De Openbaring van Arsène Goedertier by Chris Noppe - Read Online
De Openbaring van Arsène Goedertier
0% of De Openbaring van Arsène Goedertier completed

About

Summary

In 1999 start Chris Noppe een onderzoek naar het paneel de Rechtvaardige Rechters, gestolen uit het Lam Gods in de Sint-Baafs van Gent. Het spoor leidt naar de crypte van Laken en het graf van koning Albert I, ook in 1934 vermoord in Marche-les-Dames...


Politie-inspecteur Chris Noppe zet het verhaal voort dat hij begon met zijn spraakmakende boek Het geheim van de Rechtvaardige Rechters: een koningsgeschenk (2001). Maar deze keer concentreert hij zich voluit op de mythomaan Goedertier, die gedreven door godsdienstwaanzin de meest onvoorstelbare expeditie van de twintigste eeuw start.

Vóór Noppe heeft nog nooit iemand de gekende speurtochten van Goedertier geanalyseerd, zoals deze naar de moordenaar van Jeanneke Van Calck. En is het een toeval dat het Brusselse meisje dezelfde verminkingen vertoont als de verschijning van de Maagd Maria in Borgerhout? Voor de "religieus determinist" die Goedertier is, bestaat het toeval niet.

Door de analyse van Goedertiers speurtochten te toetsen aan twee codes die hij verwerkte in zijn briefwisseling, verschaft Chris Noppe de lezer een nieuw en verbluffend inzicht in motieven en achtergronden van de twee grootste Belgische mysteries van de vorige eeuw: de "whereabouts" van het paneel de Rechtvaardige Rechters, in 1934 gestolen uit het Lam Gods... en het dodelijk "ongeval" van koning Albert I in Marche-les-Dames, een paar maanden eerder.

Er stelt zich af en toe een probleem met de plaatsing van de illustraties en de onderschriften, reden waarom wij dit ebook aanbieden aan een democratische prijs. De tekst is er overigens niet minder leesbaar om! 

Published: vzw de Scriptomanen on
ISBN: 9781501436864
List price: $12.99
Availability for De Openbaring van Arsène Goedertier: Mysterieus België, #25
With a 30 day free trial you can read online for free
  1. This book can be read on up to 6 mobile devices.

Reviews

Book Preview

De Openbaring van Arsène Goedertier - Chris Noppe

You've reached the end of this preview. Sign up to read more!
Page 1 of 1

Publisher

Chris Noppe

––––––––

© 2014, De Openbaring van Arsène Goedertier – Chris Noppe & vzw de Scriptomanen

Deze ebook uitgave kwam tot stand in samenwerking met

www.schrijverspunt.nl - www.clusteruitgeverij.org

Redactie: Patrick Bernauw

Fotomontage cover: Marc Borms – www.embee.be

www.scriptomanen.org / www.inter-actief.be /  www.openbaringarseengoedertier.info

––––––––

––––––––

NUR 680

De auteur meent aan alle verplichtingen te hebben voldaan inzake de rechten die mogelijk gelden op het gebruik van afbeeldingen. Mochten personen of instanties toch de overtuiging zijn toegedaan dat zij zekere rechten kunnen laten gelden op afbeeldingen in dit boek, dan kunnen zij contact opnemen met de auteur via info@inter-actief.be.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voorwoord

Inleiding

DEEL I: Het jaar 1934: De verminking van het Lam Gods

1.1  Een schokkende ontdekking

1.2  Een vreemdsoortige afpersing

1.3  ‘Ik alleen weet waar het Lam Gods is’

1.4  Het officieuze onderzoek

1.5  Arsène Goedertier

1.6  De lotgevallen van een meesterwerk

1.7  De symboliek van het Lam Gods

1.8  Analyse van de gebeurtenissen

1.8.1. Sint-Baafskathedraal als geheime bergplaats? - Vanwaar deze gedachtegang? - Getuigenis van de meid - De eerste dagen na de diefstal

1.9. De restitutie van Sint-Jan-de-Doper

DEEL II: De vooroorlogse fase

2.1. Het Vlaams Hoofd

2.2. De moord op Joanna Van Calck - De feiten - Het relaas in de pers

2.3. De initiële enquête van Arsène Goedertier

2.4. Het rampenjaar 1906

2.5. Wonderbare verschijning te Borgerhout

2.6. Louis-Marie Grignion de Montfort

2.7. Van Joanna tot Sint-Anna

2.8. Op pelgrimstocht naar Bottelare

2.9. Sint-Anna in Bretagne

2.10. Het boek van Louis Frank

2.10.1. Inleiding

2.10.2. De feiten

2.10.3. Kenmerken van de dader

2.10.4. De bedenkingen van Louis Frank

2.10.5. De opsporingsmethode van Louis Frank - Het traject van de crimineel –

Religieus determinisme - Het tussenstation

2.10.6. Bijbelse verwijzingen

2.11. Een gouden tip

2.12. De openbaring van Arsène Goedertier

2.13. De wortels van de DUA-code

2.14. Het apocalyptisch denken tijdens het Fin de Siècle

2.15. De passage van de komeet van Halley

2.16. De koning is dood, leve de koning!

2.17. De Mariaverschijning te Brussel

DEEL III: De Groote Oorlog, 1914 – 1918

3.1. Het einde der tijden

3.2. King Albert’s Book

3.3. Konings Geheim der Geheimen

3.4. De wetten van Brück-Lagrange

3.5. Albert I, Koning van Jeruzalem

3.6. De Witte Cavalerie van Ieper

3.7. De Maagd van de Kreupelen

3.8. De kracht van Isaïe stort in

3.9. Professor M.C. Schuyten

3.10. Voor God en vaderland

DEEL IV: De naoorlogse fase, 1919 – 1934

4.1. De engel van Laodicea

4.2. De dag des oordeels

4.3. De expeditie van Stephen Langdon

4.4. Het orakel van Thémis

4.5. Late naweeën van de oorlog

4.6. Een keuze uit bijgeloof

4.7. De ultieme missie blijft uit

4.8. Het Kerstmisdrama

4.9. De verdwijning van Robert Kreglinger

4.10. Doorbraak in het onderzoek: een flashback

4.11. Analyse van de postbus-code

4.12. Wat schuilt er achter de postbus-code?

4.13. Vermoedens van een begraafplaats als bergplaats

4.14. De koninklijke crypte van Laken

4.15. De wortels van de postbus-code

4.16. Hypothetische reconstructie van de afgelegde weg

4.17. Het Antwerps stadsplan

4.18. Analyse van het gebruik van de potloodpunten

4.19. De ultieme Annunciatie

4.20. De laatste maanden voor de tenuitvoerbrenging

DEEL V: De missie van Arsène Goedertier

5.1. De val van Albert

5.2. De bedenkingen van Henri Van Steenberghe

5.3. Dan toch geen ongeval?

5.4. Verificatie ter plaatse

5.5. De vaststellingen van Albert Fisette

5.6. De getuigenis van Charles Hennuy

5.7. Het bloed van het Lam

5.8. Tot meerdere eer van God

5.9. Het nieuwe Calvarië

5.10. Een hinderlaag voor Koning Albert?

5.11. Het Smartelijkste Kruisoffer 

5.12. De ongerijmdheden worden weggewerkt

5.13. De verrijzenis van de koning

5.14. Een vreemde ontdekking in Laken

5.15. Het Lam versus de eik

5.16. De beweegbare historische meridiaan wordt ‘bewezen’

5.17. Onze-Lieve-Vrouw ter Finisterraekerk

5.18. Arsène als Hospitaalridder

DEEL VI: Het geheim van Jan Van Eyck

6.1. Godfried van Bouillon: kleinzoon van de Zwaanridder

6.2. De abdij van Orval

6.3. De Merovingers

6.4. Koning Dagobert II

6.5. Een merkwaardig bezoek

6.6. De ring van Jan de Leeuw

6.7. Sint-Ursula

6.8. De kathedraal van Reims

6.9. Het geheim van Jan Van Eyck

6.10. De trein als medium

DEEL VII: De zoektocht naar De Rechtvaardige Rechter(s)

7.1. Een verklarende brief?

7.2. Sint-Goedertier

7.3. De biecht

7.4. De zoektocht Koehn-Winders

7.5. In opdracht van de koning

7.6. Max Winders: beschermengel van de kunst

7.8. Op zoek naar Albert I

7.9. René Huyghe expertiseert De Rechtvaardige Rechters

7.10. Het kopie van Jozef Vanderveken

7.11. De verdwenen ring

7.12. Jozef Vanderveken signeert met: 4 21

7.13. Zoektocht bij de Mariakring

DEEL VIII: Het geheim van Laken

8.1. Leopold III ontvangt vergiftigd geschenk

8.2. Leopold III en Karel trekken naar de paus

8.3. Boudewijn ontmoet Nina

8.4. Koning-Monnik trouwt met Karmelietes

8.5. Fabiola, moeder van alle kinderen

8.6. Het ‘charismatisch gebaar’ van koningin Fabiola

8.7. Engelen in het Witte Huis

8.8. Het koningspaar en Jeanne Goedertier verwelkomen de paus

8.9. De middeleeuwse gratie Gods

8.10. Tussen God en Vorst

8.11. Het koningspaar in de ban van procesfilosofie

8.12. Omgaan met het Geheim van Laken

8.13. Boudewijn krijgt een plaats tussen De Rechtvaardige Rechters

8.14. Het geheim van Sint-Boudewijn

8.15. Het klooster van Opgrimbie

8.16. De schriftjes van koning Boudewijn

8.17. Pausbezoek aan de koninklijke crypte van Laken

8.18. De bruid van Jezus Christus

8.19. Koning Albert II

Nawoord

Bronnen

Hoe liefelijk is uw woning,

Heer van de hemelse machten.

Van verlangen smacht mijn ziel

naar de voorhoven van de Heer.

Mijn hart en mijn lijf roepen

om de levende God.

Zelfs een vogeltje vindt zijn onderdak,

en de zwaluw een nest

waarin ze haar jongen neerlegt,

bij uw altaren, Heer van de hemelse machten,

mijn koning en mijn God.

Voorwoord

––––––––

Op zolder kun je ze soms nog vinden, op rommelmarkten of op de planken van authentieke antiquariaten – de fantastische verhalen die in de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw ontsproten aan het brein van beroemde schrijvers als Edgar Allan Poe, Arthur Conan Doyle of Agatha Christie. Briljante speurders als Auguste Dupin, Sherlock Holmes of Hercule Poirot ontrafelden de meest gecompliceerde misdaden in een sfeer van avontuur en raadselachtigheid. Dankzij hun grote speurzin ontdekten ze sporen die hen via geheime dubbele deuren en onderaardse gangen tot bij hun einddoel brachten: het schuilhol van een gevaarlijk misdadiger, de bergplaats van een fabuleuze schat.

Echte speurders die dagelijks veldwerk verrichten, weten echter dat misdaden zelden in het chronologisch verloop van deze verhalen worden opgelost. Dikwijls worden er sporen gevonden die naar nergens leiden omdat essentiële elementen ontbreken. Moordenaars bijvoorbeeld worden meestal gevat omdat ze dicht bij hun slachtoffers stonden. Speurders vergaren zoveel mogelijk sporen op de plaats van de misdaad en beginnen daarna de leefwereld van het slachtoffer te analyseren. Als iemand uit de omgeving van het slachtoffer zich verdacht heeft gedragen en geen sluitend alibi kan voorleggen, kunnen zijn DNA, vingerafdrukken, haartjes, voetafdrukken vergeleken worden met de sporen die men op de plaats van de misdaad heeft aangetroffen. Vaak gebeurt het ook dat een dader op een totaal andere wijze in de schijnwerpers terecht komt. Het verhaal loop hier immers van A en B ineens naar Z, om daarna andere letters van het alfabet te bezoeken, tot er voldoende puzzelstukjes verzameld zijn en de bewijsvoering sluitend genoeg wordt bevonden.

Dit boek is het resultaat van meer dan tien jaar speurwerk. In deze periode gebeurden een vijftal belangrijke ontdekkingen die telkens voor een doorbraak zorgden in het onderzoek. Uiteindelijk had ik genoeg materiaal verzameld om de geschiedenis, die zich begin vorige eeuw over nagenoeg drie decennia afspeelde, te reconstrueren, te duiden en in de juiste context te plaatsen.

De chronologie van het onderzoek wordt hier niet aangehouden, om het concept en de leesbaarheid van dit werk niet in het gedrang te brengen.

Inleiding

––––––––

Brussel, zeven februari 1906, kwart voor twaalf. Onder een heldere sterrenhemel schrijdt een man door de verlichte straten van de Groot Godshuiswijk. Ongewild trekt hij de aandacht van enkele late voorbijgangers. In zijn linkerarm houdt hij een groot bruin pakket. Schichtig kijkt hij van links naar rechts. Als iemand zijn pad kruist, laat hij zijn bolhoed ietwat over zijn ogen zakken en draait zijn hoofd weg van de nieuwsgierige blikken. In de Lakensestraat houdt hij met zijn zwart lederen laarzen een stevig tempo aan. Nu nadert hij de Zwarte Lievevrouwstraat. Plots slaat hij linksaf en duikt de verlaten Zwaluwenstraat in. Ter hoogte van huisnummer 14 houdt hij halt. Het pand waar hij voor staat is in heropbouw. De werf is afgesloten met een houten omheining. Het lijkt erop dat hij zijn pakket achter de schutting wil leggen, maar dan bedenkt hij zich. Hij bestudeert de omgeving grondig. Bedachtzaam wandelt hij terug tot aan de Zwaluwenstraat 22. Naast de deur hangt een gravure: Janssens G. – Fleurs et couronnes mortuaires

Enkele minuten later wandelt Joseph Eylenbosch met zijn zoontje door de Zwaluwenstraat naar huis. De brigadier-machinist heeft zojuist zijn dienst in de Alhambraschouwburg beëindigd. Op de drempel van het huis met het nummer 22 ziet hij een vreemd bruin pakket liggen. Hij stuurt zijn zoontje naar de politieagent die hij even daarvoor in de Bloemenstraat heeft opgemerkt. Ondertussen vervoegt Pierre Noël, figurant-chauffeur bij de schouwburg, zich met twee kinderen van een vriend bij zijn collega. Politieagent Gustave Vandamme haast zich ter plaatse en bestudeert het verdacht pakket. Hij tilt het op, vindt het nogal zwaar, betast het. Aan de ene kant voelt hij iets bolvormigs, waardoor hij in eerste instantie denkt aan Hollandse kaas. Het is met enkele koorden ingepakt in bruin papier; de koorden vormen aan de bovenkant een soort handvat.

Op zijn beurt betast Pierre Noël het pak en zegt: ‘Er is hier een arm, ik voel het.’

Vandamme voelt opnieuw en roept verschrikt: ‘Is dat een hoofd? Misschien van een dode hond!?’

Intussen zijn er heel wat mensen bij komen staan. De agent besluit het pakket niet ter plaatse open te maken. Hij vreest dat hij met een Brusselse ‘zwanzer’ te maken heeft, en vraagt aan Pierre Noël of hij het pakket naar het politiekantoor van de derde divisie kan dragen. Op het vinden van een verdacht object op straat staat namelijk een premie van vijftig cent tot drie frank. Noël stemt toe en het zestal vertrekt naar de Nieuwe Graanmarkt 13. Vandamme zet zich aan de kop, gevolgd door de moeizaam stappende Noël, een angstige Eylenbosch en drie slaapdronken kinderen. Het touw snijdt in Noëls handpalm en vingers. Voortdurend moet hij het pakket in de andere hand nemen. Wanneer hij merkt dat zijn handen beginnen te bloeden, zegt hij tegen Vandamme: ‘Voor een zwans is het er een die zwaar weegt.’

Om vijf na twaalf komt het gezelschap aan op het politiebureau. Vandamme meldt zich aan bij de officier van dienst Hennuy. De officier, amper geïnteresseerd in het pakket, verwijst de agent door naar het bureau van speciaal-agent Desmedt. Hennuy zegt dat ze het pak daar maar moeten openen. De bundel wordt voor de schrijftafel van Desmedt op de grond gelegd. Desmedt toont al evenmin belangstelling; hij blijft gewoon in zijn bureaustoel zitten, een positie vanwaar hij het voorwerp niet kan zien. De bezorgde Eylenbosch trekt zich met de drie kinderen terug in een aanpalende kamer. Een koude rilling trekt van zijn hals tot aan zijn onderrug.

Vandamme en Noël inspecteren het pakket nogmaals, ditmaal ongestoord en beter belicht. Het is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verpakt in bruin papier. Een enkel lang sterk touw loopt eenmaal in de lengte en tweemaal over de breedte, waardoor het verdeeld wordt in zes sectoren. Hierdoor krijgt het de vorm van een koffer, met aan de bovenkant een handgreep. Vandamme, gehinderd door zijn kapot en sabel, kan niet hurken. Dus begint Noël het touw los te maken.

Na het verwijderen van het stinkende bruine papier verschijnt er een groene stof. ‘Nou, het zijn gewoon oude afgedankte klederen,’ zegt Vandamme.

‘Het is wel erg zwaar voor oude klederen,’ antwoordt Noël.

Deze keer is de stoffen bundel eenmaal omwonden in de lengte en eenmaal in de breedte. Een andere agent kan het niet meer aanzien. Hij neemt zijn zakmes en snijdt met een enkele krachtige haal het touw door. De groene stof ontrolt zich in een golvende beweging en de omstaanders springen verschrikt achteruit... voor het lichaam van een kind. Onder de lange blonde lokken zien ze een mooi, onschuldig gezichtje dat noch pijn, noch angst lijkt uit te drukken. De half gesloten blauwe ogen, schijnen verzonken in de onschuldige dromen van een zoete slaap. Maar lange bruine sokken bedekken haar mond, als om haar het eeuwige zwijgen op te leggen. Lichte strepen bloed in de mondhoeken. Haar kleine broek bedekt de rest van het lichaam als een lijkwade. Haar handjes voelen nog warm aan.

Er lijkt iets niet in orde met de proporties van haar lichaam. Langzaam tilt Noël het rokje van het kind omhoog. Ze kunnen hun ogen niet geloven. De twee beentjes van het arme kind zijn afgesneden... en nergens te bespeuren!

Zondag 24 oktober 1999, 13 uur. Op de E19, ergens tussen Antwerpen en Brussel, zit ik in mijn wagen verward voor me uit te staren. Vannacht heb ik geen oog dicht gedaan. Ik kon de gedachte niet van me afzetten. Zou de gekke inval die ik gisteren kreeg misschien toch niet zo gek zijn? Heeft iemand voor mij eigenlijk al aan deze locatie gedacht? De gedachte alleen al is te gek voor woorden. Maar stel... Hoe zou de plaats er bij liggen? Waren er praktische belemmeringen om iets weg te stoppen? En wie zou het in zijn hoofd halen om in zo een gebouw een van de kostbaarste kunstwerken ter wereld te verbergen? De afperser heeft zich echter laten ontvallen dat het kunstwerk verborgen is op een plaats waar niemand het zal zoeken. Zijn woorden van lang geleden spoken door mijn hoofd. Volgt men zijn instructies niet, dan zal het kostbare juweel voor eeuwig verloren zijn. Zal zich een openbare nachtmerrie voltrekken. Ook beweerde hij dat het kunstwerk niet was gestolen, maar verplaatst.

Verdwaasd als ik ben, rij ik de juiste afrit voorbij. Mijn agitatie staat in een schril contrast tot mijn gemoedstoestand van gisterenmiddag. Toen kuierde ik nog relaxed rond tussen de boekenrekken in de bibliotheek van mijn geboortedorp. Hoewel ik tegenwoordig in het meer hectische Deurne woon, zoek ik af en toe de rust op van de Brasschaatse parkgemeente.  Twee wetenschappelijke tijdschriften heb ik reeds onder mijn arm geborgen, wanneer mijn aandacht getrokken wordt door een dik boek. In grote rode letters staat er op de rug: Dossier Lam Gods. Ik heb wel zin in een goed boek, begin het te doorbladen. Achteraan bevindt zich een bijlage: Agnus Dei, De diefstal van de Rechtvaardige Rechters. Verslag en fotoreportage van de verfilming van deze kunstroof tot een docudrama door Panorama o.l.v. regisseur Jean-Pierre Coppens en uitgezonden door TV 1 op 7 april 1994.

Ik herinner me deze intrigerende uitzending van vijf jaar geleden nog. Ze handelde over de diefstal van De Rechtvaardige Rechters op 11 april 1934 uit de Sint-Baafskathedraal van Gent. Het paneel is tot de dag van vandaag onvindbaar. Nu besef ik pas dat deze uitzending gebaseerd is op dit boek van Karel Mortier en Noël Kerckhaert. Mijn besluit is vlug genomen: deze lectuur zal me wel een paar dagen zoet houden, denk ik...

Op pagina 35 wordt mijn aandacht een eerste keer speciaal gewekt. ‘Naast de geschiedenis van de aanbidding van het Lam Gods,’ schrijven de auteurs, ‘is ook kennis van het tijdsgebeuren nuttig én nodig om het verloop van deze ophefmakende zaak te begrijpen. Het zou verkeerd zijn de diefstal en het daaropvolgend onderzoek niet te willen zien in het licht en het kader van wat er toen aan de hand was. We kunnen hier niet genoeg de nadruk op leggen.’

Bij pagina 115, waar de zevende afpersingsbrief van D.U.A. wordt behandeld, voel ik een schok door mijn lichaam gaan. Hier lijkt me niet zozeer sprake van de ingewikkelde code waar men al decennia naar op zoek is, maar eerder van een ‘Spielerei’ van de afperser. Is dit echt een speels verborgen feit, dan wordt er niet enkel een link gelegd tussen De Rechtvaardige Rechters en een welbepaald persoon, maar ook naar een mogelijke locatie. En wat voor één! Spontaan denk ik terug aan pagina 35. Maar de aard van de locatie lijkt zo ver gezocht... Men zal me krankzinnig verklaren als ik hiermee naar buiten kom!

Terwijl ik verder lees, krijg ik echter steeds meer het gevoel dat de plaats die ik voor ogen heb misschien toch niet te gek is voor woorden. Denkend aan de psychologie van de afperser lijkt alles mogelijk in deze zaak, zelfs het meest ondenkbare! De afperser sprak over een publieke plaats, waar hij het paneel had verborgen, maar om een of andere reden zelf niet meer bij kon. ‘Mijn’ locatie...  is dat eigenlijk wel een publieke plaats? Ik surf er naartoe op het internet: de locatie is wel degelijk toegankelijk voor het publiek, elke zondagnamiddag van 14 uur tot 17 uur. De kans is groot dat dit in de jaren dertig ook reeds het geval was. Ik besluit er de volgende dag heen te rijden.

Afrit gemist... en dus neem ik de volgende en kom ik terecht in Schaarbeek. Gelukkig weet ik nog dat ‘mijn’ locatie ten noordwesten van Schaarbeek ligt. Ik oriënteer me op de zon en al gauw zie ik in de verte de atypische toren van het bijgebouw opdoemen. Enkel de hindernis van het kanaal nog nemen en mijn reisdoel is bereikt.

Vooraleer ik het gebouw kan betreden, moet ik door een kerk wandelen. Nu ja kerk, het lijkt meer een ruïne. Aan de buitenkant zijn op verschillende plaatsen netten gespannen om voorbijgangers te beschermen tegen vallende stenen. Hier en daar een balustrade waarop een eenvoudige mededeling is bevestigd: ‘Gevaar, geen doorgang.’ Het lijkt erop dat het neogotisch bouwwerk, dat meer weg heeft van een amalgaam van verschillende stijlen doorspekt met anachronismen, nooit klaar is geraakt. De amorfe natuurstenen blokken geven de kerk een aparte aanblik. Hoewel de constructie uit de 19de eeuw stamt, wachten er nog steeds veel pinakels op hun beeldhouwer.

In de kerk loop ik recht op mijn doel af. Onderweg kijk ik links en rechts over mijn schouder. Het interieur bestaat uit drie hoge beuken waarbij smalle laatgotische zuilen de zijbeuken tot een relatief smalle corridor herleiden. Aan de rechterzijde een biechtstoel, verderop het koor met het altaar. Daarnaast trappen naar beneden. De ketting die er normaal voor hangt, is opzij gedaan. Het vertrek staat open voor het publiek.

De eerste trap naar beneden leidt me naar een tussenplatform dat versierd is met negen wapenschilden van de toenmalige provincies van België, uitgevoerd in een meesterlijk mozaïekpatroon. De volgende trap wordt afgescheiden door majestueuze sculpturale poorten die open staan. Gespannen daal ik af.

In plaats van een civiele toezichthouder slentert er een rijkswachter rond die duidelijk niet aan zijn spannendste opdracht bezig is. Ik zoek de plek waar de afperser in zijn zevende brief mogelijk speels naar verwees. Zodra ik daar ben aangekomen, begin ik naarstig naar aanwijzingen te zoeken. Zijn er ergens initialen te zien? DUA? ANS? Niets.

Minutieus inspecteer ik de ruimte. Muren, vloeren, gewelven. Alle aanwezige objecten worden nauwgezet gecontroleerd. Telkens hetzelfde resultaat: niets. Was het in 1934 mogelijk hier iets te verbergen? Alles ziet er nu zo steriel uit. Vandaag de dag zou het in ieder geval zo goed als onmogelijk zijn hier een pakket met die afmetingen te verstoppen. De anticlimax hangt in de lucht. En toch laat ik me niet ontmoedigen. Ik doe mijn ronde in de kerk zelf. Ik bekijk de buitenkant, loop rond het gebouw, maar het resultaat blijft even negatief.

Ik besluit huiswaarts te keren. Onderweg besef ik dat er meer voorbereiding en vooral meer opzoekingen aan te pas moeten komen, als ik enig resultaat wil bereiken. En op voorwaarde dat ik op het goede spoor zit, natuurlijk.

De week erna ga ik in de bibliotheek op zoek naar documentatie over de locatie en de persoon die ermee gelinkt wordt. Ik vat opnieuw moed. In het voorjaar van 1934 kreeg het half-onderaardse bijgebouw een grondige renovatiebeurt. De toestand toen was helemaal niet te vergelijken met wat ze vandaag is. Klaarblijkelijk kon er ook een logische link gelegd worden tussen het gestolen paneel en de persoon die ik voor ogen had.

Ik ga de locatie nog een keer bezoeken, kan de toestand nu bestuderen vanuit een nieuwe invalshoek. Maar echte bewijzen vind ik niet. Ook niet op het nabijgelegen kerkhof of in de naaste omgeving.

Opnieuw moet ik onverrichterzake huistoe keren. Maar in de maanden die volgen probeer ik meer aanknopingspunten te vinden. Ik neem er Dossier Lam Gods nog eens bij, en andere lectuur over de diefstal van De Rechtvaardige Rechters. En dan, op een weekdag, keer ik nog eens terug naar de locatie. Nogmaals lijkt mijn onderneming vergeefs te zijn geweest. Een beetje ontmoedigd rij ik naar huis. Net buiten Brussel wil ik in eerste instantie weer de afrit naar de E19 nemen, omdat ik ervan uitga dat dit de snelste weg naar Antwerpen is. Plots doemt echter het bordje van de autoweg A12 richting Antwerpen op. De E19 zou op dit uur wel eens heel druk kunnen zijn, en de A12 telt weliswaar heel wat verkeerslichten, maar toch lijkt het me de beste keuze. En zonder het te beseffen neem ik zo, in deze luttele seconden, een beslissing die voor een cruciale doorbraak zal zorgen...

DEEL I

Het jaar 1934: De verminking van het Lam Gods

––––––––

1.1. Een schokkende ontdekking

Woensdag, 11 april 1934 – 5.25 uur. Onderkoster Oscar Van Bouchaute, bijgenaamd de Suisse, was aan zijn ronde begonnen in de Gentse Sint-Baafskathedraal.[i] Aan de rechterzij-ingang wilde hij met zijn sleutel de deur openen die uitgaf op het Sint-Baafsplein. Plots werd de houten poort opengeduwd. Tot zijn grootste verbazing kwam de 68-jarige Marie De Vuyst de kathedraal binnen gewandeld. Zonder een woord te zeggen, liep de oude vrouw hem voorbij om de eerste mis van 5.30 uur bij te wonen.[ii] Verbouwereerd stelde hij vast dat de deur die uitgaf op het Sint-Baafsplein op een kier stond, en dat de tong van het slot uit het slot stak. Hij was er nochtans van overtuigd dat alle deuren de avond ervoor behoorlijk waren gesloten.[iii]

Ongerust bracht Van Bouchaute verslag uit bij koster Hector Van Volsem. Beiden holden naar de sacristie, waar de schatten van de kerk bewaard werden. Daar stelden ze tot hun enorme opluchting vast dat er niets ontvreemd was.[iv] Bijgevolg dacht de koster dat het ging om een vergetelheid en verzocht hij Van Bouchaute hierover een opmerking te maken aan zijn collega Alfons Hebberecht. Volgens hem was Hebberecht iemand die nogal slordig was.[v] Van Bouchaute vervolgde zijn ronde zonder iets bijzonders op te merken. Ter hoogte van de Vijdkapel merkte hij dat het ijzeren hek nog gesloten was en dat het rolgordijn voor het Lam Gods hing.[vi]

Om 7 uur kwam Hebberecht binnen en werd hij door een ietwat geprikkelde Van Bouchaute op het voorval gewezen. Hebberecht ging dadelijk in het verweer, maar kreeg tegelijk een naar voorgevoel. Hij raadde zijn metgezel aan om nog eens goed rond te kijken.[vii]

Toen Van Bouchaute iets later met zijn sleutel de ijzeren poort van de Vijdkapel opende, voelde hij zich nog tamelijk rustig. In de kapel schikte hij wat foto’s en kaartjes, waarna hij het groene rolgordijn optrok.[viii] Wat hij toen zag, deed zijn hart overslaan: het linker-beneden-paneel van het Lam Gods was verdwenen![ix] In plaats van de grisaille ontwaarde hij door de opening het felle rood en groen van het middenpaneel De Aanbidding van het Lam. De panelen met De Rechtvaardige Rechters en Sint-Jan de Doper waren gestolen!

De twee onderkosters gingen de koster verwittigen, die ondertussen al thuis aan het ontbijt zat. Het was 7.30 uur.[x] Hector Van Volsem zag zich nu voor de zware opgave gesteld de  ‘engelbewaarder’ van het Lam Gods, kanunnik Van den Gheyn, het catastrofale nieuws te brengen.

Kanunnik Van den Gheyn was de conservator van de kunstschatten in de kathedraal. Het  Lam Gods beminde hij het meest; hij noemde het schilderij steevast ‘mon Agneau Mystique’.[xi] Voor hem was het veruit het mooiste kunstwerk ter wereld.[xii] Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij nog met een list het retabel in veiligheid gebracht voor de Duitsers.[xiii] Na de oorlog werd hij op het stadhuis van Gent dan ook in aanwezigheid van zowat 350 genodigden gelauwerd als ‘de redder van Het Lam Gods’.[xiv]

Met loden schoenen begaf de koster zich naar de kapel van het klooster Poortakker waar de kanunnik dagelijks de mis opdroeg.[xv] De onheilstijding moet voor Van den Gheyn een zware klap geweest zijn. Hij reageerde alsof zijn eigen kind iets overkomen was. Ogenblikkelijk trok hij naar de Vijdkapel om zich te vergewissen van de situatie.[xvi] Daarna ging hij naar het politiecommissariaat aan de Botermarkt, waar omstreeks 8.35 uur het allereerste proces-verbaal opgesteld werd omtrent de ‘diefte van Het Lam Gods’.[xvii] De commissaris begreep dadelijk dat het hier om een gewichtige zaak ging. Hij liet het parket verwittigen en trok naar de Sint-Baafskathedraal om Van Volsem en Van Bouchaute te verhoren.[xviii] Even later kwam de gerechtelijke politie ter plaatse om aan de eerste vaststellingen te beginnen.[xix] Eer werd ook een internationaal signalement uitgevaardigd.[xx]

Al snel verspreidde het nieuws van de diefstal zich via de radio in de Vlaamse huiskamers. Honderden mensen gingen zich vergewissen van deze ‘heiligschendende diefte’. Een journalist van Le Bien Public schatte dat het er ongeveer 1500 waren.[xxi] Op een gegeven ogenblik werd het zo druk dat commissaris Luysterborgh en zijn mensen van de gerechtelijke politie de kathedraal verlieten, om pas in de namiddag hun werkzaamheden verder te zetten.[xxii] Zoals ook bleek uit zijn persoonlijke notities, had Luysterborgh die dag nog heel wat werk te doen: een huiszoeking, een vruchtafdrijving en een onderzoek naar gestolen... kaas.[xxiii] Op deze manier zijn er wellicht heel wat nuttige sporen verloren gegaan. Het illustreert ook hoe weinig aandacht men van bij het begin besteedde aan een toch wel belangrijke kunstdiefstal. De waarde van De Rechtvaardige Rechters alleen al werd in de jaren dertig op een slordige 12 miljoen Belgische frank (300.000 EUR) geraamd. De huidige waarde bedraagt ongeveer 6 miljoen euro.

Het enige wat de gerechtelijke politie achteraf nog kon vaststellen, was dat de toegangsdeuren van de kathedraal geen sporen van inbraak vertoonden. Op de lijst van de retabel merkte men enkele druksporen op, veroorzaakt door een hard voorwerp. Hier werden foto’s van gemaakt.[xxiv] De eerste conclusie was dat de dief zich had laten insluiten in de kathedraal om dan ’s nachts toe te slaan. De Nieuwe Gazet schreef: ‘Het enige voorwerp dat ter plaatse ontdekt werd, is een eindje touw. Een stom eindje touw. Verder niets...’ [xxv]

In de dagen na de diefstal kwam de geruchtenmolen op gang. Overal werden er verdachten gesignaleerd.[xxvi] Vooral Duitsland werd geviseerd, omdat men daar de gedwongen teruggave van de zijpanelen van het Lam Gods na de Eerste Wereldoorlog nooit had kunnen verkroppen.[xxvii] [xxviii]

Het onderzoek zat al vlug muurvast, en dat bleef zo tot die eerste mei... 

––––––––

1.2. Een vreemdsoortige afpersing

1 mei 1934. Monseigneur Coppieters, de bisschop van Gent, ontvangt een brief in een groene enveloppe, die was gepost op 30 april in Antwerpen 12[1], Linkeroever. Het postkantoor was gesitueerd aan het eindstation van Linkeroever, Vlaams Hoofd geheten.

Op 16 mei 1934 noteert commissaris Luysterborgh dat kanunnik Van den Gheyn deze brief op 7 mei aan de gerechtelijke politie kwam afgeven. Twee dagen eerder had kanunnik Standaert tegenover de gerechtelijke politie toegegeven in het bezit te zijn van een naamloze brief. Hij deed deze bekentenis slechts nadat Luysterborgh erop had aangedrongen alle verdachte brieven aan hem door te spelen.[xxix]

De getypte brief, hier vertaald uit het Frans, luidde als volgt:

Monseigneur,

Wij hebben het voorrecht u mee te delen dat wij beschikken over de twee schilderijen van Van Eyck, die uit de hoofdkerk van uw stad ontfutseld werden.

Wij zijn van mening dat het beter is om u niet uit te leggen door welke bewogen gebeurtenissen wij in het bezit gekomen zijn van deze parels. Dat is op zo’n verwarde wijze gebeurd, dat de plaats waar het kostbaarste van de twee werken berust, inderdaad slechts aan één persoon bekend is. Dit gegeven is het enige dat u moet interesseren, want het houdt schrikwekkende mogelijkheden in.

Wij stellen u voor de twee panelen aan u te bezorgen tegen volgende voorwaarden: vooreerst leveren wij de grisaille van Sint-Jan. Na ontvangst van dit schilderij zult u een persoon, wiens adres u aangeduid zal worden, de som van één miljoen ter beschikking stellen in 90 biljetten van 10.000 BEF en 100 biljetten van 1.000 BEF. Die som zal verpakt worden in een pakje verzegeld met het zegel van het bisdom. Daarna zult u alles verpakken in bruin papier verzegeld met een gewoon zegel.

Bovendien verplicht u er zich toe, Monseigneur, door een voorafgaande uitwisseling van de biljetten – of op een andere manier – te vermijden dat de nummers van de biljetten genoteerd kunnen worden. En tot slot verbindt u zich ertoe de bevoegde overheid te overhalen alle vervolgingen te staken en de zaak definitief te klasseren.

Nadat wij zonder moeilijkheden de biljetten uitgewisseld hebben, zal u onmiddellijk de plaats worden aangeduid waar u de Rechtvaardige Rechters kunt terugnemen.

Wij begrijpen dat de gevraagde vergoeding hoog is, maar een miljoen kan gerecupereerd worden, terwijl een Van Eyck daarentegen niet meer opnieuw  geschilderd kan worden. Meer nog, welke overheid zou anderzijds de verantwoordelijkheid op zich durven nemen om onze voorstellen, die de vorm van een ultimatum hebben, te verwerpen. Wij weten maar al te goed dat de artistieke en wetenschappelijke wereld verontwaardigd zou opstaan indien zij de weigering en de omstandigheden van onze voorstellen zou vernemen.

Indien u onze voorwaarden aanvaardt, waaraan we overigens geenszins twijfelen, zult u op de data van 14 en 15 mei, in het dagblad La Dernière Heure, in de rubriek van de kleine advertenties ‘Allerlei’ de volgende tekst laten inlassen: ‘D.U.A. In afspraak met de overheid aanvaarden wij integraal uw voorstellen.’

Wij zijn zo vrij u ertoe te bewegen niet te treuzelen met uw stappen en uw antwoord, want iedere verloren dag vergroot het gevaar voor beschadiging van de schilderijen.

Maar pas op voor de ramp. Een weigering of het zoeken van een oplossing langs slinkse wegen zullen automatisch de definitieve en onherstelbare vernietiging van deze juwelen veroorzaken.

D.U.A.

Vanaf de eerste brief werd duidelijk dat De Rechtvaardige Rechters en Sint Jan de Doper op 30 april reeds op een verschillende plaats waren verborgen. D.U.A. schreef immers: ‘...de plaats waar het kostbaarste van de twee werken berust’. Slechts in beperkte kring was geweten dat men het paneel met de St. Jan en de Rechtvaardige Rechters in de 19de eeuw te Berlijn ontdubbelde. Luysterbogh noteerde: ‘...het ontvreemd paneel dat – en zulks is in het algemeen niet gekend – eens uit zijn omlijsting genomen zijnde, werkelijk uit twee verschillende afzonderlijke delen bestaat.’[xxx] Aangezien D.U.A. hier blijkbaar van op de hoogte was en omdat hij beloofde de grisaille zomaar terug te bezorgen, besloot het gerecht op deze brief te antwoorden zoals D.U.A. het vroeg. Dit evenwel zonder in te gaan op de financiële eis van de afperser, in de hoop hem zo in de val te lokken. Ook wilde men absoluut laten uitschijnen dat de advertentie uitging van het bisdom.[xxxi] Daarom verscheen er op 14 en 15 mei in La Dernière Heure: ‘D.U.A. Voorstel overdreven’.

Op 20 mei ontving de bisschop al een tweede brief die op 19 mei in Brussel I, Muntcentrum was gepost en afgestempeld tussen 12 en 13 uur.[xxxii]  Op de gelijkaardige groene briefomslag, die ditmaal twee vellen bevatte, was er links bovenaan ‘d u a’ getypt.

Monseigneur,

Wij hebben kennis genomen van uw antwoord in het dagblad. U hebt ongetwijfeld voorzien dat het ons slechts weinig dichter bij de oplossing zal brengen, daarbij uit het oog verliezend, dat iedere verloren dag de middelen vermindert om de voorwerpen ongeschonden te bewaren. De voorgestelde voorwaarden bevatten twee duidelijk te onderscheiden gedeelten: de commissie en de definitieve klassering van de zaak. Uw antwoord laat voor deze twee vragen vele deuren open. We willen geloven dat u principieel het bedrag van de commissie buitensporig vindt. Laten wij dus eerst dat interessante punt behandelen. Onze aanspraken bedragen nauwelijks 5% van de waarde van de beide panelen afzonderlijk. Maar hun waarde wordt dubbel zo groot door het feit dat ze de polyptiek terug zouden brengen tot een ongeëvenaard geheel. Bovendien mag u niet uit het oog verliezen dat de te verhandelen voorwerpen behoren tot de kostbaarste voorwerpen die er op de wereld bestaan. En het is duidelijk dat we allen met die waarheid rekening moeten houden. En daarom zijn wij er zeer zeker van, dat u ertoe gebracht zult worden onze voorwaarden volledig te aanvaarden, want ze zijn allerminst overdreven in vergelijking met wat wij u aanbieden. We kunnen dus helemaal niet terugkomen op het voorgestelde bedrag en u zou ten zeerste ongelijk hebben nog langer te talmen.

Wij hechten eraan, dat er nooit iets bekend wordt van onze betrekkingen, mensenlevens kunnen ervan afhangen en het is daarom dat wij de definitieve klassering van de zaak eisen.

Wij zullen nog vijf dagen wachten om het uwe te lezen op onze eerste voorstellen. Zodra deze termijn is gepasseerd, zullen wij ons verplicht zien – ten einde een oplossing te forceren – u enkele afgesneden stukjes van de Sint-Jan op te sturen en we zullen daarna bekijken of het nodig is op die manier verder te gaan. Er is geen andere mogelijkheid.

Wij durven u dus aanmanen opnieuw stappen te ondernemen bij de bevoegde overheid. Er zal haar duidelijk gemaakt moeten worden, dat wij alleen een definitieve en vlugge oplossing aanbrengen aan de grootste gekende zaak op dit gebied en dit tegen een in verhouding minieme commissie.

Wij verwachten uw antwoord langs dezelfde weg binnen de vijf dagen na ontvangst van dit schrijven.

Intussen bieden wij u,  Monseigneur,  de  verzekering  van  onze  beleefde  hoogachting.

D.U.A.

Op het tweede blad stond geschreven:

Monseigneur,

Daar wij deze zaak bijna als een commerciële zaak afhandelen en de voorwerpen in werkelijkheid aan derden toebehoren, is het billijk u een commissie van 5% uit te keren, waarover u vrij kunt beschikken.

D.U.A.

Dit kwam erop neer dat de bisschop maar 950.000 frank in het pakje hoefde te steken en 50.000 frank voor zich kon houden. Eigenlijk kwam het berichtje nogal spottend over, aangezien er over het eigendomsrecht onenigheid bestond tussen de overheid en het bisdom. Het bisdom beschouwde het gehele Lam Gods als zijn eigendom, terwijl D.U.A. uitdrukkelijk stelde dat dit niet het geval was.

Kanunnik Standaert schreef in 1935 in zijn rapport dat er vanaf dat moment overlegd werd op het hoogste niveau, tussen minister van justitie Janson, de Brusselse procureur-generaal Hayoit de Termincourt en de Gentse procureur des konings De Heem. Janson zou aan bisschop Coppieters voorgesteld hebben om de onderhandelingen zelf op eigen risico voort te zetten. De bisschop ging hier echter niet op in.[xxxiii] Verontrust door de dreigende beschadiging van de grisaille, besloot De Heem na overleg met Coppieters, de zaak volledig in handen te nemen. Ook nam hij het besluit om het miljoen nooit te betalen en de dader in een valstrik te lokken.[xxxiv] Op 25 mei verscheen in La Dernière Heure dan ook het volgende bericht: ‘D.U.A. In afspraak met de overheid aanvaarden wij uw voorstellen volledig.’

D.U.A. antwoordde met een derde brief, gepost op 28 mei aan het Brusselse Noordstation, in de Vooruitgangstraat. Karel Mortier, Noël Kerckhaert[xxxv] en Rudy Pieters[xxxvi] schrijven dat de omslag van deze derde brief zich niet meer in het dossier bevindt. Nochtans  vond ik er in 2002 in het Gentse dossier twee kopieën van terug.

Op een bijgevoegde notitie stond in potlood geschreven dat de originele briefomslag zich bij de gerechtelijke politie in Brussel bevond. Ooit had men hem daar naartoe gestuurd voor grondig onderzoek, in de hoop te achterhalen waar dit type omslag geproduceerd en verdeeld werd. Blijkbaar is de omslag daarna nooit teruggekeerd naar Gent.

––––––––

Bij deze brief was depotbiljet 8178 van het bagagedepot van het Brusselse Noordstation gevoegd. Het biljet was op dezelfde dag afgestempeld, om 8 uur.[xxxvii] Men is er altijd vanuit gegaan dat de afperser hier een groot risico nam door het depotbiljet onmiddellijk te verzenden na afgifte van het grisaille. Hoe vlugger het gerecht de stationsambtenaar kon ondervragen, hoe verser zijn gezicht in het geheugen van de bediende zou staan. Later zullen we zien dat de afperser zich wel bewust zal geweest zijn van dit risico, maar dat hij het manoeuvre doelbewust uitvoerde.

De korte brief luidde al volgt:

Monseigneur,

Wij hebben kennis genomen van uw antwoord in het dagblad van 25 mei en nemen goed nota van uw verplichtingen. Leef ze nauwgezet na en wij zullen de onze houden. Gelieve hierin gesloten het ontvangstbewijs te vinden van de bewaarplaats waar S.J. te uwer beschikking ligt.

Binnen drie dagen zullen wij u het adres bezorgen van de persoon aan wie u het pakje zult moeten bezorgen dat onze commissie bevat, in overeenstemming met onze vroegere aanwijzingen.

Gelieve het nodige te doen opdat het verzegelde pakje onmiddellijk aan de aangeduide persoon zou overgemaakt worden.

Zodra de biljetten uitgewisseld zijn, zullen wij u aanduiden waar u de R.R. zult vinden en de zaak zal afgesloten zijn.

Teneinde alle moeilijkheden te vermijden, raden wij u aan het geheim te bewaren betreffende de overhandiging van de S.J.

Gelieve te aanvaarden, Monseigneur, de verzekering van onze beleefde hoogachting.

D.U.A.

Kanunnik Standaert, commissaris Luysterborgh en drie leden van de Brusselse gerechtelijke politie begaven zich de dag erna naar het bagagedepot van het station. Vol spanning overhandigden ze het biljet aan de verantwoordelijke bediende. De man kwam terug met een bruin pak ter grootte van het verdwenen paneel. Met het ongeopende pak reden ze naar het Brusselse gerechtshof, waar het bruine papier werd verwijderd. Er kwam een zwart wasdoek tevoorschijn, omwonden met een fijn, grijsachtig koordje en een dikker wit touw. Ze stelden vast dat het nieuwe wasdoek langs weerszijden niet zo behendig met een touw was afgesneden. Verheugd zagen ze echter ook dat achter het doek de grisaille verscholen zat. Het ging daadwerkelijk om de authentieke en ongeschonden Sint Jan de Doper. Kanunnik Standaert ontfermde zich verder over het schilderij.[xxxviii]

De volgende ochtend begon men echter te twijfelen aan de authenticiteit van het paneel. Luysterborgh schrijft in zijn proces-verbaal: ‘Er werd op gestelden dag overgegaan tot het nazicht van het paneel in tegenwoordigheid van kanunniken Van den Gheyn en Standaert en den heer Coppejans Henri, kunstschilder, en de 31ste Mei werd het houten rugbekleedsel van het paneel vergeleken met dit van een ander paneel; beide bekleedsels waren van denzelfden aard en lieten geen twijfel over nopens de echtheid van het teruggebrachte stuk.’[xxxix]

Een persoon uit de omgeving van de bisschop vertrouwde Karel Mortier en Noël Kerckhaert later toe dat de grisaille na de inspectie werd ondergebracht in een kamer, grenzend aan de slaapkamer van de bisschop.[xl]

Op 30 mei ondervroeg de Brusselse gerechtelijke politie in het Noordstation de stationsambtenaar, Alex Puissant. Hij had op 28 mei 116 personen bediend, en ondertussen al meer dan dubbel zoveel mensen ontvangen. Toch wist hij de volgende beschrijving te geven: ‘Een particulier van ongeveer 50 jaar oud; klein van gestalte; vrij mollig; zwart haar; snor en grijzende sik; zag er welgesteld uit en sprak Frans.’ Toen Puissant de man vroeg of er een schilderij in het pak zat, antwoordde deze: ‘Non, c’est une planche.’[xli]

Op 1 juni ontving de bisschop de vierde brief, gepost op 31 mei in Antwerpen 6, Centraal Station, afgestempeld tussen 17 en 18 uur.

Monseigneur,

In overeenstemming met ons akkoord en onze voorgaande instructies verzoeken wij u het pakje dat onze vergoeding bevat persoonlijk aan de heer pastoor Meulepas, St. Laurentiuskerk, Antwerpen, te willen overhandigen. U  zou hem kunnen laten weten dat het een teruggave van papieren en brieven betreft, waarmee de eer van een der meest achtbare families gemoeid is.

Gelieve samen met  het pakje het hierbij gevoegde van boven naar onder doorgescheurd blad te overhandigen. De persoon die zich zal aanbieden om het pakje af te halen, zal, om zijn identiteit te bewijzen, een stuk van een ander deel van het gescheurde blad voorleggen, dat zowel wat betreft de tekst als wat betreft de scheur bij een deel van dit aangeboden papier zal passen. En het is alleen aan de bezitter van dit papier dat hij het pakje zal moeten afgeven. Wij menen dat die voorzorgen noodzakelijk zijn om iedere vergissing of indiscretie uit te schakelen. Geen enkele verklaring mag aan die persoon gevraagd worden. Kom uw beloften goed na en probeer zelfs niet stilletjes de opsporingen voort te zetten want ze zouden automatisch tot het verlies van de R.R. leiden.

Gelieve langs dezelfde weg in hetzelfde dagblad de overhandiging van het pakje aan te kondigen door het volgende bericht: ‘D.U.A. S.J. goed aangekomen en pakje overhandigd.’

Handel snel en de zaak zal binnenkort geregeld zijn.

Aanvaard, Monseigneur, onze beleefde groeten.

D.U.A.

De heer pastoor van St.-Laurentius

Markgravelei 95

Antwerpen

Op de derde regel van deze brief was er aanvankelijk plaats open gelaten. Waar het adres van de priester moest komen, werd een stippellijn getypt. Daarna werd de brief uit de typemachine gehaald, het blad er zonder carbon terug ingestoken, en het bewuste adres op de stippellijn getypt. Dit kan afgeleid worden uit het gegeven dat het adres op een andere hoogte is getypt dan de voorgaande woorden.

In zijn vorige brief had D.U.A. nog beloofd dat hij binnen drie dagen het adres zou meedelen van de persoon aan wie het pakje moest worden bezorgd. Hoewel hij al maanden met deze zaak bezig was, had D.U.A. drie dagen voor de aflevering van het losgeld nog steeds geen adres gekozen waar het pakje moest worden afgeleverd. Was hij onvoldoende voorbereid... of is hier iets anders aan de hand?

Op 4 juni 1934 liet Luysterborgh in La Dernière Heure het volgende bericht verschijnen: ‘D.U.A. Brief ontvangen. Ingevolge indiscreties enkele dagen geduld.’

Wat was er gebeurd? Op donderdag 31 mei had het Brusselse blad L’Indépendence Belge openbaar gemaakt dat de gestolen grisaille was teruggevonden in een Brussels station. De speurders kregen bijna een beroerte. De kans bestond dat de onderhandelingen nu spaak zouden lopen. Commissaris Luysterborgh dacht dat de ‘indiscreties’ ook hun oorsprong vonden in Brussel.[xlii] Logischerwijs werden het bisdom en het gerecht overstelpt met lastige vragen. Men deed alle moeite om het bericht te ontkennen.[xliii]

Nog op 4 juni werd de vijfde brief afgestempeld, tussen 19 en 20 uur. Dit keer koos de afperser voor het postkantoor op de Jules Moretuslei 408 te Wilrijk, vlakbij Antwerpen.

Monseigneur,

De laatste in de dagbladen verschenen berichten wijzen op onvergeeflijke (in)discreties die elke voorziene oplossing in gevaar brengen. Alvorens verder te gaan, willen wij de verzekering en uw erewoord hebben, dat de zaak wel degelijk geklasseerd is en dat niets zal ondernomen worden om de identiteit op te sporen of te onderscheppen van de personen, tussenpersonen of anderen, die belast zullen zijn met de overbrenging of de ontvangst van de vergoeding en de R.R.

Wij willen als een verbintenis aanvaarden, de publicatie van de volgende advertentie langs dezelfde weg in hetzelfde dagblad: ‘A.N.S. Volstrekte belofte dat geheim zal worden bewaard. Handel volkomen onbezorgd.’

U zult vaststellen dat de initialen veranderd werden om andere indiscreties te voorkomen.

Aanvaard, Monseigneur, de verzekering van onze volkomen hoogachting,

D.U.A.

Blijkbaar was de afperser bang dat buitenstaanders op de hoogte konden zijn van de eerder gebruikte initialen in La Dernière Heure. Vanaf nu moesten de initialen A.N.S. gebruikt worden. Zijn vraag werd echter genegeerd en op donderdag 7 juni verscheen in La Dernière Heure: ‘D.U.A. Pakje zal zaterdag 9 juni overhandigd worden.’

Op 8 juni bracht commissaris Luysterborgh het pakje en het afgescheurde krantenblad naar pastoor Meulepas. Er zat echter geen miljoen, maar slechts 25.000 frank in: twee biljetten van 10.000 frank en vijf van 1000 frank.[xliv]

Al snel werd duidelijk dat D.U.A. met het laatste bericht geen genoegen nam. Op 9 juni verstuurde hij zijn zesde brief, vanuit Brussel I en afgestempeld tussen 19 en 20 uur.

Monseigneur,

Wij bevestigen hierbij onze brief die u dinsdag 5 juni bereikt moet hebben en waarin u verzocht wordt uw beloften te hernieuwen door de inlassing van volgend bericht: ‘A.N.S. Volstrekte belofte dat geheim zal bewaard worden. Handel volkomen onbezorgd.’

Wij hebben onze beloften gehouden en willen er, na de ongelukkige indiscretie, zeker van zijn, dat u uw beloften zult houden. De inlassing verplicht u op erewoord.

Aanvaard, Monseigneur, de verzekering van onze eerbiedige hoogachting.

D.U.A.

Op 9 juni kon de afperser naar Antwerpen reizen om de veronderstelde 950.000 frank af te halen. Hij besloot dit niet te doen en bleef eisen dat de initialen D.U.A. door A.NS. zouden worden vervangen. Ook de belofte dat het geheim bewaard zou worden, bleek voor hem van cruciaal belang.

Ditmaal ging het gerecht wel in op zijn vraag en zo viel op 13 juni in La Dernière Heure de volgende tekst te lezen: ‘A.N.S. Volstrekte belofte dat geheim zal bewaard worden. Handel volkomen onbezorgd.’

Op 14 juni kreeg pastoor Meulepas omstreeks 16 uur een telefoontje van een vreemde man. Eerst had deze onbekende naar de pastorie gebeld, maar aangezien de parochiepriester niet aanwezig was, had men hem het telefoonnummer 759.68 van het nabijgelegen Hof Leysen gegeven. De onbekende kondigde in goed Frans aan een pakketje te komen afhalen dat bij de pastoor was gedeponeerd. Meulepas nodigde de beller uit om binnen een kwartiertje naar zijn huis te komen.

Even later werd er gebeld aan de Markgravelei 95. Toen de pastoor open deed, zag hij een robuuste man met een pet in de handen voor zijn deur staan. Die overhandigde hem een lichtgroene omslag waarop getypt was: ‘Monsieur le Rev. Meulepas, Curé de St. Laurent, Anvers’; in potlood was er het nummer 95 aan toegevoegd.

De man sprak het Antwerps dialect. Meulepas opende de omslag en vond er het halve krantenblad in. Toen hij deze pagina tegen de helft hield die D.U.A. eerder had opgestuurd, zag hij dat de twee helften precies op elkaar aansloten. Dit was het teken dat hij met de juiste bode te maken had. Meulepas overhandigde het pakje met het losgeld, de boodschapper vroeg of hij nog iets moest zeggen. Meulepas antwoordde ontkennend en de chauffeur verdween.[xlv]

Meulepas had zijn meid de opdracht gegeven om de straat discreet te observeren. De vrouw deed alsof ze de brievenbus ging lichten en zag een beetje verder aan de overkant van de straat een taxi met het nummer 22 staan.[xlvi] De passagier op de achterbank droeg een bril waarop de zonnestralen weerkaatsten. Een betere beschrijving kon ze daardoor niet geven. Af en toe bukte de man zich naar voren om de pastorie in het oog te houden. Luttele ogenblikken later stapte de bode in.[xlvii] Toen hij het pakje aan zijn cliënt overhandigde, stak die dat schijnbaar achteloos weg, waarna de taxi richting Brederodestraat reed.

Op de hoek van de Brederodestraat en de Broederminstraat wenste de passagier uit te stappen. Hij betaalde de taxichauffeur – er kon geen fooi af – en verdween. Later onderzoek bracht aan het licht dat D.U.A. de taxichauffeur als tussenpersoon had gebruikt; de man had niets met de zaak te maken. Hij had zijn cliënt, een kleine gezette man en voornaam gekleed, opgepikt aan het Zuidstation.[xlviii]

Toen de afperser het verzegelde pakje opende, moet hij behoorlijk geschrokken zijn. In plaats van de gevraagde 950.000 Belgische frank stak er in het pakje maar 25.000 frank. Luysterborgh had er ook een begeleidend schrijven aan toegevoegd. De inhoud werd door de procureur des konings gedicteerd, maar hij liet uitschijnen dat de brief in opdracht van de bisschop was geschreven. Eveneens vertaald uit het Frans, ging de brief als volgt:

D.U.A.

In deze omslag overhandigt Monseigneur U  voor de grisaille 2 biljetten van 10.000 BEF en 5 van 1.000 BEF of vijfentwintigduizend BEF, waarvan hij verzekert de nummers niet te hebben genoteerd en dat niemand ze gezien heeft.

Hij bevindt zich in tegenstelling tot zijn verwachtingen in de onmogelijkheid de verlangde som te verzamelen. Maar hij zal nadien of op het ogenblik dat de R.R. geleverd worden, de som van 225.000 BEF betalen.

Deze voorwaarden zijn te nemen of te laten.

De bisschop kan niet meer doen, want door de aard van de zaak kan geen oproep tot openbare intekening plaatshebben.

Duid ons de door u gekozen wijze aan waarop de R.R. terugbezorgd zullen worden en hoe de bepaalde som gestort moet worden. In ieder geval zal die slechts betaald worden tegen overhandiging van het paneel en na onderzoek van diens authenticiteit: het is geven en nemen.

Het staat u vrij de inhoud van de omslag, die u overhandigd zal worden, vooraf na te zien.

De bankbiljetten zullen geen enkel kenmerk vertonen en de verzekering wordt gegeven dat er geen nota genomen zal worden van hun nummers.

Om te antwoorden op uw brief die in Wilrijk gepost werd, geeft de bisschop u de verzekering dat de zaak wel degelijk geklasseerd werd en dat niets ondernomen zal worden om diegene(n) te kennen die de vergoeding in ontvangst zullen nemen.

Naast het verzegelde pakketje, had het bisdom – zonder dat het gerecht hiervan op de hoogte was – een andere brief meegegeven. Deze actie heeft men altijd getracht geheim te houden. De inhoud van die brief is dan ook nooit vrij gegeven. Wel staat vast dat het bisdom aan de afperser voorstelde om naar het Centraal Station te komen en alles daar onderling te regelen. Maar er kwam niemand opdagen. Wel zou men op ongeveer 50 meter afstand een bekende wisselagent uit het Gentse gezien hebben. Hij verdween echter in de massa.[xlix]

Het staat vast dat het sterk gereduceerde losgeld en de bijgevoegde brief D.U.A. enorm ontgoocheld hebben. Van de superioriteit en het zelfvertrouwen die D.U.A. tot nu toe kenmerkten, was vanaf dit ogenblik niet veel meer te merken.

Op deze veertiende juni kwam D.U.A. tot het besef dat zijn goed uitgekiend plan spaak dreigde te lopen. De wijze waarop het losgeld werd opgehaald, had hij – zoals we later nog zullen zien – nochtans terdege voorbereid. De operatie werd echter doorkruist door het onverwacht manoeuvre van het bisdom, lees: het gerecht. Had hij ook een Plan B? Het initiatief lag in ieder geval nog steeds bij hem.

Het gerecht had een ongelooflijk risico genomen. Wat hoopte men eigenlijk te bereiken? Er waren twee mogelijke opties geweest. Ofwel de gevraagde 950.000 frank betalen in ruil voor De Rechtvaardige Rechters (waar men duidelijk niet voor gekozen had), ofwel de afperser in een hinderlaag lokken en bij de kraag vatten. In het laatste geval had zich op 14 juni een uitgelezen kans aangeboden, zelfs als de afperser met tussenpersonen werkte. De grootste blunder was nog dat men de persoon niet had laten schaduwen die het losgeld had opgehaald. Had het gerecht dan totaal geen benul van de fenomenale waarde van het kunstwerk?

Zoals later zal blijken, hield D.U.A. rekening met twee mogelijkheden. Ofwel kreeg hij die dag het gevraagde losgeld, ofwel werd hij gevat. In ieder geval heeft deze ‘tussenoplossing’ hem behoorlijk uit het lood geslagen, zoals we uit zijn volgende brieven kunnen opmaken. Ook wordt duidelijk dat hij zich nooit tot een voorstel ‘handje-contantje’ zal laten verleiden.

Het duurde vier dagen vooraleer hij zijn volgende brief postte, in Brussel I, afgestempeld tussen 19 en 20 uur. In deze zevende brief komt zijn diepe ontgoocheling duidelijk naar voren.

Monseigneur,

Wij hebben kennis genomen van uw geëerde brief, terzelfder tijd overhandigd als het pakje dat 25.000 BEF bevatte. Het lijkt ons onnodig te onderstrepen hoe bedroefd wij waren bij het lezen ervan. Een overeenkomst verbreken op een dergelijk ogenblik, terwijl wij er ons toe verbonden hadden, mits betaling van een in verhouding klein commissieloon, u het meest kostbare voorwerp op de wereld te overhandigen, en waarvan het verlies in de toekomst zou blijven drukken op hen die er de oorzaak van waren. Het is onbegrijpelijk. En verder het wederzijdse vertrouwen ondermijnen, dat zo noodzakelijk is bij de delicate en moeilijke onderhandelingen over dit reusachtige kunstwerk. Het is erg.

Bij het kalm en aandachtig lezen van uw geëerde brief stellen wij vast, Monseigneur, dat u het akkoord op twee zeer verschillende manieren verbreekt:

U vermindert het bedrag van het commissieloon, terwijl u ons een miniem commissieloon stuurt voor de grisaille, dat niet eens gevraagd was.

U verandert grondig de modaliteiten van het overhandigen van de commissie en het paneel. Anderzijds bevestigt u ons dat de zaak wel degelijk geklasseerd is.

Laten wij de eerste tekortkoming onderzoeken.

1. U slaagt erin te beschikken over 250.000 BEF. Wij kunnen de onmogelijkheid om meer te doen niet aanvaarden. Het is onaanvaardbaar dat de burgerlijke en kerkelijke overheden het verschil van onze twee cijfers zouden inroepen om de R.R. van een zekere vernietiging te redden. De Koning, de Koninginnen, de Regering en de bisdommen van België, de geldaristocraten en de grote rijk gedecoreerde beschermers van de kunst zouden gezamenlijk de gevraagde som niet bijeen kunnen brengen? Wij kunnen dit niet geloven.

2. U wilt de modaliteit veranderen over de overhandiging van het losgeld en het paneel en dit nadat u ons vertrouwen grotendeels hebt vernietigd. Wij kunnen dat niet aanvaarden. Vooraleer u onze voorstellen over te maken, hebben wij geruime tijd de mogelijkheden onderzocht en wij zijn van mening dat er niets veranderd moet worden. Tot hier toe hebben wij onze beloften gehouden. Wij hebben u zonder iets te eisen de S.J. gestuurd om u onze goede trouw te bewijzen, evenals onze intenties en de echtheid van de voorwerpen die wij u voorstellen over te dragen. Wij hebben u aangespoord uw beloften na te komen en daarbij bevestigd dat wij de onze zullen houden. Welnu, wij zullen deze ook in de toekomst nog houden – maar wij kunnen niets veranderen aan onze voorwaarden. Wij wijzen ieder ‘loven en bieden’ af. Want wij weten wat ons te doen staat in geval van woordbreuk.

Om deze twee juwelen in handen te krijgen, hebben wij ons leven gewaagd en wij gaan voort te veronderstellen dat hetgeen wij vragen niet overdreven en niet onmogelijk te realiseren is.

Wij zullen zes dagen wachten na ontvangst van dit schrijven alvorens uw antwoord te vernemen langs dezelfde weg als gewoonlijk. In onze voorgaande brieven hebben wij u er al op gewezen dat iedere verloren dag het gevaar voor het kunstwerk vergroot. Een onmiddellijk antwoord verdient dus de voorkeur.

Gelieve te aanvaarden, Monseigneur, de verzekering van onze eerbiedige hoogachting.                  

D.U.A.

Commissaris Luysterborgh schreef: ‘De gematigde toon in het jongste schrijven van D.U.A. is onbetwistbaar het bewijs dat de afperser in grote geldnood verkeert en weldra zal bereid zijn uit eigen beweging tot een nieuw voorstel te komen.’[l] Maar uit ‘... het onbetwistbare bewijs...’ komt veeleer naar voren dat Luysterborgh zijn ondoordacht manoeuvre trachtte te verbloemen. Uit de brief blijkt vooral een grote standvastigheid van de afperser. Frappant is ook dat de commissaris er zomaar vanuit gaat dat de afperser in grote geldnood verkeert; andere drijfveren werden blijkbaar bij voorbaat uitgesloten. 

Onverstoorbaar reageerde het gerecht op 21 juni met de volgende advertentie in La Dernière Heure: ‘D.U.A. – Brief ontvangen. Betreuren vroeger voorstel te moeten handhaven.’

Twee weken gebeurde er niets. Toen werd op donderdag 5 juli, tussen 20 en 21 uur, een brief afgestempeld in Brussel I.

Monseigneur,

Als gevolg van uw laatste mededeling in de pers zijn wij in conflict gekomen en indien dit conflict binnenkort niet is opgeruimd, zal dit het verbreken van de betrekkingen uitlokken, welke moeilijk weer aangeknoopt zullen kunnen worden, wegens de bijzonder buitengewone omstandigheden.

Wij  houden eraan nogmaals te onderstrepen, dat de oorzaken van dit conflict niet van onze kant komen en dat, indien deze zaak met een tot hier toe ongekende belangrijkheid op dit gebied nog niet in gunstige zin is opgelost, men misschien nooit tot een gelukkige oplossing zal komen en de fout zal neerkomen op hen die hun verplichtingen, in gemeenschappelijk akkoord met de bevoegde overheid aangegaan, niet zijn nagekomen. Indien wij nogmaals aandringen op het aandeel der verantwoordelijkheid is dit omdat, vroeg of laat, wanneer de zaak verkeerd loopt, dit bekend zal worden en zwaar te dragen zal zijn, vooral na behandeling in het Belgisch Parlement.

Om terug te komen op de inhoud van uw brief, moeten wij u bevestigen wat wij u hebben geschreven. De wijze van uitwisseling die u voorstelt, is praktisch niet te verwezenlijken. Maar bovendien zult u moeten begrijpen dat wij ons, wegens het niet nakomen van uw verplichtingen, tot geen enkele prijs meer willen verbinden u het paneel te overhandigen zonder vooraf de verlangde premie te hebben ontvangen en dit in overeenstemming met onze eerste voorwaarden. Het is te nemen of te laten.

Wij hebben u de S.J. volledig geleverd, zoals hij was, in plaats van u enkele stukjes te zenden, uitsluitend met het doel u onze goede trouw te bewijzen, en u hebt geen redenen eraan te twijfelen dat wij u weer in het bezit van de R.R. zullen stellen.

Integendeel, wij komen tot de vaststelling, dat wij beter zouden gehandeld hebben, door ons tevreden te stellen met het bezorgen van een stukje van de S.J. aan u. Wij hebben dus het recht om niets aan onze voorwaarden te veranderen.

Nochtans verlangen wij, evenzeer als u allen, dat het paneel gered mag worden van een bijna zekere vernietiging, want indien u met aandacht onze eerste brief wilt overlezen, zult u bemerken, dat er slechts weinig gebeurtenissen nodig zijn om het paneel voorgoed verloren te doen gaan.

Daarom willen wij onze eerste voorwaarden als volgt wijzigen:

Wij zijn bereid u in het bezit te stellen van de R.R. nadat u volgens onze eerste aanduidingen de som van 500.000 BEF gestort zult hebben. Zo zullen de huidige moeilijkheden, die u vooropzet, gedeeltelijk