Octave MIRBEAU Vincent Van Gogh

Op de tentoonstelling van de Indépendants (de onafhankelijken) baren de schilderijen van de diep betreurde Vincent van Gogh groot opzien temidden van enkele gelukkige experimenten, maar vooral tussen veel banaliteit, en erger nog, veel pretentie. Wanneer men nu voor deze doeken staat en voor het zwarte rouwlint dat ze omhult en dat de aandacht trekt van de onverschillige menigte voorbijgangers, wordt men bevangen door een diepe droefheid bij de gedachte dat deze zo schitterend begaafde schilder, deze zo uiterst gevoelige, instinctmatige, visionaire kunstenaar er niet meer is. Het verlies is wreed, heel wat smartelijker en onherstelbaarder voor de kunst dan dat van Meissonier, hoewel het volk niet uitgenodigd werd een berafenis vol pracht en praal bij te wonen en hoewel de arme Vincent van Gogh, met wie de schone vlam van een genie is gedoofd, even onbekend en onaanzienlijk stierf als dat hij had geleefd in een leven dat hem toch zoveel onrecht had gedaan. En toch zou het onjuist zijn hem te beoordelen naar de enkele schilderijen die nu tentoongesteld zijn in het paviljoen van de stad Parijs, hoewel ze duidelijk wat betreft intensiteit van visie, rijkdom van uitdrukking en stilistische kracht superieur zijn aan alles wat er omheen hangt. Natuurlijk ben ik niet ongevoelig voor de lichtexperimenten van George Seurat, wiens zeegezichten ik met hun verfijnde en diepe blonde toon zeer fraai vind. Ik vind in de hevig bewogen atmosfeer de vrouwelijke gratie, de zonnige elegantie van Van Rijsselberghe iets dat mij zeer bekoort. De kleine composities van Denis, die zo lieflijk zijn en zo mystiek teder schijnen, zijn zeer aantrekkelijk. Ik herken in het beperkte en nuchtere realisme van Armand Guillaumin zoals men zegt een goede schildershand en een eerlijke en gedegen vakkennis. En ondanks de zwarte tinten waarmee Toulouse-Lautrec zijn personages ten onrechte besmeurt, toont hij een werkelijke, geestelijke en dramatische kracht in de studie van de gelaatstrekken en in het diep doordringen in hun karakters.

De gravures van Lucien Pissarro zijn levendig, sober en vol distinctie. En zelfs Anquetin laat ons soms temidden van duidelijke herhalingen, schoolse, conventionele werken, mislukte bizarrerieën, caricaturale gruwelen een mooi lichteffect zien, zoals die Parijse horizon in het schilderij getiteld: Pont des Saint Pères, met zeer goed getroffen grijstinten, zoals in dat vrouwenportret. Maar geen van deze ontegenzeggelijke echte schilders, onder wie men Paul Signac niet moet rekenen, wiens schreeuwerige, droge, pretentieuze onbeduidendheid ergernis inboezemt, boeit me zó als Vincent van Gogh. Hier voel ik mij in de tegenwoordigheid van iemand die meer verheven is, een grootmeester, die me verontrust en die me ontroert. Die diepe indruk op me maakt. Het is misschien niet het juiste moment om over Vincent van Gogh te spreken zoals het zou moeten. Zijn dood ligt nog te vers in het geheugen en was te tragisch. De herinneringen die ik zou oproepen zouden het leed van die open wond weer versterken. De studie zal dus noodzakelijkerwijze onvolledig zijn. Want wat er aan groots en onverwachts, soms ook onstuimigs en excessiefs was in het felle en heerlijke talent van Van Gogh, is innig verbonden met het geestelijke noodlot dat hem zo jong tot de dood voorbestemde. Zijn leven verliep nogal merkwaardig. Hij was eerst in de schilderijenhandel samen met zijn broer, die op dezelfde wijze is gestorven als hij en die de leiding had van de firma Goupil, op de Boulevard Montmartre. Hij was iemand met een onrustige en gekwelde geest, vol ongerichte en vurige bezieling, voortdurend aangetrokken tot de hoogste toppen van de menselijke mysteries. Men wist toen nog niet wat in hem tot leven kwam, de apostel of de kunstenaar. Hij wist het zelf nog niet. Vincent verliet al spoedig de handel om theologie te gaan studeren. Hij had naar het schijnt een gedegen kennis van literatuur en een natuurlijke neiging tot het mystieke. De nieuwe studie scheen zijn ziel een ogenblik de richting te geven die hij zo nadrukkelijk zocht. Hij begon te preken. Zijn stem weerklonk op de preekstoel, in de menigte. Maar hij was snel teleurgesteld. De verkondiging van het Woord scheen hem al spoedig ijdel toe. Hij voelde zich niet dicht genoeg bij de zielen die hij wilde veroveren, zijn woorden, vlammend van liefde, botsten tegen de muren van de kerkjes en de harten zonder erin door te dringen. Hij dacht dat het onderwijs meer nut zou hebben; hij gaf de verkondiging van het Evangelie op en vertrok naar Londen waar hij schoolmeester werd. Enkele maanden lang leerde hij de kinderen wat er in God omgaat. Dit alles lijkt nogal vreemd en onsamenhangend. Toch kan men het

zeerwel verklaren. Het gebiedende kunstenaarsschap dat in hem was, was hem nog onbekend. Hij zonk weg in het apostel zijn, hij raakte zichzelf kwijt in de evangelist, hij doolde door wouden van dromen die hem vreemd en duister waren. Vincent voelde dat een niet te stuiten kracht hem ergens heen riep. Maar waarheen? Dat een licht ergens aan het einde van die duisternis zou verschijnen. Maar wanneer? Als gevolg hiervan werd zijn geestelijk evenwicht ernstig verstoord, hetgeen hem aanzette tot de meest uiteenlopende activiteiten die volledig vreemd waren aan zijn karakter. Na zijn terugkeer uit Londen werd zijn roeping hem opeens duidelijk. Zomaar, op een goede dag, begon hij te schilderen. En het bleek meteen dat dit eerste schilderij bijna een meesterwerk was. Het getuigde van een buitengewoon instinct voor de schilderkunst, een wonderbaarlijke en sterke visie, een hevige gevoeligheid, die onder het strakke uiterlijk van de voorwerpen, de levendige en beweeglijke vorm voorspelde, een rijkdom aan uitdrukking, een overstelpende verbeeldingskracht, die zijn vrienden versteld deden staan. Toen begon Vincent van Gogh hardnekkig te werken. Zonder ophouden maakte het werk zich van hem meester, koppig en vol vervoering. De behoefte om voort te brengen en om te scheppen, maakte dat zijn leven geen rust meer kende. Alsof hij de verloren tijd wilde inhalen. Dit duurde zeven jaar. Toen kwam op verschrikkelijke wijze de dood deze schone menselijke bloem plukken. De dode liet met alle verwachtingen die een dergelijk kunstenaar kon wekken een aanzienlijk aantal werken na. Bijna vierhonderd doeken en een grote hoeveelheid tekeningen (864 schilderijen, 1037 tekeningen en 150 aquarellen J.G.), waarvan velen zonder enige twijfel kunstwerken zijn. Van Gogh was van Hollandse afkomst. Hij kwam uit het land van Rembrandt die hij zeer schijnt te hebben bewonderd. Van een temperament, dat zo overweldigend oorspronkelijk en zo vurig was, zo overgevoelig, dat het slechts zijn eigen indrukken als gids toeliet, zou men misschien kunnen zeggen – indien men al van een artistieke afstammeling zou kunnen spreken – dat Rembrandt zijn meest geliefde voorvader was. Degene met wie hij zich het meest verwant voelde. Men vindt in zijn talrijke tekeningen niet zozeer gelijkenissen als wel een hardnekkige voorliefde voor dezelfde vormen, een gelijke lineaire vindingrijkheid. Van Gogh is niet altijd even nauwkeurig en sober als de Hollandse meester. Maar hij evenaart vaak zijn uitdrukkingsvermogen, zijn wonderbaarlijk talent het leven weer te geven.

De gevoelswereld van van Gogh wordt ons zeer nauwkeurig en zeer zorgvuldig aangeduid door de kopieën die hij maakte van verschillende schilderijen van Rembrandt, Delacroix en Millet. Ze zijn prachtig. Maar het zijn eigenlijk geen kopieën maar indrukwekkende en grandioze herscheppingen. Het zijn interpretaties, waardoor de schilder er in slaagt het werk van anderen te herscheppen, het zich eigen maken, terwijl hij toch het oorspronkelijke en eigen karakter van het werk weet te behouden. In de Zaaier (Le Semeur) naar Millet, zo bovenmenselijk mooi weergegeven door Van Gogh, wordt de beweging heviger, de visie ruimer, de lijnen worden breder opgezet, zodat het werk de betekenis krijgt van een symbool. Wat van Millet is, blijft bestaan in de kopie: maar Vincent van Gogh heeft er ook iets van zichzelf ingelegd en het schilderij krijgt daardoor een grootsheid die nieuw is. Bij het observeren van de natuur had hij zeer zeker een zelfde geesteshouding, dezelfde superieure creatieve gaven als bij het bestuderen van de kunstwerken. Hij kon zijn persoonlijkheid niet vergeten, haar ook niet in bedwang houden wanneer zijn oog door iets getroffen werd, of wanneer hij de droom van een ander aanschouwde. Zijn persoonlijkheid bracht hem tot vurige ingevingen bij alles wat hij zag, aanraakte, voelde. Hij liet zich dan ook niet absorberen door de natuur. Hij had de natuur in zichzelf opgenomen. Hij had haar gedwongen zich aan te passen, zich te vormen naar zijn gedachten, hem te volgen in de vluchten van zijn geest, zelfs om vervormingen te ondergaan die zo tekenend voor hem zijn. Van Gogh heeft tot een zeldzame hoogte die eigenschap gehad waardoor de ene mens verschilt van de ander: stijl. In een groot aantal willekeurig opgehangen schilderijen herkent het oog ogenblikkelijk en met zekerheid die van Vincent van Gogh, zoals het die van Corot, Manet, Degas, Monet, Monticelli herkent omdat die een eigen karakter hebben dat niet anders zou kunnen zijn en dat de stijl de bevestiging van de persoonlijkheid is. En door de penseelstreken van die vreemde en machtige schepper krijgt alles op vreemde wijze leven, onafhankelijk van de voorwerpen die hijj schildert. Een leven dat in hem is en dat hij zelf is. Hij geeft zich geheel en al ten voordele van de bomen, luchten, bloemen, velden, die hij weidser en grootser maakt door de verrassende kracht van zijn wezen. Die vormen vermenigvuldigen zich, raken in elkaar verward, wringen zich, maar zelfs in de geweldige waanzin van die luchten, waarin de hemellichamen, dronken wentelen en wankelen, waarin de sterren zich verlengen tot losweg geschilderde

staarten van kometen, zelfs in het oprijzen van die fantastische bloemen die zich verheffen en opstijgen, als waanzinnige vogels, bewaart Van Gogh altijd zijn bewonderingswaardige hoedanigheid als schilder, een adellijke verhevenheid die ontroert, en een tragische grootheid die angstwekkend is. En, in de ogenblikken van rust, welk een sereniteit in die uitgestrekte, zonovergoten vlakten, in de bloeiende boomgaarden waar de pruimebomen, de appelbomen sneeuwwit zijn van vreugde, waar het geluk om te leven uit de aarde opstijgt in lichte trillingen en zich verbreidt in de vredige hemel met zijn tedere, bleke kleur, zijn verfrissend briesje. O ! Hoe heeft hij de ziel der bloemen begrepen. Waar wordt zijn hand, die toch zulke verschrikkelijke toortsen langs het zwarte firmament laat bewegen, teder, wanneer zij de geurige en zo broze bloemen tot ruikers schikt. En welke strelende penseelstreken ontdekt hij niet om de onuitsprekelijke frisheid en de eindeloze gratie ervan uit te drukken. En hoe goed heeft hij ook het trieste, het onbekende en het goddelijke begrepen in de ogen van de arme waanzinnigen en zieken, die zijn broeders zijn. Octave Mirbeau L’Écho de Paris, 31 Maart 1891 (Vertaling : Anneke Stelling)