You are on page 1of 1129

Het geheim van Zionsburg Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg.

g. 001 Voor de serveersters van Cafe Roels in Den Bosch Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 002 J o r i s va n O s e n J u r r i a a n M a e s s e n Het geheim van Zionsburg De Heilige Graal, de Oranjes en de intrige achter een duistere ridderorde

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 003 Dit boek is gepubliceerd door Tirion Uitgevers BV Postbus 309 3740 AH Baarn www.tirionuitgevers.nl Omslagontwerp: Hans Britsemmer Typografie: Pre Press ISBN 978 90 4391 222 8 NUR 680

2007 Tirion Uitgevers BV, Baarn Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, photocopy, microfilm or any other means without prior written permission from the publisher. De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten van derden zo goed mogelijk te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de uitgever wenden. Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 004 I nho ud

Inleiding 11 1 De dood van een vrek 15 De geheimzinnige baron 15 Iedereen in Brabant weet wel iets van Ewald Marggraff 19 Een moordzaak 23

Schatten uit een ver verleden 27 2 In de Germaanse wouden 31 Germanen betreden de geschiedschrijving 31 Romeinen en Germanen 33 Het begin van de Grote Volksverhuizing 35 De avonturen van de Goten

37 De erfopvolgers van Europa 41 Jaren van duisternis 44 3 De Duitse Orde 47 Opkomst van de ridder-monnik 47 De Gouden Eeuw van de kruisridder 51

Het verlies van Palestina 53 De Duitse Orde 55 Hermann von Salza: de macht achter vele tronen 59 De Baltische Kruistocht 61 De ordestaat 65 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 005 Gotterdammerung 66 4 De Hanze en het Teutoonse expansieplan 69 Gotlandvaarders 69 De dubbelkoppige adelaar: De band tussen de Hanze en de Duitse Orde 72

De Hanzedag 75 De Hanze in de Nederlanden 79 5 De Duitse Orde in Nederland 83 Teutoonse legenden 83 Opkomst van de hertogen 89 De avonturen van Hendrik de Kruisvaarder

91 De Duitse Orde bemoeit zich met Nederland 95 Hertog Jan I 97 De Slag van Woeringen 102 6 Het raadsel Vught 107 De Duitsers komen 107

Natte voeten 109 Vught als Keltische cultusplaats 111 Het mysterie van de twee kerken 115 Zionsburg en de Duitse Orde in Vught 117 De riddercommanderij van Gemert 121 Reilen en zeilen van de Vughtse Commanderij 123

Het geheim van Vught 126 7 Het pact van Woeringen 131 Het geval Floris V 131 The Usual Suspects 134 De eerste verdachte: Gijsbrecht van Amstel 136 De tweede verdachte: Jan van Cuyk

138 De derde verdachte: Jan van Heusden 140 De vierde verdachte: Jan van Arkel 143 Helias, de Zwaanridder van Kleef 146 6 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 006 Vragen...

147 8 De geheime missie 149 De vijfde verdachte: Dirk van Brederode 149 Brandend ivoor: opkomst van de Zwijnen 150 Crisisjaren 154 Pruisenreizen 158

Zwaanridders uit Kleef 161 De missie 166 De Machutusverering 169 De Bataven 174 Vught als Germaanse cultusplaats 177 Een heilig landschap 180

Missie geslaagd? 183 9 Zwanen en zwijnen 185 Geheime Genootschappen 185 Opkomst van de Broederschap 186 De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap 187 Maria Teutonica: Het Mirakelbeeld van de

Zoete Lieve Vrouw van s-Hertogenbosch 191 Cultusplaats van kooplieden 197 Leden van de broederschap 199 Bekende koppen 201 De Zwanenbroeders 204 10 Jheronimus Bosch, de verborgen dissident

209 Criticus van zijn tijd 209 De uil bij Bosch 214 De Bruiloft van Kana 217 De verdwenen stichters 222 Duitsers in het werk van Bosch? 226 11

De schat van Vught in gevaar 231 Kasteel Maurick als onderkomen voor de Duitse Orde 231 7 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 007 De kluis van Vught 233 Een wisseling van de wacht: Brabant en Gelre

238 Maarten van Rossum 241 Van Rossum als pion van Spanje 242 Van Rossum als pion van Gelre 244 De archieven van de Duitse Orde 246 Het Archief van Luther van Brunswijk 247 12

Willem van Oranje 251 Het Huis Oranje 251 De broedertwist: Willem van Oranje-Nassau en Filips II 253 Alva en de Spaanse Furie 258 Geldschieters achter de coulissen 262 Oude en nieuwe verbonden

266 Hendrik van Brederode 269 Filips van Hohenlohe 271 Een gevaarlijke bondgenoot 273 De Tuin der Lusten 275 De Aanbidding der Wijzen 281 Bisschop Sonnius, de spion van Filips

283 Het Pact van Woeringen? 286 Balthazar Gerards, de Lee Harvey Oswald van de Lage Landen 289 Conclusies 303 13 Het geheim van Zionsburg gaat naar Den Bosch 305

Na de brand 305 De Duitse Orde en de Reformatie 308 Albrecht von Brandenburg en zijn missie 315 Floris Maschereel als bewaker van het Geheim 323 Zwarte Ruiters 328 Nieuwsgierige Spanjaarden

330 De kruisheren 332 8 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 008 14 De zoektocht begint 339 Het Beleg van s-Hertogenbosch 339

Kasteel Maurick: het hoofdkwartier van Frederik Hendrik 341 De Oranjes na Willem de Zwijger 344 De verovering van s-Hertogenbosch 345 De Broederschap en haar vijanden 346 Johan Wolfert van Brederode en Cornelis van Cuyk 349

Ruzie 351 De eerste schatzoeker: Victor van Beughem 355 15 Oranje en Pruisen 359 Pruisen na de Reformatie 359 Johan Maurits de Braziliaan 363 De Nieuwe Hanze

364 Nieuwe vergezichten 367 Johan Maurits als Teutoonse ridder 371 Pruisen en Brandenburg 373 16 Zionsburg en de schatzoekers 377 Kuchlinus: de Wachter op Zions muren 377

Bewoners van Zionsburg 383 De tweede schatzoeker: De Dikke Hertog 385 Staatsgrepen van de Oranjes 387 De derde schatzoeker: Willem Arnold Alting Lamoraal von Geusau 391 De vierde schatzoeker: Koning Willem II van Oranje 397

Nog meer Pruisen 400 17 Pruisische spionnen 403 De vijfde schatzoeker: de familie Marggraff 403 Familievetes 408 Oranjes, Pruisen, Zwanenbroeders 409 Een andere Duitse Orde

413 9 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 009 De Duitse Orde en het nazisme 414 De zesde schatzoeker: de nazis 418 De SS in Vught 423 Marggraff en de nazis

427 Na de oorlog 432 18 Imperium mundi 435 De laatste schatzoeker: de Duitse Orde 435 Meer Bilderberg 439 Het Teutoonse Woud in Amerika 442

Een Teutoonse doodscultus 445 De Federal Reserve 446 De anti-Marggraff-campagne 447 De overval 450 19 Een mysterie van twintig eeuwen 453 Een duur stukje serviesgoed

453 Propagandisten van de Duitse Orde 456 De geboorte van het Duitse ridderschap 461 Guillaume dOrange 463 De Duitse Graal 465 20 Het lot van Zionsburg 471

Inferno 471 Zionsburg in de steigers 476 Het Geheim 477 Een Onheilige Graal 479 Noten 481 10 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 010 I nle id ing De brand In de ochtend van 7 december 2003, om zeven minuten voor half negen om precies te zijn, kwam bij de Vughtse brandweer het bericht binnen dat er in het centrum van Vught een gebouw in lichterlaaie stond. Het was zondag en menigeen zal de slaap nog in de ogen hebben gehad. Wat was er aan de hand? Een toevallige passant, een dorpsbewoner uit de Kievitstraat, kwam die ochtend uit de nachtdienst en reed met de auto naar huis. Het was een kille, maar zonnige dag. Er lag wat ijle nevel in de velden maar verder was het helder. Op de A2 bij Vught zag hij een vreemde rookpluim omhoog kringelen, niet ver van de oude Lambertuskerk: een

hoekige toren uit 1521 sinds eeuwen beroofd van zijn spits. Hij draaide de N65 op waar een mistige walm over de weg het zicht bemoeilijkte. De stugge witte rook deed hem veronderstellen dat er een naburige matrassenwinkel in brand stond. Omdat het hem inviel dat er op die vroege ochtend maar weinig mensen op de been waren om de brand te zien besloot hij zelf poolshoogte te nemen. Hij verliet de N65 en sloeg de Helvoirtseweg in. Deze straat voerde hem langs het centrum naar de Lambertus, die hij als een donkere toren boven de daken kon zien uitsteken. Daar aangekomen zag hij dat de situatie erger was dan hij dacht. Het ging niet om de matrassenwinkel. Het betrof het monumentale landhuis op de hoek van de Taalstraat en de Helvoirtseweg. Het huis, dat hij vaak gezien had maar waarvan hij de naam niet kende, stond op een weelderig landgoed tegenover de Lambertuskerk. Het werd omgeven door oeroude beukenbomen, Noorse esdoorns en dicht struikgewas, maar de vlammen 11 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 011 waren aan de achterkant duidelijk te zien. De benedenverdieping stond in brand en het vuur had twee serres van hun ramen beroofd. Uit het dak stegen hagelwitte rookwolken op. De Vughtenaar reed naar de voorzijde, waar het kasteeltje aan het einde van een lange oprijlaan beter te zien was. Omdat daar nog niemand te bekennen was, pakte hij zijn telefoon en belde het alarmnummer, waar zijn melding om 08.23 uur binnenkwam. Zo goed en zo kwaad als het ging probeerde hij de brandweer uit te leggen om welk huis het ging. Op dat moment zag hij hoe de vlammen zich over het monumentale pand begonnen te verspreiden. Na te hebben opgehangen stapte hij uit en liep het terrein op, waar nu ook andere mensen waren verschenen. Een jogger was een kijkje komen nemen; een vrouw met een hondje kwam het erf opgewandeld. Zij was al verschillende huizen afgelopen

om te bellen, maar er had niemand opengedaan. Verschillende andere mensen verschenen, autos stopten bij de oprijlaan. Of er nog iemand in het huis was wist niemand. Er was geen teken van leven. Op het erf stonden verscheidene autos geparkeerd, maar die zaten onder het mos. Er werd koortsachtig overleg gepleegd: moesten ze proberen de massieve eikenhouten voordeur te forceren? Op dat moment arriveerde de eerste politiewagen. Voordat de agenten de tijd kregen om uit te stappen explodeerden de ramen aan de voorkant en schoten de eerste vlammen uit het dak. De vuurtongen likten aan het kleine, feeerieke torentje aan de oostgevel. Het werd gevaarlijk. De politie dirigeerde de omstanders weg van het huis en toen de brandweer met twee wagens het terrein op kwam rijden werd de brand een zaak van hulpverleners. De brandweer ging direct aan het werk. Er werden pionnen uitgezet, ramptoeristen verjaagd, slangen uitgerold. De waterleidingen in de Taalstraat werden in werking gesteld en al snel kon er met blussen worden begonnen. Op het erf ontstond

consternatie. Nog steeds wist niemand of zich in het huis nog mensen bevonden. Moest de brandweer niet eens een kijkje gaan nemen? Het huis zelf verried niets: de ramen op de begane grond waren donker en niemand had een spoor van de bewoners aangetroffen. Of er ergens licht had gebrand konden de omwonenden niet zeggen. Maar het was zon12 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 012 dagochtend: de bewoners konden in hun bed door de brand zijn verrast. De brandweer nam een moeilijke beslissing: niemand zou het huis betreden. Het instortingsgevaar was te groot. Daarbij maakte de omvang van de brand het onwaarschijnlijk dat zich binnen de muren nog overlevenden bevonden.

De vlammen lieten zich moeilijk bedwingen, ook nadat er meer politie en meer brandweer was gearriveerd. De sinister opdoemende gevel leek het oplaaiende vuur te verdedigen tegen de waterstralen. Het was alsof het huis wilde dat wat zich binnen de hoge muren bevond, in de vlammen ten onder ging. Het huis, zo moet het de brandweerlieden zijn voorgekomen, wilde afbranden. Om een uur of negen moest er een hoogwerker aan te pas komen om de inmiddels uitslaande brand van bovenaf te bestrijden. Zelfs daarna duurde het karwei nog uren. Om kwart over negen hield de doodvermoeide Vughtenaar uit de Kievitstraat het voor gezien. Hij stapte in zijn auto en reed naar huis. Later zou hij te horen krijgen dat er wel iemand in het huis was geweest. 13 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 013 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 014 Hoofdstuk 1 De dood van een vrek De geheimzinnige baron Het buitengoed Zionsburg stamde uit het einde van de negentiende eeuw. Het verving een landhuis met dezelfde naam dat daar eeuwen had gestaan en in de loop der tijd in verval was geraakt. De eerste steen werd op 16 augustus 1882 gelegd door Lodewijk Loke Marggraff, het vierjarige zoontje van Johan Lodewijk, de jurist en grootgrondbezitter die het een

jaar eerder bij opbod had gekocht. In de beginjaren van de twintigste eeuw was Taalstraat 149 een idyllisch, bijna sprookjesachtig kasteel met een prachtige tuin en een door hoge lindebomen omgeven oprijlaan. Het indrukwekkende grachtenstelsel, aangelegd door Johan Marggraff zelf, werd beschaduwd door de overvloedige bladerkronen van eiken, ceders, beuken en paardekastanjes. Ansichtkaarten uit die tijd laten het huis zien als een parmantige, bijna barokke woning in neorenaissancestijl, blakend in het gouden licht van het fin de sie`cle. De twee serres zijn weelderig begroeid met klimop en haagwinde. Op het terras staan palmen. Een van de architecten, verantwoordelijk voor het feitelijke ontwerp, was de befaamde Haagse architect J.J. van Nieukerken. Van Nieukerken had zijn faam opgebouwd met het hoofdkantoor van Shell in Den Haag, het Badpaviljoen van Domburg en het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam. Op de originele geveltekeningen verschijnen nog twee namen: die van vader en zoon Stracke, twee van de grootste beeldhouwers en meubelmakers van hun tijd. Een voormalige tuinman beweert dat het huis rijkelijk

versierd was met symbolen uit bijbelse mythen 15 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 015 en de vrijmetselarij. Zionsburg was zon wijdverbreid begrip dat het daadwerkelijke adres in de loop der jaren in onbruik raakte. Het visitekaartje van Lodewijk vermeldde enkel de naam van het Huis. Het landgoed besloeg zon 8 hectare en bestond naast het kasteeltje uit een koetshuis en dienstbodewoning, stallen, garage en een oranjerie. Griekse goden van sneeuwwit marmer uit de zeventiende eeuw sierden de gazons. Zionsburg zelf bevatte hoge, luxueuze kamers met gesneden houtwerk, uitgebreide lambrisering en kristallen kroonluchters. Een journalist die halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw een kijkje mocht nemen maakt gewag van nissen met fluwelen zitbankjes, schitterende lampen, serviezen, vazen, pronte kasten en originele schilderijen.1 Er was een immense bibliotheek

met kostbare werken van honderden jaren oud. Naar de collectie kunstwerken kan alleen worden gegist. Vijftig jaar lang woonde in dit huis, dat steeds meer tot een spookachtige rune verviel, een eenzame en mysterieuze multimiljonair, Ewald Marggraff genaamd. Het huis stond tegenover een oude kerktoren, de Sint Lambertus. De Lambertuskerk is het oudste monument van Vught en mogelijk een van de eerste gebouwen in het dorp. Bij restauraties werden sporen gevonden van een oeroude tufstenen kerk die vermoedelijk tot de negende eeuw is terug te voeren. In 1562 zette een bliksemschicht in de kerktoren (ook wel de Vughtertoren genoemd) de spits en het dak in vlammen. In 1601, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, brandde het kerkgebouw achter de toren nog een keer in zijn geheel af. Ook het eerste huis op het landgoed Zionsburg werd door een brand verwoest: in 1542 was het door Gelderse roofridders in de as gelegd. Branden zijn Vught niet vreemd. Beide gebouwen, Zionsburg en de Lambertuskerk, zijn een straatlengte verwijderd van het Vughtse centrum. Het dorp zelf ligt even ten zuiden van s-Hertogenbosch en is op zich niet bijzonder

interessant. Het is vooral een rustieke, landelijke forensengemeente. Een slaapstadje waar voor de uitgaande jeugd niet bijster veel te beleven is en dat het moet hebben van de pastorale rust en de nabijheid van een Bourgondische stad. Het is een aangename, bos16 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 016 rijke gemeente die naast plaatsen als Bloemendaal en Wassenaar voortdurend figureert op lijsten van rijkste gemeenten van Nederland. Enkele jaren geleden werd het verkozen tot meest aantrekkelijke dorp van het land. Dit was echter niet altijd het geval. Vught is ook een oud dorp met een bewogen verleden. Ondanks de relatief onbelangrijke positie die het in de geschiedenis inneemt, bevond het zich vrijwel voortdurend op het grensgebied van strijdende partijen. Altijd lag het in de vuurlinie. Van de eindeloze conflicten tussen de graafschappen Brabant en Gelre tot aan Operatie

Market Garden: steeds scheen het zich ongelukkigerwijs tussen twee vuren te bevinden. Iedere keer als het nabije s-Hertogenbosch onder beleg kwam te liggen maakten de belegeraars het zich gerieflijk in de Vughtse periferie. Het naburige kasteel Maurick diende meer dan eens als onderkomen voor illustere figuren als Prins Maurits, opperbevelhebber van het staatse leger en zoon van Willem van Oranje, en Generaal Pichegru, aanvoerder van de Fransen in dienst van de Revolutie. Het dorp is vaker in de as gelegd dan Rome. Door een bizarre speling van het lot is Vught door de jaren heen het decor geweest van een concentratiekamp, een krankzinnigengesticht en een gevangenis. Het mag zich vandaag de dag verheugen in het feit de zwaarst beveiligde gevangenis van het land te bezitten: drugsbaronnen, maffiabonzen, Al Ouaidaterroristen, ze hebben er allemaal gezeten. Een bekende plaatselijke kunstenaar beschreef Vught als getekend door de drie Vs: Voorburg (het gesticht), Vosseveld (de gevangenis) en Kamp Vught (het concentratiekamp). Toch is het over het geheel genomen een wat slaperig plaatsje waarmee op het

eerste gezicht niet veel aan de hand is. Maar schijn bedriegt. De Marggraffs waren van meet af aan, dat wil zeggen het moment dat zij Huize Zionsburg betrokken, de vreemde eend in de bijt. Over de familie was toen al weinig bekend. Een Marggraff was in de negentiende eeuw burgemeester van Vught geweest, maar veel meer wist men over het van oorsprong Pruisische geslacht eigenlijk niet te vertellen. Voor de Vughtenaren waren de Marggraffs een 17 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 017 bron van allerlei indianenverhalen. Zowel de familie als het huis zelf lokte de fraaiste geruchten uit. Om te beginnen wist men niet zeker hoe de juristenfamilie aan haar geld was gekomen. Het excessieve grondbezit het verhaal ging dat je over de gronden van Marggraff

naar Frankrijk of Duitsland kon lopen riep sappige vertelsels op over schimmige transacties en uitbuitingspraktijken. Het feit dat de familie zich in toenemende mate terugtrok uit het publieke leven versterkte het beeld dat er op Zionsburg iets niet pluis was. Had Marggraff I nog een redelijk actieve rol gespeeld in het dorpsleven, zijn zoon Loke werd met het slijten van de jaren een beruchte recluse. Hoofdoorzaak schijnt zijn oorlogsverleden te zijn geweest. Lodewijk Marggraff zou zich schuldig hebben gemaakt aan Duitse sympathieen en collaboratie. Er zou sprake zijn van een NSB-lidmaatschap. Zionsburg was een verradersnest dat met regelmaat hoge SSofficieren had mogen verwelkomen. Loke zou zijn geld hebben verdiend aan lucratieve contractjes met de nazis enzovoort. Na de oorlog was de fiscus er kind aan huis, hetgeen de verdenking voedde dat de familie op een oneerlijke, misschien zelfs onethische manier aan haar geld was gekomen. Geen van deze verdachtmakingen is ooit bewezen. Wel moet gezegd worden dat de Marggraffs zelf weinig hebben bijgedragen aan het ontzenuwen van de praatjes. Met

name de derde Marggraff, geboren in 1923, was een kluizenaar en een misantroop die zich jarenlang opsloot in zijn eigen burcht. Zelfs goedbedoelende dorpelingen kwamen maar weinig te weten over de eenzame grondeigenaren. Veel buurtbewoners herinneren zich het kasteeltje als een plek waar je niet in de buurt mocht komen. Een hoge afrastering en een steeds dichter wordende haag van bomen en onkruid onttrok de kapitale villa aan het zicht. In 1954 ging het landgoed over op de volwassen kinderen van Lodewijk: vier dochters en en zoon. Een tweede zoon overleed op jonge leeftijd aan een verkeerde inenting met koepokstof. De overlevende zoon, Ewald Marggraff (Marggraff III), kocht zijn zusters uit zodat het erfgoed niet zou worden opgedeeld. Op 31-jarige leeftijd kwam hij daarmee in bezit van een astronomische erfenis, waar hij de rest van zijn leven als een bloedhond over zou waken. 18 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 018 Het was vooral deze derde Marggraff waaromheen de wildste geruchten ontstonden. Iedereen in Brabant weet wel iets van Ewald Marggraff Ewald Marggraff was een krenterige, giftige, vermoedelijk homoseksuele baron met de Monegaskische nationaliteit, die zich bij voorkeur als vrouw verkleedde, zijn geld in dubbele wanden in zijn huis bewaarde en die zijn uitgestrekte landerijen liet verloederen om de gemeente een hak te zetten. Dit vat wel een beetje samen hoe er de afgelopen vijftig jaar naar Marggraff gekeken is. Sommige dingen zijn waar (hij had de Monegaskische nationaliteit), andere dingen niet (de travestie is vermoedelijk niet waar), maar veruit het meeste is nog altijd een mysterie. Wie was hij? Om te beginnen was hij geen baron. De familie was niet van adel. Baron was een bijnaam, geen titel. Zijn

achternaam komt van Markgraaf, een adellijke graad die vooral in Duitsland veel aanzien had. De Hohenzollerns van Brandenburg waren markgraven voordat zij koningen werden. De Mark, werd Ewald door zijn pachters wel genoemd. Zijn voornaam, een Germaanse tweestammige naam, betekent ironisch genoeg de naar de wet heersende. Zelf beweerde hij genoemd te zijn naar een oudoom: een vrederechter uit s-Hertogenbosch, maar het is ook denkbaar dat hij zijn naam te danken heeft aan de geheimzinnige Wilhelm Ewald von Glockmann, een vriend van de familie. Een Von Glockmann was de ontwerper van het familiewapen. Dit wapen, een blauw schild met drie gouden klokjes, werd in recente jaren ongeveer synoniem aan Verboden Toegang. Waar het bekende gele hekwerk verscheen, voorzien van het wapenschild, daar was het uitkijken geblazen. Over zijn vermogen lopen de schattingen zo ver uiteen dat het ondoenlijk is er een gemene deler uit te halen. Sommigen beweren dat hij multimiljardair was, anderen menen dat hij slechts enkele miljoenen had. Marggraff

hing een beetje de Prins Bernhard uit wanneer men naar zijn banksaldo informeerde. Hij gaf dan erg 19 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 019 bescheiden schattingen en deed het soms voorkomen alsof hij aan de rand van een faillissement verkeerde. Ook nu nog is het giswerk. Voorzichtige schattingen maken van Ewald Marggraff meervoudig miljonair. Zijn geld zat niet in dubbele wanden van zijn huis. Het stond op bankrekeningen verspreid over verschillende landen als Zwitserland, Monaco, Luxemburg en de Kaaimaneilanden. Zijn vermogen was gespreid over banken, fondsen en aandelen. Iets meer is bekend over zijn grondbezit. Het zou vervelend worden om de lange lijsten van onroerend goed op te sommen (alleen rond Den Bosch bezat hij al 21 landgoederen) maar we kunnen volstaan met te zeggen dat hij het equivalent van zon 1200 voetbalvelden bezat. En dat waren alleen

nog maar zijn binnenlandse bezittingen. Afgezien van de liquide middelen en de hectaren waren er de schatkamers van Zionsburg zelf. Spaarzame bezoekers werden geconfronteerd met kamers volgepropt met onbetaalbare kunstvoorwerpen. Een buurvrouw die soms te gast was zag op een keer stapels schilderijen, ingepakt met bruin papier, tegen de muren staan. Het waren kostbare werken die Marggraff naar een restaurateur had laten brengen maar nooit had uitgepakt. Marggraff voegde er bij die gelegenheid nogal achteloos aan toe dat hij op zolder nog een stel Rembrandts en Van Dijcks had staan. Dit kan grootspraak zijn geweest, maar gevreesd mag worden dat hij de waarheid sprak. Dat waren geen kopietjes, verzekerde de buurvrouw. Met zijn huisraad sprong Ewald net zo gedachteloos om als met de vele huizen die hij her en der liet verpauperen. De buurvrouw herinnerde zich een incident waarbij de grondbezitter zijn hondje aan een blikje sardientjes liet likken. Maar meneer Marggraff, reageerde ze, dat is toch gevaarlijk; die blikjes zijn vlijmscherp. Marggraff pakte

het blikje zonder te antwoorden op en smeet het achter zich op een kast. Een spotprent uit de jaren tachtig toont Marggraff als een vampier, zittend op een troon van schedels. Twee andere prenten hebben het gemunt op zijn beleid monumentale panden in zijn bezit te laten verloederen. Op een ervan is een spookachtige oprijlaan (van 20 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 020 Zionsburg?) getekend met griezelige monsters in de bomen. Een onderschrift luidt: Spoken, geesten en vampiers bestaan niet meer.... Een volgende tekening laat een nachtelijk kerkhof zien. De tekst leest: ...Marggraven echter wel. Op de drie kruizen staat Kaathoven, Parva Domus en Elzenburg; drie van de historische buitengoedjes die onder beheer van

Marggraff ter ziele zijn gegaan. Parva Domus (Klein Huisje) stond honderden jaren lang op het landgoed Zionsburg totdat Marggraff het vervallen huis in 1993 na een lange strijd met de gemeente liet slopen. De oorspronkelijke naam was In den Prince van Orangien, naar Willem van Oranje, wiens secretaris het huis in de zestiende eeuw bewoonde. Waarom liet hij zijn vele bezittingen verpauperen? Groeiden ze hem boven het hoofd? Zijn hele leven lang was Marggraff in een verbeten strijd verwikkeld met de gemeente Vught, die hij er onder andere van beschuldigde zijn oudoom de burgemeester te hebben weggepest, en die zijn familie op tal van manieren had dwarsgezeten. Ewald was van huis uit jurist en wist onteigeningsprocedures tot in het oneindige uit te stellen. Het verwaarlozen van zijn bezittingen was voor hem een spel. Desgevraagd verklaarde hij natuurlijk aan kapitaalvernietiging te doen. Het tuig van de overheid moet op de knieen,

was een van zijn gevleugelde uitspraken. Om de een of andere reden koesterde hij tevens een vreselijke haat jegens katholieken. De geestelijkheid moest worden opgeknoopt. Hijzelf kwam van een overwegend protestantse familie uit het Pruisische Maagdenburg. Ook zijn eigen kasteel verwaarloosde hij. Bezoekers zagen de gaten in de muren zitten. Naarmate Marggraff zich meer en meer uit de wereld terugtrok veranderde zijn landgoed langzaam in een oerwoud. Het park werd overwoekerd door hoog gras en onkruid. De door mos aangetaste Griekse beelden kwijnden weg in het struweel of vielen om. Het koetshuis en de oranjerie verzakten tot runes waar de wind doorheen gierde. De toegangspoort met natuurstenen pijlers uit het begin van de negentiende eeuw bood na verloop van tijd enkel nog toegang tot een naargeestig huis dat er meestentijds verlaten bij lag. 21 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 021 Marggraff werd mensenschuw en was over het algemeen niet gediend van pottenkijkers of ongewenste bezoekers. De Vughtse jeugd kon daarover meepraten. Een jongen uit het dorp die het waagde beukennootjes op te rapen van de oprijlaan werd door Marggraff in de kraag gegrepen en hardhandig weggewerkt. Hij had geluk: Marggraff stond erom bekend overtreders met een geladen geweer van zijn land te jagen. Zelfs zijn hondje Fokkie was volgens sommigen gemeen. Krakers van zijn leegstaande panden liet hij er door knokploegen uitzetten. Toen een groepje archeologen zich op de Kopse Hof bij Nijmegen op zijn land begaf omdat hier Romeinse vondsten waren gedaan dreigde hij hen met een bulldozer weg te schoffelen. De Romeinen konden wat hem betreft het schompes krijgen. Prehistorische grafheuvels moesten wijken voor de bouw van zestig luxe villas. Daarnaast was hij de

gesel van boeren en pachters die zijn land bewerkten. Wanneer hij hen niet met uitzetting dreigde liet hij de boerderijen zodanig verpauperen dat de meeste huurders de moed opgaven. Hij werd ervan beschuldigd illegaal mest te dumpen (volgens de berichten met medeweten van zijn vriend, motelmagnaat Gerrit van der Valk) zodat zijn pachters in feite op een mestvaalt woonden. Reagerend op de beschuldigingen verviel Marggraff in een van zijn legendarische tirades en brulde dat de varkensboeren, de gemeente, de boeren en de Pachtwet het op hem hadden voorzien. In latere jaren bezocht hij zijn verwilderde landgoederen niet meer. Ook zijn appartement in Monaco, waar hij naar verluidt Prins Rainier wel eens tegen het lijf liep, zag hem in de loop der tijd steeds minder. Uiteindelijk, zo wil de legende, werd Marggraff een anachronisme: een feodale herenboer die zich in de twintigste eeuw probeerde staande te houden. Ondanks zijn gewiekste juridische vossenstreken leek hij weinig op te hebben met de moderne tijd. Zo verdween hij uit het zicht: hij teerde weg in zijn burcht en leek samen met

het geheimzinnige landhuis weg te zakken in het laatste stukje middeleeuwse grond van Nederland. In november 2003 trad hij voor het laatst in de openbaarheid. In het achtste deel van de Vughtse Historische Reeks werd een artikel 22 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 022 gewijd aan Zionsburg; hij verscheen met zijn zus op de presentatie in het Historisch Museum. Op die zesde november was het de hierboven genoemde buurvrouw die de laatste foto nam van Ewald. Merkwaardig genoeg is er op deze foto een omineuze veeg te zien; een onverklaarbare lichtflits die Marggraff, zittend in zijn stoel, bijna onzichtbaar maakt. Precies een maand later, in de nacht van 6 op 7 december, brak er door een onbekende oorzaak brand uit in Zionsburg.

Toen deze in de late namiddag van de volgende dag eindelijk was geblust, werd op de begane grond, in de hal naast de trap, het levenloze lichaam van de Vughtse baron gevonden. Zijn identiteit kon alleen door zijn gebit worden bevestigd. Naast hem lag zijn hondje Fokkie. Marggraff was 80 jaar en de laatste mannelijke telg van zijn lijn: met hem stierf de naam uit. Zijn bezittingen, de schilderijen en de roemruchte bibliotheek, waren in vlammen opgegaan. Willem Frederik Ewald Marggraff, door een enkeling geliefd en door velen gehaat, was dood. Nederland juichte: Prinses Maxima beviel diezelfde dag van een dochtertje. Zij werd Amalia genoemd, naar de vrouw van Stedendwinger Frederik Hendrik van OranjeNassau. Het feit dat Frederik Hendrik en een aantal van zijn nazaten tijd hebben doorgebracht op Zionsburg was niet de laatste van een lange reeks toevalligheden in dit verhaal. Een moordzaak Gezien Marggraffs geheimzinnige reputatie tijdens zijn

leven is het misschien niet verwonderlijk dat er na zijn dood verschillende geruchten de ronde deden over de wijze waarop hij was gestorven. Maar deze keer kwamen de verhalen niet alleen van babbelzieke Vughtenaren. Onze broer is vermoord, riepen de nog levende zusters Marggraff. In de maanden na de brand kwamen er omstandigheden boven tafel die zijn plotselinge dood verdacht maakten en die de toedracht van de ramp met nieuwe feiten een andere wending gaven. 23 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 023 Omwonenden wisten er opeens meer van. Marggraffs tuinman en duvelstoejager kwam met boude beweringen. Men was niet vergeten dat de grootgrondbezitter in de jaren negentig een keer in zijn eigen woning was gemolesteerd. Die gebeurtenis was

nooit opgehelderd. Ook wisten de zusters te melden dat Ewald in het jaar voor zijn dood door onbekenden was bedreigd: Hij kreeg een jaar geleden een dreigbrief. Een man wilde 50.000 gulden van hem. Als Ewald niet zou betalen, zou zijn huis in de fik worden gestoken. Die man heeft het gedaan. Er zijn ook andere mensen die ons verteld hebben dat ze dit zeker weten. Maar de politie doet er niets mee. Onze broer werd een paar jaar geleden ook al aangevallen in zijn huis. Hij werd vreselijk toegetakeld door de daders. Ook toen wilde de politie niet luisteren.2 Het bedoelde incident vond plaats in de nacht van 27 op 28 april 1994. Het gebeurde een maand nadat Marggraff een reeks openhartige interviews had gegeven aan een journalist van het Brabants Dagblad. Een onbekend aantal personen drong rond half een s nachts het huis binnen en bond de baron aan handen en voeten vast. De volgende ochtend om half tien werd hij door een werknemer bewusteloos aangetroffen. Marggraff werd vervolgens met ernstige hoofdwonden

overgebracht naar het ziekenhuis. Volgens de politie zou het gaan om een roofoverval, hoewel er tot op de dag van vandaag niet bekend is wat er is meegenomen als er al iets is meegenomen. Het huis zou van onder tot boven doorzocht zijn, maar er zouden slechts wat sieraden zijn ontvreemd. Ondanks het feit dat de overvallers de complete woning overhoop haalden, zagen ze de onbetaalbare kunstwerken die door het huis verspreid lagen over het hoofd. Aangezien het slachtoffer urenlang (ruim negen uur volgens de krant) gekneveld en bewusteloos op de vloer had gelegen, hadden de daders alle kans gehad om de veronderstelde Rembrandts weg te slepen. Hier werd echter nooit melding van gemaakt. Ook werden er geen sporen gevonden van inbraak, hetgeen tot de veronderstelling leidde dat Marggraff de daders zelf had binnengelaten. Ewald ontkende dit met klem. Volgens de buurvrouw beweerde Marggraff dat hij in zijn salon in een stoel zat en 24 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 024 plotseling een klap op zijn hoofd kreeg. Hij zou van de hele overval niets hebben meegemaakt. Kende Marggraff de daders? De baron stond erom bekend zelfs buren en kennissen niet binnen te laten. Zou hij de deuren dan hebben geopend voor een stel vreemden? Midden in de nacht? De indruk ontstond dat het wel degelijk bekenden betrof en dat Zionsburg met een specifieke reden was doorzocht, alsof de daders ergens naar op zoek waren. Maar wat? Door deze overval uit 1994 kwam de brand in een ander licht te staan. Allereerst waren er de omstandigheden rond de ramp zelf. Er kwam zware kritiek op de besluiten van de brandweer, die had geweigerd het pand te betreden. Nog afgezien van de oorzaken van de brand beweerden de gezusters Marggraff dat zijn dood in de vlammen niet nodig was geweest. De brandweer heeft niet alles gedaan om het

te voorkomen, beweerden ze. De klusjesman was er op tijd bij, hij had de sleutel van de voordeur. Maar van de brandweer mocht hij die niet openmaken. Ewald lag net achter de voordeur, hij had gered kunnen worden. De brandweer pareerde de aanval met de bewering dat de brand al te veel om zich heen had gegrepen om een reddingspoging te verantwoorden. Een woordvoerder zei: Gelet op de felheid van de brand was overleven in dit pand niet meer mogelijk. Bovendien was rond half negen niet duidelijk of er iemand in het pand aanwezig was. Omstanders gaven aan dat de heer Marggraff mogelijk in Monaco zou verblijven.3 Gezien het feit dat Marggraff al jaren niet meer in Monaco kwam, is dit niet waarschijnlijk. En wat de felheid van de brand betreft, getuigen verklaren dat de brand zich hoofdzakelijk op de eerste verdieping afspeelde. De bovenverdieping stond in brand maar de begane grond niet. Op fotos die tijdens het blussen genomen zijn is inderdaad te zien hoe de brand zich op de eerste etage bevindt; de ramen op de begane grond

zijn donker en intact. Toch werd het lichaam van Marggraff op luttele meters van de voordeur gevonden. Als hij beneden was geweest tijdens de brand, waarom had hij dan de deur niet bereikt? 25 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 025 Was Marggraff al dood voordat de brand uitbrak? Of was hij bedwelmd en voor dood achtergelaten? De hoog oplaaiende emoties leidden enkele weken later op dinsdag 23 december tot een bijeenkomst in de Vughtse brandweerkazerne. Daar gaf de brandweer toe klusjesman Emile van Uden de toegang te hebben ontzegd. Het gevaar voor een eventuele flashover maakte het onverantwoord om het pand binnen te gaan. Hoewel brandweercommandant Van der Vossen de

toedracht van minuut tot minuut opsomde wist hij de argwaan van het publiek niet weg te nemen. Die argwaan was nog groter waar het de mogelijkheid van een misdrijf betrof. De politie sloot dit aanvankelijk uit. Bij onderzoek van de technische recherche werden er geen vluchtige stoffen aangetroffen die op brandstichting wezen. De patholoog-anatoom voegde daaraan toe dat er op het lichaam van Marggraff geen uitwendig letsel was geconstateerd: wel inwendig letsel veroorzaakt door koolmonoxide. Het slachtoffer was dus door rookverstikking om het leven gekomen. Een getuige wist te vermelden dat Marggraff de laatste jaren vaak in een stoel op de benedenverdieping sliep. Een buurtbewoner wist zeker dat de brand daar ook begonnen was, en wel in de keuken. Lijnrecht tegenover deze verklaringen staan de beweringen van nabestaanden. Marggraff zou in de jaren tot aan zijn dood meerdere malen zijn bedreigd. Twee jaar na de brand kwam ene B.R.4, een persoonlijke vriend

van Ewald, met opzienbarende getuigenissen. B.R., die aan zijn voormalige werkgever een uitgebreide website heeft gewijd, verklaarde uit angst voor represailles gezwegen te hebben, maar nu was hij bereid het een en ander uit de doeken te doen. Zijn woorden brachten de zaak opnieuw aan het rollen. B.R. kwam naar eigen zeggen in 1989 als tuinman in dienst van het landgoed en ontwikkelde zich in de daaropvolgende jaren tot een trouwe huisvriend. Ik weet al geruime tijd dat er meer is voorafgegaan aan de brand, vertelde hij op 23 november 2005 aan het 26 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 026 Brabants Dagblad. De grootgrondbezitter zou zijn afgeperst. De tuinman zelf zou door onbekende lieden zijn klemgereden en bedreigd. Bovendien zou hij door onverlaten benaderd zijn om hem bij een overval te betrekken. Gesteund door deze beweringen eisten de

erven van Marggraff dat het onderzoek zou worden heropend. De Brabantse politie voelde daar niets voor, dus zocht B.R. het hogerop. De minister moest er aan te pas komen en op 15 maart van het daaropvolgende jaar kon het Brabants Dagblad melden dat er inderdaad nieuw onderzoek op poten stond. Dit was gebeurd op voorspraak van commissaris van de koningin Hanja Maij-Weggen, die door B.R. persoonlijk was aangeschreven. Het verhaal dat de brand door een defecte kachel was ontstaan verdween voorlopig in de kast. Tot nu toe heeft dit tweede onderzoek, voor zover bekend, geen nieuwe feiten opgeleverd. Marggraff zelf ligt sinds 5 maart 2004 begraven op eigen grond. Een kronkelend bospad, ontoegankelijk voor het publiek, voert naar een stille plek in het park. Daar, binnen een ring van taxusbomen, staat een ruw bewerkte betonnen zuil zonder naam of epitaaf. Het was de plaats waar de Marggraffs hun honden begroeven. Sinds 2004 ligt de grootgrondbezitter er zelf. Zijn begrafenis schiep een precedent: inwoners van Vught en Cromvoirt met een flinke lap grond kunnen

zich voortaan in de eigen achtertuin laten begraven. Het tekstloze graf verraadt niets over het leven van de Vughtse baron. Had hij zijn geheimen hierin meegenomen? Schatten uit een ver verleden Het is zeer wel mogelijk dat B.R. het een en ander verzint (al wekt hij niet die indruk). We hebben als schrijvers niet de pretentie een moord op te lossen. Het is niet zozeer de persoon Marggraff die ons onderzoek zal tekenen, als wel het landgoed dat hij bewoonde. Een paar aspecten van de zaak zijn echter zo geheimzinnig dat het ons tot onderzoek aanspoorde. Het mysterie Marggraff eindigt niet bij 27 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 027 zijn geheimzinnige dood. Er is meer te vertellen over de

baron en zijn landgoed. Zo waren de Marggraffs lid van de geheimzinnige Zwanenbroeders in Den Bosch, een middeleeuwse organisatie waarvan allerlei hoogwaardigheidsbekleders (niet in de laatste plaats het koningshuis) nog steeds contribuant zijn. Na de oorlog werden zij plotseling van de ledenlijst geschrapt. Daarnaast kwamen we erachter dat de geruchten rond Zionsburg niet met de familie Marggraff begonnen waren. Het landgoed is al veel langer een plek van raadsels en geheimen. Vele eeuwen lang deden er verhalen de ronde over grote schatten, vreemde godsdienstige rituelen en onderaardse gangen. Waar kwamen die verhalen vandaan? Zionsburg, zo bleek, was in de Middeleeuwen een commandeurshuis van de Duitse Orde: na de tempeliers en de hospitaalridders de derde grote ridderorde uit de tijd van de kruistochten. Net als bij de tempelridders zijn er over de Duitse ridders talloze legenden in omloop: over verborgen kruisvaardersschatten, Germaanse heiligdommen en de Heilige Graal zelf. We kwamen erachter dat de meest succesvolle van de drie

orden evenveel (zoniet meer) aanspraak maakt op het bezit van deze legendarische voorwerpen. De naam Zionsburg zou verwijzen naar de berg in Jeruzalem, waar de Duitse kruisridders enige tijd hebben doorgebracht. Daarnaast bleek het voormalige commandeurshuis meer geheimen te herbergen dan we hadden kunnen vermoeden. Zionsburg speelde in de geschiedenis een grote rol van betekenis: steeds weer verschijnt het in de kijker van uiteenlopende historische figuren. Koningen en schatzoekers blijken door de eeuwen heen buitengewoon genteresseerd in het landhuis. Het komt nadrukkelijk voor in geheime rapporten van de Gestapo. De geruchten dat het tijdens de bezetting een hoofdkwartier van de SS was blijven hardnekkig. Ook de aanwezigheid van de Bossche Zwanenbroeders en die van invloedrijke adellijke families in de streek bleek geen toeval. Vught lijkt een gewoon slaperig Brabants dorp, maar er is iets niet in de haak. Waarom bijvoorbeeld, zijn er twee parochiekerken? Kan dit te maken hebben met de aanwezigheid van de geheimzinnige ridderorde die als eerste het landgoed Zionsburg be28

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 028 woonde? Wat had deze in Vught te zoeken? Waarom waren de ridders tegelijkertijd pastoors van de nabije Lambertuskerk, die door een ondergrondse gang met Zionsburg verbonden was? En waarom bleven ze bestaan toen de Duitse Orde in Europa al geen rol van betekenis meer speelde? Werd er in Zionsburg oorlogsbuit of een ander geheim bewaard? We zullen in het verloop van dit verhaal veel over het Geheim van Zionsburg speculeren. Naarmate er meer feiten en incongruenties boven tafel kwamen, gingen we onszelf prikkelende vragen stellen: kon er een verband zijn tussen deze zaken uit een roemrucht verleden en de meer recente ontwikkelingen? Johan Marggraff liet het eerste Zionsburg in 1880 slopen. Hij gaf echter de nadrukkelijke opdracht dat bepaalde delen van het oude huis moesten blijven staan en liet in de koopakte

opnemen dat alle op het terrein gevonden schatten zijn eigendom werden. Waarom deed hij dat? Was het om dezelfde reden dat Ewald in zijn testament wilde zetten dat er tot 99 jaar na zijn dood niets aan Zionsburg mocht veranderen? Wat was er in de kelder verstopt? En wat stond er in de archieven die na de brand heimelijk uit het huis zijn weggehaald? Om deze vragen te beantwoorden moesten we terug in het verleden, niet alleen in dat van Vught, maar ook in dat van de Duitse ridderorde. Met Zionsburg als leidraad begonnen we aan een onthullende zoektocht in de geschiedenis. Om te ontdekken wie de Teutonen waren en hoe zij zich konden ontwikkelen tot een vreeswekkende kruisvaardersgrootmacht gingen we ons bezighouden met de oude Germanen. Het beeld dat langzaam uit deze zoektocht naar voren kwam was niet zelden verbluffend. In die apocalyptische brand van december 2003 ging wellicht veel meer verloren dan kroonluchters, Chinese vazen en kostbare Rembrandts. Marggraff zat misschien

wel op een van de grootste geheimen uit de geschiedenis. 29 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 029 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 030 Hoofdstuk 2 In de Germaanse wouden Germanen betreden de geschiedschrijving

Het lijkt misschien overdreven om voor het oplossen van een eenentwintigste-eeuws mysterie tweeduizend jaar terug te gaan in de tijd. De Germanen ontpopten zich echter als een steeds terugkerende factor in onze zoektocht, en om tot een goed begrip van de latere Duitse Orde te komen is het noodzakelijk wat meer over hen te weten. Voor de oorsprong van deze Noord-Europese stammen kunnen we oneindig ver teruggaan in de geschiedenis, naar de Keltische en Indo-europese volkeren uit de Oudheid, maar een handig beginpunt vormen de annalen van Romeinse geschiedschrijvers als Tacitus, Lucanus en zelfs Julius Caesar. Het is een ongelukkig maar onvermijdelijk gegeven dat de geschiedenis van beschavingen ten tijde van de antieke Oudheid werd geschreven door de overwinnaars, dus door degenen die hen door hun culturele en militaire overwicht de baas waren. Rond het begin van de jaartelling waren dat onbetwistbaar de Romeinen. Het Romeinse rijk strekte zich uit van de Europese westkust tot aan de Aziatische steppen, en in het zuiden tot aan

de Sahara. De Romeinen hadden in hun veroveringsdrift vrijwel alle Europese volken aan zich weten te onderwerpen. Over de Kelten weten we het een en ander omdat de Romeinse veldheer Julius Caesar een verslag schreef over zijn militaire campagnes tegen dit volk. Dat deze verslagen vrijwel altijd uitpakken in het voordeel van de Romeinen hoeft ons niet te verbazen. Daarbij komt nog dat de Germanen tot aan de derde eeuw na Christus 31 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 031 een mondelinge overlevering kenden, en geen schrift. Wanneer we iets te weten willen komen over de vroegste geschiedenis van de Kelten en de Germanen, zitten we dus opgescheept met de eenzijdige verklaringen van geletterde beschavingen, zoals die van de Grieken en de Romeinen.

Toch kunnen wij, dankzij recente opgravingen en onderzoeken, wel het een en ander over de Germanen aan de weet komen. En wat we zeker weten is dat het juist Germanen waren die over het Romeinse rijk het laatste woord hadden. Het waren de Westgoten, een Germaans volk, die in het jaar 410 Rome veroverden en daarmee een einde maakten aan de Romeinse beschaving. En het zijn dezelfde Germaanse stammen die Europa gevormd hebben tot wat het vandaag is. Hun invloed op de Europese beschavingsgeschiedenis kan nauwelijks worden onderschat. Aan die verovering ging wel het nodige vooraf. Waar het woord Germanen vandaan komt is niet bekend. Als een Germaanse reiziger door een passant als Germaan was aangesproken had hij waarschijnlijk fronsend achteromgekeken. Germanen noemden zichzelf niet zo, maar het is waarschijnlijk dat de Keltische volkeren die naam hebben bedacht (en niet, zoals wel gedacht wordt, de Romeinen). Geopperd is dat de naam Germani zoveel betekent als vreemde buren. De Gallische (Franse) Kelten noemden de

Germanen ook wel naar de stam waarmee ze het meest in contact stonden: de Alemannen, waarin we nu nog het woord Allemagne herkennen. Tijdens de Gallische Oorlogen nam Caesar de naam Germani over en voor het gemak duidde hij daarmee alle volken ten oosten van de Rijn aan, ze daarmee onderscheidend van de Kelten. Aldus werd een bevolkingsgroep samengepakt waarover men eigenlijk heel weinig wist; misschien was het ook maar beter er niet te veel over te weten. Hoewel de pakweg twee miljoen Germanen veel overeenkomsten vertoonden in gebruiken en levensstijl, zagen zij zich evenmin als Germanen als Peruanen, Brazilianen en Argentijnen zich vandaag de dag ZuidAmerikanen zouden noemen. We kunnen wel stellen dat ze door zowel de Kelten als de Romeinen gevoeglijk 32 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 032

over en kam werden geschoren. Maar er was niet zoiets als een collectieve volkswil, nog niet. Vermoedelijk waren de Germanen voornamelijk barbaarse, vervaarlijke lieden, en waren de meeste mensen blij dat zij zich achter het ondoordringbare Europese woud verstopten. Romeinen en Germanen Het was vooral Julius Caesar die de Germanen een stem gaf door in zijn De Bello Gallico over hen te schrijven. Daarin vertelt hij over zijn roemruchte campagnes tegen de Kelten tussen 58 en 51 voor Christus. Zijn kroniek was feitelijk niet meer dan een propagandastunt voor hemzelf en verbloemde op slinkse wijze het opportunisme van de onderneming. Na Caesar is het hek van de dam. Allerlei historici wagen zich aan een beschrijving van deze schrikaanjagende noorderburen die zelfs Caesar niet had kunnen bedwingen, en kort daarop doen alle mogelijke geruchten de ronde. Een bekend citaat van de onvermijdelijke leunstoelantropoloog Tacitus die

feitelijk alles van horen zeggen had is als volgt: Wat de Germanen zelf betreft, ik denk dat het aannemelijk is dat zij een inheems volk zijn en dat er zeer weinig buitenlands bloed is gentroduceerd door invasies of door vriendelijke betrekkingen met naburige volken. (...) Wie zou er, nog afgezien van de gevaren van die vreselijke en onbekende zee, Azie, Afrika of zelfs Italie willen verlaten om naar Germanie te trekken met dat onherbergzame landschap en zijn woeste klimaat? Voor iedereen die er niet is geboren, is dat onvruchtbare oord een treurig land om in te wonen en zelfs om te zien.5 Maar Tacitus, Lucanus en anderen kunnen niet maskeren dat ze over de noordelijke volkeren eigenlijk heel weinig weten. Sterker nog, lange tijd vermoeden Grieken en Romeinen dat de ondoordringbare noordelijke wouden bevolkt worden door wezens met paardenhoeven en reusachtige oren. Zij hebben geen superlatieven genoeg om de barbaarsheid van de

noorderlingen te benadrukken. 33 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 033 Halve wilden die in de lange winternachten niets beters te doen hebben dan zich ongecontroleerd voort te planten. Dollemannen met weinig of geen impulsbeheersing die met de billen bloot door de velden rennen en die je liever niet in het donker tegen het lijf loopt. Recentelijk is dit beeld bijgesteld in het voordeel van de Germanen, die er al heel vroeg een nauwkeurige kalender en een uitgebreid wetboek op nahielden. Maar het beeld dat beklijft is dat van angstaanjagende barbaarse troepen die moordend en plunderend de grenzen van het Rijk binnenstormen, of die in het beste geval de duistere wouden in het noorden bevolken. De beruchte Varusslag in het jaar 9 na Christus geldt als

voorbeeld van de ondoordringbaarheid van het Germaanse woud. De Romeinse keizer Augustus zag in de Germanen een belediging voor de Romeinse overheersing en probeerde Germanie wel degelijk bij het Romeinse rijk te annexeren. Hij stoorde zich aan het feit dat de noordelijke grens van het rijk niet een zee was, zoals in het westen, en stuurde zijn veldheer Quintilius Varus naar het noordelijke woud om af te rekenen met het Germaanse stamhoofd Arminius en zijn Cherusken. Varus onderschatte de Germanen danig. Arminius, die in het Romeinse legioen gediend had, wist Varus in een hinderlaag te lokken. Toen de keizer daarop het afgehakte hoofd van Varus kreeg opgestuurd, gooide hij het in een vlaag van woede door de kamer en riep: Quinctili Vare, legiones redde! (Quinctilius Vares, geef mij mijn legioenen terug!). Nog jaren daarna trof de Romeinse aanvoerder Germanicus in het Teutoburgerwoud6 de gruwelijke sporen aan van de vernietigende slag: verbleekte geraamten, doorkliefde schedels en de rottende lichamen van gesneuvelde soldaten die in de bomen waren opgehangen. Na die slag waren de

opeenvolgende keizers opeens van mening dat Germanie de moeite niet waard was en dat het land ten noorden van de Rijn niets te bieden had wat voor de Romeinen interessant was. 34 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 034 Het begin van de Grote Volksverhuizing Aan het begin van onze jaartelling landden de Goten uit Skanza (Scandinavie) op de kust van Polen, waarna ze gestaag naar het zuiden trokken. Net als hun voorgangers kregen ze daar met andere volkeren te maken,7 en het was niet zonder slag of stoot dat de Goten zich op het Europese vasteland wisten te vestigen. Maar het waren uiteindelijk weer de Romeinen met wie de grootste conflicten werden

uitgevochten. Ondanks de vele pogingen van de Romeinen om de Germaanse stammen te beteugelen, in te dammen en tegen elkaar uit te spelen kwamen de Germanen uiteindelijk toch naar het zuiden. Het voornaamste motief hiertoe was het zoeken naar nieuwe landbouwgronden, niet de val van het Romeinse imperium. Ze staken de Rijn en de Donau over, doorbraken de Romeinse verdedigingslinies en stroomden in groten getale het rijk binnen. Goten en Vandalen in het oosten, de Franken en Saksen in het westen en daar tussenin de Alemannen, de Burgunden en de Langobarden. Het was de tijd van grote Germaanse allianties en stamverbonden, en die luidden de ondergang van het Romeinse rijk in. Dit klinkt spectaculair, alsof van de ene op de andere dag hele horden Germaanse krijgers aan de horizon opdoemden, maar in werkelijkheid vond deze volksverhuizing veel geleidelijker plaats. Het kostte de Goten zon tweehonderd jaar om etappegewijs de afstand af te leggen. Ze trokken per keer zon dertig, veertig kilometer naar het zuiden, vestigden zich ergens, en trokken verder wanneer de gronden waren uitgeput of

wanneer de bevolkingsconcentratie te groot werd. De hele tocht duurde generaties. In 175 na Christus zakten ze verder af naar het zuiden. Net als de Kimbren tweehonderd jaar eerder gingen ze eerst naar het zuidoosten, waar ze in 257 de Zwarte Zee bereikten. Ze vestigden zich in de huidige Oekrane en bleven van daaruit de Romeinen bestoken. In tegenstelling tot de opgejaagde Kimbren vonden ze hier een thuis. Ze wisten zich er eeuwenlang te handhaven, en halverwege de achttiende eeuw werd hier nog Gotisch gesproken. Zij waren de eersten die (door tussen35 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 035 komst van bisschop Wulfila) met het christendom in aanraking kwamen. Over Wulfila zullen we het later nog hebben. Zoals gezegd was het expanderende front tegen de Romeinen op zich geen motief om de barre tocht naar het zuiden te ondernemen. De Germanen

werden in het noorden van Europa grotendeels met rust gelaten, dus een massale Germaanse campagne tegen een ver verwijderd Rome lijkt uiterst onwaarschijnlijk. Ze maken eerder de indruk van een in het nauw gedreven kat, die briesend en klauwend uithaalt naar zijn belagers. Als de Germanen Rome bestormen, is dat omdat ze als zigeuners door het hele continent gejaagd zijn en geen andere keus meer hebben dan zich op de uitstralingshaard van alle vervolging te storten. Maar ook in deze opinie, die in veel opzichten zeker steekhoudend is, kunnen we te ver doorschieten. Het is modieus geworden om de Germanen van hun strijdlust te beroven, hun martiale vlechten te kortwieken en hen als vredelievende nomaden af te schilderen die bijna per ongeluk over de Romeinse puinhopen struikelen. De plunderende Westgotische horde onder leiding van de beruchte Alarik wordt naar moderne maatstaven een kudde inschikkelijke christenen die verbaasd met de ogen knipperend door de straten van een reeds verloren beschaving slenteren. Zeker waren de Germanen agrariers die een betere

toekomst probeerden te bereiden voor hun geslacht, maar zij waren ook krijgers en veroveraars. Een effectief oorlogsapparaat zoals de Romeinen dat door de eeuwen heen hadden opgezet wordt niet zomaar onder de voet gelopen. Het gaat misschien te ver om de Germanen in hun expansiewoede van een vooropgezet plan te voorzien een agenda zullen ze er misschien niet op na hebben gehouden. Maar dat wil niet zeggen dat de Germanen bij het aanbreken van de vierde eeuw totaal gespeend waren van eendracht en doelgerichtheid. Wat we zien is dat zich tijdens die omzwervingen nieuwe sociale klassen gaan vormen. De gewelddadige verovering van een vreemd en vijandelijk gebied dat bovendien een hoog beschavingsniveau bezit, gaat niet zonder slag of stoot. Een geslaagde invasie vergt, dat wisten ook de Romeinen heel goed, organisatie en tactisch inzicht. Dat wil zeggen dat de Germanen lang niet zo 36 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 036 verdeeld en onbesuisd waren als vaak wordt gedacht. Van een Germaanse eenheid is bij de aanvang van de volksverhuizing wellicht geen sprake geweest, maar de lange reis naar het zuiden en de vele aanvaringen met vreemde volkeren hebben van de Germanen een ondernemend en zelfbewust volk gemaakt. De avonturen van de Goten Wat de zich groeperende Germanen ook goed uitkwam was het feit dat Rome door interne strubbelingen verdeeld werd. Waren het eerst de Germaanse stammen geweest die door inwendige verdeeldheid geen vuist konden maken tegen de Romeinse bezetter, nu waren het de Romeinen zelf die gebukt gingen onder burgeroorlogen en machtspolitieke ontwikkelingen. Onder bewind van onder andere de wijze koning Athanarik begonnen de eens verspreide noordelijke stammen de underdogpositie van zich af te schudden. Een soevereine houding ten opzichte van Rome was niet

langer ondenkbaar. Zo rond het jaar 270 is er sprake van een opsplitsing van de Gotische immigranten. Voor het gemak wordt er een onderscheid gemaakt tussen de Oostgoten (of Ostrogoten) in de Oekrane en de Westgoten (of Visigoten) dichter bij huis in het Donaugebied. De oorspronkelijke benaming had niets met hun woongebied te maken, maar omdat de Westgoten in de loop der tijd naar het westen trokken en zich in de zesde eeuw in Spanje en Frankrijk vestigden, wordt deze naam gehandhaafd. Aanvankelijk verging het beide volkeren dus goed, ondanks de onevenwichtige verhouding met de Romeinen. Er werd lustig handel gedreven en de Oostgoten lieten zich gaandeweg kerstenen. Vanaf de derde eeuw werden sommige Germanen zelfs in het Romeinse rijk opgenomen op voorwaarde dat zij de grenzen verdedigden tegen andere barbaarse stammen. Er zijn voorbeelden te over van Goten en Franken die hoge posities bekleden binnen de staat. Het

indrukwekkende beschavingsniveau van met name de Goten in het oosten van Europa is te danken aan hun nauwe be37 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 037 trekkingen met de Romeinen, en aan de vruchtbare gronden die zij deelden met geciviliseerde buren als de Scythen, de Bastarnen en zelfs de Grieken. Het kan niet anders of het cultuurrijke gebied dat al eeuwen bezocht werd door kooplieden, reizigers en denkers van uiteenlopende beschavingen heeft zjin vruchten afgeworpen. De Oostgermanen toonden zich leergierig en namen gretig nieuwe vondsten en technieken over. Het Gotische schrift werd voor het eerst hier in gebruik gesteld. Stamhoofden werden koningen, hutten werden paleizen: de zogenaamde Gotenburchten die in de rotsen werden uitgehakt. Het is in het zuiden van Rusland en daaromtrent dat de Germanen ophouden

natuurvolken te zijn. Maar de rust was van korte duur. Net toen er in 369 een wankele vrede werd bereikt tussen de Westgoten en de Romeinen dook er een nieuwe vijand op in het oosten die roet in het eten gooide: de Hunnen. De Hunnen, de gesel van de Goten waren een OostAziatisch ruitervolk. Hoewel we hebben gezien dat de Noord-Europese volkeren zich al vor het begin van de jaartelling door het continent gaan begeven, zijn het toch de Hunnen die verantwoordelijk worden gesteld voor de Grote Volksverhuizing tussen de vierde en de zevende eeuw na Christus. In het kort komt het erop neer dat de Hunnen, aan Turken verwante nomaden die de steppen in Middenen Oost-Azie bevolkten, Europa binnenvielen en daar de aanwezige Germaanse volksstammen opjaagden. Maar wat minder bekend is, is dat de Hunnen op hun beurt werden verdreven door andere Aziatische volken die zich in de vierde eeuw in westelijke richting begaven. De bewoners van de Euraziatische laagvlakten

waren bij de Grote Muur door de Chinezen verslagen en ze hadden geen andere keus dan zich al vechtend een weg naar Europa te banen. Er ontstond simpel gezegd een domino-effect waarbij het ene volk door het andere werd verjaagd en er een soort stoelendans ontstond tussen Kelten, Germanen, Slaven en anderen. De eersten die de Hunnen tegenkwamen, waren natuurlijk de Oostgoten. De ontmoeting verliep desastreus: het rijk van de Goten 38 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 038 werd op een afschuwelijke manier onder de voet gelopen. Koning Ermanarik (die onder de naam Jormunrek zou voortleven in de Edda8) werd volgens sommige lezingen vermoord, volgens andere pleegde hij zelfmoord.9 Slechts een handjevol Goten overleefde de apocalyps; zij trokken zich terug in een kleine kolonie in het zuiden van de Krim, waar zij tot in de achttiende

eeuw standhielden. De Westgoten hadden geen keus dan zich westwaarts op Romeins gebied te begeven. Daar werden ze echter door de Romeinen tegengehouden. Toch leek de val van het Romeinse rijk onvermijdelijk. Roemruchte tijdgenoten, waaronder de Gotische koning Alarik, zouden het onvermijdelijke bespoedigen. Keizer Theodosius geldt als degene die een laatste krampachtige poging deed om Rome in zijn oude grootheid te herstellen. Bij zijn dood in 395 verdeelde hij het rijk onder zijn twee (incompetente) zonen, wat erop neerkwam dat het eens machtige Romeinse imperium in twee stukken werd geslagen: het Oost-Romeinse en het West-Romeinse rijk. Aangezien Theodosius er niet in slaagde een mondige en capabele nakomeling op de troon te zetten (zijn zoon Arcadius was zo goed als achterlijk) werd de macht in Rome min of meer overgedragen aan Flavius Stilico, de hoogste legeraanvoerder. Een wrang en saillant feit was dat Stilico, die dus de taak kreeg Rome tegen de Germanen te beschermen, een geromaniseerde Vandaal en dus een Germaan was. Het was Stilico die het opnam tegen de grote Westgotische koning Alarik: twee Germanen

dus, met een vreemde fascinatie voor elkaar, die elkaar op Romeins grondgebied bevochten. De een vocht voor de Goten, de ander voor Rome. Alarik kwam uit een Westgotisch koningsgeslacht. Hij was beslist geen barbaars stamhoofd van de oude stempel, maar een verlicht aanvoerder die het christendom had omhelsd. Zijn geslacht stond in zon hoog aanzien dat hij al bij zijn aantreden kon rekenen op de steun van alle onderhorige Gotische stammen. Alarik was er al in geslaagd om vrijwel zonder enige moeite het kansloze Griekenland aan zich te onderwerpen, toen hij verder naar het westen trok, nog altijd op zoek naar een eigen koninkrijk. Alarik 39 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 039 liet Oost-Europa voor wat het was (een enclave van schijnbaar onhandelbare en onverslaanbare Hunnen) en

zocht de strijd met Rome. Hij had een belangrijke les geleerd: vreedzame agrarische volkeren worden onder de voet gelopen, het waren de vooruitstrevende, oorlogvoerende plunderaars die kregen wat ze wilden. Zijn volk, de Germanen, kon zich in het Europa van de vijfde eeuw niet langer in de wouden verschuilen. Vroeg of laat zou er een volk komen de Sarmaten, de Franken, de Hunnen dat hen uit hun woongebied zou verdrijven. Als de Germanen geen opgejaagde nomaden en parias wilden blijven moesten zij zich de eigenschappen van oorlogszuchtige veroveraars eigen maken: daadkracht, ambitie, intrige, opportunisme en Realpolitik. De oude goden voldeden niet meer. Oude gebruiken en gewoonten moesten worden afgelegd. Als het christendom de nieuwe machtsfactor zou worden, dan werden de Goten christenen. De Goten moesten volwassen en alert worden, wilden zij een rol van betekenis gaan spelen. Alarik begreep dat hij in een cruciale tijd leefde. Het Romeinse rijk was aan het verbrokkelen: maar wie zouden de brokken onder elkaar verdelen? Het ging om de erfopvolging van Europa, en niet minder. De Germanen mochten onder

geen beding de geslagen hond zijn. Zijn volk moest zich, door een overwogen mengeling van geweld en diplomatie, een stuk van de aangesneden Europese taart toeeigenen. Zij die vragen, worden overgeslagen. Dit had een verwarrende tijd tot gevolg: een schoorvoetende oorlog vertroebeld door wisselende verbonden en loyaliteitsconflicten. Jarenlang speelden Alarik en Stilico een soort kat-en-muisspel; toen, in 410, moest Rome er eindelijk aan geloven. Stilico werd door verwikkelingen binnen Rome vermoord en de stad was rijp voor de val. De Goten trokken Italie binnen. Alarik belegerde de verdeelde stad twee jaar voor hij definitief toesloeg. In een zet waar Hermann von Salza later trots op zou zijn, wees hij een Romeinse tegenkeizer aan die aanhang onder het volk verwierf alvorens de poort voor hem te openen. Na nog wat politiek gekonkel werd de daad voltrokken die al tientallen jaren in het verschiet had gelegen: Rome werd veroverd door de Westgoten. 40 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 040 Christenen of niet, de veroveraars gedroegen zich als echte plunderaars en de Eeuwige Stad werd drie dagen lang geteisterd door verkrachtingen, vernielingen en andere misdaden. Maar na die drie dagen verliet Alarik de stad en trok verder Italien. Slechts een paar weken later stierf hij, aan een ziekte of vergiftigd door een vrouw. Om zijn graf tegen ontheiliging te beschermen verlegden zijn kameraden tijdelijk het riviertje de Busento, begroeven hem in de bedding en lieten het graf vervolgens overstromen. De slaven die zijn grafkuil gegraven hadden, werden verdronken. Het lichaam van de grote koning der Germanen is nooit gevonden.10 De erfopvolgers van Europa Wat gebeurde er vervolgens? Hoe werd Europa verdeeld? Het Romeinse rijk, met name het West-Romeinse deel,

modderde nog een aantal jaren voort. De laatste WestRomeinse keizer, die in 476 de troon besteeg, was zelfs de moeite van het vermoorden niet meer waard. Het Oost-Romeinse rijk, met Constantinopel als nieuwe hoofdstad, had minder te kampen met invallende Germanen en bleef tot 1453 in gewijzigde vorm bestaan. Maar in wezen was Rome de overleden oom om wiens erfenis nog lange tijd fel gestreden werd. In een poging een uiterst ondoorzichtig tijdsgewricht samen te vatten kunnen we stellen dat het verloop van de vijfde eeuw uitmondde in een getouwtrek tussen de overgebleven Romeinen, de nog altijd ontzagwekkende Hunnen en vooral de verschillende Germaanse volkeren als de Franken, Burgunden, Sueven, Vandalen en Goten. In het noordoosten speelden heidense Germaanse stammen als de Langobarden en de Bajuwaren nog een rol. De Vandalen, de Germanen die het westen van Polen bewoonden, waren al in 406 in gezelschap van de Sueven de Rijn overgestoken. Na een kort verblijf in Gallie stootten ze door naar Spanje en vervolgens naar het noorden van Afrika. De Sueven bleven in het Spaanse achter en verbleven rond het jaar

526 ongeveer in het huidige Portugal. De Vandalen, onder leiding van ko41 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 041 ning Geiserik, veroverden het legendarische Carthago in Tunesien stichtten in Noord-Afrika hun eigen rijk. Van daaruit speelden ze het klaar om het westelijke Middellandse-Zeegebied onder hun bewind te brengen en in het jaar 455 nog eens de stad Rome te plunderen. Dat de Vandalen sindsdien hun naam hebben gegeven aan iedereen die een zinloze vernieling begaat, zegt in dit opzicht genoeg. Andere Noord-Duitse stammen de Angelen, de Juten en de Saksen, zochten de oversteek naar Engeland en beleefden in hun nieuwe Angelsaksische koninkrijk avonturen die een heel andere mythische overlevering voort zou brengen.

De rol van de Hunnen was snel uitgespeeld: zelfs onder aanvoering van de verschrikkelijke Attila konden de Aziatische ruiters niet meer op tegen de Europese volken die zich tegen hen begonnen te verdedigen. De Oostgoten die zich aanvankelijk aan hun zijde hadden geschaard, trokken zich uit de coalitie terug en begonnen hun eigen belangen na te streven. In 451 vielen de Hunnen Gallie binnen, bereikten Parijs, maar werden in een vermeende slag op de Catalaunische Velden11 door een gecombineerde leger van Westgoten en Romeinen teruggedrongen. Attilas zonen konden het niet eens worden over de erfopvolging en het rijk der Hunnen stortte na 454 ineen. De Oostgoten hielden zich nog een tijd staande door Italie binnen te vallen en daar een eigen keizer in het zadel te helpen: Theodorik de Grote. Daar bleven ze totdat de Longobarden, zelf verdreven uit het noorden van Europa, het land rond 560 in bezit namen. De Longobarden waren de hekkensluiters van de Grote Volksverhuizing. De stoelendans was voorbij. William Manchester schrijft over dit slotakkoord: In de jaren

daarna werden [de Hunnen] in de vernietiging van de laatste resten beschaving geholpen door Goten, Alanen, Bourgondiers, Thuringi, Friezen, Gepiden, Sueven, Alemannen, Angelen, Saksen, Juten, Longobarden, Heruliers, Quaden en Magyaren. De etnische stormvloed kwam toen in de veroverde landen tot rust; duisternis daalde neer over het verwoeste, roerige continent, een duisternis die pas verdreven 42 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 042 werd toen veertig generaties middeleeuwers hun meelijwekkende bestaan geleden hadden, en waren heengegaan.12 Wie hebben we nog over? De Westgoten, die onder Alarik de stad Rome hadden veroverd en nog steeds in Italie zaten. Het verhaal over

hen gaat min of meer als volgt: de Westgoten verlieten Italie twee jaar na de dood van Alarik en gingen naar Gallie. Daar veroverden zij verschillende steden en slaagden erin een eigen koninkrijk op te richten. Het Tolosaanse rijk, met de stad Toulouse als hoofdstad, was jammer genoeg geen erg lang leven beschoren. Maar ditmaal waren het geen Romeinen of Slavische steppenvolken die het feest kwamen versjteren, maar de Germaanse Franken. De Franken, afkomstig van Germaanse stammen aan de Rijn, hadden zich in de voorgaande vier eeuwen nog niet echt laten gelden. Maar het feit dat Gallien de loop der eeuwen Frankrijk zou gaan heten verraadt al wat er op het punt stond te gebeuren. Vor de val van Rome hadden de Franken zich voornamelijk verdienstelijk gemaakt in het Romeinse leger. De Frankische veldheer Arbogast verdedigde in dienst van de Romeinse keizers Gallien Spanje tegen de usurpator Maximus. Dit had tot gevolg dat Arbogast in feite grote delen van het West-Romeinse rijk onder zijn bewind had. De Franken waren het dus gewend om

in WestEuropa de scepter te zwaaien. Hadden de Goten via talloze omzwervingen en onder de grootste ontberingen eindelijk een rustig plekje gevonden, de Franken waren simpelweg de Rijn overgestoken om zich op het Gallische grondgebied te nestelen. Het zijn de Franken (en misschien de Angelsaksen) die als de winnaars van de Volksverhuizing worden gezien. In de tweede helft van de vijfde eeuw breidden ze onder leiding van Clovis hun macht in Gallieit ten koste van de Westgoten. De Goten dreigden de enigen te zijn die geen stoel hadden toen in het midden van de vijfde eeuw de muziek werd uitgezet. In een verwoede poging Gallie te behouden gingen de Franken de strijd aan met zo ongeveer alle naburige Germaanse stammen. De Alemannen, de Thuringen, de Burgunden en de Westgoten 43 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 043

moesten het ontgelden. De laatsten moesten hun ZuidFranse grondgebieden prijsgeven en zich in Spanje terugtrekken. In het jaar 507 maakten ze een terugtrekkende beweging over de Pyreneeen, waarna hen niets anders restte dan van Spanje hun thuis te maken. Toledo, niet Toulouse, werd de nieuwe residentie van de Westgotische koningen; het Tolosaanse rijk werd het Toledaanse rijk. In Spanje waren de Goten de eersten om een eigen natie te stichten, een koninkrijk dat enerzijds naar Romeins model gemaakt was, maar dat vooral een voorafschaduwing vormde van hoe de middeleeuwse koningen zich zouden presenteren. Het verhaal gaat dat Koning Leodevild als eerste de Germaanse pels afwierp om zich in het purper te hullen, een voorrecht dat alleen aan de Romeinse keizers was voorbehouden. Leodevild plaatste zich op een troon en liet gouden munten slaan met zijn beeltenis. Daar bleef het niet bij: van de Westgotische koningen stamt het idee dat de koning na God de opperste heerser op aarde was, een begrip dat pas door de guillotines van de Franse Revolutie ongedaan werd gemaakt. In Spanje werden voor het

eerst steden gebouwd, en niet alleen maar ingenomen. Gelet op de talloze archeologische vondsten kunnen we zeggen dat deze steden belangrijke internationale handelscentra waren. De Westgotische monarchie bleef overeind tot het gebied in 711 door invallende Moren werd overrompeld. En met die gebeurtenis kwam er een einde aan de geschiedenis van de Goten. Althans voorlopig. Jaren van duisternis Rest ons nog de Franken. De Franken (hun naam betekent de Vrijen) deden hun naam eer aan. Zij slaagden er ondanks de oprukkende islamitische strijders in hun rijk te behouden. Tijdens de Volksverhuizing hadden zij zich nog opportunistischer betoond dan hun andere Germaanse broeders, en misschien ligt in het feit dat zij zich regelmatig bij de Romeinen aansloten wel de sleutel tot hun succes. De Frankische 44

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 044 invasie verliep bijna stilletjes. Zo stilletjes dat het wellicht beter is om van een integratie te spreken in plaats van een invasie. Waar de Goten met een hoop kabaal het Romeinse rijk waren binnengedrongen, daar slopen de Franken haast op hun tenen de beschaving binnen. Het leek erop dat zij zich genoeglijk in het Gallische gebied hadden genesteld toen de Romeinen die hun handen vol hadden aan de Gotische stammen even niet opletten. Hoe dan ook, de Frankische stammen zaten waar ze wilden en gingen nergens meer naartoe. Onder koning Clovis (482-511), die uit het geslacht van de Merowingen stamde, werden de verschillende stammen verenigd. Het Merowingische koningschap legde de fundering voor de verdere geschiedenis van Frankrijk, en daarmee Europa. Clovis was net als Alarik en

Leodevild een pragmaticus die heel goed inzag in welke richtingen de machtspolitieke ontwikkelingen zich gingen bewegen. De Franken namen het christendom van de kerk over en Frankrijk werd katholiek. Twintig jaar na de ondergang van het Westgotische rijk versloeg de Frankische leider Karel Martel de Moren bij Poitiers. In 768 trad er een Frankische koning op om wie niemand meer heen kon: Karel de Grote (of Charlemagne 742-814) de kleinzoon van Karel Martel. In 774 onderwierp hij de Langobarden. In 785 zaaide hij onder de Germaanse stammen ten noorden van Frankrijk dood en verderf, en wel op zon ongekende schaal dat de vrome koning voor altijd bekend zal staan als de Saksenslachter. Om een voorbeeld te stellen liet hij op en dag niet minder dan 45.000 gevangengenomen Saksen onthoofden. Hij breidde zijn rijk naar het noorden toe uit en stichtte bisdommen waaronder Paderborn, Osnabruck, Munster en Bremen. In het jaar 772 verklaarde een officiele christelijke alliantie onder de Frankische keizer Karel de Grote de in NoordDuitsland woonachtige stammen de oorlog. De Franken hadden een heuse

etnische zuivering in gang gezet, waarbij onnoemelijk veel Saksen het leven lieten. Hoewel dit wordt beschouwd als het begin van het einde van de Saksische onafhankelijkheid, bleef regionaal verzet tegen de Frankische overheersers schering en inslag. Tien jaar en vele veldslagen later, werd Saksen eindelijk gean45 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 045 nexeerd, alhoewel regionaal verzet bleef bestaan tot zeker 804. Karel zelf werd in het jaar 800 in Rome tot keizer gekroond. Het leed geen twijfel wie het in het nieuwe Europa van de achtste eeuw voor het zeggen had. Als we over de Grote Volksverhuizingen lezen, krijgen we soms de indruk dat er na de ondergang van de Gotische rijken aan de Middellandse Zee geen

Germaan meer over is. Alle boeken praten over de Germanen die uit Duitsland weggingen, maar we lezen niets over wie er achterbleven. We vernemen over verlaten dorpen en over noordelijke woongebieden waaruit zo ongeveer iedereen vertrokken was. Was Germanieen niemandsland geworden? Wie zaten er eigenlijk nog in Duitsland? Bestonden er wel Duitsers, of waren het allemaal Franken geworden, gedwongen vazallen van het Grote Karolingische Rijk? Zo ja, wat gebeurde er dan tussen 700 en 1160, toen de Duitsers met het oprichten van de Hanze een nieuwe wereldmacht werden? Wat gebeurde er tussen de slachtpartij van Karel de Grote en de opkomst van de eerste Hanzesteden? Wie waren de Duitse ridders die slechts een paar jaren na die oprichting met koggeschepen naar de Orient voeren? Het stellen van deze vragen, alsmede het onderzoek naar het Germaanse hiaat tussen 700 en 1160, zou ons op het spoor brengen van een onthutsende en omvangrijke intrige. 46

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 046 Hoofdstuk 3 De Duitse Orde Opkomst van de ridder-monnik In de tweede helft van de twaalfde eeuw maakten de Germanen een indrukwekkende comeback. Nadat ze in de achtste eeuw door de Franken verslagen en vernederd waren, doken ze in 1189 tegen ieders verwachting op voor de kust van Palestina. Op de een of andere manier waren ze hun verdeeldheid en hun onderworpenheid te boven gekomen en verenigden ze zich onder de officieuze verzamelnaam Teutonen. Hoewel de Duitse kruisvaardersvloot in eerste instantie slechts enkele koopvaardijschepen betrof, zou de organisatie die de Germanen op het punt stonden op te

richten, onvoorstelbare proporties aannemen. De Duitse Orde behoort, samen met de orde van de tempeliers en de hospitaalridders of johannieters tot de drie grootste geestelijke ridderorden uit de westerse geschiedenis. Ze wordt vaak gezien als het ondergeschoven Pruisische broertje van de tempelridders, hoewel de Duitse Orde op veel manieren een langer leven beschoren was dan haar grote broer. De eerste vermelding van de Duitse Orde, voluit de Fratres Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teutonicorum, vinden wij in de annalen van de kruistochten, waarin gesproken wordt over de vestiging van een veldhospitaal, in 1189, opgericht door inwoners van Bremen en Lubeck in het Heilige Land (in kronieken wordt zowel gesproken van kooplieden en edelen, als van ridders, en er is bijzonder weinig te vinden over de identiteit van deze eerste immigranten). Van oorsprong was deze orde, net als haar twee voorgangers, een zogenoemd geeste47 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 047 lijke hospitaalbroederschap. Twee jaar later bevestigde paus Clementius III deze broederschap als de Fratrum Theutonicorum Ecclesiae S. Mariae Hiersolymitanae. In de loop van de strijd om het Heilige Land werden verschillende orden opgericht, waarvan er drie uiteindelijk standhielden. Zo was er dus de befaamde orde der tempeliers, waarover inmiddels bibliotheken zijn volgeschreven. Ook was daar de orde van Sint Johannes, een op liefdadigheid gerichte organisatie met het oog op armenzorg. En ten slotte was daar de Duitse Orde. Het idee van een geestelijke ridderorde (dus een kloosterorde waarvan de leden het ridderschap combineren met het ambt van clericus) levert naar huidige maatstaven een vreemd beeld op: dat van de vechtende monnik. Hoewel de katholieke kerk zelden van ruimdenkendheid is beticht en altijd een strijdbare

houding heeft gekend ten opzichte van andere religies, schijnen zelfs de weinig fijnbesnaarde Middeleeuwen gewetensbezwaren te hebben gehad bij het idee van een bloedvergietende geestelijke. Maar daar kwam in de twaalfde eeuw verandering in. De tempelridders waren de eerste danig gedisciplineerde en geencadreerde strijdmachten in West-Europa sinds de Romeinen.13 Over de eerste successen in de Orient zullen we niet te veel uitwijden. In juli 1099 bestormden de kruisvaarders Jeruzalem en maakten daarmee een begin met een westerse hegemonie die eeuwenlang zou duren. Expedities naar het Heilige Land waren half idealistisch en half commercieel. Zo ook de kruistochten. Voor veel Franse kruisvaarders (Franken) werd Palestina een nieuw thuis. Menige kruisvaarder was op pad gestuurd als boetedoening voor begane misdaden, en veel van de achterblijvers in Palestina waren misdadigers die zich er wel voor hoedden om terug te keren naar het land dat

hen in de boeien had geslagen. Palestina bood hen een heel nieuwe wereld, een piratennest ver van de wetsdienaren van Frankrijk. Toen Boudewijn II in 1118 het koningschap over Jeruzalem erfde van Boudewijn I, kreeg hij een land te besturen dat veel weg had van het Wilde Westen. 48 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 048 Boudewijns opluchting dat iemand zich met de zaak komt bezighouden was bijna voelbaar toen hij ene Hugo de Payens en zijn kompanen in Jeruzalem ontving. Het plan van Hugo: de oprichting van een broederschap van ridders die de pelgrims in het Heilige Land tegen onverlaten zou beschermen. De geschiedenis van deze ridders is zo vaak beschreven dat wij ons ervan afmaken met een karige samenvatting. Het aanbod van

de negen avonturiers bracht de koning in zon jubelstemming dat hij bevel gaf een vleugel van zijn paleis, de al-Aqsa moskee, te ontruimen en er de ridders in onder te brengen. De al-Aqsa moskee werd verondersteld gebouwd te zijn op de resten van de legendarische tempel van Salomo, het onderkomen van de Ark des Verbonds, en deze veronderstelling gaf de broederschap haar naam: de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo, kortweg Tempelridders of Tempeliers. Een document uit 1123 noemt Hugo de Payens als de Magister Militum Templi: Meester van de Tempelridders. De negen vrijbuiters met hun armetierige lompen en stoffige voorkomen hadden zich geen beter onderkomen kunnen wensen. Hun avonturen werden voortaan gesubsidieerd door zowel de koning als de patriarch van Jeruzalem. Al vor de kruistocht was er een aan Sint Johannes de Almonieter gewijd hospitaal voor pelgrims in Jeruzalem, vlakbij de Heilige Grafkerk. Een hospitaal moeten we zien als meer dan alleen een ziekenzaal voor zieken en

gewonden. Het had veel weg van een gasthuis, een ontmoetingsplek voor christenen, een soort onskentons, een home away from home. Dit eerste hospitaal was al in 1070 opgericht door kooplieden uit Amalfi die vermoedelijk een gat in de markt hadden ontdekt. In het jaar 1100 wordt ene frater Gerard, over wie verder weinig bekend is, als Meester genoemd. Toen het veroverde Jeruzalem na 1099 begon vol te stromen met enthousiaste bedevaartgangers, speelde Gerard handig in op de groeiende behoefte van bezoekers en immigranten. Als een echte pr-man reorganiseerde hij de nieuwe orde, verruilde Sint Johannes de Almonieter voor de beter in de markt liggende Johannes de Doper en speelde het klaar dat het hospitaal binnen een jaar of 49 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 049 tien uitgroeide tot een gerespecteerde orde die in 1113

de speciale bescherming van de paus genoot. Het is niet ondenkbaar dat de ridders van Hugo de Payens werden ingezet om dit en andere als paddestoelen uit de grond schietende hospitalen te verdedigen. 14 Het groeien van de hospitalen, alsmede de groeiende schare pelgrims, maakte een uitbreiding van de ridderorde noodzakelijk. In tegenstelling tot frater Gerard schijnen Hugos ambities op dit gebied enigszins bescheiden te zijn geweest. De tempeliers begonnen zichzelf pas als een volwaardige religieuze orde te zien toen zij een bezoek brachten aan Bernard van Clairvaux, een van de meest invloedrijke geestelijken van zijn tijd. Hugo had sterke banden met Bernard en zijn aanvankelijke verzoek was niet gering: kon de abt niet oproepen tot een nieuwe kruistocht, zodat zijn clubje van ridders de beschikking kreeg over nieuwe rekruten? Wat hij kreeg was meer dan alleen militaire versterking. Het verzoek schijnt Bernard op een lumineus idee te hebben gebracht. Het door hem geschreven pamflet: De Laude Novae Militiae, kan zo ongeveer gezien worden als het geboortebewijs van de

riddermonnik, de strijdende geestelijke. Niet alleen beschreef Bernard de nieuwe, op de cistercienzers gestoelde leefregels voor de orde, waarmee hij zowel de tempelridders als de kruisvaarders van een raamwerk voorzag, hij legitimeerde eigenhandig het hele idee van een heilige oorlog. Het verdelgen van Saracenen en andere heidenen was niet alleen een noodzaak, maar zelfs een heilige plicht. Dit staaltje christelijke propaganda sprak zozeer tot de verbeelding dat de riddermonnik bijna van de ene op de andere dag een geaccepteerd, zelfs bejubeld beeld werd. Bernard voorzag de hele onderneming van een moreel substraat dat zo invloedrijk werd dat zelfs de Duitse Orde zich er in zijn Baltische kruistocht nog door gesteund zag: Wie tegen ons vecht, vecht tegen Christus, was het motto. Het idee van strijders die door bloedvergieten het rijk Gods deelachtig worden vindt tot in onze tijd weerklank, zowel in het MiddenOosten als in de moderne westerse samenleving aan weerszijden van de Atlantische Oceaan. Het gaat vermoedelijk niet te ver wanneer we stellen dat de meeste geestelijke

ridderorden uit de 50 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 050 twaalfde eeuw hun legitimatie te danken hadden aan het pamflet van de eerbiedwaardige abt. Het directe gevolg was dat de tot dan toe door armoede en bescheidenheid gekenmerkte tempelridders als helden gelauwerd werden, en Hugo de Payens kon zich vanaf dat moment verheugen in een toestroom van belangstellenden. De uitbreiding van de ridderorde kwam gestaag op gang en groeide in de daaropvolgende eeuw uit tot een indrukwekkend en wijdverbreid instituut. De alternatieve hierarchie van de commanderijen en de toegekende privileges waren zo omvangrijk dat er wel gesproken is van een kerk binnen een kerk, een staat binnen een staat.15

De Gouden Eeuw van de kruisridder Een onverwacht neveneffect van de nieuwe kruistochten was dat de tempeliers zich vanaf 1136 (het jaar waarin Hugo de Payens stierf) geflankeerd zagen door een geduchte concurrent: de orde der hospitaalridders. Inderdaad betrof het hier de orde van frater Gerard, die onder leiding van zijn opvolger frater Raymond du Puy een explosieve groei had doorgemaakt. Bedolven onder privileges en geruggensteund door het pamflet van Bernard van Clairvaux wisten zij in recordtijd uit te groeien tot een orde die in 1187 maar liefst twintig grote bolwerken in de Orient bezat. Hadden de tempelridders een sneeuwwitte mantel met een rood kruis, de hospitaalridders gingen gehuld in een habijt bestaande uit een zwarte mantel met een wit kruis. Hun hierarchische structuur begon in de loop van de twaalfde eeuw ook steeds meer te lijken op dat van hun rivalen in de Tempel. Hun rivaliserende verhouding is misschien enigszins te vergelijken met die tussen Coca Cola en Pepsi Cola: beide serveren dezelfde bruine

priklimonade maar de kleurtjes op de verpakking zijn net iets anders. In het voetspoor van deze nieuwe ridderorden volgden talloze kleinere en minder succesvolle genootschappen die allemaal min of meer hetzelfde doel voor ogen hadden. Een kleine tweehonderd jaar verging het beide orden goed. De 51 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 051 gelofte van armoede werd zo handig genterpreteerd dat er ongekende rijkdommen konden worden verzameld, en in de jaren die volgden op het decreet van Bernard en de door Innocentius II uitgevaardigde bul (die stelde dat de ridders van de Tempel alleen aan Rome onderhorig waren) werd de orde tot een bekend Europees verschijnsel.

De ridderorden werden handig in het regelen van hun eigen zaakjes. In plaats van Arabieren in de pan te hakken, zoals het een fatsoenlijk christen betaamde, begonnen ze handel te drijven met hun mohammedaanse tegenstanders. De ridders leerden Arabisch, namen kennis en vaardigheden over van de moslims en brachten die kennis tot uitvoer. Er is in de loop der tijd veel geschreven over de legendarische schatten van de tempeliers, een idee dat beelden oproept van vergaarde kostbaarheden, opgeslagen in grotten en tempels, ongeveer zoals de schat in Ali Baba en de veertig rovers. Het geld van de tempelridders is wel gezien als een verborgen piratenschat, een berg goud die, als je de schatkaart maar had, gevonden en opgegraven kon worden met de magische spreuk Sesam open u. Maar als de ridderorden uit de twaalfde eeuw iets geleerd hadden was het wel dat geld moet rollen. Geld brengt geld voort. Een onuitgesproken motto zou Murphys Gouden Regel geweest kunnen zijn: hij die het Goud heeft maakt de Regels.

De arme ridders die naar Palestina waren gereisd om pelgrims te beschermen en de Wil van God te doen, ontpopten zich ter plaatse als bankiers, financiers, investeerders en uiteindelijk als renteniers. Zelfs Arabische kooplieden stortten hun geld in de kluizen van de tempelridders, natuurlijk tegen een fikse rente. Zowel de tempeliers als de hospitaalridders begrepen dat zolang het geld binnen de gelederen blijft circuleren, het alleen nog maar meer wordt. Zij mochten dan elkaars geduchte concurrenten zijn, samen beheersten ze de markt. En zij zorgden ervoor dat dit zo bleef. Religie en politieke voorkeuren werden bijzaak. Als de Arabieren blijk gaven van speciaal talent op financieel en administratief gebied, werden zij aangesteld als secretaris of boekhouder, heiden 52 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 052

of niet. Tijdgenoten die in die gang van zaken een kwalijke discrepantie zagen werden doodgezwegen. Hun macht in het Heilige Land was onbetwist. De hospitaalridders waren samen met de tempelridders de grootgrondbezitters, en stegen zo in aanzien dat zelfs de geestelijkheid, om wier aanwezigheid in Palestina het toch allemaal te doen was geweest, haar greep op de orden verloor. In 1154 probeerde de begrijpelijk gerriteerde Patriarch van Jeruzalem de expansiedrift van de ridders te beteugelen, maar het gevolg was dat de hospitaalridders met veel kabaal en geschreeuw zijn preken kwamen verstoren, terwijl zij samen met de tempeliers pijlen afschoten naar de congregatie. Toen de Patriarch het daaropvolgende jaar ten einde raad een bezoek bracht aan Rome in een poging de paus te overtuigen kwam hij tot de ontdekking dat de hospitaalridders hem voor waren geweest. De orde was hem stiekem achterna gereisd en had van de paus een imprimatur verkregen waarin de privileges van de ridders nog eens werden bevestigd. De ridders, zo leek het, waren machtiger dan de kerk

die zij verdedigden en waren schatplichtig aan niemand. Zelfs hun gezworen onderhorigheid aan Rome zou in daaropvolgende jaren een punt van discussie worden. Het verlies van Palestina De ommekeer begon met het verlies van Palestina zelf. In veel opzichten hadden de kruisvaarders dat verlies aan zichzelf te danken. Een organisatie die zo machtig en soeverein is, trekt onherroepelijk machtswellustelingen aan, avonturiers met geen andere agenda dan zelfverrijking. Mensen als Guy de Lusignan en de krankzinnige roofridder Reynald de Chatillon waren kruisvaarders van de oude stempel, die hun macht nog op de oude manier wilden bereiken: op het slagveld. Ze verstoorden de lucratieve maar delicate relatie tussen de christenen en de Saracenen en speelden met hun brute, ondoordachte aanvallen op Arabische karavanen de zich hergroeperende islam in de kaart. Een aantal ongelukkige campag53 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 053 nes tegen de Saracenen later in de twaalfde eeuw deden het islamitische verzet oplaaien en uiteindelijk heroverde de legendarisch Saladin in 1187 de stad Jeruzalem op de kruisvaarders. Zelfs een nieuwe kruistocht onder Koning Richard Leeuwenhart kon niet voorkomen dat de christelijke hegemonie in het Heilige Land haar langste tijd had gehad. Zowel de hospitaalridders als de tempelridders hadden in Palestina op het verkeerde paard gewed en werden in de daaropvolgende eeuw gedwongen zich geleidelijk aan uit het Heilige Land terug te trekken. De versplintering van waarden en saamhorigheid, de saamhorigheid die in het begin van de kruistochten nog zo aanwezig was, leidde er aan het begin van de dertiende eeuw toe dat de christenheid geen vuist meer kon maken. Kruisvaarders en ridderorden bestreden elkander even hardnekkig als de Saracenen. De eens

uitgestrekte christelijke grondgebieden in de Orient beperkten zich tot een armzalige kuststrook van niet meer dan tien kilometer landinwaarts. Nieuwe kruistochten werden steeds minder succesvol: de rek was er uit in de laatste jaren van de dertiende eeuw. In 1291 kwam de genadeslag, toen een reusachtig leger van sultan al-Ashraf de stad Akko met de grond gelijkmaakte en alle overgebleven kruisvaarders uit het Heilige Land verdreef. De tempeliers en de hospitaalridders trokken zich terug op Cyprus, maar omdat hun raison detre met het verlies van Palestina verdwenen was, duurde het niet lang voordat er aan het bestaansrecht van de tempelorde geknaagd werd. In navolging van de Duitse Orde probeerden zij in Europa voet aan de grond te krijgen, maar daar sloeg de publieke opinie om. De tempeliers vonden een nieuwe thuisbasis in het zuiden van Frankrijk, alwaar hun belevenissen tot aan hun beruchte ondergang in oktober 1307 nog altijd stof opleveren voor talloze boeken en buitenissige theorieen over de aard en de geheime bergplaats van hun

rijkdommen. De hospitaalridders waren een milder lot beschoren. Nadat de tempelridders op last van de Franse koning Filips de Schone waren uitgeroeid, hief paus Clemens V deze orde officieel op en wees hij hun overgebleven goederen toe aan de hospitaalridders (en, zoals 54 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 054 we nog zullen zien, aan de Duitse Orde). Tussen 1309 en 1582 zaten ze op het eiland Rhodos, waar ze in 1582 door de Turken werden verjaagd. Daarna wisten de hospitaalridders zich voorgoed te vestigen op Malta. De Maltezer ridders bestaan tot op de dag van vandaag. Palestina werd echter bevolkt door nog een derde

ridderorde; een broederschap die, ofschoon de meest machtige en invloedrijke van de orden, vrijwel onbesproken is gebleven. De Duitse Orde Als we in het jaar 1300 een blik zouden werpen op een kaart van Europa waarop de gebieden van de drie ridderorden waren aangegeven, zouden we het volgende zien: de minuscule rode vlek in de Middellandse Zee is Rhodos, een onzekere vesting van de hospitaalridders waarin ze zich na hun gedwongen vertrek uit Palestina hebben teruggetrokken. De wat grotere rode gebieden in het zuiden van Frankrijk, de Languedoc, en die stipjes in de rest van Frankrijk vormen het trotse bezit van de tempeliers. De legendarische ridders mogen dan nog zeven jaar van hun bezittingen genieten. Die immense, dieprode, uitgesponnen veeg over het hele noorden van Europa die bijna de hele kaart bestrijkt, die bijna van de randen lijkt te druppelen, is geen inktvlek. Het is de ordestaat, het reusachtige landgoed van de Duitse Orde. Het is de

grootste Europese verovering sinds de Romeinen, die pas honderden jaren later door Napoleon enigszins geevenaard zal worden. De Baltische kruistocht wordt wel gezien als de grootste koloniale successtory uit de Middeleeuwen. Hoe kwam de Duitse Orde aan dit ontzaglijke gebied? Wat meteen opvalt als we de Duitse Orde onder de loep nemen, is dat ze in het Heilige Land, waar deze orde in 1190 werd opgericht, maar bar weinig invloed heeft gehad op de gang van zaken. Keer op keer lezen we over de wapenfeiten van de tempeliers en de grootschalige militaire campagnes van de johannieters, maar over 55 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 055 de Teutoonse verrichtingen in het land dat de kruisvaarders Outremer noemden, vernemen we weinig

tot niets. Toch wordt de Duitse Orde in en adem genoemd met de hospitaalridders en de tempeliers als de derde grote geestelijke ridderorde uit de Middeleeuwen. Had de Duitse Orde een vooruitziende blik toen ze haar aandacht begon te richten op NoordEuropa in plaats van het Heilige Land? Wat mogelijk begon als een appeltje voor de dorst eindigde als een kolossale kruistocht tegen de Noordelijke Saracenen: de Balten. Het is verleidelijk om hierin een sluwe exodus te zien, als ratten die een zinkend schip verlaten. Zagen de Teutoonse ridders, die tot de verdediging van Palestina zo goed als niets hebben bijgedragen, hun toekomst in Europa? Waaruit bestond deze Teutoonse tak van de legendarische ridderorden? Waar kwam ze zo opeens vandaan, en waar is ze gebleven? Om deze vragen te beantwoorden moeten we eerst terug naar Bremen en Lubeck, vanwaar eind twaalfde eeuw, dus lang nadat de tempelridders van het Heilige Land hun thuis hadden gemaakt, enkele Duitse

kooplieden naar Palestina vertrokken en daar, naar verluidt op het strand bij Akko, een provisorisch hospitaal oprichtten. Het ging om niet meer dan een tent, gemaakt van de zeilen van hun schepen. Wat goed genoeg is voor Salomo is goed genoeg voor ons, moeten ze gedacht hebben. Acht jaar later werden deze kooplieden vergezeld door Duitse edellieden, meegekomen met de Duitse kruistocht, die het hospitaal omvormden tot een militaire ridderorde: de Teutoonse Ridders van het Heilige Mariahospitaal van Jeruzalem, later wel bekend als de Duitse Orde. De orde was alleen toegankelijk voor leden van de Duitse adel. In de eerste jaren na de oprichting verkreeg de orde min of meer dezelfde rechten en vrijheden als de tempeliers. Net als haar twee concurrenten bestond de Duitse Orde uit twee divisies: ridders en priesters. Beiden waren gebonden aan de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Zwaard en kruis versmolten in hun hand tot het instrument waarmee korte metten gemaakt kon worden gemaakt met het heidendom. Zo werd in het jaar 1198 besloten dat de orde, naast de hospitaaldienst, voortaan ook krijgsdienst zou

verrichten. Het zwarte kruis, het embleem van 56 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 056 de orde, was bedoeld als tegenhanger van het rode kruis dat de tempeliers op hun witte banieren en schilden droegen. Het IJzeren Kruis van de orde is nog steeds het embleem van het Duitse leger. Het was in die tijd traditie om broederschappen, die oorspronkelijk enkel hospitaalwerk verrichtten, bij pauselijk decreet ook militair werk te laten doen. Het specifiek Duitse karakter van deze relatief nieuwe orde en de bescherming die zij genoot van de Duitse keizer en andere Duitse heersers stelde haar bovendien in staat een onafhankelijk positie in te nemen ten opzichte van de andere organisaties in het Heilige Land: de johannieters en de tempeliers. Het was Heinrich Walpot von Bassenheim, de eerste grootmeester van de orde, die ervoor verantwoordelijk wordt gehouden de

oorspronkelijke statuten te hebben vervaardigd. Deze statuten kwamen erop neer dat de orde, zoals gezegd, voorts zou bestaan uit twee afzonderlijke takken: priesters en ridders. Beide werden bij toetreding verplicht gesteld de drievoudige kloosterlijke geloften af te leggen van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Tevens moesten zij van nobele afkomst zijn en niet onbelangrijk van Duitsen bloed. Voor de priesters gold dit laatste gebod overigens niet. Daar stond tegenover dat priesters niet in aanmerking kwamen voor belangrijke bestuurlijke functies binnen de orde. Later werd er nog een derde groep gevormd, bestaande uit zogenaamde dienstbare broeders (lees: informanten) die overigens slechts als halve leden werden beschouwd. Het is goed om hier een moment stil te staan bij de oorspronkelijke hierarchische structuur van de orde, aangezien deze niet zou vervluchtigen maar, zoals we zullen zien, door de eeuwen heen gehandhaafd bleef. De meester (pas veel later omgedoopt tot

grootmeester) werd, net als bij de johannieters, voor het leven gekozen. Alleen geharde ridders, en bovendien lieden die algemeen respect genoten, kwamen voor deze hoge post in aanmerking. Andere titels waren Deutschmeister of Hochmeister, en het ambt van grootmeester stond later bekend als een Hoch-und Deutschmeister. De linkerhand van de meester, de commandeur, was zijn plaatsvervanger bij afwezigheid en stond aan het hoofd van de priesterdivisie. Als de 57 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 057 commandeur de linkerhand was van de meester, dan was de maarschalk zijn rechter. Hij ging over de ridders, de huurlingen en de bewapening: zaken waarmee de orde zich steeds serieuzer ging bezighouden. Naarmate zij groter werd, werden provinciale meesters aangewezen voor de landen waar

zij zich zouden vestigen. De hierarchische structuur en tweedeling van ridders en priesters werd ook in de lokale afdelingen in stand gehouden, hoewel de functies van maarschalk en commandeur vaak samenvielen. Von Walpots opvolger, meester Otto von Kerpen, zou de macht en status van de orde vergroten, alsook zijn opvolger, de derde meester Herman Bart. Echter, de verdiensten van de vierde grootmeester Herman von Salza (meester van 1209 tot 1239) zouden die van zijn ambtsvoorgangers en opvolgers ruimschoots overtreffen. Hoe dan ook, de golf van ridders en pelgrims uit Europa in het kielzog van de Derde Kruistocht betekende meer inkomsten en materiele steun voor de orde, die zich in een relatief kort tijdsbestek fors uitbreidde. Ondanks de groei van de Deutschritter in de Orient schijnt hun aanwezigheid toch altijd te zijn overschaduwd door die van hun voorgangers. In de kronieken van die tijd zijn het veelal de tempeliers en de johannieters die met de eer gaan strijken. Bij alle belangrijke veldslagen zijn het de twee eerdere

ridderorden die haantje de voorste spelen, die de grootste wapenfeiten verrichten en die in de loop van de geschiedenis het vaakst voor het voetlicht treden. De Duitse tegenwoordigheid bij belangrijke campagnes is vaak marginaal. Zelfs wanneer de onderling bekvechtende orden voor de verandering besluiten de handen ineen te slaan, zoals bij de belegering van hun hoofdstad Akko in 1291, laten de Teutoonse ridders het een beetje afweten. Akko was zo ongeveer het symbool van de christelijke hegemonie in de Orient, en toen deze stad onder vuur kwam te liggen van de Mameloeken snelden de kruisvaarders toe om deze cruciale vesting met hand en tand te verdedigen. Alle orden waren vertegenwoordigd; de tempeliers stuurden alle beschikbare mankrachten. Maar toen de Duitse grootmeester Konrad von Feuchtwangen kwam opdraven bracht hij niet meer dan 58 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 058 een handjevol broeders mee. De Teutonen, hoewel niet zonder wapenfeiten, maken altijd de indruk wel iets anders aan hun hoofd te hebben. Was dit euvel te wijten aan een gebrek aan middelen, of hield de Duitse Orde er een eigen agenda op na? Wanneer we de ontluikende orde onder de loep nemen, komt er een aantal eigenaardigheden tevoorschijn, eigenaardigheden die erop lijken te wijzen dat de Duitsers op een andere manier te werk gingen dan hun broeders uit de Tempel. Hermann von Salza: de macht achter vele tronen Al in 1228, een kleine dertig jaar na de oprichting van de orde, vindt er een reeks opmerkelijke gebeurtenissen plaats. Rond deze tijd ontmoeten we de formidabele Hermann von Salza, de vierde grootmeester van de orde, maar in feite de grote man achter de hele organisatie. Onder zijn leiding bereikte deze grote hoogten, en het is ook niet onmogelijk dat

Von Salza het brein was achter de Baltische kruistocht. Hermann von Salza wordt wel een van de meest invloedrijke mensen van zijn tijd genoemd. Hij was voor de Duitse keizer wat Richelieu was voor Lodewijk XIII en Karl Rove voor George W. Bush. Hij kwam uit Beieren, en ondanks het feit dat hij niet van adel was, bleek hij al vroeg bekend met de zeden en normen aan het Duitse hof. Om de een of andere reden vond hij zowel gehoor bij de paus als bij de grote keizer Frederik Barbarossa, alsmede bij diens opvolger, wiens vertrouweling hij schijnt te zijn geweest. Hij stond op goede voet met zowel keizer Frederik II als met paus Gregorius IX en wist door zijn kundige bemiddeling de twee heersers, die voortdurend met elkaar overhoop lagen, enigszins in toom te houden. We mogen aannemen dat Von Salza arbeidde voor de instandhouding van een relatieve eenheid van staat en kerk en dat hem een goede relatie tussen de keizer van het Heilige Roomse Rijk en de paus voor ogen stond. Hoezeer Von Salzas inspanningen door beide kemphanen werd gewaardeerd, mag blijken uit de vele pau59

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 059 selijke bevestigingen (maar liefst 32), maar ook uit de toezeggingen van privileges 13 in totaal die keizer Frederik II aan de orde toekende. Von Salza doet in veel opzichten denken aan Umberto Ecos Baudolino, de slimme intrigant die op bijna nonchalante wijze koningen en veldslagen benvloedt zonder zelf ooit in het daglicht te treden. Zijn finest hour diende zich aan in de vorm van de Zesde Kruistocht in 1228. Keizer Frederik kwam in dat jaar aan in Palestina, dit tot groot ongenoegen van de aanwezige Franken. De geexcommuniceerde Frederik II van Hohenstaufen was uit ander hout gesneden dan veel van zijn voorgangers. Hij had Sicilie geerfd van zijn moeder en stak zijn bewondering voor de Moren niet onder stoelen of banken. Hij sprak vloeiend Arabisch, ging gekleed als een emir en droeg naar verluidt zelfs

koranteksten op zijn mantel. Mede hierom noemden zijn tegenstanders hem de antichrist, terwijl de Saracenen juist van hem gecharmeerd waren. Door zijn achtergrond en zijn coulante houding ten opzichte van de heidenen wist hij een onwaarachtige deal te sluiten met de sultan: de keizer kwam in het bezit van Nazareth, de vestingen van Montfort en Toron en niet in de laatste plaats het heilige Jeruzalem. Sterker nog, Frederik wist een vrijgeleide naar Jeruzalem los te krijgen door bemachtiging van een smalle strook land die van Jaffa aan de kust naar de Heilige Stad liep. De man achter dit huzarenstukje? Hermann von Salza. Von Salza maakte zich als raadsman onmisbaar voor de keizer. De gewiekste edelman wist hem zo ver te krijgen dat hij bij de paus het recht lospeuterde om de witte mantels te dragen, een recht dat voorheen enkel aan de tempelridders was voorbehouden. Het slimme plan om de kroon van Jeruzalem in handen te krijgen door Frederik met de dochter van koning John de Brienne te laten trouwen? Waarschijnlijk van Von

Salza. Het gaat niet te ver Von Salza als de rechterhand van de keizer te beschouwen. In 1226 had deze Hermann en zijn opvolgers tot prinsen van het keizerrijk benoemd, mede om het feit dat Von Salza op goede voet stond met de paus, die hem overigens het ene privilege na het andere verleende. Iemand die in die tijd als spreekbuis en bemiddelaar fungeert tussen 60 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 060 de keizer en de paus heeft het beslist niet slecht getroffen. Von Salza was raadsman, denktank en spion tegelijk. Op instigatie van deze Baudolino nam Frederik bezit van het Hospitaal in Jeruzalem en schonk hij het paleis van Manoir-le-Roi aan de Duitse Orde. Toen Frederik in de Heilige Grafkerk de kroon van Jeruzalem op zijn hoofd plantte was dat in het bijzijn van Von Salza en de Teutoonse broeders. De Duitse Orde had in de Heilige Stad het rijk alleen. Zo zout hadden de

tempelridders het nog nooit gegeten. Grootmeester Pierre de Montaigu werd zo chagrijnig dat hij de sultan voorstelde om keizer Frederik te laten vermoorden. Geen goed idee. De sultan stuurde de brief door aan Frederik, die na zijn terugkeer in Italielle bezittingen van de tempeliers confisqueerde. Dat de tempeliers daarop terugsloegen door de Teutoonse ridders uit de stad Akko te kegelen, maakte al bijna niet meer uit; de Deutschritter hadden hun interesse al verlegd naar een ander ontginningsgebied: het barre noorden van Europa. De Baltische Kruistocht De kruistocht tegen de Noordelijke Saracenen werd vermoedelijk meer gevoed door Duitse expansiedrift dan door christelijke bevlogenheid. Al in die dagen schijnt er zoiets als een Drang nach Osten te hebben bestaan. In de eerste jaren van de Baltische kruistocht trok deze zowel missionarissen aan als Duitse notabelen op zoek naar land en avontuur. Net als in het Heilige Land werd de missie gelegitimeerd door het substraat van Bernard van Clairvaux en de Kerk. Wie tegen de kruisvaarders vocht, vocht immers tegen de Heiland

zelf, en dat maakte de annexatie van onchristelijke gebieden toch een stuk legaler. De noordoostelijke gebieden van Europa, te weten Pruisen, Polen en de huidige Baltische staten Litouwen, Estland en Letland, zaten tjokvol heidenen die het tenslotte aan hun eigen goddeloosheid te danken hadden dat ze door christelijke invasietroepen werden overrompeld. Kortom, de Balten vroegen er gewoon om te worden bekeerd; zo niet goedschiks, dan kwaadschiks. 61 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 061 De werkelijke kruistocht, die rond 1230 gestalte kreeg onder de visionaire Hermann von Salza, werd in 1147 voorafgegaan door een oproep aan alle Duitsers om korte metten te maken met de heidense volkeren ten oosten van de Elbe. Met name Pruisen, van oorsprong het gebied van de West-Baltische stam de Pruzzen, bleek moeilijk te kerstenen. De man achter deze

aansporing was niemand anders dan de abt van Clairvaux, en in 1201 resulteerde deze oproep in de vestiging van de stad Riga aan de monding van de Dvina, in het huidige Letland. De stichter van Riga was Albrecht von Buxhovden, die daarop de aartsbisschop van de nieuwe kolonie zou worden. Hoewel de bekering van plaatselijke heidenen voorspoedig verliep, was Riga in de begindagen weinig meer dan een christelijke enclave, omgeven door diepe naaldwouden waarin het heidendom welig tierde. Om het voortbestaan van Riga zeker te stellen richtte Albrecht in 1204 een nieuwe ridderorde op: die van de Schwertbruder, de zwaardbroeders. Gemodelleerd naar bestaande ridderorden als de tempeliers (gehuld in een wit habijt met een rood zwaard en een rood kruis op de linkerschouder) wisten de zwaardbroeders de enclave uit te breiden en te consolideren, en wel zodanig dat de Teutoonse ridders onder Von Salza genoeg heil zagen in de operatie om van de noordoostelijke staten het nieuwe Outremer te maken. Het werd tijd dat de Duitse Orde zich begon uit

te breiden. De Teutoonse ridders moesten naar het noorden voor nieuwe kansen en avonturen. De eerste gelegenheid diende zich aan toen de Hongaarse koning Andreas II de hulp van de Duitse Orde inriep bij het verdedigen van Oost-Transsylvanie, dat onder dreiging lag van Turkse aanvallen. De ridders namen de uitnodiging dankbaar aan en namen prompt bezit van het gebied, dat in de daaropvolgende jaren volstroomde met Duitse kolonisten. In 1225 werd het de koning te gortig: met een groot leger drong hij het gebied, dat de Duitsers Burzenland waren gaan noemen, binnen en gooide de kolonisten er zonder pardon uit. In zijn wiek geschoten moest Von Salza uitwijken naar nieuw terrein. Het terrein waarop hij zijn blik richtte was het noorden van Polen. Daar, besloot hij, lag hun nieuwe thuis. 62 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 062

De onderneming kreeg, dat zal niemand verbazen, de hartelijke groeten van de paus en geruggensteund door kerk en staat kon de invasie van start gaan. De voorhoede werd geleid door de gretige Hermann Balke, die wel de Pizarro van de Baltische landen wordt genoemd.16 In 1231 bond Balke de strijd aan met de heidense Prusiskai de Duitsers noemden hen de Pruzzen en zaaide dood en verderf onder de overrompelde stammen in het noorden van Polen. De kruistocht verliep voorspoedig. In 1239, het jaar waarin zowel Balke als Von Salza stierf, bezaten de kruisvaarders het hele gebied tussen de rivieren Vistula en Niemen, hadden ze een flink aantal nieuwe steden en commanderijen opgericht, en waren vrijwel alle stammen in het gebied bekeerd of uitgeroeid. Een kuststrook van zon 150 mijl was in het bezit van de Duitsers, een volmaakte uitvalsbasis voor expedities naar het binnenland. Een nieuwe staatsvorm zag het daglicht: de ordestaat werd in het leven geroepen; een vinding die op conto van de Teutoonse ridders geschreven kan worden. De ordestaat was in wezen

een onafhankelijke oligarchie bestuurd door een adellijke Duitse ridderkaste. Duitse en Nederlandse kolonisten werden in drommen toegelaten en kregen land om te ontginnen. Een andere belangwekkende ontwikkeling was de opname van de zwaardbroeders in de Duitse Orde in 1237. De toekomst zag er, kortom, rooskleurig uit. Pas toen de kruisvaarders hun territorium ten koste van de Russen wilden uitbreiden ontmoetten zij echte tegenstand. De orthodoxchristelijke Russen waren bepaald geen heidense wilden die in bossen en hutten leefden, en de campagnes naar het oosten zouden in de loop van de volgende twee eeuwen herhaaldelijk uitlopen op een drama. In 1240 staken de Teutoonse ridders de rivier de Narva over in een onbesuisde poging om de stad Novgorod in te nemen. Dat bleek te hoog gegrepen. Novgorod werd geregeerd door Prins Alexander Yaroslavovitch, beter bekend als Alexander Nevski, die de zwaarbeladen ridders uitdaagde om het bevroren Peipusmeer over te steken. Het vervolg laat zich raden. De aanstormende Teutonen zakten met paarden en al

door het ijs en verdronken in het ijskoude 63 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 063 water. De nederlaag sprak ook in latere tijden nog zodanig tot de verbeelding dat de Drang nach Osten na 1240 flink bekoelde. De Duitsers moesten zich tevredenstellen met hun veroveringen in het noorden. Aangemoedigd door deze en andere Teutoonse nederlagen kwamen de overwonnen Pruisische stammen in opstand en er was een nieuwe kruistocht voor nodig in 1254 om de orde te herstellen. In deze tijd was de Duitse Orde zon geducht orgaan geworden, met commanderijen in heel Noord-Europa, dat zij in de tweede helft van de dertiende eeuw, ondanks herhaalde oppositie van rebellerende stammen, oppermachtig bleef. De snelheid waarmee de Duitse Orde zich in Europa uitbreidde is indrukwekkend.

Ongeveer halverwege Von Salzas bewind strekten de bezittingen van de Duitse Orde zich uit van Slovenie tot Thuringen, van Beieren tot aan Tirol, met huizen in Praag en Wenen; om maar te zwijgen van de vestigingen in de buitenste gebieden van het Byzantische Rijk (Griekenland, Roemenie). Aan het eind van de dertiende eeuw had de orde 300 afzonderlijke provincies in bezit, verspreid over het gehele Europese continent. Geen geringe prestatie. Niet lang na Von Salzas dood begon de orde ook voet aan de grond te krijgen in de Nederlanden. De tempeliers moeten afgunstig hebben toegekeken hoe de Duitse Orde almaar groter, rijker en invloedrijker werd. Hoeveel forten de tempeliers ook innamen (vaak met grof geweld), hun invloed en bezit bleef jammerlijk achter bij die van de Duitse Orde, die gestaag en over het algemeen zonder al te veel bloedvergieten haar macht consolideerde in Europa. Veroverde gebieden werden gecultiveerd en uitgebreid. We mogen hier wel spreken van een soort terravorming waarbij Duitse kolonisten de

geannexeerde gebieden in bezit namen en ze omvormden tot akkerland. De dichte wouden werden gekapt, moerassen drooggelegd en de gewonnen grond viel onder de ploeg. Bijna honderd steden en zeker duizend nederzettingen zagen het daglicht onder auspicien van de orde. Edellieden stroomden van alle kanten toe en vestigden zich ter plaatse als de nieuwe adel. 64 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 064 De ordestaat De Teutonen hadden in de Levant het een en ander opgestoken van de tempelridders en begonnen in hun nieuwe leefgebied ook te bankieren. De Duitse Orde bracht een eigen munt uit en maakte de ordestaat tot een aantrekkelijk ontginningsgebied voor kooplieden en handelaren. Ze verkreeg de alleenhandel in graan,

amber en andere producten. Ze exporteerde hout, zilver, zout, huiden, paarden en valken op grote schaal. Daarnaast importeerde ze onder andere koper en wijn, en wol uit Engeland.17 Mede dankzij de gunsten, diplomatiek afgedwongen door Von Salza, steeg de Duitse Orde gedurende de dertiende eeuw internationaal snel in aanzien; tal van gronden, goederen en privileges vielen haar ten deel. Zij mocht eigen priesters aanstellen en stond, hoewel zij officieel verantwoording moesten afleggen aan de paus, niet onder enige bisschoppelijke macht. De commanderij van Marienburg, het statussymbool van de orde en min of meer haar hoofdkwartier,18 hield het midden tussen een fort, een paleis en een klooster en overtrof in veel opzichten de pracht en praal van veel Europese vorstenhuizen. Verschillende koningen kwamen een kijkje nemen en keerden terug met verhalen over luisterrijke paleizen en opgestapelde kostbaarheden. Marienburg werd een soort Camelot, een plaats waar de grootmeesters resideerden, waar

spelen en zangwedstrijden werden gehouden, waar landdagen werden georganiseerd. Het zwaard werd in die tijd echter niet neergelegd; er vielen ook in eigen huis nog voldoende heidenen te kerstenen. De orde kende in die periode zware tijden waarbij veel ridders omkwamen, maar we mogen nooit uit het oog verliezen dat tegenover elke openlijke (militaire) nederlaag van de orde een politieke en economische overwinning stond. Waar we de Duitse Orde ook tegenkomen in de geschiedenis, telkens weer weet zij zich in de meest penibele en hopeloze tijden te handhaven en zelfs munt te slaan uit de veranderlijke tijden. Wat ook bijdroeg aan het succes van de orde was de beproefde methode van incorporatie en samenwerking naar het voorbeeld van Von Salza. Het gebrek hieraan kan worden gere65 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 065

kend tot een van de belangrijkste oorzaken van het verval van de tempeliers, die zich altijd hadden opgesteld als een kleine, agressieve en relatief hermetische orde. De Duitse Orde daarentegen opereerde precies omgekeerd: door haar alomtegenwoordigheid en haar op diplomatie gestoelde politiek waren de ridders in elk segment van de macht vertegenwoordigd en strekte de orde haar invloed uit tot ver voorbij de kerk. De neiging om met alle winden mee te waaien zou in de verdere geschiedenis van de Teutoonse ridders nog van belang blijken. Meer naar het oosten was het niet allemaal peis en vree, maar de Teutoonse opmars was in die dagen niet te stoppen. Toch lijkt de orde nog iets anders te hebben opgestoken van de kruistochten in Palestina: het ironische feit dat de ridderorden hun bestaansrecht juist ontleenden aan het feit dat sommige gebieden juist nog niet gekerstend waren. Zolang er nog wouden te kappen waren en heidenen om te bekeren, hadden de ridders een geldige reden voor hun aanwezigheid. Zij vormden de frontlinie, de enige verdedigingshaag tussen

de christenen en de eeuwige dreiging van aanstormende wilden. Zolang er heidenen bestonden, bestond de orde. De tempeliers, die in West-Europa geen Saracenen hadden om te bevechten, hielden op te bestaan. Dankzij de aanhoudende dreiging van rebellerende Balten en plunderende Tartaren behield de Duitse Orde haar macht, haar status en de goedkeuring van Rome. Gotterdammerung De ordestaat bereikte haar hoogtepunt aan het einde van de veertiende eeuw. Daarna ging het gestaag bergafwaarts. Arrogante Hochmeisters en ongelukkige campagnes tegen de oosterburen zorgden voor de geleidelijke desintegratie van de Teutoonse overheersing. Ook van binnenuit werd de orde aangevreten. Gekerstende heersers keerden zich tegen hun meesters. De diplomatie werd overboord gegooid, tot schade van de Duitsers. Toen de overmoedige grootmeester Ulrich von Juningen het in 1410 bij het Pruisische Tannenberg liet aankomen op een allesbepalende con66

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 066 frontatie met Baltische rebellen onder leiding van koning Wladyslaw, leden de Duitse ridders een verpletterende nederlaag. Ulrich was zo onbezonnen geweest om de subtiele politiek van zijn broer Konrad, die hij als Grootmeester was opgevolgd, in te ruilen voor drieste veldslagen. Hij had de les van Hermann von Salza niet begrepen en in 1410 betaalde de Duitse Orde de prijs. Achttienduizend ridders verloren het leven, Ulrich zelf werd wreed vermoord. Marienburg viel datzelfde jaar. Wat de ondergang bespoedigde, was het feit dat de tegenstanders van de Teutoonse ridders na 1400 niet langer Saracenen waren. Het waren gekerstende vijanden die niet Christus, maar wel het juk van de orde van zich wilden afschudden. Daarbij zorgde de pest met als gevolg een kwijnende Europese bevolking voor economische malaise. De kruistocht verloor zijn glans

en trok nauwelijks nog belangstellenden. Deze en andere tekorten speelden de verdeeldheid in de kaart, zoals dat ook in de Orient het geval was geweest. De orde kon zich geen grote militaire campagnes meer veroorloven en de ridders verscholen zich in hun individuele forten, de ordeburchten. In 1450 was de orde met een derde gekrompen. De volwassen geworden Pruisen gingen er in 1440 toe over hun eigen bond op te richten, een nauwelijks verholen poging om de ordestaat teniet te doen. Hulpeloos keken de ridders toe. Meer oorlogen en verdeeldheid volgden. Het verloop van de vijftiende eeuw stond in het teken van een geleidelijke terugtocht. In 1501 namen de Russen opnieuw bezit van de Baltische staten. In de zestiende eeuw gaven de Teutonen opnieuw blijk van hun opportunistische aard door het protestantisme te omarmen. Luther zelf had zich herhaaldelijk genteresseerd getoond in de orde en in 1525 ging de orde voor de lutherse bijl.

Voor het behoud van de ordestaat mocht het allemaal niet meer baten. De Pruisen, de Russen, de Zweden en de Denen, iedereen rook de ondergang van de Teutoonse grootmacht en na een laatste 67 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 067 Pyrrusoverwinning in 1562 werd de orde, althans wat de geschiedenisboeken betreft, zo goed als ontbonden. Dit is wat de geschiedenis ons in grote lijnen vertelt. Maar eindigt ons verhaal daarmee? Verdween de orde daadwerkelijk uit beeld? Of werd er een voortzetting gevonden die grotendeels uit de annalen is gebleven, verborgen in de schaduwen van het Europese strijdtoneel? We probeerden uit te zoeken hoe invloedrijk de Duitse Orde in feite was. Al snel bleek dat de Duitse kruisvaarders in hun opmars niet alleen stonden.

68 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 068 Hoofdstuk 4 De Hanze en het Teutoonse expansieplan Gotlandvaarders Wij weten niet wie zij waren, deze stichters van de Duitse Orde in het Heilige Land. Wat hen dreef is in nevelen gehuld. De boeken zijn hardnekkig verdeeld over hun identiteit: het ene spreekt over geestelijken, het andere slechts over bewoners; maar de meeste historici spreken toch over kooplieden. Waar alle bronnen het over eens zijn, is

dat de stichters afkomstig waren uit NoordwestDuitsland: de steden Bremen en Lubeck om precies te zijn. Wat we met zekerheid weten, is dat deze kooplieden aan de wieg hebben gestaan van de Duitse Orde in het Heilige Land en dat ze zich ter plaatse onmiddellijk beijverden voor het welzijn van Duitse kruisvaarders. De orde zou in de eerste jaren een soort liefdadigheidsorganisatie zijn ten behoeve van de troepen overzee. Onderzoeker van de Duitse Orde J.C.A. Hezenmans schrijft: Door medelijden bewogen, bij het gezicht van zoveel jammeren, sloegen de kooplieden en scheepvoerders van Bremen en Lubeck een veldhospitaal op, met de zeilen hunner schepen, werwaarts zij de zieken en stervenden overbrachten, die zij verpleegden met eene zorg en liefderijkheid, welke naar het schijnt onder de mannen het meest bij de Duitschers wordt aangetroffen. 19 Dit idee past prachtig in de theorie van de nobele, zij het ietwat ruwe veroveringstocht van het Heilig Land, zoals naar voren is geschoven door de meeste historici. Wat bewoog deze avonturiers om hun tenten op te

slaan in dit door oorlog verscheurde land? Was het inderdaad medelijden? 69 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 069 In het begin van ons onderzoek leek een antwoord op deze vraag niet al te relevant. Er was niet zoveel reden om aan te nemen dat het hier veel anders was gesteld dan met de twee andere ordes, de johannieters en de tempelridders. Werd ook de Duitse Orde niet aangestoken door het religieuze vuur van de paus? De bekende mix van motieven: de ellende aan het thuisfront in combinatie met religieuze vervoering bewoog deze mensen ertoe zich zo ver van huis te wagen, het onbekende tegemoet.

Maar ons onderzoek wijst uit dat bij de oprichting van de Duitse Orde minder nobele redenen een grotere rol speelden. Bij nadere beschouwing blijkt het hier namelijk helemaal niet te gaan om een stel avonturiers. Niet eens om idealisten. Hoewel de namen van de stichters ons niet zijn overgeleverd hebben wij een belangrijke aanwijzing in handen voor de afkomst van deze pioniers. Een vluchtige beschouwing van de steden Bremen en Lubeck onthult dat dit al vroeg in de Middeleeuwen belangrijke kuststeden waren. Al sinds de tiende eeuw was hier sprake van booming handelsverkeer, met name vanuit Denemarken en Gotland. Deze gebieden lagen boven het uiterste noordwesten van het tegenwoordige Duitsland en bleken uitstekende springplanken voor handelsverkeer met de omringende landen. Tot aan de elfde eeuw was de handel in dit gebied vooral in handen geweest van de Goten en voornamelijk gericht op Rusland. Duitse kooplieden namen het initiatief om met de Goten te onderhandelen. Deze varende kooplieden kwamen bijeen in gilden en vormden genootschappen, naar het voorbeeld van de oude Saksische en Gotische allianties.

We weten dat de clanhoofden zich hevig tegen de tirannie van de Franken hadden verzet en dat de latere Frankische keizers, ondanks herhaaldelijke pogingen, nooit echt vat hebben kunnen krijgen op deze stammen. De relatief onafhankelijke status die de NoordDuitse stamhoofden genoten heeft ze geen windeieren gelegd. De autonome lokale vorsten bleken een machtsfactor in Duitsland en die factor steeg gestaag. Dat bleek zeer gunstig voor de handel. De genootschappen van reizende kooplieden heetten Hanzen. Het woord Hanze betekent groep of gemeenschap en is afgeleid 70 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 070 van het Oudgermaanse woord Hansa, dat zoveel betekent als organisatie of schare. De Hanze, of mercatores in hensa Theutonicorum was echter geen organisatie in de gebruikelijke zin van het woord: ze

was geen officiele rechtspersoon maar bestond in plaats daarvan uitsluitend bij de gratie van de eensgezindheid onder haar leden. Men was niet in het bezit van een eigen zegel, hetgeen in die tijd zeer ongebruikelijk was. Ook had men geen leger: nog ongebruikelijker. Omdat de leden van de Hanze zich gesteund wisten door de machtige Duitse adel, en inmiddels in het bezit waren gekomen van een geschikte haven aan de Oostzee, zaten zij met steeds meer zelfvertrouwen aan de onderhandelingstafel. Speciaal voor de handel met de Baltische landen werd later door de Saksische hertog Hendrik de Leeuw in 1159 de stad Lubeck gesticht. Met name deze stad speelde in dit verband al in de vroege Middeleeuwen een belangrijke rol. Later, in 1226, werd de stad tot vrije rijksstad verheven. Door haar snelle opbloei groeide ze ten slotte uit tot de grootste handelsstad van Noord-Europa. Vanuit Lubeck en andere steden vertrokken schepenvol handelswaar (zijde, linnen, bier, wijn enzovoort) naar de Baltische landen en zelfs naar Rusland. Ook was er druk verkeer met de Scandinavische landen. Nog geen twee jaar na de

stichting van Lubeck werd door dezelfde Hendrik de Leeuw Het genootschap van kooplieden van het Heilige Roomse Rijk die Gotland bezochten opgericht. Deze Hendrik was een bijzondere man. Hij was hertog van Beieren en Saksen: een Saksisch clanhoofd van de oude stempel. Hij speelde handjeklap met niemand minder dan de paus en de Engelse koning Richard Leeuwenhart: twee mannen die zeker niet vies waren van de incidentele kruistocht. Het mag ons daarom niet verbazen dat de Hanze al vroeg een kantoor had in Londen. Het jaar 1161 wordt beschouwd als de officiele stichting van de zogenoemde Hanze, het Noord-Duitse verbond van handelaren dat ruim drie eeuwen de gehele streek en grote gebieden daarbuiten economisch zou beheersen. Sommige geschiedschrijvers zien deze gebeurtenis als de stichting van een soort rudimentaire Europese Unie. Enkele decennia later bestond de Hanze al uit meer dan dertig Duitse steden, hoofdzakelijk kuststeden. Met de Gotlanders 71

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 071 werd vervolgens door de Hanze een eeuwigdurende, zeer winstgevende vrede gesloten waarbij zij haar privileges in de Oostzeehandel opgaf en in ruil daarvoor vrije toegang kreeg tot Lubeck. Het is moeilijk voor te stellen, maar gedurende de veertiende tot de zestiende eeuw waren niet minder dan 200 steden lid van de Hanze. Een groot aantal steden was automatisch vanaf het begin lid omdat haar handelaren in het buitenland toegelaten werden tot de handelsposten en daar gebruikmaakten van de Hanzeprivileges. De dubbelkoppige adelaar: De band tussen de Hanze en de Duitse Orde De vroege Hanze maakt dus de indruk een enigszins rommelige organisatie te zijn geweest. Niets is minder waar. Een uitgestippeld beleid lag ten grondslag aan de handelsfederatie. Dit komt tot uitdrukking in een wapen

dat steevast gebruikt zou worden om steden aan te duiden die bij de handelsfederatie betrokken waren: de dubbelkoppige adelaar. Een lichaam, twee hoofden. Voordat deze adelaar aan het begin van de vijftiende eeuw werd overgenomen door de keizer als het zinnebeeld van het Heilige Roomse Rijk, hadden allerlei Hanzesteden het fabeldier opgenomen in hun stadswapen. Deelde Lubeck het wapen uit aan bevriende steden? Het lijkt er wel op, want hoewel het wapen al een tijdlang bestond en vermoedelijk ontleend is aan de Byzantijnen, zien we het vooral terug bij de vroege Hanzesteden. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de twee koppen duiden op twee afzonderlijke organisaties. Dat is niet zo gek als we nagaan dat het Hanzeleden waren die ervoor verantwoordelijk worden gehouden in het Heilige Land de Duitse Orde te hebben gesticht. Het dier mag dan over twee koppen beschikken, er is maar en lichaam. Dit zou duiden op een centrale doelstelling voor beide partijen. Steeds lag het gevaar van interne verdeeldheid op de

loer. De diversiteit van belangen bij de aangesloten steden was zondermeer 72 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 072 de zwakte binnen het Hanzeverbond. Zeker is het dat in de eerste helft van de vijftiende eeuw het aantal Hanzesteden sterk groeide. Een uitzonderingspositie binnen het verbond werd ingenomen door de grootmeester van de Duitse Orde, die als rechtspersoon lid was. Hierdoor konden in principe al zijn onderdanen (lees: de gehele Duitse Orde) een beroep doen op de Hanzeprivileges. En dat deden ze dan ook, veelvuldig. De band tussen de twee organisaties is zelfs zo hecht, dat men met recht kan spreken van een tweeeenheid: de dubbelkoppige adelaar. Men had geen passender symbool kunnen kiezen om deze bruiloft van belangen in uit te drukken. Deze symbiotische relatie blijkt ondermeer overtuigend uit het feit dat de veroveringen

van de orde in bijna alle gevallen vergezeld gingen van een opstart van handelsposten, geleid door Hanzekooplui. In het geval van Torun bijvoorbeeld, dat tijdens de Baltische kruistochten in 1233 in het bezit van de Teutoonse ridders kwam, ontstond aan de voet van het fort een compleet nieuw stadsdeel, waar de Hanze zich even later vestigde. Een ander voorbeeld: toen de Duitse Orde de stad Danzig stichtte aan het begin van de veertiende eeuw, werd deze rond 1360 lid van de Hanze. Weer een ander voorbeeld: in 1252 bouwde de Orde van het Zwaard, de militaristische tak van de Duitse Orde, een kasteel aan de monding van de rivier Dane; en toen ook de Hanze daar twee jaar later neerstreek, groeide de vesting uit tot een volwaardige Hanzestad. De stad Elbing werd in 1237 gelijktijdig gesticht door de Landmeister van de Duitse Orde en de kooplieden uit Lubeck. De vestigingen aan de kust schoten als paddestoelen uit de grond. Deze min of meer willekeurige greep uit de middeleeuwse geschiedenis toont aan hoezeer de Duitse Orde en de Hanze waren vervlochten. Bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op de Baltische veroveringstochten.

Dit betekent echter niet dat de relatie in vredestijd daarom minder sterk was. Er zijn talloze voorbeelden te noemen van vreedzame annexaties die de orde ondernam, daarbij op de voet gevolgd door Hanzekooplieden en vice versa. Sterker nog: van de 200 steden die in de veertiende en vijftiende eeuw bij de Hanze waren aangesloten, hebben we slechts met moeite een enke73 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 073 le uitzondering op deze regel kunnen vinden en zelfs in deze spaarzame gevallen stond het niet vast dat er geen onderlinge bemoeienissen waren. De relatie tussen de Duitse Orde en de Hanze is dus hecht. Hun wortels groeien gelijk op en hun beider opkomst (en latere teloorgang) loopt nagenoeg parallel. Het was de Hanze die met haar schepen naar het Heilige Land voer en onder wier tentzeilen de Duitse Orde tot ontwikkeling

kwam. We weten dus dat de bewoners uit Lubeck en Bremen die in 1190 de Duitse Orde stichtten, Hanzeleden waren die over een flinke vloot beschikten. Het is opmerkelijk dat toonaangevende studies weliswaar op samenwerking wijzen, maar niet spreken over de directe samenhang van beide partijen; men waagt zelfs geen poging om de stichting van de Duitse Orde te beschouwen als een logisch uitvloeisel van de bestaande Hanze of omgekeerd, hetgeen opmerkelijk is gezien de vele aanwijzingen die deze bewering lijken te staven. We hebben gezien dat de handelsroutes van de Hanze vanaf het midden van de twaalfde eeuw fors werden uitgebreid; ze bezat bij voorbeeld al in 1260 kantoren in Londen en Brugge en zocht voortdurend naar nieuwe handelshorizonten. Ook weten we dat de Gotlandvaarders een niet geringe militaristische inslag hadden, aangezien ze op weg naar Palestina nog even Portugal aandeden en daar slag leverden met hun concurrenten, de Moren, die gezien werden als een bedreiging voor het handelsbeleid van de Duitsers. De officiele reden voor deze slachtingen was natuurlijk wederom kruistocht. Opvallend detail is dat hertog

Hendrik I van Brabant al in 1197 de Bremers en Lubeckers hielp bij deze antimoorse expedities. We zullen deze hertog nog vaker tegenkomen. Volgens Heinz Stoob, schrijver van de meest uitgebreide studie over dit onderwerp, vertrokken er aan het einde van de twaalfde eeuw vele vloten in de richting van Portugal.20 Een daarvan brak los van de overige vloten, en voer naar het Heilige Land. Het is waarschijnlijk dat deze vloot van Gotlandvaarders niet op eigen initiatief de barre tocht ondernam, in een wilde vlaag van avontuurzucht. Zij had hiertoe vooraf opdracht gekregen van Lubeck. 74 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 074 Welke andere stad uit Noord-Duitsland beschikte immers over een vloot groot genoeg om een dergelijke expeditie naar het Heilige Land te ondernemen? De kruistochten boden de kooplieden de mogelijkheden

om allerlei handelsbetrekkingen aan te knopen onder bescherming van de pauselijke stoottroepen. De formering van een ridderorde, met alle militaire middelen tot haar beschikking, was natuurlijk een uitstekende manier om de handelswaar te beschermen. En hoewel zij openlijk de Saracenen bestreed, dreef zij onder tafel naarstig handel met hen. Door zich aan te sluiten bij de Heilige Strijd kreeg de Duitse handelsfederatie de mogelijkheid om land te veroveren van waaruit vele handelsroutes open kwamen te liggen die vroeger ontoegankelijk waren. Een mooie illustratie van het verschil tussen de tempeliers en de Teutonen is de vestiging van hun hoofdkwartier, respectievelijk in Jeruzalem en Akko. De tempeliers namen het Heilige (maar verder nogal armoedige) Jeruzalem in, de Duitse Orde nam in eerste instantie bezit van de havens der Saracenen in Akko. De stichters van de Duitse Orde vestigden zich niet in Jeruzalem, het belangrijke politieke en religieuze centrum, zij bleven hangen bij de steigers. Niet verwonderlijk wanneer we in beschouwing nemen dat vrijwel al het internationale handelsverkeer plaatsvond vanuit deze essentiele kustplaats. Een open

verbinding met het Ottomaanse Rijk werd ineens mogelijk, en ook met Griekenland en andere landen. Het gaat niet te ver als we zeggen dat de Duitse Orde het vrij aardig deed daar in Outremer. Niettemin heeft het er alle schijn van dat de Duitsers er hun gezicht lieten zien om als ridderorde door het Vaticaan erkend te worden, enkel en alleen om in het noorden van Europa hun slag te slaan. De Germanen, zouden we kunnen zeggen, heroverden Noord-Europa via een omweg. De Hanzedag We weten nu dat de oprichters van de Duitse Orde hun wortels hadden in een dynamisch en economisch zeer welvarend handelsgebied. Of het nu in de visserij was of in de import en export van 75 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 075 graan, de omzet groeide en om dat in stand te houden begon ook de noodzaak van allianties, van een gezamenlijke politiek te ontstaan. De spin in het web was vanaf het begin Lubeck. Deze stad was gesticht om zo veel mogelijk handelsschepen te accommoderen en is door de eeuwen heen de centrale Hanzestad gebleven. Hier klopte het administratieve hart van de Hanze. En het was deze stad van waaruit de grote koggen (zoals de Hanzeschepen ook werden genoemd) naar het Heilige Land voeren. Tevens werden hier de grote Hanzedagen gehouden en de belangrijkste vergaderingen bijeengeroepen. Al spoedig hield de Hanze haar jaarlijkse Hanzedag, een bijeenkomst van de leden waarbij politiek werd besproken. Een gezamenlijke politiek, die voor alle betrokkenen voordelig moest uitwerken; en hoewel de besluiten officieel bij meerderheid van stemmen werden genomen, gebeurde het wel dat tegenstemmers dusdanig onder druk werden gezet dat men toch het gewenste resultaat kreeg. Hieruit blijkt dat er in de

Hanzedag een centraal orgaan bestond dat een vooropgezet beleid uitvoerde. Een manier om elk protest in de kiem te smoren, was dreigen tegenstemmers uit de Hanze te zetten. Wie niet meewerkte kon dus zomaar uit het verbond worden gezet, hetgeen bijvoorbeeld Bremen driemaal overkwam. Hoewel er vanuit de Hanzesteden ook regionale belangen meespeelden, werd er niettemin een collectieve taart gegeten waar alle partijen van mee smulden. Maar vaker dan de vaste Hanzedagen werden regionale bijeenkomsten gehouden. Over het algemeen onderscheidt men drie verschillende machtsgroepen binnen de Hanze: er was een Rijnlandse groep, die de handel op en over de Rijn in handen had. Er was een Wendisch verbond, dat het monopolie bezat op de handel van en naar de Baltische landen. De derde, en veruit belangrijkste groep, bestond hoofdzakelijk uit Pruisen, die onder andere de graanhandel regisseerden. Deze laatste, Pruisische groep werd vertegenwoordigd door de grootmeester van de Duitse Orde en zijn gevolg. Sommige leden klaagden erover dat de orde te centralistisch van aard zou zijn en een al te dominante

positie innam binnen de Hanzedag. Maar dit toch al zwakke pro76 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 076 test verstomde ten slotte volledig, omdat iedereen ook wel begreep dat zonder de militaire assistentie van de orde de handel spoedig ten prooi zou vallen aan piraten en ander zeeschuim. Terwijl de meeste aangesloten Hanzesteden feodaal van karakter waren, was Lubeck een van de weinige vrije steden, een stad van het Heilige Roomse Rijk, die alleen verantwoording had af te leggen aan de keizer. Maar we hebben al gezien dat zelfs deze verantwoording alleen op papier bestond. In de praktijk behield Lubeck een volstrekt onafhankelijke positie binnen het Rijk. Natuurlijk was de Hanze niet zonder vijanden. Zij had echter een wapen dat machtiger was dan zwaarden, namelijk het wapen van de boycot. Het kwam geregeld voor dat

rebellerende leden economisch werden geboycot, hetgeen in de meeste gevallen genoeg reden was voor de afvallige partij om snel bakzeil te halen. Maar de provocaties waren in een enkel geval ook afkomstig van niet-leden, op wie de dreiging van boycot geen effect sorteerde, zoals in het geval van de koning van Denemarken, Waldemar Atterdag. Deze koning had de opkomst en enorme macht van de Hanze met lede ogen aangezien en zag zijn economisch belang ernstig bedreigd door Duitse kooplieden, die inmiddels (we schrijven begin veertiende eeuw) de handel op de Oostzee monopoliseerden. Tegelijkertijd was de koning, in weerwil van zijn edelen en adviseurs, te trots om zich aan te sluiten. In plaats daarvan was Waldemar erop gebrand de handel langs de Deense kusten voor zichzelf terug te winnen, wat de Hanze weer razend maakte. Een militair conflict leek niet te voorkomen. In 1361, direct na afloop van onderhandelingen om de vrede te bewaren, sloeg de Deense koning toe. Hij plunderde de Hanzestad Visby, de hoofdstad van Gotland.

Lubeck was furieus en het Wendische verbond pleitte op een in allerijl georganiseerde Hanzedag voor directe militaire actie. De andere twee verbonden, de Rijnlandse en Pruisische, twijfelden nog. De grootmeester van de Duitse Orde was bevriend met Waldemar, maar was tevens de belangrijkste leverancier van wapens voor het prive-leger van de Hanze. Ondanks de verdeeldheid van de Hanzeleden ten aanzien van het conflict, werd er toch besloten 77 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 077 om tot actie over te gaan. 52 koggeschepen, elk uitgerust met meer dan 100 manschappen, voeren vanuit Lubeck richting Denemarken, vergezeld van 104 kleinere schepen. In eerste instantie verliep de militaire campagne voor de Hanzeschepen voorspoedig: Duitsers belegerden Kopenhagen en namen bezit van de stad. Na de stad te hebben geplunderd, trokken de

Hanzesoldaten verder om de Deense forten langs de kust aan te vallen. Het plan was om zich aan te sluiten bij een Zweedse vloot die de Hanze zou ondersteunen in de veroveringstocht, maar die vervolgens nergens te bekennen was. Rampspoed daalde neer op de vechtende kooplieden. Voornamelijk vanwege een tactische fout, namelijk het bevel om alle manschappen op het land een fort in te laten nemen. Op dat moment verschenen enkele Deense schepen die onmiddellijk het vuur openden op de verraste Hanzesoldaten. De koggeschepen van de Hanze zonken naar de zeebodem of dropen af. De strijd was verloren. Vervuld van schande, meer wrakhout dan schip, bereikten de resterende verslagenen Lubeck. De ongelukkige aanvoerder werd publiekelijk onthoofd vanwege zijn incompetentie. Gelukkig waren er mannen als de grootmeester van de Duitse Orde. Deze hielden de economische betrekkingen met Denemarken warm en bleven gestaag in gesprek met de Deense edellieden, die zich meer en meer ergerden aan hun halsstarrige vorst. De Duitse Orde was heer en meester, hier moordend en plunderend, en daar weer opererend met

de fluwelen handschoen van diplomatie, al naar gelang de situatie. Koning Waldemar, gesterkt door zijn succes tegen de kooplieden, bleef de confrontatie zoeken: hij opende zelf de aanval en liet hier en daar Hanzeschepen tot zinken brengen. Ditmaal was de Hanze minder geneigd om ten strijde te trekken. Het verlies van de vorige zeeslag maakte dat zij haar vingers niet nogmaals aan de Deense koning wilde branden. Echter, de vele Deense provocaties lieten haar weinig keus. Opnieuw kwam de grootmeester van de Duitse Orde tussenbeide. Hij benaderde Waldemar met het verzoek zijn koers te wijzigen. Misschien liet de grootmeester doorschemeren dat hij de Hanzedag niet langer kon bedwingen. Wellicht liet hij het 78 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 078 voorkomen alsof de Hanze gereed was om de totale oorlog te verklaren en suggereerde hij dat de Deense

edellieden ook niet eeuwig in een staat van boycot wilden leven. Het was, kortom, een uiterst betreurenswaardige geschiedenis en bovendien slecht voor de handel. Vooral dat laatste argument deed de koning uiteindelijk inbinden. Bij thuiskomst bleken de edellieden, die uiteindelijk toch Hanzegezind waren, zich tegen hem te hebben gekeerd en kwam hij erachter dat ze een aanslag op zijn leven voorbereidden. Waldemar ontvluchtte de binnenlandse samenzwering en ging naar het huis van de grootmeester van de Duitse Orde. Door deze en soortgelijke interventies wist de Hanze haar macht in de regio te consolideren. De Hanze in de Nederlanden Na de overwinning op Waldemar werden de vrijheden van alle deelnemende steden in de handel onvoorwaardelijk en tot in de eeuwigen dage bezegeld in de Vrede van Stralsund: een verdrag tussen de Hanzesteden waarin de onderlinge afhankelijkheid nog eens werd bevestigd. De deelnemende partijen verwierven dankzij deze vrede allerlei extra privileges van de Hanze, zoals het recht om in de Deense

kustwateren te vissen. De knooppunten in het web van de Hanze, deze kralenketting van nederzettingen, werden vittes genoemd: permanente handelsnederzettingen van belangrijke Hanzesteden. Langs deze strategische punten vertakte het adernetwerk van de Hanze zich door nagenoeg het hele Europese continent. Veel steden die waren aangesloten kregen een dergelijke vitte toegewezen van de Hanzedag: een afgepaald stuk grond met huizen en kramen, waar het eigen stadsrecht gold. Je zou ze kunnen vergelijken met ambassades. Het doel van de meeste Hanzesteden was om zelf een of meerdere vittes te bezitten, want dat betekende een eigen handelspost en een sterkere handelspositie in den vreemde: letterlijk vaste voet aan de grond. Maar een vitte was geen vrijblijvend geschenk van Lubeck aan de steden. In ruil voor deze royale gift werden de aangesloten steden in feite zelf vittes van Lubeck, die hen op haar beurt vrijheid van tol en privileges schonk. 79 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 079 Deze privileges maakten het vervolgens voor de Duitsers weer gemakkelijker om de rivieren en zeeen te bevaren. Er werd dus een wederzijds belang gediend, vastgelegd in contracten. Het gehele gebied dat we nu kennen als Noordwest-Europa werd in de loop van de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw economisch beheerst door de Hanze. Geen wonder dat opvallend veel aan een rivier gelegen steden Hanzesteden waren. Ook in het gebied dat we nu kennen als Nederland. Verscheidene steden hadden in de loop der tijd vittes gekregen van de Hanze, zoals Deventer, Utrecht, Tiel, Hasselt, Groningen, Zierikzee, Middelburg, Arnemuiden, Harderwijk, Zutphen, Elburg, Dordrecht en Amsterdam; en dat zijn er nog maar enkele. Om deze vergaande invloed van een buitenlandse handelsorganisatie op de gemeentes te kunnen

begrijpen, moeten we inzicht hebben in de organisatiestructuur van de Hanze. Dat is tamelijk lastig, want men moet diep graven om enkele statuten te vinden waarin de afspraken tussen Hanzeleden onderling of met derden daadwerkelijk zijn opgeschreven. We weten inmiddels dat de grotere internationale bijeenkomsten veelal plaatsvonden in Lubeck en dat de kleinere afspraken werden overgelaten aan de regionale Hanzeorganisaties. Deze regionalen waren destijds onderverdeeld in Drittels, of Quartiere. Overijssel bijvoorbeeld maakte onderdeel uit van de Keulse Drittel. Deventer was de voornaamste stad voor deze regio. Er zijn akten bewaard gebleven die de principaalsteden hun bijsteden toezonden voor een bespreking binnen haar muren of die dwingend tot betaling uitnodigden. Zwolle heeft een stadsrekening uit 1549 waarmee in Overijssel Hanzebelasting werd gend. Omdat Duitse kooplieden al in de elfde eeuw contacten

hadden met de Friezen, die gezien werden als broederGermanen, was de toetreding van Nederlandse steden tot de Hanze een kleine stap. De nodige handelscontacten bestonden al vor de oprichting van de Hanze. De eerste contacten met de Friezen werden al in de elfde eeuw gelegd. De Friese kuststeden werden gebruikt als aanlegoevers voor de Duitse koggeschepen en werden in de loop van de 80 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 080 dertiende eeuw stuk voor stuk Hanzesteden. Men hoeft maar naar de stadswapens van de Friese steden te kijken: vrijwel allemaal beelden ze de bekende dubbelkoppige adelaar van de Hanze af, een adelaar die pas later werd overgenomen door de Habsburgers en het Pruisische Rijk. Het was een handelsoorlog die op meer dan en front

werd uitgevochten: ook vanuit het Rijn-ScheldeMaasgebied voeren de koggeschepen af en aan; zo zien we dat veel belangrijke steden langs de Waal en de Maas volwaardige Hanzesteden waren met eigen vittes op het schiereiland Schonen, ten zuiden van Zweden. Steden als Nijmegen, Arnhem, Utrecht, en zelfs Amsterdam behoorden allemaal tot het Hanzenetwerk. Er was kortom een nieuwe macht opgestaan, opgebouwd in de Teutoonse wouden en gelegitimeerd in het Heilige Land. In betrekkelijk korte tijd had de Hanze een groot economisch web gesponnen in de Nederlanden, terwijl de Duitse Orde in het oosten veel land veroverde. Door de lucratieve aansluiting van de Nederlandse steden bij de Hanze, hadden zij ongewild een listige adder binnengelaten. Maar deze adder had twee koppen: zij kregen de Duitse Orde er gratis bij. Via de Rijn trokken de Teutonen op naar Gelre, en verder, naar het hertogdom Brabant. Daar werden ze, zoals we zullen zien, gretig opgewacht door de lokale machthebbers.

81 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 081 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 082 Hoofdstuk 5 De Duitse Orde in Nederland Teutoonse legenden

De Duitse Orde kan evenals de Maltezer ridders en met name de tempeliers bogen op een indrukwekkende reeks mythen, sagen en legenden. De orde zou fabelachtige rijkdommen bezitten: een vergaarde schat die nu eens in een burcht, dan weer in een berg wordt bewaard. De tempeliers hebben een schat, de Teutonen eveneens. De aard van deze schat varieert van oorlogsbuit uit Palestina of de Baltische staten tot een heilig object of een geheime, meestal goddelijke kennis. De Teutoonse Ridders zouden de hoeders van een mysterieuze overlevering zijn, een wijsheid die de bezitter in staat stelt de wereldmacht naar zich toe te trekken. Net als bij de tempelridders is er sprake van een kostbaarheid die op heimelijke wijze, het liefst in het holst van de nacht, van hot naar her wordt gesleept. In hoofdzaak betreft het echter een religieuze overlevering, een traditie toegespitst op gebeurtenissen in het Heilige Land. Alle drie de ridderorden vinden hier hun oorsprong, en de aan de orden verbonden legenden handelen dan ook over het algemeen over bijbelse mysteries. De verhalen met betrekking tot de tempeliers

behoeven geen introductie. Vrijwel zonder uitzondering worden de tempelridders neergezet als de schutspatronen van heilige voorwerpen als de Ark des Verbonds, de tempelschatten uit de grotten van Salomo of de apocriefe Heilige Graal. In welke hoedanigheid ze ook optreden, bijna altijd gaat het om protagonisten in dienst van het christendom of in elk geval van Christus zelf. 83 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 083 Een dergelijke rol krijgen ook de Duitse ridders met enige regelmaat toebedeeld. Weliswaar worden ze vaak met de tempeliers verward (een bekende misvatting is dat ze een afsplitsing van de tempelridders zijn) maar daarnaast worden ze op eigen kracht verondersteld de bezitters of bewakers van de Graal of de Ark te zijn. Helemaal onterecht is dit niet. Het is waar dat de orde van de tempeliers veel eerder werd opgericht dan de

Duitse Orde: zij waren de eerste Europese kruisvaarders in Jeruzalem en we mogen veronderstellen dat ze alles van waarde hebben weggesleept voordat de Teutonen onder Hermann von Salza in de Heilige Grafkerk het rijk alleen hadden. Toch valt de aanwezigheid van de Duitse adel in Palestina, juist door haar bescheidenheid, niet te onderschatten. De Duitsers deden maar mondjesmaat mee aan de veldtochten tegen de Saracenen, zoals we hebben gezien. Tot aanhoudende irritatie van de overige kruisvaarders hielden ze zich meer bezig met het opzetten van lucratieve handeltjes dan met het fatsoenlijk over de kling jagen van goddeloze Arabieren. Natuurlijk deden de tempeliers en de johannieters hetzelfde, maar de Teutonen hielden niet eens de schijn op. De Duitsers onderhielden meer contacten met de plaatselijke autoriteiten dan de tempeliers in alle jaren daarvoor. Met name in Jeruzalem waren ze eerder gasten dan belegeraars. Het is dus moeilijk in te schatten hoeveel schatten, rijkdommen en relikwieen de Duitse Orde uit de Orient heeft weten weg te voeren. Dat zich hieronder

een Ark of een schat kan hebben bevonden is niet op voorhand uit te sluiten. Toch is er, juist met de Duitse Orde, iets vreemds aan de hand. Wat we tot nu toe over de orde hebben gezien wijst niet op een al te grote betrokkenheid bij bijbelse aangelegenheden. De Duitsers waren rijkelijk laat in het opzetten van een kruistocht (er waren er al twee aan voorafgegaan). Het bevrijden van het Heilige Land was duidelijk niet het hoogst genoteerde agendapunt. Eenmaal ter plaatse blonken ze nu ook niet uit in geestdrift of kerkelijke bevlogenheid. Ook later, tijdens de Baltische kruistocht, ging het hun niet om de kerstening van hun oosterburen, want zelfs nadat de Litouwers waren bekeerd, bleven ze dit land belegeren. De Duitse ridders, om het maar rechtuit te zeggen, gaven geen zier om peste84 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 084

rige Mameloeken, heidense Pruzzen of het bezit van de Heilige Stad. Ze kwamen een tijdje mooie sier maken om de paus zand in de ogen te strooien en gingen er weer vandoor zodra de situatie hen dat toestond. Om uitgerekend de Duitse ridderorde op te zadelen met het voogdijschap over de Ark lijkt dan een beetje ironisch. De tempeliers mogen dan later gnostische ketters worden, ze blijven in principe de voorvechters van Christus. De Duitse Orde is duidelijk uit ander hout gesneden. Wat de Deutschritter kenmerkt (afgezien van hun zucht naar geld en grond) is de hardnekkigheid waarmee ze vasthouden aan hun Germaanse wortels. Ofschoon ze zich naar buiten toe profileren als de stoottroepen van Jezus (Wie tegen ons vecht, vecht tegen Christus) blijkt keer op keer de vereenzelviging met de Germanen van weleer. Alleen hun naam al, de Teutonen, verwijst heel nadrukkelijk naar de voorvaderlijke stamverbanden waar de ridders nog steeds deel van meenden uit te maken. Hun god was niet die uit het Oude Testament, maar de Wodan uit het Germaanse

pantheon. Rijkelijk laat stuitten we in ons onderzoek op het boek The Thousand Year Conspiracy uit 1943. Dit boek betoogt kortweg dat het nazisme niet in de jaren twintig van de vorige eeuw begon, maar in feite met de Teutoonse ridders uit de twaalfde eeuw. Het maakt aannemelijk dat er een Germaanse samenzwering bestaat die duizend jaar teruggaat. Paul Winkler, auteur van het boek, geeft ons een aanwijzing dat de Duitse Orde, hoewel listig gecamoufleerd als christelijke ridderorde, er een meer duistere agenda op nahield. Winkler: From the time of its founding, the Order had a secret or secrets. These secrets are mentioned frequently, and in the rules of the Grand Master Konrad von Ehrlichshausen, it is clearly stated that the Orders secrets must never be revealed to laymen or before the servants. This cannot be a reference to the Orders statutes as they were known to everyone. The secrets, then, can concern only a more detailed statement of the aims of expansion and conquest than was originally contained in the intentionally vague Bill of Rimini; or they might be related to the aim of protecting, in the Orders capacity as a hospital, the caste interests of the

German Nobility. 85 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 085 De Duitse Orde was er dus op uit een nieuw Germaans rijk op te bouwen voor de Duitse adel, en nt om het christendom te verspreiden. Maar vochten de Duitse ridders niet tegen de noordelijke Saracenen, dat heidense gespuis uit de Poolse en Baltische wouden? Zeker, maar de Polen en de Balten waren geen Germaanse, maar Slavische volkeren. Zij werden al aan het begin van de Grote Volksverhuizing onder de voet gelopen en sindsdien als vijanden beschouwd. Om te beginnen is de Baltische godsdienst compleet anders dan die van de Germanen (die hun mythologie delen met de Scandinavische volkeren). De Balten waren de laatste Slavische bevolkingsgroep die zich tegen een gedwongen kerstening verzette. De mysteriereligie van de Balten kon zich vrij ontwikkelen tot omstreeks

1199. Dit was het jaar waarin de paus de aanzet gaf tot de militaire operaties om de Balten te bekeren. De Slaven kenden hun oorsprong in de Aziatische steppen, en hun pantheon was niet dat van de Teutonen. De Germanen beschouwden de Slaven (net als de nationaal-socialisten dat eeuwen later zouden doen) als een minderwaardig ras. In veel opzichten zijn de volkeren uit de Baltische staten nooit echt gekerstend: tot op de dag van vandaag geloven sommige Litouwers dat een christen gevaar loopt als hij niet door de Zon beschermd wordt. In zekere zin gold dit ook voor de Duitse ridders uit de twaalfde en dertiende eeuw. Er mochten dan vanaf 1420 officieel geen heidenen meer in Europa zijn, het Vaticaan zou vreemd hebben opgekeken als het had geweten dat haar noordelijke stoottroepen hun heidense cultusplaatsen nog steeds in ere hielden. Verhalen omtrent de Germaanse wortels betreffen de initiatieriten van Duitse ridders, de krijgshandelingen en het leven na de dood. Nieuwe ridders werden gedwongen een heidense zwaarddans uit te voeren, waarbij zwaarden

met het heft in de grond werden gestoken en de noviet zich tussen vervaarlijk priemende klingen moest begeven. Aan de vooravond van een grote slag werden er oorlogsgoden als Wodan en Donar aangeroepen. Veel Duitse ridders geloofden nog altijd dat zij naar het Walhalla gingen als zij op het slagveld sneuvelden. Cultusplaatsen die in voorchristelijke tijden van belang waren geweest werden niet vergeten. Heilige wouden, eiken, rivieren en 86 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 086 heuvels werden met respect bejegend. Het heilige centrum van de Duitse ridders was niet Riga of zelfs Marienburg. Het waren oude, open plaatsen in het Teutoburgerwoud, grafheuvels en rotsformaties als het bizarre Externsteine bij Detmold. De Externsteine bestaat uit een aantal natuurlijke zandstenen pilaren en is in feite het Stonehenge van Duitsland. Het zou een plek

van verering zijn geweest voor de oude Teutonen. Centraal in deze verering stond de wereldboom Yggdrasil, de boom met drie wortels die de wereld van de mensen verbond met die van de goden. De boom fungeerde als de axis mundi, de as van de wereld. Bij de Germanen (net als bij veel andere oude culturen) was dit het centrum van alle dingen, de plaats waar de goden in contact kwamen met de mens. De god Wodan of Odin zou zichzelf aan de boom hebben gekruisigd in een poging goddelijke kennis deelachtig te worden. De Yggdrasil raakte later geabstraheerd tot een meer gestroomlijnde eik, een taxusboom of een pilaar, de Irminsul genoemd. Het woord komt uit het OudSaksisch en zou Grote Pilaar betekenen. Externsteine was een van de plaatsen waar men de oorspronkelijke Irminsul lokaliseerde, maar deze theorie ontstond pas in de twintigste eeuw. Ingekerfd in een van de stenen is een relief dat het omhakken van de Irminsul laat zien. Deze gebeurtenis wordt toegeschreven aan Karel de Grote in 772 en wordt gezien als de doodsteek voor de heidense Saksen. Daardoor is wel aangenomen dat deze symbolische daad bij de Externsteine heeft

plaatsgehad. Er zijn bij Detmold echter geen archeologische vondsten aangetroffen die verder teruggaan dan de elfde eeuw. Het omhakken van de Irminsul, of dit nu een feitelijke gebeurtenis was of niet, bleef de Germanen door het hoofd spoken. Er bleef een zeer sterke band bestaan met de cultusplaatsen, of dit nu bij Detmold of bij Paderborn was. Tegen de tijd dat de Germanen zich als christelijke paladijnen aandienen in de Orient, zijn Wodan en de Irminsul verre van vergeten. Dit zijn vreemde berichten over een christelijke ridderorde die zich inzette voor de kerstening van Europa. Meer en meer kwam in ons onderzoek een beeld boven tafel dat niet strookte met de bekende 87 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 087 geschiedschrijving. Twee elementen speelden steeds

weer een rol: de genadeloze migratiepolitiek en de geruchten over een geheimzinnige schat: een niet nader genoemde kostbaarheid die voor de Germanen van grote betekenis was. Over deze schat zouden we later meer te weten komen. Maar om te beginnen waren er nog te veel zaken onduidelijk. Nog steeds was de volle omvang van de Duitse Orde ons niet helder. Als het de Germaanse kruisvaarders niet ging om het evangeliseren van de oosterburen, wat probeerden ze dan in Europa te bereiken? Wat zat er precies achter de schijnbaar vrome bedoelingen? Ging het om een simpel expansiebeleid, een ordinaire feodale machtspolitiek? We hebben gezien dat de Duitse Orde zich al kort na haar oprichting bezig ging houden met het verwerven van land en bezit. In heel Europa verschenen commanderijen en ordeburchten. Naarmate we meer te weten kwamen over de orde, ontdekten we dat de invloed van de Teutonen zich niet beperkte tot Duitsland, Polen en de Baltische gebieden. Er werd een

luguber spel gespeeld met Europese grootmachten. Er stond, kennelijk al vanaf het prille begin, veel meer op het spel dan we aanvankelijk konden vermoeden. De Drang nach Osten was ook, en vooral, een Drang nach Westen. Om de Hanze een grotere daadkracht te geven moest de Duitse Orde zich een weg banen naar de Noordzee. De Oostzee was te perifeer en bovendien het eeuwige strijdtoneel van Russen, Denen en Zweden. Er waren belangrijke waterwegen te winnen. Dus moesten er nieuwe verbonden worden gesloten. De Nederlanden waren ook toen al een factor om rekening mee te houden: er was weliswaar nog lang geen sprake van een Nederlandse staat, maar de bewoners van de Lage Landen waren beslist geen weerloze Pruzzen. Toen de Teutonen toegang wilden tot de Noordzee besloten ze contacten aan te knopen met een man wiens macht in de Nederlanden juist een stijgende lijn vertoonde. Dit was het begin van een lange en sinistere relatie tussen Nederland en de Duitse ridders. Een relatie die verregaande gevolgen had voor de geschiedenis van ons land. En het begon met de acquisitie van waterwegen in de twaalfde eeuw en de

interventie van een 88 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 088 onverwachte partij. De poorten naar Nederland werden niet ingebeukt zoals in Polen. Ze werden opengezet door de meest onwaarschijnlijke figuur denkbaar: een Brabander... Opkomst van de hertogen Nederland was in de twaalfde eeuw Nederland nog niet. De moderne Hollander is misschien geneigd om zijn land als een constant gegeven te beschouwen, met onveranderlijke grenzen. Een land dat er altijd is geweest en er altijd zal zijn. Maar in werkelijkheid is Nederland een relatief recente uitvinding. De huidige grenzen werden pas na de achttiende eeuw een feit; een gezamenlijke grondwet bestaat zelfs pas sinds de negentiende eeuw.

Er was in de twaalfde eeuw sprake van verschillende hertogdommen en graafschappen. Het ene ogenblik sloten ze handelscontracten af, het volgende stonden ze elkaar als wilde honden naar het leven. De grootste kemphanen uit die tijd waren Brabant en Gelre. Het graafschap Gelre (ongeveer het huidige Gelderland) was in alle opzichten een cruciaal gebied: de grootste rivieren van het huidige Nederland stroomden vrijelijk door dit gebied. Zo ongeveer alle binnenvaart ging in die dagen vanuit het land van Kleef via de Rijn de Nederlanden binnen, door naar de Noordzee of afbuigend via de Maas. Hoewel het graafschap een relatief geringe omvang had, was het gebied geografisch gezien dus van zeer grote betekenis. En dat wisten de plaatselijke roofridders maar al te goed. Berovingen en absurde tolheffingen waren schering en inslag. In de vroege Middeleeuwen behoorde Gelre, net als Brabant, tot het opperhertogdom Lotharingen en, eveneens als Brabant, tot het Heilige Roomse Rijk. Maar dit betekende geenszins dat de beide hertogen op goede voet stonden met elkaar. Er was al lange tijd sprake van een hevige onderlinge concurrentiestrijd en de situatie

werd almaar grimmiger. Ieder was uit op zijn eigen belang en de en hoefde maar te niezen of de ander trok zijn zwaard. Een situatie kortom, zoals de Duitse Orde die graag zag. De twee 89 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 089 vechtende partijen Brabant en Gelre vroegen er gewoon om gebruikt te worden. Het hertogdom Brabant bestond in de vroege Middeleeuwen uit een verzameling graafschappen, graafschappen die officieel deel uitmaakten van Neder-Lotharingen, maar in werkelijkheid een redelijke mate van zelfbestuur uitoefenden. Op papier werd het gebied bestuurd door de graven van Leuven en vanaf de twaalfde eeuw kregen ze de felbegeerde hertogtitel toegewezen waarmee ze min of meer soevereine heersers werden. De eerste onder de Leuvense graven die de titel van

hertog van Brabant mocht dragen was Godfried III, die bijna vijftig jaar de scepter zwaaide (tot zijn dood in 1190). Aan het einde van zijn bewind reikte het hertogdom ongeveer tot de zuidgrens van het huidige Noord-Brabant. Hij ging bedachtzaam te werk en breidde zijn gebied langzaam maar zeker uit naar het noorden. Als het tot spanningen kwam met bestaande graafschappen greep Godfried niet direct naar het zwaard, maar koos hij vaker voor het compromis. Het voordeel van deze handelswijze was dat het maar zelden tot een gewapend conflict kwam, het nadeel was dat de expansie nogal lang duurde. Daar kwam nog bij dat Godfried veel meer oog had voor de versterking van het gebied tussen Keulen en Brugge, dat in die dagen een belangrijke handelsroute van het hertogdom was: de Wereldweg heette het, of een der slagaders der Europese economie,21 zoals deze verbindingsweg ook wel genoemd werd. De route liep over land vanaf Keulen via Aken, Maastricht, Leuven, Brussel en Gent naar Brugge aan de Noordzee. Maar de doorweg, via Noord-Limburg naar de Rijn, werd sinds jaar en dag geblokkeerd door eigenwijze Limburgse roofridders en

nukkige Gelderse graven. Hendrik, zijn ambitieuze zoon en gedoodverfde opvolger, keek toe hoe zijn vader met een slakkengang noordwaarts trok zonder ook maar een poging te doen om de Limburgers weg te vagen; hij probeerde zijn vader aan te sporen vlotter te handelen, meer spierballen te laten zien, maar vergeefs: Godfried was doof voor de 90 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 090 argumenten van zijn eerzuchtige zoon. Maar Hendriks tijd brak snel genoeg aan. De avonturen van Hendrik de Kruisvaarder Toen Godfried te oud werd om te regeren liet zijn zoon Hendrik I (bijgenaamd de kruisvaarder, of de strijdvaardige) er als gevolmachtigd mederegent geen gras over groeien. Hij had als jonge knaap al een

avontuurlijke en oorlogszuchtige natuur, en toen hij eindelijk iets in de melk te brokkelen had, trad hij direct zeer energiek naar voren en maakte haast om de bestaande expansiepolitiek te intensiveren. Deze telg uit het geslacht van de graven van Leuven was niet alleen troonopvolger, hij was zoals zijn bijnaam al doet vermoeden ook een gedreven kruisvaarder. Slechts weinigen van zijn voorgangers hadden zich ooit aan een kruistocht gewaagd en waren over het algemeen slechts genteresseerd in uitbreiding van het hertogdom zonder al te veel bloed aan hun handen te krijgen. Met Hendrik was het anders gesteld. Hendrik had een scherp oog voor de opkomende economische machten in Europa. Met een vooruitziende blik had hij een stel kooplieden uit Lubeck een aantal schepen geschonken in de strijd tegen de Moren. Dit was in het jaar 1197. Eerder was hij op kruistocht gegaan met de bisschop van de Rijnstad Metz. Al snel bleek de jonge Hendrik met zijn vlugge verstand een uitstekend soldaat. Bovendien werd hij niet geplaagd door een geweten. Tijdens de kruistochten sloot hij

vriendschap met de Germaanse afgevaardigden, die het uitstekend met hem konden vinden. Men was zelfs zozeer over hem te spreken dat hij door de Teutonen tot leider werd uitgeroepen van de Heilige Strijd tegen de Turkse legers. Onder de wapenfeiten van Hendrik wordt de plundering van Beiroet gerekend, waar de kruisridders flink tekeer waren gegaan: vele Turken vielen onder zijn zwaard en onder die van zijn kameraden, de ridders van de Duitse Orde. Ook mag de betrokkenheid van Hendrik I bij de verovering van Constantinopel niet onvermeld 91 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 091 blijven door een verbijsterde ooggetuige omschreven als een verschrikkelijke slachting. Deze kwaliteiten maakten hem tot een fijne vent, althans volgens de Duitse ridders. Hendrik werd in het kliekje opgenomen en we kunnen zeggen dat hij tot de eerste

aandeelhouders van de ordestaat behoorde. Het is zeker niet ondenkbaar dat de relatie tussen de Teutoonse Orde en de Lage Landen begon met deze vriendschap. We kunnen ons in elk geval moeiteloos indenken dat kruisvaarder Hendrik de orde op zeker moment voorstelde om ook eens bij hem op bezoek te komen. Hij had, zo zal hij gezegd hebben, wat perikelen met zijn bovenbuurman, de hertog van Gelre, en wellicht konden hij en de Germanen iets voor elkaar betekenen?

De Duitse Orde zal zeker oren hebben gehad naar zijn verhaal over Gelderse potentaten, gerieflijke waterwegen en nieuw te bouwen steden. Tegen de tijd dat de teugels van het hertogschap hem in handen waren gelegd, richtte Hendrik zijn pijlen onmiddellijk op de graafschappen ten noorden van zijn hertogdom. Het moest eens een keer afgelopen zijn met de Gelderse en Limburgse onbeschaamdheid. Hoogste tijd voor een aderlating. In het tweede jaar van zijn bewind verwoestte Hendrik kastelen en burchten in het opstandige graafschap Limburg en verkocht ze weer terug aan zijn vijanden voor drie keer de oorspronkelijke prijs. De hertog had al snel naam gemaakt met deze gevreesde plunderingen. Daarnaast had hij al faam en respect verkregen vanwege zijn kruisvaarderschap, in die tijd een uiterst prestigieuze zaak. Reeds als plaatsvervangend hertog streefde Hendrik ernaar, naast versterking van de handelsweg van Brugge naar Keulen, zijn heerschappij naar het grondgebied tussen Schelde en Rijn uit te breiden. De bestaande grenzen waren hem een te nauw maatpak. Hendrik begreep het belang van de rivierenstrook van

Waal, Maas en Rijn voor een vrije doorvoer van producten. Deze waterwegen waren de natuurlijke handelsverbinding zowel naar het oosten en de Duitse noordkust, als naar het westen en de Noordzee. Wie het rivierengebied in handen had verwierf grote macht vanwege de handelsmogelijkheden die het bezit ervan met zich meebracht. Het mag ons daarom niet verbazen dat 92 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 092 Hendrik er alles aan deed om ook een deel van die waterige taart op te eisen. Maar het hertogdom Gelre was een sterke en geslepen partij waarmee in geen geval te sollen viel. Hendrik was wat betreft landerijen en bezittingen nog steeds frustrerend ver van zijn doel verwijderd. Maar hij had meer trucjes in zijn mouw. Hij herinnerde

zich een klein leenbezit, weliswaar enige mijlen ten zuiden van het rivierengebied, maar toch ver ten noorden van zijn hertogdom. Dit leenbezit was genaamd Orthen. Godfried had zich nooit echt voor deze drassige uithoek genteresseerd, maar Hendrik besefte dat dit wel eens de beste kans was om in elk geval enige duurzame macht uit te oefenen in de nabijheid van de rivieren. In het jaar 1185, juist teruggekeerd van een kruisvaart, besloot hij het land Orthen om te vormen tot een heuse stad. De stichting van de stad s-Hertogenbosch was een feit, met alle stads-en handelsrechten die daarbij hoorden. Eindelijk had hij een buitenpost een fort aan de noordgrens van zijn hertogdom in bezit die de sleutel moest vormen tussen zijn rijk in het zuiden en de wereld van onbegrensde handelsmogelijkheden in het noorden. Maar Godfried hield zijn zoon nog altijd terug, bang voor een desastreuze, maar vooral onrendabele oorlog en Hendrik was gedurende deze daden nog altijd geen hertog. Toen hij zijn Hertogens Bosch

stichtte, was het zijn vader Godfried die de feitelijke hertog was. In het jaar 1190 veranderde dit. De hertog van Neder-Lotharingen en Brabant, Godfried III, stierf. En de oude Godfried had zijn laatste adem nog niet uitgeblazen of Hendrik was al in de weer: hij hield onmiddellijk krijgsberaad. Nu was hij eindelijk vrij om zijn ambitieuze plannen te verwezenlijken. De bestaande grenzen moesten drastisch worden herzien. Dit was een moment waar Hendrik lang op had gewacht. Onmiddellijk na de bijzetting van zijn vader in de St. Pieterskerk van Leuven ging hij tot actie over. De aanwezigheid van de jonge hertog was een bron van verontrusting voor de graaf van Gelre, die de bui al zag hangen. De relatie met Brabant was nooit warm geweest, maar ditmaal was de hertog wel erg dicht genaderd. Ook de graaf van Holland (toen nog een 93 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 093

relatief onbeduidend graafschap) keek gespannen toe. Hendrik op zijn beurt beschouwde Gelre en Holland als struikelblokken in zijn opmars naar het noorden. Maar hij realiseerde zich dat hij het zich niet langer kon veroorloven om de agressieve expansie voort te zetten zoals hij dat gewend was, aangezien hij de zuidelijke Wereldweg niet onbeschermd mocht laten. Openlijke strijd was dus geen optie. De enige andere mogelijkheid die hem openstond was een handelsoorlog. Nu kwamen zijn contacten met de Duitse Orde hem pas echt goed van pas. Zoals we hebben gezien begon rond dezelfde tijd ook de machtige Hanze haar invloed op te eisen in het lokale bestuur van aangesloten steden: dezelfde Hanze waar Hendrik als kruisvaarder veelvuldig mee te maken had. In de Duitse Orde en de Hanze had hij zijn twee meest trouwe bondgenoten gevonden. De jonge hertog had op zijn reizen als kruisvaarder naar het Heilige Land contacten voor het leven gelegd; vanaf het moment dat Hendrik officieel de hertogstaf droeg, nodigde hij zijn brothers in arms al snel uit om commanderijen te bouwen in het hertogdom,

zoveel als ze maar wilden. Hendriks opvolgers, Hendrik II en III, zouden zich later eveneens als trouwe beschermheren van de Teutoonse ridders opwerpen. Het aantal Brabantse Hanzesteden nam in een korte tijd explosief toe. En de Duitse Orde was wat de hertog betrof een meer dan welkome gast. In haar kielzog verschenen allerlei commanderijen, her en der verspreid door het hertogdom, naar het voorbeeld van de nederzettingen in de Baltische gebieden. Zo eigenden de Teutonen zich vrijwel moeiteloos grote invloeden toe in de Lage Landen. De Deutschritter maakten het zich gemakkelijk in het gebied van hun kameraad de hertog. Beetje bij beetje wist de Duitse Orde haar invloed in de richting van de Noordzee uit te breiden. Een intrigerende aanwijzing voor de nauwe band tussen de hertog en de orde troffen we aan in een boek over Brabantse wapenkunde: het zegel van Hendrik I laat een adelaar zien, terwijl de wapens van de graven voor hem en de hertogen na hem consequent de leeuw uitbeeldden. De auteur merkt op: Het zal bekend zijn dat 94

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 094 voor de hertogen van Brabant slechts de leeuw als wapenfiguur bekend is en het waarom van de adelaar [in Hendriks zegel] is daarom een interessante maar voorlopig onoplosbare vraag. 22 We zagen al dat de adelaar in die dagen hoofdzakelijk gebruikt werd als machtssymbool door de Hanze, zoals blijkt uit de verschijning van deze roofvogel in de wapens van de Nederlandse Hanzesteden. Waarom, vroegen wij ons af, zou ook Hendrik dit dier aanbrengen op zijn wapen? Zoals we inmiddels weten verkreeg Von Salza, grootmeester van de Duitse Orde, uit handen van de paus haar wapen: het gouden kruis van Jeruzalem beladen met de adelaar van het Duitse Rijk. Je zou dus kunnen zeggen dat Hendrik de adelaar had overgenomen als teken van trouw aan zijn Germaanse kameraden en wellicht om zijn

schatplichtigheid aan de Saksische hertogen tot uitdrukking te brengen. Datzelfde kan trouwens worden gezegd van de leeuw als Brabants symbool. Die zou verwijzen naar de Saksische Hendrik de Leeuw, de stichter van Lubeck en degene die als eerste het verbond van Gotlandvaarders in het leven had geroepen. De Duitse Orde bemoeit zich met Nederland We hebben gezien dat de Duitse Orde tijdens het bewind van grootmeester Hermann von Salza (12091239) vele landerijen en kastelen in heel Europa bemachtigde, vergezeld van een massa privileges. We hebben ook gezien dat het thuisland Pruisen inmiddels helemaal gevestigd was als ordestaat. Hoewel zwaar bevochten en bestreden, wist de Duitse Orde op bijzonder slimme wijze de macht in handen te houden. Als kameleons gingen de ridders op in het gebladerte, namen de schutkleur aan van hun omgeving, hieven het zwaard hoog wanneer strijd geboden was, maar legden het neer als diplomatie en zachte pressie nodig werd

geacht. En al die tijd bleef de orde als organisatie gewoon functioneren, met haar hierarchische structuur intact. Zo ook in de Nederlanden. Onder het bewind van Hendrik de Kruisvaarder verschenen de 95 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 095 eerste vestigingen en burchten van de Duitse Orde op Nederlandse bodem. Zijn opvolgers zetten deze politiek voort. In 1220 schonk de Brabantse graaf Arnold III van Loon op aandringen van zijn heer en meester, hertog Hendrik, een bedevaartskapel met aanhorigheden in Rijkhoven (Bilzen) aan de orde. Tot 1795 zou Alden Biesen (Oude Bilzen) de hoofdzetel van de orde in het hertogdom blijven. Deze

landcommanderij was dus de hoofdzetel van de Duitse Orde in het land van Maas en Rijn en telde een twaalftal commanderijen (kastelen op het platteland of residenties in de stad), die elk weer werden beheerd door een commandeur ter plaatse. Ook in Utrecht werd een grote landcommanderij gevestigd, van waaruit belangrijke zaken werden gedaan met de hertog en anderen, vooral gericht op de noordelijke gewesten. Hoe reageerden de plaatselijke vorsten op die plotselinge invasie van Duitse kruisvaarders in hun land? Zoals altijd wanneer de gasten welvarend zijn: ze dreven handel met de nieuwelingen. De Nederlandse grond bleek voor de orde een uitstekende voedingsbodem. De zeldzame keren dat we stuiten op conflicten tussen plaatselijke gezaghebbers en de Teutoonse indringers, komen de laatste altijd als winnaar uit de strijd. In veel gevallen wisten de commandeurs zich uit penibele situaties te redden door compromissen te sluiten en ruilhandel te drijven met hun vijanden. In een aantal gevallen sluit de Duitse Orde zich zelfs aan bij de rivaliserende partij. In een tijd

waarin veel conflicten om het minste en geringste met de wapens werden uitgevochten, wist de orde haar belangen meestal zonder al te veel bloedvergieten zeker te stellen. Naar het voorbeeld van de ordestaat werden ook veel gebieden in de Nederlanden ingenomen. We kunnen niet genoeg benadrukken dat de soevereiniteit van de orde telkens door zowel kerkelijk als wereldlijk gezag werd bevestigd, desnoods door eigenhandig ingrijpen van hertogen, koningen en pausen. Of het nu gaat om de dertiende of de zeventiende eeuw, de situatie blijft nagenoeg hetzelfde. Adellijke grondbezitters schenken land aan de Duitse Orde in ruil voor lidmaatschap. In gemeentelijke en landelijke archieven treffen wij talloze van dergelijke transacties 96 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 096

aan. De adel en geestelijkheid stonden in contact en contract met de orde, ter meerdere glorie van beide. Zo bestond er een eeuwenlange wederzijdse afhankelijkheid die in de loop van de tijd alleen maar sterker werd. Rivaliserende monarchen en adellijke families mochten hun twisten dan onverstoord voortzetten, de Duitse Orde bleef de lachende derde. Zoals we zien was hier het Von Salza-principe volop in werking. De orde kreeg van beide strijdende partijen schenkingen en privileges toebedeeld. In onze zoektocht naar de ontwikkeling van de Duitse Orde in Nederland stonden we keer op keer versteld van de enorme economische (en politieke) betekenis van de orde in de dertiende en veertiende eeuw en verder. Die invloed liet zich ook gelden in militaire aangelegenheden. De grootste en meest indrukwekkende zet van de Duitse Orde in Brabant liet niet lang op zich wachten. Hertog Jan I Het belang van de Nederlandse waterwegen voor de Hanze valt niet te onderschatten. Maar in tegenstelling

tot Pruisen, Polen en de Baltische staten (waar de uitgestrekte bossen nog tjokvol met heidenen zaten) konden de Teutonen in Nederland niet zomaar met een groot hakzwaard tekeergaan. De Lage Landen waren (relatief) beschaafd en een openlijke kruistocht was niet aan de orde. Wilden de Duitsers hier voet aan de grond krijgen, dan moest er op kousenvoeten worden rondgeslopen. Het was een kruistocht van intriges, gesjoemel en omslachtige manipulaties; een intrige die de Nederlandse machthebbers als pionnen tegen elkaar uitspeelt. De volgende pion diende zich aan in de persoon van hertog Jan I. Zijn vader en grootvader hadden de machtspolitiek van hun voorganger onverminderd voortgezet. Het aantal Brabantse steden in het noorden was fors gestegen, en steeds meer land kwam toe aan de hertogen, totdat zelfs Tiel, de belangrijke stad aan de Waal, in Brabantse handen was gevallen. Maar het verzet tegen de agressieve Brabantse politiek groeide. Tegen de tijd dat hertog Hendrik III in 1261 overleed en er geen meerderjarige kandidaten voorhan97

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 097 den waren in het geslacht van Leuven, zag graaf Otto II van Gelre (in alliantie met de bisschop van Luik) zijn kans schoon. De rechtmatige troonopvolger was nog niet meerderjarig, dus stelden de twee mannen alles in het werk om kandidaat voor het hertogschap te worden. Maar dat feest ging niet door: de plaatsvervangende regenten adviseerden de keizer van het Heilige Roomse Rijk tegen deelname van Gelre en de Luikse bisschop. Het was een uitgemaakte zaak: de heerschappij zou in handen blijven van de Leuvense familie en in de tussentijd: ...hebben de Staten in Cortenberg onder luide bijval besloten, dat gij, Vrouwe, als hertoginne van Neder-Lotharingen en Brabant, tot aan de meerderjarigheid van den gerechtigde troonopvolger het land zult regeren.23 In de tussenliggende tijd werd de moeder van Jan dus

aangewezen als interim-manager. In de jaren die volgden werd Jan klaargestoomd voor zijn toekomstige rol als hertog: hij leerde paardrijden en alle finesses van het lanssteekspel; en hij kreeg de beste leraren die een jonge prins zich maar kon wensen. Ook sloot hij vriendschap met Jan van Heelu, een jonge edelman uit de omgeving die hem van kindsbeen af terzijde stond. Samen reden ze mijlenver te paard, smeedden plannen, dronken grote hoeveelheden bier en waren bedreven beoefenaars van de zwaardkunst. Intussen viel het dagelijks bestuur de hertogin niet makkelijk. Gelre aasde voortdurend op de Brabantse troon en de Limburgse struikrovers bleven een belasting voor de handel. Daar kwam nog bij dat de bisschop van Luik zich aansloot bij de vijanden van Brabant en alles in het werk stelde om de arme hertogin een hak te zetten. Maar op 29 juni 1267 was het dan eindelijk zover: Jan, juist meerderjarig, werd in Leuven gekroond tot hertog. Aan zijn rechterzijde stond zijn vriend Jan van Heelu, die gedurende zijn gehele leven zijn meest invloedrijke adviseur zou zijn.

Eenmaal gekroond wachtte hem een zware taak: de graaf van Gelre en de bisschop van Luik hadden niet stilgezeten en plunderden met regelmaat de belangrijke handelssteden aan de Wereldweg van Keulen tot Brugge. De leeuw van Brabant brulde om wraak. Niet voor niets dat de tekst bovenop het wapen van de hertog luidde: 98 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 098 Ziet den aanvoerder van de Brabantse heirban, genaamd de leeuw en der wapenen God. 24 Een van de eerste doorbraken die Jan als hertog forceerde betrof de versterking van de belangrijke buitenpost en Hanzestad Tiel, die al enige tijd onder het gezag van de Brabanders was gesteld. Dr. P.C. Boeren, schrijver van het spannende boek Een Nederlandse wacht aan de Rijn, zegt hierover: De

Brabantse landen beneden de Rijn zijn met elkaar verbonden door de smalle corridor van Tiel, de befaamde handelsstad: een kostbaar bezit, maar zeer precair vanwege de Gelderse buurmanschap. 25 Jan liet zijn ridders openlijk aanrukken en zorgde ervoor dat een groot deel van de internationale handel deze havenstad zou aandoen. Deze Brabantse ridders werden snel vergezeld door ridders van de Duitse Orde, die er een commanderij stichtten. Hoewel er geen sprake was van een open oorlog met Gelre, kan men zeker spreken van een koude oorlog, waarbij beide partijen elkaar nerveus in de gaten hielden. Aanvankelijk voelde Jan zich ongemakkelijk in zijn rol als hertog. Hij was net zestien geworden en er werd een hoop van hem verlangd. Bovendien was de veelbelovende jonge hertog nog een groentje op militair gebied. Hij was nooit op kruistocht gegaan, in tegenstelling tot veel van zijn voorgangers, zodat hij door de landgraven niet echt serieus werd genomen. Tot overmaat van ramp moest hij het nu ook een tijdlang stellen zonder de aanwezigheid van zijn

hartskameraad Jan van Heelu. Van Heelu was namelijk in opleiding gegaan bij de ridders van de oosterburen. Inderdaad, de grote vriend en raadgever van hertog Jan was een lid van de Duitse Orde. In het levensverhaal van hertog Jan is de Duitse Orde als een schaduw aanwezig. Bijna terloops en zonder enige uitleg duiken de Germanen op als een vrijwel onzichtbaar contingent dat steeds lijkt te profiteren van de successen van de hertog. Het lijkt daarbij alsof de Duitse Orde zich in zijn voetspoor bevindt, maar dat beeld is misleidend. De hertog was geen gok, maar een investering. Het pad dat Jan I van Brabant bewandelde was stap voor stap door de Teutonen uitgestippeld. 99 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 099

De hertog was de zoveelste marionet in het Teutoonse poppenspel. Gebruikmakend van hun vriendschappen met eerdere hertogen rekruteerden zij Jan al vanaf zijn jeugdjaren, waarschijnlijk zonder dat hij het zich realiseerde. Allereerst werd Jan kruisvaarder. Om zijn naam te vestigen als volwaardige ridder en ervaring op te doen in de krijg, besloot Jan in 1276 op kruistocht te gaan. Doordat de kruistochten in het Heilige Land keer op keer op jammerlijke mislukkingen waren uitgedraaid, was het christenzwaard ditmaal gericht tegen de Moren in Spanje: de oude vijanden van de Hanze. De Heilige Strijd had zich verplaatst, maar werd nog altijd met de gebruikelijke wreedheid gevoerd. Dit strookte geheel met de doelstelling van de Hanze en de Duitse Orde: zij wilden de handel doortrekken naar zuidelijk Europa om zodoende hun invloed uit te breiden tot ver in het Middellandse-Zeegebied. Al een jaar na zijn aankomst in Spanje hield Jan het weer voor gezien. Hij had net lang genoeg aan de kruistocht meegedaan om tot ridder te worden geslagen, en daar was het hem uiteindelijk om te doen geweest. Bovendien was er thuis genoeg werk aan de winkel: de

moeilijkheden die Brabant ondervond met Gelre waren niet verdwenen, de Wereldweg werd nog altijd geteisterd door de adellijke roofridders van Limburg en ander gespuis. Brabant besefte hoeveel lucratieve handel zij hierdoor misliep. Dr. Boeren trekt een vergelijking met het symbool van Brabant: De warande van Brabants leeuw is getralied aan de Oostzijde, vanwaar zij het zonnelicht ontvangt. Achter deze tralies loopt het dappere dier brullend op en neer om uit te breken naar de Rijn, zijn natuurlijke drinkplaats. 26 Voordat Jan echter ook maar iets tegen de Gelderse graven kon uitrichten moest hij eerst de veiligheid van de Wereldweg aanpakken. Er waren talloze lieden die de handel over deze economische slagader blokkeerden, varierend van ordinaire struikrovers en huursoldaten tot rijke Limburgse adel. Maar de grootste snoodaard van hen allemaal was de bisschop van Luik, broer van de Gelderse hertog. Hoewel paus Gregorius X de bisschop in een bul van afzetting uit de pauselijke bescherming geplaatst had, leek zelfs dat de bisschop niet te deren. Hij bleef zitten waar hij zat en bleef zich

onophoudelijk schuldig maken aan plunderpraktijken. Na 100 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 100 diens dood in 1284 besloot hertog Jan de macht in Luik aan het Brabantse hof te onderwerpen. Maar ook dit leek de Limburgse hertogen en graven niet te deren. Omdat zij het militair geleiderecht bezaten (dat wil zeggen, het recht om handelsverkeer te begeleiden) konden ze min of meer hun eigen gang blijven gaan. In de praktijk betekende dit dat veel handelslieden geplunderd werden op weg naar hun bestemming. Deze lieden waren dus een doorn in het oog voor zowel de handelslieden als de hertog. Beiden hadden er belang bij om de struikrovers te elimineren. Rond 1285 organiseerde hertog Jan een serie aanvallen op Gelre en Limburg waarbij veel kastelen werden geplunderd. Hij wilde de dwarsliggers voor eens en altijd op de knieen

dwingen. Maar de Gelderse en Limburgse troepen boden fel verzet. Omdat deze situatie zo mogelijk nog slechter was voor de handel dan de sporadische plunderingen door roofridders, besloot de Duitse koning Rudolf van Habsburg in 1287 de beide partijen tot een wapenstilstand te bewegen. Zijn bemiddeling bleek een succes, maar daarmee was het probleem nog niet uit de wereld. Hertog Jan was verre van blij met de kunstmatige vrede, want daarmee was zijn vrije handelsideaal nog niet verwezenlijkt. Ook niet blij met deze opgelegde wapenstilstand waren de Duitse ridders. Deze waren het juist die de onoverzichtelijke conflicten tussen de hertogen en de bisschop met beide handen hadden aangegrepen om hun eigen macht uit te breiden. Sterker nog, het hele conflict met de bisschop was er door de orde bijgesleept om ook in de Keulse gebieden een vinger in de pap te krijgen. Het is duidelijk dat de Duitse Orde aanstuurde op een allesbeslissende confrontatie waarbij het hele conflict in haar voordeel werd beslecht. Maar de verordening van de Habsburgse koning dreigde roet

in het eten te gooien. Wat te doen? Ten eerste bewees een van haar eigen agenten eindelijk zijn nut: Jan van Heelu. Deze was inmiddels tot ridder van de Duitse Orde geslagen en adviseerde zijn vriend prompt een groot leger te verzamelen om zijn vijanden tot een beslissende slag uit te dagen. Let wel, het is dus de Duitse Orde die hier oproept tot openlijke strijd. Maar de hertog aarzelde. Hij vreesde dat deze koers niet in goede aarde zou vallen bij de Habs101 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 101 burgse koning, die zo veel moeite had gedaan om het wapengekletter te beendigen. Het enige wat een oorlog nu zou rechtvaardigen was een ongeprovoceerde aanval van zijn vijanden. En alsof God zijn gebed had verhoord, verbrak bisschop Siegfried van Keulen de wapenstilstand, en wel door het graafschap Berg aan te vallen, ten oosten van de Rijn. Deze aanval van de

bisschop kwam hertog Jan bijzonder goed uit, want hiermee had hij eindelijk de rechtvaardiging voor zijn plannen. Het mooiste was dat ook de graaf van Gelre bij de aanval betrokken was geweest. Dit was zijn grote kans om twee vliegen in en klap te slaan. Wie of wat had de bisschop doen besluiten om de wapenstilstand aan zijn laars te lappen? Het antwoord luidt natuurlijk: de Duitse Orde. Deze had hem heimelijk militaire steun beloofd in ruil voor privileges in het Keulse. Dat was een leugen. Het was de bedoeling de twee partijen tegen elkaar uit te spelen en zich na afloop aan de kant van de winnaar te scharen. De orde bleef zo buiten schot en voorkwam daarmee een aanvaring met de Habsburgers en het Vaticaan. De Duitse Orde was in alle opzichten de lachende derde. Alles wat de Germanen nodig hadden was een casus belli, en deze werd door bisschop Siegfried op een zilveren dienblad aangereikt. Jan had nu carte blanche en hij aarzelde geen moment. In het voorjaar van het jaar 1288 vertrok hij naar Keulen met zijn soldaten en huurlingen. Achter in de optocht reden

de ridders van de Duitse Orde, die nu openlijk kleur bekenden. Aanwezig was ook Jan van Heelu, die inmiddels commandeur was geworden in het stadje Bekkevoort, nabij Leuven. De Slag van Woeringen Toen bisschop Siegfried lucht kreeg van hertog Jans komst, trok hij direct aan de bel. In een brief aan zijn bondgenoten, de graaf van Gelre en zijn Limburgse vrienden, zei hij: Bereidt u voor! Er is in ons land een walvis aangekomen, die ons rijk zal maken. Hij heeft zich zo ver in de dijken gewaagd dat men de harpoen naar hem uit 102 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 102 kan werpen, maar hij is zo vet en zwaar dat ik hem alleen niet meester kan worden. 27

Begin juni 1288 landde walvis Jan met zijn gevolg aan de oevers van de Rijn bij het Duitse plaatsje Woeringen. Over de sterkte van het Brabantse leger lopen de schattingen zeer uiteen: van 20.000 tot 100.000 man. Bij dit soort getallen is het wijs om aan de lage kant van de schatting te gaan zitten, want deze werd niet zelden schromelijk overdreven. In ieder geval was nagenoeg elk district van het hertogdom Brabant vertegenwoordigd in de slag: banieren van Brussel, Leuven en vele anderen wapperden in de wind. Hertog Jan kon tevreden zijn. De standaard vertrouwde hij toe aan ene Raso van Grez, die volgens de verslagen werd bijgestaan door twee schildknapen: Nicolaas van Uden en Wouter van de Kapellen. Jan van Arkel en Jan van Heusden bevelen een Hollandse afdeling, die zich te voegen heeft naar de orders van de heer van Cuyk. 28 Alleen de vertegenwoordiger van de stad sHertogenbosch ontbrak in de bonte stoet: bij deze stad rustte de taak om over de noordelijke grenzen van het hertogdom te waken. Rond dezelfde tijd arriveerden nu

ook zijn aartsvijanden, die een aanzienlijke legermacht bijeen hadden gebracht. De bisschop van Keulen was onverminderd optimistisch over zijn kansen: De vijanden zijn ver van hun land en weinig talrijk. Wij staan drie tegenover een. Wat mij betreft, ik vraag niet meer dan den hertog als krijgsgevangene te hebben. Zijn preek vond bijval uit de hoek van de Gelderse graaf die er nog een schepje bovenop deed en uitriep: Neen, gij zult hem niet krijgen. Hij moet sterven, die overweldiger, die ons wil beroven van onze rechtmatige erfenis. 29 De toon was gezet. Op zaterdag 5 juni 1288 stelden de twee legers zich in slagorde tegenover elkaar op. Hertog Jan besteeg zijn paard en reed voor de troepen uit. Met gedragen stem proclameerde hij: Denkt aan de dapperheid van uwe voorvaderen. Nooit heeft men ze zien terugwijken of hun banieren verlaten. Als gij hen navolgt, zullen wij grote roem behalen! 30 De slag van Woeringen was begonnen.

Het waren de bisschop en zijn Gelderse vrienden die als eerste in 103 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 103 de aanval gingen. Het plan was om de Brabanders in de flanken aan te vallen om zo die broodnodige bescherming te breken. Aanvankelijk leek het er inderdaad op dat deze openingsaanval succes had, maar al snel zag Jan een mogelijkheid om de legers van de vijand op te breken door langs het midden door te stoten en zo een dolk in het hart van de vijandelijke legers te planten. Toen de bisschop dit plan doorzag was het te laat. Zijn ridders hadden zich al te veel afgesplitst van de oorspronkelijke legeropstelling en werden nu belaagd door de Brabantse ridders, die genadeloos inhakten op de verdwaasde manschappen van de bisschop. De graaf van Gelre had intussen het plan opgevat om de Brabanders zo ver mogelijk terug

te dringen en het Brabantse kampement te plunderen. Dit bleek een fatale vergissing, want nu stond het de Brabanders vrij om de Gelderse achterhoede aan te vallen. De strijd was verloren en de bisschop van Keulen werd gevangengenomen. Hoewel de Gelderse troepen de strijd dapper voortzetten, stond de overwinning van hertog Jan al vast. De slag van Woeringen, die naar onze mening een meer prominente plaats zou moeten innemen in de geschiedenisboeken, betekende een reusachtige winst voor hertog Jan: hij was nu de onbetwiste hertog van Limburg geworden waardoor de betreurde handelsblokkade eindelijk was opgeheven. Hij had nu het grootste deel van het land tussen Keulen en de Noordzee in handen. Bijkomend voordeel was natuurlijk ook dat de Gelderse graven zich voortaan wel twee keer bedachten voordat zij Brabant provoceerden. Ze waren gedwongen een aantal steden aan de rivieren af te staan. Van de nieuwe status quo zouden ook Jans opvolgers profiteren. In de 250 jaar daarop zou het hertogdom Brabant uitgroeien tot een

van de belangrijkste handelsgebieden van WestEuropa. Een ander resultaat van de slag was het ontstaan van een innige vriendschap tussen hertog Jan en een zekere ridder die aanvankelijk aan de zijde van de vijand had gevochten. Toen deze ridder na de slag voor de hertog werd voorgeleid sprak hertog Jan: Dappere ridder, wie zijt gij, wiens dapperheid mijn ridders vandaag zo noodlottig is geweest? Hierop antwoordde de mysterieuze ridder trots: Ik ben de graaf van Nassau.31 Volgens sommigen moet deze ontmoeting 104 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 104 worden beschouwd als het begin van de vriendschap tussen de hertogen en de graven van Nassau. Die laatsten, die later uitgroeien tot de belangrijkste adellijke familie van Nederland, zullen we nog ontmoeten.

De adviezen van Jan van Heelu hadden zeer in het voordeel van de hertog uitgewerkt, en het resultaat van dit succes strookte geheel met de doelstellingen van zowel de Duitse Orde als de Hanze: de eerste vestigde nog meer commanderijen en de laatste was nu vrij om koopwaar te verhandelen op de wereldwegen. Wat de actieve bijdrage van de Duitse Orde op het slagveld van Woeringen is geweest, is niet bekend. Mogelijk hadden ze het te druk met grinniken om zich in de strijd te begeven. Ze zijn ietwat buiten de verslagen gebleven, hetgeen niet verwonderlijk is, daar de officiele kroniekschrijver van de slag niemand anders is dan Jan van Heelu! Eigenlijk doet het ook nauwelijks terzake; het was het uitlokken van de slag waar het om ging. Het strijdtoneel bij Woeringen, teweeggebracht door de Duitse Orde, was van beslissende invloed op de Teutoonse betrokkenheid in Nederlandse aangelegenheden, een betrokkenheid die nog lang niet was uitgespeeld. De verrichtingen van de orde zouden nog veel geheimzinniger en dreigender worden. Van Heelus vriendschap met de hertog hield stand tot diens dood in 1294. In dat jaar werd Jans voorliefde voor het

riddertoernooi hem fataal. Een lans doorboordde zijn hart en hij viel dood van zijn paard, letterlijk in het harnas. 105 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 105 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 106 Hoofdstuk 6 Het raadsel Vught

De Duitsers komen De hertogen, de Duitse ridders en Vught. Wat verbond deze elementen? Historici blijven vrolijk beweren dat de Duitse Orde zich in de twisten tussen Brabant en Gelre, alsook in de Tachtigjarige Oorlog, neutraal heeft opgesteld. Maar het heeft er tot nu toe alle schijn van dat de hertog de Duitse ridders betrok bij zijn vete tegen de hertogen van Gelderland, dat de Duitsers baat hadden bij een vrije doorvaart naar de Noordzee en dat de twee elkaar nadrukkelijk steunden in militaire en economische aangelegenheden. In de dertiende eeuw kwam daar opeens een factor bij: Vught. In 1185 had een van de Brabantse hertogen, Hendrik I, een stad gesticht bij de Maas: sHertogenbosch, of dus eigenlijk: Des Hertogens bosch, het bos van de hertog. Het bos, zeggen veel historici, was waarschijnlijk een jachtgoed of een buitenplaats die door zijn nabijheid met Gelderland werd gepromoveerd tot een

vestingstad. De stad was in dit stadium echter nog naamloos. Wel had de hertog van de Duitse keizer al het tolprivilege verkregen, de eerste voorwaarde om van de stad een soevereine en welvarende eenheid te maken. Van hieruit kon de hertog zijn macht uitoefenen over de waterwegen in het land van Maas en Waal, en ook had hij een handige uitvalsbasis om zijn vijanden in Gelre te bestoken. Wanneer het hem te heet onder de voeten werd kon hij zich tijdelijk binnen de vestingmuren terugtrekken en van daaruit een lange neus maken naar zijn achtervolgers. In de daar107 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 107 opvolgende jaren wist de hertog van Brabant zijn machtspositie te handhaven en die van Gelderland terug te dringen. Maar het lijkt erop dat het belang van de stad en haar omgeving verder strekte dan de vete met Gelre. Een voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van

Duitse ridders in de omgeving. In 1220 betrekken de ridders de heerlijkheid Gemert, niet ver van Den Bosch. Het woord heerlijkheid wil zeggen dat het dorp volgens het feodale stelsel onder een heer viel, een plaatselijke machthebber. Vervolgens, zo wil het verhaal, stichten de ridders een bescheiden commanderij op een steenworp afstand van de jonge stad: Vught. De schenker van deze landgoedjes? Natuurlijk de hertog van Brabant. De Duitse Orde had, dat hebben we gezien, meerdere commanderijen in Nederland. Maar in Brabant had de orde alleen Vught en Gemert. Wilde de hertog een garnizoen om zijn nog kwetsbare vestingstad tegen de Gelderse hertogen te beschermen? Dat lijkt niet het geval te zijn, daar hij de Duitsers dan in de stad had laten legeren, en bovendien was Vught nooit een riddercommanderij, maar een priestercommanderij. De laatste was een stuk kleiner en huisvestte alleen priesterbroeders. De Duitse commandeur in Vught was tegelijk pastoor van de Lambertuskerk en beheerder van de parochie. Hoewel we zullen zien dat de hertog er alles aan deed om het de lokale Duitse priesterklasse naar de zin te maken,

ontkwam zelfs de orde er niet aan aanvankelijk belasting te betalen aan de plaatselijke heren. Waarom vonden de ridders het dan zo aantrekkelijk om een drassig gehucht te pachten, een prutsdorp in de slagschaduw van een belangrijke nieuwe stad? Was het de aanwezigheid van Den Bosch, of was er iets in het dorp zelf dat een commanderij in Vught aanlokkelijk maakte? We besloten eerst eens in de bewogen geschiedenis van het dorp te duiken, een dorp dat meer raadsels herbergt dan we aanvankelijk konden vermoeden. 108 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 108 Natte voeten Het dorp Vught is bijna aan s-Hertogenbosch vastgegroeid maar er toch altijd onafhankelijk van gebleven. Vught is een middelgrote gemeente ten zuiden

van de stad. Wie vroeger naar het noorden reisde en Den Bosch aandeed kwam door het dorp. Als de reiziger erin slaagde de verlokkingen van het gerstenat nog een tijdje te weerstaan en herberg De Zwaan links liet liggen, kwam hij de Taalstraat volgend uiteindelijk voor de Vughterpoort te staan: een van de grote stadspoorten van Den Bosch. Het gehucht Vught zal ongetwijfeld weinig indrukken hebben achtergelaten, maar toen Den Bosch als stad werd opgericht bestond Vught al lang. Vught was ook veel groter dan s-Hertogenbosch: de nieuwe stad was niet veel groter dan de huidige markt, en omdat Vught veel grondgebieden had in de Kempen was het destijds in feite veel omvangrijker dan het huidige dorp. Ook opgravingen hebben aangetoond dat Vught veel ouder is dan Den Bosch. Er is bewijs gevonden voor bewoning in Keltische tijden; de naam Dieze, de oude naam van het riviertje de Dommel, zou van Keltische oorsprong zijn.32 Hij ontspringt in Belgie, stroomt rond Den Bosch samen met de Aa en mondt uit in de Maas. Over de aanwezigheid van straatnamen als de

Kleine en Grote Gent is geopperd dat deze in verband moet worden gebracht met een Keltisch oerwoord dat samenvloeiing van wateren betekent. Over welke samenvloeiende wateren het hier gaat is onduidelijk, maar water was er genoeg in de omgeving van Vught. Overstromingen waren er schering en inslag. De naam zelf zou vochtige, natte grond betekenen, of simpelweg vocht. De Duitse ridders spraken in hun archiefstukken over Feucht, nat. Een onderzoek van Marcel van der Heijden betoogt dat de Taalstraat, waaraan het landgoed Zionsburg ligt, vor de achttiende eeuw Taterstraat heette, een geheimzinnige naam die nergens anders in Nederland voorkomt. Het woord tater kwam vroeger wel voor in de betekenis van modder of klodder. Tateren betekende vervuilen. De Taterstraat zou dus gewoon modderige straat betekenen. Dat het in het oude Vught een natte kliederzooi was is niet be109 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 109 paald een mysterie. In een uitgave door de Stichting Bureau voor Vreemdelingenverkeer uit 1949, de Officiele Gids voor s-Hertogenbosch en Vught, lezen we echter een andere verklaring. Er staat: Te Vught worden op de bodem van de Dommel bij zeer laag water, in zeer droge zomers, steenharde zwarte stammen van bomen zichtbaar, die men ook vindt bij het uitdiepen van sloten en vennen; waaruit blijkt dat uitgestrekte bossen bij het begin van onze jaartelling hier reeds werden gevonden. Misschien hangt de naam Fughte samen met Fichte, dat is Pijnboom, daar pijnappels hier dikwijls bij zandopspuitingen tevoorschijn komen. Aan de lucht blootgesteld worden ze aanstonds zwart en als verkoold. De bossen hebben dus als pijnbomen bestaan en misschien is de naam

Fughte daaraan ontleend. Hier wordt de plaatsnaam Vught dus niet in verband gebracht met een drassige rivierdelta of een moerasgebied, maar met een Westgermaans woord voor spar, den of pijnboom. Het betreft hier het Oudhoogduitse fiohta, het Oudsaksisch fiuhtia, het Westfaalse Fuchte en het Duitse Fichte. Volgens deze lezing is Vught dan een naaldwoud, of een plaats waar pijnbomen groeien. Interessant is dat de oudst overgeleverde naam van Vught verschijnt op een door keizer Koenraad II opgestelde oorkonde uit 1006. De bisschop van Utrecht verklaart hierop dat hij een klooster bij Amersfoort verschillende bezittingen schenkt, waaronder de helft van de tol en het geldwisselhuis te Fugthe, en het vierde deel van het bos in Fugthhoute (quartam partem silve in Fugthhoute). Ook hier is dus duidelijk sprake van een bos in het Vughtse woud. In ieder geval spreken de oudste bronnen dus zowel over een drassig terrein als over een naaldwoud. Een kroniek van de abdij van Sint-Truiden bevestigt nog eens het bestaan van een woud in het

gebied dat toen Toxandrie heette. Daarnaast zijn er de kronieken die Den Bosch beschrijven als uitgestrekt woud. De steeds terugkerende tolheffingen wijzen erop dat de nabije rivieren zoals de Dommel druk bevaren werden en dat ze dus een grote rol speelden in de totstandkoming van Vught. De twee hoeven elkaar niet uit te sluiten: het Vughtse landschap was rond het jaar 1000 vermoedelijk een streek die grotendeels bebost was en 110 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 110 waar rivieren doorheen stroomden die voor moerassige plekken zorgden. Er kan zowel een eiken-of naaldwoud als een rivierdelta zijn geweest: een stroomgebied waar talloze kleine riviertjes zich een weg naar de Maas baanden. Het oudste bewoonde gebied was vermoedelijk de plek waar twee rivieren, de Dieze en een onbekende beek, elkaar ontmoetten alvorens

verder noordwaarts te stromen. Deze plek vormde ofwel een natuurlijke verhoging (een zandplaat) of een drassige plek die door mensenhanden werd opgehoogd om daar van het scheepsverkeer te profiteren. Vught als Keltische cultusplaats De streek rond Vught is dankzij het ontstaan van oeverwallen in het stroomgebied van de Maas al heel lang bewoond. Diepgaand archeologisch onderzoek in en om het dorp heeft er eigenlijk niet plaatsgevonden. Wat we van Vught denken te weten komt voort uit sporadische (en soms zelfs toevallige) vondsten. In de loop der tijd is er een aantal Keltische munten opgegraven. Bronzen bijlen en speerpunten duiden op een bewoning in de Bronstijd. De Romeinen liepen er rond, zij het niet van harte. De moerassige plek was economisch gezien van weinig waarde. Wel werd er in het dorp Esch bij Vught een bijzonder 10 centimeter hoog barnstenen beeldje van Dionysus, (of Bacchus) god van de wijn, opgegraven. Ook op andere plaatsen, zoals bij kasteel Maurick, werden beeltenissen van de godheid ontdekt. Het idee33 is geopperd dat Vught in

de tijd van de Romeinen een knooppunt van wegen is geweest. Een belangrijk ontmoetingspunt was waarschijnlijk het huidige Maurickplein, waar eeuwenlang een St. Petruskerk (of Pieterskerk) heeft gestaan, voorzien van een strooien dak. Hier zou zelfs sprake zijn geweest van Romeinse bebouwing, in dit geval een fundering voorzien van een verwarmde(!) vloer. De hieruit voortvloeiende gedachte is dat de streek niet zozeer een wingewest was als een plek met religieuze associaties. 111 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 111 De Romeinse aanwezigheid in de omgeving, die lang is betwijfeld, werd in 1990 bevestigd met de opgraving van een Gallo-Romeinse tempel bij Den Bosch. De funderingen werden blootgelegd in het plaatsje Empel,

vier kilometer ten noorden van de Bossche Markt, en prompt de Tempel van Empel gedoopt. Historici zouden geen historici zijn als de vondst niet leidde tot hevige discussies tussen vakgenoten. Sinds de oorspronkelijke ontdekking door een amateurarcheoloog in 1986 en de herontdekking vier jaar later, zijn de aard, datering en omvang van de tempel heikele punten geweest. Professionals beweren dat het om een aanzienlijk tempelcomplex gaat dat overwegend Romeins is. Amateurs zijn daarentegen van mening dat het een bescheiden heiligdom betreft waarvan er in Romeinse tijden dertien in een dozijn gingen. Bovendien zouden de bouwers Bataven zijn, en geen Romeinen. Wel is men het er in het algemeen over eens voor wie het werd opgericht. De Tempel van Empel, vermoedelijk gebouwd in de tweede eeuw na Christus en na de derde eeuw in vergetelheid geraakt, zou zijn gewijd aan Hercules Magusanus, een geromaniseerde god die in het stroomgebied van de Rijn van Bonn tot aan de Noordzeekust werd vereerd.34 De blootgelegde overblijfselen tonen aan dat het hier wel degelijk een relatief groot en rijk geornamenteerd

heiligdom betrof. In elk geval duidt de verscheidenheid aan aangetroffen munten uit het hele Romeinse Rijk op een internationale belangstelling.35 De afmetingen waren zon 54 bij 40 meter. De onorthodoxe Bossche architect Jan van der Eerden betoogt dat deze tempel wel eens de belangrijkste cultusplaats van de godheid Magusanus zou kunnen zijn. Aan de hand van vondsten, zoals de ontdekking van maar liefst 810 Keltische munten, beweert hij dat de Romeinse tempel op een veel oudere Keltische cultusplaats staat. Iets dergelijks is niet ongebruikelijk. In hun pogingen de onderworpen Keltische gebieden op te nemen in het Romeinse Rijk en hun nieuwe onderdanen te pacificeren, werden plaatselijke godheden wel vereenzelvigd met Romeinse goden. Dit vergemakkelijkte de overgang. De Kelten voelden zich minder snel bedreigd door de nieuwe machthebbers en er was zelfs sprake van een culturele verwantschap. 112

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 112 In het geval van Empel werd een van origine Keltische of Germaanse god omgedoopt tot Magusanus, of Hercules Magusanus. Van der Eerden zet zijn theorie kracht bij door aan te tonen dat de architectuur van de tempel meer gemeen heeft met de Keltische heiligdommen in Frankrijk dan met bekende Romeinse tabernakels. Daarnaast maakten we al gewag van Romeinse nederzettingen in de buurt van Halder en Vught. Een kilometer naar het oosten, bij de Dommel, werd bovendien een votiefsteen gevonden die ook was gewijd aan de Magusanus. Van der Eerden plaatst de Keltische cultusplaats in Den Bosch zelf, op de plek waar nu het Puthuis op de Markt staat. Hij wijst erop dat de oorspronkelijke naam voor Den Bosch Boschel was, hetgeen bos of bosje betekent. In zijn optiek betreft het hier geen

jachtgebied, maar een heiligdom. Het achtervoegsel el zou een vereenvoudigde vorm zijn van aal of al, en wijst op de aanwezigheid van voorchristelijke tempels of heiligdommen. Boschel is dan een heilige plaats in het bos. In dat geval zouden Empel, Veghel, Schijndel en Boxtel allemaal heilige plekken zijn. De naam Empel wordt uitgelegd als het Oud-Salische (Frankische) woord Amba. Amb of emb betekent rondom en A of Aa betekent water. (Denk ook aan het riviertje de Aa). Deze naam verbasterde tot Empla of Empele, wat zou betekenen dat het dorp rondom het water lag. Dit laatste pleit niet voor een verhoging in het water, maar eerder een nederzetting om het water. Aangezien Vught aantoonbaar ouder is dan Den Bosch (of Boschel) vragen wij ons af of de cultusplaats niet veeleer in de omgeving van Vught gezocht moet worden, misschien zelfs in het dorp zelf. Dit zou stroken met de betekenis van Vught als het Westgermaanse Fichte, de plaats waar naaldbomen groeien. Ook de intensieve bewoning zou hierop duiden.

De omgeving van het Maurickplein (de oudst bewoonde plek van Vught) brengt nog een paar andere interessante zaken aan het licht. Het Maurickplein ontleedt zijn huidige naam aan de nabijheid van kasteel Maurick. Kasteel Maurick ligt op een steenworp afstand van het Vughtse centrum, ware het niet dat de oor113 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 113 spronkelijke oprijlaan nu wordt doorsneden door de A2. Aanvankelijk, dat wil zeggen, tot omstreeks de jaren zestig van de twintigste eeuw, liep er een oostwaarts meanderend pad van het dorpsplein naar het kasteel. Op de inrijpoort waren de wapenschilden afgebeeld van enkele illustere bewoners: de families van Beresteijn en Bruhl. Op het dorps-of Maurickplein stond de oorspronkelijke Sint-Petruskerk, die in 1884 werd afgebroken. Het kasteel zelf staat op een

kunstmatig eilandje in het stroomgebied van de Dommel. Hoe oud dit eiland precies is valt niet te zeggen. Wel werden er in de directe nabijheid vondsten gedaan uit de Late IJzertijd. Vooral het gebied ten zuiden van Maurick, nu het landgoed Bleyendijk, heeft een indrukwekkend aantal archeologische vondsten opgeleverd, vondsten die erop wijzen dat dit gebied in de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse tijd, de Karolingische tijd en de Late Middeleeuwen intensief bewoond en gecultiveerd werd. Er gaan theorieen dat het eiland Maurick in wezen een kunstmatige heuvel was, een motte genaamd. Een motte was behalve een door water omgeven heuvel een versterkte burcht die uitkeek over nabije waterwegen. De heuvel is allang verdwenen, maar het vermoeden bestaat dat de oorspronkelijke toegangspoort van de motte de plek is waar nu het kasteel verrijst. Vreemd is namelijk dat het huidige kasteel nog steeds alle kenmerken vertoont van een voorburcht: een toegangspoort. Veel bezoekers worden teleurgesteld als ze verwachtingsvol de poort binnengaan, want het kasteel zet in feite niet door. Een open binnenplaats leidt naar een oranjerie en een paar

moderne bijgebouwen. Waar het portaal aanvankelijk naartoe voerde is een raadsel. Kasteel Maurick lijkt een facade, een filmset. Dit zou te verklaren zijn indien Maurick in oorsprong geen kasteel op zich was, maar een poorthuis. Wat zeker is, is dat het kasteel zelf nooit bedoeld is als een verdedigbare burcht: daarvoor zijn de muren te dun. Er zijn meer bewijzen voor de motte. Ene Johannes Liescap hield in 1312 een berg in leen van de hertog van Brabant. Ene Jan Liescap begon naar verluidt rond 1355 met de bouw van een woning en een stenen toren; dit op de plek waar eerder dus al bebouwing 114 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 114 had bestaan. Na 1300 is er sprake van een bergh, daer een huys op staet.

De kunstmatige heuvel, waaromheen zich zoveel activiteit concentreert, die uitkijkt over de omringende moerassen en de samenloop van twee rivieren, zou een heel geschikte kandidaat zijn voor een heidense cultusplaats. Dergelijke landschappelijke kenmerken heuvels, verhogingen en eilanden in het moeras duiken in de hele Keltische en Germaanse overlevering op als heilige plaatsen, van Avalon tot Anwnn. Het lijkt ons niet onmogelijk dat de motte al lang voor de Middeleeuwen een (al dan niet natuurlijke) verhoging in het landschap was. Het is dan niet vergezocht om de motte een religieuze functie toe te schrijven. Het mysterie van de twee kerken De sporen van de motte zijn allang verdwenen, maar er is een mysterie in Vught waarvan de gevolgen nog steeds zichtbaar zijn: Vught heeft twee kerken. Er is de nu protestantse Lambertuskerk uit de vroege Middeleeuwen en de veel grotere katholieke Petruskerk, waarvan het huidige gebouw stamt uit het

eind van de negentiende eeuw. Dit is niet zo voor de hand liggend als het lijkt. Natuurlijk hebben bijna alle gemeenten meerdere kerken, zeker sinds de Reformatie, maar in Vught ligt de situatie anders. De twee kerken zijn parochiekerken en de beide parochies bestonden al in de dertiende eeuw, dus eeuwen vor de Reformatie. Een parochie is een kerkelijke gemeente onder een pastoor. Vught, te oordelen naar de twee kerken, bestond in die tijd dus uit twee parochies. In die tijd, en ook nu nog, iets ongehoords voor zon kleine plaats. De twee kerken stonden op korte afstand van elkaar: De Lambertuskerk tegenover Zionsburg waar hij nu nog staat, en de vroegste St. Petruskerk op het hierboven genoemde Maurickplein. Deze laatste was een eenvoudige kerk met een rieten dak en werd daarom ook wel de Strooienkerk genoemd. De grens tussen beide parochies liep dwars door de dorpskern. Uit alles blijkt dat deze 115 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 115 markeringslijn het gevolg is van een gemeentelijke herindeling uit het begin van de dertiende eeuw, en dit brengt ons terug bij de hertogen en de komst van de Duitse Orde. In die tijd was Vught in bezit van plaatselijke herenboeren die zichzelf de heren van Vught noemden. De heren van Vught waren niets meer dan boeren die door de jaren heen zoveel land hadden vergaard dat zij het zich konden veroorloven akkergrond te verpachten aan kleine agrariers. Deze droegen dan een deel van de opbrengst af aan de grondbezitters. Om zich een air van waardigheid te verlenen gingen deze herenboeren zich net als de adel naar hun woonplaats noemen, in dit geval Vught of Cromvoirt. Zo werden zij dan de heer van Vught, of de heer van Cromvoirt. Later verhieven deze lieden zichzelf voor het gemak ook maar meteen in de

adelstand. We hebben gezien hoe de innige betrekkingen tussen de hertogen en de Duitse ridderorde geleid hadden tot een immigratie van Deutschritter in de Nederlanden. De ridders kwamen mondjesmaat het Brabantse land binnen en kregen door tussenkomst van Hendrik I de plaats Gemert als residentie toegewezen, een beschikking waarbij de plaatselijke herenboeren, de heren van Gemert, het onderspit moesten delven. In Vught lijkt iets dergelijks te zijn gebeurd. Waar de heren van Vught precies woonden is niet zeker, maar het is onwaarschijnlijk dat er een domicilie bestond waar we niets meer van af weten: er zijn in de omgeving van het dorp geen plaatsen bekend waar feodale grondbezitters het zich gemakkelijk hadden kunnen maken. Voor de woning van de heren van Vught dienen zich maar twee mogelijkheden aan, beide in de nabijheid van het centrum. De eerste is kasteel Maurick. Het zou kunnen dat het oorspronkelijke Maurick, in de beginjaren van de dertiende eeuw nog een naamloze burcht bij de Dieze, de residentie van de Vughtse herenboeren was, maar helemaal waarschijnlijk is dit niet. Maurick lijkt al

vanaf het prille begin het bezit te zijn geweest van Brabantse hertogen, niet van Gelderse. Er is vlak bij het centrum, aan de Taalstraat naar Den Bosch, nog een andere plek die zich hiervoor leent. Het is het landgoed dat al snel in het bezit zal komen 116 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 116 van de Duitse Orde, het ideaal gelegen gebied grenzend aan uitgestrekte heidevelden, dat in de toekomst Zionsburg zal gaan heten. Zionsburg en de Duitse Orde in Vught Zionsburg, de plaats waar ons onderzoek begon, duikt in de annalen voor het eerst op als commandeurshuis van de Duitse Orde. Lang voordat het de naam Zion zou krijgen behoorde het toe aan de Duitse Kruisvaarders en aan de aldaar aanwezige priesterbroeders. Wat het voor die tijd was weten we

niet, maar het zou heel goed kunnen dat het landgoed oorspronkelijk in bezit was van de plaatselijke grootgrondbezitters.36 Het ligt zo ongeveer in het centrum, waar de belangrijke Taalstraat zich opsplitst in een weg naar Eindhoven en een weg naar Tilburg. Reizigers van en naar Den Bosch moeten het aan de kant van de weg hebben zien liggen. Daar komt bij dat het slechts een honderdtal meters verwijderd ligt van de oeroude Lambertuskerk, die in zijn oorspronkelijke vorm al in de achtste eeuw bestond. Op de keper beschouwd is het de ideale plek voor lokale ondernemers die aan de belangrijke verbindingswegen met omringende dorpen een gecentraliseerde positie willen innemen. In het begin van de dertiende eeuw gebeurde er echter iets opmerkelijks: de Brabantse hertog, die op de zandplaat benoorden Vught juist een stad had gesticht, ging zich met het dorp bemoeien. De hertog bestreed het bezit van de herenboeren en begon een campagne om de Vughtse machthebbers naar de kroon te steken. De stichter van s-Hertogenbosch had heel andere

plannen met Vught. Hertog Hendrik I, zelf kruisvaarder, was in die dagen geneigd zijn nieuwe Duitse vrienden afkomstig van belangrijke Europese vorstenhuizen dicht in zijn buurt te houden. De Duitsers waren onder grootmeester Hermann von Salza juist met hun Baltische onderneming begonnen en de Hanze de grootste handelsfederatie sinds het Romeinse keizerrijk stond op punt van losbarsten. Er 117 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 117 lagen grote handelsbelangen in het verschiet. De hertog, die de Duitsers grote diensten had bewezen door de Hanze een vloot cadeau te doen en de waterwegen open te leggen, maakte nog een mooi gebaar: hij nodigde de stoottroepen van de Teutoonse Handelsfederatie, de Duitse ridders, uit op zijn

grondgebied. We hebben gezien dat er in eerste instantie een balije een onderafdeling van de Duitse ridders werd opgericht in Limburg: die van Alden Biesen. Onder deze balije schaarden zich twee commanderijen, Gemert en Vught. Wat was er comfortabeler dan de aanwezigheid van een delegatie Deutschritter om de hertog bij te staan in zijn strijd tegen Gelre, en hem te helpen de nieuwe stad Den Bosch op poten te zetten? Gemert en Vught moesten de ridders gaan huisvesten. Er was maar en probleem: de plaatselijke herenboeren. Hoe dit contact precies verlopen is weten we niet, maar feit is dat er in het jaar 1232 een bestuurlijke herindeling plaatsvond waarbij Vught op bruuske wijze in twee stukken werd verdeeld. Een deel ging naar de hertog, een deel naar de verbouwereerde Vughtse heren. Er kwam een denkbeeldige grens dwars door het oeroude centrum, waarbij het oostelijk deel, waaronder het gebied rond de Petruskerk, naar de slimme Hendrik ging. Een en ander is keurig opgesteld in oorkonden (waarin gesproken wordt van een

aankoop door de hertog waarbij een vaderlijk erfgoed vrijwillig werd overgedragen) maar over de ware toedracht hoeven we niet lang na te denken: Hendrik I wond er vermoedelijk geen doekjes om en gaf de herenboeren met veel machtsvertoon te verstaan dat zij dienden te verkassen en dat de helft van hun grondgebied bij deze geannexeerd was. Vanaf dat ogenblik bestond het dorp dus uit twee parochies, en had het twee kerken. Wat er bij de deling met de Lambertuskerk is gebeurd, is niet helemaal duidelijk. Officieel viel deze pas vanaf 1270 onder beheer van de Duitse Orde. Of de Lambertus in 1232 en daarna op papier nog onder bestuur bleef van de Vughtse heren is niet met zekerheid te zeggen. Van de heren van Vught, Gemert en Cromvoirt vernemen we na deze tijd weinig meer. Alles wijst erop dat Vught kortweg gecon118 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 118 fisqueerd werd door de hertog, opgedeeld ten nadele van de herenboeren en toegewezen aan zijn Duitse vrienden. Als we dan ook nog zien dat de heren van Vught vanouds vriendschappelijke banden onderhielden met de graven van Gelderland, gaan we begrijpen waarom de hertog van Brabant er zo op gebrand was ze weg te hebben. De hertog trad dus eens temeer op als beschermheer van de Duitse Orde. De Duitsers op hun beurt hielpen de hertog om zich te vestigen in het noorden van Brabant en een vuist te maken tegen zijn vijanden in Holland en Gelre. De hertog van Brabant, die in Marburg (een hoofdzetel van de Duitse Orde) zijn eigen altaar had, werd de gastheer van de ridders. Waar kwamen ze te wonen? Juist, op het landgoed Zionsburg, waar 800 jaar later Ewald Marggraff zal omkomen in de vlammen.

Wanneer arriveerde de Duitse Orde in Vught? Historicus J.C.A. Hezenmans37 schrijft in zijn openingsalinea: De eerste jaren der Commanderij te Vught zijn in vrede heengegaan, en weinig is ons ook uit dien tijd bekend. Het jaar 1300 wordt vaak genoemd als oprichtingsjaar, maar al lang daarvoor werd door de hertog het bedje daar gespreid, aangezien de Duitse ridders al in 1200 het patronaatsrecht op Vught bezaten. Hezenmans: De schrijver van het Katholiek Meijerijsch Memorieboek, de president Antonius van Gils, zegt dat de commanderij te Vucht (sic) reeds in het begin der oprichting van de Duitsche Orde ontstond, onder hertog Hendrik I van Brabant, die aan dezelfde het recht van benoeming tot de pastorij van St. Lambertus heeft overgelaten, omtrent het jaar 1200. Zoals hij gewoon is, geeft van Gils zijn bronnen niet op voor deze hoogst gewichtige mededeling, die in den grond volkomen juist schijnt te zijn.38 Het jaar 1200 dus. Ter herinnering: dit is slechts 10 jaar na de oprichting van de Duitse Orde in Palestina. Het patronaatsrecht werd door de bisschop verleend en gaf het beheer van een kerk over aan een priester, in dit

geval de commandeur van het Duitse Huis. De door Hezenmans aangehaalde bron beweert dat het patronaat in dit geval werd verleend door de hertog zelf. Dus al dertig jaar vor de opdeling van Vught, slechts tien 119 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 119 jaar na de officiele oprichting op het strand van Outremer, wordt de kerk in Vught onder beheer gesteld van de Duitse Orde! Over de officiele oprichting in Vught wordt even geheimzinnig gedaan als over die van de latere Lieve Vrouwe Broederschap in Den Bosch. Een brand in de Lambertuskerk in 1601 verwoestte het volledige gemeentearchief. Als er in later tijden geprobeerd wordt in kaart te brengen hoe de vroegste geschiedenis van de Vughtse commanderij verlopen is, beweren de Duitsers

dat ze niet meer weten hoe ze aan hun bezit gekomen zijn. In het register van de Balije Alden Biesen wordt kort gewag gemaakt van ene Dirk Berthout, een kanunnik uit Oirschot van wie de orde de goederen in Vught gekocht zou hebben: Theodoricus dictus Berthout qui nobis dedit bona in Vocht, hetgeen betekent: [sterfdag van] Dirk Berthout die aan ons [de] goederen in Vught gegeven heeft. Van de hertog wordt geen enkele melding gemaakt. De Berthouts hebben wel degelijk bestaan. Ze kwamen oorspronkelijk uit Mechelen en waren adviseurs van de Brabantse hertogen. Een Gillis Berthout had in Pitsemburg een commanderij van de Duitse Orde gesticht. Gesuggereerd werd dat Dirk Berthout de Lambertuskerk en bijbehorende gebieden van de heren van Vught gekocht had, en later geschonken aan de Duitsers. Een klein detail maakt deze overdracht ietwat onwaarschijnlijk: Dirk Berthout leefde rond 1300, een goede honderd jaar nadat de Duitsers al het patronaatsrecht op de Lambertuskerk in handen hadden. Wellicht werd deze discrepantie bewust te berde gebracht om het feit te verzwijgen dat de Duitse

Orde haar bezittingen simpelweg geroofd had van de lokale herenboeren. Of was er een andere reden? Had de Duitse Orde in Vught nog een ander motief om haar oprichting in Vught zoveel mogelijk in het duister te laten? Opmerkelijk is in ieder geval hoe laks de orde was waar het de administratie van Vught betrof. Waar op andere plekken openheid van zaken heerste, werd in Vught geprobeerd de zaak zo grondig mogelijk te bagatelliseren. Toen er in de achttiende eeuw problemen rezen met het onderhoud van de Lambertuskerk, probeerden onderzoekers aan de weet te komen hoe en wanneer de commanderij ontstaan was en hoe de Duitsers in bezit van de Lam120 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 120 bertus waren gekomen. De toenmalige onderzoeker

concludeerde: Ick vermeene niet, dat ick hier in der balije archiven eenig document bevinde, wanneer ende hoe dat die thyende (tiende) van Vucht is aen de Orde gekomen... De archivaris kon dus in de archieven van de Duitse Orde niet ontdekken hoe de orde in Vught ontstaan was, en op welke gronden dit was gebeurd. Ook andere pogingen om het probleem te doorgronden konden dit probleem niet oplossen. De riddercommanderij van Gemert In zijn kroniek over s-Hertogenbosch schrijft Jonkheer Stephen Jan van de Velde in 1772: De Duitse ridders hebben onder het district van s-Hertogenbosch twee huizen gehad, welke zij commanderijen noemden, een van Sint Pieter [hiermee wordt Lambertus bedoeld] te Vught bij s-Hertogenbosch, hetgeen vernietigd is, en degene die nog over is en tot op heden bloeit in het dorp Gemert, zijnde in voorgaande eeuwen een vrije en onafhankelijke plaats onder de commandeur van

Gemert. Net als in Vught is er van de commanderij in Gemert, die Vught dus overleefde, niet precies bekend wanneer deze is opgericht. Net als in Vught behoorde Gemert voor de komst van de ridders aan plaatselijke herenboeren en zelfverklaarde edellieden. In 1270 blijkt de boel te zijn verdeeld tussen de Duitsers en de heren van Gemert. Deze opdeling doet natuurlijk sterk denken aan die in Vught, wat doet vermoeden dat hier eenzelfde tactiek is uitgeoefend. Ook hier liep een denkbeeldige grens door het centrum van de gemeente. In Gemert lijkt het er nauwelijks rustiger aan toe te zijn gegaan dan in Vught. Hezenmans gist dat een van de zonen van het Huis Gemert tot de orde toetrad en dat de plaats door schenking in handen van de Duitsers kwam. Hij zou de helft aan de orde hebben gegeven, en de andere helft aan zijn jongere broer om de familielijn voort te zetten. Het is natuurlijk mogelijk dat er hier net zon spelletje geschiedvervalsing is gespeeld als in Vught, waar het er alle schijn van heeft dat de kanunnik

uit Oirschot er aan de 121 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 121 haren is bijgesleept om de overdracht te rechtvaardigen. Er is geen reden om aan te nemen dat de heren van Gemert wel in staat waren de hertog en zijn trawanten van zich af te slaan, en de schenking kan onder druk hebben plaatsgevonden. Of de Duitse Orde ook al in 1200 rechten had op Gemert is niet duidelijk, ook al omdat het hier een riddercommanderij betrof waarbij geen sprake is van een patronaatsrecht. Wel is zeker dat hij al vor 1270 bestond, vermoedelijk al in 1249, blijkens een akte uit dat jaar. In ieder geval pleiten de gebeurtenissen uit de tweede helft van de dertiende eeuw ervoor dat de heren van Gemert hun bezit allerminst vrijwillig hebben

afgestaan. Al snel werd het Duitse bezit door de heren van Gemert betwist. Er ontstond grote onenigheid die jaren duurde. Hertog Jan van Brabant vervulde de discutabele rol van onpartijdige scheidsrechter en verklaarde in eerste instantie dat de rechten op Gemert toebehoorden aan de orde en aan de heer Diederik van Gemert, waarna de afbakening van het bezit verschillende keren nader bepaald werd. Het bleef er niettemin op neerkomen dat er in Gemert een tweeherenschap bestond, waarbij zowel de ridders als de heren elkaars bezit betwistten. Het feit dat er overal losse stukjes land lagen, waarvan sommige aan de Duitse Orde toebehoorden en andere aan heer Diederik, maakte de coexistentie er niet gemakkelijker op. In 1263 begon de zaak uit de hand te lopen. Diederik had zijn deuren opengezet voor de lokale penoze: een roversbende die vermoedelijk was ingehuurd door Emont Jan Roverszoon van Gemert. Emont (of Eemke) zal een beetje het zwarte schaap van de familie Gemert zijn geweest, want hij had de reputatie het geweld niet te schuwen. De Duitse Orde ging onder voortdurende plagerijen en intimidaties

gebukt; de commandeur zelf had de eer door Emont in hoogsteigen persoon in elkaar te worden geslagen. Toen zelfs het kerkgebouw van de orde door de boevenbende geplunderd en gebrandschat werd, moest de hertog eraan te pas komen. Het lijkt voor de hand te liggen dat dit op instigatie van de Duitse Orde gebeurde, maar er gaan verhalen waarin Diederik zelf de hulp van de hertog inriep. Als dit inderdaad gebeurd is, was dit wel een oerdomme zet. Diederik voerde ter verdediging aan dat hij niet verantwoordelijk kon 122 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 122 worden gesteld voor de daden van Eemke, maar de uitspraak van de hertog laat zich raden: hij legde de Heer van Gemert een torenhoge boete op, heel goed wetend dat deze die niet kon betalen. Diederik werd gedwongen zijn deel van de Gemertse bezittingen in leen aan de hertog op te dragen. Twee jaar later volgde

het bevel de resterende goederen aan de Duitse Orde te doen toekomen. En zo kwam het hele kastelencomplex in het bezit van de orde en moesten de heren van Gemert, net als die in Vught, het veld ruimen. Met dank aan de hertog. Reilen en zeilen van de Vughtse Commanderij Hoewel het verleidelijk is te veronderstellen dat de commanderij in Vught volgde op die van Gemert, lijkt het eerder andersom te zijn. Hezenmans beweert dat Vught ouder is dan Gemert. Hij schrijft: [Het] argument voor deze onderstelling dat Vucht nevens Gemert wordt opgenoemd, welke laatste commanderij reeds in 1270 bestond heeft echter geene waarde, want het stichtingsjaar van die te Gemert is evenmin bekend, maar klimt zeker op tot vor 1270, gelijk duidelijk volgt uit een diploom van hertog Jan uit dat jaar, en het heeft veeleer de schijn dat Vucht nog vroeger ontstond. In een voetnoot voegt Hezenmans toe dat de staatsarchivaris van Dusseldorf, waar de

archieven bewaard werden, hem dit persoonlijk heeft meegedeeld. Hoe zag de commanderij eruit? Vught, hebben we al gemeld, was een priestercommanderij. Gemert was een riddercommanderij. Gemert stond onder leiding van een ridder en had twaalf ridders onder zich. De commanderij in Vught werd bestuurd door een priester die zowel commandeur als pastoor van de plaatselijke kerk was. In Vught was dat de Lambertuskerk. In de regel was het patronaatsrecht een voorwaarde om een commanderij te kunnen stichten. Het feit dat de commandeur tevens de plaatselijke priester was, legitimeerde zijn aanwezigheid, en dat van het Huis. Op kleinere schaal was dit een herhaling van de pauselijke bul die de plundertochten in Noord-Europa 123 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 123

legitimeerde. Door de goedkeuring van kerkelijke autoriteiten en bekleed met het priesterlijk gewaad kon de Duitse commandeur in principe zijn gang gaan. Op het landgoed Zionsburg werd een commandeurshuis gebouwd dat met een onderaardse gang in verbinding stond met de Lambertuskerk. Waar deze gang goed voor was, is een klein raadsel: de pastoor hoefde alleen maar de straat over te steken om bij zijn kerk te komen. Wilde hij niet gezien worden, werden er geheime goederen over en weer verplaatst, of was het een vluchtweg in het geval dat de kerk geplunderd werd? Vluchtte de pastoor dan van de kerk naar het huis, of juist andersom? We weten het niet. Toch is het bestaan van de gang door verschillende bronnen bevestigd.39 Was Gemert een kasteel met torens en slotgrachten, Vught had het voorkomen van een vredig landhuis. Naast de commandeur huisvestte de commanderij een handjevol priesters om hem te assisteren in godsdienstoefeningen en verbleven er een paar ridders

die toezicht hielden over het huiselijk bestuur. Ridders en priesters hadden dezelfde rechten en plichten. Deze bestonden naast het bestieren van het landgoed uit het bijwonen van de kerkdiensten en de kapittels, en het beheer en de verkoop van goederen. Door de aanwezigheid van tuinen, naburige akkers en een uitgebreide staf zal het huis uiterlijk niet veel verschild hebben van die van de Vughtse landheren. Dat er lustig handel werd gedreven was voor een kerkelijke instantie in de Middeleeuwen geen uitzonderlijkheid. De commanderij had een opvallend rustig en landelijk karakter en lijkt haar best te hebben gedaan om niet op te vallen. Een kleine honderd jaar lukte het de commanderij buiten de kronieken te worden gehouden en zelfs voor een vredige parochie opmerkelijk nondescript te blijven. Het Duitse Huis was, althans naar buiten toe, bescheiden, onbelangrijk en verre van vermogend. Helaas weten we over die eerste honderd jaar zo goed als niets. De eerste commandeurs/pastoors van de Lambertusparochie verschijnen pas op papier in 1334 en 1342. Hier zijn ze nog naamloos en er wordt uitsluitend melding gemaakt van de commandeur van

124 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 124 Vught. Pas in 1374 verschijnt er ene Arnd van Uden als persoen van Vught, in 1387 gevolgd door Jan van Uden, die vermoedelijk priester is van de Lambertuskerk. In 1389 volgt er weer een naamloze commandeur. Een Gerardus de Berkel wordt genoemd, maar aan zijn naam is geen datum verbonden. In het jaar 1400 vinden we een Lambertus Ottonis die met de functie in verband wordt gebracht. De eerste commandeur die we definitief bij naam kennen is Willem van Roesmeer. Hij leefde rond 1400 en de eerste vermelding over hem stamt van 10 mei 1405. Wat we van hem weten is dat hij zich erg schijnt te hebben ingespannen om de commanderij draaiende te houden. Heel succesvol was hij daarin niet. De

commanderij van Vught lijkt in die tijd erg arm te zijn geweest, tenminste naar buiten toe. Dit is in overeenstemming met de gelofte van armoede, maar in flagrante tegenspraak met de rijkdommen die de Duitse Orde in het oosten vergaarde. De hier beschreven armoede kan te maken hebben met het feit dat de ordestaat in 1400 over haar hoogtepunt heen was. Blijkbaar moest het Duitse Huis in Vught het vanaf die tijd zonder steun uit de Heimat stellen. Nadat de Teutonen in 1410, met de rampzalig verlopen campagnes tegen de Baltische rebellen, het onderspit hadden gedolven, was Vught geheel op zichzelf aangewezen. In de vijftiende eeuw ging het Huis meermalen gebukt onder geldgebrek en de schade van overstromingen. Onder opeenvolgende commandeurs bleef het sappelen. Pas halverwege de zestiende eeuw vond er een opleving plaats, en daar zullen wij het verhaal later oppakken.

Over de eerste driehonderd jaar van haar bestaan lijkt de commanderij van Vught dus een vredig, zij het moeizaam bestaan te leiden. Toch was er iets niet in de haak. Waar de overige commanderijen in de Nederlanden moeite deden zich te ontplooien en zich land toe te eigenen (in feite de doelstelling van de Duitse Orde) deed Vught niet veel meer dan voortbestaan. Vught bezat een paar landerijen in de omgeving, kocht en verkocht wat goederen, maar deed geen enkele moeite zich in haar hoedanigheid te verrijken. De naburige Machutuskluis (een klein gebouwtje waar de heilige 125 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 125 Machutus vereerd werd) leverde nog meer geld op dan de parochie onder de pastoors. De commandeur oefende, in tegenstelling tot zijn collega in Gemert, geen heerlijke rechten uit. In driehonderd jaar bereikte de

commanderij zo goed als niets. Het was alsof zij van hogerhand bevel had gekregen om zich in elk opzicht zoveel mogelijk op de vlakte te houden. Het Duitse Huis in Vught bestond, meer niet. Wat kunnen de Duitse Orde en de Teutoonse handelsfederatie met deze buitenpost op het oog hebben gehad? Was Vught gewoon een prutscommanderij die het verder zelf maar uit moest zoeken? Nee, want het Huis werd door grote namen geprotegeerd. Al vanaf het begin, wanneer plaatselijke regenten geld roken in de toen nog welvarende commanderij, werd er van hogerhand ingegrepen. In de nog overgebleven archieven van de Duitse Orde in Vught, die in het Rijksarchief van Noord-Brabant worden bewaard, zijn er voorbeelden te over van gevallen waarin het Huis wordt gevrijwaard van cijnzen, bedolven onder privileges en behoed voor inhalige overheidsfunctionarissen. Samenvattend kunnen we stellen dat Vught een zeer bijzondere plaats innam. Naarmate ons onderzoek vorderde, bleek dat deze

parochie in handen van een vreemde mogendheid een veel grotere rol speelde dan we aanvankelijk dachten. Het geheim van Vught Het is moeilijk om aan de hand van deze gegevens te bepalen wat de rol van Vught precies was, aan wie het behoorde en welk belang het in de Middeleeuwen had. De hertogen hadden er mogelijk al vor 1200 een kerk, maar Hendrik I verkreeg Vught pas bij de annexatie van 1232. Wanneer de oorspronkelijke Lambertuskerk precies gesticht is weten we ook niet, noch wat de betrokkenheid van de Vughtse herenboeren daarbij is geweest. Zelfs de Duitse claims uit de tiende eeuw zijn niet met zekerheid vast te stellen. De snelheid waarmee de Duitsers zich in het Vughtse vestigen (10 jaar na de oprichting van de Duitse Orde) deed ons echter 126 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 126 vermoeden dat het dorp al heel vroeg in de kijker van de Duitse ridders lag. We bleven het gevoel hebben dat het op de een of andere manier van groot belang was, dat er aan het dorp iets speciaals was, iets waarop de Duitse Orde haar zinnen had gezet. We hebben al aangetoond dat de hele Duitse expansiepolitiek de oprichting van de Teutoonse Orde, de Hanze, de Baltische kruistocht de indruk wekt een vooropgezet plan te zijn. Een plan dat mogelijk al heel lang op de plank lag. De ontwikkelingen volgen elkaar vanaf het stichtingsjaar 1190 zo snel op dat er van toeval nauwelijks sprake kan zijn. Laten we alles nog eens op een rijtje zetten. In 1190 wordt de Duitse Orde opgericht door kooplieden uit Bremen en Lubeck de eerste Hanzesteden. De daaropvolgende jaren beijvert grootmeester Hermann von Salza zich in het uitbreiden en consolideren van de orde. Samen met de Duitse

keizer krijgt hij Jeruzalem in handen en verkrijgt hij de pauselijke bul die hem in staat stelt in Noord-Europa huis te houden. De orde verovert enorme stukken grond, richt de ordestaat op en plaveit de weg voor een grootscheepse handelsfederatie: de Hanze. Nog voordat de Baltische kruistocht van start gaat en de hele operatie uberhaupt door het Vaticaan is goedgekeurd, bewegen de Duitsers zich al naar het westen. In Nederland en Duitsland schieten de commanderijen als paddestoelen uit de grond. Hele legers worden uit de grond gestampt, startklaar gemaakt voor de Europese kruistocht. Er worden pacten gesloten met plaatselijke sleutelfiguren, zoals de ambitieuze hertogen van Brabant, die de Duitsers in contact kunnen brengen met de plaatselijke adel en de waterwegen naar open zee. Steden worden een voor een verbonden aan een economische grootmacht, bestuurd door de steden Bremen, Hamburg en Lubeck, een grootmacht beschermd door een machtig leger, een grootmacht die niet onderhorig is aan vorsten of pausen, maar die door associatie met de kruisvaarders een vrijbrief heeft om heel Noord-Europa tot diep in Rusland onder haar

beheer te brengen. In 1230 gaat de kruistocht officieel van start en slechts negen jaar later is de federatie al in het bezit van enorme stukken grond. De ordestaat, de grootste koloniale successtory van de Middel127 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 127 eeuwen, is een feit. Tegen de tijd dat de tempeliers, naar wier voorbeeld de Duitse Orde is opgericht en aan wie haar huisstijl (het zwarte kruis) ontleend is, in Frankrijk worden uitgemoord, is de ordestaat op het toppunt van haar macht. De Germanen hebben zich in minder dan een eeuw tijd meester gemaakt van een reusachtig deel van Europa. En het mooiste van alles is: geen haan kraait ernaar. De Hanze is, nogmaals, een revolutie die met fluwelen handschoen voltrokken is. Geluk noch toeval hebben een rol gespeeld: het betreft een schaakspel dat van

tevoren is uitgestippeld. De stukken zijn met de grootste nauwkeurigheid geplaatst en op het juiste moment uitgespeeld. De pionnen de kruisvaardersvloot, de havensteden aan de Oostzee, de handelsbetrekkingen met omringende landen, de commanderijen in de Lage Landen zijn op voorhand bepaald en de belangrijke stukken de Koning en de Bisschop zorgvuldig in de juiste positie gemanoeuvreerd. Nog voordat de Duitse Orde als zodanig bekend is, heeft ze al een claim gelegd op verschillende strategische plekken in Nederland, is er een weg gebaand naar de Noordzee en is er een overnamebod gedaan op plaatsen die de Duitsers van betekenis achten. Commanderijen in Gelderland, Utrecht, Friesland en Zeeland worden vanaf 1218 verworven, Hollandse steden sluiten zich in de loop der tijd aan bij de Hanze. Maar als Hezenmans bron gelijk heeft en er al rond 1200 sprake is van Duitse bemoeienissen rond Vught, lijkt het er sterk op dat Vught op de een of andere manier deel uitmaakt van dit plan. In dezelfde tijd dat de Duitse kruisvaarders rondlummelen in Palestina, dient een aantal Duitse ridders zich als bij toverslag aan in Vught. Waarom?

Wat was er in dit onaanzienlijke dorp te halen? Misschien, zo gingen we gaandeweg vermoeden, ging het niet om wat er te halen viel, maar om wat er naartoe was gebracht. We waren de verhalen rond Zionsburg en de vermeende schatten niet vergeten. Is het mogelijk dat het commandeurshuis in Vught inderdaad rijkdommen bezat waarvan we niets weten? Dit strookt niet met het huis als arme priorij. Ook maken de nog bestaande 128 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 128 archieven (ze zijn incompleet) geen melding van grote hoeveelheden geld of goud, eerder het tegendeel. Op het eerste gezicht werden er alleen kleine transacties verricht en moesten de eindjes aan elkaar worden geknoopt. Maar waarom vielen de commanderij en het latere Zionsburg dan in de kijker van koningen,

spionnen, schatzoekers en de machtigen der aarde? Was het misschien geen geldschat, maar iets anders? Iets wat op een andere manier van waarde was? Een ding is zeker: vanaf de oprichting van het Duitse Huis in Vught, met name na het jaar 1300, zijn er verschillende geheimzinnige individuen nauw betrokken bij de commanderij. Een paar van die figuren zullen we in het volgende hoofdstuk bekijken. 129 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 129 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 130

Hoofdstuk 7 Het pact van Woeringen Het geval Floris V Bij het bestuderen van de Slag van Woeringen viel ons in de kroniek van Jan van Heelu (zie noot 30) een op het eerste gezicht terloopse zinsnede op, die we in een eerder hoofdstuk al hebben aangehaald. Hierin wordt kortweg vermeld dat de Brabantse hertog op het slagveld werd bijgestaan door twee schildknapen: Nicolaas van Uden en Wouter van de Kapellen. Vervolgens staat er: Jan van Arkel en Jan van Heusden bevelen een Hollandse afdeling, die zich te voegen heeft naar de orders van de heer van Cuyk. Eerst lazen we hier overheen. Het leek ons niet belangrijk, gewoon een homerische opsomming van wie er allemaal bij die slag aanwezig waren. Een paar van de hier genoemde namen, Van Uden, Van Arkel, Van Heusden en Van Cuyk, begonnen echter vaker op te duiken in het onderzoek. Aanvankelijk zeiden de namen

ons niets. Maar omdat ze steeds terugkeerden, leken ze een bepaalde rol te spelen in de intrige. Wie was dit kliekje Hollanders? Waarom schaarden ze zich bij Woeringen achter de hertog? Wij kwamen erachter dat deze historische figuren geen onbekenden waren. Er kleefde, zo ontdekten we, een bloedige reputatie aan de sinistere vrienden van Jan I. In onze naspeuringen stuitten we wederom op een moordzaak. Ditmaal betrof het geen moderne affaire, maar een nooit opgelost mysterie uit de dertiende eeuw: de moord op de Hollandse graaf Floris V. 131 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 131 In de jaren na de slag van Woeringen nam het aantal

Hanzesteden in Gelre en Brabant explosief toe. Ook Hollandse steden begonnen geestdriftig handel te drijven. Met name de wolhandel via Dordrecht speelde een belangrijke rol en tegen het eind van de dertiende eeuw verliep een groot deel van het verkeer via Holland. Hoewel de Hollanders niet actief hadden deelgenomen aan de Slag van Woeringen, stond graaf Floris V van Holland op goede voet met de Brabantse hertog; het was Jan die de jonge graaf in 1277 tot ridder sloeg tijdens plechtige feestelijkheden in sHertogenbosch. In datzelfde jaar probeerde Floris een verbond te sluiten met Vlaanderen om zodoende de wolhandel te intensiveren en wellicht ook een militair verbond te smeden met zijn zuiderburen, maar het plan draaide op niets uit. Graaf Guy van Dampierre van Vlaanderen zag niet veel in een dergelijk verbond: hij had zijn zinnen gezet op een compleet monopolie van de wolhandel. En dit monopolie zou ook voor buurman Brabant meer voordeel opleveren, aangezien de koggeschepen dan via Vlaanderen (in deze tijd deel van Brabant) door het hertogdom zouden varen in plaats van via de oevers aan de Noordzee. Floris was echter

niet van plan om de graaf van Vlaanderen hierin tegemoet te komen. Zowel Vlaanderen als Brabant zag het gedrag van Floris met argusogen aan. De graaf was wat hun betreft wat al te veel op zijn onafhankelijkheid gesteld, en in de tussentijd liepen de beide heren veel geld mis. De relatie verslechterde dramatisch. Floris was niet bereid gebleken ook maar de minste concessie te doen. In 1290 besloot hertog Jan er een stokje voor te steken. Hij nodigde graaf Floris V uit voor een gesprek in het Zeeuwse Biervliet. Naast de hertog zou ook de Vlaamse graaf aanwezig zijn. Maar kort na zijn binnenkomst werd Floris in de boeien geslagen. Men dwong hem een verdrag af waarin de graaf zijn rechten op de wolhandel zou opgeven ten gunste van Vlaanderen. Daarnaast zou hij zijn vrijheid moeten bekopen met een aanzienlijk losgeldbedrag. Floris beloofde plechtig het verdrag te eerbiedigen en het losgeld te betalen, maar eenmaal terug in zijn veilige vesting negeerde hij de gemaakte afspraken volledig en keerde geen cent uit. Jan en Guy waren in alle staten en vast van plan wraak te nemen.

132 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 132 Maar de Brabantse hertog maakte zijn wraak niet meer mee. Die taak kwam nu zijn opvolger toe. De oorlogsheld Jan I ging heen en de volgende Jan nam zijn plaats in. Het bedje van hertog Jan II van Brabant was min of meer gespreid. Hij was niet bepaald een oorlogszuchtige hertog en zette zich vooral in voor de economische versterking van Brabant. Rondom Brabant waren echter allerlei oorlogen losgebroken: Vlaanderen lag in de clinch met Frankrijk, dat op zijn beurt weer oorlog voerde tegen Engeland. En dan was daar nog de kwestie van de opstandige Hollandse graaf. Wat moest Brabant met hem aan? Koning Edward I van Engeland voelde er niets voor om zich te mengen in de twisten op het vasteland. Hij wilde gewoon een zo gunstig mogelijke deal. De nieuwe

Brabantse hertog moest dus zelf een oplossing vinden voor het probleem. Gelukkig stond hij er niet alleen voor: een deel van de erfenis die Jan II toekwam was de innige vriendschap met de graaf van Vlaanderen, die ook nog een appeltje te schillen had met de Hollander, graaf Floris de eedbreker. In 1296 gebeurt het onvermijdelijke: Floris V wordt vanwege zijn pogingen het tegen de hertog en de machtige Teutoonse federatie op te nemen gevangengenomen en weggevoerd naar onbekende bestemming. En dan escaleert de situatie: Floris probeert zijn ontvoerders te ontvluchten, wordt ingehaald, van zijn paard getrokken en met sabels neergestoken. Bij opgraving van het skelet in 1949 kwam aan het licht dat Floris maar liefst 21 sabelsteken had gencasseerd. Hieruit blijkt dat de moordenaars niets aan het toeval wilden overlaten. De graaf mocht in geen geval ontkomen. Aldus komt de eigenzinnige Floris V op caesariaanse wijze aan zijn eind. Men kent de moordenaars bij naam: het betreft vijf edelmannen die hun eigen vetes uit te vechten hadden met de

Hollandse graaf en die zeer bereid waren om het Brabants-Vlaamse complot tot uitvoering te brengen. 133 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 133 The Usual Suspects Wie waren deze vijf edelen? De Utrechtse kanunnik Johannes de Beka schreef omstreeks het midden van de veertiende eeuw een kroniek over Floris V en zijn dramatische dood. Hij verhaalt dat de graaf na de moordaanslag nog enige laatste woorden aan het adres van zijn belagers richtte: Toen sprak de graaf: Herman [van Woerden], het was niet nodig geweest, dat weet God die alles kent, dat u zich zo wreed tegen mij (...) zou gedragen; dat

was zijn laatste woord...40 Hoe de kanunnik dit wist is niet helemaal duidelijk; het is per slot van rekening niet waarschijnlijk dat een van de daders dit naar buiten heeft gebracht. Toch weten we vrijwel zeker wie er bij de moord betrokken waren. Onderzoeker Ton Oosterhuis werpt in zijn boek De moordzaak Floris de Vijfde de these op dat niemand minder dan de Brabantse hertog de opdrachtgever was van de ontvoering en de moord. Motief: wraak om Floris smadelijke eedbreuk. Hoofdmotief: het onklaar maken van de plannen van de graaf, om daarmee de Engelse wolhandel over te sluizen naar Vlaanderen en Brabant. De hertog was niet alleen. Om het snode plan tot uitvoering te brengen deed hij een beroep op de vrienden van zijn vader. Als dit een moderne moordzaak was geweest had de politie waarschijnlijk het volgende rijtje verdachten opgetrommeld: Jan van Cuyk, Jan van Heusden, Jan van Arkel, Gijsbrecht van Amstel en Dirk van Brederode. Wat hebben deze vijf figuren met elkaar

gemeen? Ze vochten bij Woeringen, waren allemaal agenten van de Duitse Orde en hadden, zoals we zullen zien, een intrigerende link met het mysterie rond Vught. De man die namens de Brabantse hertog toezicht moest houden op het welslagen van het complot tegen Floris V, was ene Jan van Cuyk. Deze pion van de Brabantse hertog nam een centrale plaats in binnen het complot. Het was Van Cuyk die de edelmannen bij elkaar bracht en Van Brederode interesseerde voor de samenzwering. Cruciaal was dat de verschillende belanghebbenden elkaar op een veilige en discrete locatie konden treffen. In die dagen geen 134 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 134 gemakkelijke opgave. We weten dat het plan in Utrecht is bekokstoofd, maar waar precies is onbekend. Ook weten we dat Brabant in datzelfde jaar, 1296, een

bisschopszetel schonk aan het bisdom Utrecht. Gezien de hechte banden tussen de Brabanders en de Duitse Orde ligt het Duitse Huis voor de hand als ontmoetingsplaats. Omdat het huis in de dertiende eeuw buiten de stadsmuren lag, konden de samenzweerders hier in volledige anonimiteit vergaderen. Bovendien was men verzekerd van de bescherming van de gewapende broeders. Onder de hoede van de Duitse ridders, op neutraal grondgebied zogezegd, kwamen de mannen bijeen om hun plannen uit te broeden. Dat de Duitse ridders in alle documenten buiten schot blijven is makkelijk te begrijpen. Zoals altijd weefde de orde een web van leugens en stromannen om zich heen, een cocon van tegengestelde belangen, zodat geen enkel spoor naar haar zou terugvoeren. Onder haar auspicien werden de complotten geconstrueerd en de moord beraamd. En de pauselijke bul garandeerde haar onschuld. Het spreekt voor zich dat de Duitse Orde belang had bij het verkrijgen van de Hollandse districten van graaf Floris. Naast Jan van Cuyk, die het geheel overzag, en de vier

reeds genoemde samenzweerders werd het bloeddorstige gezelschap geleid door Gerard van Velzen en Herman van Woerden. De laatste twee waren weliswaar niet betrokken bij de slag van Woeringen, maar maakten wel deel uit van het moordcomplot. Na de gewelddadige dood van de graaf vluchtten de daders naar vooraf zorgvuldig uitgekozen locaties: sommigen werden gesnapt en terechtgesteld, anderen wisten de dans te ontspringen. Gerard van Velzen werd gepakt en op een zelfs voor de Middeleeuwen uitzonderlijk wrede manier afgemaakt: hij werd in een biervat gepropt dat aan de binnenkant van spijkers was voorzien en vervolgens drie dagen lang door de straten van Leiden gerold. Voordat de straf ten uitvoer werd gebracht noemde Van Velzen de namen van de verschillende opdrachtgevers en medeplichtigen. Als eerste en voornaamste aanstichter noemt hij hertog Jan II van Brabant, op de voet gevolgd door de graaf van Vlaanderen. Over de rol van voorname edelen zoals Dirk van Brederode en Jan van Cuyk zwijgt 135 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 135 hij merkwaardig genoeg in alle talen. Zelfs met de dood in de ogen weigert hij hun namen te noemen. Melis Stoke, een Hollandse klerk en de schrijver op wie vrijwel alle latere onderzoekers zich beroepen, klapt behoorlijk uit de school wanneer hij de verdachten opsomt. Maar ook Stoke houdt zijn kaken stijf op elkaar als het gaat om het aandeel van Van Brederode in de slachting. Dit is allemaal erg vreemd, want uit verschillende documenten is gebleken dat hij een aanzienlijk aandeel had in de planning en organisatie van het complot. We besloten voor detective te spelen en de verdachten eens op een rijtje te zetten. Door hun daden, en die van hun nazaten, op de voet te volgen hoopten we meer te weten te komen over hun rol in de intrige. We ontdekten al gauw dat ze meer op hun kerfstok hadden dan de moord op een tegenstander van de Duitse Orde.

De hand-en spandiensten die ze voor de Germanen verrichtten gingen veel verder. Gerard van Velzen en Herman van Woerden buiten beschouwing latend komen we dan op het eerder genoemde vijftal. De eerste verdachte: Gijsbrecht van Amstel De eerste edele die wordt genoemd in verband met de moord op Floris is Gijsbrecht van Amstel. Hoewel Gijsbrecht van het stelletje de meest tot de verbeelding sprekende figuur is (Vondel wijdde een toneelstuk aan zijn avonturen) werden we van hem niet veel wijzer. Hij ontglipte ons zoals hij de autoriteiten ontglipte. Gijsbrecht van Amstel ontliep zijn straf door zich een paar jaar terug te trekken in het Duitse Kleef. Tenminste, dat is de gangbare theorie. De Groningse historicus Pim de Boer maakt aannemelijk dat Gijsbrecht na zijn zelfopgelegde verbanning met een paar handlangers betrokken is geweest bij de stichting van de stad Pruisisch Holland in de Duitse ordestaat. Gijsbrecht moet dus een ridder in de Duitse Orde zijn geweest, want steden stichten in de ordestaat was

alleen voorbehouden aan volwaardige kruisvaarders. Hieruit blijken nogmaals de nauwe banden die de samen136 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 136 zweerders onderhielden met de Duitse Orde. In het begin van de veertiende eeuw keerde Gijsbrecht trouwens doodleuk terug naar Holland en hervatte zijn oude leventje alsof er niets was gebeurd. De autoriteiten lieten hem met rust. Werd hij wellicht door onbekende machten beschermd? De tweede dader, Herman van Woerden, de man tot wie de arme Floris zijn laatste woorden richtte, ontsnapte na de moord en week uit naar de stad sHertogenbosch. Inderdaad. Ongeveer rond de tijd dat Gerard van

Velzen in een vat door Leiden werd gerold, verbleven zijn medesamenzweerders, Herman van Woerden en Jan van Heusden, veilig en wel binnen de muren van die stad. Herman week uit naar Den Bosch terwijl Gijsbrecht van Amstel zoals gezegd zijn toevlucht zocht in Pruisisch Holland. Over Hermans verblijf in Den Bosch is helaas nauwelijks iets bekend, maar het ligt voor de hand te veronderstellen dat de stad een toevluchtsoord werd voor alle vrienden van de hertog, de opdrachtgever van de moord. De stad was in deze tijd goed op weg een belangrijke handelsstad te worden. Den Bosch nam binnen het Hanzenetwerk een bijzondere plek in: het was officieel geen Hanzestad, maar bezat vreemd genoeg wel alle privileges die aan een Hanzestad werden toegekend. Het lijkt erop dat de Brabantse hertog van de Duitse Orde wel de rechten, maar niet de plichten had gekregen. s-Hertogenbosch was, gezien het feit dat de vrienden van de hertog er asiel kregen, ook een machtige

vestingstad geworden. Een bolwerk midden in de moerassen dat de reputatie had onneembaar te zijn. Maar terwijl de dreiging van buitenaf steeds kleiner werd, groeide de dreiging van een conflict binnen de stadsmuren. De stad breidde zich in de loop van de dertiende eeuw almaar verder uit; handwerkslieden begonnen zich te verzamelen in gilden en eisten langzaamaan een rol op in het dagelijks bestuur van de stad. De verschillende gilden met hun uiteenlopende belangen zorgden binnen de stadsmuren herhaaldelijk voor spanningen. Soms liepen de conflicten zo hoog op dat de hertog in hoogsteigen persoon tussenbeide moest komen om de vrede te bewaren. Gelukkig stond hij hierin niet alleen. 137 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 137

De tweede verdachte: Jan van Cuyk Niet lang na Herman van Woerdens komst naar de stad bood Den Bosch bescherming aan nog een samenzweerder: Jan van Cuyk. De band tussen de Van Woerdens en de Van Cuyks zou ook in latere jaren niet aan kracht inboeten: de families trouwden fanatiek bij elkaar in. Het niet onaanzienlijke kapitaal van Jan ging bij zijn dood onder andere over op de dochters van Herman van Woerden. Datzelfde geldt trouwens voor de familie Van Heusden: ook Jan van Heusden was nauw betrokken geweest bij het complot tegen Floris, en uit angst voor de zoon van de vermoorde graaf nam ook hij zijn toevlucht tot de vesting Den Bosch. Overigens is dit dezelfde Van Heusden die meevocht onder de banier van de heer Van Cuyk in de Slag van Woeringen. De relatie is nog inniger: In 1306 waren beide vrienden betrokken bij het tekenen van de vriendschap tussen Den Bosch en Heusden. De band hield echter niet op bij geld en bloed. Ze waren verbonden in iets wat hen eeuwenlang bijeen heeft gehouden, een afspraak rondom iets duisters dat tot op

de dag van vandaag onopgehelderd is gebleven. Jan werd geboren rond 1230. In eerste instantie ontpopte hij zich niet zozeer als een groot militair leider, eerder als een kundig diplomaat. Waarschijnlijk om deze reden wist hij grote successen te behalen. Meer nog dan zijn voorgangers breidde Jan het familiebezit in Grave uit door nauwe banden te onderhouden met belangrijke buren zoals de aartsbisschop van Keulen, de bisschop van Utrecht en anderen: omstreeks 1260 trad hij in het huwelijk met Jutta van Nassau, zus van de Utrechtse bisschop, Jan van Nassau. De Rooms-koning Adolf van Nassau was zijn bloedeigen neef. Vooral deze laatste had een uitstekende band met Jan van Cuyk. In maart 1295 beklaagt koning Adolf zich bij de Engelse koning Edward I over de Engelse inbeslagname van Hanzeschepen uit Riga en Dortmund. Hierop benaderde Van Cuyk de Engelse koning met het verzoek de Hanzeschepen vrij te laten om hun waar te kunnen verhandelen. En met succes: Edward liet de Hanzeschepen hun gang gaan. Veelzeggend is, dat Jan in het conflict tussen neef Adolf en zijn tegenstrever, de

Habsburgse graaf Albrecht I van 138 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 138 Oostenrijk, ten slotte partij koos voor de laatste die het later inderdaad won van Adolf van Nassau. Hieruit blijkt dat hij uitstekend op de hoogte was van de internationale verhoudingen en een Von Salza-achtige neus bezat voor het wedden op het juiste paard. Terwijl hij in het begin alleen maar geld heen en weer sluisde in zijn dubbelrol als leenheer van Edward I van Engeland en van hertog Jan, zou hij zich later ook bekwamen op het slagveld, zoals zijn aandeel in de slag van Woeringen bewijst. Jan van Heelu bezingt de rol van Jan in zijn kroniek over de veldslag. De commandeur van Bekkevoort houdt niet op Van Cuyk te overladen met complimenten over zijn manhaftige optreden tegen de Gelderse struikrovers en de bisschop van Luik: Van Cuc die vrome riddere.41

De zoon van de vermoorde Floris V ondertussen, was woedend. Bijna alle moordenaars van zijn vader waren gevlogen en liepen ook nog eens vrij rond in de landen van de Brabantse hertog. In een brief aan het bestuur van s-Hertogenbosch, gedateerd op 18 oktober 1297, dreigt hij met maatregelen als de stad de moordenaars van zijn vader blijft huisvesten en beschermen. Jan van Cuyk hoefde zich geen zorgen te maken. Veilig in de vestingstad Den Bosch kon hem niets overkomen. In ruil voor hertogelijke bescherming hield Van Cuyk zich onledig met het economisch versterken van de stad. Hiervoor zou hij de banden met Lubeck aanhalen. Wat er ook gebeurde, de Hanze moest en zou ertoe worden aangezet in de stad te investeren. Het is bekend dat Jan van Cuyk al in 1279 contacten onderhield met de Teutoonse handelsfederatie, toen hij de Hanzelieden veilige doortocht verleende in zijn eigen landgoed Grave. We hebben Van Cuyk al leren kennen als een geraffineerd sujet, en een trouwe vazal van de hertog.

Dat hij de schakel vormde tussen de moordenaars van Floris V en de Brabantse hertog staat inmiddels buiten kijf. Maar niet alles verliep volgens plan. In Den Bosch vertoonden de verschillende gilden tekenen van groeiende onvrede. Jan van Cuyk werd door de hertog uitgezonden naar Den Bosch om zijn rebellerende onderdanen een duchtig lesje te leren. Maar sommige gilden boden verzet. 139 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 139 In de winter van 1305-1306 kwam het tot een gewapend treffen: Jan van Cuyk en zijn huurlingen rukten op, evenals de gewapende arm van de Bossche gilden, waarbij de laatste een militair succesje wist te boeken op de eerste. Maar deze onbeschaamdheid werd zwaar bestraft, zoals was te verwachten. Het

verzet was geen lang leven beschoren. Aan de andere kant was de hertog ook afhankelijk van de gilden en dan vooral van de lucratievere gilden. Misschien eindigde het conflict daarom in een patstelling. Deze patstelling veranderde geleidelijk in een afspraak die ten slotte bezegeld werd in het charter van Rosmalen. Dit hertogelijk decreet hield ruwweg in dat het democratische proces dat door de gilden was ingezet weliswaar werd teruggedraaid, maar de gilden kregen, anders dan vroeger, nu wel een klein aandeel in het bestuur van de stad. Op 13 juli 1308 stierf Jan van Cuyk op de zeer eerbiedwaardige leeftijd van 78 jaar. Een rechercheur zou op basis van de feiten die we zojuist naar voren hebben gebracht tot de volgende slotsom komen: Jan van Cuyk was een agent van de Brabantse hertog maar bovenal behartigde hij de belangen van de Teutonen in de Nederlanden. Het feit dat hij zich in s-Hertogenbosch ophield wijst er tevens op dat zijn meesters een bepaalde bedoeling hadden

met de stad. Een bedoeling die, zoals we zullen zien, ingegeven werd door meer dan alleen politieke of economische motieven. De derde verdachte: Jan van Heusden In Van Heelus epos over de slag van Woeringen speelt het geslacht Van Heusden een kleine maar belangrijke rol. In 1318 brak er een hevige strijd uit tussen Brabant en Holland om het land van Heusden. Al onder Floris V had Holland deze belangrijke Maasstad verschillende keren opgeest, maar telkens zonder succes. De Hollanders en Brabanders stonden sinds de moord op graaf Floris al op gespannen voet met elkaar en een Hollandse aanspraak op Heusden maakte de situatie er niet beter op. Het graafschap Kleef 140 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 140

in Duitsland was ook niet blij met de Hollandse claim, zodat zij zich in alliantie verbonden wist met de Brabantse hertog en de stad s-Hertogenbosch. Zoals we zullen zien, was dit niet hun enige gezamenlijk belang in de stad van de hertog. Ook Kleef had zich aan de zijde van hertog Jan geschaard in de Slag van Woeringen. Daarbij waren de Teutonen zich bewust van het belang dat deze stad vertegenwoordigde voor de handel. Ze zullen er bij hertog Jan op hebben aangedrongen om de opstandige Hollanders buiten de deur te houden. De hertog op zijn beurt schakelde pactlid Jan van Heusden in om toezicht te houden op deze cruciale plaats aan de Maas. Tenslotte verliep een belangrijk deel van de handel via de grote rivieren, langs de vittes Kleef-Heusden-Den Bosch. Een goede relatie tussen de deelnemende partijen was dus cruciaal voor het welslagen van de gehele onderneming. In een oorkonde van 13 juli 1318 verklaart Dirk IX van Kleef dat hij de stad Heusden voortaan in leen zou houden van de Brabantse hertog.

Zowel Brabant als Kleef beheerden dus de strategische stad voor de Teutonen als een gezamenlijke investering. Deze investering kwam echter ernstig in gevaar toen de zoon van Floris V, nog steeds uit op wraak, in 1318 de stoute schoenen aantrok en op Heusden afmarcheerde. Maar hij stevende af op een nederlaag: de Brabanders bleken eens te meer te sterk en de Hollandse graaf moest zich neerleggen bij het feit dat niet hij, maar de Brabantse hertog de vesting Heusden zou verwerven. Vanaf dat moment was de zaak beklonken. Jan van Heusden zou voortaan de zaken namens de hertog van Brabant en de graaf van Kleef behartigen. Hertog Jan had, met dank aan Van Heusden, de havenstad eindelijk aan de Hollandse invloedsfeer onttrokken. Nu was het zaak de handel met de rest van Noord-Europa verder te bevorderen. Nu Tiel en Heusden in zijn bezit waren, was het terrein vrijgemaakt voor de Teutonen uit Lubeck en hun handlangers. Wat willen deze ontwikkelingen nu allemaal zeggen? In feite alleen maar dat de Duitse Orde (in haar

hoedanigheid van de Hanze) niet alleen optrad als een economische grootmacht, maar dat zij achter de schermen de vroege politieke geschiedenis 141 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 141 van de Nederlanden dicteerde. Omslachtige gildenopstanden in Den Bosch en oorlogen om Heusden kun je allemaal meteen weer vergeten. Het gaat om de oprukkende macht van de Duitse samenzweerders. De Duitsers gaven opdracht tot liquidaties en militaire campagnes en wisten door talloze kuiperijen hun macht in het westen aan te trekken. Spilfiguur in deze grootscheepse manipulatie is de marionettenhertog van Brabant. Bemiddelaars tussen hem en de Duitse Orde zijn de pactleden van Woeringen, die met en been in het Nederlandse en met het andere in het Duitse staan. Eind 1318 werd de Brabants-Kleefse overwinning op Holland bezegeld

tijdens een topbijeenkomst tussen beide partijen op het kasteel Heeze (nabij Eindhoven). Hier waren alle belanghebbenden bij aanwezig. Het Pact van Woeringen, dat in de voorafgaande dertig jaar zo veel macht had vergaard, zou op het kasteel de kelk heffen om het succes te vieren. Ongetwijfeld werd hier ook gesproken over de toekomst. Nu het machtsblok Brabant-Kleef was bereikt, kon men zich helemaal richten op hun belang in s-Hertogenbosch. Aardig detail: een legende verhaalt dat het kasteel Heeze ooit een tempeliersbolwerk was en dat de ridders er een tunnel hadden gegraven die naar een onbekende locatie voerde. De connectie met de tempeliers is echter nogal vergezocht, omdat deze ridderorde in Brabant nauwelijks sporen heeft nagelaten en in de Nederlanden uberhaupt weinig in de melk te brokkelen had. Alles wijst erop dat we hier aan een andere ridderorde moeten denken. Een die wel ruimschoots in de omgeving vertegenwoordigd was: de Duitse Orde. Inderdaad hadden de Teutonen veel bezittingen in de omgeving van het kasteel, zoals in het nabijgelegen

Geldrop. Hetzelfde jaar 1318 zou de bezegeling zien van nog een andere belangrijke onderneming. Ook deze was gelieerd aan de Duitse Orde en belegd door de pactleden. We komen hier nog op terug. De familie Van Heusden had kortom bewezen trouwe compagnons voort te brengen en had inmiddels voldoende krediet opgebouwd om te worden opgenomen in het Pact van Woeringen. 142 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 142 De vierde verdachte: Jan van Arkel Het dossier groeit. The plot thickens, zou Sherlock Holmes zeggen. Langzaam maar zeker ontwaren we een netwerk van invloedrijke individuen. Een complot dat niet zozeer tot stand is gekomen door het aandeel in de moord op Floris V, maar dat al veel eerder is

ontstaan, namelijk ten tijde van de Slag bij Woeringen. De band is zelfs zo hecht, dat deze de dood van individuele leden binnen het Pact overleeft. De fakkel wordt door de tijd heen overgedragen van vader op zoon. Hier speelt dus meer dan alleen maar een gemeenschappelijke economische politiek of economisch belang. Daarnaast duikt de naam Kleef telkens op in de dossierstukken. Ook dit spoor zullen we verder moeten volgen. Het staat inmiddels vast dat er van oudsher banden bestonden tussen de geslachten Van Cuyk en Van Heusden: sterke banden. De naam Van Arkel moet zonder meer aan het rijtje verdachten worden toegevoegd. Ooit een onbetekenend geslacht, worstelde de familie Van Arkel zich geleidelijk omhoog uit de obscuriteit en vergaarde in de loop der tijd grote rijkdommen. Al in de zevende eeuw wordt er gesproken over een dorp of gehucht genaamd Arclo, gelegen in het huidige Gelderland. De achternaam Van Arkel is daar vermoedelijk van afgeleid, hoewel de familie dit zelf in alle toonaarden zou ontkennen. Met

het oog op een nobeler herkomst speelden sommige familieleden op een zeker moment met de naam Hercules, die via een spectaculaire genealogische saltomortale met de familienaam Arkel verstrengeld raakte. Het was niet ongebruikelijk bij de hoge adel om een voorname oorsprong te verzinnen, een goddelijke link, om zo haar bevoorrechte positie te rechtvaardigen. Maar de veronderstelde bloedlijn hield niet op bij Hercules. Onder de illustere voorvaderen van de Van Arkels rekenen ze tevens personen als Julius Caesar en de Trojaanse Hektor. Van bescheidenheid kunnen de Van Arkels nauwelijks beschuldigd worden. In werkelijkheid kwam het geslacht Van Arkel in de dertiende eeuw pas net om de hoek kijken. In deze tijd kwamen de Van Arkels in het bezit van het stadje Gorinchem aan de Waal, dat 143 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 143

door een gulle schenking van de graven van Bentheim in handen van de familie was gekomen. De Hohenlohes schonken een lap grond aan de Van Arkels die het vervolgens ijverig gingen cultiveren. En het harde werk, voornamelijk over de ruggen van de lijfeigenen, wierp vruchten af. Wat eerst een kleine en relatief primitieve nederzetting was, groeide in nog geen halve eeuw uit tot een bloeiende handelskern. De Bentheims hadden een groot belang bij een welvarend en handelsgericht Gorinchem; ze stelden dan ook zeker dat het gebied in de betrouwbare handen van hun familieleden in het westen zou blijven. We hoeven er niet meer van op te kijken: wederom was een vesting in het hartje van het rivierengebied de inzet. En wederom waakte de Duitse adel over de aandelen. De eerste Van Arkel van enige betekenis werd toepasselijk Jan van Arkel de Eerste genoemd, bijgenaamd de Sterke. Zijn imponerende bijnaam had hij te danken aan zijn standvastige, gebalde vuist waarmee hij de familiebelangen zeker stelde. Die vuist had des te meer slagkracht door de flinke som duiten die erin schuilging. Onder deze Van Arkel werd het leenbezit van de familie aanzienlijk uitgebreid. Zijn

land (ook wel het land van Arkel genoemd) maakte in de dertiende eeuw en later deel uit van het grotere graafschap Holland, de aartsvijand van de Brabantse hertog. Zijn verwantschap met de families Van Egmond en Van Brederode, toen al zeer invloedrijke families, betekende een sterke wind in de rug voor de Van Arkels. Uit een akte gedateerd 23 augustus 1264 blijkt dat Van Arkel en Van Brederode met elkaar in contact stonden en elkaar diensten bewezen.42 Zijn zoon, Jan II van Arkel, haalde de banden met de edelen nog strakker aan. Hoewel Jan van Arkel een Hollandse graaf was op Hollands grondgebied, flirtte hij openlijk met de hertog van Brabant en vocht mee onder de banier van Van Cuyk in de Slag van Woeringen. Jan van Heelu prees uiteraard ook Van Arkels verrichtingen op het slagveld. Van Arkel had zijn naam gevestigd en effectief onder de aandacht van de Brabantse hertog gebracht. Voor zijn heldhaftige aandeel in de slag aan de Rijn in 1288 werd hij vervolgens rijkelijk beloond. Hertog Jan verleende hem de rechten die een edelman toekomen

als 144 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 144 hij deel gaat uitmaken van het exclusieve Pact van Woeringen. Na de slag volgden de cadeautjes elkaar snel op: Van Arkel verwierf het recht om tol te heffen op zijn grondgebied en de rivieren die erdoorheen stromen, waardoor meer en meer Hanzeschepen door het bevriende land van Arkel begonnen te varen. Het geld begon te rollen en de haven van Gorinchem bleek niet groot genoeg om die nieuwe financiele impuls te kunnen verwerken. Ook voor de Van Arkels zag de toekomst er rooskleurig uit. In de conflicten tussen Holland en Brabant nam de familie steeds een min of meer neutrale houding in. Weinig mensen konden zich een dergelijke houding permitteren. Dit was alleen vergund aan lieden die in de

gunst van de oppermachtige Teutonen stonden. Hoewel het aandeel van Van Arkel in het complot tegen Floris V niet al te groot was, onderhield hij uitstekende contacten met de samenzweerders. Zo stond Van Arkel de Tweede in het beslissende jaar 1288 borg voor Herman van Woerden en kwam hij in die dagen regelmatig over de vloer bij Gijsbrecht van Amstel. Maar hoe zat het met de Bentheim-connectie? Hoeveel invloed oefende dit notoire Duitse geslacht uit op de Van Arkels? Die vraag is gemakkelijk te beantwoorden. Zoals vaker waren ook hier bloedbanden de bepalende factor in de verhoudingen. Boudewijn, graaf van Bentheim was de oom van Jan I de Sterke en tevens zijn leenheer. De stamverwantschap wordt nog eens benadrukt door de aanwezigheid van de zwaan in de wapens van beide families. In een genealogische studie uit 1906 43 wordt aangetoond dat de beide families inderdaad verwant waren aan de graven van Kleef. De Kleefse herkomst

werd van oudsher gekoesterd door de familie in Gorinchem en hun verwanten, de graven van Bentheim. Deze verwantschap was voor de verandering eens niet uit de duim gezogen: in 1324 huwde Jan van Arkel de jonkvrouw Ermgard, dochter van de graaf van Kleef. En een halve eeuw later, in 1367, deed zijn kleinzoon Otto zelfs een gooi naar de Kleefse graventitel. Omdat ook deze Van Arkel zijn hand niet omdraaide voor een lichte genealogische verdraaiing, gebruikte hij de beroemde zwaanriddersage om zijn aanspraak op de titel kracht bij te zetten. 145 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 145 Helias, de Zwaanridder van Kleef De zwaanriddersage was al zeer populair voordat de

Van Arkels zich deze toe-eigenden. De vorsten uit Kleef beriepen zich eveneens op de sage, namelijk die van Helias de Zwaanridder, die de Rijn kwam opvaren vanuit een onbekend koninkrijk. De sage verhaalt hoe de koene ridder, omhangen met kostbare juwelen en een glanzend zwaard, aanmeert op de oevers van de Rijn bij Kleef. Men vermoedt dat het hier een voornaam en rijk heerschap betreft, en hij wordt hij vol glorie binnengehaald door Beatrix, jonkvrouw en dochter van de graaf, die de mysterieuze Zwaanridder uitnodigt om met haar mee te gaan naar de burcht van Kleef, later omgedoopt tot de Schwanenturm. Je raadt het al: de jonkvrouw valt als een blok voor de mysterieuze ridder. Ze wil hem huwen, waarmee Helias (na enig aandringen) grootmoedig instemt. Dat wil zeggen, op en voorwaarde: hij zal alleen met Beatrix in het huwelijksbootje stappen als zij nooit, maar dan ook nooit zal vragen naar zijn herkomst. Beatrix gaat akkoord en neemt de vreemde voorwaarde op de koop toe. Ze bedwingt haar nieuwsgierigheid uit liefde voor haar man. Maar de

vraag brandt op haar lippen. Naarmate de tijd verstrijkt, bijt de arme vrouw haar nagels stuk en dan, tien jaar in het huwelijk, krijgt haar nieuwsgierigheid eindelijk de overhand. Op een dag kan ze zich niet meer in bedwang houden en roept uit: Vertel me toch, Heer, vanwaar u bent komen varen! Hierop pakt Helias onmiddellijk zijn spullen, de wanhopige smeekbedes van zijn vrouw negerend, en vertrekt om nooit meer terug te keren. Kort daarop sterft Beatrix ten gevolge van een gebroken hart. De graven van Kleef deinsden er niet voor terug hun afkomst terug te voeren op deze mysterieuze zwaanridder, Helias. Dus lag het voor de hand dat de Van Arkels evenmin moeite zouden hebben om de sage (in aangepaste vorm) te verweven door de eigen familiekroniek. De Arkelse variant luidt als volgt: de stamvader, een naamloze patriarch, voer vanuit Frankrijk (en dus niet vanuit 146 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 146 Duitsland) naar het Noorden, in een boot voortgetrokken door een sneeuwwitte zwaan. De profetie luidde dat het beloofde land precies daar was, waar de zwaan zou neerstrijken. Dit land zou dan op goddelijke voorspraak aan hem en zijn nageslacht toekomen. En zo geschiedde. De Zwaan gleed sierlijk over de rivier genaamd Waal, totdat hij besloot aan te meren bij Gorinchem, waar de stamvader zijn vlag in de aarde plantte. Variaties op het zwaanridderthema deden vanaf de dertiende eeuw op tientallen plekken in Europa de ronde en werden door veel vorsten gretig benut als herkomstsage. Zoals gezegd voerden de Van Bentheims (net als de Van Arkels) de zwaan in hun familiewapen, aangezien ook zij opschepten over hun band met het graafschap Kleef. Het wordt allemaal nog veel interessanter: graaf Otto II van Bentheim schenkt

goederen aan het Huis van de Duitse Orde in Rhenen, terwijl zijn evenknie in Gorinchem in 1335 deelneemt aan een kruistocht in Pruisen onder leiding van de Duitse ridders. Maar welke rol speelt Kleef in dit verhaal? Er is geen Duits Huis in Kleef, geen indrukwekkende commanderij. Wat maakte deze streek dan zo bijzonder dat edelen van heinde en verre kwamen om naar haar hand te dingen? Vragen... Het Pact van Woeringen. Een handjevol invloedrijke edelen, allemaal oudgedienden van de velslag bij het Duitse plaatsje aan de Rijn, zweren een eed aan de hertog van Brabant en daarmee aan de Duitse Orde. Vanaf 1288 is er een onuitgesproken verbond tussen deze figuren die hebben beloofd de belangen van de Teutoonse handelsfederatie te behartigen. Gijsbrecht van Amstel, stichter van een Hollandse gemeenschap in de ordestaat. Jan van Cuyk, de ringleider, het brein achter de moord en belangenvertegenwoordiger bij Europese vorstenhuizen. Jan van Heusden, de

liaisonofficier, de man die het Pact in contact bracht met het belangrijke graafschap Kleef. Jan van Arkel, machtige aristocraat met raadsel147 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 147 achtige banden met de legendarische zwaanridders uit het Kleefse. En dan nog de illustere familie van Brederode, wier aandeel we nog niet eens genoemd hebben. Wat verbindt hen, en later hun zonen, met het Geheim van Zionsburg? De steden s-Hertogenbosch in Brabant en Kleef in Duitsland nemen blijkbaar een belangrijke positie in. Waarom? Langzaam begon er een duidelijker beeld te ontstaan: een spoor dat naar Vught voerde.

148 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 148 Hoofdstuk 8 De geheime missie De vijfde verdachte: Dirk van Brederode Het Pact van Woeringen, tijdens of vlak na de Slag gesloten, werd steeds belangrijker. Aan het begin van de veertiende eeuw, zo hebben we gezien, traden de leden steeds prominenter op de voorgrond. Plichten en privileges gingen over van vader op zoon. Om met elkaar in contact te blijven en het Pact van generatie op generatie te bezegelen, werd er een geheim herkenningsteken overeengekomen, een logo. Hier komen we op het vijfde lid van het Pact. We hadden

nog een verdachte over, namelijk Dirk van Brederode. Van Brederode had, net als Van Arkel, gebieden in Holland, en niet in Brabant waar de hertog ze kon beschermen. De Van Brederodes waren bij de samenzwering tegen Floris V betrokken en hadden goede contacten onder de Duitse adel. Holland werd aan het begin van de veertiende eeuw volledig in beslag genomen door een opvolgingsstrijd tussen leden van een adellijk geslacht uit Beieren. De strijd zou de geschiedenis ingaan als de Hoekse en Kabeljauwse Twisten. De echtgenote van een Beierse graaf nam het op tegen haar bloedeigen zoon. Beiden dachten aanspraak te maken op de gravenzetel van Holland. Dit conflict zou ten slotte ontaarden in een regelrechte burgeroorlog die bijna anderhalve eeuw zou voortduren. Het conflict werd uiteindelijk gewonnen door een groep edelen: de pactleden van Woeringen. De Van Brederodes kozen de kant van de echtgenote en zetten hun steun kracht bij door de oprichting van een militair genootschap dat voortaan de dienst zou uitmaken in het graafschap Holland. 149

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 149 De Compagnie van Brederode was geboren. Een compagnie heeft een vignet nodig; dus zette de heer Dirk III van Brederode zich aan het maken van een ontwerp. Hij hoefde er blijkbaar niet lang over na te denken. Na een korte tijd aan de tekentafel kwam Dirk met een ontwerp van de bruine kop van een everzwijn, omkranst met vlammen. Onder de kop valt de strijdleus van de compagnie te lezen: het onheilspellende Ardent Defir, wat zoveel betekent als brandend ivoor een verwijzing naar zijn bloeddorstige slagtanden en een waarschuwing voor elke tegenstander van de compagnie zich niet de woede van het zwijn op de hals te halen. De zwijnenkop werd al snel een bekend beeld; de plaatsen Lexmond en Ameide, beide onderhorig aan Brederode, dragen hem tot op de dag van vandaag in hun stadswapen. Onder het vaandel van het everzwijn

terroriseerde de compagnie van Brederode elkeen die het waagde de Duitse heerschap aan te vechten. De compagnie zou de vrees van Holland blijven tot ver in de zeventiende eeuw. En dat allemaal onder de banier met de zwijnenkop. Dit logo was echter niet nieuw; in feite was het helemaal niet door Dirk verzonnen. Het Zwijnshoofd was het herkenningsteken van het Pact van Woeringen. Brandend ivoor: opkomst van de Zwijnen In 2006 werden er in verschillende Nederlandse steden festiviteiten georganiseerd rondom het 900-jarige bestaan van Brabant. Het noorden van Belgien het huidige Noord-Brabant werden het toneel van diverse concerten, vuurwerkshows en theateropvoeringen. Middeleeuwse kleding werd uit het stof gehaald, amateurtoneelspelers uit de hele provincie werden ingehuurd om roemruchte gebeurtenissen na te spelen voor een belangstellend publiek. Er werd zelfs een logo ontworpen voor het jubileum. Een team van cultuurdeskundigen en historici boog zich over de vraag

welk zinnebeeld te gebruiken dat als logo zou moeten dienen voor het thema 900 jaar Brabant. Na enig overleg werd gekozen voor 150 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 150 een miniatuur uit 1334, waarop hertog Jan III zichzelf liet afbeelden als een everzwijn, omhangen met het officiele Brabantse pronkdier, de leeuw. Ook hertog Jan I, de held van Woeringen, identificeerde zich met het zwijn, toen hij Jan van Heelu in zijn kroniek liet neerschrijven: Ic ben die hertoghe van Brabant. Bi den Ever ben ic genant. Niet alleen noemde hij zichzelf Ever, ook zijn vijanden namen het dier in de mond wanneer ze over de

Brabantse hertog praatten. Dat deden ze overigens niet in negatieve zin, aangezien er aan het everzwijn in de Middeleeuwen vooral een positieve betekenis kleefde, die terugverwijst naar het Germaanse godendom. Uit Noordse overleveringen weten we dat Freyr, de God van de vruchtbaarheid, in het bezit is van een zwijn (Gullinbursti) met gouden borstels rondom de nek. De oude Germanen vertelden elkaar verhalen over hoe het beest het nachtelijke woud verlichtte met zijn stralende borstels. Elke nacht als Freyr door de wouden reed, werd zijn weg verlicht door zijn trouw wild zwijn. Ook Freya, de goddelijke zus van Freyr, had een zwijn helemaal voor zichzelf. Hildiswini het Strijdzwijn gidste haar door de duisternis naar het Walhalla, de Hal der Gevallenen. Hiermee wordt Freyas status in de godenwereld als doodsgodin bevestigd en het everzwijn dus als voertuig dat met zijn slagtanden het pad voor haar effent. Bij de Germanen had het dier dus de betekenis van een strijdende en dappere wegbereider. De Germanen hadden er ook een handje van het dier te offeren, met het oog op een rijke oogst. Tijdens het

Indo-Germaanse Joelfeest op midwinter werd een zwijn geslacht. Het zwijn werd dus in een vruchtbaarheidscultus verheerlijkt. In Zweden eet men elke 21 december nog altijd koek in de vorm van een everzwijn. Tijdens hetzelfde Joelfeest werd het zwijnshoofd op een centrale plaats gelegd, waarop de krijgers er in een kring omheen gingen staan en hun handen op de borstels plaatsten. Hierop werd een eed van eeuwige trouw gezworen aan het stamhoofd of aan de stam. 151 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 151 Sporen van dit oude gebruik vinden we nog steeds terug in onze eigen tijd. Aan het einde van de ontgroeningsperiode dienen studenten van Queens College in Oxford tot de dag van vandaag een zwijnshoofd op aan hun oudere faculteitsbroeders,

waarna ze volwaardige leden worden: een echo uit Germaanse tijden, overgeleverd in het Angelsaksische studentenleven. Ook in de moderne literatuur lijkt het gebruik niet geheel vergeten: Sir William Golding beschrijft het fenomeen uitgebreid in zijn beroemde Lord of the Flies, waarin de oudste cadet een zwijnenkop offert in naam van de Duivel, de Heer der Vliegen. We vinden het thema ook terug in een Bossche studentensocieteit, die was ondergebracht in een huis met de naam Het Zwijnshoofd. In het dagelijks gebruik vinden we dus talloze aanwijzingen die terugverwijzen naar een Germaanse doodscultus waarin het zwijn een hoofdrol vertolkt. Op het Concilie van Leptimes in 475 probeerde de vroege kerk het zwijnen offeren tijdens dit midwinterfeest te verbieden, maar tevergeefs. Vreemd genoeg werd dit zeer heidense gebruik door de strenge kerkvaders niet verboden. Zo werd het mogelijk dat er een zwijnencultus ontstond in het Europa van de vroege Middeleeuwen. In deze opmerkelijke christelijke sekte

werd het zwijn overigens steevast vereenzelvigd met de Duivel. Dankzij het Angelsaksische heldendicht Beowulf weten we dat het zwijn als afbeelding werd gedragen op de helmen van krijgers. Deze Germanen identificeerden zich met het zwijn en geloofden dat zij de kracht en dapperheid van het dier overnamen wanneer zij ten strijde trokken. Nu en dan werd het dier ook wel (met het grootste respect) geofferd voordat men optrok tegen de vijand. Het zwijn werd dus ook gebruikt als symbool voor allerlei nobele eigenschappen, te weten: vruchtbaarheid, trouw, moed, betrouwbaarheid en strijdvaardigheid. Precies de deugden die de kruisvaarders veel later zo vurig zouden nastreven. Zweren op het zwijnshoofd was het sluiten van een pact. Hoewel we het zwijnshoofd ook tegenkomen bij adellijke families in Kleef, Holland en Brabant, zou het pas vanaf de vijftiende 152 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 152 eeuw als familiewapen echt in zwang raken. Voor die tijd was het wapen uitsluitend voorbehouden aan hertogen en Pruisenvaarders, met andere woorden: vertegenwoordigers of vrienden van de Duitse Orde. Niet verwonderlijk dus dat de Brabantse hertogen zich maar al te graag identificeerden met het dier. Om deze reden zou ook de Compagnie van Brederode vanaf de oprichting in 1351 het zwijn voeren als haar strijdmascotte. We hebben al vastgesteld dat de Brabantse hertogen reeds vanaf de stichting van s-Hertogenbosch vazallen waren van de Duitse Orde en de Hanze. Na Woeringen werd dit Pact bezegeld in een ongeschreven oorkonde, waarbij slechts een select aantal adellijke families betrokken was. Vele hiervan zouden deel gaan uitmaken van de toekomstige topelite.

De Duitse Orde breidde haar invloed in de volgende eeuw verder uit. De Hanze had na de dood van Floris V weer een stevige greep op de cruciale Hollandse waterwegen. De dubbelkoppige adelaar was alleenheerser in de Lage Landen. En nu voerden de beide stoottroepen van de Teutonen, de Brabantse hertogen en de Compagnie van Brederode, allebei het zwijn op hun vaandels! Net als de oude Germanen hadden de krijgers, ditmaal verenigd in het Pact van Woeringen, de handen op de borstels van het zwijn gelegd om trouw te beloven aan hun stamhoofd in Marienburg. Omdat het aloude Pact omzichtig te werk moest gaan, werd het zwijnswapen niet gebruikt als officieel wapen. Iedereen wist echter dat het zwijn een dier was om te vrezen. De zwijnen maken de weg vrij voor de Teutoonse doodsgodin, op haar weg naar haar eindbestemming in de onderwereld. Een machtige godin, zo deed het angstaanjagende gerucht de ronde, reed in hun kielzog mee. Aan het begin van de veertiende eeuw, rond 1309 om precies te zijn, kregen de Zwijnen (de pactleden van Woeringen)

er een taak bij. De Duitse Orde had hulp nodig en deed daarbij een beroep op hun agenten in de Nederlanden. Ze werden belast met een even onverwachte als mysterieuze missie. 153 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 153 Crisisjaren Toen in 1291 de stad Akko viel, was dat het begin van het einde voor de kruistochten. De hospitaalridders en de tempeliers vestigden zich tijdelijk op Cyprus, in de ijdele hoop snel weer naar het Heilige Land terug te kunnen keren. De Duitse ridders, niet geleid door christelijke idealen maar door wereldlijke expansiedrift, waren pragmatischer. Zij resideerden in Venetie. Dat was dicht bij de paus en de Middellandse Zee, maar

nog even niet in de buurt van opstandige heidenen in Pruisen. De nieuwe grootmeester, Konrad von Feuchtwangen, was Landmeister geweest in de ordestaat en wist wat hij daar kon verwachten. Bovendien was hij geen populaire grootmeester. Maar kort na 1307 deden zich omstandigheden voor die de nieuwe grootmeester Siegfried von Feuchtwangen ertoe brachten naar Pruisen af te reizen. De tussenliggende grootmeester, Gottfried von Hohenlohe, stierf in 1309 en was opgevolgd door een broer van Konrad. Deze werd nog hetzelfde jaar gedwongen om de belangrijke stap te nemen. De hoofdzetel verhuisde van Venetie naar Marienburg. Van het ene op het andere moment werden alle nog lopende belangen in Palestina opgegeven. Wat was er zo belangrijk dat de grootmeester zijn paleis in het zonnige Venetie verliet en in het barre, duistere noorden ging zitten? Blijkbaar was er binnen de Duitse Orde een of andere crisis ontstaan. Er waren zo op het eerste gezicht verschillende oorzaken aan te wijzen. Zo kregen de Duitse ridders in Polen voor het eerst te maken met

echte tegenstand. Polen was in de voorbije honderd jaar volwassen geworden. Het was zo goed als gekerstend en kwam stap voor stap in opstand tegen de ordestaat. Koning Ladislas van Polen was in conflict gekomen met de orde, waarna hij de stoute schoenen aantrok en de strijd aanging. De Teutonen hadden de markgraven van Brandenburg Danzig laten bezetten, dat in die dagen buiten de invloedssfeer van de Duitsers lag. Op smiechtige wijze hadden ze de koning vervolgens aangeboden de Brandenburgers uit de havenstad te verwijderen. Ladislas stemde toe, maar toen de ridders Danzig eenmaal bevrijd hadden, wilden ze er niet meer weg. Toen 154 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 154 Polen weigerde te betalen voor bewezen diensten kochten de Duitsers de stad alsnog van de Brandenburgers. Daarbij namen ze de belediging van

Ladislas te baat om hun acties te rechtvaardigen en nog meer land in te pikken. De Poolse koning doorzag de ploertenstreek en dreigde met sancties. Het gegrinnik van de Duitsers verstomde toen het conflict met Polen uitliep op een bittere strijd die jaren zou duren. Niettemin duurde het tot 1320 voordat Ladislas als een wezenlijke bedreiging werd gezien. Waaruit bestond dan de crisis die Von Feuchtwangen ertoe bracht naar Marienburg te gaan? Het jaar 1307, het begin van de Teutoonse crisis, staat iedereen die een beetje bekend is met deze materie, in het geheugen gegrift als het jaar waarin de tempeliers in Frankrijk werden uitgeroeid. De Franse koning zon op manieren om de tempelridders van hun vermeende schatten te beroven en wist een marionettenpaus in het Vaticaan te krijgen. Deze gaf het imprimatur om de van ketterij beschuldigde tempelridders te vervolgen en tot de laatste man uit te roeien. Over het einde van de Franse ridders, op 13 oktober 1307, zijn boeken volgeschreven. Hun schatten en kostbaarheden

(waarvan over het algemeen wordt aangenomen dat het kruisvaardersschatten uit Jeruzalem zijn) verdwenen spoorloos en worden tot op de dag van vandaag door onderzoekers en schatgravers gezocht. Toch zijn diverse bronnen vrij duidelijk over waar de meeste kostbaarheden gebleven zijn. Een deel ging ongetwijfeld verloren. Het leeuwendeel echter werd simpelweg in veiligheid gebracht bij de broeders van de tempeliers: de Duitse ridders. Als het om een specifieke schat gaat, een bepaald voorwerp bijvoorbeeld, is zon overdracht beslist niet onmogelijk. Een geheime boodschapper kan de schat in veiligheid hebben gebracht door hem naar de Duitse tak van de tempelorde te voeren; de Duitse Orde wordt door sommigen nog steeds gezien als een afsplitsing van de tempelridders. Te beweren dat de schat van de tempeliers naar een afgelegen kapel in Schotland is gebracht is minder plausibel dan claimen dat hij naar het Duitse Huis van de Teutoonse kruisvaarders werd gesmokkeld, die in die tijd overigens op het hoogtepunt van hun macht waren. Wie zou beter de kostbaarhe155

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 155 den van de tempelridders kunnen bewaken dan hun broeders in het Duitse land, ver van de buitbeluste Franse koning? Zelfs het (in bepaalde kringen) gezaghebbende boek Het Heilige Bloed en de Heilige Graal [zie noot 129] geeft toe dat de tempeliers die door het net glipten zich aansloten bij de Duitse Orde, wat inderdaad zo was. De schat van de tempeliers, zo luidt een van de verhalen, werd kort voor 13 oktober midden in de nacht uit Parijs gesmokkeld. Het Heilige Bloed zegt: Deze geruchten willen dat de schat op wagens naar de kust werd gebracht, waarschijnlijk La Rochelle, de vlootbasis van de orde, waar ze in achttien galeien werd geladen, die spoorloos zijn verdwenen. We weten niet of dat waar is, maar die vloot moet dan aan de klauwen van de koning zijn ontsnapt, want nergens wordt bericht over aangehouden schepen. Daar

staat tegenover dat deze schepen volledig zijn verdwenen, met de gehele lading, welke die ook geweest moge zijn. Maar de schepen waren helemaal niet volledig verdwenen: het waren koggeschepen van de Hanze die met een grote boog terugvoeren naar Bremen en Lubeck. Voor veel historici vormen de buitgemaakte schatten van de tempeliers helemaal geen mysterie. In een bijdrage The military orders and the Reformation zegt historicus Jurgen Sarnowsky: 1312 erklarte Papst Clemens V. den Templerorden fur aufgelost und ubertrug bald darauf dessen Besitz an die Johanniter. 44 Even verderop schrijft hij dat de geconfisqueerde bezittingen en landerijen in 1318 werden toegewezen aan markgraaf Waldemar von Brandenburg. Verschillende historische bronnen melden eveneens dat de buit (of ten minste een deel daarvan) werd verdeeld tussen de Duitse johannieters en de markgraven van Brandenburg. De markgraven van Brandenburg, dat is een andere naam voor de Duitse Orde. Het

onderscheid, zo zagen we bijvoorbeeld in het bovengenoemde conflict om Danzig, is fictief. De johannieters waren in Duitsland veruit in de minderheid, hoewel ze inderdaad een balije in Brandenburg bezaten, en waarschijnlijk worden met hen de Deutschritter bedoeld. 156 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 156 Wat de tempeliers ook voor geheimzinnigs hebben bezeten, na 1307 kwam het in handen van de Duitse Orde. Kan dit de aard van de crisis zijn geweest? Was het in bezit krijgen van de tempeliersschat reden genoeg om in Marienburg een spoedvergadering te beleggen?

Dit is niet alles. Een schat krijgen was in 1307 ook heel gevaarlijk. Wat de tempelridders kon overkomen, kon ook de Duitse ridders gebeuren. De ordestaat, die haar eigen munten in omloop bracht, was vele malen rijker dan de spaarzame enclaves in de Languedoc. Waren de Teutonen nu aan de beurt? De wrede uitroeiing van de tempeliers zond schokgolven door de gelederen van de Duitse Orde. Stephen Turnbull schrijft: Despite its string of military successes, the Orders position faced a severe challenge from an entirely different direction. The whole concept and conduct of the military orders was being questioned at the highest ecclesiastical level. In 1307 Pope Clement V had authorised the arrest and suppression of the Knights Templar. Many of the charges laid against the Templars were evident nonsense, but this did not prevent them from being pressed and upheld, leading to the destruction of the Order, much to the alarm of the Teutonic Knights. 45 Europa, en dat wisten de Duitse ridders heel goed, zat

vol met gretige koningen en corrupte geestelijken. Het feit dat de Teutonen nu ook de erfgenamen waren van de vervolgde tempelridders, maakte de zaak er niet eenvoudiger op. En de Duitsers bevonden zich al in een uiterst kwetsbare positie. De katholieke Polen hadden bij de paus geprotesteerd: waarom werden ze nog steeds door christelijke kruisvaarders belaagd als ze al lang het Ware Geloof hadden omarmd? De paus vond dat een redelijk argument. In juni 1309 werd er een bul uitgevaardigd die een grootscheeps onderzoek gelastte naar het doen en laten van de Duitse Orde. Zij werd ervan beschuldigd oorlog te voeren tegen medechristenen, en dat met sluwe streken.46 Een onderzoek, gelast door dezelfde paus die de tempelridders had uitgeroeid, dat zagen de Duitse ridders niet zitten. Bovendien was het dezelfde Clemens V die de buit naar de 157 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 157 johannieters in Brandenburg had gebracht. De hele zaak was verdacht, maar naar de motieven van Clemens konden ze enkel raden. In het verdachte en belegerde Marienburg kon de schat wat die ook was niet blijven. Hij moest verborgen worden maar waar, en door wie? Pruisenreizen Vanaf circa 1300 beginnen Hollandse ridders en masse deel te nemen aan zogenoemde Pruisenreizen: een verzamelnaam voor kruistochten naar het Teutoonse achterland die tot doel hadden de banden met de oosterburen te versterken. Het eeuwige voorwendsel was het verlangen om de heidense Ostvolken tot het ware geloof te bekeren. Faam en heldendaden, toegevoegd aan een riddertitel, zorgden voor een krachtige combinatie waarmee men thuis voor de dag kon komen. In werkelijkheid was de Pruisenreis een nogal wrang eufemisme voor een soort middeleeuwse

safari, waarin de plaatselijke heidenen als groot wild werden beschouwd. Figuren met een discutabele moraal zoals Karl von Trier organiseerden manhunts, en deelnemers aan de expeditie konden later opscheppen dat ze ginder 200 Litouwers om zeep hadden gebracht. Met dank aan een serie goed bewaard gebleven reisrekeningen beschikken wij over de precieze data van deze tochten en kennen wij de deelnemers bij naam. In het gevolg van de Hollandse graaf Willem IV uit het huis van Avesnes, reden de Heer van Arkel, de Heer van Brederode, Jan van Egmond en vele andere Hollandse edelen mee. Onder auspicien van hun nieuwe graaf trokken de zonen en kleinzonen van de leden uit het oorspronkelijke Pact van Woeringen naar het oosten. Voordat zij verder naar de heidense landen trokken, maakten de ridders halt in Marienburg om eer te bewijzen aan de grootcommandeur van de Duitse Orde in zijn vesting. Hier belandden ze in het centrum van een groot internationaal bolwerk met ridders uit alle uithoeken van de beschaafde wereld. 158

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 158 De Hollandse edelen moeten hun ogen hebben uitgekeken: luxueuze wandgordijnen met grote zwarte kruizen erop; statige ridders die met strenge tred door de brede gangen rondliepen; en ten slotte de hoofdzetel van de grootcommandeur in hoogsteigen persoon: Siegfried von Feuchtwangen. Ook in de daaropvolgende decennia trokken er bijna jaarlijks Hollandse delegaties naar de hoofdzetel van de Orde. Tot dusver hadden zij echter alleen maar deelgenomen aan Pruisenreizen en waren expedities naar het Heilige Land vooral aan de Brabanders overgelaten. Wat die reizen konden betekenen, zien we in het geval van de Hollandse graaf Willem IV. Pas in 1343 besloot deze ook eens op een echte kruistocht te gaan. Graaf

Willem trok eerst met een paar edelen naar Palestina. Daar aangekomen liet hij zich gewillig tot ridder slaan, nam de eretekens in ontvangst en hield het meteen weer voor gezien. Veel stelde dit uitstapje dus niet voor. Het was hem om de eer te doen en zodra het maar even kon, pakte de Hollandse graaf zijn biezen om zich thuis aan zijn eigen zaken te wijden. Maar voordat hij terugkeerde naar zijn verre graafschap in het noorden, maakte hij eerst nog een tussenstop in Pruisen. Antheun Janse zegt hierover in zijn Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen: Eind november (1343) was Willem weer terug in Venetie. Vandaar ging hij niet rechtstreeks naar huis, maar hij maakte van de gelegenheid gebruik om Pruisen nogmaals te bezoeken. Wat hij daar allemaal precies uitgespookt heeft, is niet bekend. Wat we wel weten, is dat de graaf bij terugkomst ten prooi leek te zijn gevallen aan een vreemde overmoed. Bij thuiskomst riep hij onmiddellijk zijn edelen bijeen om te beraadslagen met zijn adviseurs. Besloten werd om te trachten de bisschoppelijke zetel van Utrecht in

handen te krijgen. Wat was er met hem gebeurd tijdens zijn bezoek aan Pruisen? Was hij onder druk gezet door de Teutonen om haast te maken met een veroveringsoorlog? Wat er ook was voorgevallen, iets had hem tijdens zijn verblijf in Marienburg zozeer aangegrepen dat zijn eerdere vriendschap met 159 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 159 de Utrechtse bisschop smolt als sneeuw voor de zon. De oorspronkelijke warme verstandhouding had plaatsgemaakt voor een giftige antipathie. Hij trommelde een enorme legermacht bij elkaar en ging tot de aanval over. Een middeleeuwse kroniekschrijver

zegt dat de landcommandeur en zijn ridders hals over kop zouden zijn gevlucht voor het oorlogsgeweld. Dit is echter zeer onwaarschijnlijk. Alles wijst erop dat de belegering van Utrecht een vooropgezet plan was, ingefluisterd door de grootcommandeur van de Duitse Orde en trouw uitgevoerd door zijn Hollandse vriend. Na zes weken van onafgebroken beschietingen zwichtte de stad van de bisschop ten slotte en hesen de uitgeputte Utrechtenaren de witte vlag ten teken van overgave. De schade werd opgenomen: flinke gaten in de stadsmuren; huizen volledig in de as gelegd; lijken her en der in de straten; kerken totaal verwoest door branden die door de hele stad woedden en... het Duitse Huis, dat al ruim een eeuw net buiten de stadsmuren was gelegen, had flinke schade opgelopen.

De witte vlag was nog niet gehesen, of daar waren de Duitse ridders weer. Ze gingen onmiddellijk aan de slag. Na de verwoesting van hun Huis braken de heren het steen voor steen af en metselden het binnen de stadsmuren weer op. Naar verluidt stond het nieuwe Huis er al voordat Willem zijn zegetocht door Utrecht hield. Was deze migratie van buiten naar binnen wellicht te danken aan de Teutonenvriend Willem? Deze opmerkelijke expeditie vond plaats in 1343, maar wat ons interesseert speelde zich een paar decennia eerder af. We lezen dat de pactleden, bij naam genoemd, zich precies op het juiste ogenblik in Marienburg aandienden bij Siegfried von Feuchtwangen. Dit moment moet hem net zo gunstig hebben toegeschenen als toen de eerste tempelridders van Hugo de Payens zich bij de koning van Jeruzalem kwamen melden, twee eeuwen eerder. Deze delegatie van een bevriend potentaat (in dit geval de hertog van Brabant) zal hem als een geschenk uit de hemel zijn voorgekomen. Wat er vervolgens gebeurde laat zich raden.

160 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 160 Zwaanridders uit Kleef In het hoogkoor van de Sint-Janskathedraal in Den Bosch bevindt zich iets eigenaardigs. Het is moeilijk te zien, omdat het altaar voor het publiek ontoegankelijk is. Het is mogelijk om eromheen te lopen en de straalkapellen te zien, evenals de daar geplaatste standbeelden van de Brabantse hertogen (hertog Jan II is daar broederlijk en waarschijnlijk onopzettelijk naast graaf Floris V geplaatst). Om het hoogkoor te betreden moet je echter over een koord stappen als de gidsen het niet zien. Het staat uitsluitend, zo lezen we in een beschrijving uit 1540, ter beschikking van de eerwaarde priesters. Het koorgestoelte is erg oud. De versieringen en reliefwerken zijn vervaardigd tussen 1430 en 1460.

Wat er zo eigenaardig is aan het koor is een houten beeldje op een van de koorbanken. Het laat duidelijk een ridder in een bootje zien, dat wordt voortgetrokken door een zwaan. Lohengrin of Helias de Zwaanridder, in het hoogkoor van de Sint-Jan? Zoals schrijvers als Jan van der Eerden hebben aangetoond is er een verband aan te voeren tussen sHertogenbosch en de zwaanriddersagen uit Kleef. De Heliassage, die we in het vorige hoofdstuk vertelden, komt in de streek in allerlei vormen terug. Brabant heeft haar eigen zwaanriddersage: die van Brabon Silvius, de vermeende stamvader van de Brabanders, en wellicht is hij het die op de koorbanken is weergegeven. Deze Brabon verschijnt als standbeeld op de putkuip van Quinten Massys in Antwerpen, waar hij de dubbelkoppige adelaar op de borst draagt. Andere zwaanridders zijn Helias (uit Kleef), Lohengrin (Kleef) en Turketul, die een tijdlang te gast was aan het hof van de Duitse keizer Hendrik de Vogelaar. Het is deze

Hendrik die voortdurend met de zwaanridders in verband wordt gebracht. De sage van Lohengrin is al verbonden met Brabant; in de opera van Wagner is de zwaan die het bootje voorttrekt zelfs de betoverde hertog van Brabant. In Duitsland werd de zwaanridder in de veertiende eeuw vaak gezien als de Brabantse hertog. Wat deze versies verbindt, is het motief van steeds terugkerende infrastructuur: de zwaanridder komt uit Duits161 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 161 land, reist over de rivieren naar Brabant (of Gelderland) en keert over die rivieren ook weer terug. De Brabantse Zwaanridder is een vaak voorkomend begrip waarvan de herkomst nooit naar tevredenheid is verklaard. De zwaanridder is zeer waarschijnlijk een oud mythologisch motief, maar het lijkt erop dat het zich

uiteindelijk ontwikkelde tot een werkelijk bestaande rang of graad. Voorname families als de Van Arkels ontleenden hun familiewapen rechtstreeks aan de zwaan van Kleef, en het zwaanriddermotief werd door deze familie op zijn minst gesuggereerd. Een onderzoeker stelt: Zoals duidelijk is gemaakt, werd de zwaan al in een zeer ver verleden gebezigd als symbool van de begeleider van de ziel. Doorgaans was dit het geval, als wij de verhalen mogen geloven, bij de zielen van helden die meestal ridder waren. Geen wonder dus dat ridders en andere edelen ook in later tijd nog een bepaalde affiniteit met zwanen hebben. Alleen zij hadden het recht van zwanendrift.47 Inderdaad keert de zwaan steeds terug als boodschapper of begeleider van het een of ander. Zwanen zijn de dragers of transporteurs van zielen en heilige voorwerpen. Niet zelden vervoerden zwanen de Heilige Graal. Bij Wagner wordt Graalridder Parzival gentroduceerd als hij een zwaan door het woud achtervolgd. En Lohengrin, de zoon van Parzival, wordt dus door een zwaan voortgetrokken. Het feit dat er zo

veel herbergen zijn die De Zwaan heten, duidt op de oude betrokkenheid met het reizen of het op doorreis zijn. Zwanen, reizen en Kleef. De plaats Kleef kwamen we al eerder tegen. Wat was er zo belangrijk aan Kleef? Kleef is een Duitse stad net over de grens bij Nijmegen. Het graafschap Kleef in de veertiende en vijftiende eeuw omklemde de Rijn aan beide kanten op de plek waar zij Nederland binnenstroomt en omvatte de steden Wesel, Emmerik, Xanten, Goch en natuurlijk de stad Kleef. Ook de plaats waar de rivier zich opsplitst om als de Waal en de Lek verder de Nederlandse gewesten binnen te stromen, was in handen van het Kleefse gravenhuis. De graven 162 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 162 namen van oudsher zitting in hun burcht, de Zwanenburg. Deze opvallende burcht in het centrum van het graafschap draagt de naam Zwanenburg sinds jaar en dag, en wordt soms ook de grijze toren genoemd vanwege haar grimmige aanblik. Ze is gebouwd op een rotsformatie, en ook nu nog richt je blik zich onmiddellijk op de zonderlinge ophoging in het verder zacht glooiende land van Kleef. Sporen van de rots (feitelijk een stuwwal, gevormd in de laatste ijstijd) vindt men terug in de naam van de stad, die een verbastering zou zijn van het woord klif, wat staat voor ophoging, of vooruitspringende heuvel. Anderen hebben de theorie aangedragen dat Kleef eigenlijk een verwijzing is naar het Franse Clef, wat staat voor sleutel. Waar het ook naar verwijst, je zou kunnen zeggen dat beide betekenissen van toepassing zijn. De Zwanenburg waarop jonkvrouw Beatrix uitkeek over de Rijn werd door de eerste graaf van Kleef gebouwd rond het jaar 1000, maar er zou in de tijd van de Romeinen reeds een nederzetting hebben gestaan. Er

wordt gezegd dat Julius Caesar in eigen persoon de locatie van de burcht had aangewezen en zelfs de eerste steen heeft gelegd. Erg waarschijnlijk is dit niet. De burcht bleek in de loop der eeuwen een grote bron van inspiratie en diende als toevluchtsoord voor lieden van allerlei pluimage: avonturiers en goudzoekers, kooplieden en kunstenaars trokken in drommen naar het groene rivierenland. De beroemde chroniqueur Hendrik van Veldeke, kameraad van Wolfram van Eschenbach, zocht er ook zijn heil en schreef er het leeuwendeel van zijn Enede; naar verluid werd in Kleef ook het eerste Nederlandse woordenboek geschreven, toepasselijk genoeg genaamd de Teuthonista. Alle schepen die in de dertiende eeuw vanuit de Duitse binnenlanden verder wilden varen, waren verplicht tol te betalen aan het graafschap. Hierdoor was Kleef verzekerd van een vast inkomen. Voor de Teutonen op hun beurt was het van het grootste belang dat zij de juiste man op de juiste plaats hadden zitten om hun belangen te behartigen in deze cruciale omgeving, deze

sleutel tot de Nederlanden. En aldus werd Diederik V, neef van Rooms-koning Willem van Holland (en fervent aanhanger van Frederik II, de bescherm163 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 163 heer van Hermann von Salza) in 1198 op de troon van Kleef gehesen. Diederik V kan net als zijn tijdgenoot hertog Hendrik I worden beschouwd als een ware stedenstichter. In een orgie van stadsrechtschenkingen verstevigde Diederik zijn greep op de gehele Nederrijn. De legitimatie om het stadszegel toe te kennen haalde hij direct van de keizer, die op zijn beurt zijn oor bij de machtige Hanze en Duitse Orde te luisteren legde. Net als de Brabantse hertog stond ook Diederik op gespannen voet met Gelre en Holland. Zijn zoon, Diederik VI was van hetzelfde laken een pak. Hij zette in 1260 de anti-Hollandse politiek van zijn vader voort

en deed er zelfs nog een schepje bovenop: hij zorgde ervoor dat verschillende steden in zijn graafschap werden toegelaten tot de Hanze. Onder zijn bewind verkreeg Kleef de belangrijke stad Duisburg, die gelegen was op het punt waar de Rijn en de Ruhr samenkomen. Op het wapen van deze stad prijkt fier de dubbelkoppige adelaar, die ons eraan herinnert dat de stad een volwaardige Hanzestad was. Net als de Kleefse steden Emmerik en Wesel overigens, die ook onderdeel uitmaakten van het grote Hanzenetwerk. We kunnen ons voorstellen dat het voorportaal Kleef van onschatbare waarde was voor Lubeck, dus moest men ervoor zorgen dat alleen de meest getrouwe vrienden zitting namen in de gravenzetel. En warempel: bij onze eerste poging om Hanzebetrokkenheid te vinden in Kleefse aangelegenheden was het meteen raak. Opvallend genoeg is de stad Kleef zelf geen lid van de Hanze geweest, maar de meeste steden in het graafschap waren dat wel. Hier is een aantal verklaringen mogelijk. De meest waarschijnlijke is dat Kleef geen lid hoefde te zijn, aangezien het reeds aan alle kanten door Hanzesteden was ingesloten. Steden

als Nijmegen en Arnhem omkransten het graafschap Kleef, net als Wesel en Emmerik; en elk vormde een onderdeel van een wijdverspreide kralenketting van Hanzesteden langs de Rijn en zijn zusterrivieren. Zo ook de stad Huissen, die tegenwoordig aan de Nederlandse kant van de grens ligt. Het stadje maakte eveneens deel uit van het graafschap en later hertogdom Kleef. Niet lang daarna liet de stad de zwaan aanbrengen op haar wapen. Het is een motief dat 164 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 164 telkens terugkeert: alle steden die op welke manier dan ook een aandeel hebben in een deel van het rivierengebied en dan vooral van de Rijn en haar uitlopers, dragen een van deze twee koninklijke vogels in hun wapens. Waar de adelaar staat voor hemelbestormende macht, staat de zwaan voor eeuwige trouw (het dier is immers strikt monogaam). Precies de

twee kenmerkende eigenschappen van de Hanze: hemelbestormende macht en eeuwige trouw, of beter gezegd: hemelbestormende macht door eeuwige trouw. De zwaan gidst (of smokkelt) de Duitse adelaar via de Rijn de Nederlanden binnen. We kunnen hier ook weer denken aan het Wagnermotief: het is hier de hertog van Brabant, in de vorm van een zwaan, die de Duitse ridder Lohengrin naar de Lage Landen vervoert (bijvoorbeeld naar de Hanzesteden Antwerpen of Nijmegen). Vinden we hier een echo van het pact tussen de hertogen en de Duitse Orde? Kleef verkreeg in het jaar 1417 de rechten en privileges van een hertogdom, vergezeld van een aantal nieuwe steden, zoals Gennep en Ravenstein aan de Maas. Het resultaat van deze politieke promotie was dat het hele Nederrijngebied in en klap machtiger werd dan al zijn westelijke concurrenten. Het nieuwe hertogdom omvatte ineens de belangrijkste Rijnsteden aan de tegenwoordige grens van Duitsland met Nederland en had daarmee dus de sleutel in handen tot de Noordzee. In de vijftiende eeuw, ook wel de gouden eeuw van de

Hanze genoemd, zou de hele regio in deze tijd ook in cultureel opzicht een ongekende bloei doormaken. Adolf II, die zich de eerste hertog van Kleef mocht noemen, schikte zich prima in zijn nieuwe rol: hij trad in het huwelijk met Maria van Bourgondie, die in haar gevolg de Brabants-Bourgondische hofcultuur naar het Kleefse bracht. De relatie tussen Kleef en Bourgondisch Brabant zou duurzaam blijken: men hielp elkaar in tijden van oorlog en sloot onderling lucratieve handelscontracten af. Het huis van Kleef zat stevig in het zadel en wist nog ruim een eeuw stand te houden en zelfs zijn invloed in de regio verder te verbreden. In haar betrokkenheid bij het Kleefse maakte de Duitse Orde 165 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 165

nadrukkelijk gebruik van de met de stad geassocieerde zwanenmythen. Om een reden die we nog niet begrepen werd de zwaan een cruciaal aspect van de hele onderneming. Waarschijnlijk grepen de Teutonen hier andermaal terug op hun eigen overlevering, en op de Germaanse mythologie ter plaatse. De missie Kleef speelt, zo lijkt het dus, op twee punten een belangrijke rol: ten eerste als geografische en economische doorgangsroute naar de Lage Landen en de Noordzee (de Poort van Kleef). Ten tweede als een symbolische doorgang. De bij de Germanen heilige rivier de Rijn heeft hierin een aanzienlijk aandeel. Wanneer de pactleden van Woeringen rond 1309 belast worden met het vervoer van een belangrijke kostbaarheid uit Marienburg gaat er dan ook een sterke symbolische geladenheid van uit. De missie, die via de Kleefse gebieden over de waterwegen naar Nederland gaat, heeft veel weg van de heropvoering

van een mythe. Hier wordt niet zomaar iets vervoerd. De omslachtige weg over de rivieren is niet toevallig, er wordt bewust gerefereerd aan oude zwaanriddersagen. Waarom? Heeft het te maken met de oude afspraken tussen de hertogen en de Teutonen; werd het verbond uit de tijd van Hendrik de Kruisvaarder herdacht? Gaat het om het Pact van Woeringen, dat de Duitse Orde middels Kleef in contact had gebracht met de Brabantse machthebbers? Of heeft het te maken met de lading die werd versleept, dus met de schat zelf? Misschien zegt het feit dat de reis naar de Nederlanden doelbewust in verband wordt gebracht met Lohengrinverhalen ons dat het een sacrale, dus heilige schat is. Een onbekend voorwerp dat alleen op ritualistische wijze versleept kan worden. Een vreemde delegatie beweegt zich door het Kleefse, belast met een onbekende missie. Waarheen gaat de reis? Waarheen anders dan de stad van de hertog, het bolwerk dat aan 166

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 166 de leden van het Pact asiel had verleend? Het kan niet anders of de Zwijnen van Woeringen zoeken hun thuisbasis op. Jan van der Eerden associeert de eerste zwaanridders met stedenbouwers en ziet de Lohengrinsage als volgt: Uit het optreden van de zwanenridders in het kader van hun opdracht de stichting van nieuwe steden te stimuleren zou later de sage zijn ontstaan van Lohengrin, die wel wordt gezien als de personificatie van zowel Turketul alsook de zwanenridders na hem.48 Zwaanridder Turketul werd, zo zagen we, in verband gebracht met de Duitse keizer Hendrik I. In zijn werk toont Van der Eerden aan dat Lohengrin (als belichaming van stedenstichter) nadrukkelijk geassocieerd werd met de nieuwe stad Den Bosch.

Den Bosch als eindpunt van de legendarische Zwaanridder. Was de Duitse Lohengrinsage feitelijk een symbolische hervertelling van deze geheime missie naar Brabant? Laten we voorlopig de hypothese aannemen dat de schat na het uitroeien van de tempelridders in het geniep werd overgebracht naar Duitsland; ongetwijfeld naar Marienburg, de nieuwe hoofdzetel van de Duitse Orde. Daar werd hij bewaard totdat de Baltische kruistocht kort daarop een duistere wending nam en de orde onder pauselijke curatele kwam te staan. Toen werd besloten dat de erfenis van de tempeliers moest worden verborgen, het liefst zo ver mogelijk weg. De schat werd vervolgens naar het westen gevoerd, weg van het front. Hij werd van zetel naar zetel gebracht, Berlijn, Keulen, Bremen, steeds in het diepste geheim, totdat ontwikkelingen ertoe noopten een meer permanente bergplaats te vinden. De betrokkenheid van de Brabantse hertog en zijn bevriende edelen leidde ertoe dat de relatief nieuwe en sterk beveiligde vesting

s-Hertogenbosch in aanmerking kwam als verstopplaats. Daar zal hij, zoals we nog zullen zien, onder de hoede komen van een speciaal daarvoor opgericht genootschap. Bovendien was de omgeving van de stad al het decor van een belangrijke gemeenschap van de Duitse Orde. Zo werd besloten de schat te verbergen in een verre, onbekende buitenpost van de ordestaat; een onopvallende nederzetting in het westen, in een plaatsje van bijzondere betekenis voor de Teutonen, een plek die bovendien onder bescher167 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 167 ming van de hertogen stond, ver weg van alle strijdperikelen. Niet naar de Duitse ridders in Gemert, die in deze tijd nog wel eens te kampen hadden met de herenboeren die hen het bezit betwistten, maar naar het al opgerichte Duitse Huis bij Den Bosch. Het plaatselijke commandeurshuis, misschien wel voor dit

soort situaties in het leven geroepen, werd belast met het bewaken van de belangrijke schatten uit het Heilige Land. Het werd daarmee de nieuwe Tempelberg, de burcht van Zion, oftewel: Zionsburg. Is het dorp Vught, dat de daaropvolgende eeuwen de aandacht zal trekken van veroveraars, koningshuizen en schatzoekers, dat tot ver in de zeventiende eeuw bekend zal staan als de kluis van Vught dus de ware verblijfplaats van de tempeliersschat? Het is mogelijk, zoals we eerder hebben gezien, dat Vught vanaf het jaar 1200 al een prominente rol speelde in de intrige, maar zeker is dit niet. Veeleer springt het jaartal 1300 in het oog. Wellicht werd het commandeurshuis al in 1200 opgericht, maar over de eerste 100 jaar is niets bekend. De positie van het Huis nam pas vanaf de beginjaren van de veertiende eeuw in waarde toe. Vanaf deze tijd werd het plotseling door grote namen geprotegeerd. Vanaf 1300, toen plaatselijke regenten geld roken in de opeens welvarende commanderij, werd er van hogerhand ingegrepen. Deze situatie duurde honderden jaren

voort. Nog in 1608, toen de plaatselijke fiscus belastingen van de Duitse Orde wilde innen, verscheen daar plotseling een bevelschrift van aartshertogen Albrecht en Isabella aan de eerste deurwaarder, de Raad van Brabant, om aan de regenten van Vught kenbaar te maken, dat zij hun aanslag in bede van de pachter commandeur van Vught ongedaan dienden te maken, aangezien goederen van de Duitse Orde krachtens privilege waren vrijgesteld van alle beden en contributien. Met enige ironie doet dit denken aan de FIOD die eeuwen later bij de Marggraffs voor de deur staat, met even weinig resultaat. Marggraff zelf merkte gnuivend op: Meer dan twintig mensen stonden aan mijn deur in Vught. En ik moet zeggen: zelden zon schorem op mijn terrein gezien. Waarschijnlijk zonder het te vermoeden zette hij daarmee een traditie voort die rond het jaar 1300 was begonnen. 168

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 168 Maar waarom per se Vught? En waarom het relatief kwetsbare commandeurshuis? Hier schoot ons de oude cultusplaats weer te binnen. Kan het zijn dat de plek bij de Duitsers, wellicht in oeroude Germaanse tijden, al bekend was? Ging het er niet zozeer om dat de schat in een vesting bewaakt werd, maar op een symbolisch belangrijke plek? Maar er was tot nu toe sprake van een Keltisch heiligdom, niet van een Germaans heiligdom. Het werd tijd om hier nog eens goed naar te kijken. De Machutusverering Tolheffing was niet de enige manier om aan geld te komen. Vught was in de Middeleeuwen een belangrijke bedevaartplaats voor Machutusverering. Machutus

(ook bekend als Malo, Maclou of Maclovius) was een heilige die op verschillende plekken in Europa werd vereerd. Men vermoedt dat hij rond het jaar 520 in Wales geboren werd en met de Heilige Brandaan de oversteek naar Frankrijk maakte. De legende gaat dat de monniken op zoek waren naar het Eiland van de Gezegenden, maar in plaats daarvan strandden ze in Frankrijk. Daar stichtte Machutus een naar hem genoemde stad: Saint-Malo. In 1410 werd in Vught een aan Machutus gewijde kluis gesticht op het kerkhof bij de eerste Sint Pieterskerk op het Maurickplein. Zowel de kerk als het kerkhof zijn allang verdwenen en de Machutuskluis ligt vermoedelijk begraven onder de A2. De Kluis werd te allen tijde beheerd door kluizenaressen. Vught was, zo schrijft Van Dijck, het belangrijkste centrum voor het kluizenaarschap in de huidige provincie Brabant. Bedevaartgangers bezochten Machutus ter genezing van rachitis, ook wel Engelse ziekte genoemd. Deze ziekte ontstaat door een tekort aan vitamine D en calcium en komt vooral voor bij kinderen. In de achttiende en

negentiende eeuw kwam de ziekte veelvuldig voor in Londen en andere Engelse steden, vandaar de naam. De aandoening werd ook wel de Ziekte van Sint Machuut 169 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 169 genoemd. Een tekort aan vitamine D tast de botten aan en veroorzaakt op den duur kreupelheid. De eerste berichten over Machutusbedevaarten naar Vught stammen uit het begin van de zeventiende eeuw. De plotselinge toeloop van pelgrims had met devotie weinig te maken. Het ging in eerste instantie om een restauratie van de strooien St. Pieterskerk: in een verzoekschrift aan de bisschop van s-Hertogenbosch vroegen de Vughtse parochianen hulp bij het herstel van de kerk die door brand en storm ernstig beschadigd was. Het bisdom stelde voor de al bestaande Machutuskluis grondig te exploiteren en zo voldoende geld in te

zamelen. Den Bosch had op dit punt al grote successen geboekt, te oordelen naar de scharen pelgrims die de stad in de voorbije eeuwen veelvuldig hadden aangedaan. Het lukte. De kluis, die sinds mensenheugenis door twee kluizenaressen beheerd werd, groeide uit tot een befaamde pelgrimsplaats en na verloop van tijd werd de onderneming zo profijtelijk dat het de spuigaten uit begon te lopen. In feite verschilde de Machutusverering niet veel van de offeranden bij Empel, waar grote hoeveelheden gouden en zilveren munten zijn opgegraven. Op beide plaatsen werden de goden door betaling gunstig gestemd. Nadat verschillende mensen de gang van zaken in Vught bekritiseerd hadden, stelde het bisdom, dat zijn handen in onschuld waste, een onderzoek in. De zaakgelastigde rapporteur noteerde in zijn verslag dat de offeranden (= de prijs die bezorgde ouders voor geleverde diensten moesten betalen) in dezelfde doos werden gedeponeerd als waarin zich de relieken van de Heilige Machutus bevonden. Dit cynisme, dat van de reliekschrijn een kasregister maakte, ging zelfs de Bossche clerus te ver. De Machutusverering in Vught werd onder

bisschoppelijke curatele geplaatst. Niet dat de opgelegde maatregelen veel resultaat boekten; zelfs na de inname van Den Bosch door de Gereformeerden bleven de bedevaarten naar Vught plaatsvinden. Ofschoon de protestanten herhaaldelijk pogingen ondernamen de cultus te verbieden duurde het nog vijftig jaar voordat de aan de verering verbonden huisjes in beslag werden genomen. Zelfs daarna bleek de Machutuscultus niet uit te roeien. De onderneming verplaatste zich naar schuurkerken in de omgeving en bleef tot in de achttiende eeuw 170 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 170 vrolijk bestaan. Verschillende pastoors behoedden de heilige voor de ondergang. In 1707 is er nog sprake van een kapel waar de bedevaartgangers op Goede Vrijdag, of twee of drie vrijdagen in mei, omheen kropen.

De pastoor van de Petruskerk, ene Lips, probeerde de Machutusdienst in de negentiende eeuw in ere te herstellen. Hij liet de relieken door de bisschop authentiek verklaren (hoe weten we niet) en breidde bovendien de reikwijdte van de heilige uit. Voortaan genas Machutus ook zenuwzieken en konden de landbouwers eveneens op zijn voorspraak rekenen. Machutus bleek wonderwel in staat de oogst te behoeden en het vee van ziekten te vrijwaren. Met al die agrariers in de omgeving was dat natuurlijk niet slecht bedacht. De successen van Lips waren betrekkelijk: in het begin van de twintigste eeuw bloedde de cultus dood. De heilige had namelijk nog een talent, een waarop Lips niet had gerekend: hij genas kinderen die in bed plasten. En met die beddenpisser, zoals men hem ook wel noemde, wilden de deftig geworden Vughtenaren liever niet geassocieerd worden. Opmerkelijk is dat de met de Vughtse Machutusverering geassocieerde dagen, Goede Vrijdag en de dagen in mei, helemaal niets met Machutus te maken hebben: de heilige viert zijn dag op 15 november. Pas in de negentiende eeuw ging iemand zich

in de eigenlijke Machutus verdiepen en ging de feestdag een rol van betekenis spelen. Zou het kunnen dat met de heilige Machutus in feite de heidense Magusanus werd bedoeld? We hebben gezien dat de Romeinen hun goden vaak gelijkschakelden aan plaatselijke Keltische en Germaanse goden. Dit om de culturele annexatie van vreemde volkeren te vergemakkelijken. De eerste christenen deden precies hetzelfde. Er zijn talloze voorbeelden bekend van christelijke gebouwen die op eerdere heilige plaatsen werden gebouwd. Het Vaticaan zelf is gebouwd op een tempel die oorspronkelijk aan de Perzische god Mithras was gewijd. De geboortedag van Mithras, 25 december, was in vroeger tijden de kortste dag van het jaar, maar dus ook de dag waarop de dagen weer langer werden. Deze dag werd der171 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 171

halve gezien als de terugkeer van de zon, met andere woorden: de geboorte van het licht. Vandaar dat de geboorte van de lichtgod Mithras op deze dag werd geplaatst. De verering van Mithras was waarschijnlijk de meest succesvolle uit de geschiedenis: de religie, die het 3000 jaar heeft volgehouden, was zo wijdverspreid dat de vroege christenen er een harde dobber aan hadden om de komst van de nieuwe god en zijn zoon Christus te verkondigen. De christenen gingen er daarom toe over de oude riten en gebruiken te adopteren. De geboorte van Jezus werd daarop op 25 december geplaatst in een poging Mithras van de troon te stoten. Op dezelfde wijze werd Jezus wederopstanding in verband gebracht met de komst van de lente. Pasen was in heel Europa en het MiddenOosten een belangrijke religieuze gebeurtenis. De natuur leefde na de doodse winter opnieuw op. De Grieken en Romeinen kenden Demeter en Persephone, godinnen van de vruchtbaarheid en de wedergeboorte. De Germanen hadden ook een vruchtbaarheidsgodin, Ostara genaamd. Hiervan is het Duitse woord voor Pasen afgeleid: Oster, en ook het Engelse woord

Easter. Tot de parafernalia van de godin Ostara behoorden onder andere het ei (universeel symbool voor de wedergeboorte) en de haas. Zo komen wij aan de Paashaas, die eieren in de tuin verstopt. Dit verschijnsel heet transvaluatie. Het maakte het mogelijk dat er op plaatsen die met Keltische cultusplekken werden geassocieerd (zoals Orthen, Engelen en Empel rond Den Bosch) al rond het jaar 800 kerken verschenen, dus lang voordat de stad Den Bosch gesticht werd. We weten dat de oorspronkelijke Lambertuskerk in Vught ook rond deze tijd werd opgericht; op een dergelijke cultusplek wellicht? Is het mogelijk dat het Maurickplein in Vught, ooit geassocieerd met een Keltische, dan wel Germaanse cultusplaats gewijd aan een godheid, later geromaniseerd tot Hercules Magusanus, door de eerste christenen is geadopteerd? Op de fundamenten van deze aan Magusanus of Magusus gewijde cultusplek werd (naast een kerkje) een aan Machutus gewijde kapel gesticht, later geexploiteerd als bedevaartplaats voor vrome pelgrims. De bedevaartgangers die vanaf

het begin van de jaartelling Magusanus vereerden, 172 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 172 gingen van lieverlee Machutus vereren, een nogal arbitraire Bretonse heilige. De geschiedenis van Machutus, teruggevoerd op het Keltische Wales, doet in een aantal opzichten denken aan verhalen uit de Keltische mythen. Te denken valt aan de pogingen van Machuut en zijn vrienden om het Eiland der Gezegenden te vinden: een nadrukkelijk Keltisch motief. Het heeft er alle schijn van dat de Machutuslegende (misschien op zichzelf al een verkapte Keltische legende) er door de eerste evangelisten is bijgesleept om van de Vughtse cultusplek een christelijke bedevaartplaats te maken. (De god die jullie Magusanus noemen, noemen wij Machutus, enzovoort). Het bewuste eiland, wellicht de motte bij Maurick, was dan oorspronkelijk een plaatselijk

Avalon, een Eiland der Gezegenden. Dit klinkt gewaagd, maar dat is het niet. Nomadische IndoEuropese volkeren, waaronder de Kelten en de Germanen, namen hun mythologie met zich mee en pasten die toe op geografische kenmerken ter plaatse. Een verhoging in het moeras, misschien in de loop der tijd door mensenhanden opgehoopt, werd dan het nieuwe Avalon. Eenzelfde kunstmatige ophoging in het moeras vinden we in het Engelse Glastonbury, dat tot op heden met Avalon geassocieerd wordt. Ook op deze heuvel is in christelijke tijden een kerkgebouw neergezet. De etymologie van de naam Magusanus is waarschijnlijk terug te voeren op een Latijns woord dat de rijke of de vermogende betekent. Het betreft hier dus een naam die pas later door Romeinen is toegekend aan een oudere (Keltische?) godheid. Een tweede mogelijkheid is echter dat het woord afkomstig is van een samenstelling van magus en senos.49 Beide woorden komen zowel voor in het Keltisch als in het Germaans. De betekenis van het woord magus, dat in verschillende

uitingsvormen voorkomt in het Iers, Bretons, Cornish en Welsh, is jong of jongeling. In het Germaans, met vergelijkbare vormen in het Gotisch, Angelsaksisch en Oudnoors, heeft het dezelfde betekenis. Het woord senos vinden we in het Latijn als senex (oud, denk aan senior of seniel) maar eveneens in het Germaans en Keltisch. Ook hier betekent het oud. Magusanus kan in deze zin wel vertaald worden als de levenskrachtige oudere of juist omgekeerd: de jongeling met de levens173 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 173 ervaring van een oudere man. Uit de zesde eeuw is een Welshe inscriptie bekend waarop de naam als persoonsnaam voorkomt: Mavohe[ni]. Het Welsh is een zeer oude Keltische taal en de tekst uit de zesde eeuw bewijst dat de naam al heel lang als persoonsnaam circuleert. De naam wordt in Engelse

commentaren vertaald als Old lad. Deze link met Wales is gezien de Welshe afkomst van Machutus natuurlijk interessant. Ook de overstap van Machutus naar Bretagne kan duiden op een lingustischgeografische verbastering. Het feit dat de Machutusverering in Vught vooral plaatsvond op Goede Vrijdag en bepaalde dagen in mei is dan als volgt te verklaren: op genoemde dagen werden door de plaatselijke bewoners vruchtbaarheidsriten gehouden, riten die met de lente en de wedergeboorte te maken hadden. In pogingen de bewoners te bekeren werd de lokale godheid gelijkgeschakeld aan de Welshe Machutus. Dat zijn feestdag eigenlijk 15 november was, werd als een bijzaak beschouwd. De Bataven De stap van een Keltisch heiligdom naar een Germaans heiligdom is niet zomaar gemaakt. Kelten zijn geen Germanen. Hoewel er sprake was van een intensieve culturele uitwisseling zijn het toch echt twee verschillende volkeren. De Germanen woonden

ruwweg boven de Rijn, in het noorden van Europa. Maar de heiligdommen rond Den Bosch, zoals de Tempel van Empel, leveren een probleem op. Zoals gezegd doen grote muntvondsten het vermoeden rijzen dat het hier ab origine Keltische nederzettingen betreft, waarschijnlijk in de open lucht gecultiveerd door de Eburonen. Maar de god Hercules Magusanus was geen Keltische, maar een Germaanse god. Werd er dus een Germaanse god vereerd in een Keltisch heiligdom? Dat lijkt niet waarschijnlijk. Aannemelijker is dat het hier gaat om een opeenvolging van culturen. De oudste gebruikers van de cultusplaats waren vermoedelijk Kelten. Zij hebben hun gebruiksvoorwerpen en hun munt174 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 174 geld achterlaten. Wellicht zijn het ook de stichters van het heiligdom geweest, al valt dit niet met zekerheid te

zeggen omdat de Kelten geen religieuze gebouwen oprichtten, maar hun goden in de open lucht aanbeden. Dit deden de Germanen trouwens ook. Ze kozen voor hun godsdienst speciale plekken onder de blote hemel, zoals open plekken in het woud, waterbronnen en natuurlijke verhogingen als heuvels en terpen. Het waren de Romeinen die de eerste tempels bouwden, al deden ze dit vaak op plaatsen die door de veroverde volkeren al als heilig waren aangewezen. In Empel en in Vught zien we op dezelfde plaats zowel Romeinse funderingen als Keltische gebruiksvoorwerpen. In het geval van de laatste twee is het echter een beetje anders gegaan. Het waren waarschijnlijk niet de Romeinen die de Tempel van Empel gebouwd hebben, maar de Bataven. Wie waren de Bataven? De Bataven of Batavieren behoorden aan het begin van de jaartelling tot de vroegste bewoners van Nederland. Julius Caesar beschrijft ze in zijn De Bello Gallico (Over de Gallische Oorlog) als een stam die woont op een eiland waar de Maas en de Waal samenkomen. De locatie van dit eiland is onbekend. Er is wel eens

gedacht aan het Gelderse Rossum als vroegste bewoning, daar hier veel munten zijn opgegraven die lijken op die in het gebied van de aan de Bataven verwante Chatten.50 Geschiedschrijver Tacitus zegt dat de Bataven de moedigste stam in het gebied waren. Omdat ze de Rijndelta in Nederland bevolkten, zijn Nederlanders wel geneigd de Batavieren als hun voorouders te zien. Niet voor niets noemden we onze hoofdstad in Nederlands-Indie Batavia, en toen Holland in 1795 in een revolutionaire crisis terechtkwam heette het land de Bataafse Republiek. Net als de Kelten vereerden de Bataven hun goden in de open lucht, in bossen of bij rivieren. Toen ze in 12 voor Christus door de Romeinen onderworpen werden, veranderden ze in bondgenoten van het Romeinse Rijk. Ze werden vrijgesteld van belastingen en dienden vaak als elitetroepen in het Romeinse leger. In die hoedanigheid streden ze vaak tegen Keltische en Germaanse volkeren als de Marsen en Cherusken. Het bestaan van de Bataven in de geschiedschrijving hebben we 175

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 175 vooral (of eigenlijk uitsluitend) te danken aan de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus, die rond het jaar 100 na Christus de Bataafse Opstand te boek stelde. Zon 40 jaar eerder, in het jaar 69, voerde het stamhoofd van de Bataven, Julius Civilis genaamd, zijn volk aan tegen de Romeinen. De Bataafse Opstand is wel eens gelauwerd als de eerste Nederlandse vrijheidsstrijd. Hij zou, net als de 80-jarige oorlog en de strijd van de Patriotten voortkomen uit de wens om een onafhankelijk volk te zijn. Dit is een vertekend beeld. De Bataven maakten ten tijde van de opstand immers al zon 100 jaar deel uit van het Romeinse Rijk. De naam Julius Civilis is zo Romeins als het maar kan. In feite is het een titel: de familienaam Julius wijst op een burgerrechtverlening door een keizer uit het Julische Huis, en Civilis lijkt erop te wijzen dat de Romeinen

hem als een beschaafde, brave burger beschouwden.51 Tacitus schrijft dat hij intelligenter was dan je van een barbaar mocht verwachten. De opstand onder Julius Civilis kwam dan ook veeleer voort uit politieke ontwikkelingen in Rome. De troonopvolging confronteerde Civilis met de grilligheid van verschillende keizers, die hem beurtelings beloonden en veroordeelden. Toen Vitellius de keizerstroon besteeg verslechterde de verstandhouding snel. Vitellius had geen boodschap aan de vriendelijke bejegening van de Bataven door zijn voorgangers: hij ronselde onder dwang soldaten, zelfs kinderen en ouden van dagen, en stond oogluikend toe dat zijn rekruteringsofficiers zich misdroegen. Dit bleef uiteraard niet zonder gevolgen. Civilis belegde een nachtelijke spoedvergadering in wat Tacitus een sacrum nemus noemt: een heilig woud. In het Nederlands verbasterden de woorden tot Schakerbos of Schakenbos, en werd daarmee ten onechte geassocieerd met de Hollandse heerlijkheid Schakenbos bij Voorburg (de naam Voorburg komt verderop nog wel terug, zoals we zullen zien). Veel

waarschijnlijker is dat het bos zich in het land van Maas en Waal bevond: in Gelderland of Brabant. In elk geval betoogde Civilis tijdens het inderhaast georganiseerde bacchanaal dat het tijd was geworden tegen de Romeinen in het verweer te komen. Met de Romeinen bedoelde hij evenwel keizer Vitellius, en niet de Romeinen in het algemeen. 176 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 176 Het kwam erop neer dat de Bataven zich aansloten bij de factie van Vespasianus, de troonpretendent. Voorlopig althans. Mogelijk hielden de Bataven er een meer ambitieuze agenda op na, waarin zij zich op een later tijdstip helemaal van Rome zouden losmaken. Toen de troonsopvolging beslecht werd konden de oproerlingen het excuus niet meer volhouden en keerden zij zich openlijk tegen de Romeinen. De Bataven wisten zich een tijdlang goed staande te

houden in Nederland: met name omdat ze het belang van de waterwegen (de Rijn) inzagen en deze hardnekkig in hun beheer hielden. Pas bij het bolwerk van de Germaanse Treveri (Trier) werden de opstandelingen tot staan gedwongen. Kort daarna werd er een vermeend vredesverdrag gesloten, vermeend omdat het relaas van Tacitus opeens (midden in een zin) ophoudt als de twee legeraanvoerders op een opgebroken brug over een niet nader gedentificeerd riviertje in de Betuwe op het punt staan te onderhandelen. Vught als Germaanse cultusplaats In deze tijd van verzoening tussen de Bataven en de Romeinen deed een nieuwe term zijn intrede: de Oppidum Batavorum. Hiermee werd geen Bataafse nederzetting bedoeld, maar een bestuurlijk centrum in het gebied van Maas en Waal dat door Romeinen bestierd werd. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om Bataafs-Romeinse handelsnederzettingen. Hieruit valt af te leiden dat de Bataven zich hadden laten romaniseren. Het idee bij de Tempel van Empel, en mogelijk ook in soortgelijke nederzettingen in de streek, is dat het een

geromaniseerde tempel is: een heiligdom gebouwd door inheemse Bataven in Romeinse stijl. Het bouwwerk bevat dus zowel Romeinse als Bataafse kenmerken. Maar de Bataven, tekenen we hier nogmaals aan, waren gen Kelten. Hoewel er historici zijn die dit betwisten, waren de Bataven vermoedelijk een WestGermaanse stam die is terug te voeren op de Chatten. De Chatten leefden in Duitsland en duiken in de geschiedenis vaak op als een berucht Germaans volk dat zich in het Rijngebied ophield. De Bataven zouden een fractie zijn die na een con177 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 177 flict van de Chatten waren afgesplitst. Deze theorie, dat de Bataven dus Germanen en geen Kelten waren, sluit aan bij het feit dat zij rond Den Bosch een Germaanse godheid vereerden. Mogelijk kunnen we stellen dat de

heiligdommen van oudsher in gebruik waren van Keltische stammen, en dat deze door de Bataven verdrongen zijn. De Bataven gingen ertoe over de oeroude cultusplekken als de hunne te adopteren en hier de verering voort te zetten, zij het onder auspicien van hun eigen, aanverwante goden. Welke goden de Kelten daar vereerden weten we niet. Maar bij de Bataven zal het denkelijk Donar (Thor), de oorlogsgod van de Germanen, zijn geweest. Donar was de zoon van oppergod Wodan. Hij werd geassocieerd met de lucht, de donder, de vruchtbaarheid en de wet. Donderdag (Donar-dag of Thursday, Thors Day) is naar hem genoemd. Hij ging doorgaans gekleed in een gordel van kracht, zijn belangrijkste attribuut was een hamer. Vaak wordt hij gezien als de ordebrenger, die de chaos verslaat. Vanwege zijn reputatie als mannetjesputter werd hij door de Romeinen gelijkgesteld met Hercules. Het centrum van zijn cultus lag hoogstwaarschijnlijk in Nijmegen, dat de Romeinen Noviomagus Batavodurum (Novio Magusanus?) noemden. Dat hij in Empel vereerd werd, leiden

onderzoekers af uit het feit dat er een inscriptie gevonden werd, neergepend door een Bataafse legionair, Julius Genialis. De inscriptie luidt: Voor Hercules Magusanus. Door Julius Genialis, veteraan van het Tiende Legioen, bijgenaamd het Dubbele, het Rechtvaardige en het Trouwe, is een gelofte gaarne, met genoegen en met reden ingelost. Het Tiende Legioen was het legioen dat de Bataafse Opstand kwam onderdrukken. Ook werd er bij Empel een beeldje van Hercules Magusanus gevonden. De naam Magusanus, zo zagen we, komt waarschijnlijk uit het Latijn en betekent de rijke of de vermogende. Zo kwamen de Romeinen, toen ze de Bataafse Donar wilden classificeren, op Hercules Magusanus. Joost van den Vondel noemt hem de Duitse Hercules. De naam heeft in deze vorm (Hercules Magusanus) een groot verspreidingsgebied, niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland en Zwitserland tot aan Rome toe. Dit valt te verklaren door het eerder genoemde feit 178 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 178 dat de Bataven vaak toetraden tot het Romeinse leger, dat hen over heel Europa bracht. We hebben ook gezien dat de cultusplaatsen vaak het slachtoffer werden van christelijke missionarissen die de streek wilden kerstenen. Zo werd een heiligdom in Ruimel, aan Magusanus gewijd, door Willibrord vernield om er een kerk op te bouwen. En de cultusplaats in Elst in de Betuwe die net als Empel van behoorlijke omvang was, bevond zich onder de hervormde kerk. Samenvattend kunnen we opperen dat er in elk geval bij Empel een cultusplek lag die eerst door de Kelten en vervolgens door de Germanen als belangrijk heiligdom werd gezien. Hans Teitler vraagt zich in De opstand der Batavieren af of de Tempel van Empel niet gelijkgeschakeld kan worden met het door Tacitus genoemde Sacrum Nemus (heilig bos). Met andere

woorden: het heilige woud waar de Bataaf Julius Civilis opriep tot de opstand tegen de Romeinen. Toen de Bataven en Romeinen na de opstand weer tot elkaar kwamen, werd het heiligdom in de open lucht een stenen tempel met Romeinse invloeden.52 Ook Nico Roymans en Ton Derks speculeren hierover in een boek over Empel: Tacitus noemt helaas niet de godheid die hier [in het Sacrum Nemus] werd vereerd, doch het feit dat er een stamvergadering werd gehouden waar een oorlogsverklaring werd uitgegeven, wijst op de oorlogsgod Hercules Magusanus. Over het uiterlijk van de cultusplaats weten we slechts dat bomen er een belangrijke plaats innamen. Verder kan er in die tijd (69 na Chr.) reeds een kleine tempel hebben gestaan, zoals te Elst is aangetoond. Naar de locatie van deze historische cultusplaats kunnen we slechts gissen. Nemen we echter aan dat het hier inderdaad gaat om een van de belangrijke inheemse Herculesheiligdommen, dan behoort Empel (naast Elst) tot de

potentiele kandidaten voor de plaats waar de Bataven in 69 hun bekende opstand tegen de Romeinen uitriepen.53 In dezelfde publicatie zinspelen Willy Groenman-van Waateringe en Jan-Peter Pals op dezelfde mogelijkheid. Een onderzoek naar de vegetatie rondom het heiligdom verleidt de auteurs ertoe de aangetroffen bosvegetatie in verband te brengen met berichten van 179 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 179 klassieke schrijvers over de locatie van inheemse cultusplaatsen in heilige wouden. Ze concluderen: Op grond van pollenanalytische gegevens zou gesteld kunnen worden dat de bosvegetatie [in Empel] mede bepalend is geweest voor de beslissing juist op deze plek een heiligdom in te richten. De inheemse bevolking kan zelfs de eikenpopulatie (...) bewust hebben bevorderd door het verwijderen van andere

houtsoorten. Volgens Tacitus vormden bossen bij de Germaanse bevolking de plaats bij uitstek voor de locatie van cultusplaatsen. Een concreet voorbeeld dat betrekking heeft op de Bataven is het Sacrum Nemus waarin de Bataafse leider Julius Civilis en zijn aanhang hun nachtelijke vergadering houden. In een andere passage, die verwijst naar een situatie in NoordDuitsland, is sprake van een bos gewijd aan Hercules (Silvam Herculi). Is dit inderdaad het geval, dan betekent dit dat het bewuste heiligdom een veel grotere rol speelde dan tot nog toe werd aangenomen. Het zou kunnen verklaren waarom de streek voor de latere Duitse Orde een plek van groot belang was. Mogelijk werd het beschouwd als een ankerplaats voor de Germanen, een plek waaraan de latere Germanen hun identiteit ontleenden: de oergrond. Dat dit in Nederland lag, deed niet ter zake: de Bataven waren Germanen, en nog lang geen Nederlanders. Een heilig landschap

Wij vragen ons dus af of het centrum van de cultusplaats niet in Vught lag, op het Maurickplein waar Romeinse funderingen zijn opgedoken en waar later de Machutusverering plaatshad; of bij Maurick zelf, op het kunstmatige eiland waar de motte zich bevond. Op deze plaatsen is nauwelijks archeologisch onderzoek gedaan; zelfs de indrukwekkende partij schedels die in mei 1989 op het Maurickplein werd opgegraven, was een trouvaille: men was bezig met onderhoud aan de A2.54 Het is natuurlijk interessant om je af te vragen wat er op deze locaties nog allemaal in de grond kan zitten, maar aan het feit dat dit onderzoek nog niet gebeurd is ontlenen wij het recht er vrijelijk over te speculeren. 180 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 180 Als de cultusplek zich wel in Empel bevond, of als Jan van der Eerden gelijk heeft en het heiligdom was Den

Bosch zelf, dan nog kunnen we onszelf op het hoofd krabben. Dan lijkt deze concentratie van heilige plaatsen en klassieke vondsten in Vught, Gestel en omstreken te wijzen op een landschap dat als geheel een opvallend sacraal karakter had. Was misschien de hele streek rond Den Bosch een heilige plek? Van der Eerden lijkt hier wel van overtuigd te zijn als hij schrijver Anton Verhagen citeert: Juist deze delta van het stroomgebied van de rivieren Aa en de Dommel, die in hun eigen stroomgebied weer werden gevoed door talloze kleine rivieren en beken, hadden voor de prehistorische mens een grote betekenis, niet alleen qua voedsel vergaren, maar ook in relatie tot goden en mythen. Ze beschouwden het ineenstromen van het rivierwater als de levensadem van hun voortbestaan. En verder: Zo weten we dat op de RomeinsGallische cultusplaats op de Werf in Empel, niet alleen een tempel stond, maar enkele decennia daarvoor de toenmalige inheemse bevolking (...) deze donk als offerplaats gebruikte. Van der Eerden benadrukt het belang van de delta: Dit was (...)

de plek waar de twee rivieren Dommel en Aa samenvloeien tot de Dieze, die vier kilometer naar het noorden uitmondde in de Maas via een delta van een zevental kleine stroompjes, die werd gemarkeerd door de tempel van Magusanus en een ongewoon aantal Keltische nederzettingen. Daar komt bij dat de naam Dieze verondersteld wordt heilige rivier te betekenen.55 Ook de Maas wordt, in samenspel met de Schelde en de Rijn, wel gezien als een belangrijke mythische rivier. Maakten Empel, Vught en Den Bosch deel uit van een cultusplaats die veel groter en veelomvattender was dan we dachten? Is hier sprake van een soort geografisch tempelcomplex, een heilig landschap dat de hele streek omvat? Dit plaatst het geheel in een ander daglicht. Globaal gezien is er dan sprake van een noord-zuid-as waarlangs zich een aantal opmerkelijke heiligdommen bevinden. Beginnend in Vught (en komend uit het zuiden) begeeft een reiziger zich dan langs de as naar het noorden: over een weg die al eeuwenlang in gebruik

is. Deze weg wordt op een paar plekken herinnerd aan zijn betekenis in de 181 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 181 Oudheid. Zo loopt er vlak onder Den Bosch (in het Bossche Broek) nog een oude Romeinse weg naar Vught (Maurick om precies te zijn) die zeer waarschijnlijk in het verlengde lag van deze noordzuidroute. Later maakte de weg deel uit van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. In de Middeleeuwen bevond zich aan de weg, vlak onder Vught, een tolhuis. Deze plaats wordt nog steeds aangeduid door een huis langs de A2 dat de Oude Tol heet. Een stukje verder passeert de automobilist een voornaam landhuis dat duidelijk de naam Voorburg draagt. Dit oude landhuis heeft haar naam gegeven aan psychiatrisch ziekenhuis Voorburg, nu Reinier van Arkel

genaamd (overigens naar een nazaat van Jan van Arkel). Waarom het landhuis Voorburg genoemd werd is onbekend, maar een reiziger in Romeinse tijden moet langs dit punt gekomen zijn. Is het mogelijk dat de naam is afgeleid van een veel ouder gebouw dat een voorburcht was? Een voorburcht voor de heilige plek wellicht? Kan er een poort of een ander bouwwerk gestaan hebben dat de overgang naar een sacraal gebied markeerde, een gebied dat volgens de Kelten, Romeinen of Germanen aan de goden behoorde? De A2 volgt voor een groot deel de oude weg totdat hij vlak voor de stad afbuigt in de Ring. De oorspronkelijke weg voerde echter rechtdoor, dwars door het oude centrum van Vught. Eerst langs het Maurickplein met de latere Machutuskluis en vervolgens langs Zionsburg en de Lambertuskerk. Van speciale betekenis wordt nu een citaat van Hezenmans over het latere landhuis Zionsburg, in 1663 gebouwd door Cornelis Kuchlinus: Ongeveer op [de] grondslagen [van het Duitse Commandeurshuis] werd een landhuis opgetrokken, dat den naam Sions-burg

ontving. Was dat eene herinnering aan het eerste Duitsche Huis in Jerusalem? Of een zinspeling op zijn ligging in de nabijheid van Den Bosch, vroeger het Roma Belgica, thans, in de taal van sommigen, een ander Jerusalem, waarvan dat nieuwe landhuis de voorburcht vertegenwoordigen moest? (cursivering door de auteurs). De bezienswaardigheden naast het pad negerend (de motte bij Maurick, de nederzettingen bij Gestel) sjokte de reiziger verder over de modderige Taalstraat en stuitte uiteindelijk op s-Hertogen182 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 182 bosch. Als we Jan van der Eerden mogen geloven was dit in voorhistorische tijden een kleine nederzetting met een Keltisch heiligdom op de plek waar nu de markt is. De Vughterstraat viel toen nog buiten de stadsgrens en

maakte deel uit van de noord-zuidroute. Den Bosch kan natuurlijk gezien worden als een uitsluitend strategische vesting waar geen hocus-pocus aan te pas hoeft te komen. Maar een stad als hoger gelegen cultusplaats (dichter bij de goden) en een stad als hoger gelegen, verdedigbare burcht hoeven elkaar niet uit te sluiten. Eerder liggen ze in elkaars verlengde. Van der Eerden erkent: Deze cultusplaats moet voor de omvorming tot stedelijke nederzetting ideaal hebben gelegen in het stroomgebied van de Maas. Nog verder naar het noorden zou de reiziger uiteindelijk op Empel en vervolgens op de Maas zijn gestuit. Doorkruiste een reiziger in het begin van onze jaartelling een heilig woud? Was hij een pelgrim die, reizend door Vught, s-Hertogenbosch en Empel, achtereenvolgens een voorportaal, een heiligdom en het heilige der heilige betrad? Deze hierarchie kan zich natuurlijk door de eeuwen heen verplaatst hebben, van Empel naar Vught of omgekeerd. Missie geslaagd? Komen we terug op de vraag of het feit dat Vught een

mogelijk belangrijke cultusplaats was, een rol heeft gespeeld in de komst van Duitse ridders in het dorp en het verbergen van een geheim. De vondsten van Germaans wapentuig bij Empel en Vught doen dat wel vermoeden. Deze vondsten zijn tamelijk uniek in Nederland en vinden alleen parallellen in Noord-Duitse grafvelden.56 Daarnaast lijken de opgegraven voorwerpen (votiefgaven als munten, penningen, zwaarden, bijlen en stukken plaatpantser) erop te wijzen dat het hier een militair heiligdom betrof. Voorwerpen van meer huiselijke of vrouwelijke aard (zoals terracotta beeldjes en versieringen) zijn er niet of nauwelijks gevonden. Afbeeldingen op munten hebben een overwegend krijgshaftig karakter en laten vooral getuigde paarden en militaire attributen zien. Daarbij is de 183 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 183

in hoofdzaak vereerde godheid zowel bij de Germanen als bij de Romeinen een god van de oorlog. We herinneren ons dat de Duitse Orde voluit de Fratres Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teutonicorum, en vandaar ook wel de Teutoonse Orde genoemd werden. De middeleeuwse Duitsers grepen in hun identificatie dus terug op hun Germaanse voorouders, de Teutonen. Ook is het een feit dat het de Chatten waren die in het Teutoburgerwoud de slag met de Romeinen uitvochten. Kunnen de Teutoonse ridders zich hun oude cultusplekken herinnerd hebben? Nam met name de omgeving van Vught voor de kruisvaarders in 1200 nog steeds een belangrijke plaats in? Zo belangrijk dat zij werd uitgekozen als de bergplaats van een uiterst geheime en gewichtige schat? Waren de Zwijnen van het Pact van Woeringen erbij betrokken? Vandaag de dag draagt het Bossche Stadhuis aan de Markt nog steeds een windvaan die door sommige historici als een zwijnenkop wordt beschreven. Een herinnering aan de hertogen uit de veertiende eeuw. Precies dezelfde windvaan vinden we

echter terug in de nabije omgeving, en wel op de Lambertuskerk in Vught. Eindigde hier de missie van de pactleden? Lag de legendarische schat van de tempeliers in het Duitse Huis aldaar, of mogelijk in de heilige motte van Kasteel Maurick? Het was een vraag die we nu nog niet konden beantwoorden, maar die in de loop van ons onderzoek steeds meer op de voorgrond trad. Laten we eens kijken wat er vervolgens gebeurt. 184 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 184 Hoofdstuk 9 Zwanen en zwijnen

Geheime Genootschappen Wie vandaag de dag door de Bossche binnenstad loopt en zich in de Hinthamerstraat waagt (door sommigen wel de endeldarm van de stad genoemd), ziet daar een eigenaardig uitziend pand, in neogotische stijl opgetrokken met vier ietwat verweerde beelden en bovenop een koperen zwaan, de vleugels gespreid. Een vreemd reliefwerk siert de grijze gevel: een door distels omgeven lelie met daaronder het woord Sicut. De vier beelden stellen roemruchte figuren uit vervlogen tijden voor: drie ervan zijn Floris van Egmond, Gerard van Uden en Gijsbert van der Poorten. Het vierde is niemand minder dan Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands. Wat hebben deze figuren gemeen? Ze waren allemaal lid van een raadselachtig genootschap, bekend als de Illustre (illustere) Lieve Vrouwe Broederschap te s-Hertogenbosch, ook wel de Zwanenbroeders genoemd.57 Het vreemd aandoende pand is het Zwanenbroedershuis. Het staat op de plaats waar het geheimzinnige genootschap al honderden jaren bijeenkomt. Het genootschap zou een elitegroep zijn,

de Bossche Illuminati, waar machtige zakenlieden samenkomen om over de toekomst van Nederland te beschikken. Anderen zijn van mening dat het hier de nakomelingen betreft van de tempeliers, de vrijmetselaars of de zwaanridders. Wie waren de Zwanenbroeders? Waarom duiken ze in de geschiedenis steeds weer op, en hoe komt het dat een overstelpende hoeveelheid bekende en machtige personen uit de Europese geschiedenis voorkomt op hun ledenlijst? 185 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 185 Opkomst van de Broederschap Bij het bekijken van de verschillende geestelijke en seculiere broederschappen uit de twaalfde en dertiende

eeuw krijgen we nogal eens de indruk dat het hier om niet meer gaat dan de behoefte van mannen om met elkaar in een clubje te zitten en onder het mom van een of andere klerikale doctrine een wijntje te drinken, een kaartje te leggen en het buikje rond te eten. Dat deze mondiale behoefte wordt opgesmukt met een arsenaal aan ceremoniele plichtplegingen en geheime wachtwoorden om de onderneming een air van geloofwaardigheid te geven, hoeft niet te verbazen. Hoe meer geheimzinnigheid hoe beter. In het bourgondische Den Bosch, waarin de kathedrale basiliek van Sint-Jan al vanaf het leggen van de eerste steen omgeven is geweest door kroegen en herbergen, is de aanwezigheid van dergelijke gezelschappen dan ook nauwelijks opmerkelijk te noemen. Toch schijnen de broederschappen uit de late Middeleeuwen uit meer te hebben bestaan dan esoterische opschik. Het feit dat een van deze gezelligheidsclubjes in het jaar van schrijven haar 689-jarige bestaan viert en kan bogen op het lidmaatschap van zo ongeveer de voltallige koninklijke familie, toont wel aan dat de societeiten meer omvatten dan wekelijkse pokeravondjes,

bingowedstrijden en slemppartijen. Een van deze gezelschappen, de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, ook wel de Zwanenbroeders, is van belang voor ons verhaal. Het is deze broederschap die met kop en schouders boven de andere uitsteekt. Waar kwamen ze vandaan, die broederschappen? Dr. G.C.M. van Dijck, de biograaf van de Lieve Vrouwe Broederschap, plaatst de opkomst van de geestelijke en meer antiklerikale broederordes in een kader van economische bloei en sociale bewustwording. Hij laat de intrede van de broederschappen gelijke tred houden met de groei van s-Hertogenbosch en de daarmee gepaard gaande stratificatie van bevolkingsgroepen.58 De stad als autonoom cultureel-economisch orgaan was een betrekkelijk nieuw fenomeen in het Nederland van de twaalfde eeuw. Bevolkingsgroepen die voorheen hun hierarchie gespiegeld zagen in het 186 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 186 feodale middeleeuwse landschap, zaten ineens met zn allen op een kluitje en moesten nieuwe vormen vinden om de eigen identiteit en soevereiniteit te handhaven. De kerk, de adel, de middenklasse en de onderlaag, allemaal moesten ze zich bezinnen op hun plaats in deze nieuwe samenleving. De veertiende eeuw kenmerkt zich door proletarisch ellebogenwerk, adellijke staatsgrepen, klerikaal gekonkel en het aftasten van grenzen. De oligarchie was niet langer onbetwist: de sociale onderklasse deed zich gelden door het invoeren van ambachtsgilden, de middenklasse eiste inspraak en ook de geestelijkheid liet op alle mogelijke manieren van zich horen. Een manier om zich te laten horen en zich binnen de veranderende samenleving overeind te houden, was de oprichting van broederschappen die zich enerzijds lieerden aan een geestelijk substraat en anderzijds een gedegen socialistisch gezicht lieten zien. Houd rekening met ons, wilden ze zeggen. De

dichotomie van zowel kerkelijke als seculiere eigenschappen moest veroordeling door de kerk voorkomen. Door zich onder de hoede van de intens populaire Maria te scharen en de bevordering van de godsvrucht tot een van de doelstellingen te maken, maakten deze groeperingen zich kerkelijke goedkeuring en de sympathie van de bevolking eigen. Deze mariale verering was in Den Bosch even aanwezig als in andere steden en de behoefte van verschillende bevolkingsgroepen om zich middels een semi-kerkelijke broederschap te verenigen maakte hier dankbaar gebruik van. In deze context ontstond in 1318 de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap te s-Hertogenbosch. De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap De stichting van de broederschappen gaat met de nodige vraagtekens gepaard. De oprichtingsoorkonde stamt uit 1318 en laat qua duidelijkheid niets te wensen over: Bossche clerici en scholastici (scolares, Van Dijck denkt aan scholieren, dus aankomende clerici) komen

plechtig bijeen om met goedkeuring van de bisschop van Luik een broederschap ter ere van de Maagd Maria in het leven 187 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 187 te roepen. De oorkonde, voorzien van alle benodigde zegels, beschrijft netjes en nauwgezet de kerkelijke en geldelijke verplichtingen van aspirant-leden. De statuten inaugureren een hierarchische structuur en een globale doelstelling. Wat we nt weten is wie de opstellers van de oorkonde zijn en waar hij precies is opgesteld. Afgezien van het jaartal 1318 ontbreekt een exacte datum. Als oprichter wordt pas veel later ene Gerard van Uden genoemd, maar hoewel deze naam regelmatig opduikt in de annalen van de stad, wordt er in de statuten van de broederschap zelf hardnekkig over gezwegen. Ook zijn er berichten die erop wijzen dat de broederschap in feite al lang vor 1318 bestond, maar

pas in dit jaar officieel om toestemming vroeg. In 1518, dus twee eeuwen later, zegt de bisschop van Luik dat de orde na lange tijd gefungeerd te hebben in 1318 toegelaten en goedgekeurd is.59 Kort samengevat stellen de kronieken dus dat er omstreeks het jaar 1318 in s-Hertogenbosch een broederschap wordt opgericht die zich tot doel stelt de verering van de Maagd Maria te institutionaliseren en te verspreiden. Een citaat uit de statuten laat wat dat betreft aan duidelijkheid niets te wensen over: Het is redelijk en waardig dat, als wij de Zoon prijzen, wij ook de Moeder prijzen uit eerbied tot haar Zoon. Want zo willen wij haar eren, die als middelares tussen God en mensen tussenbeide komt, voortdurend op ons zondaars lettend en naarstig voorspreker bij Hem, die zij heeft voortgebracht. Naast het aanbidden van Christus via zijn moeder worden er geen andere doelstellingen genoemd. Van een zorg voor zieken, armen en gewonden, zoals dit in het Heilige Land wel gebruikelijk was, is geen sprake.

De broederschap zal niet uitblinken in naastenliefde. De spirituele roeping was waarschijnlijk oprecht, maar het oprichten van een dergelijke broederschap was voor verschillende sociale bevolkingsgroepen dus ook een manier om zich in de groeiende stad staande te houden. De broederschap had haar eigen kapel in de noordzijde van de Sint-Janskathedraal, in de loop der jaren steeds aangepast en herbouwd. De kapel, vandaag de dag nog te bezichtigen, lijkt aanvankelijk in bruikleen te zijn verstrekt, 188 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 188 maar werd vanaf de bouw feitelijk als een kerk binnen een kerk beschouwd, en dus als toebehorend aan de broederschap. Hoewel de broederschap in haar statuten vermeldt dat alleen geestelijken toegang hebben tot het lidmaatschap, zien we dat zij in het verloop van de eeuw ook vrouwen en lieden uit de sociale

bovenlaag gaat aantrekken. Blijkbaar vergaat het de broeders zo goed dat ze, uit noodzaak of opportunisme, tevens welgestelde burgers zoals ridders en notabelen binnenhalen. Door schenkingen, renten, cijnzen en de verkoop van aflaten rolt het geld binnen, en met het geld de privileges. Een ander vermeldenswaardig feit is de gelukkige vondst van het zogenaamde Mirakelbeeld van de Zoete Lieve Vrouw in 1380. Het verhaal gaat dat in dat jaar een hevig verweerd Mariabeeld werd gevonden in een hoek van de bouwloods van de kathedraal. Het houten beeld werd bijna in stukken gehakt omdat het zo lelijk was, maar een zekere Theodoricus Loetius ontfermde zich over het beeld en zorgde ervoor dat het een plekje kreeg in de Sint-Janskathedraal. Een kapelaan die zich ergerde aan de wanstaltigheid van de Maria wilde het daar weghalen, maar naar verluidt was het beeld plotseling zo zwaar geworden dat niemand erin slaagde het te verplaatsen. Dit vreemde feit werd prompt toegeschreven aan een goddelijk ingrijpen, zodat het beeld werd omgedoopt tot Mirakelbeeld en

het is sindsdien niet meer uit de Sint-Jan weg te denken. In de jaren na de vondst werden niet minder dan honderd wonderlijke voorvallen op conto van het beeld geschreven, en in korte tijd groeide het object uit tot het boegbeeld van de broederschap, die haar voortbestaan daarmee nog eens bezegelde. Rond 1370 verschijnt er een vignet van een door distels omgeven lelie, een soort logo waarvan het credo is ontleend aan het Hooglied: Sicut lilium inter spinas, oftewel: als een lelie tussen de doornen. De dichter van het Hooglied zegt letterlijk: Als een lelie tussen dorens, zo is mijn liefste tussen de meisjes. De blanke lelie is een oud symbool van zuiverheid en maagdelijkheid en dus al vroeg in verband gebracht met Maria. De aartsengel Gabriel, die aan Maria de geboorte van Christus aankondigt, verschijnt vaak met een lelie 189 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 189

in de hand. In de Middeleeuwen werd een lelie in die context over het algemeen begrepen als verwant aan de Heilige Maagd. Het beeld is duidelijk: Maria, als verpersoonlijking van reinheid en schoonheid te midden van de stekelige verdorvenheid van de wereld. Het beeldmerk met het woord Sicut siert nadrukkelijk de gevel van het huidige Bossche Zwanenbroedershuis. Zo luidt in grote lijnen de ietwat vrome geschiedenis van de Lieve Vrouwe Broederschap te s-Hertogenbosch. Ons onderzoek bracht echter een paar verbazingwekkende feiten aan het licht. Het eerste feit betreft opmerkelijk genoeg Jan van Cuyk, lid van het Pact met de hertog en de Duitse Orde. We hebben gezien dat Van Cuyk belast was met het onderwerpen van de Bossche gilden. De Van Cuyks waren aan het begin van de veertiende eeuw nadrukkelijk in de stad aanwezig. Als stichter van de broederschap wordt ene Gerard of Gerardus van Uden genoemd. In de loop van ons onderzoek naar deze figuur en zijn familie ontdekten we een klein boekwerkje van de Van Uden Stichting60, waaruit blijkt dat de familie van Uden direct afstamde van het geslacht van Cuyk. Uit het onderzoek van de

auteur is ook gebleken dat het geslacht Van Uden vor het jaar 1288 helemaal nergens voorkomt in Bossche documenten. De schrijver vervolgt met te zeggen dat de voornamen van de leden van de familie Van Cuyk precies corresponderen met die van de Van Udenfamilie. Daarnaast verklaart de schrijver dat alle Van Udens, die als schepenen van Den Bosch bekend zijn een wapen voerden, dat in zijn grondvorm precies gelijk is aan het tegenwoordige wapen van Cuyk, afkomstig van hun vroeger gravenhuis... Hieruit is zonder twijfel af te leiden, dat de oorspronkelijke heren van Uden behoorden tot de familie der Graven van Cuyk. Inderdaad: sinds de oprichting van de broederschap duikt de naam Van Uden veelvuldig op. Hoewel inmiddels vaststaat dat Jan van Cuyk was belast met het organiseren van een centralistisch stadsorgaan, blijkt uit alles dat sommige mensen beslist niet wilden dat de naam Van Cuyk aan de broederschap werd verbonden. Het feit dat de naam Van Uden pas tijdens en na de

oprichting van de 190 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 190 Zwanenbroeders in de archieven verschijnt, ondersteunt deze stelling. Een soortgelijke naamsverwisseling treffen we aan bij de commandeurspost van de Duitse Orde te Bekkevoort, waar vanaf 1288 een commandeur genoemd wordt met de naam Jehan van Leeuwe. Deze figuur blijkt niemand minder te zijn dan de beruchte Jan van Heelu, de man van Woeringen. De geheimzinnige oprichter van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, Gerard van Uden, is dus niemand anders dan Otto van Cuyk, of misschien zelfs (want we herinneren ons dat de broederschap al vor de officiele oprichtingsdatum actief was) Jan van Cuyk

zelf! Ook frappant is dat de vroegst genoemde commandeurs van de Duitse Orde te Vught, omstreeks 1374, ook twee Van Udens zijn: Arnd in 1374 en Jan in 1387. Zouden deze Van Udens zijn voortgekomen uit de Van Cuyks in Den Bosch? Zouden het met andere woorden ook schuilnamen zijn? De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap van Den Bosch, opgericht door het Pact van Woeringen. Dat geeft te denken. Dat geldt ook voor het tijdstip waarop dit gebeurt: de beginjaren van de veertiende eeuw, dus rond de tijd waarin het Pact belast werd met het geheim van Vught. De hele opzet suggereerde een betrokkenheid van zowel het Pact en de hertog als de Duitse Orde. Daarnaast was er die vreemde naam: Zwanenbroeders. Natuurlijk vroegen we ons af of er een connectie kon zijn met de zwaanridders uit Kleef en de schat in Vught. Maria Teutonica: Het Mirakelbeeld van de Zoete Lieve

Vrouw van s-Hertogenbosch Het tweede feit betreft de legende van het Mirakelbeeld. We hebben verhaald hoe ene Theodoricus Loetius zich over het afgedankte beeld ontfermde, en dat het uitgroeide tot een lucratieve attractie voor bedevaartgangers. De bekendste Bossche legende laat echter en feit onvermeld: de genoemde Theodoricus Loetius was koster 191 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 191 van de broederschap! Een gelukkig toeval, of een handige ingreep van de Bossche broeders? Ook hier zat meer achter. Het Mirakelboek of, volledig, Mirakelen van Onse Lieve Vrouwe tot sHertoghenbosch, is een verslag gevuld met wonderen,

toegeschreven aan het Mariabeeld in Den Bosch. De wonderlijke voorvallen, chronologisch geordend in 600 versregels, wisselen elkaar met een verbazingwekkende snelheid af; in het dikke boekwerk zien blinden plotseling het licht, worden vrome kinderen gered van een wisse dood en gaan stormen even snel liggen als ze zijn opgestoken. Het boek wordt al sinds de veertiende eeuw tentoongesteld in de Sint-Janskathedraal. Op het voorblad staart de Lieve Vrouwe ons aan, in haar armen de verlosser, ondeugend uitkijkend vanonder een blinkend gouden kroontje. Deze combinatie van een Mariabeeld en een getuigschrift van haar wonderen bleek uiterst effectief. Pelgrims trokken in drommen naar s-Hertogenbosch, om eer te bewijzen aan het beeld en hopelijk verlost te worden van hun kwalen. Opmerkelijker nog dan de wonderen die in het boek aan de orde komen, is het feit dat ze stuk voor stuk worden toegeschreven aan deze Bossche Maria een obscuur beeldje van eikenhout, dat weinig gelijkenis vertoont met de Heilige Moeder van de roomse kerk, maar wel is uitgerust met haar goddelijke krachten. De

vestingstad s-Hertogenbosch was in haar verering van de Heilige Moeder volstrekt niet uniek: in de dertiende eeuw doken overal Mariabeeldjes op, elk met een arsenaal van wonderen. Het is niet onbelangrijk hierbij op te merken dat de meeste hiervan op of nabij belangrijke handelsroutes van middeleeuws Noordwest-Europa verschenen, vooral in het hertogdom Brabant en in Kleef. Een groep onderzoekers van dit merkwaardige verschijnsel typeert het als volgt: De weg van devoties was tevens die van de handel. Het was gebruikelijk dat de pelgrims hun lof in de vorm van goederen en geld uitten. Volgens kunsthistorici werd de Lieve Vrouwe van Den Bosch ergens tussen 1280 en 1320 vervaardigd: rond dezelfde tijd dat de broederschap ontstond die haar naam draagt. Over de maker van het beeld is evenwel niets bekend, behalve dat hij zijn atelier moet 192 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 192 hebben gehouden in het land van Kleef. Uit vergelijkend onderzoek is gebleken dat de Bossche Maria opvallend veel gelijkenis vertoont met andere Mariabeelden die rond 1300 op verschillende plaatsen langs de Rijn, Maas en Waal opdoken: stuk voor stuk vruchten van dezelfde boom, aldus de kunsthistorici. Het is bekend dat dit soort religieuze kunstvoorwerpen in belangrijke Nederrijnse handelssteden zoals Wesel, Kleef en Kalkar zeer in trek waren en de productie van deze voorwerpen dus ook uit deze gebieden afkomstig was. Van slechts en ander beeld weten we met zekerheid dat het van dezelfde maker afkomstig is. In het Mayer museum te Antwerpen wordt een Mariabeeld tentoongesteld dat een treffende gelijkenis vertoont met de Bossche Maria: hetzelfde snijwerk is gebruikt en dit specifieke beeld heeft nagenoeg dezelfde uiterlijke kenmerken. In de museumcatalogus wordt deze H. Maagd gedateerd tussen 1300 en 1330 en algemeen omschreven als Duits. Op het beeld is in elk geval een dubbelkoppige adelaar geschilderd. Volgens het

Mirakelboek zelf werd de eikenhouten Maria van s-Hertogenbosch op een kille januaridag door een jonge knecht gevonden bij de bouw van de Sint-Jan. De nietsvermoedende knaap was in een bouwloods op zoek naar brandhout en vond tussen de werkmaterialen een onooglijk, beschimmeld beeldje van een vrouw. De verbaasde knecht vond het beeld zo lelijk dat hij zijn bijl ter hand nam om het te splijten voor het vuur. Maar God zij geloofd juist toen de jonge knaap de bijl wilde laten neervallen kwam de bouwmeester het vertrek binnen en wist het beeld op het nippertje in veiligheid te brengen. Nadat hij het beeld van de vernietiging had gered, riep hij uit: Ongelukkige! Wat gaat gij beginnen! Ziet ge niet, dat het een beeld is van de Moeder Gods? Op deze vermaning liet de bouwmeester een niet mis te verstane draai om de oren volgen. De knecht had aan het voorval een gloeiend rode wang overgehouden, maar het beeld was gered. Na de ontdekking spoedde de bouwmeester zich naar een kerkbroeder genaamd Woutke, en overhandigde hem ogenblikkelijk het verweerde Mariabeeld. De

broeder op zijn beurt wendde zich vertwijfeld tot de koster van de Lieve Vrouwe Kapel, die de broeder 193 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 193 de opdracht gaf het beeld te plaatsen in de kersverse kapel van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, die later zou worden omgedoopt tot Sacramentskapel. De genoemde broeder Woutke stelt historici enigszins voor een raadsel. In de archieven van de broederschap komt er geen lidmaat voor met die naam, noch in enig ander stadsdocument uit die tijd. Het begint erop te lijken dat de ware stichters van de cultusplaats wederom verzonnen personages gebruikten om elke hint van directe betrokkenheid te kunnen ontkennen. Echter, een andere hoofdpersoon in de lokale Mariasage vinden wij wel met naam en toenaam terug in de kerkregisters van weleer. Het betreft hier de eerdergenoemde koster,

Dirk van Loet (Loetius). Nader onderzoek naar deze figuur heeft onthuld dat hij een prominent lid was van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, een gezworene van de eerste orde. In het Mirakelboek wordt hij in elk geval neergezet als een autoriteit, tot wie broeder Woutke zich telkenmale wendt nadat hij het beeld in handen krijgt. Uit de sage blijkt telkens dat, hoewel Woutke het beeld in de Broederschapskapel plaatst, hij hiervoor eerst verlof vraagt aan de koster van de broederschap. Mensen die hun neus ophaalden voor de Bossche Maria werden zonder pardon getroffen door ziekte of dood. Het aantal sterfgevallen in het begin van de Lieve-Vrouwesage is ronduit stuitend: in het Mirakelboek valt te lezen hoe een vrouw, nadat ze had verklaard hoe lelijk het beeld wel niet was, ter plekke neerzakte op de koude kerkvloer en doodziek naar huis werd weggedragen. Pas nadat ze drie geldstukken had geschonken aan de kapel, begon haar toestand enigszins te verbeteren. Minder berouwvolle (of vermogende) lieden kwamen op gruwelijke wijze aan

hun einde als ze het in hun hoofd hadden gehaald het heilige beeld te bespotten. De overlevingskansen van een rijke zondaar waren dus aanzienlijk groter dan die van een arme. Een veelzeggende anekdote in dit verband handelt over een vrouw die haar huis op een goede dag in lichterlaaie aantrof. Wanhopig begon ze te bidden tot Maria en beloofde met haar hand op het hart een kostbaar wassen huis te schenken aan de Broederschapskapel. Plotseling doofde het vuur, 194 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 194 waarna de vrouw getrouw haar belofte vervulde. Niet lang daarna vond er in de kapel een opmerkelijke gebeurtenis plaats: een vrouw die de kostbaarheden aan het bewonderen was, liep op broeder Woutke af en stelde een onwaarschijnlijk dappere vraag namelijk, of de broeder het wassen huis misschien aan de voeten van Maria had gelegd om geld van de mensen te

krijgen. Een impliciete beschuldiging aan het adres van de broeder. Deze barstte hierop in woede uit en blafte de vrouw toe dat ze maar beter uit kon kijken en niet te veel moest zeggen, als ze prijs stelde op haar gezondheid. Dit is een uiterst merkwaardige passage volledig uit de toon met de rest van het boek. Pas nadat Maria (of liever de Mariabroederschap) de mensen op het hart had gedrukt dat er met het haar niet te sollen viel, kwamen de eerste meldingen binnen van heilzame mirakelen. Het vroegst opgetekende wonder dat wordt toegeschreven aan de Zoete Lieve Moeder, is opmerkelijk genoeg afkomstig uit Vught, waar op 22 september 1381 een verlamde dame, Hadewich Heijnendochter, de vrouw van ene Jan Timmerman, in haar dromen door de Bossche Maria wordt bezocht. De verschijning maakt zichzelf kenbaar en verzoekt de arme vrouw met klem een wassen been te schenken in s-Hertogenbosch, ter ere van haar weldoenster. De vrouw doet wat haar is opgedragen en geneest van al haar kwalen.

Het feit dat het allereerste wonder plaatsvindt in Vught, kan veelzeggend worden genoemd, vooral als we in het achterhoofd houden dat de commanderij van de Duitse Orde op dat moment een belangrijk regionaal centrum was, van waaruit allerlei religieuze zaken werden geregeld en actief handel werd bedreven. Maar het wordt allemaal nog veel interessanter: de echtgenoot van de gezegende vrouw Hadewich, Jan Timmerman, wordt in de archieven van de Vughtse commanderij regelmatig genoemd als schepen van Vught in de periode 1357-1369. Jan is in deze archieven betrokken bij diverse financiele transacties van de Duitse Orde. Dit alles wordt nog eens bevestigd door de vele andere cultusplaatsen in het hertogdom waarvan Teutoonse betrokkenheid ach195 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 195 ter de schermen niet ter discussie staat. Zo werd de

Mariacultus in het plaatsje Handel vanaf 1366 door de Teutonen gereguleerd en stichtte de orde in het Gelderse Rhenen een cultus rondom de heilige Cunera. In ordestaat Gemert zaten de Teutonen achter een cultus van het Miraculeuze Kruis en in Geldrop achter die van de Heilige Brigida. In dit licht is de Mariacultus van s-Hertogenbosch gemakkelijk te begrijpen, hoewel zij in dit rijtje niettemin een uitzonderlijke plaats inneemt. Bovendien laat de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap wat betreft rijkdom en invloed alle andere Mariabroederschappen ver achter zich. Hieruit blijkt dat de Teutonen duidelijk de voorkeur gaven aan Den Bosch. Om hun eigen betrokkenheid bij het ontstaan ervan te verduisteren werd de legende van de Bossche Maria in het leven geroepen. Tot slot moet nog worden opgemerkt dat de commandeur in Vught in het jaar 1381 ene Arndt van Uden is, terwijl een priester genaamd Jan van Uden rond dezelfde tijd de scepter zwaait over de nabijgelegen Lambertuskerk wellicht twee verwanten van broederschapsoprichter Gerardus van Uden (alias Jan van Cuyk). Ook elders treffen we telgen van de Van Udens aan in de hoedanigheid van

commandeur: in het hart van het hertogdom zetelt bijvoorbeeld ene Godevaart van Uden in het huis van de Duitse Orde te Bekkevoort. Is het toeval dat zowel de oprichter van de broederschap als de commandeur van de Duitse Orde in Vught dezelfde naam dragen? Hoe is het mogelijk dat er dubbelkoppige adelaars op de mantel van Maria zijn ingenaaid, terwijl dit zinnebeeld in Den Bosch officieel pas in zwang raakte tijdens het bewind van Karel V, ruim anderhalve eeuw later? Werd de Mariacultus van de Bossche broederschap dus opgezet en gefinancierd door de Hanze? We vroegen ons af of er aanwijzingen in het Mirakelboek te vinden waren die dit vermoeden zouden ondersteunen. 196 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 196

Cultusplaats van kooplieden 14 juni 1383: Andries Lessijn, woonachtig te Koningsbergen in Pruisen, voer op 15 oktober 1382 met een kogschip of hulleke geheten vanuit Vlaanderen op de terugweg naar Lijfland, beladen met zout en bemand met tweeendertig man. De schipper was Everaad van Herwarden. Er stak een grote storm op en het schip maakte ernstig water, waarop zij allen Maria van s-Hertogenbosch aanriepen en een bedevaart beloofden. Terstond werd het rustig en helder weer en konden zij hun reis vervolgen. (Uit het Mirakelboek van Onze Lieve Vrouwe te sHertogenbosch 1381-1603.) Toen we het Mirakelboek aan een nauwkeurig onderzoek onderwierpen en een studie maakten van de pelgrims die al die offers brachten aan de Bossche Maria, viel ons op hoeveel van deze vrome lieden lid waren van de Duitse Hanze. Een vluchtige beschouwing van het mirakelboek onthulde ten minste twintig wonderen waarbij Duitse kooplieden betrokken waren. In zowat

alle gelederen van de middeleeuwse handelsfederatie werd de Bossche Maria aangeroepen als het noodlot dreigde toe te slaan. Hanzeschippers uit alle uithoeken van de Germaanse ordestaten dachten specifiek aan de Maria van Den Bosch wanneer zij in nood verkeerden. Toen ene Godschalk Redegis bijvoorbeeld, woonachtig in ordestaat Lijfland, met een lading pels uitvoer naar Wismar, werd zijn kogge getroffen door zwaar noodweer. De voltallige bemanning riep toen de Maria van s-Hertogenbosch aan en prompt ging de storm liggen. Na afloop ondernam Godschalk een bedevaart naar de stad en offerde goud en zilver. Een andere Gotlandvaarder, woonachtig te Pruisen, offerde zelfs een compleet koggeschip van zilver en veel geld na van de verdrinkingsdood te zijn gered. De broederschap mocht zich verheugen in een aanzwellende stroom Hanzeleden, terwijl de schatkist almaar in gewicht toenam. We weten inderdaad dat de Bosschenaren driftig handelden over de rivieren, met name in laken en linnen. In het jaar 1363 verleende de Deense koning Waldemar III de stad van de hertog het recht om 197

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 197 een factorij op Schonen te stichten. Van daaruit voeren de koggen natuurlijk af en aan over de gehele omtrek van de Oostzee, richting Engeland, de Baltische staten en Pruisen. In een bewaarde rekening van de Duitse Orde in Marienburg uit het begin van de veertiende eeuw lezen wij dat de ridders geregeld Bussche lakens61 importeerden. Hierbij moet de Vughtse commanderij wel betrokken zijn geweest, gezien haar nabijheid tot de stad en haar onderhorigheid aan de hoofdzetel van de Duitse Orde in het oosten. Ook Hanzekooplieden die zich in de nesten hadden gewerkt konden rekenen op de goddelijke steun van de Lieve Vrouwe: zo lezen wij in mirakel nr. 28 dat Peter Poelman, een koopman woonachtig in Pruisen, uit zijn boeien werd bevrijd door de Lieve Vrouwe nadat hij op verdenking van spionage in Mechelen was vastgezet.

Maria verscheen aan hem in zijn cel, de verbaasde man verzoekend naar Den Bosch te komen en vooral niet te vergeten zijn portemonnee mee te nemen. In een ander verhaal raakt een Hollandse koopman verzeild in een gevecht met de Denen op Schonen. Hij werd getroffen door een pijl in zijn linkerslaap: Na een uur voor dood gelegen te hebben dacht hij aan Maria van s-Hertogenbosch en beloofde haar een bedevaart, waarop hij weer kon spreken (Mirakel nr. 295). De Hanzelieden stonden overduidelijk in de gunst van de Heilige Moeder. In Mirakel nr. 56 vinden wij een mariale interventie waarbij letterlijk alle vijandelijke zeerovers het leven laten ten gunste van de Teutoonse zeevaarders, die hun reis veilig konden voortzetten zodat de kostbare lading alsnog behouden op de plaats van bestemming aankwam. Zo wemelt het in het mirakelboek van de koggeschepen en schenkt men het eigen gewicht in goud en zilver als dank voor Marias bemoeienissen op zee. Het begon er verdacht sterk op te lijken dat er bepaalde mensen in de buurt waren die een welvarend Den Bosch en Vught wilden garanderen.

Die mensen onderhielden uitstekende contacten met Hanzeleden (blijkens de vele Hanzewonderen) en hielden vanaf een veilige plek in de buurt een oogje op de winkel. Natuurlijk ontbreken ook de Hanzelieden uit Kleef en omgeving 198 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 198 niet: vanuit Wesel brengen vele lieden een bezoekje aan het Mirakelbeeld en worden aanzienlijke schenkingen gedaan aan de broederschap. Het Mirakelbeeld behartigde dus vooral, zo lezen we, de belangen van Hanzeleden. In het Mirakelboek van s-Hertogenbosch worden slechts 11(!) Bosschenaren genoemd. Vanwaar dan precies de keuze voor sHertogenbosch? Waarom werd het Mirakelbeeld in de

Broederschapskapel beschouwd als principaal centrum van verering voor de Duitse kooplieden? Men kon de Heilige Moeder natuurlijk overal vereren. Zou het niet voor de hand liggen een Mariabeeld of relikwie op een gunstiger gelegen locatie te plaatsen, zoals het eiland Schonen of volwaardige Hanzesteden aan de grote rivieren? Leden van de broederschap Dat een lidmaatschap van de Illustre Lieve Vrouwebroederschap van s-Hertogenbosch in de vijftiende eeuw erg gewild was, blijkt uit de eindeloze lijsten geestelijken, bisschoppen, vorsten, ridders, jonkheren, kamerlingen, muntmeesters, medici, secretarissen en andere leden uit de Europese hofkringen. Van Dijck licht een aantal namen uit de registers om dit feit mee aan te tonen: Helena van Kleef, hertogin van Brunswijk; Johanna gravin van Megen; graaf Jan en gravin Johanna van Spanheym; Margaretha weduwe van de paltsgraaf van Beieren; Robert paltsgraaf van Beieren; Frederik markgraaf van Baden;

hertog Jacob van Savoye graaf van Romont; Philips graaf van Vernenburg, en Agnes de Bourbon. De lijst gaat door. Een uitzonderlijke plaats in de contributie wordt ingenomen door een vooraanstaande Europese familie, namelijk het Huis van Kleef. Leden uit deze familie waren bijna oververtegenwoordigd in de lijsten van contribuanten (tot aan 1530). Onder de geestelijkheid vinden we lieden van diverse pluimage: zowel franciscanen als dominicanen schreven zich in als lid, later gevolgd door kartuizers en kruisheren. Bekeerde joden waren lid. 199 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 199 Daarnaast vinden we in toenemende mate de aanwezigheid van klerikale randfiguren als kanunniken, kosters en begijnen. De plooibaarheid van de

oprichtingsstatuten werd nog verder beproefd toen ook leden van de sociale middenklasse werden toegelaten: ambachtslieden als bakkers, smeden, tingieters en schoolmeesters waren welkom zolang ze hun zeven stuivers maar meebrachten. Lombarden, Italiaanse geldschieters met een discutabele reputatie op het gebied van woekerpraktijken werden sans gene toegelaten tot de Mariadevotie. Zelfs tollenaars, die er in het Nieuwe Testament niet bepaald florissant vanaf komen, mochten lid worden, mits zij een oogje toeknepen wanneer het de import van voor de broeders bestemde goederen betrof. Het succes in het aantrekken van nieuwe leden leidde ertoe dat er personen werden aangesteld die elders de belangen van de broederschap moesten behartigen. Deze personen werden procuratoren of provisoren genoemd. Hun taak bestond er, naast het waarnemen van de Bossche belangen, in om zoveel mogelijk nieuwe leden te werven. De ijver van deze propagandisten leverde de nodige nieuwe contribuanten op, met name in Keulen, zoals we nog zullen zien.

Dat de financiele huishouding onder het groeiend aantal leden er niet op achteruit ging, blijkt onder andere uit het feit dat de broederschap eind vijftiende eeuw steeds vaker als grootschalige geldschieter naar voren trad. Voorbeelden van deze transacties zijn karig en het is veelbetekenend dat zelfs dr. G.C.M. van Dijck, gemachtigd historicus van de illustere broederschap, geen inzage kreeg in de goed gesloten kist waarin het kapitaal van de broeders zich bevond.62 Van Dijck besluit zijn hoofdstuk over dit onderwerp met de schalkse opmerking dat het optreden als kapitaalkrachtige geldschieter wellicht verder [gaat] dan de religieuze inspiratie van de broederschap aanvankelijk bedoeld heeft. Ook betekenisvol is overigens dat er in de broederschap nauwelijks sprake is geweest van een spiritueel-literaire ontwikkeling, zoals bij de meeste andere geestelijke orden wel gebruikelijk was. Er zijn voorbeelden te vinden van het feit dat de proosten kostbare literaire werken gewoon doorverkochten. De behoefte om zich in geeste200 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 200 lijke kwesties te verdiepen schijnt niet hoog in het vaandel te hebben gestaan. Blijft de vraag waarom er op het Europese toneel zoveel belangstelling bestond voor het lidmaatschap van een verder onaanzienlijke lokale broederschap. Chroniqueur Van Dijck komt nogal naf uit de hoek wanneer hij stelt dat de Mariadevotie de voornaamste trekpleister was van het Bossche genootschap. Hij heeft zonder twijfel gelijk als hij stelt dat Jan Modaal werd aangetrokken door de aflaten en het prestige om de eigen naam tussen vorsten en bisschoppen te zien, maar voor gerenommeerde Europese vorstenhuizen kan dit toch nauwelijks een serieuze drijfveer zijn geweest. Voorts wekt hij de indruk zijn opdrachtgevers niet te willen schofferen wanneer hij zegt dat louter ethische, esthetische of politieke beweegredenen van aspirant-leden niet getolereerd werden door de broederschap, afgezien nog van het feit dat aan dergelijke puur seculariserende

krachten geen behoefte bestond. Dit lijkt ons een voorbeeld waarbij de waarheid omwille van de vroomheid verborgen wordt. Het belang van de stad Den Bosch is zelf onderwerp van enige discussie: enerzijds wordt de stad gezien als een wat middelmatige provinciestad ver weg van de belangrijke Europese centra, anderzijds is het een aanzienlijke handelsstad met een kosmopolitische uitstraling die alleen onderdoet voor Utrecht. Erasmus volgde er zijn priesteropleiding. De betrokkenheid van de Hanze en de Duitse Orde bij de broederschap zou de interesse van Europese machthebbers wel verklaren. Bekende koppen Geen beschrijving van de Lieve Vrouwe Broederschap zou compleet zijn zonder het vermelden van het meest vermaarde lid: Jheronimus van Aken, beter bekend als Jeroen Bosch. De wereldberoemde schilder, die omstreeks 1456 in s-Hertogenbosch werd geboren, was een tijdgenoot van Erasmus en mag met recht de

huis201 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 201 schilder van de broeders genoemd worden; dit terwijl de hoeveelheid werk voor de broederschap beperkt was. Zijn familie, de familie van Aken, duikt vanaf 1430 met grote regelmaat in de lijsten op, en zijn grootvader Jan wordt in dat jaar bovendien genoemd als restaurateur en schilder in dienst van de broederschap. Daarna ontpoppen verschillende andere familieleden zich als aan de broeders verwante kunstenaars. Jeroen verschijnt voor het eerst in 1486 op de ledenlijst, eerst als buitenlid, later als gezworen broeder. Opmerkelijk is dat hij al korte tijd later als eregast verschijnt bij de zwanenmaaltijd, waarover we het nog zullen hebben. De eerste taak van een gezworene was het laken te leggen. Dit hield in feite in dat hij geacht werd voor zijn medebroeders een banket te organiseren, een soort

housewarming party. In de zomer van 1488 wordt Jeroen vermeld als gastheer van deze maaltijd, een rol die hij later nog tweemaal zou vervullen. Maar zijn voornaamste taak was natuurlijk zijn werk als kunstenaar. Dit werk beperkte zich niet tot het maken van schilderijen; hij ontwierp een glasraam, een stel wapenschilden en een kruis. In zijn schilderwerken verwijst hij, tenminste volgens de officiele lezingen, een enkele keer naar de broederschap. Op zijn drieluik Ecce Homo, waarschijnlijk in opdracht van een van de broeders gemaakt, verschijnen twee personen die het merkteken dragen: de lelie tussen de doorns. Al met al zijn er ongeveer dertig archiefdocumenten bewaard gebleven waarin de naam van Jeroen Bosch wordt vermeld, gespreid over een periode van 42 jaar.63 Het betreft hier met name transacties met betrekking tot pacht, vastgoed en lijfrentes; over de opdrachten die Bosch als schilder kreeg is nog minder bekend. We weten dat Bosch in 1504 van Filips de Schone (hertog van Brabant en Bourgondie, aartshertog van Oostenrijk en later koning van Aragon en Castilie) de opdracht kreeg een drieluik te vervaardigen, Het laatste

oordeel, en dat hij dus onder koningen en edelen een gerespecteerde figuur was. Ook na zijn dood bleef het werk van Bosch gewild in Europese vorstenhuizen. De Spaanse koning Filips II was een grote fan van Bosch en liet zijn kloosterpaleis het Escoriaal in Madrid volhangen met zijn werken: zelfs de koninklijke 202 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 202 slaapkamer in Madrid was naar verluid verluchtigd met de helse en duivelse voorstellingen. Veel Spanjaarden menen zelfs nu nog dat Bosch (of El Bosco) een Spaanse schilder is. Je zou dus verwachten dat het werk van Bosch (die zichzelf naar zijn geboortestad noemde) ook bij zijn stadgenoten een bijzondere plek innam, en dat zijn schilderwerken veelvuldig voorkomen in de kapel van de Sint-Janskathedraal, maar dit is niet het geval. Jeroen werd geerd als lid van de broederschap en in 1516 met de gebruikelijke

plichtplegingen begraven, maar zijn status als schilder werd in die tijd niet als iets bijzonders gezien. De indruk ontstaat dat hij als huisschilder op gelijke voet stond met andere ambachtslieden die als smid of beeldhouwer voor de broederschap optraden. Pas later kreeg hij de roem die hij nu nog heeft. Een van de andere illustere figuren die door de broederschap werd binnengehaald was niemand minder dan de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje. Over het lidmaatschap van Oranje is de nodige onduidelijkheid. Zijn inschrijving is nooit boven water gekomen maar in een in 1562 geschreven brief wordt hij aangesproken als ons mede swaenbroeder. In deze brief wordt hij gewezen, allereerst op de droevige omstandigheid dat zijn schoonfamilie (de Van Egmonds) het wat de donaties betreft een beetje laten afweten, vervolgens op het feit dat hij als gezworen broeder zelf ook verplicht is de broederschap contributie te sturen. Oranje was getrouwd met Anna van Egmond (ook bekend als Anna

van Buren), en het Huis van Egmond was sinds jaar en dag een beneficiant van de Zwanenbroeders. Maar niet altijd van harte. De graven van Buren doorzagen het trucje van de broeders en met name de weduwe van graaf Maximiliaan van Egmond, Francoise de Lannoy, schijnt zich te hebben geergerd aan de pretentieuze banketten. Vanaf 1550 konden de Bossche broeders van het Huis Egmond zelfs geen armetierige kip meer lospeuteren. Dus probeerden ze in 1562 om de jongste heer van Buren, Willem van Oranje, op zijn plichten te wijzen. De brief uit dat jaar heeft echter meer weg van een smeekbede dan een bevelschrift. Willem van Oranje zag er, zo gaat de officiele versie, de humor 203 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 203

wel van in en beloofde de broeders de traditie in ere te herstellen. Aan deze belofte hield hij zich totdat hij vier jaar later andere zaken aan zijn hoofd kreeg. Tegen het einde van de zestiende eeuw, met de komst van de Spanjaarden, werden de zwanenmaaltijden, waarover straks meer, steeds moeilijker vol te houden en in 1600 was het gebruik zo gedesintegreerd dat de Zwanenbroeders zelf nauwelijks nog wisten hoe het allemaal ook alweer begonnen was. Toch waren de daaropvolgende gebeurtenissen zo frappant dat het de moeite loont hier dieper op in te gaan. De schijnbaar verwaarloosbare rol die het Huis van Oranje speelde in het voortbestaan van de broederschap, alsmede de opmerkelijke ontwikkelingen ten tijde van de Reformatie, leverden bij nader inzien een beeld op dat ons onderzoek in onverwachte richting zou sturen. De Zwanenbroeders In de loop van de geschiedenis van de broederschap gebeurt er iets vreemds. Een geheimzinnige eretitel doet zijn intrede: die van

Zwanenbroeder. Wat begint als een bijnaam groeit uit tot een als eerbewijs verleende titel. De zwanenmaaltijden gaan een belangrijke plaats innemen in de liturgie van de broeders, en de Zwanenbroederschap wordt een felbegeerd en door geheimzinnigheid omgeven fenomeen. Wat zijn die Zwanenbroeders? De term swaenbrueder of zwaanbroeder duikt in 1488 plotseling op en raakt daarna steeds meer in zwang. Ene Jan van Erp schenkt in dat jaar een zwaan (een in die tijd uiterst kostbaar stukje pluimvee) aan de broeders en verdient het daardoor als eerste met de titel te worden aangeduid. Daarna wordt het schenken van zwanen in toenemende mate een belangrijke gewoonte en vervolgens zelfs een plicht. Zo lezen we in de rekeningen van de broederschap op 5 januari 1507 up den heyligen Drie Coningen avont, dat Frederik van Egmond, graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Cranendonk etc., aan de proosten

van de broederschap belooft 204 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 204 jaarlijks op Kerstmis twee zwanen via de rentmeester te leveren ten behoeve van de zwanenmaaltijd tegen het nieuwe jaar. We hebben al gezien dat het gewoonte werd om aspirant-leden te verplichten een luisterrijk banket voor te zetten. Jeroen Bosch deed het bij zijn intrede in 1488. Die maaltijden, waarbij eerst nog werd gegeten wat de pot schafte, werden in de loop der tijd steeds spectaculairder. Terwijl de armen in de vijftiende eeuw van de honger omkwamen, gingen de broeders steeds hogere eisen stellen aan de samenstelling van de dis. Uit de voorschriften blijkt dat nieuwe leden geacht werden de inaugurele braspartijen op te schikken met goed brood, bier, soep, haring, bokking, olie, kabeljauw... zoveel schotels als nodig zijn. Daarnaast verwachtte men een exquise keur aan wildbraad en

gevogelte. Wie hieraan niet kon of wilde voldoen, kon rekenen op de royale boete van zes Rijnsguldens. Ziekteverzuim was geen excuus. Binnen deze uitdijende traditie gaat de zogenaamde zwanenmaaltijd een steeds grotere plaats innemen. Tot de tweede helft van de zestiende eeuw houden de broeders zon tien maaltijden per jaar, waarvan de zwanenmaaltijd de zesde is. De herkomst van deze maaltijd is niet helemaal duidelijk. Simpel gezegd gaat het om een jaarlijks feestmaal waar een of meerdere zwanen het schijnbaar symbolische hoofdgerecht vormen, waarbij het kennelijk van groot belang is dat de zwanen een schenking betreffen. Sommige historici64 voeren het gebruik terug op een familievete, waarbij een niet nader genoemde Bosschenaar als intercedent optreedt om de twistende Coptyten en de Becquerlingen met elkaar te verzoenen. De jaarlijkse maaltijd werd dus belegd als een poging om de vrede tussen twee Bossche families te bewaren. De dis werd verzorgd door de Zwanenbroeders. De link met de Lieve Vrouwe Broederschap wordt niet duidelijk, noch wordt de rol

van de Zwanenbroeders, die blijkbaar als arbiters optreden, hier uitgelegd. Van Dijck65 geeft een andere verklaring. Hij zegt dat de traditie het gevolg is van het feit dat bepaalde leden (uit eigen beweging) een zwaan cadeau gaven aan de broeders, zomaar. Dat het om een zwaan gaat, duidt op niets meer dan dat het een dure, prestigieuze vogel betreft waarmee de schenker te kennen wilde geven dat hij 205 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 205 het zich kon veroorloven poenige donaties te doen. Wat begon als een incidenteel aardigheidje groeide langzaam uit tot een vast gebruik. Het komt erop neer dat de broeders, die het zich ongetwijfeld lieten smaken, de gelegenheid gingen aangrijpen om van de schenking een vastomlijnd ritueel te maken. Iemand die de broeders een zwaan gaf mocht zich Zwanenbroeder noemen. Van Dijck impliceert dat het om een handigheidje gaat:

invloedrijke of welgestelde personen die om wat voor reden dan ook geen lid konden worden, werden door de schenking aan de broederschap gelieerd en via een omweg dus toch lid. De eretitel was een lokkertje, een middel om gewenste kandidaten middels een foefje op de ledenlijst te zetten. Zwanenbroeders konden lid zijn zonder aan de liturgische verplichtingen te voldoen. Dat maakte het lidmaatschap aantrekkelijk voor mensen die geen tijd hadden voor klerikale verplichtingen. De klerikale drempel werd als het ware weggenomen, zodat de broederschap toegang kreeg tot invloedrijke figuren zonder zich door de eigen statuten bezwaard te zien. De Zwanenbroeders hadden met de eigenlijke broederschap en haar idealen dus weinig te maken. Het werd een orde binnen een orde, die ertoe bijdroeg dat de broederschap in toenemende mate een elitair karakter ging vertonen. Na tot deze ontnuchterende conclusie te zijn gekomen stelt Van Dijck dat er van een symbolische betekenis van de zwanenmaaltijd geen enkele sprake is: Iedere vergelijking met de zogenaamde Zwanenorden, zoals

die onder hoogadellijke kringen in Pruisen en Kleef bestonden, lijkt, hoe aantrekkelijk en verleidelijk dan ook, een gekunstelde en onverantwoorde manipulatie. Gezien de belangrijke plaats die het Huis van Kleef in de broederschap inneemt is dit een opmerkelijke uitspraak te noemen. Zeker na wat we tot nu toe over de zwaanridders en het Pact van Woeringen vernomen hebben. Hoewel het zwanenmotief pas in 1488 opduikt, hebben we gezien dat het al aan het begin van de veertiende eeuw een rol speelt. Rond 1320, twee jaar na de officiele oprichting van de broederschap, verschijnt er bovendien een werk van een onbekende scribent dat als doel heeft de Brabantse machthebbers terug te voeren 206 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 206

op een achtenswaardige voorzaat: Brabon Silvius, de Brabantse Zwaanridder. Rond het jaar 1320 vindt de hertog het blijkbaar opeens belangrijk dat hij zijn geslacht aan dat van notabele zwaanridders kan verbinden. ...er zijn een aantal omstandigheden, meldde historicus J. Blote in een voordracht aan het begin van de twintigste eeuw, die er op wijzen dat de afkomst der hertogen van een zwaanridder omstreeks 1325 nog tamelijk recent was. We kunnen op genealogische en andere gronden aantonen, dat tot diep in de twaalfde eeuw [de hertogen van Brabant] geen zwaanridder van welk soort ook tot hun voorvader rekenden, en ook anderen hen niet van die afkomst beschouwden. In de dertiende eeuw echter gelden ze als zodanig. Maar de zwaan gaat wel verder terug. Hendrik I van Brabant, de kruisvaarder die voor het eerst contacten aanknoopte met de Duitse Orde, trouwde met een achternicht van Godfried van Bouillon en adopteerde deze legendarische figuur als zijn eigen voorvader. Rond dezelfde tijd geeft Hendrik opdracht tot een reeks kruisvaartromans die zijn geslacht moeten

verheerlijken. Tot die romans behoren de verhalen over Helias de Zwaanridder.66 Het allerbelangrijkste is natuurlijk de niet weg te wuiven relatie met de Duitse Orde, de Hanze en de missie van de pactleden. Rond 1309 vervoert het Pact via Kleef een geheime schat naar Brabant, vermoedelijk eerst naar Den Bosch en vervolgens naar de Duitsers in Vught. Zeer korte tijd later wordt er in datzelfde Den Bosch door diezelfde pactleden een mariaal broederschap opgericht dat uit Zwanenbroeders bestaat en dat in grote mate gesteund wordt door Hanzeleden uit Kleef (de Duitse Orde). De broeders vinden een Mariabeeld dat toevallig ook uit Kleef komt en dat de organisatie van de nodige fondsen voorziet. In korte tijd kan deze provinciale vereniging bogen op het lidmaatschap van zo ongeveer de complete Europese jetset. De Kleefse adel meldt zich massaal aan en hetzelfde geldt voor de Duitse commandeurs uit Vught en Gestel, die ook in latere jaren nog veelvuldig op de contributielijsten figureren. Omgekeerd zijn de eerste commandeurs uit Vught geen

Duitsers maar Van Udens: Van Cuyks dus. 207 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 207 Toeval? De vraag stellen is hem beantwoorden. Dit lijkt ons een aardig alternatief: om de uiterst belangrijke schat van de tempeliers veilig te stellen wordt er na aankomst in Vught een broederschap opgericht, bestaande uit zowel leken als geestelijken, die als taak heeft deze te beheren en te beschermen. De geestelijke elite van de voogdschap (lees: de ingewijden) worden uitverkoren om de kostbaarheid, in bewaring gegeven door de machtige Duitse Orde, koste wat kost te bewaken. Zij zijn de priesters van de geheime, mogelijk heilige tempeliersschat. De schat wordt vervolgens veilig opgeborgen: in het commandeurshuis (het latere Zionsburg) of in het naburige Kasteel Maurick, waarvan alle volgende

bewoners (van de Liescaps uit de veertiende tot aan de Van Lanschotten uit de eenentwintigste eeuw) Zwanenbroeders zullen zijn. Wat er daar ook bewaard wordt, in de daaropvolgende eeuwen zal Vught de interesse wekken van de meest duistere, gevaarlijke en opmerkelijke figuren. 208 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 208 Hoofdstuk 10 Jheronimus Bosch, de verborgen dissident Criticus van zijn tijd

Zoals gezegd was de familie van Jeroen Bosch, de familie van Aken, al vroeg bij de broederschap betrokken. Verschillende leden van dit opmerkelijk artistieke geslacht, waaronder de grootvader, de vader en enkele ooms van Jeroen, waren lid en nauw verbonden met de activiteiten van de Lieve Vrouwe Broederschap. Oorspronkelijk kwam de familie uit de Duitse stad Aken en was via Nijmegen rond 1427 in Den Bosch terechtgekomen. Jan van Aken, de grootvader van de schilder, bezat in die tijd percelen in de Vughterstraat en deed naar verluidt zaken met een zekere Gerard van Cranenborch, een smid wiens familie ook in het eerste kwart van de vijftiende eeuw naar de Brabantse stad was gekomen. Er is geopperd67 dat deze samenwerking het gevolg was van een afkomst uit hetzelfde gebied: de naam Cranenborch zou mogelijk afstammen van de Kranenburg bij Kleef. In elk geval trad Jan van Aken al in 1430 toe tot de broederschap en in datzelfde jaar kreeg hij opdracht om een nis en enkele processieattributen op te schilderen. Het kruisigingstafereel in het Bacxkoor in de Sint-Jan is mogelijk van zijn hand. Gedurende een periode van 25

jaar bleef hij in dienst van de broederschap en in die tijd staat hij bekend als meester Jan van Aken. We weten niet precies wat de criteria waren om deze titel te bemachtigen, maar het is frappant dat zijn wereldberoemde kleinzoon zelden met deze naam werd aangesproken. Ook kreeg Jheronimus niet de eerbied en de bewegingsvrijheid die zijn grootvader wel had ontvangen. We krijgen de indruk dat 209 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 209 de broederschap maar schoorvoetend gebruikmaakte van zijn diensten, hem inhuurde voor kleine reparaties, maar hem zelden of nooit belangrijke opdrachten toespeelde. Hij was dan misschien een duivelmaker, maar ook een duvelstoejager. De Dante van de schilderkunst werd door zijn ordegenoten blijkbaar niet

op waarde geschat. Waarom niet? Was hij, zoals zoveel beroemde kunstenaars, zijn tijd vooruit? Was hij te vernieuwend, een enfant terrible? Of was er iets anders aan de hand? Laten we eens kijken naar zijn schilderijen. Bosch is zonder twijfel een van de bekendste Nederlandse schilders uit de Late Middeleeuwen. Zijn schilderijen zijn raadselachtige werken, vol met bizarre taferelen, fantastische fabeldieren en gruwelijke monsters. Hoewel hij in principe tot de laatste van de Vlaamse primitieven wordt gerekend doet zijn werk in niets denken aan zijn grote voorgangers. Bosch lijkt in zijn schilderwerk met alle tradities te hebben gebroken. Kunsthistorici weten zich vaak geen raad met zijn oeuvre: in boeken over de vijftiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst wordt hij simpelweg buiten beschouwing gelaten omdat zijn werk een universum op zichzelf zou vormen.68 Zijn werk staat bol van de

iconografie en het is verleidelijk om in al die minieme details verborgen boodschappen te zien, varierend van sektarische mystiek tot alchemistische geheimtaal.69 Het is hachelijk om in die beschouwingen het kaf van het koren te scheiden. Veelvuldig worden dergelijke afbeeldingen een grabbelton voor onderzoekers die in Bosch een fundering voor hun these zien, en we ontkomen er misschien niet aan om in dezelfde kuil te vallen. Laten we daarom dit schoentje zelf aantrekken en een nadere, zij het behoedzame, blik op zijn werk werpen. Bosch rol als algemeen criticus van bedrog, corruptie en hebzucht staat buiten kijf. Hij was ontegenzeggelijk een strenge en gewetensvolle moralist die onvermoeibaar de dwaasheden van zijn tijd aan de kaak stelde. Wat de humanist Erasmus door het geschreven woord deed, dat deed Bosch door zijn schilderijen. Mis210 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 210 schien zag hij zichzelf als de Heilige Antonius die hij zo vaak afbeeldde: als een man die ondanks het spervuur van duivelse beproevingen waaronder hij gebukt gaat, overeind blijft en zich door vroom doorzettingsvermogen afzijdig houdt van de verschijningsvormen van het kwaad. En deze verschijningsvormen waren er te over. In de tijd waarin Bosch leefde had men te maken met plunderingen, pestepidemieen, vreemde mogendheden en een grote sociale en geestelijke onzekerheid. In de middeleeuwse gedachtewereld werd de mens wel gezien als een reiziger die op het rechte pad moest blijven terwijl hij aan alle kanten belaagd werd door demonische bedreigingen en verleidingen. Bij Bosch komt deze reiziger meerdere malen voor in de vorm van een pelgrim of een marskramer die het kwaad van zijn tijd de rug toekeert. Ook bestond er een uitgebreide beeldentaal om duivelse zaken en zondige buitensporigheden mee aan te duiden, en van deze allegorische taal maakt Bosch veelvuldig gebruik. Wat

ons nu als geheimzinnig en esoterisch voorkomt, werd in de Middeleeuwen vrijwel universeel begrepen als moraliserende, soms grappige verwijzingen naar contemporaine zondigheden. Zoals ook onderzoekers in de toekomst er ongetwijfeld grote moeite mee zullen hebben onze huidige beeldentaal (moderne kunst, cartoons, commercials, bioscoopfilms) met al haar popculture referenties in de juiste context te plaatsen. Om bij het voorbeeld van de eerdergenoemde marskramer te blijven: de reiziger of landloper (die bij Bosch in verschillende hoedanigheden maar altijd in dezelfde pose voorkomt) is omgeven door beesten en voorwerpen die meer doen dan de lege ruimten opvullen. Hoewel je de schilder zou kunnen beschuldigen van een soort horror vacui, hebben al zijn pieterige haantjes, uiltjes, hondjes en aapjes een weloverwogen plek in de compositie. Allemaal hebben ze het doel de argeloze beschouwer te wijzen op zijn inherente zondigheid en de kwalijke aanvechtingen die hij dient te weerstaan. Kijken we naar het cirkelvormige schilderij De

Marskramer. Het werk is een van de vele middeleeuwse prenten waarop de marskramerfiguur voorkomt; het wordt ook wel De Verloren Zoon of 211 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 211 De Landloper genoemd. Er is een armoedig geklede man te zien met een rieten korf op de rug die over een pad naar een hek loopt. Hij kijkt om naar een vervallen huis op de achtergrond. De op het eerste gezicht eenvoudige afbeelding is doordrenkt met symboliek. De kruik op de nok van het huis is een symbool voor verspilling. Het hek is in sommige lezingen de toegang tot een beter leven, in andere juist een hindernis op de weg. De beestjes om hem heen zijn onschuldig en potsierlijk genoeg, maar wijzen in feite op de gevaren die de feilbare middeleeuwse mens de pelgrim of landloper

op zijn levenspad het hoofd moet bieden. De haan op het erf is een middeleeuws zinnebeeld van dwaasheid, vechtlust, hoogmoed, onkuisheid en vraatzucht.70 De varkens aan de trog verbeelden de mens die is gehecht aan aardse ijdelheden.71 De hond is een verpersoonlijking van de duivel.72 Dr. Eric de Bruyn, die De Marskramer uitvoerig geanalyseerd heeft, verklaart het schilderij als volgt. De marskramer was een rondtrekkende koopman die dorpen en jaarmarkten afstruinde om de koopwaar uit zijn rieten mand te slijten. Hij had zowel positieve als negatieve betekenissen: hij kon staan voor bedrog, domheid, wellust, dronkenschap of hebzucht, maar ook voor een berouwvolle zondaar of een navolger van Christus. De marskramer op dit schilderij schijnt op het eerste gezicht een positief beeld naar voren te brengen: dat van de berouwvolle mens die het zondige leven (de herberg) achter zich laat en gebukt onder de last van zijn begane zonden (de rugzak) het lijden accepteert. De hond met de stekelhalsband die de marskramer dreigt te bijten, is inderdaad een duivels beest waarvoor

hij op zijn hoede moet zijn. (Daar komt nog bij dat reizende marskramers zo vaak door gemene honden gebeten werden dat de twee veelvuldig als een spreekwoordelijk duo werden afgebeeld: de marskramer en zijn tegenspeler de hond hoorden bij elkaar). De hoed die hij voor het lichaam in de hand houdt zou een toespeling zijn op het woord voorhoede evenals op de uitdrukking voorhoedich zijn, het op zijn hoede zijn voor de duivelse verlokkingen. De herberg op de achtergrond is om verschillende voor de hand liggende aanwijzingen een bordeel (het knuffelige stelletje in de deuropening, de vogelkooi als wel212 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 212 bekend symbool voor een hoerenhuis).73 Alles wijst erop dat Bosch met het schilderij een exemplarische zondaar wilde weergeven die zijn oude leven de rug

toekeert om de weg naar verlossing te bewandelen. Een ander interessant schilderij dat door De Bruyn is uitgeplozen is de Hooiwagen-triptiek. De Hooiwagen is een uit de kluiten gewassen drieluik volgepropt met figuranten, roerige taferelen en gebeurtenissen. Op het middenpaneel wordt de aandacht getrokken door een grote hooiberg op wielen die deel lijkt uit te maken van een wanordelijke processie waarvan we maar een deel te zien krijgen. De optocht lijkt niettemin een vervolg te krijgen in het rechterzijluik, waar hij zich gestaag in de richting van de hel begeeft. De wagen wordt getrokken door demonische wezens met dierenkoppen en bestormd door een woedende menigte met rieken. Een wat kalmere stoet volgt de hooiwagen terwijl de rest van het schilderij wordt bezet door taferelen die duiden op ondeugdelijke bezigheden. De Bruyn toont aan dat het hooi in vroeger tijden geassocieerd werd met bedrog en de verwerpelijkheid van al het aardse. De uitdrukking het is alles hooi betekent min of meer dat aardse goederen en ijdelheden even waardeloos zijn als gedroogd gras. Een uit 1559 daterende voorstelling waarop zich rond de afgebeelde hooiwagen allerhande

zondigheden afspelen, brengt het hooimotief in relatie tot onder meer hoogmoed, zedeloosheid, het dienen van twee heren, de blindheid voor eigen gebreken en het uitbuiten van de sociaal zwakken. De hooiwagen was dus een zinnebeeld dat mensen opriep niet naar wereldse kostbaarheden te streven, daar de liefde voor geld alleen maar kon ontaarden in bovengenoemde onbetamelijkheden. Het is zelfs mogelijk dat er in de jaarlijkse Bossche Mariaprocessie een hooiwagen meereed die precies dit principe moest uitdrukken. De lieden die op de triptiek van Bosch achter een hooiwagen aansjokken, moeten dus gezien worden als de geestelijke en wereldlijke heersers die zich hebben laten verleiden door hebzucht en het streven naar aards goed. Dat hooi als materieel bezit (geld) werd gezien wordt nog eens bevestigd in de kleinere sce`nes op de voorgrond. Door Bosch en zijn tijdgenoten gewraakte personen als kwakzalvers, zigeuners74 en andere figuren uit op 213 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 213 materieel gewin, worden bijna allemaal voorgesteld als in het bezit zijnd van waardeloos hooi. Rechts onderin laat een schijnbaar gezapige monnik zich bedienen door nonnen die ijverig een zak aan zijn voeten volstoppen met hooi: de vadsig geworden kerk die haar positie misbruikt om zich te verrijken. (Zelfs de ingetogen De Bruyn verwijst naar Freud als hij in de worst, die en van de nonnen van de passerende muzikant wil bemachtigen, een fallussymbool ziet; blijkbaar is de vrouw uit op seksueel vertier.) Nu we weten dat het hooi voor het slijk der aarde staat, begrijpen we ook waarom de meute probeert de wagen te bestormen. Evenmin is het een raadsel waarom de wagen door duivels wordt voortgetrokken. De uil bij Bosch Bosch bedient zich dus van bekende symbolen om zijn

afkeer uit te spreken over ontoelaatbare sociale misstanden. Wie eenmaal bekend raakt met deze symbolen herkent ook in veel ander werk van Bosch dezelfde beeldtaal. Bepaalde voorwerpen, dieren en klederdrachten keren steeds terug om dezelfde gedachten tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld daarvan is het gebruik van de uil in het werk van Bosch. De uil heeft in de middeleeuwse iconografie goede en slechte eigenschappen, maar staat toch voornamelijk bekend als een boosaardig en lichtschuw wezen dat beurtelings de duivel en de zondaar symboliseert: beiden houden zich liever op in de duisternis dan in het licht. Op de hooiwagen verschijnt een steenuil, die De Bruyn interpreteert als een beeld van bedrieglijke verleiding. Maar de uil komt vaker voor, en meestal in een negatieve betekenis. De Bruyn: Uilen komen bij Bosch (...) steevast voor in een context van zondigheid en het diabolische en bovendien treedt de uil in de laatmiddeleeuwse literatuur zo vaak op als metafoor voor de duivel dat hier duidelijk sprake is van een topos. De uil heeft vrijwel uitsluitend een passieve rol. Hij zit ergens weggedoken in een hoek of op een takje

toe te kijken, en we kunnen stellen dat de uil op het toneel verschijnt als er een zondige of ondeugdelijke gebeurtenis 214 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 214 plaatsvindt. De sinistere uil is altijd getuige van zondigheid. Hij zit in het mandje van de Goochelaar, die de massa misleidt met zijn balletje-balletjespel; in een ronde nis boven de kwakzalverspraktijken in De Keisnijding; hij zit op het hoofd van een van de demonen die Antonius bedreigt in De verzoeking van Antonius; opnieuw op het hoofd van een van de dwazen op Het Concert in het ei; in de top van de mast in Het Narrenschip enzovoort. Soms aast hij op een koolmees, zoals bij de marskramer en op het SintHieronymuspaneel, hetgeen kan duiden op de duivelse uil die eeuwig speurt naar de kwetsbare mens.75

Op een internetsite dicht Thijs Jaspers de uil de volgende rol toe: De uil is het symbool van de een of andere zonde die het daglicht niet kan verdragen; of van de lichtschuwe mens. Volk dat niet deugt heette volc dat met den ule vliegen en lopen by nacht. Soms werd de uil als lokvogel gebruikt, dat maakte hem tot de verzinnebeelding van de verleidelijke zonde of van de tot een zonde verleidende mens. De stuntelige, fladderende bewegingen van de uil in het daglicht maakten hem voor de middeleeuwers tot een zinnebeeld van de dwaasheid, de zotheid en de daaraan verwante domheid. In de Zuid-Nederlandse uitdrukking iemand bekijken gelijk een uil, betekent het laatste woord dwaas. Het gezegde de uil kijkt uit de mouw betekende de dwaasheid treedt aan het licht, nu zeggen we de aap komt uit de mouw. De aap als schoolvoorbeeld van een mal dier werd dus voorafgegaan door de uil. Hij vervolgt: Bosch kende de uil tevens als erotisch symbool. Ook

de volkstaal kende en kent de uil in geslachtelijke zin. Heuheu, huben en huybert zijn oude woorden voor roede en de Zuid-Nederlandse spreekwijze die meid heeft haar uil laten vliegen wil zeggen dat ze haar maagdelijkheid heeft verloren. Dat hij, een nachtdier, als onkuis symbool werd gebruikt, komt natuurlijk omdat de nacht het gunstige getij is voor het bedrijven van de erotiek. Jaspers zet ook de nodige vraagtekens bij De Tuin der Lusten, een van de bekendere werken van Bosch. Hij vraagt zich af of het middenpaneel, waarop het aardse paradijs is afgebeeld, niet eerder een poel van verderf moet voorstellen, gezien de grote hoeveelheid 215 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 215 naakte en wulpse figuren. Ook hier duikt de uil meermalen op. Een ander werk van Bosch waarin de uil

een nadrukkelijke rol speelt, is een schets, getiteld: Het veld heeft ogen, het woud heeft oren. In deze schets zien we een bosschage met twee oren en een veld bespikkeld met ogen. In het midden staat een dode holle boom met een loerende uil erin. De uil slaat ons vanuit het duister gade, en met hem de hele schepping. Dr. Paul Vandenbroeck: De uil is het beeld van het bedreigende en misleidende. (...) Hij is de bespieder die de onoplettende in het verderf poogt te storten....76 Ook is de uil een liefhebber van geheimen en een verdoezelaar van de waarheid: De waarheid is naakt en zij wil ontdekt worden en niet verborgen blijven. Zij gelijkt op de mus en niet op de uil: zij vliegt openlijk in het daglicht onder mensen. De uil lijkt op de leugen: zij vliegt s nachts en gedraagt zich heimelijk.77 Leuk om te weten is dat er op het en-dollarbiljet ook een minutieus uiltje verborgen is, en wel in de rechterbovenhoek. Het is bijna alsof Bosch eraan te pas is gekomen om het slijk der aarde op deze manier te verluchtigen.78

Samenvattend kunnen we dus zeggen dat Jeroen Bosch gebruikmaakte van heersende opvattingen en door de samenleving geaccepteerde gemeenplaatsen om de dwaalwegen van zijn tijd weer te geven. Daarbij speelt met name de bedrieglijkheid een rol. Personen worden weergegeven als deugdelijk, vroom of zelfs paaps, terwijl kleine details (zoals uilen en hondjes) verraden dat het hier om zondaars of huichelaars gaat. Net als bij Dante blijken pausen en kloosterlingen maar al te vaak net zulke ketters te zijn als het geboefte onder de laagste bevolkinggroep. Schijnbaar vrome voorstellingen krijgen zo een andere, minder sacrale betekenis. Dit laatste wordt meer dan duidelijk als we een minder bekend schilderij van Bosch onder de loep nemen: De Bruiloft van Kana. 216 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 216 De Bruiloft van Kana

Helaas konden we geen afbeelding van dit bijzondere schilderij opnemen in dit boek. We zouden de lezer daarom willen vragen om het op internet of in een boek op te zoeken. De overgebleven versies van dit schilderij zijn gemaakt door navolgers, maar kunsthistorici zijn het er over het algemeen over eens dat het kopieen zijn van een verloren gegaan origineel van Bosch. Het hier besproken schilderij is dat uit het Museum Boymansvan Beuningen in Rotterdam. Op het eerste gezicht verbeeldt de schilder het verhaal uit het Johannesevangelie waarin Jezus water in wijn verandert. Volgens Johannes was dit het eerste van de machtige werken waarmee Jezus zijn glorie openbaarde. In een vreemd aandoend vertrek waarvan we alleen de achterwand zien, zit een groep bruiloftsgasten aan een L-vormige tafel. Onder de gasten in middeleeuwse kledij bevinden zich Jezus en zijn moeder, het bruidspaar en een tiental anderen. Daaromheen lopen bedienden en op een verhoging aan de achterwand zit een doedelzakspeler. Op de voorgrond schenkt een dienstknecht de wonderlijke wijn in een kruik. Het schilderij bevat te veel wonderlijke details om allemaal op te noemen,

maar een paar zaken springen er toch uit. Het vertrek heeft meer weg van een heidense tempel dan van een feestzaaltje op het Palestijnse platteland. De discipelen zijn nergens te bekennen. En voor een bijbels tafereel heeft het wel erg veel occulte en heidense symbolen. Helemaal achterin in een doorkijkje staat een wandmeubel (een altaar, een trisoor?) met eigenaardige voorchristelijke voorwerpen; om het hoekje staat een eenzame figuur met een stok (een toverstaf?) die een bezwerend gebaar lijkt te maken naar de sce`ne op de voorgrond. Voor de tafel staat een kind met een opgeheven kelk en een krans om zijn hoofd. Maar het schouwspel wordt pas echt verdacht als we op de achtergrond van het decor, verscholen achter een pilaar, een uil zien zitten. En zoals we hebben vastgesteld verschijnt de uil bij Bosch alleen daar, waar zich onverkwikkelijke dingen afspelen: zaken die het daglicht niet verdragen. Wiens bruiloft er hier ook gevierd wordt, het is in ieder geval geen zaligmakende gebeurtenis. 217

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 217 Wat wilde Bosch ons hier zeggen? Dat het hier helemaal geen heilige gebeurtenis betreft, maar een onheilige? Het is in de schilderkunst uit de late Middeleeuwen en de Renaissance niet ongebruikelijk om taferelen te allegoriseren. Actuele gebeurtenissen, zoals een bruiloft of een overlijden, werden gerelateerd aan een mythologische of bijbelse aangelegenheid om de gebeurtenis een verheven karakter te geven, of deze zelfs gelijk te schakelen aan een historisch of bovenzinnelijk precedent. Meestal hebben deze taferelen dan ook een vroom karakter. Maar in De Bruiloft van Kana heeft dit vrome karakter een ietwat vreemde nasmaak. De eigenaardigheden op het schilderij lijken erop te wijzen dat Bosch minder genteresseerd was in het illustreren van een bijbels

verhaal dan in het toepassen van dit verhaal op een specifieke eigentijdse context.79 Betreft het hier een allegorie, waarbij Bosch eigenlijk een andere gebeurtenis ten tonele voert? De verschillende details zouden er dan op wijzen dat het een in zijn ogen onoorbare aangelegenheid betreft, een die zijn kritiek verdient. Maar wie of wat bekritiseert hij? Vanzelfsprekend niet de bijbelse gebeurtenis. Maar wat dan? Andere zaken op het schilderij vallen op. De tafels zijn leeg. De wijn die in de kruik wordt geschonken lijkt meer op water dan op wijn. Is dat het? Verandert de wijn weer in water? Is dit zijn manier om te vertellen dat de goddelijke boodschap, de Heilige Geest, wordt verdoezeld ten behoeve van materieel gewin? Als dit inderdaad het geval is, betreft het hier een omgekeerde bruiloft van Kana. Het wonder wordt ongedaan gemaakt. De Geest wordt weer tot stof tot as. Tolnay80 tracht de onvolkomenheden te verklaren door het schilderij terug te voeren op een citaat uit 1

Korintiers 10:21: Gij kunt niet drinken uit de beker van de Heer, en uit die van duivels; gij kunt niet deel nemen aan de dis van de Heer, en aan de dis van duivels. Fraenger81 bevestigt dat dit citaat het uitgangspunt van Bosch is geweest bij het schilderen van De Bruiloft. Gesuggereerd wordt dus dat de bruiloftsgasten deelnemen aan een godslasterlijk maal. De bruiloft is een onzalige verbintenis. Er wordt een duivels pact gesloten. 218 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 218 Maar welk pact neemt Bosch op de korrel? Met andere woorden: van wiens bruiloft zijn we hier getuige? Misschien vinden we een aanwijzing in de spijzen die op de achtergrond worden opgediend. Op een van de

schalen die worden binnengedragen zien we een zwaan. Hierbij denken we natuurlijk meteen aan de zwanenmaaltijden, waarbij de zwaan werd opgediend als onderdeel van de Bossche traditie. Jeroen Bosch was, dat hebben we gezien, lid van de Zwanenbroeders. Maar hij lijkt de zwaan in zijn schilderijen juist te verketteren. Voor zover bekend duikt de zwaan in het werk van Bosch, behalve in De Bruiloft van Kana, vijf keer op. In De Tuin der Lusten zwemt hij in een van de vijvers van het aardse paradijs. Hij maakt hier een vrij onschadelijke indruk, maar gezien de nabijheid van uilen en ander gedierte van verdachte herkomst moet getwijfeld worden aan zijn rol in het geheel. Een ronduit louche rol speelt hij in De Verzoeking van Antonius, het naargeestige drieluik in Lissabon. Op een relief van de bouwvallige zuil op het middenpaneel wordt de zwaan als gift of offer aangeboden aan een afgod die een aap, een hond of een zwijn kan voorstellen. Op de rest van de zuil zijn taferelen afgebeeld die met het Gouden Kalf

te maken hebben, en in die context geplaatst verwijst het zwaanoffer mogelijk naar afgoderij. Dat het ook hier een kwalijke gebeurtenis betreft, bevestigt het uiltje dat vanuit een nis toekijkt. Kijken we nogmaals naar De Marskramer, de pelgrim die de corruptie de rug toekeert, dan zien we ook hier weer de zwaan, namelijk op het uithangbord van de herberg. Hetzelfde uithangbord vinden we in De Bekoring van Antonius (Amsterdam): achter Antonius, die biddend op de voorgrond zit, staat een eigenaardig gebouw dat toeloopt in het reusachtige hoofd van een vrouw. In het huis staat een naakte dame, en op het uithangbord prijkt wederom de zwaan. Verschillende historici zijn het erover eens dat het ook hier om een bordeel gaat. Bijna onzichtbaar is het zwaantje op het uithangbord op de triptiek met de Drie Koningen in Madrid, helemaal weggestopt achter in het veld. In een artikel over het gebruik van de zwaan bij Bosch schrijft 219 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 219 Th. P. van Baaren: Aangezien de herhaalde combinatie van zwaan en verdacht huis geen toeval kan zijn, kan de vraag opkomen of de schilder zich wel zo thuis heeft gevoeld in dat illustere gezelschap met zijn kern van Bossche notabelen, en of hij niet misschien zijn onlustgevoelens die hij niet goed openlijk kon uiten heeft afgereageerd door op zijn schilderijen de zwaan een slechte naam te geven. Vooral het feit dat hij de zwaan met voorliefde afbeeldt op uithangborden van ongure herbergen, kan in die richting doen denken, want op deze manier worden al die verdachte herbergen annex bordeel een satire op de statige behuizing van de Zwanenbroeders en hun feestelijke pronkmaaltijden.82 Een smakelijk detail is overigens dat er bij recente restauraties aan het Bossche pand Hinthamerstraat 107 de zeventiende-eeuwse muurschildering is blootgelegd

van een vogel in een kooitje. Zoals we eerder hebben gezien is dit een voor die tijd bekend herkenningsteken voor een bordeel. In plaats van het bekende gordijntje was het t kooitje dat open en dicht ging. Wanneer het kooitje openstond, wanneer het met een ander woord gelicht was, betekende dit dat de zaak open for business was. Was het kooitje dicht, dan was de dame bezet (hier zou het woord lichtekooi vandaan komen). De muurschildering is vandaag de dag nog te bezichtigen. Aardig om te weten is dat dit zeventiendeeeuwse huis van plezier pal tegenover het Zwanenbroedershuis staat. In het Middelnederlands was zwaan (of swaentje) ook een benaming voor een prostituee. Deze dubbele betekenis, plus het feit dat Bosch als lid van de Zwanenbroeders heel goed wist wat er zich daar afspeelde, kan de scherpzinnige moralistische schilder niet ontgaan zijn. Dat hij aan de opgediende zwaan een negatieve betekenis toedicht, wordt bevestigd door het halve maantje dat op de zwanenborst geschilderd is. De halve maan komt bij Bosch talloze malen voor, en of het

nu wijst op een ketters teken (de islam) of een middeleeuws symbool voor losbandigheid, het heeft onveranderd een negatieve betekenis. Speciaal in De Bruiloft van Kana lijkt Bosch het op zijn eigen broodheren te hebben voorzien. De Schotse Lynda Harris zegt in haar boek over Bosch:83 Bosch was duidelijk in staat om, zonder in moeilijkheden te komen, zijn 220 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 220 ware gevoelens over de rituelen en ceremonieen van zijn broederschap in verf uit te drukken, want voor zover wij weten kwam er van geen van zijn tijdgenoten ooit kritiek op zijn schilderijen. Maar hij kon zijn opinies niet op enigerlei andere wijze blootgeven. Naar buiten toe had hij geen andere keus dan deel te nemen aan juist die ceremonieen waar hij een afkeer van had en voor te wenden dat hij ze apprecieerde. Hij moet

zichzelf smerig en hypocriet hebben gevoeld als hij deelnam aan de feestmalen en rituelen die hij zo duidelijk verafschuwde. Van Baaren besluit zijn artikel als volgt: Het traditionele beeld van Jeroen Bosch als vroom en dankbaar lid van een religieuze broederschap vertoont zoveel lekken dat het nodig op de helling moet. Wat was het dat Bosch ons met de Bruiloft wilde zeggen? Zwanen waren, wanneer we zijn iconografie moeten geloven, hoeren. Hoereerde de broederschap met iemand? Met wie dan? Laten we nog eens goed naar het schilderij kijken. Naast de zwaan wordt er nog een schaal binnengedragen. Op deze schaal zien we onmiskenbaar een zwijnenkop, ook weer met het halve maantje. De zwaan en de zwijnenkop hebben we al eerder samen gezien. De zwanen hebben, zoals we al vaststelden, via Van Cuyk, Van Arkel en Van Heusden een relatie met het Huis van Kleef, de Duitse Orde en de tempeliersschat. De zwijnenkop was het

herkenningsteken van de Brabantse hertog en het Pact van Woeringen. Dus zijn we weer terug bij de twee wapenbroeders: de voormalige Hanze en de Duitse ridders enerzijds, de vroegere hertogen en de stad Den Bosch anderzijds! De Bruiloft van Kana is dus de bruiloft tussen de Duitse Orde en de Zwanenbroeders; of mogelijk die tussen het Pact van Woeringen en de bewakers van de schat. Probeert Bosch met zijn schilderij het feit te berispen dat er tussen de twee handjeklap werd gespeeld? Als we het werk nogmaals terugkoppelen naar het citaat uit Korintiers, dan lijkt hij te suggereren dat de bruiloftsgasten van twee walletjes eten: van de Heer en van de duivel. Zijn medebroeders uit de broederschap, zegt hij, dienen twee heren. 221 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 221

De verdwenen stichters Wat weten we nog meer over De Bruiloft van Kana? Over de opdrachtgever is niets bekend. Toch kunnen we, als we wat dieper graven, een aantal dingen aan de weet komen over de betrokken personen. Binnen het oeuvre van Bosch nemen de zogenaamde stichtersportretten een aparte plaats in. Op deze werken lieten de opdrachtgevers zichzelf door de schilder portretteren. Vaak verschenen zij dan op de buitenluiken van het middenpaneel, maar soms ook op het hoofdpaneel zelf. We noemden al de Ecce Homo uit Boston waarop figuren te zien zijn die het broederschapsinsigne dragen, de lilium inter spinas. Door recent onderzoek is vast komen te staan dat de opdrachtgever ene Pieter van Os is. Van Os was de stadssecretaris en een mede-Zwanenbroeder. Hij heeft zichzelf laten afbeelden op de binnenzijde van het linkerpaneel, knielend en de handen gevouwen. Achter hem staat zijn naamheilige, de heilige Petrus (Pieter = Petrus). Op het tegenoverliggende luik is zijn vrouw

afgebeeld, Henrixke van Langel. Op de buitenkant van de luiken, die dus zichtbaar worden als je het schilderij dichtklapt, is de schoonfamilie van Pieter weergegeven. Zijn schoonvader Franco van Langel was overigens ook een gezworen lid van de broederschap. Pieter van Os had het werk besteld ter nagedachtenis aan zijn vrouw en hun overleden kind.84 De opdrachtgevers op de Ecce Homo uit Boston werden pas in 1983 in ere hersteld toen ze bij een restauratie tevoorschijn kwamen. Ze waren in de zeventiende eeuw overgeschilderd. Dit laatste is door de eeuwen heen vaker voorgekomen. Donateurs en opdrachtgevers werden van de schilderijen verwijderd door wegschrapen van de verf of door overschilderen. Waarom? Wie zou het in zijn hoofd halen om de werken van een gevierd schilder op zon manier te bekladden? Geopperd is dat de identiteit en de betekenis van deze donateurs in de loop der tijd verloren ging en dat latere eigenaren hen als hinderlijk gingen ervaren. Ze waren

storend voor de compositie. Of ze leidden de aandacht af van het hoofdpaneel. Bizar genoeg was dit reden om deze oorspronkelijke eigenaars onzichtbaar te maken door ze achter grove toevoegingen 222 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 222 in dezelfde stijl te laten verdwijnen. Slachtoffer van dit iconoclasme waren onder meer De Calvarie in Brussel, de Sint-Jan de Doper in Madrid en de Gekruisigde Martelares in het Dogenpaleis te Venetie. Op de laatste is nog duidelijk te zien dat op de zijluiken oorspronkelijk twee geknielde schenkers waren geschilderd. Mogelijk zijn deze twee figuren door Bosch zelf verwijderd, misschien omdat de opdrachtgevers zich terugtrokken of om een andere reden uit beeld verdwenen. In ieder geval vinden we meerdere voorbeelden van werken waaruit de oorspronkelijke donateurs verdwenen zijn. De stichter

op Johannes de Doper in de Woestenij is op een wel heel opzichtige manier overgeschilderd: hij is weggemoffeld onder een bizarre distelplant met kolossale vruchten. Dit laatste schilderij vormde samen met Johannes op Patmos de luiken van het Mariaretabel van de Lieve Vrouwe Broederschap. Dit lot onderging ook De Bruiloft van Kana. Hier betrof het echter niet de zijluiken, maar het schilderij zelf. De Bruiloft heeft een bewogen geschiedenis achter de rug. In de negentiende eeuw werd het herontdekt toen het onder een portret tevoorschijn kwam dat er overheen was geschilderd. Het schilderij was niet in een goede staat: vaststaat dat de bovenhoeken zijn afgezaagd en dat er linksonder in de achttiende eeuw twee hondjes zijn bijgeschilderd, vermoedelijk om de lege tegelvloer op te vullen. Blijkbaar vonden de achttiende-eeuwse eigenaren dat de compositie niet kloppend was, en dat er op de linker onderhoek iets ontbrak. Bovendien is het werk op een aantal plekken onhandig gerestaureerd zodat een aantal details is verdwenen, wat tot verkeerde conclusies heeft geleid. Op een zestiendeeeuwse kopie van het origineel ontbreken de hondjes,

hetgeen bevestigt dat dit latere toevoegingen zijn. Ook laat de kopie zien dat er in de rechterbovenhoek oorspronkelijk twee muzikanten hebben gezeten in plaats van en. Maar de meest verrassende openbaring komt van een getekende kopie uit het Louvre in Parijs. Deze tekening wekt sterk de indruk gemaakt te zijn in een vroeg stadium, dus vordat er een flink aantal veranderingen was aangebracht op het origineel. De tekening (een exacte reproductie van het oorspronkelijke werk?) ont223 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 223 hult enkele belangrijke details die eeuwenlang voor ons verborgen zijn gebleven. Meest in het oog springend is het feit dat er op de lege tegelvloer opeens twee figuren staan, in plaats van de achttiendeeeuwse hondjes. De

voorste figuur, een kanunnik, lijkt te knielen terwijl er achter hem een soort bisschop staat met een kerkmodel in zijn hand. Van de zijluiken van de Ecce Homo in Boston weten we dat dit zeer waarschijnlijk een stichtersportret is: de donateur die zichzelf in ootmoedige pose heeft laten uitbeelden terwijl zijn naamheilige, met mijter en kerkje, behoedend achter hem staat. Zou deze, lang geleden verwijderde, figuur de opdrachtgever van het schilderij kunnen zijn? Door de hondjes op het oorspronkelijke schilderij heen zien we de vloertegels. Dat betekent dat toen de hondjes er in de achttiende eeuw op werden geschilderd, de twee figuren al van de voorgrond verdwenen waren. De restaurateurs verbaasden zich over de lege plek en achtten het opportuun er twee schattige hondjes in te plaatsen. Maar wanneer de oorspronkelijke schenker en zijn naamheilige zijn weggehaald, is moeilijk te bepalen. Als het inderdaad de opdrachtgever betreft, wie was hij dan, en waarom is hij uit het tafereel verwijderd?

We kunnen hier misschien licht op werpen door een poging te doen de identiteit van de patroonheilige te ontdekken. Aangezien de schutspatroon meestal een naamgenoot is van de schenker, zou het mogelijk moeten zijn hier meer over aan de weet te komen. Heiligen zijn doorgaans te herkennen aan de parafernalia die ze bij zich dragen. Mijter en staf duiden op een bisschop. Het kerkmodel wijst erop dat de bedoelde persoon een kerkbouwer of een kerkstichter is. Het gaat dus om de combinatie van mijter en kerk. Voor zover we hebben kunnen vaststellen komen er verschillende heiligen in aanmerking, zoals Willibrordus, Amandus en Ludgerus. Alledrie zijn het bisschoppen, en alledrie dragen het model van een kerk. Willibrordus lijkt onwaarschijnlijk omdat het kerkje dat hij draagt de Utrechtse Domtoren moet voorstellen. De andere twee, Amandus en Ludgerus, zijn ook niet echt veelbelovend. Kerkbeelden van de twee heiligen staan in elkaars nabijheid opgesteld in de Sint-Janskathedraal. In de rekeningen van de Lieve Vrouwe Broe224 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 224 derschap en de Bossche protocollen vinden we tweemaal de naam Amant terug. In beide gevallen betreft het collegas van Bosch, schilders op de loonlijst van de broeders. In 1502 duikt ene Amant Herpetss, ook wel bekend als Amand Herbertssoen van Valencijn, op als nieuwe poorter van de stad sHertogenbosch. Amant, vermoedelijk een Fransman (Valencijn = Valenciennes, val aux cygnes: vallei van de zwanen) was een bedrijvige Bossche schilder en tijdgenoot van Jeroen Bosch. Elders (in de rekeningen van het fiscale jaar 1504/1505) komt ene Amanden voor in verband met de stoffering van een beeld van Sint Anna. Het lijkt er echter op dat deze Amanden dezelfde is als Amant Herpetss. Hij wordt ook wel Amant die Maelre genoemd (een maelre is een schilder, Bosch wordt zelf regelmatig aangeduid als Jeroen Maelder). Amant was geen gezworene van de broederschap en wordt ook niet genoemd als

betrokken bij de Zwanenbroeders.85 Aangezien hij zelf schilder was, lijkt het onwaarschijnlijk dat hij de opdrachtgever van de Bruiloft is geweest. Ludgerus dan? Daar komen we vooralsnog ook niet echt verder mee. Een andere mogelijkheid is de heilige Lambertus. Ook Lambertus heeft regelmatig de mijter en het kerkmodel als kenmerkende attributen. Met deze parafernalia verschijnt hij tenminste op een van de koorbanken van de Sint-Jan. Dan gaat het wellicht helemaal niet om een naamgenoot, maar om de patroonheilige van de parochia Sancti Lamberti in Vucht, de Lambertusparochie in Vught. Met andere woorden: het Duitse Huis. Kan de knielende kanunnik een priester van de Lambertuskerk en dus een commandeur van de Duitse Orde zijn? Het blijft onwaarschijnlijk dat een geestelijke, of om het even welke donateur, zichzelf zou willen laten afbeelden op een schilderij dat zoveel kritische noten bevat. Het bezit zoveel uitheemse elementen dat de schenker zich er hoe dan ook niet comfortabel zou hebben gevoeld. Dit doet vermoeden dat de schenker misschien helemaal geen

schenker is, of dat het schilderij niet in opdracht is vervaardigd. Met het in beeld brengen van de patroonheilige en de kanunnik kan Bosch de werkelijke stichters hebben laten zien: niet die van het schilderij, maar die van de Zwanenbroeders aan de dis. De priesters van Lambertus (de laatste 225 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 225 was ook de patroon van het bisdom waaronder Den Bosch resideerde) zijn degenen die het uitgebeelde huwelijk tussen Zwanen en Zwijnen gesanctioneerd hebben. Zij zijn, zegt Bosch, niet zozeer de stichters, als wel de aanstichters van de onheilige verbintenis op het doek. Duitsers in het werk van Bosch? Hoewel de zwaan en de uil nog volop ruimte bieden

voor interpretatie, duiken er beelden op die minder aan de verbeelding overlaten, en die in het ontoegankelijke oeuvre van Bosch zelfs schokkend rechtdoorzee zijn. Bosch heeft de neiging om personen en themas in zijn werk zowel te verhullen als te openbaren. Snoodaards die een al te negatieve betekenis krijgen, worden zorgvuldig buiten de aandacht gehouden, krijgen een uiltje of een hondje als gezelschap of worden op een contextuele manier in een kwaad daglicht gezet. Over hun functie kan worden gediscussieerd, de slimme Bosch kan zich altijd indekken (uiltje, wat nou uiltje?). Soms echter duikt er een figuur op die in een zodanige positie wordt geplaatst dat er aan zijn verdorvenheid niet kan worden getwijfeld. Iemand die Jezus knevelt en hem een doornenkroon op het hoofd zet, kan moeilijk voor een jofele vent doorgaan. Als deze figuranten daarbij een expliciet insigne dragen, kan er aan de bedoelingen van de schilder niet worden getornd: hij heeft een specifieke persoon op het oog. Dit is het geval op een van de schilderijen die het lijden van Jezus als onderwerp hebben. Het betreft De Doornenkroning uit het Escoriaal in Madrid, waarop de Heiland omgeven is

door een vijftal folteraars met snode blikken. Er zijn verschillende versies van het schilderij bekend, een aantal ervan afkomstig van navolgers. De slechteriken op De Doornenkroning dragen verschillende insignes die op hun identiteit wijzen: met de ronde schildjes worden over het algemeen joden aangeduid, met de al eerder genoemde sikkeltjes ketters of andere heidense booswichten. Maar een van de figuren draagt een wel heel nadrukkelijk herkenningsteken: de 226 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 226 dubbelkoppige adelaar. De dubbele adelaar dankt Den Bosch aan keizer Maximiliaan, die de stad op 28 juli 1508 het recht verleende de keizerlijke adelaar aan het stadswapen toe te voegen. Het was dus een ereteken, een pronkbeeld. Wij weten intussen dat het om leden van de Hanze gaat.

Op De Doornenkroning en zijn navolgers draagt de onverlaat in de rechterbovenhoek of een joods schildje of een opzichtige Duitse adelaar. Natuurlijk waren er geen Duitsers aanwezig bij de kruisiging. Het is ook niet waarschijnlijk dat een stichter of opdrachtgever zich wilde laten afbeelden als een van de folteraars van Christus. Het ligt dus voor de hand dat Bosch een specifieke persoon of doelgroep in gedachten heeft; iemand uit zijn eigen tijd die naar zijn mening Christus verloochent. De vraag is: wie? Opvallend aan de verschillende versies van het schilderij is dat de compositie, de houding en de identiteit van de folteraars voortdurend veranderen, maar dat de figuur met de adelaar steeds dezelfde lijkt. Zijn gezicht is bovendien erg realistisch. Hebben navolgers het gezicht overgenomen omdat ze het mooi vonden of beeldt hij een specifieke (en bestaande) figuur uit? Op een versie van het schilderij die over het algemeen als het origineel wordt beschouwd86 worden de folteraars nog op een

meer conventionele manier verketterd, namelijk met schildjes, sikkels en stekelige halskettingen. Op een andere versie, die uit het Escoriaal, zijn deze details echter vervangen door raadselachtige voorwerpen, waaronder de Pruisische dubbelkoppige adelaar. Een tweede persoon draagt een eigenaardige scepter met aan het uiteinde een glazen bol waarin we een Mozesfiguurtje herkennen. Geopperd is dat het hier een politieke satire betreft, waarbij de man met de scepter de joodse priesterkaste vertegenwoordigt (en daarmee de religie) en de man met het adelaarsinsigne de wereldlijke macht (hier wordt de adelaar gezien als symbool voor de Romeinse keizers). Anderen verbinden aan de belangrijkste omstanders de drie Europese grootmachten Duitsland, Frankrijk en Spanje. Daarmee zouden de lan227 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 227

den dus worden neergezet als gretige beulen van het christelijke gedachtegoed. Duitsland en het idee van politieke satire komen vaker terug, aangeduid met de adelaar, steeds in een negatieve context, en wel op de Hooiwagen-triptiek. Wie sjokt er achter de hooiwagen aan? Een ruiter met een vaandel met daarop de dubbelkoppige adelaar. Achter hem zien we een vaandel met de fleur-de-lys, de Franse lelie. De Europese grootmachten dus, die zich laten leiden door het slijk der aarde. Is dat wat Bosch wilde zeggen, dat de vertegenwoordigers van die Europese staten verdorven machten zijn, corrupt en op geld belust? Bedoelde Bosch met de dubbelkoppige adelaar Duitsland, Den Bosch, de Duitse Orde of het hertogdom Bourgondie? Of wijst hij op omstandigheden binnen de eigen gelederen, en duiden de folteraars van Christus op expliciete personen in zijn eigen leefwereld? In het laatste geval zou dit nogmaals betekenen dat Bosch als Zwanenbroeder op de hoogte

was van de Duitse betrokkenheid bij de Lieve Vrouwe Broederschap, en dat ook dit het onderwerp van zijn kritiek is geweest. Al deze voorbeelden lijken er in ieder geval op te wijzen dat Jeroen Bosch nadrukkelijk optreedt als criticaster van de wereldse doeleinden van clerici die pretenderen de Mariaverering voor te staan. In zijn werk voor de broederschap richt hij zich in meer specifieke zin op de huichelaars in zijn directe omgeving: de onderhandelaars, de woekeraars, de Duitse aandeelhouders. Denken we nog eens aan 2 Korintiers (11:13): Schijnapostelen zijn het, die oneerlijk te werk gaan en zich voordoen als apostelen van Christus. Was de opdrachtgever van De Bruiloft van Kana een lid van de Zwanenbroeders, een vertegenwoordiger van de Bossche gezagdragers of een ridder van de Duitse Orde? Werd het schilderij vervaardigd om de samenwerking tussen de stad Den Bosch en de Teutoonse handelsfederatie te bekrachtigen: was het in feite een document om het pact tussen de twee te bezegelen?

Maar wat gebeurde er toen? Weigerde Bosch om zich voor het karretje van de Zwanenbroeders te laten spannen? Is de donateur van de Bruiloft in latere eeuwen verwijderd, of heeft de stichter 228 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 228 zichzelf laten verwijderen toen hij ontdekte dat hij deel uitmaakte van een onzalige schildering, een werk dat door de obstinate Bosch was volgestopt met kritische voetnoten en heidense toevoegingen? De kopie uit het Louvre openbaart bovendien dat vrijwel alle koppen zijn overgeschilderd: om de identiteit van de betrokkenen te verheimelijken misschien? Al deze aanwijzingen pleiten in elk geval niet voor een vrome beweging die zich ten doel stelt de belangen van Christus in het ondermaanse te behartigen.

Moordenaars, samenzweerders, geheime afspraken, economische belangen, Hanzesteden, buitenlandse geldschieters. We moeten ons onderhand gaan afvragen welke rol s-Hertogenbosch feitelijk speelde in het middeleeuwse Europa. Hoe katholiek is Den Bosch eigenlijk? Is het inderdaad een klein Rome, of een soort religieus Las Vegas waarin een stel maffiosi, de amici degli amici, de handen ineenslaan om de vrome pelgrims geld uit de zak te kloppen? Zijn de stichters van Den Bosch ondernemende katholieken of opportunistische zakenlieden die zich onder het voorwendsel van een Mariadevotie verrijken? Zijn de Zwanenbroeders de devote clerici die ze beweren te zijn, of zijn het geharde entrepreneurs met een financiele agenda die met de Navolging van Christus bar weinig te maken heeft? De Bossche optimaten bouwden kerken, beelden en kapellen. Maar niet, zo kunnen we nog eens benadrukken, ter verering van Maria, maar ter verering van het Geld. De God van de Middeleeuwen was Mammon, en de Heilige Geest het pragmatisch cynisme van een Teutoonse

handelsfederatie. Wat, kunnen we ons afvragen, verbergt de Bossche Maria onder haar rok? En het gewone volk? De Bosschenaren? De gelovigen? Het schilderij De Goochelaar van Jeroen Bosch staat ook nog bekend onder een andere titel: De wereld wil bedrogen worden. 229 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 229 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 230

Hoofdstuk 11 De schat van Vught in gevaar Kasteel Maurick als onderkomen voor de Duitse Orde Na 1400 ging het met de Duitse Orde in Oost-Europa steeds slechter. De ordestaat werd aan alle kanten bedreigd en ingesloten. De Polen en de Litouwers werden almaar sterker en uiteindelijk besloten ze hun krachten te bundelen. Op 15 juli 1410 leidde dit tot de legendarische slag bij het Poolse dorpje Tannenberg. De Slag bij Tannenberg is een spannend verhaal en het loont zeker de moeite je hierin te verdiepen. Maar voor de Duitse Orde was de uitkomst somber. De Duitsers werden verpletterend verslagen. Alle ridders van de orde werden om het leven gebracht, ook de overmoedige grootmeester Ulrich von Jungingen. Een daaropvolgende verovering van Marienburg werd op het nippertje voorkomen, maar daarmee was het met het goede nieuws ook gedaan. Tannenberg luidde het

begin in van de trage teloorgang van de Duitse Orde. De gevolgen voor de balijen en commandeurshuizen in het westen waren voelbaar. Er kwam steeds minder geld uit de Baltische staten, en de commanderijen schijnen op zichzelf aangewezen te zijn geweest. Op papier is dit voor Vught niet anders. Toch veranderde er voor het Huis in Vught niet al te veel. Vught werd geprotegeerd door de Lieve Vrouwe Broederschap, maar op de keper beschouwd was het altijd al een zeer bescheiden commanderij geweest die haar pastorale karakter nooit verloor. Bovendien schijnt het, in elk geval vanaf 1309, de bedoeling te zijn geweest dat het Huis zich gedeisd hield; wat Vught juist niet moest doen was de aandacht trekken. Toch moeten de verwikkelingen in Polen hun 231 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 231 weerslag hebben gehad op de situatie in Vught.

Honderd jaar lang was geen enkele grootmeester de schat komen opeisen. De Duitse Orde had haar handen vol en nooit werd de situatie in het oosten zo bestendig dat de kust volkomen veilig werd verklaard. Het is ook denkbaar dat opeenvolgende grootmeesters niet van de schat op de hoogte zijn geweest. Voor zover we weten is er niemand naar komen zoeken. Na het verval van de Duitse Orde in de vijftiende eeuw veranderde dat. Een geheim dat misschien vergeten was, dat langzaam was weggezakt in de nevelen der tijd, kwam weer in de herinnering terug. Kasteel Maurick in Vught hebben we voor het eerst gezien als mogelijke residentie van de heren van Vught, die door de hertog van Brabant werden verjaagd. Rond 1300 was het in elk geval in handen van de familie Liescap. Zoals gezegd was het eiland in wezen een kunstmatige heuvel, een motte. Het waren de Liescaps die het eiland onder hun hoede kregen en het oude poorthuis, dus de toegangspoort tot de motte, verbouwden tot een woonstede. Waarschijnlijk was het

Maurick zoals dat door Liescap en zijn zoon Gijsbrecht begonnen werd, bedoeld als modieus landhuis dat alleen de uiterlijke kenmerken van een kasteel bezat. Over de Liescaps valt te vertellen dat ze tot de aanzienlijkste families van Den Bosch behoorden en meerdere stenen huysen in de stad bezaten. Liescap duidt eerder een functie aan dan een naam. De oorsprong van de naam kan gezocht worden in het oud-franse Liss-cep. Cep betekent omsluiting en is afgeleid van het Latijnse cippus, dat onder andere palissade betekent. Lisse is een technische term waarmee een houten constructie wordt aangeduid die voornamelijk dient ter verdediging. Inderdaad waren de Liescaps betrokken geweest bij de bouw van de stadsmuren, hetgeen wellicht verklaart waarom ze er niet voor terugdeinsden het kasteel in de waterrijke omgeving op te trekken. Als bouwmeesters en adviseurs waren ze bovendien betrokken bij de activiteiten rond de Sint-Janskathedraal. Ze waren het zal de lezer niet verbazen

Zwanenbroeders en bestuurders van de tafels van de Heilige Geest, 232 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 232 de organisatie van de armen-en ziekenzorg. Afgezien van het feit dat de Liescaps het grondgebied in leen hadden, duiden andere aanwijzingen op een nog nauwere band met de hertogen. Zoon Gijsbrecht vocht aan de zijde van hertog Wenceslaus van Brabant tegen Gelderland. Wenceslaus had hem opgeroepen om mee te vechten tegen Gelderse roversbenden die door hertog Willem van Gulik werden beschermd. Dat de relatie met de Brabantse hertogen verder gaat dan alleen het leengebruik, valt af te leiden uit het feit dat de broer van Gijsbrecht, Jan, ook werd opgeroepen, en deze had geen leen van de hertog. In 1372 werden hij en Gijsbrecht na de slag bij Baesweiler gevangengezet en de laatste kon pas negen jaar later terugkeren naar

zijn huis in Vught. Ook opmerkelijk is dat beide broers op verschillende plekken opduiken in het Mirakelboek van de Zoete Lieve Vrouw. Zij treden hier op als getuige van het gebeurde, wat in wezen wil zeggen dat zij, als hooggeplaatste Bosschenaren, garant staan voor de genoemde wonderen.87 Deze handelingen hebben verdacht veel weg van wederzijdse vriendendiensten. In elk geval is de relatie tussen Maurick, de Bossche broeders en de hertogen evident. Hadden de Liescaps misschien een specifieke functie? Bewaakten de bewoners van het poorthuis een voor de hertog belangrijke plek, bijvoorbeeld de geheimzinnige motte op het gefortificeerde eiland? Weer wees het spoor naar de schat van Vught. Het lijkt er inderdaad op dat deze aanvankelijk op Maurick bewaard werd, en niet in het onverdedigbare commandeurshuis, het latere Zionsburg. De kluis van Vught Grappig genoeg duikt in de geschiedenis van Vught meermalen het woord kluis (cluijs) op. Hiermee wordt niet verwezen naar een geldkluis van de Duitse Orde, maar naar de al genoemde Machutuskluis. Een kluis in

de bedoelde zin was een huisje waar kluizenaars woonden, in dit geval de twee kluizenaressen die de Machutuscultus onderhielden. De Huijsing genaemt de kluijs, bevond zich 233 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 233 in de nabijheid van het Sint-Petruskerkhof aan het Maurickplein. De Machutusverering had al enkele eeuwen bestaan totdat hij door de gereformeerden na 1650 in de ban werd gedaan. Voor de gebouwtjes werd een nieuwe bestemming gevonden: ze werden onder de hoede gesteld van de armenzorg, die ze toewees aan noodlijdende Vughtenaren. Maar de woninkjes aan het Maurickplein bleven na die tijd bekend staan als de Kluis. Een verklaring uit 1678 betreft ene Zuster Jenneken gewoont hebbende ende gestorven sijnde inde plaetse genoempt de Cluijse tot

Vucht. Zuster Jenneken was waarschijnlijk een van de twee kluizenaressen. Daarna is er sprake van de Cluijs offt armhuijs. De woningen, die tot in de negentiende eeuw soms hele gezinnen herbergen, hebben onveranderlijk een religieuze, dan wel sociale functie. Vor de gereformeerde ban is de Kluis nog uitsluitend voorbehouden aan de kluizenaressen, belast met de verering van Machutus. Ondanks de in 1614 geconstateerde uitwassen (waar nou niet onmiddellijk paal en perk aan werd gesteld) konden de twee vrouwen vrijwel ongecontroleerd hun gang gaan. De pastoor van de Sint-Pieterskerk verklaarde in 1614 zich in het geheel niet met de bedevaarten te bemoeien. Ook de Bossche geestelijken schijnen zich grotendeels afzijdig te hebben gehouden, afgezien van het feit dat de kluizenaressen officieel benoemd werden door de prior van de dominicanen in s-Hertogenbosch. Pas rond 1618, vier jaar nadat de Kluis onder bisschoppelijke curatele was geplaatst, kwam er een meer intensieve bemoeienis. De Bossche bisschop Nicolaas Zoesius ging zich met de zaak bezighouden, maar meer dan het opleggen van een reeks leefregels voor kluizenaressen

deed hij niet. Bij de aanhef schreef hij: Vande cluse tot Vucht. Of de leefregels zijn nageleefd is niet bekend. Na 1629 moest de bisschop bovendien het veld ruimen, dus erg veel zal er niet zijn veranderd. Ook zonder de bisschoppelijke vermaning waren de leefregels voor de kluizenaressen over het algemeen streng. De zusters in Vught waren afgeschermd van het publiek. Wie de zusters toch wilde spreken werd geconfronteerd met een getralied venster waar ook nog eens een donker laken voor werd gehangen, zodat de kluizenaressen de bezoeker niet te zien kregen. Gezien deze 234 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 234 maatregelen is het vreemd dat de kluizenaressen zo nu en dan toch in de openbaarheid verschijnen, en wel op een paar onverwachte plekken. De rapporteur die op last van het bisdom de toestanden bij de Machutusverering onderzocht, werd op 13 februari

1614 in contact gebracht met ene Jenneken Wouters. Jenneken was een oude maagd die lang in Vught had gewoond, maar die ten tijde van het onderzoek in Den Bosch woonde, en wel op de oude Diese int achterhuys van Joncker ende Capiteyn Jan Heyms saliger. Het eerste wat ons opvalt is dat er hier opnieuw sprake is van een Jenneken die de rol van kluizenares in Vught vervult. Nog frappanter wordt het wanneer deze Jenneken Wouters de rapporteur vervolgens doorverwijst naar een Jenneken van Oirschot, die de plaats van Wouters heeft ingenomen. En in 1624, in de aanloop naar de staatse belegering, werden er ruiters ingekwartierd in de Kluis, zodat de kluizenares van dat moment, Jenneken Merssier, zich binnen de Bossche stadsmuren moest terugtrekken. De notariele verklaring uit 1678, waarin melding wordt gemaakt van de cluijse tot Vucht, is bovendien afgelegd door nog een Jenneken, namelijk Jenneken vanden Heuvel, die als dienstmaagd in dienst was van zuster Jenneken van Oirschot. Blijkbaar heetten niet alleen de kluizenaressen allemaal Jenneken, ook het personeel heette zo. Natuurlijk kan Jenneken net als Jan een veel

voorkomende naam zijn geweest, maar de hoeveelheid Jennekens die met de Kluis in verband wordt gebracht is wel erg opvallend. Als tweede duikt er in verband met Wouters een interessante naam op: die van Jan Heym. Jan Heym behoorde tot de familie Van Heym, die hoogschouten van de stad waren en in kasteel Maurick woonden. De Machutuskluis bevond zich in de directe nabijheid van het kasteel. Bemoeiden de Heyms zich met de bedevaarten? Of de Heyms een handje hadden in de Kluis is moeilijk uit te maken, maar feit is dat de kluizenaressen soms op het kasteel woonden in de tijd dat de Heyms er heer en meester waren. Een testament uit 1593 van een toenmalige kluizenares, Jenneken Maet, laat zien dat zij toen woonachtig was op Maurick, en wel ten tijde van Aert Heym. (Mogelijk is dat hier Arndt Heym bedoeld wordt, de neef van Aert.) 235 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 235 We hebben zowel de motte op Maurick als de Machutusverering op het Maurickplein in verband gebracht met een Germaanse cultusplaats die van mogelijk belang was voor de Duitse Orde. We hebben ons afgevraagd of de Liescaps, de Zwanenbroeders die als eersten een kasteel/poorthuis bouwden op de plek, misschien zelf de poortwachters van een geheim waren. De kluizenaressen van de Machutuskluis zaten op hun beurt bij de poort van de oprijlaan naar Maurick. Volgens ons duidde dit niet alleen op de religieuze continuteit van het gebied, maar ook op die van de plaatselijke priesters. De kluizenaressen waren dan een soort poortwachters, wonend bij de poort van Maurick, in een tijd waarin de oude cultusplaats tot een gekerstende kluis was geworden; een plek waarop een kerkje was gebouwd, maar die na al die eeuwen nog steeds van belang was. Als het hier de motte als belangrijk Germaans heiligdom betrof, dan vallen de

aanwezigheid van de Duitse Orde, het poorthuis Maurick en de kluizenaressen van Machutus binnen een straal van een kilometer opeens op hun plek. De kluizenaressen deden ons sterk denken aan de tempelwachters in Aksum. Aksum is een stad in Ethiopie waar volgens de overlevering de Ark des Verbonds wordt bewaard. Deze zou met de kruisvaarders of met Salomo zelf naar Afrika zijn genomen. De bewoners van Aksum gaan er prat op dat de geheimzinnige kist die ze eens per jaar in processie door de stad dragen de Ark is. De vermeende Ark wordt bewaard in een tempel, niet achter slot en grendel, maar achter een gordijntje, bewaakt door een oude priester. Niemand mag de Ark aanschouwen. De kluizenaressen zouden een soortgelijke rol kunnen vervullen. De taak, van generatie op generatie doorgegeven, zou dan die van schatbewaarder zijn. De naam Jenneken, mogelijk de naam van de eerste vrouw om de taak te vervullen, zou dan in de loop der jaren tot een titel zijn geworden, net als de naam Liescap in feite geen naam is, maar een functieomschrijving. Iemand die de functie op zich nam

zou dan de nieuwe Jenneken worden. Misschien werd voor deze gangbare naam gekozen om de anonimiteit te garanderen. Misschien was er, wat de traditie betreft, een verwantschap tussen de bewoners van Maurick en de kluizenaressen van Machutus. De naam en 236 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 236 de aard van het geheim kunnen door de jaren heen veranderd zijn, in feite bewaakten deze partijen hetzelfde: de schat van Vught. Maar wat gebeurde er dan in eerste instantie toen de Liescaps uitstierven en het kasteel in handen kwam van een Gelderse familie? Gijsbrecht overleed kinderloos en een nichtje, Katherina van Aelst88, erfde het kasteel zoals gezegd in 1400. Ze was getrouwd met Hendrik van Maurick of Mauwerick, afkomstig uit het Gelderse Maurick. Na de dood van haar man in 1405 ging Katherina ook daadwerkelijk op het kasteel wonen. De nadrukkelijk

Gelderse status van het kasteel bleef niet gehandhaafd toen het in 1430 werd verkocht aan Godschalk Roesmond, de hoogschout van Den Bosch. In 1475 kwam het in handen van een ridder: Goossen Heym. De Heyms behoorden tot de belangrijkste geslachten uit de Noord-Brabantse bovenlaag. Ook Goossen bracht het tot hoogschout (in de kelders van het kasteel werden wel misdadigers vastgezet tot aan hun berechting) en natuurlijk was zijn familie contribuant van de Zwanenbroeders. De rode zespuntige ster op de voorgevel van het kasteel is het wapen van de Heyms. Een paar jaar later werd het kasteel herbouwd voor de volgende Bossche hoogschout, Jan Heym. Als bouwmeester wordt ene Jan Heyns genoemd. Heyns was architect en loodsmeester van de SintJan en een goede bekende van Jeroen Bosch. Hij verbleef tussen 1495 tot aan zijn dood in 1516 in Den Bosch en behoorde tot de gezworenen van de Lieve Vrouwe Broederschap. Allemaal vrienden van elkaar dus. Het lijkt erop dat het kasteel en dat wat er bewaakt werd steeds door een bevriend geslacht werd

overgenomen, en dat de nieuwe bewoners zelfs door de Duitse Orde of de Zwanenbroeders werden uitverkoren. Niet en bewoner wijkt van het stramien af: het zijn allemaal invloedrijke Brabantse families met een link met Den Bosch en een lidmaatschap van de Zwanenbroeders op zak. De volgende Heym, Jonker Aert Heym, werd uiteraard ook hoofdschout en later aanvoerder van de Bossche militie in de strijd tegen de Gelderse troepen. Ook hij is bij de getuigenissen in het 237 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 237 Mirakelboek opvallend vaak van de partij. In de aanloop naar de strijd met Gelre speelde hij een aanzienlijke rol. In 1527 viel hij Gelderland binnen en verwoestte het kasteel van Poederoyen. Dit kasteel was het stamslot van niemand anders dan Maarten van Rossum: de gevreesde Gelderse veldheer. Van Rossum

zou een aanzienlijke rol gaan spelen in de geschiedenis van Vught. Deze gesel van de Brabanders zou het lot van de geheime schat in hoge mate gaan bepalen. In het fatale jaar 1542 arriveerde Maarten in Vught en brandde alles plat wat hij daar aantrof: ook de Lambertuskerk en het commandeurshuis. De priesters van de Duitse Orde werden vermoord of weggejaagd. Enkele van hen, waaronder de commandeur, zullen hun toevlucht hebben gezocht in het naburige kasteel. In zijn gewelddadige strooptocht, waarbij hij volgens de geschiedenis zijn zinnen had gezet op sHertogenbosch, stuitte Van Rossum vervolgens op Maurick. Hier woonde niemand anders dan Aert Heym, de man die zijn stamslot verwoest had. Het zou uiterst begrijpelijk zijn geweest wanneer hij zijn aartsrivaal met gelijke munt terugbetaalde door Maurick met de grond gelijk te maken. De tempeliersschat zou vast en zeker in handen van deze slager zijn gevallen. Maar om de een of andere geheimzinnige reden raakte hij kasteel Maurick met geen vinger aan. Aert Heym behielt syn huys, lezen we in de geschiedenisboeken. En

dat terwijl we gezien hebben dat het kasteel door de dunne muren lastig te verdedigen was. Waarom raakte hij Maurick niet aan? Waarom liet hij deze kans op wraak aan zijn neus voorbijgaan? Dat is een ingewikkeld verhaal. Laten we een klein stukje teruggaan in de tijd. Een wisseling van de wacht: Brabant en Gelre In 1500 was het feitelijk nog steeds niet gedaan met de schermutselingen uit de tijd van de Grote Volksverhuizing. In Europa was door toedoen van die gebeurtenissen een aantal machtscentra ontstaan die elkaar als vanouds naar het leven stonden. Rome was nog 238 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 238 steeds Rome, al was het nu de paus die er de scepter zwaaide. Daarnaast vochten de Europese koningen om

de macht. In feite ging het om een aanhoudende strijd tussen Spanje, Frankrijk, Engeland en Duitsland. In 1500 werd Karel de Vijfde geboren. Karel V behoorde tot de Habsburgers, een vooraanstaand Europees vorstengeslacht genoemd naar het stamslot van het Huis Habsburg, de Habichtsburg in het noorden van Zwitserland. De Habsburgse dynastie was zo machtig dat tussen 1438 en 1806 vrijwel alle keizers van het Heilige Roomse Rijk tot dit vorstenhuis behoorden. Zo ook Karel V. Zijn vader was Filips de Schone, die we al eerder genoemd hebben als een bewonderaar van Jeroen Bosch. Hij stierf toen Karel pas zes jaar oud was en liet zijn opvoeding in handen van zijn moeder Johanna, die helaas al snel krankzinnig werd. Doordat een aantal troonpretendenten overleed, erfde Karel op zijn zestiende de heerschappij over Spanje. Daar bleef het niet bij: van zijn grootvader aan vaders kant, Maximiliaan van Oostenrijk, erfde hij grote gebieden in de Lage Landen. Bovendien was Maximiliaan de Duitse keizer, met andere woorden: de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Deze titel ging niet over van vader op zoon, maar werd toegekend door

Duitse keurvorsten zoals graven, hertogen en bisschoppen. Keizer van het Roomse Rijk betekende dat de gekozen troonopvolger aanspraak kon maken op het oude Romeinse Rijk. Om caesar te worden moest hij dus de steun verwerven van een college Duitse gezagdragers. Karel V had zijn handen vol: zowel Hendrik VIII van Engeland als Frans I van Frankrijk hadden hun zinnen gezet op Europa. Frans steunde en zocht steun bij de Duitsers die streden voor onafhankelijkheid tegen de keizer, en bij de Italianen die onder het juk van het Spaanse gezag probeerden uit te komen. Bovendien hielp hij het hertogdom Gelre, dat trachtte de Habsburgers in de Nederlanden onder de duim te houden. Toen Karel V er met behulp van steekgelden toch in slaagde de keizerstitel te bemachtigen, werd hij heerser over Spanje, de Spaanse kolonien in Amerika, Oostenrijk, Bourgondie, Brabant, Limburg en grote gebieden in Duitsland. 239 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 239 Brabant maakte dus deel uit van het keizerrijk, en viel daarmee onder het gezag van Karel V en Spanje. De opkomst van Nederland was nog ver weg en in de zestiende eeuw sprak men nog van de Lage Landen, een puur geografische aanduiding, geen politieke. Er was wat gemopper in het noorden van Holland, maar over het algemeen lieten de Nederlanders en de Belgen het zich aanleunen dat zij deel uitmaakten van de Spaanse heerschappij. Niet dat de Brabanders zich Spanjaarden voelden, verre van dat, maar Hollanders waren ze ook niet. Spanje was tenminste katholiek, en dat kon je van de noordelijke Nederlanden niet zeggen. Voor de Bosschenaren en de Lieve Vrouwe Broederschap veranderde er niet veel en dat was goed. De kanunniken van de Sint-Janskathedraal regelden hun eigen zaakjes zonder door de verre bisschoppen op hun vingers te worden gekeken. De bewoners van de Meierij maakten zich meer zorgen om de nabijheid van

Gelre, dat nog steeds pogingen deed om het Bourgondische Brabant het leven zuur te maken. Gelderland had haar eigen Karel: hertog Karel van Gelre. Maar wat was er in die tijd met de Brabantse hertogen gebeurd, ooit de vice-keizers van het Heilige Roomse Rijk? We hebben de hertogen verlaten nadat zij zich, onder andere met behulp van de Duitse Orde, in Brabant hadden gevestigd en daar hun hoofdstad hadden gesticht: s-Hertogenbosch. In 1406 was de laatste Brabantse hertog uit de lijn van Godfried III, Jan IV van Brabant, eindelijk gestorven. Daarmee kwamen Brabant en Limburg onder de Bourgondische heerschappij van Karel de Stoute. Karel de Stoute wist Bourgondie sterk uit te breiden en een centralisatiepolitiek door te voeren. Een eigen koninkrijk zou hij echter nooit krijgen. Bij wijze van troostprijs wist hij in het jaar 1472 het weerspannige Gelre aan zijn lijst van graafschappen toe te voegen. Gelre legde zich als een van de weinigen niet neer bij het Spaanse gezag en bleef onvermoeibaar streven naar

het behoud van het hertogdom. In een poging de macht vast te houden zette de hertog een veldmaarschalk in, een beruchte vechtersbaas die luisterde naar de naam Maarten van Rossum. 240 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 240 Maarten van Rossum In het midden van de zestiende eeuw deed een sinister rijmpje de ronde: Twee Maartens stellen de geheele wereld in roeren; de eene plaagt de kerk, de ander de boeren. De eerste Maarten was natuurlijk Luther. De tweede was Maarten van Rossum, de Gelderse Attila, de gevreesde veldheer van Gelre die half Brabant in de as zou leggen.

Maarten van Rossum werd geboren in Zaltbommel. Zijn ouders behoorden tot de lage adel in het gebied van de Bommelerwaard. In 1478 bracht de familie van Rossum haar meest befaamde telg voort. Met de weinig zachtzinnige Maarten van Rossum (wiens credo luidde: Branden en blaken is het sieraad van de oorlog) had de hertog van Gelre een waardevolle troef in handen. Ondanks het fiasco van Nieuwpoort, waar Maarten aan krijgsgevangenschap wist te ontkomen, werd Van Rossum aangesteld als veldmaarschalk. Vanaf dat moment wist hij zijn landsheer belangrijke diensten te bewijzen in de strijd tegen de omringende Habsburgers. Maarten van Rossum stelde zich er daarbij niet tevreden mee enkel de landsgrenzen te bewaken: hij deed waanzinnige uitvallen in vijandelijk gebied en voerde een tijdlang het bewind over delen van Groningen, Overijssel en Utrecht. Ongetwijfeld de grootste proeve van krijgskunst leverde Maarten toen hij in 1528 Den Haag binnenviel. In de nacht van 5 op 6

maart van dat jaar verzamelde hij zijn troepen in een abdij buiten Utrecht. Van daaruit liet hij zijn leger oprukken. Hij viel s-Gravenhage binnen en ging daar drie dagen lang als een dolleman tekeer, waarna hij zijn troepen terugtrok. Deze successen ten spijt kon Karel van Gelre zijn strijd tegen de oppermachtige Habsburgers niet volhouden. Zonder ooit zijn doelen bereikt te hebben stierf hij in 1538. Na zijn dood probeerden zijn Gelderse onderdanen om het met protestantse Duitse vorstenhuizen op een akkoordje te gooien. Ze kozen Willem van Kleef en Gulik tot hun volgende landsheer. Willem had naar verluidt goede contacten met de Duitse Orde. De zet was vergeefs. In 1543 moest Willem zich gewonnen geven: grote stukken van Gelre gingen over 241 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 241

in handen van Karel V. Wat was er gebeurd? In 1542 was Maarten van Rossum, nog steeds in dienst van Gelre, Brabant binnengetrokken en had daar op een afschuwelijke manier huisgehouden. Talloze dorpen werden onder zijn strooptocht tot de grond toe afgebrand. Dit ging Karel V te ver. Met een leger van 40.000 man viel hij Gelre binnen en wist het opstandige hertogdom eindelijk aan zich te onderwerpen. Op 7 september 1543 moest Willem van Gulik, tijdens een vernederende plechtigheid in een legerkamp bij Venlo, in gezelschap van verschillende grootwaardigheidsbekleders in Karel V zijn meerdere erkennen. De hertog van Gelre moest letterlijk een knieval maken en om vergiffenis smeken. Van Rossum als pion van Spanje Althans, zo luidt de officiele lezing. Een paar bijzonderheden plaatsen kanttekeningen bij deze geschiedenis. Meteen nadat Karel V in 1543 Gelre had verslagen promoveerde hij Maarten van Rossum, zijn grootste tegenstander, tot

opperbevelhebber van zijn leger ter plaatse. Waar Willem van Gulik publiekelijk vernederd werd, daar werd Maarten als een bedreeven en kloek veldheer in zijn besoldinghe 89 aangenomen. Een onbekende pleitbezorger schreef de keizer een brief waarin hij de verrichtingen van Maarten aanprees en Karel aanspoorde om de inmiddels bejaarde aanvoerder in zijn gelederen op te nemen. Dat niet alleen, Maarten werd ook nog eens aangesteld tot gouverneur van Luxemburg. Als het Maartens plundertocht in Brabant was die de keizer ertoe bracht orde op zaken te stellen, dan is deze behandeling op zijn zachtst gezegd opmerkelijk te noemen. Was er sprake van verraad? Van Rossum, de ambitieuze veldheer, voelde de jicht in zijn botten en besloot dat het tijd was om voor zijn eigen belangen op te komen. Gelre, wist hij, was een verloren zaak. Hij moest aan zijn eigen toekomst gaan denken. Zijn exorbitante krijgsbuit zou hem niet baten als hij in de onmogelijke strijd tegen de Habsburgse dynastie het loodje legde. Karel van Gelre was dood. De nieuwe 242

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 242 landsheer was iemand uit het verre Duitsland. Wat zou hij doen? Zijn tanende hertogdom trouw blijven? Of zijn diensten aanbieden aan de hoogste bieder? Maarten was, dat moeten we wel zeggen, niet helemaal onbekend met Karel V. In 1528 had Gelre een tijdelijk vredestraktaat getekend met de keizer, waarin was opgenomen dat de laatste in tijden van nood een beroep kon doen op de inzet van Maarten. Van Rossum was in 1529 door Karel V naar Brabant gestuurd, waar hij s-Hertogenbosch nog aandeed (naar verluidt verbleef Maarten een nacht in herberg De Roode Poort in de Hinthamerstraat). Maar in feite was Maarten toen nog

steeds trouw aan zijn hertog, omdat hij kort daarvoor in het geheim naar de Franse koning was gestuurd om steun voor Gelre te verwerven. De geschiedenis schrijft ons voor dat Maarten tenminste tot 1543 in Gelderse dienst bleef. Maar was dat ook zo? Wat ook vreemd blijft, is dat Maarten er in de jaren 1542-43 in slaagde om heel Brabant met een relatief klein groepje vechtersbazen te brandschatten, terwijl Karel V meer dan genoeg manschappen bezat om hem tegen te houden. Toch gebeurde dit niet: Maarten kon ongestraft zijn gang gaan. Iets klopte er niet. De promotie tot Spaanse bevelhebber kwam ons vreemd voor. Een leek zou veronderstellen dat Maarten van Rossum voor zijn daden beloond werd. Zou het kunnen dat Maarten in 1542 door Karel V was omgekocht? We gingen nog een stapje verder. Stel dat de Brabantse veldtocht op bevel van Karel V was gebeurd, en nt op bevel van Gelre? Kan Maarten gezwicht zijn voor de privileges die de Habsburgse keizer hem in het vooruitzicht stelde? Was zijn aanstelling tot gouverneur van Luxemburg een beloning

voor bewezen diensten? Dit zou enigszins verklaren waarom Maarten zo grondig tekeerging in Vught, waarbij het Huis van de Duitse Orde volledig in de as werd gelegd. Karel V kan een boodschap hebben willen sturen aan Willem van Gulik en zijn Duitse protestanten. Een waarschuwing wellicht. Bovendien ontpopte Karel V zich later als een vijand van de Duitse Orde, wier macht hij vreesde. Wellicht hield de veldheer er een verborgen agenda op na, een agenda gedicteerd door Karel V. 243 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 243 Van Rossum als pion van Gelre Toch zijn er ook met deze lezing enkele problemen. Er wordt gezegd dat Maarten Vught brandschatte uit frustratie omdat hij Den Bosch niet kon innemen. Maar waarom spaarde hij dan Maurick?

De Heyms waren vanouds vijanden van Gelre, en met Aert had hij in het bijzonder een fikse appel te schillen. Wat weerhield hem ervan het weerloze poorthuis te bestormen en de Heyms een duchtig lesje te leren? Kan het iets van doen hebben met het feit dat Goossen Heym, de eerste Heym in Maurick, door Karel de Stoute in het zadel was geholpen? Karel de Stoute, herinneren we ons, was de overgrootvader van keizer Karel V. In die tijd was hij zowel hertog van Brabant als van Gelre. Karel V had de stoffelijke resten van zijn befaamde familielid vanuit Frankrijk naar Brugge gebracht. Mogelijk verbood de keizer Maarten het huis van de Heyms aan te vallen. Misschien had Maarten, toen hij Vught plunderde, iets anders aan zijn hoofd; iets wat zo belangrijk was dat hij een kans om wraak te nemen op de Heyms aan zich voorbij liet gaan. Werd hij door de keizer teruggeroepen? Of kwam hij iets doen in Vught en was hij belast met een specifieke opdracht? Was hij ergens naar op zoek? En als dit al het geval was, gebeurde dit

in dienst van de Gelderse hertog, of in dienst van de keizer? Had de keizer vernomen van de schatten in Vught, van verborgen kostbaarheden in handen van de Duitse priesters? Was het niet Den Bosch, maar Vught waarop Maarten van Rossum zijn zinnen had gezet? De theorie werpt in beide gevallen obstakels op. Als Karel V, vijand van de Duitse Orde, op zoek was naar de schat, waarom spaarde hij dan Maurick? Alleen maar omdat de bewoners hem in het verre verleden een dienst hadden bewezen? Werkte Maarten dan toch in opdracht van Gelre? Willem van Gulik, de opvolger van de Gelderse hertog was, naar zijn benoeming te oordelen, een man met grote invloed in de Duitse gebieden. Wat Duitsland betreft was hij Willem V van Kleef, bijgenaamd Willem de Rijke. Afgezien van Kleef was hij hertog van Berg en 244 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 244 graaf van Mark en Ravensberg. Hij was de enige zoon van hertog Johan III van Kleef, en kon bogen op een reeks illustere voorgangers die de weg in Gelre en Kleef voor hem geplaveid hadden, en die sinds mensenheugenis warme contacten hadden met de Duitse adel. De heerschappij over Gulik was via de schoonfamilie van zijn vader in zijn handen terechtgekomen. Die schoonfamilie telde onder andere hertog Willem III van Gulik en Berg, ridder in dienst van de Duitse Orde en deelnemer aan kruistochten naar Pruisen. Maar de Kleefse en Gelderse families, hoe innig ook, hadden elkaar sinds jaar en dag bestreden in een uitputtende serie successieoorlogen. De vete met het Kleefse gebied was bovendien terug te voeren op de strijd tussen Brabant en Gelre en de heimelijke betrokkenheid van de Duitse Orde. De Gelderlanders haalden met Willem V van Kleef, van wie werd vermoed dat hij nog altijd nauwe banden had met de Duitse adel, dus een oude vijand, binnen in een poging een veel grotere vijand Spanje en de Habsburgers

buiten de deur te houden. Het is zelfs mogelijk dat de Gelderse onderdanen hoopten dat Willem zijn connecties met de Teutonen zou aanwenden. Maar Gelre kocht een kat in de zak. Of Willem van Gulik ooit daadwerkelijk geprobeerd heeft om Gelre voor Habsburg te behoeden is niet zeker. Vaststaat dat de gehoopte alliantie met de Duitse vorstenhuizen nooit tot stand kwam. Blijkbaar had de Duitse Orde, voor zover die nog bestond, haar interesse in het Gelderse gebied verloren. Of mogelijk stonden er intussen andere belangen op het spel. De Nederlanden waren niet langer het soevereine gebied van hertogen, maar onderhorig in een machtsstrijd die zich op veel hoger niveau afspeelde. Het waren Europese grootmachten die om de macht streden. In 1514, ten tijde van de oorlog tussen Holland en de Wendische Hanzesteden (waaronder Lubeck en Hamburg) had Karel van Gelre nog geprobeerd de Duitse Hanze bij het conflict te betrekken. De Noord-Duitse Hanzesteden hadden hier baat bij omdat ze in een hevige concurrentiestrijd verkeerden met de Hollandse handelscentra Amsterdam in het bijzonder. De uitnodiging van Gelre

werd overwogen maar uiteindelijk te ambitieus 245 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 245 bevonden.90 Als er gelieerd moest worden, dan in grotere eenheden dan het hertogdom Gelre. Maar wellicht kwam de Duitse Orde haar schat terughalen. Wanneer we aannemen dat Maarten wel voor Willem van Kleef (en de Duitse Orde) werkte, dan verklaart dit misschien waarom hij Maurick niet mocht aanvallen: omdat dit voor de Teutonen nog steeds een heilige plek was. Maar waarom werd het commandeurshuis dan wel platgebrand? Bovendien is het dus onaannemelijk dat Willem kon rekenen op de steun van de Duitsers. Werkte hij dan op eigen houtje? Het is mogelijk dat hij van de schat wist en zijn veldheer stuurde om hem op te halen. Het was niet de laatste keer dat we op een dergelijk netwerk van raadsels en

intriges zouden stuiten. Een ding werd wel duidelijk: het Geheim van Zionsburg dook weer op. De archieven van de Duitse Orde Nog steeds zeggen al deze gebeurtenissen ons niets over de identiteit van dit geheim, hoogstens dat er uitvoerig mee gesleept wordt. Als we proberen te achterhalen wat de schat kan zijn die door de Duitse Orde of andere partijen bewaakt werd, kunnen we lustig in het rond speculeren. Er zijn ontelbare boeken geschreven, met name in de afgelopen paar jaar, over de schatten van de tempelridders in Jeruzalem. Geroofde kostbaarheden uit de Heilige Stad zijn daarbij nog de meest bescheiden mogelijkheid. Gesproken wordt over de Graal, de Ark des Verbonds en de bloedlijn van de Heiland zelf. Kruisvaarders uit de elfde en twaalfde eeuw zouden onder de Tempelberg gegraven hebben en een geheim geborgen hebben dat via talloze omwegen naar Europa werd gevoerd. Een in zwang geraakte theorie wil dat de tempeliers zich in het zuiden van Frankrijk vestigden en in de streek van de

Languedoc een ketterse orde of zelfs een koningshuis hebben opgericht. Dit leek in verband met ons eigen verhaal vergezocht. We hadden nog niet genoeg informatie om hier iets zinnigs over te zeggen. 246 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 246 Een kostbaarheid waarvan we wel weten dat zij zich in het Duitse Huis te Vught bevond, betreft niet een heilig voorwerp, maar de archieven van de Duitse Orde in Vught. De archieven hebben we eerder kortstondig vermeld in verband met de oprichting van het Duitse Huis. De eerste honderd jaar van het bestaan van de Vughtse orde zijn ze bijna helemaal verdwenen. Onderzoekers in Dusseldorf verklaren dat ze geen opheldering verschaffen over de oprichting. Vervalsingen uit latere tijden pogen het bezit en de tolrechten aan verschillende lieden toe te wijzen. De Duitse Orde zelf blijft in het duister omtrent haar eigen

claims. Pas in de vijftiende en zestiende eeuw komt er een meer coherente geschiedschrijving op gang. Juist dan gaat het weer mis; Maarten van Rossum brandt het commandeurshuis plat. Om een lang verhaal kort te maken, kunnen we zeggen dat de archieven van Vught vanaf het rampjaar 1543 zodanig verspreid raakten, dat niemand meer op de hoogte was van de ware verblijfplaats, noch van het oorspronkelijke belang ervan. Hebben ze aanwijzingen over de schat bevat? We weten het niet. Het Archief van Luther van Brunswijk Het Geheim werd zoals we zagen via Kleef overgebracht naar Vught ten tijde van grootmeester Siegfried von Feuchtwangen. Het Pact van Woeringen had de eer deze taak tot uitvoering te brengen, waardoor de pactleden voor eeuwig aan de Duitse Orde verbonden zouden blijven. Zij handelden trouw haar zaakjes af en traden op als stoottroepen wanneer de Teutoonse belangen moesten worden zeker gesteld. Tegelijkertijd zetten zij de Illustre Lieve Vrouwe

Broederschap op in s-Hertogenbosch om te waken over het Geheim. Maar mogelijk raakte de kennis in de loop der tijd verloren. Den Bosch werd weliswaar door Hanzelieden beschouwd als een belangrijk religieus centrum, maar ook voor hen was het niet geheel duidelijk wat nu precies het object van verering was. De Duitse Orde werd in de tussentijd volledig in beslag genomen door haar oorlog met Polen. Hoewel Vught nog altijd werd geprote247 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 247 geerd door de orde en de hertogen van Brabant lijkt het erop dat het belang van het heilige landschap allengs in de vergetelheid raakte. Had Von Feughtwangen de kennis opzettelijk verloren laten gaan, anticiperend op toekomstige ontwikkelingen binnen de orde zelf? Hier valt wat voor te zeggen. Aan de andere kant waren de leden van het Pact van Woeringen natuurlijk ook op de

hoogte. De vraag die wij ons stelden luidt: zouden er nog aanwijzingen hebben kunnen rondslingeren in kasteel Marienburg in de jaren na de verplaatsing van het Geheim? Bestond er nog een verslag, notulen, wat dan ook, waarin de Duitse Orde de oorspronkelijke gebeurtenis uit het begin van de veertiende eeuw heeft vastgelegd? Bekend is dat de orde wel degelijk over een bibliotheek beschikte waarin alle akten, contracten en reisverslagen werden bewaard. Het was de achttiende grootmeester van de orde, Luther van Brunswijk, die zich in het bijzonder zou ontfermen over het archief en die erom bekendstond een grote belangstelling te hebben voor de wortels van de orde waaraan hij leiding gaf. Geboren uit een Welfisch huis dat door Hanzeoprichter Hendrik de Leeuw was gesticht, zwaaide hij de scepter in Marienburg in de periode 1331 tot 1335. Zijn vader, Albrecht, was hertog van Brunswijk en zijn broer ridder van de Duitse Orde. Door zijn contacten en familierelaties zat Luther dus in het kloppende hart van zowel de Hanze als de Duitse Orde. De relatie met de

Brabantse hertogen was toen bovendien al zeer goed, aangezien zijn vader was getrouwd met de dochter van hertog Hendrik II van Brabant. Ten tijde van Luthers grootmeesterschap zat de Duitse Orde in haar glorietijd en ook het Pact van Woeringen draaide inmiddels op volle toeren. Op zijn troon in Marienburg ontving hij de pactleden op hun frequente Pruisenreizen en gaf hen de nodige instructies. Omdat Luther pas vanaf 1313 als ridder op het hoofdkwartier in Marienburg verbleef, is het de vraag of hij ook daadwerkelijk afwist van de verplaatsing van het geheim, dat onder auspicien van zijn voorganger naar Vught was overgebracht. Helaas is er over Luther nagenoeg niets bekend. Hij werd door latere Teutonen niet gezien als een groot krijger. In de annalen van de Duitse Orde zelf staat hij vooral te boek als kunst248 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 248

minnaar en archivaris. Naar verluidt was hij de eerste grootmeester die een bibliotheek stichtte, naast een weelderige schatkamer gevuld met vroegchristelijke relikwieen. Hij was bijvoorbeeld trots op zijn bezit van het hoofd van de heilige Sint Barbara, een christelijke martelares. Luther was verzot op religieuze voorwerpen en moet de geschriften van Wolfram von Eschenbach en andere eerstelingen aan het hof van Thuringen goed bestudeerd hebben. Zijn belangstelling ging echter niet alleen uit naar literaire meesterwerken. Naar verluidt was Luther in het bezit van historische verslagen vanaf het ontstaan van de Duitse Orde, de middeleeuwse equivalenten van geheime interne memos. Alles wat met het ontstaan van de ridderorde te maken had, mocht zich verheugen in de belangstelling van de grootmeester. Luther van Brunswijk kan dus in alle opzichten beschouwd worden als het geheugen van de Duitse Orde en precies om die reden was hij ons opgevallen. Hoewel Luther gedoemd was een voetnoot van de geschiedenis te worden, zou menig groot vorst na hem dankbaar gebruik maken van zijn inspanningen. We zullen nog zien dat ook zijn nageslacht meer belang

leek te stellen in oude manuscripten dan in oorlogsvoering. Precies driehonderd jaar na zijn grootmeesterschap zou de grootste bibliotheek van Europa aan het hof van Brunswijk worden genstalleerd. Wat de documenten uit Vught bevatten bleef vooralsnog een raadsel. We zullen ruim honderd jaar verder moeten gaan voordat het Geheim van Zionsburg, wat het ook is, weer opduikt. Wat later zullen we zien wat er met de commanderij van Vught gebeurde na de brand. In de tussentijd wordt de situatie hevig gecompliceerd door het uitbreken van wat we de Tachtigjarige Oorlog of de Opstand zijn gaan noemen. Er staan belangrijke gebeurtenissen op stapel. De Nederlanden gaan zich losmaken van Spanje. Brabant zal het terrein worden van een heftige vrijheidsstrijd, een strijd die bovendien nieuwe feiten en merkwaardigheden aan het licht brengt. In het voorjaar van 1555 overleed Maarten van Rossum. Hij bevond zich in Charlemont in het huidige Frankrijk toen hij geveld 249

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 249 werd door de pest. Hij werd in Rossum begraven. Na zijn dood kwam zijn positie als opperbevelhebber van het keizerlijke Maasleger vrij. De post bleef niet lang onvervuld. In hetzelfde jaar werd een gretige jongeling als zijn opvolger aangesteld. Zijn naam? Willem van Oranje. 250 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 250 Hoofdstuk 12 Willem van Oranje

Het Huis Oranje Het Huis van Oranje wordt wel eens ten onrechte teruggevoerd op Guillaume dOrange, een legendarische figuur uit de vroege Middeleeuwen. Het misverstand wordt begrijpelijk als we de Franse naam vertalen naar het Nederlands: Willem van Oranje. Guillaume, die vermoedelijk rond het jaar 752 geboren werd, is natuurlijk niet dezelfde als Vader des Vaderlands Willem van Nassau. De naam Oranje werd door beide families (die van Guillaume en Willem) gevoerd omdat de telgen zich in verschillende perioden van de geschiedenis Prins van Oranje (Orange) mochten noemen. Orange is een klein stadje ten noorden van Avignon in het departement Vaucluse. Het was jarenlang het epicentrum van de handel in sinaasappelen, en het zou voor de hand liggen dat het stadje haar naam aan deze vrucht te danken heeft. Er wordt echter ook wel gezegd dat het andersom is, en dat de Fransen hun vrucht juist naar de stad genoemd hebben.

Orange is een oeroude stad. De oorspronkelijke naam van de stad was Arausio en ze werd omstreeks 35 voor Christus gesticht door soldaten van het Tweede Gallische Legioen. Arausio was een plaatselijke Keltische watergod. De legerplaats of kolonie werd voluit Colonia Julia Firma Secundanorum Arausio genoemd. Een kleine tachtig jaar eerder was de omgeving het decor voor een vernietigende veldslag tussen de Romeinen en de vroeg-Germaanse stammen, de Kimbren en de Teutonen. De Romeinse troepen leden een overweldigende nederlaag: van de 120.000 soldaten overleef251 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 251 den er volgens de overlevering slechts 10. De Romeinen lieten evenwel een prachtige triomfboog (ter ere van keizer Tiberius) en een indrukwekkend amfitheater achter.

Rond het jaar 793 verscheen dus Guillaume dOrange ten tonele. We weten weinig van deze mysterieuze figuur, en wat we weten is voornamelijk gebaseerd op legenden en volksverhalen. Dante geeft hem een eervolle plaats in de Paradiso, waar hij temidden van medepaladijnen Renier van Auvergne en Godfried van Bouillon vertoeft. Hij zou een kleinzoon van Karel Martel zijn geweest, de hofmeier van de Frankische vorsten die bijna eigenhandig de Moren uit Frankrijk had gejaagd. Daarnaast was hij een neef en een paladijn van Karel de Grote en doet in dat opzicht denken aan de Roland uit de Rolandsage. Net als Roland vocht hij in het zuiden tegen de Saracenen, en bij een van die gevechten werd er een stuk van zijn neus afgehakt, wat hem de bijnaam Guillaume au Court Nez opleverde: Willem met de Korte Neus. Later werd dit ook wel verbasterd tot Guillaume au Cornet, Willem met de Hoorn. Tijdens de strijd slaagde hij erin het gebied rond Arausio te veroveren, en als dank voor geleverde diensten kreeg hij de streek door Karel de Grote tot leen, waarmee hij dus de eerste graaf van Orange werd. Aan het einde van zijn leven kreeg hij berouw voor zijn

schavuitenstreken als roofridder en stichtte een klooster om zich in terug te trekken. Rond 812 overleed hij. Zijn nazaten wisten het graafschap in 1163 met toestemming van de Duitse keizer Frederik Barbarossa tot prinsdom te verheffen en de titel Prins van Orange op gelijke voet te brengen met die van de heersers over de andere soevereine vorstendommen in Europa. Verschillende huwelijken met rijke vorstenhuizen brachten Orange in handen van het Huis van Chalon. De afkomst van Guillaume dOrange staat echter helemaal niet vast. De ene keer is hij van Mengrovische of Merovingische bloede, dan weer is hij van joodse afkomst (Willem de Haakneus). Tot twee keer toe werd hij door het Vaticaan heilig verklaard; hij was Sint Willem van Oranje en zijn feestdag is 30 april, toevallig ook nog eens Koninginnedag. Hij wordt soms genoemd als graaf van Raze`s 252 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 252 in Zuid-Frankrijk, van Toulouse en zelfs van Barcelona. Zijn schild droeg de leeuw van Juda, door gretige Oranjespeurders wel eens gezien als de voorloper van de Nederlandse Leeuw. Als mythische persoon wordt hij in verband gebracht met de graallegenden, en zelfs bestempeld als bewaker van de Heilige Graal. Het valt te begrijpen dat een joodse mysticus annex roofridder die door het Vaticaan tot twee keer toe heilig werd verklaard en ook nog eens met esoterische graallegenden wordt verbonden geen vooraanstaande plek inneemt in de entourage van het protestantse Nederlandse koningshuis. De broedertwist: Willem van Oranje-Nassau en Filips II Keizer Karel V trouwde met Isabella van Portugal en op 21 mei van het jaar 1527 werd prins Filips geboren, die als Filips de Tweede, heerser van een wereldrijk, de geschiedenis zou ingaan. Filips II, de Spaanse koning, is in Nederland vooral geboekstaafd als de grote

boosdoener, de onderdrukker van de Nederlandse vrijheidsstrijd en de tiran die zijn huiveringwekkende waakhond, de hertog van Alva, op zijn onderdanen losliet. Maar vanuit een zuiver katholiek standpunt was hij een uiterst vrome monarch, die al zijn krachten inzette om de eenheid van de Rooms-Katholieke Kerk te herstellen en het protestantisme te bestrijden. Tijdens zijn leven viel het hem zwaar om in de voetsporen van zijn vader te treden. Hij had zijn vader, de grote keizer en de onverschrokken veldheer, altijd bewonderd en gevreesd. Als oudste zoon had hij niet veel concurrentie te duchten, maar toch bleef hij altijd streven naar Karels goedkeuring. Die goedkeuring kwam onder druk te staan toen hij hem onverwacht moest delen met een bedaarde maar opgewekte jongeman die in 1544, op elfjarige leeftijd, voor het eerst op het toneel verscheen. In dat jaar kreeg Karel V de voogdij over het neefje van een rijke edelman uit Orange. Orange was zoals gezegd een klein, maar 253 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 253 soeverein vorstendom in Zuid-Frankrijk. Door erfopvolging was het in handen gekomen van het Huis Chalon. Een telg uit dit geslacht had vermaardheid bereikt tijdens de ontwikkelingen rond de tempeliers uit Zuid-Frankrijk. Toen de tempelridders op 13 oktober 1307 werden uitgeroeid, was het een ridder uit de tempelorde, Hugo de Chalon, die de geheime schatten in veiligheid bracht. Volgens sommigen deed hij dit op Orange. De rijke edelman met wie Karel V te maken kreeg was Rene van Chalon. Rene had het nog opgenomen tegen Maarten van Rossum. Zijn ouders waren Hendrik III van Nassau-Breda en Claudia van Chalon-Orange. Uit dit huwelijk tussen het adellijke Franse geslacht Chalon en het Duitse huis van Nassau kwam een nieuwe voorname dynastie voort: de Oranje-Nassaus. Rene was dan ook de eerste die de geslachtsnaam

Oranje-Nassau voerde. Hij werd Prins van Oranje genoemd. Toen hij in een veldtocht tegen de Fransen door een kogel werd gedood, werd er voor een opvolger naar het Duitse Dillenburg gekeken, waar een oom van Rene woonde. De Nassause familie bewoonde het kasteel van Dillenburg en deed haar best om in het verscheurde en door oorlog geteisterde Europa niet op te vallen. Voor zijn dood had Renen zijn testament laten vastleggen dat zijn nalatenschap in handen zou komen van zijn neefje Willem. Willem was in 1533 op het kasteel geboren als zoon van Willem van Nassau bijgenaamd de Rijke en Juliana van Stolberg, en opgegroeid in een gezin van zeventien kinderen. Hij leefde een zorgeloos leventje, ver van de belangrijke gebeurtenissen uit die tijd. Rene s vader Hendrik was een jeugdvriend van Karel V en de kinderloze Rene had zijn neefje alleen maar in zijn wilsbeschikking gezet om de keizer een plezier te doen.

De vader van Willem was in 1543 overgegaan op het lutheranisme, en Karel wilde niet dat het vorstendom Orange na de dood van Renen protestantse handen overging. Dus werd de kleine Willem opeens de prins van een fabelachtig rijk vorstendom, en daarmee een van de rijkste edellieden van Europa. Hij werd Willem van Oranje-Nassau. Omdat hij nog maar elf jaar was, werd er gezocht naar een voogd. Keizer Karel zag het al gebeuren dat de jongeling, de toe254 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 254 komstige prins, in Duitsland zou worden onderworpen aan een antikatholieke opvoeding, en om dat te voorkomen wierp hij zich op als voogd: hij liet hem overkomen uit Duitsland en bracht hem naar het Habsburgse hof in Brussel. Daar werd hij enorm in de

watten gelegd: hij kreeg dure kleren, kamerheren, bedienden en werd deelgenoot gemaakt van het exorbitante hofleven. Hij werd zorgvuldig weggehouden van zijn lutherse vader. Wel kreeg hij er een andere vader voor terug: Karel V vatte genegenheid op voor de jongen. Wat de keizer precies in hem zag weten we niet, maar hij was zo op zijn protege gesteld dat hij hem zelfs toestond geheime vergaderingen bij te wonen als alle andere hovelingen verzocht werden te vertrekken. De charmes van Willem waren zelfs zo geprononceerd, dat de hardvochtige zus van Karel, Maria koningin-weduwe van Hongarije hem ten overstaan van derden haar zoon noemde. Maar Willem van Oranje-Nassau liet zich niet helemaal inpakken door de betoveringen van het hofleven. Hij reisde graag door naburige contreien, werd verliefd op de Nederlanden en vatte sympathie op voor de boerenbevolking. Willem had een andere toekomst voor ogen dan die van hoveling of dienaar van de Habsburgers. Maar hij hield zijn plannen voor zich. Deze eigenschap, de neiging om nooit zijn eigenlijke

gedachten en bedoelingen te uiten, zou hem later de bijnaam de Zwijger opleveren. Zijn ware gezicht bleef verborgen achter zijn eeuwig toeschietelijke glimlach. Mogelijk dat Filips II iets dergelijks vermoedde toen hij zijn rivaal voor het eerst ontmoette. Dat was bij een banket ter ere van zijn aankomst in Breda waarbij de zestienjarige Willem optrad als gastheer. Of de genegenheid van hun vader meespeelde is niet zeker, maar de twee broers mochten elkaar al meteen niet. Willem was alles wat Filips niet was: populair, vlot, toegankelijk, atletisch, intelligent, laconiek en makkelijk in de omgang; allemaal eigenschappen die Filips zowel verfoeide als benijdde. Ze begroetten elkaar als broeders, maar niet van harte. Onder het uitwisselen van plichtplegingen en beleefde glimlachen verklaarden de twee hun vriendschap aan elkaar. Willem werd de vriend en vertrouweling van Filips; Filips benoemde hem tot stadhouder over de ge255 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 255 westen Utrecht, Holland en Zeeland en werd de peetvader van zijn eerste kind. Maar Filips eerste indruk had hem niet misleid. Dit pleegbroertje, dat hij met argusogen bekeek, zou een van zijn grootste vijanden worden. Een paar maanden na de ontmoeting tussen Filips en Willem deed Karel V afstand van de troon. Hij was er niet in geslaagd de eenheid binnen de katholieke kerk te herstellen en werd geteisterd door jicht en gekweld door de last van het keizerschap. Hij was 55 en wilde zich terugtrekken in een klooster in Spanje om daar in alle rust zijn laatste jaren te slijten. De Oostenrijkse bezittingen liet hij na aan zijn broer Ferdinand omdat de Duitse keurvorsten daartoe besloten, maar Filips kreeg de rest van het rijk. Als Filips II werd hij koning van Spanje. Filips was 28 en vast van plan het Spaanse rijk, met inbegrip van de Nederlanden, onder zijn bewind te brengen. De Lage Landen waren onder Karel tot een politieke eenheid geworden en bestonden uit 17

gewesten: de Zeventien Verenigde Nederlanden. Filips II was dus de opvolger van zijn machtige vader. Maar tijdens de abdicatie die op 25 oktober 1555 in de grote zaal van het slot te Brussel plaatsvond, leunde de vermoeide Karel op de schouder van Willem. De introverte Filips was zo aangeslagen dat hij zijn schutterende troonrede moest afbreken en hem door Antoine Perrenot, de latere kardinaal Granvelle, liet voorlezen. Karel V trok zich terug en stierf drie jaar later. Filips II ontpopte zich als een besluiteloze koning die bij het volk maar matig geliefd was. Hij was sober en ernstig, gespeend van elke vorm van humor of luchthartigheid, en wist niet hoe hij zich bij zijn onderdanen gewild moest maken. Tijdens zijn inaugurele reis door de Lage Landen had zijn starre houding hem bijna legendarisch onbemind gemaakt. Het enige echt grote werk dat hij tijdens zijn leven tot stand bracht was de bouw van een reusachtig paleis in de bergen buiten Madrid: het Escoriaal. Het Escoriaal was paleis, klooster, museum en mausoleum tegelijk. Het was hier dat de koning zijn immense verzameling boeken en kunstvoorwerpen bijeenbracht. Het is nog

interessant om te vermelden dat Filips een buitengewone interesse had in het occulte. Ondanks het feit dat hij 256 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 256 bijna overdreven katholiek was, ging zijn belangstelling uit naar astrologie, mystiek, alchemie en toverkunst: bij zijn dood bezat hij meer dan tweehonderd boeken over magie en tovenarij. Aanvankelijk bleven de contacten tussen hem en Willem van Oranje goed. Hij gebruikte de groeiende populariteit van zijn pleegbroer om greep te houden op de wantrouwige Nederlanden. Daarnaast stuurde hij hem eropuit om handelsbetrekkingen aan te knopen en fondsen te verwerven bij rijke edellieden. Ook bij de vredesbesprekingen met Frankrijk was het de Prins van Oranje die het woord mocht voeren. Maar dat pragmatisme hield niet lang stand. Filips was een idealist. Hij putte de Spaanse schatkist uit in pogingen

een onverdeelde katholieke staat te stichten, maar het gevolg was dat de economie verslechterde. De economische belangen moesten wijken voor het religieuze ideaal van een katholieke supernatie. Filips wenste geen rekening te houden met zijn onderdanen in de Lage Landen en bleef de gewesten bestoken met katholieke verordeningen. Het eerste conflict met Oranje diende zich aan in de persoon van Granvelle. Keizer Karel had bij de opvoeding van Willem en jammerlijke vergissing gemaakt: op 8 juli 1551 liet hij zijn pupil trouwen met Anna van Egmond, erfgename van de graaf van Buren. Willem kreeg zijn eigen kasteel in Breda, en met dat kasteel de onafhankelijkheid die hij in Brussel niet had. In Breda waren er geen Habsburgers om hem op de vingers te kijken. De jonge prins kon ongestoord zijn gang gaan. Willem van Oranje begon zich steeds meer te bezinnen op zijn rol. Hij bevond zich in een loyaliteitsconflict tussen Filips en de protestantse gemeenschap in de Nederlanden. Naar buiten toe wekte hij de indruk op de hand van de koning te zijn, maar intussen had hij spionnen aan het

Spaanse hof die alle verrichtingen van Filips nauwlettend in de gaten hielden. Op oudejaarsavond van het jaar 1564 liet hij in een toespraak in de Raad van State voor het eerst het achterste van zijn tong zien: Hoezeer ik ook aan het katholieke geloof gehecht ben, zei hij, ik kan niet toelaten dat koningen over het geweten van hun onderdanen heersen en hen 257 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 257 de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen. Met deze woorden keerde hij zich voor de eerste maal nadrukkelijk tegen Filips. Ondanks de harde taal van Filips stuurde Willem van Oranje niet aan op een revolutie. Hoewel hij bij de Spaanse koning onder verdenking stond, was hij nog steeds stadhouder in dienst van Spanje. Als goed katholiek zou hij bij een calvinistische volksopstand nog altijd aan het kortste eind kunnen trekken. Maar zijn diplomatie kon niet

voorkomen dat in 1566 de beeldenstorm losbarstte. Filips was razend. Eindelijk nam hij een koninklijk besluit dat grote gevolgen zou hebben. Don Fernando Alvarez de Toledo, de gevreesde hertog van Alva, kreeg de opdracht een leger bijeen te brengen om met de opstandige Nederlanders af te rekenen. Het was het begin van een oorlog die pas tachtig jaar later met de Vrede van Munster tot een officieel einde zou komen. Willem van Oranje keerde zich voorgoed tegen zijn pleegbroer. Zijn landheer was nu zijn grootste vijand. Alva en de Spaanse Furie Toen Don Fernando van Alva belast werd met het tot de orde roepen van ketterse Nederlanders was hij 60 jaar oud. De man die op zijn zestiende gedichten schreef, moest zich nog eenmaal in het harnas hijsen; het was een opdracht waar hij niet op zat te wachten, maar niettemin wist hij in minder dan geen tijd een groot leger op gang te brengen. Toen Alva door zijn leenheer naar de Nederlanden werd gestuurd, was dat om spijkers met koppen te slaan. Omdat Frankrijk hen nog steeds

vijandelijk gezind was, voer het leger in mei 1567 met 37 galeien naar Italien van daaruit over land naar de Nederlanden. De al indrukwekkende strijdmacht werd in Luxemburg nog eens aangevuld door 8000 Duitse huursoldaten. Dat deze aanwas voor het overgrote deel uit lutheranen bestond, mocht de pret niet drukken. Toen het nieuws van de naderende Spanjaarden in de Nederlanden doordrong, pakten vele protestanten hun biezen. Onder hen 258 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 258 was Willem van Oranje; hij geloofde niet in een luthers verweer en ook niet in de steun van de Duitsers, hoewel later zou blijken dat Dillenburg zich uitstekend leende als wervingscentrum in de Duitse contreien. De Spaanse hertog liet zijn vredesmacht oprukken naar Brussel, waar hij naarstig aan het werk ging. Op 5 september,

vijf dagen na aankomst in Brussel, installeerde hij de Raad van Beroerten, door het volk ook wel de Bloedraad genoemd, bedoeld om ketters en rebellen te vonnissen. De Raad van Alva verrichtte honderden arrestaties per dag. Er volgden talloze martelingen, confiscaties, gedwongen bekentenissen en executies. Er zijn verschillende aanwijzingen die erop duiden dat tussen de vijf-en zesduizend mensen het slachtoffer zijn geworden van de Bloedraad. Recente, meer geloofwaardige cijfers spreken van duizend doden. Bezittingen werden in beslag genomen, edellieden werden verbannen, gefolterd of in gevangenschap vermoord. Maar de Spaanse Furie werkte averechts. Hertog Alva slaagde er met zijn gruwelbewind alleen maar in de haat van de oproerlingen aan te wakkeren, en zichzelf tot in lengte van dagen berucht te maken als de grootste tiran die de Nederlanden ooit hadden gekend. Willem van Oranje bleef in Dillenburg en hoedde zich er wel voor om voor de Raad van Beroerten te verschijnen. Dat zijn katholieke inslag begon te slijten

blijkt uit het feit dat zijn zoon Maurits in Duitsland een lutherse doop kreeg. Toch bleef hij niet lang van het strijdtoneel verwijderd. De meer dan 20.000 bannelingen die de Nederlanden ontvlucht waren en zich ophielden in Frankrijk, Engeland en Duitsland, zagen in hem hun aanvoerder. Het is moeilijk te zeggen wat Willem deed besluiten die rol definitief op zich te nemen. Het moet een grote stap zijn geweest om zich aan de zijde van de opstandelingen te scharen en de wapenen op te nemen tegen het vorstenhuis dat hem als een zoon had binnengehaald: Karel V was hem tot vader geweest, zijn zus Maria noemde hem haar zoon. Willem had zijn titel, zijn rijkdom, zijn status en zijn opleiding aan de Habsburgers te danken. Nu stond hij op het punt het zwaard ter hand te nemen, zijn geloof te verwerpen en als een vogelvrije renegaat de strijd met Alva aan te gaan. Hoewel hij beweerde het alleen op te nemen tegen de be259 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 259 roerde Alva en nt tegen Filips (De koning van Hispanje heb ik altijd geerd, zegt het Nederlandse volkslied dat rond deze tijd werd geschreven) wist Willem maar al te goed dat de ingeslagen weg hem in conflict met de koning zou brengen. Willem had grote plannen met Nederland, dat was duidelijk, plannen die niets te maken hadden met Spanje of het herstellen van de katholieke kerk. Aan het groepje ongeorganiseerde vrijheidsstrijders had hij niets. Zij waren met te weinig. De Nederlandse vluchtelingen die het ruime sop hadden gekozen en zich de Watergeuzen noemden, waren nuttige maar grillige bondgenoten. Hij besefte dat hij op Europees niveau steun zou moeten verwerven. Als hij het tegen de Spaanse grootmacht ging opnemen, dan was er geld nodig, veel geld. Er zou materiele, logistieke en misschien zelfs militaire ondersteuning moeten komen.

En meer dan dat: een andere Europese mogendheid met invloed in de regio zou zijn plan op een moreel niveau moeten schragen. Zonder de goedkeuring van ten minste en belangrijke vennoot had de ontluikende en kwetsbare Republiek geen schijn van kans. Maar waar zou die steun vandaan moeten komen? Wie zou zijn campagne tegen de machtige Spanjaarden willen seconderen? Frankrijk niet, dat was te wispelturig. Afhankelijk van de koning kon de publieke opinie zowel naar het protestantisme als het katholicisme doorslaan. In de Bartholomeusnacht van 1572 zou op massale schaal worden afgerekend met de protestanten in het land: naar schatting honderdduizenden hugenoten (Franse lutheranen) werden in en nacht over de kling gejaagd. Denemarken misschien, of Engeland: Koningin Elizabeth I liet immers watergeuzen toe in haar havens. Maar de Britse gastvrijheid duurde niet lang en beroofd van een haven werden de geuzen gedwongen de invasie te vervroegen: op 1 april 1572 werd het plaatsje Den Briel in de provincie ZuidHolland ingenomen. Willems eigen poging om daarop

Brabant binnen te vallen stuitte op de Spaanse overmacht en zijn opstandelingenleger werd teruggedreven. Wie was er nog over? We weten dat Duitse vorsten officieel weinig tot niets hebben bijgedragen. De Duitsers hadden er toch baat bij als de Nederlan260 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 260 den onder gereformeerde heerschappij kwamen, maar misschien wilden ze een openlijke oorlog met het machtige Spanje vermijden. Keizer Maximiliaan was nog steeds vermaagschapt aan het Spaanse koningshuis en piekerde er niet over om zich tegen de familie te keren. Willem drong aan. Als we kijken naar het Wilhelmus, dat omstreeks 1570 voor het eerst

verscheen, dan zien we een paar opmerkelijke zaken. Coen Free stelt91 dat het huidige volkslied niet zozeer bedoeld is om de van Oranje beroofde Hollanders een hart onder de riem te steken, maar om Duitse investeerders over de streep te trekken. Allereerst presenteert Willem zich al in de eerste strofe als een Duitser (immers: ben ik van Duitsen bloed) en daarnaast noemt hij zich nadrukkelijk Wilhelmus van Nassouwe, en niet Willem van Oranje. Het is zijn manier om te zeggen dat hij en van hen is, een lid van de Duitse adel. Impliciet bepleit het Wilhelmus dus het intrinsieke Duitse belang in de Nederlandse vrijheidsstrijd. Als we dan ook nog weten dat er van het Wilhelmus Duitse versies in omloop werden gebracht, lijkt het verhaal rond. Den vaderland getrouwe, laat de dichter Willem zeggen, maar welk vaderland is hij getrouwe...? Het is niet zo dat Engeland, Frankrijk en Duitsland geen sympathie hadden voor Willems plannen Willem stond op goede voet met koningin Elizabeth van Engeland, Catharina de Medici, koninginmoeder van Frankrijk, en met Maximiliaan maar iedereen schijnt

in die tijd getwijfeld te hebben of ze met de onbesuisde Prins van Oranje wel op het juiste paard wedden. Duitse vorsten ontvingen bovendien protesten (lees: dreigementen) uit Spaanse hoek, om hen ervan te weerhouden zich met Oranje in te laten. Dus kwamen er veel halve toezeggingen maar geen werkelijke steun. Engeland bood nog aan om met Spanje te onderhandelen, maar die gesprekken liepen op niets uit. Opmerkelijk is wel het voorstel van Maximiliaan om Holland bij de Hanze te laten aansluiten en hem als beschermheer aan te wijzen, maar dit voorstel schijnt alleen bedoeld te zijn om Willem met een kluitje in het riet te sturen. Op Dillenburg vonden talloze onderhandelingen plaats: Willem had Filips van Marnix van St. Aldegonde tot zijn secretaris ge261 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 261 maakt, samen met een legertje bondgenoten. Hij zond

Diederik Sonnoy, edelman uit Kleef, naar Denemarken en Zweden, maar zonder succes. Ook de zoektocht naar binnenlandse investeerders moet ongelofelijk frustrerend zijn geweest. De Hollandse gewesten en de Staten-Generaal beloofden hem met tussenpozen gouden bergen, maar veel kwam er van die beloften niet terecht. Het kostte de Prins van Oranje daarnaast ontzettend veel moeite om strijdende partijen met elkaar te verzoenen, de lange tenen van zowel de calvinisten als de katholieken te vermijden en allen eensgezind achter hetzelfde doel te scharen. Als het erop aankwam konden zelfs lutheranen, calvinisten en protestanten niet over en kam worden geschoren. Zelfs de gemeenschappelijke haat tegenover de Spanjaarden leek niet genoeg te zijn om iedereen aan dezelfde tafel te krijgen. De Nederlanden waren in dit stadium nog vooral een droom van Willem van Oranje; de rest van de gewesten beschouwden elkaar als buitenlanders, het noorden en het zuiden waren ernstig verdeeld. Verbitterd schreef hij aan zijn broer Jan: We hadden gehoopt dat de onlangs gesloten vrede in

Frankrijk ons enigszins van onze zorgen zou hebben verlost, maar het schijnt dat ieder alleen maar belangstelling heeft voor zijn eigen zaken en niets geeft om de zorgen van een ander. De toekomstige Vader des Vaderlands besefte dat er meer voor nodig was om in zijn opzet te slagen. De broodnodige steun kwam misschien wel uit totaal onverwachte hoek. Geldschieters achter de coulissen Na tevergeefs steun te hebben gezocht bij de Fransen en de Engelsen gooide de Prins van Oranje het over een andere boeg. Hij deed een stap terug. Als de regeringen niet over de brug wilden komen, zou hij het zoeken bij de edelen, de rijke Europese families en het bedrijfsleven. Het waren de adel en de kooplieden waar hij zijn gram probeerde te halen. Hij verkocht alles wat hij bezat en gooide zijn erfgoed te grabbel in een poging het benodigde geld bijeen te 262 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 262 brengen. Ook vroeg hij zijn familie om hulp. Maar nadat hij zijn koeriers naar alle uithoeken van de Nederlanden had gestuurd, bleek dat zelfs de rijkste edelen niet genoeg geld hadden of wilden uitgeven om de gigantische onderneming op poten te zetten. De gewesten bleken nog niet eens en procent van de nodige kosten te kunnen opbrengen! Toch trok Willem vanaf 1572, toen hij eindelijk terugkeerde uit zijn ballingschap in Dillenburg, ten strijde tegen de Spanjaarden. Waar kwam dit geld vandaan? Niet van zijn derde vrouw Charlotte de Bourbon, want toen hij haar trouwde was ze straatarm. Het lijkt ook niet waarschijnlijk dat zelfs de steenrijke Prins van Oranje een heel leger kon financieren door het zilverwerk te verpatsen en de sierspelden van zijn oma te gelde te maken. Het slot Dillenburg verpand om aan geld te komen ging al gebukt onder torenhoge

schulden. Bovendien waren veel van zijn bezittingen door de Spanjaarden in beslag genomen. Welke macht financierde achter de schermen de Nederlandse vrijheidsstrijd? Het enige wat we zeker weten is dat Willem van Oranje in de dagen van zijn ballingschap feesten en bruiloften afstruinde op zoek naar sponsors. Hij bezocht vrienden in Ziegenheim, Weiburg, Kassel en andere plekken. Afgezien van joodse geldschieters die tegen rente de zaak wilden financieren, probeerde Oranje dus vooral zakenrelaties uit zijn vrienden-en kennissenkring warm te krijgen voor zijn plan. Hoeveel mensen hij op die manier over de streep heeft getrokken is niet te achterhalen, maar het geld kwam er. Waar kwam het vandaan? Wie zouden er baat bij hebben gehad om de onmogelijke strijd van een weifelende renegaat tegen het machtige Spanje te bekostigen? Gezien de ontdekkingen in onze zoektocht en de eerdere invloeden op de Hollandse ontwikkelingen

vroegen we ons af of ook hier de Duitse Orde een rol kon hebben gespeeld. De orde had zich openlijk onzijdig verklaard in de Nederlandse kwestie, maar dit betekende niet dat er onder de tafel het een en ander gebeurd kon zijn. We besloten de gewaagde veronderstelling te onderzoeken. 263 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 263 Vorstenhuizen hadden er al eeuwenlang blijk van gegeven onbetrouwbaar te zijn: koningen kwamen en gingen en met elke potentieel krankzinnige monarch kwam er een nieuw beleid op tafel. De godsdiensttwisten waren intrinsiek onoplosbaar en lieten zien dat zelfs het Woord van God aan verandering onderhevig was. De nieuwe koning van Frankrijk, Hendrik III, bewees met zijn katholiek fanatisme dat een heel land als aanhanger van de protestanten afgeschreven kon worden. De Teutoonse ridders

hadden in Jeruzalem al geleerd dat er maar en constante was in de omwentelingen van de Europese geschiedenis, en taal die iedereen begreep: die van het geld. Net als in de tijd van de Baltische kruistocht en het opkomen van de Hanze begrepen de Duitsers dat er met koningen en pausen kon en moest worden afgerekend om de touwtjes in handen te krijgen. Het waren handelsovereenkomsten en niet concilies die over het lot van Europa beschikten. De Hervorming was voor kooplieden en handelaren een geschenk uit de hemel. In het feodale, door vorsten en pausen geregeerde Europa was voor een vrije handelseconomie weinig plaats geweest. Het protestantisme veroorzaakte scheuren in die oude wereld en bood nieuwe kansen voor federaties die zich zochten te ontplooien. De Teutonen zochten naar nieuwe bestaansvormen om hun greep op Europa te behouden. De Hanze begon in deze tijd als vooruitstrevende handelsfederatie juist uiteen te vallen. De vorsten van Denemarken en Zweden stonden te

trappelen om de monopoliepositie van de Hanze ongedaan te maken en zo het alleenrecht te krijgen op de handel op de Oostzee. In 1598 werd het kantoor in Londen gesloten. De Stedenhanze had haar langste tijd gehad. Individuele handelssteden met soevereine rechten waren iets uit het verleden: ze werden ondergeschikt gemaakt aan overkoepelende machtsorganen, machtsorganen zoals de op handen zijnde Republiek der Nederlanden. De Nederlanden hadden eerder dan de meeste andere Europese landen een kapitalistisch gezicht gekregen. Met name het huidige Nederland en Belgie waren een veelbelovend industrieland geworden, een land van ondernemers en financiers.92 De Gouden Eeuw was bijna voelbaar. Net als in de tijd van de Brabantse hertogen stonden er waterwegen op het spel: 264 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 264

hadden de Duitsers zich toen door verbonden en Hanzebetrekkingen een weg naar de Noordzee gebaand, nu leek het erop dat de Republiek de toekomstige scepter zou zwaaien over de zeevaart. De Spanjaarden en de Portugezen hadden met hun conquistadores in de Nieuwe Wereld aangetoond dat de scheepvaart en het onderhouden van exotische kolonies een uiterst lucratieve aangelegenheid wars, en ook de Engelsen lieten zien dat op open zee de weg naar de toekomst lag. Wie beter dan de Duitse Prins van Nassau om die weg voor hen te plaveien? Willem van Oranje wist op zijn beurt dat er van zijn plannen niets terecht zou komen als hij voor steun was aangewezen op afzonderlijke edelen, die met hun eerzucht en ambitie altijd het eigenbelang voorop zouden stellen. Er was een krachtig leiderschap nodig, niet een sloom regeringsapparaat dat er door een teveel aan concessies niet in slaagde een vuist te maken. Als de Republiek een bedrijf was waarvan hij bij voorbaat aandelen kon verkopen, dan toch liever aan pragmatische kooplieden dan aan roofridders of labiele

koningshuizen. Het bedrijfsleven stelde geen belang in godsdiensttwisten of erfopvolging, het wilde gewoon een stuk van de taart. De Republiek zou te maken hebben met aandeelhouders, niet met zeloten of vorstenhuizen. Maar zelfs dat bleef lastig. Op 14 april 1568 ontving de Prins op zijn slot in Dillenburg een veelbelovende delegatie van Antwerpse kooplieden die de opstand met een bedrag van 300.000 daalders wilden ondersteunen. Kooplieden uit Antwerpen waren uiteraard Hanzeleden. Het bedrag, dat uiteindelijk goeddeels aan zijn neus voorbijging, was evenwel niet bestemd voor de strijd tegen Spanje, maar voor de godsdienstoorlog. Kooplieden in Straatsburg zagen zijn zaak gewoon als een slechte belegging. Kunnen deze ontwikkelingen de Teutonen tot interessante partners hebben gemaakt? Kunnen de twee partijen, Willem van Oranje en de Duitse Orde, tot een vergelijk zijn gekomen? 265

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 265 Oude en nieuwe verbonden In een eerder hoofdstuk hebben we de verbondenheid van de Hanze met de Duitse Orde aangetoond. Wie handel deed met de een, kreeg te maken met de ander. En de Duitse Orde was op dat moment nog springlevend. Er zijn brieven bekend waaruit blijkt dat Willem van Oranje ten tijde van de opstand nog steeds contacten onderhield met de orde. Vier van die brieven ontving hij rechtstreeks van leden en grootmeesters. De eerste is uit 1565. Leden van de Duitse Orde in Trier verzoeken de Prins van Oranje om voorspraak voor ene Daniel van Schonenberg bij hertogin Margaretha van Parma. Margaretha was de halfzuster van Filips II en door hem aangesteld als landvoogdes van de Nederlanden. De tweede brief is uit 1576 en is

geschreven door de grootmeester van de Duitse Orde in Mergentheim (dit moet Hendrik VIII van Bobenhausen zijn geweest). De grootmeester spreekt hier ten gunste van enkele ridders van de orde en beklaagt namens hen de geleden oorlogsschade. De brief wordt bewaard in het Archief van de Ridderlijke Duitse Orde te Utrecht. In een andere brief uit dit archief doet de grootmeester nogmaals van zich spreken. Ditmaal valt hij Willem lastig met klachten over de plunderingen van het huis Pitzemburg bij Mechelen. De vierde en laatste brief komt van de landscommandeur van de Duitse Orde in Utrecht: de commandeur verzoekt om teruggave van de goederen en inkomsten van de commanderij gelegen binnen Holland en Zeeland. Uit de brieven blijkt dat Willem van Oranje door de orde gezien wordt als iemand die ten eerste als tussenpersoon kan optreden om leden van de Duitse Orde aan te bevelen bij hooggeplaatste personen, en ten tweede verantwoordelijk kan worden gesteld voor geleden oorlogsschade. Ook over de orde werd gecorrespondeerd. In 1580 ontvangt de prins een brief van de kanselier en raden van Gelre en Zutphen,

die hem waarschuwen dat ene Hendrik van Steenbergen komt mopperen op Duitse ruiters die ten behoeve van de landscommandeur van de Duitse Orde overlast veroorzaken. 266 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 266 Willem heeft zelf ook brieven geschreven. In 1573 geeft hij Hendrik Oem van Wijngaerden te Delft de commissie om als rentmeester op te treden zolang de eigenlijke rentmeester, Jan de With, afwezig is. Van Wijngaerden is dan een ridder van de Duitse Orde. In 1574 verzoekt hij de gouverneurs van Zeeland om ene Gilless uit Vlissingen de blekerij van de Duitse Orde te gunnen. Blijkbaar trad hij in een aantal instanties op als bemiddelaar, of als tussenschakel. In elk geval was de Duitse Orde in die dagen nog steeds een organisatie met toegang tot koninklijke kringen die

zo nu en dan geapaiseerd moest worden. Zelfs nog in 1577, wanneer hij in Utrecht is, verblijft hij in het Huis van de Duitse Orde aldaar. Maar kan Willem de orde hebben benaderd om als geldschieter op te treden? Dat hij contacten onderhield wil nog niet zeggen dat de Teutonen ook een rol van betekenis speelden in de totstandkoming van de opstand van de Nederlanden. Toch is de stap kleiner dan hij op het eerste gezicht lijkt. We hebben gezien dat een investering van Duitse zijde al eerder plaatsvond. De Brabantse hertogen en hun trawanten sloten een pact met de orde: een pact dat de hertogen economische en militaire steun verleende in hun oorlogen met Gelre en dat de deuren opende voor de Hanze. Het verbond was uiterst lucratief gebleken. Zou de Prins van Oranje iets dergelijks hebben willen bewerkstelligen? Had hij met andere woorden toegang tot het Pact van Woeringen? Of was het misschien de orde die op een herhaling van het pact aasden? In de tijd van de Nederlandse vrijheidsstrijd waren de hertogen allang uit beeld verdwenen. Ook de macht van

de Hanze was sterk afgenomen. Bestond het pact uberhaupt nog wel? En zo ja, kon Oranje als voormalig vazal van het Spaanse koningshuis dan aanspraak maken op dit oude verbond? Hoewel moeilijk te bewijzen is het misschien aardig om de Duitse connecties eens spelenderwijs na te gaan. Al in het begin van de jaren zestig van de zestiende eeuw was er intensief contact tussen de Oranje-Nassaus en verschillende Duitse instanties. Willems broer Lodewijk, graaf van Nassau, trad veel267 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 267 vuldig op als tussenpersoon bij Willems Duitse vrienden, evenals Marnix van St. Aldegonde. Het vroege idee was om Duitse krijgsknechten in wachtgeld te nemen. In die tijd reisde hij vaak naar Duitsland. Willem zelf was ongevraagd op komen dagen op de

Rijksdag die in oktober 1562 in Frankfurt werd gehouden; dit terwijl Filips hem nadrukkelijk niet had uitgenodigd. De Prins bleef daar niet minder dan twee maanden en had een onderhoud met de Duitse afgevaardigden. Zou de Rijksdag hulp kunnen bieden in de geloofskwesties? Daarna ontmoette hij veel bezoekers uit Duitsland en woonde besprekingen bij met niet nader genoemde Duitse edellieden. Het belangrijkste gespreksonderwerp was daarbij of hij op Duitse steun kon rekenen: zowel militair, financieel als diplomatiek.93 Ook in de daaropvolgende jaren werden er ontmoetingen gearrangeerd tussen de Prins van Oranje, zijn vrienden en de Duitse heren. Opnieuw werd de mogelijkheid overwogen om de Duitsers bij het conflict met Spanje te betrekken. Allemaal reden voor de trawanten van Filips om zijn Duitse verkeer zo goed mogelijk in de gaten te houden. Natuurlijk is het mogelijk dat hij de Duitse Orde rechtstreeks heeft benaderd. Een van zijn voorvaderen, Diederik van Nassau, jonker van Nassau, was ridder van de Duitse Orde in Lotharingen. Ene Rupert van

Laurenburg-Nassau in 1220 eveneens. Bovendien duiken de Van Nassaus ook later nog regelmatig op in relatie met Duitse ridders en grootmeesters.94 In feite was Willems gedoemde huwelijk met Anna van Saksen al een anticiperende stap in die richting. Anna, Willems tweede vrouw, was een nichtje van de keurvorst van Saksen. Maar toen puntje bij paaltje kwam wilde zijn schoonfamilie hem niet tegemoet komen. Waarschijnlijker is het dan ook dat het contact met de Duitse Orde als dat er al geweest is door tussenkomst van een derde partij is gebeurd, iemand die bereid was Willem bij de orde aan te bevelen. Het oorspronkelijke pact bestond onder andere uit Jan van Cuyk, Herman van Woerden, Gijsbrecht van Amstel, Dirk II van Brederode, hertog Jan II van Brabant en Gerard van Velzen. Wat was er nog over van dit oude verbond? Wie zou de pleitbezorger bij de Duitse Orde kunnen zijn geweest? 268 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 268 Hendrik van Brederode Een persoon sprong in ons onderzoek al meteen naar voren: Hendrik van Brederode, de nazaat van Dirk II van Brederode die de moord op Floris V mede had beraamd. Hendrik is een grote naam uit de Tachtigjarige Oorlog; hij was een van de belangrijkste vijanden van Spanje en hij wordt wel de Grote Geus genoemd. Hij was het die landvoogdes Margaretha van Parma de protestbrief overhandigde waarin meer dan 400 edelen bezwaar aantekenden tegen de onderdrukking van het Nederlandse volk. Haar adviseurs vertelden haar dat ze zich niet ongerust moest maken: Ce ne sont que des gueux: de Nederlandse edelen waren slechts bedelaars (geuzen). De volgende dag verhief Brederode het woord geus tot erenaam voor de opstandelingen. Hijzelf werd in 1531 in Brussel geboren, groeide samen met Willem van Oranje op en

bewees al op 28-jarige leeftijd zijn nut als aanvoerder van het legerkorps van Karel V. Net als andere edelen stoorde hij zich echter aan katholieke uitspattingen en hij sloot zich aan bij de protesterende adel. Hendrik van Brederode was feitelijk de stuwende kracht achter de opstand voordat Willem van Oranje die rol van hem overnam. Als telg uit een belangrijk militair geslacht was hij de eerste edelman die bereid was militair geweld in te zetten tegen de Spanjaarden. Al in 1566 probeerden hij en andere extremisten, waaronder de graven van Egmont en Hoorn, Willem ertoe te brengen een leger tegen de Spanjaarden in stelling te brengen. Het was Willems eigen broer Lodewijk (hij en Brederode waren onafscheidelijke vrienden) die voorstelde om in de protestantse Duitse staten troepen op de been te brengen. Veel van de eerder genoemde besprekingen met Duitse geldschieters vonden bovendien plaats op het slot van Brederode in Vianen. Brederode, Lodewijk en anderen hadden in 1565 het Eedverbond der Edelen opgericht, bedoeld om de adel te mobiliseren en zo een front te vormen tegen de Spanjaarden. Daarbij waren het opvallend genoeg steeds weer de kernleden van het

Verbond, Brederode en Lodewijk, die Willem aanspoorden hulp aan Duitse zijde te verwerven. 269 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 269 Willem vond dat zijn vrienden de macht van Spanje onderschatten en weigerde. Zelf werd hij nooit als zodanig lid van het Verbond. Zijn voorzichtigheid was niet naar de zin van de anderen en toen hij voorstelde een beroep te doen op keizer Maximiliaan, met het argument dat de Nederlanden deel uitmaakten van het Heilige Roomse Rijk, waren ze niet genteresseerd. Met name Brederode wilde harde actie, geen diplomatie. Brederode, Nicolaas van Hames en de belangrijke broers Van Marnix van St. Aldegonde waren allemaal

vertrouwelingen van Lodewijk. En hoewel Lodewijk in de ogen van Willem te wild en onbesuisd was, waren ze heel close met elkaar. Lodewijk had zoveel omgang met calvinistische theologen en edelen, dat Willem precies wist wat er in die kringen omging. Maar ondanks die hechte band twijfelde Willem aan de voortvarende koers van de edelen. Met name het geweld van de beeldenstormers baarde hem zorgen. Ook hoopte hij in 1566 nog steeds op de steun van Franse hugenoten. Niettegenstaande die twijfels bleven zijn broer en zijn vrienden in zijn naam besprekingen voeren met militante Duitse groeperingen. In onderhandelingen tussen Lodewijk en de protestanten viel regelmatig de term frembde Buntnis, vreemd (of buitenlands) verbond, waarmee gedoeld werd op de medewerking van machten en personen in het buitenland, gericht tegen de diplomatie van de Koning.95 Vooral Lodewijk en Brederode voerden in het geheim onderhandelingen met protestantse leiders, waarbij het werven van troepen hoog op de agenda stond. Lodewijk bleef contacten aangaan met de Duitse protestanten en had reeds Duitse krijgsbenden weten te

contracteren. Toen Willem van Oranje in 1567 naar Duitsland vluchtte, deed Brederode hetzelfde. Een verstandige zet, aangezien hij kort daarop door de Bloedraad bij verstek veroordeeld werd. Hij verschanste zich op het kasteel Horneburg bij Recklinghausen, een paar kilometer ten noorden van Dortmund. Het kasteel was van Joost II van Schaumburg, een neef van Willem van Oranje. Schaumburg zou later nog een belangrijk aandeel hebben in het leger van Willem. Brederode maakte het niet meer mee. Hij overleed minder dan een jaar later, waarschijnlijk door uitputting. 270 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 270 Vlak voordat hij stierf deed hij echter iets

merkwaardigs: hij schrapte Willem van Oranje uit zijn testament. Blijkbaar had hij kort voor zijn dood reden om kwaad te zijn op Willem. Waarom? Hier komen we op terug. Het Pact van Woeringen was in elk geval verre van verwaterd in de tijd van de Hollandse Opstand. Brederode, die in het Duitse dorpje Alpen werd herbegraven, had nog steeds contacten met de Van Arkels en de Duitse adel. Zijn vrouw was Amalia von Neuenahr-Alpen, dochter van de graaf van Neuenahr en later keurvorstin van de Duitse deelstaat Rijnland-Palts. De graven van Neuenahr hadden van oudsher contacten met de Duitse Orde. Heeft Hendrik van Brederode, de meest fanatieke van alle Nederlandse opstandelingen, zijn Neuenahr-connectie gebruikt om de Teutoonse Orde bij de opstand te betrekken? Het zou kunnen. Het heeft er alle schijn van dat Willem via een omweg dus toch kon bogen op de steun van een aantal aanzienlijke gelieerde Duitse families. De Duitse overheid stond niet voldoende achter hem; keizer Maximiliaan kon zich door zijn verwantschap aan Spanje niet openlijk aan

zijn kant scharen (en dat terwijl hij onverbloemd het land had aan Filips II). Maar de Duitse families konden dat, althans in het geniep, wel. Een raadgevende vergadering van vertegenwoordigers van de Palts, van Baden, en van Brandenburg-Ansbach stelde hem hulp in het vooruitzicht. En alsof dat nog niet genoeg was, waren er nog altijd de Hohenlohes. Filips van Hohenlohe Filips, de graaf van Hohenlohe, heeft op het eerste gezicht niets te maken met het Pact van Woeringen. Hij was een afstammeling van een Frankisch adellijk geslacht dat is terug te voeren op de elfde eeuw. Filips zelf kwam uit Wurzburg, een oude bisschopsstad in het noorden van de Duitse deelstaat Beieren. Van Hohenlohe was evenwel een van de voornaamste bondgenoten van Oranje en zijn vurigste legeraanvoerder. Hij heeft een flink aantal wapenfeiten op 271 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 271 zijn naam staan. In 1576, een jaar nadat hij tot aanvoerder van het staatse leger werd benoemd, veroverde hij Geertruidenberg op de Spanjaarden. Weer een jaar later nam hij Steenbergen in en in 1580, het jaar waarin hij generaal werd, de stad Coevorden. Zijn meest gedenkwaardige optreden was dat bij Breda, waar de list met het Turfschip op 4 maart 1590 leidde tot de roemruchte inname van die stad. In 1586 deed Hohenlohe een mislukte poging om Den Bosch in te nemen. In 1577 zat hij al in Vught om eenzelfde verovering op poten te zetten. De reden waarom Hohenlohe zich zo inspande voor de goede zaak is grappig: hij was jarenlang verliefd op de beeldschone Maria, de dochter van Willem! Door zich in te zetten voor de Hollandse strijd hoopte hij indruk te maken op zijn toekomstige schoonpapa. Jammer genoeg wilde Willem dat zijn dochter met de zoon van

de hertog van Aerschot zou trouwen. Aerschot was zijn tegenstander, en met de verbintenis zou hij hem aan zijn kant scharen. Zijn dochter hield voet bij stuk en trouwde uiteindelijk (dat wil zeggen, na dertig jaar) met Filips van Hohenlohe. Deze liefdesgeschiedenis doet niet onder voor een kasteelroman: Maria was de oudste dochter uit het huwelijk met Anna van Egmond en leek sprekend op haar moeder. Zo sprekend dat Willems tweede vrouw, Anna van Saksen, groen van jaloezie wegvluchtte naar Keulen, waar zij nota bene zwanger werd van de grootvader van de schilder Rubens. Zij deed dit overigens in gezelschap van Amalia van Neuenahr, de vrouw van Brederode. Het was op Dillenburg dat Hohenlohe Maria leerde kennen. Hij en zijn broer Wolfgang, die ook getrouwd was met een Nassau, bezochten het kasteel regelmatig. Hohenlohes reputatie van roekeloze zuiplap maakte de familieintrige compleet. Afgezien van dit laatste waren de Nassaus en de Hohenlohes dikke maatjes. De Hohenlohes waren dan ook niet zomaar een rijke familie. Zij bezaten reusachtige gebieden in het zuiden van Duitsland en hadden grote invloed in de

binnenlandse politiek. Maar wat de Hohenlohes hier interessant maakt, is het volgende feit: zij waren nauw verbonden met de Duitse Orde. De familie 272 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 272 leverde maar liefst twee grootmeesters, Hendrik III van Hohenlohe in 1244 en Godfried van Hohenlohe in 1297. Ook waren er veel schenkingen over en weer. In de twaalfde eeuw bouwden de Hohenlohes een burcht in Mergentheim. In 1219 schonken zij deze aan de Duitse Orde. Tussen 1525 en 1809, dus bijna 300 jaar, diende het familiekasteel van de Hohenlohes als hoofdzetel van de Duitse grootmeesters. In de negentiende eeuw schopten leden van de familie het tot maarschalken en Rijkskanselier. De invloed van de dynastie was zo groot dat het Zuid-Duitse gebied in de twintigste eeuw de Hohenlohekreis werd genoemd. Net als Brederode bood de Hohenlohe-connectie dus een

toegang tot belangrijke Duitse vorstenhuizen. Net als Brederode drongen de gebroeders Hohenlohe aan op Duitse hulp. Kunnen Brederode en Hohenlohe, de en een nazaat van het Pact van Woeringen en de ander verwant aan de Duitse grootmeesters, met de gewilde Duitse steun in feite de Duitse Orde hebben bedoeld? Wat de verbintenis compliceerde, was het feit dat de Duitse Orde weliswaar in 1525 was overgegaan op het lutheranisme, maar dat het uitgerekend de onbuigzame katholieke tak was die zich in Mergentheim vestigde. Reken daarbij de situatie met de Saksische Anna en de intrige met Willems dochter Maria en we zien een uiterst delicate situatie waarin de Prins van Oranje op zijn tenen moet lopen om de verschillende Duitse families niet tegen zich in het harnas te jagen. Dit zou kunnen verklaren waarom hij er niet happig op was zich in dat wespennest te wagen toen zijn vrienden hem in 1566 kwamen vragen om de steun van Duitsland te accepteren. Een gevaarlijke bondgenoot Kreeg de gematigde Willem de Duitse connectie dus

opgedrongen door Brederode, Lodewijk en andere leden van het Verbond der Edelen? Brederode kon rekenen op de steun van de Neuenahrs, zijn vrouw later (in haar tweede huwelijk) op de betrokkenheid van Kleef. Bovendien waren er de oude leden van het Pact uit 273 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 273 1297. Via Hohenlohe kon hij zich beroepen op verbintenissen met de grootmeesters van de Duitse Orde. Waar de militaire steun ook vandaan kwam en welk aandeel Brederode ook had geleverd, in 1568 voelde Lodewijk van Nassau zich sterk genoeg om in het noorden van Holland de gewapende strijd aan te gaan. De Slag bij Heiligerlee, waar hij zegevierde over de Spaanse troepen, wordt wel als het beginpunt van de

Tachtigjarige Oorlog gezien. Maar Lodewijk was te onbezonnen geweest. Kort na Heiligerlee leed hij nederlaag na nederlaag en was hij gedwongen zich in Duitsland terug te trekken. Bijkomend feit was dat de officiele Duitse overheden zich althans ten overstaan van het volk uit de alliantie terugtrokken. De Duitse lutheranen konden niet door en deur met de Franse calvinisten en omdat ze zich van het broze verbond afkeerden, werd Willem min of meer gedwongen steun bij de hugenoten te zoeken. Dat schoot de Duitsers niettemin in het verkeerde keelgat. Toen Willem een nieuwe invasie in Brabant aankondigde, ontving hij van de Duitse keizer Maximiliaan een vogelvrijverklaring wegens landvredebreuk. Deze vreemde reactie lijkt erop te wijzen dat de Duitsers zich bedrogen voelden. Was hun terugtrekking een potje blufpoker geweest? Mogelijk wilden ze op deze manier de Prins van Oranje onder druk zetten om de Duitse belangen binnen het verbond beter te behartigen. Maar Willem begreep de wenk niet, of dacht met de Fransen beter af te zijn. De Duitse vorsten reageerden in elk geval buitengewoon verontwaardigd en het leek erop dat het voorwerk van

Lodewijk en Brederode voor niets was geweest. Willem van Oranje had, zo scheen het, niet alleen zijn wispelturige Duitse vrouw ingeruild voor een trouwe Francaise (Charlotte de Bourbon), maar ook zijn wispelturige Duitse achterban voor een verbond met de hugenoten. Zijn Saksische schoonfamilie leverde niet de enige verontwaardiging uit Duitse hoek. Dat hij zowel een huwelijk leek aan te gaan met een calvinistische vrouw als met een calvinistisch volk werd hem niet in dank afgenomen. De steun van de hugenoten liep zoals bekend op niets uit en Willems leger werd opnieuw gedwongen pas op de plaats te maken. Het geldgebrek speelde hem weer parten. 274 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 274 Het Verbond van Edelen aasde op een deal met Duitse Orde en spoorde Willem aan. Maar toen Willem het Pact de rug toekeerde en zich met de Fransen inliet,

bracht hij zijn vrienden in verlegenheid. Was dit de oorzaak van de ruzie tussen Brederode en Willem? Schrapte hij hem daarom uit zijn testament toen hij in 1568 op het kasteel van Schaumburg overleed? Was er sprake van een overeenkomst tussen Oranje en de Duitse Orde? Voordat we die vraag beantwoorden, bekijken we nog een paar opmerkelijke gebeurtenissen die in deze richting lijken te wijzen. Gebeurtenissen die ons eens temeer terugvoeren naar s-Hertogenbosch en de Zwanenbroeders. De Tuin der Lusten We hebben al vermeld dat Filips II veel interesse had in het werk van Jeroen Bosch. Hij was een verwoed verzamelaar van zeldzame boeken en kunstwerken, maar voor Bosch schijnt hij een bijzondere obsessie te hebben gehad. Er gaat een verhaal dat hij koste wat kost geprobeerd heeft om De Tuin der Lusten in bezit te krijgen. Hij zou de hertog van Alva er speciaal op hebben uitgestuurd om het werk op te sporen, en dat in de hoogtijdagen van de Spaanse Furie, toen er grote

politieke belangen op het spel stonden. Het verhaal lijkt onwaarschijnlijk. Waarom zou Filips zijn ijzeren hertog, die ongetwijfeld wel iets beters te doen had, belasten met de opsporing van een prentje voor boven de schouw? En waarom per se dat schilderij? Had het werk van Bosch en specifiek De Tuin der Lusten een speciale betekenis voor hem? De Tuin der Lusten, ook wel De Tuin der Onkuisheid genoemd, is een van de beroemdste werken van Bosch. Onderzoek heeft aangetoond dat het een laat werk is, misschien zelfs zijn laatste. Het drieluik toont achtereenvolgend, te beginnen met het rechterluik, de schepping van de mens in de Tuin van Eden, het aardse paradijs waar de mens tot zonde vervalt, en de hel waar de zondige zielen na hun dood terechtkomen. Met name het middenpaneel spreekt door de bizarre en onwereldlijke details tot de verbeelding. Het toont 275 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 275 een feeeriek landschap met vijvers en potsierlijke torens waarin honderden naakte figuren in een soort orgie verkeren. De talloze minnende, dansende en dartelende figuurtjes zijn zo tekenend voor Bosch dat het werk wel beschouwd wordt als de apotheose van zijn gehele oeuvre. Het is de kroon op zijn werk. Het schilderij bevindt zich nu in het Prado in Madrid, maar kwam oorspronkelijk uit het Escoriaal, met andere woorden: uit de verzameling van Filips II. De eerste vermelding van het schilderij duikt op in een inventaris van kunstwerken die door de Spaanse koning aan het klooster van het Escoriaal waren geschonken. Acht van deze inventarissen, de Entregas genaamd, zijn bewaard gebleven in het archief van het huidige Koninklijk Paleis te Madrid. In de Entrega primera worden maar liefs negen werken van Geronimo Bosqui vermeld. Maar De Tuin der Lusten verschijnt in de Entrega sexta, de zesde inventaris, onder de titel La bariedad del mundo. De datum is 8 juli 1593. Hieruit

blijkt dus dat Filips er rond die tijd in geslaagd is het werk in bezit te krijgen. Maar hoe? Aan deze aantekening in het register gaat een bewogen geschiedenis vooraf. Wat we uit de Entrega sexta kunnen afleiden is dat Filips het schilderij, samen met nog vier andere werken van Bosch, verkreeg door een bod te doen op de publieke verkoop van de inboedel van de in 1591 overleden Don Fernando de Toledo, prior van Castilie van de Orde van Sint-Jan te Malta.96 Deze Don Fernando was niemand minder dan de bastaardzoon van de hertog van Alva! Don Fernando was zijn vader naar de Nederlanden gevolgd. Zijn rol in de bezetting van de Lage Landen is ambivalent: enerzijds lijkt het erop dat hij zich ten koste van de plaatselijke edelen verrijkt heeft, anderzijds probeerde hij de graaf van Egmont ertoe te bewegen niet voor de Bloedraad te verschijnen (een advies dat zoals we weten niet werd opgevolgd). Misschien stond hij een minder repressief beleid voor dan zijn vader. Wat zijn aandeel ook was, dat hij het klaarspeelde om

tijdens het beleg een fikse verzameling schilderijen aan te leggen staat vast. Uit de inventaris van het Escoriaal blijkt dat de zoon van Alva bij zijn vertrek uit de Nederlanden een deel van die verzameling achterliet in Antwerpen. Misschien 276 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 276 was het de bedoeling dat dit deel vanuit Antwerpen naar Spanje werd verscheept, maar door omstandigheden is dit nooit gebeurd. De schilderijen werden gestolen en raakten verspreid. In 1587 kwam de opdracht uit Spanje om deze ontvreemde schilderijen op te sporen. Belast met deze opdracht werd Alexander Farnese, de hertog van Parma. Parma slaagde erin een flink aantal van de werken bijeen te brengen. Maar hoe was Don Fernando eraan gekomen?

Uiteraard beijverde de Don zich in het verzamelen van schilderijen die door de plunderingen en confiscaties van de Bloedraad uit handen van plaatselijke edellieden waren verkregen. Maar deed hij dit op eigen houtje of handelde hij in opdracht van de Spaanse Kroon? Is het denkbaar dat Alva hem met de missie opscheepte omdat hij het zelf te druk had met het opsporen van ketters? Het is in ieder geval gemakkelijk voor te stellen dat Fernando als zoon van de beruchte Alva weinig tegenstand ondervond in zijn speurtocht. Maar als hij in opdracht van Filips handelde, waarom hield hij de schilderijen dan voor zichzelf? De Spaanse koning kreeg de werken pas in handen nadat Don Fernando gestorven was. Zag Don Fernando het belang ervan in of wilde hij zich simpelweg verrijken? Wat was er zo belangrijk aan de schilderijen van Bosch, en aan De Tuin der Lusten in het bijzonder? Een tipje van de sluier wordt opgelicht als we zien waar De Tuin der Lusten vandaan kwam. De Bloedraad van Alva hield nauwgezet bij welke

goederen ze had buitgemaakt en in deze lijst treffen we een werk van Bosch aan als zijnde in beslag genomen van de Nassaus in Brussel. De familie had haar eigen residentie in Brussel, ook wel het Hotel van Nassau genoemd. Nadat het kasteel in Breda van onder tot boven doorzocht was, richtten de Spanjaarden hun aandacht op Brussel. De hoofdpoortwachter, die ervan verdacht werd enkele schilderijen te hebben verborgen, werd gevangengezet en 18 maanden lang over de geheimen van het huis ondervraagd. Ook de kamerheer van Willem werd naar verluidt gemarteld om de verblijfplaats van Bosch werken prijs te geven. Een aantal kostbare schilderijen 277 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 277 werd meegenomen, waaronder een grand tableu de Jeronimus Bosch. Meer details worden er niet gegeven. Aanwijzingen doen echter vermoeden dat het hier om

De Tuin der Lusten gaat. Was het doek dus van de familie van Nassau? Onderzoek toont aan dat dit zeer wel mogelijk is. Het Hotel van Nassau werd voltooid en ingericht door de al genoemde Hendrik III van Nassau, de vader van Rene de Chalon. Al in 1517 maakte een reizende kanunnik gewag van het schilderij, dat hij in de flamboyante residentie van de Nassaus aan de muur zag hangen. Hij noemde het niet bij naam maar de gelijkenis van zijn beschrijving is zo treffend dat het wel om De Tuin der Lusten moet gaan. Begin zestiende eeuw is het dus in bezit van Hendrik van Nassau. Bij zijn dood in 1538 ging zijn bezit over op Rene van Chalon. We hoeven niet te raden wie het schilderij in handen kreeg toen Renep het slagveld van St. Dizier aan de Marne door een Franse kanonskogel getroffen werd. Misschien werpt de volgende conclusie dus licht op de vraag waarom Filips zijn zinnen op het schilderij had gezet: De Tuin der Lusten was van niemand anders dan van Willem van Oranje zelf. Filips was overigens niet de enige die belangstelde in het schilderij. Zijn eigen Granvelle, toen hij nog op de kardinaalszetel zat, bezocht De Tuin der Lusten in het Hotel van Nassau en

nam zijn wevers mee om ze in staat te stellen een wandtapijt te vervaardigen dat was gemodelleerd naar het befaamde drieluik. Toen Alva bij aankomst in de Nederlanden op de hoogte kwam van het bestaan van de wandkleden, probeerde hij onmiddellijk ze voor eigen gebruik te laten namaken. Granvelle was toen allang vertrokken, maar om de een of andere reden trachtten zijn zaakwaarnemers, die in de Nederlanden waren achtergebleven om over zijn vergaarde bezittingen te waken, te voorkomen dat er meer kopieen zouden worden gemaakt. Toen Alva om het origineel vroeg, deden de vertrouwelingen van Granvelle moeilijk. Ze gaven hem te kennen dat het voornaamste schilderij waarnaar de patronen gemaakt waren zich in de collectie van Willem de Zwijger bevond. Ondanks de tegenwerking van Granvelles waarnemers kreeg de hertog zijn zin. 278 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 278 Kort voordat dat de Spaanse koning opdracht had gegeven het drieluik op te sporen, zaten er dus al andere gegadigden achteraan. Samenvattend97 kunnen we zeggen dat het schilderij in 1517 in het bezit was van Hendrik III van Nassau en tot aan 1568 in Brussel bleef, waar het enkele malen gekopieerd werd. Vervolgens werd het door de Bloedraad van Alva verbeurdverklaard en kwam het in handen van Don Fernando de Toledo, die het voor zichzelf hield totdat het na zijn dood in 1591 werd aangekocht door Filips II. Twee jaar later kon de Spaanse koning het voormalige bezit van Willem de Zwijger eindelijk boven zijn bed hangen. Maar was dat alles? Willem had zovel kunstvoorwerpen, die allemaal in beslag werden genomen. Bovendien had de Spaanse koning zelfs Willems zoon, Filips-Willem van OranjeNassau, laten ontvoeren naar Spanje. Filips-Willem

was in 1568 in opdracht van Alva gegrepen en naar Madrid gevoerd. Zogenaamd om hem een katholieke opvoeding te geven, maar in feite om als troef te gebruiken tegen zijn vader. Filips had dus een veel kostbaarder bezit in handen: Willems eigen vlees en bloed. Hij werd later weer vrijgelaten en een deel van het geroofde huisraad werd aan hem teruggegeven. Een tweede inventaris werd opgemaakt in het jaar 1618, na het overlijden van Filips-Willem. Hierop komt het schilderij evenwel niet meer voor. Het grand tableu zat er niet bij. Filips had het achterovergedrukt en in Madrid bewaard. En in Madrid bleef het. Filips II vond het schilderij van Bosch dus een grotere schat dan de volgende Prins van Oranje. Met zijn pleegbroer had het blijkbaar niets te maken. In ieder geval valt het te betwijfelen dat Filips het kunstwerk als een trofee beschouwde, aangezien hij Willems bloedeigen zoon in handen had. Vond de koning het gewoon een mooi schilderij? Daarbij kunnen we ons een andere vraag stellen: waarom was de ultravrome Filips uberhaupt genteresseerd in schilderijen vol frivole duivels en hitsige mannetjes die de verdenking van ketterij over

zich afriepen? Bosch was een gewild schilder in de Spaanse contreien en er zijn geen bewijzen dat de schilder als aanstootgevend werd gezien. Dit 279 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 279 is des te vreemder daar er in Spanje een cultureel isolement was ontstaan dat de invoer van buitenlandse kunstvormen angstvallig onder de loep nam. Erasmus, die net als Bosch zijn kunst gebruikte om klerikale excessen aan de kaak te stellen, werd in Spanje verboden. Maar Bosch niet. Frater Jose de Siguenza, de bibliothecaris van het Escoriaal, schreef in 1605 dat het werk van Bosch volgens hem niet ketters kon zijn omdat de katholieke Filips zijn schilderijen anders niet in zijn buurt zou hebben geduld. En er zijn aanwijzingen dat de werken van Jheronimus Bosch zelfs de muren

van de koninklijke slaapkamer sierden. Maar toch. De Spaanse koning had er alles aan gedaan om De Tuin der Lusten in zijn bezit te krijgen. Het verhaal dat Alva tijdens de hoogtijdagen van de Spaanse furie een speciaal onderzoek gelastte naar de verblijfplaats van het doek is hardnekkig.98 Was er dus nog iets anders aan het schilderij waar de koning belang in stelde? We weten intussen dat Jeroen Bosch als lid van de Zwanenbroeders geheime boodschappen in zijn werk stopte. Hij was op de hoogte van de intieme relatie tussen de Brabantse hertogen, de Bossche broeders en de Duitse Orde. Is het mogelijk dat koning Filips II lucht kreeg van het pact met de Duitse ridders? Vermoedde hij een link tussen Oranje, Bosch en de Duitse Orde, een samenhang die hij misschien nog niet helemaal doorzag? Filips II was zelf gen lid van de Bossche broederschap, net zo min als Karel V dat was.

De familie van Nassau was dat wel. En wat het schilderij betreft: we herinneren ons dat een rondreizende kanunnik De Tuin der Lusten al in 1517 aantrof in de collectie van Hendrik III van Nassau: dat is slechts een jaar na de dood van de schilder! Was Hendrik dan niet alleen de bezitter, maar ook de opdrachtgever van De Tuin der Lusten? Dit bood nieuwe perspectieven. Als Hendrik van het Duitse Huis Nassau, intimus van zowel Karel V als Filips de Schone, behorend tot de haute vole van de Nederlandse adel, het werk eigenhandig had besteld, dan kon de iconografie gevraagd of ongevraagd aanwijzingen bevatten 280 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 280 over de Teutoonse Orde en andere Europese kringen.

Hoe vergezocht ook, Filips was zo geobsedeerd door het werk dat hij zich veel moeite getroostte om het te pakken te krijgen, en dat midden in een oorlog die hem een groot gedeelte van zijn rijk kon kosten. De Aanbidding der Wijzen Een ander voorbeeld van de door Filips begeerde werken is De Aanbidding der Wijzen, dat tegenwoordig in het Prado in Madrid hangt. De Aanbidding der Wijzen was in het bezit van Jan of Jehan de Casembroot. Casembroot was de secretaris van de graaf van Egmont. Hij werd in 1525 geboren te Brugge. Zijn vader was burgemeester van die stad, en zijn moeder was Wilhelmina van Bronckhorst. De opdrachtgevers van het drieluik zijn bekend: het is het echtpaar Van Bronckhorst Van Bosschuysen; ze zijn afgebeeld op de binnenkant van de twee zijluiken. Het betreft hier dus zeer waarschijnlijk de grootouders van Jan de Casembroot aan zijn moeders zijde. De familie Van Bronckhorst was overigens lid van het Lieve Vrouwe Broederschap in Den Bosch.

Casembroot viel ten prooi aan de Bloedraad: op 14 september 1568 werd hij onthoofd. De secretaris had deelgenomen aan de samenzwering tegen de Spaanse Kroon door het Verbond der Edelen, waartoe ook Egmont, Brederode en Lodewijk van Nassau behoorden. Het schilderij werd in beslag genomen door Alva en naar Spanje gebracht. Wat was er zo interessant aan de Aanbidding? Het drieluik toont in principe het bezoek van de drie koningen aan het kindje Jezus. De meeste aandacht gaat echter uit naar een raadselachtige figuur die achter de drie koningen in de deuropening van de stal verschijnt. Volgens Wilhelm Fraenger, de Duitse kunsthistoricus die ervan overtuigd was dat Bosch deel uitmaakte van een ketterse sekte, ging het om een magister. Hij noemde dit personage de Vierde Koning. Anderen zien in de figuur koning Herodes die met zijn spionnen naar de geboren Messias speurt. 281 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 281 De demonische afbeeldingen op zijn tuniek zouden er zelfs op wijzen dat het de antichrist betreft. Bijzondere aandacht ging uit naar het hoofddeksel van de Vierde Koning. Hezenmans spreekt van een krijgshoofd met langen fijnen baard die een tulband op het hoofd draagt, welke van boven in een soort van helm uitloopt. Een andere kunstbeschouwer spreekt over een naakte wilde met een vogelnestachtig hoofddeksel. Maar wat niemand schijnt te hebben opgemerkt is dat de tulband in feite een doornenkroon is, en dat hij bovenop toeloopt in een lelie. Een lelie tussen de dorens dus! Een lid van de Lieve Vrouwe Broederschap, neergezet als een verraderlijke Herodes? In zijn linkerhand houdt hij een vreemd voorwerp, een kroon of een tulband, waarop demonen een reiger wurgen. De reiger was een bekend symbool voor Christus. In een donkere opening

van de stal, vrijwel onzichtbaar, zit opnieuw een uil toe te kijken. Op een kopie is de doornenkroon met de lelie overigens vervangen door een ronde hoed. Opnieuw een mysterie dus. Wat probeert Bosch ons hier te zeggen? Welke rol speelt de vierde koning en wat heeft hij met de aanbidding van het kindje Jezus te maken? Zijn de drie koningen Europese grootmachten en is Jezus de buit, het christendom? Het is niet ondenkbaar dat Filips II voor het eerst in aanraking kwam met de Zwanenbroeders en het gedachtegoed van Bosch toen hij op 23 september 1549 de mis bijwoonde in de Sint-Janskathedraal van s-Hertogenbosch. De Tuin der Lusten heeft een tijdlang in de Sint-Jan gehangen, en Filips zou het daar gezien kunnen hebben, maar zeker is dit niet: waarschijnlijk was het in 1549 al in het bezit van Hendrik van Nassau, waar een kanunnik het immers al in 1517 had gezien. Mogelijk werd het schilderij pas

met terugwerkende kracht van belang, en wel op het ogenblik dat de Prins van Oranje zich met de Bossche broeders ging inlaten. Willem van Oranje bezocht in 1556 en in 1562 de stad Den Bosch, en het zou kunnen dat hij in 1562 het lidmaatschap van de Zwanenbroeders kreeg aangeboden. Een van zijn secretarissen, 282 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 282 de Bosschenaar Nicolaas van der Stegen, zelf lid van de Lieve Vrouwe Broederschap, was bij die gelegenheid ook aanwezig. Mogelijk werd Willem al in 1556 lid, maar in 1562 zou een lidmaatschap van de Zwanenbroeders, die zo veel contacten hadden in de Duitse en Kleefse gebieden, stukken interessanter zijn geweest. We herinneren ons dat Willem in datzelfde jaar druk doende was Duitse steun te verwerven. En we hebben gezien dat de familie van Willems eerste

vrouw, Anna van Buren, al jarenlang lid was. Nicolaas van der Stegen bewoonde overigens het pand Parva Domus in Vught, op het terrein van Zionsburg! Het pand, waarop we nog zullen terugkomen, werd in die tijd dan ook Prince van Oranien genoemd. Maar er was meer aan de hand, en het bezoek van Willem aan Den Bosch brengt ons bij een andere interessante figuur in het broeiende conflict tussen hem en Filips. Bisschop Sonnius, de spion van Filips De kleine, corpulente Sonnius, van oudsher inquisiteur in dienst van de paus, werd als Frans van de Velde geboren in het Brabantse Son (vandaar Sonnius) en was in 1561 door Granvelle juist tot bisschop gewijd. Het was zijn idee geweest om bij elk bisdom twee inquisiteurs aan te stellen om toezicht te houden op de godsdienstige gezindheid van de bevolking. Ook was hij betrokken geweest bij het plan van Filips om in de Lage Landen 14 bisdommen op te richten. Een van die bisdommen was s-Hertogenbosch, en het was dit nieuwe bisdom waarover Sonnius de scepter mocht gaan zwaaien. De bisschop werd van meet af aan

gewantrouwd. De Bossche clerici die gewend waren hun eigen boontjes te doppen, zagen hem liever gaan dan komen en aanvaardden de pauselijke indringer onder protest. Op 16 november 1562 verbleef Sonnius bij de kartuizers in Vught alvorens zich twee dagen later met lauwe egards in Den Bosch te laten huldigen. Toeschouwers keerden zich nadrukkelijk van hem af toen hij in processie naar de kathedraal wandelde. Op zich is een dergelijke ontvangst van een pauselijk gezant in het katholieke bastion Den Bosch al opmerkelijk. Nor283 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 283 maal gesproken is het voor een stad een grote eer om tot bisdom te worden benoemd; de Sint-Janskerk mocht vanaf dat moment een kathedraal worden genoemd. Maar in Den Bosch was niemand gelukkig. De Bossche afkerigheid wordt wel geweten aan

kleinsteeds anarchisme en een antiklerikale houding in het algemeen,99 maar in andere steden waar hetzelfde gebeurde, stuitten de nieuwe bisschoppen op lang niet zo veel verzet. Het lijkt wel of de Bosschenaren een speciale reden hadden om Sonnius te wantrouwen. Eenmaal op zijn zetel werd hij voortdurend tegengewerkt; besluiten werden achter zijn rug om genomen. Van alle tegenwerking was het uitgerekend zijn eigen kapittel dat hem de grootste hoofdbrekens bezorgde. Het Bossche kapittel was in 1366 gesticht door Luikse bisschop Jan van Arkel, en bezat twee eeuwen lang het gelukkige (en verbazingwekkende) privilege niet onderhorig te zijn aan Rome. De kanunniken waren baas in eigen huis en bezaten een voor die tijd ongehoorde autonomie. Juist dit kapittel keerde zich nadrukkelijk tegen Sonnius. De meest frappante actie betreft echter de Lieve Vrouwe Broederschap. Behalve de kanunniken waren het met name de Zwanenbroeders die in het verweer kwamen. Hoewel de bisschop plaats mocht nemen aan

de zwanenmaaltijd, was zijn lidmaatschap niet van harte. De broeders hadden met de hen kenmerkende anticipatie al vor de komst van de bisschop geprobeerd hem buiten spel te zetten. Blijkbaar was het ook nu weer van cruciaal belang dat de broederschap haar gebruiken en vrijheden ongezien en ongecontroleerd voort kon zetten. Het is opvallend dat de Bosschenaren zich pas bij zijn bestuur neerlegden toen de hertog van Alva de Nederlanden met harde hand kwam bezetten. De Zwanenbroeders bleven hem echter om de tuin leiden. Het ging daarbij duidelijk om meer dan alleen de roomse bemoeienis. Latere bisschoppen, zoals Metsius en Crabeels, kregen een veel warmer onthaal. Na 1588 verliep de samenwerking met achtereenvolgende Bossche bisschoppen vlekkeloos. Er was iets met Sonnius wat verder ging dan de teloorgang van klerikale privileges. Later zou Marnix van St. Aldegonde, vriend en pleitbezorger van Willem, zijn hekeldicht de Bijenkorf aan Sonnius opdra284

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 284 gen. Om met hem te spotten, maar wellicht ook om hem te laten weten dat hij en Willem van zijn ware bedoelingen op de hoogte waren. Het was typisch iets voor Marnix om de katholieke vijand op die wijze uit te dagen: Marnix was een van de mogelijke dichters van het Wilhelmus. Maar waarvan waren Marnix en Willem dan op de hoogte? Het wantrouwen van de Bosschenaren kan te maken hebben met de nauwe band die de bisschop met de Spaanse koning onderhield. Het was Sonnius die door Filips naar de paus werd gestuurd om het idee van de 14 bisdommen door te drukken. Met dit plan wilde Filips niet alleen de teugels aantrekken in de Nederlanden, het was ook een poging om de invloed

van Oranje in de Brabantse gebieden te verkleinen. Van Dijck100 noemt Sonnius een pion van de kerkelijke politiek van Filips II. Sonnius. Was hij het die Spanje informatie verschafte over de contacten tussen Willem en de Zwanenbroeders? Was hij op 20 juni 1562 aanwezig bij het bezoek van Willem aan de stad? Zijn afwezigheid lijkt nauwelijks voorstelbaar. Voortbordurend op het belang van de Duitse steun zou onze hypothese dan zijn dat Filips II, de Spaanse koning, op de hoogte was van Willems pogingen om hulp te krijgen van Duitse vorstenhuizen vorstenhuizen die in de Lieve Vrouwe Broederschap nagenoeg oververtegenwoordigd waren. Willem kende de broederschap via zijn eerste vrouw, via Brederode en via zijn secretaris Nicolaas van der Stegen. Willems eigen voorvaderen werden trouwens al vanaf 1486 als contribuant ingeschreven. Als lid van de invloedrijke Zwanenbroeders, die in heel Europa en specifiek in Duitsland hun vertegenwoordigers hadden, zou het voor de Prins van Oranje niet moeilijk zijn geweest om uit de ellenlange ledenlijst te putten. Bovendien kon hij middels de Zwanenbroeders bogen op het Pact van

Woeringen, dat in feite aan de wieg stond van de broederschap. De broederschap kan, met een vooruitziende blik, haar zinnen hebben gezet op het lidmaatschap van de gereformeerde staatsen en op Oranje in het bijzonder. Dit verklaart dan de smeekbede uit 1562 waarin Willem, ons mede swaenbroeder, 285 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 285 om de schenking van zes zwanen wordt verzocht. Is er, door bemiddeling van bijvoorbeeld Van der Stegen, een overeenkomst gesloten tussen Willem en de Zwanenbroeders? Deze overeenkomst zou Oranje toegang verlenen tot invloedrijke vorstenhuizen en andere Duitse geldschieters (De Duitse Orde!) en bovendien het voortbestaan van de Lieve Vrouwe Broederschap verzekeren in het geval dat de staatse troepen in hun opzet zouden slagen. Probeerde de

bankroete Filips te voorkomen dat Oranje door de Duitse Orde werd gefinancierd? Hoewel wij geen sluitende bewijzen hebben gevonden voor de Teutoonse betrokkenheid zou Filips, die heel goed wist dat Willem in Duitsland op zoek was naar geldschieters, een dergelijke afspraak hebben kunnen vrezen. Door zijn prive-bisschop Sonnius naar Den Bosch te sturen had hij een spion in het hol van de leeuw: een informant die hem grondig op de hoogte hield van de verrichtingen van de Broederschap. Dit verklaart in elk geval waarom Sonnius door de broeders werd gewantrouwd en tegengewerkt. Filips deed er alles aan de intieme bewegingen van de Zwanenbroeders en hun geheime pacten te achterhalen. Hij waarschuwde de Duitsers zich niet met Oranje in te laten. Op aanraden van Granvelle zette hij zijn spion Sonnius op de bisschopszetel. En hij stuurde zijn belangrijkste veldheren eropuit om de schilderijen van Bosch, lid van de Zwanenbroeders, in handen te krijgen. Hoe dan ook, de Zwanenbroeders kregen wat ze wilden. Toen Den Bosch in 1629 eindelijk door de staatse troepen werd ingenomen en alle katholieke instanties door de

gereformeerden werden verboden, was er maar en instituut dat deze omwenteling overleefde: de Lieve Vrouwe Broederschap. Het Pact van Woeringen? De these luidt dus min of meer als volgt: Willem verkocht aandelen van de te stichten Republiek der Verenigde Nederlanden om zo de opstand te financieren. De Duitsers boden zich aan als aandeel286 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 286 houders: ze wilden invloed in de nieuwe Republiek, net als ze dat wilden in de tijd van de eerste hertogen. Het geheime pact stelde Duitsland in staat om misschien niet openlijk, maar dan toch via de adel steun aan Oranje te geven. Maar Willem bedacht zich: hij sloot een pact met de Fransen, en nt met de Duitsers. Dit feit joeg de

potentiele bondgenoten tegen hem in het harnas. In 1574, net na de dood van zijn broer Lodewijk, schijnt Willem nog even geaarzeld te hebben. Hij liet zijn broer Jan weten de Nederlandse gewesten alsnog onder Duitse bescherming te willen brengen, en zelfs een liga met de Hanze te willen sluiten. Maar dit is er niet van gekomen. Oranje ging in zee met de Fransen. Toch bleven velen de voorkeur geven aan Duitse steun boven die van de Fransen. Holland en Zeeland drongen erop aan steun te vragen aan de calvinistische paltsgraaf Casimir. Op 7 mei 1578 pleitte Marnix op de Rijksdag te Worms nog eens voor hulp van het Duitse Rijk. Een eigenaardige brief uit 1577 was die van Gerard Prouninck van Deventer aan Willem van Oranje. Hij schreef vanuit Nieuw-Herlaar bij Vught om te berichten dat de Duitse soldaten uit Breda (die Willem blijkbaar besteld heeft) in Nederweert waren aangekomen en vroeg hem of hij de betaling moest aanhouden.

Uit deze brief zou blijken dat er op bevel van Oranje of een van zijn vrienden toch Duitse steun is ingeroepen, maar dat Willem rond deze tijd besloot de hulp af te zeggen. De Duitse alliantie die Filips vreesde vond nooit doorgang, tenminste niet tijdens zijn leven. Willem koos voor Frankrijk. In 1578 gaf hertog Frans van Anjou, broer van de Franse koning, uit eigenbelang steun aan de staatsen: 10.000 man voetvolk en 3000 ruiters voor drie maanden. Willem moest het voorstel aannemen om te voorkomen dat hij zijn vijand werd. Hij sloot liever een pact met deze onbetrouwbare hertog dan met de grillige Duitsers. Als je een tijger tegenkwam was het beter op zijn rug te springen dan je te laten verslinden. En wie de tijger berijdt kan niet afstappen. Willem haalde Anjou niet in huis omdat hij in het 287 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 287

Franse huis van Valois een waardevolle bondgenoot vond, maar juist omdat hij in hem een potentiele vijand zag die in samenwerking met Spanje een onverslaanbare tegenstander zou worden. Hij maakte hem tot een vriend om te voorkomen dat hij een vijand werd. Maar met deze zet maakte hij nieuwe vijanden. Graaf Johan van Nassau, de laatste nog levende broer van Willem, schijnt hem in deze tijd te hebben gewaarschuwd voor zijn anti-Duitse diplomatie. Toen Marnix van St Aldegonde op de al vermelde Rijksdag om Duitse militaire steun verzocht, stuitte hij op louter ergernis: de Prins van Oranje had zich de woede van de Duitsers op de hals gehaald met zijn Franse koers. Tussen 1580 en 1583 waren er in Duitsland meermalen dreigende protesten tegen de weg die Oranje met Anjou was ingeslagen. Willem maakte het er niet beter op toen hij de Duitse Aartshertog Matthias passeerde voor Anjou. Door Frankrijk uit te nodigen binnen de landsgrenzen van de Republiek sloot hij niet alleen de deur voor de Duitse belangen in de Nederlandse

economie en de waterwegen, maar hij bracht de Fransen zo wel heel dicht bij de Duitse grens. Dat maakte de Duitsers erg nerveus. Zij wisten beter dan Willem dat Frankrijk zich niet tevreden zou stellen met een klein aandeel in de winst; het zou het begin zijn van een agressieve annexatiepolitiek zoals de Spanjaarden die daarvoor hadden gevoerd. Duitsland had misschien niet al te veel te winnen bij een verdrag met de Nederlanden, maar het had zeker veel te verliezen bij een Hollands akkoord met de Fransen. Met Anjou had Oranje een sluwe en gretige wolf binnengelaten. Broer Jan, die de meningen van Duitse edelen en gewesten beter kon peilen dan Willem, trachtte hem keer op keer te waarschuwen: de Duitsers waren niet blij. En wat ook niet onbelangrijk was: het verdrag met Frankrijk kostte hem het vertrouwen van het volk. Maar Willem kon niet meer terug. De koers was gezet, maar de opvarenden verlieten als ratten het schip; tegen het einde van zijn leven was Willem van Nassau de enige die nog op het voordek naar de gezichtseinder tuurde. Alle anderen zijn vrienden, zijn bondgenoten, de staatsen en niet in de laatste plaats het 288

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 288 volk hadden hem verlaten. Hij had meer vijanden dan ooit tevoren. Hoe kwaad zijn vijanden precies waren zullen we nu zien. Balthazar Gerards, de Lee Harvey Oswald van de Lage Landen Er was al eerder sprake van een moordcomplot tegen Willem. Filips, zijn pleegbroer, had een prijs van 25.000 kronen op zijn hoofd gezet. Daarvoor waren aanslagen beraamd die op niets uitliepen. Het betreft incidenten en geruchten waarbij potentiele moordenaars opschepten over hun plannen of schoten die werden gelost op koetsen waar de Prins niet eens in bleek te zitten. Andere huurmoordenaars lieten zich op voorhand bekostigen en poetsten vervolgens de plaat. De eerste serieuze aanslag vond plaats op 18 maart 1582. Ene Jean Jaureguy, een Spanjaard uit Biskaye, liet zich evenzeer leiden door de hoge beloning

als door zijn religieuze overtuiging. Hij liet zich door een Portugese koopman, Gasper Anastro, overhalen om de moord te plegen. Blijkbaar was Jaureguy op het eerste gezicht al zon prutser dat men besloot hem schietlessen te geven. Het mocht niet baten: toen de schutter de Prins in Antwerpen eindelijk in het vizier kreeg, bleek hij het pistool zo zwaar geladen te hebben dat het in zijn eigen gezicht ontplofte. Willem raakte weliswaar zwaar gewond maar overleefde de aanslag. In eerste instantie verdacht men de Fransen; de aanwezige Franse edellieden, beweerde men, hadden Jaureguy zo snel met hun hellebaarden doorstoken dat het niet anders kon of ze wilden hem het zwijgen opleggen voordat hij zijn opdrachtgevers kon noemen. Toch wezen de talloze papieren op het lichaam van Jaureguy op een Spaanse betrokkenheid. Overigens wekte dit feit al wantrouwen op: was Jaureguy echt zo onnozel of had men de papieren die aan duidelijkheid werkelijk niets te wensen overlieten op zijn lichaam geplant om de Spanjaarden verdacht te maken?

Maar het was uiteindelijk niet deze Baskische huurling die de 289 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 289 moordenaar van de Prins van Oranje zou worden. Die dubieuze eer ging naar iemand anders. Balthazar Gerards. In Nederland is zijn naam zo ongeveer synoniem aan moordenaar. Hij is de Lee Harvey Oswald van Nederland, en het enige wat de Nederlanders over hem weten en willen weten is dat hij de moordenaar is van Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands. De schok van die politieke moord werd pas geevenaard door die op Pim Fortuyn in 2002. Het is dan misschien ook niet verwonderlijk dat de twee politici, Willem van Nassau en Pim Fortuyn, op een onlangs gehouden

verkiezing van de Grootste Nederlander aller tijden respectievelijk de eerste en tweede plaats innamen. In beide gevallen werden de slachtoffers verheerlijkt en hun moordenaars doodgezwegen. In beide gevallen werden de politici vanuit een hinderlaag doodgeschoten en als gevolg daarvan werden de moordenaars tot verachtelijke en lafhartige individuen bestempeld. Maar wat niet veel mensen weten is dat Balthazar Gerards in zijn geboorteplaats Vuillafans juist een heldenrol krijgt toebedeeld. In het Franse dorpje is een straat naar hem genoemd, en desgevraagd weten de dorpelingen over hem te vertellen dat Balthasar Gerard een martelaar was die in Nederland een of andere graaf ombracht en als gevolg daarvan de heiligendood stierf.101 Op een schilderij uit de zestiende eeuw in het museum Sarret de Grozon in Arbois wordt hij afgebeeld als een overwinnaar: Gerards staat zegevierend op het stuiptrekkende lijk van Oranje terwijl Hemelse Machten hem een lauwerkrans op het hoofd planten. Net als bij de moord op Kennedy is ook Balthazar Gerards het onderwerp van talloze

samenzweringstheorieen. Is men het er min of meer over eens dat Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn, een labiele eenling was, Balthazar Gerards wordt tot op de dag van vandaag omgeven door complottheorieen: werkte de 27-jarige leerlingkastenmaker alleen of maakte hij deel uit van een omslachtig complot waarin Spanjaarden en Portugezen, dan weer Fransen of zelfs naaste bondgenoten een rol spelen? Dat hij de fatale schoten loste wordt niet betwist, maar deed hij dit op eigen houtje of werd hij er door anderen toe aangezet? Sappige 290 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 290 omstandigheden ten tijde van de moord maken de complotgedachten tot een verleidelijke bezigheid. Gerards werd, net als Oswald, in het geheim verhoord. Zijn bekentenis werd onder martelingen afgedwongen en er zijn hem mogelijk woorden in de mond gelegd.

Details over de bekentenis varieren en het is moeilijk te zeggen wat de moordenaar zelf gezegd heeft, wat er is verzwegen en wat er bij monde van zijn ondervragers aan de bekentenis is toegevoegd. Meteen na de moord doen tekenaars en geschiedschrijvers hun uiterste best om met een officieel opgepoetst verhaal naar buiten te komen. Daarnaast doen zich in de commotie allerlei gebeurtenissen voor die tot op heden onverklaard blijven. Een bode uit Orange hoorde van de moord en ging er spoorslags vandoor. Hij sprong over de stadsmuur en zijn gespetter in de slotgracht maakte zoveel kabaal dat hij werd opgepakt, op een boerenkar terug de stad in gereden en ondervraagd. Deze raadselachtige actie is nooit verklaard en de bode is spoorloos uit de kronieken verdwenen. Wie was hij? Waarom probeerde hij zo wanhopig te ontkomen? Wist hij iets? We weten het niet. Later zou blijken dat Balthazar precies op die manier uit de stad had willen vluchten: was er een handlanger in het spel? Apocalyptische gebeurtenissen omwolkten de moord: toen de dan nog katholieke Bosschenaren een kerkmis

organiseerden om God voor de moord op de ketterse Willem te danken, sloeg prompt de bliksem in en brandde de houten middentoren van de Sint-Jan volledig af. Vier dagen na de moord werd Balthazar Gerards in het openbaar gevierendeeld. Balthazar groeide op in een streng katholiek gezin dat leed onder de Reformatie, en dat de Prins van Oranje in toenemende mate verantwoordelijk stelde voor dat leed. Toen hij het later gemunt had op de Prins, meende hij dan ook volledig in zijn recht te staan, een overtuiging die nog versterkt werd door het uitspreken van de vogelvrijverklaring die van Oranje een gewettigd doelwit maakte. Bij het opbiechten van zijn plannen aan priesters en medestanders kreeg hij te horen dat zijn daad hem zou verlossen van alle zonden 291 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 291 en dat hem een plaatsje in Hemelse regionen verzekerd zou zijn. De Spaanse koning stelde daarnaast ook nog eens 25.000 kronen in het vooruitzicht.102 Na lange tijd met zijn plannen geleurd te hebben, wist hij in juli 1584 eindelijk op schootsafstand van de Prins te komen. Kort gezegd gebeurde er het volgende: in het voorjaar wist hij zich onder een valse identiteit naar binnen te praten in Willems residentie te Delft, het Prinsenhof. Hij beweerde dat zijn naam Francois Guyon was, dat zijn vader door de katholieken was vermoord en dat hij de leider van de protestanten wilde dienen. Willem mocht hem wel, maar wist niet direct een geschikt baantje voor hem te bedenken. Daarom stuurde hij hem naar Anjou in Frankrijk. Balthazar reisde naar de Franse grens, zichzelf waarschijnlijk vervloekend dat hij zon grote kans had laten schieten, maar keerde terug naar Delft toen hij hoorde dat de hertog van Anjou intussen aan tyfus was gestorven. Hij werd wederom toegelaten tot het Prinsenhof en

scharrelde daar een paar dagen rond; toen Willem hem vroeg waarom hij niet in Frankrijk gebleven was, antwoordde hij dat hij geen sou op zak had en dat hij er bijliep als een bedelaar. Ironisch genoeg was het dus Willem zelf die Balthazar de twaalf kronen gaf waarmee hij nog dezelfde middag twee pistolen kocht. Op 10 juli, na een maaltijd in het Prinsenhof waarbij zijn directe familie en de burgemeester van Leeuwarden aanwezig waren, had Willem van Oranje nog enkele gesprekken met officieren en verliet toen de eetzaal. Toen hij de trap beklom naar zijn spreekkamer sprong Balthazar tevoorschijn. De drie afgevuurde kogels doorschoten zijn maag en longen en boorden zich in de witgekalkte muur daarachter tot op de dag van vandaag zijn de veronderstelde kogelgaten daar te zien. Willems laatste woorden waren: Heere Godt weest mijn siele, ende dit arme volck ghenadich, of eigenlijk: Mon Dieu ayez pitie de moi et de ce pauvre peuple... Balthazar Gerards sloeg op de vlucht en werd na een schermutseling gegrepen. De rest is bekend. Werkte Balthazar alleen of in opdracht van

iemand anders? Het lijkt er, gezien de armoedige staat waarin hij te Delft arriveerde, 292 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 292 niet op dat er iemand anders in het spel is geweest; welke opdrachtgever zou hem op pad sturen zonder een stuiver op zak, en zonder hem van wapens te voorzien? Een vurig katholiek als Balthazar met 25.000 kronen in het vooruitzicht had bovendien geen extra instigatie nodig. Daarbij liep hij zijn moorddadige plannen al jaren aan te kondigen: hij was geobsedeerd door zijn missie en had een groot deel van zijn leven naar de aanslag toegewerkt. Toch noemt hij tijdens de vier verhoren als we tenminste zijn ondervragers mogen geloven enkele personen die hem bij de moord geholpen zouden hebben, of die er in ieder geval van op de hoogte waren. Meteen na de moord werd hij opgesloten in de portierswoning van het Prinsenhof en

daar schreef hij eigenhandig zijn bekentenis. Hij opent met de volgende woorden: Ik, Balthazar Gerard uit Willafans [sic] in Bourgondie, laat weten aan allen dat ik al sedert zes jaar en evenzo sedert de tijd dat de vrede van Gent verbroken en geschonden werd door Willem van Nassau, prins van Oranje, het plan heb gehad deze Nassau te doden en uit de weg te ruimen omdat het mij voorkwam dat, zolang hij zou leven, hij opstandig zou blijven tegen de katholieke koning, onze heer, en alle moeite zou doen langs alle ongeoorloofde wegen de toestand in de katholieke en apostolische kerk, genaamd de Roomse, te vertroebelen, gelijk deze Nassau heeft gedaan en volgehouden tot op heden, waardoor hij oneindig veel kwaad veroorzaakte zowel in het godsdienstig als in het maatschappelijk leven in deze provincies van de Lage Landen.103 Verder zegt hij: Ten bewijze dat ik dit plan had toonde ik het toen ik in Dole was in het huis van Jehan Villaux, ongeveer zes jaar geleden, doordat ik een dolk, die ik in mijn hand

had, met alle kracht in de deur stak met de woorden: Ik zou willen, dat die stoot in het hart van de prins van Oranje zou zijn gegeven. Vervolgens beschreef hij nauwgezet hoe hij tot de moord gekomen was, hoe hij stap voor stap naar de grote dag had toegewerkt, hoe hij zelfs bij de graaf van Mansfeldt in dienst trad om aanbevelingsbrieven te bemachtigen. Hij noemde de hertog van Parma als iemand die hij van tevoren op de hoogte bracht (we kennen de 293 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 293 hertog van Parma nog als Alexander Farnese, de landvoogd die belast werd met het opsporen van de schilderijen van Jeroen Bosch) en ook beweerde hij te biecht te zijn gegaan bij een jezut in Trier om zijn gewetensbezwaren te sussen.

Verder beweerde Balthazar dat hij al drie jaar op de hoogte was van de ban die koning Filips over Oranje had uitgesproken. Bij nadere ondervraging bleek echter dat de vogelvrijverklaring pas in februari 1584 in zijn bezit was gekomen, dus vijf maanden voor de moord. De schrijver Renon de France beweert dat hij de ban al in 1582 onder ogen kreeg en dat hij zijn plannen toen besprak met de zoon van de graaf van Mansfeldt. Deze zag overigens helemaal niets in het plan en dacht waarschijnlijk dat Balthazar een grote opschepper was. Toch ondersteunen de meeste bronnen op het eerste gezicht de Spaanse connectie. In de Historia del mundo en la reynado del rey D. Phelipe II uit 1606 schraagt de Spaanse historicus Herrera de betrokkenheid van zowel Parma als Mansfeldt. Wij herhalen hier een citaat uit het werk van Nanne Bosma: ...de hertog van Parma zocht naar een manier om [Willem van Oranje] uit de wereld te helpen, opdat hij zijn gerechte straf zou ontvangen. Te dien einde stuurde hij er verscheidenen op uit, die zich bij hem waren komen aanbieden en onder hen Balthazar Gerards, een

Bourgondier afkomstig uit Vuillafans, secretaris van de graaf van Mansfeldt, een jongeman van 26 jaar; en hoewel hij er veel minder van verwachtte dan van anderen, gaf hij hem, op advies van de heer van Hautepenne en van Mansfeldt, de goedkeuring en de hulp die hij ook anderen had gegeven. (...) Deze jongeman dus, ontwikkeld, welbespraakt en in zijn handelingen opvallend voorzichtig en handig, ontving van de hertog van Parma de dingen die hij nodig had en ging naar Holland, naar de stad Delft, waar de prins van Oranje verbleef, onder het voorwendsel dat hij brieven had van de koningin-moeder en bericht over de dood van de hertog van Alencon (Anjou), haar zoon, die toen gestorven was. Wat opvalt aan dit citaat is dat het op een aantal cruciale punten in tegenspraak is met Gerards eigen bewering dat hij alleen werkte, zich heimelijk uit het gevolg van Mansfeldt had losge294 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 294 maakt en volledig berooid in Delft was gearriveerd. Dit kan er natuurlijk op wijzen dat de moordenaar zijn opdrachtgevers wilde beschermen, maar daar slaagt hij dan ten dele in, daar hij wel vermeldt dat de voornoemde Parma en de zoon van Mansfeldt op de hoogte waren. Waarom zou hij bovendien de medeplichtigheid willen ontkennen van lieden die zo openlijk de ban over Oranje hadden uitgesproken? Het voorgaande sluit wel zeer nadrukkelijk aan bij de officiele lezing zoals die al kort na de moord naar buiten werd gebracht: een lezing waarbij dankbaar gebruik werd gemaakt van de Spaanse ban. Zelfs Balthazar schijnt niet helemaal duidelijk te willen zijn over de rol die de ban bij zijn beslissingsproces heeft gespeeld. Bij het lezen van de bekentenis krijgen we de indruk dat de vogelvrijverklaring er aan de haren is bijgesleept om de Spaanse betrokkenheid aannemelijk te maken. De bewuste bekentenis kwam pas na de

terechtstelling van Balthazar naar buiten en diende toen als basismateriaal voor een door de Staten-Generaal verspreid pamflet, met andere woorden: het diende ter rechtvaardiging van de officiele lezing. Opmerkelijk is dat het stuk daarna spoorloos verdween. Pas in de negentiende eeuw dook het weer op, en dan nog alleen als een kopie van een kopie. Verklaard werd dat het een kopie betrof die volgens een resolutie van de Staten van Holland op 24 juli 1584 in het stadhuis van Delft bewaard moest blijven. Deze kopie zou bij een brand in 1618 door onbekenden gestolen zijn en in particuliere handen overgegaan. Dit vreemde verhaal pleit niet voor de geloofwaardigheid van de bekentenis, ondanks de aannemelijke biografische passages in het stuk. Kort na de terechtstelling verscheen er nog een aantal andere pamfletten. Het eerste is vreemd genoeg uit katholieke hoek afkomstig en roemt Balthazar al meteen als martelaar. Het tweede pamflet bevat de officiele lezing, uitgevaardigd door de Staten. Dit werk geeft in grote lijnen de bekentenis weer maar zwijgt over het schokkend ontoereikende optreden van de prinselijke

lijfwachten. 295 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 295 Het geautoriseerde verhaal rakelde de toedracht nog eens in kleuren en geuren op: de fanatieke eenzaat die zich op verraderlijke wijze Willems vertrouwen won en van diens befaamde gastvrijheid gebruikmaakte om zich toegang te verschaffen tot de prive-vertrekken van de Prins (waar hij, voegen wij eraan toe, op zijn gemak de boel verkende, de vluchtwegen in kaart bracht en zich vertrouwd maakte met de routine aan het hof). Opvallend in dit door de geschiedenisboeken geaccepteerde relaas zijn sommige details. Bijvoorbeeld dat het eerste pistool dat hij kocht het eigendom was van ene Rene Moerwit, een soldaat uit Orlens. Moerwit voelde zich na de moord zo schuldig dat hij zichzelf van het leven beroofde. Beweerd wordt echter

dat Balthazar het wapen eerst probeerde en dat hij, toen dit weigerde, alsnog twee pistolen kocht van een andere lijfwacht, sergeant de la Forest uit de compagnie van kapitein Caulier. Bij het verhoor verklaarde Balthazar dat hij zich niet meer kon herinneren waar hij het kruit en de kogels op de kop had getikt, hetgeen zijn ondervragers blijkbaar geloofwaardig vonden. Helemaal verbijsterend is zijn bewering dat hij een lijfwacht vroeg om de kogels voor hem te splijten, wat betekende dat ze zodanig bewerkt en gevijld werden dat ze voor gemene wonden zorgden die snel infecteerden. Ofschoon op dit punt de medewerking werd ontzegd, is het toch behoorlijk zot dat niemand op het idee kwam om alarm te slaan of op zijn minst enige vragen te stellen. Was Willem van Oranje omgeven door incapabele malloten of duiden deze kleine vriendendiensten er toch op dat zijn moordenaar van binnenuit hulp heeft gehad? Een ander ontstellend incident verhaalt hoe Balthazar, die na zijn terugkeer uit Frankrijk een uiltje wil knappen op de bank van het wachtlokaal, door een bediende

gevraagd wordt of hij meteen mee wil komen. Balthazar legt achteloos zijn koppelriem af, en daarmee de wapens waarmee hij in het Prinsenhof blijkbaar vrolijk mag rondstappen. De bediende neemt hem mee naar het slaapvertrek van de Prins, waar de wel zeer nave aanvoerder van de Nederlandse rebellen hem uithoort over de dood van Anjou. Over de beroemde laatste woorden van Oranje (Heere Godt weest mijn siele...) weet onderzoeker Nanne Bosma nog te zeggen 296 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 296 dat er maar drie mensen zijn geweest die dicht genoeg bij de Prins waren om zijn woorden te horen (stalmeester Jacob van Malderen, de burgemeester van Leeuwarden en Balthazar Gerards zelf) en geen van hen repte met een woord over deze volzin. Waarschijnlijk zei hij helemaal niets, hoewel persvoorlichter De Villiers

in de protestantse lezing opmerkt dat de Prins gezegd zou hebben dat hij seer gequetst was. Na de moordaanslag ten slotte, nadat Balthazar tevergeefs heeft geprobeerd het hazenpad te kiezen, vindt er nog een potsierlijk gesprekje plaats. Een van de dienaren beschuldigt Balthazar ervan eenen snooden schelm te zijn. Waarop Balthazar antwoordt helemaal geen snooden schelm te zijn, omdat hij slechts gedaan heeft wat zijn koning hem had opgedragen. Welke koning, vraagt de dienaar. De koning van Spanje, antwoordt Balthazar. Zo wordt elke twijfel over wie achter de terroristische aanslag zit, vakkundig de grond ingeboord. Vatten we dus samen: ondanks het feit dat de Prins van Oranje eerder het slachtoffer is geweest van een aanslag en in het gedoemde jaar 1584 zo ongeveer iedereen de doodswens over hem heeft uitgesproken, wandelt de berooide Balthazar (over wie een ieder het

eens was dat hij eruitzag als een onguur en armetierig sujet) doodleuk het Prinsenhof binnen en staat in een oogwenk voor de Prins. Hij hangt vervolgens dagenlang in het gebouw rond, slentert door de gangen zonder dat iemand hem vraagt wie hij is en wat hij daar uitspookt, jaagt Louise van Coligny, de vierde vrouw van Willem, de stuipen op het lijf met zijn sinistere blik, stapt doodgemoedereerd de prinselijke slaapkamer annex ontvangstkamer in en krijgt uiteindelijk (nota bene van een lijfwacht) een stel pistolen in de handen gedrukt. De verantwoordelijke lijfwacht berooft zichzelf gerieflijk van het leven en voorkomt zo dat er omtrent deze toedracht vervelende vragen worden gesteld. Een andere mogelijke handlanger wordt in de kraag gevat maar verdwijnt daarop spoorloos. Na de moord wordt de Prins zelf onvoorzichtigheid verweten, dat terwijl Willems naam (de Zwijger) zo ongeveer synoniem is met behoedzaamheid. 297 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 297 Jarenlang hadden de Spanjaarden tevergeefs geprobeerd Willem uit de weg te ruimen: de beloning voor zijn moord, het equivalent van maar liefst 350(!) jaarsalarissen, had in al die tijd geen resultaat opgeleverd, complot na complot werd ontmanteld, maar de katholieke extremist Balthazar, die jarenlang aan iedereen die het maar horen wilde vertelde dat hij Willem ging vermoorden, wordt zonder de geringste argwaan binnengelaten: met niets meer dan een kletsverhaal en wat blanco aanbevelingsbrieven. Na de moord wordt de dader in het geniep verhoord en knutselt de moordenaar, die net nog de Prins van Oranje heeft doodgeschoten en op de vlucht is overrompeld, een uiterst conscientieus en eloquent geschreven bekentenis in elkaar. Achteraf blijkt dat de twee beulen van Balthazar, Jacob Michielsz en Willem Willemsz, verantwoordelijk voor zijn foltering en terechtstelling, een honorarium kregen toegewezen dat

20 keer hoger was dan normaal. Zwijggeld wellicht? Er verschijnen vervolgens meer onnaspeurbare bekentenissen en suggestieve pamfletten en onmiddellijk wordt met beschuldigende vinger naar Spanje gewezen. Een van die pamfletten komt uit katholieke hoek en bevat intieme informatie over Balthazar. Het zet in detail uiteen welke voorbereidingen de dader had getroffen. De anonieme schrijver van dit laatste pamflet beschikt over gegevens die op dat moment helemaal niet beschikbaar waren, en die zich dus onmogelijk konden beroepen op de door de moordenaar opgestelde bekentenis. Het lijkt te zijn geschreven door een katholiek die wel erg goed op de hoogte was, bijna alsof hij het zelf van dichtbij had meegemaakt. Hij kende zelfs het vluchtplan, iets waarover Balthazar met geen woord had gerept! Maar het lijkt ons sterk dat er katholieke fanatiekelingen aanwezig waren bij zowel de moord als de verhoren. Het pamflet verscheen zo kort na de moord (nog vor de officiele lezing van 24 juli) dat we

ons mogen afvragen of het Guyon-verhaal misschien niet al bij voorbaat in de kast lag. Als het door de Staten goedgekeurde relaas, dat zich dus baseerde op de bekentenis uit eerste hand, op 24 juli verschijnt, wordt scherp uitgehaald naar het katholieke pamflet, hetgeen nog eens benadrukt dat de katholieke schrijver al vor het naar buiten brengen van de bekentenis over gedetailleerde ach298 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 298 tergrondinformatie beschikte. Dat de biografie vrijwel gelijktijdig door zowel de katholieken als de orangisten naar buiten werd gebracht geeft in elk geval te denken. Zoals vermeld had Balthazar zich bij het leger van de graaf van Mansfeldt aangesloten in de hoop dichter in de buurt van Oranje te komen en aanbevelingsbrieven te bemachtigen. Om dit doel te bereiken probeerde hij

Mansfeldt meermalen te misleiden. Toen de trage opmars van dit leger zijn plannen frustreerde, trachtte hij uit de dienst ontslagen te worden door zich openlijk te misdragen. Ook dacht hij erover na om gewoon te vluchten en zich op eigen houtje naar Delft te begeven. Dit is een vreemd verhaal. Mansfeldt streed tegen Oranje en zou dus aan Balthazars kant hebben gestaan. Een moordaanslag op de Prins zou de graaf in de kaart hebben gespeeld. Waarom moest Balthazar dan zo heimelijk te werk gaan en zei hij niet gewoon wat hij van plan was? Hij lijkt hiermee Mansfeldt van alle medeplichtigheid te willen vrijpleiten. Maar waarom? Hij noemde Parma als medeplichtige, waarom dan niet Mansfeldt? Balthazar had geen reden om hem te sparen. Zelfs Spaanse geschiedschrijvers als Herrera waren er happig op het Spaanse complot aan te dikken. Herrera laat Balthazar immers bij Parma verschijnen met een aanbeveling van Mansfeldt op zak. Parma en Filips wilden de verantwoordelijkheid maar al te graag opeisen. Waarom zouden de vijanden van Oranje hun betrokkenheid willen ontkennen: zij maakten er nooit

een geheim van dat zij de ketterse Willem onder de groene zoden wilden zien. Om welke reden zou Balthazar zich dan de moeite getroosten om Mansfeldt vrij te pleiten? Zou het kunnen dat Balthazar juist hier de waarheid vertelde? Waren Mansfeldt en Parma inderdaad niet betrokken bij de moord? Had Spanje uberhaupt wel iets met de moord te maken? Worden Parma en Mansfeldt in latere beschuldigingen nadrukkelijk genoemd, een enkele betrokkene wordt door Balthazar als zijn bekentenis tenminste authentiek is juist ondergeschikt gemaakt. De meest belangwekkende is de niet nader genoemde jezut uit Trier. De Orde der Jezuten was ingesteld door Ignatius 299 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 299

van Loyola. In feite waren de jezuten de stoottroepen van de Contrareformatie, het propagandaleger van Filips. De geheimzinnige jezut die Balthazar in zijn eerste belijdenis lijkt te sparen, blijkt echter een grotere betrokkenheid te hebben gehad. De officiele lezing (van de staatsen) stelt dat Balthazar, die de jezut in eerste instantie als onschuldig biechtvader opvoerde, tijdens de martelingen van het vierde verhoor een grotere rol toedichtte. In zijn eerste bekentenis beweerde hij dat het vooral gewetensnood was die hem naar de Duitse biechtvader dreef. Maar waarom ging hij daarvoor helemaal naar het Duitse Trier? Waarom moest die biecht per se door de regent van het Jezutenklooster worden afgenomen? Was een willekeurige legeraalmoezenier niet voldoende geweest? Onder druk van zijn folteraars beweerde hij uitgaande van de verslagen dat de jezut zijn plan aanmoedigde en hem absolutie beloofde wanneer hij erin zou slagen. Vervolgens zou hij met drie andere kloosterlingen overleg hebben gevoerd. Er staat niet waarover. Later beweerde Balthazar dat hij gedwongen werd naar Trier

uit te wijken omdat bepaalde lieden in zijn omgeving argwaan hadden gekregen. Hij had zelfs een priester neergestoken die dreigde hem te ontmaskeren. Dit spannende verhaal komt aardig geforceerd over en lijkt bijna volledig uit de duim gezogen. Het Trier-verhaal wordt wel uitgelegd als een smoesje om zijn langdurig verblijf bij de hertog van Parma te verdoezelen, maar nogmaals, welke reden had Balthazar om de medeplichtigheid van de landvoogd te bagatelliseren? Is het niet veeleer omgekeerd, en wordt niet juist het hele Parma-verhaal aangedikt om het eigenaardige bezoek aan Trier te verdoezelen? Ter herinnering: Trier huisvestte niet alleen het genoemde jezutenklooster, het was een van de vooraanstaande zetels van de Duitse Orde. De stad bevindt zich bovendien midden in de Hohenlohekreis waar de grootmeesters de scepter zwaaiden. We herinneren ons ook dat Willem van Oranje brieven ontving van de Duitse Orde te Trier. 300

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 300 Na het bezoek aan Trier zou Balthazar weer contact hebben gezocht met Parma om hem zijn plannen voor te leggen. Zo wordt er handig over de Duitse episode heen gepraat en worden we teruggevoerd naar het aandeel van de Spaanse landvoogd. Uit Spaanse archieven blijkt weliswaar dat de ontmoeting met Parma werkelijk heeft plaatsgevonden, maar er staat ook dat Parma er niet het minste vertrouwen in had dat Balthazar in zijn opzet zou slagen. Waarom zou dat miezerige mannetje in staat zijn te doen wat zelfs zijn beste spionnen niet waar konden maken, schreef hij na de dood van Oranje aan de koning. De brief aan Filips geeft een wat overrompelde indruk, alsof Parma zelf nog steeds niet helemaal gelooft dat Balthazar echt verantwoordelijk is voor de moord. Natuurlijk kunnen hij en de koning hun geluk niet op, maar Parma bericht

erover alsof hij volkomen verbaasd is. Niet echt de houding van iemand die nauw bij het complot betrokken was. Daar komt nog bij dat hij Balthazar weliswaar met de grootste gelukwensen op pad had gestuurd, maar dat hij hem geen stuiver gegeven had, wat natuurlijk niet duidt op een uitgedokterd plan, of op zijn vertrouwen in het welslagen ervan. Het heeft er alle schijn van dat de hele Spaanse medeplichtigheid aan de moord eruit bestaat dat de hertog van Parma zei: Nou, veel succes ermee! En daaruit moet de betrokkenheid van de Spaanse kroon blijken? Daarmee moest Balthazar Gerards het doen toen hij in mei 1584 in Delft arriveerde? Had Balthazar gewoon belachelijk veel geluk gehad? Overigens was het wel Parma die er bij de koning op aandrong de beloofde 25.000 kronen aan de familie van Gerards uit te keren. Filips stond naar verluidt niet te trappelen, maar stemde uiteindelijk morrend toe om Willems verbeurdverklaarde gronden aan de nabestaanden te schenken. Daarmee was de zaak

afgedaan. De lezer vindt het misschien nog aardig om te weten dat een priester, Sasbout Vosmeer, het hoofd van de gevierendeelde Balthazar in een pot met sterk water stopte en die meenam om aan de paus te laten zien. De paus bedankte hem hartelijk en zond hem terug naar Keulen, waar het hoofd verdween zonder een spoor achter te laten. 301 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 301

Was Balthazar Gerards het instrument van een protestants-lutherse coup; een verbond tussen Duitse en Hollandse edelen die zich bedreigd voelden door Willems Franse koers? Laten we niet vergeten dat er na de aanslag van Jaureguy in eerste instantie naar de Fransen werd gewezen, en niet naar de Spanjaarden. Ook na de geslaagde moordaanslag was dit het geval. Was dit een opzettelijke verdachtmaking aan het adres van Anjou, wiens inmenging de Duitse betrekkingen in gevaar bracht? De beweringen en overtuigingen van Balthazar kunnen best oprecht zijn geweest, maar ze zijn nu moeilijk te achterhalen; het hele Guyon-verhaal zou in elkaar gezet kunnen zijn om met de vinger naar de katholieke Spanjaarden te wijzen. In deze versie is een verholen paleisrevolutie wellicht de moordenaar geweest: een samenzwering van hofleden en staatse bondgenoten die Balthazar het Prinsenhof in smokkelden en hem de moordwapens in handen gaven. Na een opzichtig toneelstukje wordt hij dan in de boeien geslagen, waarna er als bij toverslag een omslachtige bekentenis verschijnt. Een bekentenis die al lang van tevoren is opgesteld en onder de betrokkenen

verspreid. Het onwaarschijnlijke verhaal over Balthazar die een dolk in de deur steekt en verklaart dat hij zou willen dat het de Prins van Oranje was, doet dan denken aan de foto waarop Lee Harvey Oswald glimlachend poseert met het geweer waarmee hij later John F. Kennedy zal neerschieten. Het is allemaal net iets te mooi om waar te zijn. In de officiele, opgesmukte versie wordt vervolgens onomwonden de schuld gelegd bij de Spanjaarden en niet te vergeten de schurkachtige jezuten, die nog lang na de moord een slechte naam krijgen. De Prins van Oranje, die zijn onderhandelingen met Duitsland inruilde voor een pact met Frankrijk, werd dan in werkelijkheid het slachtoffer van een intrige waarbij Duitse belangen op het spel stonden. De vergelijking met de moord op Floris V dringt zich op. De waarheid van deze uiterst speculatieve bewering staat allerminst vast. De omstandigheden van de moord

op Willem van Oranje kunnen op tal van manieren worden genterpreteerd, de hiaten naar hartelust ingevuld. De waarheid omtrent die gebeurte302 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 302 nissen zal misschien nooit geheel boven tafel komen, maar net als bij de moord op Kennedy en andere illustere personen, loont het soms de moeite om de algemeen geaccepteerde geschiedenis eens te laten voor wat zij is en zelf op zoek te gaan naar de antwoorden. Conclusies Of er werkelijk een pact met de Teutoonse handelsfederatie is gesloten, en of Willem zichzelf en zijn vrienden in gevaar bracht door dit niet te eerbiedigen, is moeilijk met zekerheid te zeggen. Willem van Oranje maakte de echte strijd tegen Spanje niet meer mee. Hem was een ander en wreder lot bereid. Maar als

onze theorie inderdaad klopt, komt dit lot in een ander licht te staan. Wederom zagen we dat de feiten zoals ze in de geschiedenisboeken worden vermeld niet altijd zo vanzelfsprekend zijn als wordt gedacht. Hoewel veel onderzoekers tot verschillende conclusies zijn gekomen ten aanzien van het geld, is niemand het erover eens wie nu het leeuwendeel van de Nederlandse Vrijheidsstrijd bekostigd heeft. Een deel kwam ongetwijfeld van Europese vorsten, van bevriende families, van de Staten-Generaal en de buitgemaakte zilvervloot. Maar wie de grote geldschieter was, blijft vooralsnog een onopgehelderd mysterie. Willem van Oranje liet bij zijn overlijden torenhoge schulden achter, schulden die pas dertig jaar na zijn dood eindelijk werden voldaan. 303 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 303

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 304 Hoofdstuk 13 Het geheim van Zionsburg gaat naar Den Bosch Na de brand Zo zijn we dus weer teruggekeerd bij het Duitse Huis in Vught. Tot nu toe hebben we flink gespeculeerd over dat wat we het Geheim van Zionsburg zijn gaan noemen, maar veel dichter bij de ware aard van dat geheim zijn we nog niet gekomen. Wat verborg de Duitse Orde uit Palestina in haar kasteeltje in Vught?

Wat was er zo belangrijk dat er hertogen, keizers en geheime genootschappen aan te pas moesten komen om het te beschermen? Waren het de archieven van de orde die het geheim zelf vormden, of boden ze alleen maar toegang tot het geheim? Stonden er dingen in over de oprichting van de Duitse Orde in Jeruzalem, over de schatten van de Tempelberg, de berg Zion, of ging het om een ander mysterie? Hopelijk konden nieuwe en onverwachte gebeurtenissen in de loop van de zestiende eeuw ons meer vertellen. In deze tijd gebeurden er, zoals we al hebben gezien, dingen die het commandeurshuis in Vught bedreigden en zelfs vernietigden, en die dus gevolgen moeten hebben gehad voor hetgeen er bewaard werd. In 1543 was het Duitse Huis in Vught platgebrand door Maarten van Rossum. De oude Lambertuskerk was in de as gelegd en bood samen met de commanderij een desolate aanblik. Het is mogelijk dat Van Rossum de

commanderij geplunderd heeft en alle geheime kostbaarheden als die er al waren in handen heeft gekregen. We weten dus niet wat het geheim van Vught was. Maar als het bestond uit de archieven van de Duitse Orde, had 305 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 305 Van Rossum pech. Juist deze waren door commandeur Johan van Cortenbach in veiligheid gebracht. Waar Cortenbach de blijkbaar belangrijke archieven verborg weten we niet. Mogelijk dat Cortenbach de manuscripten in veiligheid bracht via de ondergrondse tunnel die de commanderij met de Lambertuskerk verbond. In datzelfde jaar wordt Cortenbach door de landscommandeur in Alden Biesen overgeplaatst naar de commanderij van Aken. Volgens de nog bestaande archieven was er in september 1543

in het Huis in Alden Biesen een bijeenkomst van alle belangrijke Nederlandse commandeurs, waaronder de commandeur van Gemert, de commandeur van Bernshem en natuurlijk die van Vught, Johan Cortenbach. Behalve dat Cortenbach hier officieel werd aangesteld als commandeur van Aken, werd er op het eerste gezicht een aantal oninteressante beslissingen genomen. Zo werd er een motie aangenomen dat de landscommandeur een coadjutor (assistent) zou voordragen aan de Duitsmeester en dat hij (de landscommandeur) ter vermeerdering van zijn inkomen enkele oude tienden uit Vught en Cromvoirt ontving. Over de teloorgang van het Huis in Vught werd met geen woord gerept. Gezien het feit dat de ontmoeting plaatshad kort nadat Vught door Van Rossum vernietigd was, lijkt het niet vergezocht om te vermoeden dat het hier een spoedvergadering betrof. Alle hoofden van de orde waren aanwezig. Enkel om een paar mededelingen van huishoudelijke aard aan te horen? Dit leek ons niet geloofwaardig. Aannemelijker was het dat er op deze topbijeenkomst enkele besluiten werden genomen aangaande het lot van Vught en het

zorgvuldig buiten de notulen gehouden Geheim. Wat dat besluit was weten we niet met zekerheid. In elk geval werd de Vughtse commanderij voor het moment opgedoekt. Hangende de situatie in de Meierij werd besloten het Duitse Huis elders te huisvesten. Daarna was het een tijdlang akelig stil rondom de commanderij. Het leek erop dat de Teutonen de omgeving hadden verlaten: de zaak was tot de grond toe afgebrand, de Sint Lambertuskerk lag in puin en de wind waaide mismoedig door de straten. Naar verluidt stond er na de plundering nog slechts een klein houten huisje op de rune van de commanderij. 306 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 306 Niet lang na de vernietiging van Vught treffen wij echter opnieuw Duitse ridders aan, die zich nu in Den Bosch hebben teruggetrokken. Maar het duurt een paar jaar

voordat er officieel een nieuwe commandeur wordt genstalleerd. Dit keer is het een familielid van Cortenbach, de landscommandeur in Maastricht: Floris van Maschereel.104 Floris wordt in 1549 aangesteld als de nieuwe Vughtse commandeur, maar hij houdt verblijf in Den Bosch. In de archieven van de Zwanenbroeders wordt vermeld dat hij in 1555 twee zwanen schenkt en dus als lid wordt opgenomen in de broederschap. Rond diezelfde tijd betrekt hij het huis dat aan zijn broer had toebehoord, later omgedoopt tot het Maschereelshuis in de Sint-Jorisstraat. Over wat er in de tussentijd met de Vughtse archieven is gebeurd, doen verschillende verhalen de ronde. Drs. A.C.M. Kappelhof speculeert dat het archief na de vernieling door Van Rossum is opgesplitst en verspreid: een deel zou bij de ridderbroeders in Gemert zijn ondergebracht, een ander deel van het archief zou later naar Alden Biesen zijn gezonden. Anderen beweren dat de archieven van de Duitse Orde in Vught met Cortenbach mee naar Aken zijn gegaan. Het is ook heel goed mogelijk dat Maschereel een deel van de archieven meenam naar zijn residentie in s-Hertogenbosch, zoals

Hezenmans beweert. Kappelhof zegt over het lot van de archieven: Het moet niet uitgesloten worden geacht, dat op andere plaatsen, zoals op het Centrale Archief van de Duitse Orde te Wenen, Huize Sionsburg te Vught of het Staatsarchief te Hasselt, zich nog bescheiden bevinden, die over Vught handelen en/of tot het commanderijarchief behoren. Omdat er geen complete inventarisatie van de commanderij bestaat, valt niet precies vast te stellen wat waar is gebleven. De schrijver gaat verder met te zeggen dat de huidige eigenaar niet genegen is inzage te geven in de onder hem berustende archivalia. Die huidige eigenaar, kunnen we vast verklappen, is Ewald Marggraff. Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen. Als we de verschillende bronnen hierover goed lezen, staat er dus eigenlijk dat de archieven van de Duitse Orde in de tweede helft van de zestiende eeuw verspreid raakten en zelfs gedeeltelijk verdwenen. Na de teloorgang van het Huis in Vught wordt de geschie307

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 307 denis van de Duitse Orde aldaar een stuk onoverzichtelijker. Zoveel als mogelijk was probeerden we het Geheim op de voet te volgen. En volgens ons liep het spoor, niet naar Gemert of Alden Biesen, maar naar s-Hertogenbosch. Het leek ons waarschijnlijk dat de nieuwe commandeur, Floris Maschereel, het geheim van Vught (of dit nu deel uitmaakte van de archieven of niet) met zich meenam toen hij binnen de muren van de stad een veilig heenkomen zocht. Waarom was dit waarschijnlijk? Waarom nam Maschereel het geheim van Zionsburg met zich mee naar een vesting die omgeven was door potentiele belegeraars? En als hij ze van Cortenbach in bewaring kreeg toen hij al in de stad woonde, waarom hield hij ze dan in zijn

bezit? Als hij het geheim, wat het ook was, wilde behoeden voor vijanden van de Duitse Orde, waarom bracht hij het dan niet terug naar Duitsland, naar het hoofdkwartier van de orde in Koningsbergen of Mergentheim? Om deze vragen te beantwoorden moeten we iets verder terug in de tijd, naar het begin van de zestiende eeuw. Verwant aan deze kwestie is de vraag hoe de orde omging met de Reformatie. De Duitse Orde en de Reformatie Er wordt wel gezegd dat de Reformatie de ondergang betekende van de Duitse Orde. In Nederland alleen al werden vanaf 1579 drastische maatregelen afgekondigd tegen de katholieke instanties. Orden als de johannieters en de Teutonen werden gedwongen lijsten openbaar te maken die inzicht gaven in hun bezittingen. Secularisatie werd opgedrongen. Priesters moesten plaatsmaken voor ridders van wie verwacht werd dat ze bijdroegen aan

de strijd tegen Spanje. Voor commanderijen als Vught was dit vooruitzicht natuurlijk funest, temeer daar er ook oprichtingsstatuten moesten worden overlegd. In het geval van Vught zou dit betekenen dat een inventarisatie van haar kostbaarheden in handen van de lutheranen zou vallen. Ook zou de reden van haar oprichting in de openbaarheid komen, en daarmee misschien het zorgvuldig buiten 308 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 308 de aandacht gehouden Geheim. Het Duitse Huis en het Hospitaal in Utrecht deden met succes een beroep op de Staten-Generaal, en dankzij interventie van Willem van Oranje (die, zoals we hebben gezien, in die tijd juist in onderhandeling was met de Duitse adel) werden de orden voor het moment vrijgesteld van de ingevoerde maatregelen.

In Duitsland zelf zouden het vooral interne conflicten en factoren zijn die de orde ten val brachten. En voor de Duitse Orde begon die val, zo gaat het verhaal, met de zevenendertigste grootmeester Albrecht von Brandenburg-Ansbach. Albrecht was markgraaf van de mark Brandenburg in het noorden van Duitsland. Markgraaf of markies is evenals graaf een adellijke titel, maar net een graad hoger. Een gebied waarover de markgraaf heerste was een markgraafschap of markizaat. Het markgraafschap Brandenburg (in feite een verzameling graafschappen) was tevens een keurvorstendom of electoraat, wat betekende dat de mark een stem had in de te verkiezen Roomse keizer. Wat hier van belang is, is dat Brandenburg in 1417 onder bestuur kwam van de Frankische tak van het vorstengeslacht Hohenzollern. Oorspronkelijk kwam deze familie uit het zuiden van Duitsland. De naam is afgeleid van de burcht Zollern bij Hechingen. In het genoemde jaar 1417 verkreeg een Hohenzollern dus de mark Brandenburg. Albrecht was een lid van de familie Hohenzollern en erfde de titel.

De keuze voor markgraaf Albrecht (von Hohenzollern) von Brandenburg als nieuwe grootmeester was al een bewijs voor het anticiperende, politieke klimaat waarin de Duitse Orde rond 1500 was beland. De reden voor zijn aanstelling in 1511 was dat zijn moeder een zus was van de Poolse koning Sigismund I. De relatie met Polen was op zijn minst precair te noemen. In 1410 was het, zoals we zagen, tot een openlijke strijd gekomen met Polen en Litouwen, een strijd die de Duitse Orde in de Slag bij Tannenberg had verloren. Polen verkocht de Duitse ridders een flink pak slaag en maakte min of meer een einde aan de Duitse hegemonie in het oosten. Polen was, juist door het succes van de kolonisatie, volwassen geworden. En een volwassen kolonie wil, net als de Ver309 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 309

enigde Staten van Amerika, vroeg of laat zelfbestuur. In 1440 verenigde de plaatselijke adel zich met Hanzesteden als Danzig en Elbing om tegen de Duitse Orde in opstand te komen. De Pruisische Bond werd in het leven geroepen en een oorlog tegen de Duitse Orde, tussen 1454 en 1466, verliep in het voordeel van de PoolsPruisische alliantie. De Duitse Orde moest grote stukken land prijsgeven aan Polen en zich in het oosten van dit gebied terugtrekken. De hoofdzetel van de orde in Marienburg werd ingeruild voor Koningsbergen. Zelfs daar moesten de voormalige kruisvaarders Polen als leenheer erkennen. Het aan Polen prijsgegeven gebied werd daarop het koninkrijk Pruisen genoemd. Dit nieuwe rijk had dus weinig te maken met de oorspronkelijke bewoners, de Pruzzen of de Pruisen, maar bestond voor het overgrote deel uit een nieuwe adel: een mix van gekerstende Polen en Duitse kolonisten. Wat de Duitse ridders flink zal hebben gestoken, was het ironische feit dat de Polen hen onderhorig maakten aan de kerkelijke autoriteiten. De Duitse Orde had de pauselijke bul altijd gebruikt om onder het vaandel van Rome grote gebieden in Oost-

Europa te koloniseren. Nu waren het niet de heidense horden, maar uitgerekend de door hen gekerstende Polen die hen onderwierpen. Dat dit uberhaupt kon gebeuren, wijst erop dat de Duitse ridders in feite nooit de ware vertegenwoordigers van het christendom waren geweest. Het waren de bekeerde bewoners van Polen en de Baltische staten die deze nieuwe religie aanwendden om de vroegere kruisvaarders tot de orde te roepen. In feite werd de kerk tegen de Duitse Orde gebruikt. Op zijn minst zorgde deze wending voor een onoverzichtelijke situatie. Van het machtsvacuum dat hierdoor ontstond, maakte de nieuwe Poolse adel gebruik door zich nadrukkelijk als de nieuwe heersers neer te zetten. Beslissingen over de oude ordestaat werden buiten het Vaticaan om genomen. Ook de keizer van het Heilige Roomse Rijk werd buitenspel geplaatst. De Duitse Orde stond er in toenemende mate alleen voor. Door in 1511 een neef van de Poolse koning aan te stellen hoopten de ridders een vredesverdrag met de Polen te kunnen beklinken. Maar met Albrecht von Brandenburg kochten ze, zo schijnt het althans, een kat in de zak. Albrecht was niet van

zins het Poolse gezag te 310 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 310 accepteren. Hij bleef Polen tegen het zere been schoppen en liet het aankomen op gewapende conflicten. Meermalen vroeg hij steun uit Duitsland, maar de orde onthield hem (om redenen die ons aanvankelijk niet duidelijk waren) alle hulp. Hij delfde het onderspit, zo leert de geschiedenis, en moest een toontje lager zingen. Op advies van niemand minder dan Maarten Luther legde hij het grootmeesterschap neer en werd aanhanger van de Reformatie. Het oostelijke deel van Pruisen, waar de zetel van de Duitse Orde zich bevond, werd door hem omgevormd in een luthers hertogdom, waarvan hij zelf hertog was. In minder eufemistische termen betekende dit dat Albrecht blijkbaar van de situatie gebruikmaakte om de ordestaat aan de Duitse ridders te ontfutselen en hiervan

zijn prive-staatje te maken. Hij erkende daarbij plotseling wel het gezag van Polen en bracht in 1525 leenhulde aan zijn oom Sigismund I. Oom Sigismund op zijn beurt erkende de grenzen van dit nieuwe hertogdom en verleende zijn neef bovendien het erfrecht, zodat de nakomelingen van Albrecht de hertogzetel zouden behouden. Dit is wel erg vreemd. Eerst weigert Albrecht Polen als leenheer te erkennen, en als hij de benodigde hulp uit Duitsland niet krijgt, keert hij zich van de weeromstuit tegen de Duitse Orde en maakt Polen tot zijn bondgenoot. Toch is dit wat de geschiedenis ons vertelt. De Duitse Orde, gedecimeerd en beroofd van haar laatste grondgebied in het oosten, had in dit scenario het nakijken. Het schisma betekende het einde van de Deutschritter. De versplinterde katholieke fractie zocht een goed heenkomen in het zuiden van Duitsland en verplaatste haar hoofdzetel andermaal, ditmaal naar Mergentheim in Wurtemberg. De Hochmeister bleef bestaan, maar de steeds indrukwekkender titels van de grootmeester kunnen niet verhullen dat het hier in toenemende mate een holle en ceremoniele functie betrof.

In veel boeken eindigt hier de roemruchte geschiedenis van de Duitse Orde. De vraag waarom Floris Maschereel de archieven van de Duitse Orde niet terugbracht naar de hoofdzetel in Mergentheim lijkt dan gemakkelijk te beantwoorden. De Duitse Orde bestond rond 1550 311 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 311 vrijwel niet meer. De verraderlijke Albrecht had haar de genadeslag toegebracht en de resterende grondgebieden voor zichzelf opgeest. Koningsbergen of Mergentheim was voor Maschereel geen optie meer. Het lijkt dan logisch dat hij, daartoe aangespoord door de ketterse ontwikkelingen in het noorden en het oosten, asiel zocht in het katholieke bolwerk Den

Bosch. Maar dit lijkt op een aantal punten niet te kloppen. Ten eerste was Den Bosch in de tijd dat Maschereel naar de stad vluchtte nog helemaal geen katholiek bolwerk. Het was van oudsher een plaats die haar poorten wijd openhield voor ballinghen ende banckerottiers, en politieke vluchtelingen. In de wijk achter het stadhuis woonden zoveel joden dat hij ook wel Jericho genoemd werd. Er woonde een grote groep protestanten, en in 1566 viel de stad ten prooi aan de beeldenstorm. Ten tweede is het niet juist te stellen dat de Duitse Orde rond 1550 volledig in rook was opgegaan. De ridders deden er in het zuiden van Duitsland alles aan om orde op zaken te stellen. De successie van grootmeesters werd weer opgepakt en de orde kon nog in 1589 bogen op het grootmeesterschap van Maximiliaan van Habsburg, vierde zoon van keizer Maximiliaan II. Toch besloot Maschereel geen contact op te nemen met deze instanties. Waarom koos hij ervoor om naar een plek te gaan die even gemakkelijk een verzetshaard van het

protestantisme had kunnen worden? En dan: waarom overhandigde hij zijn geheim niet gewoon aan de Spaanse bezetter om het zichzelf gemakkelijk te maken? Was het daarvoor te belangrijk? Aan de andere kant, als de Duitse Orde als ordestaat en machtsfactor had opgehouden te bestaan, wat kon er dan zo belangrijk zijn? Maar hld de ordestaat wel op te bestaan? Hier komen we op het tweede onwaarschijnlijke punt. Niet voor niets verlieten wij in een eerder hoofdstuk de Duitse Orde op dit punt in de geschiedenis. Maar we vroegen ons toen ook af of de Duitse Orde in 1525 inderdaad ten onder ging. Was de secularisatie echt het einde? Het officiele verhaal gaat ervan uit dat de Reformatie een gebeurtenis was die de orde aan het begin van de zestiende eeuw 312 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 312 overrompelde. Op stel en sprong moest een innerlijke scheuring worden voorkomen. In Lijfland (het huidige Letland en een deel van Estland) wist Meister Wolter von Plettenberg de zaak nog enige tijd in het gareel te houden totdat hem door de oprukkende Reformatie niets anders te doen stond dan lutheranen toe te staan in de Orde. De Duitse Meister Wolter von Cronberg, eveneens een vermoeide oude man, wist nog net de bescherming te verwerven van Karel V, maar ook hier liep de onderneming al snel spaak. Het keizerlijke decreet dat Von Cronberg de soevereiniteit over Pruisen toewees was een lachertje: de familie van Albrecht de Hohenzollerns zat stevig in het zadel. Een poging van de Duitse Orde om zich met de hospitaalridders te verenigen liep in 1545 op niets uit. Dit beeld van een blunderende organisatie die achter de feiten aanloopt, strookt niet echt met het beeld dat we tot nu toe van de Duitse Orde hebben gekregen.

Inderdaad hebben verschillende historici aangetoond dat de metamorfose niet begon met de Reformatie, maar al eerder.105 In een artikel van Udo Arnold106 bepleit deze dat de ontwikkelingen die tot de hervorming van de Duitse Orde leidden al vor de aanstelling van Hochmeister von Brandenburg in gang werden gezet. De Reformatie heeft, zoals we zullen zien, veeleer een metamorfose tot stand gebracht; van een totale ontbinding was geen sprake. De officiele ontbinding zou pas plaatsvinden door een oekaze van Napoleon, drie eeuwen later. Opvallend is namelijk dat de protestantse hervorming van de Duitse Orde in vrijwel alle gevallen wordt gelijkgeschakeld met een secularisatie. Secularisatie in strikte zin wil zeggen dat kerkelijke goederen onder staatsbeheer worden geplaatst. Met betrekking tot de Duitse Orde betekent dit dat de organisatie als kerkelijk instituut ophield te bestaan. De Duitse ridders wisten echter heel goed dat secularisatie helemaal niet hetzelfde is als ontbinding. Waar andere kerkelijke instellingen de ontwikkelingen als een bedreiging zagen, zag de Fratrum

Theutonicorum Ecclesiae S. Mariae Hiersolymitanae kansen. Als we de toedracht op een andere manier bekijken, namelijk los van het lot van de Duitse Orde, zien we dat grootmeester Albrecht von Brandenburg erin slaagde een lutherse, dat wil zeggen secu313 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 313 liere staat op te richten die niet langer onderhorig was aan katholieke Habsburgers. Zijn Pruisen onttrok zich hiermee niet alleen aan het Vaticaan, maar ook aan het Heilige Roomse Rijk en de keizer. Karel V kon niet meer doen dan zachtjes protesteren, en de volgende grootmeester van de Duitse Orde, Von Cronberg, had weinig in te brengen. De overgebleven orde was dus weinig meer dan een ontheemde organisatie zonder werkelijke invloed, bovendien onderhorig aan Karel V? Een paar zaken pleiten tegen deze lezing. Ten eerste

was het toch zeker de Duitse Orde die contact zocht met de protestantse van Nassaus, zoals we in het hoofdstuk over Willem van Oranje hebben aangetoond. De officiele Duitse Orde was nog steeds onderhorig aan de Habsburgers, en dus de Spanjaarden. Waarom zocht de katholieke orde naar een conclaaf met de opkomende protestantse gemeenschap in de Nederlanden? Er was toch geen sprake van een zuiver lutherse Duitse Orde? Of wel? Ten tweede werden we steeds meer gentrigeerd door dat vreemde staatje, Pruisen. Er was iets sinisters, iets ongelofelijks aan dat plotselinge hertogdom onder bescherming van de Europese adel. Op de keper beschouwd was het seculiere Pruisen, in het midden van een door godsdienstoorlogen verscheurd Europa, een onvoorstelbare anomalie. We begonnen ons af te vragen of het verraad van Albrecht von Brandenburg in feite niet een overstap van de totale Duitse Orde naar het protestantisme was, en daarmee naar secularisatie. De omslachtige manier

waarop dit gebeurde was dan een truc om zowel de paus als de keizer een rad voor ogen te draaien. De Duitse ridders zagen wat er gebeurde met calvinisten en lutheranen die zich van de katholieke kerk probeerden los te maken. De Nederlanden raakten in oorlog met Spanje, de Franse hugenoten werden massaal uitgeroeid, Duitsland stortte zich in de 30-jarige oorlog. In Engeland werden de hospitaalridders voor de keuze gesteld: reformeren of opdoeken. Er was een Hermann von Salza voor nodig om op dit dunne koord tussen kerk en staat te balanceren. Zelfs in Duitsland, waar het de johannieters wat beter verging, stuitten zij op hetzelfde probleem. In navolging van de Duitse Orde 314 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 314 wisten zij van de Reformatie gebruik te maken door zich op de lokale adel te richten. In het noorden

maakten de hospitaalridders zich weliswaar los van het hoofdkwartier op Malta, maar niet zonder hun onderworpenheid te tonen aan de markgraaf van Brandenburg. In het protestantse Holland werd hen vanaf 1602 het recht ontnomen een nieuwe baljuw te kiezen, en ditmaal haalden protesten aan het adres van de Oranje-Nassaus niets uit. Ook trok de Duitse Orde lering uit het lot van hun oude tegenhangers, de tempeliers, die onder verdenking van ketterij door zowel paus als koning waren uitgemoord. Dit was een voorbeeld van hoe gemakkelijk de publieke opinie kon omslaan en hoe zelfs de twee partijen (paus en koning) zich tegen je konden keren.107 De Duitse Orde was slimmer. Behoedzamer. In feite noopte de situatie ertoe pro-actief te zijn. We stelden onszelf de volgende vragen: Nam Albrecht von Brandenburg de Duitse Orde misschien met zich mee naar Pruisen? Was Pruisen de ordestaat in een nieuw jasje? Was de laatste grootmeester van de oude Duitse Orde in feite de eerste grootmeester van een nieuwe Duitse Orde? Een seculiere orde met een

politieke, economische agenda? Albrecht von Brandenburg en zijn missie Dit laatste duidt op een gewaagd plan waarbij de aanstelling van Albrecht in 1511 dus een anticiperende stap was. Von Brandenburg werd beslist niet gekozen omdat hij zon vrome koorknaap was. Hij had al lang daarvoor bewezen een opportunistische, recalcitrante figuur te zijn die nota bene Maarten Luther tot zijn persoonlijke vrienden ging rekenen. Hij liet al van tevoren weten dat hij een leven zonder seks niet zag zitten, maar dat werd hem om de een of andere reden vergeven. Zelfs tijdens zijn ambt als grootmeester bleef hij immorele nachtelijke avonturen108 beleven. Een latere grootmeester merkte op: Het was een zwaar vergrijp tegen de oude regel de meest waardige grootmeester te kiezen.109 Daarbij komt het eigenaardige feit dat de Duitse Orde weigerde haar 315 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 315 eigen grootmeester de nodige militaire steun tegen Polen te verlenen. Hiermee zou zij de daad van Albrecht die geen keus meer had zelf in de hand hebben gewerkt. De verontwaardiging die volgde op zijn verraad komt dan ook niet geloofwaardig over. In plaats van een onvoorziene stap die de Duitse Orde verraste en verontwaardigde was zijn inauguratie als Hochmeister mogelijk dus een weloverwogen beslissing. Albrecht bereikte immers, via een omweg, het gewenste resultaat: een vredesverdrag met Polen. Maar hij bereikte meer: hij maakte van het gebied in Pruisen een onafhankelijk hertogdom dat tot grote hoogten zou stijgen. Het was al vor Albrecht een feit dat de plaatselijke grootmeesters in Pruisen zich steeds meer als onaantastbare vorsten gingen gedragen. Grootmeester was geen geestelijk ambt meer, als het dat ooit al geweest was. Ook Albrecht was in alle opzichten een wereldlijke leider, van wie de Duitse ridders toch nauwelijks hebben mogen verwachten dat

hij het katholicisme met hand en tand zou verdedigen. Al vanaf het begin begon hij de ordestatuten te overtreden of te hervormen, het is maar hoe je het bekijkt. Het oude systeem van landcommandeurs en balijen werd gaandeweg opgeheven. De gebieden die onder de verschillende commanderijen vielen, werden ingelijfd en het machtsorgaan gecentraliseerd. Daarnaast waren de ridders er al eerder in geslaagd de macht van de plaatselijke bisschoppen in te tomen. De geestelijkheid werd allengs vervangen door broeders in dienst van de orde. Ook de nomenclatuur werd aangepast aan de moderne tijd: politieke titels verschenen steeds vaker ten tonele ten koste van rangen als Hochmeister en Grokomtur. De Pruisische adel werd gerekruteerd om van de oude ordestaat een moderne politieke staatsvorm te maken. Dit proces begon al vor de aanstelling van Albrecht. Klaus Militzer110 schrijft: ...het is duidelijk (...) dat veel ontwikkelingen die de militaire orden tijdens de Reformatie kenmerkten al lang voor 1500 waren ontstaan en gevormd. De Reformatie heeft sommige van deze ontwikkelingen versneld, maar er zelden aanleiding

toe gegeven. Het debat over religieuze vernieuwing speelde geen dominante rol in [de] orden, en werd meestal gebruikt als 316 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 316 een instrument om politieke eisen en behoeften te promoten. (Cursivering door de auteurs.) Ook de relatie die Albrecht (en de Duitse Orde) met Luther onderhield is in dit opzicht van belang. Luther was genteresseerd in de Duitse Orde. In maart 1523 liet hij een vlugschrift verschijnen getiteld: An die herrn Deutschs Ordens das sie falsche keuscheyt meyden und zur rechten ehlichen keuscheyt greyffen Ermanung. Hierin riep hij de ridders op hun eed aan de orde te breken en te trouwen, omdat hun monastieke eed volgens hem in strijd was met Gods geboden. Opvallend is dat Luther vooral een secularisatie op het oog had, en niet een verdieping of bestendiging van de

geestelijke kant van de orde. Met andere woorden, hij lijkt de ridders toe te juichen en de priesters te veroordelen. Het is echter ook niet ondenkbaar dat deze woorden Luther in de mond werden gelegd en dat hij een stellingname verwoordde die al veel eerder beleid was geworden. Eigenlijk krijgt Luther, die door half Europa toch al verketterd werd, de schuld in de schoenen geschoven. De corrumperende invloed van Luther op Albrecht moest het verraad van de Duitse grootmeester aannemelijk maken. Dit om te voorkomen dat de Duitse Orde zelf als aanstichter werd gezien. We weten echter ook dat er al vor de ontmoeting in Wittenberg een geheime bespreking plaatsvond tussen Albrecht en ene Achatius Cema. De laatste sprak namens de Poolse kanselier en vice-kanselier het advies uit om het grootmeesterschap op te geven en Pruisen als leengoed te ontvangen. Dit plan bestond dus al in een meer politieke vorm voordat Luther ter sprake kwam. Was Albrecht wel zon overtuigd lutheraan, of ging het hem om de oprichting van een eigen staat? Over de

Reformatie werd in dit onderhoud niet gerept, ook niet in het Verdrag van Krakau. Blijkbaar was dit punt in de deal met Polen van ondergeschikt belang, zoals het voor de Duitse Orde ook van ondergeschikt belang was. De grondvesting van het hertogdom Pruisen was allereerst een staatsrechtelijke formatie. Deze moderne staat, die de plaatselijke adel omarmde en zogenaamd niets uitstaande had met de oude ordestaat, zou later aan de basis staan van het huidige Duitsland. 317 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 317 Pruisen. Een nieuwe ordestaat die aan de oppervlakte weliswaar luthers was, maar die lustig contacten onderhield met de omringende katholieke mogendheden; een staat ook waarbinnen de katholieken volkomen met rust werden gelaten. Daarmee had zij uiterlijk een metamorfose ondergaan, en wel zodanig dat weinigen haar nog herkenden. Zelfs

de Polen en de inheemse Pruisen hadden, voor zover ze er niet bij betrokken waren, blijkbaar niets in de gaten. De houding van Polen was des te opmerkelijker: van de grootste vijand van de Duitse Orde werd zij tot de meest fervente verdediger van het nieuwe Pruisen. Vanaf het moment dat Albrecht op de oude markt van Krakau eer betuigde aan Sigismund, beschouwde deze het hertogdom als een protectoraat. Deze houding kan te maken hebben met het feit dat Albrecht al eerder een pact van wederzijdse bescherming had getekend met de Russische tsaar Vassili. Het lijkt er dus op dat het plan van Albrecht (of van zijn opdrachtgevers) was geslaagd. De genialiteit van het plan bestond er klaarblijkelijk in dat Albrecht zich voordeed als een vijand van de Duitse Orde, en alle tradities van de Teutoonse kruisvaarders overboord gooide. Maar wat hij overboord gooide waren uiterlijkheden; in werkelijkheid stelde het plan hem in staat om dezelfde Duitse adel via een omweg weer naar binnen te smokkelen. De Polen wisten dus van niets en zetten in hun achteloosheid de deuren open voor

dezelfde orde die zij in alle hevigheid bestreden hadden. Opmerkelijk in de briefwisseling tussen Polen en het Vaticaan is echter het volgende: in een brief van een Poolse bisschop aan een afgevaardigde van Rome lijkt hij zich te verspreken wanneer hij zegt dat wat de godsdienst betreft, de paus reeds op de hoogte is van het feit dat de [Duitse] Orde het Lutheranisme onschendbaar acht, terwijl het de katholieke kerk vervloekt. Hij zegt vervolgens onomwonden dat het niet de Polen waren die de Duitse ridders tot Luther hebben gebracht, maar dat zij dit zelf hebben gedaan. De bisschop identificeert het nieuwe Pruisen hier, nt met hertog Albrecht, maar met de Duitse Orde zelf. Ten tijde van het Verdrag 318 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 318 van Krakau was Albrecht geen grootmeester meer en

had de Duitse Orde als zodanig dus niets met het Verdrag te maken! De Duitse Orde reageerde, zoals we zagen, juist hevig verontwaardigd op de daad van Albrecht. Toch noemt ook Sigismund de Duitse Orde nog een keer in een brief aan de ambassadeur van de Roomse keizer. Hier heeft de Poolse koning het plotseling over onderhandelingen met de Duitse Orde, waar hij de onderhandelingen met Albrecht bedoelt. Hij schrijft dat hij zich gedurende de besprekingen niet gewaagd heeft aan godsdienstige discussies met de orde, aangezien dit niet in zijn belang lag. (Nogmaals wekt dit laatste de indruk dat godsdienstige kwesties geen rol speelden in de kwestie Pruisen.) Trouwens, ik ben niet de oprichter van de orde, zegt hij om zich vrij te pleiten van zijn aandeel in het lutherse hertogdom. Hiermee lijkt hij aan te geven dat het de oprichter van de Duitse Orde is die met het hele idee op te proppen was gekomen. Op 20 juli 1525 komt de ratificatie uit Rome: de paus accepteert de door Sigismund bedongen vrede met de orde. Blijkbaar gaan alle partijen in de kwestie ervan uit

dat het hier om de Duitse Orde als geheel gaat, en niet alleen om een afvallige grootmeester die de orde zojuist de rug heeft toegekeerd. En dan is er nog de volgende vraag: als Albrecht rebelleerde tegen de Duitse Orde, waarom kwamen de plaatselijke ordeleden dan niet in het verweer? Waarom liet de eens zo machtige ridderorde toe dat een van hen met de zaak op de loop ging? In een artikel schrijft Juhan Kreem: Als de verspreiding van het lutheranisme zon gevaar was voor de legitimiteit van de orde, dan had men wel iets meer tegenstand verwacht. Hoewel de top van de orde in Lijfland zich tegenover de keizer en de ordeleiding in het Rijk conservatief voordeed, schijnt de verbreiding van het lutheranisme onder de broeders in feite geen probleem te zijn geweest.111 Wij konden niet begrijpen waarom de ridders de boel zomaar op zijn beloop lieten. Er worden een paar ontoereikende verklaringen aangereikt. Geopperd wordt onder meer dat Meisters Dietrich von Cleen van Duitsland en Wolter von

Plettenberg in Lijfland wel op de hoogte 319 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 319 waren van de geruchten omtrent Albrecht, maar dat ze weigerden te geloven dat hun grootmeester de eeuwenoude traditie van de ordestaat zomaar ongedaan maakte. Dit zou verklaren waarom ze niets deden om Albrecht tegen te houden. Wij vermoedden dat er een andere reden was. Omdat Albrecht handelde in opdracht van de Duitse Orde die hij pretendeerde omver te halen, en de ordeleden deel uitmaakten van de gedaanteverwisseling. De orde kon als Adelskorporation voortbestaan, ook wanneer er onder de gelederen verschillende geloofsuitingen vertegenwoordigd waren.112 Opnieuw was er sprake van een fluwelen revolutie. Om elke verdenking weg te nemen bleef er een soort nep-

Duitse Orde bestaan, een stramme katholieke tak die steen en been klaagde. Om te voorkomen dat de onderneming de heersende dynastie (de Habsburgers) tegen zich in het harnas joeg, ging ze verhaal halen bij Karel V, goed wetend dat die niet bij machte was om iets aan de situatie te veranderen. De reguliere geschiedschrijving maakt van de congregaties die na de ontbinding van de Duitse Orde nog plaatsvonden in Mergentheim een trieste aangelegenheid. De orde is door een schisma getroffen, en wat er nog over is, is een gezelschap van verongelijkte katholieken die het moeten hebben van donaties en de bescherming van een vleugellamme keizer. Ook Rome had veel van haar invloed verloren en dit verlies resulteerde in een terugloop van het aantal adellijke leden in de Duitse Orde. De situatie was zo nijpend dat gelegenheidsgrootmeester Dietrich von Cleen op dramatische wijze waarschuwde voor de aanstaande teloorgang van de orde. Gelukkig kwam de orde niet tot een volledig einde, maar transformeerde zij in een soort charitatieve organisatie, een mistig

verzorgingsinstituut voor de adel, een beetje zoals het in Palestina ooit begonnen was. Dat is tenminste wat de officiele lezing ons wil doen geloven. In feite sloten veel Duitse commanderijen zich gaandeweg bij het lutheranisme aan. In veel gevallen kwam dit neer op de stichting van een dynastie, waarbij de plaatselijke commandeur het voortbestaan van de orde verzekerde door het erfrecht in te stellen en de 320 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 320 mark of oude ordestaat onder beheer van een adellijke familie te brengen. In 1578 werd er zelfs een besluit uitgevaardigd waarin de Bikonfessionalitat rechtsgeldig werd gemaakt. De ordeleden konden dus zelf kiezen welk geloof ze

aanhingen. Dit proces van secularisatie zorgde al met al voor een geleidelijke overgang voor vrijwel alle balijen, een ontwikkeling die veel weg had van een afvloeiingsregeling. Sommige commanderijen werden hervormd en gereorganiseerd, andere werden afgestoten. Commanderijen waren katholiek, luthers of beide, wat het beste uitkwam. Ook de zogenaamde katholieke tak richtte zich in haar voortbestaan op het aantrekken van de lage adel. In toenemende mate beriep de laatste zich op wereldlijke rechten en aanspraken. Ook hier kwam het religieuze aspect op het tweede plan te staan. De spagaat waarin de orde zich van meet af aan had bevonden, de dichotomie tussen geestelijkheid en ridderdom, werkte gedurende het hele proces in haar voordeel. Kerk en staat waren (dankzij het grondwerk van Von Salza) al vanaf de oprichting in de Duitse Orde vertegenwoordigd. Dit maakte dat de orde zich om het even op welke tak konden beroepen. Om dicht bij huis te blijven: een riddercommanderij als Gemert hoefde zich door de godsdienstgeschillen niet aangesproken te

voelen, terwijl een priestercommanderij als Vught gevoeglijk failliet kon worden verklaard. Historicus Jorg Seiler zegt het als volgt: Ridderbroeders stabiliseerden de verankering in het sociale (adellijke) milieu, priesters daarentegen kostten alleen maar geld.113 Een ander goed voorbeeld van deze wijze van handelen betreft het Duitse Huis in Utrecht. We hebben al gezien dat zowel de Duitse als de Maltezer ridders onder druk van de protestanten kwamen te staan. De afloop voor beide orden is echter heel verschillend. Terwijl de johannieters in 1602 geen opvolger meer mochten kiezen, werd de aanstelling van landmeesters voor de Duitse ridders oogluikend toegestaan. Het Duitse Huis was er echter toe overgegaan om luthergezinden in de gelederen op te nemen. Een historicus schrijft: ...de omstandigheden zijn niet helemaal te verklaren. Een dergelijk plot (het toe321

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 321 laten van protestanten in de orde) verklaart niet waarom de regionale bestuurders (...) een oogje toeknepen waar het de voortgang van katholieke erediensten en het rekruteren van katholieken in de orde betrof. Even raadselachtig is hoe de Duitse Orde nog in 1606 werd toegestaan een nieuwe coadjutor aan te stellen en hoe deze (...) in 1612 ongehinderd de leiding van het Huis op zich kon nemen. En dat terwijl voor de hospitaalridders de keuze voor een nieuwe baljuw en de toelating van nieuwe leden tot een eind was gekomen.114 Het antwoord is tamelijk eenvoudig: het Duitse Huis ontdeed zich net als de orde in Duitsland van de oude gebruiken en omarmde de toekomst en de adel. Het Duitse Huis in Utrecht bleef in deze tijd gewoon

bestaan, juist omdat het een gunstig trefpunt was voor leden van verschillende adellijke families. Dit verschil in handelen tussen de twee Utrechtse ridderorden is de Duitse situatie in een notendop. Zelfs als we aannemen dat Pruisen niet het enige project was waarin de Duitse Orde investeerde om haar voortbestaan veilig te stellen, kunnen we wel zeggen dat dit wel het meest succesvolle van alle campagnes was. Pruisen, de oude ordestaat, werd de eerste protestantse Territorialstaat van Europa; of nog juister gezegd: de eerste seculiere, zuiver politieke staat in de geschiedenis. De aanvankelijke onderworpenheid aan Polen werd op de koop toe genomen; het begin was er. Wederom had de Duitse Orde, in een tijd van innerlijke verscheurdheid en afschuwelijke godsdienstoorlogen, vrijwel ongehinderd een eigen staat opgericht. De onderneming deed zelfs geen moeite om van logo te wisselen: het beeldmerk bleef als vanouds het zwarte hamerkruis van de Duitse kruisridders. In dit licht is het besluit van Maschereel wellicht op een andere manier te verklaren.

Het antwoord is dat de Duitse Orde in die dagen diffuus was geworden, onzichtbaar zelfs. Maschereel was mogelijk niet op de hoogte gesteld of vertrouwde de zaak niet. Hij wist niet wie zijn vrienden waren: de katholieke Habsburgse tak gelieerd aan Spanje of de lutherse splinterorde die onder Von Brandenburg en de Prui322 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 322 sische adel aansluiting zocht bij de ontwikkelingen in Holland. Moest hij het geheim overhandigen aan de Spanjaarden of aan de Oranjes? Ook kan de kwestie Pruisen een agendapunt zijn geweest op de bijeenkomst te Alden Biesen, waarin collectief besloten werd het Geheim aan de nieuwe Vughtse commandeur in bewaring te geven: ver van de Duitse grens. Hoe de Duitse Orde zelf stond ten opzichte van het

Huis in Vught, was vooralsnog onduidelijk. Het kon zijn dat de orde haar belangstelling voor het Geheim verloren had, maar waarschijnlijk was dat niet. Mogelijk achtte de Duitse zetel het eveneens verstandig om het in de hertogstad onder te brengen, hoewel zij toch had moeten zien aankomen dat deze spoedig onder vuur van de Spanjaarden zou komen te liggen. Gaandeweg zouden we erachter komen dat Duitsland vermoedelijk niet betrokken was bij de beslissing. Toen de nieuwe commandeur de opdracht accepteerde om de inhoud van de Vughtse kluis mee naar Den Bosch te nemen, was dit in het diepste geheim. We zouden ons zelfs gaan afvragen of de landscommandeur wel op de hoogte was van deze zet, of dat Cortenbach het een en ander had bedisseld met zijn neef Maschereel. Het is heel goed mogelijk dat Maschereel op het Geheim is blijven zitten totdat de kwestie zichzelf had opgelost. Maar er was en probleem: de Tachtigjarige Oorlog duurde ook werkelijk 80 jaar. Floris Maschereel als bewaker van het Geheim

In de jaren dat Willem van Oranje pogingen deed om een staats leger op te zetten en Spanje zich middels Alva deed gelden in de zuidelijke Nederlanden, verbleef Floris Maschereel zoals gezegd in s-Hertogenbosch. De commandeur van Vught vestigde zich niet bepaald in een achterafstraatje. De Sint-Jorisstraat heette eerst de Hulsstraat of de Hoelstraat, maar werd later genoemd naar de Sint-Joriskapel die zich in vroeger tijden op de hoek van de straat bevond. Het 323 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 323 was een voor die tijd brede, lichte straat met voorname huizen aan weerszijden. Zo bevonden zich er het gasthuis van de familie Van den Broeck, een geslacht dat de nodige aanzien had, en dat in de Sint-

Janskathedraal een eigen grafkelder bezat. Andere voorname buurtbewoners waren de Van Bokhovens, de Van Baexen en de adellijke familie Proening van Deventher, die in het bezit was van kasteel NieuwHerlaer bij Maurick. Een zijstraat van de SintJorisstraat, de Keizerstraat, ontleende haar naam aan Karel V, die verschillende malen in een huis aan deze straat logeerde. In de Sint-Jorisstraat waren verschillende kloosterhuizen, waaronder het kartuizerklooster dat zich aanvankelijk in de Taalstraat in Vught had bevonden: pal tegenover het commandeurshuis van de Duitse Orde. Nadat het klooster in 1577 door staatse troepen in de as was gelegd zochten de kloosterlingen een heenkomen in een refugiehuis in de Sint-Jorisstraat, zodat ze opnieuw buren werden van de Duitse priesters. Een andere geestelijke instelling was het kruisbroederklooster, dat zich achter de Sint-Jorisstraat bevond. Een klein straatje met een poort verbond de twee. De kerk van de kruisbroeders, de Kruiskerk, was net in 1569 tot parochiekerk verheven en er werd al gepraat over een uitbreiding van de kapel. Het huis van Maschereel zelf

stond zeer waarschijnlijk aan het einde van de SintJorisstraat, ongeveer waar nu het Huis van Bewaring is. 115 Het adres was Oude Hulst nr. 37. In de zestiende eeuw bestond er nog een doorvaarbare hekel (een overkoepeld binnenriviertje) waardoor vissers en kooplui vanaf de Singelgracht de stad konden binnenvaren. Dit riviertje (de Binnendieze) liep onder de Kruiskerk door in de richting van de Sint-Jorisstraat. De waterpoort in de stadsmuur werd beschreven als t poertken aen Massereels beemst tot de hekele after de Cruysbroederen. Bij het Maschereelshuis hoorde dus ook nog een buiten de stadsmuur gelegen weide. Het huis was omstreeks 1531 in bezit gekomen van Henrick Maschereel Janszoon, die het in 1545 deed toekomen aan zijn zoon Herbertus. Herbertus, zo blijkt uit stadsarchieven, bevond zich ten tijde van de overdracht in het buitenland, en wel in het gezelschap van Rene van Chalon, de Prins van Orange. Deze neef 324 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 324 van Willem van Oranje, aan wie hij zijn titel naliet, blijkt rond 1543 te gast te zijn geweest in het Maschereelshuis. Dit is dus in hetzelfde jaar waarin het commandeurshuis door Maarten van Rossum verwoest werd. Wat Chalon daar uitvoerde weten we niet, maar in januari van dat jaar, zo blijkt uit een Schepenakte uit Heusden, was hij er met Herbertus Maschereel en nog een paar hooggeplaatste lieden een korte tijd te gast. Herbertus had twee broers, Jan en Floris, en het was Floris aan wie hij het huis naliet. Of Floris en Chalon elkaar ontmoet hebben is niet zeker, maar we herinneren ons dat er zich op het terrein van Zionsburg een huis bevond dat eertijds bekend stond onder de naam Prince van Orangien. Dit gebouw (Parva Domus), waarop we nog zullen terugkomen, werd later bewoond door de secretaris van Willem van Oranje, Nicolaas van der Stegen. Gesteld wordt dat het

daarom naar de Prins van Oranje werd genoemd. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat het is genoemd naar Rene van Chalon en dat er tussen Chalon en de Maschereels een bijzondere band bestond. In elk geval werd het Duitse Huis, zoals we gezien hebben, in 1543 verwoest. Aangezien Johan van Cortenbach toen nog commandeur was, is het niet waarschijnlijk dat Floris Maschereel er toen al woonde. Maschereel werd pas in 1549 officieel commandeur, ruim zes jaar nadat het Huis vernietigd was. Zat hij toen al in Den Bosch? Bij zijn broer wellicht? Dit is niet duidelijk. Misschien is er over de verwoesting van het commandeurshuis enige verwarring ontstaan, omdat het volgens sommige bronnen twee keer vernietigd is: een keer in 1543 door Van Rossum, en nog een keer in de latere jaren van de zestiende eeuw, vermoedelijk door de staatse troepen die ook het kartuizerklooster verwoestten. Het is namelijk verwonderlijk dat de hertog van Parma nog in 1586 verklaarde het Huis (le chateau et Commanderie te Vught) in sauvegarde te nemen. Een sauvegarde is een

gebeeldhouwd (ook geschilderd of uit hout gesneden) wapen boven de ingang van een klooster, kerkhof of hospitaal en strekt tot vrijgeleide en vrijwaring tegen inkwartiering of bezetting.116 Met deze toekenning nam de hertog dus het gebouw en haar bewoners 325 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 325 in bescherming. Waarom zou hij een huis willen beschermen dat in 1543 al vernietigd was? Ook was er in de jaren na 1543 nog sprake van een herbouw van de Lambertuskerk. Mogelijk hebben de commandeurs het Huis in 1543 tijdelijk verlaten en zijn ze later teruggekeerd. Hezenmans schrijft dat er in deze tussenliggende jaren sprake was van een korte opbloei waarin zowel het Duitse Huis als de Lambertustoren uit de as herrezen. Het is vermoedelijk ten gevolge van de tweede verwoesting door de staatsen, wellicht in 1577, dat Maschereel definitief besloot het commandeurshuis

in s-Hertogenbosch te vestigen. Natuurlijk is het ook meer dan mogelijk dat Maschereel zich nooit in Vught gevestigd heeft, maar als commandeur altijd al in de stad bleef, zoals de nog bestaande documenten over de Duitse Orde in Vught ook lijken te bevestigen. Hoe en wanneer Maschereel het geheim van Zionsburg in handen kreeg weten we dus niet. De vraag is wat ermee gebeurde. In 1543 was er in de stad wel degelijk sprake geweest van een dreiging. In dat jaar leende de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap de stad Den Bosch 300 gulden om de acties tegen Maarten van Rossum te bekostigen. (Misschien omdat ze wisten dat Maarten het op last van Karel V op de commanderij van Vught had voorzien). Ook werden er huizen afgebroken die zich buiten de stadsmuur bevonden, dit om de verdediging te vergemakkelijken. Burgers werden opgetrommeld uit elk huis en om de verdedigingslinies op te hopen.117 Maar het was in de periode van de staatse dreiging dat

de stad definitief op slot ging. Tegen de tijd dat Maschereel zich als commandeur blijvend binnen de muren terugtrok, heerste er een gespannen sfeer. Lieden die ervan verdacht werden met de staatse vijand te heulen, werden op de Markt opgehangen. Op de stadswallen werd dag en nacht wachtgelopen. De poorten werden zwaarbewaakt. Elke avond bij zonsondergang werden ze gesloten. Binnen de muren waren de straten smal, donker en smerig; straatverlichting werd pas in de achttiende eeuw een vertrouwd gezicht. Had de stad altijd al onder overstromingen te lijden, in de aanloop naar de Tachtigjarige Oorlog werden steeds meer polders rond de 326 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 326 stad bewust onder water gezet. De weg naar Vught stond sowieso vrijwel het hele jaar onder water. Soms

moesten er veerponten aan te pas komen, hetgeen het gevoel op een eiland te zitten zal hebben versterkt. In die dagen stond Den Bosch dan ook bekend als de Moerasdraak. Alles duidt erop dat Maschereel zich in de beginjaren van zijn verblijf gewoon thuis ophield. Het Maschereelshuis stond in die tijd min of meer bekend als het nieuwe Duitse Huis; in feite als een refugiehuis zoals elke bedreigde kerkelijke instelling er een had. Maar Maschereel was geen gewone katholieke vluchteling. Hij wist niet hoe de vlag er in Duitsland bij hing en wie hij kon vertrouwen. Was de Duitse Orde als zij nog bestond een katholieke of protestantse organisatie? Waren er werkelijk interne conflicten of was dit maar schijn? Zaten er mensen achter het Geheim aan en zo ja, wie kon hij dan verwachten: Habsburgse ridders of lutherse renegaten? En zouden ze hem als een vriend of een vijand beschouwen? Welbeschouwd wist hij niet eens of hij, als commandeur van de orde, zelf paaps of hervormd was. Naar alle

waarschijnlijkheid nam hij contact op met de Lieve Vrouwe Broederschap, hij was tenslotte een Zwanenbroeder die nog in 1590 vergaderingen voorzat. Of hij zijn medebroeders het Geheim toevertrouwde lijkt daarentegen onwaarschijnlijk, maar het is mogelijk dat de broederschap op de een of andere manier betrokken was bij het bewaken ervan. Wellicht verdween het in de kelder van het Zwanenbroedershuis of werd het verborgen in de Broederschapskapel in de Sint-Jan. Dit laatste valt zeer te betwijfelen, aangezien de kapel nog in 1566 door beeldenstormers was belaagd. In dat jaar sloeg de protestantse weerzin tegen de kerk om in een vlaag van vernielzucht en viel de Sint-Janskathedraal ten prooi aan de beeldenstorm. Door dapper optreden van ene Dominicus Beyens, rentmeester van de broederschap, werd de kapel enigszins ontzien. Maar minder dan twee maanden later was het weer raak. Deze keer moest de kapel het ontgelden, hoewel de meeste kostbaarheden toen al door de broeders in veiligheid waren gebracht. Maar reeds daarvoor, in 1557, hadden er

geheimzinnige gebeur327 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 327 tenissen plaatsgevonden: ontwikkelingen die Maschereel aan het aarzelen moeten hebben gebracht of de Zwanenbroeders nog wel te vertrouwen waren. Zwarte Ruiters Op een kille nacht van dat jaar, een jaar nadat Floris Masschereel vier zwanen aan de broederschap had geschonken, werden de bewoners van de binnenstad opgeschrikt door het geluid van tientallen paarden met ruiters. Dit waren duidelijk geen soldaten of ordinaire huurlingen. Dit waren lieden van een heel ander slag. De Bosschenaar die toevallig uit zijn raam keek op dat moment zou zeker zijn ogen uitwrijven, verbaasd over de vreemde stoet ruiters die zwijgend langs zijn raam

trok zo midden in de nacht. De verlaten Bossche binnenstad vulde zich met het gebries van paarden en het geklop van hoeven. Voor aan de stoet reed een lange, statige heer, gehuld in een vuilgrijze mantel. Hij hief zijn rechterhand en gebaarde zijn ridders stil te houden voor een huis. Hij klopte zijn paard op de manen en stapte af. De anderen verroerden zich niet. Een man met een lantaarn stond in een deuropening en snelde met kleine stappen op de leider toe. Ze fluisterden even. De komst van de zwarte ruiters was bekend. De Duitse hertog Erik van Braunschweig wendde zich tot zijn ridders en beval hen af te stappen. Terwijl een aantal bedienden zich over de paarden ontfermde, betraden de ridders het Zwanenbroedershuis. Het archief van de broederschap spreekt over Swartte Ruyteren die enige tijd onderdak genieten in het Zwanenbroedershuis. Wat er bedoeld wordt met zwart is niet duidelijk, maar het had zeker niets te maken met de kleur van hun mantels. De kleurduiding lijkt eerder te verwijzen naar de aard van de missie. Wanneer wij vandaag de dag spreken over black operations als we het over spionageactiviteiten

hebben, zo doelde de kroniekschrijver van de Zwanenbroeders op een geheime opdracht van de ruiters en hun aan328 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 328 voerder. Er was iets met deze missie wat het daglicht niet kon verdragen. De leider van het vreemde gezelschap was de Duitse hertog Erik van Braunschweig. We waren deze naam, die in het Nederlands als Brunswijk wordt uitgesproken, al eerder tegenkomen. De familie Van Brunswijk behoorde tot een oud Welfisch geslacht dat heerste over een groot gebied ten zuiden van Bremen. In een eerder hoofdstuk is Luther van Brunswijk genoemd, die als grootmeester van de Duitse Orde de pactleden van Woeringen ontving in Marienburg. We zouden de naam nog vaker

tegenkomen. Niet lang voor het bezoek van de ruiters aan s-Hertogenbosch was Helena van Kleef, hertogin van Brunswijk, toegelaten tot de broederschap. De band tussen de broederschap en Kleef was zoals we weten meer dan hecht. En het hertogdom Brunswijk had een aandeel in de taart. We weten dat Erik van huis uit katholiek was en een agent van Karel V. Tegelijkertijd werd hij door rabiate katholieken verdacht van geheime lutherse sympathieen. In de ogen van de katholieke Zwanenbroeders echter kon hij niets fout doen. En nu hadden zij de machtige Duitse bondgenoot te gast aan hun tafel. Opmerkelijk is dat de hertog van Brunswijk niet stond ingeschreven als broeder, en ook niet als buitenlid. Toch valt juist hem de eer te beurt als hoog bezoek te worden verwelkomd. Van hem zijn verschillende wapenfeiten bekend en hij werd algemeen gerespecteerd als een vermaarde krijgsheer. Wat de reden van zijn bezoek aan Den Bosch was blijft onduidelijk. Wel weten we dat hij flink van zijn route was afgeweken. De geheimzinnigheid waarmee het

bezoek gepaard ging, wijst op een zaak die geen uitstel duldde. In het licht van eerdere speurtochten mogen we ervan uitgaan dat ook Erik en zijn zwarte ruiters een poging ondernamen om het Geheim na te speuren. De vraag is of zijn missie werd ondernomen in opdracht van Karel V of op eigen initiatief. Van Dijck zegt er verder niets over. Behalve in de archieven van de broederschap wordt nergens melding gemaakt van zijn bezoek aan s-Hertogenbosch. Het zou niet de laatste keer zijn dat de stad zich mocht verheugen in bezoekers uit Brunswijk. Zijn 329 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 329 opvolgers en navolgers zouden Den Bosch nog vaak aandoen, in vergelijkbaar schimmige omstandigheden. Aangezien het zeer wel mogelijk is dat Brunswijk (wiens voorvaderen in de veertiende eeuw Duitse

ridders en grootmeesters waren geweest, wiens voorzaat Luther het archief van de orde had opgezet) informatie kwam inwinnen over de huidige verblijfplaats van het Geheim, lijkt het niet waarschijnlijk dat Maschereel de schat daar nog veilig achtte. De eenheid binnen de Zwanenbroeders was bovendien ook niet meer wat ze geweest was: de leden ruzieden over dezelfde godsdienstige kwesties die de rest van Europa verscheurden. Als Maschereel het Geheim wilde behoeden voor conflicten binnen de Duitse Orde, zal hij bij de Bossche broeders evenmin iets te zoeken hebben gehad. Toch is het denkbaar dat hij, als gezworene, contacten bleef onderhouden met medebroeders, en dat hij deze medeplichtig maakte aan zijn taak als schatbewaker. Een huis dat zo openlijk bekend stond als de nieuwe residentie van de Duitse Orde, was wellicht ook niet de meest uitgelezen plek om een kostbaar Geheim te bewaren. Waar hij het Geheim ook verborg, in 1585 gebeurde er wederom iets wat Maschereel en zijn broeders moet hebben verontrust. Nieuwsgierige Spanjaarden

Filips van Hohenlohe, de vriend van Willem van Oranje, deed een poging Den Bosch in te nemen. We hebben Hohenlohe al leren kennen als iemand met aanzienlijke connecties met de Duitse Orde. Het was zijn familie die in 1525 haar burcht in Mergentheim ter beschikking stelde aan de grootmeester, zodat dit de nieuwe hoofdzetel van de orde werd. Ook maakte hij deel uit van het clubje rond Brederode en Lodewijk van Nassau: het Verbond der Edelen dat Willem ertoe wilde bewegen steun te zoeken bij de Duitse adel. Al in 1577 had Hohenlohe in Vught zijn tenten opgeslagen in een verknoeide poging de stad in te nemen. Het waren zijn troepen die Vught toen bijna met de grond gelijkmaakten, het330 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 330 zelfde jaar waarin de kartuizers en waarschijnlijk ook de Duitse priesters binnen de stadsmuren vluchtten.

Was Hohenlohe op een wilde plundertocht net als Maarten van Rossum dertig jaar eerder? Of was van Hohenlohe op zoek naar de inhoud van de Vughtse kluis? Evenals Van Rossum lijkt Hohenlohe uit pure frustratie in het dorp tekeer te zijn gegaan. Dat hij daar het Duitse commandeurshuis en de Lambertustoren bestookte is gezien zijn achtergrond wel erg vreemd. We merken nogmaals op dat zijn familie niet minder dan twee grootmeesters leverde en nog betrekkelijk kort tevoren haar burcht aan de katholieke orde had afgestaan. Bovendien probeerde hij Den Bosch niet stormenderhand te veroveren, maar een overeenkomst te bereiken met de Duitse hulptroepen die de stad hielpen beschermen. Hier deed hij dus duidelijk een beroep op zijn Duitse nationaliteit. Dan is er nog de discutabele haalbaarheid van zijn onderneming. In 1577 had Hohenlohe niet bepaald een reusachtig leger voorhanden en in 1585 evenmin. Het feit dat hij met een betrekkelijk kleine eenheid probeerde om Den Bosch de machtige Moerasdraak, de vrijwel onneembare

vesting op de Spanjaarden te veroveren is moeilijk te geloven. Hij was of erg onbesuisd of erg dom. Zijn missie was wellicht een stuk bescheidener. We herinneren ons dat juist in deze tijd het contact met de Duitsers op het spel stond, en mogelijk begaf Hohenlohe zich naar de Vughtse commanderij om het Geheim op te sporen. Hohenlohe was een guerrillastrijder, iemand die ervan hield de vijand kleine slagen toe te dienen en dan te maken dat hij wegkwam. Hij was geen grote legeraanvoerder op de manier zoals Maurits en Frederik Hendrik dat later waren. Toch kende hij als aanvoerder grote successen: in 1578 veroverde hij Deventer, in 1584 Terneuzen. De manier waarop hij Den Bosch in 1585 wilde innemen is niettemin wel erg kolderiek. In plaats van de stad te belegeren en te bestoken verzamelde hij midden in de nacht een groepje soldaten en sloop in stilte naar de Vughterpoort. Toen de bejaarde poortwachter, ene Marcelis Jochems, die ochtend in alle vroegte de poort opende, werd hij overvallen door Hohenlohe en zijn mannen. Ze sloegen hem neer en drongen in drie groepen de 331

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 331 stad binnen. Maar Marcelis, zo gaat de geschiedenis, kwam weer bij en sloeg alarm. Hohenlohe werd door de Bosschenaren aangevallen en moest de hielen lichten. Omdat men de poorten intussen gesloten had, waren hij en zijn mannen gedwongen over de muur in de gracht te springen. Aangezien het medio januari was, zal dit een alleszins onaangename ervaring zijn geweest. Een merkwaardige blunder van de man van wie gezegd wordt dat hij samen met Maurits de oorlogsvoering vernieuwde. Een verovering gestoeld op drie povere pelotons en een neergeknuppelde poortwachter is niet echt het werk van een militair genie. Let wel, dit is de man van het Turfschip, de Odysseus van de Tachtigjarige Oorlog. Kan het zijn dat Hohenlohe helemaal niet probeerde om Den Bosch in te nemen? 1585 was het jaar na de dood van Willem van Oranje,

en het is mogelijk dat het idee om de Duitse adel bij de Hollandse vrijheidsstrijd te betrekken nog niet was opgegeven. Misschien had het zelfs een nieuwe impuls gekregen. In de tijd die sinds 1577 verstreken was, waren Hohenlohe en anderen er ongetwijfeld achtergekomen dat het Geheim zich naar sHertogenbosch had verplaatst. Was dit de ware reden achter de merkwaardige inval: zat Hohenlohe achter Maschereel aan? Zijn drie pelotons waren dan geen veroveraars, maar opsporingsploegen. Hohenlohe wilde de stad niet innemen, maar doorzoeken. Ook in de daaropvolgende jaren keerde de Duitse graaf keer op keer terug naar Vught, steeds zonder resultaat. Gezien de interesse die er niet lang daarna voor het Geheim van Zionsburg zou ontstaan, is dit niet zon absurde gedachte als op het eerste gezicht lijkt. De kruisheren Maschereel maakte het einde van de vele belegeringen niet meer mee; hij overleed in 1608. Hij werd begraven in de naburige Kruiskerk, in die dagen nog toebehorend aan de kruisbroeders of de Ordo Sanctae Crucis. Zijn grafsteen is al lang verdwenen, maar we weten nog wel

wat erop stond. Een beschrijving uit 1773 beschrijft het graf als een blauwe zerksteen met uitgebeitelde figuren 332 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 332 en familiewapens. In het middelste vak of perk was de gedaante weergegeven van een man omhangen met een mantel tot op de voeten, hebbende op de linkerzijde van de borst een kruis in deze gedaante [een hamerkruis] en bovenaan in dat vak aan weerszijden van het hoofd een wapenschild, verbeeldende aan beide kanten hetzelfde, namelijk een kruis [alweer een hamerkruis]. Boven aan de grafzerk was het wapenschild van Maschereel. De kruisbroeders vormen een verhaal apart. Deze orde werd in 1211 in het Belgische Hoei gesticht door een paar kanunniken, in het bijzonder Theodorus van Celles. De broeders modelleerden zich naar Frans voorbeeld (de Croises)

en namen hun leefregels over van de heilige Augustinus. Hun liturgie is vooral afkomstig van de dominicanen. Maar dit zijn niet de enigen bij wie ze leentjebuur speelden. De kruisbroeders voerden (en voeren nog steeds) een hamerkruis naar het voorbeeld van de drie grote ridderorden. In feite is hun wapen een letterlijke kruising tussen het tempelierskruis en het Maltezer kruis: half rood, half wit. Het hamerkruis was in de Middeleeuwen een populair logo dat door verschillende kerkelijke instanties gebruikt werd. Maar er is meer. Oprichter Theodorus van Celles (of Cellesius) ging op 21-jarige leeftijd mee op de Derde Kruistocht naar het Heilige Land. Inderdaad, de kruistocht waarin de Duitse Orde voor het eerst werd opgericht op het strand bij Akko. Geschiedschrijvers vermelden dat hij toen de orde leerde kennen. Interessant om te melden is dat de Duitse ridders in Palestina ook wel Ridders van het Kruis werden genoemd. Eenmaal terug in zijn land omhelsde hij den geestelijken stand, bemoeide zich met de plaatselijke kruistocht tegen de Franse Albigenzen en in 1211 schonk de bisschop van Luik (die zijn benoeming aan de Duitse koning Otto IV te

danken had118) hem de kerk van Hoei (Huy). De Heren van het Kruis waren feitelijk vroege missionarissen. Het hoofddoel was het verspreiden van het evangelie. Na een veelbelovende start waarin ze huizen en kerken stichtten in Engeland, Duitsland en de Lage Landen, ging het bergafwaarts en in 1840 werd Ordo Sanctae Crucis zo goed als ontbonden. Hun ondergang had minder te maken met godsdienstige vervolging dan met gebrek 333 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 333 aan belangstelling. Na 1840 was er een doorstart, maar tegenwoordig heeft de orde wereldwijd niet meer dan 600 leden. Het hoofdkwartier is in Rome, maar twee belangrijke huizen bevinden zich in Nederland: in Sint Agatha en in Uden.

Zoals we zagen was er ten tijde van Maschereel een kruisbroederskapel in s-Hertogenbosch, vlak achter de Sint-Jorisstraat. Deze vroege kapel was over de Binnendieze gebouwd en was bereikbaar door een klein poortje. De omringende kloostergemeenschap behuisde zowel kruisheren als volgelingen van de heilige Catharina. De kapel werd in die tijd uitgebreid en het koor kwam waarschijnlijk in 1542 gereed. Twintig jaar later was er al sprake van een parochiekerk en kwamen er nieuwe uitbreidingen. Waarom werd Maschereel juist hier begraven? Waarschijnlijk omdat hij een begunstiger was van het klooster. Maar wat hij met de kruisbroeders had is een beetje raadselachtig. De archieven van de Bossche kruisheren zijn verloren geraakt, maar we weten dat het klooster geen goede reputatie genoot. Leden van de kruisheren waren vaak onruststokers en beeldenstormers, getuige een kruisheer uit Namen, die tot het convent had behoord: deze hanteerde tijdens de beeldenstorm een moker om in de kathedraal altaren kapot te slaan.119 Was hij werkelijk een iconoclast of

was hij ergens naar op zoek? Wisten de kruisheren meer dan zij lieten blijken? Net zo raadselachtig is de vondst in de oude Kruiskerk van wat men het Wonderkruis is gaan noemen. De legende gaat dat omstreeks het jaar 1500 een ziek meisje een hostie uitbraakte in de kloosterkerk en deze verstopte onder een plavuis. Jaren later, toen de vloer moest worden vernieuwd, ontdekte men op dezelfde plaats een bizar houten beeldje van de gekruisigde Christus. De kruisheren stuurden een bericht van de wonderlijke vondst naar de bisschop van Luik, die op 13 april 1517 een aflaatakte verleende, waarmee hij de toestroom van pelgrims hoopte te stimuleren.120 Dezelfde truc was jaren eerder met succes toegepast op het Mirakelbeeld in de Sint-Jan, dus waarom niet. Grootste pleitbezorger van de hostielegende was een Duitse kruisheer, Arnoldus Hertzworms genaamd. De aflaatregeling schijnt de uitbreiding van de 334 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 334 kloosterkerk tot gevolg te hebben gehad, maar het Wonderkruis moest het in populariteit afleggen tegen het befaamde Mariabeeld. Het beeldje zelf is uiterst vreemd. Het lijkt op een vergroeide boomwortel en doet wel denken aan een misgeboorte. Het is ongeveer 15 centimeter groot. Pater H. Linnebank oppert dat het gemaakt is van alruin.121 Alruin is de knolvormige wortel van een plant die rond de Middellandse Zee groeit: de mandragora (in het Engels mandrake). De vorm van deze wortel doet uit zichzelf al aan een mannetje denken; de naam is waarschijnlijk afgeleid van een woord dat manswortel betekent. Bij de Germanen was de bewerking ervan in mensachtige figuurtjes erg populair. Het Wonderkruis is echter te specifiek een menselijke gestalte om door de natuur te zijn voortgebracht. Niettemin bleven de kruisheren het zien als een onverklaarde, wonderlijke zaak. Volgens de verhalen bleef het beeldje groeien totdat het in 1629,

bij de verovering van Den Bosch, met de vluchtende kruisheren naar Uden ging, waar het tot op de dag van vandaag in de kloosterkerk wordt bewaard. Architect Jan van der Eerden vraagt zich echter af of het wel een Christusbeeldje is. Hij schrijft: de houding van het lichaam hoeft daar niet op te wijzen en bovendien draagt het geen doornenkroon. Achter en boven het hoofd zit een getormenteerde strang die samen met een strang achter de benen zeker wel de suggestie oproept van een kruishout. Maar dit verticale kruishout is wel erg krom en bovendien loopt het achter het lichaam niet door, terwijl een horizontale dwarsbalk zelfs geheel ontbreekt. Vreemd genoeg doet het Wonderkruis veel meer denken aan de gekruisigde Wodan, of Odin. Odin, de oppergod in de Noordse en Germaanse mythologie, verwierf de Runen der Wijsheid door zich aan een boom (in sommige gevallen Yggdrasil, de wereldboom) te laten ophangen: Negen nachten hing hij aan de boom, gewond door een speer, mijzelf geofferd aan mijzelf.

Om uit de bron van wijsheid te mogen drinken offerde Odin bovendien een oog aan de dwerg Mimir. Net als de aanvoerder van de Bataven, Julius Civilis, had hij dus maar en oog. Aan het beeldje is niet te zien of een oog lijkt te ontbreken. Wel wordt het beschreven als een beeltenis waarvan het rechteroog is blindgeslagen.122 We herinneren ons ook het 335 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 335 belang van Hercules Magusanus in de streek: bij de Germaanse stammen uit de regio heette Hercules oorspronkelijk Donar de zoon van Wodan. Wij denken dan ook dat het in de Bossche Kruiskerk gevonden Wonderkruis in werkelijkheid een afbeelding van Wodan is, de Germaanse oppergod. Zou het Wonderkruis dat nu in Uden bewaard wordt het Geheim van Zionsburg kunnen zijn? Volgens het

verhaal werd het al aan het begin van de zestiende eeuw gevonden. De kruisheren in Uden beweren zelf echter dat de aflaat van de bisschop uit Luik pas in 1570 werd toegekend, dus omstreeks de tijd dat Maschereel commandeur in het Bossche werd. Maschereel kan het de kruisheren in bewaring hebben gegeven. Wellicht hebben ze het onder de vloer verstopt en in 1629 de stad uit gesmokkeld. De legende is er dan later bijbedacht om de vondst te verklaren. Dit zou duiden op een bijzondere betrokkenheid van de kruisbroeders bij Maschereel (en misschien ook de Duitse Orde). We brengen in herinnering dat de kruisheren het hamerkruis van de tempeliers en de johannieters droegen en dat de oprichter Cellesius tijdens de Derde Kruistocht op het idee kwam. In Den Bosch was er mogelijk sprake van een innige band tussen de kloosterlingen en de commandeur van de Duitse Orde. Maschereel werd in hun Kruiskerk begraven. De tegenwoordige Kruiskerk is al de derde op die plaats. De graven zijn verdwenen, net als alle andere aanwijzingen betreffende de vroegste gebruikers. Alleen het oorspronkelijke koor is bewaard gebleven.

Maar zelfs de huidige Kruiskerk (die uit 1916 stamt) heeft boven de poorten nog steeds een hamerkruis: en wel het zwarte hamerkruis van de Duitse Orde. Aangenomen dat het Wonderkruis niet het Geheim is, wat gebeurde er dan toen Maschereel stierf? Allereerst vermaakte hij het Maschereelshuis niet aan zijn familie, maar aan de commanderij. Volgens een codicil op zijn testament lag hij enige tijd op een ziekbed in Aarle, in het huis van zijn neef Johan Cortenbach. Het nagelaten bezit betreft vooral goederen in Nuenen en Casteren. Doodziek werd hij teruggebracht naar Den Bosch, waar hij 29 336 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 336 april stierf. In eerste instantie kwam zijn huis aan Cortenbach, vervolgens aan Werner Huyn van

Anstenraidt, eveneens familie van de Maschereels en landscommandeur van de balije Alden-biessen. Omdat het commandeurshuis van Vught nog steeds in puin lag, wees Van Anstenraidt het toe aan de volgende commandeur: Johan Raedt van Frenz. Vanaf dit moment waren de Vughtse commandeurs geen priesters meer. Ze bleven tot de officiele liquidatie van het Huis in het Maschereelshuis wonen. De Lambertuskerk werd in 1615 herbouwd. Maar de commanderij niet. In feite bleef het terrein braakgrond, hoewel het uiteindelijk verhuurd werd aan een landbouwer die er een klein huisje optrok. In de loop der jaren werd de aanspraak op Vught aangevochten door de staatse autoriteiten. In 1629 werd ze verbeurd verklaard en nooit teruggegeven. De Duitse Orde hield ten slotte de eer aan zichzelf. In 1663 werd de commanderij bij openbaar opbod verkocht en hield zij de facto op te bestaan. ...de naam van Vught, schrijft Hezenmans, verdween uit de registers, en zelfs uit de historie der Orde. De Reformatie, zo leek het,

maakte in alle opzichten een einde aan de macht van de Duitse Orde en wiste de eens zo cruciale commanderij uit het collectieve geheugen. En het Geheim? Nam Maschereel het mee in zijn graf, gaf hij het aan de volgende commandeur, of aan de Zwanenbroeders, of verborg hij het ergens in de stad? Zijn testament van 12 april maakt geen melding van geheime documenten of andere geheime zaken. Werd het, evenals het Mirakelbeeld en het Wonderkruis, in 1629 de stad uitgesmokkeld, misschien zelfs door de kruisheren? Niemand lijkt het te weten. In de twintig jaar na de dood van Maschereel werd de staatse dreiging steeds reeler en de prioriteit van alle betrokkenen verschoof naar zaken als oorlog, verdediging van soevereine rechten en lijfsbehoud. Er volgde een tijd van verandering, onzekerheid en onrust. Rond 1608 gebeurde er dan ook iets opmerkelijks: het Geheim van Zionsburg raakte zoek. 337 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 337 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 338 Hoofdstuk 14 De zoektocht begint Het Beleg van s-Hertogenbosch Een inwoner van s-Hertogenbosch die in mei 1629 wandelend langs de zuidelijke stadswal een blik over de kantelen had geworpen, zou ongetwijfeld de schrik van zijn leven hebben gehad. In het drassige landschap dat zich voor hem uitstrekte zou hij een reusachtig leger hebben gezien: een afschrikwekkende krijgsmacht met

duizenden manschappen, paarden, kanonnen en huifkarren. In de verte, op de Vughterheide, zou hij de rookpluimen van een groot legerkamp hebben kunnen ontwaren, de lichten van ontelbare vuren en flambouwen. Hij zou misschien het gehinnik van paarden hebben gehoord, de rauwe echos van gebiedende stemmen, het gedreun van marcherende laarzen, het geknars van wielen en het geklingel van schoppen, bijlen en houwelen. Wellicht zou hij glimpen hebben opgevangen van molens, dijken en vreemde inundatiewerken. Wat hij zag was het leger van Frederik Hendrik, de Stedendwinger. Frederik Hendrik was de jongste zoon van Willem van Oranje. Waar zijn oudere broer Maurits en ook Hohenlohe in de voorbije jaren gefaald hadden, zou hij slagen: hij zou de onneembare en onbereikbare stad Den Bosch veroveren en onderwerpen. Op 28 april van dat jaar was in de stad het bericht doorgedrongen dat het leger van de staatsen, zon 25.000 man, onderweg was en dat het bij Grave een brug over de Maas had gebouwd. Niet minder dan 150

schepen, beladen met oorlogstuig, kwamen over de Maas aanvaren en meerden aan in een naburige haven. Het Spaanse garni339 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 339 zoen dat in de stad legerde, was nauwelijks voldoende om de vijand uit het noorden het hoofd te bieden. De hoop dat de Stedendwinger misschien Wezel of Breda zou belegeren werd twee dagen later definitief tenietgedaan: Frederik Hendrik had het gemunt op Den Bosch, en dit keer zou zelfs het onbegaanbare moeras rond de stad hem niet tegenhouden. Vrijwel direct na aankomst begon hij met het aanleggen van een indrukwekkende circumvallatielinie, een manshoge dijk met een ontstellende lengte van zon 50 kilometer. De linie was meer dan een gevechtswal, het was een dijk die zijn ingenieurs in staat stelde het hele drassige gebied tot de laatste druppel leeg te pompen. Dit

staaltje belegeringskunst zorgde er niet alleen voor dat zijn leger zich met kanonnen en al naar de stadsmuren kon bewegen zonder in de modder weg te zakken, het zorgvuldig weggevoerde water zette al het land rond de dijk blank, zodat een te hulp snellend ontzettingsleger hem niet in de rug kon aanvallen. De linie werd ook nog eens omgeven door een smal kanaal waarover kleine scheepjes de bevoorrading konden verzorgen. Het ontstellende karwei werd in minder dan drie weken geklaard. Het leger bivakkeerde in het gedregde land binnen de dijk. De belegeraars waren onderverdeeld in vijf kwartieren: kolonel Willem Pijnssen bij Vlijmen, graaf Johan Albert van Solms bij Engelen, graaf Willem van Nassau bij Orthen, graaf Ernst Casimir van Nassau bij Hintham, baron Johan Wolfert van Brederode bij Den Dungen en Frederik Hendrik bij Vught.123 Ditmaal was geldgebrek niet aan de orde: Piet Hein had de Spaanse Zilvervloot veroverd en met die buit betaalden de staatsen hun omvangrijke belegering. Stad na stad viel onder de voortmarcherende noordelijke legers. Dankzij het werk van schrijver Peter-Jan van der Heijden124 kunnen we ons een voorstelling maken

van het leven binnen de Bossche stadsmuren: het aanvankelijke optimisme van de Bosschenaren en de Spaanse troepen, dat langzaam omsloeg in moedeloosheid toen bleek dat Frederik Hendrik zich niet liet wegjagen, zoals zijn voorgangers Maurits en Hohenlohe. Naarmate de belegering voortduurde, raakte de stad vergeven van nagelbijtende katholieken. 340 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 340 Levensmiddelen werden in toenemende mate gerantsoeneerd en de prijzen schoten omhoog. Woekeraars hadden de tijd van hun leven, totdat het stadsbestuur ingreep. Ontzettingstroepen kwamen druppelsgewijs de stad binnen, maar konden niet voorkomen dat het geuzenleger langzaam oprukte naar de stadsmuren. Het gewilde ontzet van graaf Hendrik van den Bergh (bizar genoeg een volle neef van

Frederik Hendrik)125 liet op zich wachten. De Bosschenaren lieten regelmatig hun kanonnen bulderen om de vijand bij hun werkzaamheden te hinderen, maar dat leverde weinig resultaat op. Af en toe klom men in de toren van de Sint-Jan om een goed uitzicht te hebben, en ongetwijfeld kon men dan de Vughtse Lambertustoren zien, van waaraf vijandelijke wachtposten terugstaarden naar de stad. Over en weer werden signaalvuren ontstoken: op de Sint-Jan en op de toren van Breda, om te melden dat boden de linies doorbroken hadden. Eind mei, toen ook aan staatse zijde de eerste schoten vielen, lagen er zoveel soldaten rond de muren dat er voor spionnen en boodschappers geen doorkomen meer aan was. De maand juni werd in beslag genomen door beschietingen en het aanleggen van loopgraven rond de stad; deze maakten het voor de Hollanders mogelijk om steeds dichter bij de stad te komen en daar kanonnen in stelling te brengen. Kogels en vuurballen drongen steeds verder in de stad door. Per dag werd zon 600 kilo lood afgevuurd. Ongelukkige burgers verloren

ledematen of werden finaal doormidden geschoten. Toen het Spaanse ontzettingsleger van graaf van den Bergh in juli eindelijk arriveerde, braken er felle gevechten uit, maar zelfs toen zette de belegering door. Op 19 juli kwam Frederik Hendrik tot vlak voor de poorten: het werd iedereen duidelijk dat hij zich niet liet weerhouden. Eind juli verdween het ontzettingsleger weer: de belegeraars zaten te goed verschanst. Kasteel Maurick: het hoofdkwartier van Frederik Hendrik Tijdens het beleg van Den Bosch verbleef aanvoerder Frederik Hendrik in Vught, van waaruit hij de stad het best kon bestoken. 341 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 341 Aanvankelijk bivakkeerde hij op de Vughterheide, een spookachtig heidegebied ten zuidwesten van Den Bosch, niet ver van Zionsburg. Ongeveer daar waar in het jaar 1600 de Slag van Lekkerbeetje had

plaatsgevonden: een van de laatste, zo niet het laatste grote riddergevecht van de Middeleeuwen. Het slagveld, dat nagenoeg geen sporen heeft nagelaten,126 diende Frederik Hendrik tot kampement totdat hij zijn intrek nam op het naburige adellijke landgoed: het Heymshuis, vandaag de dag beter bekend als kasteel Maurick. Toen Frederik Hendrik tijdens het beleg van Den Bosch van het kasteel zijn hoofdkwartier maakte, was hij niet de eerste. Jonker Arndt Heym, een neef van Aert, had het huis al twee keer moeten verlaten omdat Prins Maurits, de broer van Frederik, het in 1601 en 1602 voor hetzelfde doel opeiste. Toen Frederiks admiraliteit van Maurick haar thuis maakte, besloot Jonker Hendrik Heym, de zoon van Arndt, het kasteel te ontvluchten. Hij zocht toevlucht binnen de stadsmuren. Frederik zelf woonde in een van de torens, vanwaar hij een goed uitzicht had over de

belegeringswerken van Den Bosch. Het was vanuit dit kasteel met haar bewogen geschiedenis dat de strijd om de stad van start ging. Frederik zat daar niet in zijn eentje. Zijn secretaris was de befaamde schrijver Constantijn Huygens, en deze kreeg het naburige landhuis Muyserick toegewezen. Ook kasteel NieuwHerlaer werd geconfisqueerd.127 De Heren van Herlaer troffen we al aan in de Sint-Jorisstraat en op andere plaatsen in Den Bosch. Het kasteel bij Gestel werd de residentie van nieuwsgierige ramptoeristen als de koning van Bohemen en zijn vrouw. De aanwezigheid van deze vorst verbaasde ons in eerste instantie. De officiele koning van Bohemen was op dat moment Ferdinand III. Diens broer Leopold werd in 1641 grootmeester van de Duitse Orde. Was Frederik Hendrik in het gezelschap van afgevaardigden van de Duitse Orde? De koning van Bohemen, wordt er gezegd, wenste het strijdtoneel in ogenschouw te nemen. Het is verleidelijk te denken dat orderidders uit Mergentheim zich in de nabijheid van de stad vestigden om erbij te zijn wanneer deze viel. We weten dat de uittocht van het Spaanse garnizoen na de verovering

werd gadegeslagen 342 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 342 door vele Europese nobelen.128 Op de Vughtse Heide werd voor de gelegenheid een soort grenspost opgericht, een kamp van waaruit de aanwezige bermtoeristen de verslagen katholieken aan zich voorbij konden zien trekken. Wilden ze erop toezien dat het Geheim niet naar buiten werd gesmokkeld? Het idee dat Frederik zat opgezadeld met waarnemers van de Duitse Orde is aantrekkelijk en niet ondenkbaar. Maar koning Ferdinand II stond aan de zijde van de katholieken en zond zelfs versterkingen naar het Spaanse leger. Wat deed hij in het gevolg van Frederik? Nader onderzoek wees uit dat er met de

koning van Bohemen de Winterkoning Friedrich V werd bedoeld, zo genoemd omdat hij slechts een winter lang koning was geweest. Friedrich was een calvinist die op de troon was gezet om te voorkomen dat de aartsreactionaire Ferdinand de Bohemers zou onderwerpen. De zet liep uit op een catastrofe. De calvinisten werden op een verpletterende manier verslagen en Friedrich week uit naar Holland. De opstand van de Bohemers wordt wel gezien als het begin van de afschuwelijke Dertigjarige Oorlog. Friedrich was overigens familie van de Van Nassaus en getrouwd met Elizabeth Stuart, de dochter van James I van Engeland. Hij liefhebberde in esoterische zaken en zijn hof in Heidelberg was een centrum van occultisme, rozenkruisers en vrijmetselarij. Friedrich is binnen de wereld van de rozenkruisers dan ook geen onbekende figuur. Er wordt over hem beweerd129 dat zijn besluit om de kroon van Bohemen op te pakken een idee was dat hem door anonieme rozenkruisers werd opgedrongen. Toen we wat meer graafwerk verrichtten, bleek dat Friedrich afkomstig was uit het Beierse Huis van Wittelsbach. De Wittelsbachers waren wel weer

leden van de Duitse Orde. Een lid van de familie zou een eeuw later zelfs tot grootmeester worden uitgeroepen. Het zou interessant zijn te weten wat hij bij het beleg van s-Hertogenbosch kwam doen. 343 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 343 De Oranjes na Willem de Zwijger Vanaf 1600 zien we geen banden meer tussen de Duitse Orde en de Nederlanden. Het Duitse Huis in Utrecht had zich officieel van de orde afgescheiden. Van een openlijke samenwerking, zoals in de tijd van de Hanze, is in deze tijd geen sprake meer. Er wordt zelfs oorlog gevoerd wanneer de Hollanders een conflict met Denemarken uitbuiten om zich als nieuwe soevereine staat te doen gelden. Maar zijn daarmee

ook alle geheime afspraken van tafel? We vergeten iets. De Duitse Orde transformeerde zich, zoals we hebben gezien, in de zestiende eeuw tot de ordestaat Pruisen. Deze nieuwe legitimatie als hertogdom zorgde ervoor dat de orde een openlijker internationaal beleid kon voeren. Er mag na Willem de Zwijger dan geen sprake meer zijn van deals tussen de Oranjes en de Duitse ridders, de verbintenissen tussen de Oranjes en Pruisen zijn legendarisch. Nederlanders weten maar al te goed hoe nauw de banden zijn tussen Nederland en de DuitsPruisische adel. Een aardig voorbeeld mag deze Duitsheid illustreren. Wij waren aanvankelijk van mening dat koningin Beatrix beschermvrouwe was van het Duitse Huis in Utrecht. Toen we hiernaar informeerden, bleek dit absoluut niet het geval te zijn. De Oranje-Nassaus, zo liet Utrecht ons weten, konden helemaal geen lid worden. Het Duitse Huis in Utrecht laat alleen maar Nederlandse adel toe en het Nederlandse koningshuis is overduidelijk Duitse adel. Volgens de strenge wetten van de adel wordt blauw bloed via de vaderlijke lijn doorgegeven: koningin Beatrix is dus niet van Nederlandse adel, evenmin als

haar moeder en grootmoeder! Na het fiasco met Willem van Oranje begonnen de Duitsers zich opnieuw intensief met de Oranjes bezig te houden. Vanaf Frederik Hendrik is er opnieuw een duidelijke Teutoonse invloed te bespeuren. Het Staatse leger bestond in de laatste jaren van de zestiende eeuw vooral uit Duitse huurlingen.130 In een rap tempo werden er talloze Hollands-Pruisische betrekkingen aangeknoopt. In het verloop van de zeventiende eeuw, waarin de Oranjes weinig subtiele pogingen deden om het stadhouderschap te bemachtigen en de StatenGeneraal de grootste moeite had om de intens populaire 344 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 344 Oranjekliek buiten de deur te houden, deden de Nassaus herhaaldelijk (onophoudelijk) een beroep op

de Pruisen. Verderop zullen we nog aantonen dat de Oranjes tot op de dag van vandaag vertegenwoordigers zijn van de Teutoonse agenda. De verovering van sHertogenbosch We verlieten het staatse leger op het ogenblik dat de Spaanse ontzettingstroepen, die er niet slaagden de staatse linies te doorbreken, de aftocht bliezen. Aanvoerder Hendrik van den Bergh schreef om te voorkomen dat hij van verraad werd verdacht (hij was immers familie van Frederik Hendrik) een apologie waarin hij verklaarde dat de door Frederik opgeworpen dijk en de omringende inundaties het hem onmogelijk maakten een fatsoenlijke belegering op poten te zetten. Met die verklaring was Den Bosch op zichzelf aangewezen. De verdedigers van de stad werden door de aanblik van het vertrekkende leger dusdanig gedemoraliseerd, dat er van krachtige uitvallen nauwelijks nog sprake was. De Bossche burgers, die teleurstelling op teleurstelling hadden moeten verwerken, konden de berichten over ontzettingslegers niet meer horen en toen er krijgsgevangenen kwamen

aanzetten met rooskleurige verhalen, werden ze uit frustratie doodgeslagen. Toen op 13 augustus de stadsgracht bereikt werd, was Frederik zo enthousiast dat hij de Staten-Generaal berichtte dat hij binnen twee weken zeker de stadsmuur onder handen zou kunnen nemen. Op 31 augustus brak er in de stad ook nog eens een muiterij uit toen een aantal Duitse(!) huursoldaten weigerden nog een poot uit te steken. De honger was groot. Bewoners aten hun eigen kat op en loslopende honden waren hun leven niet zeker. Op 11 september werd er een bres geslagen in Bastion Vught, een kardinaal punt in de Bossche verdedigingswal. Een enorme explosie, veroorzaakt door een zorgvuldig ingegraven mijn, sloeg een gapend gat in de stadsmuur en maakte een eind aan de Bossche verdediging. Er restte Den Bosch niets anders dan over de capitulatie te onderhandelen. Frederik Hendrik was niet te beroerd om in het capitulatie345 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 345 verdrag te laten opnemen dat de katholieken na de inname vrijelijk de stad mochten verlaten. Onder die voorwaarden gaf Den Bosch zich op 14 september over aan de Hollanders. Den Bosch capituleerde en jonker Hendrik Heym kreeg eindelijk zijn uitgewoonde en danig verbouwde kasteel terug. De vestingmuren rond het eiland waren gesloopt en de bijgebouwen werden hersteld met stenen muren. Hendrik koos ervoor de katholieken trouw te blijven en mocht geen functies meer vervullen in Den Bosch. De zware belastingen en de geringe inkomsten uit zijn boerderijen betekenden evenwel het einde van de Heyms. Op 19 september wandelde Frederik Hendrik de Sint-Jan binnen en woonde er, in een danig beschadigde kerk, de eerste protestantse dienst bij. De machtige Moerasdraak was gevallen; Vondel had weer wat te doen en schreef er een leuk gedicht over. De

Broederschap en haar vijanden Hoe was het de Lieve Vrouwe Broederschap intussen vergaan? Hoe waren de Bossche broeders de oorlogsjaren doorgekomen, en wat gebeurde er toen sHertogenbosch na 1629 in protestantse handen overging? Even een korte terugblik: In de zestiende eeuw zien we allereerst een stabilisatie, vervolgens een terugloop van het aantal leden. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de Lieve Vrouwe Broederschap aan populariteit inboet en dat de organisatie daarmee op haar retour is. Niets is minder waar. De broeders, die zich een eeuw eerder nog zo hadden ingespannen om leden te werven en procuratoren aan te stellen, lijken zich totaal geen zorgen te maken. Er worden geen pogingen ondernomen om de societeit met nieuwe belangstellenden aan te vullen. De administratieve

rompslomp levert te veel gezeur op, en als er al geen sprake is van een ledenstop, dan wel van een gematigd enthousiasme ten aanzien van nieuwe leden (het ledental liep al in de duizenden). Geld is er bovendien genoeg. De broederschap was aan het bankieren geslagen en Van Dijck spreekt in zijn boek 346 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 346 van een laatmiddeleeuws grootbedrijf met een omzet van duizenden guldens, geleid door bekwame juristen en bijgestaan door ervaren rentmeesters. Andere grote steden leenden bij de broeders. De Staten van Brabant klopten regelmatig op de deur. Er wordt, zo blijkt, simpelweg op de lauweren gerust. Als Maarten Luther begin zestiende eeuw zijn inktpot naar de duivel smijt, komt de Lieve Vrouwe Broederschap voor nieuwe uitdagingen te staan, zoals we intussen hebben gezien. De onrusten bleven, ook in de daaropvolgende jaren;

daar konden de katholieke Spanjaarden, die de Zuidelijke Nederlanden onder hun gelederen rekenden, niets aan veranderen. De eenheid die tot dan toe de broederschap had gekenmerkt, ging verloren in onderlinge twisten toen enkele leden zich openlijk calvinistisch verklaarden.131 Een niet te herstellen schisma zou je zeggen, zeker als de stad in 1629 door staatse troepen op de Spanjaarden wordt veroverd. Concreet betekende deze protestantse invasie, die door de overwegend katholieke Bosschenaren allerminst als een bevrijding werd ervaren, dat de stad een religieus klysma onderging. Het roomse bolwerk werd grotendeels ontkatholiekt. De bisschop lichtte zijn hielen, er volgde een uittocht van dominicanen en jezuten. Gezien deze onverkwikkelijke gebeurtenissen lijkt het voor de hand te liggen dat de broederschap, beroofd van kerk en processie, door de staatsen ontbonden wordt, zoals dat in andere steden ook het gevolg was geweest. In Maastricht bijvoorbeeld werden vergelijkbare katholieke societeiten door de Staten-Generaal

opgedoekt. In de rest van Den Bosch werd het katholieken verboden om hun geloof openlijk uit te oefenen, zodat er in de stad tal van schuilkerken ontstonden. Maar om de een of andere reden mocht de broederschap blijven bestaan! Zelfs wanneer dit niet het geval was geweest, zou je zeggen dat de devote broeders weigerden om onder dergelijke beknottende voorwaarden door te gaan. Ketterse protestanten toelaten, dat was naturlijk ondenkbaar! Wat had het voortbestaan voor zin als de belangrijkste drijfveer de Mariaverering in het vervolg achterwege werd gelaten? 347 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 347 Ongetwijfeld betekende dit het definitieve einde van de

Illustre Lieve Vrouwe Broederschap te sHertogenbosch! Maar nee. Want in 1641 vraagt een handjevol niet-katholieken om toegelaten te worden tot de broederschap. Een van deze belangstellenden was ene Johan Wolfert van Brederode, de gouverneur van de stad. Van Brederode? Jawel, het betreft hier inderdaad niemand minder dan een familielid van Hendrik van Brederode, de Grote Geus. Het is uitgerekend deze telg uit het befaamde geslacht die het voortbestaan van de broederschap verzekert. Het vervolg is schokkend: in plaats van voor de eer te bedanken nemen de broeders het verzoek in behandeling! Op 27 februari 1642 stemde de broederschap met een kleine meerderheid van stemmen in met het toelaten van protestanten tot het genootschap. Van de 51 leden waren er 28 vor de motie. Van degenen die tegen stemden (waaronder

opmerkelijk genoeg de commandeur van de Duitse Orde te Vught, Diederik Steven van Ruysschenberg) moest het leeuwendeel het veld ruimen. De toelating maakte het noodzakelijk dat de statuten werden aangepast en op dezelfde dag als de verrassende stemmingsuitslag werd er al een opzet geproclameerd waarin de eenheid en vriendschap tussen de christenen voorop werd gesteld. De nieuwe orde zou bestaan uit achttien katholieke en achttien protestantse broeders, vermeerderd met maximaal 4 Zwanenbroeders, van elk geloof twee. Na die verklaring stond de deur open voor niet-katholieke leden van ieder allooi, en de ketterse aspirant-leden stroomden daarop toe. Dat dit in verschillende hoeken kwaad bloed zette, schijnt de broeders niet te hebben gedeerd: de broederschap bleef bestaan, dat was het belangrijkste. Niet alleen het feit dat de katholieke broederschap een voortzetting onder die voorwaarden accepteerde is verbazingwekkend, maar ook dat de protestanten, die er niet voor terugschrokken kerken te plunderen, het genootschap lieten voortbestaan en er

zelfs aan meededen! Waarom? Niemand die het weet. Mogelijk probeerde gouverneur Van Brederode de sympathie van de Bossche bovenlaag te verkrijgen door zich aan de broederschap te binden. In het licht 348 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 348 van de eerdergenoemde contacten tussen Oranje, Brederode en de Bossche broeders valt deze actie echter weer op zijn plek: de overeenkomst uit 1562, waarin Willem van Oranje het voortbestaan van de broederschap verzekerde in ruil voor inzage in het ledenbestand, werd in 1641 door de nazaat van Hendrik van Brederode geerbiedigd: afspraak is afspraak. Laten we nog eens kijken wat er met de Brederodes en

zijn vrienden gebeurd was. Johan Wolfert van Brederode en Cornelis van Cuyk In de vijftiende eeuw promoveerde het geslacht Van Brederode in de persoon van Reinout I van Brederode tot de orde van het Gulden Vlies. Zijn kleinzoon Reinout III zou in 1555 vier zwanen ten geschenke geven aan de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in s-Hertogenbosch: hetzelfde jaar waarin ook Floris Maschereel toetrad en vier zwanen aan de broederschap schonk. Een kleine eeuw later zou ook de gebooren graeff van Hollandt, aanvoerder van de compagnie van Brederode en gouverneur van s-Hertogenbosch Johan Wolfert van Brederode een eeuwenlang taboe doorbreken: in 1641 verzocht de protestantse gouverneur vriendelijk te worden toegelaten tot de broederschap. Welke motief lag ten grondslag aan zijn aanvraag om lid te worden van de strikt katholieke broederschap? W. Meindersma denkt in zijn Hervormde Gemeente het antwoord te weten. Johan Wolfert was lid van de Waalse gemeente, die

bekendstond om haar tolerante houding in godsdienstige zaken. De gouverneur was de katholieken dus goedgezind, verklaart Meindersma, en meldde zich om deze reden aan bij de Bossche broeders. Dr. G.C.M. van Dijck zet echter grote vraagtekens bij deze hypothese: Het is waarschijnlijk dat Van Brederode wist dat velen van zijn familieleden lid waren geweest van de Broederschap of haar begunstigd hadden. Of was zijn verzoek meer bedoeld als poging de invloedrijke bovenlaag van de stedelijke samenleving nog meer op zijn hand te krijgen? 132 349 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 349 Dit laatste lijkt ons eveneens onwaarschijnlijk,

aangezien de gouverneur door zijn aanmelding juist een diepe tweespalt had veroorzaakt in de broederschap, en de toch al gespannen verhoudingen tussen katholieken en protestanten op scherp had gezet. Zijn verzoek te worden toegelaten tot de elitaire club betekende immers het startsein voor een fikse ruzie die zeker vijf jaar zou voortslepen. Daarnaast had Johan Wolfert zelf al genoeg uitstekende contacten opgedaan. Hij was gehuwd met de zus van Johan Maurits van Nassau-Siegen en had zij aan zij met de Braziliaan gevochten tijdens de belegering van Den Bosch. In The Sign of Four laat Arthur Conan Doyle zijn Sherlock Holmes verklaren: When you have eliminated the impossible, whatever remains, however improbable, must be the truth.133 Als we deze wijze van redeneren volgen, komen we maar tot en conclusie: Johan Wolfert wist precies waar hij mee bezig was toen hij het lidmaatschap aanvroeg. Als het niet welgezindheid was jegens de katholieken, of de wens promotie te maken in de Bossche elite, dan rest ons immers nog maar en ander motief: hij wilde de broederschap juist

uiteensplijten om zelf de teugels in handen te nemen! De Zwijnen van Woeringen waren kennelijk niet blij met de staat waarin de broederschap verkeerde en dat had niets te maken met de religieuze gezindheid van haar leden. De protestantse overwinnaars hadden de broederschap immers evengoed kunnen verbieden, zoals bijna alle andere paapse instanties in de jaren na de belegering zonder blikken of blozen naar de prullenbak waren verwezen. Het doel lijkt dus vooral infiltratie te zijn geweest en wellicht onbelemmerde inzage in de archieven. Het is interessant in dit verband te wijzen op een schilderij genaamd De Zwijnekop, dat tot aan de negentiende eeuw tot de inventarisatie behoorde totdat het werd verkocht in 1818. Is het mogelijk dat Van Brederode het doek bij zijn toelating tot de broederschap aan zijn kersverse medebroeders ten geschenke gaf? Dit lijkt niet vergezocht, want het was deze Johan Wolfert die aan het hoofd stond van de Compagnie van Brederode, die ook in de zeventiende eeuw nog het zwijnshoofd op het vaandel afbeeldde. We kunnen ons niet aan de indruk onttrek350

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 350 ken dat de Zwijnen onder leiding van de familie Van Brederode nog altijd een oeroude agenda uitvoerden. Niet lang nadat Johan Wolfert de knuppel in het hoenderhok had gegooid, trad er een andere oudgediende (ook uit een berucht geslacht) naar voren om in de voetsporen van zijn voorvaderen te treden. Cornelis van Cuyk was sinds 1643 advocaat-fiscaal van de Raad van Brabant in Den Haag en was uitgezonden naar Den Bosch om toe te zien op de verdeling van geestelijke goederen en de randgebieden. Volgens dr. V.A.M. Beermann behoorde Van Cuyk tot degenen die Stad en Meierij regelmatig bezochten en krachtig medehielpen aan de opbouw van het Staatsche gezag aldaar. Hij maakt de indruk een ijverig en doortastend ambtenaar en tevens

van een papenhater te zijn. Ruim drie eeuwen daarvoor was het Jan van Cuyk geweest die de Heer van Brederode in het complot tegen Floris V had genteresseerd. Nu was het een Van Brederode die een Van Cuyk naar de Meierij haalde. Dit wijst er ook op dat de stamhouders van het oude Pact van Woeringen na al die tijd allesbehalve van elkaar vervreemd waren. Nu zouden ze sleutelposities innemen in het zeventiende-eeuwse s-Hertogenbosch en haar Illustre Broederschap: Johan Wolfert van Brederode als gouverneur van de stad, Cornelis van Cuyk als afgevaardigde van de Staten in de Meierij. Ruzie Er was wel kritiek. Een predikant van de gereformeerde gemeenschap, Cornelis Lemannus genaamd, schreef een hevig verontwaardigde brief aan

zijn leermeester Gisbertus Voetius (Gijsbert Voet) in een poging de zaak publiekelijk aan de kaak te stellen. Voetius, zelf predikant maar ook hoogleraar theologie, had zich in 1642 berucht gemaakt door als eerste het werk van Rene Descartes te verbieden en te verketteren. Dit gebeurde ironisch genoeg 351 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 351 in Utrecht, dezelfde stad waarin de cartesiaanse filosofie voor het eerst openlijk werd onderwezen. De hoogleraar meende, en niet geheel onterecht, dat cartesianisme uiteindelijk zou leiden tot atheisme, en de strijd die hij daarop met de filosoof uitvocht ontaardde in een persoonlijke en verbitterde vete. Descartes noemde hem in een van zijn brieven de meest pedante man op aarde.134 Lemannus betichtte de broederschap ervan trouw te

blijven aan de Spaanse koning en vroeg Voetius hoe het in vredesnaam mogelijk was dat een organisatie die zo indruiste tegen de Republiek onverlet kon blijven bestaan. Voetius, die gewend was hevig te fulmineren tegen alles dat naar katholicisme rook, explodeerde: De Definitie ende beschrijvinge van de Fraterniteyt met hare Requisita, blies hij, roept luyde dat se forma, objecto, fine, efficiente, Roomsch-pauselijck ende Afgodisch is ende volgens dien in se et per se mala, pessima, abominanda, detestanda.135 Gereformeerden die zich met de broederschap inlieten, maakten zich dus zelf schuldig aan afgoderij ende t Antichristendom, aldus Voetius. Voetius wist waarover hij sprak. Hij kende de stad Den Bosch: als legerpredikant had hij de belegering door Frederik Hendrik van dichtbij meegemaakt. Toen de stad op 14 september van het genoemde jaar viel, was hij van de partij. Hij bracht vervolgens zeker een jaar in de veroverde stad door. Hij was er openlijk op tegen dat Frederik Hendrik de Bosschenaren het behoud van vrije godsdienstbeleving aanbood. In de te volgen jaren trok hij zich de situatie in

Den Bosch persoonlijk aan, waarschijnlijk omdat het de openbare disputen over afgoderij, die onder zijn supervisie aan de Utrechtse Academie werden gehouden, in de kaart speelde. Wanneer Voetius in Utrecht tekeerging tegen diverse vormen van afgoderij, wekte hij de indruk het eigenlijk over de Bossche broederschap te hebben. Om zich tegen het verbale geweld teweer te stellen riepen de Bosschenaren de hulp in van Samuel Maresius, predikant van de Waalse gemeente te sHertogenbosch. Vanaf 1642 was hij de grote voorvechter van de broederschap en de tegenstander van Voetius. In een poging de broeders te verdedigen beklemtoonde hij ironisch genoeg het wereldlijke karakter van de broederschap, en het feit 352 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 352

dat zij zich in de loop van haar ontwikkeling aan het juk van de katholieke kerk had weten te ontworstelen. Het ging, zo betoogde hij, om een overwegend maatschappelijke en politieke groepering. Het insigne van de lelie tussen de doornen was geen symbool voor Maria, maar voor politieke vrede en eendracht (wat hij zich daarbij voorstelde mag Joost weten). De broederschap deed enkel in haar voorkomen nog denken aan roomse tijden, maar betrof in de kern een seculiere organisatie die zich onledig hield met armoedebestrijding en liefdadigheidswerk. De maaltijden, de merktekens en de Mariadevotie waren overblijfselen van een katholiek verleden en moesten worden gezien als ceremonieen die hun betekenis verloren hadden. Opsmuk, meer niet. Daar trapte Voetius niet in. In niet mis te verstane termen maakte hij Maresius duidelijk dat degenen die zich met de broederschap inlieten verraad pleegden aan God.136

De onenigheid duurde vier jaar. Zelfs Descartes ging zich ermee bemoeien. Op de hoogte gebracht van de Bossche situatie stuurde hij Maresius, in wie hij een bondgenoot herkende tegen de twistzieke Voetius, een polemiek waarin hij tegen de Utrechtse hoogleraar tekeerging. In zijn betoog noemt hij Voetius onverbloemd een leugenaar, verwijt hij hem zich blind te staren op de uiterlijke kenmerken van de broederschap en voorbij te gaan aan het eigenlijke doel, de eendracht tussen christenen. In het voetspoor van zijn vriend Maresius noemt hij de broederschap een zuiver politieke groepering. Onnodig te vermelden dat Voetius niet gecharmeerd was van deze bijdrage. Een poging om ook Constantijn Huygens bij de kloppartij te betrekken faalde: Huygens liet zich niet voor een karretje spannen. Een synode, belegd in Harderwijk, besloot dat er een speciale commissie aan te pas moest komen om het conflict te beslechten. Bij het uitblijven van een spoedig oordeel werd door de broeders nog geprobeerd een commissie in het leven te

roepen, waarbij de uitspraak al van tevoren vaststond. Deze tweede commissie kwam op 4 april 1644 in de stad aan. Op 13 april werd in de Sint-Janskerk en in afwezigheid van de eigenlijke commissie tot een 353 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 353 voorlopig akkoord gekomen. Het vonnis? Over de broederschap moest geen ruzie meer worden gemaakt. Eind goed al goed, meende de Bosschenaren, maar de kwestie zou zich nog twee jaar voortslepen. Ondanks de felle kritieken van Voetius en anderen weigerden de verschillende synoden tot een beslissende uitspraak te komen. Blijkbaar was het, ook voor staatse instanties, wenselijk of zelfs belangrijk dat de Lieve Vrouwe Broederschap kon blijven voortbestaan. In 1645 veroordeelde de Staten-Generaal bovendien een werkje uit de kringen van Voetius dat ten doel had de

broederschap in een kwaad daglicht te stellen. Een Bossche synode, bedoeld om de zaak op te helderen, werd echter op het laatste moment afgelast. Hoewel Lemannus nog eenmaal van zich liet horen en daarmee het akkoord van 1644 aan zijn laars lapte, stierf de discussie een stille dood zonder dat het ooit tot een officiele uitspraak kwam. We kunnen niettemin stellen dat de broederschap als winnaar uit de strijd kwam: Voetius en de zijnen werden in wezen tot humorloze zeurpieten bestempeld en de broeders mochten in hun nieuwe gedaante blijven bestaan. We benadrukken nogmaals het unieke karakter van deze ontwikkeling in een tijd waarin dergelijke godsdienstige twisten allesbehalve luchtig werden opgevat. Het gezag van de Zwanenbroeders (geruggensteund door de Oranjes en de Pruisen/Duitse Orde) was zo groot dat een grootmacht als Voetius gewoon opzij kon worden geveegd. Die nieuwe gedaante kreeg in de volgende drie eeuwen (waar Van Dijck vluchtig doorheen bladert) steeds meer het aanzicht van een billionair boys club. De

aristocratie is oververtegenwoordigd, zo blijkt uit de lange lijsten adellijke leden, en alleen rijke en invloedrijke personen worden nog toegelaten. De Zwanenbroederschap, die sinds de Reformatie op een laag pitje was gezet, werd in 1733 in volle glorie hersteld. Er volgde een korte opleving waarin de broeders er nog in slaagden de prins van Holstein-Beck en de bisschop van Lubeck voor het lidmaatschap te interesseren. Pas aan het begin van de negentiende eeuw wordt het weer interessant als de Zwanenbroeders opnieuw openlijk banden 354 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 354 aangaan met het Huis van Oranje: Koning Willem II wordt lid, en sindsdien zijn leden van het koninklijk huis niet meer weg te denken uit de ledenlijst. Prins Bernhard, prinses Juliana en prins Claus waren Zwanenbroeders; koningin Beatrix is lid en ook haar

zoon Willem Alexander is tot het genootschap toegetreden. De eerste schatzoeker: Victor van Beughem Terug naar het Geheim van Zionsburg. Na 1629 raakte de commanderij in verval: zonder het geheim dat zij eeuwen lang had bewaard, verloor het Huis zijn bestaansrecht. De periode vanaf de liquidatie wordt gekenmerkt, zoals we zullen zien, door de zoektocht van enkelingen; individuen van uiteenlopende achtergronden en motieven, die het op zich namen het Geheim van Zionsburg te doorgronden. Eerste in die lange rij schatzoekers is ene Victor van Beughem. Drs. A.C.M. Kappelhof schrijft: In de zeventiende eeuw bezat de Duitse Orde een resident in Den Haag, een agent die de belangen van de orde behartigde bij de regeringsinstanties van de Republiek, terwijl men zich bij juridische problemen placht te wenden tot een advocaat in Den Bosch.137 Victor van Beughem was beide: een bekende Bossche advocaat en resident van de Duitse Orde te Den Haag. Preciezer

gezegd was hij Raad van Zijne Serenissime (Doorluchtige) Hoogheid de Prins Palatin, de grootmeester van de ridderlijke Duitse Orde. De bedoelde Prins Palatin was ofwel Lodewijk Anton van Palts-Neuburg ofwel zijn opvolgende broer: Frans Lodewijk van Palts-Neuburg; waarschijnlijk was het de eerste. Lodewijk Anton was bisschop van Worms, zijn broer Frans Lodewijk aartsbisschop van Trier en Mainz. Hun beider vader was keurvorst van de Palts en hertog van Gulik en Berg. Een palts (het woord is afgeleid van het Latijnse palatium: paleis) was een koninklijk verblijf in het Duitse Rijk. In Duitsland bestond een heel netwerk van paltsen. De palts Neuburg lag in een van de belangrijkste districten, namelijk Beieren. De keurvorsten, zo weten we, waren verantwoordelijk 355 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 355

voor het kiezen van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Tot deze keurvorsten behoorden onder meer de paltsgraven aan de Rijn en de markgraaf van Brandenburg. We weten intussen dat de Duitse Orde een grote vinger in de pap had bij deze verkiezing. Wat is er bekend over Victor van Beughem, afgevaardigde van de Duitse Orde? Hij was schrijver en ordinaris-gecommiteerde der Staten van Brabant. Van 1691 tot aan zijn dood in 1715 was hij lid van de Lieve Vrouwe Broederschap. Zijn familie is terug te voeren op niemand minder dan Filips de Goede, hertog van Bourgondie, vader van Karel de Stoute, grootvader van Filips de Schone en overgrootvader van Karel V. Filips de Goede had nog een andere zoon: Lodewijk. Deze trouwde met Beatrix, vrouwe van Bodeghem. Bodeghem is een dorp vlakbij Brussel. Hun zoon heette Hendrich van Bodeghem. De naam verbasterde in de loop der jaren tot Beughem en maakte Victor tot een directe afstammeling van Filips de Goede.

Van Beughem werd door tijdgenoten beschouwd als een briljant jurist, maar was vooral een invloedrijke man. Hij hield niet alleen pleidooien voor de rechter, maar ook namens de Staten van Brabant bij de StatenGeneraal der Verenigde Nederlanden. Victor had dus contacten op het hoogste niveau in Den Haag. Zijn beste vriend, mr. Gerard Kuysten, was raadsman van de Staten-Generaal bij de Hanzesteden Lubeck, Hamburg en Bremen. Toeval? Blijkbaar drong het in de loop van de zeventiende eeuw eindelijk tot de orde door dat er met de opheffing van het Huis in Vught iets belangrijks verloren was gegaan. Van Beughem werd belast met het opsporen van, allereerst, de archieven van de Duitse Orde. Dit kan betekenen dat de archieven het Geheim vormden, het kan ook betekenen dat de archieven opheldering moesten geven over de verblijfplaats van het Geheim. Er werd in 1662 een inventarisatie gemaakt. Een van de inventarisaties onder Van Beughem vond plaats in het Zwanenbroedershuis. Blijkbaar (en niet zonder reden) verdacht Van Beughem de broeders ervan iets

van het Geheim af te weten. Helaas voor hem waren de rekeningen van de broederschap tussen 1629 en 1642 spoorloos verdwenen: precies de periode 356 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 356 waarin ook het Geheim van Zionsburg verdween. Iemand had sporen uitgewist. Van Beughem zette een speurtocht op touw waarbij hij de sporen van Maschereel en andere betrokkenen nauwkeurig volgde. Zo kocht hij in korte tijd een flink aantal panden aan. Onder de mogelijke verdachten schaarde hij ook families als de Heyms, de heren van Maurick die in de oorlog naar Den Bosch gevlucht waren. In 1685 kocht hij een huis aan de Postelstraat dat eens aan de familie Heym had behoord. Van Beughem redeneerde dat het Geheim tussen 1543 (na de vernietiging door Maarten van Rossum) en 1577 (de

vernietiging door de staatsen) op kasteel Maurick in veiligheid was gebracht. De Heyms immers, waren Zwanenbroeders en traden vaak op als beschermelingen van de Vughtse priesters en de Kluizenaressen. Een Jan Heym, prominent lid van de familie in Maurick, wordt bovendien in verschillende bronnen genoemd als lid van de Duitse Orde in Maastricht. Er waren meer huizen in de buurt waarin hij belang stelde: zo waren er de panden van Proening van Deventher, de Heren van Herlaer vlakbij Maurick. Een van die panden was de Munt op de hoek van de Postelstraat. Dit was in 1571 door Duitse soldaten overvallen en om de een of andere reden doorzocht. Later hield de hertog van Medinaceli, de opvolger van Alva, daar zijn verblijf. Een ander huis dat Van Beughem aankocht, stond in de Wolvenhoek en had de intrigerende naam het Zwijnshoofd. Vermoedde hij hier een link met de Zwanenbroeders? Daar vlakbij bezat hij in 1712 nog een huis dat Achter het Wild Varken heette. Het laatste had toebehoord aan Nicolaas van

der Stegen: inderdaad, de secretaris van Willem de Zwijger. Na zijn dood werd hij begraven in de SintJanskathedraal, samen met zijn tweede vrouw. Op zijn grafzerk staat zijn betrokkenheid bij de Duitse Orde vermeld. De vraag is natuurlijk of de steekneuzerij van Victor van Beughem het Geheim ook heeft blootgelegd. Wat we zeker weten is dat hij rond 1700 landerijen begon op te kopen in Vught, vlakbij Maurick en Herlaer. Dit gebied, dat feitelijk deel uitmaakte van de vroegste 357 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 357 bewoning in de IJzertijd, stond in die tijd bekend als het Eentje. Dit is afgeleid van Enode, wat woestenij of eenzaamheid betekent.138 Aan het einde van de zeventiende eeuw, niet lang nadat hij tot Zwanenbroeder was uitgeroepen, kocht Van

Beughem maar liefst 33 hectare aan; precies het heilig landschap van Vught, met daarop de ijkpunten Maurick, Voorburg en Herlaer. Het is niet ondenkbaar dat hij zijn fondsen rechtstreeks van prins Palatin ontving, want het salaris van Victor was bij lange na niet toereikend voor een dergelijke aanschaf. Naast het land kocht Van Beughem ook het landgoed Bleijendijk. Blijkbaar zag Von Beughem, die jarenlang de meest luxe herenhuizen in de stad had bezeten, wel heil in dat troosteloze moeras. Na de dood van Victor van Beughem zou het landgoed afwisselend aan Duitsers en Zwanenbroeders blijven toebehoren. Bleijendijk, dat later dus in handen zal vallen van een nieuwe generatie Zwanenbroeders, is samen met kasteel Maurick en Huize Zionsburg een van de plaatsen die het meest in aanmerking komen voor de huidige verblijfplaats van het Geheim. Wat Van Beughem namelijk niet kon vermoeden, was dat het Geheim al door iemand anders was ontdekt en meegenomen. 358 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 358 Hoofdstuk 15 Oranje en Pruisen Pruisen na de Reformatie De geschiedenis en ontwikkeling van het vroege Pruisen is eigenlijk die van de Hohenzollern-dynastie. De Hohenzollerns (waarvan Albrecht von Brandenburg een telg was) waren in 1417 in het bezit geraakt van de mark Brandenburg. Brandenburg bracht enig aanzien omdat het een electoraat was en de Hohenzollerns dus een stem kregen in het kiezen van de keizer. Maar hiermee was de familie niet tevreden. De mark als zodanig was niet veel meer dan een perifere, grotendeels onvruchtbare streek, gespeend van natuurlijke (verdedigbare) grenzen. Brandenburg bezat geen rivieren en kusten of een noemenswaardige industrie. Het kon dus geen groot leger bijeenbrengen.

De Hohenzollerns moesten het hebben van sluwe manoeuvres en adellijke intriges. In de jaren na de Reformatie wist de familie door het sluiten van tactische huwelijken in het bezit te komen van het hertogdom Pruisen en de gebieden rond Kleef. Het probleem was dat het gebied van de Hohenzollerns daarmee verspreid lag over het hele noorden van Duitsland. In het oosten doorsneed het uitgestrekte Polen de aansluiting met Pruisen. De claims op deze gebieden werden bovendien hevig bestreden door andere Europese mogendheden. In een berekende poging de invloed van Brandenburg naar het westen toe uit te breiden, werden er betrekkingen aangeknoopt met de calvinistische Rijnpalts en de protestantse Nederlanden. Al in 1605 kwam het tot een officieel verbond tussen de drie partijen. Holland kreeg hulp tegen de Spanjaarden en Brandenburg ver359 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 359 kreeg een leger om de aanspraken op de Kleefse gebieden kracht bij te zetten. Een bijkomend probleem was dat ook het hertogdom van Palts-Neuburg (dat later twee grootmeesters zou produceren) aanspraak maakte op de belangrijke Kleefse corridor. Opmerkelijk genoeg leidde dit tot een tijdelijke overeenkomst tussen Brandenburg en Palts-Neuburg, waarin besloten werd het gebied gezamenlijk te bezetten en de kwestie later te beslechten. Dit was een duidelijk signaal aan de katholieke Habsburgers (en dus de keizer). Als we in gedachten houden dat de breuk tussen de Hohenzollerns en de Duitse Orde een kunstgreep was om de Habsburgse hegemonie te misleiden, krijgt deze alliantie tussen de noordelijke Hohenzollerns en de zuidelijke adel in Beieren extra betekenis. De papieren ruzie tussen de twee adellijke huizen borduurde mogelijkerwijs voort op het zogenaamde schisma van 1525. Hoewel de manoeuvre bijna escaleerde in een oorlog met de Habsburgers, wisten de twee pretendenten uiteindelijk beslag te

leggen op de gebieden die daarop eerlijk werden verdeeld. Deze aanzienlijke winst ten spijt was Brandenburg nog niet uit de problemen: hoe moest de mark haar gebieden beschermen tegen vijanden? De afschuwelijke Dertigjarige Oorlog die kort daarop uitbrak, is op papier een Duitse godsdienstoorlog tussen de katholieken en de opkomende protestantse fracties binnen het Heilige Roomse Rijk, maar kan in feite rustig een familievete worden genoemd: een poging van de Habsburgse dynastie om haar greep op Europa te behouden. De kwestie Kleef en de politiek van met name de rivaliserende Hohenzollerns was voor de machtige Habsburgers reden om het tot een open conflict te laten aankomen. Omringende landen als Zweden, Denemarken, Frankrijk en Spanje werden in de strijd gezogen en transformeerden de vijandelijkheden tot een van de meest bloedige oorlogen uit de geschiedenis. Brandenburg kon zich op geen enkele wijze beschermen tegen de oprukkende legers. Hoewel in het centrum van het conflict, speelde het de heilige onschuld. Het kon zich niet veroorloven

voor de een te kiezen en daarmee de vernietigende woede van de ander op de hals te halen. In feite deed Brandenburg niets. Het snuffelde wat aan beide partijen, huwelijkte dochters uit aan de protestanten, deed halfslachtige 360 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 360 concessies aan de katholieken, maar bleef over het algemeen neutraal. Gezien de cruciale rol die Brandenburg (te beginnen met Albrecht in 1525) gespeeld had in de aanloop naar de oorlog, is het niet verbazend dat de keizer hier niet intrapte. Toen hij rond 1629 aan de winnende hand kwam, waarschuwde hij de mark dat hij verregaande maatregelen zou treffen als het conflict eenmaal onder controle was. Dit vooruitzicht zorgde er mede voor dat Brandenburg een pact aanging met het protestantse Zweden, een coalitie die overigens geen lang leven beschoren was. Het pact

was opgedrongen nadat rondschuimende Zweedse soldaten de stad Maagdenburg met de grond gelijk hadden gemaakt. Toen de keizerlijke troepen een tijdelijke opmars maakten, keerde Brandenburg zich weer tot de keizer. Dit heen en weer gefladder had ongelukkige gevolgen: in de daaropvolgende jaren werd de mark door de twee legers herhaaldelijk gebrandschat. Alleen het hertogdom Pruisen, met nog steeds de hervormde Duitse Orde aan het roer, wist in die jaren met succes in de luwte te blijven. In zekere zin tekent deze geschiedenis de schaduwkanten van het Teutoonse opportunisme. Het speciale pad (Sonderweg) waarmee Pruisen in latere tijd nogal eens werd vereenzelvigd, betekende in tijden van oorlog en opstandigheid dat het door Hermann von Salza gentroduceerde koorddansnummer een hachelijke onderneming werd. Op het ogenblik dat de Duitse Orde (in dit geval het Huis Hohenzollern) besloot zich in redelijke openheid een eigen staat toe te eigenen, werd het ook geacht deel te nemen aan conflicten die de Europese toekomst bepaalden. De Dertigjarige Oorlog leerde de Teutonen dat ze niet zichtbaar en onzichtbaar

tegelijk konden zijn. Het was een dure les. In de jaren tussen 1618 en 1648 verloor de helft van de bevolking van Brandenburg het leven. In de jaren na de Dertigjarige oorlog gebeurde er iets ongelofelijks. Niet alleen kwam Brandenburg/Pruisen de vernietiging te boven, tegen 1690 bezat de mark een geduchte legermacht, een kleine vloot in de Baltische Zee en een kolonie aan de westkust van Afrika; het electoraat was uitgegroeid tot een regionale machthebber.139 Oorzaak van deze indrukwekkende omwenteling was het 361 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 361 optreden van Frederik Willem van Brandenburg, ook wel de Grote Keurvorst (Elector) genoemd. Zeiden we eerder dat er een Hermann von Salza voor nodig was om de spagaat tussen kerk en staat tot een uitvoerbare

nering te maken, de Grote Keurvorst was precies uit het gewenste hout gesneden. Met Frederik Willem van Hohenzollern stuiten we meteen op een nieuw hoofdstuk in de Pruisisch-Hollandse betrekkingen en de totstandkoming van de Oranje-kliek. Op zijn veertiende werd de Brandenburger naar de Republiek (der Zeven Verenigde Nederlanden) gestuurd, weg van het Duitse front. Daar bracht hij vier jaar van zijn leven door en ontving hij een Nederlandse opvoeding onder auspicien van de Oranje-Nassaus. Hij studeerde in Leiden en Amsterdam, werd bekend met de koopvaardij en leerde over de moderne krijgskunde van Prins Maurits van Nassau. In 1649 trouwde hij met de dochter van Stadhouder Frederik Hendrik (dus de kleindochter van Willem van Oranje). De Hohenzollerns zouden dit huwelijk later als voorwendsel gebruiken om het vorstendom Orange te claimen. De band tussen de Hohenzollerns en de Oranjes bestond al langer, zoals hebben we gezien, en ook deze telg was geen onbekende. Zijn oom was Winterkoning Friedrich V, de Wittelsbacher. In Holland

viel de jongen met zijn neus in de boter: de Republiek bevond zich op dit moment in de Gouden Eeuw. Gaandeweg begon hij zich met de koopvaardij te bemoeien en zette zelfs zijn eigen handelsmaatschappijtje op. Later zou hij zijn erfenis Brandenburg modelleren naar de bloeiende en voortvarende Nederlandse staat.140 Centraal in deze ontwikkeling staat de vriendschap die hij onderhield met een lid van de Oranje-Nassaus, Johan Maurits. Johan Maurits is een kleurrijke figuur uit de Hollandse geschiedenis, en diens escapades zouden van grote invloed blijken op de band met Pruisen en het voortbestaan van de Pruisische ordestaat. 362 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 362 Johan Maurits de Braziliaan

In 1604 werd Johan Maurits van Nassau-Siegen geboren op de thuisbasis van de beroemde familie, in Dillenburg. Hij was het dertiende kind van graaf Jan de Middelste van Nassau, een volle neef van Willem van Oranje op wie trouwens het grootste deel van het familiekapitaal was overgegaan. Als troostprijs had Jan de Middelste het graafschap Siegen toegewezen gekregen, zodat hij er niet helemaal bekaaid vanaf kwam. Maar het bedje van de jonge Johan Maurits was verre van gespreid. Vastbesloten om de Nassau-tak in Siegen niet in de vergetelheid te doen geraken, investeerde Jan de Middelste een groot deel van zijn schamele vermogen in zijn zoon. Hij stuurde hem naar de meest voorname scholen die een prins maar kon krijgen, in Bazel en Gene`ve. Ook bezocht Johan de beroemde Ritterakademie in Kassel, waar alleen jongemannen uit de meest gerenommeerde adellijke families in Duitsland welkom waren. Zijn vader kon de kosten van de dure ridderschool echter niet lang opbrengen. Als zestienjarige werd Johan gedwongen de academie te verlaten om zich te

gaan bewijzen in de wereld. Hij kon het zich niet veroorloven zich de hele dag onledig te houden met vrouwen en drank zoals veel andere jonge Van Nassaus. Hij moest zijn strepen nog verdienen, zijn kapitaal nog opbouwen. Tot grote vreugde van zijn vader bleek zijn investering al snel vruchten af te werpen: in 1620 trad zijn zoon in dienst van de Republiek en kreeg hij een baantje als cavalerieofficier in het leger van zijn oom, de beruchte stedendwinger Frederik Hendrik. Het duurde niet lang voordat zijn krachten in de slag werden beproefd. Al in 1621, een klein jaar na zijn aanstelling, was hij betrokken bij de veldtocht tegen de Spanjaarden in Bohemen, waar hij direct indruk maakte door zijn dappere inborst en vlugge verstand. Na het beleg van s-Hertogenbosch in 1629 had Johan Maurits het geschopt tot kolonel en regimentscommandant. Zijn optreden tijdens het beleg was doorslaggevend gebleken voor het succes van de Bossche operatie. Dat Johan Maurits na het beleg de stad zelf heeft

bezocht, lijkt 363 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 363 zeer waarschijnlijk, hoewel hierover geen details zijn overgeleverd. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat hij niet in het gevolg van zijn oom de stad is binnengereden en er sprak met de lokale big boys, de Zwanenbroeders. Johan Maurits moet hier dus al kennis genomen hebben van de broederschap en de bijzondere band die de stad onderhield met Kleef, de streek waar hij later de Pruisische belangen van zijn familie zo hartstochtelijk zou behartigen. Nadat hij zichzelf had bewezen als leider in tijden van oorlog, kreeg de jonge held een warm welkom in Den Haag, passend bij een gerespecteerd militair. Zijn familieleden sloten hem in hun armen als een lang verloren gewaand familielid en hij genoot van de aandacht. Hij had zijn vaders investering meer dan verzilverd. Jong, succesvol

en een graag geziene gast bij de vrouwen, was de achting die hem ten deel viel bijna overweldigend. Maar zijn successen waren weliswaar onverdeeld, ze waren tevens gering in aantal. Hij had nog geen bestuurlijke ervaring opgedaan. Het gevoel begon aan hem te knagen dat al die loftuitingen onverdiend waren. Er hing een glans om hem heen, maar het ontbrak de achtentwintigjarige aan de nodige papieren. Dat zou snel gaan veranderen. Het duurde niet lang voordat de kooplieden aandacht begonnen te krijgen voor Johan Maurits. De mannen van de West-Indische Compagnie (de WIC) stonden aan de zijlijn van het slagveld en namen de jonge veldheer als gretige voetbalscouts nauwlettend in zich op. De Nieuwe Hanze Een woord over de WIC. Het bedrijf werd in 1621 opgericht als de Geoctroyeerde West-Indische Compagnie. De oorspronkelijke bedenker was de heer Willem Usselincx: een zeer vermogende Antwerpse koopman, woonachtig in de oude Hanzestad

Middelburg. Hij was rabiaat pro-Oranje en wilde niets liever dan een bijdrage leveren aan de afbraak van de Spaanse hegemonie. Ook wilde hij een concurrent voor de reeds bestaande VOC in het leven roepen, maar om dit te doen had hij opstartgeld nodig. De StatenGeneraal 364 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 364 waren te druk verwikkeld in hun oorlogen om zich ook nog eens bezig te houden met internationale handel, dus wendde Usselincx zich tot buitenlandse mogendheden voor geld. De Zweden hadden er in eerste instantie wel oren naar, maar lieten na hun aanvankelijke enthousiasme op het laatste ogenblik verstek gaan, zodat de Antwerpenaar gedwongen was volkomen berooid naar Den Haag terug te keren, een illusie armer. Er restte hem nog maar en optie: Duitsland. De Staten mochten dan wat anders aan hun hoofd hebben,

de adel zag wel wat in de onderneming. Al geruime tijd hield het blauwe bloed zich bezig met de overzeese handel, terwijl men tegelijk de belasting die de StatenGeneraal oplegden consequent ontdook. In het standaardwerk Prinsen, patriciers en patriotten noemt de auteur J. de Rek een aantal van die belastingontduikers bij naam: het vermogen van Lodewijk van Nassau van Beverweert bedroeg meer dan een miljoen, maar hij tekende voor slechts 525.000 gulden. Stadhouder Willem V, die ook viste op dit getij, heeft altijd 63 aandelen van de Oost-Indische compagnie weten te verzwijgen.141 De adel ging, Republiek of niet, gewoon door met hun vertrouwde handjeklap: Familieleden en aanhangers worden in sleutelposities en winstgevende ambten geschoven (...) Dit nepotisme, met al zijn kwalijke bijverschijnselen, is nu eenmaal een integrerend deel van het politieke leven geweest. De Oranjes deden het ook.142 Hier is de auteur wel heel erg vriendelijk. Juister zou zijn

geweest: Vooral de Oranjes deden het! Het wemelde van de Oranjes in de kamers van de WIC. Het is geen verspilde moeite om een enkel woord te wijden aan de machtige raad van mannen, die voor een groot deel verantwoordelijk was voor de door de Nederlanders zo verheerlijkte Gouden Eeuw en de reusachtige winsten die ze heeft gegenereerd. De Heren Negentien, zoals het bestuur van de WIC ook wel genoemd wordt, waren afgevaardigden van de verschillende kamers binnen de Republiek. Zo was er een Amsterdamse, een Middelburgse, een Rotterdamse en een Groningse kamer elk met meerdere deelnemers. Er was slechts en lid van de StatenGeneraal dat ook zitting 365 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 365 mocht nemen tijdens de vergaderingen, slechts en

toezichthouder namens de gehele Republiek der Zeven Provincien om de zaken te overzien. Het was 1 tegen 18 en het hoeft ons daarom niet te verwonderen dat deze ene afgevaardigde al snel onder de druk bezweek. De winsten waren eenvoudigweg te groot om niet te bezwijken. We kunnen ons voorstellen dat hij vervolgens zeer gunstig terugrapporteerde naar de Staten-Generaal over het bedrijf. Men is geneigd om de tijd van de WIC en VOC als voorbeeld te stellen voor hoe het zou moeten zijn: vrijhandel, een avontuurlijke geest en wat dies meer zij. Maar iedereen die serieus zijn licht op dit zeventiende-eeuwse koopmanssyndicaat laat schijnen, ziet zijn ideaal krimpen tot het formaat van een walnoot. Wat in het oog springt, is het feit dat de steden die van oudsher waren aangesloten bij de Hanze, nu de aandeelhouders waren van de geoctrooieerde WIC. Waar zij vroeger vooral de vruchten plukten van de graanhandel met Pruisen, was nu de tijd aangebroken om de handel te verbreden naar de rest van de bekende wereld. Hoewel de StatenGeneraal in eerste instantie nul op rekest gaven, begon de adel zich langzaamaan te roeren. Zij zagen

wel brood in de nieuwe onderneming. Het is belangrijk hierbij in gedachten te houden dat de adel in de zeventiende eeuw (en dan vooral de stadhouders Van Nassau) nog altijd in de eerste plaats trouw was aan het Teutoonse achterland, en pas daarna aan de Republiek waarbinnen zij de lakens uitdeelde. Dit zorgde herhaaldelijk voor conflicten en ontketende een discussie over de aard van de Nederlanden die tot op de dag van vandaag voortduurt. Wat Willem van Oranje had bereikt (ware onafhankelijkheid, vrijheid en soevereiniteit) was in twee generaties feitelijk tenietgedaan: de economische macht berustte wederom in handen van de Teutonen. De eeuwenoude Duitse adel had de fragiele Republiek van binnenuit aangetast. Als we kijken naar de bewindhebbers van de WIC, vliegen de adellijke titels ons om de oren. Vrijwel alle deelnemers waren geridderd en behoorden tot de Hollandse adel. We zien dat een grote meerderheid van het ledenbestand bestond uit lieden met hoge functies in de admiraliteit, lokaal bestuur en het bedrijfsleven: een fijn geweven netwerk van edelmannen dat een nauwgezet beleid uitstip366

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 366 pelde. Zo was de commandeur van de Duitse Orde in Middelburg, Hendricus van Isselmuden tot Paeslo, bewindvoerder van de handelsorganisatie. Opnieuw dus een Teutoonse betrokkenheid. Nieuwe vergezichten Zuid-Amerika was een potentiele honingpot van immense omvang die zich kon meten met NederlandsIndie. Het ontbrak echter nog aan een adequaat en stabiel beleid dat nodig was om de centen binnen te halen. Men was dus uit op een veelzijdig talent om orde op zaken te stellen naar het voorbeeld van dat andere Dutch-made bedrijf, de Verenigde Oost-Indische Compagnie (de VOC), die met ijzeren hand over de kolonien regeerde. Het Hollandse beleid in ZuidAmerika stoelde nog te veel op improvisatie. Daarnaast dreigde de toch al moeizame relatie met de daar aanwezige Portugezen te escaleren in een gewelddadig

conflict. Er moest dus snel iets gebeuren. Terwijl Johan Maurits nadacht over de keuze van zijn toekomstige loopbaan, kwam hij in contact met Frederik Willem, het toen vijftienjarige zoontje van de grote keurvorst van Brandenburg-Pruisen. De jongen was voorbestemd om ooit de vorst te worden van Groot-Pruisen en was in de tussentijd door zijn vader naar Den Haag gestuurd, ver weg van het wapengekletter van de Dertigjarige Oorlog. Ondanks het leeftijdsverschil raken Johan Maurits en Frederik Willem bevriend en nemen zij zelfs gebroederlijk deel aan een militaire campagne. De vriendschap tussen Frederik Willem van BrandenburgPruisen en Johan Maurits van Nassau-Siegen zou hun hele leven voortduren en tot groot gewin leiden voor beide partijen. Nu de Spaanse positie wankelde, hadden de Teutonen hun oog wederom op Kleef laten vallen. Het fort Schenkenschanz was in de veertiende eeuw door graaf Adolf van Kleef gebouwd om de splitsing van de Rijn te beheersen. Een zwaarbewapend fort, ingeklemd tussen de Nederrijn en de Waal,

beschermde hier van oudsher de Kleefse belangen. Het was 367 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 367 geografisch gezien misschien wel het meest belangrijke stukje land in Noordwest-Europa. Hier hadden de Spanjaarden zich ingegraven en de Staten-Generaal waren erop gebrand de vesting voor de Republiek te herwinnen. Met behulp van de stadhouders probeerden de verschillende Duitse adellijke families wederom hun oude aandeel bij Millingen aan de Rijn op de Spanjaarden te heroveren en dus werd de betrouwbare Johan Maurits eropuit gestuurd om orde op zaken te stellen. Dit zou wel een van de meest gedurfde schaakzetten zijn van de Republiek, want zij kon zich absoluut geen risicos veroorloven als het aankwam op de gebieden in het Nederrijnse Kleef. Uit de benoeming blijkt wel hoeveel vertrouwen de Staten-Generaal

hadden in de jonge Van Nassau. Gedurende het beleg nam Johan Maurits de jonge Pruisische prins onder zijn hoede. Hoewel de leiding van het beleg in handen was gelegd van graaf Willem van Nassau, zijn twaalf jaar oudere broer, was de overwinning vooral te danken aan Johan Maurits. Het beleg van de Schenkenschanz werd na een kat-en-muis-spel van vijf maanden met succes afgerond. Voor de WIC was het een uitgemaakte zaak: Johan Maurits moest en zou de baan van gouverneur accepteren en ze waren bereid hem daarvoor uitstekend te betalen. Ze stelden de briljante Van Nassau 1500 gulden per maand in het vooruitzicht (een voor die tijd vorstelijk inkomen). Bij terugkeer in Den Haag klampten ze hem dan ook onmiddellijk aan om hem deze zak met duiten voor de ogen te houden, plus een deel van de winsten. Het plan slaagde: Johan Maurits ging akkoord. In 1636 scheepte hij zich in om de drie maanden durende reis te aanvaarden naar het nieuwe land. De keuze van de WIC bleek uitstekend. Als een goede Van Nassau stichtte hij er gedurende zijn verblijf een stad, Mauritsstad genaamd (het huidige Recife), voerde een primitief parlementssysteem in en

liet een majestueus paleis bouwen, opgetrokken door honderden slavenhanden. Maar de WIC wilde vooral geld verdienen. De adellijke elite zat niet alleen in de suiker, men had een nieuwe, nog veel lucratievere markt ontdekt: de slavenhandel. In zijn tijd als gouverneur had Johan Maurits maar liefst 35.000 slaven laten importeren uit Afri368 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 368 ka, die hij vervolgens doorverhandelde aan andere partijen. De handel verliep als een reusachtige witwasoperatie: de WIC-kooplieden voeren van Holland naar Afrika, waar ze de slaven inkochten die eerder door slavenhandelaren waren gevangen. Die werden vervolgens ingescheept en vervoerd naar een bestemming in Noord-of Zuid-Amerika, waar ze weer werden ingeruild voor tropische goederen. Nadat Johan Maurits was teruggeplaatst naar Nederland zette de

familie deze handel energiek voort. De Van Nassaus en hun winstgevende bedrijven hadden de smaak te pakken gekregen en zouden in de loop der tijd nog veel meer geld gaan verdienen, dat wil zeggen over de ruggen van tienduizenden mensen door de geschiedenis heen. Dit was voor een groot deel te danken aan de briljante Johan Maurits, de tweederangs edelman uit Dillenburg die het had geschopt tot vorst. Toen Johan Maurits de Braziliaan in 1644 de oevers van Holland vanuit het verre grijs zag opdoemen, zat zijn oude vriend Frederik Willem inmiddels op de hertogstoel van Pruisen. De Brandenburger mocht zich voorts markgraaf van Brandenburg noemen, hertog van Pommeren, Maagdenburg en Kleef. Maar de plaatselijke Kleefse adel, ernstig verzwakt door een eeuw van Spaanse overheersing, was niet blij met de beruchte Pruisische hooghartigheid. De heren voelden zich vooral verbonden met het Hollandse en beschouwden zichzelf in eerste instantie onderdanen van de Republiek. Kortom: Frederik Willem had de grootste moeite om de pruilende adel tot goede

Pruisische onderdanen te maken. Hij herinnerde zich zijn oude vriend Johan Maurits en bood hem een kersverse baan aan, met in het achterhoofd zijn bewonderenswaardige talent voor het sluiten van duurzame allianties. Aldus werd Johan Maurits nog geen vijf maanden na zijn terugkeer uit ZuidAmerika benoemd tot bevelhebber van Wezel, de rijkste stad van Kleef en het voormalige hart van de Hanze in het Rijnland. Een paar jaar later werd hij benoemd tot stadhouder van Kleef. Door zijn ervaringen in Brazilie was het besturen hem in het bloed gaan zitten. Hij wist de lokale bevolking aan zich te binden en cultiveerde het land. Daarnaast wist hij de adel te overreden zich te 369 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 369 scharen onder de adelaarsvleugel van de Pruisen. En dat was precies wat Frederik Willem in de zin had. Tot

op de dag van vandaag zijn de sporen van zijn stadhouderschap zichtbaar in Kleef: uitgebreide parken en aangelegde bossen getuigen van Johan Maurits vastberadenheid om Kleef tot een welvarende streek te maken en aldus de plaatselijke adel tevreden te houden, terwijl de Pruisen de winst verdeelden. Zoals altijd bij Johan Maurits moest alles er mooi uitzien. Hij toverde het tot die tijd relatief ongeciviliseerde Kleef om tot het toonbeeld van moderniteit. Hij liet weelderige lusttuinen aanleggen, bouwde imposante regeringsgebouwen en ontwierp een laan van lindebomen, een blauwdruk die later door zijn vriend in Pruisen werd gebruikt voor de beroemde Unter den Linden in Berlijn. Verder gaf hij de Zwanenburcht een grondige onderhoudsbeurt en herstelde haar daarmee in oude glorie. Maar all was not well in de Republiek. De gouden glans van de zeventiende eeuw begon enigszins te vervagen en de Hollanders konden zich door hun opvallende optreden een handjevol vijanden rijker rekenen. Het leger kampte steeds vaker met problemen, want er waren niet genoeg troepen om de oorlogen te kunnen

blijven voeren. Van alle Zeven Provincien maakte alleen Holland nog fondsen vrij om de broodnodige huurlegers uit het buitenland aan te schaffen. De StatenGeneraal begonnen zich ernstig af te vragen of ze niet te veel hooi op hun vork hadden genomen met al die grandioze buitenlandse expedities. Ten einde raad wendden zij zich tot de keurvorst van Brandenburg. Frederik Willem liet zich de pleidooien van de Republiek welgevallen en stemde grootmoedig in met het leveren van hulptroepen. Het kostte hem wel wat centen, maar het voordeel was nog veel groter: de Republiek zou nu wederom politiek en militair afhankelijk kunnen worden van Pruisen. Ook zou hij op deze manier mee kunnen snoepen van de slavenhandel die de Nederlanders zo intensief cultiveerden. De relatie tussen Pruisen en Holland zou hecht blijven. 370 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 370

Johan Maurits als Teutoonse ridder Den doorluchtighsten Vorst en Heere Joannes Mauritius, Prince van Nassau, Grave van Katznelboge, Vianden en Diest, heere in Beilstein, Grootmeester van Sint Joannes orden te Jerusalem, in der Marck, Saxen, Pomeren en Wenden, Lantvooght van het hertoghdom Kleef, het vorstendom Minden, en de graefschappen van der Marck en Ravensberg &c.143 Zo luidt de inleiding van het dichtwerk Joannes de boetgezant (1663) van Joost van den Vondel. Het geschrift is en grote lofzang op de persoon Johan Maurits, die in Vondels sierlijke schrift buitengewoon goed uit de verf komt. In het stuk gaat Vondel zo ver dat hij de legendarische grootheid van Johannes de Doper direct naast die van Johan Maurits zet: een soort vergelijkend warenonderzoek dat een opvallende gelijkenis vertoont met de genealogische propaganda van de middeleeuwse Duitse adel. De grote meester

had alle reden om te buigen voor de OranjeNassaus. Rond het midden van de zeventiende eeuw, de gloriedagen van de Gouden Eeuw, hing de lichtgeraaktheid van het stadhoudersgeslacht als een donderwolk boven zijn hoofd. In eerdere werken van Vondel was het huis van Oranje-Nassau er niet al te best afgekomen. Maar hij had het pas echt verbruid toen hij het in een treurspel Palamedes waagde de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt te veroordelen en daarmee dus ook de onthoofder, prins Maurits van Oranje. Zijn beschimping bleef niet ongestraft. Hoewel hem de ultieme straf voor ongehoorzaamheid (onthoofding) bespaard bleef, moest hij een enorme geldboete betalen. Maar de ergste straf was toch wel dat hij verplicht werd om voortaan zijn tong te matigen en zelfs propagandistische pamfletten voor de Oranje-Nassaus te produceren. Zo ook voor Johan Maurits, de Hollandse belangenbehartiger van het Pruisische gedachtegoed. Vondel schreef Joannes de boetgezant met het expliciete doel zijn daden te verheerlijken en tegelijk impliciet de band tussen de Republiek en Pruisen als onbetwist feit te erkennen. In

zijn op371 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 371 dracht van de boetgezant duidt hij de landvoogd Johan Maurits aan als Grootmeester van de Orde van Sint Jan. Een van de belangrijkste kenners van Vondel, de vooraanstaande katholieke taalgeleerde dr. H.W.E. Moller, spreekt hier echter van een misverstand. Hij zegt in zijn tekstverklaring van de boetgezant: Vondel noemt hem (Johan Maurits) Grootmeester van Sint Joannes Orden te Jerusalem. Dit is een vergissing. Niet van de Sint Jans Orde was hij grootmeester, maar van de Duitse Orde, de jongste der drie grote orden van kruisridders.144 Moller vervolgt met te zeggen dat deze verwarring is veroorzaakt doordat in de naam van beide orden te Jeruzalem voorkwam... en tenslotte ook de St.

Jansridders na de val van Jeruzalem in Akko hun hoofdzetel hadden tot 1291, en tenslotte ook de St. Jansridders n afdeling in Duitsland hadden gesticht, zij hadden o.a. ook een balije in Brandenburg, waarvan de koning van Pruisen de goederen in bezit nam in t begin van de negentiende eeuw. De keurvorst van Brandenburg was als hertog van Pruisen grootmeester van de Duitse Orde.145 De geschiedenisboeken zwijgen over het algemeen over Johan Maurits lidmaatschap van de Teutoonse ridderorde. En nu blijkt ineens dat hij daadwerkelijk de bezittingen van de Pruisen en dus de Teutoonse ridders in Kleef beheerde. Het feit dat uitgerekend zijn vriendschap met een Hohenzollern hem de post bezorgde, bevestigt nogmaals de banden die de Brandenburgers en de Nederlanders nog steeds met de Duitse Orde hadden. Tot onze grote verrassing bleef de Orde zelfs in de zeventiende eeuw een belangrijke mate van invloed uitoefenen op de Republiek. Maar in de dezelfde eeuw was de oude Hanze ongemerkt overgegaan in de nieuwe Hanze, de Teutoonse ridders

opereerden goeddeels achter de schermen en hadden hun macht geleidelijk verschoven naar de Lage Landen. Zij bleven de werkelijke aandeelhouders en stadhouders van de Republiek, de geldschieters achter de coulissen. 372 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 372

Pruisen en Brandenburg Hoe ging het verder met Pruisen? De tweede helft van de zeventiende eeuw zag een reeks overweldigende successen aan de kant van de Brandenburgers. Vermoedelijk met de financiele steun van de Republiek (verkregen uit het aandeelhouderschap in de VOC) wist Frederik Willem een klein maar slagvaardig leger op te zetten. Met deze bescheiden krijgsmacht wist de keurvorst eindelijk de rekening met Zweden te vereffenen. In 1675 was er geen Zweed meer in de mark te vinden. De Slag van Feherbellin was een geweldige overwinning op de Zweedse agressors en sprak eeuwen later nog tot de Duitse verbeelding, net als de wapenfeiten van de Teutoonse ridders dat hadden gedaan. Onder Frederik Willem werd Brandenburg een factor van belang, een macht om rekening mee te houden. Naast de militaire successen wist Brandenburg haar territorium uit te bouwen door wederom Von Salza-achtige technieken te benutten. In die tijd kreeg deze opportunistische vingervlugheid zelfs een nieuwe naam: Schaukelpolitik (schommelpolitiek).

De mark koos en verwierp vrienden al naar gelang het haar uitkwam en wist zich door de gebruikelijke kuiperijen op te werken tot een aanvaardbare, zelfs gewilde coalitiegenoot. Brandenburg was daarnaast nog steeds een electoraat en door te hengelen met hun stem wisten de Hohenzollerns de nieuwe keizer bovendien zover te krijgen dat hij het hertogdom Pruisen lostroggelde van Polen. In 1660 verkreeg Brandenburg eindelijk de volledige soevereiniteit over de door grootmeester Albrecht gestichte adelstaat, een belangrijke stap naar de totstandkoming van een Groot-Pruisen en de voltooiing van een nieuwe onafhankelijke ordestaat. De opvolger van Frederik Willem, Frederik III, liet er geen gras over groeien en poogde de Hohenzollerns middels de soevereiniteit van Pruisen het koningschap in handen te geven. Dat lukte. De regalia waarmee Frederik III op 18 januari 1701 behangen werd, berustten evenwel op een spitsvondigheid: Frederik werd koning in Pruisen, niet koning van Pruisen. Het verschil zit hem in dit ene woord: iedereen kan zich koning in Overijssel noemen

zonder dat 373 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 373 iemand daar aanstoot aan neemt, maar wie zich openlijk koning van Overijssel verklaart, zal de nodige wenkbrauwen doen fronsen (die van de Oranjes bijvoorbeeld). Inderdaad wisten de Hohenzollerns met deze woordspeling te voorkomen dat de keizer en andere vorsten bezwaar maakten tegen de gang van zaken. Met name de keizer werd op deze manier bewogen tot een gedoogbeleid. Meewarig gegrinnik steeg op uit alle Europese vorstenhuizen, maar de Hohenzollerns lachten het laatst: de zet was wel degelijk het begin van een koninklijke bloedlijn. BrandenburgPruisen, een bescheiden geografische aanduiding, veranderde gaandeweg in het Koninkrijk Pruisen. De hele onderneming was niets anders dan een publiciteitsstunt, een geval van namedropping. De

Hohenzollerns begrepen toen al wat reclamemakers en het bedrijfsleven uit de eenentwintigste eeuw heel goed weten: There is no such thing as bad publicity. In de zeventiende en achttiende eeuw bleef Brandenburg-Pruisen een ordestaat waarin de adel en het militarisme vooropstonden. Onder de laatste grote Hohenzollern, Frederik de Grote, wisten de Brandenburgers grote stukken land te veroveren en werden Brandenburg en het hertogdom Pruisen eindelijk door een geannexeerde kuststrook met elkaar verbonden. De naam Brandenburg raakte van lieverlee in onbruik en Frederik werd in 1772 koning van Pruisen. Zowel de Habsburgers als de Polen moesten het in toenemende mate afleggen tegen de oprukkende staat; Polen was zelfs zodanig verzwakt dat het in stukken werd gehakt en voor een groot deel onder Pruisen, Rusland en Oostenrijk (de Habsburgers zaten in Wenen) werd verdeeld. In 1795, bij een derde opdeling, verdween Polen zelfs helemaal van de kaart. Toen Pruisen in de machtspolitiek aan het einde van de

achttiende eeuw weer Broer Konijn probeerde te spelen ging het fout. De Schaukelpolitik had ook doorgang gevonden in de aanloop naar de Franse Revolutie. In een poging een Frans-Oostenrijkse alliantie het hoofd te bieden schaarde de monarchie Pruisen zich paradoxaal genoeg achter de Franse republikeinse rebellen. Toen het in plaats daarvan tot een verdrag met de Habsburgers kwam, maakte Pruisen een dramatische ommezwaai naar een actieve ver374 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 374 oordeling van de revolutionairen. De kleine lettertjes van het contract boden echter een ontsnappingsclausule: beide partijen konden zich desgewenst uit de verbintenis terugtrekken als deze de soevereiniteit in gevaar bracht of andere nadelige gevolgen had. Inderdaad trok Pruisen zich niet veel later

onaangekondigd terug uit de coalitie tegen Frankrijk. Geen van de betrokkenen had echter gerekend op de komst van een kleine korporaal uit Corsica. Aan het begin van de negentiende eeuw begon Napoleon Bonaparte aan zijn opmars door Europa. Het al verzwakte Heilige Roomse Rijk stortte na Austerlitz ineen en werd formeel ontbonden in 1806. Pruisen had met het annuleren van het Oostenrijkse verdrag haar hand overspeeld. De neutraliteitspolitiek ten opzichte van Frankrijk pakte jammerlijk verkeerd uit. Twee maanden na de val van het roomse keizerrijk bonden Franse troepen de strijd aan met Pruisen. In de Slag bij Jena werd het Pruisische leger (overigens onder bevel van een Hohenlohe) door soldaten van Napoleon verslagen. Toen Napoleon tijdens een verblijf in het kort daarop veroverde Berlijn het graf van Frederik de Grote bezocht, schijnt hij tegen zijn generaals gezegd te hebben: Als deze man nog geleefd had, zou ik hier nu niet geweest zijn. Pruisen kwam de vernedering pas te boven toen het vanaf 1812 de Fransen wist terug te dringen als onderdeel van een geallieerd leger van Europese mogendheden. De tegencampagne

resulteerde in de Slag bij Waterloo in 1815, waarbij de Pruisen samen met de Engelsen de beslissende slag toebrachten. Het was overigens in de dagen van Napoleon dat de officiele Duitse Orde, die in 1786 nog steeds honderd ridders telde, werd opgeheven. Napoleon confisqueerde de laatste Duitse gronden en bezittingen, waarbij de hoofdzetel in Mergentheim werd toegewezen aan de koning van Wurttemberg. De orde werd daarna gereduceerd tot twee povere balijen in Oostenrijk, waar ze dankzij de Habsburgers konden blijven bestaan. Interessant om te vermelden is dat er naast Wellington maar en man is geweest die Napoleon ooit heeft verslagen. Dat was Aartshertog Karl, niet alleen een Teutoonse ridder, maar zelfs grootmeester van de Duitse Orde tussen 1801 en 1804.146 Om de vernedering van Jena en de ondergang van het Pruisische 375 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 375 leger uit het collectieve bewustzijn te wissen, onderging Pruisen een ietwat tegenstrijdige golf van patriottisme. In de jaren na Waterloo ontstond er voor het eerst sinds de Middeleeuwen weer een Germaans nationalisme, en een geleidelijke versmelting van Pruisen met een overwegend Duitse heimat. Voor het eerst verschenen er ideologieen die vooruitwezen op een Groot-Duitsland en een Teutoonse, grensoverschrijdende identiteit. Het traag op gang gekomen verzet tegen Napoleon groeide ten slotte uit tot een nationale heldensage, een gecanoniseerde Duitse vrijheidstrijd. Hieruit destilleerden toekomstige Pruisische leiders de rechtvaardiging van een Duitse heilstaat met Pruisen als zenuwcentrum en kloppend hart. De laatste in een lange rij Hermann von Salzas was Otto von Bismarck, die in het nieuwe Pruisen als kanselier werd aangesteld en zijn invloed gebruikte om strijd te voeren met Frankrijk en Oostenrijk. Met

succes. Op 18 januari 1871 accepteerde Willem I van Hohenzollern de titel van Duits keizer. Weliswaar betrof het hier opnieuw een grammaticaal foefje: Duits keizer en geen keizer van Duitsland. Toch waren de Hohenzollerns ver gekomen sinds Albrecht von Brandenburg en de koning in Pruisen. Het is niettemin veelzeggend dat het de sluwe Bismarck was die aan de touwtjes trok. Bismarck belichaamde een nieuwe politieke atmosfeer, die het Huis Hohenzollern tot een spook uit het verleden maakte. Keizer Willem II bijvoorbeeld was een schertsfiguur die door het publiek nauwelijks nog serieus werd genomen. Tegen die tijd had de Duitse Orde zich al getransformeerd tot een ondergrondse mogendheid die zich distantieerde van het kwetsbare Pruisen. Maar met al deze figuren lopen we op de zaken vooruit. We hadden onze hoofdrolspelers verlaten na de verovering van s-Hertogenbosch in 1629. Ons stond nu een moeilijke taak te wachten: waar was het Geheim gebleven en wat gebeurde er na de Tachtigjarige Oorlog?

376 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 376 Hoofdstuk 16 Zionsburg en de schatzoekers Kuchlinus: de Wachter op Zions muren In de tweede helft van de zeventiende eeuw beginnen de Bossche broeders weer oog te krijgen voor hun oude kapel in de Sint-Janskathedraal. Plannen worden uitgebroed om de zwaar verwaarloosde Broederschapskapel in haar oude luister te herstellen. In 1685 startten de broeders onderhandelingen met de kerkmeesters van de Sint-Jan met het oog op het

herwinnen van hun oude heiligdom. Dit is op zich opmerkelijk, aangezien elk gerucht van een katholieke eredienst nog steeds consequent de kop werd ingedrukt. Maar opmerkelijker nog dan de plotselinge wens van de broeders om hun oude kapel te herkrijgen, was het feit dat deze daadwerkelijk werd ingewilligd. De kathedraal was nu immers in handen van de protestanten. In een tijd waarin alles wat ook maar in de verte riekte naar paaps op een sceptische ontvangst kon rekenen, viel deze welwillendheid van de protestantse kerkmeesters wel erg uit de toon. Wilden de broeders de kapel dan gaan gebruiken voor protestantse samenkomsten? Of ging het erom de kapel juist voor niet-religieuze doeleinden te reserveren? De eerbiedwaardige broeders, zo lezen we, waren in elk geval in 1686 zover. Voorbereidingen werden getroffen, duidelijk met het oog op een langdurig verblijf. De kanunniken stroopten hun mouwen op en namen de kapel stevig onder handen: het oude altaar werd vervangen door een nieuwe offertafel. Maar het bleef niet bij restauraties: de grafkelder onder de kapel werd blootgelegd en volledig doorzocht. Tegels en

grafstenen werden verwijderd. Zelfs het oude en eerbiedwaardige 377 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 377 altaar, waarop zich mogelijk nog schilderingen van Jeroen Bosch hadden bevonden, werd opengebroken. Of er tijdens de werkzaamheden oude voorwerpen of schatten zijn aangetroffen vertelt de officiele geschiedschrijving niet. Wel weten we uit de rekeningen van de broederschap dat men van plan was de wapens van prominente Zwanenbroeders aan te brengen in de kapel, maar dit plan heeft nooit doorgang gekregen. Midden in het karwei wierpen de broeders plotseling de handdoek in de ring. Het gehele project werd met onmiddellijke ingang gestaakt. Wat was hier aan de hand? Hadden de Zwanenbroeders ineens geen behoefte meer aan een

eigen kapel? Of waren ze zelf op zoek gegaan naar hun schat? Dan is de kans dat ze iets vonden erg klein. Wij geloofden dat er drie dingen gebeurd konden zijn met het Geheim van Zionsburg. A) Victor van Beughem vond het en gaf het terug aan de Duitse Orde. Het is ook mogelijk dat hij het belang ervan inzag en het meenam naar zijn landgoed Bleijendijk. Geen van deze opties leek ons erg waarschijnlijk, aangezien er ook na deze tijd nog driftig naar het Geheim wordt gezocht, ook door afgevaardigden van de Duitse Orde. B) De Heyms, eens de hoeders van de bedevaartplaats in Vught en vrienden van Maschereel, kregen het in bezit en namen het mee terug naar Maurick, de oorspronkelijke Germaanse cultusplek. Toch is Zionsburg en niet Maurick de daaropvolgende eeuwen het middelpunt van alle ontwikkelingen omtrent de schat. Hoewel niet ondenkbaar gaven wij de voorkeur aan de derde optie: C) Het Geheim keerde terug naar Zionsburg, niet in handen van de Duitse Orde, maar van een geheimzinnige figuur die we nog niet eerder zijn tegengekomen. Bij het intrigerende kliekje rond de Zwanenbroeders hoort nog een naam die voor ons

verhaal van belang is. Zijn naam is Jacobus Kuchlin, beter bekend als Kuchlinus. Zijn vader, Joannes Kuchlinus (1546-1606) was een vermaard theoloog in Leiden bij wie de beroemde geleerde Gerardus Vossius nog in de leer was geweest. Jacobus was ook theoloog, een hervormde predikant in feite, en net als Lemannus was hij pertinent tegen het voortbestaan van de katholieke broederschap in s-Hertogenbosch. Bovenstaande namen, samen met nog een paar eminente figuren als Franciscus Junius, 378 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 378 kenden nog een verbindende factor: allemaal hadden ze te maken met een geheimzinnig geschrift, de Codex Argenteus genaamd. Dit was de Gotische bijbel van Wulfila, die deze speciaal voor de Germanen had vervaardigd. Vossius, Kuchlinus en Junius waren zeker bekend met de Germaanse overlevering. Na 1629 was

Jacobus Kuchlinus een van die fervente en bedilzieke zwartrokken die het katholicisme in Den Bosch te vuur en te zwaard bestreden. Op 13 maart 1654 verzochten hij en Lemannus als gedeputeerden van de Bossche Kerkenraad de protestantse leiders toestemming om meer katholieken te mogen vervolgen. De twee hadden als protestantse hoogwaardigheidsbekleders de touwtjes strak in handen. Met name Kuchlinus was diep doorgedrongen in de lokale geestelijkheid en hield overal toezicht op. Hij zat overal bovenop, eiste en kreeg inzage in alle klerikale archieven. Bovendien lijkt het erop dat hij met Lemannus een handig zaakje in onroerend goed had opgezet. In 1647 werd er een katholiek huis in de stad geconfisqueerd en afgestaan, eerst aan Lemannus en vervolgens aan Kuchlinus. Maar in tegenstelling tot Lemannus en Voetius waren de bezwaren van Kuchlinus niet geheel van theologische aard. Kuchlinus had andere redenen om tegen de broederschap te zijn. We hebben al gezien dat zich onder de critici ook Diederik Steven van Ruysschenberg bevond, nota bene

de commandeur van de Duitse Orde in Vught. Waarom was deze laatste, een katholiek die lid was van de Bossche broederschap, tegen een zet die het voortbestaan van de Zwanenbroeders zou verzekeren? Het had alles te maken met Maschereel en de ontwikkelingen in Duitsland. Na de splitsing van de Duitse Orde in 1525 was er wederzijds wantrouwen ontstaan tussen plaatselijke katholieken en protestanten. Volgens ons was het gezien de gespannen situatie in Brabant niet waarschijnlijk dat Maschereel het Geheim overdroeg aan de Zwanenbroeders, temeer daar de stad vergeven was van beeldenstormers, Spaanse spionnen en lutherse intriganten. Katholieken en protestanten stonden zacht gezegd op gespannen voet. Het was nog niet zo lang geleden dat protestantse oproerlingen op de markt werden opgehangen. En sinds 1629 waren het juist de katholieken die aan het kortste eind trokken. Ruysschen379 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 379 berg was niet zozeer tegen het voortbestaan van de katholieke broederschap, maar tegen de invasie van protestanten in de gelederen. Als geen ander kende Ruysschenberg het belang van de Zwanenbroeders en hun relatie met de Duitse Orde. Hij vreesde dat het Geheim in handen zou vallen van de staatsen. Als dit inderdaad zo was, was zijn vrees terecht. Alles wijst erop dat het Geheim in hervormde handen is gevallen. Maar niet in die van protestante Zwanenbroeders. Het kwam in het bezit van Jacobus Kuchlinus. Deze dominee moet tijdens zijn verblijf in de stad op het Geheim zijn gestuit, vermoedelijk in zijn contacten met de Broederschap of in de hoedanigheid van predikant in de Sint-Jan. De vrees van Jacobus was precies omgekeerd aan die van Ruysschenberg: als protestant wilde hij niet dat die corrupte katholieken de schat in handen kregen. Het is mogelijk dat het deze Jacobus was die het Geheim in bezit nam, of hier in elk geval

lucht van kreeg. Waarom? Vanwege het volgende feit: Den 14 Februarij committeerde het kapittel van Aldenbiezen den commandeur van Gemert om de bezittingen der Orde te Vucht te verkoopen, onder belofte van ratificatie door den grootmeester, den Aartshertog Leopold [van Oostenrijk]. Dit schrijft Hezenmans in zijn boekwerk over de Vughtse Orde. Toen de commanderij in Vught in 1663 door de Duitse priesters werd verkocht, is deze, samen met een deel van de archieven overgegaan op een man die zich voortaan de trotse bezitter van het landgoed mocht noemen. Cornelis Kuchlinus, belastinginner en grootgrondbezitter, kocht het landgoed van de commandeur. Cornelis was de broer van Jacobus Kuchlinus. Dat hij als investeerder in onroerend goed profiteerde van de positie van Jacobus blijkt uit een koopakte van 18 december 1660, waarin Cornelis in bezit komt van het door zijn broer geconfisqueerde Bonnefantenhuis in Den Bosch. Hij moet, in zijn

hoedanigheid van ambtenaar der Staten-Generaal, een goede band hebben gehad met de resident van de Duitse Orde in de regeringsstad, want de aankoop van het land380 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 380 goed in Vught werd volledig in Den Haag geregeld en bezegeld. Daarnaast was Kuchlinus een gezworen Zwanenbroeder. De naam Kuchlinus verschijnt voor het eerst in de Bossche schepenakten van het jaar 1639. Hij is dan ontvanger der gemene middelen (dus belastingen) van Den Bosch. Ook is hij dus vertrouweling van de Raad der State. In onderhavige akte krijgt hij opdracht Huize de Leeuwenborgh aan de Markt op te kopen. Een paar jaar later wordt hij actief ingezet als fraudecontroleur van vermeende Bossche malversaties, wat hem in de stad ongetwijfeld niet populair heeft gemaakt.

Hoewel Kuchlinus voor zover wij weten geen ridder was van de Duitse Orde, wordt hij in zijn directe omgeving omringd door zowel ordebroeders als Zwanenbroeders. Hij deed zaken met beide partijen. Op 22 december 1663 werd hij de eerste particuliere eigenaar van het landgoed.147 Kuchlinus verscheen uit het niets met een bod van f 5000,-. Hoe hij als belastinginner aan dit geld kwam is niet bekend, maar er zijn aanwijzingen dat hij het als beheerder van gemene middelen niet al te nauw heeft genomen. Na zijn dood liet hij de stad achter met een aanzienlijk kastekort. Hij verwierf desondanks dus het landgoed in Vught en mocht zichzelf de nieuwe eigenaar noemen van eene schoone viercante huijsinge met sijne onder en bovencameren, hof ende bogaert en bepoote laninghe van Lindenboomen, genaemt de Commanderije van de Duitsche Ordene, het geheel omgeven door een rechthoekige slotgracht. De Duitse Orde behield intussen het recht tot het benoemen van de pastoors van de nabijgelegen Lambertuskerk. Kuchlinus betaalde trouw belasting aan de orde, zoals alle opvolgende eigenaars dat bleven doen. Kuchlinus besloot het zich

naar de zin te maken en liet een landhuis bouwen op de rune van de oude commanderij. In de gevel van zijn nieuwe huis werd het jaartal 1663 aangebracht. Om onduidelijke redenen noemde hij het huis Zionsburg. Wat schreef Hezenmans ook alweer: Het commandeurshuis bestond niet meer, in den tachtigjarigen oorlog was het verwoest. Ongeveer op zijne grondslagen werd een landhuis opgetrokken, dat den naam Sions-burg ontving. Was dat eene herinnering aan 381 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 381 het eerste Duitsche Huis in Jerusalem? Of een zinspeling op zijn ligging in de nabijheid van Den Bosch, vroeger het Roma Belgica, thans, in de taal van sommigen, een ander Jerusalem, waarvan dat nieuwe landhuis de voorburcht vertegenwoordigen moest?

Er is ook nog een derde mogelijkheid: Zion staat van oudsher voor het goddelijke geheim; Zionsburg zou in dit licht dus kunnen betekenen: de burcht waar het geheim wordt bewaard. Kuchlinus, lijkt het, was volledig op de hoogte van de Vughtse geschiedenis. Ongeacht waar de naam naar verwijst, komt Kuchlinus met de aanschaf van het landgoed in 1663 in bezit van een deel van de archieven van de Duitse Orde in Vught. Zionsburg werd officieel in gebruik genomen. Of Kuchlinus de mysterieuze papieren nu van de commandeur had ontvangen, van de resident-ridder in Den Haag, van zijn broer of van de Zwanenbroeders, een deel van de oude Vughtse archieven keerde terug naar het oorspronkelijke huis. De overige archiefstukken van de commanderij bevonden zich bij de Teutonen in Gemert. Toen Napoleons troepen binnendruppelden in de Lage Landen werden ze overgebracht naar de landcommanderij Alden Biesen. Men was kennelijk zo bevreesd dat de manuscripten in handen van de Fransen zouden vallen, dat een deel van de collectie naar Dusseldorf werd vervoerd en een ander deel zelfs naar de Hanzestad Bremen. Waarom

werd het archief opgesplitst in Alden Biesen? Niemand die het weet. De Vughtse stukken, schrijft Kappelhof, bleven om onbekende reden achter in Dusseldorf en werden pas in 1958 overgedragen aan het Rijksarchief in Noord-Brabant. Van het in 1794 te Maastricht achtergeblevene werd een deel als oud papier verkocht. Op het hoe en waarom van Bremen gaat Kappelhof verder niet in. Waarom niet? Je zou zeggen dat Bremen niet de meest logische schuilplaats is voor een paar onbetekenende archiefstukken behorende bij een op het oog redelijk obscure commanderij in Vught. In ieder geval moet Kuchlinus via zijn invloedrijke broer, de Zwanenbroeders of zijn werk als belastinginner en archivaris op het spoor van het Geheim zijn gekomen. Waarschijnlijk is hij via de archieven op de bergplaats van Maschereel gestuit, maar als Zwanenbroeder kan hij ook tot de ingewijden hebben behoord. Een 382 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 382 andere niet uit te sluiten mogelijkheid is dat Maschereel het eigenhandig aan de vader van Kuchlinus gaf, die toen deel uitmaakte van het kliekje rond de Codex Argenteus. Het meest waarschijnlijke is dat Kuchlinus, met niet meer dan een vermoeden van de werkelijke waarde van zijn schat, deze onder de fundamenten van zijn nieuwe landhuis begroef. Frappant is namelijk dat hij de kelders en de onderaardse gang nadrukkelijk intact liet. Uit de akten betreffende de bouw van Zionsburg blijkt zonneklaar dat de nog intact zijnde gang in het nieuwe gebouw werd opgenomen. Het enige wat hij wel deed was de toegang dichtmetselen. Dit deed hij zo doeltreffend dat de onderaardse gang onvindbaar werd en elke herinnering eraan gaandeweg verdween. In de twintigste eeuw zou zelfs Marggraff beweren dat hij de gang nooit had gezien. De uitgang in de Lambertuskerk was al in de roerige jaren daarvoor spoorloos verdwenen. Toch is dit allemaal gespeculeer. Bij Kuchlinus loopt

ons spoor dood. Na hem treffen we geen directe aanwijzingen omtrent de schat meer aan. Van alle betrokkenen van weleer vernemen we niets meer: het Pact van Woeringen is vermoedelijk in de nevelen van de tijd verdwenen. Na de bouw van Zionsburg zijn er alleen nog incidentele schatzoekers en nieuwsgierigen. Het Geheim wordt een zwart gat, dat astronomen alleen waar kunnen nemen omdat er sterren en planeten omheen cirkelen. Een paar van die schatzoekers lieten niet lang op zich wachten. Bewoners van Zionsburg Wat Kuchlinus op Zionsburg heeft uitgespookt is helaas onbekend. Als hij sterft, laat hij de boel na aan zijn onmondige neefje, wiens vader Jacobus het in 1690 verkoopt. Wederom wordt er van het Geheim, of de inhoud van de documenten, geen melding gemaakt. Weer lijkt het erop dat het verdwenen is. Het landgoed gaat over op een van de Haagse vriendjes van Kuchlinus, Pieter de Cooninck, medewerker van de rekenkamer bij de Staten-Generaal. 383

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 383 Deze overdracht was het startsein van een zoektocht die twee eeuwen zou duren. Zionsburg zal vanaf dat moment een eindeloze reeks zonderlinge en mysterieuze figuren aantrekken. Na Kuchlinus kent Zionsburg veel eigenaren, door overerving of anderszins. En het is een interessante verzameling mensen die meer dan een gewone interesse tonen voor het afgelegen landgoed in Vught. Pieter de Cooninck lijkt nog nergens vanaf te weten. Hij laat het landgoed uitbreiden en vergroot het in 1691 met aangrenzende stukken meent. In 1704 vermaakt hij al zijn bezittingen aan zijn twee dochters: Alyda en Wilhelmina. De twee zusters maken het ook niet lang en het erfgoed komt in handen van ene Hendrick de la Fosse, kapitein van een compagnie voetknechten en de echtgenoot van Alyda. De la Fosse laat Zionsburg na aan zijn kinderen en verkoopt het in

1717. Het is zeer waarschijnlijk dat Zionsburg in deze jaren niet intensief bewoond is geweest. De familie de Cooninck woonde merendeels in Den Bosch en als kapitein de la Fosse het in 1717 verkoopt is het in verpauperde staat. De nieuwe eigenaar laat het huis taxeren en uit de inventarisatie blijkt dat Zionsburg in een hopeloze toestand verkeert. De oculaire inspectie bracht aan het licht dat de meeste stenen vergaan en ingevallen waren, de daken ingezakt en de stallen vermolmd. De gracht was niet meer dan een onwelriekende greppel. Dit zou kunnen verklaren waarom noch het Geheim, noch de door Kuchlinus verkregen archivalia in deze tijd opduiken. Omdat latere bewoners (zoals Marggraff) in latere jaren wel weer over de archieven beschikken, kunnen we aannemen dat ze al die tijd in het huis gebleven zijn, en dat ze onder de inboedel vielen. Waren ze inderdaad verborgen? Het is mogelijk. We herinneren ons nogmaals de geheime gang onder het huis: een geheime gang die er in

de tijd van Kuchlinus nog steeds was. Het Geheim van Zionsburg bleef dus ook voor de volgende bewoners verborgen. In het begin van de achttiende eeuw kwam het in bezit van een wat raadselachtige figuur: de Zwitserse edelman Francois Lodewijk de Graffenried de St. Jean. Graffenried werd 384 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 384 in 1715 in Bern geboren. In 1770 trouwde hij met een weduwe en werd zo eigenaar van de buitenplaats Steenwijk in Vught. Achtereenvolgens dook hij op als poorter, inwoner en schepen van s-Hertogenbosch. Graffenried had eveneens een buitengewone interesse in Zionsburg, want in de loop der tijd verwierf hij steeds grotere percelen

aangrenzend land. Frappant daarbij is dat hij er zeer waarschijnlijk nooit heeft gewoond: het ging hem, gezien de verwoede wijze waarop hij de landerijen opkocht, uitsluitend om het bezit. Of hij er opgravingen heeft verricht is niet bekend. Toch zijn er vanaf de bouw van het eerste Zionsburg verschillende figuren geweest die op de een of andere manier naar het Geheim gezocht hebben. We zullen ze eens op een rijtje zetten. Victor van Beughem was de eerste. Zo komen we op nummer twee in de reeks. De tweede schatzoeker: De Dikke Hertog Op een goede dag in 1751 wordt in s-Hertogenbosch een feest aangekondigd. Het Bossche stadsplein stroomt vol met mensen die wel eens willen zien waar al dat gedoe om te doen is. Men fluistert onderling dat een nieuwe gouverneur zijn opwachting maakt. Even later weet men het zeker: hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Luneburg-Bevern zal de functie van gouverneur van Den Bosch op zich nemen. Het Huis Brunswijk houdt de vinger op de pols van s-

Hertogenbosch. Brunswijk was geen onbekende. De hertog was een telg uit het Huis Brunswijk, van oudsher een Duitse Orde-bolwerk en een van de belangrijkste aandeelhouders binnen het Hanzeverbond. Luther of Lothar van Brunswijk was in de veertiende eeuw grootmeester van de Duitse Orde. Een nazaat, Erik van Brunswijk, kwam in 1557 informatie inwinnen bij de Zwanenbroeders. Nu is het uitgerekend een lid van deze Pruisische familie die gouverneur van Den Bosch wordt. Waar kwam hij zo opeens vandaan? Deze Brunswijk stond op goede voet met de Oranjes, die in deze tijd de druk van opstande385 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 385

lingen en tegenpartijen moesten verduren. De stadhouder, Willem IV van Oranje, die lijdzaam moest toekijken hoe zijn onderdanen in opstand kwamen, moest nu snel handelen. Voor het huis Oranje was een machtige, het liefst tot de tanden bewapende vriend dus geen overbodige luxe. Opnieuw wendde de familie zich tot haar oude meesters in Pruisen. In het jaar 1747 vond er een geheime overeenkomst plaats in het plaatsje Oudenbosch, waar Willem IV en de hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk elkaar troffen om eens van gedachten te wisselen. De ontmoeting kwam niet uit de lucht vallen. Anderhalve eeuw daarvoor waren de rollen omgedraaid. Toen de verzwakte steden Bremen, Maagdenburg en Brunswijk zich in 1615 geconfronteerd zagen met een groot Spaans leger, riepen zij de hulp in van de StatenGeneraal. Het was Frederik Hendrik van OranjeNassau, de veroveraar van Den Bosch, die toen de hertog van Brunswijk te hulp was geschoten. En nu, met Nederland in verdrukking, was de hertog van Brunswijk de juiste man op het juiste moment. En de

hertog was zich daar uitstekend van bewust. Het is daarom niet verwonderlijk dat de stadhouder bereid was om de hertog van Brunswijk te overladen met geschenken. Daarbij gaf hij zijn redder in nood het exorbitante salaris van 20.000 gulden per jaar, wat de hertog in en klap tot een van de rijkste mannen van zijn tijd maakte. In ruil hiervoor zou hij de in het nauw gedreven stadhouder omringen met degelijke, Pruisische soldaten. Een contract werd in allerijl opgesteld. De dikke hertog, zoals de patriotten hem spottend noemden, liet eerst de clausule opnemen dat de voogdij van het stadhouderschap exclusief aan hem zou worden overdragen in het geval dat Willem zou komen te overlijden. De zachtaardige, getergde Willem ging akkoord. Met een eenvoudige pennenstreek droeg de stadhouder dus effectief zijn gezag over aan het Huis Brunswijk. De wanhoop van de stadhouder blijkt duidelijk uit het feit dat hij klakkeloos akkoord ging met alle voorwaarden die de hertog had gesteld. In een tweede clausule, opgenomen in het contract, eiste de hertog het gouverneurschap van s-Hertogenbosch op. Dit is erg interessant. Waarom Den Bosch? Hij bevond

zich immers in de comfortabele positie te kunnen kiezen voor elke baan die de Republiek maar te bieden had. 386 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 386 Maar hij was niet de eerste Duitser die geld en eeuwige faam terzijde schoof voor een plek in het Brabantse bolwerk, zo dicht bij het Geheim. In 1751 aanvaardt de dikke hertog officieel het gouverneurschap van s-Hertogenbosch, waarna hij zijn intrek neemt in het gouvernementeel paleis van de stad. In datzelfde jaar komt Willem IV te overlijden. Zoals afgesproken gaat het grootste deel van de stadhouderlijke macht over in handen van Brunswijk en neemt hij de voogdijschap op zich van de minderjarige Willem V. Hij laat er geen gras over groeien. Terwijl hij zich over de jonge prins ontfermt, ontplooit hij

initiatieven om de volledig macht naar zich toe te trekken. Allereerst muilkorft hij de machtige Friese adel, terwijl hij de band met Pruisen aanhaalt, waar Frederik de Grote inmiddels de scepter zwaait als koning. In deze periode verblijft de dikke hertog naar verluidt met grote regelmaat in het Duitse Huis in Utrecht om er zijn politieke aspiraties veilig te kunnen stellen. Als Brunswijk op zoek was naar de tempeliersschat, is hij ter plaatse wel erg om de tuin geleid; hij heeft maar liefst dertig jaar in Den Bosch gezeten. Wat hij wel deed was de belangen van Pruisen behartigen door de Oranjes zoveel mogelijk te steunen. Staatsgrepen van de Oranjes s-Hertogenbosch is door de eeuwen heen vele malen belegerd. Brabant is regelmatig door vreemde strijdmachten bezet geweest. De laatste keer in de Tweede Wereldoorlog, toen de Duitsers tot grote opluchting van de Brabanders door een geallieerd leger van onder andere Amerikanen, Engelsen en Fransen werden verjaagd. Maar een goede honderd jaar eerder waren het juist de Fransen die verjaagd moesten

worden. Aan het begin van de negentiende eeuw zuchtten Brabant en s-Hertogenbosch onder het juk van een van de meest gevreesde veroveraars uit de geschiedenis. Maar al vor Napoleon Bonaparte zich deed gelden, hadden de Nederlanders met een Franse hegemonie te maken. De Franse Tijd is een periode van 1794 tot 1814 waarin Nederland werd ingelijfd bij Frankrijk. 387 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 387 In 1629 was Den Bosch in handen gevallen van de staatsen. De Sint-Jan werd van de katholieken afgepakt en Brabant hoorde vanaf dat moment bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Maar in de loop van de achttiende eeuw was er behoorlijk de klad in gekomen. De Gouden Eeuw was allang voorbij en economisch en politiek waren de Nederlanden in troebel water beland. Sinds het einde van de

Tachtigjarige Oorlog hadden de Oranjes goed geboerd. Stukje bij beetje hadden ze hun macht in de Nederlanden uitgebreid. Frederik Hendrik wist gedaan te krijgen dat zijn nazaten het stadhouderschap kregen toebedeeld. De naam Stadhouder sloeg feitelijk nergens op. Oorspronkelijk was de Stadhouder (Steward in het Engels) de plaatsvervanger van een vorst in een bepaald gewest.148 Maar in het Holland van de zeventiende eeuw was helemaal geen vorst om te vervangen. Niettemin had Prins Maurits de titel opgeest. De naam bleef tot aan 1795 in gebruik, hoewel nooit duidelijk werd wat een stadhouder nu eigenlijk deed, of wiens plaatsvervanger hij was. Deze vaagheid had in de twee eeuwen tot aan de Franse Revolutie tot voortdurende machtsstrijd geleid tussen de ambitieuze Oranjes en de Hollandse bestuurders. Vrijwel iedere Oranje sinds Maurits deed een gooi naar het koningschap, en als dat uitbleef weerhielden ze zich er niet van zich als vorsten te profileren. Zo werd stadhouder Willem II aan het Britse koningshuis gekoppeld (de Engelse Stuarts geloofden werkelijk met Hollandse prinsen van doen te hebben). Willem III

werd zelfs koning van Engeland (en stadhouder van Holland). Willem III stierf kinderloos en met hem de directe bloedlijn van Willem de Zwijger. De huidige Oranjes stammen dus niet direct af van de Vader des Vaderlands (om over de vermeende buitenechtelijkheid van sommige telgen nog maar te zwijgen). De bloedlijn werd uitbesteed aan een jongere broer van de Zwijger: Jan VI van Nassau. Het zijn (waarschijnlijk) zijn nazaten die nu op de troon zitten. De Oranjes zochten zich op alle mogelijke manieren te lieren aan Europese koningshuizen, zelfs die van oude vijanden zoals Spanje en Frankrijk. De vraag is natuurlijk: waren er nog steeds betekenisvolle contacten met de (voormalige) Duitse Orde? Die vraag is met een volmondig ja te beantwoorden, mits de Duitse Orde inderdaad 388 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 388 in de staat Pruisen is overgegaan, zoals wij in dit boek

beweren. De banden met Pruisen, terug te voeren op het voorwerk van mannen als Brederode en de inspanningen van Johan Maurits, waren in de loop der tijd alleen maar hechter geworden. De Duitse, en specifiek Pruisische betrekkingen zijn op zijn zachtst gezegd aanmerkelijk. Na Willem III waren op en na alle stadhouders en koningen gehuwd met Duitse wederhelften: achtereenvolgens uit de huizen Hannover, Hohenzollern, Wurtemberg, Waldeck-Pyrmont, Mecklenburg-Schwerin, Lippe-Biesterveld (Prins Bernhard) en Amsberg (Claus).149 De Hohenzollern in het rijtje is de al eerder genoemde Frederik Willem, de Grote Keurvorst van Pruisen, die met een dochter van Frederik Hendrik trouwde. De band met Pruisen hield stand, zelfs toen de Hollandse stadhouders in de achttiende eeuw steeds wanstaltiger werden. Willem IV was een gebochelde dwerg, Willem V een verbazingwekkende vleesmassa. Onder het regentschap van de laatste bewezen de nauwe Pruisische relaties pas echt hun nut. Als stadhouder was Willem V volmaakt onbekwaam.

Hij had de pech in een periode te leven waarin het volk steeds mondiger en opstandiger werd. J.G. Kikkert schrijft: Juist toen werd de Republiek murw gebeukt door de golven van de verandering. Het om hervormingen schreeuwende land moest geleid worden met visie, tact en doorzettingsvermogen. Willem beschikte over geen van deze nuttige eigenschappen. Hij was een irritante detaillist, met een volstrekt onvermogen om een grote lijn te ontdekken. Gelukkig werd hij bijgestaan door de hertog van Brunswijk, die nog altijd de lakens uitdeelde in de Republiek. Toch reageerde Willem, waar het de onlusten betrof, op de meest ongelukkige manier denkbaar. Hij verwarde zichzelf met een gesanctioneerde monarch en liet zijn SA-achtige knokploegen los op de antiOranjegezinden. Deze acties zouden bekend worden als de Oranjefurie, een sluikse verwijzing naar de Spaanse Furie van hertog Alva. Maar de situatie werd nog rampzaliger. De eega van Willem was de Pruisische prinses Frederika Sophia Wilhelmina: een Hohenzollern en een nichtje van Frederik de Grote. De Duitse Wilhelmina was een soort Lady MacBeth. Samen met

haar raadslieden bedisselde ze manieren om de patriotten te onderdrukken. 389 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 389 Een van die manieren was een sluwe truc: ze organiseerde een uiterst demonstratieve vorstelijke intocht in Den Haag, in die tijd een brandhaard van revolutiegezinde activiteiten. Het was een regelrechte provocatie en het plan werkte. De prinses werd door patriotten gearresteerd en enige tijd vastgezet. Wilhelmina wist heel goed dat haar broer Friedrich Wilhelm II (de opvolger van Frederik de Grote) dit absoluut niet zou dulden. Friedrich zond zijn troepen als interventiemacht naar de Nederlanden om de Oranjes bij te staan. In feite gebruikten de Oranjes het Pruisische leger tegen het eigen volk. De Pruisen trokken Holland binnen en marcheerden moordend en plunderend naar Amsterdam, dat op 13 oktober 1787

capituleerde. De coup en dat was het resulteerde in zuiveringen waarbij vijanden van Oranje vermoord of verwijderd werden. De Pruisen werden vriendelijk bedankt en keerden met zakken vol buit terug naar huis. Het is bijna onvoorstelbaar dat de Oranjeliefde zich na deze acties ooit weer heeft hersteld. De vadsige Willem V zou de laatste stadhouder zijn. Met de komst van Napoleon maakte hij zich uit de voeten. Net als koningin Wilhelmina in de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij naar Engeland. De Franse Revolutie had haar weerslag over heel Europa. Al gauw kreeg men in Brabant veel meer met de Fransen te maken dan men wenste. In het najaar van 1795 veroverden de Fransen Den Bosch. De Duitse troepen die in Vught en Gestel gelegerd waren, werden al snel verjaagd. Als uitvalsbasis koos Pichegru, aanvoerder van de Franse troepen, Vught; net als vele veroveraars dat vor hem hadden gedaan. De eigenaar van Zionsburg, de Zwitser Graffenried de St. Jean, koos eieren voor zijn geld en vluchtte met zijn familie

binnen de stadsmuren. Op 22 september 1795 kwam het Bossche stadsbestuur in een spoedvergadering bijeen. Aanwezig was ook Graffenried. Besloten werd in eerste instantie om de oude Moerasdraak met hand en tand te verdedigen. Sinds 1629 was er echter een hoop veranderd: de stad bleek niet moeilijk in te nemen. Toen men op het fort Orthen de vijand zag naderen (die toen alleen nog maar poolshoogte kwam nemen) maakten de Bossche soldaten 390 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 390 zich prompt uit de voeten. Zo kregen de Fransen al vo r de feitelijke belegering het fort in handen. Met hevige beschietingen dwongen de Fransen de stad binnen drie weken tot capitulatie. Het stadsbestuur zond een delegatie (waaronder de stiefzoon van Graffenried) naar het buitenverblijf Leeuwenstein in Vught, in die dagen het hoofdkwartier van de Fransen. Generaal Pichegru

accepteerde de capitulatievoorwaarden en nam bezit van de stad. Het garnizoen verliet Den Bosch en de Fransen namen de macht over. Veel Bosschenaren vonden dat aanvankelijk niet zo erg. De katholieken hadden het leger van Frederik Hendrik begrijpelijkerwijs als een veel grotere vijand beschouwd dan dat van de katholieke Fransen. Maar dat enthousiasme zou snel verdwijnen. Nederland bleek ook voor de Fransen weinig meer dan een gezapige melkkoe. In de daaropvolgende jaren braken donkere tijden aan voor de Bosschenaren. Slechts een paar jaar later verzamelden andere buitenlandse mogendheden zich voor de stadswallen. Opnieuw zou de stad zwaar onder vuur komen te liggen. En opnieuw was dit vuur afkomstig van de Pruisen. De derde schatzoeker: Willem Arnold Alting Lamoraal von Geusau De Bosschenaren hadden al snel schoon genoeg van de Fransen. Ze waren weliswaar katholiek, maar de katholieken waren niet blij met de bisschop die

Napoleon de stad cadeau had gedaan. Maar het toppunt was toch wel dat die Fransen regelmatig de kroegen dichtgooiden. Om de haverklap was er wel een of ander herbergverbod. Dat konden de Bosschenaren niet over hun kant laten gaan. In oktober 1813 begon het tij te keren. Napoleon leed een nederlaag bij Leipzig, en langzaam begonnen de geallieerde troepen op te rukken naar Frankrijk om de Kleine Korporaal op eigen grondgebied te verslaan. Drie jaar eerder was hij bij Apern bovendien kortstondig verslagen door aartshertog Karl, tussen 1801 en 1804 grootmeester van de Duitse Orde.150 Onder de geallieerde troepen bevonden zich de Pruisen, en het is veelzeggend dat de 391 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 391 Brabanders juist op deze troepen hun hoop hadden gevestigd. In de laatste maanden van 1813 deden er

sterke geruchten de ronde dat Pruisische en Russische troepen onderweg waren en dat de bevrijding van de stad in zicht kwam. Er was echter en man die juist niet zat te wachten op de Pruisische troepen. Vreemd genoeg was dit zelf een Pruis: een Pruisische edelman nog wel. Na de inname van Den Bosch werd Francois Louis de Graffenried uit het stadsbestuur gewipt en verdween daarmee uit de geschiedenis. Wat er van hem is geworden is onbekend. Maar het heeft er alle schijn van dat hij Zionsburg al vor de komst van de Fransen van de hand heeft gedaan. De gelukkige koper was een rijke weduwe. Margaretha Keuchenius (vrouw van de overleden Vughtse secretaris Abraham Jeanette) werd in oktober 1795 eigenares van het landgoed. Bij de publieke verkoop kwam zij met een bod van f 12.725,op de proppen. Margaretha was geen breekbaar poppetje: in de jaren van de Franse bezetting bleef ze rustig op Zionsburg wonen. Sterker nog, de weduwe schijnt een van de weinige Vughtenaren te zijn geweest die daadwerkelijk geprofiteerd heeft van de situatie een situatie die doet denken aan die van Marggraff in de Tweede Wereldoorlog. Ze was vermogend genoeg om

tegen aanzienlijke rente leningen te verschaffen, niet alleen aan onfortuinlijke plaatselijke keuterboeren, maar ook aan de gemeente Vught, die om de haverklap een gigantisch vermogen moest ophoesten ten behoeve van de Franse Republiek. Een andere gemeente die onder de Franse bezetting gebukt ging, was het naburige Sint-Michielsgestel. Het gehucht telde in die dagen niet meer dan 2000 inwoners, maar werd desondanks meedogenloos uitgezogen.151 Toch waren het niet de Fransen waar de burgemeester van Gestel zich bezorgd om maakte. De man die tussen 1810 en 1824 aan het hoofd stond van Gestel was ene jonkheer Willem Arnold Alting Lamoraal von Geusau, uitgerekend een Pruisische baron. Geboren in Bantam (Nederlands-Indie) in 1783 had hij al een avontuurlijk leven achter de rug. De naam Alting had hij gestolen van zijn grootvader aan moeders kant, die gouverneur 392 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 392 van Batavia was. Ook de naam Lamoraal had hij stiekem aan zijn naam toegevoegd om zijn adellijkheid te vergroten. Zijn jeugd had hij in Java doorgebracht. Pas in 1810 kwam hij in Sint-Michielsgestel terecht. Het jaar daarvoor had hij ter plaatse een kasteel bemachtigd en zich ten slotte het burgemeesterschap toegeegend. In de Franse Tijd werd dit een maire genoemd. In zekere zin was Von Geusau dus in dienst van de Franse overheid. Maar was zijn aanwezigheid in de buurt van Vught toeval? Von Geusau was en bleef een Pruis met connecties op hoog niveau. Diezelfde Pruisen lieten overigens op zich wachten. Het werd januari 1814, maar Den Bosch zag taal noch teken van de bevrijders. De situatie bleef gespannen. Onderhandelingen liepen op niets uit en iedereen wachtte in spanning af. De veiligheidsmaatregelen werden aangescherpt, de vestingwerken verstevigd. In de stad hadden een paar Bosschenaren de handen

ineengeslagen: het plan was om de overname door de Pruisische soldaten van binnenuit te vergemakkelijken. Eindelijk kwam het gewenste bericht: de samenzweerders ontvingen het nieuws dat het grote ogenblik, het moment waarop de stad zou worden ingenomen, zou plaatsvinden in de nacht van 25 op 26 januari. De aanval was gepland om vier uur in de ochtend. De torenklok van de Vughtse Lambertuskerk zou het moment inluiden, enkele kanonschoten zouden het startsein geven. De samenzweerders zouden de Vughterpoort openen, zodat het garnizoen Pruisen de stad kon innemen. Maar er ging iets gruwelijk mis. Het plan werd onderschept. Mogelijk was er verraad in het spel, maar bij een schijnbare routinecontrole stuitten de Franse wachtposten op een van de Pruisische agenten, die in het bezit bleek van de plannen. De samenzwering werd ontmaskerd. De Fransen, die nu wisten wanneer de aanval zou komen, brachten ogenblikkelijk hun garnizoen in gereedheid. Het werd de avond van de vijfentwintigste. De rest van deze spannende geschiedenis wordt op

bloemrijke wijze verteld door F.M.A. Arnolds in Bossche verhalen en legenden. Volgens Arnolds sloeg de torenklok van de Lambertus na een zenuwslopende nacht eindelijk vier uur. Het ogenblik was daar. De 393 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 393 Fransen en de samenzweerders waren in opperste staat van paraatheid, klaar om elk gerucht in de nachtelijke polder met kanongebulder te beantwoorden. Maar... er gebeurde helemaal niets! Alles bleef doodstil. Alleen de uilen riepen en er was geen spoor van de vijand. Loos alarm, dachten de Fransen, die het daarop (verbazingwekkend genoeg) voor gezien hielden. Arnolds vertelt dat ze hun garnizoen afbraken en zich terugtrokken. Maar toen gebeurde het ongelofelijke:

opeens begonnen er overal kanonnen te bulderen. Voordat de Bosschenaren in de gaten hadden wat er aan de hand was, vielen de geallieerden op verschillende punten de stad aan. Wat was het geval? De torenklok van Vught, die het startsein zou geven, liep een half uur achter... De Fransen waren totaal verrast. Voor de samenzweerders was het moment gekomen: met witte schouderbanden als herkenningsteken spoedden ze zich naar de Vughterpoort. Een van hen zorgde voor een afleiding van de poortwachters, zodat de rest ze kon overrompelen en de poort openmaken. Het plan verliep prachtig. s-Hertogenbosch werd bevrijd. De Pruisen joegen, met een beetje hulp van een handjevol dappere Bosschenaren, de Fransen de stad uit. Op 20 september van dat jaar, zo besluit het verhaal, ontvingen ene Willem Hubert en zijn vrienden een zilveren penning voor moed en vaderlandsliefde, en voor de rol die ze bij de bevrijding van de stad hadden gespeeld.

De rest van het Franse avontuur is terdege bekend. In het daaropvolgende jaar ging het met de Kleine Korporaal snel bergafwaarts. Op 18 juni 1815 werd Napoleon door een geallieerd leger van onder andere Engelsen, Schotten, Pruisen en Russen bij Waterloo verslagen. De keizer werd verbannen en sleet zijn laatste jaren op een klein eilandje in de Atlantische Oceaan. De Fransen waren al eerder uit Brabant vertrokken: in 1814 kwam er met de ontruiming van de vesting Grave een eind aan de Franse Tijd. De enige die hier niet blij mee was, was baron Von Gesau. Aanvankelijk lijkt dit zo omdat hij baat had bij de Franse overheersing: hij was tenslotte maire van SintMichielsgestel. Maar dit beeld 394 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 394 klopt niet. Von Geusau had niets te vrezen bij de wisseling van de macht. Ook na het vertrek van de

Fransen bleef hij gewoon burgemeester. Toch gebeurden er meteen na de machtsovername raadselachtige dingen. Direct na de bevrijding van Den Bosch kwam de baron in conflict met zijn geallieerde landgenoten. De Pruisische soldaten bezochten Gestel, blijkbaar op zoek naar zich verstoppende Franse soldaten, en stuitten daar op de onwillige burgemeester. Het geval wilde dat deze een paar Fransen verborgen hield in een dorpsschooltje. Tegenover de Pruisen hield hij echter vol geen Fransen in het dorp te hebben. De Franse soldaten werden echter gevonden en de Pruisen gingen woedend verhaal halen bij Von Geusau. Een tijdgenoot beschrijft wat er vervolgens gebeurde: het verraad van de burgemeester werd ...door de Pruisschen zoo euvel opgenomen, dat men hem met bebloed hoofd en deerlijk geslagen naar Den Dungen heeft zien voeren. Ik vernam dat de Heer Von Geusau deerlijk geteisterd is; de eene arm kan hij nog niet gebruiken, zoo geweldig is dezelve gezwollen; een sabelslag op het hoofd kon zeer noodlottig geweest zijn, zoo de dikke muts hem niet beveiligd had, en het ene oor is gescheurd...152 Gelukkig voor Von Geusau

overleefde hij de behandeling en kon tot 1824 aanblijven als burgemeester. Wat gebeurde hier? Waarom nam Von Geusau het op tegen zijn eigen landgenoten, die hij onmiskenbaar als een dreiging zag? En waarom werd hij desondanks door koning Willem I opgenomen in de Nederlandse adelstand? De weerspannige burgemeester schopte het in de daaropvolgende jaren zelfs tot lid van de Provinciale Staten. En heeft dit alles iets met Zionsburg te maken? Het antwoord is ja. In 1828 wordt Zionsburg door weduwe Margaretha Keuchenius op de openbare markt verkocht. Er is een aanzienlijk groepje genteresseerden op komen dagen in het Stadskoffiehuis aan de Pensmarkt in Den Bosch. Een voorman uit Vught, ene Johannes Verhagen, komt met een bod van f 11.100,-. Er volgt echter een tegenbod dat hij niet kan overtreffen: een flamboyant uitziende edelman biedt de bescheiden som van 13.000

gulden. Pogingen om dit bod te verbeteren mislukken. Uiteindelijk besluit de zaak395 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 395 gelastigde notaris J. de Bergh om op het hoogste bod een kaarsje aan te steken en zo de boel te rekken. Het mag niet baten. Als het kaarsje is opgebrand wordt het bod van 13.000 gulden morrend geaccepteerd. De koper? Baron Willem Arnold Alting Lamoraal von Geusau. De voormalig burgemeester overtroefde de andere genteresseerden en kwam op deze manier in het bezit van Zionsburg en het huisarchief van de Duitse Orde. Von Geusau koos niet zomaar voor Zionsburg. Hij had er al tijden op geaasd, maar de weduwe wilde niet verkopen. Von Geusau had plannen met het landgoed, en het laatste waar hij op zat te wachten, waren

nieuwsgierige Pruisen om de schat voor zijn neus weg te kapen. Uiteindelijk moest hij meer dan tien jaar op zijn kans wachten. Maar in 1828 kreeg hij zijn zin. Net als veel van zijn voorgangers bleek hij een buitengewone interesse te hebben voor de omgeving. Hij liet onderzoek doen naar de geschiedenis, dempte de slotgracht, spitte de tuin om en maakte nauwkeurige tekeningen en aquarellen van gebouwen uit de omgeving (zoals kasteel Maurick en Zionsburg zelf). Dorpsbewoners zagen hem regelmatig in de weer met schrijfgerei, tuingereedschap en meetapparatuur. In die jaren werd hij een soort plaatselijke legende. Wat hij er ook hoopte te vinden, hij moet weinig succes hebben gehad. In 1836 gaf hij er eindelijk de brui aan. Hoewel het Huis in het bezit bleef van de Pruisische edelman, ging hij zelf in sHertogenbosch wonen. Ondertussen verhuurde hij het landgoed aan een regeringsambtenaar in Den Haag, jonkheer Isaac August Melvill van Carnbee. Von Geusau moet een groot en aanzienlijk netwerk hebben gehad, want de status van de volgende huurders liegt er

ook niet om: na het vertrek van Van Carnbee verhuurde de Pruis het landgoed aan de heer Rigot de Begnins en zijn vrouw; beide waren zeer close met koning Willem I, de eerste als luitenant-kolonel bij de generale staf en buitengewoon commandant van de koning, de laatste als barones en hofdame van Anna Paulowna, de vrouw van Willem II. Zionsburg beviel het echtpaar goed, want in 1847 kochten zij het landhuis en accessoires van Von Geusau om zich er definitief te vestigen. Baron von Geusau is nooit meer op Zionsburg teruggeweest. Hij 396 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 396 bracht zijn laatste jaren verbitterd door in Vught en stierf daar op 17 februari 1855 zonder een testament na te laten. Hoe komt het dat hij de schat niet vond, ondanks al zijn graafwerk? We weten het niet, maar er is een mogelijkheid: hij werd opzijgezet door de

volgende schatzoeker in de rij. De vierde schatzoeker: Koning Willem II van Oranje De stadhouders waren met Willem V vertrokken. Maar de Oranjes kwamen terug als koningen. Zonder het te weten had Napoleon de weg gebaand met zijn Koninkrijk Holland, want toen de Nassaus na de Franse bezetting weer voet op Hollandse bodem zetten was het als Oranjevorsten. Hadden ze eerst het stadhouderschap erfelijk gemaakt, nu ging het hen om de troon. De zoon van Willem V, met de hoogst originele naam Willem, liet zich eveneens een Pruisische vrouw aanmeten en omgaf zich met Pruisische nobelheid. Een tijdlang verbleef hij in Berlijn, waar hij op goede voet stond met zijn schoonvader koning Friedrich Wilhelm II. Om via een omweg de macht in Holland terug te krijgen, deinsde hij er niet voor terug zaken te doen met Napoleon. Toen dat niet opschoot kocht hij kopstukken van de Revolutie om, zoals Talleyrand. Allemaal om in de Republiek, of de Bataafse Republiek, of het Koninkrijk Holland of hoe het dan ook heette, de Oranjes weer in het zadel te krijgen. Of het nu met de hulp van Engeland, Pruisen of Frankrijk was, dat maakte niet uit. Eerst wist hij van

Napoleon een Duits gelegenheidsstaatje los te peuteren, maar toen dat niet genoeg was, keerde hij zich met hetzelfde gemak tot Pruisen. Uiteindelijk wist hij met zijn kruiperijen zowel de Pruisische koning als de Franse keizer tegen zich in het harnas te jagen. De rest van de Franse Tijd bleef Willem rustig het tij afwachten. Toen Napoleon eindelijk het onderspit delfde, sprong hij op de kar van de Brits-Pruisische alliantie alsof hij altijd al tegen de Fransen was geweest. Samengevat maakte hij goede sier aan de kant van de geallieerden en wist zich ten slotte als koning Willem I in Holland naar binnen te praten. Gebruikmakend van de verwarring en de 397 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 397 ontheemding na het vertrek van de Fransen, zat Willem al op de troon voordat de Hollanders goed en wel met

de ogen hadden geknipperd. Zijn troonsbestijging ging weliswaar samen met de vorming van een grondwet die de invloed van de koning nauwer omschreef, maar niettemin wist Willem I zijn macht te vergroten door een van de grootste drugsdealers en slavenhandelaren van zijn tijd te worden. De opiumhandel van de VOC wist onder zijn bezielende leiding grote hoogten te bereiken. Grootaandeelhouder in dit handeltje was natuurlijk het Huis Oranje-Nassau. Zo is het koningshuis nu nog de voornaamste aandeelhouder in een Nederlandse bank die investeert in clusterbommen en ander wapentuig. In 1840 deed hij afstand van de troon, naar verluidt omdat hij na de dood van zijn vrouw wilde hertrouwen met een hofdame. Bij zijn kroning bezat hij naar schatting 12 miljoen gulden; toen hij stierf was dat bedrag opgelopen tot 200 miljoen. De zoon van Willem I was al in 1792 geboren. Op zijn vijftiende werd hij naar de militaire academie in Berlijn gestuurd, waar hij werd opgeleid tot Pruisisch officier. Willem II was een halve Pruis, dacht als een Pruis en voelde zich een Pruis. Hij was liever een Hohenzollern dan een Oranje. Ook hij wilde eigenlijk trouwen met een Pruisische prinses, zoals zijn

vader en grootvader. Bij de Slag van Waterloo werd hij in zijn arm geschoten en alleen al daarom tot held uitgeroepen. Hij maakte een wat indolente indruk, maar niets was minder waar. Hij was een listige en genadeloze intrigant die zelfs tegen zijn eigen vader samenzwoer. Is het een verrassing dat juist deze door Pruisen gedrilde en gevormde koning een buitengewone interesse had in Zionsburg? Na het vertrek van referendaris Carnbee verhuurde Von Geusau het huis aan het echtpaar Rigot de Begnins. Hij was een Zwitser in de generale staf van Willem I. Zij begon zoals gezegd als hofdame van Anna Paulowna, de Russische vrouw van Willem II en werd daarop gouvernante van haar dochtertje Sophie. Een tijdlang was Zionsburg dus een plek waar de koningskinderen graag kwamen, en waar de Begnins ook werden bezocht door het koninklijk paar. Barones Roline Wilhelmine van Randwijck, zoals de gouvernante 398 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 398 voluit heette, was een van de trouwste en meest intieme hovelingen van het koningspaar. Haar man bracht het tot ondergouverneur van de latere Willem III. In 1847 deed Von Geusau (waarschijnlijk onder druk van de koning) definitief afstand van het landgoed. Hij verkocht het in eerste instantie aan het echtpaar de Begnins. Het jaar daarop kocht niemand minder dan koning Willem II de voormalige commanderij van zijn trouwe onderdanen voor dezelfde prijs. Niet alleen Zionsburg, maar ook het ertegenover gelegen Sophias Burg, Parva Domus en het landgoed Zegenwerp in SintMichielsgestel: allemaal plaatsen verbonden aan baron Von Geusau. Het is volstrekt onduidelijk wat de koning heeft bewogen om tot de aanschaf van Zionsburg over te gaan. Het had in elk geval niets te maken met de defensieplannen ten zuiden van Den Bosch. Zionsburg had als buitenverblijf geen strategische functie, in tegenstelling tot de lunet die hij in

de omgeving liet aanleggen. Had hij in Berlijn misschien iets vernomen over het mysterieuze huis en zijn archief? Of waren het zijn contacten met de eigenaar: baron Von Geusau? Von Geusau was enige tijd zeer geliefd aan het hof. Hij werd door Willem I in de adelstand verheven en kreeg invloedrijke posities toebedeeld. Om de een of andere reden was dit het begin van een band die tot op de dag van vandaag standhoudt. Een van zijn zoons werd burgemeester van Voorburg. Een nazaat was in 1918 Minister van Oorlog in het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck. De Von Geusaus staan prominent op de gastenlijst van het huwelijk van Beatrix en Claus. Deze Von Geusau, Frans Alphons Maria Alting von Geusau, is een befaamde hoogleraar die correspondeerde met mensen als Philip E. Mosley, vooraanstaand lid van de door Prins Bernhard opgerichte Bilderberg Groep. Zelfs op het huwelijk van Willem-Alexander en Ma xima ontbreekt de familie niet. Onder de bruidskinderen van het jonge paar is jonkheer Paulo

Alting von Geusau, zoon van jonkheer Michiel en Monika Alting von Geusau-Von Perjes Domolky, die op hun beurt dik bevriend zijn met Willem-Alexander en Maxima. De familie gaat tot op de dag van vandaag prat op hun goede contacten met het koningshuis. Hadden Willem II en de baron, twee Pruisen onder elkaar, een 399 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 399 speciale band? Deelden zij kennis over het Geheim van Zionsburg? De koning is de geschiedenis ingegaan als een onverbeterlijke samenzweerder die zich aangetrokken voelde tot het conspiratieve. Hij wordt wel een samenzweerder van Europees formaat genoemd. Hij bezocht donkere kroegen, bezat een uitgebreid spionnennetwerk en was de spil van allerlei hofintriges.

Hij probeerde Europese koningen en zelfs zijn eigen vader van de troon te stoten. De koning chanteerde en werd gechanteerd. Willem II wilde maar en ding, en dat was macht. Er is geen Hollandse vorst of stadhouder die op zon grote schaal naar soevereine macht streefde als hij. Dat hij met Zionsburg iets anders wilde dan een zomerhuisje is zeker. Hij heeft er nooit gewoond. De Rigots bleven er wonen tegen een jaarlijkse huurprijs van 450 gulden. Als de koning in 1849 (er gaan geruchten dat hij werd vermoord) komt te overlijden koopt het echtpaar het weer terug van de Commissie tot vereffening der nalatenschap van wijlen Z.M. Koning Willem II. Voor zover we weten bleef de schat waar hij was. Nog meer Pruisen Na de dood van Rigot de Begnins wordt Zionsburg van zijn weduwe gekocht door de heer Gijsbertus Petrus Kuller, grondbezitter en in 1860 nog inwoner van sHertogenbosch. Van hem weten we niet veel en het is onwaarschijnlijk dat hij op de hoogte is geweest van de

intrige rond de schat. Nog altijd is het landgoed met mysteries omgeven en het zijn slechts de enkelingen, ingewijden, die naar het Geheim komen zoeken. Het land en de naburige omgeving worden omgespit, er wordt gegraven in de geschiedenis, maar nog altijd blijft het verborgen. Heeft Floris Maschereel het werkelijk mee in zijn graf genomen? Het begint er bijna op te lijken. Gijsbertus Kuller lijkt in elk geval geen ingewijde te zijn geweest. Op zijn beurt verkoopt hij het huis in 1869 weer aan een jonkheer met Pruisische wortels, ene Charles Pierre de Senarclens de Grancy. Deze voormalige burgemeester van het naburige Esch is ondanks zijn exotische naam geen vreemde in Vught. Hij is geboren in Den 400 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 400 Bosch en trouwt in 1843 in de Lambertuskerk. Na wat omzwervingen komt hij met zijn gezin op Zionsburg

terecht. Hij is de zoveelste pechvogel in het landhuis, of het zoveelste slachtoffer. Enkele van zijn kinderen komen kort na elkaar te overlijden. Zijn dochter blijft in leven en trouwt met een neef, Albert Ludwich Friedrich, Freiherr von Senarclens de Grancy. Deze neef is de zoveelste Pruis in het verhaal: hij was generaal-majoor in het Pruisische leger voordat hij kamerheer en adjudant-generaal werd van de groothertog van Hessen. Als Charles Pierre sterft (in 1874) blijft Zionsburg in het bezit van de familie, en wel in dat van de dochter van de jonkheer. Of het Pruisische echtpaar tijd heeft doorgebracht op het landgoed is niet bekend. De weduwe van De Grancy en haar dochter Antoinette zetten het landgoed ten slotte in de publieke verkoop. We schrijven dan 1881. Ditmaal vindt de verkoop plaats in cafe Het Oude Bijltje, vlak tegenover het landgoed. Het plan is om de verschillende onderdelen van de buitenplaats (het huis, het landgoed, de akkers, Parva Domus en het vruchtgebruik) afzonderlijk te verkopen. Er wordt hoog geboden, het ene bod nog hoger dan het vorige, totdat

een Bosschenaar jurist, grootgrondbezitter en Zwanenbroeder alle andere genteresseerden overtreft met een bod van 51.650 gulden. Deze geheimzinnige nieuwe koper verklaart dat hij het gehele landgoed wenst te kopen, met alles erop en eraan. Hij heeft, zo zal later blijken, snode plannen met Zionsburg. Het bod wordt niet overtroffen en op die derde september 1881 wordt Johan Lodewijk Marggraff de nieuwe bezitter. Het landgoed zal vanaf dat moment, en tot het bittere eind, verbonden blijven met zijn geslacht. Marggraffs eerste daad als eigenaar is de totale sloop van het landhuis, behalve en dat is merkwaardig de noordelijke zijgevel van de rechtervleugel. Deze gevel moet koste wat kost bewaard blijven. Ook mogen de fundamenten niet worden geruimd. In de koopclausule laat Marggraff de Eerste (zoals we hem zullen noemen) tevens de voorwaarde opnemen, dat alle schatten, oudheden, geld of andere waardevolle artikelen die tijdens het afbreken of afgraven worden aangetroffen in bezit komen van de koper. 401 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 401 Wat de oude Marggraff al dan niet heeft aangetroffen in die noordelijke gevel is onbekend. Wat wel bekend is, dat hij een nieuw landhuis laat optrekken met dezelfde naam. Na de sloop wordt een begin gemaakt met de bouw van het nieuwe Zionsburg. In september 1882 legt zijn zoontje, de vierjarige Lodewijk Willem Johan Marggraff (Marggraff de Tweede), de eerste steen van de nieuw te bouwen villa van Zionsburg. 402 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 402 Hoofdstuk 17

Pruisische spionnen De vijfde schatzoeker: de familie Marggraff Eindelijk zijn we dus aangekomen bij de familie waarmee ons verhaal begon. In 1881 kopen de Marggraffs het landgoed op en bouwen op de plek van het commandeurshuis een heel nieuw Zionsburg. Op de zijgevel verschijnen twee jaartallen: 1287 en 1881. Waar kwamen de Marggraffs zo opeens vandaan? De laatste, Ewald Marggraff, was naar eigen zeggen niet bepaald genteresseerd in zijn voorvaderen. Gevraagd naar zijn afkomst in een interview met het Brabants Dagblad haalde Ewald Marggraff eenvoudigweg zijn schouders op: Ach, familiehistorie... In een later interview bij dezelfde krant slaat hij echter een compleet andere toon aan: Ja, ja. De dubbele g en f. Dat geeft blijk van een intellectuele naam. Ook al loop je in de vorige eeuwen tegen de namen Marckgraaf of Margraf aan. Maar Marggraff, die naam verbaster je niet.Mits anders vermeld komen

alle citaten van Ewald Marggraff uit de reeks interviews die hij in maart en april 1994 aan het Brabants Dagblad gaf. Ook zijn vriend en tuinman B.R. beweert op zijn website153 dat Ewald juist trots was op zijn Pruisische herkomst. Hij zou regelmatig de naam van zijn verre voorvader Andreas in de mond hebben genomen. Deze Andreas Marggraff, zo ontdekten we, was een achttiende-eeuwse chemicus die had uitgevonden hoe je suiker aan een suikerbiet onttrekt. In 1754 presenteerde hij zijn vondst voor de koninklijke academie in Pruisen, die zijn ontdekking vanwege 403 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 403 het economisch belang met groot enthousiasme ontving. Zijn collegas waren zo onder de indruk van zijn wetenschappelijk werk dat ze een gedenkteken

aanbrachten naast de hoofdingang van zijn laboratorium aan de Dorotheenstrasse in Berlijn. De eerste Marggraff was 25 jaar daarvoor in s-Hertogenbosch verschenen. Ewald lichtte een tipje van de sluier op over deze Pruis, die zijn geluk in Nederland zou beproeven: Natuurlijk weet ik van de eerste Marggraff die vanuit Maagdenburg naar Den Bosch kwam. Aardig voor de statistieken is de komst van soldaat Marggraff in het regiment van kolonel Constandt, midden achttiende eeuw. In 1731 wordt inderdaad voor het eerst gewag gemaakt van deze soldaat genaamd Ludwig Marggraff. Ludwig huwde en kreeg kinderen, die allemaal werden gedoopt in de lutherse kerk te s-Hertogenbosch. In 1737 zette hij de eerste stap in de richting van permanent burgerschap. Hij schafte een prijzig pand aan in het hart van de stad, waar hij met zijn gezin ging wonen. Het is ons een raadsel waar een gewone soldaat het geld vandaan haalde om zon duur pand aan te schaffen. Maar hij bleek nog veel meer centen op zak te hebben. Ludwig kocht grote stukken land in de nabije omgeving. Vooral Vught leek zijn

voorkeur te hebben. Natuurlijk was het salaris van een gewone soldaat bij lange na niet toereikend voor een dergelijke aanschaf. Had soldaat Marggraff misschien de beschikking gekregen over een familiefortuin, of ontving hij zijn fondsen uit een andere bron? Maar de vraag die ons het meest bezighield: wat had een Pruisische legionair te zoeken in Den Bosch? Den Bosch mocht zich verheugen in massas Pruisische huurlingen rond het midden van de achttiende eeuw. De Staten-Generaal maakten regelmatig gebruik van de oosterburen in tijden van oorlog. Vooral de Oranjes leunden sterk op de Pruisen wanneer hun belangen in de Lage Landen verdedigd moesten worden. In het licht van de werkelijke verhoudingen zou het beter zijn te zeggen dat de Hohenzollerns gebruikmaakten van de Oranjes om hun belangen in Nederland zeker te stellen. Maar Ludwig was, zoals we zullen zien, geen normale soldaat. De schaarse bronnen die ons ter beschikking staan, spreken inderdaad over Maagdenburg als 404 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 404 plaats van oorsprong. Wij wisten dus dat we moesten zoeken naar een Pruisische Marggraff. Maar toen wij dit wilde natrekken in het genealogisch archief van die stad, schudde de medewerker zijn hoofd: geen Marggraff te bekennen. Probeert u het eens in Braunschweig. Teleurgesteld maar hoopvol dat we in het aan Maagdenburg grenzende Braunschweig meer te weten zouden komen, stapten we terug de auto in. Wat bleek: verbazingwekkend genoeg leidde het spoor van Marggraff inderdaad terug naar de hertog van Brunwijk! We hadden dus meer geluk in de voormalige Hanzestad Braunschweig of Brunswijk. Ene Johann Georg Marggraff predikte hier in het midden van de zeventiende eeuw de nieuwe leer. In 1667 had hij zijn hoed afgenomen voor de hertog in een pamflet met de pakkende titel: Hertz-Christlicher Glucks-Wunsch dem

Hn. Ferdinand Albrechten, Hertzogen zu Braunschweig und Luneburg. De lutherse Johann Georg viel kennelijk zo in de smaak bij de hertog van Brunswijk dat hij werd aangesteld als de officiele predikant aan het hof. Het boekje dat hij ter ere van de hertog schreef, was niet de enige. Talloze publicaties van zijn hand circuleerden rond het Brunswijkse hof. Stuk voor stuk lofbetuigingen aan het adres van de hertogen van Brunswijk. Maar Johann was geen Brunswijker van geboorte. Voordat hij de eerbiedwaardige functie van hofpredikant bekleedde, was hij een eenvoudige geestelijke die zijn preken in een plattelandskerkje hield in het stadje Minden. Omdat Minden vanaf 1648 een Pruisische vesting was, valt zijn promotie te begrijpen. Omdat het in het midden van de zeventiende eeuw een komen en gaan was van soldaten uit alle Pruisische gebieden, mogen we er niet klakkeloos van uitgaan dat Johann Georg Marggraff of zijn kroost oorspronkelijk uit Maagdenburg afkomstig was. De familie was afkomstig uit een gebied waar de Pruisen de dienst uitmaakten. Hij was dus een Pruis, maar niet afkomstig uit Maagdenburg. Bovendien lag zijn trouw bij het

Welfische huis Brunswijk waarvan hij onderdaan was. 405 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 405 Als hofpredikant had Johann Marggraff vrije toegang tot het meest omvangrijke archief van Europa op dat moment, de Bibliotheca Augusta. Deze legendarische bibliotheek was gehuisvest in het slot Wolfenbuttel en is vernoemd naar de vader van Ferdinand Albrecht, August van Brunswijk-Luneburg. In werkelijkheid was het voortgekomen uit een veel ouder archief, dat gesticht was door de veertiende-eeuwse grootmeester van de Duitse Orde Luther van Brunswijk. De bibliotheek bevatte zoals gezegd veel zeldzame manuscripten uit Thuringen en andere Germaanse oerplaatsen. Het meest waardevolle item in de collectie was de Codex Carolinus, een bijbelvertaling uit de

vijfde eeuw, die net als de Codex Argenteus wordt toegeschreven aan de Germaanse bisschop Wulfila. Aan het einde van de zeventiende eeuw stond de Bibliotheca Augusta bekend als de meest uitgebreide bibliotheek van Europa, en de hertogen van Brunswijk als verwoede verzamelaars van antieke literatuur. Hun liefde voor het geschreven woord was zelfs zo groot dat er een netwerk van betaalde agenten werd opgebouwd om her en der manuscripten na te speuren. Kosten noch moeite werden gespaard om zeldzame manuscripten uit heel Europa naar het hof over te brengen. Bij zijn aantreden als hertog in 1634 had August al een indrukwekkende verzameling van maar liefst 135.000 titels bij elkaar gesprokkeld en hij zou deze in de loop van de jaren nog verder uitbeiden. Als Johann Marggraff niet met zijn neus in de boeken zat, was hij voorganger en geestelijk adviseur. Hij bevond zich dus in alle opzichten dicht bij het vuur. Het was namelijk hier, in de bibliotheek van Brunswijk, waar hij een ontdekking zou doen die de toekomst van zijn geslacht sterk zou benvloeden. Vanuit welke hoek

wij Johann Marggraff ook bekeken, steeds kwamen we uit bij het Huis van Brunswijk. We brengen die vreemde nacht uit 1557 in herinnering, toen hertog Erik van Brunswijk met zijn zwarte ridders in het Zwanenbroedershuis in Den Bosch logeerde. Al met al een vreemde missie, als je de zaak op zichzelf beschouwt. Maar het past naadloos in de serie spionageactiviteiten die werd ondernomen in de tijd na de vernietiging van het commandeurshuis in Vught door Maarten van Rossum. 406 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 406 Wat had Johann Marggraff precies ontdekt in de bibliotheek? Had hij een verslag gelezen van Erik van Brunswijk en zijn verblijf in Den Bosch? Had hij zitten bladeren in het dagboek van Luther van Brunswijk, de grootmeester van de Duitse Orde tijdens de cruciale veertiende eeuw? Maar vooral: was hij erachter

gekomen welke schat zich in Nederland bevond? Alles is mogelijk. Hij heeft echter nooit stappen ondernomen om de schat op te eisen. Het netwerk van betaalde agenten in dienst van de hertog van Brunswijk werd na diens dood niet stopgezet. De hertogen na hem bleven agenten uitzenden om de bibliotheek verder uit te breiden. De keuze van Ludwig om naar Den Bosch te verhuizen lijkt dus al met al niet op toeval te berusten, ook al deed hij dat onder de bescherming van een Pruisisch regiment uit Maagdenburg. In 1731 legde Ludwig Marggraff officieel de Pruisische (of Brunswijkse) nationaliteit naast zich neer om voortaan door het leven te gaan als trouwe onderdaan van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In een akte van de Bossche notaris Everardus van Bruggen worden Ludwigs bezittingen nog eens opgesomd: verschillende panden in s-Hertogenbosch, weilanden in Deuteren en Empel en vooral: grote lappen grond in Vught. Niet slecht voor een eenvoudige soldaat, die toevallig met zijn regiment in Den Bosch verzeild was geraakt. Gezien de

voorgeschiedenis kunnen we ons moeilijk aan de indruk onttrekken dat het geld voor een deel afkomstig was uit Brunswijk en dat Ludwig Marggraff dus een betaalde agent was van de hertog. Uit een gesprek dat Ewald Marggraff in 1994 voerde met een journalist blijkt dat hij ook niet wist waar het familiefortuin precies vandaan kwam. Ewald: waar hij de middelen vandaan haalde, weet ik niet. Misschien dat hij als advocaat hier en daar toch wat centen opstreek. De familie Marggraff bleef het goed doen. De zoon van Ludwig, Johannes Christoffel Marggraff, duikt met grote regelmaat op in de archieven van de broederschap, waarin hij afwisselend als lid en als notulist wordt omschreven. Door allerlei slimme investeringen en deals verdrievoudigde hij zijn erfenis nog eens, met name door de aankoop van land in Gelderland. Tegen de tijd dat de Fransen zich uit Holland terugtrokken, mochten de Marggraffs zich reke407

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 407 nen tot de meest welvarende grootgrondbezitters in de regio. Wij vinden de naam dan ook prominent terug in de archieven van de Zwanenbroeders. In de negentiende eeuw waren de nazaten van Ludwig Marggraff niet meer weg te denken uit de broederschap. En net als de andere schatzoekers keken ze naar Vught. Familievetes In de sinds 2005 geopenbaarde archieven van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap springen na 1700 een paar families nadrukkelijk in het oog: de Van Rijckevorsels en de Van Lanschotten. Het familiewapen van de Rijckevorsels laat zich omschrijven als een goud en groen schild met daarop drie kikvorsen; aan weerszijden van het wapen prijken twee gouden griffioenen die het schild ondersteunen met hun vleugels. Eronder wappert een lint met daarop het Latijnse

Condit opes virtus (deugd gaart schatten). We herkennen het logo van de Van Lanschotten als dat van het bankbedrijf F. van Lanschot N.V. Wij waren het wapen al tegengekomen in de glas-in-loodramen van de sacramentskapel in de Sint-Jan. Het familiewapen stamt uit de zeventiende eeuw en wordt nog altijd gevoerd door het succesvolle bankiersbedrijf. Wie tegenwoordig op het station van Den Bosch arriveert, kan vanuit de trein het logo al zien, prominent geplaatst op het dak van een moderne toren. Op een zilver en groen kleed staan drie groene populieren afgebeeld, op de voorgrond een toren. Het devies is Exaltabor in Terra. Een grafschrift ter ere van een van de voorvaderen van de familie in de Sint-Jacobskerk te Antwerpen leest: Men wint den Hemel met gewelt, of is te koop met kracht van geldt. De twee machtige families drongen zich op de voorgrond en hadden net als de Zwanenbroeders vor hen grote interesse in Vught en Zionsburg. De bevriende geslachten bezaten aan het begin van de twintigste eeuw zon beetje alle grote landgoederen in Vught (Sparrendaal, Maurick, Bleijendijk enzovoort); dat wil zeggen, alle grote

landgoederen behalve Zionsburg. Jarenlang vorm408 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 408 den de Van Lanschotten en de Van Rijckevorsels en front tegen de familie Marggraff. Eind negentiende eeuw waren de Zwanenbroeders oppermachtig in Vught. In 1886 nam Aloysius van Rijckevorsel de burgemeestersketting over van Johan C. Marggraff. Deze Van Rijckevorsel droeg hem in 1899 weer af aan August van Lanschot. Maar om tot dusver onopgehelderde redenen trad er plotseling een verandering op in de relaties tussen de Zwanenbroeders onderling. Van Lanschot en Van Rijckevorsel keerden zich plotseling tegen hun medebroeder, burgemeester Marggraff. Had het bezit van Zionsburg hier iets mee te maken? Volgens de tuinman B.R. zou Ewald Marggraff hebben gezegd dat de roomsen zijn oudoom op

slinkse wijze hadden weggewerkt. Op welke manier dat zou zijn gebeurd vertelde de tuinman er niet bij. Inderdaad lijkt de zaak Ewald flink dwars te hebben gezeten. Wanneer het maar kon, trok hij van leer tegen de katholieken, die hij verantwoordelijk hield voor de afzetting van zijn verwant als burgemeester. De roomsen hebben de protestanten uit Vught gejaagd. De familie Van Beresteyn, de familie Martini van Geffen. Weg. Maar niet de Marggraffs! Deze vete tussen de drie machtige families is officieel nooit opgehelderd, maar de pogingen van de factie Lanschot-Rijckevorsel om Marggraff zwart te maken en uit Vught weg te jagen zijn moeilijk te verbloemen. Het ziet ernaar uit dat de bankiers weinig zin hadden om potentiele ontdekkingen met de Marggraffs te delen. De onteigeningsplannen van Lanschot-Rijckevorsel ten aanzien van Zionsburg zouden zich uitstrekken over verschillende generaties. Oranjes, Pruisen, Zwanenbroeders De industriele revolutie van de negentiende eeuw

zorgde voor een versnelling op alle mogelijke terreinen. De Nederlandse kolonien genereerden nog altijd zeer grote winsten waardoor enorme technologische sprongen mogelijk werden. In een betrekkelijk korte 409 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 409 tijd was Europa van een feodaal machtsstelsel in een welvarend en democratisch continent omgevormd. Maar sommige dingen veranderen nooit. Zoals de warme band tussen de verschillende adellijke families (vooral van Duitse herkomst) en de Oranje-Nassaus. Toen prinses Juliana van Oranje-Nassau in 1936 trouwde met de Pruisische prins Bernhard von LippeBiesterfeld verbaasde dat de Nederlanders dus niet echt. Maar toen het huwelijk in 1935 publiekelijk werd aangekondigd, begon een aantal intellectuelen zich te roeren. Waarom moest hun prinses zo nodig trouwen

met die flamboyante Pruis, terwijl de nazis aan de andere kant van de grens met steeds meer geweld hun machtsimperium opbouwden? Dat ging toch tegen de goede smaak in. Het nationalistische gevoel dat al eeuwenlang ten onrechte werd geassocieerd met de Oranjes, kreeg een flinke deuk. De kritiek was dan misschien legitiem, maar dus ook nogal naf. Een beetje historicus weet dat de Oranjes en de Pruisen van hetzelfde laken een pak zijn. De Oranjes spraken onderling nog tot in de twintigste eeuw Duits en waren vaker te vinden in Duitse landhuizen dan op Paleis Het Loo. Als de sceptici toen wisten wat wij nu weten, was hun bloeddruk vast en zeker tot een kritieke hoogte opgelopen. De bruidegom was namelijk lid van de nazipartij en cavalerieofficier in de Reiter SS, de Teutonen te paard. Daarnaast marcheerde Bernhard in zijn vrije tijd met de bruinhemden van de SA, die zon slechte naam hadden dat zelfs de meeste nazis zich van hen distantieerden. In het midden van de jaren dertig besloot Bernhard een respectabel baantje aan te nemen. Als lid van de

adellijke elite was Bernhard uitverkoren zich in de betere kringen te begeven. Hierbij kwamen de contacten van zijn familie met de grootindustrielen in Duitsland goed van pas. Hij ging werken als secretaris voor de raad van bestuur van IG Farben, het bedrijf dat later het dodelijke gifgas Zyklon B zou produceren. Kort voor het uitbreken van de oorlog stapte Bernhard in het huwelijksbootje met prinses Juliana, erfgename van de troon. In 1936 werd hij samen met zijn vrouw toegelaten tot de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Volgens de gids in het Zwanenbroedershuis was hij een regelmatige bezoeker. Ze had hem zelf vaak meegemaakt. Als de gasten zich terugtrokken in de extravagante verga410 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 410 derzaal van het Broederschaphuis, zo verklaarde onze gids, verzocht hij haar de deuren op slot te doen zodat

er vrijuit kon worden gepraat. Bernhard stak dan een sigaar op terwijl de broeders zich om hem heen schaarden. Terwijl Juliana haar lidmaatschap beschouwde als louter ceremonieel, nam haar echtgenoot de zaak veel serieuzer. Omdat er een geheimhoudingsplicht geldt voor de broeders, is niet bekend wat er besproken werd. Bernhard kennende zal er vermoedelijk driftig achterkamertjespolitiek zijn bedreven. De broeders waren zeer ingenomen met hun nieuwe aanwinst. Niet alleen was de prins gehuwd met het toekomstig staatshoofd, het Huis Lippe stond tevens bekend als een machtige factie met veel connecties. Bernhard, als telg van een roemrucht Duits geslacht, betekende een enorme uitbreiding van hun netwerk. Maar er kwam een abrupt einde aan Bernhards frequente uitstapjes naar Den Bosch. De oorlog barstte los. De Wehrmacht vloog Nederland binnen en dwong de strijdkrachten in een beschamende vier dagen op de knieen. Het verhaal is bekend. De koninklijke familie vluchtte opnieuw naar Londen en liet de Nederlanders voor wat ze waren. Bernhard poseerde in Spitfires en liet zich breed glimlachend fotograferen in een flitsend

luchtmachtuniform. In een kwestie van maanden wist de Duitse prins zichzelf om te toveren van een dubieuze nazi-gezinde prins in een geallieerde oorlogsheld. Bernhard had zich van zijn eigen verleden weten te bevrijden en verzon een nieuwe Bernhard, meer in lijn met de vermoedelijke overwinnaars. Bernhard had dus min of meer vrij spel in Londen en raakte tijdens de hectische oorlogsjaren in gesprek met allerlei topmensen uit het bankwezen, waaronder zijn medeZwanenbroeder Willem Bib van Lanschot, die zich eveneens in de Engelse hoofdstad had teruggetrokken. Bib, zoals Bernhard hem noemde, voelde zich niet bijzonder aangetrokken tot het bankiersvak van zijn voorvaderen. Hij koos in plaats daarvan voor een carrie`re binnen de Nederlandse strijdkrachten en in 1940, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoor411 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 411

log, voegde hij zich bij het Tweede Regiment Huzaren dat gelegerd lag bij Amersfoort. Het officiele verhaal wil dat Bib kort na de capitulatie verschillende waardevolle spullen in veiligheid bracht op de verblijfplaats van zijn familie, kasteel Maurick. Na zijn demobilisatie besloot Bib rechten te gaan studeren in Leiden. Hij sloot zich aan bij de verzetsbeweging onder de dekmantel van het Leids Studenten Corps. Deze verzetsgroep zou later onder het beheer van Bernhard vallen. Maar zijn oorlogsverleden is tweeslachtig. Enerzijds werd hij blootgesteld aan de verschrikkingen van kamp Dachau. Anderzijds lijkt hij een voorkeursbehandeling te hebben genoten in handen van de bezetter. Toen de Leidse verzetsorganisatie in 1942 door de Duitsers werd opgerold, werden zijn kameraden zonder pardon tegen de muur gezet. Hoewel zijn betrokkenheid bij het verzet een vaststaand feit was, bleef Bib het lot van zijn kameraden bespaard. Na een week van ondervragingen in de kerkers van de Gestapo werd het Nacht und Nebeldecreet op hem van toepassing verklaard. Dit hield in dat hij met onbekende bestemming werd weggevoerd, in de nacht en in de

nevel. Wat hij die week precies heeft opgebiecht is niet bekend. Zou hij zijn ondervragers onder druk informatie hebben gegeven en had hij zo de doodstraf kunnen ontlopen? Dat laatste is een mogelijkheid die we niet zomaar terzijde kunnen schuiven. We herinneren ons dat Bib in 1940 allerlei kostbaarheden op Maurick had verstopt. Waren de Duitsers misschien juist daarin genteresseerd en zagen ze de Vughtse bankierszoon daarom liever levend dan dood? We zullen in elk geval zien dat de nazis voor Vught en dan vooral het heilig landschap Bleijendijk-Maurick-Zionsburg een bijzondere belangstelling hadden, net als de Teutonen voor hen. Maar veel informatie zullen ze niet uit Bib hebben kunnen lospeuteren, want uiteindelijk werd hij weggevoerd naar een concentratiekamp. 412 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 412 Een andere Duitse Orde

De winter van 41-42 was streng. Op 7 januari 1942 begon het in Vught te sneeuwen en tot half maart lag het dorp verzonken onder een stugge witte deken. Voedselrantsoenen waren schaars en alleen op de bon verkrijgbaar, en om aan brandstoffen te komen moesten veel Vughtenaren de barre kou trotseren om urenlang in de rij voor de kolenboer te staan. Limburgse mijnwerkers brachten hun vrije zondag in de kolenmijnen door om aan de vraag te kunnen voldoen. Omdat een groot deel van deze opbrengst naar Duitsland verdween, werden de inwoners van Vught gedwongen hun kachel op een andere manier brandend te houden. In de bossen rond het dorp werd op grote schaal hout gekapt, soms zelfs zo grondig dat in een tijdspanne van een half uur een klein bos volledig werd gerooid. In een poging de noodsituatie het hoofd te bieden besloot de gemeente dat particuliere grondbezitters hout beschikbaar moesten stellen tegen een redelijke prijs. Veel welgestelde lieden gaven gehoor aan de oproep en stonden toe dat er op hun terrein werd gekapt. Onder deze welgestelden was er en uitzondering: ...een Vughtse grootgrondbezitter,

die tot ergernis van de plaatselijke (politie-) ambtenaren en bevolking, weigerde dood hout uit zijn bossen te laten verwijderen. Uiteindelijk werd hij hiertoe gedwongen. Met diens onvrijwillige medewerking kon in deze winter ongeveer 120.000 kilo hout aan de Vughtenaren worden uitgereikt.154 Als er en aspect is van Marggraffs leven dat tot wilde speculaties heeft geleid, is het zijn oorlogsverleden. De verhalen hierover varieren van verzetsactiviteiten tot vermeende collaboratie. Toen wij een bezoek brachten aan het Zwanenbroedershuis in s-Hertogenbosch, kregen wij een wandplaat te zien met daarop de familiewapens van leden vor 1940. Het viel ons op dat enkele wapens met witte inkt onzichtbaar waren gemaakt. Op de vraag wat dit betekende, antwoordde onze gastvrouw dat dit de broeders waren die vanwege een lidmaatschap van de NSB van de ledenlijst waren geschrapt. De identiteit van deze leden was strikt vertrouwelijk (ook het NIOD geeft geen informatie prijs over de identiteit van 413

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 413 voormalige NSBers). Niettemin wist onze gastvrouw mee te delen dat een van de verwijderde contribuanten een beruchte grootgrondbezitter uit Vught was. Marggraff, zeiden wij. Ja, was het antwoord. De reputatie van Zionsburg als verradersnest is even hardnekkig als die van schatkamer. Wat er precies gebeurd is in die tijd is erg moeilijk te achterhalen. Het is niet eerlijk om Marggraff te beoordelen op basis van geruchten. We weten ook niet welke rol de nazis in ons verhaal hebben gespeeld, als ze er al een rol in speelden. De nazis en de Duitse Orde waren niet dezelfde organisatie. De nationaal-socialisten adopteerden aspecten van de orde, maar wezen andere

af. Toch zijn er veel overeenkomsten tussen de twee, en het is beslist niet ondenkbaar dat er, althans op bepaalde gebieden, een gedeelde doelstelling bestond. De Duitse Orde en het nazisme De verstandhouding tussen de nazis en de Teutoonse Orde laat een dubbelzinnig karakter zien. Enerzijds werd de officiele Duitse Orde zoals deze in Wenen nog bestond door Hitler verboden. Anderzijds spiegelden de nationaal-socialisten zich wanneer zij maar konden aan de noordelijke kruisridders. De ban op de Oostenrijkse orde kan te maken hebben met het nadrukkelijk katholieke en ceremoniele karakter ervan. Het hoofdkwartier in Wenen was weinig meer dan een herensocieteit met de charitatieve trekken waar Hitler zon hekel aan had. In 1834 had keizer Franz I de orde een soevereine status verleend binnen de Oostenrijkse gebieden. Niet dat dit tot een enorm feest zal hebben geleid, want in die dagen telde de orde nog maar elf leden. Daarna was er onder opeenvolgende grootmeesters een gestage opleving, die in het begin van

de twintigste eeuw resulteerde in een relatief krachtige organisatie van Duitse edellieden. Het was, kortom, een instelling van en voor softe dandys, ver afgedwaald van de noordse veroveraars en pioniers. Het is heel goed denkbaar dat Hitler op de hoogte was van de 414 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 414 geschiedenis van de oorspronkelijke orde (met name de Hohenzollern-kunstgreep uit 1525), getuige zijn respect en fascinatie voor de Pruisische adel en haar militarisme.155 Het nazisme, hoewel groot geworden in Beieren, keek voor het ontwikkelen van een huisstijl en een eigen identiteit vooral naar het noorden. Tot de geplande arische zuiveringen hoorde dan ook het tenietdoen van de gecorrumpeerde aan Habsburgers verbonden ridderorde, en het in ere herstellen van de oorspronkelijke Germanenorde. Als we het ons in de zoektocht naar een ondergrondse Teutoonse Orde in

het nazisme gemakkelijk willen maken, hoeven we alleen figuren als Marrs en Trevor Ravenscroft te citeren. Beiden gaan er volledig van uit dat er aan de Tweede Wereldoorlog een occultTeutoonse samenzwering ten grondslag ligt. De Tweede Wereldoorlog, beweert Marrs, was grotendeels het gevolg van een verborgen machtsstrijd tussen geheime occulte groeperingen, gevormd door rijke zakenlieden, die uiteindelijk leidde tot internationale spanningen die uitmondden in openlijke strijd... Of dit nu waar is of niet, veel termen en symbolen uit de tijd van de Baltische kruistochten vonden hun weg binnen het nazisme, zoals Zwaardbroeders, tempelridders, ordestaat, de adelaar en de Hermann von Salza-pantserdivisie. Het IJzeren Kruis was een afgeleide van het hamerkruis van de Deutschritter. Bij de begrafenis van nazi-topman Reinhard Heydrich decoreerde Hitler hem postuum met deze hoogste onderscheiding van de Duitse Orde. De theorie was dat het Wilhelmskruis in feite een geabstraheerde swastika was. Van keizer Frederik Barbarossa, een van

de drijvende krachten achter de Derde Kruistocht, herinnerde men zich dat hij (net als koning Arthur) niet gestorven was, maar dat hij sliep in de spelonken van de Kyfhaser Berg. Hij zou ontwaken in tijden van nood en met hem de Teutoonse furie, die de Germaanse hegemonie in Europa zou herstellen.156 Hitler misbruikte deze mythe door zichzelf te profileren als de wedergeboren Barbarossa. Nationaalsocialistische elitescholen kregen het voorbeeld van de middeleeuwse ordeburchten. Hun aan de Middeleeuwen ontleende architectuur moest de nieuwe bruine adel het gevoel geven dat ze deel uitmaakte van een ridderorde. Er werd hierbij bewust aansluiting 415 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 415 gezocht met de traditie van de Duitse Orde, die OostEuropa koloniseerde en dientengevolge de machtige

burchten van de Duitse Orde beschermde.157 De invasiepolitiek in het oosten, of het nu ging om de aanval op Polen of het grootscheepse kolonisatieplan van de Russische steppen (het Generalplan Ost), kon niet anders dan herinneringen losmaken aan de Baltische kruistocht. In zijn beruchte manifest zinspeelt Hitler erop dat hij met de verovering van Polen en Rusland een expansie voltooit die zeshonderd jaar geleden is opgegeven.158 Bekend is dat Hitler in zijn jeugd werd benvloed door verhalen over de Duitse ridders. De nazis gingen zoals bekend prat op hun vermeende Teutoonse wortels. Er waren mensen als Adolf Eichmann, die mensen graag liet geloven dat hij een in Palestina geboren Duitse tempelier was. Apocriefe verhalen maken van Hitler zelf een occulte figuur die geobsedeerd was door Germaanse mythologie en religieuze relikwieen. Een van zijn biografen stelt: Hij bracht veel tijd door in openbare bibliotheken, maar hij las zonder onderscheid en zonder methode: het oude

Rome, oosterse godsdiensten, yoga, occultisme, hypnose, astrologie...159 Deze en andere geruchten ten spijt was het aantoonbaar toch vooral Heinrich Himmler, de tweede man van het Rijk, die de meeste waarde hechtte aan het occulte, met name de veronderstelde Germaanse overlevering. Van Himmler is zijn fascinatie met het occulte terdege bekend. Onder hem kwam een instituut tot stand, het Ahnenerbe, dat uitsluitend de vermeende arische wortels van de Duitsers bestudeerde. Ook was het Himmler die voor de identiteit van de nazis vooral naar de Duitse Orde keek. Net als Hitler verdiepte Himmler zich in occulte boeken. Himmler kwam al vroeg in aanraking met de Germanenorden, de Wotanloges en de Thule Genootschappen zoals die in de beginjaren van de twintigste eeuw in zwang raakten. Het inwijdingsritueel van de Germanenorde was rechtstreeks ontleend aan de vermeende IndoEuropese afstamming: inwijding in de eerste graad werd terugkeer van de verdwaalde Ariers naar het Duitse Halgadom ge416

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 416 noemd. Halgadom was het toekomstige rijk van de ariers. Hierbij verzamelden de adepten en hun priesters zich in een ceremoniele hal, gekleed in de witte mantels van de Duitse ridders. Op hun hoofd droegen ze, leunend op een zwaard zoals in Wagners Lohengrin, een gehoornde helm. Afsplitsingen van de Germanenorde noemden zich de Orde van de Germaanse Hoeders van de Heilige Graal, waarin de Graal de zuivere arische bloedlijn vertegenwoordigde. Himmler was gefascineerd door deze Teutoonse rituelen. Toen hij in 1929 hoofd van de toen nog bescheiden SS werd, modelleerde hij deze naar de Teutoonse ridders, die in zijn optiek niet alleen Duitse kruisvaarders waren, maar ook de hoeders van de Graal. In de negentiende eeuw deed opnieuw de gedachte opgeld dat Jezus van zuiver arisch bloed was,

wat de hele kruistochtgedachte en de zoektocht naar de Graal tot een puur Duitse aangelegenheid maakte. Niet alleen de nazis schraagden deze theorie; de Hohenzollerns sloten zich erbij aan. Keizer Wilhelm II verkondigde: Volgens mij was Christus een Gallier, en dus geen jood... onze kerk moet Duits-Germaans worden.160 Himmler was de drijvende kracht achter deze zoektocht naar de Duitse Heilige Graal. Het SShoofdkwartier dat hij in 1934 vestigde in de Wewelsburg, een kasteel bij Paderborn (in het Teutoburgerwoud), moest nadrukkelijk herinneringen oproepen aan Marienburg, de hoofdzetel van de Duitse Orde. De Wewelsburg en niet Berlijn moest het heilige centrum van de Teutonen worden, een nieuwe heidense graalburcht. De SS-kern die de burcht zou bezetten, zou uit twaalf groepscommandanten bestaan, zoals de staf van de Duitse Orde in Marienburg uit twaalf riddermonniken bestond. Himmler was waarschijnlijk degene die zich van de Germaanse overlevering (en de wijze waarop hier in de twaalfde eeuw over werd gedacht) het meest bewust was. Koning Heinrich de Vogelaar was als stichter van het

Eerste Rijk zijn idool en speelde een belangrijke rol als grondlegger van het beoogde Germania. Het was Himmler die de vermeende beenderen van de Vogelaar, de Fuhrer van duizend jaar geleden, ceremonieel liet herbegraven in de kloosterkerk van Quedlinburg. De Reichsfuhrer SS meende dat hij de weg had gebaand voor de Germaanse wedergeboorte die 417 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 417 nu, duizend jaar later, eindelijk plaatsvindt. Zijn eigen Baltische kruistocht kreeg hij toen Hitler hem in 1939 Reichskommissar fur die Festigung des Deutschen Volkstums maakte en hij de controle kreeg over de geannexeerde Poolse gebieden. Binnen een jaar had hij een miljoen Polen en 300.000 joden op de vlucht gejaagd of vermoord om plaats te maken voor Duitse kolonisten. Met de oprichting van de SS (in feite de nieuwe Duitse ridderorde) zette hij dus een traditie

voort waarvan hij meende dat die in de negende eeuw was begonnen. Of hij dit nu met opzet deed of niet, Himmler was de eerste in lange tijd die de verborgen agenda van de Duitse Orde in alle openheid uitsprak. De zesde schatzoeker: de nazis Dat Himmler daarmee ook een vertegenwoordiger van de Duitse Orde was is niet gezegd. Het is verleidelijk om hem als een agent of ingewijde te zien, daar hij precies de lijn inzette die de orde vanaf de Derde Kruistocht voor ogen had gestaan. Hij kwam uit een relatief eenvoudige familie, maar stond op goede voet met het Beierse koningshuis; zijn peetoom was prins Heinrich van Beieren, naar wie hij overigens ook was genoemd. De Wittelsbachers, waar hij kind aan huis was, behoorden tot de oudste Europese adelgeslachten. Tussen 1180 en 1918 waren zij de keurvorsten van Beieren; ook leverden zij zelf twee keizers. Welwillende genealogieen voeren het geslacht terug op Karel de Grote, en in ieder geval tot in de negende eeuw. De

eerste telgen uit het Huis Wittelsbach hadden hun rechten over Beieren ontvangen uit handen van Heinrich de Vogelaar zelf. Later was er zelfs sprake van huwelijken tussen de Saksische hertogen en die van Wittelsbach, hetgeen de laatsten verwant maakt aan de Vogelaar. Leden van de familie heersten een tijdlang over Brandenburg en in de zeventiende eeuw over de Habsburgse Nederlanden. Friedrich V van Bohemen, de Winterkoning, die bij het beleg van Den Bosch de boel in de gaten kwam houden, was een Wittelsbacher. Een meer recente telg was keurvorst Clemens Au418 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 418 gust van Beieren, aartsbisschop van Keulen en grootmeester van de Duitse Orde tot 1761. Zijn wapen bevat het zwarte hamerkruis en de dubbelkoppige adelaar.

Himmler verbond zich aan organisaties die het ridderideaal van de Duitse Orde belichaamden, zoals de Artamanen. Dit was een neo-Germaanse jeugdorganisatie die zich beijverde voor de oprichting van een ridderlijk vechtgenootschap dat de strijd aanging met de Slaven, de joden en de christenen. De Artamanen waren de zoveelste, door Pruisische Duitse ordefracties gesponsorde, bewegingen die ten doel hadden het aloude ideaal van de ordestaat te reanimeren. Het was door zijn lidmaatschap van deze en soortgelijke groeperingen dat Himmler in contact kwam met Hitler. Nadat Hitler onder de indruk was geraakt van het organisatietalent van de toekomstige Reichsfuhrer, gaf hij hem in januari 1929 de opdracht een alternatieve SA op te richten. De onhandelbare SA was hem een doorn in het oog geworden en hij zocht naar betrouwbare functionarissen om een strak beteugelde versie van de SA op poten te zetten. Aanvankelijk, louter om de SA een rad voor ogen te draaien, was er slechts sprake van een persoonlijke lijfwacht die niet meer dan 280 man zou

tellen. Onder Himmler groeide de SS echter uit tot een complexe en uitgebreide organisatie met tienduizenden leden. SS-Reichsfuhrer Heinrich Himmler werd op die manier, na Adolf Hitler, de belangrijkste en meest gevreesde leider van het Derde Rijk.161 Meer nog dan de opperbureaucraat van het Derde Rijk, werd hij de exponent van de Zuiver-Bloedtheorie. Niemand ging verder dan hij in het uitstippelen van een monsterlijk plan om het Duitse bloed te zuiveren van niet-arische invloeden. De gruwelijke gevolgen van zijn onderneming zijn terdege bekend. Minder bekend is hoe dit beleid naadloos aansloot bij dat van de Teutoonse expansiestrategie. Het lijkt wel alsof Himmler de geopolitieke campagneplannen van de Duitse Orde onder ogen had gekregen en deze stap voor stap had uitgevoerd. Dat de miezerige en onopvallende ambtenaar, die op eigen kracht nooit iets gedaan kreeg, het zo ver schopte geeft in elk geval te denken. Zouden de Wittelsbachers, koningen van

Beieren en grootmeesters van de Duitse Orde, hem 419 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 419 het een en ander hebben ingefluisterd? Werd de jonge Himmler door zijn peetoom naar voren geschoven om hun stem in het opkomend nazisme te zijn? Raadgever van Himmler was ene Karl Maria Wiligut, een geheimzinnige grijsaard die beweerde af te stammen van een Germaanse ziener. Hij was in feite de Raspoetin van het Derde Rijk. Als Himmler de troon was, dan was Wiligut de macht erachter. Wiligut mag dan een grote zonderling zijn geweest in de ogen van zijn tegenstanders, er kwamen uitspraken over zijn lippen die merkwaardig overeenkomen met de liturgie van de Duitse Orde. Hij beweerde dat de bijbel oorspronkelijk in Duitsland was geschreven (de Codex Argenteus) en dat het christendom arische wortels had. Bovendien kwam zijn visie op de Germaanse oertijd in grote lijnen

overeen met de overlevering waarop de Teutonen zich sinds de twaalfde eeuw baseerden. Deze consulent van Himmler (van de laatste werd gezegd dat hij geen beslissing nam zonder eerst Wiligut te raadplegen) was in 1906 getrouwd met de dochter van de aartshertog van Teuringen. Zijn contacten met de van oudsher aan de Duitse Orde verbonden adel waren aanzienlijk. Ook had hij nauwe contacten met de Germanenorden en de Nieuwe tempeliers. Een van zijn beste vrienden, ook betrokken bij de Wewelsburg, was Manfred von Knobelsdorff. Deze Pruis was familie van onder meer Georg Wenzeslaus von Knobelsdorff, de beroemde architect van de Sans Souci die door Frederik de Grote persoonlijk werd geprotegeerd. Het Pruisische Huis Knobelsdorff, dat ook enkele belangrijke militaire gezaghebbers voortbracht, onderhield nauwe betrekkingen met de Hohenzollerns. Wiligut overzag de bouw van de Wewelsburg en ontwierp in feite de huisstijl van de SS, een huisstijl die uiteraard in alle opzichten gebaseerd was op die van de Duitse Orde. Voordat hij in 1939 in ongenade viel, bemoeide hij zich intensief met de Ahnenerbe. Deze man, die door de

geschiedenis als een waanzinnige figuur is bestempeld, was vrijwel zeker een agent van de orde. De mogelijkheid dat hij bewust werd aangewezen om Himmler te sturen en te adviseren is verleidelijk. Zeker is dat het in Himmlers bedoeling lag om godenmensen te kweken: niet door te rommelen met genen, maar door het bloed zodanig te zuiveren van corrupte invloeden dat de oorspronke420 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 420 lijke arische bloedlijn uit het begin der tijden weer onvermengd door de aderen stroomde. Nog steeds werd er uitgegaan van een Germaans godengeslacht dat door eeuwen van inmenging tot een gedegenereerd mensenras verworden was. Op 1 juli 1935 richtte Himmler onafhankelijk van het nationaalsocialistische partijbestuur de Forschungs und

Lehrgemeinschaft Ahnenerbe op, kortweg de Ahnenerbe of vooroudererfenis genoemd. Officieel was de Ahnenerbe een studiegroep voor de Germaanse oudheid, maar het was meer dan dat. De organisatie was in het leven geroepen om de antropologische en culturele geschiedenis van het arische ras te onderzoeken, of nog preciezer: om het bestaan ervan te bewijzen. Medeoprichters waren nazi-ideoloog Walter Darren de in Utrecht geboren Herman Wirth. De eerste was een vriend van Himmler uit de Artamanentijd die in Pommeren en Oost-Pruisen had gewoond. In navolging van de Duitse kolonisten uit de late Middeleeuwen had hij geprobeerd hier een boerenbedrijf te beginnen, en net als zijn dertiendeeeuwse voorgangers was hij tot de conclusie gekomen dat dit een stuk beter zou gaan als de plaatselijke Slaven en Polen hem daarbij niet voor de voeten liepen. Darrentwierp een plan om de Drang nach Osten werkelijkheid te maken door deze middels een Lebensraum-filosofie (Rasse und Raum) van een ideologisch substraat te voorzien. Een van zijn boeken luidde Neuadel aus Blut und Boden. Hij was het die

Himmler ertoe aanzette om door selectieve voortplanting een nieuwe Teutoonse aristocratie te grondvesten. Hoofdkwartier was de nieuwe graalburcht, de Wewelsburg. Hoewel de Ahnenerbe zich toelegde op tal van gerelateerde studies, bestond de hoofdtaak uit een soort hyperactieve archeologie, gebrand op het vinden van bewijs dat Noordse en Arische volkeren, de Teutonen, in voorhistorische tijden de wereld hadden geregeerd. Deze bewijzen hoopte men te vinden in onderzoeksvelden zo divers als taalkunde, volkskunde, biologie, geografie, folklore en dus met name de archeologie. Er werden archeologische expedities uitgerust naar de meest onwaarschijnlijke plaatsen. Er werden bescheiden ontdekkingsreizen ondernomen naar Polen en Tirol, waarbij niet meer dan een handjevol onderzoekers betrokken waren. Maar 421 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 421 meer massale expedities vonden plaats in Tibet, Mexico, Bulgarije, Griekenland, Kroatie, Frankrijk, Zweden, Finland, de Canarische Eilanden, Rusland, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Bolivia. Hierbij werd daadwerkelijk gezocht naar zaken als de Ark des Verbonds, de Heilige Graal en het verloren Atlantis. De expeditie naar Tibet is uitgebreid beschreven: doel van de tocht was het vinden van sporen van het arische oervolk. Een andere tot mislukken gedoemde onderneming was gericht op het bemachtigen van het originele manuscript van de Germania van Tacitus. Wat Tacitus nog moest toevoegen aan het door de nazis onderstreepte Germanendom is niet duidelijk. De poging eindigde net als het Tibetaanse avontuur in een jammerlijk fiasco. De Ahnenerbe opereerde vaak in het geheim, veelal onder de een of andere dekmantel. Onder de noemer Kulturpolitik schuimden ze rond in bezet gebied, zoals bijvoorbeeld Nederland, en ondervroegen mensen ter

plaatse. Ze maakten hierbij de indruk een propagandistische missie te hebben; er werden folders verspreid en vrijwilligers geronseld voor de Waffen-SS. In werkelijkheid was de Ahnenerbe op jacht naar informatie, archeologische schatten en artefacten. Oude boeken, schilderijen, museumstukken, documenten, potscherven en andere zaken die van belang waren voor het Germanendom (en die aanwijzingen bevatten voor de zoektocht naar de Heilige Graal) werden in beslag genomen en naar de Wewelsburg gevoerd. In augustus 1943 werd het hoofdkwartier verplaatst naar het Beierse gehucht Waischenfeld, omdat de omgeving rond de Wewelsburg gebombardeerd dreigde te worden door geallieerde vliegtuigen. Dit onderkomen zou tijdelijk zijn, aangezien Himmler van plan was de Ahnenerbe een permanent hoofdkwartier te geven in Nederland, in een universiteit in Leiden. Het mocht niet zo zijn: toen Waischenfeld in 1945 in Amerikaanse handen kwam, viel ook het departement van Himmler. Veel voorwerpen en documenten betreffende de verrichtingen van de Ahnenerbe werden

nooit meer teruggevonden. 422 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 422 Samenvattend kunnen we wel stellen dat er tussen de nationaalsocialisten uit de jaren dertig en de Teutonen zoals die in de twaalfde eeuw op het toneel verschenen, enkele treffende overeenkomsten bestaan. Zeker is dat ze een aantal interesses gemeen hadden; een opmerkelijke belangstelling, om er maar een te noemen, in oude Germaanse cultusplaatsen. Een van de voornaamste onderzoeksdoelen in eigen land was het vinden van Germaanse cultusplaatsen, met name de plaatsen waar zich een Irminsul, een heilige pilaar had bevonden. Archeologische opgravingen vonden plaats in Paderborn, Detmold, Haithabu, en bij de Externstenen. Haithabu, nog steeds een belangrijke

vindplaats van middeleeuwse voorwerpen (zoals die van de Vikingen) bevindt zich in de oude Hanzeregio in het noorden van Duitsland. De Externstenen bij de Wewelsburg werden met nadruk beschouwd als een arisch tempelcomplex waar zich een Irminsul had bevonden: de Irminsul in feite die door Karel de Grote was vernietigd. De Irminsul gold als een soort Axis Mundi, de as van de wereld, die in de Noorse mythologie de wereldboom of Yggdrasil werd genoemd. Deze wereldboom (een taxusboom volgens de overlevering) was de boom waaraan de god Odin zichzelf gekruisigd had. Deze plaats had al in de Pruisische folklore een belangrijke plaats ingenomen en gold lang voor de nazis als een Germaanse heilige plek. Maar de Irminsul, de heilige pilaar van de Teutonen, werd niet alleen in het Teutoburgerwoud gezocht. Er was nog een plek waarvan de Duitsers zich vaag herinnerden dat deze ooit een cruciale plaats innam in de Germaanse overlevering. De SS in Vught

Al kort na de capitulatie in mei 1940 verschenen de eerste Duitsers in Vught. Hoewel ze tijdens de eerste dagen van de bezetting nog een gemoedelijke indruk maakten, begonnen ze al snel met het opzetten van een eigen bestuurssysteem en een militair apparaat.162 Boven op de Lambertustoren werd een houten wachtpost geplaatst van waaruit een eenzame diender de lucht en het omrin423 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 423 gende land in de gaten hield. Met het oogpunt op de bevelvoering en de plaatselijke administratie werden er in het dorp verscheidene gebouwen ingenomen. Een van de huizen die vrijwel meteen in beslag weren genomen was Parva Domus aan de Taalstraat: het oude Prince van Oranien op het terrein van Zionsburg. Volgens de officiele lezing werden er legeronderdelen gestationeerd, maar Parva Domus figureert opvallend

en zonder toelichting in Gestaporapporten uit die tijd. Opvallend is de merkwaardige interesse van de SS in Vught. Hoge Duitse bestuurders zetelden in villas in de buurt. Commissaris van de Koningin, A.B.G.M. van Rijckevorsel, werd door de Duitsers op pad gestuurd om een goed onderkomen te vinden voor de nieuwe machthebbers. Zo werd het kasteeltje Roucouleur bij het Reeburg Park gevorderd ten behoeve van de Beauftragten (gemachtigden) van Noord-Brabant, in feite het hoofdbestuur van de provincie. Een van de eerste Beauftragten in Brabant, ene Willi Ritterbusch, kroop zelf in wat nu de riante villa Leeuwenhof bij Maurick is. De nazis waren daarmee de eerste bezetters die niet voor Kasteel Maurick als hoofdkwartier kozen. In 1943 verhuisde de Landstorm (een Nederlandse Waffen-SSformatie belast met de landsverdediging) naar verschillende locaties in en om Vught. De voormalige kloosterschool Mariaoord naast Roucouleur kreeg de naam SS-Unterkunft I en het inmiddels verdwenen retraitehuis Loyola werd SS-Unterkunft II.

Een potige SSer werd korpschef van de plaatselijke politie. In feite veranderde Vught in een SS-bolwerk. De nadrukkelijke aanwezigheid van de SS in de omgeving kan niet duidelijker worden gellustreerd dan door SS-Konzentrationslager Herzogenbusch, beter bekend als Kamp Vught. In de loop van 1942 gingen er geruchten dat er op de Vughtse Hei, nabij de Van Brederode Kazerne, flink getimmerd en gezaagd werd. Aanvankelijk werden de praatjes gesust: het zou om de bouw van een nieuwe kazerne gaan. Maar toen er om het terrein, dat meer dan een kilometer lang was, een gracht werd gegraven en er vervolgens twee rijen prikkeldraad en hoge wachttorens verschenen, wisten de omwonenden wel beter. In januari 1943 stopte er 424 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 424

een goederentrein op het station van Vught. Een grote troep tot skeletten vermagerde mannen werd gelost en in een lange rij in de richting van het kamp gedreven. De SS joeg de stoet met veel gebrul en geschreeuw op. Het betrof het eerste konvooi strafgevangenen, afkomstig uit het overvolle doorgangskamp Amersfoort, dat het juist opgerichte Vughtse kamp zou gaan bevolken. Vele anderen ruim 31.000 mannen, vrouwen en kinderen zouden de daaropvolgende maanden volgen. Vanaf april 1943 was het voor Nederlandse Joden verboden om ergens anders te wonen dan in Amsterdam, Westerbork of Vught.163 In januari 1943 was het kamp nog niet af: nauwelijks van hun reis bekomen werden de eerste gevangenen aan het werk gezet. Ze werden daarbij zo afgebeuld dat enkele honderden mensen al in de eerste maanden het leven lieten. De kampstatistieken vertellen ons dat zeker 421 mensen door de barre omstandigheden in het kamp om het leven kwamen voordat het in september 1944

werd ontruimd een barmhartig aantal vergeleken met de vernietigingskampen in het oosten. Op een voormalige schietbaan buiten het kamp werden nog eens 329 gevangenen geexecuteerd, met name door Nederlandse SSers. Deze statistieken verraden echter niet hoeveel mensen er vanuit Vught op transport werden gezet, en hoe weinig hiervan terugkeerden. Er waren natuurlijk meer concentratiekampen in Nederland, maar deze verschilden op en belangrijk punt van Vught: de ongekend nauwe betrokkenheid van de SS. Kamp Vught was tijdens de hele Tweede Wereldoorlog het enige SS-concentratiekamp buiten Duitsland, dus het enige over de grenzen van het Duitse Rijk dat direct onder beheer van Himmlers SS viel. De opeenvolgende kampcommandanten stonden rechtstreeks onder het SS-Hauptamt in het Pruisische Oranienburg (tegenwoordig de zusterstad van Vught) en het kamp als geheel onder het SS-hoofdkwartier in Berlijn. Het werd bovendien gemodelleerd naar Duitse concentratiekampen, dit in tegenstelling tot andere kampen in Nederland, Belgie, Rusland en Polen. Vught

was van meet af aan een project waarvoor de Schutszstaffel grote belangstelling aan de dag legde. Nog steeds zijn er tal van vragen over de betekenis van het kamp, 425 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 425 zijn rol in de jodenvervolging en de merkwaardige betrokkenheid van de SS. Enkele van die vragen worden hardop gesteld in Het Philips-Kommando in Kamp Vught: Is het toeval dat het besluit tot de stichting [van het kamp] is genomen in het voorjaar van 1942 toen Nazi-Duitsland zich in ernst ging voorbereiden op de totale oorlog? Is het toeval dat het kamp overhaast in gebruik is genomen toen deze totale oorlog tijdens de slag om Stalingrad tussen 1942 en 1943 overschakelde op de hoogste versnelling? Is het toeval dat het, naast Kamp Westerbork, meteen ook maar ten dele moest dienen als tussenstation voor de

Endlosung? Is het toeval dat Kamp Vught ook enig in zijn soort was doordat binnen zijn muren een particuliere onderneming van groot nationaal belang Philips een bedrijf had ingericht? Is het toeval dat ook Nederland niet onder militair maar onder civiel bestuur heeft gestaan? 164 Retorische vragen, volgens de auteurs. De opsomming geeft iets weer van de onduidelijkheid die er nog steeds over het kamp bestaat. Afgezien van de aanwezigheid van een Philips-werkplaats op het kampterrein, waar dwangarbeiders in opdracht van de bezetter radios en zaklantaarns maakten, zijn er dus meer onopgehelderde omstandigheden die van Vught een unieke plaats maken. De SS zou voor de locatie hebben gekozen om dezelfde reden als de Duitse ridders uit de dertiende eeuw: de nabijheid van s-Hertogenbosch en de gunstige infrastructuur. Dit verklaart echter nog niet waarom juist de SS zo genteresseerd was. Er waren zoveel plaatsen in Nederland die aan dezelfde voorwaarden voldeden, en die een betere doorvoer

naar Duitsland boden. Als argument wordt ook gebruikt dat het kamp in de afgelegen bossen lag, en dus afgeschermd was van het publiek. Bizar genoeg schijnt de nabijheid van het concentratiekamp inderdaad geen invloed te hebben gehad op de vakantiegangers bij het recreatiebad de IJzeren Man.165 Een tegenargument bepleit juist de opmerkelijke openheid van het kamp: het was een komen en gaan van plaatselijke aannemers en leveranciers en ook stonden de poorten open voor Philips-medewerkers. Bovendien werd Vught wel beschouwd als een modelkamp en dus als een soort showcase voor het grote publiek. Het werd wel het glazen 426 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 426 kamp genoemd. Deze tegenstrijdige aard maakt het nog moeilijker de aard van het kamp precies te duiden.

In elk geval was het een belangrijke plek. Himmler zelf bezocht Vught en het kamp op 3 februari 1944: een tijd waarin Duitsland grote verliezen leed en de nummer twee van het Rijk denkelijk wel iets anders aan zijn hoofd had dan de goede reputatie van een gevangenenkamp in Brabant. Het is in dit licht misschien interessant om te weten dat Himmler in augustus 1944, met de val van het Oostfront, nog altijd bezig was met Ahnenerbe-activiteiten, en dat hij zich daarna in toenemende mate in zijn occulte plannen verloor. Kan het zijn dat de Duitse bezetter (en met name de SS) in Vught andere belangen had? Marggraff en de nazis Tot de vele landerijen van Marggraff behoorde het landgoed Elzenburg; een rustieke villa in het zuidwesten van Vught. Wie in de voorbije twintig jaar de bosweg Hoevensestraat volgde, kon aan de ene kant het Capellebos zien (ook eigendom van Marggraff) en aan de andere kant een verwaarloosd buitengoed. Midden

in het bos, aan het einde van een overwoekerde oprijlaan, stond een sinistere rune omgeven door kale boomtoppen. De Vughtse jeugd zal zich de rune herinneren als een plek waar je hutten bouwde, verstoppertje speelde of met je vriendinnetje ging vrijen. Als plaatselijk spookhuis oefende het een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. In de jaren tachtig bestond het nog uit verschillende kamers, een dak en een trappenhuis. Later was alleen nog de imposante voorgevel te zien, die donker en droevig tegen de hemel afstak. In de zomer van 2006 werd het definitief gesloopt, waarmee een nieuwe generatie jonge Vughtenaren werd beroofd van haar spookhuis. Een rommelige open plek herinnert nog aan het verdwenen landhuis. Villa Elzenburg (of Elzenburgh) zou in 1880 zijn gebouwd, dus in hetzelfde jaar als Zionsburg. Het landgoed van 8 hectare bestond uit de riante villa, stallen, dienstwoningen, 427 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L)

Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 427 een koetshuis en een met beuken geflankeerde oprijlaan. In tegenstelling tot de geruchten is het huis nooit afgebrand. Na de oorlog werd het bewoond door een oud-president van het gerechtshof in Den Bosch, professor Rutten. Hij woonde er 25 jaar voordat de narrige Ewald hem eruit wist te werken en het landgoed vervolgens jarenlang liet verloederen. Veel meer is er over het buitengoed niet bekend: niet wie er oorspronkelijk woonde, zelfs niet wie het gebouwd heeft. Marggraff I kan het gedaan hebben, maar het kan ook dat hij de villa later heeft aangekocht. Een krantenartikel uit 1994 beschrijft de omgeving als een plek waar een argeloze wandelaar op elk moment een soldaat uit het bos mag verwachten die denkt dat de Tweede Wereldoorlog nog beslecht moet worden.166 Dit idee is zo gek nog niet: de mare ging dat Elzenburg in de oorlog een hoofdkwartier van SSers was.

Als we het over het oorlogsverleden van Marggraff hebben, bedoelen we in dit geval Marggraff II, Lodewijk Marggraff, de vader van Ewald. Ewald was 17 jaar toen de oorlog uitbrak en zijn vader Loke zwaaide toen nog de scepter over Zionsburg. Het (vermeende!) NSB-lidmaatschap kan op conto van senior worden geschreven, niet op dat van zijn zoon Ewald. Niettemin bewaarde Ewald levendige herinneringen aan de oorlogstijd. Het vluchtig ter sprake brengen van het onderwerp deed hem meestentijds in acute woede ontsteken. Mensen die het waagden om hem er rechtstreeks over te vragen, mochten de volle omvang van zijn gramschap incasseren. Van de tirades die hieruit voortvloeiden werd men over het algemeen niets wijzer. Ewald maakte vage beschuldigingen aan het adres van verschillende personen en instanties, maar waar hij zich precies kwaad over maakte blijft onduidelijk. Zeer waarschijnlijk betreft het de (valse?) beschuldiging dat zijn vader heulde met de bezetter. Dat kan, maar bewezen is het nooit. Ook de nog overgebleven zusters Marggraff weigeren over de oorlog te praten. Op zich is daar natuurlijk niets mis

mee. Zo veel mensen goed en fout worden liever niet aan die tijd herinnerd. Het zwijgen van de familie over de precieze toedracht is haar goed recht en begrijpelijk als zij jarenlang een verbitterde strijd heeft 428 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 428 moeten leveren tegen kwade tongen en verdachtmakingen. Wij weten simpelweg niet of, en in hoeverre, de eigenaren van Zionsburg met de Duitsers samenwerkten. Als zakendoen met de nazis collaboratie is, dan is Otto Frank, de vader van Anne, ook een collaborateur.167 Zelfs het gebruik van Marggraffs villas als SSkantoren duidt niet per definitie op collaboratie, aangezien talloze villas en landhuizen in de omgeving voor dit doel simpelweg werden gevorderd. Waaruit bestonden de meest hardnekkige geruchten? Met stip bovenaan staan de betrekkingen

met de bezetter. Marggraff II zou een groot deel van zijn rijkdommen verworven hebben door het sluiten van lucratieve deals met de Duitsers. Hij was met een Duitse getrouwd. De moeder van Ewald was Catharina Schran. Volgens Ewald kwam zij uit Bochum en stamde haar familie uit de keizerlijke tijd. En natuurlijk waren er de Pruisische wortels van Marggraff zelf (ofschoon de familie gen adel is).168 Ook zou vader Loke, die een tijdje als gijzelaar werd vastgehouden in Gestel, zich via de Winterhulp hebben vrijgekocht. Zijn bijzondere betrekkingen met de Duitsers zouden hem een bijzondere positie hebben verleend. Over de beschuldiging zei Ewald: Een leugen. In een interview met het Brabants Dagblad van 26 maart 1994 vertelde hij: Mijn vader was een van de eerste gijzelaars in Beekvliet in SintMichielsgestel. Omdat hij een belangrijk man was. En natuurlijk dicht in de buurt van Gestel woonde. Vanwege zijn gezondheid. Daarom mocht hij twee weken weg. De geruchten gaan verder, maar het enige wat we zeker weten is dat Lodewijk Marggraff er uiteindelijk (tamelijk onschuldig) van beschuldigd werd fietsen te hebben aangegeven bij de

Duitsers. Deze waren in het bezit van de buren en werden op een gegeven moment gevorderd. Hiervoor (en niet voor grootscheepse collaboratie) werd hij meteen na de oorlog vastgezet. Na de bevrijding van Brabant in het najaar van 1944 werd het voormalige Kamp Vught ingericht als interneringskamp voor vermeende collaborateurs. In september waren de laatste transporten naar Duitsland vertrokken en kort daarna was het kamp door de Duitsers ontruimd. Vlak daarvoor had commandant Huttig nog op massale schaal fusillades laten plaatsvinden in de 429 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 429 bossen achter het kamp. Onder de naoorlogse gevangenen, verdacht van Duitse sympathieen, bevond zich dus vader Marggraff. De beschuldiging staat op

naam van de Vughtenaar Albert Swane, broer van een in Duitsland omgekomen verzetsheld. Op basis van zijn status als oorlogsheld zou hij door de autoriteiten op zijn woord zijn geloofd. Ewald Marggraff heeft altijd met de grootste stelligheid beweerd dat zijn vader vals beschuldigd was. Hij vertelde het Brabants Dagblad: De Duitsers kwamen bij ons aan de deur om de fietsen te vorderen. De moffen wilden in de huiskamer kijken. Mijn zuster, de slimme meid, zei dat ik in die kamer lag met geelzucht. De Duitsers keken wel uit. Die durfden niet binnen te komen. Vervolgens, aldus Ewald, doorzochten de soldaten de tuin. Over de heg zagen ze bij de buren fietsen staan. Die moffen sprongen over de heg en namen de fietsen in beslag. Lodewijk Marggraff verbleef vijftien maanden in Kamp Vught voordat hij wegens gebrek aan bewijs werd vrijgesproken. Maar er zijn ook geruchten die daar lijnrecht tegenover staan. Zo beweert de voormalige

tuinman en vertrouweling B.R. dat Ewald en zijn zusters tijdens de oorlog elders zaten ondergedoken. Dit strookt niet met beweringen van Ewald zelf, die zichzelf in die jaren gewoon in Vught plaatst. Er zijn een paar anekdotes uit zijn eigen mond bekend. In een ervan beweert Ewald zich tijdens beschietingen door Duitse soldaten schuil te houden in een holle beuk op het landgoed: In de oorlog was die ruimte in gebruik als munitiebunker. Ik heb er nog in gezeten. Schoten de moffen vanuit het Wilhelminapark op het dorp. Bij weer een aanval moest ik er wel in kruipen. Met risico ja. Liever de lucht in dan mijn benen eraf.169 De meest interessante fase in de oorlogsgeschiedenis is echter de mare rond het SS-hoofdkwartier. We vertelden al dat Parva Domus om de een of andere reden in de kijker van de Gestapo lag. Marggraff zelf: Via de spionagediensten stond het pand in Duitsland bekend als Das Weisse Haus. Vanaf de eerste dag van de bezetting 430

Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 430 vorderden de Duitsers beide woningen [Parva Domus en Domus Rosalia] als doorgangshuis. Dit zijn vreemde feiten. Parva Domus, de Prince van Oranien, was nou niet bepaald een opzienbarend gebouw, zeker niet gezien de beschikbaarheid van veel grotere en gunstiger gelegen villas in de nabije omgeving. Het was klein en waarschijnlijk ook een beetje vervallen. Marggraff II had het pand aangekocht omdat het zijn uitzicht bedierf: hij wilde het afbreken. De oorlog verhinderde dit en pas in 1955 werd het opgeknapt. Wat deed dit Weisse Haus dan in de rapporten van de Duitse spionagedienst? Werd het in eerste instantie verward met Zionsburg zelf? Was het de voormalige commanderij van de Duitse Orde waarop ze hun zinnen hadden gezet?

Mogelijk dat ook de latere geruchten rond Villa Elzenburg verward werden met die rond Zionsburg. Zionsburg was zonder enige twijfel een SShoofdkwartier. Zelfs de familie Marggraff heeft dit nooit ontkend. Marggraff beweerde dat de villa simpelweg gevorderd was, net als Parva Domus en Roucouleur. Meteen na de bezetting werd Zionsburg zeker gesteld, maar pas in 1943 gevorderd. Dit zou natuurlijk zo kunnen zijn. Wat echter frappant is, is de ambivalente status van het landgoed. Enerzijds beweerde Ewald dat het landgoed gebruikt werd als wagenkamp, met vrachtwagens met de neus in de grond uit bescherming voor luchtaanvallen. Anderzijds klopt dit nauwelijks met de aantoonbare aanwezigheid van hoge piefen. Marggraff, zo bericht het Brabants Dagblad, bewoog zich een tijdlang tussen de hoge officieren van de Wehrmacht. Ewald zelf maakt gewag van mannen met status. Geen gewone soldaten. Geen [doorsnee] SSers. Het ging om grote bonzen; heren met stijl. Wat deden deze hoge officieren op Zionsburg? De grotere, officiele SS-Unterkunften waren, zoals

vermeld, ergens anders. Had de Ahnenerbe zich in het huis genesteld? We moeten het doen met de schaarse feiten uit die tijd. Zionsburg was overigens niet de enige historisch belangwekkende plek die zich mocht verheugen in de belangstelling van de Duitsers. Ook de voormalige riddercommanderij in Gemert kwam al snel in 431 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 431 de kijker. De ridders hadden het in Gemert nog lang weten te rooien en pas in de tijd van Napoleon werden ze definitief uit hun kasteel gejaagd. In 1813 werd het verkocht aan een particulier en nadat de jezuten er nog even gezeten hadden was het in 1928 in handen gekomen van de Congregatie van de Heilige Geest. Vanaf 1930 werd het een opleidingsinstituut voor missionarissen. Tijdens de oorlog, zo blijkt uit

opgedoken dagboeken, werd er grondig rondgesnuffeld door Duitse officieren. Het kasteel werd meerdere keren bezet. Er werden fotos gemaakt, mensen werden ondervraagd en er was grote belangstelling voor archeologische opgravingen in en rond het kasteel. Maar er werd niets gevonden. Na de oorlog Waar de Marggraffs tijdens de bezetting van hun huis hebben uitgehangen is niet bekend, hoewel beweerd wordt dat Ewald enige tijd in Utrecht woonde. Maar al tijdens de bevrijding van Vught meldde de jonge Ewald zich, in gezelschap van een grote hond, op het landgoed. Als we zijn woorden mogen geloven installeerde hij zich in het huis om de vijand weg te kijken en de boel te beschermen. Waar zijn vader was, of deze toen al in het interneringskamp was opgesloten, is onduidelijk. Klaarblijkelijk was het aan de dan 22-jarige Ewald om zijn erfenis voor plundering te behoeden. Dat hij hierin wonderwel geslaagd is, blijkt uit het feit dat alle rijkdommen boeken, schilderijen, vazen, kroonluchters, serviesgoed na de oorlog nog altijd aanwezig zijn. De Duitsers schijnen zich tijdens het

verblijf in het huis wel heel netjes te hebben gedragen. Niet en van hen is blijkbaar in de verleiding gekomen om iets van de talloze kostbaarheden terug naar de Heimat te slepen. De Rembrandts, de Van Dijcks, ze bleven onaangeroerd. Niet alleen het huisraad wist Marggraff uit de klauwen van de Duitsers te redden. De nazis waren van plan om Zionsburg op te blazen, naar verluidt om alle bewijs van hun aanwezigheid daar te vernietigen. Dit laatste is natuurlijk vreemd: waarom zouden ze dit willen? Waarom Zionsburg wel en Kamp Vught niet? Wat was er 432 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 432 zo bijzonder aan hun activiteiten op Zionsburg dat juist deze verborgen moesten blijven? In het Brabants Dagblad pocht Marggraff zelf: Het Sprengcommando

van Goring, de rat, kwam hier om Zionsburg en de Lambertustoren op te blazen. Tien uur met die mannen zitten praten. Geen druppel aangeboden. Eindelijk had ik ze over weten te halen om de toren en Zionsburg te sparen. Zegt die mof: oke, als we de geallieerden alsnog weten terug te dringen kom ik naar Vught om jou als eerste kapot te schieten. Naar eigen zeggen antwoordde Marggraff: Militair gezien is dat correct. Clint Eastwood had het hem niet verbeterd. De man was totaal overdonderd. Geheel gemponeerd. Ze zijn opgerot. Welke argumenten de piepjonge Ewald gebruikte om de naziofficieren van hun snode plannen af te brengen vertelt hij niet. Ook verklaart hij niet hoe Zionsburg en de grote inboedel de intensieve bezetting ongeschonden doorstaan heeft. Wat de SS-top in de bewuste jaren in het beruchte landhuis heeft uitgevoerd is een van de vele geheimen van Zionsburg. Aan hun aanwezigheid hield Marggraff nog een grappig souvenir over. Toen jaren later een buurvrouw een bezoek bracht aan Zionsburg

zag ze op een van de dressoirs een grote zilveren lijst staan. Gevraagd waar die vandaan kwam antwoordde Ewald dat hij van de SS was geweest. Er had een grote foto van Himmler ingezeten. Nadat de Duitsers waren opgerot verwisselde hij de foto voor een van zijn vader Loke, die veertig jaar na de oorlog nog altijd brutaal uit de lijst staarde. Heulde Zionsburg met de vijand? Of wisten de Marggraffs het Geheim juist uit handen van de Duitsers te houden? We zullen het misschien nooit weten. Zij die het kunnen weten, zwijgen. Vriend en tuinman B.R. vertelde ons dat Marggraff ook na de oorlog nog pro-Duitse gevoelens had (pro-Duits, niet pro-nazi). Wellicht stoelt het hele verhaal inderdaad op kwade verzinsels. Het zijn niettemin deze verzinsels die ervoor zorgden dat de Marggraffs uit de ledenlijst van de Lieve Vrouwe Broederschap werden verwijderd. 433 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist

24/09/2007 Pg. 433 Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 434 Hoofdstuk 18 Imperium mundi De laatste schatzoeker: de Duitse Orde Waar is de machtige Duitse Orde van weleer gebleven? Bestaat zij nog? Is de duizendjarige samenzwering nog steeds aan de gang? Pruisen werd, zoals we weten, na de oorlog met en pennenstreek opgeheven. Maar gold dit ook voor de Duitse Orde?

Interessant aan het achttiende-eeuwse Pruisen is de opkomst van een netwerk aan Duitse societys, genootschappen van persoonlijke aard waarin de maatschappelijke bovenlaag zich bezighield met de economische en politieke ontwikkelingen in de staat. De ontmoetingen waren alleen toegankelijk voor de elite en onderhevig aan een dusdanig streng protocol, dat een historicus ze vergelijkt met de rond dezelfde tijd in zwang rakende vrijmetselarij. Vooral rond de Pruisische hoofdstad Berlijn ontstond een cultuur waarbinnen invloedrijke leden van de adel en het bedrijfsleven een steeds hechter wordende elitaire subgroep vormden. De leden troffen elkaar in salons en clubs om actuele maatschappelijke ontplooiingen te bespreken. Naarmate de genootschappen groeiden, gingen belangrijke politici er deel van uitmaken. Een van die clubs kon bogen op het lidmaatschap van diverse ministers, rechters en grootindustrielen. Veel leden waren vrijmetselaars, rozenkruisers of illuminati. De vergaderingen vonden in het diepste geheim plaats. Deze verenigingen hadden maar en doel: het voortzetten van de Teutoonse samenzwering die met de

Baltische kruistocht begonnen was. 435 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 435 In 1921, tijdens een bijeenkomst van het Beierse parlement, trad er een afgevaardigde naar voren. Zijn naam was Gareis. Hij had een grote stapel documenten in zijn hand en onaangekondigd proclameerde hij dat hij het bewijs had voor een duizendjarige samenzwering tegen de mensheid en dat hij dit bewijs binnen korte tijd openbaar zou maken. Het bewijs kwam er nooit: slechts een paar dagen later werd afgevaardigde Gareis vermoord. De daders werden nooit achterhaald en het incident werd vergeten.170 Naar de inhoud van de documenten hoeven we echter niet te raden: volgens de al eerder aangehaalde Paul Winkler betreft het precies de bewijslast voor de in dit boek geponeerde

Teutoonse samenzwering. Winkler, schrijvend in 1943, trekt een directe lijn van de Duitse kruisvaarders uit de twaalfde eeuw naar Pruisen (de Prusso-Teutonic group) en de nazis. Voor de schrijver is er geen enkel onderscheid tussen de twee. De nazis en de Duitse ridders zijn afkomstig uit dezelfde bron. Hij schrijft: The forces which launched Germany on the path of conquest [dat is: de Tweede Wereldoorlog] are those which were behind the murder of the obscure Bavarian Deputy. Those responsible for the conspiracy Gareis mentioned decided when he sought to unmask them to destroy him. It was these men all members of the same conspiratorial group who, some 18 years later, decided that the time was ripe to place world mastery in German hands. Hitler en zijn nationaal-socialisten hadden weinig met die samenzwering te maken, maar waren marionetten in

handen van een veel grotere macht: de Duitse Orde. Schrijver Jim Marrs vult aan: [De] Nazi-sekte ontstond uit verschillende organisaties, geloofsovertuigingen en meningen die aan het eind van de Eerste Wereldoorlog in Duitsland te vinden waren en die alle voortkwamen uit de mysteries van oudere groepen zoals de Beierse Illuminati, de Germanenorden, de Vrijmetselarij en de Ridders van de Duitse Orde.171 Het einde van de Tweede Wereldoorlog maakte op geen enkele manier een einde aan de Teutoonse samenzwering. De nazis werden verslagen, maar de Duitse Orde werd alleen iets voorzichtiger: zij het niet minder ambitieus. De vestiging van een nieuwe orde436 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 436 staat behelsde niet langer een deel van Europa, maar de hele wereld; een streven dat Winkler het Imperium

Mundi noemt. Het credo bleef hetzelfde, zij het dat de christelijke vernislaag werd vervangen door een twintigste-eeuws pragmatisme: True Christian morality is of course based on the creed of love: Love God above all, and thy neighbor as thyself. This law however, can claim no validity insofar as relations between nations are concerned, since, when applied to politics, it would surely lead to a conflict of allegiances. For an individual to profess love for another country would in most cases result in a negating love for the people of his own country. 172 Sterker nog, het cynische, duivelse aspect van de organisatie wordt steeds openlijker toegegeven. Als Bismarck de Duitse Orde onder de Pruisische dekmantel onverbloemd voortzet, geeft hij toe: Ik heb mijn ziel aan de Teutoonse Duivel verkocht. Winkler schrijft: ...this Teutonic Devil was the same as the Prussian Devil... en: ...the Prussian officials had previously been Officials of the

[Teutonic] Order. In de naoorlogse periode waren het opnieuw de Pruisen en leden van de oude Duitse adel die het initiatief namen. Een van die topmannen was onze eigen Prins Bernhard, van wie we al weten dat hij uit de Pruisische adel afkomstig was. In 1953 werd hij benaderd door een Poolse adviseur en MI6-agent Joseph Retinger, die wordt gezien als de uitvinder van het moderne Europa. Deze Retinger stond zelf sterk onder de invloed van de Poolse graaf Andreas Zamoyski, een telg uit een oud adellijk geslacht dat nauwe banden onderhield met de Teutonen. Er zijn aanwijzingen dat de Duitse Orde, hoewel listig gecamoufleerd, nog altijd gebrand was op een ordestaat naar het voorbeeld van haar duistere voorgangers. Allerlei dubieuze figuren werden door Bernhard en Retinger bij het project betrokken, zoals de Duitse industrieel Otto Wolff van Amerongen. Deze industrieel floreerde al onder het nazi-bewind, maar wist net op tijd naar de goede kant over te stappen. Het wemelde van de Duitsers bij de geboorte van Europa. Onder leiding van de

charismatische jonge prins vond de eerste internationale conferentie plaats in het hotel de Bilderberg in het 437 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 437 dorpje Velp nabij Arnhem. De conferentie, mede gefinancierd door de Amerikaanse inlichtingendienst CIA, was een enorm succes. Kennelijk viel de bijeenkomst zo in de smaak bij de deelnemers dat besloten werd om voortaan ieder jaar bijeen te komen. Sindsdien zou de Bilderbergconferentie jaarlijks op verschillende locaties in Europa worden georganiseerd. Onder het voorzitterschap van de invloedrijke prins werden toppolitici, industrielen en adellijke vorsten uit Europa en de VS uitgenodigd om zich te buigen over de nieuwe situatie die na de oorlog is ontstaan. Bernhard was erop gebrand de topelite van de Westerse wereld te verenigen door het formuleren van een gezamenlijk doel, namelijk de vorming van een nieuwe ordestaat,

die zich ditmaal niet zou beperken tot een afgebakend gebied zoals Pruisen, maar eerder een sterk internationaal karakter zou dragen. Hierbij zou men zich niet moeten laten hinderen door de soevereiniteit van de deelnemende landen. Deze gedachte komt tot uitdrukking in een toespraak van de prins waarin hij zijn beklag doet over sommige deelnemers, die naar zijn smaak al te zeer gehecht zijn aan het land waaraan ze leiding geven: Mensen die met het nationalisme zijn opgegroeid, zijn moeilijk anders op te voeden. Het is heel moeilijk om hen ervan te overtuigen dat ze een deel van hun soevereiniteit moeten opgeven ten gunste van een supranationale instelling.173 Maar Bernhard was Zwanenbroeder voordat hij Bilderberger werd. Hij kende zijn weg door de corridors van de macht. De Lockheed-affaire van de jaren zeventig dwong de prins om veel van zijn openbare functies neer te leggen. Als laatste officiele daad als voorzitter gaf Bernhard de fakkel door aan zijn dochter, prinses Beatrix, eveneens Zwanenbroeder. Daartussen en daarboven, zo hebben we gezien,

bewogen telkens lieden met sterke Teutoonse banden. Hoewel Beatrix bij haar inhuldiging als Koningin der Nederlanden het voorzitterschap van de Bilderbergconferentie naast zich neer legde, heeft ze sinds haar aantreden nog niet en conferentie gemist. Ze wordt algemeen gezien als de spin in het web van Bilderberg, samen met David Rockefeller en Lord Rothschild. De Hanze rijst als een feniks uit haar as: Wereldbank, EU, Council on Foreign Relations, Bilderberg. Allemaal onderdeel van de nieu438 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 438 we-ordestaat, in de volksmond bekend als de Nieuwe Wereldorde. Ditmaal moest de ordestaat de gehele globe beslaan. De laatste telg uit het Huis OranjeNassau om te worden toegelaten tot de Zwanenbroeders is prins Willem-Alexander. De koninklijke mantels van weleer zijn vervangen door

keurige driedelige pakken met bijpassende stropdas. Maar alle stormen die het politieke landschap van Nederland door de jaren heen hebben geplaagd, laten onverlet dat de tegenwoordige machthebbers uit dezelfde Germaanse oerbron putten als hun feodale voorgangers. Zoals we hebben gezien, vinden we bij nagenoeg iedere grote historische gebeurtenis een Teutoonse betrokkenheid, van het Pact van Woeringen in de dertiende eeuw tot aan de wegbereiders van Bilderberg in de twintigste. Daartussen hebben we de opkomst gezien van het Huis Oranje-Nassau en zijn geheime weldoeners. Hoezeer ons ook op het hart wordt gedrukt dat het Koninklijk Huis een louter ceremoniele aangelegenheid is, is de invloed die het feitelijk uitoefent in de wereld nooit groter geweest. Door deelname aan Bilderberg reiken zijn tentakels namelijk verder dan ooit tevoren. De nieuwe machthebbers, nog steeds verzameld in een wijdverspreid netwerk van adellijke families, spelen het schaakspel onverminderd voort. Waren de schaakstukken in het verleden hertogen, bisschoppen en prinsen; vandaag zijn het grootindustrielen,

mediamagnaten en oliebaronnen. Het speelveld beperkt zich niet langer tot duidelijk vastgestelde landsgrenzen, alles draait nu om het opzetten van een Nieuwe Wereldorde. Kortom, de Teutoonse inzet van de eenentwintigste eeuw is de wereld. Meer Bilderberg De invloed van de Bilderbergers op het Europese en Amerikaanse verkiezingsproces mag aanzienlijk worden genoemd. De club omschrijft zichzelf als een denktank die de toekomst van Europa en de VS als onderwerp neemt, en verdedigt het gebrek aan transpa439 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 439 rantie met het argument dat de leden dan vrijuit kunnen converseren. Hoewel Europese en Amerikaanse burgers de transcripties van bijvoorbeeld het Europees Parlement te allen tijde kunnen inzien, zijn die van de Bilderbergconferentie strikt geheim. Dit is natuurlijk

voer voor complotdenkers. Maar dat wil niet automatisch zeggen dat er gen complotten worden beraamd. Bilderberg lijkt inderdaad een werkelijke invloed uit te oefenen op het politieke proces binnen beide machtsblokken. Toen Bill Clinton als gouverneur van de Amerikaanse staat Arkansas in 1991 de conferentie bezocht, had hij wellicht nog geen idee dat hij twee jaar later zou worden ingezworen als de tweeenveertigste president van de Verenigde Staten. Ook zijn Britse tegenhanger Tony Blair kreeg in 1993 de uitnodiging om zijn opwachting te maken voor de hoge raad van Bilderberg. Let wel: dit was nog voordat hij leider werd van de Labour-partij. De Nederlandse politiek kent ook meerdere vertegenwoordigers die jaarlijks deelnemen aan de conferentie. Zo mocht de tegenwoordige minister van buitenlandse zaken in het kabinet Balkenende IV, Maxime Verhagen (CDA), de koningin vergezellen naar de Bilderbergconferentie in 2006. Niet lang daarna werd hij door diezelfde Beatrix beedigd op het Huis ten Bosch. Ook Bert Koenders (PvdA) was in dat jaar van de partij voordat hij de baan van minister van Ontwikkelingssamenwerking

kreeg toegespeeld. Ongeacht de politieke voorkeur van de deelnemers staat een bezoek aan Bilderberg kennelijk garant voor een veelbelovende carrie`re. Heeft het feit dat Beatrix zon constante factor is op de conferentie een rol gespeeld bij het uitdelen van die baantjes? Het lijkt er wel op. Secretaris-generaal van de NAVO Jaap de Hoop Scheffer kwam waarschijnlijk op deze hoge post terecht dankzij bemiddeling van het staatshoofd. Maar we zullen het nooit met honderd procent zekerheid kunnen zeggen. De zaak is omgeven met een waas van geheimzinnigheid. Het lijkt erop dat de grote spelers van Bilderberg met functies en politieke privileges schuiven als stukken op een schaakbord. Doel van de supergeheime manipulaties lijkt te zijn het geleidelijk aan opzetten van een Nieuwe Wereldorde. 440 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 440

De term werd voor het eerst gentroduceerd in een toespraak van George Bush senior op 11 september 1991 in het Amerikaanse congres, maar stamt van veel eerder. Papa Bush sprak van een groot idee, een Nieuwe Wereldorde. Ook Hitler liet zich een enkele keer ontvallen dat hij graag een nieuwe georganiseerde Orde zag verrijzen, waarmee hij natuurlijk het Duizendjarig Rijk voor ogen had. Hitler greep terug op oude beginselen, vooral die van de Duitse Orde, die immers eeuwenlang een ordestaat heeft nagestreefd. Democratische verkiezingen lijken weinig invloed uit te oefenen op dit spel in de richting van wereldheerschappij, want de leiders uit alle mogelijke politieke partijen behoren tot de genodigden. Het is de illusie van een politieke keuze die het beeld van een waarachtig democratisch proces instandhoudt. Over de Bilderberg Groep en aanverwante organisaties kun je eigenlijk maar twee dingen zeggen. 1. Ofwel de Bilderbergers hebben gelijk en de jaarlijkse conferenties zijn niets meer dan onschuldige

internationale cocktailpartys, in welk geval de overtrokken veiligheidsmaatregelen louter dienen om de bezoekers een kinderachtig genoegen van geheimzinnigdoenerij te verschaffen. (Als er niets te verbergen valt, waarom dan de geheimzinnigheid?) 2. Ofwel de samenzweringstheoretici hebben gelijk en er wordt op de conferenties politiek bedreven met (mogelijk verregaande) gevolgen voor de samenleving, in welk geval de mensen in die samenleving het recht hebben om hiervan op de hoogte te worden gebracht. Wanneer de bezoekers aan de bijeenkomsten inderdaad de intentie hebben het mondiale staatsbeleid te sturen of zelfs maar zijdelings te benvloeden, zijn deze conferenties in strijd met parlementaire grondbeginselen. Deze mensen zijn, in hun hoedanigheid als Bilderberggasten, gen volksvertegenwoordigers en hebben derhalve niet het recht om over de hoofden van de bevolking om het even welke beslissing te nemen. De Bilderbergers kunnen dus kiezen: zijn zij de leden van een volmaakt onschuldig en dus uitermate

kinderachtig clubje dat eenmaal per jaar samenkomt in de geheime boomhut? Of zijn zij deel441 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 441 nemers aan een buiten de volksvertegenwoordiging gehouden beleidsvergadering en dus samenzweerders? Het Teutoonse Woud in Amerika Bilderberg is niet de enige gelegenheid waarbij de wereldelite elkaar treft. In de bossen van NoordCalifornie vindt elk jaar (kort na de Bilderbergconferentie) een uiterst merkwaardig en strikt besloten ritueel plaats. De grote bonzen van het internationale speelveld treffen elkaar in een streng beveiligd bosgebied, de Bohemian Grove genaamd. De club zelf beweert dat de verantwoordelijkheid voor de oorspronkelijke oprichting bij een groep journalisten

ligt, die op zekere dag besloot een 15 vierkante kilometer groot bosgebied aan te schaffen met als doel een feestje te bouwen met punch en cocktailnootjes. De officiele vertelling verklaart verder niet hoe het tuinhuisclubje uitgroeide tot een van de meest exclusieve organisaties van de Verenigde Staten. Het oprichtingsverhaal doet enigszins gekunsteld aan, alsof iemand vanaf het begin de indruk wilde wekken dat het allemaal niets voorstelde. Het lijkt verdacht veel op de beruchte handelwijze van de Duitse Orde in Europa, om verzonnen oprichters in het leven te roepen en zo elk spoor van haar betrokkenheid uit te wissen. We hebben er in dit boek talloze voorbeelden van langs zien komen, waaronder de oprichting van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap door de Zwijnen in de veertiende eeuw. Maar zelfs al accepteren we het oprichtingsverhaal, de Grove werd al snel overgenomen door (Europese) zakenmensen en andere spelers op het wereldtoneel. De enige nieuwsmensen die aan de festiviteiten deelnemen zijn de voorzitters van grote mediakartels.

En die hebben liever geen pottenkijkers. Hoewel het clubcredo, weaving spiders come not here 174 wil suggereren dat er geen zaken worden gedaan op de Grove, spreken ingewijden van misleiding. De politieke, economische en culturele machthebbers bij elkaar op een kluitje en niemand doet zijn mond open? Niet erg waarschijnlijk. 442 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 442 Maar wat vindt er nu precies plaats in het bos? Is er sprake van duistere rituelen of is het niet meer dan een uit de hand gelopen rotaryclub? In een poging de wilde geruchtenmachine tot stoppen te brengen, besloot een journalist van het populaire Amerikaanse weekblad People Magazine in 1991 in de Grove te infiltreren. Maar toen hij zijn verslag aan de openbaarheid wilde prijsgeven, hield het management van Time Warner (eigenaar van People Magazine) de publicatie tegen. De

voorzitter van het raad van bestuur was namelijk ook aanwezig geweest bij het ritueel en had de journalist herkend. In de jaren daarop poogden meerdere journalisten in het bos te infiltreren om een glimp op te vangen van de inmiddels legendarisch geworden rituelen, maar allemaal zonder succes. De organisatoren van het jaarlijkse bosfeest hadden de beveiliging rondom het terrein flink opgeschroefd. Maar helemaal gesloten was het net rondom het bos niet. In het jaar 2000 is de Amerikaanse journalist en anti-Bilderbergactivist Alex Jones erin geslaagd het zwaarbeveiligde bos binnen te dringen. Waar anderen faalden, zou het hem als eerste lukken bewegende beelden naar buiten te smokkelen. Hij wist ongezien langs de wachtposten te sluipen en de eerste en enige filmopnamen te maken van de nachtelijke rituelen in de Grove. Wat hij voor het nageslacht vastlegde is ongelofelijk: onder begeleiding van indringende muziek wordt een mensenmenigte opgezweept en een pop verbrand. De god waaraan de pop wordt geofferd staat pontificaal in beeld. Het is Moloch, een godheid in de

gedaante van een uil. We herinneren ons de uil in het werk van Jeroen Bosch als symbool van zonde en duisternis. Sommigen beweren dat het ritueel een verre echo is van religieuze diensten uit het Syrische Rijk waarbij kinderoffers eerder regel waren dan uitzondering. Anderen houden vol dat het ritueel gebaseerd is op een oud Germaans gebruik van stamhoofden om bijeen te komen op een open plek in het woud om daar een offer te brengen aan een heidense godheid. De uilengodheid wordt toegezongen en bejubeld. Het hoogtepunt van de dienst is ook gefilmd: 443 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 443 een priesterfiguur zweept de aanwezige elite driftig op terwijl de pop in vlammen opgaat.

In een gesprek dat wij voerden met Alex Jones, benadrukte hij nog eens het Teutoonse element: I get criticized for talking about how a German death cult runs things.175 Het onderzoek van Jones beperkte zich niet tot de Bohemian Grove. Hij staat vooral bekend om zijn eeuwigdurend gevecht tegen het militair-industrieel complex: een fijn geweven web van wapenfabrikanten, oligarchen en koninklijke families. Alleen mannen uit de beste families zijn welkom om met behulp van allerlei duistere rituelen hun initiatie tot machthebber te ondergaan. Zo zou George W. Bush het bos hebben bezocht voordat hij kandidaat werd gesteld voor de machtigste functie ter wereld. Maar ook democraten zijn trouwe bezoekers van de Grove. Hoewel de schijn van politieke strijd stug wordt volgehouden, blijken de tegenstanders onderling buitengewoon vriendschappelijke banden te onderhouden. Maar het zijn niet alleen politici die zich onder de bomen van de Grove verzamelen. Ook allerlei belangrijke vertegenwoordigers van het grote geld maken ieder jaar

hun opwachting in het bos. David Rockefeller, volgens velen de grote macht achter de schermen, zou een trouw bezoeker zijn, samen met leden van de familie Rothschild. Het oude Germaans gebruik van stamhoofden om bijeen te komen op een open plek in het woud om daar een offer te brengen aan een heidense godheid, een doodscultus, zoals Alex Jones het verschijnsel omschrijft, is niet verdwenen, maar leeft voort. Toen we op het onderwerp van de eventuele Duitse wortels van de hedendaagse machtsstructuren kwamen, raakte Jones in vuur en vlam: From real history that Ive studied and theyve been very carefull to keep quiet, the Dutch royalty is German, the British royalty is German, I mean, Theyre all German!176 444 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 444

Een Teutoonse doodscultus Een andere machtsfactor van betekenis is de orde Skull and Bones, een geheim genootschap verbonden aan de prestigieuze Yale University in Connecticut. Het logo bestaat, zoals de naam al doet vermoeden, uit een doodshoofd met twee beenderen en heeft verdacht veel weg van een piratenvlag. Skull and Bones wordt ook wel de Broederschap van de Dood genoemd en doet wat betreft haar ledenbestand nauwelijks onder voor de Bohemian Grove. Ook hier vinden allerlei geheime rituelen plaats waaraan de groten der aarde zich vergapen. Het genootschap telt een aantal van de meest machtige mannen op aarde. Zowel vader als zoon Bush zijn lid, net als John Kerry, de politieke tegenstander van Bush in de presidentsverkiezingen van 2004. Hun lidmaatschap deed menige wenkbrauw fronsen. Waarom waren de enige twee presidentskandidaten beide lid van hetzelfde geheime genootschap? Omdat de orde van Skull and Bones zich op grondwettelijk glad ijs bevindt, is er veel kritiek.

Het hoofdkwartier van de orde bevindt zich op het universiteitsterrein van Yale en heeft de weinig opwekkende bijnaam de Tombe. Volgens ingewijden zijn de ultrageheime statuten van het genootschap gebaseerd op die van de orde der Illuminati uit Duitsland. Deze achttiende-eeuwse Beierse orde bestond grotendeels uit vrijmetselaars die naar verluidt niets minder nastreefden dan de absolute wereldmacht. Dit geheime genootschap mag zich verheugen in de belangstelling van allerlei omslachtige Amerikaanse complottheorieen, voornamelijk omdat het logo van de groep (een onvoltooide piramide met een alziend oog aan de top) is afgeleid van de vrijmetselaars. Het is ook niet zo gek dat vooral de Illuminaten verondersteld worden de macht achter de schermen uit te oefenen, want het vrijmetselaarslogo vinden we prominent terug op het 1-dollarbiljet. Toch is de orde der Illuminati nauwelijks van grote betekenis geweest in Duitsland. Zij heeft de tand des tijds niet weten te doorstaan. Net als de rozenkruisers stierf ze een stille dood. Anderen beweren dat Skull and Bones gemodelleerd is naar het voorbeeld van negentiende-eeuwse Duitse

studentenver445 Tirion Literair Klassiek 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist 24/09/2007 Pg. 445 enigingen: alumni in plaats van Illuminaten dus. Hoewel de meningen over de oorsprong van de broederschap nogal uiteenlopen, staan de Duitse wortels echter niet ter discussie. Datzelfde geldt voor de tegenhanger van Skull and Bones op Harvard, die andere prestigieuze Amerikaanse universiteit. Dit geheime genootschap heet de Porcelian Club, of Pig Club, waarin een zwijnshoofd de hoofdrol vertolkt. Het doet zeer sterk denken aan het logo van de compagnie van Brederode. Weer een zwijn, en weer een Duitse oorsprong. De mannelijke leden van de familie Roosevelt waren allemaal lid. De legende wil dat president Theodore Roosevelt trouw het zwijnshoofd op zijn bureau plaatste als hij een Duitse afvaardiging in het Witte Huis ontving. We zien dus verschillende broederschappen vermomd als

studentenverenigingen, die als broedplaatsen van de macht worden beschouwd. Dit plaatst de moderne geschiedenis in een totaal ander licht. De Amerikaanse machthebbers hebben duidelijke en aantoonbare connecties met de Teutonen, zoals de Europese leiders van weleer. Hoewel de geruchten omtrent een duister netwerk van achttiende-eeuwse Illuminaten hardnekkig zijn, ligt het voor de hand dat de (veel oudere en invloedrijkere) Duitse Orde ook hier een rookgordijn rondom zichzelf heeft opgetrokken. De Federal Reserve Wie het geld drukt, heeft de macht. Deze onveranderlijke wet is in grote mate van toepassing op de Federal Reserve, een semi-overheidsinstelling die de vinger aan de economische pols van de Verenigde Staten houdt. In 1913 ondertekende president Woodrow Wilson de Federal Reserve Act. Zonder zich er helemaal van bewust te zijn, tekende hij een contract met een handjevol bankiersgeslachten, zoals de Rockefellers en de Morgans, die hij toestemming verleende het geldelijk verkeer binnen de Verenigde

Staten te beheren en beheersen. De laatste jaren is er steeds meer kritiek op de Reserve, vooral omdat de Fed (zoals de centrale bank kortweg genoemd wordt) zich op grondwettelijk glad ijs bevindt. Het is, 4