucault de relatie tussen de genealogische en dekritische benadering. 'Het verschil tussen de kritische en de genealogische aanpak betreft niet zozeer objectof domein, maar aangrijpingspunt, perspectief en begrenzing ervan.' Ook is het beslist onjuist dat Foucaultvóór
Surveiller et punir
(1975) geen aandacht voor het machtsvraagstuk zou hebben gehad. Naar zijn eigenmening is hij daar eigenlijk vanaf zijn eerste werken mee bezig geweest. 'Als ik nu terugdenk, zeg ik bijmezelf: waar kon ik het bijvoorbeeld in
De geschiedenis van de waanzin
of in de
Naissance de la clinique
anders over hebben dan over de macht? We zijn het met Leysen eens, die verdedigt dat het begrip macht al in
L'archéologie du savoir
een belangrijke plaats inneemt.In elk vertoog is de werking van machtsprocedures dus aanwezig. Telkens wanneer de archeoloog teksten uithet verleden opgraaft, stuit hij op macht. 'Het is daardoor beslist onmogelijk om ze ooit te pakken te krijgenzoals ze "in vrije toestand" zouden kunnen zijn; men kan de teksten niet anders opsporen dan in hunretorische vorm, hun tactische vooringenomenheid of hun dwingende leugens die nodig zijn voor het spelvan hun betrekkingen tot de macht.' Een van de grondinzichten van Foucault is, zoals door IJsseling enFranck naar voren wordt gebracht, dat spreken en weten altijd in een netwerk van machtsposities zijn vervat.Dat houdt onder andere in dat een woord slechts de betekenis heeft die het door de macht krijgt toegewezenof opgelegd. Lebris heeft dus gelijk wanneer hij zegt dat het archief nooit 'onschuldig' is: 'Foucault heeftaannemelijk weten te maken dat het archief, dat als definitieve bewijs van "de werkelijkheid" geldt, niet"onschuldig" is, maar altijd het effect van een indeling, de neerslag van een voorbij scenario, een restant datreeds op een bepaalde wijze is georganiseerd, dat dus niet ophoudt te functioneren en in de loop van degeschiedenis blijft veranderen. "De werkelijkheid" van de historicus is altijd "gestrikt" - zij bestaat altijd alals historisch vertoog.' Wanneer een woord een bepaalde betekenis heeft, dan is het omdat in de eindelozestrijd van de interpretaties, een bepaalde interpretatie dominant geworden is. 'Er bestaat niet zoiets als eenabsoluut eerste stof die nog moet worden geïnterpreteerd, want in de grond van de zaak is alles alinterpretatie ( ... ) Dat is ook wat Nietzsche beweert wanneer hij zegt dat de woorden altijd door de hogereklassen zijn uitgevonden; zij verwijzen niet naar iets dat zij betekenen, zij leggen een interpretatie op.'Foucault stelt niet alleen dat elk vertoog op de macht stuit of dat de macht van invloed is op elk vertoog,maar ook dat vaak alleen door de macht een bepaald gebeuren tot vertoog getransformeerd wordt. Ook komthet vaak voor dat het optreden van de macht rechtstreeks wordt weergegeven in een bepaald vertoog, zodatde archeoloog slechts dit vertoog hoeft te volgen om de macht aan het werk te zien: 'Al die dingen die hetgewone uitmaken, het onbelangrijke detail, het onaanzienlijke, de roemloze dagen en het dagelijkse leven,kunnen en moeten worden gezegd. Nog beter is het als ze worden opgeschreven. Ze zijn beschrijfbaar enoverschrijfbaar geworden, juist in de mate waarin ze doortrokken zijn van de mechanismen van de politiekemacht (...) Dat er in de alledaagse gang van zaken zoiets als een te ontraadselen geheim zou kunnen zijn, endat de onbelangrijke dingen op een bepaalde manier essentieel zouden kunnen zijn, dat werd steeds nietgezien tot het moment dat op al deze minuscule beroeringen de kleurloze blik van de macht kwam te rusten.'Wanneer het waar is dat er geen vertoog zonder machtsuitoefening mogelijk is, dan geldt dat natuurlijk ook voor Foucaults eigen vertoog, en moet de vraag worden gesteld naar de consequenties die dit voor hetwaarheidskarakter van zijn vertoog heeft. Nu geldt ook voor het waarheidskarakter van de vertogen dat ditslechts in en door de machtsverhoudingen kan bestaan. 'De waarheid is van deze wereld; ze wordt er voortgebracht door veelvoudige dwang. En tegelijkertijd gaan er geregelde machtseffecten vanuit'. De strijdvan de interpretaties is uiteindelijk ook een strijd om de waarheid. 'Er is strijd "om de waarheid", of in elk geval "rondom de waarheid", waarbij nogmaals moet worden bedacht dat ik onder waarheid niet zoietsversta als "de verzameling van ware dingen die moeten worden ontdekt of aanvaard", maar "de verzamelingvan regels volgens welke men het ware en het onware scheidt en men aan het ware specifieke machtseffectentoekent”.'. Onder het begrip 'waarheid' verstaat Foucault dus een geheel van procedures die de productie, de
Leave a Comment