/  7
 
Ingmar KochHuizinga en
Politicus zonder partij
werkstuk bij het college
Menno ter Braak 
In
Politicus zonder partij
i
(voortaan
P.z.p.
) wordt de historicus Johan Huizinga éénkeer met naam genoemd. Op pagina 105
staat:"(...) dat ik de historische objectiviteit (prof. dr J.Huizinga) bespotte, (...)"
De vraag die rijst na het lezen van bovenstaande regel is:Wat vond Huizinga van
P.z.p.
en waarom zou hij er iets van vinden?Huizinga heeft op 1 augustus 1935 een lange brief naar Ter Braak gestuurd,waarin hij een reactie geeft op
P.z.p.
Als antwoord hierop heeft Ter Braak op 2augustus weer een brief naar Huizinga teruggestuurd. Ik wil deze brieven metelkaar vergelijken en kijken wat Huizinga van
P.z.p.
vond. Als inleiding zal ik eenkorte schets geven van de verhouding tussen Huizinga en Ter Braak. Ik heb eensamenvatting van de twee brieven in de bijlage toegevoegd.Hoe was de verhouding tussen Ter Braak en Huizinga? Johan Huizinga was een oudoom van Ter Braak. De vader van Huizingawas een broer van de grootvader van moederszijde van Ter Braak. Volgens Krulheeft dit de relatie sterk vertroebeld. Voor Ter Braak bleef Huizinga deverafschuwde "Leidse pappa" en Huizinga beschouwde zijn achterneef als deeeuwige adolescent die niet volwassen wilde worden
. Dit blijkt bijvoorbeeld uitde brief die Huizinga op 9 mei 1935 naar Ter Braak stuurt. Hij zegt daarinletterlijk:"Ik zou zo graag nog eens met je praten (...) als de veel ouderebloedverwant die in je de eigenschappen herkent (...) Ik zou je heelgraag mijn mening willen zeggen over de schrifturen die ik van jeken, met de conclusie: Ontwaak toch uit deze overjarigeadolescentie, die je belet je ware talent te ontplooien."
v
Huizinga was hoogleraar geschiedenis in Leiden en volgens Krul is de reden voorde keuze van Ter Braak om in Amsterdam te gaan studeren en niet in Leiden,voortgekomen uit dat conflict
. Ter Braak is gepromoveerd op een onderwerpwaar Huizinga in gespecialiseerd was. Volgens Krul was dit om te bewijzen dat hijhet ook alleen kon. Hij hoopte nu dan ook op erkenning van Huizinga, maar dezestuurde een eenvoudig bedankbriefje voor het opgestuurde proefschrift
. Ter Braak had veel waardering voor het in 1919 verschenen
Hersfttij der middeleeuwen
van Huizinga. Hij waardeerde hier vooral "de beeldende durf" ende "tendentie tot romanceren"
in. Ik denk dat hij in
Herfsttij
een goedesamensmelting zag tussen "burger" en "dichter", zoals hij dat later in
Carnavalder burgers
x
en
P.z.p.
zou verwoorden.Bovenstaande citaten komen uit Ter Braak's bespreking van
Cultuurhistorische verkenningen
van Huizinga. Uit deze bespreking,
Huizingavoor den afgrond 
, blijkt duidelijk hoe de stand van zaken tussen Ter Braak enHuizinga in 1929 was.In zijn bespreking vergelijkt Ter Braak
Cultuurhistorische verkenningen
met
Herfsttij
en hij constateert dat de "verbeelding" is verdwenen uit
Cultuurhistorische verkenningen
. Hij verlangt te zeer naar de bescherming vantermen en durft niet meer creatief te zijn. Ter Braak verwijt Huizinga dat hij in
Cultuurhistorische verkenningen
een zeer voorzichtig man is, die in eerste plaatsop de volkomen veiligheid van zijn meningen gesteld is. Hij durft geen partij te
 
kiezen
. Dit zal een van de grootste verwijten zijn die Ter Braak Huizinga zalmaken, niet durven kiezen. Hij ziet Huizinga als een wetenschapper in een Ivoren Toren, die bang is om eruit te komen. Ter Braak heeft deze opvatting over Huizinga nooit meer bijgestelt.Wanneer Ter Braak op 17 februari 1935 probeert Huizinga over te halen mee tewerken in een anti-fascistisch comitee weigert deze. Ter Braak legt dit uit als "dereactie van van een gevestigde academicus die zijn positie niet door enige vormvan persoonlijk engagement in gevaar wil brengen."
 In 1938 schrijft hij aan Ter Braak over Huizinga:"In
Huizinga v. d. Afgrond.
staat eigenlijk alles wat ik over hem tezeggen had."
Op 14 juni 1935 bezoekt Ter Braak Huizinga nog een keer om te proberen hemover te halen deel te nemen aan een anti-fascistisch forum. Huizinga weigertopnieuw. Naar aanleiding van dit gesprek stuurt Ter Braak een exemplaar van
P.z.p.
op naar Huizinga, met de mededeling vooral het vierde hoofdstuk te lezen.Huizinga ontvangt
P.z.p.
even voor 20 juni 1935. Hij geeft aan dat hij het boek inzijn geheel zal lezen, als hij klaar is met zijn eigen werkzaamheden. Hij geeft alaan dat dit waarschijnlijk pas in augustus zal zijn
.Op 1 augustus schrijft Huizinga een lange brief naar Ter Braak met daarinzijn reactie. Op 2 augustus schrijft Ter Braak een lange brief terug. In de bijlagevindt U een samenvatting van beide brieven. Ik zal nu de belangrijkste passageseruit lichten.Huizinga besteedt in zijn reactie vooral aandacht aan het vierde hoofdstuk,
Een zonde tegen de heilige geest 
. Ter Braak had Huizinga het boek ook opgestuurdmet de mededeling dat hij dit vooral moest lezen
.Huizinga verwijt Ter Braak dat hij zichzelf op verschillende puntentegenspreekt. Zo vindt hij dat Ter Braak de geest erkent in de uitspraak"Spraakklanken met betekenis"
en dat Ter Braak de grammatica loochent,maar er toch constant gebruik van maakt. Ter Braak reageert hierop met te zeggen dat Huizinga gelijk heeft, watbetreft die "innerlijke tegenstrijdigheden." Maar hij zegt ook dat hij dit al in
P.z.p.
heeft erkend
. Waarschijnlijk doelt hij hier op het stukje op p.133 van
P.z.p.
:"(...) ik val de geest aan met geestelijke middelen, ik attaqueerwoorden met woordenen zinnen met zinnen!"
Verder zegt hij hierover dat hij geen aanval op
den
geest heeft gedaan, maar dathij aangeeft, dat hij doorheeft dat achter het woord
geest 
allerlei belangenschuilgaan, die als superieur worden gepresenteerd
. Dit heeft hij ook al in
P.z.p.
gezegd. Bijvoorbeeld:"Mijn minachting voor de geest begint dus eerst daar, waar zichachter het
woord 
'geest' (...) een halfslachtig wezen verbergt, trotsop zijn stand, geloof en ethiek, maar eigenlijk hulpeloos als een kindtegenover degenen, wier geest hun soepel instinct is geworden."
of:"Ik waag dus geen aanval op
de
geest, (...)
Ik vindt dit verwijt van Huizinga dan ook niet helemaal gerechtvaardigd. Huizingadoet alsof Ter Braak de geest helemaal afwijst. Dit is volgens mij niet het geval. Ter Braak wil een synthese van "geest" en "lichaam" en hij wil laten zien, dat hijdenkt dat het
woord 
"geest" misbruikt wordt voor allerlei idealen.Ook het verwijt van de "innerlijke tegenstrijdigheid" is nietgerechtvaardigd, aangezien Ter Braak in
P.z.p.
al toegeeft dat hij zichzelf tegenspreekt.Misschien is dit zoeken naar "innerlijke tegenstrijdigheden" ingegeven
 
door de bespreking van Ter Braak van
Cultuurhistorische verkenningen
zes jaareerder (Het al eerder genoemde
Huizinga voor de afgrond 
). In dit stuk wijst TerBraak op tegenstrijdigheden binnen
Cultuurhistorische verkenningen
. Volgens TerBraak erkent Huizinga dat geschiedenis geen natuurwetenschap is, met wettenen exacte normen, maar dat wil niet zeggen dat Huizinga afstapt van zijn"godsdienstig respect voor objectieve normen."
Een pagina verder stelt hijtwee elkaar tegensprekende citaten van Huizinga tegen over elkaar
.Ik heb het idee dat Huizinga Ter Braak nu een koekje van eigen deel wougeven, mede door wat hij hem in het tweede deel van de brief verwijt.Huizinga verwijt Ter Braak dat zijn omkering van "hoger" en "lager" en zijn"immoralisme" erg goedkoop is
. Ter Braak reageert hier tamelijk fel op. Hijgeeft de goedkoopheid niet toe, omdat het boek een zeer langevoorbereidingstijd heeft gehad en het geen haastige uitverkoop is geweest. Hijvraagt zich af waarom de omkering goedkoop is, aangezien Huizinga daar in zijnbrief geen antwoord op geeft. Hij vraagt of dat komt, doordat Huizinga deuitvallen van Ter Braak niet kan rijmen met zijn stelingname tegen het nationaal-socialisme. (Huizinga schrijft in zijn brief letterlijk: "Wat heeft U weerhouden, eenvurig nazi te worden?"
) Ter Braak is geen nazi, omdat het nationaal-socialisme voor hem geen"Umwertung aller Werte" is, zoals Huizinga suggereert. Volgens Ter Braak is hetnationaal-socialisme een "corruptie der oude waarden"
.Een belangrijk deel van de brief van Huizinga gaat over de "houding" van Ter Braak. De belangrijkste verwijten die hij hem maakt zijn halfslachtigheid enbehoedzaamheid. Ter Braak kan nooit eens iets helemaal doen:"(...) zelfs Uw terugkeer in het dier is maar van halver harte."
Het andere verwijt dat Huizinga Ter Braak maakt is behoedzaamheid:"Ge houdt uw argument altijd zo, dat ge het, zo nodig, nog een slag kuntomdraaien."
Huizinga geeft aan dat hij de behoedzaamheid die Ter Braak bij Huizinga zokarakteristiek vindt, ook in Ter Braak zelf terug te vinden is.Dit zou je weer kunnen opvatten als een koekje van eigen deeg. In
Cultuurhistorische verkenningen
verwijt Ter Braak Huizinga behoedzaamheid:"Huizinga kiest: het veilige leven."
 Ter Braak vindt in zijn reactie dat Huizinga te veel wijst op al het negatieve in
P.z.p.
, terwijl er ook wel iets positiefs in zit. Hij geeft toe dat het niet veel is, maarer zit iets positiefs in. Hij doelt hiermee op de "honnête homme"
die hij vanPascal leende. Ter Braak geeft aan dat deze "honnêteté" zijn ambiguïteit tenopzichte van Huizinga verwoordt. Hij deelt Huizinga's afkeer van vals heroïsme,maar is tegen een apologie van het behoud.
Ter Braak's ontmaskering van deGeest diende ook alleen maar om de "Honnête homme" mogelijk te maken.Het is niet zo vreemd dat Huizinga hier niets over zegt. Hij schrijft:"In Uw laatste hoofdtsuk vind ik veel belangrijks over genie enhumor, dat mij zeer aantrekt, maar ge hebt te lang aan mijnhersens geschud, en ik verslap in aandacht..."
Waarschijnlijk heeft hij het laatste hoofdstuk maar half gelezen.Maar Ter Braak zegt ook nog iets interessants over het laatste hoofdstuk.Hij geeft toe dat het positieve niet in het boek is uitgewerkt."
P.z.p.
eist een toepassing van de individueel verworvengrondslagen op de
maatschappelijke situatie
;(...)"
Hij geeft toe dat de "hiërarchie van het avontuur" uit het laatste hoofdstuk eendooddoener is! Toen hij het voorlaatste hoofdstuk af had, voelde hij dat hij nogniet toe was aan een toepassing van zijn theorie van de "honêteté" op de

Share & Embed

More from this user

Add a Comment

Characters: ...