het leven en het werk van Martin de Wild, kan er veel over hemworden geleerd aan de hand van zijn publicaties en zijn persoon-lijke archief dat zich nu op het RKD in Den Haag bevindt.Hij leert het restauratieberoep bij zijn vader in het atelier; bekendis bijvoorbeeld dat hij vanaf 1918 zijn vader assisteert bij de werk-zaamheden in het Frans Hals Museum.
[4]
Maar daarnaast gaat hijchemie studeren aan de Technische Universiteit in Delft, waar hijin de jaren ’20 prof. dr. F. E. C. Scheffer, hoogleraar in de anorgani-sche scheikunde en specialist in technisch onderzoek van schilde-rijen, assisteert. Martin de Wild promoveert zelf in 1928 met zijnproefschrift
Het wetenschappelijk onderzoek van schilderijen
, dat in de jaren erna zal worden gepubliceerd en ook zal worden vertaald inhet Engels en het Duits. Dit proefschrift behandelt allereerst opeen heldere en systematische manier het onderzoek en de micro-scopische en chemische analyse van een dertigtal pigmenten,waarna een meer algemeen verhaal volgt over het restaureren vanschilderijen. De laatste hoofdstukken van het proefschrift gaanin op de wetenschap achter röntgenfotografie en ultraviolettestraling en het nut ervan voor schilderijenonderzoek. Vooral overde techniek van röntgenfotografie, die binnen de schilderijen-wereld relatief nieuw is, is hij duidelijk zeer enthousiast. InNederland heeft – voor zover bekend - nog nooit eerder zichiemand hiermee bezig gehouden.Voor wie zich de moeite troost om de twaalf dozen met het persoonlijke archief van Martin de Wild door te nemen, wordt het beeld opgeroepen van een man die intelligent en belezen is: eeninvloedrijk restaurator en onderzoeker met veel contacten in bin-nen- en buitenland. Zonder er dieper op in te kunnen gaan binnenhet korte bestek van dit artikel, worden hieronder enkele belang-rijke aspecten uit zijn loopbaan genoemd. De clientèle van Martinde Wild is zeer breed. Hij restaureert schilderijen voor musea,voor diverse gemeenten, voor kunsthandelaren en veilinghuizen,voor kastelen, voor particulieren, voor universiteiten en ongetwij-feld voor nog meer instellingen. Naast individuele restauratiesheeft hij een meer continue zorg voor enkele collecties, waarvoorhij jaarlijkse controles inclusief eventuele behandelingen van indi-viduele schilderijen uitvoert. De belangrijkste hiervan zijn: de col-lectie van oliemagnaat en miljonair Calusto Gulbenkian in London(en na diens dood in Lissabon onder beheer van zijn zoon NaburGulbenkian), de collectie van de Engelse Lord Salisbury vanHartfield House in Hatfield en de collectie van John F. GranvilleScope, Earl of Ellesmere, Duke of Sutherland, welke verdeeld isover zijn landgoed Mertoun in Berwickshire en BridgewaterHouse in Londen. Het gevolg van deze zorg voor diverse collec-ties, is dat De Wild jaarlijks enkele maanden in Engeland verblijft,meestal aan het einde van de zomer.De Wild leest, schrijft - en ongetwijfeld spreekt hij ook – goedEngels. Daarnaast is er in het archief correspondentie van zijnhand in het Frans en in het Duits. Er zijn ook artikelen van hem inhet Duits en Frans gepubliceerd, hoewel deze natuurlijk voor hemvertaald kunnen zijn. In het archief is een uitvoerige correspon-dentie te vinden met invloedrijke buitenlandse collega’s uit het veld. Voorbeelden daarvan zijn: Stephen Rees Jones, NormanBromelle, George Stout, R. E. Straub en Robert Feller. BinnenNederland in de laatste tien jaar van zijn leven is hij goed bevriendmet restaurator Hermesdorf, die hij naar eigen zeggen in 1961 opeen congres in Rome heeft ontmoet. Verder is De Wild gedurende35 jaar – van 1933 tot 1968 - lid van de Commissie van Toezicht enAdvies voor Schilderijen van de Gemeente Amsterdam. Hij geeft in de jaren ’40 - en mogelijk ook later - college aan deRijksuniversiteit van Utrecht. Hij woont symposia bij en geeft erpresentaties, bijvoorbeeld op de zeer belangrijke ‘InternationalConference for the Study of Scientific Methods for theExamination and Preservation of Works of Art’ in Rome van 13 tot 17 oktober 1930. Hij treedt op als expert in meerdere vervalsing-schandalen, waaronder de beruchte Wackeraffaire in Berlijn begin jaren ’30 over Van Gogh vervalsingen en het proces tegen HanVermeegeren in Nederland na de Tweede Wereldoorlog over devervalsing van een Vermeer.
Washars bedoekingen
Hoewel Martin de Wild in de loop van zijn carrière vele artikelenin zeer uiteenlopende tijdschriften en kranten zal schrijven, is deserie over washars bedoekingen, die hij samen met StanleyCursiter publiceert in het tijdschrift
Technical Studies in the Field of Fine Arts
, waarschijnlijk één van de meest belangrijke geweest inhet veld.
[5]
Voor zover bekend zijn dit de eerste zelfstandige tech-nische artikelen die enkel over washars bedoekingen gaan met een complete uitleg over de techniek. Martin de Wild is zeerwaarschijnlijk de persoon die de washars bedoeking in Engelandheeft geïntroduceerd en de genoemde artikelen zullen hieraaneen extra impuls hebben gegeven.
[6]
De Wild toont zich in de arti-kelen ethisch en voorzichtig. In onze tijd hebben we zoveel voor- beelden gezien van rampzalig uitgevoerde bedoekingen, dat wewel eens vergeten dat het oorspronkelijke idee van de washars bedoekingstechniek veel beter doordacht was en de oorspronke-lijke uitvoeringen veel zorgvuldiger waren, dan we verwachten.Hiermee staat Martin de Wild nog dicht bij de opvatting over enuitvoering van de techniek, zoals die door vader en zoon Hopmanwerd ontwikkeld. De Wild benadrukt in de artikelen herhaaldelijkdat elk schilderij uniek is en afzonderlijk beoordeeld moet wor-den op de te volgen behandeling.
[7]
Zo geeft hij aan dat originelespanranden – als ze nog bestaan – vooral niet verwijderd mogenworden, omdat ze belangrijke informatie kunnen geven over deoriginele toestand van een schilderij. En hij waarschuwt bijvoor- beeld om zeer voorzichtig en terughoudend te zijn met de drukvan het strijkijzer. Hij geeft aan dat de impregnerende werking vande washars wordt veroorzaakt door de capillaire werking van destructuur van het schilderij en niet door overmatige druk van eenstrijkijzer. Ook schrijft hij dat de keuze om tot een bedoeking overte gaan, niet eerder kan worden genomen dan na uitvoerig voor-onderzoek met onder andere röntgen- en UV-straling en chemi-sche analyses van het vernis, pigmenten, bindmiddel, grondlaagen textiele drager.Hoewel er in de literatuur tot nu toe nog geen vergelijkingenzijn gemaakt tussen de theorie die De Wild in zijn artikelenuiteenzet en de bedoekingen die hij zelf in de praktijk uitvoerde,zijn er op vele plaatsen nog bedoekingen van De Wild bekend.Onderzoek hiernaar is lopend en zal ongetwijfeld interessantegegevens oproepen. Eén van de manieren om een bedoeking vanDe Wilde te herkennen is de diepdrukstempel met de letters vanzijn achternaam die hij achterliet op het spieraam van een behan-deld schilderij.
[8]
De auteur zijn enkele voorbeelden bekend vanspieramen met een dergelijk stempel, onder andere uit de ICN-collectie. Deze voorbeelden hebben ook een aantal andere ken-merken van het spieraam gemeen; het spieraam steeds een donke-re roodbruine tint is gekleurd/gebeitst, de spieën zijn gezekerddoor er een gaatje in te boren en er een touwtje door te rijgen dat met een nagel op het raam is vastgezet. Een ander kenmerk is dat de spanranden zijn afgeplakt met een plastic tape met een zwartelijmlaag in plaats van de – in die tijd – meer gebruikelijke papierentape. Een dergelijke plastic tape is voor zover bekend bij de auteurnooit door een andere restaurator gebruik. In de eerste van de bovengenoemde artikelen over washars bedoekingen schrijft hijover de plastic tape: ‘a more satisfactory binding [dan papier] can be made of new materials, such as cellophane, in which a rubberadhesive is used.’ Het is vooralsnog onbekend hoe consequent hij was in het gebruik van bovengenoemde kenmerken en of zezijn gebonden aan een bepaalde periode. Wat De Wild zich niet heeft gerealiseerd was dat de cellofaan in de loop der tijd sterk zoudegraderen en los zou laten van de zwarte lijmlaag die achter blijft
3 8
C r
1 2 0 0 7
Add a Comment