P. 1
Luning 2013 - Volgens Kapitein Bellen - eBook

Luning 2013 - Volgens Kapitein Bellen - eBook

|Views: 804|Likes:
Published by Sidestone Press
In de eerste helft van de 20ste eeuw was de naam van kapitein Hendrik Joseph Bellen onlosmakelijk verbonden met de Veluwse en Drentse heidevelden. Vooral in de alom aanwezige zandverstuivingen en nieuwe ontginningen deed hij zijn belangrijke archeologische ontdekkingen.
In de eerste helft van de 20ste eeuw was de naam van kapitein Hendrik Joseph Bellen onlosmakelijk verbonden met de Veluwse en Drentse heidevelden. Vooral in de alom aanwezige zandverstuivingen en nieuwe ontginningen deed hij zijn belangrijke archeologische ontdekkingen.

More info:

Categories:Types, Research
Published by: Sidestone Press on Mar 25, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

09/03/2013

Met zijn versleten soldatenjas en pet was Kapitein Bellen ongetwijfeld een mar-
kante verschijning in de stuifvlakten en bossen van de Veluwe. Vanuit zijn thuis-
basis Ede, waar hij bij het 22e

regiment infanterie was ingedeeld, vormde het om-
ringende land niet alleen zijn oefenterrein, maar vooral ook de broedplaats voor
zijn eerste passie: de archeologie. Tussen 1923 en 1931 legt Bellen er een verza-
meling aan met, veelal prehistorische, vondsten die nog steeds een kernonderdeel
vormen van de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden. Vooral zijn in-
drukwekkende vondsten uit het Laat-Neolithicum van de enkelgraf- en klokbeker-
cultuur zijn opmerkelijk.
Bijzonder is tevens dat Bellen als amateur ook documenteert waar hij zaken
vindt (zijn beroemde agenda’s), erover filosofeert en correspondeert. Zo iemand
wordt opgemerkt, niet alleen als lokale paradijsvogel, maar ook als regionale bron
van informatie, als kenner van de streek. Al snel waren er dan ook contacten met
zowel professor en directeur J.H. Holwerda van het RMO als professor Van Giffen
van het Groningse Biologisch en Archeologisch instituut (BAI). Keer op keer weet
Bellen beide mannen, elkaars rivalen nota bene, te boeien en meerdere malen
bezoeken ze zijn collectie of gaan met hem mee het veld in. De relatie met Van
Giffen was een tijdlang zelfs zeer amicaal en ook in Leiden was er waardering. Een
aantal van zijn ontdekkingen leidden tevens tot opgravingen en toen zijn collectie
in 1935 verkocht kon worden bleek het RMO gelukkig een goede bestemming.
Toch zijn er ook andere geluiden. Bellen documenteerde te summier en er gaan
geruchten dat hij vaak meer op jacht was naar vondsten dan dat hij verantwoor-
delijke archeologie bedreef. Daar komt bij dat, na zijn overplaatsing naar Assen en
de verkoop van zijn collectie, de kapitein zich meer en meer richtte op zijn andere
hobby, de folklore. Door zijn fascinatie voor volksverhalen, sagen, aardstralen en
leylijnen, kwam hij in zijn zelfgesponnen web van alternatieve duiding en ver-
klaringen steeds verder af te staan van een archeologische en wetenschappelijke
realiteit. Dat dreef hem weg uit het blikveld van de universiteiten en musea, maar
meer en meer in de armen van de lokale media en de pers die gretig ingingen op
de sensatie die gepaard gaat met het onverklaarbare. Uiteindelijk leidde dit ook
tot een pijnlijk conflict met Van Giffen over de resultaten van opgravingen bij een
aantal Drentse kloosters. Spreekwoordelijk verruilde Bellen dus de schop voor de
wichelroede. Daarmee kwam geen eind aan zijn archeologische of oudheidkun-
dige interesse, maar werd deze meer en meer doordesemd met suggestie en volks-
geloof. In 1931 bericht Bellen al aan Van Giffen: ‘Ge ziet, ik ben verschoven naar
de folklore’.

Het zou nu makkelijk zijn de latere houding en keuzes van Kapitein Bellen
af te doen als een dwaling van iemand die op steeds minder wetenschappelijke
wijze de oudheid bestudeert. Dit boek gaat echter niet over de archeologische
vakkennis van een amateurarcheoloog uit de eerste helft van de vorige eeuw. Het
gaat evenmin over de relevantie van zijn verzameling, al staat die voor een groot
deel buiten kijf. Dit boek gaat over de enthousiaste onderzoeker en verzamelaar,

viii

volgens kapitein bellen

die vanuit een passie voor het verleden in de meest brede zin zijn interesse in de
praktijk brengt. In die optiek is het juist de combinatie van archeologie en folklore
en van opgraving en wichelarij die van de persoon Bellen een regionaal fenomeen
maakte dat al vroeg opgemerkt werd. Die ongeremde passie zorgde ervoor dat hij
een waardevolle archeologische verzameling aanlegde en ook wilde begrijpen wat
hij in het veld tegenkwam en hoe dat met elkaar samenhing. Daarbij schroomde
hij niet over de grenzen van disciplines heen te kijken.
Door zijn enthousiasme kwam Bellen al gauw in aanraking met dé Nederlandse
archeologen uit die tijd, Holwerda en Van Giffen. Beiden wist hij voor zijn werk
te boeien, misschien ook wel voor zijn karretje te spannen en gedurende een lan-
ge tijd werd er vaak samengewerkt. Dat Bellen zijn collectie verkoopt aan het
Rijkmuseum van Oudheden kan gezien worden als teken van erkenning, maar
misschien nog wel meer het verzoek van Holwerda uit 1927 of Bellen correspon-
dent van het RMO wil worden. Dit door het museum in de 19e

eeuw opgezette
systeem was bij uitstek de manier om als nationale instelling zicht te houden op
wat er in de verschillende provincies gebeurde. De correspondenten waren stuk
voor stuk enthousiastelingen die vondsten meldden en informatie doorspeelden
waardoor zaken beschermd of onderzocht konden worden. Het is niet verwon-
derlijk dat nu juist Bellen hiervoor gevraagd werd, maar het toont vooral aan
dat de archeologie in die tijd voor een groot deel afhankelijk was van de ogen en
oren in het veld, van lokale gedreven, nieuwsgierige mensen. Dat is nog steeds zo.
Tekenend is wellicht dat het RMO 75 jaar na de aankoop van de collectie Bellen,
samen met de gemeente Ede de collectie Zuurdeeg heeft verworven. Een goed
gedocumenteerde collectie met belangrijke vondsten uit een gebied dat voor een
deel overlapt met het ‘jachtterrein’ van Bellen. Daarnaast is ook de heer Zuurdeeg
iemand met een ‘meer dan gemiddelde’ interesse in het verleden die in zestig jaar
tijd meer dan 100.000 uur aan zijn hobby besteedde.
Het zijn dus mensen zoals Bellen en zijn opvolgers die met hun voeten in de
aarde, maar hun blik niet enkel naar de bodem, over grenzen heen keken, wilden
begrijpen en zo sleutelfiguren werden in de groeiende kennis over ons verleden.
Zij zijn de streekkenners en regionale archeologen par excellence en in hun en-
thousiasme zien we, vaak weinig geremd, datgene terug wat ook ons archeologen
en anderen met een interesse voor het verleden drijft. Dit boek vormt in al zijn
facetten een mooi overzichtsdocument van zo een veelbewogen leven in dienst van
de archeologie en geschiedenis en tegelijkertijd een kleurrijke waaier van iemands
ongebreidelde passie voor het verleden.

Luc Amkreutz
Conservator prehistorie
Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

ix

ten geleide

Klokbeker uit de collectie Bellen, afomstig uit een grafeuvel op de Ginkelse heide bij Ede
(foto: Rijksmuseum van Oudheden).

xi

voorwoord

In de jaren ’20 van de vorige eeuw was de naam Hendrik Joseph Bellen onlosma-
kelijk verbonden met de op de Veluwe gelegen Eder- en Ginkelse Heide. Algemeen
werd hij in Ede beschouwd als de plaatselijke (pre)historicus. Onder archeologen
is hij beter bekend als ‘Kapitein Bellen’. Wanneer de wapens op de Harskamp
zwegen zocht Bellen met succes naar de artefacten die de langzaam in cultuur
komende heidevelden en zandverstuivingen prijs gaven. Door dit werk kwam hij
in contact met vakarcheologen als Holwerda en Van Giffen, die geïnteresseerd
waren in zijn werk en vondsten. Zijn vertrek naar het garnizoen Assen werd op de
Veluwe als een groot gemis gevoeld. Volgens de Edesche Courant voelde men zijn
afwezigheid zeer. Zo waren er bij het aanleggen van een riolering in Ede verschil-
lende middeleeuwse voorwerpen te voorschijn gekomen. De krant betreurde het
dat vrijwel al deze oudheden geschonden waren en verzuchte: ‘we voelen thans
weer zo sterk het gemis van de persoon van de heer Bellen, de oudheidkundige
bij uitnemendheid, die zoals men weet, reeds sinds een half jaar in garnizoen is
in Assen. Ware de heer Bellen nog in Ede geweest, hij zou gewis zijn ganse vrije
tijd met nauwlettende zorg de opgravingen hebben gecontroleerd en geleid. Zeer
waarschijnlijk zou men nog meer hebben gevonden dan thans het geval is’.
Na zijn overplaatsing naar Assen maakte Bellen een ommezwaai naar oudheid-
kundig onderzoek door middel van de wichelroede en ging hij zich bezighouden
met Heilige Lijnen. Hiermee kwam hij tot opvallende archeologische ontdek-
kingen. Hij liet zich hierbij niet hinderen door wetenschappers die er een andere
zienswijze op na hielden. In alle rust ging hij zijn eigen weg en noemde zich
voortaan folklorist. Hierdoor werd kapitein Bellen ook in Drenthe binnen de
kortste keren vooral bij de bevolking een bekend figuur. De officiële wetenschap
was minder enthousiast. Steeds weer kwam Bellen met nieuwe wonderbaarlijke
archeologische ontdekkingen. Daarbij gaf hij veelal onmogelijke antwoorden op
onbeantwoordbare vragen. Al doende werd hij een vreemde eend in de bijt onder
de Nederlandse prehistorische amateurarcheologen. Heilige Lijnen (Leylijnen) en
aardstralen namen in zijn laatste levensjaren een steeds grotere plaats in. Al met
al maakt het hem tot een man die het waard is aan een nadere beschouwing te
onderwerpen. Dat zijn nog in leven zijnde jongste dochter geen enkele informatie
wilde verstrekken heeft mij daarvan niet weerhouden.

Dit boek was er niet gekomen zonder de hulp van collega’s, musea en archieven.
Ik ben de volgende personen zeer dankbaar voor hun ondersteuning: Drs. Luc
Amkreutz, Rijksmuseum van Oudheden Leiden; Wout Arentzen, Utrecht; Alfred
M. van Beek, Drents Plateau; Raymond ten Berge, Assen; Dr. Jan Bieleman,
Wageningen; H.A. Blauw de Wit, Vereniging Oud Ede; Jan Bruggink, Drents

Voorwoord

xii

volgens kapitein bellen

Museum; Dr. Martijn Eickhoff, Radboud Universiteit Nijmegen; Jan Ennik,
Appelscha; Ben J. Hilgers, Historisch Museum Ede; Geert Kamphuis, Rolde;
Pieter Koolen, Deurne; Drs. J.N. Lanting, Haren; Roelof Marring, Assen; Ing.
Gerard Mast, Stiens; Roelof Matien, Smilde; A.E.S. de Mol Moncourt, Assen;
Frans van Oort, Ede; Drs. Charlotte Peen, Gemeentelijk Archeoloog Ede; H.
Pot, Zeegse; Dr. Wijnand van der Sanden, Provinciaal Archeoloog Drenthe; Will
Soree, Venlo; Dr. Ernst Taayke, Noordelijk Archeologisch Depot; André Vervuurt,
Someren; Drs. Vincent van Vilsteren, Drents Museum; Prof. Dr. H.T Waterbolk,
Haren; Drs. Hans van Westing, New Holland Foundation; Dr. Albert van der
Zeijden, Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed.

Hendrik Joseph Bellen 1884 – 1961. (Collectie J. Lanting)

1

ontwikkeling tot amateurarcheoloog

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->