You are on page 1of 5
176 Brackel Conversational Procedures = Gesprekshanteringsmiddeien (Gespreksmiddelen) Mlocutionary Act = Hloeutie Interactional Act = Interacti-2et Outeome = Resulaat. 1k bedank Agnes Verbiest van de vakgroep Nederlands van de RU Leiden voor haar hulp en riick bij eerdere verses van deze tekst 20 Over robots en beleefdheid ‘Tieme van Dijk In 1921 verscheen het toneelstuk R.U.R. van de Tsjech Karel Capek. Het handelde over kunstmensen, die ~ gedoemd tot dwangarbeid - de voortdu- rende vervolging en onderdrukking door de mens beu worden en trachten de wereld te veroveren. Deze kunstmensen heten in RUR. robots, uit het Tesjechisch robota (dwangarbeid). Hoewel de term robot de wereld heeft veroverd, is het imago van de robot, althans in de science fiction-literatuur, drastisch veranderd. In de mecste verhalen over robots die na de tweede wereldoorlog zijn verschenen, treden robots op die hun prototype hebben in de wezens die onder de naam robot, optreden in de verhalen van het fenomeen Isaac Asimov, biochemicus, science fiction-schrijver en grondlegger van de zogenaamde robotica. Deze robots ziin onderworpen aan een ethisch systeem, dat is neergelegd in de drie wetten van de robotica, oftewel de drie geboden van de robots. Deze luiden: 1. Een robot mag een menselijk wezen geen kwaad doen, noch door wwerkeloos toe te zien toestaan dat een mens letsel oploopt. 2. Een robot moet de bevelen opvolgen die hij van een mens krijgt, tenzj hij daardoor in strijd komt met het eerste gebod. 3. Een robot moet zichzelf beschermen, tenzij hij daardoorin conflict komt met het eerste of tweede gebod. Robots zijn niet in staat deze geboden te overtreden, Asimov heeft in een aantal verhalen de mogelijke complicaties getxplo- reerd die de drie geboden opleveren voor de interactie tussen mens en robot!. Eén van die verhalen, Liar! (1941), gaat over een robot die door een onopgehelderde fabricagefout de gedachten van mensen kan lezen, Deze robot, Herbie (uit: R.B. 34, de officile ‘naam’ van dit type), Komt in grote ‘moeilijkheden met het cerste en tweede gebod omdat hij zich door zijn telepatisch vermogen bewust wordt van het feit dat mensen ook anders dan fysick gekwetst kunnen worden. Daardoor krijat het eerste gebod voor hem fen zeer ruime strekkin, kkan kennelijk letsel bij de mens veroorzaken. De werking van het eerste _gebod verhindert Herbie informatie te geven waarvan hij, al gedachtenle- zend, constateert dat zijn gesprekspartner er niet tegen opgewassen zal zijn. Herbie wordt in z0'n geval gedwongen te liegen. Maar al spoedig blijkt dat de leugens van Herbie op den duur diepere geestelike wonden veroorzaken dan de achtergehouden waarheid zou hebben gedaan, Als Herbie door zijn slachtoffers opzettelik geconfronteerd wordt met dit feit, sterft hij zoals alleen robots kunnen sterven: zijn positronisch brein brandt door. ‘W.K.B. Koning (ted), Faatbeheersing in heorle en prakit: Dordrecht 1985; Foris Publications, 178 Van Dijk Het dilemma waarmee Asimov zijn robot Herbie geconfrontecrd laat worden, heeft veel weg van de problematick waarmee mensen vooridurend te maken hebben als ze gesprekken met elkaar voeren. Converseren is cen Strategische activiteit die bedreigend is voor de vrijmach (het territorium) van alle gesprekspartners. Darin schuilt een grote paradox: gesprekspart- ners hebben elkaar nodig om dberhaupt gesprekken te kunnen voeren, maar die gesprekken bestaan uit territoriumbedreigende handelingen die de sa. ‘menwerking voortdurend in gevaar brengen’, Er ziin twee factoren die de verlammende werking van deze paradox zodanig verzachten dat gesprekken ogenschijnlijk mociteloos kunnen wor, den gevoerd. In de eerste plaats staan alle gesprekspartners voor hetzelfde dilemma en weten dat 0ok van elkaar. Ditleidt tot eentolerante houding, die {ot uiting komt in de bereidheid handelingen die als teritoriumbedreigingen Kunnen worden geinterpreteerd, niet onmiddellifk als blijk van agressie op te atten, In de tweede plaats beschikken gesprekspartners over een gemeen schappelik reservoir van signalen waarmee ze elkaarte Kennen kunnen geven dat eventuele territoriumschendingen niet voortkomen uit agressieve bedoe. lingen. De duidelijkste en mest omvattende beschrijving van deze signalen is {ot nu toe gegeven door Brown & Levinson (1978), die ze beschrijven als beleefiheidsverschijnselen. Beleefdheidsverschijnselen treden volgens Brown & Levinson op in samen- hang met taalhandelingen die bedreigend zijn voor het ‘gezicht’ van de sesprekspartner’. Ze onderscheiden twee vormen van ‘gezicht’: het positieve cn het negatieve gezickt. Het positieve gezicht van een mens krijgt vooral uitdrukking in zijn wens geaccepteerd te worden door anderen, vooral cok geaccepteerd te worden in zijn behoeften en verlangens. Je zou kunnen zeggen dat het positieve gezicht overeenkomt met de wens van ieder mens ‘Semeenschappelikheid te ervaren met andere mensen. Het negatieve gezicht komt vooral tot uitingin de wens van ieder mens onaangetast te blijven in ain vriimacht, zijn teritorium, In gesprekken worden het positieve en het nega- tieve gezicht van de gesprekspartners bedreigd door bepaalde taalhandelin. ‘en, door Brown & Levinson FT'4’s genoemd (FTA= facethreatening act). Zoals ze onderscheid maken tussen het positieve en het negatieve gezicht, 20 maken Brown & Levinson ook onderscheid tussen FTA’s die het positieve en PTA’s die het negatieve gezicht bedreigen. Het bedreigend karakter van FTA’s kan worden verzacht door ‘beleefdheidsverschijnselen’. Beleefdheids- verschijnselen zijn dus gezichtsbeschermende signalen die moeten voorko. men dat de interactie stukloopt op irritatie over territoriumconflicten, Het ‘onderscheid in positief en negatief gezicht leidt tevens tot cen onderscheid in Positieve en negatieve beleefaheid: de eerste dient ter verzachting van FTA"s dic het positieve gezicht bedreigen, de tweede dient ter verzachting van op het negatieve gezicht gerichte FTA’s. De theorie van Brown & Levinson is van groot belang gebleken voor de ‘analyse van verbale interactie. Zi vertoont echter een aantal zwakke punten, Beleefdheid 179 die vooral samenhangen met de status die Brown & Levinson tockennen aan FTA’s*, Zij gaan er van uit dat bepaalde taaluitingen op zichzelf een FTA inhouden, los van de context en de situatie waarin die uitingen optreden*, Dit vitgangspunt is niet erg gelukkig. De funktie van een taaluiting is immers maar gedeeltelijk vastgelegd in de uiting zelf; ze wordt pas definitief bepaald door een gemeenschappelijke interpretatie van de gesprekspartners, die lo- ‘aal, dat wil zeggen binnen het gesprek zelf, tot stand komt door ondethan. deling. Natuurlijk zin er taalhandelingen die vaker een gezichtsbedreigende funktie hebben dan andere; scheldwoorden zouden als voorbeeld kunnen gelden. Maar het is altijd de gesprekssituatie en de interpretatie door de gesprekspartners die uiteindelijk bepalen of een scheldwoord moet worden opgevat als ean belediging (cen FTA) of een liefkozing ... Zoals gezegd vallen de door Brown & Levinson besproken beleefdheids- verschijnsclen in twee groepen uiteen: positieve en negatieve beleefdheidsver- schijnselen. Dic laatste zou je kunnen omschrijven als respectsignalen, de cerste als gemeenschapssignalen*, Vooral die gemeenschapssignalen zijn 2eer belangwekkend. Bij de bestudering van de interactie tussen kindeen en volwassenen is mij gebleken dat signalen van dit type een opvallende rol spelen in gesprekken tussen jonge kinderen en volwassenen die niet gewend zijn dagelijks met kinderen om te gaan. In die gesprekken gebruikt de volwassene hee! dikwijls gemeenschapssignalen, zoals ze worden beschreven ij Brown & Levinson. Opmerkelijk daarbij is dat deze signalen worden ‘gegeven zonder dat er sprake is van een duidelijk als FTA interpreteerbare taaluiting. Voorbeelden van zulke gemeenschapssignalen zijn: overdreven belangstellende reacties op dingen die het kind doet of zegt, een ongewone bereidheid hoordersverplichtingen na te komen, het gebruik van kinderter- ‘men, het zonder discussie accepteren van min of meer controversileuitspra- ken van het kind, het veelvuldig gebruik van intonatiepatronen waaraan de interpretatie van warmte en acceptatie kan worden verbonden, et. Je kunt je afvragen wat de oorzaken van dit verschijnsel zijn, Een verkla- ring, of althans een gedeeltelijke verklaring, is meen ik te vinden in de combinatie van de volgende verschijnselen:allereerst is het 20 dat positieveen Regaticve beleefdheid min of meer omgekeerd evenredig optreden: in een gesprek waarin sprake is van een grote mate van gemeenschapssignalen, is het aantal respectsignalen gering. Het likt crop dat ecn grote wederzijdse accep- tatie, tot uitdrukking gebracht in een groot aantal gemeenschapssignalen, de behoefte aan respectsignalen vermindert. Omgekeerd geldt waarschijalijk dat daar waar er een sterke wederzijds gevoelde behoefte bestaat aan het tonen van respect (blijkend uit het aantal respectsignalen), de behoefte en vooral ok de ruimte voor gemeenschapssignaien gering is. Het tweede verschijnsel dat van belang is voor een mogelijke verklaring van het optreden van een overmaat aan gemeenschapssignalen in volwasse- ne-kind interactie, is de duidelijke wisselwerking die er bestaat tussen de gesprekssituatie en de signalen die de gesprekspartners elkaar in een gesprek ‘even. De behoefte aan bepaalde signalen wordt weliswaar in principe be- 180 Van Dijk paald door de situatie, maar de gesprekspartners kunnen de gesprekssituatie ook veranderen, juist door het geven van bepaalde signalen. De consequentic van de beide genoemde verschijnselen voor de interactie tussen volwassenen en kinderen zou kunnen zijn dat door het geven van een groot aantal gemeenschapssignalen door de volwassene een situatic wordt geschapen waarin zowel van de kant van de volwassene als van de kant van het kind de behoefte aan respectsignalen wordt verkleind. Dat komt tegemoet aan twee tendensen in volwassene-kind interactie: enerzijds hebben volwassenen vaak ‘moeite met het geven van respectsignalen aan jonge kinderen; anderzijds zijn Jonge kinderen vaak nog niet in staat adequaat met respectsignalen om te ‘gaan. Het overmatig gebruik van gemeenschapssignalen in dit type interactie zou dan cen duidelijke communicatieve funktie hebben: het cregert cen situatie waarin ondanks een gebrek aan respectsignalen de communicatie soepel kan verlopen. Op grond van het feit dat gemeenschapssignalen kunnen worden gebruikt ‘om de noodzaak van het geven van respectsignalen te verminderen, heeft het geven van deze signalen niet altijd een vergroting van de gemeenschappelijk- hid van de gesprekspartners tot gevolg. Als één van de gesprekspartners de situatie niet als voldoende gemeenschappelijk ervaart en daar ook niets aan wil of kan veranderen, dan kan deze het gebruik van gemeenschapssignalen opvatten als vrijpostigheid. In bepaalde situaties kunnen gemeenschapssig- nalen dus bedreigend zijn, dat wil zeggen ze kunnen fungeren als FTA. De paradox doet zich dan voor dat signalen die door Brown & Levinson worden beschreven als FTA-verzachtend, zelf kunnen optreden als FTA. Als voor- beeld hiervan geef ik de volgende passage uit een telefoongesprek tussen een twintigjarig meisje en haar vader, waarin het meisje territoriumverdedigend reageert op herhaalde gemeenschapssignalen van haar gesprekspartner. (De vader belt op met cen verzoek aan de dochter jemand te bellen om te zeggen dat hij verlaat is. De dochter stemt daarmee in. Het gesprek lijkt daarop te zallen worden afgesloten, maar gaat als volgt verder:) 4: ophetseminarium ok bye eet smakelifk ¥ yes dag ilEverdje —kusje a: bye NEE NIKS ¥: “nog iets bijzonders gewEEst —niks bijzonders geen grote a@ nee niks ¥: wapenfeiten geen acht en half voor eech stenoduits(,) @ apa (.) doe now of een eh zesentwintig voor stenofrans even gewOOn ik ben TWINtig bye ect smakelifk v dag LIBverd bye 4: bye (zeer kort) Beleefdheid 181 Tk wil nu weer een ogenblik teruggaan naar de drie wetten van Asimov en de paradoxale gedragingen waartoe ze robots in bepaalde situaties dwingen, Een robot die aan de drie wetten is onderworpen kan in interactie met mensen natuurlijk geen gemeenschapssignalen geven, althans niet op eigen initiatief. Volgens de tweede wet zijn robots immers volledig ondergeschikt aan m: sen: het geven van gemeenschapssignalen zou daardoor misplaatst zijn en kunnen worden opgevat als een vrijpostigheid die het zelfrespect van de ‘menselijke gesprekspartners zou kunnen kwetsen. Robots zouden wel ge~ ‘meenschapssignalen kunnen geven als ze daartoe zouden worden uitgeno- gd, dat wil zeggen als hun gesprekspartner eerst van zulke signalen gebruik zou maken. Dat zou echter alleen te verwachten zijn als de mens de robot als cen gclijkwaardige gesprekspartner zou accepteren. In Asimovs robotverha- Ten is dat soms het geval (bijvoorbeeld in het verhaal The Bicentennial Man uit 1976 over een robot die het, in de 200 jaar dat hij leeft, klaar speelt meer en meer menselijke eigenschappen te krijgen, totdat hij - door te kiezen voor sterfelijcheid ~ tenslotte officieel tot mens wordt verklaard). Asimovs robots hebben dus twee grote handicaps in hun interactie met ™mensen: ze mogen geen uitingen doen die kunnen worden opgevat als FTA en ze mogen geen gemeenschapssignalen gebruiken. Ze zijn dus volledig aange- wezen op het gebruik van respecisignalen ter verzachting van mogeliike FTA’s, Je kunt daarom verwachten dat hun uitingen een overmaat aan respectsignalen vertonen. Het geven van overmatig veel respectsignalen heeft het vervelende gevolg dat dit door de gesprekspartner bijna automatisch ‘wordt opgevat als een blijk van onderdanigheid. Robots kenmerken zich in bun taalgebruik dan ook als onmondigen, ze spreken zoals alleen slaven spreken, We mogen dan ook hopen dat Asimov ongelik heeft als hij in de inleiding van zijn verzamelde robotverhalen (Asimov 1984) beweert dat ziin Grie robotische werten ook van belang zijn voor de produktie van robots buiten de wereld van de science fiction. Er is wel eens gesuggereerd, ik ben vergeten door wie, dat communicatie alleen maar mogelijk is tussen gelijken. In ieder geval is het een feit dat -gemeenschapssignalen in bepaalde gesprekken niet op hun plaats zijn, omdat. de situatie er niet én is waarin van gemeenschappeliikheid sprake kan zi. Dat geldt met name voor gesprekken waarin geinstitutionaliseerde machts~ ongelijkheid optreedt. In zulke situatics wordt het gebruik van_gemeen- schapssignalen al gauw opgevat als een poging om aan het geven van verschuldigde respectsignalen te ontkomen. Dit geldt zowel voor het geval waarin de signalen afkomstig zijn van de gesprekspartner met de minste ‘macht, als wanneer degene met de meeste macht ze gebruikt. Ter wille van de duidelijkheid ijt het wenselik dat in zulke situaties het gesprek ook uiterlij- kke kenmerken vertoont van de onveranderlijke machtsongelijkheid. Zo heb ik het niet bijzonder op prijs gesteld dat een duinwachter mij - na een bekeuring wegens het niet hebben van een geldig toegangsbewijs ~ het welge- meend Klinkend advies gaf nu maar veel bramen te plukken, dan kreeg ik mijn geld er nog cen beetje uit 182 Van Dijk Ik heb hierboven beweerd dat Brown & Levinson zich vergissen in hun uitgangspunt dat bepaalde taaluitingen een intrinsieke bedreiging inhouden. Ik heb daar tegenover gesteld dat het bedreigende van taaluitingen ietsis wat in de interactie tussen gesprekspartners wordt vastgesteld. Omdat de situatie vvam het gesprek mede bepaald wordt door de signalen die gesprekspartners uitwisselen, kunnen taaluitingen die in de meeste situaties als bedreigend worden geinterpreteerd, in bepaalde gevallen solidariserend werken. Dat is als volgt te verklaren: als door iemand in een gesprek cen taaluiting wordt ‘geproduceerd waarvan hij weet dat de mogelijkheid groot is dat deze uiting door ain gesprekspartner(s)alsterritoriumbedreigend wordt geinterpreteerd (op grond van een algemeen geldend interpretatiekader’) en deze uiting gaat niet vergezeld (bevat geen) beleefdheidssignalen, dan treden er voor de gesprekspartner twee mogeljk interpretaties op de voorgrond: of de uitingis gedaan zonder rekening te houden met de gevoeligheid van de gesprekspart- ner, omdat afzwakking van de in de uiting vervatte (bedreigende) taalhande- ling (bijvoorbecld een verzock, een indringende vraag) door respectsignalen niet strookte met hetgeen de spreker beoogde; of de uiting is gedaan met inachtneming van de gevoeligheid van de gesprekspartner, maar de spreker heeft het bedreigend karakter ervan 20 laag ingeschat dat afzwakking door respectsignalen overbodig zou zijn en zelfs verwarrend zou kunnen werken.* De gesprekspartner zal, op grond van de eerder aangegeven tolerante houding die gesprekspartners in het algemeen vertonen, de keuze voor de cerste ~ oncodperatieve ~interpretatie zo lang mogelijkuitstellen en op zock ‘gaan naar argumenten voor het gelden van de tweede interpretatie. Het meest voor de hand liggend is dan dat degene die de uiting deed de gesprekssituatie zodanig interpreteert of geinterpretcerd wenst te zien dat er van territorium- becireiging geen sprake kan zijn, gezien de hoge mate van gemeenschappelijk- heid tussen de gesprekspartners. Daarmee krijgt de uiting de funktie van gemeenschapssignaal, Alls voorbeeld van dit verschijnsel geef ik een gedeeite uit cen telefoonge- sprek tussen een zakenman en de vrouw van ziin compagnon m=man): eee vy: [naam] hnall66 guus hal666 m: dag met gous heeft het eten je goed ee rere eee ee y ja uitstekend dank i m: gesmaakt had je iets lekkers klaargemaakt ae cere eee seer ee V: ja heerlijk heel lekker (IN) spaghetti met tomatensaus 0 oh m: hohoho ¥: 0 wat heerlifk hé (IN) nee het was heel goed gelukt dus hu Beleefdheid 183 v ja te gek hé heb jij al gegeten of nog niet m: lekker ik ben net ¥ © gods hé dus eh ij heb 6echt trek (IN) sm: weg van de zaak ‘ik ga nu v jaha bbuhu (IN) ‘m:_ ja jij zit mij lekker te maken hahaha heb je aan v jaja © dat is heelemaal te gek hoor m:; tafel gegeten dat doe je dus ve ja dat is hartstikke lekker (IN) ja m: jahaha ja isgerrit inde burt Het FTA-karakter van de hier aangewezen taaluitingen ligt vooral in het feit dat het gaat om vragen aangaande de privé-sfeer: verzoeken om informatie die als persoonlijk« geldt, dat wil zeggen niet algemeen toegankelijk is, In het hierboven beschreven geval gaat het om een gesuggereerde gemeen- schappelijkheid, op grond van vragen naar de privé-sfeer van de gespreks- partner. Daarbij moet worden opgemerkt dat het welwillend antwoorden op dit soort vragen, zoals in dit telefoongesprek door v. gebeurt, een acceptatic en bevestiging van de gemeenschappelijkheid vormt. Een enigszins verwant verschijnsel treedt op bij nog een andere groep taalhandelingen die eveneens een bijzonder beroep doen op de gemeenschappelifkheid. Dat zija mededelin- gen over de eigen privé-sfeer, mededelingen over gevoelens, emoties, pijn, Voor deze taalhandelingen geldt dat ze een sterk beroep doen op de solidari- teit van de gesprekspartner, omdat eventuele reserve of afwijzing van de kant van de gesprekspartner ernstig gezichtsbedreigend is. Er bestaan ook geinsti- tutionaliseerde gesprekssituaties waarin deze taalhandelingen worden ver- richt, bijvoorbeeld gesprekken tussen artsen en patiénten. In die situatie schijnt juist te gelden dat de gesprekspartners gemeenschapssignalen min of meer vermijden, veelal op initiatief van de arts. Daar wordt ook van de kant van conversatie-analytici nogal eens kritiek op gehoord. Er bestaat echter het ‘gevaar dat gemeenschapssignalen leiden tot verwachtingen van solidariteit en compassie die de arts op grond van zijn funktie niet in staat is te geven. Naar mijn gevoel wordt het feit dat artsen nog z0 vaak moeite hebben met een “menselijke’ benadering van hun patignten voor een deel veroorzaakt door dat hun rol nauwelijks toestaat dat ze geloofwaardig gemeenschapssignalen geven. Enis ongeloofwaardigheid nict één van de slechtste eigenschappen die een arts kunnen worden toegeschreven? 184 Van Dijk Noten 1. Derabotverhalen van Asimov sia verzameld in Asimov 1982 2. Zie voor cen uitgebredere analyse van deve paradox: Van Dijk 1981. 3. De term ‘gezcht’ontlenen Brown & Levinson Vooral aan het werk van Goffman (bi. Goffman 1967), De betekenis komt overcen met gezich in de witdrukking ‘in gezcht verliezen’ 4 Het is de vraag in oevere niet iedere taaluitng cen gezichsbedreigend karakter hee, ‘omdat eral sprake is van verplichtingen die door de iting aan de gesprekspartnet worden opgcead,zoals beperking van voorettingsmogelikheden, bepaling van focus ea topic, hoordersverpictingen, ee. Brown & Levinson beschriven alleen specifcketaal- hhandelingea als FTA‘, Een geheel ander punt van kitiek op de theorcen van Brown & Levinson is het fit dat 2 bij hun analyse witgnan van cen gesprekspartner di rationselhandelt, zonder dat 26 sandacht geven aan het irrationele aspect dat verbonden is met veschijnselen al evict’ “verritorium’ en “het verangea naar gemeenschappelithei 5. Brown & Levinson (1978: 70) "..., it intuitively the case that certain kinds of acts intrinsically threaten face, 6 Tk gebruik de tem gemeenschapssignalen voor positive politeness, liever dan de meer oor 4b hand lgpende term solidarttssignalen, omdat het begipsolidartit naar mijn gevoel ‘onnotatiesbezit die in “postive poitenes niet aanwesis zit 7. Het likterop dat ik daarmee evenals Brown & Levinson een intrinsicke FTA-waatde tocken aan bepaalde taluitingen Het gaat ier echer net omintrnsieke FTA'S maar om taaluitingen die cen grote potenile drciging inhouden (ap arond van socie-elturle normen) dan andere 5 Brown & Levinson (1978: 79) wijzenerop dat gesprekspartners hun belefaheiddoseren’ ‘te vee beled kan bij de gesprekspartner verwarring doen ontstaan over het gewicht dat de speeker aan de FTA toekent. Literatuue Asimov 1982 The complete robot. London, Brown, Pen S. Levinson 1978” “Universls in language use: politeness phenomena’ In: E.N, Goody (ed), Questions and politeness. Cambride. Dijk, T van 1981 “Cooperate. In MLF. Stethouder en C.IM. Jansen (red), Taalbcheersing 1981 Enschede: VILO“T/T-H. Twente, Gottman, E 1967 Interaction ritual: essays on face to face behavior. New York. 21 Kennis van de context Titus Ensink 1. Inleiding: context en kennis ‘Het principe dat men de context dient te kennen om taalgebruik adequaat te kunnen interpreteren, wordt gedemonstreerd door dit voorbeeld: Ar Is die niet een beetje groot? B: Dan kan "t er ook in, Dit kleine, afgeronde, fragmentje taalgebruik ‘hangt in de lucht’ als men niet ‘weet dat het plaatsvond in een keuken waar B bezig is een salade klar te maken en daarvoor een schaal pakt. Pas als men dit weet kan men nietalleen vaststellen waar dit fragment over gaat, maar ook wat A en B ‘doen’ met hun taaluitingen: A suggereert cen kleinere schaal te nemen en B wist die sugge- stie als onnodig van de hand. ‘Voor A en B bestaat deze context krachtens hun gezamenlijke aanwezig- hid in de keuken en krachtens het feit dat zij beiden weten watze daar doen, Een context kan worden gedefinieerd als de door de participanten gedeelde ennis van wat voor de betreffende situatie relevant is. Deze kennis is gedeeld: niet alleen weten A en B ieder voor zich waar het om gaat, beiden veronder- stellen ook dat de ander dat weet. Voorts gaat het meer om kennis dan om waarnemingen op zichzelf: niet alleen zijn er in concrete situaties vele moge- lijke waarnemingen die niet tot de relevante context behoren, ook kan men de relevante context kennen zonder enige concrete waarneming te doen (zoals, blijkt uit deze tekst: voor het voorbeeld wordt een context gecreéerd zonder concrete waarnemingen), In verband met deze overwegingen zijn vooral drie vragen van belang: 1, Hoe is de structuur van de kennis die relevant is of kan zijn? 2. Als niet alle kennis op ieder moment relevant is, hoe wordt de passende kennis dan op het juiste moment geactualiseerd? - 3. Hoe weten participanten, in taalgebruikssituaties, dat de voor hen rele- vante kennis ook voor de mede-participanten relevant is? 2. De structuur en distributie van kennis De kennis die taalgebruikers in staat stelt tot interpretaties te komen is 'W.K.B. Koning (te), Taalbeheersing in heore on prakiik. Dordrecht 1985: Fori Publications, 185-194,