Wielen verwisselen

Informatie voor noodgevallen

GEREEDSCHAPSUITRUSTING VOOR VERWISSELEN VAN WIELEN
Wielen verwisselen

Krik en gereedschappen

Verzorging van de krik De krik moet af en toe worden onderzocht. Vervolgens reinigen en de bewegende onderdelen, speciaal de zuiger (of kolom), met vet smeren. Het oliepeil van de hydraulische krik moet gedurende normale onderhoudsbeurten worden gecontroleerd. Zonodig moet dit worden bijgevuld met hydraulische olie met een viscositeit conform BS 4231 categorie 32 en ISO categorie 32. Teneinde vervuiling te voorkomen dient de hydraulische krik altijd geheel te worden gesloten. Ook moet deze rechtop worden bewaard.

H3699

In de gereedschapsuitrusting van uw voertuig is één van twee verschillende krikken opgenomen - een vijzelkrik of een kolomkrik. Ieder type werkt totaal anders. Het is dus essentieel dat de onderstaande gebruiksaanwijzingen goed worden gelezen. De vijzelkrik* wordt bewaard in een compartiment onder de linker voorstoel (zie ‘Zitkussen verwijderen’, Blz. 36 ) voor details over toegang). De krikhandgreep en gereedschappen* (of de kolomkrik* ) worden in "Pick-Up" en "Hard Top" modellen bewaard in tassen achter de voorstoel. In "Soft Top" en "Stationwagon" modellen wordt de uitrusting bewaard onder de zitbank.

WAARSCHUWING
Nadat het wiel is verwisseld, altijd controleren of de gereedschappen, het wielblok, de krik en het reservewiel op de juiste plaatsen zijn opgeborgen.

165

Wielen verwisselen
RESERVEWIEL WAARSCHUWING
• De bevestigingsmoeren van het reservewiel mogen NOOIT worden gebruikt in plaats van de normale wielmoeren. Ook mag het reservewiel nooit worden vastgezet met normale wielmoeren - de moeren mogen onderling nooit worden verwisseld. • De wielen zijn bijzonder zwaar. Wees altijd voorzichtig bij het optillen, speciaal wanneer het reservewiel van de bevestiging wordt verwijderd.

H3616

Verwijder de bevestigingsmoeren van het wieldeksel met de wielmoersleutel in de gereedschapsuitrusting* . Ook kunnen de moeren waarmee het reservewiel op de houder is bevestigd met de wielmoeren worden verwijderd. Til het wiel vervolgens van de houder. N.B.: In bepaalde landen zijn de uit lichtmetaal vervaardigde wielen voorzien van een afsluitbare wielmoer. Dit geldt ook voor het reservewiel (zie ‘AFSLUITBARE WIELMOEREN’, Blz. 167 ). In andere landen zijn voertuigen met lichtmetalen wielen voorzien van één afsluitbare wielmoer die uitsluitend op het reservewiel is aangebracht.

166

Wielen verwisselen
AFSLUITBARE WIELMOEREN
Het is mogelijk dat de lichtmetalen wielen van uw voertuig allemaal zijn voorzien van een vergrendelende wielmoer (inclusief het reservewiel). Het dopje op de afsluitbare wielmoer lijkt op het eerste gezicht sterk op de standaard wielmoeren, maar kan worden herkend aan het holle gedeelte op de bovenkant. De afsluitbare wielmoer en het dopje kunnen uitsluitend op de volgende manier met het speciale bijgeleverde gereedschap worden verwijderd:

3

H2512

Trek de trekker loodrecht van het wiel om het wielmoerdeksel te verwijderen. De afsluitbare wielmoer (3) kan dan worden bereikt. N.B.: Als de trekker abusievelijk op een standaard wielmoer wordt geduwd, dan kan die UITSLUITEND worden verwijderd door die wielmoer eerst los te draaien en te verwijderen; schuif de wielmoer langs het midden van de trekker omlaag op de wielmoer.

2 1

H2511

Druk de trekker (1) stevig op de roestvrijstalen dop van de afsluitbare wielmoer (2).

167

Wielen verwisselen
WIELEN VERWISSELEN
Kies zo mogelijk een veilige plaats om het voertuig uit de buurt van het verkeer tot stilstand te brengen. Vraag uw passagiers altijd om het voertuig te verlaten. Zij dienen op een veilige plaats uit de buurt van ander verkeer te wachten. N.B.: Zet de gevarenknipperlichten aan zodat andere weggebruikers worden gewaarschuwd. Voordat een wiel wordt verwisseld, moet er altijd voor worden gezorgd dat de voorwielen recht vooruit staan. Het sperdifferentieel moet zijn ingeschakeld (het waarschuwingslampje gaat branden). Trek de handrem aan en zet de hoofdversnellingsbak in de 1e versnelling. Zet de verdeelbak in "L". Zet de contactschakelaar uit en verwijder de sleutel. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht: • Zorg ervoor dat de krik altijd op een stevige, gelijkmatige ondergrond wordt geplaatst; NOOIT op een zachte ondergrond, metalen roosters of deksels van mangaten plaatsen. Plaats NOOIT extra materiaal tussen de krik en de grond. Opkrikken kan hierdoor zeer onveilig worden. • Gebruik altijd het wielblok volgens de instructies. • Het voertuig NOOIT opkrikken als daarin nog passagiers aanwezig zijn. Ook mag de caravan of aanhanger niet langer zijn aangehaakt!

4
H2513

Plaats de metalen dopmoer (4) goed op de afsluitbare wielmoer. Plaats de wielmoersleutel op de dopsleutel en schroef de afsluitbare wielmoer op de normale manier los. N.B.: Op de bovenkant van de dopsleutel is een codeletter uitgestanst. Zorg ervoor dat die code-letter in de daarvoor bestemde ruimte op uw veiligheidskaart, wordt ingevuld - als nieuwe componenten moeten worden geleverd, dient dit nummer te worden vermeld. De kaart moet op een veilige plaats, en nooit in het voertuig, worden bewaard. Om veiligheidsredenen moeten de dopsleutel en de trekker zodanig op een veilige plaats in het voertuig worden bewaard, dat dit vanaf de buitenkant niet kan worden waargenomen.

WAARSCHUWING
Voordat het voertuig wordt opgekrikt is het ESSENTIEEL dat voor één van de wielen een wielblok wordt geplaatst; de handrem werkt op de achterwielen en niet op de transmissie. Het is dus mogelijk dat het voertuig nadat dit is opgekrikt niet met de handrem in positie wordt gehouden.

168

Wielen verwisselen
Het wielblok gebruiken Bedienen van de vijzelkrik

2

1

H3605

3

4

Zo mogelijk moet het voertuig op een horizontale ondergrond worden geplaatst. Plaats vervolgens wielblokken diagonaal tegenover het wiel dat zal worden verwijderd plaats het bijgeleverde wielblok vóór een voorwiel of achter een achterwiel. Als een wiel onvermijdelijk op een helling moet worden opgekrikt, moet het wielblok worden geplaatst tegen de lage kant van het tegenovergestelde wiel dat het verste weg is van het op te krikken wiel. N.B.: Het wielblok is opgeborgen in een compartiment onder de linker voorstoel (zie ‘Zitkussen verwijderen’, Blz. 36 ) voor details over toegang).

H3763

Schuif de twee delen van de handgreep van de krik in elkaar (inzet 1). Controleer of de veerklem uit de gleuf steekt op het punt waar de twee delen bij elkaar komen (inzet 2). Sluit de ontlastklep van de krik door met het van kepen voorziene uiteinde van de krik-hefboom, de klep geheel naar rechts te draaien (inzet 3). Steek de hefboom in de opening (inzet 4) en draai de hefboom rond tot die is vergrendeld. Beweeg de hefboom op en neer zodat de krik omhoog gaat. Laat de krik zakken door de hefboom los te maken (ronddraaien en trekken). Schuif het van kepen voorziene uiteinde vervolgens over de pennen op de ontlastklep. Draai de ontlastklep langzaam linksom. Onder invloed van het gewicht van het voertuig zal de krik omlaag bewegen. Draai de ontlastklep NOOIT geheel los.

169

Wielen verwisselen
Plaatsen van de vijzelkrik

WAARSCHUWING
NOOIT onder het voertuig werkzaamheden uitvoeren als dit uitsluitend op de krik staat. De krik is uitsluitend ontworpen voor het verwisselen van de wielen! Plaats de krik NOOIT onder de zijkant van het voertuig. Gebruik ALTIJD de krik-hefboom teneinde beschadiging door onoordeelkundig gebruik, eventueel letsel veroorzaakt door onderdelen op de voertuigonderkant of brandwonden door contact met een heet uitlaatsysteem te voorkomen. Het voertuig mag UITSLUITEND worden opgekrikt op de beschreven krikpunten daar anders schade kan worden veroorzaakt. Plaats de krik altijd, vanaf de voor- of achterkant van het voertuig, direct in het verlengde van de krikpunten en zorg ervoor dat de krik op een stevige horizontale ondergrond is geplaatst.

H3764

Voorste krikpunt

De krik moet zodanig worden geplaatst dat die in de hoogte stand ingrijpt in het voorashuis onmiddellijk onder de schroefveer. De kop van de krik moet tussen de flens aan het uiteinde van het ashuis en de grote steun waaraan de componenten van de voorwielophanging zijn bevestigd, worden geplaatst.

170

Wielen verwisselen

H3765

Achterste krikpunt

Druk de spatlap over de band zodat alle werkzaamheden zo makkelijk mogelijk kunnen worden uitgevoerd (trek de spatlap, nadat het wiel is verwisseld, weer in de juiste positie). Plaats de krik zodanig dat die in de hoogste stand ingrijpt in het achterashuis, onder de schroefveer en zo dicht mogelijk bij de montagesteun van de schokdemper.

171

Wielen verwisselen
Bedienen van de kolomkrik*

4

1. Bij het verwisselen van een voorwiel moet de rubber plug (1) worden verwijderd uit de krikbuis die zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. 2. Steek de krikkolom (2) geheel in de onderkant (3). 3. Monteer de handgreep met de ratel (4) in de bovenkant van de kolom en stel de hoogte van de krikpen (5) zodanig af dat de pen geheel in de krikbuis kan worden gestoken. N.B.: De krikhandgreep werkt op dezelfde manier als een ratel - aan de ene kant wordt de krik omhoog bewogen. Laat de krik weer zakken door de handgreep om te draaien.

2 5

1

WAARSCHUWING

3
H3620

VOORDAT een wiel wordt opgekrikt, dient de gebruiker ALTIJD op de hoogte te zijn van de manier waarop de krik moet worden bediend. Het voertuig mag UITSLUITEND worden opgekrikt op de beschreven krikpunten daar anders persoonlijk letsel of schade aan het voertuig kan worden veroorzaakt. Gebruik de krik NOOIT zonder eerst het onderste gedeelte te plaatsen - daar het voertuig anders niet op de juiste manier wordt ondersteund. Dat is uiterst gevaarlijk. Zorg ervoor dat de krikpen zover mogelijk (tot aan de kraag) in de krikbuis is geschoven (zie pijl in illustratie).

Voorste krikpunt

4

2

5

3

H3621

Achterste krikpunt

172

Wielen verwisselen
Een wiel verwisselen Voordat het voertuig wordt opgekrikt controleren of alle voorzorgsmaatregelen aan het begin van dit hoofdstuk zijn uitgevoerd. 1. Voordat het voertuig wordt opgekrikt, moeten de wielmoeren met de wielmoersleutel een halve slag linksom worden losgedraaid. 2. Krik het voertuig op tot de band vrij is van de grond. 3. Verwijder de wielmoeren en leg die op een veilige plaats. Dan raken die niet zoek. 4. Verwijder het wiel. N.B.: Zorg ervoor dat de buitenkant van het wiel NIET wordt beschadigd door dit onderste boven op de weg te leggen. 5. Op uit lichtmetaal vervaardigde wielen moet voor dat doel goedgekeurd grafietvet worden aangebracht waarmee het insteekeinde van de wielbevestiging wordt behandeld. Hierdoor zal een eventuele tendens tot adhesie tussen het wiel en het insteekeinde zo laag mogelijk blijven. Zorg ervoor dat grafietvet niet in contact komt met componenten van het remsysteem of de vlakke montage-oppervlakken van het wiel. Indien, als gevolg van een noodsituatie deze behandeling praktisch niet uitvoerbaar is kan het reservewiel tijdelijk worden geplaatst. Het wiel moet echter zo snel mogelijk worden verwijderd waarna dit met grafietvet dient te worden behandeld. 6. Plaats het reservewiel en draai de wielmoeren iets vast. Ga na of die goed in de gaten worden gedraaid. Draai de wielmoeren NOOIT geheel vast als de band nog niet op de grond rust.

WAARSCHUWING
Gedurende het plaatsen van het wiel altijd controleren of de contactoppervlakken van de naaf en het wiel schoon zijn en vrij van roest of grafietvet - door opeengehoopte hoeveelheden vuil of roest kunnen de wielmoeren loskomen, met alle risico van een ongeval. 7. Zorg ervoor dat de ruimte onder en rond het voertuig vrij is van belemmeringen. Laat het voertuig vervolgens zakken en verwijder de krik en de wielblokken. 8. Draai de wielmoeren in diagonale volgorde geheel vast. De wielmoeren NOOIT TE STRAK VASTDRAAIEN door voetdruk of verlengstangen te gebruiken op de wielmoersleutel daar hierdoor te grote spanningen en krachten worden uitgeoefend op de wiel-tappen. Het juiste koppel waarmee de wielmoeren zijn vastgedraaid moet zo snel mogelijk worden gecontroleerd; zie ‘WIELEN EN BANDEN’, Blz. 194 . 9. De gereedschappen, wielblokken, krik en het reservewiel moeten weer op de oorspronkelijke plaatsen worden opgeborgen. 10. VERGEET NOOIT om het sperdifferentieel buiten werking te stellen en de hoge overbrengingsverhoudingen te kiezen ("H") voordat u wegrijdt. 11. Ten slotte moet de bandenspanning zo snel mogelijk worden gecontroleerd (zie ‘WIELEN EN BANDEN’, Blz. 194 ).

173

Starten in noodgevallen
STARTEN VAN DE MOTOR MET EEN ONTLADEN ACCU
Starten in noodgevallen

MET SPECIALE STARTKABELS
Als een donorvoertuig wordt gebruikt, dan moeten beide voertuigen zodanig worden geparkeerd dat de accu's zo dicht mogelijk bij elkaar zijn geplaatst. Zorg ervoor dat de twee voertuigen nooit met elkaar contact maken. Trek de handremmen aan en controleer of de transmissies van beide voertuigen in neutraal staan ('P' of de parkeerstand op donorvoertuigen met automatische versnellingsbak). Zet het contact en de elektrische uitrusting van BEIDE voertuigen uit. Vervolgens moeten de instructies voor het aansluiten van de kabels op de volgende pagina worden uitgevoerd.

De toepassing van speciale startkabels vanaf een hulpaccu of een accu in een donorvoertuig, is de enige goedgekeurde methode voor het starten van een voertuig met een ontladen accu. Het wordt NIET aanbevolen om het voertuig aan te duwen of aan te slepen!

WAARSCHUWING
Gedurende normaal gebruik produceren accu's voldoende explosieve waterstof om ernstige explosies te veroorzaken die kunnen leiden tot ernstig persoonlijk letsel niet-afgeschermde verlichting en vonken moeten uit de buurt worden gehouden van de motorruimte. Het voertuig mag NOOIT worden gestart als er redenen zijn om aan te nemen dat de elektrolyt in de accu is bevroren. Controleer dat door BEIDE accu's dezelfde spanning wordt geproduceerd (12 Volt) en dat de speciale startkabels zijn voorzien van geïsoleerde klemmen die zijn goedgekeurd voor 12 Volt accu's. Maak de kabels van de ontladen accu NIET los. De positieve (+) pool mag NOOIT worden aangesloten op een negatieve (-) pool. Zorg ervoor dat de speciale startkabels uit de buurt worden gehouden van bewegende onderdelen in de motorruimte. Werkzaamheden in de buurt van bewegende of roterende onderdelen van de motor moeten altijd zeer voorzichtig worden uitgevoerd.

174

Starten in noodgevallen
SPECIALE STARTKABELS AANSLUITEN WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen:

+

• De ZWARTE kabel mag nooit worden aangesloten op de negatieve pool van de ontladen accu - in twijfelgevallen altijd deskundige hulp inroepen. • Controleren of iedere aansluiting GOED is uitgevoerd en of het onmogelijk is dat de klemmen abusievelijk losglijden of van de accupolen worden getrokken - hierdoor kunnen vonken worden getrokken die weer kunnen leiden tot brand of explosies.
+

+

+

H3646

Zorg ervoor dat altijd de onderstaande procedure wordt uitgevoerd. Ook dienen de kabels in de hieronder aangegeven volgorde te worden aangesloten: 1. Sluit één uiteinde van de RODE startkabel aan op de positieve (+) pool van de donoraccu. 2. Sluit het andere uiteinde van de RODE startkabel aan op de positieve (+) pool van de ontladen accu. 3. Sluit één uiteinde van de ZWARTE startkabel aan op de negatieve (-) pool van de donoraccu. 4. Sluit het andere uiteinde van de ZWARTE boosterkabel aan op een goed massapunt (bijv. de motorophanging of een ander niet geverfde metalen component) dat zich op enige afstand bevindt van de brandstof- en remleidingen van het defecte voertuig. Ook dient dit massapunt zich op een afstand te bevinden van minstens 0,5 m van de ontladen accu.

Controleer of de kabels geen contact maken met bewegende onderdelen van beide motoren. Start vervolgens de motor van het donorvoertuig en laat die een paar minuten stationair draaien. Start nu het voertuig met de ontladen accu. Zodra beide motoren normaal draaien moeten die twee minuten lang stationair draaien voordat de motor van het donorvoertuig wordt afgezet. Zet NOOIT elektrische circuits aan van een voertuig met lege accu. Dit kunt u pas doen NADAT de startkabels zijn verwijderd. De startkabels kunnen worden verwijderd door de procedure voor het aansluiten in EXACT de omgekeerde volgorde uit te voeren; m.a.w.: maak altijd EERST de ZWARTE kabel los van het massapunt op het voertuig met de ontladen accu.

175

Slepen van het voertuig
SLEEPOGEN
Slepen van het voertuig

H3702

Het voertuig slepen (op alle vier de wielen) 1. Trek de handrem aan en zet de hoofdversnellingsbak en de verdeelbak in neutraal. 2. Controleer of het sperdifferentieel niet is vergrendeld. Sluit de sleepuitrusting aan op het voertuig. 3. Zet het contact in stand 'I' zodat het stuurslot wordt ontgrendeld. Draai het contact vervolgens door naar stand 'II' als de remlichten en de richtingaanwijzers moeten kunnen werken. 4. Bevestig de hijsuitrusting aan de voorste sleepogen van het te bergen voertuig. 5. Zet de handrem los. N.B.: Indien als gevolg van een ongeval of elektrische storing het niet veilig wordt geacht om het contactslot te gebruiken moeten de accukabels eerst worden losgemaakt.

WAARSCHUWING
De sleepogen aan de voor- en achterkant van het voertuig zijn uitsluitend ontworpen voor bergingsdoeleinden. Deze mogen NOOIT worden gebruikt voor het slepen van een aanhanger of caravan.

WAARSCHUWING
Het voertuig mag NOOIT worden gesleept tenzij het contactslot in stand 'I' is gedraaid.

SLEPEN OP VIER WIELEN
Door de meeste bergingsspecialisten zal uw voertuig op een aanhanger worden geplaatst. Is het echter onvermijdelijk om het voertuig te bergen door dit met alle vier de wielen op de grond te slepen, dan dient altijd de onderstaande procedure te worden uitgevoerd:

Verwijder de contactsleutel NIET en zet de contactschakelaar niet in stand '0' als het voertuig in beweging is; zet het stuurslot los door het contact in stand 'I' te draaien. Als de motor niet loopt, kunnen de remservo en de stuurbekrachtigingspomp niet de juiste bekrachtiging leveren; voor het ronddraaien van het stuurwiel en het indrukken van het rempedaal zal dus een grotere krachtsinspanning zijn vereist. Ook dient rekening te worden gehouden met een grotere remafstand.

176

Slepen van het voertuig
Slepen met twee wielen van de grond

VASTSJORREN OP TRANSPORTEUR OF AANHANGER
Gebruik de sleepogen op de voorste en achterste dwarsbalk als bevestigingspunten (zie ‘SLEEPOGEN’, Blz. 176 ). De sjorhaken of de bevestigingen van de aanhanger mogen NOOIT op andere onderdelen van het voertuig worden vastgezet.

WAARSCHUWING
Uw voertuig is voorzien van permanente vierwielaandrijving - voordat het voertuig wordt gesleept MOET de cardanas worden losgemaakt van de as waarvan de wielen contact maken met het wegdek. Ongeacht de as waarvan de wielen bij het slepen op de grond rusten, mag NOOIT worden afgeweken van de volgende voorzorgsmaatregelen: • Breng op de flens van de cardanas en de flens van het asdifferentieel merktekens aan waardoor de posities van die componenten ten opzichte van elkaar worden aangegeven. Hierdoor is het mogelijk om de cardanas, in de oorspronkelijke positie, weer aan te sluiten. • Verwijder de 4 moeren en bouten waarmee de 2 flenzen op elkaar zijn aangesloten en verwijder de cardanas van het differentieel. • Bevestig de cardanas, op een veilige afstand van de differentieelflens, aan het voertuig. Als het voertuig wordt gesleept met de voorwielen op de grond: • Zet het stuurslot los. • Zet het stuurwiel en/of het stangenstelsel vast in de stand voor recht vooruit - dit mag NOOIT worden gedaan met het stuurslot. Zet de parkeerrem los.

WAARSCHUWING
De cardanas mag UITSLUITEND weer worden aangesloten door een deskundig Land Rover technicus. Voor aanvullende informatie kunt u altijd contact opnemen met uw Land Rover dealer.

177

Zekeringen
ZEKERINGEN
Zekeringen

HOOFDZEKERINGKAST

Zekeringen zijn eenvoudige circuitonderbrekers waardoor elektrische uitrusting wordt beschermd tegen de gevolgen van stroomstoten. Een "doorgebrande" zekering blijkt uit het feit dat de elektrische uitrusting die hierdoor wordt beschermd, niet langer werkt. Zekeringen zijn voorzien van de volgende kleurcodes waardoor het makkelijker wordt om het ampèrage vast te stellen: PAARS BEIGE BRUIN ROOD BLAUW GEEL WIT GROEN ORANJE 3 Amp. 5 Amp. 7,5 Amp. 10 Amp. 15 Amp. 20 Amp. 25 Amp. 30 Amp. 40 Amp.

H3750

De hoofdzekeringkast bevindt zich onder en links/rechts van de stuurkolom; de zekeringen kunnen worden bereikt door het deksel te verwijderen door de bevestigingsschroeven geheel linksom te draaien. Een zekering controleren of vervangen Draai het contact altijd in stand "0" en zet het betreffende elektrische circuit af. Verwijder dan pas de zekering.

WAARSCHUWING
Plaats uitsluitend nieuwe zekeringen van dezelfde waarde en hetzelfde type. De oorzaak van de storing moet altijd worden opgeheven voordat een zekering wordt vervangen. Roep zonodig deskundige hulp in.

H4975

178

Zekeringen
17 16 15 14 13 12 11 10 9 8

5A 20A

37 36 35 34 33

H4974

Als de draad in de zekering is gebroken wil dat zeggen dat de zekering is "doorgebrand". Die zekering moet worden vervangen. Een zekering moet ALTIJD worden vervangen door een andere zekering van dezelfde waarde. Als die nieuwe zekering echter onmiddellijk doorbrandt, dan moet het circuit altijd worden gecontroleerd door een deskundige dealer.

30A 20A 20A 20A 20A 15A 5A 20A 30A

27 26 25 24 23 22 21 20 19 18

N.B.: Aan de binnenkant van het deksel van de zekeringkast is een aantal reserve-zekeringen geplaatst (zie pijl in illustratie). Op een etiket in het deksel van de zekeringkast worden de beschermde circuits aangegeven. Daar vindt u ook de waarden van de zekeringen en de posities. Die staan ook vermeld op de volgende pagina.

179

10A 10A 10A 10A 10A 10A 10A 10A 10A 10A

5A 10A 10A 10A 10A 10A 15A 10A

32 31 30 29 28

Zekeringen
Zekeringspecificatie Zekeringnummer 8 9 10 11 12 13 14 15 Waarde (Amp.) 10 15 10 10 10 10 10 5 Beschermd circuit Alarmsysteem, ontsteking Wissers en sproeiers - voor Wissers en sproeiers - achter* Antiblokkerende remmen* Motor-ECU (Td5 motor)* Remlichten Achteruitrijlampen, gloeistiften Airconditioning, verwarmde achterruit* Koplampen (dim/dip), ontsteking, koelventilator, instrumenten, waarschuwingslampjes Sigaretten-aansteker, kachel (ventilator) Radio* Stadslichten - links, instrumentenverlichting Stadslichten - rechts Schakelaarverlichting, koplamphoogte-instelling Richtingaanwijzers Koplampen - dimlicht - rechts Koplampen - dimlicht - links Koplamp - ongedimd groot licht - rechts Koplamp - ongedimd groot licht - links Mistachterlicht* Alarm-sirene* Airconditioning - ventilator* Airconditioning-compressor, koelventilator* Interieurverlichting,instrumenten,radio,diagnosestekker Gevarenknipperlichten Verwarmde achterruit (HRW)* Verwarmde stoelen* Elektrisch raam - rechts* Elektrisch raam - links* Verwarmde voorruit* -

16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

20 5 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 30 20 10 15 20 20 20 20 30 -

180

Zekeringen
SECUNDAIRE ZEKERINGKAST WAARSCHUWING
Plaats uitsluitend nieuwe zekeringen van dezelfde waarde en hetzelfde type. De oorzaak van de storing moet altijd worden opgeheven voordat een zekering wordt vervangen. Roep zonodig deskundige hulp in. Zekering nr. 1 2 Waarde (Amp.) 30 20 Beschermd circuit ABS* Stekker voor accessoires, aanhanger Claxon Brandstofpomp Hoofdrelais Alarm, gevarenknipperlic hen Alarm-sirene, centrale deurvergrendeling (CDL)*

20 15 30 20 20 20 30

7 6 5 4 3 2 1

3 4 5 6

20 20 30 15

7

20

Eigenaars wordt afgeraden om relais, die worden aangegeven op de onderkant van het deksel van de zekeringkast, te verwijderen of te vervangen: GLOEISTIFT (100 Amp.), AIRCON (60 Amp.), RESERVE (60 Amp.), ABS POMPRELAIS (30 Amp.), ONTSTEKING (60 Amp.) en VERLICHTING (30 Amp.).
H3602

De secundaire zekeringkast bevindt zich onder de rechter voorstoel (zie ‘Zitkussen verwijderen’, Blz. 36 ) voor de toegangsprocedure). Druk de vergrendeling in (zie de pijl in de illustratie) om het deksel los te maken. De informatie op de onderkant van het deksel bevat gegevens over de zekeringen en de waarden. Deze informatie staat tevens hieronder vermeld.

Het falen van één van de onderstaande componenten dient te worden onderzocht door een deskundige monteur. N.B.: Op modellen met Td5 motor is, met tape, een extra zekering aangebracht op de kabelboom langs de secundaire zekeringkast. Door deze zekering worden de sensors van het motormanagementsysteem beveiligd

181

Gloeilampen vervangen
GLOEILAMPEN VERVANGEN
Gloeilampen vervangen

Controleer de werking van alle buitenlampen voordat u het voertuig gebruikt. BELANGRIJKE INFORMATIE Voordat een gloeilamp wordt vervangen, het contactslot en de betreffende verlichtingsschakelaar afzetten teneinde een eventuele kortsluiting te voorkomen. Gloeilampen uitsluitend vervangen door exemplaren van hetzelfde type en dezelfde specificatie. Nieuwe gloeilampen Gloeilamp Koplampen - dimlicht/groot licht Voorste stadslichten Richtingaanwijzers Zijrepeteerlampen Achteruitrijlampen Mistachterlichten Achterlichten Remlichten Derde remlicht Nummerplaatverlichting Binnenverlichting Watt 60/55 5 21 5 21 21 5 21 21 4 10

Halogeen gloeilampen Halogeen gloeilampen worden gebruikt voor de koplampen. Zorg ervoor dat deze gloeilampen NOOIT met de vingers worden aangeraakt; gebruik altijd een doek. Zonodig moet de gloeilamp worden gereinigd met methylalcohol om vingerafdrukken te verwijderen.

N.B.: Alle gloeilampen moeten geschikt zijn voor een spanning van 12 Volt N.B.: In bepaalde exportgebieden is het wettelijk vereist om reserve gloeilampen mee te voeren voor het geval een gloeilamp defect raakt. Bij uw Land Rover dealer/officieel geautoriseerde reparateur kunt u een volledig pakket nieuwe gloeilampen aanschaffen dat behoort tot de goedgekeurde accessoires.

182

Gloeilampen vervangen
5 7 6

2 3

1

2

3

1
H3641

4
Koplamp - gloeilamp vervangen Maak de elektrische multistekker (6) los en verwijder het rubber kapje. Maak de veerklem (7) los waarmee de gloeilamp in positie wordt gehouden. Trek de gloeilamp uit de verlichtingseenheid. Als de gloeilamp wordt vervangen, altijd controleren of het grotere lipje in de richting wijst van de bovenkant van de koplamp. Zet vervolgens de veerklem vast. Plaats het rubber plaatje. Druk het midden stevig op de afdichting rond de elektrische contacten van de gloeilamp. Plaats de multistekker. N.B.: Het glas van de gloeilamp mag niet met uw vingers worden aangeraakt. Zonodig moet de gloeilamp worden gereinigd met methyl-alcohol.

KOPLAMPEENHEID
Verlichtingseenheid verwijderen De gloeilamp van een koplamp vervangen door de verlichtingseenheid als volgt, te verwijderen: • Verwijder de vier schroeven (1) waarmee de stadslichten en richtingaanwijzers (2) zijn bevestigd. Maak die naar voren los. Maak de elektrische connectors los. • Verwijder de twee schroeven (3) en de plastic afwerking (4). • Verwijder de bevestigingsschroef (5) van de koplamp. Draai de koplamp rechtsom en maak die los. Verwijder de koplamp.

183

Gloeilampen vervangen
STADSLICHTEN, ACHTERLICHTEN, REMLICHTEN EN RICHTINGAANWIJZERS ZIJKNIPPERLICHT

H3654

Verwijder de twee bevestigingsschroeven en trek de eenheid naar buiten. Maak de complete gloeilamp los door het glas linksom te draaien. De gloeilamp kan vervolgens worden verwijderd door die in te drukken en te verdraaien.

H3655

Druk het glas stevig naar links en trek de verlichtingseenheid uit het spatbord. De gloeilamphouder ronddraaien en uit de eenheid verwijderen. Vervolgens de gloeilamp uit de houder trekken. Gedurende het plaatsen moet ervoor worden gezorgd dat de kleine lipjes (zie de pijlen in de illustratie) naar rechts wijzen. Deze lipjes moeten in de opening worden gestoken voordat de verlichtingseenheid in de juiste positie in het spatbord kan worden geduwd.

ACHTERUITRIJLAMPEN EN MISTACHTERLICHTEN

H3658

Verwijder de bevestigingsschroeven en trek het glas weg. De gloeilamp verwijderen door die in te drukken en rond te draaien.

184

Gloeilampen vervangen
NUMMERPLAATVERLICHTING BINNENVERLICHTING

H3656

In de nummerplaatverlichting zijn twee gloeilampen aangebracht. Om toegang te verkrijgen moet de bevestigingsschroef worden losgedraaid, het deksel worden verwijderd en de betreffende gloeilamp worden rondgedraaid om deze te verwijderen.

H3622

DERDE REMLICHT

Steek een kleine platte schroevendraaier in de uitsparing op de zijkant van het glas. Verwijder het glas voorzichtig uit de verlichtingseenheid. Vervolgens de gloeilamp voorzichtig uit de gloeilamphouder trekken. Wanneer het glas wordt geplaatst altijd eerst de nok (zie de pijl in de illustratie) in de juiste positie plaatsen. Duw vervolgens het glas in positie.

H3657

Verwijder beide bevestigingsschroeven en het kapje van de achterkant van de verlichtingseenheid. Draai de gloeilamphouder linksom om deze te verwijderen. De gloeilamp verwijderen door deze in te drukken en linksom te draaien.

185

Technische gegevens
Smeermiddelen en vloeistoffen
SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN . . . . . . . 189

INHOUDEN
INHOUDEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191

MOTOREN
MOTOREN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192

Elektrisch systeem en stuurinrichting
ELEKTRISCH SYSTEEM . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193 STUURINRICHTING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193

WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 194

AFMETINGEN
AFMETINGEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 196 PRESTATIE IN TERREIN . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198 SLEEPSTANG - AFMETINGEN . . . . . . . . . . . . . . 199

Gewichten
VOERTUIGGEWICHTEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200 SLEEPGEWICHTEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202

Brandstof-verbruik
BRANDSTOFVERBRUIK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203

Appendices
CONFORMITEITSVERKLARINGEN . . . . . . . . . . . 204

241

DOOR LAND ROVER AANBEVOLEN

242

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful