P. 1
Exegetische Notities bij de Bergrede

Exegetische Notities bij de Bergrede

Ratings: (0)|Views: 239 |Likes:
Published by Aries van Meeteren
Werkvertaling van de Bergrede, zoals weergegeven in Mattheüs, voorzien van exegetische aantekeningen en vermelding van grammaticale bijzonderheden.
Werkvertaling van de Bergrede, zoals weergegeven in Mattheüs, voorzien van exegetische aantekeningen en vermelding van grammaticale bijzonderheden.

More info:

Published by: Aries van Meeteren on Sep 23, 2011
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

09/23/2011

pdf

text

original

 
1
DEBERGREDE
Mt5:1
ivdw.n de.tou.j o;clouj avne,bh eivj to.o;roj( kai.kaqi,santoj auvtou/prosh/lqan auvtw/ |oi`maqhtai.   auvtou/\
ivdw.n
part.aor.A.nom.masc.sing.
o`ra,w
zien
de.
voegwoord
de.
en,nu,danmaar
tou.j o;clouj
subst.acc.(obi)masc.plur.
o`o;cloj
deschare,menigte
 avne,bh
aor.A.3epers.sing.
 avnabai,nw
opgaan,beklimmen
 eivj
voorzetsel(+4)
 eivj
naar,tot,voor,tegen,op
to.o;roj
subst.acc.neut.sing.
to.o;roj
deberg
kai. 
voegwoord
kai. 
en,ook
kaqi,santoj
part.aor.A.gen.(abs)masc.sing.
kaqi,zw
(doen)zitten,gaanzitten
 auvtou
pron.pers.gen.(poss)masc.sing.
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
prosh/lqan
aor.A.3epers.plur.
prose,rcomai
komentot
 auvtw/ |
pron.pers.dat.(soci)masc.sing.
 auvto,j
hem
oi`maqhtai
subst.nom.masc.plur.
o`maqhth,j
deleerling
ToenHijnudemenigtenhadgezien,gingHijdebergop(lett.:gingHijopnaardeberg)ennadatHijwasgaanzitten,kwamenZijnleerlingentotHem,
NBG:ToenHijnudescharenzag,gingHijdebergopennadatHijZichhadnedergezet,kwamenZijndiscipelentotHem,
Opmerkingen:
kaqi,santoj auvtou
iseen
genitivusabsolutus 
,d.w.z.het
participium 
kaqi,santoj
heefteeneigenonderwerp
 auvtou
datniettegelijkertijddeeluitmaaktvandepersoonsvorm
prosh/lqan
.Zowelhetdeelwoordalshetbijbehorendesubjectstaanindetweedenaamval.Devertalingvande
genitivusabsolutus
ishiertemporeel,d.w.z.meteenbijzinvantijd(terwijl,toen,nadat).Andereoptiesbijeen
genitivusabsolutus
zijnbijzinnenvanreden(omdat),vantoegeving(ofschoon,hoewel)ofvanvoorwaarde(mits).Vgl.Grieks1,par21.6;BDR§423,7enGG§230d.
Inenkelemanuscriptenontbreektde
dativussociativus 
 auvtw/ |
(ondermeerinB(
Codex 
Vaticanus 
)).Voorde
dativussociativus
zieGrieks1,bijlage5.3.3.1.
Mt5:2
kai.avnoi,xaj to.sto,ma auvtou/evdi,dasken auvtou.j le,gwn\
 avnoi,xaj
part.aor.A.nom.masc.sing.
 avnoi,gw
openen
to.sto,ma
subst.acc.(obi)neut.sing.
to.sto,ma
demond
 auvtou
pron.pers.gen.(poss)masc.sing.
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
 evdi,dasken
imperf.A.3epers.sing.
dida,skw
leren,onderrichten
 auvtou.j
pron.pers.acc.(obidir)masc.plur.
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
le,gwn
part.A.nom.masc.sing.
le,gw
zeggen
ennadatHijzijnmondhadgeopend,begonHijhentelerenenzei(of:terwijlHijzei):
NBG:EnHijopendezijnmondenleerdehen,zeggende:
Opmerkingen:
Hetheleversiseensemitisme(MoultonII,p.454).
DebergredewordtinMattheüsingeleidmethet
imperfectum
 evdi,dasken
(waarLucas
 e;legen
gebruikt,een
imperfectum
van
le,gw
)datwordtgebruiktbijeenlangerrelaasoftoespraak(waareen
aoristus
staatvooreengedaneuitspraak).Hoffmann&VonSiebenthalstellendaarom,incorrectieopdevertalingvandeNBG,een
ingressief
aspectvoordateenaanvangendehandelinguitdruktofdeovergangnaareenanderetoestand:‘Hijbegonhenteleren’(vgl.NewAmericanStandardBible).Eenlineairevertalingmagook,maardiezoudanmoetenluiden:‘Hijleerdehenuitvoerig’.Vgl.WBC,86;BDR§329,2;GG§198e.
 
2
Dezaligsprekingen(cf.Lc.6,20-23)
Mt5:3
Maka,rioi oi`ptwcoi.tw/ |pneu,mati( o[ti auvtw/n evstin h`basilei, a tw/n ouvranw/
Maka,rioi
adj.nom.(pred)masc.plur.
maka,rioj
gelukkig,gezegend,zalig
ptwcoi.
adj.nom.masc.plur.
o`ptwco,j
dearme
tw/ |pneu,mati
subst.dat.(resp)neut.sing.
to.pneu/ma
degeest
o[ti
voegwoord+causalebijzin
o[ti
dat,omdat,doordat,want
 auvtw/n
pron.pers.gen.(poss)masc.plur.
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
 evstin
praes.A.3epers.sing.
 eivmi,
zijn
h`basilei, a
subst.nom.fem.sing.
h`basilei, a
hetkoninkrijk
tw/n ouvranw/n
subst.gen.(obi)masc.plur.
o`ouvrano,j
dehemel
(Diep)gelukkig(zijn)dearmenvangeest,wantvanhenishetkoninkrijkvandehemelen.
NBG:Zaligdearmenvangeest,wanthunnerishetKoninkrijkderhemelen.
Opmerkingen:
Hetgesubstantiveerde
adjectief
maka,rioi
krijgtgeenlidwoord.Hetiseennaamwoordelijkdeelvanhetgezegde(predicaatsnomen).Hetlidwoorddateropvolgt,hoortbij
ptwcoi,
.ZieGG§136b.
Hetkoppelwerkwoord
 eivmi,
isweggelatenna
maka,rioi
,omdathethiergaatomeenzegswijze(ofnominaalzin,zieooko.m.Jacobus1:12,Romeinen4:8).Vgl.BDR§127,4.7en§128,1.ZieookGG§256d.Deuitdrukkingmet
maka,rioi
isafkomstiguitdeLXX,waarinhet64keervoorkomt.
oi`ptwcoi.tw/ |pneu,mati
iseenzogeheten
dativusrespectus
(of
relationis 
).Dezedrukteenbetrekkinguit(vaakbij
adjectieven 
)enkanwordenvertaaldmet‘watXbetreft’.Ziebijv.
tw/ |ge,nei
 
(watdeafstammingbetreft)of
ovno,mati
(watdenaambetreft).Erbestaatookeen
accusativusrespectus 
,dieexacthetzelfdeweergeeft,maarinhetNTkomtdedatiefvariantveelvakervoor(BDR§197,3enGG§173b,§178a).Voordeuitdrukking‘armvangeest’,zie1QM14:7.
o[ti
scheidteencausalebijzinvaneenhoofdzin.Vandaarvaakdevertaling‘omdat’.Wanneerechterhetcausaleverband
mindersamenhangend
is,zoalshier,iseenvertalingmet‘want’beter.Merkopdatvoegwoordenindeevangelnveelvuldigvoorkomeninonderwijzingen(eninzaligsprekingenbuitendeBergrede)omdeverschillendevoorschriftenenuitsprakenteverbinden(zieBDR§456,1-2;§462,2;WBC,88,89).BuitenhetNTisde
o[ti
-bepalingzeldzaam.
Hetpersoonlijkvoornaamwoord
 auvtw/n
ishiergebruiktterbenadrukking(BDR§277,4).
h`basilei, a tw/n ouvranw/n
iseen
genitivusobiectivus 
,behorendbijhet
nomenactionis 
basilei, a
(eensubstantiefdatisafgeleidvan
basileu,w
wateenhandelingweergeeft).ZieGrieks1,bijlage5.2.1.2.Maarookeen
genitivuspossessivus
isverdedigbaar.Dezegeeftdeoorsprongvanhet‘Koninkrijk’weer.Een
genitivusattributivus,
dieeendoelofrichtingaangeeft,iseveneensmogelijk.
Tw/n ouvranw/n
kanverdereen‘hoedanigheid’ofeigenschapvanhetKoninkrijkzijn,metdefunctievaneenadjectief:HemelsKoninkrijk(
genitivusqualitatis 
).Totslotzouookeen
genitivusepexegeticus
kunnenwordengelezen,dieuitdruktwaarhetKoninkrijkdanuitbestaat.
Blass,DebrunnerenRehkopfzienindeeerstevierzaligsprekingen(Mt5:3-6)eenduidelijke
p
-alliteratie(invers3gaathetom
oi` 
twcoi.tw/ | 
neu,mati
)
.
Vgl.BDR§488,7.
Mt5:4
 maka,rioi oi`penqou/ntej( o[ti auvtoi.paraklhqh,sontaiÅ
 
Maka,rioi
adj.nom.(pred)masc.plur.
maka,rioj
gelukkig,gezegend,zalig
penqou/ntej
part.praes.A.nom.masc.plur.
penqe,w
klagen,beklagen
o[ti
voegwoord+causalebijzin
o[ti
dat,omdat,doordat,want
 auvtoi
pron.pers.nom.masc.plur
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
paraklhqh,sontai
indic.fut.pas.3epers.plur.
parakale,w
troosten
(Diep)gelukkig(zijn)zijdie(aanhoudend)treuren,wantzijzullenwordengetroost.
NBG:Zaligdietreuren,wantzijzullenvertroostworden.
Opmerkingen:
Hetpersoonlijkvoornaamwoord
 auvtoi
ishiergebruiktterbenadrukking(BDR§277,5).
Sommigehandschriftenhebbenvers4en5omgedraaid,vermoedelijkomeenantithesetecreërentussen‘hemel’en‘aarde’eneensynthesetussen‘armenvangeest’en‘zachtmoedigen’(zieTCGNT,p.10)
 
3
Letopde
p
-alliteratie(
penqou/ntej
en
paraklhqh,sontai
)
.
Vgl.BDR§488,7.
Ondermeerde
CodexSinaiticus 
¥
 
voegtnog
nun
inna
penqou/ntej
omafstandtecreërentussendetegenwoordigetijdendetoekomst.
Mt5:5
 maka,rioi oi`praei/j( o[ti auvtoi.klhronomh,sousin th.n gh/
Maka,rioi
adj.nom.(pred)masc.plur.
maka,rioj
gelukkig,gezegend,zalig
praei/j
adj.nom.masc.plur.
prau<j
zacht,vriendelijk,gematigd
o[ti
voegwoord+causalebijzin
o[ti
dat,omdat,doordat,want
 auvtoi
pron.pers.nom.masc.plur
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
klhronomh,sousin
indic.fut.A.3epers.plur.
klhronome,w
(be)erven
th.n gh/n
subst.acc.(obi)fem.sing.
h`gh/
aarde
(Diep)gelukkig(zijn)dezachtaardigen,wantzijzullendeaardebeërven.
NBG:Zaligdezachtmoedigen,wantzijzullendeaardebeërven.
Opmerkingen:
Sommigehandschriftenhebbenvers4en5omgedraaid(ziebijvers4).
Hetwoord
prau<j( praei/ a( prau<$prae,wj%
betekentzacht,liefelijk,vriendelijk,mild,mak,gedwee.Vgl.Jes.41:17.Hetiseensynoniemvan
tapeino,j
en
h`su,cioj
.
Letopdedoorlopende
p
-alliteratie(
praei/j
)
.
Vgl.BDR§488,7.
Mt5:6
 maka,rioi oi`peinw/ntej kai.diyw/ntej th.n dikaiosu,nhn( o[ti auvtoi.cortasqh,sontaiÅ
Maka,rioi
adj.nom.(pred)masc.plur.
maka,rioj
gelukkig,gezegend,zalig
peinw/ntej
part.praes.A.nom.masc.plur.
peina,w
hongerhebben
diyw/ntej
part.praes.A.nom.masc.plur.
diya,w
dorsthebben
th.n dikaiosu,nhn
subst.acc.(obi)fem.sing.
h`dikaiosu,nh
gerechtigheid
o[ti
voegwoord+causalebijzin
o[ti
dat,omdat,doordat,want
 auvtoi
pron.pers.nom.masc.plur
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
cortasqh,sontai
indic.fut.P.3epers.plur.
corta,zw
verzadigen,vetmesten
(Diep)gelukkig(zijn)zijdie(aanhoudend)hongerenendorstennaardegerechtigheid,wantzijzullenwordenverzadigd.
NBG:Zaligdiehongerenendorstennaardegerechtigheid,wantzijzullenverzadigdworden.
Opmerkingen:
Opwerkwoordenvanverlangen(zoals
 evpiqume,w
)volgtdoorgaanseengenitief(BDR§171,2).Maarna
peina,w
en
diya,w
volgtinhetNTeen
accusativusobiectidirecti
(mogelijknaaranalogievan
 evpipoqe,w
(naarietsverlangen)waarnazoweleengenitiefalseenaccusatiefkanvolgen).Dewerkwoordenzijneigenlijkintransitief,maardoordetoevoegingvaneendirectlijdendvoorwerpzijnzetransitiefgemaakt(overigenskomteendatiefna
diya,w
ookvoor:vgl.Ex.17:3).
Letopdedoorlopende
p
-alliteratie(
peinw/ntej
)
.
Vgl.BDR§488,7.
Burtonschrijftdat
peinw/ntej
en
diyw/ntej
tegenwoordigedeelwoordenzijn,dieeengroepaanduidenvanhendieeenbepaaldedaad
voortdurend
verrichten(Burton§124).Zieookvers4.
Mt5:7
 maka,rioi oi`evleh,monej( o[ti auvtoi.evlehqh,sontaiÅ
Maka,rioi
adj.nom.(pred)masc.plur.
maka,rioj
gelukkig,gezegend,zalig
 evleh,monej
adj.nom.masc.plur
 evleh,mwn
medelijdend,barmhartig
o[ti
voegwoord+causalebijzin
o[ti
dat,omdat,doordat,want
 auvtoi
pron.pers.nom.masc.plur
 auvto,j
hij,zich(zelf),vanhem
 evlehqh,sontai
indic.fut.P.3epers.plural
 evlee,w
medelijdenhebben
(Diep)gelukkig(zijn)debarmhartigen,wantzijzullenbarmhartigheidvinden(of:ervaren).

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->