This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: De Pleegzoon
Author: J. van Lennep
Release Date: January 31, 2008 [EBook #24467]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON ***
"Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven."
Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal-
en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs
zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam
ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur
plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral
naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach
te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der
bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden
afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd,
om de ph door de f te vervangen--hoe hij vertelde, dat hij als jonkman
een zangspel "_Saffo_" geschreven had, maar, dat de regisseur zijne
spelling in _Sapho_ gewijzigd had, zoodat de acteurs: "O, Sap, ho,
wees gegroet!" zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche
dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een
vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam
met het bericht: "Ze spelen de Mophondjes," terwijl in werkelijkheid
"_Demophontes_," het classiek treurspel van _Metastasio_, vertaald door
_Westerwijk_, werd vertoond; hoe hij besloot met de mededeeling eener
jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg,
wat de orde toch bedoelde met de woorden _prop hanen_, waarop hij
antwoordde, dat daarme waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen
In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan
zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met
zijn grijzen kamerjapon--als op het groote gesteendrukte portret
naar de voortreffelijke schilderij van _Schwarze_--de snuifdoos in
de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar
met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn
bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen
zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen
kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij
geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te
voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden
hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.
Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum--hij was uit
Zwitserland overgekomen--terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte
van E. _Douwes Dekker_, die hem kort te voren in een vlugschrift
zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den "_Max Havelaar_" als
een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden
hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een
luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching,
zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.
_Van Lennep's_ persoon was overal bekend. Overal werden hoeden
afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij
vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen,
maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon
bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te
Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen
van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene
geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche,
die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje
sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze
handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, die op transport
waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier
verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren
een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte
hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen
uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden
toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig
werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te
houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den
last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht
miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat
zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:
Toen ik _Van Lennep_ voor het laatst zag, doorleefde hij den
gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867,
den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld van _Joost van den Vondel_
zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk,
om zich rondom _Vondel's_ grafste te vereenigen. De blauwe zerk
was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stond _Van Lennep_ v r ons, het witte hoofd
ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens
eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij
sprak enkele eenvoudige woorden over _Vondel_'s graf en noodigde de
feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van _Royer_
en _Cuypers_ zou worden onthuld.
Leave a Comment