brochure'. Hij probeert te achterhalen waarom Ter Braak het boek, vijf jaar nadat hij hetgeschreven had, plots als 'metafysisch' beoordeelde. Volgens Van Nieuwstadt sloeg dezebenaming terug op Nietzsches overwinning van de metafysica, een stap die Ter Braak zelf nietbleek te kunnen zetten, maar waardoor hij wel gefascineerd werd. Het is mij echter nietduidelijk geworden waarom dit een reden voor de verwaarlozing van het boek zou zijn.
Een andere, meer voor de hand liggende reden voor de 'verwaarlozing' van hetCarnaval-boek en het oudere werk is toe te schrijven aan Ter Braak zelf en heeft waarschijnlijkzijdelings te maken met de benaming 'metafysische brochure'. Van Nieuwstadt merkt terechtop dat er in het tweede hoofdstuk van Politicus zonder partij een hele reeks van 'leesverboden'omtrent het oudere werk van Ter Braak voorkomt. Deze verboden passen in Ter Braaksopvattingen over het denken, dat moet proberen in ontwikkeling te blijven en niet stil moetblijven staan. De paradox is natuurlijk dat het denken 'vastligt' zo gauw de gedachten zijnneergeschreven. Dat is de verklaring achter Ter Braaks leesverboden, het oude werk ligt vasten is niet meer te veranderen. Maar voor Ter Braak gold waarschijnlijk ook een meer inhoudelijkargument voor de leesverboden. De latere Ter Braak vond dat het oudere werk nog te veelgeschreven was met behulp van wat hij zelf 'handwoorden' noemde. Uit de oudere tekstenkwam te zeer het later door Ter Braak zelf verworpen denken in systemen en abstracties naarvoren, de teksten stonden niet dicht genoeg bij de werkelijkheid zelf.Volgens Van Nieuwstadt hebben veel literatuurhistorici Ter Braaks verboden te letterlijkopgevolgd en naar aanleiding van de bewuste passages in Politicus zonder partij het oeuvrevan Ter Braak in tweeën gedeeld, waarbij de eerste helft het ondergeschoven kindje werd. Hetis mogelijk om ook de benaming 'metafysische brochure' als een soort leesverbod te zien, of liever een 'leesaanwijzing', waarin Ter Braak aangeeft hoe 'metafysisch' hij in 1930 nog dachten schreef, en dat hij nu, in 1934, zich alweer verder heeft ontwikkeld.
Van Nieuwstadt heeft zijn studie zeer breed opgezet. In het Vooraf geeft hij aan dat zijndissertatie 'ten overstaan van haar onderwerp opzettelijk sterk' meandert. Hij probeert nietalleen een de rol van Nietzsche voor Ter Braak en de verwaarlozing van Het Carnaval derBurgers te verklaren, maar past daarnaast ook nog 'een op Walter Benjamin, (...) RolandBarthes, (...) Theodor W. Adorno, (...) Jacques Derrida [en] zijdelings op Massimo Cacciarigeïnspireerde leeswijze' toe. Helaas verklaart hij nergens de noodzaak van een dergelijkeleeswijze, wat tot gevolg heeft dat het nooit helemaal duidelijk wordt waarom Van Nieuwstadtallerlei (ogenschijnlijke) zijpaden bewandeld.Deze wijdlopigheid spiegelt zich in de stijl die Van Nieuwstadt hanteert; hij probeertregelmatig te veel informatie in een zin te verpakken. De hier volgende alinea is een voorbeeldvan het soort zinnen en alinea's die daar het gevolg van zijn:
'Net zoals dat voor andere actualiseringen van afzonderlijke avonturen uit Odysseus'thuiskeer - de Nekyia, Duits Heimkehr; het Nederlands heeft er eigenlijk geen woordvoor - het geval is - bij Kafka, wiens werk ervan wemelt, bij Paul van Ostaijen in zijn"Grotesken", bij de expressionist Jakob van Hoddis, bij Brecht, wiens Geschichten vomHerrn Keuner in de titel - Herr "Keiner", dat is de heer Niemand - Odysseus' truc met zijnnaam letterlijk in ere houden - roept het hergebruik ervan hij (sic) Ter Braak ominterpretatie (...)' (p.172)
De teksten tussen de diverse gedachtenstreepjes lijken alleen maar te zijn toegevoegd om telaten zien dat Van Nieuwstadt zijn klassiekers kent en niet van de straat is.
Het grote minpunt van de studie van Van Nieuwstadt is dat hij nergens een explicieteverantwoording voor zijn 'wijde blik' geeft. Dit had kunnen gebeuren in een afsluitendhoofdstuk, waarin hij alle lijnen die hij in de voorgaande hoofdstukken had uitgezet, bij elkaarliet komen. Deze samenvatting of conclusie ontbreekt hier, wat waarschijnlijk voor een grootdeel aan Barthes ('Teksten zijn vanaf nu niet meer resumeerbaar', waar de dissertatie meeopent) te wijten is.
Add a Comment