/  3
 
M. van Nieuwstadt, De verschrikkingen van het denken. Over Menno ter Braak. Groningen,Historische Uitgeverij, 1997. ISBN 90 6554 421 6; prijs fl. 65,-Het analyseren van de grote essays van Ter Braak is altijd een hachelijke onderneming, vooraldoor wat Hermans het 'denken in aanhalingstekens' noemt. Ter Braak poneert in zijn essays opde ene pagina dit, om dat op de volgende pagina te ontkrachten en op de derde pagina is alleszo gedraaid dat het geheel tussen aanhalingstekens staat en een andere betekenis heeftgekregen. Met dit in het achterhoofd lees ik de meeste studies over het werk van Ter Braak enzo ook De verschrikkingen van het denken van M. van Nieuwstadt.
 
Hoewel de dissertatie opent met een citaat van Barthes, waarin deze stelt dat tekstenniet meer resumeerbaar zijn, geeft van Nieuwstadt in het Vooraf toch een korte samenvattingvan de twee hoofdlijnen waarlangs zijn studie verloopt. Allereerst betoogt hij dat de invloed vanNietzsche op Ter Braak in de Nederlandse letterkunde niet correct, of toch ten minste nietvolledig, wordt beschreven. Dit is volgens Van Nieuwstadt vooral te wijten aan Gomperts die inDe schok der herkenning (1959) poneert dat Ter Braaks Nietzsche er vooral eentje van eigenvinding was en dat Nietzsches invloed op het denken van Ter Braak in het niet valt bij deinvloed die Du Perron daarop heeft gehad.
 
Volgens Van Nieuwstadt heeft deze opmerking van Gomperts tot gevolg gehad dat in desecundaire literatuur nooit antwoord is gegeven op de vraag 'welke omtrekken precies degedaante van Nietzsche in leven en werk van Ter Braak (...) heeft aangenomen (...).' Dit zoukomen doordat nooit is geanalyseerd 'welke Ter Braak welke Nietzsche leest [en] hoe Nietzschewaar en waarom in Ter Braaks werk is gerepresenteerd (...)' Vreemd genoeg gaat VanNieuwstadt in zijn betoog voorbij aan de studie van Henrard, Menno ter Braak in het licht vanFriedrich Nietzsche uit 1963. Het boek staat wel bij Van Nieuwstadt in de bibliografie en hijciteert er ook een keer uit, maar hij rept verder met geen woord over de studie van Henrard.Deze schrijft in zijn Woord vooraf '(I)k ben nochtans de mening toegedaan, dat vooral één figuur de gedachtenwereld van Ter Braak heeft beheerst, nl. Friedrich Nietzsche. Ter Braak mag hem volgen of mijden,steeds is Nietzsche voor hem een leerschool, zij het een lichtpunt, die hem of de tevolgen weg aanduidt, of op de te mijden moeilijkheden wijst; derhalve is het m.i.onmogelijk Nietzsche buiten Ter Braaks gedachtenwereld te sluiten (...)'
 
Henrard analyseert heel precies en nauwkeurig de rol van het werk van Nietzsche in hetdenken en het werk van Ter Braak, waarbij hij ook aandacht besteed aan de verschillen tussende ideeën van Nietzsche en Ter Braak. Als Van Nieuwstadt de studie van Henrard vanverwaarloosbaar belang acht, wat natuurlijk mogelijk is, had hij dat standpunt wel even moetenaangeven en beargumenteren. Nu lijkt het er op dat Van Nieuwstadt sterk overdrijft wanneer hijstelt dat er sinds de verkeerde voorstelling van zaken door Gomperts niets meer geschreven isover Nietzsche en Ter Braak.Ook de tweede hoofdlijn van Van Nieuwstadts betoog mist overtuigingskracht. Hijprobeert aan te tonen waarom Het Carnaval der Burgers in de secundaire literatuur over TerBraak minder besproken en gewaardeerd wordt dan de andere 'grote' essaybundels (Politicuszonder partij en Van oude en nieuwe Christenen). Volgens hem knippen alle letterkundigen en'Terbrakianen' moedwillig het werk van Ter Braak in tweeën. Zij zouden het werk dat ontstaan isvoor 1930 en Ter Braaks kennismaking met Du Perron, links laten liggen, ten faveure van hetwerk uit de jaren dertig.
 
Van Nieuwstadts poging de 'oude' Ter Braak in ere te herstellen is lovenswaardig, maarik denk dat hij hier een beetje doordraaft. Hij kan niet ontkennen dat Ter Braaks 'glorie-jaren'liggen in de jaren dertig, in de tijd van Forum en Ter Braaks artikelen tegen het fascisme enNazisme.Daar komt dan nog bij dat het hem maar gedeeltelijk lukt om aan te tonen waardoor dielacune in de literatuurgeschiedenis zou zijn ontstaan. Van Nieuwstadt probeert dat in eersteinstantie te verklaren aan de hand van het voorwoord dat Ter Braak in 1934 schreef bij detweede druk van Het Carnaval der burgers, waarin hij het boek beschrijft als 'een metafysische
 
brochure'. Hij probeert te achterhalen waarom Ter Braak het boek, vijf jaar nadat hij hetgeschreven had, plots als 'metafysisch' beoordeelde. Volgens Van Nieuwstadt sloeg dezebenaming terug op Nietzsches overwinning van de metafysica, een stap die Ter Braak zelf nietbleek te kunnen zetten, maar waardoor hij wel gefascineerd werd. Het is mij echter nietduidelijk geworden waarom dit een reden voor de verwaarlozing van het boek zou zijn.
 
Een andere, meer voor de hand liggende reden voor de 'verwaarlozing' van hetCarnaval-boek en het oudere werk is toe te schrijven aan Ter Braak zelf en heeft waarschijnlijkzijdelings te maken met de benaming 'metafysische brochure'. Van Nieuwstadt merkt terechtop dat er in het tweede hoofdstuk van Politicus zonder partij een hele reeks van 'leesverboden'omtrent het oudere werk van Ter Braak voorkomt. Deze verboden passen in Ter Braaksopvattingen over het denken, dat moet proberen in ontwikkeling te blijven en niet stil moetblijven staan. De paradox is natuurlijk dat het denken 'vastligt' zo gauw de gedachten zijnneergeschreven. Dat is de verklaring achter Ter Braaks leesverboden, het oude werk ligt vasten is niet meer te veranderen. Maar voor Ter Braak gold waarschijnlijk ook een meer inhoudelijkargument voor de leesverboden. De latere Ter Braak vond dat het oudere werk nog te veelgeschreven was met behulp van wat hij zelf 'handwoorden' noemde. Uit de oudere tekstenkwam te zeer het later door Ter Braak zelf verworpen denken in systemen en abstracties naarvoren, de teksten stonden niet dicht genoeg bij de werkelijkheid zelf.Volgens Van Nieuwstadt hebben veel literatuurhistorici Ter Braaks verboden te letterlijkopgevolgd en naar aanleiding van de bewuste passages in Politicus zonder partij het oeuvrevan Ter Braak in tweeën gedeeld, waarbij de eerste helft het ondergeschoven kindje werd. Hetis mogelijk om ook de benaming 'metafysische brochure' als een soort leesverbod te zien, of liever een 'leesaanwijzing', waarin Ter Braak aangeeft hoe 'metafysisch' hij in 1930 nog dachten schreef, en dat hij nu, in 1934, zich alweer verder heeft ontwikkeld.
 
Van Nieuwstadt heeft zijn studie zeer breed opgezet. In het Vooraf geeft hij aan dat zijndissertatie 'ten overstaan van haar onderwerp opzettelijk sterk' meandert. Hij probeert nietalleen een de rol van Nietzsche voor Ter Braak en de verwaarlozing van Het Carnaval derBurgers te verklaren, maar past daarnaast ook nog 'een op Walter Benjamin, (...) RolandBarthes, (...) Theodor W. Adorno, (...) Jacques Derrida [en] zijdelings op Massimo Cacciarigeïnspireerde leeswijze' toe. Helaas verklaart hij nergens de noodzaak van een dergelijkeleeswijze, wat tot gevolg heeft dat het nooit helemaal duidelijk wordt waarom Van Nieuwstadtallerlei (ogenschijnlijke) zijpaden bewandeld.Deze wijdlopigheid spiegelt zich in de stijl die Van Nieuwstadt hanteert; hij probeertregelmatig te veel informatie in een zin te verpakken. De hier volgende alinea is een voorbeeldvan het soort zinnen en alinea's die daar het gevolg van zijn:
 
'Net zoals dat voor andere actualiseringen van afzonderlijke avonturen uit Odysseus'thuiskeer - de Nekyia, Duits Heimkehr; het Nederlands heeft er eigenlijk geen woordvoor - het geval is - bij Kafka, wiens werk ervan wemelt, bij Paul van Ostaijen in zijn"Grotesken", bij de expressionist Jakob van Hoddis, bij Brecht, wiens Geschichten vomHerrn Keuner in de titel - Herr "Keiner", dat is de heer Niemand - Odysseus' truc met zijnnaam letterlijk in ere houden - roept het hergebruik ervan hij (sic) Ter Braak ominterpretatie (...)' (p.172)
 
De teksten tussen de diverse gedachtenstreepjes lijken alleen maar te zijn toegevoegd om telaten zien dat Van Nieuwstadt zijn klassiekers kent en niet van de straat is.
 
Het grote minpunt van de studie van Van Nieuwstadt is dat hij nergens een explicieteverantwoording voor zijn 'wijde blik' geeft. Dit had kunnen gebeuren in een afsluitendhoofdstuk, waarin hij alle lijnen die hij in de voorgaande hoofdstukken had uitgezet, bij elkaarliet komen. Deze samenvatting of conclusie ontbreekt hier, wat waarschijnlijk voor een grootdeel aan Barthes ('Teksten zijn vanaf nu niet meer resumeerbaar', waar de dissertatie meeopent) te wijten is.

Share & Embed

More from this user

Add a Comment

Characters: ...