B ELEGGEN

Een simpele meetlat voor alle trackers
Door Joos tR amaer

‘L

inke producten zijn er nog genoeg te vinden”, zo kopte deze krant donderdag. De Duitse europarlementariër Sven Giegold heeft een ‘talentenjacht’ georganiseerd onder het motto „Europa zoekt het gevaarlijkste financiële product”. Iedereen kan kandidaten aanmelden op de bijbehorende website Dangerous-Finance.eu. Tot dusver omvat de ‘erelijst’ zestig producten. De meeste zijn goeie ouwe vrienden van vóór de kredietcrisis, luisterend naar omineuze afkortingen als CDO, CMO en CDS. Maar er staan ook onverwachte debutanten op. De meest verrassende is zonder meer de ETF ofwel tracker. Ooit, in 1993, is die bedacht als een wonder van eenvoud, transparantie en – vooral – lage kosten. De oervorm is de ‘fysieke’ tracker, die zo nauwkeurig mogelijk een populaire index volgt door de onderliggende effecten in precies dezelfde samenstelling aan te schaffen. Maar de tracker sloeg zo aan dat een vechtmarkt is ontstaan, waarin aanbieders proberen te scoren met steeds weer nieuwe varianten. Gevolg: een wassende stroom trackers die complex, ondoorzichtig en kostbaar zijn. Vooral die staan bij Giegold op het schavot. Voor Jan de Belegger zijn ze niet te doorgronden. Gelukkig bestaat er één eenvoudige kwaliteitsmeetlat voor alle ETF’s, hoe ingewikkeld ook: het verschil tussen hun eigen performance en die van hun index. Dat zou niet groter mogen zijn dan hun lage beheerkosten – doorgaans 0,1 tot 0,5 procent per jaar van het ingelegde geld. De werkelijke afwijking is meestal veel groter en schommelt vaak ook nog eens sterk,

zo constateerde Marcel Tak, ETF-recensent op IEXProfs.nl. Soms tot voordeel van de klant, bijna altijd in diens nadeel. De mogelijke oorzaken zijn legio. De dividendbelasting. Stiekem gebruik van derivaten. Lage spaarrente op een restant kasgeld. Zolang de aanbieders een bevredigende verklaring schuldig blijven, duidt ‘Handelende Tak’ het echte verschil consequent aan als de ‘daadwerkelijke kosten’. De gangbare term in de trackerwereld is de tracking error. Maar daar doelt Tak niet op. Dat is te zien aan de drie indexfondsen van private bank Theodoor Gilissen, die al figureerden in de column over de dividendbelasting. Links op haar factsheets vermeldt Gilissen trots de lage tracking errors: 0,10 procent voor het Noord-Amerika-fonds, 0,17 procent voor het Europa-fonds, 0,64 procent voor het Wereld-fonds. Rechts staan de resultaten van de index naast die van het fonds, na aftrek van alle kosten. De verschillen rechts zijn nooit gelijk aan het verschil links. De tracking error geeft namelijk de ‘standaarddeviatie’ aan, de mate waarin de afwijking van de index schommelt rond zijn gemiddelde waarde. Het is een puur statistisch gegeven. Rechts staan de performance errors. Dat zijn Taks ‘daadwerkelijke kosten’, en alleen die zijn daadwerkelijk relevant voor Jan de Belegger. Een ETF kan een heel hoge tracking error hebben, en toch minimaal afwijken van zijn index. Anders gezegd: een complexe en kostbare, maar goed gerunde ETF kan netto beter presteren dan een simpel dingetje op de AEX. Bij de drie Gilissenfondsen is de performance error bijna altijd lager dan de beheerkosten, tot voordeel van de belegger.