You are on page 1of 17

Hoofdstuk 16: BOUWCONSTRUCTIES 7

Trappen: bij overbrugging van meer dan 0,21 meter hoogte
-gemakkelijke beloopbaarheid is de belangrijkste eis.

Onderdelen:
1. Trede: Mag niet doorbuigen – Normale trappen: trede 35-42 mm dik
Trappen berder dan 1 m: trede 40-50 mm dik.
2. Wel: Overstek, gedeelte dat overhangt, verbreedt het loopvlak.
3. Stootbord: moet 15-18 mm dik zijn -- Onder de bovengelegen trede
Tegen de achterrand van de lager gelegen trede.
4. Kraakklossen: tegen de achterkant van het stootbord – ter voorkoming van kraken.
Bij krimp stootbord: trede gaat steunen op de kopse vlakken van de
kraakklos (hout krimpt immers alleen in de breedte, niet in de lengte)
5. Open trap: Treden zonder stootborden – ‘Decoratief’ of voor simpele trappen (kelder)
6. Wellat: dient om de naad die kan ontstaan tussen stootbord en trede af te dekken
Moderne trappen: geen wellat meer; -bij multiplex haast geen naadvorming
-dichte trappen worden meestal bekleed
7. Bomen: Trede, stootbord en wellat hierin ‘opgesloten’ in 10 mm diepe sponningen.
Boomdikte is meestal 36-42 mm.
8. Nesten: De indiepingen/inkrozingen/sponningen van de bomen.
9. Voor- en achterhout: tussen voorkant trede en bovenvlak boom. Dikte moet 20-30 mm zijn.
10. Welstuk: de aansluiting van de trap op de vloer van de 1e verdieping.

Leuningen
Muurleuning: Bevestiging: 1. Direct in de muur met keilbouten 1, 2 m afstand
2. Met smetplank, schoner, drager van de leuningdragers.
Vrije leuning: de binnenleuning, met balusters/spijlers op de boom bevestigd.

Eisen Trappen

-Gemakkelijk te belopen
-Degelijk geconstrueerd en ondersteund.
-Ligging trap centraal in het gebouw.
-Goed verlichte plaats.
-Veilig gebruik trap is gewaarborgd.
-Op de klimlijn moeten alle aantreden even groot zijn.
-Brandwerendheid moet minimaal 20 minuten zijn.

Afmetingen: -minimum breedte 0,8 m.
-minimum vrije hoogte 2,1 m (2100 mm)
-vrije vloeroppervlakte op de bovenste trede 0,8 x 0,8 m
-minimum breedte tredevlak 0,05 m.
-minimum breedte op de klimlijn 0,23 m.
Traphelling: O = Optrede – afstand van bovenkant trede tot bovenkant trede
Mag niet groter zijn dan 0,21 m.
A = Aantrede – afstand van voorkant stootbord tot voorkant stootbord
Mag niet kleiner zijn dan 0,21 m.
Vb1= grote A en kleine O is een flauwhellende/luie trap
Kleine A en grote O is een steile trap

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 1
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Hollandse Trapformule: 2 x O + A = 570-700 mm

Plattegrond: De pijlpunt wijst altijd naar het hoogste punt van de trap.
De voorkanten van de treden worden met doorgetrokken streep getekend.
Tredevlak = aantrede + wel (tenminste 0,05 m)

a. Rechte steektrap = alle treden staan onder een hoek van 90º op de boom gelijke grootte.
Makkelijkst te belopen, eenvoudigst te maken, maar vraagt veel ruimte
b. Rechte steektrap met bordes = als a, maar met bordes (rustpunt)
in grote gebouwen, na het bordes 180º gedraaid.
c. Scheluwe trappen = geringe ruimte onder aan de trap, onderste treden worden dan wat
schuin geplaatst (enkele is alleen onder schuin, dubbel, dan ook boven)
d. Trappen met één kwart = bij onvoldoende ruimte voor de uitloop de laaste treden
evenwijdig aan de gang of overloop plaatsen.
e. Trap met twee kwarten = nog minder ruimte beschikbaar in de plattegrond, na-oorlogs.
Vraagt weinig ruimte, maar de beloopbaarheid is minder goed.
f. Spiltrap = neemt van alle trappen de minste ruimte in – buitenboom bijv. cirkelvormig.
Traptype vaak als open trap (variaties bijv. Wenteltrap of Engelse trap)

Verdrijven van treden: voorkanten van de treden in het rechte deel geleidelijk laten verlopen
van schuin naar haaks op de boom. Van binnen naar buiten verschilt
de breedte sterk!

Bijzondere trapvormen
Open trap: zonder stootborden. Vaak als trap naar de verdieping in duurdere woningen.
Nadelen: warmteverlies naar boven, geluidshinder – Liever een extra deur.
Keepbomen: de treden rusten op trapsgewijze uitgekeepte bomen
Spiltrap: de spil is vaak een stalen buis met aangelast T-profiel, geen muurboom nodig.
Schuiftrap: voorzien van mechanisme, wegschuifbaar via een plafondluik

Stenen & Stalen Trappen
Buitentrappen: vaak van steenachtig materiaal.
Vluchttrappen: vaak een open trap van verzinkt staal – treden in roostervorm/geperforeerd.
Stenen trappen: vaak van prefab-elementen of in het werk gestort wapen-beton (+bekleding!)
Natuursteen: alleen harde, stroef blijvende soorten – Bijv. gneis, kwartsiet, basaltlava.
Vorm treden: bij stenen trappen geen of nauwelijks een wel nodig.

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 2
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Schoorstenen & Kanalen
Verbranding en verbrandigsgassen
Factoren verbranding: 1. Aanwezigheid brandbare stof.
2. Voldoende zuurstof.
3. Voldoende hoge ontbrandigstemperatuur.
Onvolledige verbranding: te weinig zuurstof, onstaat dan koolmonoxide (giftig)

NOx = Stikstofoxiden
CO = Koolmonoxide
CO2 = Kooldioxide/Koolzuurgas
H2O = Waterdamp

Schoorsteentrek
Windtrek: er ontstaat onderdruk in de schoorsteen door de lucht die er overheen blaast
Rookgassen worden zo uit de schoorsteen ‘gezogen’ (onzekere factor)
Thermische trek: gevolg van het verschil in volumegewicht van de rook en de buitenlucht
- VR-Ketels (verbeterde rendementsketel) = terugwinning van warmte uit de gassen
- HR-Ketels (hoogrendements ketels) = nog meer terugwinning van warmte uit de gassen

Uitmonding: volgens het BB moet deze voldoende boven het dak uitsteken (min 0.5 m)
De nadelige gevolgen voor de trek moeten uitgebannen worden
Shuntsysteem: prefab-elementen – een moederkanaal met ernaast meerdere zijkanalen
De zijkanalen voeren de lucht naar het moederkanaal

Brandveiligheid
WMDBO = Weerstand Bieden tegen Branddoorslag en Brandoverslag
De eisen voor brandveiligheid hebben alleen betrekking op de bouwkundige aspecten.
-aanwezigheid van rookmelders, blustoestellen e.d. kunnen niet op grond van het BB worden
geëist (dienen via Gemeentelijke voorschriften geplaatst te worden)

Doel Brandveiligheidseisen: -Behouden bij brand van voldoende constructie
-Voorkomen van het ontstaan van brand.
-Beperken van ontwikkeling + uitbreiding van brand en rook
-Veilig kunnen vluchten
-Het efficient kunnen bestrijden van brand
Tijdsduur & Weerstand: -Vloer = 20 min
-Trap = 20 min
-Hoofddraagconstructie woning buiten gebouw = 60 min
-Hoofddraagconstructie woning binnen gebouw = 90 – 120 min.
Branduitbreiding: -Doorslag = is branduitbreiding anders dan via de buitenlucht
-Overslag = is branduitbreiding naar een ander ruimte via de buitenlucht

A. Zelfsluitende deur =

B. Zelfsluitende deur aan één
zijde brandwerend bekleed =

C. Zelfsluitende deur aan twee
zijden brandwerend bekleed =

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 3
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Beperken van Rook
Optische dichtheid: maat voor de doorlatendheid voor lucht van een bepaald ‘medium’
Toelaatbare rookdichtheid: afgeleid van de optische dichtheid, vroeger rookgetal.
Rookcompartimenten: brandcompartimenten moeten soms in rookcompartimenten zijn
onderverdeeld. Loopafstand: -max. 30 m bij dragende muren
-max. 20 m bij niet-dragende muren
Vluchten bij brand
Eisen Vluchtweg BB: -WBDBO van vloeren 20 minuten
-WBDBO van scheidingsconstructie tussen ruimten 20 minuten

Bestrijden van brand
Eisen aanwezigheid: -Onderlinge afstand droge blus- of stijgleidingen hoger dan 20 m.
-Pomp voor de blusleiding voor ruimten hoger dan 50 m boven straat.
-Speciale eisen voor gebouwen hoger dan 70 m (slanghaspels etc)

Draagbare blustoestellen: snelblussers of brandblusapparaten P = bluspoeder (meestal soda)
K = Koolzuursneeuw
Vaste blustoestellen: dienen om het begin van een brand met water te blussen. Bekendste:
-Muurbrandkranen = tapkranen van forse afmetingen
-Slanghaspels = tegen de muur geplaatste trommels met rubberslang
-Sprinklerinstallatie = meestal gevuld met water, behalve bij vrieskou.
Droge stijgleidingen: gebruikt in gebouwen waar het te hoog is voor de brandweerslangen

Bouwdelen
Wanden: dikke steenachtige wanden en gipsblokken hebben de meeste brandweerstand.
Deuren: zelfsluitend of één/twee zijdig brandwerend bekleed. Glas met draadglas is veiligst
Daken: dakpannen of leien geven weinig problemen. Bij Riet, bepaalde afstand erfafscheiding

Hoofdstuk 17: BOUWFYSICA 1

Bouwfysica: deelgebied van de natuurkunde dat zich bezig houdt met alle natuurkundige
verschijnselen die van invloed zijn op: -Behaaglijkheid in de gebouwde omgeving
-Energiehuishouding
-Bewoonbaarheid van gebouwen i.v.m. gezondheid
-Duurzaamheid gebouwen (investering/onderhoud)

Verschijnselen verdeeld in: -Warmte
-Vocht
-Geluid
-Licht
-Luchtverversing

Doel van berekeningen: 1. Voorspellen vh bouwfysisch gedrag van materialen
2. Vergelijken bouwfysische waarde van materialen/constructies

Eenhedenstelsel
1. Metrieke stelsel = meter is de lengte-eenheid, gram is de massa-eenheid
2. MKS-Stelsel = Meter-Kilogram-Seconde-stelsel, seconde werd de tijds-eenheid
3. SI-Stelsel = Systeme International d’Units, verder uitwerking SI-stelsel in 1960.

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 4
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Temperatuur: 0 K(kelvin) = -273,16º C, het absolute nulpunt
º C = K –273,16 of K = 273,16º

Symbool Benaming Eenheid
F kracht Newton (N)
P druk pascal (Pa)
W of A arbeid joule
P vermogen, energie watt (W)

Hoeveelheid warmte: warmte is een vorm van energie (=arbeid) dus de hoeveelheid wordt
aangegeven met de eenheid joule (J). Een joule is de hoeveelheid
warmte die nodig is om 0,24 gram water 1 ºK te doen stijgen.
Vermogen: prestatie per tijdseenheid = mechanisch vermogen (P)
De verbruikte energie is daarvoor watt (W) en 1 W = 1 j/s
1 Ws = 1 joule en 1 kWh(kilowattuur) = 3.600.000 J.

Warmtetransport
Warmte is een vorm van energie. Verkregen: zonne-, wind-, water- of kernenergie of door
verbranding van steenkool, hout of aardgas

Wet van Behoud van Energie: totale hoeveelheid J blijft gelijk; onttrokken/overgedragen

Warmteoverdracht
1. Stroming of convectie: hier is een warmtetransporterend medium voor nodig
2. Geleiding of conductie: metalen staaf in een vlam – warmtegeleidingscoëfficiënt
3. Straling of radiatie: alle lichame met een temperatuur boven O K zenden warmtestraling

Warmtestroom (Φ)
Constructies dienen zo weinig mogelijk warmte doorlaten/energie verliezen.
Φ = fie is de totale hoeveelheid warmte die wordt afgegeven

Warmtestroomdichtheid (q)
Hoeveelheid warmte die per m² wordt afgegeven, uitgedrukt in W per m²

Warmtestroom (Φ) = warmtestroomdichtheid (q) x oppervlakte in m² (F)

Warmtestroomdichtheid is afhankelijk van twee factoren:
1. Temperatuursverschil (∆T – delta T), tussen de warme/koude zijde van een constructie.
2. Weerstand (Rc), die een constructie biedt tegen het doorlaten van warmte

Warmtestroomdichtheid van een laag is temperatuursverschil (∆T)
Warmteweerstand

Voor Rm van een materiaallaag zijn twee factoren bepalend
1. Mate waarin materiaal warmte doorlaat/geleidt: warmtegeleidingscoëfficient (λ lambda)
2. De dikte van het materiaal

Vb 1: naarmate de lambda groter is wordt, bij gelijke dikte, meer warmte doorgelaten
Vb 2: naarmate de dikte groter is wordt, bij gelijke lambda, minder warmte doorgelaten

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 5
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Warmtegeleidingscoëfficiënt (λ lambda) geeft aan hoeveel warmte-energie er door een
materiaallaag met een dikte van 1m (oppervlakte van 1 m2) en een temperatuurverschil tussen
de beide oppervlakken van 1 K stroomt.

Materiaal λ (W/m●K)

Koper 390,000
Aluminium 237,000
Grindbeton 1,9 – 1,4
Metselwerk 0,700
Glas 0,930
Naaldhout 0,140
Stilstaande lucht 0,024

Warmteweerstand van materiaallagen (voorbeeld)

1. 180 mm beton λ = 1,900 W/m●K

Rb = 0,180 / 1,9 = 0,095 m²●K/W

13 mm hout = 180 mm beton
3600 mm beton = 76 mm PS-schuim

Warmteweerstand van de constructie = Rc
Warmteweerstand van de materiaallagen = Rm

Rc = Rm1 + Rm2 + Rm3 etc.

Luchtlaag in een spouw: ook als materiaallaag gezien, mits kleiner dan 10 mm.
NEN 1068 = vaste waarde van Rsp = 0,17 m²●K

Verblijfsgebieden/toilet/badruimte tenminste: Rc = 2,5 m²●K/W

Voor het ontstaan van warmtestroom temperatuurverschillen tussen:
1. Lucht en oppervlaktetemperatuur binnen (Ti en T-io)
2. Oppervlaktetemperatuur binnen en buiten (T-io en T-eo)
3. Oppervlaktetemperatuur en luchttemperatuur buiten (T-eo en Te)

Warmtedoorgangscoëfficiënt
Gebruikt bij de berekening van een wartestroom, symbool U of k. Dit symbool geeft het
aantal joules dat per seconde en per m² bij een verschil in temperatuur tussen binnen en buiten
van 1 K door een constructie gaat aan.

Warmtedoorgangscoëfficiënt U = 1
R1

Voorbeeld 1: een lage U- of k-waarde betekent en goede thermische isolatie.
Voorbeeld 2: een lage Rl waarde betekent een slechte thermische isolatie

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 6
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Warmtestroomdichtheid: hangt af van het temperatuursverschil aan beide zijden van de
scheidingsconstructie delta-T en U.

Formulevorm: q = U x ∆T

Gasbesparing: voor de berekening van de gasbesparing die wordt bereikt bij de verlaging van
de waarde U wordt met de volgende formule gewerkt:

G = bc x U x ∆T

G = gasbesparing per m2/jaar
Bc = besparingscoëfficiënt (10-13)

EPC = Energieprestatiecoëfficiënt &
EPN = Energieprestatienorm

Factor: de verhouding gebruiksoppervlakte / oppervlakte uitwendige constructie
Schiloppervlakte: warmteverliesgevende buitenoppervlakte
Energieprestatie: naast eisen voor de Rc-waarde, ook eisen in het BB voor de energieprestatie

Warmteaccumulatie: het vermogen tot het opnemen/vasthouden van warmte door materialen
Zware materialen kunnen dit beter dan lichte.
Zware constructie = kleine temperatuurschommelingen maar lange opwarmtijd.
Lichte constructie = sterke temperatuurschommelingen maar korte opwarmtijd.

Plaats van de Isolatie:
-Isolatie aan de warme zijde = er is weinig warmte nodig om een ruimte op temperatuur te
laten komen (korte opwarmtijd), maar minder warmteaccumulatie.
-Isolatie aan de koude zijde = vooral gebruikt bij woonhuizen, kantoren, ziekenhuizen.
De wanden hebben een groot accumulerend vermogen/lange opwarmtijd (1 x p. stookseizoen)

L.U.C. = lineaire uitzettingscoëfficiënt (∂); het aantal millimeters dat 1 meter van het
materiaal bij een temperatuurwisseling van 1 °k van lengte verandert.
-Aluminium zet 5 x zoveel uit als baksteen.
-Gewapend beton zet 2,5 x zoveel uit als metselwerk in baksteen.
-PS-schuim zet 14 zoveel uit als baksteen.

Koudebruggen
Als in een uitwendige scheidingsconstructie met een goede warmteweerstand een onderdeel
voorkomt met een veel kleinere warmteweerstand! Vb. Dakranden, betonlateien, stalen kolom
Gevolgen: kleine warmteweerstand onderdeel betekent een groot warmteverlies, ook voor de
omringende bestanddelen want er wordt warmte onttrokken.

Oppervlaktecondensatie: oppervlaktetemperatuur aan de binnenzijde van een uitwendige
scheidingsconstructie ter plaatse is lager dan een aansluitend onderdeel.

Voorkomen koudebrug: buiten/binnnenconstructie scheiden door een doorlopende isolatielaag
Voor kozijn- en raamprofielen zijn er ´geisoleerde profielen´

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 7
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Vocht en vochttransport

Woonvocht: de waterdampproductie als gevolg van activiteiten binnen de woongebouwen.
Bijvoorbeeld –vochtafgifte door mensen, koken, wassen, zwembad, dieren, douchen.
Condensatie: is het verschijnsel van nat worden in dampvorm of waterdruppels

Waterdampconcentratie (c): de officiele eenheid is kg/m3, maar meestal g/m3.
Absolute vochtigheid(c): als in een afgesloten ruimte veel water verdampt, opgenomen.
Verzadiging: wanneer de lucht geen waterdamp meer in gasvorm maar in druppels opneemt.
Het verzadigingspunt hangt af van de luchttemperatuur
*Hogere temperatuur, lucht kan meer waterdamp bevatten en omgekeerd.
Maximaal mogelijke waterdampconcentratie = cs

Relatieve luchtvochtigheid (R.V.): de verhouding tussen de absolute luchtvochtigheid en de
maximaal mogelijke waterdampconcentratie. Symbool fie.

Dauwpunttemperatuur: het moment waarop er oppervlaktecondensatie optreedt.
Waterdampspanning: i.p.v. waterdampconcentratie in g/m3 aan te geven.

Ventilatie: meesal is de absolute vochtigheid binnen groter dan buiten. Er dient dan
geventileerd te worden zodat de R.V. stijgt en de absolute luchtvochtigheid daalt.
Vochtbalans: aangevoerd vocht + geproduceerd vocht = afgevoerd vocht

Diffusie: vochttransport als gevolg van verschil in waterdampconcentratie aan beide zijden
van een constructie. Transport van de hoogste naar de laagste concentratie. Kan alleen
plaatsvinden in lucht of in een poreus materiaal. Factoren: dikte materiaal(laag).

Condensatie: treedt op als de absolute waterdampconcentratie (c) groter is dan de maximaal
mogelijke waterdampconcentratie (Cs).

Dampremmende laag: een dunne laag materiaal met zeer grote diffusieweerstand.
Moet altijd aan de warme zijde van het isolatiemateriaal zitten.
Thermische isolatie: aan de binnenzijde betekent grote temperatuurdaling in de muur.
Dit kan condensatie betekenen, dus een dampremmende laag!
Aan de buitenzijde betekent dat de muur voldoende warm blijft.
Aan de buitenzijde v/d muur moet een waterkerende pleisterlaag.
F-Factor: een onbenoemd getal dat de verhouding aangeeft tussen de buiten- en
binnenoppervlaktetemperatuur --- Gezondheidseisen uit het Bouwbesluit.

Spouwventilatie: totale vochtverlies in een gemiddeld woonhuis is 95 % door verdamping en
maar 5 % door het ventileren van de spouwen! Baksteen heeft buffer.

Isolatie op het dakbeschot (warmdak): isolatie aan de koude zijde voorkomt condensatie.
Isolatie onder het dakbeschot (kouddak): goede dampremmende laag noodzakelijk.
Kouddak van hout: isolatie tussen de balklaag, oude huizen. Erg kwetsbaar, slechte ventilatie!
Kouddak van beton: ´parasoldak´. Dampremmende laag onnodig door de betoneigenschappen
Warmdak van hout: dampremmende laag om blaasvorming in de dakbedekking te voorkomen
Omgekeerd dak: vaak gebruikt bij renovatie. Waterdichte laag in de dakconstructie.

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 8
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Hoofdstuk 18: BOUWFYSICA 2

Ventilatie/Luchtverversing
Ventialtie = afvoer van gebruikte lucht en aanvoer van een gelijke hoeveelheid verse lucht.
Ventilatie dient er daarnaast ook voor om het woonvocht af te voeren!
Bouwbesluit: ventilatie verplicht in een –verblijfsgebied, -verblijfsruimte, -toilet, -badruimte.

Vangnetbepaling: ook na wijziging van de indeling van de plattegrond voldoende ventilatie.

Natuurlijke ventilatie = zonder ventilator, door het openzetten van een raam bijvoorbeeld.
Mechanische ventilatie = met behulp van een ventilator (geluidsniveau niet hoger dan 30 dB).

Systeem C (Mechanische afvoer en natuurlijke toevoer) wordt het meest gebruikt in woningen

BOUWMATERIALEN 7

Kunststoffen
Moleculen: kleinste deeltjes waarin een stof kan worden verdeeld met behoud van zijn
eigenschappen. Deze bestaan weer uit een aantal atomen van dezelfde soort

Fabricage van kunststof berust op het vervormen van macromoleculen (gekoppelde micro-
moleculen) en vaak ook het daarbij wijzigen van de samenstelling van de moleculen.
Monomeren: de moleculen van de grondstof voor kunststoffen.
Polymerisatie: het samenvoegen van de moleculen tijdens het fabriceren van kunststof.

Afbeelding 1a Afbeelding 1b Afbeelding 1c

Thermoplast: de stof die uit ketenvormige moleculen is opgebouwd zal bij verwarming gaan
verweken (plastisch worden) omdat de ketens dan langs elkaar kunnen glijden. Afbeelding 1a.
Elastomeer: rubberachtige stof, wanneer de ketens op relatief grote afstanden chemisch met
elkaar verbonden zijn. Hoe meer koppelingen er zijn, hoe minder de stof kan verwerken. 1b.
Thermoharder: harde en vaak broze stof. Ruimtelijke roosterstructuur. De moleculen zijn
dicht op elkaar gestapeld. 1c. Worden vaak vezels toegevoegd om de structuur te verbeteren.

Gunstige eigenschappen Kunststoffen: -Lage volumieke massa
-Lage productiekosten
-Gemakkelijke vormgeving van de producten
-Grote weerstand tegen vele aantastingen
-Goede weers- en warmteweerstand
Ongunstige eigenschappen Kunststoffen: -Vaak niet bruikbaar bij hoge temperaturen
-Brandbaar, rookontwikkeling, giftige gassen.
-Grote l.u.c, vij keer zo groot als van staal.
-Moeilijk te hergebruiken.

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 9
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Zelfdovend: betekent niet dat de stof onbrandbaar is of een brand dooft door de stof, maar wel
dat de verbranding stopt als de hittebron wordt weggenomen. Stof produceert onvoldoende
hitte

Fasen Thermoplasten bij hitte: -glasachtig (hard en bros) – ramen van kunststof
-rubberachtig (taai, buigbaar) – tuinslangen, isolatie
-Vloeibaar (platisch vervormbaar)
-Gasvormig (ontleden, verbranden)

PVC = Polyvinylchloride – 3 soorten in de handel, hard, zch en slagvast PVC.
Goed lijmbaar, brandt moeilijk, bij verbranding komt chloorgas vrij.
PE = Polyetheen. – 2 soorten in de handel, zachte LDPE en harde soort HDPE.
LDPE gebruikt voor folies, slangen. HDPE voor rioolbuizen.
PP = Polypropeen, fabricage milieuvriendelijker dan PVC + recyclebaar. Bekersifons.
PS = Polystyreen, harde maar brosse kunststof. CD-doosjes.
PMMA =Polymethylacrylaat, beter bekend als perspex. Duurzaam en weerbestendig.
PA = Polyamide, beter bekend als nylon. Deurkrukken, scharnieren e.d.

Thermoharders: kunnen bewerkingen als boren goed doorstaan. Kant en klare producten.
Vernette polymeren: hebben geen rubberachtige eigenschappen en worden daarom
vermengd met een harder. Polyesterhars is een vernette polymeer.

I. Constructiedelen: aansluitstroken kozijnen van PVC of PE. Dampremmende folie van PE.
II. Componenten: ramen/kozijnen/dakkapellen van slagvast PVC. Lichtkoepels van perspex.
III. Oppervlakteafwerking: gevelbekleding van PVC/PMMA. Leuningen van PVC.

Kunststofschuimen
Open celstructuur: kan gas en vocht doorlaten en we kunnen het als een spons gebruiken.
Gesloten celstructuur: minder samendrukbaar en kan weinig/geen vocht opnemen.
Echt schuim: elke holte heeft een eigen omhulling met een zeer nauwe spleet ertussen (zeep)
Onecht schuim: de holten zijn als het ware ´uitsparingen´ in de massa, wand is één laag.
Dichtheid: de grootste dichtheid heeft dus onecht schuim met een gesloten structuur.
In Situ: grondstoffen worden met het schuimmiddel en andere chemische stoffen in de te
isoleren ruimte gespoten. De ruimte wordt gevuld met schuim.

Geëxpandeerde materialen: korrelachtige materialen, snel verhit – popcorn-effect.
1. Klinkerisoliet: speciale kleisoorten. Poreuze korrels met luchtgevulde cellen (500 kg/m3).
2. Hollith: zoals klinkerisoliet, maar gemaakt van kolenafval en slib. Grijze kleur.
3. Vermiculite: micahoudend gesteente. Grijswit, volumieke massa van 100-600 kg/m3.
4. Perliet: geëxpandeerd vulkanisch gesteente. Massa van 900 kb/m3.

Lage warmtegeleidingscoëfficiënt = hoge warmte-isolerend vermogen

Geëxpandeerde korrels: harde PS-korrels, snel verhit. Na-isolatie van spouwmuren.
Geëxpandeerde plaat (EPS): korrels nogmaals in expansieproces, maar dan in vormen.
Geëxtrudeerde plaat (XPS): vloeibaar PS mengen met een schuimmiddel. Drukvast.

PUR-schuim: 2 componenten, hars en hardercomponent. Onecht schuim wit tot grijs.
PF-schuim: oranje tot donkerbruin schuim. Stevig maar bros, neemt veel water op.
UF-schuim: open celstructuur. Laagste isolatiewaarde. Isolatie van daken, leidingen, spouwen

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 10
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Hoofdstuk 19: BOUWCONSTRUCTIES 8

Constructies in gewapend beton.

NEN 6700: ´grondwet´ voor de berekening van Bouwconstructies
GBV 1912: Gewapend Beton Voorschriften 1912
TGB 1990: Technische Grondslagen voor Bouwconstructies – Algemene Basiseisen.
NEN 6720: Voorschriften Beton.
VBT 1986: Voorschriften Beton Technologie.
VBU 1988: Voorschriften Beton Uitvoering

Verantwoordelijkheid Beton Constructies: (hoofd)constructeur, of zijn vervanger.

BETON
Samenstelling: beton is een composietmateriaal – de eigenschappen van de samgengestelde
delen bepalen de eigenschappen van het beton als zodanig bepalen.
Skelet: zand- en grindkorrels vormen het skelet, de samenhang.

Classificaties volgens het VBU:
*Naar volumieke massa - Lichtbeton is 2000 kg/m³
- Normaal beton is 2000-2800 kg/m³
-Zwaar beton is 2800 kg/m³ of meer.

*Naar sterkteklasse -B5, B15, B25, B35, B45 en B55 (cijfer is druksterkte in N/mm²)
De nauwkeurigheid vd druksterkte moet minder dan 5 % zijn

*Naar milieuklasse -Klasse 1,2,3,4 en 5 (a, b, c en d)
-Droog, vochtig, vochtig + zout, zeewater, agressief.

*Naar consistentiegebied -Klasse 1, 2, 3 en 4
-Aardvochtig, halfplastisch, plastisch, vloeibaar.

Vervaardiging:
Gewapend beton vroeger 1 deel cement, 2 delen zand, 3 delen grind.
KOMO-keurmerk: uitsluitend beton verwerken met dit keurmerk van de Ned. Beton Verenig.

Betonsoorten
1. Vloeibeton: consistentie is half-plastisch of plastisch (toevoeging van plastificeerder).
2. Vezelversterkt beton: staal´vezels´ die vermengd worden met de betonspecie. Sterk.
3. Schuimbeton: fijn zand, cement, water en een speciaal schuim. Massa van 500-1600 kg/m3.
4. Vloeistofdicht beton: fijn en grof toeslagmateriaal + hulpstoffen. Vloeren benzinestations.
5. Stampbeton: schraal betonmengsel, laag cementgehalte. Sterkteklasse. B15.
6. Krinloop- of granulaatbeton: slooppuin, breken en zeven. Geen hoge eisen stellen aan beton

Betonstaal
Handelsvormen: *Gladde staven in de soort FeB 220.
*Geprofileerde staven in de soort FeB 500, met ribbels voor hechting.
*Gepuntlaste wapeningsnetten/matten in de soort Feb 500.

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 11
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Tijdstip ontkisten: *beproeven met een proefkuben.
*Terugslaghamer
*Meting met geluid met hoge frequentie.
Verhardingstermijn: 3, 2 of 1 dag voor niet-dragende bekistingsdelen.
8,5, of 3 dagen voor dragende bekistingsdelen en balken van 3 meter.
20, 10 of 6 dagen voor alle overige gevallen

Betondekking: de afstand van de wapening naar de buitenkant/buitenlucht.
Te kleine betondekking betekent onvoldoende bescherming/roest.
Afstandhouders: die houden de wapening stijf om verschuiven te voorkomen.
Vergroting dekking: voor plekken in het beton waar er extra brandgevaar is.

Wapening Beton
Hoofddoel: het opnemen van trekkrachten die als gevolg van doorbuiging ontstaan.
Hoofdwapening: komt altijd aan de bolle zijde bij doorbuiging.

Wapening van een vloer die op
twee tegenover elkaar staande muren is opgelegd
in de vloertekening op de bestektekening vaak zo:

Kruiswapening: staven van de hoofdwapening kruislings gelegd, geen verdeelwapening.
Buigstaten: voorbedrukte vellen papier, waarop alle wapeningsgegevens zijn vermeld.
Vlechten: het zo nauwkeurig mogelijk op de tekeningen aangegen plaatsen en in de
aangegeven vormen aanbrengen van de wapening. Verschuiving voorkomen.

Stramienlijnen: corresponderende lijnen van het hart en de balken op de plattegrond.
Vloermerken: bij meerdere vloerniveau´s de gegevens in cirkeltjes plaatsen.

• Buitenste laag, bovenin ►

• 2e laag van buiten, bovenin ►

• 2e laag van buiten onderin ►

• Buitenste laag, onderin ►

De driehoek wijst naar het hart van het constructiedeel.
Het aantal driehoekjes geeft aan in welke laag van buitenaf gerekend de staaf zich bevindt.

Staalconstructies

Gunstige eigenschappen staal: *Goede opnamen van trek-, druk- en buigkrachten.
*Zowel warm als koud vervormbaar
*Veel beschikbare profielen
Ongunstige eigenschappen staal: *Materiaal wel onbrandbaar, niet echt brandveilig
*Noodzakelijk om staal te beschermen tegen corrosie.

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 12
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Vorm van Staalprofielen
Kolom: vooral voor grote, verticaal naar beneden gerichte drukkrachten.
Verhouding doorsnede/lengte mag niet te groot zijn, anders kan het gaan knikken.
Balken: H-, I- of U-vormige doorsneden. Kracht halverwege de balk is 0!

Systeemlijnen: denkbeeldige lijnen die bij symmetrische profielen samenvallen met de
hartlijn en bij andere profielen met de zogenaamde zwaartelijn.

SKELETBOUW

Stapelbouw: de muren van de eerste bouwlaag worden op de fundering gestapeld
De muren van de tweede bouwlaag op de fundering van de 1e etc.
De onderste muren dienen dus een groot draagvermogen te hebben.
Functies: de muren hebben dus zowel een dragende als een scheidende functie.

Functiesplitsing: hierbij kunnen wel verschillende materialen worden toegepast
Voor de draagfunctie bijvoorbeeld staal/beton.
Voor de buitenbekleding plaatmateriaal van aluminium/glas/steen.
Skeletbouw: bij deze vorm van bouwen is de functiesplitsing helemaal ver doorgevoerd.
Utilitietsbouw: meer mogelijkheden omdat de wanden slechts een scheidende functie hebben.
Vakwerkbouw: stelsel van houten stijlen en balken vormt een draagconstructie en de lemen
of gemetselde muren daartussen vormen de scheidende functie.

Bij skeletbouw worden zowel de verticale krachten (eigen gewicht, belastingen) als de
horizontale krachten (wind) door het skelet opgenomen.

Stabiliteit
Wordt verkregen door:

1. Het toepassen van portalen met stijve hoek 2. Het maken van windverbanden

3. Combinaties van de genoemde mogelijkheden

Vulling skelet: moeten zijn verankerd.
Vliesgevel: in de moderne bouw wordt er een gevel
voor de skeletstructuur ´gehangen´

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 13
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Materialen van het Skelet
Gewapend beton: een skelet van gewapend beton kan in het werk worden gestort.
HSB = Houtskeletbouw: vindt vooral in de woningbouw plaats
SKB = Staalskeletbouw: wordt het langst gebruikt als skeletbouw (Empire State Building).

Wanden:gipskartonplaat ter geluidsisolatie, steenwol zonder cachering
Vloeren: begane grond is meestal beton, aansluitend op de fundering van beton. Soms hout.
Als verdiepingsvloer meestal prefab-elementen van balkhout met triplexplaten.
Aan de onderzijde komen plafonds van gipskartonplaten.
Dak: van en HSB-woning als gordingenkap, sporenkap of volledige doosconstructie.

Stabiliteit: het hsb-casco wordt stabiel gemaakt door vormvaste vloer- en wandelementen.

Staal: zowel geschikt voor grote overspanningen, zware constructies als lichte.
Gunstige eigenschappen: gering gewicht, hoog draagvermogen, makkelijke te hanteren.
Ongunstige eigenschappen: bij brand snel sterkteverlies, anti-corrosie-behandeling.

Maatregelen brandveiligheid: *het bekleden van de staalconstructie.
*het inpakken van het staal in metselwerk.
*het behandelen met verf die schuim vormt bij hitte.
*het vullen van de buisprofielen met water.

Beton: goede mechanische eigenschappen, goede brandwerendheid, vochtwerend vermogen.

Hoofdstuk 20: BOUWCONSTRUCTIES 9

Stukadoorwerk = het aanbrengen van pleisterlagen op een draagconstructie.
Doel: *Het verkrijgen van een vlak op gestructureerd oppervlak (estetische redenen)
*Het beschermen van de ondergrond.
*Het verkrijgen van een glad oppervlak om hygiënische redenen.
*Het verbeteren van de bouwfysische omstandigheden

Mortelspecies
Bestanddelen: -Bindmiddelen: cement, kalksoorten of gips (gips + cement nooit samen)
-Zand: fijn, gezeefd berg- of duinzand (zilverzand)
-Toeslagstoffen: kleurstoffen, geluidsabsorberende materialen
-Hechtmiddelen: voor pleisterlagen op dichte ondergronden (betonwand).

Vochtdoorslag: de samenstelling van de specie moet dit tegengaan (zand + cementsoorten)
Aanduiding: STABU – P (pleisterwerk) gevolgd door een romeins cijfer (I tot VIII).

Uitvoering normaal Stukadoorwerk:
1. Gereedmaken ondergrond (grove oneffenheden verwijderen, oude pleister afbikken).
2. Uitlijnen grote wanden en plafonds (doel: het maken van voldoende laagdikte).
3. Aanbrengen van een hecht- of vertinlaag (indien nodig).
4. Het berapen van de vlakken (‘in het ruw zetten’).
5. Aanbrengen van de afwerklaag.

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 14
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Samenstelling specie: 1 deel kalk : 6 delen zand : 1 deel cement : 5-8 delen kalkspecie.

Kalkspecie = kalkcementspecie
Blauw pleisterwerk: om wanden behangklaar te maken over de raaplaag kalkipspleister
Wit pleisterwerk: een laag kalkgipsspecie zodanid dik dat er glad/vlak kan worden gepleisterd
Cementpleisterwerk: aangebracht als men een glad oppervlak met veel weerstand wil.
Witschuurwerk: fijn schuurwerk, eindafwerking met een ruwe oppervlaktestructuur.
Cementschuurwerk: bevat vrij veel cement en minder kalk, bij witschuuwerk andersom.
Muurbeschermers: verzinkt stalen hoekbeschermers, beschermen de hoeken

Tegelwerken
Tegelzetten: ruwe ondergrond, dan een 10 mm dikke laag specie aanbrengen.
Tegenwoordig altijd met tegellijm (cement, fijn zand en hulpstoffen).

Indelinge tegelvlakken:
1. Zo min mogelijk stroken van minder dan ½ tegel ontstaan
2. Tegels moeten symmetrisch worden ingedeeld.
3. Gesneden tegel moet zo min mogelijk opvallen.
4. Bij in- en uitspringende hoeken streven naar een symmetrische indeling.

Vloertegels
Dubbelhard gebakken tegels: zeer slijtvast en zuurbestendig, ook plinttegels met holle hoek.
Grestegels: meestal in de vorm van splijttegels. Vorst en zuurbestendig, zeer slijtvast.
Geglazuurde plavuizen: vroeger veel toegepast. Zachte tegels, niet erg slijtvast.

Tegels leggen: op een betonvloer, dan eerst de vloer aanbranden met watercementpap.
Specie uitspreiden, met een ‘rei’ vlak afstrijken en cementpoeder.
Natuursteenstegels: Solnhofer, kwartsiet, echt/zogenaamd marmer, hardsteen e.d.
Kruisvoegen: waar 4 tegels elkaar ontmoeten. Dienen te worden vermeden (storend aanzien)

Verf

Laagdikte: normaal verfsysteem voor buiten meestal zo’n 40 micron (1/1000 mm) – 4 lagen.
Levensduur: buitenschilderwerk duurzaamheid van 4-5 jaren verlangd voor binnen 20 jaren.

Verf : product in vloeibare, pasteuze of poedervorm dat altijd pigment bevat.
Vernis : als verf maar zonder pigment. Niet hetzelfde als lak!
Beits : vloeistof die grotendeels in de ondergrond dringt + kleurt

Samenstelling van Verf
1. Filmvormende bestanddelen (bindmiddel, verfpoeder/pigment, vul- en hulpstoffen)
2. Chemische/fysische toegevoegde stoffen (siccatieven, harders, anti-velmiddelen)
3. Stoffen die na de verwerking van verf verdampen (verdunningsmiddel, oplosmiddel)

Gevaarlijkheid verfstoffen: *R-zinnen (waarschuwingszinnen, R=risk)
*S-zinnen (voorzorgsmaatregelen, S=safety)

Drogingswijze bindmiddel: *Fysische droging = geen chemische reactie maar verdamping
*Chemische droging = onomkeerbaar, uit moleculen een filmlaag

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 15
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Oplosmiddelen: maakt de verf verwerkbaar. Het ‘transportmiddel’
Verdunningsmiddel: om de viscositeit (vloeibaarheid) van de verf te verhogen.
Drogende oliën: olielakken. Weinig gebruikt, droogt langzaam
Alkydharsen: syntethische lakken. Blijvende hardheid, elasticiteit en betere duurzaamheid.
Dispersies: bijzondere fysisch drogende bindmiddelen. Voor poreuze ondergronden.
Siccatieven: stoffen die de reacties versnellen, laten de verf sneller verharden.
Oplosmiddelvrije lakken: oplosmiddel is vervangen door reactieve verdunners.

Schilderen van hout
Dampdoorlatend: bij buitenschilderwerk. Er kan dan vochtafgifte uit het hout naar buiten zijn.
Vochtdicht: om weers- en mileu-invloeden op het hout tegen te gaan.
Binnenzijde: moet vocht- en dampdicht zijn. Ook de glassponningen + onderzijde dorpel.
Ademend verfsysteem: vocht- en dampdicht schilderwerk.

Schilderen van steen
Verzepen: kalk en cement gaat chemisch op de verf inwerken. Bij nieuwe/vochtige muren.
Veegvast: de laags is na droging bestand tegen droog afvegen.
Wasbaar: de verf kan na droging door afwassen gereinigd worden.
Afwasbaar: de verf kan door wassen worden verwijderd.

Schilderen van verzinkt staal
Voorbehandelen d.m.v.: *Opruwen van het oppervlak door openstelling buitenlucht
*Opruwen door het licht te bestralen.
*Behandelen met koud/warm fosforzuur. Er ontstaat zinkfosfaat.
*Aanbrengen van een hechtlaag met washprimer.

I Ondergronden die neutraal zijn: geen invloed op het drogen (bijv. glas, metalen).
II. Ondergronden die niet neutraal zijn: beïnvloeden de droging wel (beton, pleister).
III Ondergronden die sterk werken: verflaag moet goed hechten, elasticiteit behouden.

Dekkend schilderen: meestal 4 lagen, 2 aangebracht in de fabriek. Max. duurzaamheid.
Buitenbeits: moeten pigment bevatten tegen UV-straling. Filmvorming noodzakelijk.
Transparante beitsen: eenvoudig onderhoud maar regelmatig doen. Bereikbare plaatsen.
Dekkende beitsen: hoog pigmentgehalte. Houtstructuur weinig herkenbaar. UV-bestendig.

Houtbehandelingen
Opervlaktebehandeling van Merbau: timmerwerk mag niet nat worden. Anders gaat het hout
bloeden (inhoudstoffen die worden opgelost door het water geven een kleur af aan het hout).
Vernissen van teakhout buitenwerk: teakhout is vettig. Ontvetten met wasbenzine of thinner.

Principe meerjarig onderhoudsschema: 1e jaar Basisschema
2e jaar Niets doen
3e jaar Controleren en evt. herstellen
4e jaar Niets doen
5e jaar Gebreken herstellen, reinigen + lakken.
6e jaar Zoals het tweede jaar (enzovoort).

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 16
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting
Beglazingen

Glas voor ruiten: zuiver zand 57 % + soda 19 % + aantal andere grondstoffen.
Voor 1m² vensterglas van 4 mm dik is 8 kg grondstof + 3,6 kg glasscherven nodig.

Trekken: stalen balk in de stroperige glas-massa van 1100°C dopen en langzaam ophalen.
Trekstrepen: zichtbaar in oude glasruiten. Geven een vertekening, horizontaal ter camouflage.
Spiegelglas: het glas wordt uitgegoten op een zeer vlakke ondergrond + beide zijden gepolijst.
Floatglass: hete/vloeibare glasmassa uitgegoten over de inhoud van een bak met vloeibaar tin.
Aan het begin van de bak is de temperatuur 1100° en aan het eind afgekoeld tot 600°C.
Figuurglas: getrokken glas dat bij het trekken door een wals wordt geleid + profilering.
Draadglas: getrokken glas met roestwerende staaldraden van 0,5 mm.
Chauvelglas: draadglas met draden die zo geplaats worden dat de draden verticaal lopen.
Antiekglas: geblazen glassoort. Veel luchtbelletjes, strepen en oneffendheden max 840 x 630!
Opalineglas: blank vensterglas met een dun laagje wit melkglas. Diffuus licht doorlatend.

Diktes vensterglas: Enkeldik glas 2 mm
Dubbeldik glas 3 mm
4 mm-glas 4 mm
Dik glas 5-6 mm

Broeikaseffect: bij thermisch isolerend glas. UV-straling warmt de binnenlucht op.
Voorkoming broeikaseffect: *warmteabsorberend glas (toegevoegde kleurstoffen)
*warmtereflecterend glas (metaallaag of metaaloxide laag)

ZTA = Zontoetredingsfacor. Het deel van de op het glas vallende zonne-energie vermeerderd
met de geabsorbeerde warmte die naar binnen wordt afgegeven.
ZTA blank glas = 0,87. ZTA groen glas = 0,61 ZTA grijs glas = 0,57.

Gehard glas: glas wordt tot 700° verhit en snel maar zorgvuldig afgekoeld. Geen barstjes.
Thermisch gehard: bij de randen kleine deukjes van het ophangen. Nooit ruw gesneden rand.
Geëmailleerd gehard: glas met een gebrande, niet-lichtdoorlatende gekleurde laag.

Gelaagd glas: 1. Met PVB voor de splinterverbinding bij breuk.
2. Met een tussenlaag giethars. Beperkt splinterbindend, niet geweld-bestendig.
3. Brandvertragend glas (twee lagen blank glas met brandwerende tussenlaag).

HR-glas: op een van de glasbladen een flinterdunne warmtereflecterende metaallaag.
HR-glas wordt ook wel LE-glas genoemd (low energy glass). Dubbelglas = 9° HR-glas = 14°

Vastzetten beglazing:
1. Kitbeglazing of natte beglazing buiten =

2. Kitbeglazing of natte beglazing binnen. =

3. Droge beglazing =

www.studentsonly.nl Voor al jouw HBO & WO uittreksels! 17
Bron: HBO Nederland ‘ BOUWKUNDE MAKELAARDIJ O.G.’ - Ing. J. Oosting