Welcome to Scribd, the world's digital library. Read, publish, and share books and documents. See more
Download
Standard view
Full view
of .
Look up keyword
Like this
1Activity
0 of .
Results for:
No results containing your search query
P. 1
Economische Berichten - Productiviteitsvertraging: Tijdelijke kopzorg of problematisch voor langetermijngroei?

Economische Berichten - Productiviteitsvertraging: Tijdelijke kopzorg of problematisch voor langetermijngroei?

Ratings: (0)|Views: 4|Likes:
Published by KBC Economics
Productiviteitsgroei is de voornaamste verklarende factor voor welvaartstoename op de lange
termijn. In de VS steeg de arbeidsproductiviteit de voorbije anderhalve eeuw met gemiddelde
2,2% per jaar. Europa zette na de Tweede Wereldoorlog een inhaalbeweging in tot midden
de jaren 90. De ICT-revolutie leidde vanaf dan in de VS tot een aanzienlijke productiviteitsversnelling. Die versnelling stierf verrassend na amper een decennium een stille dood, in schril contrast met de vorige industriële revoluties. De positieve impact van die laatste zinderde onder impuls van aanverwante en complementaire uitvindingen bijna honderd jaar na. Het feit dat zoveel fundamentele eenmalige uitvindingen reeds hebben plaatsgevonden, beperkt volgens pessimisten het potentieel voor een aanhoudende stroom van even belangrijke uitvindingen. Optimisten menen echter dat een nieuwe golf van technologische vernieuwingen de ICT-revolutie een tweede adem zal geven. Volgens hen is op langere termijn een groei van de Amerikaanse productiviteit met zo’n 2%, in het verlengde van de historische ontwikkeling, het meest waarschijnlijke scenario. Of Europa erin zal slagen dat cijfer te halen, is meer twijfelachtig en hangt mee af van de mate waarin het de structurele omgeving meer ‘groeivriendelijk’ maakt via aangehouden hervormingsinspanningen. De Europese Commissie mikt alvast op een lagere langetermijngroei van de Europese productiviteit met 1,4%.
Productiviteitsgroei is de voornaamste verklarende factor voor welvaartstoename op de lange
termijn. In de VS steeg de arbeidsproductiviteit de voorbije anderhalve eeuw met gemiddelde
2,2% per jaar. Europa zette na de Tweede Wereldoorlog een inhaalbeweging in tot midden
de jaren 90. De ICT-revolutie leidde vanaf dan in de VS tot een aanzienlijke productiviteitsversnelling. Die versnelling stierf verrassend na amper een decennium een stille dood, in schril contrast met de vorige industriële revoluties. De positieve impact van die laatste zinderde onder impuls van aanverwante en complementaire uitvindingen bijna honderd jaar na. Het feit dat zoveel fundamentele eenmalige uitvindingen reeds hebben plaatsgevonden, beperkt volgens pessimisten het potentieel voor een aanhoudende stroom van even belangrijke uitvindingen. Optimisten menen echter dat een nieuwe golf van technologische vernieuwingen de ICT-revolutie een tweede adem zal geven. Volgens hen is op langere termijn een groei van de Amerikaanse productiviteit met zo’n 2%, in het verlengde van de historische ontwikkeling, het meest waarschijnlijke scenario. Of Europa erin zal slagen dat cijfer te halen, is meer twijfelachtig en hangt mee af van de mate waarin het de structurele omgeving meer ‘groeivriendelijk’ maakt via aangehouden hervormingsinspanningen. De Europese Commissie mikt alvast op een lagere langetermijngroei van de Europese productiviteit met 1,4%.

More info:

Published by: KBC Economics on Apr 11, 2014
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

10/20/2014

pdf

text

original

 
1
Economische Berichten
 nr. 16  2 april 2014
 
PRODUCTIVITEITSVERTRAGING:
Tijdelijke kopzorg of problematisch voor langetermijngroei?
 
Productiviteitsgroei is de voornaamste verklarende factor voor welvaartstoename op de lange termijn. In de VS steeg de arbeidsproductiviteit de voorbije anderhalve eeuw met gemiddelde 2,2% per jaar. Europa zette na de Tweede Wereldoorlog een inhaalbeweging in tot midden de jaren 90. De ICT-revolutie leidde vanaf dan in de VS tot een aanzienlijke productiviteitsver-snelling. Die versnelling stierf verrassend na amper een decennium een stille dood, in schril contrast met de vorige industriële revoluties. De positieve impact van die laatste zinderde onder impuls van aanverwante en complementaire uitvindingen bijna honderd jaar na. Het feit dat zoveel fundamentele eenmalige uitvindingen reeds hebben plaatsgevonden, beperkt volgens pessimisten het potentieel voor een aanhoudende stroom van even belangrijke uitvin-dingen. Optimisten menen echter dat een nieuwe golf van technologische vernieuwingen de ICT-revolutie een tweede adem zal geven. Volgens hen is op langere termijn een groei van de Amerikaanse productiviteit met zo’n 2%, in het verlengde van de historische ontwikkeling, het meest waarschijnlijke scenario. Of Europa erin zal slagen dat cijfer te halen, is meer twijfelach-tig en hangt mee af van de mate waarin het de structurele omgeving meer ‘groeivriendelijk’ maakt via aangehouden hervormingsinspanningen. De Europese Commissie mikt alvast op een lagere langetermijngroei van de Europese productiviteit met 1,4%.
De voorbije twee decennia bedroeg de groei van het Amerikaanse reële bbp gemiddeld 2,5% per jaar. Dat is bijna dubbel zo veel als die in de EMU-landen (1). In de daaraan voor-afgaande 45 jaar groeide de EMU met een jaarlijks gemiddelde van 4% wel sneller dan de 3,5% in de VS. Het verschil was voor rekening van de eerste 20 jaar in die periode. Een sterke groei van de productiviteit (bbp per gewerkt uur) compen-seerde toen in de EMU-landen de daling van het totaal aantal gewerkte uren, de tweede determinant van de bbp-groei.
Europese inhaalbeweging
Bij de vergelijking van de Amerikaanse en Europese groeipres-tatie sinds 1950 hanteren we vier periodes: 1950-1973, 1973-1995, 1995-2005 en 2005-2013 (zie grafiek 1). De sterke stijging van de productiviteitsgroei (bbp per gewerkt uur) in de EMU-landen zorgde in de eerste periode voor een inhaalbeweging tegenover de VS inzake bbp per capita (tabel 1). Vooral tech-nologie-imitatie en een groeibevorderende omgeving verklaren de Europese sprong voorwaarts. In tal van landen was in die periode sprake van een ‘gecoördineerd kapitalisme’ waarin de krachten van de vrijemarkteconomie versterkt werden door een samenwerking tussen vakbonden en werkgeversorganisaties. Arbeiders stemden in met loonbeperkingen zolang werkgevers zich verbonden tot grote investeringen, en vice versa. In hun streven naar volledige tewerkstelling hielden overheden toezicht op het onderhandelingsproces (Eichengreen, 2006). In vergelij-king met andere werelddelen beschikte Europa na de Tweede Wereldoorlog tevens al over een relatief goed opgeleide bevol-king (van Ark e.a., 2008). De combinatie van deze gunstige fac-toren leidde tot een snel naoorlogs herstel van de investeringen en de absorptie van nieuwe, vooral Amerikaanse technologieën.
 
2
Aan de gouden post-WOII periode kwam begin de jaren 70 abrupt een einde. De economische groei in de EMU-landen halveerde van gemiddeld 5,7% per jaar in 1950-1973 tot 2,4% in 1973-1995. Ondanks de halvering van de productiviteitsgroei tot 2,8% in Europa, lag die nog altijd dubbel zo hoog als de Amerikaanse. Dat de gemiddelde bbp-groei van 3% in de VS in die periode de Europese toch oversteeg, was het gevolg van een sterke stijging van het aantal werkenden evenals het niet langer dalen van het aantal gewerkte uren per wer-kende in de VS. Het aantal werkenden in procent van de totale Amerikaanse bevolking steeg van 41% in 1973 naar 48% mid-den de jaren 90. In Europa bleef dit percentage schommelen rond 42%. Het aantal gewerkte jaaruren per werkende lag er in 1995 bovendien 15% lager dan in 1973. In vergelijking met de VS daalde het relatief aantal gewerkte jaaruren in Europa in die periode van 106% naar 94%. De Europeanen verkozen meer vrije tijd dan de Amerikanen, wat sterk tot uiting kwam in hun toenemende voorkeur voor deeltijdarbeid. Het gevolg is dat het bbp per capita in Europa in 1995 amper 75% bedroeg van het Amerikaanse niveau, niettegenstaande het bbp per gewerkt uur met 94% er erg dicht bij aanleunde. Naast de grotere vrijetijdsvoorkeur worden andere verklaringen voor de sterke Europese groeivertraging naar voren geschoven (zie bijv. Prescott, 2004). De olieprijsschokken van de jaren 70 leidden tot een sterke stijging van de werkloosheidsgraad, die vooral in Europa een structureel karakter kreeg en het aandeel werkenden drukte. De hoge inkomstenbelasting en genereuze werkloosheidsuitkeringen droegen bij tot een daling van de arbeidsparticipatie en het aantal gewerkte uren. Het ‘gecoördi-neerd kapitalisme’ en haar instituties die voorheen aan de basis lagen van de sterke economische groei, strooiden plots zand in de motor. Het inzicht van de noodzaak van samenwerking tussen werkgevers en werknemers verdween naarmate de her-innering aan de massale werkloosheid van de oorlogsjaren ver-vaagde. De vertraging van de arbeidsinput leidde tot stijgende lonen. Arbeid werd vervangen door kapitaal en de kapitaalin-tensiteit nam snel toe. In 1980 lag het ingezette kapitaal per gewerkt uur in Europa op 82% van het niveau in de VS. Tegen 1995 was die kloof bijna volledig gedicht (zie tabel 1). De sterke toename van de kapitaalintensiteit is de voornaamste verklaring voor de relatief sterke stijging van de Europese arbeidsproduc-
Economische Berichten
 EMU (bbp) EMU (productiviteit) EMU (gewerkte uren) VS (bbp) VS (productiviteit) VS (gewerkte uren)
-1012345671950-19731973-19951995-20052005-20131950-19951995-2013 
Grafiek 1 - Reële groei bbp en determinanten VS versus EMU (*)
(gemiddelde jaargroei in %)
-6-4-202468101951 56 61 66 71 76 81 86 91 96 2001 06 11
Grafiek 3 - Reëel bbp en determinanten: EMU (*)
(jaarwijziging in %)
Reëel bbp Productiviteit (bbp/uur) Gewerkte uren
(*) EMU: index berekend o.b.v. gewogen gemiddelde bbp 2013 van Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Nederland
 Reëel bbp Productiviteit (bbp/uur) Gewerkte uren
-6-4-202468101951 56 61 66 71 76 81 86 91 96 2001 06 11
Grafiek 2 - Reëel bbp en determinanten: VS
(jaarwijziging in %)
Tabel 1 - Relatieve evolutie bbp per capita EMU en VS (niveaus EMU relatief tegenover de VS, in %) (*)
19501973199520052013
Productiviteit (bbp/uur) 36,0 79,094,084,181,0Gewerkte uren (per werkende)117,5106,393,790,288,9Bbp per capita 44,7 73,775,571,569,4Werkenden (in % totale bevolking)-101,887,392,796,6Kapitaalinput per gewerkt uur- 82,3
(**)
97,090,0-
(*) EMU-cijfers zijn bbp gewogen cijfers van Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Nederland(**) 1980 i.p.v. 1973Bron: GGDC, The Conference Board(*) EMU: index berekend o.b.v. gewogen gemiddelde bbp 2013 van Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en NederlandBron: The Conference BoardBron: The Conference Board
 
3
De jaarlijkse economische groei van een land wordt bepaald door de toename van het aantal gewerkte uren en de groei van de arbeidsproductiviteit. Die laatste is gelijk aan de groei van de totale productie per gewerkt uur. De arbeidsproduc-tiviteit neemt toe als gevolg van een meer kapitaalintensieve productiewijze (d.i. kapitaalverdieping of een verhoging van de kapitaalvoorraad per eenheid arbeid) en een toename van de totale factorproductiviteit (TFP). TFP stemt dan overeen met het deel van de productiestijging dat niet wordt verklaard door een toename van de ingezette hoeveel-heid arbeid en kapitaal.Bij de bepaling van de bbp-groei is de input van arbeid en kapitaal gekend, de TFP niet. TFP is dan ook een restfactor. De toename van de totale factorproductiviteit weerspiegelt de hogere efficiëntie waarmee arbeid en kapitaal in goederen en diensten worden omgezet. Zij meet verschillende effecten: niet-tastbare techno-logische vooruitgang, een verbetering van menselijk kapitaal (bijvoorbeeld door een gemiddeld hogere scholing van de beroepsbevolking), een verbetering van de procesefficiëntie in bedrijven (zonder bijkomende kapitaalinvesteringen, bijvoor-beeld door een andere werkorganisatie) en schaalvoordelen. Ook compositie-effecten beïnvloeden de TFP-groei. Sectoren hebben een verschillend productiviteitsniveau. Een wijzigend belang van een bepaalde sector in de economie kan het alge-meen productiviteitsniveau bijgevolg verhogen of verlagen. De mate waarin de productiviteit groeit, hangt af van een veel-heid van factoren die op elkaar inwerken. Dean Parham (2011) maakt een onderscheid tussen ‘fundamentele determinanten’, ‘onderliggende invloeden’ en ‘directe bronnen’. De fundamen-tele determinanten zijn de kaarten die de verschillende landen zijn toebedeeld. Naast de beschikbaarheid van natuurlijke bron-nen omvat de eerste fundamentele laag factoren zoals de cul-tuur, het sociaal kapitaal, de geografie en de (in)formele regels en gewoontes in een land. Concreet gaat het bijvoorbeeld om de aanwezigheid van een ondernemerscultuur, de afstand tot grote afzetmarkten of het bestaan van corruptie. De tweede laag van onderliggende invloeden betreft het geheel van insti-tutionele kenmerken van een land, waaronder het politieke kader en de sociaaleconomische infrastructuur. De overheid speelt hier een belangrijke stimulerende (of remmende) rol via haar aanbod van publieke diensten en goederen (onderwijs, haveninfrastructuur, e.d.) en de regulering en sturing van pro-duct-, arbeids- en financiële markten (mechanisme van loon-vorming, patentrechten, verschaffing van risicokapitaal, e.d.). Bij de bepaling van het overheids-kader waarbinnen ondernemingen moeten opereren, gelden er drie hoekstenen om productiviteitsgroei te cultiveren: (1) stimuli: het toestaan en promoten van concurrentie, en dus ook ondernemerschap, is een belangrijke motor van productiviteitsgroei. Belastingstructuren en het wetgevend kader kunnen een belangrijke rol spelen in het stimuleren van innovatie; (2) bekwaamheid: de ontwikke-ling van kennis en vaardigheden bij de actieve bevolking wordt alsmaar belangrijker. Naast operationele kennis (bijvoorbeeld inzake ICT) is ook de ontwikkeling van management- en onderzoeksvaardigheden essentieel voor productiviteitsgroei. De overheid kan daartoe bijdragen door bijvoorbeeld de betere afstemming van het onderwijs op de noden van de arbeids-markt en het aanmoedigen van levenslang leren; en (3) flexibi-liteit: in een snel veranderende maatschappij is het belangrijk dat bedrijven de ruimte krijgen om te experimenteren en te innoveren en daarin niet belemmerd worden door te strikte overheidsregulering. De onderliggende invloeden hebben een indirecte impact op de directe bronnen. Die laatste hebben een onmiddellijk effect op de productiviteitsontwikkeling. Het gaat daarbij dan bijvoor-beeld om de toepassing van nieuwe productietechnologieën binnen bedrijven. Maar ook de realisatie van schaalvoordelen, de opbouw van menselijk kapitaal of wijzigingen in de indus-triële samenstelling hebben een directe invloed op de mate van kapitaalverdieping of de groeisnelheid van de totale factorpro-ductiviteit.
Arbeidsproductiviteit en totale factorproductiviteit
De totale factorproductiviteit weer-spiegelt de hogere efficiëntie waar-mee arbeid en kapitaal in goederen en diensten worden omgezet.
tiviteit in de periode 1973-1995. In dit verband spreekt men ook van ‘perverse’ productiviteitsstijging. De hogere groei van de arbeidsproductiviteit was niet meer het gevolg van een inhaalbeweging, de toegang tot een betere technologie of snelle innovatie. Hogere arbeidskosten en een rigide arbeids-markt zetten werkgevers aan tot kapitaalinvesteringen eerder dan nieuwe werknemers aan te werven. De groei van de totale factorproductiviteit, afkomstig van het meer efficiënt inzetten van arbeid en kapitaal, bleef beperkt.
VS neemt over
Vanaf midden de jaren 1990 wijzigde het relatieve patroon van de productiviteitsgroei in Europa en de VS drastisch. In de VS versnelde de jaarlijks gemiddelde arbeidsproductiviteit van 1,4% (1973-1995) tot 2,3% per jaar (1995-2005). In wat vandaag de EMU-landen zijn halveerde de productiviteitsgroei tot 1,4% per jaar. In 2005 bedroeg de productiviteit in de EMU 84% van het Amerikaanse niveau, 10 procentpunten onder de piek van 1995. De kapitaalintensiteit kwam naar omlaag en

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->