Vrijdag 19 juli 2013: Dirk de Wachter: Pleidooi voor een beetje ongelukkig zijn

Als een kind ontwikkelt in een woordeloze beeldcultuur, dan is het erg moeilijk om als volwassene met de psychiater te spreken. Dan vraag ik als psychiater: hoe is het met u? En kijkt men mij aan, hoe is het met u? Wat een vraag. Ik weet het niet, ik heb geen woorden, ik kan niet spreken. Ik kan alleen maar leuk vinden en ik heb geen woorden om mijn slecht gevoel, mijn ongelukkig zijn te verbaliseren. Ik kan niet ongelukkig zijn. Ik ben erg bezorgd dat de cultuur waar we in leven, die zeer rijk is, op gebied van literatuur, op gebied van kunsten… Kijk rond in dit huis, ik ben een groot kunstliefhebber; die vindt dat wat wij hier gerealiseerd hebben in het westen, zeer kostbaar en mooi is. Ik vind tegelijkertijd dat ons sociale systeem hier in het westen, en ons systeem van solidariteit met zwakkeren uniek is in de wereldgeschiedenis. Maar daar verwaand en hooghartig, pretentieus en zelfgenoegzaam mee omgaan, is een zeer groot gevaar. Het stort rap in elkaar. Het is een heel erg broze dunne laag vernis over het wreedaardige mensensoort, mens. Het is vlug kapot. Onze liberale kapitalistische economie, die ons zeer veel materiële welstand gebracht heeft en ook veel geluk gebracht heeft de voorbije decennia, lijkt mij aan een grens gekomen te zijn. We zitten ergens aan de border van een systeem. In mijn gedachte is een van de problemen van deze maatschappij het obsessioneel bezig zijn met gelukkig zijn. Wij willen zo nodig zo gelukkig zijn, dat is een probleem. Dat is niet meer normaal hoe gelukkig wij willen zijn. Dat er overal boeken liggen van: hoe moet ik gelukkig worden in tien stappen of in vijf stappen. Maar het lijkt alsof het levensdoel gelukkig zijn geworden is en dat is natuurlijk een bijzondere vergissing. Het doel van het leven is niet gelukkig zijn. Ik weet niet wie dat zo uitgevonden hebben, dat is niet zo. Maar onze consumentenmaatschappij lijkt ons dat zo te verkopen en daar kunnen we van alles aan doen. We kunnen daar allerlei wellness weekends voor volgen en cursussen voor volgen en we kunnen daar vooral heel veel voor kopen. Nu zou ik mij wel echt intiem gelukkig moeten voelen, dit soort wagens is zo’n streven. Dit is zo’n droom van vele mensen, alsof dit echt wel het toppunt van succes is. Hier willen we allemaal naar toe. Het is niet zo moeilijk voor de westerse mens om gelukkig te zijn. Het is te koop, het geluk, het schijnbare geluk. Het gaat heel vaak over materieel geluk, over blitse wagens, over zwemvijvers, over mooie villa’s. Het geluk wordt daaraan verbonden. Het blijkt niet zo te zijn, er is weinig correlatie tussen geluk en geld, tenzij in de uiterste vormen. Heel weinig geld maakt ongelukkig en heel veel geld ook. Daartussen is er weinig verschil in geluk en geld. Dit soort wagens toont de Hollywood-norm, die materieel is, die uiterlijk is, het symbool van wat ik heb bereikt en wat ik zelf heb gedaan. Ik heb er voor gewerkt, ik heb het verdiend ook. Het komt mij toe. De illusie van de maakbare mens, dat is de mediocratie. We hebben ook merite, we hebben verdiensten aan het geluk. En de gelukkigen onder ons, die kloppen zich op de borst, die staan vooraan op de speedboot van de snelle maatschappij. Die zijn bruingebrand, omringd door langbenige blondines en zij zeggen: kijk eens, ik heb het zelf gedaan. Mijn geluk is mijn verdienste. Zo gaat dat in die mediocratie. Geluk is een soort van maakbaar iets. Dat is deze maatschappij. Het tweede punt… Geluk is niet voldoende, moest het zo nog zijn, dan zou ik er nog mee kunnen leven. Gelukkig zijn is niet interessant, laat ons dat maar een beetje doen. Maar dat is niet voldoende. Wat wij absoluut willen in deze maatschappij is héél gelukkig zijn. Onwaarschijnlijk gelukkig zijn. Het is nooit goed genoeg, de lat ligt zeer hoog. Hoe is dat gekomen? Waar hebben we die machtige ideeën vandaan gehaald? Dat

is gekomen, langzaam aan, door het afschaffen van het paradijs. Vroeger, als mensen stierven, dan was er na het leven het paradijs en daar waren mensen gelukkig, zo was dat. Dat paradijs is afgeschaft, na dit leven - zeggen wij - is er niks… Dan wel voor sommigen misschien is er na dit leven iets… Maar laten we nu toch maar zien dat we het allemaal kunnen hebben. We zoeken ons geluk niet in de gewone aangename rustige dingen, maar meer en meer in de kicks, in het ongebreidelde, in de snelheid die bijna gevaarlijk wordt. In het risicovolle, in het steeds maar straffer, waardoor ons neurologische systeem uitgeput raakt. Het lijkt alsof we niet meer kunnen gewoon te zijn. Alsof we dit soort gedoe als verslaving kennen. Daar zitten we heel vlug met een probleem want het kan niet altijd snel en wauw zijn. Af en toe mindert het. Als we op een piekervaring zitten, moeten we ook altijd dalen. Bovenop de Mont Ventoux waait het hard en is het koud, we moeten terug naar beneden. Dan staan we daar beneden en dan voelen we ons daar wat onwennig. We zeggen, nu moet ik terug ergens naar boven, ik wil altijd hoog. Hoger en hoger, higher en higher they went. Belang van stilte. Dit is het hart van het jezuïtische Antwerpen. Hier was de contra-reformatie op zijn top. Prachtige plek, wonderbaarlijk prachtige plek. Maar het heeft toch met mijn discours te maken, in de zin van dat ik het principe van de Jezuïten “plus est en vous” wel een mooi principe vindt. Uw talenten waarmaken, zien dat je iets met je leven doet… en nu vrees ik dat het “plus est en vous”- principe in onze wereld ontaard lijkt te zijn, in “plus est pour vous”. De graaicultuur… In plaats van onze talenten te gaan ontwikkelen gaan we zoveel mogelijk graaien in de zakken van anderen. Het succes lijkt te zijn hoe ik anderen kan overvleugelen en hoe ik alle bonussen naar me toe kan trekken. Dit zijn plekken van stilte en van schoonheid, en van traditie en van betekenis, denk ik wel. Deze goddelijke plek is zo anders dan de tijd waarin we nu leven. De ongebreideldheid met welke wij leven, lijkt te doen alsof alles in het nu fantastisch is. Rituelen zijn zeitgebers, zijn manieren om de tijd te structureren. Ik ben een modern mens die ook heel erg geseculariseerd is geworden, maar deze plekken zijn voor mij nog altijd op een of andere manier van belang. Ze hebben op een of andere manier zin. Dat is moeilijk kort te verwoorden, maar dat is toch ergens iets van betekenis. Ik denk dat we dreigen te gaan naar een maatschappij die gekwetst gehecht is. Waar hechting een probleem wordt. Waar mensen niet meer gedijen in een voorspelbaar milieu, waar zij zich kunnen zich vergissen, waar ze kunnen experimenteren met hun opgroeien en waar ze in een soort onvoorwaardelijkheid graag worden gezien. Mensen verliezen hun identiteit. Wie ben ik, waar kom ik vandaan? Wat is dit leven? Dat lijkt erg te schuiven. Onze identiteit is het beeld, is dat hoe we gezien worden in de beeldcultuur, in de reclamecultuur. Onze identiteit is ons brilmontuur. Onze identiteit is onze modieuze kledij. Onze identiteit is dat wat de buitenkant toont en als die buitenkant schuift, door onze gezondheid, door onze economische minder goede situatie, dan verliezen we heel onze identiteit. Gehechte identiteit bestaat uit een soort beworteling, uit een soort vastheid, uit een soort zeker zijn. Dat niet zomaar makkelijk omver geblazen wordt als er een beetje ongelukkig zijn opdaagt. Dat is altijd weer de kern van de zaak. Mensen die slecht gehecht zijn, gaan het erg moeilijk hebben met ongelukkig zijn. Zij gaan door dat ongelukkig zijn onmiddellijk van hun sokkel geblazen worden. Zij gaan ziek worden van een beetje ongelukkig zijn. Hechting is erg cruciaal om wat ongelukkig te kunnen zijn. Het is eigenlijk aan de stedelijke mens, de grootstedelijke mens, Londen, Parijs, Berlijn. Dit is maar een kleine stad. Dat mensen van overal in de wereld samenkomen om het grote geluk te zoeken in de illusie dat ze daar gaan vinden waar alleen maar dromen over spreken. Platteland ontvolkt, mensen vluchten weg van het gewone. Het lijkt alsof in onze cultuur het gewone het meest te vermijden is. We

zoeken naar het speciale, de kicks, het bijzondere, het ongewone, het heel bizarre eventueel. We vinden eigenlijk alleen maar ledigheid. Af en toe zijn er dingen die we niet zo makkelijk kunnen oplossen, dingen die niet zo goed lopen. We verliezen een stukje van onze gezondheid, we verliezen onze jeugdigheid, we verliezen onze geliefden soms. Verlies maakt ons onvermijdelijk wat ongelukkig en dan komt de truc van de psychiater. Wat doen we met ongelukkig zijn? Wij zijn ons brein. Ineens komt daar het brein als verklaring voor het ongelukkig zijn. Aan het gelukkig zijn hebben wij verdiensten, dat doen we zelf. Dat is fantastisch, daar hebben we een bonus voor. Het ongelukkig zijn verdragen we niet en we maken daar de psychiatrie om het ongelukkig zijn een plaats te geven in het brein. Dokter, ik ben zo ongelukkig. En ongelukkig zijn wordt ziek. Daar maakt de psychiatrie dan diagnostiek van. We spreken van depressie, we spreken van persoonlijkheidsstoornissen, dat is de ultieme truc, dat is altijd juist. De borderline persoonlijkheidsstoornis is de ultieme diagnose waarin de ledigheid van het bestaan van de westerse mensen zich doolt. Maar de oorzaak is ons ongebreideld willen gelukkig zijn en we zeggen tegen de psychiater… de psychiater vraagt natuurlijk: hoe is het met u? De meeste patiënten aan wie ik vraag ‘hoe is het met u?’ reageren raar. Wat vraagt die man nu, wat een rare vraag. Die psychiaters zijn toch rare mensen,’ hoe is het met u? Het gaat natuurlijk slecht met mij, anders was ik hier niet. Geef mij een pil en vlug. Dan kan ik mij goed voelen en terug in de wereld doordenderen alsof er niets aan de hand is. De pillenmaatschappij lijkt de prijs te zijn die we betalen om de illusie van het geluk hoog te houden. Het lastige van pillen is dat ze werken, tijdelijk, een beetje. Ze kunnen inderdaad die illusie soms nog wat hoog houden. Ik zie zeer veel succesvolle mensen, niet patiënten, die dankzij deze pillen kunnen doen alsof ze niet patiënten zijn. Het is een merkwaardige paradox. Maar ik zie ook heel veel patiënten, zeer ongelukkige mensen. Mensen die niet meer kunnen volgen met de speedboot maatschappij, met het ongebreidelde geluk en die pillen nodig hebben om hun angsten te bezweren en toch uit de boot blijven vallen. Van jongs af aan, van heel kleine kinderen af, worden wij bij de minst schijnbare afwijking van de norm gediagnostiseerd met allerlei afkortingen. ADD, NLD, MCDD, er zijn veel D’s. Is dat een rare hypothese van een rare psychiater? Kijk naar heel wat epidemiologisch en sociologisch onderzoek dat dat ondersteunt. Er worden onwaarschijnlijk veel pillen genomen in deze wereld. Het lijkt alsof wij niet meer kunnen bestaan in de gelukkige illusie van dat paradijs zonder pillen. Dus wat zegt de verdrietdokter? Ik noem mezelf verdrietdokter, dat is een mooie term vind ik, die mijn dochter mij gegeven heeft toen ze zo groot was. Dan was dat de psychiater, dat kan een klein kind niet goed uitspreken hè. Maar verdrietdokter vond ik een heel mooie term omdat ik haar uitlegde dat ik veel bezig ben met het verdriet van mensen. Dat is ook zo. Dus mijn stelling is: hoe moeten we dat nu oplossen, wat moeten we daar mee doen? Dat is… alstublieft, ik ben altijd beleefd. Laten we alstublieft een beetje ongelukkig leren zijn. Het leren ongelukkig zijn is de sleutel voor een deftig leven. Voor een goed leven. Het doel van dit leven is niet gelukkig zijn want als je dat te obsessioneel doet, dan is dat de koninklijke weg naar het depressieve. Het doel van het leven is een goed leven te leiden. Als je een goed leven leidt, dan gaat daar wel geluk bijkomen. Ik kan u dat beloven. Dat gaat zo zijn. We zijn hier in het Elzenveld, waar een oud ziekenhuis zit. Het is heel mooi dat in het midden van een hectische stad vol verkeer en mensen en toestanden, zo’n stille, rustige plek kan bestaan. Een plek waar zieke mensen een beetje rustig kunnen zijn. Men had tijd. Het grote verschil, zeker in de psychiatrie, is de tijd. Ik wil zeker niet terug naar die tijd waar we eindeloos mensen behandelden, waar mensen eigenlijk hun levens slijten in de tuin van die grote psychiatrische ziekenhuizen. Dat is

absoluut niet de bedoeling om daar terug naar toe te gaan. Maar waar ik toch graag op wil wijzen is op de factor tijd. Dat is iets wat niet meer bestaat in de ziekenhuisvoorzieningen van vandaag. Dus ook de zieken moeten snel verbeteren. Waar ze niet meer de tijd kunnen nemen om rustig wat te wandelen, wat te kuieren. Het lijkt alsof de dag van vandaag, de tijd ook, een economisch gegeven is geworden. Dat zij die het zich kunnen permitteren weer terug in dure wellness oorden kunnen gaan zen boeddhisme beoefenen. Ik wil daar op z’n minst toch een beetje op wijzen van waar zijn we toch mee bezig? Gaan we alleen maar tijd hebben voor mensen die het kunnen betalen? Het is toch merkwaardig, het is nog maar vijftig jaar geleden dat ziekenhuizen functioneerden zoals hier. Dat grote zalen, waarin mensen gezamenlijk ziek waren, soms verschrikkelijk ziek waren. Ziekenhuis is wat dat betreft een metafoor voor de maatschappij die gaat van een soort collectiviteit naar een heel individueel model. Het moet ons doen nadenken vind ik, over het feit dat we ook in de geneeskunde zo aan het individualiseren zijn. Ieder zijn eigen ziekte-tje. Het centrale probleem, het echte concrete, heel erg pregnante probleem zijn wij allemaal. Ik zit, wees daarin gerust, in dezelfde wereld. Het is natuurlijk niet omdat men daarover gestudeerd heeft, en daar boeken over schrijft, dat men los is van de wereld. Erg belangrijk is te weten dat wij allen, ook de psychiaters, in deze wereld zijn. Ook ik dreig mijzelf voorbij te hollen in mijn werk. Ook ik dreig te weinig tijd te maken voor alles waar ik in mijn boek zo fors kan over spreken. Mijn boek gaat over mijzelf, zeg ik altijd. Hoe kunnen we onze kinderen opvoeden, zeggende van: kijk we hebben het hier heel goed, maar toch is het leven af en toe een beetje lastig. Het lijkt mij een van de grote opvoedkundige uitdagingen. In onze verwende, luxueuze materiele maatschappij… Hoe kunnen we aan onze kinderen duidelijk maken dat een beetje tegenslag ook bij het leven behoort? De illusie dat alles fantastisch is lijkt mij echt een van de grote problemen van onze tijd. De eerste stap is besef. Dat is de eerste, maar die stap is al behoorlijk gezet, dat blijkt. De volgende stap is dat ieder voor zich, op zijn manier, in zijn leven kijkt wat hij kan doen om daarin te kantelen. Wij moeten onze kinderen leren dat er beperkingen zijn, grenzen. Dat het af en toe een beetje verdrietig is. Dat af en toe uw hondje sterft en als dat het ergste is als kind dan heb je nog heel veel chance. Want af en toe sterft uw ouder, of een vriendje, of wordt er iemand ziek, of is er iemand gehandicapt, of gaan mama en papa uit elkaar, dat is niet af en toe, dat is heel vaak. Dat maakt verdrietig. Laten we daar woorden voor hebben, laten we zien dat dat kan, dat dat mag en dat dat niet noodzakelijkerwijs een psychiatrische afwijking is alstublieft. Heel veel van ons geluk is door geluk omdat we op de juiste plek geboren worden. Omdat we door onze ouders graag gezien worden, omdat we de goede financiële mogelijkheden hebben om te studeren, om de juiste mensen tegen te komen. Geluk heeft heel veel te maken met, wat ik noem, platte chance.

Dit is een transcriptie van het tv-programma - © NTR - 2013