You are on page 1of 491

Bijdragen en Mededeelingen van het

Historisch Genootschap. Deel 30

bron
Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30. Johannes Müller, Amsterdam
1909

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/_bij005190901_01/colofon.php

© 2012 dbnl

i.s.m.

I

Verslag van het bestuur over het dienstjaar 1908.
Sedert jaren hadden wij niet zóó vele en zóó ingrijpende veranderingen in de
samenstelling van ons Bestuur te boeken als thans. Moesten wij in het vorige Verslag
melden, dat onze Penningmeester het voornemen te kennen had gegeven af te
treden, doch dat wij de benoeming van zijn opvolger nog hadden aangehouden,
kort daarop bereikte ons de mededeeling, dat de gezondheidstoestand van Mr.
Baert van dien aard was geworden, dat onmiddellijke voorziening in de vacature
wenschelijk scheen, wilde niet juist in het begin van het boekjaar het beheer onzer
geldmiddelen in het ongereede raken. Aangezien wij met het definitief vervullen van
het penningmeesterschap liefst wilden wachten, tot Mr. Muller, van wiens tijdelijke
afwezigheid uit het Bestuur wij in het vorige Verslag gewaagden, daarin was
teruggekeerd, werd het waarnemen der opengevallen functie, tot een blijvende
den

vervulling ervan zou geschied zijn, aan onzen 2 Secretaris opgedragen, die zich
van die opdracht gekweten heeft tot in den zomer, toen er een algemeene
de

verandering in de verdeeling der bestuursfuncties plaats greep en onze 2
Bibliothecaris, Dr. Singels, zich bereid verklaarde de niet gemakkelijke taak op zich
te nemen opvolger van Mr. Baert als schatbewaarder van het

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

II
Genootschap te worden. Laatstgenoemde heer immers, wiens gezondheidstoestand
inmiddels tot onze vreugde aanmerkelijk verbeterd was, had toch gemeend van zijn
plaats in het Bestuur, die hij gedurende meer dan dertig jaren met zooveel eere had
ingenomen, voor goed afstand te moeten doen en had zijn ontslag genomen. Wij
meenden onzen waardigen oud-Penningmeester, die op onnavolgbaar nauwgezette
wijze de aan zijn zorgen toevertrouwde penningen had beheerd en doen gedijen
en wiens gezelschap ons en vroegeren bestuurders zoo lang en zoo veel genot had
verschaft, geen beter bewijs van onze waardeering te kunnen geven dan door hem
het honorair-lidmaatschap van het Bestuur aan te bieden in de hoop den heer Baert
zoodoende nu en dan nog eens in ons midden te mogen zien. Tot onze blijdschap
nam onze nestor gaarne dit huldebewijs onzerzijds aan. Wij hopen, dat hij nog lange
jaren, zij het dan ook door een losser band dan voorheen, aan het Bestuur van het
Historisch Genootschap moge verbonden blijven.
De Mei-vergadering bracht ons de tijding, waarop wij reeds zoo lang hadden
ste

gewacht, dat onze 1 Secretaris, Mr. S. Muller Fz., besloten had na de vacantie
zijn actieve medewerking aan onze bestuurszaken te hervatten. Onze vreugde over
dit heuchelijk bericht werd echter aanmerkelijk getemperd, toen de Voorzitter, die
het ons bracht, ons verdere mededeelingen deed, die wij in hooge mate moesten
betreuren. Toenemende drukke werkzaamheden van allerlei aard hadden reeds
lang bij hem het voornemen doen ontstaan zijn plaats in ons Bestuur aan een ander
over te laten en, nu toch ook om andere redenen aanvulling van het Bestuur noodig
bleek, meende hij, dat thans het tijdstip gekomen was om heen te gaan Pogingen,
door ons aangewend om

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

III
den heer Kernkamp ten minste in de minder tijdroovende functie van ambteloos lid
voor ons te behouden, mochten niet slagen en zoo moesten wij wel in het
onvermijdelijke berusten. We behoeven niet te zeggen, hoezeer ons het besluit van
Prof. Kernkamp leed deed en hoe ongaarne we hem zagen gaan. Immers gedurende
de

een lange reeks van jaren heeft hij het Genootschap als 2 Secretaris, toen als
ambteloos lid en ten slotte als Voorzitter met toewijding gediend, doch vooral zullen
we zijn heldere en scherpzinnige adviezen missen en de wijze, waarop hij, wanneer
het debat somtijds op zijpaden dreigde af te dwalen, het weder in het goede spoor
wist terug te brengen en niet het minst ook zijn aangenaam, opgewekt gezelschap
nog dikwijls gedenken. Het Bestuur van het Genootschap zal den heer Kernkamp
niet vergeten en beveelt zijnerzijds de kolommen zijner uitgaven in zijn voortdurende
wetenschappelijke belangstelling aan.
Hoewel wij na het vernemen van dit onverwachte nieuws reeds enkele voorloopige
besprekingen voerden met het oog op de thans ontstane nieuwe vacature, stelden
we de regeling van deze aangelegenheid liever uit tot de eerste vergadering, dat
Mr. Muller weder in ons midden zou zijn. Ook, opdat de leden nader hunne gedachten
zouden kunnen laten gaan over een in die Mei-vergadering geopperd voorstel om
sten

den

van de vereenigde functiën van 1
en 2 Secretaris en Penningmeester een
bezoldigde betrekking, een soort van administrateurschap, te maken. De heer Baert
immers had thans ook zijn reeds bovenvermelde aanvrage om ontslag en décharge
ingezonden.
In de eerstvolgende vergadering zagen we deze quaesties ernstig onder de oogen.
Van het scheppen van een bezoldigd secretaris-penningmeesterschap zagen we
ten slotte na rijp beraad af. Toen bleef

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

IV
over de vervulling der bestaande vacatures. Daar het wenschelijk scheen de leiding
der vergaderingen op te dragen aan dengene onzer, die door jarenlange ervaring
het meest op de hoogte was der genootschappelijke aangelegenheden, droegen
wij het voorzitterschap op aan onzen juist in ons midden teruggekeerden penvoerder,
Mr. S. Muller Fz, die tot blijdschap zijner medeleden zich die benoeming liet
sten

de

welgevallen. In zijn plaats van 1
Secretaris trad de 2 , de heer Bannier. Dat de
heer Singels zich op ons verzoek met het penningmeesterschap belastte, is reeds
den

boven vermeld. Ter vervulling van de thans vaceerende posten van 2

Secretaris

den

en 2 Bibliothecaris benoemden wij twee stadgenooten, van wie wij meenden, dat
zij wel daarvoor in aanmerking zouden willen komen. Een hunner, de heer Dr. A.J.
van der Meulen, ons als voortzetter der Hardenbroek-publicatie reeds niet onbekend,
gaf aan onze roepstem gehoor en zag zich met de zorgen voor ons leesgezelschap
in de plaats van den heer Singels belast. De andere meende evenwel voor de op
hem uitgebrachte benoeming te moeten bedanken, zoodat we na de vacantie weêr
de

opnieuw voor een vacature stonden, doch we waren zoo gelukkig toen voor het 2
secretariaat een zeer gewenschten titularis te vinden in den heer Jhr. Mr. B.M. de
Jonge van Ellemeet, den sedert kort benoemden adjunctcommies aan het
Rijksarchief in de provincie Utrecht.
Nog steeds was intusschen de plaats onbezet, die voor eenige jaren was
opengevallen door het overlijden van ons buitenlid Prof. Dr. P.L. Muller. De
Amsterdamsche hoogleeraar Dr. H. Brugmans, die voor het Genootschap sinds
lang geen vreemde meer is, verheugde ons met op ons verzoek om in het Bestuur
plaats te nemen een toestemmend antwoord te geven.
Wanneer ten slotte nog vermeld is, dat bij gelegen-

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

V
heid van deze groote veranderingen in de samenstelling van ons Bestuur, het
den

voorstel werd gedaan en aangenomen om aan den aftredenden 2

Secretaris, die

sten

gedurende vrij langen tijd naast deze functie, die van 1
Secretaris en van
Penningmeester had waargenomen, als bewijs van waardeering een gratificatie uit
de kas van het Genootschap toe te kennen, staken wij hiermeê onze bijna
onbescheiden lange mededeelingen over ons zelf.
Het getal onzer leden wijst sedert het vorige jaar eenigen vooruitgang aan. Door
overlijden en bedanken voor het lidmaatschap verloren wij in 1908 1 honorair en
24 gewone leden, terwijl van de door ons benoemde gewone leden er een 35tal het
lidmaatschap aannamen. Naar gewoonte volgt hierachter als Bijlage A de lijst der
31 honoraire en 476 gewone leden, die het Genootschap op 1 Januari 1909 telde.
In den loop van het verstreken dienstjaar knoopten wij, deels tengevolge van
verzoek onzerzijds deels op aanvrage van de betrokken genootschappen, geregeld
ruilverkeer aan met de Allgemeine Geschichtforschende Gesellschaft der Schweiz,
te Bern, de Società di Storia patria per la Sicilia orientale, te Catania, de Royal
Historical Society, te Londen en met de Gesellschaft für Lothringische Geschichte
und Alterthumskunde, te Metz. De lijst van de 107 genootschappen, redacties,
archieven en bibliotheken, waarmede het Genootschap in ruilverkeer staat, volgt
hierachter als Bijlage B. In dit verband, hoewel van eigenlijk ruilverkeer geen sprake
is, zij vermeld, dat in den loop van het jaar het Genootschap zich als lid van de voor
kort opgerichte Linschoten-vereeniging, wier doel als bekend mag verondersteld
worden, liet inschrijven.
Van den toestand onzer geldmiddelen geeft achterstaande Bijlage C getuigenis.
Hoewel onze drukkers-

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

VI
rekening buitengewoon hoog was, kan de toestand der kas toch niet anders dan
gunstig genoemd worden. In het laatst van het jaar vroeg onze nieuwe
Penningmeester ons machtiging van de gelden, die hetzij in prolongatie uitstonden
hetzij in deposito waren geplaatst, een bedrag van f 5000. - nominaal in effecten te
beleggen, aan welk verzoek wij met het oog op de hoogere te winnen rente gaarne
voldeden.
Indien zooeven de toestand der geldmiddelen bevredigend genoemd kon worden,
mag dit zeer zeker aanleiding geven tot voldoening en gerustheid voor de toekomst,
daar aan onze kas binnen kort heel wat hoogere eischen, dan tot nu toe het geval
was, zullen gesteld worden. Leert ons toch de ervaring, dat het bedrag onzer
drukkosten en dat onzer administratieve uitgaven een vrij regelmatige neiging tot
toeneming vertoonen, in 1909 zullen wij bovendien voor het eerst ook voor andere,
nieuwe uitgaven komen te staan. Aan het einde van ons vorig Jaarverslag kondigden
wij aan, dat het belangrijke vraagstuk van het honoreeren onzer medewerkers door
ons in ernstige overweging zou genomen worden. Inderdaad hebben wij dan ook
aan deze quaestie in het afgeloopen jaar vele en langdurige besprekingen gewijd.
Waar de motiveering van onze houding in deze reeds in de bedoelde bewoordingen
van het Verslag over 1907 werd medegedeeld, meenen wij hier te kunnen volstaan
met een samenvatting van het resultaat onzer besprekingen. In beginsel dan is
vastgesteld, dat het Historisch Genootschap voortaan aan hen, die hetzij in de
Bijdragen en Mededeelingen, hetzij in de Werken historische bescheiden uitgeven,
honorarium zal betalen, te beginnen met die bundels of deelen, die in den loop van
het jaar 1909 ter perse zullen worden gelegd. Dit beginsel zal in de Wet van het
Genootschap worden opgenomen; doch

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

VII
wij achtten het niet verkieslijk in onze grondwet, die wij door de omstandigheden
gedwongen toch al dikwijls genoeg aan wijziging moeten onderwerpen, ook het
bedrag van het honorarium vast te leggen. Met het oog op de betrekkelijke
wisselvalligheid onzer inkomsten en uitgaven werd besloten telken jare in dit Verslag
dat bedrag ter kennis der leden te brengen. Voor 1909, - en wij hopen in de
eerstvolgende jaren hierin geen verandering te behoeven brengen -, bepaalden wij
derhalve het toe te kennen honorarium op f 10. - per vel voor inleiding op en noten
bij een uitgave en op f 5. - per vel voor den tekst, welk laatste bedrag het tot nu toe
facultatief verleende afschrijfloon bedoelt te vervangen. Wij geven toe, dat het
honorarium niet groot is, maar onze geldelijke verplichtingen zijn dikwijls zeer
bezwarend voor onze kas, indien onze pers, zooals in den laatsten tijd het geval
was, met werk overladen wordt; onze inkomsten zijn in hoofdzaak afhankelijk van
de belangstelling van hen, die het nuttig wetenschappelijk streven van het
Genootschap wenschen te steunen en ten slotte, wij hopen nooit tot verlaging van
dit bedrag over te moeten gaan, wel, als het mogelijk is, het te verhoogen.
sten

Het voor kort bij ons ingediende Verslag van onzen 1
Bibliothecaris van den
staat der boekerij en der handschriften had, behalve de telken jare terugkeerende
verblijdende mededeeling, dat die staat niets te wenschen overliet, nog meer en
belangrijkers ter kennis van het Bestuur te brengen. Wij van onzen kant rekenen
ons gelukkig aan onze leden te kunnen mededeelen, dat de reeds zoo dikwerf in
uitzicht gestelde verhuizing van onzen boekenschat naar den nieuwen, nog niet
geheel in gebruik genomen aanbouw der utrechtsche universiteits-bibliotheek,
eindelijk heeft plaats gevonden. Onze boekerij,

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

VIII
waarvan de omvang thans meer dan vroeger in het oog valt, is nu geborgen in een
volkomen brandvrij lokaal, terwijl wij binnen niet al te langen tijd ook onze
handschriften en ons archief in gelijke veilige haven hopen te kunnen binnenloodsen.
De door deze verhuizing vrijgekomen, aan het Genootschap toebehoorende
boekenkasten konden wij gelukkig ten bate van onze kas te gelde maken. De na
de verhuizing aangevangen en sedert afgeloopen collationneering onzer boekerij
leverde niet onbevredigende resultaten op; slechts zeer enkele boekdeelen bleken
te ontbreken.
Een zeer gewenschte aanwinst voor onze bibliotheek vloeide dit jaar voort uit het
aanbod van de Vereeniging van Archivarissen in Nederland, om een aantal in haar
bezit zijnde periodieken en boekwerken in bruikleen aan het Genootschap af te
staan en deze inbruikleengeving, voor zoover het vervolgwerken betreft, in de
toekomst voort te zetten. Na over eenige quaesties van formeelen aard het spoedig
met de Vereeniging eens te zijn geworden, aanvaardden wij het aanbod met groote
dankbaarheid. Wij bevelen het denkbeeld der archivarissen met warmte aan anderen
ter overweging aan.
Onder Bijlage D hierachter vindt men de lijst der werken, waarmede in 1908 onze
boekerij tengevolge van schenking, ruiling of aankoop is verrijkt. Op een paar
aanwinsten zij met een enkel woord de aandacht nader gevestigd. Spraken wij in
ons vorig Verslag van een verzameling excerpten uit de Opregte Haarlemsche
Courant, betrekking hebbende op M. Az. de Ruyter, die ons ter uitgave waren
aangeboden, doch die wij tot ons leedwezen gemeend hadden te moeten afwijzen,
met voldoening namen wij er later kennis van, dat deze collectie, waarvan wij het
belang overigens in het geheel niet over het hoofd hadden gezien, toch onder den
titel ‘De Oprechte

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

waarvoor wij ons steeds hebben geïnteresseerd. Aangaande ons Leesgezelschap. Mr. Den uitgever. waarvan sommige nummers maar uiterst schaars vertegenwoordigd zijn. valt niet veel bizonders te zeggen. maar een zeer welkome aanvulling vormde van de oplage onzer werken. onzen stadgenoot. worde op deze plaats daarvoor onze beleefde dank gebracht. Ook de belangrijke schenking van ons medelid. Haje te Haarlem. die het Genootschap een exemplaar van dit bundeltje aanbood. H. Van de werkzaamheden van de Centrale commissie voor de Historisch-statistische schetskaarten legt het hierachter als Bijlage E afgedrukte Jaarverslag getuigenis af. Wij verheugen ons erover. deelde ons mede. Colenbrander. Hetzelfde moge gezegd worden van een geschenk van Prof. van Gijn te Dordrecht. van het door hem uitgegeven plaatwerk ‘Dordracum illustratum’ wijden wij gaarne een waardeerend woord.F. S.IX Haarlemsche Courant en Michiel Adriaenszoon de Ruyter’ door den druk was openbaar gemaakt. blijkens dat Verslag minder dan vroeger een illusie kan geacht worden. Naber. Dr. In Arnhem werd een nieuwe tak opgericht. Een der sprekers toch in die vergadering. zoowel dat te Utrecht als de filialen te Amsterdam en Middelburg. Mr. dringend aanbevelen. Van de op 21 April van het vorige jaar gehouden Algemeene Vergadering der leden van het Genootschap geven wij ook ditmaal geen afzonderlijk Verslag uit. inzonderheid van die te Utrecht. dat de door hem gehouden voordracht later verschenen was in Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.C. J. Het ledental nam een weinig af. dat wel niet aan onze boekerij ten goede kwam.T. Intusschen blijven wij deze nuttige instellingen in de belangstelling onzer leden. Deel 30 . C. Dr. dat het tot stand komen van een Historischen atlas van Nederland en zijn Koloniën.

M. Compagnie Joan Cunaeus naar Perzië in 1651-1652. Hotz. Schoengen. in het licht te zenden. Jacobus Trajecti alias de Voecht. konden wij nog in ons vorig Jaarverslag melding maken. waarvoor wij bevreesd waren geweest. - Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.G. Journaal der reis van den gezant der O. Van de verzending van die van Dr. Waar wij verleden jaar de hoop uitspraken. Doch eerst op het einde van 1908 zagen wij ons in staat het werk van den heer A.op welk verlangen wij zoowel uit beginselredenen als om onze kas niet te zeer te bezwaren niet hadden kunnen ingaan. J. Evenals het vorige jaar deden wij aan onze leden behalve de Bijdragen en Mededeelingen twee uitgaven toekomen. . die gaarne aan zijn arbeid nog meerdere illustraties had willen toevoegen. den datum waarop de heer Hotz naar het buitenland dacht te vertrekken. zooals wij dat vroeger wel gaven. Deel 30 . Thans gaan wij over tot de hoofdschotel van dit Jaarverslag: onze uitgaven.X ‘de Gids’ van Juli 1908 en het scheen ons minder gewenscht haar in een afzonderlijk deeltje. Hierachter echter vinden onze leden onder Bijlage F in een verslag dier vergadering het kort résumé van des heeren Colenbranders voordracht. dus wel aanmerkelijk overschreden. zoodat ten slotte het Journaal.I.C. opnieuw te laten afdrukken. Narratio de inchoatione domus clericorum in Zwollis. alsmede die van den heer Mr. is de fatale termijn. maar ook de heer Hotz kon door een samenloop van omstandigheden zijn vertrek uitstellen. dat sten deze uitgave nog afgedrukt zou kunnen worden vóór den 1 Mei 1908. De bewerker. zij het dan ook later dan wij gedacht hadden maar toch zonder de gevreesde belemmering in den druk. met akten en bescheiden betreffende dit Fraterhuis. gehouden door Cornelis Speelman. kon verschijnen. Joosting in haar vollen omvang.

alsmede voor een aantal onzer leden. Nog éénmaal moeten wij op onzen ouden vriend Aernout van Buchell terugkomen met het oog op hetgeen wij in het vorige Jaarverslag omtrent de uitgave van zijn drie duitsche reisjournalen schreven. waarom deze illustraties niet door alle leden ontvangen zijn. niet met een publicatie. Hermann Keussen te Keulen. dat voor onze oplage noodig was. meenden wij de toedracht der zaak hier te moeten openbaren. In het afgeloopen jaar toch hadden wij de voldoening een aantal overdrukken te mogen ontvangen uit de Annalen des historischen Vereins für den Niederrhein. nadat wij de zekerheid gekregen hadden. in verband stond. waarvoor hij deze afdrukken noodig had. insbesondere sein Kölner Aufenthalt. Aan een in het voorjaar door den heer Hotz tot ons gericht verzoek om voor zijn rekening nog een 900tal afdrukken van het plan en de plaat van Persepolis te laten vervaardigen boven het getal. die bestemd waren voor de Genootschappen. Wij wenschen den bewerker en vertaler. dat het doel. hoewel zij eigenlijk buiten de bemoeiingen van het Genootschap heeft gelegen.XI heeft daarop op eigen kosten nog eenige platen laten vervaardigen en die met ons goedvinden toegevoegd aan die exemplaren onzer publicatie. doch veel is nog in voorbereiding. Daar wij van eenige zijden geïnterpelleerd zijn. van harte geluk met den goeden uitslag van zijn volhardend streven en onszelf met het einde van onze omvangrijke en langdurige Buchell-campagne. waarmede wij in ruilverkeer staan. Dr. het Journaal betreffende. Het geheele jaar door is er gedrukt aan het tweede Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. door hem met name aangewezen. Deel 30 . inhoudende de thans volledige uitgave van Die drei Reisen des Utrechters Arnoldus Buchelius nach Deutschland. meenden wij te kunnen voldoen. Dit wat het afgedane werk betreft.

Zooals wij verleden jaar in het vooruitzicht stelden. 1) Tijdens het afdrukken van dit Verslag mochten wij de kopij van den index ontvangen. Deel 30 . schijnt in gereedheid gekomen te zijn. dat zij zoo lang geduld hebben willen oefenen. De reeds sedert jaren ons in uitzicht gestelde index op de Brieven van de gebroeders Van der Goes. De heer Dr. doch een toegezegde genealogie der gebroeders Van der Goes bleef nog uit. waarop de verzending van het tweede deel dier brieven wacht. Hoewel wij begrepen. Japikse liet ook weder in 1908 op onze kosten een aantal brieven van de Witt ten dienste zijner uitgave op het Algemeen Rijksarchief afschrijven.XII deel der Brieven van de Witt en het derde van de Gedenkschriften van Gijsbert Jan van Hardenbroek. dat van de vertraging het gevolg moet zijn en waarvan wij in ons vorig Jaarverslag 1) gewaagden. dat met deze uitgave een afzonderlijk deel der Werken zou gemoeid zijn. toen hij in het voorjaar geheel persklaar ter uitgave aanbood een bundel stukken. Dat onze gewezen 1 Secretaris het Genootschap ook tijdens zijn non-activiteit niet vergat. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. maar wij zien nog steeds niet zonder verklaarbaar ongeduld de toezending ervan tegemoet. gaven wij in den zomer aan de heeren Feith en Brugmans de gelegenheid met den druk van de Kroniek van Abel Eppens te beginnen. Beide uitgaven zijn thans zoover gevorderd. toonde hij. Een niet gering aantal uitgaven zijn ons in het achter ons liggende dienstjaar ste toegezegd. handelende over Kerkvisitaties in het Sticht Utrecht in 1566 en volgende jaren. terwijl het bezwaar. Deze gaat thans vlot van de hand en wij zijn den heeren bewerkers dankbaar. er sedert niet minder op geworden is . dat we de twee deelen in den loop van het jaar aan onze leden hopen te kunnen toezenden.

onder wiens toezicht een zijner studenten voor verdere redactie. die in hoofdzaak de papieren had bijeengebracht en reeds van een inleiding voorzien. in deze van veelhoofdigheid te spreken. dat deze uitgave een eigenlijk hoofd miste. Broersma. vergezeld van een op nauwgezette studie der papieren berustend advies. Op onze aanvraag deelde in het afgeloopen voorjaar Prof.XIII namen wij het aanbod gretig aan. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ons medebestuurslid Bussemaker. die voor de aanvulling der kopij en de correctie der proeven zou zorgen. Dr. Wij schreven toen. maar wij zullen de laatsten zijn dit onbegrijpelijk te achten. want kort vóór het afdrukken van dit Verslag ontvingen wij het lijvige pak stukken persklaar uit zijn handen. Dit advies zal ons zeker dwingen de vraag te overwegen. of de Hotman-uitgave. Het is reeds twee jaren geleden. den druk nog eenigen tijd uit te stellen. daar onze pers nog genoeg bezet was. sinds wij iets konden mededeelen omtrent de bewerking van de Papieren van Jean Hotman. doch ten slotte gaf hij er de voorkeur aan. thans te Soerabaja. op de wijze zooals wij ons die tot nu toe voorgesteld hadden. dat om alleszins te billijken redenen de bewerking der Hotmanniana tijdelijk gestaakt was. En zijn belofte was geen ijdele. Bussemaker ons mede. Inmiddels liet en laat de geboorte ervan nog op zich wachten. Sedert evenwel is het wenschelijker geworden. zij allen zullen als peet staan over dit papieren kind. Aanvankelijk waren wij met den heer Muller overeengekomen zijn kopij zoo spoedig mogelijk ter perse te leggen. het volgende jaar hopen wij nader over deze uitgave te kunnen berichten. de heer Busken Huet te Parijs. doch in den loop van het jaar hervat zou worden. interpunctie en annotatie zou zorg dragen. de ontwerper van het plan. haar voortgang kan hebben. Deel 30 .

dat hij een omvangrijke verzameling aanteekeningen op de Journalen en verbeteringen van het Register. Ook bestaat aanleiding in dit Verslag terug te komen op iets. terwijl het overblijvende door de zorgen van ons medebestuurslid Prof. heeft echter de aandacht getrokken van ons honorair lid Prof. thans staat de kans heel wat gunstiger. Hora Siccama te 's-Gravenhage vernemen. de vrucht van jarenlange studie. Zeer onlangs bleek ons evenwel. Voor aanvulling onzer Hotman-uitgave bleken zij van den beginne aan niets te zullen opleveren. Blok in de Archives du Musée Teyler het licht zal zien. Wel bleek de verzameling nog niet gereed voor den druk en was de tijd van den heer Hora Siccama op het oogenblik door ander wetenschappelijk werk in beslag genomen. Mr. waarvan reeds in het vorige met een enkel woord werd gerept. maar daar nog niet waren teruggevonden. ook niet voldoende nieuws bevatte. te onzer beschikking stelde. om een op zichzelf staande uitgave ervan te rechtvaardigen. Het deel dier te Haarlem teruggevonden bescheiden. na een door Prof. Bussemaker ingesteld onderzoek. Vonden wij verleden jaar geen aanleiding onzen leden een verzameling addenda et corrigenda op het Register op de Journalen van Constantijn Huygens aan te bieden tengevolge der geringheid van stof. J. doch hij verklaarde zich Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 .H. dat wij binnen afzienbaren tijd een lijvigen bundel daarvan zullen in het licht zenden. waarvan het bekend was dat zij onder de papieren van Teylers Stichting berustten. dat het deel ervan.XIV Een aantal Hotmanniana. kwamen in 1908 weder aan het licht. waarvan wij gemeend hadden dat het voor publicatie van de zijde van het Genootschap in aanmerking zou kunnen komen. Moritz Ritter te Bonn. dat betrekking heeft op de guliksch-kleefsche successie. In het najaar toch mochten wij van den heer Jhr.

Deel 30 . het persklaar maken zijner notities ter hand te nemen. De onderhandelingen met hem werden in het verloopen jaar voortgezet met dit resultaat. dat hij ons een uitvoerigen en beredeneerden inventaris der aanwezige stukken met een rapport. aanwijzende wat hem ter uitgave wenschelijk voorkomt. in de uitgaven van het Genootschap te publiceeren.XV tot onze niet geringe vreugde bereid. heeft toegezegd. dat wij nog te gelegener tijd een keurcollectie bescheiden uit dat archief ter publicatie zouden aanvaarden. indien wij deze uitgave onder die in voorbereiding rangschikken. Wat wij thans onder deze rubriek het laatst gaan noemen is dit slechts naar rangorde van tijd. Mr. Wij stelden natuurlijk het reeds vroeger door ons verzamelde materiaal voor een verbeterblad gaarne ter beschikking van onzen boven allen bevoegden aanstaanden medewerker. niet ongeneigd was een 16tal rekeningen uit den tijd der Henegouwsche graven van Holland en Zeeland Jan II en Willem III. van Riemsdijk. aanwezig in het departementaal archief te Rijsel. waarin het in behandeling is gekomen. Th. In ons vorig Verslag zagen wij ons verplicht mede te deelen. Daar deze rekeningen zich aansloten aan de reeds voor lang door ons uitgegeven Rekeningen van de grafelijkheid van Holland en Zeeland. waarbij de mogelijkheid niet uitgesloten was. Jhr. In de laatste maanden van het jaar 1908 bleek ons uit mondelinge mededeeling van onzen nieuwen Voorzitter. Wij vleien ons daarom niet al te voorbarig te zijn. Az. doch dat wij aan den inzender een voorstel gedaan hadden. dat wij voorloopig de ons ter uitgave aangeboden papieren uit het handelsarchief van den delftschen burgemeester N. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de Algemeene Rijksarchivaris. dien hij onder handen had. na voltooiing van den arbeid. van Adrichem van de hand hadden moeten wijzen.

Het was ons daarom de een groote geruststelling. Dit laatste kostte weinig moeite. bezwaar te moeten maken. deze uitgave betreffende. doch de heer Van Riemsdijk bleek tegen een gecombineerde uitgave. besloten wij den heer Van Riemsdijk te verzoeken deze ook in de door hem gewenschte uitgave op te nemen. begrepen we alles in het werk te moeten stellen om dit bezwaar te ondervangen. waarop de uitgave der rijselsche rekeningen zou geschieden.XVI grepen wij dit denkbeeld met ingenomenheid aan. die ons reeds voor eenige jaren toezegde een verzameling Brieven van Lord Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. toen op ons verzoek onze 2 Secretaris. Hoewel de bizonderheden der wijze van samenwerking der beide heeren nog zullen vast te stellen zijn en nog eenige andere aangelegenheden. op oplossing wachten. Van de in bewerking zijnde uitgave van de Brieven van den pruisischen gezant Thulemeyer vernamen wij in het jaar 1908 niets het vermelden waard. dat het tot stand komen dezer belangrijke en zeker omvangrijke publicatie verzekerd is. de heer De Jonge van Ellemeet. dat ook het Rijksarchief in Zeeland nog fragmentarische rekeningen uit dien tijd herbergde. Reeds namen wij maatregelen om te Rijsel de zich daar bevindende rekeningen te doen afschrijven. Daar zijn bezwaar echter voortsproot uit de vrees. dat deze uitgave te veel van zijn tijd zoude vorderen. zooals door ons bedoeld was. zich wel beschikbaar wilde stellen den heer Van Riemsdijk de door dezen gewenschte assistentie te verleenen en deze met dit denkbeeld zijn instemming betuigde. indien wij het met hem eens konden worden over de wijze. dat het Algemeen Rijksarchief nog onuitgegeven baljuwrekeningen uit den henegouwschen tijd bevatte en ons later bleek. Deel 30 . verheugen wij ons ten zeerste erover. Daar het ons evenwel bekend was. De heer Henry de Peyster.

Door toevallige omstandigheden bestond er gelegenheid den codex. konden wij ter fine van uitgave aanvaarden. Deel 30 . berichtte ons op onze aanvrage. die kort voor 1672 onder meer ook de Nederlanden bereisde. te Rome door een jeugdig nederlandsch geleerde te doen onderzoeken. doch dat zijn aandacht erop gevestigd bleef. daar het te weinig bevatte van algemeene historische waarde. waarin het verhaal voorkomt. Naar denzelfde verwezen wij ook den belangstellende. dat niet reeds van elders bekend was. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat ons gesignaleerd werd als berustende in de bibliotheek der beroemde Benedictijner-abdij Monte Cassino en dat een verhaal van den veldtocht der Franschen in de Nederlanden in 1672 van de hand van een zekeren Cesareo Giovi bevatte. vermeerderd tot staving zijner meening met een aantal uittreksels uit den tekst. die ons oordeel vroeg over een door hem op de Bibliothèque Nationale te Parijs aangetroffen reisverhaal van een fransch officier.XVII Auckland voor onze pers te zullen bewerken. dat verandering van werkzaamheden hem genoodzaakt hadden zijn arbeid aan deze uitgave te staken. wat ons in het laatste jaar ter beoordeeling werd toegezonden. het resultaat onzer naar aanleiding van dat rapport gevoerde besprekingen was. Niet alles. Het langst hebben wij geaarzeld met betrekking tot een handschrift. doch dat ons niet voor uitgave door het Genootschap in aanmerking scheen te mogen komen. Wij meenden evenwel de aandacht van den Directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van den Generalen Staf aan het Ministerie van Oorlog op dit verhaal te moeten vestigen. Deze diende op ons verzoek over de waarde van het verhaal een uitvoerig en verdienstelijk rapport in. dat wij besloten het handschrift niet uit te geven.

namen wij. het besluit de verplichtingen. vermeerderd met een aantal bescheiden betrekking hebbende op Philips van Kleef. die ons toegezonden werden om als een bronnenpublicatie. Een memorie van den utrechtschen bisschop Frederik van Blankenheim uit het jaar 1417. doch waarschijnlijk uitstekend geschikt te zijn om als basis te dienen voor een artikel over de rol.XVIII Niet zonder ernstige overweging wezen wij ook van de hand een collectie copieën van de briefwisseling van de courantiers Abraham De Casteleyn en De la Font met den engelschen minister Williamson en van brieven van De Wicquefort. alles afkomstig van het engelsche Record Office. dat hij aanleiding zou vinden ons advies in deze te volgen. vooral sedert den tijd. Deel 30 . vroegen en verkregen wij van den inzender nadere inlichtingen. wat de tweede betreft. terwijl wij de hoop uitspraken. door die beide steden in dien opstand gespeeld. toelichtende den opstand van Vlaanderen tegen het oostenrijksch de gezag in de laatste jaren der 15 eeuw. Hieruit bleek. dat het uit te geven materiaal zeer omvangrijk was en daar over De Wicquefort reeds zooveel gepubliceerd is. Ten slotte bleek ons de verzameling een te weinig samenhangend geheel te vormen. Lang beraadslaagden wij ook over een verzameling aanteekeningen uit de stadsrekeningen van Sluis en Hulst. In dien geest antwoordden wij den geachten inzender. door ons te worden uitgegeven. niet nog te vermeerderen en de aangeboden copieën onder dankbetuiging aan onzen correspondent terug te zenden. De eerste verzameling scheen voor ons doel niet in aanmerking te kunnen komen. die wij reeds op ons genomen hadden. hoewel met leedwezen. dat Philips van Kleef zich in het kasteel van Sluis had teruggetrokken. gericht aan het bestuur der stad Utrecht en handelende over Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

a. waarbij de waarschijnlijkheid groot is. Het opent met een viertal Onuitgegeven bescheiden nopens de berenning en de overgave van Amersfoort in 1629. waaraan eenige regenten dier stad na de bekende gebeurtenissen van dat jaar van de zijde der Landsregeering hebben blootgestaan. Deel 30 . waarop dit Jaarverslag de inleiding vormt. Wanneer wij op onze werkzaamheden in het achter ons liggende jaar terugzien.E. werd door den inzender na mondelinge bespreking met een onzer teruggenomen. medegedeeld door den heer W. S. uitgegeven antwoord der stad op de bisschoppelijke klachten. van Dam van Isselt. dat de inhoud ervan nagenoeg woordelijk kon worden gereconstrueerd uit het wèl t. mogen wij niet zonder voldoening constateeren.M. nadat ons door een opzettelijk ingesteld onderzoek gebleken was. getuigenis af. De heer A. dat het Historisch Genootschap nog steeds in de belangstelling van de beoefenaars der historische wetenschap zich mag verheugen en dat voor ons naast de Commissie van Advies voor 's Rijks geschiedkundige Publicatiën nog ruimschoots plaats is. waarvan het origineel berust in de amsterdamsche Universiteits bibliotheek en waarin Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. waardoor de tribulatiën worden toegelicht. Van deze belangstelling legt ook het nummer der Bijdragen en Mededeelingen.p. Muller Fz. welke memorie niet opgenomen bleek in de publicatie van Mr. dat hunne remonstrantsche gezindheid hun een blijkbaar onrechtvaardige behandeling op de hals haalde. Cramer deelde in zijn Utrechtsche kout in 1769 een fragment van een brief van den orangist D'Hangest d'Yvoy aan een lid der familie Wttewaal mede. voorkomende in de Bijdragen en Mededeelingen van 1886.XIX inbreuken op zijn rechtspraak door de stad gemaakt. van stukken over geschillen der stad met de bisschoppen.

Pijnacker Hordijk. Kesper. Met een gevoel van diepen weemoed plaatsen wij deze herinnering aan den te vroeg ontslapen voortreffelijken nederlandschen mediaevist. Bussemaker maakte met den hem eigen bekwamen spoed voor onzen jaarbundel een zeer belangrijke Memorie over de Republiek in 1728 persklaar. Deel 30 . zond ons voor onzen bundel een brief uit zijn archief toe. Mr. eenigermate wordt toegelicht voor zoover het aangelegenheden der stad Gouda betreft. terwijl eene breede inleiding de resultaten dezer nieuwe bescheiden resumeert en toelicht. van Brakel leverde eenige vonnissen. op de hoogte stellen. wiens naam ook in de werken van ons Genootschap zulke voortreffelijke uitgaven dekt. de gaf onze Voorzitter Twaalf onuitgegeven oorkonden uit de 12 eeuw uit. waarmede hij in zijn nieuwe functie in aanraking zou komen. Dr. rakende de organisatie der Noordsche Compagnie. waaromtrent zoo weinig nog bekend is. die eene belangrijke aanvulling leveren op het reeds over deze merkwaardige handelscompagnie bekende. aan zijn plaatsvervanger De la Baune de noodige inlichtingen geeft. Moge deze korte aankondiging van den inhoud van Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. notarieele akten en een aantal vroedschapsresolutiën.XX de op echt 18 eeuwsche wijze over utrechtsche koetjes en kalfjes wordt gekeuveld en ook wel een beetje kwaad gesproken. die in 1728 tijdelijk zijn post ging verlaten om deel te nemen aan het bekende congres te Soissons. waaruit het in 1572 ter dagvaart van Holland behandelde. L. waarin de fransche gezant bij de Republiek. Ons medebestuurslid Prof. Uit de wetenschappelijke nalatenschap van wijlen Mr. De goudsche archivaris. C.A. S. die dezen van verhoudingen en personen. de markies De Fénélon.

maar behalve de honorarium quaestie betreffen zij nergens zaken van principieelen aard. aan een algeheele herziening te onderwerpen. dat hun tegelijk met de uitgave van den heer Hotz werd toegezonden. Met dankbaarheid gedenken wij de welwillendheid der heeren te Madrid. Onze leden hebben uit het exemplaar dier herziene Wet. alvorens tot den herdruk over te gaan. die ons nu en dan bereikten. evenals de vriendelijke tusschenkomst van den nederlandschen vertegenwoordiger bij het spaansche hof. Inlichtingen op vragen van historischen aard. dat van de Memorias van de Real Academia de la Historia te Madrid in onze boekerij geen nummers na het in 1852 verschenen aanwezig waren. kunnen zien.XXI ons jaarboek voldoende zijn en het verder voor zichzelf spreken. al bleek het nog al eens dat vragen minder bezwaarlijk is dan antwoorden. dat korter of langer tijd in onze vergaderingen onze aandacht vroeg. wisten wij van de Academia aanvulling der serie te verkrijgen. Toen in het voorjaar een onzer leden ons er opmerkzaam op maakte. doch slechts de redactie der artikels of huishoudelijke aangelegenheden. Toen wij nu in den afgeloopen zomer het besluit tot het verleenen van honorarium hadden genomen en dit beginsel in onze Wet opnamen. toen de toezending van het lijvige pak drukwerken eenig bezwaar scheen te zullen inhebben. Toen wij ter opheldering van de aangetroffen gaping in onze serie genootschapswerken de retroacta op- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. achtten wij het wenschelijk deze. werden door ons naar beste weten beantwoord. dat wij inderdaad een aantal wijzigingen hebben aangebracht. De voorraad beschikbare exemplaren onzer Genootschapswet dreigde sedert eenigen tijd uitgeput te geraken. Tot slot nog een enkel woord over een en ander. Deel 30 .

voorzoover die niet door administratieve bezigheden in beslag werd genomen.F. BANNIER. verrichtte zij werk. eindigen wij ons Verslag over het dienstjaar 1908. Den eigenaar van een collectie te Nijmegen opgegraven romeinsche oudheden. den Minister van Binnenlandsche Zaken.A. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. om met het oog op den onoogelijken toestand. met welker uitgave wij ons te gelegener tijd hopen te belasten. aan het Bestuur der Gemeente Utrecht en aan Kerkvoogden der Nederlandsch Hervormde Gemeente alhier. ste W. waarin de beroemde kloostergang van den utrechtschen Dom verkeert. door de Directie van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen gericht aan Z. S.. De Clercq. door haar aan onze belangen gewijd. Wij droegen daarom aan onze amanuensis. MULLER FZ. Met de mededeeling. die ons te koop werd aangeboden.XXII slaan wilden. die een statige rij registers in ons archief vormen. Het Bestuur van het Historisch Genootschap. Deel 30 . op om een dergelijken klapper samen te stellen. deze gang voor het openbaar verkeer gesloten te verkrijgen. verwezen wij naar den Directeur van het Rijks-Museum van Oudheden te Leiden. werd ten duidelijkste het gemis gevoeld aan een klapper op onze notulen. Ook buiten de uren. mej. doordat zij door den heer Rijksarchivaris belast werd met het afschrijven van een veertigtal nog onuitgegeven rekeningen van het bisdom Utrecht. waarvan wij de vruchten zullen plukken. 1 Secretaris. dat wij onze adhaesie betuigden aan een adres.E. aan dien arbeid besteed en is daarmede reeds zeer ver gevorderd. Voorzitter. zij heeft gedurende een deel van het jaar haar tijd in dienst van het Genootschap.

66 Effecten f 4910.90 Saldo 1908 5 5 f 410.04 Boeken (overgenomen f 118. Overzicht van den staat der kas van het genootschap. - Bode f 52.17 _____ 5 _____ 5 5 f 11694.80 Drukkosten der werken f 4595.73 Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.05 Verkoop boeken f 118. Saldo 1907 f 369. ONTVANGSTEN.47 Aankoop boeken f 236.52 Contributiën f 236. 1908.73 f 732.05 5 5 5 Salarissen en Pensioen f 350.80 Beleening f 2500. - Contributiën aan Genootschappen f 39.50 Administratiekosten f 613.71 Schrijfloon Contributiën f 4600. 1908. ONTVANGSTEN.35 f 11694.10 f 55.h.26 Administratiekosten f 24.25 _____ _____ f 723.82 Historische kaarten f 107. Leesgezelschap) Verkoop Werken f 374. Saldo 1907 f 2591.35 Rekening van het leesgezelschap.26 v.72 Verkoop boekenkasten f 186. Deel 30 .51 Rente van het kapitaal f 1441.70 Vergadering f 225.52 Crediet en Deposito-kas f 90. - Bindwerk f 116.XLVI Bijlage C. Rekening van het historisch genootschap.72 Assurantie f 51. UITGAVEN.61 Saldo kas 1908 f 419. UITGAVEN.

Rekening van het kapitaal. Saldo 1907 f 31206. Deel 30 .52 Saldo 1908 f 36116.97 Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.97 _____ _____ f 36116. 1908.45 Nihil f- Aangekochte effecten f 4910. ONTVANGSTEN. UITGAVEN.97 f 36116.

K. I.J. 1908.E. L e P r i n c e E d .XLVII Bijlage D. Lijst der van Januari 1908 tot Januari 1909 door schenking. H. Statistische gegevens betreffende den handelsomzet van de de Republiek der Vereenigde Nederlanden gedurende de 17 eeuw (1579-1715). Deel 30 . Hugo Grotius en Dionysius Petavius. Avec annexe. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Die Unionstätigkeit John Duries unter dem Protektorat Cromwells.) H. Alberdingk Thijm. uit: Het Jaarboekje van Jos. ruiling en aankoop voor het genootschap verkregen werken. A l l a r d . Armorial des Princes du sang royal de Hainaut et de Brabant. d e B l o c k . Alb. Van de schrijvers of uitgevers. (Overdr. B r a u e r . B e c h t . Ten geschenke ontvangen. A.

v. C r a a n d i j k . uit: Het Vondeljaarboek voor 1908. Gesch.) -.) -. uit hetzelfde. Het ontwerp-regeeringsreglement voor de Levant van 1673 en het formulier van 1675. 8.) de H. Johan van Dam. afl. R. J. Gesch. en Oudheidk. De Gevangenissen. inzonderheid het Tuchthuis. te Alkmaar. Vaderl. B r u i n v i s .E. -. D i j k s t e r h u i s . en Oudheidk. v. Het in train brengen van het in 1675 voor de Levant ontworpen formulier (1675-1680). 1908. Wie ‘mijne genadige vrouw’ was. en Oudheidk. C. (Overdr. (Overdr. (Overdr. Het kasteel Assumburg. Met een der stoomers van de Maatschappij Nederland naar Genua. (Overdr. Mr. uit: Bijdr. (Overdr. uit: De Indische Gids. Het ‘huis. 1808-1908. De poging tot ontzet van 's-Hertogen- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Gesch. 3 stuk. Gouverneur van Banda 1661 en van Amboina 1665.C.) -. D i f e r e e . Iets over de oude geschiedenis van het huis Assumburg bij Heemskerk en zijne bezitters. 1908. (Overdr.) W.) -. uit: Bijdr. 1908. Vaderl. uit: Het Huis oud en nieuw. v.) -. 1908.) B. Deel 30 . Een industrieel geslacht. (Overdr. De Geschiedenis van den Nederlandschen Handel. v a n D a m v a n I s s e l t . Der niederländische Anspruch auf die deutsche Nationalstiftung Santa Maria dell' Anima in Rom. Vaderl.) -.W. uit hetzelfde. de hofstede en vier morgen land’ te Isselt. uit: Bijdr.XLVIII G. (Overdr. B r o m . D u f o u r . (Overdr. uit: De Aarde en haar Volken. 1908. Vondel en de gouden eeuw.

lid van den Raad van Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. v a n d e r K e m p . 3 dln. E g g e n . CXXXIII.) E. J. De Nagedachtenis van Mr. en hare afweer. 7 volgr. Eene bijdrage tot de geschiedenis der Regeerings-reglementen van Nederlandsch-Indië. v. (Overdr. Sept. (Overdr. Lijnwadenverordening de van 1824. De geschiedenis van het ontstaan der Nederl. VI. VII.XLIX bosch in 1629. J. XI.) -. uit: Bijdr. G r a a f .en volkenk. 1907-Jan.) -.G. 1907-1908. H.-Indië.M. Haarl.) C. de 7 volgr. 1908. teekeningen. Courant.) S. ter beoef.J. en Meded. E y s t e n . S. Van kerkbouwstijlen en eischen van onzen tijd. Verzameling van kaarten. III. (Overdr.H. (Orgaan der Vereen. Deel 30 . H a a k . prenten en portretten betreffende de stad Dordrecht. uit: Opr.L. Dordracum illustratum. getoetst aan officieele en particuliere bescheiden.) -. uit hetzelfde. v a n G i j n .P. Ned.J. Gelre. uit: Bijdr. H a j e . uit: De Indische Gids. De Invloed door Zuid-Nederland op Noord-Nederland de de uitgeoefend op het einde der XVI en het begin der XVII eeuw. (Overdr. P.d. Baron Nahuys van Burgst. (Overdr. De Plooierijen. uit: De Katholiek. de Ruyter. Met atlas. v. van de krijgswetenschap. De Oprechte Haarlemsche Courant en Michiel Adriaensz.-Ind.F. t. in het bijzonder in het kwartier van Veluwe. April 1908. F. Geschiedenis der Nederlandsche Pontonniers. De Ontwikkeling der Naamlooze Vennootschap in Nederland vóór de codificatie. taal-.J. v a n d e r H e y d e n . Wappers Melis. land. (Overdr. J.

E.M. Geschichtswissensch.M. Gen.G. De Ruyter's Journaal tijdens de expeditie naar Denemarken.) H. A l p e r t u s M e t t e n s i s . R o e s . uit: Tijdschr. S. (Overdr. Sa politique extérieure 1640-1688.S. uit: De Gids 1908. Geldersche Kasteelen. v. Veldvruchten. Deel 30 . 20-26 (met band. d e K l e r c k . l ' H o n o r é N a b e r . (Overdr. Een Zeeuwsche Kalender uit de 16 eeuw. K o o p e r b e r g .h.h. 1. V. uit: Jahresber. Einleitung van C. Bemesting. Zeeuwsch Genootschap 1908. De diversitate temporum und De Theodorico I. H. W e r n e r . landvoogdes der Nederlanden. 1908. W i e r s u m . Aardrk. II (1660-1688. W ü p p e r m a n n . 2 Ser. v. tot den vrede van Kamerijk. uit: De Indische Gids.C. Aartsbisdom Utrecht.) M. P i j n a c k e r H o r d i j k .) O. Codex Hannoveranus 712A in phototypischer Reproduction. 1568-1620. 1906. Dec. Episcopo Mettensi. XXXIII.) A. Afl. Nederland vóór honderd Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Joris van Spilbergen. Margaretha van Oostenrijk. d.) de E. (Overdr. uit: Arch. P h i l i p p s o n .h. (Overdr. (Overdr. uit: Arch. W i c h m a n n .P. Het necrologium en cartularium van het Convent der Reguliere Kanonikessen te Diepenveen.) E. L.) A.) W. De Java-oorlog van 1825 -'30. Japan. XXV.A. v a n S l e e . Le Grand Electeur Frédéric Guillaume de Brandebourg.-Indië 1821-1825.W. v. W a d d i n g t o n . de Kon. N a c h o d . Das Leben Kaiser Friedrichs III. Groenteen Ooftteelt op zandgrond.L Financiën en Directeur der Inkomende en Uitgaande Rechten in Ned. (Overdr. J.

(Eigen Haard 4. uitgegeven door H. Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840. Eerste Deel. 13 Jaarverslag. 1908. XVI. IV.G. 9. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Bijdragen voor een Oorkondenboek van het Sticht Utrecht. II. I. I. V a n d e C o m m i s s i e v a n a d v i e s v o o r 's R i j k s g e s c h i e d k u n d i g e publicatiën. 11 Jan.T. Regesten van Oorkonden betreffende het Sticht Utrecht (694-1301). verzameld door G. Deel 30 . 14. 1 Aug. 2. Vaticaansch Archief. Recueil de Traités et Conventions.B. B r o m . beschreven door G. XXIX (1906). Van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken. Verslagen omtrent 's-Rijks oude Archieven. de Nasporingen en studiën op het gebied der Nederlandsche Krijgsgeschiedenis. Genootschappen. B r o m . 24. Archivalia in Italië belangrijk voor de geschiedenis van Nederland. E. 1801-1806.. 31 Oct. Staatsbewind en Raadpensionaris. XXIX (1906). 25 Juli. C o l e n b r a n d e r .) B.. L a g e m a n s et J. 16 Mei. 7. Rome. 2 stukken. 2. 21 Maart. Maatschappijen enz. Van den Directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van d e n G e n e r a l e n S t a f t e 's-G r a v e n h a g e . conclus par le Royaume des Pays-Bas.LI jaren. B r e u k e l m a n . Verslag omtrent 's-Rijks Verzamelingen van Geschiedenis en Kunst. Van of door Departementen van algemeen bestuur.

Zesde Jaarboek. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. uitgeg.J. De Cameraars-Rekeningen van Deventer. Van Gedeputeerde Staten van Zeeland te Middelburg.T. uitgegeven door W. Van het Stedelijk Museum te Alkmaar. Catalogus van de Provinciale Bibliotheek van Zeeland. J o o s t i n g . Nederlandsch Verbond te Dordrecht.G. I. Het verschijnsel der tuchteloosheid. A c q u o y . J. III. Bronnenverzameling uitgegeven door H.C. 5 Vervolg. VI. 2. Van het Alg. Van Gedeputeerde Staten van Friesland te Leeuwarden. Colenbrander. Van het Gemeentebestuur van Deventer. de Catalogus van de Buma-Bibliotheek te Leeuwarden. ste XXXIII Verslag over 1907. Het archief der heerlijkheid Ruinen. K n u t t e l . d. V a n d e V e r e e n i g i n g ‘A m s t e l o d a m u m ’ t e A m s t e r d a m . Deel 30 . I.C. 1621-1633. Ontstaan der Grondwet.P. Bladwijzer. V a n h e t R i j k s -a r c h i e f i n D r e n t e t e A s s e n .LII Acta der particuliere Synoden van Zuid-Holland 1621-1700.

24 Nov. Leeuwarden van 1846 tot 1906. H e e r i n g a .. Van het Gemeentebestuur van Schiedam. IX. Deel 133-134. 23 Mei. Bewerkt door J. De Katholiek. 5 Supplément. 1902-1908. 7 April. R. Van het Bestuur van het Historisch Genootschap te Utrecht.. 1908. 18 Febr. 28 Jan. XXIX. 1908. Verslagen der Vergaderingen van 7. N a n n i n g a U i t t e r d i j k . 1630-1635. Deel 30 .. Van het Gemeentebestuur van Kampen. Van het Gemeentebestuur van Leeuwarden. Register van Charters en bescheiden in het oude archief van Kampen. Bijdragen en Mededeelingen. e Catalogue de la Bibliothèque wallonne. K. e XXVIII Rapport. Verslag over 1907. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 27 Oct. 17 Maart. Het Oud-Archief der gemeente Schiedam. Jaarg. V a n h e t I n d i s c h G e n o o t s c h a p t e 's-G r a v e n h a g e . V i s s c h e r . Van de Redactie van ‘De Katholiek’ te Utrecht. 1905 et 1906. Van de Commission de l'histoire des Eglises wallonnes te Leiden.LIII V a n d e C o m m i s s i e v a n b e h e e r e n t o e z i c h t o v e r ‘E d a m 's M u s e u m ’.

C. Jr. de 16 Verslag. 1903-1904.M. th 25 Annual Report of the Bureau of American Ethnology. S c h o e n g e n . S p e e l m a n . 3 (met Suppl. Deel 30 . uitgeg.LIV J a c o b u s T r a i e c t i a l i a s d e V o e c h t . V a n d e n h e e r J. B e s c h o r n e r . d. A. Compagnie Joan Cunaeus naar Perzië in 1651-1652. A. d. over 1906-1907. Van de Konferenz landesgeschichtlicher Publikationsinstitute. uitgeg. Die historisch-geographischen Arbeiten im Königreich Sachsen. Bulletin 33. Narratio de inchoatione domus clericorum in Zwollis. bis 7. B e c k e r . R. Journaal der reis van den gezant der O. met akten en bescheiden betreffende het Fraterhuis. September 1907. XXXI. Met bijgevoegde platen. M e i c h e . The Annals of the American Academy of political and social Science XXX. K ö t z s c h k e . H o n i g Jsz. Van de Vereeniging tot uitbreiding en instandhouding der Z a a n l a n d s c h e O u d h e i d k u n d i g e V e r z a m e l i n g ‘J b .). H o t z .R. P l a n t e n t e N e w -Y o r k . 3.I. Bericht über die achte Konferenz. H. Van de Smithsonian Institution te Washington.A. 35. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Van den Verband deutscher Historiker te Keulen.’ te Zaandijk. Bericht über die zehnte Versammlung deutscher Historiker zu Dresden 3.

Letterkunde. Facultés de Droit et des Lettres. VIII.Verslagen en Mededeelingen. 4 reeks. M o e s . Kohinklijke Akademie van Wetenschappen. Accedunt quatuor poemata laudata. Jaarboek. 1.W. 1-4. Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. A m s t e r d a m . 4 (1908). Aachener Geschichtsverein.LV Year Book of the (Collegiate) Reformed Protestant Dutch Church of the city of New-York.Verslagen. IX. Afd. 1. Ad Conventum Hagensem de publica Pace. Door ruiling met andere genootschappen verkregen. X.Poemata (Leg. Afd. A m s t e r d a m . Teekeningen van J a c o b u s B u y s . in de oorspr. I. . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. A i x . . Zeitschrift. V. Annales de la faculté des Lettres. II. kleuren weergegeven. 5-7. 5. 1907. Hoeufft). 2. Annales de la faculté de Droit. De twaalf Maanden met voorstellingen uit het stadsleven. Eerste Sectie. Deel 30 . XXIX. A k e n . XVI. Natuurkunde. IX. Verhandelingen. 2. Nieuwe Reeks. 1-4. I. Verhandelingen. de . met eenige mededeelingen over den teekenaar door E.

H o e f e r . Bulletin de la Classe des Lettres et des Sciences morales et politiques et de la Classe des Beauxarts. Annuaire. Gelre. d e K l e r c k . 2-4. des Lettres et des Beaux-arts de Belgique. B a z e l . XXXIII. XX. Forschungen zur brandenburgischen und preussischen Geschichte. F. Historische und antiquarische Gesellschaft. XXXII. Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. B a t a v i a . VIII. B o n n . 2-6. 1908. L. 6-12. Bijdragen en Mededeelingen. XI. LI. 1908. B r u s s e l . 1908.S.A. Verein von Altertumsfreunden im Rheinlande. Heft 116. VII. B o n n . E. 1-5. LXXXVI. Vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 4. 1-3. Basler Zeitschrift für Geschichte und Altertumskunde. Annalen. A r n h e m . Historischer Verein für den Niederrhein. 3-5. Allgemeine geschichtforschende Gesellschaft der Schweiz. XLV (1907). Académie royale des Sciences. V. 1. 1.en Volkenkunde. De Java-oorlog van 1825-'30. Verein für Geschichte der Mark Brandenburg. Land. 1907. oudheidkunde en recht. Bulletin. 1907. Jahrbücher. Jahrbuch für schweizerische Geschichte. Notulen.LVI A n t w e r p e n . Académie royale d'Archéologie de Belgique. Tijdschrift voor Indische Taal-. XLVI (1908). 1. LXXXV. Mededeelingen omtrent het Oude Loo en den Cannenburch. B e r n . B e r l i j n . 3. Deel 30 . 2.

Düsseldorfer Geschichtsverein. Chartes du chapitre de Sainte-Waudru de Mons. H. G e n è v e . Schriften. Société d'Archéologie de Bruxelles. XXXVI. XXI (1907). XXVII. XII. Società di Storia patria per la Sicilia orientale. Archivio storico per la Sicilia orientale. IV. B r u s s e l . Mittheilungen. Analecta Bollandiana. Société d'Histoire et d'Archéologie. Zeitschrift. par S. 1-6. 1-4. 3. Annales. XXVI. e Mémoires et documents. Westpreussischer Geschichtsverein. D e n d e r m o n d e . 2. III. L. 1. III. XIX (1908). 3. LXXVII. LXXVI. XXXI (2 série. XI). Annuaire. C a t a n i a . 2. 1. XLVI. Gedenkschriften. I. M o s l e r . Die Einführung der Rheinschiffahrtsoktroi-Konvention am deutschen Niederrhein 1803-1807. XXII (1908). XIX. XLV. III. 3-6. 3. 3. 1-4. D a n z i g . 3. D e v i l l i e r s . Deel 30 . D u s s e l d o r p . XI. Table chronologique des chartes et diplômes imprimés concernant l'histoire de la Belgique. De Bollandisten. Biographie nationale. 2. Tweede Reeks. Bulletin des Commissions royales d'Art et d'Archéologie.LVII Bulletin de la Commission royale d'Histoire de Belgique. 1. recueillies et publiées par L. Bulletin. 2. 4. B o r m a n s et J. B r u s s e l . Oudheidskundige Kring der stad en des voormaligen lands van Dendermonde. 9-12. 1. F r i e d r i c h s h a f e n . Verein für Geschichte des Bodensces und seiner Umgebung. H a l k i n . Nouv. 1-4. VIII. 4. VII. série. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

d e P a u w . I s . T e i r l i n c k . 1-11. 3. Jan. 1908. Kinderspel en kinderlust in Zuid-Nederland. Het Rijksarchief te 's-Gravenhage. Maatschappij van Geschied. Jaarboek. C o o p m a n en J. E. VIII. d e V o c h t . H. 's-G r a v e n h a g e . N a p . IV. B r o e c k a e r t . A. Handelingen. V. 1907. VIII. G e n t . Vereeniging Die Haghe. 's-G r a v e n h a g e . d e C o c k en I. Bibliographie van den Vlaamschen Taalstrijd.LVIII G e n t . 1-4. 1861-1867. Neujahrsblatt 1 (1908). Middelnederlandsche Gedichten en Fragmenten. T h . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. V. 16 jaar. I. De Germaansche Elementen in de Romaansche talen.. U l r i x . Maart 1907. T e i r l i n c k . Deel 30 .en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. Koninklijk Instituut voor de Taal-Land. I. VII. Zevende volgreeks. Jaarverslag over 1907. 1-4. De Invloed van Erasmus op de Engelsche e e tooneelliteratuur der XVI en XVII eeuwen. 1. VI. uitgeg.en Oudheidkunde. 's-G r a v e n h a g e . II. 7. Wereldlijke Gedichten. Proeve van een Romaansch-Germaansch Woordenboek. de Bulletijn. Algemeen Rijksarchief. Bijdragen. d. 3. Historischer Verein für Steiermark. G r a z . 1908. Bijdragen en Mededeelingen.-Nov. 4. 1868-1872. Zeitschrift. Verslagen en Mededeelingen. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taalen Letterkunde. Dec. 1908. Zuid-oostvlaandersch Idioticon. 15 de jaar.

2. Eene bijdrage tot de geschiedenis van het geslacht Spiering. XXIII. 2 Supplement. 2. Neue Folge. Zeitschrift. 3. M o s m a n s . 3. Eenige charters betreffende Almkerk. Deel 30 . 4.LIX G r e i f s w a l d . G i j s b .A. M e y e r O. v a n d e n E l s e n en W. H a m b u r g .F. C o e v e r i n c x . G.J. XIII. K e u l e n . Neue Folge. bewerkt door G.P. 's-H e r t o g e n b o s c h . v a n B e u r d e n . Analecta. IX. XXVII (1907). 1-3. B e e l a e r t s v a n B l o k l a n d .F. Redactie van de Westdeutsche Zeitschrift für Geschichte und Kunst. 11. . Oude Namen van huizen en straten te 's-Hertogenbosch. I. Verein für hessische Geschichte und Landeskunde. Zeitschrift XII. XXVI (1906). XXVII. I-XXXIX.. Badische Historische Kommission. Mitteilungen. D e z e l f d e . 1. J. XLII (N. 4. Zeitschrift für die Geschichte des Oberrheins. K a s s e l .Inhaltsverzeichniss. 1. Supplement. XXXII). Pommersche Jahrbücher. F.P. M o s m a n s en A l p h . Rügisch-Pommerscher Geschichtsverein. Zeitschrift. Chronicon conventus Buscoducensis Ordinis Praedicatorum et Historia monasterii Worcumiensis. Verein für hamburgische Geschichte. de Catalogus der Boekerij. Bewerkt door G. XLI (Neue Folge. J a c . Het Missale van de Kerk te Wijk bij Heusden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. P. XXVI. H o e v e n a a r s . Alte Folge. A. Neujahrsblätter. XXXI). K a r l s r u h e . B r o u w e r O. Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant.

e Analectes. 4. 4. III. L e m b e r g . IX. 2. Zeitschrift. L e i d e n . IV.en Taalkunde. XXVI. L e e u w a r d e n . 1. Rocznik XXII (1908). IV (1906-1907). Neue Folge. Altpreussische Monatschrift. XXVII. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 3 Série. 4. XLV. 1-5. Berichte über die Verhandlungen d. Gesellschaft für schleswig-holstein-lauenburgische Geschichte. 1907-1908. 1. L e u v e n . Philol. 1-4. XXV. XXXVIII. v. 6. Redactie van de Altpreussische Monatschrift. 1-4. 1. Redactie der Revue d'Histoire ecclésiastique. Tijdschrift voor Nederlandsche Taal. Handelingen en Mededeelingen. Levensberichten. L e u v e n . Bulletijn. Oudheid.en oudheidkundige Kring. K o r t r i j k . 3. Deel 30 . Friesch Genootschap van Geschied-. Redactie der Analectes pour servir à l'Histoire ecclésiastique de la Belgique. 1-4. XXVI. Redactie van Kwartalnik Historyczny. Klasse. 1. Friesische Papsturkunden aus dem Vatican-Archive zu Rom herausgeg. Abhandlungen der philologisch-historischen Klasse. Kwartalnik Historyczny. Königlich-sächsische Gesellschaft der Wissenschaften. 1907-1908. Handelingen. R e i m e r s . ste 79 Verslag over 1906-1907. Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. LIX (1907). K o n i n g s b e r g e n . 1-4. XXIII.-hist. Revue. Geschied.H. 3. V (1907-1908). 2.en Letterkunde. L e i p z i g . I.LX K i e l . 1.

XVII. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. M a d r i d .) M a a s t r i c h t . Section historique. L u b e c k . 1907. III (1907-1908. Andra Afd. Institut archéologique liégeois. Boletin. Abbaye de Maredsous. Zeitschrift. M e c h e l e n . Nova series. 1. 3 Series. LI. Kongelige Universitet. Société d'art et d'histoire du diocèse de Liége. Publications. N 89-92. Archives trimestrielles. d Transactions. L o n d e n . (1 gedeelte). M a r e d s o u s . 1. Deel 30 . Lübecker Frühdrucke in der Stadtbibliothek zu Lübeck. o English historical Review. L u i k . met bijlage: J. III (1906. Redactie van de English historical Review. Royal Historical Society. Nouv. XVI. II. ste Malines jadis et aujourd'hui. 6.) L u n d . Bulletin. LV. Revue bénédictine.en oudheidkundig Genootschap in het Hertogdom Limburg.LXI L o n d e n . Bulletin XV. Tafeln. Publications. LII. LIII. XLIII (1907. IX.) L u x e m b u r g . Leodium. II. littéraire et artistique de Malines. I. 4. 1-6. XXV. Real Academia de la Historia. XXIV. L u i k . 1-3. série. C o l l i j n . Bulletin. Verein für lübeckische Geschichte und Alterthumskunde. XXXVII. IV-VI (1905-1907. 1-6. 2. Cercle archéologique. Geschied. 2. Institut grand-ducal de Luxembourg.) Tables générales des tomes I à XL. XVII. Acta Universitatis Lundensis.

Germanisches Museum. Anzeiger. LXV. Verein für Geschichte und Landeskunde Osnabrücks. XXVIII. N e u r e n b e r g . II. Redactie van Portugalia.-philol. Portugalia. XXVII. 1908. O s n a b r ü c k . 2. M i d d e l b u r g . N i e u w -Y o r k . Archief. Klasse. Königlich-bayerische Akademie der Wissenschaften. 1-4. 4. Verein für Geschichte der Stadt Meissen. Jahrbuch.LXII M e i s s e n . 3. Deel 30 . M u n s t e r . 1-4. Mitteilungen. Historische Gesellschaft für die Provinz Posen. 1907. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. XIX (1907). VIII. 3. 1. XXV. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Zeitschrift. Gesellschaft für lothringische Geschichte und Altertumskunde. XXIX. XXII. XXXIII (1900). XXXII (1907. u. 1. VII. P o s e n . 1-12.) P o r t o . 1907. N a m e n . Sitzungsberichte der philos. Historisches Jahrbuch. Société archéologique de Namur. M u n c h e n . Zeitschrift für vaterländische Geschichte und Alterthumskunde. Redaction des Historischen Jahrbuches der Görres-Gesellschaft. 1908. M e t z . 3. Mitteilungen. 1. Annales. 4. M u n c h e n . Publication Fund. 1-6. The New York Historical Society. Historische Monatsblätter. der histor. Verein für Geschichte und Alterthumskunde Westfalens.

XXX. 17. Deel 30 . Annales. Jahrbücher und Jahresberichte. Limburg's Jaarboek. IV. Königliche Landesbibliothek. Redactie der Annales de l'Est et du Nord. Verein für mecklenbürgische Geschichte und Alterthumskunde. Verslag over den toestand van het Museum van Oudheden in 1907. III. Archivio. S c h w e r i n . Baltische Studien. Nordiska Museet. Annalen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 4. II. V a t a s s o . Conlegit M. 3. Gesellschaft für pommersche Geschichte und Altertumskunde. Neue Folge. . N-Z. LXXIII. Gemeente-Archief. S t r a a t s b u r g . S t . 1-3. S t e t t i n . Bibliotheca apostolica Vaticana. Sprache und Literatur Elsass-Lothringens. 1907. 1-4. XXVI. Historisch-literarischer Zweigverein des Vogesen-Clubs in Elsass-Lotharingen. 1-4. Oudheidkundige kring van het Land van Waas. XIII. Studi e testi. XXIV. XI. XIV.N i k o l a a s . S t o c k h o l m . Reale Società romana di Storia patria.LXIII R e g e n s b u r g .) R o m e . S t u t t g a r t . R o m e . LIX. 2. Fataburen. Historischer Verein von Oberpfalz und Regensburg. Provinciaal Genootschap voor geschiedkundige Wetenschappen. LVIII. R i j s e l . Limburg. Taal en Kunst. Jahrbuch für Geschichte. 4. Verhandlungen. R o t t e r d a m . (Initia patrum aliorumque scriptorum ecclesiasticorum latinorum. Verslag over 1907. 4. 1. XXXI. 3. R o e r m o n d .

F a l k . Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Archief. Gemeente-Archief. Verslag van den toestand der Gemeente Utrecht in 1907. XXXIII. 1-4 (95-98). Studier in Ynglingatal. Kongelige Universitets-Bibliothek. H. Verslag over het voorgevallene in de Gemeenteverzamelingen in 1907. Carolina Rediviva. II. U t r e c h t . Konungs Annáll ‘Annales islandorum regii. Institut für österreichische Geschichtsforschung. III. 777 Hannover. XVI (1907). Statwechs gereimte Weltchronik. S c h ü c k . 1. Historiska Studier. Deel 30 . tillägnade Harald Hjärne. Urkunder till Stockholms Historia I. Gustaf Vasas Utrikespolitik med afseende på Handeln. Redactie van het Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht. 1908. 1907. 1. 2. K o r l é n . Aanteekeningen van het verhandelde in de Sectievergaderingen. Württembergische Vierteljahrshefte für Landesgeschichte. W e e n e n . no. B u e r g e l Goodwin. 1907. 1-3. A. Stockholms Stads Privilegiebref 1423-1700. 1908. Ms. A.’ utgiven av H. 2. Svenska Landsmål och Svenskt Folklif. U p s a l a . U t r e c h t . 3. U t r e c h t . I. XVII (1908). 1-4. Verslag van het verhandelde in de Algemeene Vergadering.LXIV Württembergische Jahrbücher für Statistik und Landeskunde. XXXIV.

Mitteilungen. IV (1907). XXIX. 1-4. Harz-Verein für Geschichte und Alterthümer. 1-12. Zeitschrift. W e r n i g e r o d e . 1-4. 1-4. 1. Uitgeg. W o l f e n b ü t t e l . XLIX. Annalen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Aangekocht. W. V. Jahrbuch. Geschiedenis van den hof Espelo. Overgenomen van het leesgezelschap. Historischer Verein von Unterfranken und Aschaffenburg. Aankoopen van het genootschap. W i e s b a d e n . XXII. Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis. III. A. Deel 30 . t e r K u i l e . Revue d'Histoire diplomatique. Z w o l l e . XXXVII (1907).J. Jahresbericht für 1906. Geschichtsverein für das Herzogthum Braunschweig. zijne eigenaren en bewoners. W ü r z b u r g . Anzeigen. Archiv. N a g g e . XIII (1907). door F. B. 1907/8. ste Verslagen der Handelingen der 100 Vergadering. VI (1907). XLI. Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis. 2.Beiblatt: Kunstgeschichtl. 3. 2-4. 4. Historie van Overijssel.A. . 1. G. H o e f e r . II. Verein für nassauische Altertumskunde und Geschichtsforschung.LXV Mitteilungen. Braunschweigisches Magazin. VI. Nieuwe Serie.

II. XVI (1907/1908). XXI-XXX. VI (1908). 2. IX. S e e l i g e r . 1.en Volkenkunde XXIII. 1-6 (28 année. 1-3. I. Deutsche Geschichtsblätter. 4-12. e e La Révolution française. 1-5. Oud-Holland. 3-5. 2. 1. Nachrichten und Notizen. Land. XXXI. 3 Folge. 1909.und Wirtschaftsgeschichte. Bijdragen voor de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem. 3. H i r s c h . 4.en Volkenkunde. XXIX (1906).Prospectus uitgegeven ter gelegenheid van het vijf-en-twintigjarig bestaan. 1-5. Revue d'histoire moderne. Register op Dl. 2. Hrsg. 1-6. Red. . IX (1907/1908). XI (1908). 1. Tijdschrift voor Boek. 1-6 (27 année. de Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond. XXXIII. IV. LV.Alg. XXXII. 1-4. 1908. e Bijdragen voor vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde.) Groningsche Volksalmanak.en Bibliotheekwezen. V. Vierteljahrsschrift für Social. XXIII (1908). Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 2. 2 Thle. De Navorscher 1908. von G. XXVI (1908. XXVI. Bijdragen voor Geschiedenis.LXVI Nederlandsch Archievenblad. 2. 1-3. 3. 7-12). X. 1-6). LIV. von F. 1907. VII. 1. 1-4. 1-4. 2. VI. Tijdschrift voor Geschiedenis. Deel 30 . 1-4. Neues Archiv der Gesellschaft für ältere deutsche Geschichtskunde. Land. Mittheilungen aus der historischen Litteratur. 3. 1-4. XXXVI. . Hansische Geschichtsblätter. 2 Serie. Jahresberichte der Geschichtswissenschaft. Historische Vierteljahrsschrift. Nieuwe Drentsche Volksalmanak. 4 Reeks. 3. 1-9. e Historische Zeitschrift.

Revue des questions historiques. The American historical Review. 1908. 1908. 1-4. Revue belge de numismatique. 1908. XIII. 2-4.-Oct. 18-21) Jan.LXVII Revue historique. (The Scottish historical Review. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . XCVI-XCIX (1908). 1-4.

Aarle-Rikstel. Berkel. Bakel c.a.a. Deel 30 . Jaarverslag van de centrale commissie voor de historisch statistische kaarten van Nederland over 1908. Baardwijk.en Neder-Andel. Noord-Brabant. Alem c.. Best. In ons vorig verslag deelden wij reeds het een en ander mede omtrent de kaarten. Almkerk.a. Om een denkbeeld te geven van de verkregene uitkomsten tot 31 December 1908 laten wij hieronder volgen een Staat of overzicht van de tot heden bij de Centrale Commissie voor de Historisch-Statistische Kaarten van Nederland ingekomen berichten omtrent de wijkverdeeling der gemeenten in Nederland.. Bezooien. Deze arbeid werd geregeld voortgezet en vergde veel geduld en schrijfwerk. Berghem. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Beek c..LXVIII Bijlage E. Bergeik. Alfen c a. Op.a... Beugen c. waarop de wijkverdeeling der gemeenten in Nederland voorkomt. Berlikum. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Aalst. Bladel c.a. Asten. Baarle-Nassau..

a. Zes-Gehuchten.a.a. Geen wijkverdeeling hebben de gemeenten: Beers. Haren. Vucht. Strijp Terheiden.. Udenhout. Waspik. Helvoort.. Boksmeer.a.. Moergestel. Hedikhuizen. Kuik c. Vlierden. Schaaik.a. Oploo c. Etten c.. Halsteren.a. Dommelen. Oefelt.a. Escharen. Uden. Engelen. De Werken c. Westerhoven. Rosmalen. Vierlingsbeek.. Dinteloord c. Heesch.a. Tilburg.. Deurne c. Veldhoven c. Waalre. Geldrop. Empel c. Oud.en Nieuw-Gastel. Nieuw-Vosmeer.a. Mil c. Drunen. Oudenbosch. Woensel. Gestel.. Maarheeze. Vechel. Eind- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.a. Bokstel. Maashees c. Valkenswaard. Eersel. Putten. Dieden c. Rijswijk.. Oerle. Heesbeen... Stratum. Soerendonk c.a. Velp.a. Oosterhout. Huibergen. Breda. Teteringen. Wijk c. Zeelst. Wanrooi.a. Os.a. Erp. Esch. Nieuwkuik. Nunen c. Hoeven. Hooge. Grave. Rozendaal c. Chaam.LXIX Boekel. Heusden. Made c.a. Budel. 's-Gravenmoer. Liemde.. Oudheusden. Leende.a. Lit. Mierloo. Nuland. Zeeland. Woensdrecht... Herpen. Giesen.. Oorschot. Rukfen. Meeuwen c. Lierop. Helmond. Drongelen c. Diesen.a. Son c. Gilze c.a. Oosterwijk. Schijndel.. Haps.. Den Dungen. Huiseling c. Wouw.. Hoogeloon c. Someren. Lieshout. Geffen.a. 's-Hertogenbosch.. Waalwijk. Ginneken c. Reuzel. Hoogeen Lage-Mierde.. Standdaarbuiten. Linden.. Megen c. Ooien c...a. Duizel c. Sambeek. Vessem c.. Dussen c. Rijsbergen. Loon op Zand. Dinter. Tongelre. Deel 30 .a..a. Reek. Willemstad. Gassel. Dongen. Zevenbergen en Zundert.. Borkel c. Fijnaard c. Kapelle. Steenbergen c.a... Bokhoven.a. Hilvarenbeek. Kromvoort. Stiphout. a. Gemert.. Luiksgestel. Nistelrode. Geertruidenberg.en Lage-Zwaluwe.a. Goorle. Klundert.a.. Riethoven. Oosten West-Middelbeers.a.-Oedenrode.. Vlijmen.a.a. St.a. Heeswijk. Deursen c. Raamsdonk. Heeze.a. Prinsenhage.

Veen. Gameren. Driel. Balgooi. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Aalten. Groenloo. Duiven. Geen wijkverdeeling hebben de gemeenten: Dreumel. Gorsel. Herpt. Nijkerk. Hurwenen. Est en Op-IJnen. Beuzichem. Doesburg. Maurik. Gent. Zelhem en Zutfen. Brakel. Dingsperloo. Heteren. Gendringen. Ossendrecht en Woudrichem. Elburg. Kerkwijk. Westervoort. Brummen. Ermeloo. Vuren. Valburg. Rossum en Zuilichem. Geldermalsen.. Haaften. Herwen c.a. Deil. Neder- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . Hedel. Hoevelaken. Rozendaal. Huisen. Heerewaarden. Epe. Angerloo. Batenburg. Lochem. Apeldoorn. Lichtenvoorde. Horsen. Buren. Appeltern. Buurmalsen. Vaasen. Litooien. Berg. Dorenwerd. Didam. Elst. Ubbergen. Beuningen. Nader bericht of toezending van kaarten wordt ingewacht van de gemeenten: Bergen-op-Zoom. Arnhem. Beesd. Hummeloo. Hattem. Doornspijk. Groesbeek. Nader bericht of toezending van kaarten wordt ingewacht van de gemeenten: Ammerzoden. Hemmen. Wageningen. Gelderland. Nijmegen. Heerde. Ambt-Doetinchem. Millingen. Bergharen. Heumen. Eibergen. Kesteren. Vrijhoeve-Kappelle en Werkendam. St -Michielsgestel. Harderwijk Hengeloo. Borkeloo. Neede. Herwijnen. Laren. IJzendoorn. Barneveld. Lienden. Varik. Sprang.LXX hoven. Ewijk. Ede. Echteld. Druten. Stad-Doetinchem. Oldebroek. Ravenstein. Bemmel. Doodewaard. Kuilenburg. Winterswijk.

Ketel. Naaldwijk. Waardenburg. Piershil. Leerdam. op dun perkament-papier. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Ter-Aar. Lisse. Sommelsdijk. Bleskensgraaf. Gorinchem. Alfen. Wichen. Oud-Alblas. Koudekerk. Zuid-Beierland. Warnsveld. Oudshoorn. Wamel. Delft. Nieuw-Beierland. Ruurloo. Middelharnis. Hof-van-Delft. Alblasserdam. Ouderkerk-a/d-IJsel. Katwijk. Oost-Voorne. Heinenoord. Leimuiden. Pernis. Putten. Hazerswoude. 's-Gravendeel. Steenderen. Rokkanje. Heukelom. Schipluiden. Everdingen. Oudewater. werden aan bovenstaande gemeenten voor dit doel toegezonden. Kapelle-a/d-IJsel. Hendrik-Ido-Ambacht. Maassluis. Zalt-Bommel. Heer-Jansdam. Haastrecht. Hoogvliet. Oegstgeest. Over-Asselt. IJselmonde.en Boeikop. Dubbeldam. Oud-Beierland. Zuid-Holland. Rozenburg. Schoonhoven. Reden. Hagestein. Giesendam. Leiden. Krimpen-a/d-Lek. Voorst. Tiel. Papendrecht. Deel 30 . Leksmond.LXXI Hemert. Nieuw-Lekkerland. Vorden. Meerkerk. Loosduinen. 's-Gravenhage. Ouddorp. Numansdorp. Barendrecht. Overschie. Hillegom. De Lier. Weel. Zevenaar en Zoelen. Poortugaal. Maasdam. Asperen. Sliedrecht. Op-Hemert. Aarlanderveen. Leiderdorp. Pijnakker. Bodegraven. schaal 1:50000. Goudswaard. Wadenooien. Roon. Groot-Ammers. Renkum. Dordrecht. Monster. Stad-aan-'t-Haring- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Moordrecht. Wisch. Scherpenzeel. Mijns-Heerenland. Nieuwenhoorn. Rijnsburg. Nieuwveen. Nieuwkoop. Nieuw-Helvoet. Gouda. Poederooien. Ooltgensplaat. Hei. Rotterdam. Pannerden. Den Bommel. Brielle. Rijswijk. Bladen van de topographische en militaire kaart des Rijks. Gouderak.

Schoonrewoerd. Boskoop. Ammerstol. Vlaardinger-Ambacht. Oude-Tonge.LXXII vliet. Hoog-Blokland. Voorburg. Sassenheim. Geervliet. Noordeloos. Vrijenban. Hekelingen. Lange-Ruige-weide. Heenvliet. Wijngaarden. Nootdorp. Goedereede. Vierpolders. Reewijk. 's-Gravenzande. Vlaardingen. Rietveld. Nieuwpoort. Nader bericht of toezending van kaarten wordt ingewacht van de gemeenten: Abbenbroek. Spijkenisse. Meliszand. Moerkapelle. Zegwaard. Lekkerkerk. Anna-Paulowna. Oudenhoorn. Assendelft. Bergambacht. Hardingsveld. Waddingsveen. Rijnsaterwoude. Deel 30 . Voorschoten. Stolwijk. Vianen. Hellevoetsluis. Warmond. Zuidland en Zwartewaal. Noordwijk. Wateringen en Zwijndrecht. Schiebroek. Zoeterwoude en Zwammerdam. Geen wijkverdeeling hebben de gemeenten: Ameide. Woerden. Maasland. Noordwijkerhout. Giesen-Nieuwkerk. Zoetermeer. Barwoudswaarder. Valkenburg. Klaaswaal. Noord-Holland. Kedichem. Peursum. Beverwijk. Bleiswijk. Veur. Alkemade. Bloemendaal. Woubrugge. Arkel. Hoornaar. Leerbroek. Papekop. Nieuwland. Ottoland. Beets. Puttershoek. Hekendorp. Berkel. Beemster. Dirksland. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Alkmaar. Stompwijk. Brandwijk. Wassenaar. Strijen. Hillegersberg. Molenaarsgraaf. Herkingen. Goudriaan. Bergschenhoek. Berkenwoude. Stellendam. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Streefkerk. Vlist. Langerak. Waarder. Avenhorn. Tienhoven. Nieuwe-Tonge. Zevenhuizen. Westmaas. Schiedam. Benthuizen. Krimpen-a/d-IJsel. Schelluinen. Voorhout. Ridderkerk. Amsterdam. Nieuwerkerk-a/d-IJsel.

Uitgeest. Venhuizen en Zwaag. Landsmeer. Broek-op-Langendijk. Wijdenes. Kortenhoef. Velzen.a. Haarlemmerliede c. Oude-Niedorp. Geen wijkverdeeling hebben de gemeenten: Andijk. Weesp. Purmerend. Blarikum. Heemskerk. Huizen. Nibbikswoud. Naarden. Opperdoes. Wervershoof. Koedijk. Wieringerwaard. Diemen. Opmeer. Urk. Oterleek. Helder. Zandvoort. Wijdewormer. Zijpe. Abbekerk. Nieuwer-Amstel. Schermerhorn. Kallantsoog. Kastrikum. Oostzaan. St. Noord-Scharwoude. Ilpendam. Schagen. Nader bericht of toezending van kaarten wordt ingewacht van de gemeenten: Aalsmeer. Westwoud. Obdam. Wijk-aan-Zee-en-Duin. Schoten. Enkhuizen. Twisk. Laren. Akersloot. Winkel. Berkhout. Hilversum.. Wognum. Midwoud. Deel 30 . St. Kwadijk. Wieringen. Ouder-Amstel. Grootebroek. Heiloo. Uithoorn. Hoogwoud. Westzaan. Bennebroek. Katwoude. Petten. Broek-in-Waterland. Schoorl. Muiden. Ankeveen. Middelie. Ouddorp. Vlieland. Limmen. Jisp. Haarlemmermeer. Hensbroek. Zaandijk. Oudendijk. Buiksloot. Hoogkarspel. Edam. Sijbekarspel. Nieuwendam. Nederhorst-den-Berg. Krommenie. Sloten. Blokker. Egmond-a/Zee. Koog-a/d-Zaan. Watergraafsmeer. Spaarndam. Nieuwe-Niedorp. Ursem. Medemblik. Heemstede. Marken. Egmond-Binnen.en Noord-Schermer. Oosthuizen. Graft. Heer-Hugowaard. Harenkarspel. Hoorn. Texel. Spanbroek.-Maarten. Wormer en Zaandam. Oudkarspel. Zuid-Scharwoude en Zuid. Warmenhnizen. Waarder. Monnikendam. Bergen. Haarlem. Barsingerhorn. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De Rijp. Weesperkarspel.LXXIII Bovenkarspel. Schellinkhout. 's-Graveland. Ransdorp. Bussum. Terschelling.-Pancras.

St. Tolen. Koudekerke. Borsele. Wolfaartsdijk. St. Nieuw.-Laurens.). Oostburg. Westkapelle en Zoutelande.-Kruis. St. 's-Gravenpolder. Filippine. Sasvan-Gent. St.-Annaland. Geen wijkverdeeling hebben de gemeenten: Aagtekerke. Oostkapelle. Zaamslag. St-Janssteen. Ellewoutsdijk. Oud-Vossemeer. Serooskerke (W. Vere. 's-Heer-Arentskerke. Goes. Heinkenszand. Hoek. Klinge. Middelburg. Oudelande. Kadzand. Kerkwerve. Biggekerke. Kattendijke. Ellemeet.-Maartensdijke. Meliskerke. Kolijnsplaat. Ede. Nieuwerkerk. Rilland-Bat. Ovezande. Duivendijke. Biervliet. Renesse. terwijl het gemeentebestuur van Domburg bericht inzond. Stoppeldijk. Wemeldinge. Axel. IIulst. Ouwerkerk.en West-Souburg. Wissenkerke. Oost. IJzendijke. Poortvliet. Waterlandkerkje. Nieuwvliet. Schore. Kapelle. Vrouwenpolder. Brouwershaven. Hengstdijk. Oosterland. Noordwelle. Ierseke. Nisse. Koewacht. Zierikzee.LXXIV Zeeland. Bruinisse. Waarde. Serooskerke (S. Haamstede. Driewegen. Breskens. Stavenisse. 's-Heerenhoek. Grauw. Kats. Baarland. St. Burg. Zonnemaire en Zuidzande. Kortgene. Hontenisse. Noordgouwe. Kruiningen. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Aardenburg.-Filipsland. Schoondijke. 's-Heer-Abtskerke. ‘dat Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.-Joosland. Krabbendijke.en St.). Retranchement. Boschkapelle. Groede. Westdorpe. Overslag. Sluis. Kloetinge. Scherpenisse. Elkersee. Hoedekenskerke. Dreischor. Ossenisse. Grijpskerk. Ritthem. Deel 30 . ‘dat het onmogelijk is de wijkverdeeling aan te geven op een kaart op zoo'n kleine schaal als het ontvangen blad der zoogenaamde Stafkaart’. en van Hoofdplaat. Zuiddorpe.

Rijsenburg. Eemnes. Kokkengen. Renswoude. Harmelen. Nichtevecht. De Bilt. Tienhoven. Veldhuizen. Leusden. Kamerik. Amersfoort. Breukelen-St. ‘dat zij tot hun leedwezen niet in staat waren op de ontvangen kaarten (z. Vreeswijk. Loenersloot. Geen wijkverdeeling hebben de gemeenten: Benschop. Jutfaas.LXXV deze gemeente alsnog geene kaart bezit. Linschoten. Baarn. Driebergen. Doorn. de schaal der kaarten te klein is en de aanwijzingen daarop te onvolledig zouden zijn te achten’. Leersum. Hoenkoop. Willinge-Langerak. Veenendaal. Koten. Loenen. Mijdrecht. Stoutenburg. Stafkaart) de wijkverdeeling dier gemeenten naar behooren aan te geven. Westbroek. Houten. Utrecht. Abcoude-Proostdij. Laag-Nieuwkoop.-Pieters. Polsbroek. Achttienhoven. waarop de wijkverdeeling is aangegeven’. Haarzuilens. IJselstein. Woudenberg en Zegveld. Vleuten. Oudenrijn. Tul en 't Waal en Werkhoven. Van de gemeente Vlissingen wordt nog nader bericht ingewacht. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Abcoude-Baambrugge. Hoogland. Odijk. Zeist en Zuilen. Bunschoten. Vreeland. Schalkwijk. Maarn. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Lopik. Soest. Renen. Jaarsveld. Deel 30 . Loosdrecht. Maartensdijk. Montfoort. Nader bericht of toezending van kaarten wordt ingewacht van de gemeenten: Bunnik.g. Willeskop. Wilnis. Amerongen. omdat huns inziens. Utrecht. Van het gemeentebestuur van Maarsen en Maarseveen kwam bericht. Snelrewaard. Langbroek. Breukelen-Nijenrode. Vinkeveen. Ruwiel. Wijk-bij-Duurstede.

27 Juni 1907 N 48: ‘Van de gemeente Oost-Dongeradeel zal een zoodanige kaart alsnog vervaardigd en daarna toegezonden worden. Franeker en Gaasterland f 25. Weststellingwerf. Hindeloopen. in Lemsterland f 5. Dantumadeel. De kosten daarvan worden gerekend te zullen bedragen in Achtkarspelen. Idaarderadeel. zijn: Bolsward. De gemeenten. aanwezig. Staten d. Doniawerstal. voor die gemeenten. Ferwerderadeel. volgens de ontvangen opgaven. Tietjerksteradeel. Hennaarderadeel. Deel 30 . Menaldumadeel. als bedoeld. Franekeradeel. Leeuwarderadeel. Lemsterland. Franeker. Schiermonnikoog. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Oost-Stellingwerf. o Verder lezen wij in het schrijven van Gedep. Lemsterland en Opsterland. Bij de besturen der overige gemeenten in deze provincie zijn geen kaarten. Kollumerland en Nieuw-Kruisland. Workum en IJlst. Rauwerderhem. Gaasterland. Haskerland. Het Bilt. -. Wonseradeel en Wijmbritseradeel.d. Kaarten met wijkverdeeling bestaan. Sneek en Utingeradeel. -. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Dokkum.LXXVI Friesland. Stavoren. waarvan niet dan met groote moeite en kosten kaarten kunnen worden verkregen. voorts nog in de gemeenten Hemelumer-Oldefaart en Noordwolde en Leeuwarden en kaarten met de indeeling naar de dorpen in de gemeenten Engwirden. Smallingerland. Sloten. Baarderadeel. naar de grenzen der onderscheidene dorpen. waar geen eigenlijke wijkverdeeling bestaat. Zonder al te groote moeite en kosten zullen echter kaarten kunnen worden vervaardigd voor de gemeenten: Achtkarspelen.

Oldenzaal. IJselmuiden. Nieuw-Leuzen. Stad-Hardenberg. Dalfsen. Grafhorst. Zwartsluis en Zwollerkerspel. Holten. Hengeloo. Steenwijk. maar ieder dorp als het ware een afzonderlijke wijk vormt en dat zelfs een juiste indeeling naar ieder dorp niet dan bezwaarlijk in teekening is te brengen. Steenwijkerwold. Den Ham. Ambt-Vollenhove. Giethoorn. Hellendoorn. Lonneker. dat in onderscheidene plattelandsgemeenten geen wijkverdeeling bestaat. Olst. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Ambt-Almeloo. Stad-Vollenhove. Oldemarkt. Kampen. Wilsum en Zwolle. Staphorst. Losser. Ootmarsum. Stad-Delden. Weerseloo. Deel 30 . Wierden. Haaksbergen. Enschede. Hasselt. Kamperveen. Stad-Almeloo. Markeloo. Rijsen. om reden het dikwijls voorkomt. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ambt-Hardenberg. Zalk. Wijhe. Overijsel. Batmen. Denekamp. Genemuiden. Raalte. Gramsbergen. Stad-Ommen. Alleen van de kadastrale gemeenten zullen de grenzen kunnen worden aangegeven’. Blankenham.LXXVII Wij kunnen hieraan toevoegen. Vriezenveen. Kuinre. Borne. Tubbergen. Heinoo. Wanneperveen. Nader bericht of toezending van kaarten wordt ingewacht van de gemeenten: Avereest. Blokzijl. Ambt-Delden. Diepenheim. Goor. Geen wijkverdeeling heeft de gemeente: Deventer. Diepenveen. dat niet bekend is hoever de grenzen van het dorp zich uitstrekken.

Oldehove. Diever. Grijpskerk. Groningen. Assen. Bladen van de topographische en militaire kaart des Rijks schaal 1:50000 werden aan deze gemeenten toegezonden. Stedum. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Adorp. Gieten. Noorddijk. Warfum. Grootegast. Oude-Pekela. Finsterwolde. Noordbroek. Beilen. Bellingwolde. Dalen. Koevorden. Loppersum. Drente. Leens. Winsum en Zuidbroek. Middelstum. Kaarten met opgave der wijkverdeeling werden ontvangen van de gemeenten: Anloo. omdat mij daarvoor de noodige gegevens ontbreken en eene terreinopname in deze uitgestrekte gemeente met zeer veel moeilijkheden en kosten gepaard gaat’. Winschoten en Zuidhorn. Ulrum. Marum. Ten Boer. Nader bericht of toezending van kaarten wordt ingewacht van de gemeenten: Appingedam. Eenrum. Uithuizen. Scheemda. Havelte. Aduard. Hoogeveen. Deel 30 . Onstwedde. Wedde. Bafloo. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.LXXVIII Van den Heer Burgemeester van Ambt-Ommen kwam een schrijven bevattende: ‘Het is mij niet mogen gelukken voor de gemeente Ambt-Ommen de verdeeling der buurtschappen of wijken daarop aan te geven (nl. Groningen. Hoogkerk. Termunten. Eelde. Leek. Delfzijl. Haren. op een toegezonden topographische kaart). Borger. Midwolda. Beerta. Emmen. Kantens. Wildervank.

l. Ex. die van hen gevraagd wordt. mede te deelen of een volledig stel gemeentekaarten is of zal worden verkregen. Binnen kort hopen wij echter hiertoe over te gaan en dit dan met te meer klem. voldaan hadden. Ex. Vledder. te verrichten. Ex. Gasselte. de Minister van Bin- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Nijeveen. daar Z. werd gevolgd door een schrijven van genoemden Minister. In verband met onze uitvoerige mededeelingen omtrent een Historischen Atlas van Noord-Nederland in ons vorig jaarverslag is het ons aangenaam te kunnen vermelden. dat de gemeenten Dwingeloo. dat Z. Peize en Roden geen wijkverdeeling hebben. waarin Z. Deel 30 . gedagteekend 11 December 1908. Vries. hebben wij het nog niet noodig geoordeeld de tragen uit te noodigen den geringen arbeid. Rolde. Terwijl bericht inkwam. Zuidwolde en Zweeloo. wanneer de berichten van alle gemeentebesturen ontvangen waren. Smilde. Schoonebeek. dat in enkele provincies nog vele gemeenten ten achteren zijn met hunne inzendingen en uit de gevoerde briefwisseling.LXXIX Meppel. Sleen. Aangezien de aanvragen tot het ontvangen van bladen van de Topographische en Militaire kaart nog voortduren. Ruinen. Uit dit overzicht blijkt. Ruinerwold. de Minister van Binnenlandsche Zaken ons verzocht om een overzicht in hoever de gemeenten aan het verlangen van Z. Norg. Westerbork. De Wijk. Onze opgave onder dagteekening van 10 October l. ook namens den Minister van Waterstaat verzocht te zijner tijd. Ex. Odoorn. dat sommige gemeenten denkbeeldige bezwaren opperen. Zuidlaren. Oosterhesselen.

25. Met belangrijke wijzigingen herdrukte bladen: os N . Van de Chromo-topographische kaart des Rijks op de schaal van 1:25000: Geheel vernieuwde bladen: os N . (Cadzand) 28.. 170. 47. dat een bedrag zoude worden uitgetrokken als subsidie voor de uitgave van een wetenschappelijken historischen atlas van Nederland. f 1000. 412. 44. 278. 54.. (Hattem). Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 304. . 313..op de begrooting voor 1909 heeft uitgetrokken onder de volgende bewoordingen: ‘Nieuw wordt aangevraagd: k. (Almeloo). 5. c. 83. (Neuzen).LXXX nenlandsche Zaken hiervoor een post van f 1000. 55 van het Voorloopig Verslag op Hoofdstuk V der Staatsbegrooting voor het loopende jaar. (Harderwijk). De met belangrijke wijzigingen herdrukte bladen der Topographische en Militaire kaart des Rijks op de schaal van 1:50000: 5. Ex. 189. 82. 392. b. 320. Met belangrijke wijzigingen herdrukte bladen: o N 27. (Harlingen).. 411. N 54. (Geertruidenberg). (Amsterdam).. (Zierikzee).’ Als gevolg van de beschikking van Z. 296. ten vorigen jare te kennen gegeven op bladz. . den Minister van Oorlog ontving het Centraal-Bureau van de Topographische Inrichting onderstaande kaarten: a. (Harlingen). 169. 42.als eerste termijn van een over vier jaren te verdeelen subsidie van f 4000. Deel 30 . 26. (Neuzen). -. Van de Chromo-topographische kaart des Rijks op de schaal van 1:50000: Nieuw verschenen bladen: o o N 5. 207. welke zaak toen nog in onderzoek was. 393.hierbij aangevraagd.. In verband met den wensch. wordt een bedrag van f 1000 .

584 en 587.A. P. Namens de Centrale Commissie voor de Historisch-Statistische kaarten van Nederland. 433.J.LXXXI 400. Deel 30 . ste F. 499. 457. 548. 478. 567. HOEFER. 534. 549. Voorzitter. 434. 566. 568. 511. BLOK. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 1 Secretaris.

J. Dijksterhuis. H. Dr. Mr. Volgens de presentielijst zijn aanwezig de hieronder genoemde gewone leden van het Genootschap: Mr. Fockema Andreae. Gosses. Dr. Dr. Mr. E.H. Dr. L. Dr. Deel 30 . Brugmans. Coppens.C. Abendanon. de Groot. D. Doesburg. H. H. Colenbrander. Dr. W. Dr. Heeringa.P. J. J.T. Bannier. P.J. J. gehouden op Dinsdag 21 April 1908 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht. G. Jhr. C. H. Cox. J. van Beresteyn. de Boer.A.G.H.LXXXII Bijlage F. van Gelder.J. Dr. P.T.G. Bouricius. B.E. J. K. de Beaufort. Dr.F. Dr.H. van Beuningen van Helsdingen. Verslag van de vergadering der leden van het Historisch Genootschap. L.J.N. Mr.J. Dr.H. Blöte. C. Dr. Eysten. Desertine.V.M.T. M. Dr. J. Mr. A.A. Dr.J.V. Fijn van Draat. van Blom. Dr.A. H. Bussemaker.F. Croin. Blok. Mr. Dozy. J. Dr. ten Bouwhuys. W.H. M. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.D.

N. Dr. K. A. Kops. Vollgraff. Roos. Dr. Dr. N. van der Meulen. L. M. F. W.P. Dr. W. H. Deel 30 .F. Dr. E.S. H. Dr. Reehorst.W. Knappert.G. van Rijsens. Hotz.C. D. J. G. Mevr. Postmus. W. Nieuwbarn. G. Mr.J. Dr. Dr. Dr. de Marez Oyens.A.P.J.A.J Tuyn.P.J. S.W. Muller. F. J. J. W. W. Knuif. H. Meyer. Mr. Hensen. Meyer.G. Dr.F. Brede Kristensen. Dr. Sterck.H.L. C. Meinsma.G. Thus.J. M. Plemp van Duiveland. L. J. J. Koch.P.P. Koolen. Dr. Mr. Knuttel.L. G. A. Weststrate. Mr. van der Meulen. Pijper. Veersema.H. Dr.A. van Someren. Dr. Dr.O. Kernkamp. baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen.S. W. A.C. Dr. J. J. Hulshof.W.A. J. Mr.F.C. C. Schoengen.C. W. Hoefer. F. Mr. Sterck-Proot. Nieuwenhuis.L de Kruyff.C. L. Joosting. Dr.J.W.C.W.C. de Louter. Dr. S. Dr.S. O. W. Dr. J. W.J. N. Singels. Schuylenburg. A.M. J. Huizinga. Dr. te Lintum.A.LXXXIII Dr. Dr. Morell. Oppermann. Kernkamp. J. F. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.T.L. W. Muller Fz. Dr. Dr. Dr. Japikse Mr. Pont.A. Mr.C.M. F. van Leersum.

W. Deel 30 . De Voorzitter. Hij verheugt zich erover. Kernkamp. E. Dr.Dr. Wiersum. die zich Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat zoovelen zijn opgekomen en betuigt thans reeds den dank van het Bestuur aan de Sprekers. G. opent tegen half twaalf met een woord van de welkom tot de aanwezigen de 6 Algemeene Vergadering der leden van het Genootschap.

Evenzoo voegt het van dankbaarheid te gewagen tegenover Kerkvoogden der Ned. gevolgd door zwaren terugslag na het weder-uitbreken van den oorlog. H. die in Nederland ook minder goed bekend is dan de volgende. de kortstondige economische opleving van 1802 en 1803. de herleving onder werking 1) De door den heer Colenbrander gehouden voordracht is in haar geheel verschenen in ‘de Gids’ van Juli 1908.T. Colenbrander het woord tot het houden van zijn aangekondigde voordracht over Napoleon en Nederland. vooral wat het aandeel van Bonaparte daarin betreft. Gemeente te Utrecht. die bereid gevonden is bij het bezoek aan die kerk als gids op te treden. Spreker behandelde achtereenvolgens: den indruk en de den nawerking van den 18 Brumaire in Nederland. de overeenkomst der regeling van de Nederlandsche zaken met die van Zwitserland in hetzelfde jaar.J. zich bezighouden met de periode tot 1806. Vervolgens krijgt de heer Dr. die op het verzoek van het Bestuur den Dom voor de leden hebben toegankelijk gesteld en tegenover den heer F. Nieuwenhuis. de geschiedenis der Staatsherziening van 1801. naar aanleiding zijner jongste studiën ten behoeve der Gedenkstukken der Algemeene Geschiedenis van Nederland na 1795. Herv. eerst bij het licht van onlangs uitgegeven bescheiden geheel op te helderen.LXXXIV bereid hebben verklaard in deze vergadering het woord te voeren. Deel 30 . de periode van Schimmelpenninck's onderhandelingen te Amiens. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 1) waarvan hier een kort uittreksel volgt: In het bizonder wilde Spreker.

bovendien werd spoedig zijn blindheid een wezenlijk bezwaar tegen zijne handhaving. Schimmelpenninck werd aan het hoofd der zaken gesteld. het bezoek van Napoleon aan Vlissingen in 1803 en zijn gesprekken met een Bataafsche deputatie te Brussel. Napoleon ontbond nu inderdaad wat hij in 1801 zelf tot stand had gebracht en dat op een vredestoestand berekend was geweest en niet meer dienen kon onder de gewijzigde omstandigheden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. die een radicale voorziening noodig maakte. de stijgende geldnood. waarbij de republiek zich verbond tot medewerking tegen Engeland ver boven hare krachten. welke slechts te vinden was of in inlijving met tiërceering der schuld. maar de natie bleek het eenhoofdig bestuur van een burger niet te begrijpen. geen politieke existentie meer te kunnen laten. waarbij hij aankondigde ons land voortaan nog slechts een civiele en municipale. of in een verloochening van de principes van 1801 en terugkeer tot Gogel's plan van nationale belastingen. het koningschap verloor zijne verschrikking in de persoon van den welmeenenden Louis. die Spreker niet als een onheil beschouwt. de geschiedenis van het tractaat van 25 Juni 1803. Deel 30 . Toen bij den val van Napels en de oprichting van het Groothertogdom Berg de Fransche invloedssfeer in een familiebezit werd omgezet. dat het ten slotte die ontvangen heeft uit de eerste hand. De periode van 1806 tot 1810 heeft grooten invloed gehad op de afstomping der republikeinsche zeden.LXXXV der constitutie van 1801 van oude staatkundige zeden en gewoonten. moest ook Nederland daarin worden opgenomen. Eindelijk is de inlijving gevolgd. De zaak er nu eenmaal toe liggende dat Nederland zich heeft moeten regenereeren door opneming van vreemde bestanddeelen in zijn regeeringsvorm en administratie. is het als een voordeel aan te merken.

u eenige mededeelingen te doen omtrent kerkelijke rechtspraak. is het bekend.G. Het is mijn voornemen. waarop de leden zich in een der aangrenzende lokalen aan het tweede ontbijt vereenigen.en aan anderen zal het. duidelijk worden. Deel 30 . dat de geschiedenis niet bij uitsluiting omvat de geschiedenis der krijgsbedrijven. waarna het woord verleend wordt aan den heer Mr. en zoo ben ik tegenover historici verantwoord. noch uitsluitend die der staatkundige aangelegenheden.C. - Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. sedert vast staat. Bovendien.LXXXVI Nadat de heer Colenbrander geeindigd en op de vraag van den Voorzitter niemand zich aangemeld heeft tot het vragen van nadere inlichtingen of het voeren van debat. hoop ik.H. Joosting tot het houden zijner hieronder volgende voordracht over: De kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht vóór het concilie van Trente. J. . aan wie dit gedeelte van haar terrein betreden hebben. brengt deze aan Spreker den dank der vergadering over voor hetgeen hij in zijn voordracht te hooren heeft gegeven en voor hetgeen hij verricht heeft om het door hem behandelde tijdvak nader te doen kennen. De Voorzitter schorst daarna de vergadering. Verontschuldiging behoef ik hiervoor niet aan te bieden. Ook de rechtsgeschiedenis behoort tot haar gebied. nadat hij nog eenige mededeelingen van huishoudelijken aard heeft gedaan. M. bepaaldelijk over die in het bisdom Utrecht vóór de Hervorming. Te twee uur wordt de vergadering heropend.

Doch die zekerheid heeft niet altijd bestaan. tot oplossing waarvan gij rechterlijke hulp van noode hebt. Zoo is zij te meer uwe belangstelling waardig. aan welke. Deel 30 . Sedert vele jaren is die strijd beslist. tot wien gij u te wenden hebt om recht.LXXXVII hangt de ontwikkeling der kerkelijke rechtspraak samen met de staatkundige verhouding der machthebbers. eenige oogenblikken uwe aandacht te vragen. waarin twee groote machten met elkander worstelden om de heerschappij over het rechtsgebied. In de eerste plaats rijst daarom de vraag: Hoe kon die strijd ontstaan? Wat bewoog de kerk. gij hebt dus al begrepen.v. de zege toekwam. Boven gewaagde ik reeds van kerkelijke rechtspraak. tot wien gij u moet richten.gij hebt een erfenis te deelen en daarbij ontstaan moeilijkheden. . . en het is voor haar. dat niet in der minne is op te lossen. Maar de geschiedenis van dien strijd is belangwekkend. Wanneer gij in onzen tijd een geschil hebt. te spreken van een aanval door de kerk? Wordt zoodoende de ver- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.men tast u aan in het genot van uw onroerend vermogen. Hij is geëindigd met de overwinning van die macht. en ook op de maatschappelijke betrekkingen heeft zij haren invloed doen gevoelen. een debiteur. dat ik het waag. om tegen het wereldlijk rechtsgebied veroverend voor te dringen? Van welke stelling uit kon zij met hoop op goeden uitslag de wereldlijke macht aanvallen? Of is het misschien onjuist. menschelijker wijze gesproken. om vaststelling te verkrijgen van de betrokken rechtsverhouding. weet gij allen. .en een vrij lange tijd -. Gij hebt b. Er is een tijd geweest . die weigert te betalen.in al die gevallen weet gij. dat de strijd is gevoerd tusschen de kerk eenerzijds en de wereldlijke macht aan den anderen kant.

Eene belijdenis des geloofs was opgesteld als fundament der kerk. Ter gedachtenis aan dien kruisdood werd een ‘mysterium unitatis’ gevierd. gedreven door den geest om te behouden wat dreigde verloren te gaan.LXXXVIII houding wel zuiver voorgesteld? Was het wellicht ook de staatsmacht. Buiten de bedoelde kerk kon niemand zalig worden. Deze sleutels had Jezus geschonken aan de apostelen. Daarnaast bestond een andere band. Aan de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. de algemeene kerk. De katholieke. met zuiver geestelijke doeleinden. die daarvoor aan het kruis was gestorven. de geestelijke verkwikkingen te schenken. en had dus met rechtspraak niets te maken. die volgens hare grondstelling alle geloovigen omvatte. . en dezen hadden ze wederom aan hunne opvolgers overgegeven. Zij was dus eene geestelijke vereeniging. binnenskamers. Wanneer zij bestraffen zou.en stamgenooten. die zij als lastige hinderpalen uit den weg wilde ruimen? De kerk. die in haar streven naar versterking stuitte op deugdelijk verkregen en bezeten rechten der kerk. die dus samen de wereldlijke macht vormden. Deel 30 . welke hare stichting ontleende aan Jezus Christus. De kerk. De belangen van zulk eene gemeenschap werden behartigd door het volk en den door het volk gekozen koning. zoovelen mogelijk te brengen tot de door haar aangenomen belijdenis des geloofs. die ‘secundum claves ecclesiae’ was geordend. moest dit bij voorkeur geschieden onder vier oogen. die tot de kerk reeds behoorden.en verder om hun. welk sacrament alleen kon worden volbracht door den priester der kerk. die van haar werden verzocht en verwacht. Het streven der kerk moest dus zijn. die ook de Germanen (evenals de Kelten) van de eerste eeuwen onzer christelijke jaartelling vereenigde: de gemeenschappen van volks. om.

of gouwvorst en het volk te zamen.voor den krijg. Deel 30 . De vorst leidde de rechtszittingen.was dan slechts de spreekbuis.of diens vertegenwoordiger . en wees zijn persoon en karakter de grenzen aan. èn omdat het volk (en Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Hierop kom ik nader terug. zoodat nog de vele eeuwen latere dingtalen alle zulk een voortdurend raadplegen van de in de plaats van het volk getreden bijzitters door den rechter kennen. Aldus het frankische koningschap. met den frankischen koning was dit geenszins het geval. behoudens een enkele maal 's jaars op het ongeboden ding en verder op de door den vorst bijeengeroepen geboden dingen. Doch deze overeenstemming was alleen dan aanwezig.LXXXIX uitoefening van die macht kon het volk slechts dan deelnemen. wanneer het bijeen was. dat men meende erin te moeten zien verwantschap met het romeinsche imperium. hoewel ook in het frankische rijk een bizonder sterke band werd gevonden tusschen staat en kerk. èn omdat men langen tijd geen kerk kende bij de germaansche volken. En het kwam slechts bijeen -. . De romeinsche imperator was tegenover het volk en de priesters de gepersonifieerde godheid. het volk besliste op de vraag van den vorst. in welken zin het vonnis moest worden geveld. Het volk deed recht. De rechtspraak berustte in den germaanschen staat bij den lands. In tijd van vrede vertegenwoordigde vrijwel de vorst den staat. De vorst . waarin de macht des konings somwijlen zóó uitgebreid was. wanneer een bizonder krachtige figuur den troon bekleedde. hij deed daar de orde handhaven. doch blijkbaar in opdracht van het volk. En dan zelfs nog niet ten volle. Voor kerkelijke rechtspraak was hier dus geen plaats. waardoor het door het volk gewezen vonnis werd bekend gemaakt. waarbinnen zijn macht zich bewoog.

wanneer in later tijd de kerk wordt gevonden in het bezit van eene jurisdictie. dat. plaats van Keulen uit. De frankische zending had. de frankische heerschappij van zich af. Hieruit volgt onomstootelijk. daarmede tevens het christendom van zich werpend. ten deele althans. In dien tijd is waarschijnlijk ook het veel besproken houten kerkje aldaar gebouwd. Al moet men hierbij in het oog houden. In het zuiden woonden Franken. Het houten kerkje werd verbrand. deze rechtspraak is ontnomen aan de wereldlijke macht. bewoonden Friezen de kuststreken tusschen de Sincfala en den Weser. die zij tegenover hare ambtenaren en leden zou kunnen doen gelden. trachtende de grenzen tusschen christendom en heidendom meer naar het noorden te verleggen.XC later de vorst) souverein was en geen macht boven zich erkende. Ten tijde van koning Dagobert I (628-638) wordt Utrecht een frankische stad genoemd. veroverd ten koste van het wereldlijk gezag. Van twee zijden werd de christianiseering begonnen: in de streken van onze tegenwoordige provincie Friesland door iersch-schotsche. is dus veroverd terrein. in het zuiden van ons land door frankische zendelingen. eene rechtspraak buiten de disciplinaire bevoegdheid. Langzamerhand schijnt deze zich noordwaarts te hebben bewogen. Toen het christendom in deze streken werd gebracht. Spoedig na koning Dagobert's dood evenwel schudden de Friezen. dat datzelfde wereldlijk gezag de eerste schreden der kerk op deze baan heeft geleid. zooals straks nader zal worden aangegeven. in navolging der Saksen. en langzamerhand trok zich Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . Saksen in het Overijselsche. Al wat de kerk ten deze heeft bezeten. dus de geheele kust van ons vaderland.

Werd dit gesticht in het vrije Friesland. het is hem gelukt.XCI de noordgrens van het Frankenrijk samen. Pepijn van Herstal was de sterkere. Van den eersten tijd van het bestaan van het bisdom Utrecht zijn slechts luttele berichten tot ons gekomen. Had de zending eenmaal vasteren voet verkregen. terwijl de frankische maior domus Ebroin de zendelingen tracht tegen te werken. Hiervóór merkte ik reeds op. Wij mogen echter veronderstellen. Eerst zien wij angelsaksische zendelingen bij toeval landen op de friesche kust en gastvrij worden ontvangen door koning Aldgild (678). die licht geven over de verhouding tusschen staat en kerk. dan versterkte zulks de macht van den frieschen vorst en kon gevaarlijk worden voor de rust der Franken. dat hetgeen in het frankische rijk heeft gegolden ook hier in deze streken niet zonder uitwerking zal zijn geweest. Een kort overzicht van die verhoudingen moet dus volgen. terugwijkend voor het herlevend heidendom. De stichting daarentegen van een bisdom in het frankisch Friesland moest de stelling der Franken versterken en een bolwerk zijn tegen den woeligen nabuur. Na dezen tijd van reactie kwam er spoedig een nieuwe aanleiding tot actie. dan zou de stichting van een bisdom volgen. en wordt de angelsaksische zending bevorderd van frankische zijde en tegengewerkt of althans hoogst ongaarne gezien door den frieschen vorst. Hieruit is af te leiden. met Trecht als standplaats. in 695 de benoeming te verkrijgen van Willebrord tot aartsbisschop. dat in den merovingischen tijd de oppermacht berustte bij het volk en dat in wording was een staat onder een koninklijk Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de vorsten van dien tijd de zending verbonden met hunne politiek. Deel 30 . bepaaldelijk voor ons onderwerp. Eenige jaren later is de toestand juist andersom.

onder bekrachtiging van den metropoliet. Van zulk eene belangstellende waardeering getuigen de talrijke schenkingen. oefende de hoogere geestelijkheid aldus in velerlei richting een belangrijken invloed. dat men mag zeggen. . Hij oefende daardoor op de bisschopskeuze zóó grooten invloed. wereldlijke rechtspraak. doch zich langzamerhand omzettend in een vrij zijn van de gewone.XCII gezag met vage grenzen. dat de benoeming in handen was van den vorst. Het asylrecht der kerken en kerkhoven. door de vorsten aan de kerk gedaan. In de hofkringen werden de geestelijken toegelaten. gaf de vorst te kennen. Ook in zijn raad werd de stem der geestelijkheid vernomen. hoewel zij zich in groote belangstelling en waardeering van dat gezag mocht verheugen. zij moest dien ook ondergaan in een hoogst gewichtig punt. In de grenssteden werden Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. bedoelend de gewijde plaats tegen ontheiliging te waarborgen. Doch zoodra een zetel openviel. De emuniteit. oorspronkelijk een vrijdom van belasting voor onroerend vermogen. wien hij gekozen wenschte te zien. wanneer ook al een enkele maal door de kerk verzet werd aangeteekend.getuigen de opdrachten door vorsten aan geestelijken ter uitvoering van belangrijke zendingen van wereldlijken aard. Maar. zoo eindigde het conflict altijd (of althans bijna altijd) met de overwinning van den koning. Vandaar dat de kerk stond onder het staatsgezag. sommigen hunner bevonden zich bijna dagelijks in 's konings omgeving. doch tevens ten gevolge hebbend. Deel 30 . .getuigen de voorrechten aan de kerk geschonken als emuniteit en asylrecht. Aan de bisschopsbenoemingen bleef daardoor de politiek niet vreemd. dat overijlde rechtsoefening van den rechter tegen den misdadiger of van den meester tegen den slaaf werd belet. De bisschoppen werden toen ter tijd gekozen door clerus en volk. Immers.

Onder Pepijn en Karel den Groote wijzigt zich 's vorsten opvatting omtrent de verhouding tusschen staat en kerk. hetzij om zoodoende hen en hunne machtige familie aan zich te binden. die aan zijn titel de woorden toevoegde ‘bij de genade Gods’. de Romeinen. in den tegenwoordigen tijd vrij zinledig geworden. Deel 30 .XCIII benoemd leden van het overwonnen volk. In andere deelen van zijn rijk deed de vorst dikwijls leeken verheffen tot eene kerkelijke waardigheid. Ook de landsconciliën (de frankische geestelijkheid was nog niet aangesloten bij de romeinsche kerk) werden door de Merowingen uitgeschreven en de agenda voor die vergaderingen zelfs door den koning vastgesteld. om een deel der schepping te besturen naar den wil van dien Schepper. Zeer duidelijk zag dan ook Karel het hem toevertrouwd bestuur als het beheer over staat en kerk. welke intusschen voor de tot dien tijd vrije landstreek aan de romeinsche kerk was verkregen. dat wilde zeggen. een en ander mede onder en ondanks de aansluiting. als twee elementen naast elkaar. drukte toenmaals uit 's keizers opvatting omtrent zijne verhouding tot zijn rijk. doch niet meer. als zijne voorgangers. Een groote eerbied voor de kerk en wat zij wilde moest daarmede gepaard gaan. doch als twee helften van éénzelfden bol. Deze formule. hetzij om hen te beloonen voor ontvangen diensten. Karel was de eerste. dus de een zonder de ander onvolkomen. dat hij zich door den Schepper geroepen achtte. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. om in hen een band te bezitten tusschen de overwonnenen en de overwinnaars. Karel was keizer ‘bij de genade Gods’. ook zijne verhouding tot de kerk wordt eene andere. en eerst met en door elkander kunnend beantwoorden aan het door God gestelde doel.

al werd het van wereldlijke zijde nog niet als zoodanig ingezien. en dat de kerk daaraan toevoegde een disciplinaire straf. die het wereldlijk gericht adieerden. De vorsten hadden tegen deze tweede berechting geen bezwaar. Reeds in 614 had de geestelijkheid gestreefd naar een forum privilegiatum. De zaak was toen mislukt. gericht tegen geestelijken. dat hierin verandering kon komen en is gekomen. die misdreef. Inderdaad is dit het geval geweest. dat de wereldlijke rechter den geestelijke. Doch een concilie-besluit was geen koninklijk edict. en tegen rechters. die niet berekend waren te handhaven. toen de frankische troon werd bekleed door vorsten. Deel 30 . bestrafte als ieder ander misdadiger. wat zij bezaten. die over geestelijken zouden durven rechten. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. mits bleef gehandhaafd de competentie van den wereldlijken rechter. Ook ten tijde der Karolingen geschiedde in de praktijk de benoeming der bisschoppen door den vorst en oefende hij zijn grooten invloed op de conciliën. Karel's opvatting schijnt nog een ander belangrijk gevolg te hebben gehad. kracht van wet had het niet. In den merowingischen tijd en onder de eerste Karolingen was het dan ook gewoonte. Toch was in 614 door de kerk een zeer belangrijk voordeel verkregen.XCIV Zoo moest dus in Karel's tijd blijven de groote waardeering voor de kerk. doch tevens moesten worden gelegd de kiemen voor andere verhoudingen als noodzakelijk uitvloeisel der door den keizer gehuldigde leer. Een koninklijk edict had bevestigd het besluit van het parijssche concilie. Doch de vereeniging der gallische geestelijkheid onder den romeinschen paus heeft het hare ertoe bijgebracht. Wel had het concilie van Parijs in genoemd jaar eenige strafbepalingen aangenomen. Disciplinair mocht het gelden tegenover geestelijken.

heeft niet begrepen. om de meening ingang te doen vinden. die aan de geestelijken geen forum privilegiatum wilde toekennen. dat deze eerste stap een belangrijke tegemoet. Deel 30 . en zoo den bodem voor te bereiden voor het gewenschte forum. dat processen tegen geestelijken door den wereldlijken rechter aan hen moesten worden gerenvoyeerd. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat hiermede de eerste stap werd gedaan in de door haar niet gewenschte richting. mededeeling der zaak moest doen aan den bisschop. koming was aan het streven der kerk. dat de geestelijken onderworpen waren en onderworpen bleven aan de wereldlijke rechtspraak. dat het forum nog niet was veroverd. hij moest den bisschop de gelegenheid laten. Toch was dit zoo. Immers aan de eene zijde mag worden vastgesteld. dat hierdoor uitdrukkelijk werd bepaald. In het capitulare ecclesiasticum van 793 vindt men de bepaling. De wereldlijke overheid. dat de wereldlijke rechter. dat hunne interventie vruchten droeg. Doch aan den anderen kant werd voor de geestelijken een voorrecht geschapen. opdat deze zou kunnen trachten het geschil in der minne op te lossen. Onder Karel den Groote met zijne groote sympathie voor de kerk schijnt het forum te zijn tot stand gekomen. dat geen geestelijke terecht zal staan voor den wereldlijken rechter. de zaak door een vriendschappelijke tusschenkomst van de rol af te voeren. vóórdat hij de berechting van een geestelijke ter hand nam. toch is langs dezen weg waarschijnlijk het beoogde doel bereikt. Nu behoefden de bisschoppen slechts den eersten tijd tot elken prijs te zorgen. De rechter was ten hunnen opzichte niet volkomen vrij. waardoor zij in eene andere positie kwamen dan de overige onderzaten. en evenmin.XCV waarbij werd bepaald. Al blijkt uit de aanwezigheid van vonnissen van den wereldlijken rechter tegen geestelijken.

Ook stelde de kerk in het eerst nog geen straffen op de overtreding van wat zij gewenscht verklaarde. is niet aan te toonen bij gebreke van een vonnis waaruit dit blijkt. Toen nam vasteren vorm aan de bemoeiing van de de kerk met de huwelijksche zaken. dat de kerk de berechting der huwelijkszaken als tot hare competentie behoorend ging beschouwen. die later van ingrijpend belang zouden blijken met betrekking tot de begrenzing van het wederzijdsche rechtsgebied. De kerk werd hierbij gesteund door den keizer. en anders mag toch worden vermoed. Immers genoemd capitulare geeft alle aanleiding tot het vermoeden. dat onder de regeering der latere zwakke vorsten het voorrecht is verkregen.XCVI Aldus in theorie. niets verbiedend wat het wereldlijk gezag gebood. dat het is opgesteld door de geestelijkheid. en in verband daarmede sprak ik van ‘schijnt’. Eerst was de kerk voorzichtig opgetreden. dat inderdaad deze bepaling heeft gegolden. Onder Karel's regeering zien wij nog de kiemen gelegd voor enkele andere zaken. Wij hebben slechts het bewuste artikel in het capitulare. Deel 30 . die in 813 in het capitulare Aquisgranense den bisschoppen opdroeg. die sedert de 6 eeuw een onderwerp waren gemaakt van hare discipline. Evenzoo de berechting van andere ernstige mis- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Al was de bedoeling slechts. bij den rondgang door hunne diocese toe te zien op incestus en adulterium. Dat het inderdaad van wereldlijke zijde is opgevolgd. 's keizers opdracht zou ten gevolge hebben. dat de bisschop door kerkelijke boete de naleving van Gods geboden zou handhaven. Onmogelijk is het echter niet. Maar langzamerhand veranderde zij van houding en trachtte de behandeling der huwelijkszaken steeds meer tot hare competentie te brengen. en niets gebiedend wat dat gezag verbood.

kan het niet anders. dat. Toen toch de bisschoppen zich wereldlijke macht zagen toegekend. doch bovendien met uitbreiding van politieken invloed. in te grijpen wanneer in zulke zaken werd misdreven. raakte maar al te dikwijls de geestelijke zijde van het ambt ten achter bij de zorgen van wereldlijken aard. wanneer in later tijden de positie der kerk tegenover het wereldlijk gezag sterker was geworden en de politiek weder een belangrijke rol zou spelen bij de bisschopskeuze. hadden zij tevens op te houden den luisterrijken staat. doch ook de ijver voor hunne ambtsplichten kon hen ertoe brengen. doch reeds vruchten begonnen te dragen.XCVII drijven. Wel was de benoeming der bisschoppen in Karel's tijd vrij van politieke overwegingen. Zij moesten dus bedacht zijn op vergrooting van inkomsten. de kiemen voor eene kerkelijke rechtspraak niet alleen waren gelegd. En omdat de kerk te kwader ure wereldlijken aanzienlijken het hooge kerkelijke ambt toevertrouwde. Uitbreiding der competentie toch hield niet alleen gelijken tred met vermeerdering van inkomsten. toen de invoering van het christendom in deze streken vaster vorm aannam. En omdat de kerstening van de ‘lage landen bi der zee’ plaats vond van frankische zijde. En moest er hen toe brengen. Deel 30 . Zoo streefden de bisschoppen naar uitbreiding der kerkelijke rechtspraak in dat gedeelte van het bisdom. wereldlijke grooten werden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. of de verhoudingen in het frankische rijk moesten hun invloed hier doen gevoelen. in wiens naam werd rechtgesproken. aan die positie verbonden. Het bovengeschetste is voldoende om u te doen begrijpen. De rechtspraak nu was een bron van inkomsten voor hem. dat niet hen als wereldlijk heer huldigde. waarop de bisschop tevens moest toezien.

die van 4 kapittelkerken elders en de choorbisschop of archisubdiaconus (leden van het utrechtsche Domkapittel). terwijl daarentegen de romeinsche kerk aan krachten won. Deze verdeeling is u bekend. die dank zij Pepijn's bemoeiingen den mijter ontving. ik behoef haar dus slechts kortelijk te memoreeren. en ten slotte het Domkapittel zelf in de proosdij van West-Friesland. welke weder waren onderverdeeld. Doch toen het frankische rijk zich oploste. Deel 30 . . is de invloed van den vorst met betrekking tot het utrechtsche bisdom verdwenen. Onder de aartsdiakenen stonden de dekens.XCVIII In het bisdom Utrecht zien wij in den eersten tijd dan ook den invloed van den frankischen vorst op de bisschopskeuze. aan welker hoofd stonden de proosten der 5 Utrechtsche kapittelkerken. Het bisdom was verdeeld in 11 archidiaconaten. Terloops vestig ik uwe aandacht op het feit. dat ook de utrechtsche kerkvorst een wereldlijk gebied bezat. dat het Domkapittel dus bij zeven van de elf districten geïnteresseerd was. dat als een buffer lag tusschen Holland en Gelderland. dat zij achter de schermen alles konden doen en ook deden. een gebied. De graven dezer landen konden wel nimmer -. doch slechts voor Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. doch dit nam niet weg. De politiek heeft evenwel ook de keuze van de utrechtsche bisschoppen herhaaldelijk beheerscht. om een hun goedgezind candidaat gekozen te zien. als in rang komende nà den bisschop. die niet als hun meesters voor het leven. dank zij het feit. In verband met het streven der kerk naar uitbreiding harer competentie werd in verloop van tijd in het leven geroepen eene verdeeling van het bisdom in kerkrechterlijke districten.de benoeming aan zich trekken. Ik behoef u slechts te herinneren aan Willebrord.

een bisschoppelijk ambtenaar. In het vierde jaar. Er zijn klachten en processen. In hoofdzaak is hieraan vastgehouden en heeft men zich verzet tegen het streven der kerk. practischer aangebracht door den ambtstijd te verdeelen. Deze kon zich zeer goed aansluiten aan het reeds verkregene. De vaststaande rechtsregel was. ingesteld tegen personen. voordat hij haar met de aartsdiakenen moest deelen. die in het leven was geroepen ter berechting der geestelijken. Deel 30 . om ook hierover de competentie aan zich te trekken. zoo vinden wij ook hier zulk eene verdeeling. die zich hadden durven onderstaan zich in te laten Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. in wiens gebied dit goed was gelegen. Doch evenals in de wereldlijke rechtspraak de opbrengst der boeten werd verdeeld over den vorst en den ambtenaar. het schrikkeljaar. ruimde de deken zijn plaats in aan den provisor. Talrijk zijn dan ook de processen. dat dit zal zijn geweest de rechtspraak over de bezittingen der kerk en der geestelijkheid. dat de kerkelijke rechtspraak in haar geheel den bisschop toekwam. Eene reminiscentie aan den tijd.XCIX drie jaren werden aangesteld. dat onroerend goed slechts kon worden aangesproken voor den wereldlijken rechter.tegen rechters. Doch. Doch daarnaast komen afwijkingen voor. Gaan wij na. niet in alle opzichten. waaruit blijkt dat de wereldlijke rechter in zulke zaken vonnis heeft gewezen. . dat zij der kerk zooveel mogelijk ter wille wenschten te zijn. zal zijn gegeven. De graven verzetten zich hiertegen niet te zeer. dat erop wijst. dan mag worden vermoed. die vermelding verdienen. die het wereldlijk gerecht hadden geadieerd in geschillen met kerkelijke instellingen of personen over onroerend goed. Integendeel is menig privilege bewaard gebleven. welke uitbreiding het eerst aan de kerkelijke rechtspraak.

Zij vorderde uitsluiting van de wereldlijke rechtspraak. doch over de vraag of al dan niet bevoegdheid tot het schenken van het onroerende goed aanwezig was Men stelde zich dus op het standpunt. bestemd voor gasthuizen enz. enz.behoudens enkele uitzonderingen den wereldlijken rechter het vonnis wijzen. De bewoners van Zeeland ontvangen een paar malen in onze bronnen den Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . waar het goed was gelegen.v. en dat de opdracht van deze beslissing aan de belanghebbende kerkelijke overheid invloed zou oefenen op de rechterlijke uitspraak.C met de rechtspraak over dergelijke geschillen. dat alleen de kerkelijke rechter ten opzichte van hare bezittingen competent zou zijn. aan een kerkelijke stichting verleend. de bisschoppelijke of andere tafels. kerken. Doch door de kerk werden groote groepen uitzonderingsgevallen gepretendeerd.. Een bewijs.dat over tienden alleen de kerkelijke rechter bevoegd was tot oordeelen. Geschillen over tienden zijn echter nog al eens voorgekomen. Ook over onroerende bezittingen. En wel op dezen grond. dat het geschil niet liep over eene bezitting van een gasthuis enz.ja men vindt zelfs een privilege. dat van die zijde de kerkelijke competentie met uitsluiting der wereldlijke niet werd toegegeven. . Zoo had b. En dat niet alleen. melatenhuizen enz. was niet zonder beteekenis. maar zij meende ook waarschijnlijk ingevolge een frankisch capitulare . dat het bewuste stuk land nog geen eigendom was van het gasthuis. het Karthuizer-klooster bij Amsterdam het voorrecht verworven. wanneer het goed in kwestie beboorde aan gasthuizen. waarbij de competentie van den kerkelijken rechter in geschillen van de bedoelde natuur tegenover den wereldlijken rechter wordt vastgesteld. Doch ook de plaats. en dan zien wij .. wijst de wereldlijke rechter herhaaldelijk vonnis.

de kerkelijke rechtspraak te eerbiedigen. En in die mate werden huizen en landen in de doode hand gebracht. Men ziet. een invloed. dat van wereldlijke zijde ook erkend werd de bizondere rechtsbedeeling van de geestelijken. welk een voor 's graven macht hoogst gevaarlijken invloed de kerkelijke rechtspraak zich hier reeds had veroverd. De wereldlijke rechter erkende ten volle zijn kerkelijken ambtgenoot. dat de wereldlijke rechter eerbied had voor de geestelijkheid en hare rechten en voorrechten wenschte te eerbiedigen. en overbrenging daarvan in de handen der kerkelijke rechters. die . Een reden. Maar.had kunnen en had moeten leiden tot ontneming aan de wereldlijke overheid van alle jurisdictie. Dit kon uitteraard niet bestaan. was de gestadige aanwas van het grondbezit der kerk en der kerkelijke instellingen. Geen wonder dus. Deel 30 .CI lof van kerkelijke zijde. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De graaf ging hierin voor. toen werd begrepen.wanneer hij niet was gebroken . Voortdurend was van deze zijde het oog gericht op vergrooting van het onroerend vermogen. Het forum privilegiatum ratione personae gaf eveneens aanleiding tot moeilijkheden. dat van wereldlijke zijde het groot gevaar daarvan voor de gemeenschap werd begrepen. En nu zijn ons juist uit Zeeland eenige vonnissen bewaard gebleven van den kerkelijken rechter in processen over onroerend goed tusschen leeken. die deze zaak van nog ernstiger aard maakte voor de wereldlijke overheid. en vorsten en stedelijke besturen verbodsbepalingen uitvaardigden tegen verkoop of schenking van onroerend goed aan geestelijken en kerken. dat zij trouwe zonen der kerk waren. beriep menigeen zich te recht of ten onrechte op zijn geestelijken staat. wanneer hij betrapt was op misdrijf. door zijn rechters en onderzaten te gelasten. hare rechten eerbiedigden en voor hare belangen zorg droegen.

Een asylrecht. en dat hij. Het kwam voor. wetende dat de eerbied van den wereldlijken rechter voor de plaats. die het misdrijf pleegde. Ook hier moesten voortdurend moeilijkheden ontstaan. Deel 30 . Conflict. doch dikwijls was de boef door een anderen uitgang ontvlucht of bleef hij geduldig toeven.CII Vandaar dat de wereldlijke rechter vorderde ‘habyt’ en ‘crune’. Volkomen juist. en herhaaldelijk zien wij hieromtrent conflict tusschen de wereldlijke en de kerkelijke overheden. door de hameye. zijn wij geneigd te zeggen. en niet meer tot de kerken en kerkhoven beperkt bleef. dat hij niet tot den geestelijken stand behoorde. dat een schavuit de gewijde plaats misbruikte. zelfs wanneer degeen. Of werd het asylrecht niet evenzeer misbruikt als het beroep op den geestelijken staat? Geschiedde het niet vele malen. hem voor straf beveiligde. die de emuniteit afsloot. Doch daartoe beperkte zich de zaak niet. dat een boef op heeterdaad werd betrapt. immers hoe kon anders blijken van den staat van den misdadiger? De kerk vatte het echter anders op. dat de wereldlijke Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. over te springen of te vluchten in de kerk of op het kerkhof. waar hij zijn toevlucht zocht. om van daaruit diefstal. erkende. ontkwam aan zijn vervolgers? Somwijlen bleven dezen op post voor den uitgang. dat zich uitbreidde tot de geheele emuniteit. dat des schouten dienaars hem nazetten. Het is alleszins begrijpelijk. Het asylrecht vinden wij eveneens terug. totdat de wereldlijke beambten des wachtens moede waren heengegaan. dat volkomen terecht uit de afwezigheid van tonsuur en kleed werd afgeleid. en bij gebreke daarvan den delinquent behandelde als leek. roof. ja moord te plegen. geëerbiedigd door de wereldlijke overheid. Zoo werden dus misdadigers onttrokken aan de gerechtigheid.

De kerkelijke rechter vervolgde zelfs onschuldigen. En de boeten in huwelijkszaken waren hoog. Zulk een onrechtmatig optreden beperkte zich niet tot sporadische gevallen. Eene verdere bepaling werd niet gegeven. ten einde van hem boete te innen. Doch wanneer behoorde de kerk niet te beschermen? Dit bleef een open vraag. bepaaldelijk door haar streven naar de uitsluitende berechting van huwelijkszaken Zij beriep zich daarbij hierop.CIII overheid zich niet kon vinden in eene dusdanige opvatting van het asylrecht. Doch ook in de onderlinge verhouding der bizondere personen greep de kerkelijke rechtspraak in. doch dat hij. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat een der partijen aan een derde trouwbeloften had gedaan. waarbij werd bepaald. zij liet ook andere onregelmatigheden toe. Exempli gratia werd daarbij gevoegd: in zaken van majesteitsschennis. op zulk eene hinderlijke wijze. wanneer zij zich had opgeworpen als handhaafster der zedelijkheid en ook hier niet de ‘auri sacra fames’ haar op een verkeerd spoor had geleid. En zij had wellicht ten dezen meer macht kunnen ontwikkelen. En het gevolg daarvan was wederom herhaalde botsing tusschen beide overheden. en dat zij uitlokte eene nadere regeling. dat de wereldlijke rechter de wijding der kerken en kerkhoven moest ontzien. Zij sloot huwelijken. ofschoon zij wist. dat zij trachtten door betaling van een geldsom hun rust te koopen. die met aardsche goederen waren gezegend. Deel 30 . wanneer de wijding den misdadiger niet behoorde te beschermen. volkomen vrijheid bezat om hem uit de kerk of van het kerkhof te doen halen. of wanneer de vrijplaats moest dienen om van daaruit moord te plegen. om dan den delinquent wegens de onregelmatigheid te vervolgen. dat het huwelijk een der zeven door haar vastgestelde sacramenten was.

Hij kon dus niet dulden. dat op den ingeslagen weg werd voortgegaan. de inwoners van Hoorn in rechten te vervolgen. ‘het ne zye van crusegehelde. een verzet dat zich vooral moest openbaren onder krachtige vorsten.Zoo verbood graaf Jan in 1297 den ingezetenen in Zieriksee zaken van wereldlijken aard te brengen voor den kerkelijken rechter. Vandaar verzet bij de graven en bij hunne ambtenaren tegen de inbreuken op de wereldlijke jurisdictie. En er waren vele andere zaken. . Gaf hij toe dan zou langzaam maar zeker zijne geheele rechtspraak in verloop van tijd plaats moeten maken voor die der kerk.De deken van Hoorn ontving in 1409 eene aanmaning van graaf Willem VI. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. hare competentie uit te breiden. Juist omdat hierbij betrokken was de innigste verhouding. Zoo verbood Graaf Floris V op 9 Sept. soo besettet ghy hare koeyen ende beesten opt veldt ende andere hare landtrechten.’ Een ander maal beklagen zich 's graven onderdanen bij hun vorst over de hooge boeten. Zoo waren er dus tal van onderwerpen. die de kerkelijke rechter van hen vordert. van testamente of van handeren gheesteliken stucken. Deze deken had nl. Gij gevoelt het. die tusschen twee menschen kan bestaan. bij het voortdurend streven der kerk om hare jurisdictie verder uit te strekken. waartoe de kerk trachtte. waarin geschil moest bestaan tusschen de wereldlijke en kerkelijke overheden. Deel 30 .’ . ‘ende soo wanneer ghy hen niet ofwinnen meught. 1293 den deken van Schouwen de inwoners van Zieriksee te berechten. de gewoonte. voor den staat was de zaak eene levenskwestie. moest dit optreden van den kerkelijken rechter groote verbittering wekken.CIV de zucht naar geld maakte het kwaad ver verbreid. Zelfs in het getrouwe Zeeland was de ergernis groot.

Deel 30 . een concordaat. Frederik van Blankenheim en Rudolf van Diepholt. Of het ten uitvoer is gelegd. Dit stuk heeft den vorm van een aanschrijving van 's keizers zijde. dat ook hij 's graven onderdaan was en dat ook hij zich moest schikken naar 's lands wetten.CV In zulke gevallen richtte de graaf zich tot den betrokken kerkelijken rechter en deed hem in krachtige taal. daarop inbreuk te maken. verstaan. Met Holland zijn concordaten gesloten door Floris van Wevelinchoven. de . kan ik u niet zeggen. Of wel de graaf verleende aan de klagende onderzaten eene erkenning van hunne rechten. doch wordt concordaat geheeten en is dus wellicht ontleend aan een verloren concordaat. en zegde hun bescherming toe. Het lag evenwel voor de hand te trachten botsingen te voorkomen door bespreking der moeilijkheden en regeling der verhoudingen bij een overeenkomst. Ook hiervan vinden wij in de Utrechtsche bronnen voorbeelden. die aan duidelijkheid niets te wenschen overliet. wanneer de kerkelijke rechter voortging.Wellicht is in 't begin der 16 eeuw nog een tweede concordaat met Gelre tot stand gekomen. begeleidende eene instructie omtrent de grenzen tusschen de wereldlijke en de kerkelijke rechtspraken. Althans van Januari 1526 zijn bewaard gebleven aanschrijvingen van de wereldlijke overheid aan de wereldlijke ambtenaren. doch daaromtrent kan ik U nog geen zekerheid geven. Met den hertog van Gelre is zulk een concordaat ‘geraempt’ ten tijde van bisschop Frederik van Blankenheim. Wij kennen alleen de minute of het concept van het stuk uit 's bisschops diversorium. zonder aanteekening of de vaststelling ervan is gevolgd. omdat daarvan alle aanwijzing ontbreekt. Misschien is ook in 1525 een concordaat tot stand gekomen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

v. En het was nu in verband met die ruimere bevoegdheid van den kerkelijken rechter in Zeeland.Waarom Zeeland de eer genoot van een afzonderlijk concordaat? . tusschen de aartshertogen eenerzijds en den bisschop met den Domproost anderzijds in 1508 gesloten. Drente. Immers het Nedersticht.CVI En eindelijk valt te vermelden een afzonderlijk concordaat voor Zeeland. ook ambtenaar des bisschops. En het teekent voorzeker de krachtige ontwikkeling der steden. En zoo kon de kerkelijke rechter in Zeeland veel verder gaan dan in andere streken. Voor de kennis van de verhouding tusschen de wereldlijke Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de Zeeuwen door de kerk werden geprezen om hun trouw en volgzaamheid. Overijsel. De concordaten hebben echter nimmer duurzame vrede gebracht. Deel 30 . zooals ons zulk een verzet ook van grooter steden bekend is. een leek den anderen leek voor den deken vervolgen om schade of schuld. . dat dit concordaat werd gesloten. Deze eigenschappen uitten zich natuurlijk ook met betrekking tot de kerkelijke rechtspraak. Het is dan ook voor de kerk veel voordeeliger dan de andere concordaten Voor de andere deelen van het bisdom zijn geen concordaten gesloten.Ik zal het u zeggen. voorzichtig zal zijn geweest met zijn optreden tegen zijn kerkelijken ambtgenoot. spreekt vanzelf. telkens ontbrandde de strijd opnieuw en was eene nieuwe overeenkomst noodig. wanneer wij Deventer niet ééns maar meermalen zich zien verzetten tegen aanmatiging der kerkelijke rechters. uit den aard van de zaak. Straks vermeldde ik reeds. In Zeeland kon b. elders niet. Groningen met het Gorecht hadden den bisschop tevens tot wereldlijk heer. Met zich zelf kon deze geen concordaat sluiten. Dat de wereldlijke rechter in deze streken.

al streed hij voor de kerk. eene rechtsgeleerde memorie van 's bisschops vicaris-generaal Gerardus de Randen. gesteld op naam der hooge kerkelijke rechters. zoodat de wijze. Beter dan eene opsomming der daarin behandelde zaken pleit voor 's graven invloed. dat in 1504 de bisschop en de Domproost ook meenden hunne zaak te dienen door eene minutieuse verhandeling tegen de geldigheid van het concordaat. dat het stuk niet wettig was.CVII en de kerkelijke rechtspraken zijn die overeenkomsten van het hoogste gewicht. die trachtte aan te toonen. blijkt voldoende. omdat zij de eenige bron zijn. Zoo heeft hij dan ook door deze argumentatie zich de groote verontwaardiging op den hals gehaald van 's graven raad. Dit blijkt bovendien uit het feit. die hierin paal en perk stelde aan talrijke kerkelijke usurpatiën. want zijne argumenten kunnen den toets der kritiek niet doorstaan. dat blijkbaar met groote zorg samengesteld was en alle punten in geschil tot oplossing zal hebben gebracht. Ik zal u niet vermoeien met eene ontleding van het lange stuk. die volkomen juist aanwijst de grens tusschen beide jurisdicties. dat de kerk niet van het concordaat gediend was. wier dienaar hij was. nimmer heeft zij een voorstel gedaan om het Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Uit de Randen's lang vertoog. Evenals de Randen gingen bisschop Frederik en Philibertus Naturelli hierbij te ver. Deel 30 . waarop de strijd van die zijde werd gevoerd. ons in een zeer eigenaardig licht verschijnt. Het betoog kan den opsteller in onze oogen niet verheffen. Nimmer echter heeft de kerk het concordaat opgezegd. En dan is vooral dat van 1434 tusschen Philips van Bourgondië en Rudolf van Diepholt van groot belang voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak.

de uitvinding der boekdrukkunst. Dit teekent den toestand. de opbloei van de fraterhuizen der broeders des gemeenen levens.zij is het niet geweest. wier hoofd zijne ernstige vermaning had doen hooren tegen de dubbele kloosters. En Hendrik van Beyeren riep eerst de hulp in van den keizer tegen zijn lastigen Gelderschen nabuur. en wist toen niet beter te doen dan zijne wereldlijke macht aan Karel V over te geven. of die althans de persoonlijke kracht miste om te zijn. Deel 30 . doch nimmer een koninklijk optreden. waar het om ging. kwam een bisschop. dat den wereldlijken rechter van kerkelijke zijde was toegekend de macht.CVIII concordaat te vervangen door eene andere. De strijd werd steeds gevoerd door schending van het overeengekomene. de misdadige klerken aan te houden. in die kerk van het oude Trecht. Bij deze afstand der temporaliteit van het Sticht Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. . De kerk. wat hij in die omstandigheden had moeten zijn. . wier geestelijkheid reeds herhaaldelijk door den bisschop had moeten worden vermaand wegens haar ongodsdienstig leven. .de kerk. wier geestelijkheid op sommige plaatsen zulk een ergerlijk leven leidde. Straks kwam de noodzakelijke reformatie van vele kloosters. . de ontdekking van nieuwe werelddeelen. langzaam maar zeker.de kerk zag haren geestelijken invloed tanen. doch zonder dat dit euvel overal was uitgeroeid. overeenkomst. een meting van beider krachten. steeds dus de guerilla-oorlog.en wat daar meer op de uiterlijke verhoudingen van zoo ingrijpend belang zou zijn. mits hen overleverend aan de kerkelijke overheid. die de vroomheid wilden redden van den ondergang. Die afstand had kunnen zijn een daad van grootheid. die den menschelijken geest zijne groote ontwikkeling zou brengen. voor haar voordeeliger. die niet besefte. En daarbinnen.

En de ingezetenen dezer landen steunden den keizer. kon den bisschop duidelijk zijn uit de talrijke memoriën in 1525. over dit onderwerp gewisseld. Deel 30 . Beriep de kerk zich op hare positie. de landen van herwerts over te besturen.CIX bleef den kerkelijken rechters hunne kerkelijke rechtspraak. dat Z. doch haar omvang werd bepaald door de opvatting dienaangaande van den zoo machtigen keizer. en dat hij als souverein de macht en den plicht had. En hoe 's keizers opvatting was. is mij niet bekend. werd tevens afbreuk gedaan aan het forum privilegiatum. dat er slechts ééne kerk der geloovigen verondersteld werd en dat het mysterium unitatis den geloovigen ten deel viel. maar voldoende blijkt uit de tot ons gekomen bronnen. Hoe kon 't ook anders? Ik zeide u in den aanvang.M. De vrees voor ban en interdict moest verdwijnen en juist deze twee straffen deden veel meer dan geldstraffen . Erkenning der kerkelijke emuniteit. Of het toen tot een concordaat is gekomen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.tenzij het noodig geacht werd. Althans voor zoover de keizer daarvoor geene afwijkende regeling trof.goed. . Het veldwinnen der nieuwe leer had aan de kerk een machtig wapen ontnomen tegenover de ingezetenen. als b. dus een paar jaren van te voren. en de kerk slechts disciplinaire bevoegdheid zou bezitten tegenover hare ambtenaren en hare leden. dat voortaan de rechtspraak aan den staat zou behooren.K.van 's keizers zijde werd niet minder hooghartig geantwoord. voor de berechting der ketterij. . zij het dan ook met steun van kerkelijke zijde. de misbruiken geenszins stond te dulden. .de middeleeuwers zich buigen voor den kerkelijken rechter. zooals ik U reeds zeide. de woning van den Domdeken te doen bezetten door ‘cluyvers’ (wereldlijke gerechtsbeambten). om 's keizers wil uitgevoerd te zien. En in verband met de wereldlijke vervolging der ketterij.v.

doch daarnevens. Middelburg. Ter harer uitvaart deden verder dienst de bepalingen van het concilie van Trente. in den zin waarin wij haar bespraken. de verheffing van het bisdom Utrecht tot aartsbisdom en de stichting der bisdommen Haarlem. zoolang de straf duurde. Slechts hierop wil ik u wijzen. die alles heeft gedaan om zijne nederlandsche gewesten van zich te vervreemden. Ik heb gezegd. Zoo moest dus komen en is gekomen de vernietiging der kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht. Deventer en Groningen. om dit te ontgaan legde hij het hoofd in den schoot. En wanneer hij dit niet deed. dat de geschiedenis zich nooit herhaalt.CX Uitgesloten te zijn uit die gemeenschap was meer dan menigeen kon dragen. van God. dan trof het interdict. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. die ook de positie der aartsdiakenen wijzigden. dat zoowel in de insigniën van Karel den Groote als in die van Karel V de kerk wordt voorgesteld door de bovenhelft van den rijksappel. de lust zou mij leiden tot het trekken van een parallel tusschen Karel den Groote en Karel V. Met indrukwekkende plechtigheden ging het uitspreken van zulk een interdict gepaard. de plaats waar hij woonde of waarheen hij zich ook begaf. dat er niets nieuws is onder de zon. afgesneden. En ten slotte de tragische figuur van Philips II. Doch dat zoowel in 800 als ruim zeven eeuwen later die appel zelf berust in 's keizers ééne hand. Doch sedert de ontluiking der nieuwe denkbeelden op godsdienstig gebied verloren voor hunne aanhangers uitteraard deze straffen hare kracht. Dwong de tijd mij niet. Deel 30 . bekroond door het kruis. terwijl zijne andere hand voert het zwaard der gerechtigheid. de cessatio a divinis. en vreeselijk was de druk crvan op de vrome geloovigen. Dan zou opnieuw blijken.

waar de heer F.J. te half zes in den huize Okhuyzen gehouden. nam een veertigtal der leden deel. maar ook hier weer geldt: alles hangt van persoon en plaats af. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De heer Joosting constateert. soms niet. Als niemand meer het woord verlangt. dat er ongetwijfeld bij de leeken tegenover de geestelijke rechtspraak antipathie en sympathie heeft bestaan. betuigt de Voorzitter ook aan den heer Joosting den dank der aanwezigen voor zijn belangwekkende voordracht en sluit daarop de vergadering. vraagt de heer Bussemaker het woord tot het stellen van de vraag. daar alles afhing van den persoon van den deken. Na afloop hiervan vereenigden zich een aantal leden van het Genootschap tot het brengen van het op het programma vermelde bezoek aan den Dom. Nieuwenhuis als bij uitstek deskundig leider toonde hoe de bouwgeschiedenis van dit schoone kerkgebouw evenmin als zijn architectonische détails meer geheimen voor hem bezaten. Deel 30 . Aan den gemeenschappelijken maaltijd. En in dezelfde dekenie werd soms geklaagd. maar deze zijn moeilijk te controleeren. Aanvankelijk was men zeker beter uit bij de kerkelijke rechtspraak dan bij de wereldlijke. of het ter vervollediging van het beeld niet wenschelijk ware geweest de quaestie aan te roeren. Zoodoende kan geen algemeene regel worden gegeven.CXI Nadat de heer Joosting gesproken heeft. omdat het geding beter vlotte en men vlugger geholpen werd. in hoeverre door de leeken aanvankelijk de kerkelijke rechtspraak werd gewaardeerd.

Hij rukte bij Boxmeer en Mook over de Maas en trok op Wesel. Frederik Hendrik had zich echter. Daartoe rukte hij over Loon-op-Zand naar Helvoirt.1 Onuitgegeven bescheiden nopens de berenning en de overgave van Amersfoort in 1629. ten einde zich te vereenigen met Keizerlijke hulptroepen. van Dam van Isselt. Eerst poogde deze door een rechtstreekschen aanval op den Prins den Bosch te ontzetten. te goed verschanst en de aanval werd afgeslagen. Deel 30 . De Graaf van den Berg werd met het bevel belast. Men zou daarna over den IJsel in de Veluwe vallen. Met het doel hem tot het opbreken te nopen deed de Infante Isabella. In 1629 sloeg Prins Frederik Hendrik het beleg voor 's-Hertogenbosch. Medegedeeld door W. Holland bedreigen. die toen in de Spaansche Nederlanden regeerde. Daarop trachtte van den Berg op indirecte wijze zijn doel te bereiken. die onder Montecuculi in aantocht waren. ook naar buiten. Frederik Hendrik nopen ter hulp te Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.E. daarop een leger van 35 à 40 duizend man bij Turnhout verzamelen.

Den 11 Augustus verliet Montecuculi met 10 à 12000 man voetvolk. Ongehinderd kon hij tot Amersfoort oprukken. waren onvoldoende. zijn N.S. werd verlaten. Later verlegde van den Berg zijn legerplaats en zijn brug tot tusschen Spankeren en Brummen.2 snellen en aldus den Bosch bevrijden. Montecuculi ontmoette op de Veluwe geen tegenstand. De maatregelen. Toen hij voor Amersfoort kwam. begon hij maatregelen te treffen om de onderneming tegen het hart den der Republiek door te zetten. daar hij Holland door de Utrechtsche linie met de daarin aanwezige troepen behoorlijk beschermd achtte. die zich met de hem eigen vasthoudendheid niet van zijn eenmaal opgevat plan liet afleiden en het beleg doorzette. was hij nog 8000 man voetvolk en 3000 ruiters met 11 stukken geschut sterk. niet voltooid. In den nacht van 22 op 1) 23 Juli trokken de eerste vijandelijke afdeelingen bij Westervoort de rivier over en verschansten zich op den linkeroever. terwijl de daarvoor aangewezen troepen te laat kwamen. Nadat hij hier in het laatst van Juli door de aankomst van Montecuculi's hoofdmacht versterkt was. Van den Berg had hierbij echter buiten den Prins gerekend. Lunteren en Barneveld op Amersfoort . De Grebbe-linie. Deel 30 . Zijn eerste den afdeelingen kwamen den 12 een korte be- 1) 2) den voor de vesting aan. 30 kornetten ruiterij en 12 tot 14 stukken geschut de legerplaats 2) aan den IJsel en rukte over Ede. ter verdediging van den IJsel genomen. Een andere colonne onder den Graaf van Salazar trok langs den linker IJseloever op Hattem Van den Berg bleef aan de rivier tot dekking van zijn legerplaats en van den terugtocht. de hoofdmacht den 13 . waarbij het tegendeel niet vermeld is. Na Alle data. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

Men sprak van verraad en gaf den Remonstranten de schuld. I. 61 en 62 blijken zal. Mr. Groot was de ontsteltenis. Het verkeer ging derhalve destijds reeds vrij snel. Brief aan Ha. doch hadden zij zich vrijwillig aangegeven. 865. Willem van Dam.. niet het minst te Utrecht en in Holland.. had er niet een groot garnizoen gelegen. van de Admira- 1) 2) 3) 4) 5) Van Aitzema.H. voor wie de voormalige regeering van Amersfoort moest terecht staan. blz. Mo.. hoe de burgemeester van Amersfoort. Ook werd de vraag al spoedig gesteld en beantwoord. 11/21 Augustus 's avonds om 6 uur rapporteerde een der Utrechtsche burgemeesters in de vroedschap. wat zij ook gedaan zouden hebben. Saecken van Staet en Oorlog. ‘En speelden de Pausgesinden daer dapper onder 1) om de gemeente kleynmoedich te maken’ . Frederik Hendrik en de Staten van Holland eischten een streng onderzoek. Eerstgenoemde schreef dienaangaande aan de Staten-Generaal: ‘Wij mynen dat het voor den dienst van den Lande nodig waare. dd. Te Utrecht wilden velen naar Holland vluchten. 16 Aug. De bekende François van Aerssen. en de oud-burgemeester Peter de Goyer bij den uitlegger op de 5) rivier de Eem gevangen genomen en door de H. Deel 30 . alsoo 2) het eene saecke is die met stilswijgentheyt niet en behoord gepasseert te worden’ . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ho. . die hierna meermalen zal genoemd worden. Zooals op blz. dat dien 3) 4) morgen in de vergadering der Staten-Generaal de Heer van Sommelsdijk namens den Raad van State medegedeeld had.3 den schieting doorstaan te hebben gaf de stad zich reeds den 14 na de derde sommatie over. Hij gaf in overweging hen voor den Raad van State of voor den krijgsraad in het leger te roepen. dat een Exempel gestatueert wierde over de Capiteinen die binnen Amersfoort geweest sijn. waren zij niet gevangen genomen.

stadt (Amersfoort) geexamineert te worden. ‘dat men om verscheyden redenen de Generaliteyt de judicature in desen zal toestaen. Men wilde hen nu voor dien Raad doen terecht staan. 56.d. Reeds bij resolutie van 21 Augustus bepaalden de Staten-Generaal. ‘midts bij deselve daerover passerende behoorlijcke acte van non preiuditie. dat de leden der regeering van Amersfoort voor genoemden Raad zouden terecht staan. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat beide genoemde personen door den Raad van State ‘in bewaerder hant sullen worden gehouden oock van den anderen gesepareert om hiernae op de gelegentheyt vant overgaen van de voorss. d.’ De Gedeputeerde Staten van Utrecht gaven toestemming.). staan tal van bronnen ter beschik- 1) 2) Zie de vroedschapsnotulen van Utrecht op den genoemden datum. Voor de kennis van hetgeen destijds te Amersfoort voorgevallen is.S. als de meening ‘van Stadswege’ te kennen te geven. De Raad van State scheen overigens slechts over 2) krijgslieden te vonnissen . 12 Aug. voor zoo veel als aengaet de hoocheyt ende Jurisdictie der Stadt. van der Borre. blz. Steden ende Lande van Utrecht’ (Res. In de vroedschap van Utrecht besloot men. opdat men het gevoelen van zijn ‘principalen’ zou kunnen inwinnen. doch de Gedeputeerden van de Provincie Utrecht in de Generaliteit hadden verzocht de zaak aan te houden. mits hebbende acte van non preiudicie soo ten regard vande 1) Staten als de stadt van Utrecht’ . O. Deel 30 . Zie den hierna afgedrukten brief van A.4 liteit te Amsterdam aan den Raad van State (destijds te Utrecht resideerende) overgeleverd waren.

-I. advocaat der O. oudsten zoon van Mr. van Amsterdam naar Zeeland reizende. Willem van Dam aan Matthaeus. van der Capellen.v. Deel 30 . Van Dam. Gelegentheyt van 's-Hertogenbosch.v. Visscher in 3) de Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht (1849) medegedeeld . 240 tot 274. blz. van beteekenis. Het werd eertijds door Dr. 4) inzonderheid van Utrecht . A. voorkomende in Dodt van Flensburg's Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen. Naast de speciaal Amersfoortsche als Verhoeven. Deel I. Eerste Stuk (1849). Daar vindt men een brief uit het jaar 1692 van Mr. had aan den Uithoorn Matthaeus ontmoet en van hem vernomen. blz.P. 147 e. Pieter ie 5) van Dam. vermoedelijk om aldaar de vergadering van Heeren Zeventienen bij te wonen. IIe Deel. Matthaeus en van Bemmel 1) wijdt ook Bor menige bladzijde aan de overgave van 1629 . Bovendien zijn de beschrijvingen van hen. N. Generael Montecuculi in 1629’. Comp te Amsterdam . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Een andere belangrijke bijdrage vormen de ‘Stukken betreffende de overgave van Amersfoort aen den Keyserl. In dit opzicht trekt wel het verhaal.5 king. van Dam. Willem van Dam ‘in 't ruuw (in potlood) en met er haast ende vreese van interruptie gestelt in mijne gevankenisse den 20 Aug. 93 e. blz. Verder heeft men van 2) Aitzema. die bij de overgave tegenwoordig of daarbij betrokken zijn geweest. dat hij een geschiedenis van Amersfoort onderhanden had. van der Capellen enz. door Mr. Hij heet hier ten onrechte L. 1629’ in de eerste plaats de aandacht. Op verzoek van Matthaeus zond van Dam hem na zijn terugkeer te Amsterdam de 1) 2) 3) 4) 5) Pieter Bor. Tweede Deel. Gedenkschriften.

B. nog enkele bijzonderheden uit het archief van Hilten bevat nopens het verzoek. in 1693. ook door van Aitzema vermeld. 197 e. Antonis van Hilten. in 1629 eveneens burgemeester van Amersfoort en derhalve ook gevonnisd.v. 158 2) e.’ In zijne één jaar later. hieruit blijkt. in 1631 door Amersfoort aan den Prins. Deel 30 . alsmede een stuk van diens hand ‘om te bewijzen dat mijn sententie op opgeraepte calumnien is gefundeert. De voorwaarden van de overgave van Amersfoort. verschenen geschiedenis van Amersfoort heeft Matthaeus zeer veel uit deze gegevens geput. terwijl ook de 29 jaargang op blz. dat hij 3 der 6 door Mr.6 op 1629 betrekking hebbende papieren uit de nalatenschap zijns vaders ter kennisneming.v. om vergoeding voor de in 1629 geleden schade. d. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. door Dr. Pieter van Dam uit zijne jeugd vindt men bij Dodt van Flensburg een ‘naecte ende waerachtige verklaringe’ van Willem van Hardevelt. Behalve een opsomming van een zestal ter zake dienende bescheiden. Tideman Jz. Pieter van Dam opgesomde bescheiden in extenso overnam. ‘De overgang van Amersfoort in 1629’. behandeld in den jaargang 1903 van het tijdschrift ‘Uit de Remonstrantsche Broeder- 1) 2) Blz. sten werden opgenomen in Deel II van den 23 1) jaargang (1867) van de Kronijk van ste het Historisch Genootschap te Utrecht . destijds secretaris der Staten 's Lands van Utrecht. wat o a. die echter niet afgedrukt zijn.i. den Raad van State en de Generaliteit gedaan. en enkele herinneringen van Mr.

1629. onder goedkeuring der Regering lafhartig overgegeven’ .7 1) schap’ . later te Utrecht. Mr. die een eigenaardig licht werpen op hetgeen te Amersfoort tijdens de overgave van 1629 is geschied en op de wijze. 1629 aan zijn broeder Dr. d. alle kort na de overgave op schrift gesteld en dienaangaande vele wetenswaardigheden bevattende. Bosscha. 3) Die brieven. Willem van Dam.v. 7 Aug. eerst te Amersfoort. 457/8. 144 e.’ Zooals hieronder blijken zal. 35 e. geneesheer. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De Bordes daarentegen vermeende: ‘dat veel ter verontschuldiging van de spoedige overgave kan worden aangevoerd’ en heeft in een uitvoerige. doch bij Dodt van 2) Flensburg niet afgedrukte brief. De spoedige overgave der stad is destijds en ook later door vele geschiedschrijvers streng veroordeeld. I. van den 8 . 1834. Pieter van Dam genoemde. Twee dier brieven zijn van de hand van Mr. waarop de schuldigen door den Raad van State gevonnisd zijn.v. dien overgang betreffende.d. Pieter van Dam schrijft ten onrechte van den brief ‘door mijn vader aan mijn oom den zaliger geschreven den 8 Aug. alleen het P.S. na een flaauwe verdediging . met 1) 2) Blz. blz. Pieter van Dam. Van de nieuweren zegt Bosscha: ‘Amersfoort werd. Daaronder is de door Mr. Zie blz. is de brief van den 7 sten 3) 4) Aug. Neêrlands heldendaden te land. door de Bezetting. bevatten tal van tot nu toe onbekende wetenswaardigheden.S. hierachter afgedrukt . Deel 30 . O.zoo het doelloos verschieten van vele duizenden ponden buskruid den naam van verdediging dragen 4) mag.. vestigde mijne aandacht op een viertal onuitgegeven brieven.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. aldaar. zijn uitspraak ten volle wettigen. Uit die brieven blijkt. blz. die Amersfoort ongedekt liet. mede in verband met reeds bekende feiten. Wij gelooven.8 vele bronnen gestaafde beschrijving van den gang van zaken zijn meening nader 1) gestaafd . Willem van Dam als ordinaris-compareerende in de Gedeputeerde Staten van Utrecht. blz. Als voren.P. het volgende: o 1 . Heeft Mr. dat de stad aan de ge- 1) 2) De verdediging van Nederland in 1629. dat zij trachtte een goed verdrag te verkrijgen. de Utrechtsche linie in te richten. d. door J. Het genoemde college was echter aanvankelijk ‘seer perplex en van onse (Amersfoort's) defentie despererende. dat de tijd hiertoe ontbreken zou.i. dat de vier hier mede te deelen bescheiden. zoodra de bevelhebber had te kennen gegeven. 185-201. de Bordes. Gelet op alle omstandigheden acht hij de ‘regering te verontschuldigen. Deel 30 . waardoor de inwoners aan alle gruwelen van plundering en 2) moord blootgesteld zouden zijn’ . zoodra de vijand den IJsel overgetrokken was. doch het was van te voren na te gaan. 196.’ Later besloot men ‘de landweeringe bij provisie bij Utrecht te beginnen’. waarop Van Dam namens die van Amersfoort ertegen protesteerde. De Gedeputeerde Staten waren ongeneigd op dit besluit terug te komen. herhaalde malen aangedrongen op ondersteuning en in het bijzonder op het aanleggen van een ‘landweeringe’ van de Grebbe naar Amersfoort (Stelling van de Geldersche Vallei). dat de stad niet langer te verdedigen was en gevaar liep door eenen storm ingenomen te worden. wier inhoud de Bordes hoogstwaarschijnlijk onbekend was. Daarna zou ook Amersfoort beschermd worden.

zoowel door de Staten van Utrecht als door de Gecommitteerden van Holland en Utrecht. t. dat de 4) Staten van Utrecht gantsch geen staet en maeckten om Amersfoort te defenderen’ . Willem van Dam in zijn gevangenis. doch met geheel onvoldoende krachten . Conform het ‘Verhael vande proceduren’. Volgens van Hardevelt werkten er enkele dagen voor de aankomst des vijands ongeveer 60 man aan de landwering! Beiden waren in 1629 schepen. Idem van Mr.’ Den burgemeesters werd aangeraden.9 nade des vijands werd overgelaten en verklaarde: ‘in alle gevalle. uyt hoogh dringender noodt. o sten 3) 2 .p. enz. dat de stadt niet defensibel was. ende haer ontschuldigh te houden. Verband hiermede hield ook het 1) 2) 3) 4) 5) Res. dat zij ‘sich niet op hun couragie souden verlaaten. zoude mogen doen’ . nae constitutie van tijt en 1) zaaken.d. dat sij hun eyge swakhijd niet en kenden. Deze werden in schrifturen veelal ‘burgemeesters’ genoemd. ‘die in 't wedercomen rapporteerden. St. Terecht klaagde Van Dam. Utr.voorgehouden. tevens oud-burgemeesters. o 3 . Deel 30 . Aan de Regeering van Amersfoort werd voor en te na .’ Op het allerlaatst is men nog overgegaan tot het aanleggen van 2) een borstwering. genegen te wesen het uyterste te willen waghen met het opsetten van goedt en bloedt.a. d. Ged. die twee dagen voor de insluiting te Amersfoort kwamen . al waarender ook 4000 5) ia 5000 mannen in’ . dat ‘wij als ledematen van een lit afgesnede en ten proye van den viandt gestelt werden. 21/31 Juli 1629. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de stad ‘niet defensibel’ of ‘tegens eene belegeringe niet houwbaar en was. blz. Den 25 Juli werden de burgemeesters de Goyer en Westrenen naar Utrecht en Amsterdam gecommitteerd. Mededeeling van den burgemeester van Hardevelt bij Dodt van Flensburg. van allen t'geene men aldaer. 95. v.

dat men zich met een schikking zou moeten behelpen. te meer. o 4 . met ‘brieven van credentie’ naar den Prins in het leger voor den Bosch gezonden.om de vrouwen en kinderen uit de stad te brengen. Dat inderdaad de ernstige wil om het beleg van 's-Hertogenbosch door 1) 2) 2) Van Aitzema. dat zij ‘in een plaats niet defensibel wesende als Amersfoort ligtelijk 2) bij een accoordt niet t'onbruik voor de landen dienste gemaakt mogte werden’ .’ Bij deze woorden maakte hij een schouderophalend gebaar en gaf te kennen. ten einde ondersteuning te vragen. om alles uit Amersfoort in veiligheid te brengen . Ook vond hij het ongeraden om zijn troepen te versnipperen. Willem van Dam in de gevangenis. Willem van Dam in de gevangenis.10 meermalen herhaald advies . alsmede het overtollige koren. Mededeelingen van Mr. vegt dat gij berst. Toen de burgemeesters daarop den Prins afvroegen. ik soude seggen. Willem van Dam en Peter de Goyer werden. wanneer de vijand voor de stad kwam. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. maar nu sijt gij burgers. hoe zij zich dan moesten gedragen. waardoor zij bij gedeelten geslagen konden worden en oordeelde hij. kregen zij deze merkwaardige woorden ten antwoord: ‘Indien ik spreken soude op sijn soldaats. blz. of waart gij soldaaten. 864/8. Mr.zoowel van de Staten bij monde van den ontvanger Berck als van de evengenoemde gecommitteerden . I. wat echter door den tegenstand der burgers niet in tijds geschied is. In verband hiermede beval ook de Prins 2) aan. opdat de stad een minder groote aantrekkingskracht op den vijand zou hebben. Mededeelingen van Mr. daar 1) de vijand zich bij Herenthals verzamelde . Deze had zijn krijgsvolk echter in de loopgraven noodig. Deel 30 .

Zie ook van Dam's mededeelingen in de gevangenis. o 6 . blz. was allertreurigst. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 158 tot 163 Van Aitzema. 1631 door de Gedeputeerde Staten van Utrecht aan den Prins. o 5 . Deel 30 . door Amersfoort geleden. waren de defecten 3) te veel om in zoo'n korten tijd hersteld te worden . waarom hij zijn handen van Amersfoort aftrok.11 te zetten de voornaamste reden voor den Prins geweest is. 29 jaargang. Zij bestond aanvankelijk slechts uit 3 vendels Amers- 1) 2) 3) ste Kronijk Historisch Genootschap. blz. 1) daar het verzoek anders veel kans had afgeslagen te zullen worden . De bezetting was geheel onvoldoende. Ook kon de vijand de gracht aan de bergzijde 2) bijna doen droog loopen . men kon er met paarden tegen oprijden. De buitenwal tusschen de Utrechtsche en de Koppelpoort was in langen tijd niet in orde gemaakt. In die brieven werd tot tweemaal toe gedoeld op het verband tusschen het volhouden van het beleg van den Bosch . Zooals van Dam aan Naeranus schreef. waarin de vestingwerken verkeerden.d. I.een landsbelang . d.en de schade. 245/6 vermeldt uitvoerig. 864/8. blijkt ook uit de ‘brieven van voorschrijvens’. De toestand. Deze zinspeling was den Heeren in den Haag echter niet zeer aangenaam. want de Gedeputeerden kregen hunnen brief terug om er die tirade uit te doen vervallen. Over een groote uitgestrektheid bestond de wal in het geheel niet. 155. 11 Febr. den Raad van State en de Staten-Generaal gericht bij het verzoek van Amersfoort om vergoeding voor de in 1629 door de inname geleden overgroote schade en onkosten. Bor. wat er volgens de meening van den commandant en den krijgsraad aan de vestingwerken mankeerde. blz.

dat deze macht ‘omtrent 600 combatans’ sterk was. dubbele. t. Dodt van Flensburg. Aan geschut bezat men slechts 4 metalen en een ijzeren stuk. den 11 Aug. voorts 5 à 6 ‘haacken’ . Het voetvolk was trouwens niet in zijn geheel voor Amersfoort bestemd. 98. ving den terugslag op. aan de onderzijde van den loop aangebracht. Kort voor de berenning zijn daarop nog eenige troepen binnen Amersfoort gekomen. Er was geen man. die bijna allen barstten. schreef Prins Frederik Hendrik aan de Gedeputeerde Staten van Utrecht. dat de vijand te 1) 2) Haken waren een zwaar soort van geweren. van Hardevelt noemt het bedrag van 4 à 500. blz. die met de bediening van het geschut vertrouwd was. groot en die te voren met 5000 man ‘niet defensibel’ geoordeeld werd. bij wie zoowel tucht als oefening veel te wenschen overlieten. in omtrek 35 à 3600 M.12 foortsche burgers. Deze geringe macht was ten eenen male onvoldoende voor de verdediging van een vesting. waaronder één 1) gebarsten. Dit uitstekend gedeelte. Men kende heele. tegen de buitenzijde van den vestingmuur steunende.. Hoewel de Gedeputeerde Staten bij ontvangst van dezen brief wisten. doch ten deele 2) toevalligerwijze door den vijand op die plaats teruggeworpen . benevens een vendel ruiters van den ritmeester Chieze. dat eenige compagnieën onder een bekwamen bevelhebber naar Amersfoort werden gezonden. Zij ontleenden hun naam aan een haakvormig uitsteeksel. dubbel-dubbele en halve haken.a. Deel 30 .p. te weten één Hollandsche compagnie van den kapitein de Vries uit Amsterdam. hoe hij het in verband met 's vijands waarschijnlijk oprukken naar het hart des lands noodig achtte. 3 Zweedsche en 2 Duitsche compagnieën voetvolk. Van Dam zegt. den Op het allerlaatste oogenblik. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

doch die stad was toen reeds ingesloten en Morgan rukte daarop binnen Naarden. want na de overgave der stad was men nog in het onzekere omtrent de vraag. Er bestond geen behoorlijke afbakening tusschen het gezag van den magistraat en dat van den militairen commandant.13 Ede en tegen Amersfoort in opmarsch was. dat hij allerminst de leiding in handen had en ten slotte hén ontmoedigde. Zooveel is zeker. De bevelhebber.a. Van Dorp had ze in ieder geval niet verzocht. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ‘Deze blijkbare onwil van de Gedeputeerde Staten om Amersfoort hulp te verleenen. Deel 30 . o 7 . De burgemeester van Hardevelt deelt omtrent van Dorp mede. ‘dat hij geen dinck ter harten nam. die de verdediging nog wilden voortzetten. blz.p. oefende een hoogst nadeeligen invloed 1) uit op den geest der Regeering en van de inwoners van die stad’ . ende na geen commandement en trachte. besloten zij niettemin den terugkeer af te wachten van van Amerongen. 188/9. Door dit gemis aan overleg werd de eerste vijandelijke parlementair buiten voorkennis van den 1) De Bordes. maer hem met wijn ende een pijp taback opvulde. dien men voor zulk een uiterst moeielijk commando aanwees en die door energie en zaakkennis had moeten uitblinken. was in geen enkel opzicht voor zijn taak berekend. Ten slotte werd de kolonel Morgan met eenige sterke compagnieën ter ondersteuning van het garnizoen van Amersfoort aangewezen. die naar den Prins gezonden was om hem omtrent den toestand van de stad in te lichten.’ De Bordes noemt hem bepaald ‘lafhartig’.. t. wien het bewaren van de sleutels der poorten was toevertrouwd.

’ Onder de burgers was ‘groote disordre en 2) geen absoluit commandement als wel over de soldaten’ . Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Op den dienst der burgers was niet de minste orde gesteld. die ook vóór Montecuculi's komst te Amersfoort aldaar het schoutambt bekleed had. getuigt van slappe tucht onder de wachten. Evenmin had van Dorp orde gesteld op het verbruik der munitie. Mededeeling van Mr. toen Aert van Deuverden . waren de burgers ‘seer vermoit’. Aernout van Duverden was destijds schepen te Amersfoort. vóórdat de vijand feitelijk nog iets ondernomen had. zoodat ‘men deselve al veel van de walle begon te misse. Reeds den 13 's avonds wilde men tot 3) een accoord besluiten. wat van Dam tijdens de onderhandelingen met den vijand gedaan heeft. benoemd zien tot schout van Amersfoort. den geschiedde namens den geheelen Raad. II. Zooals dat gewoonlijk onder dergelijke omstandigheden geschiedt. Willem van Dam in de gevangenis. In de Statenvergadering van 15 April 1630 wilden Stad en Steden hem n. De kleine steden gingen nu met de Vóórstemmende Leden mede. doch de Heeren van de twee Vóórstemmende Leden waren ertegen. ‘die uyt sijn klederen den gantschen dag 1) 2) 3) Dodt van Flensburg. Zie ook den hierna afgedrukten brief aan zijn broeder. doch toen de vijand zijn aanval doorzette.b. wat in strijd was met de capitulatie. Ook den het binnenkomen van 1500 man des vijands in den avond van den 14 . nam men aanvankelijk overdreven veiligheidsmaatregelen Alle soldaten en burgers waren ‘hooft voor hooft twee dagen continuelijk op de wal’. blz. 98. Na vele oneenigheden over deze benoeming werd 3 Maart 1631 Jonker Walraven van Arckel benoemd. zoodat bijna de helft van het kruit vrijwel doelloos verschoten was.14 1) Raad door de ruiters van Chieze binnengelaten . Al. o 8 . Ook in van Dorp's vonnis wordt de aandacht gevestigd op deze onregelmatigheden.

alles buyten costen ende lasten vande gemeente ende op haer eygen servitien’ (niettemin leed de stad. omme als ostagiër in 't leger te gaan en met den viand te accordeeren’ volgens eene hem door den magistraat medegegeven instructie. ‘Alles bij de heeren seer goet gevonden sijnde. toen van Dorp verklaard had ‘dat men de aenstaende nacht groot perykel 2) soude loopen’ . Willem van Dam's brief aan zijn broeder en het ‘Verhael vande proceduren’. Conform Mr. terwijl art. alsmede door de bijeengeroepen 16 van de gequalificeerdste burgers ‘sonder eenige oppositie’ besloten. bevond van Dam zich 1) 2) 2) 3) 4) Dodt van Flensburg. ‘Alle het gene 3) dat hier inne geschiet is. is 't werk vande magistraat en niet van mij’ . den Toen de Keizerlijken. dan van duysent mannen. ‘soo wel met inclinatie en goetvinden van de crijchsraet als van de magistraet’. enz. Willem van Dam in de gevangenis. Mededeelingen van Mr. ben ik met advys 2) van de heeren weder na buiten gegaen. meer gedroncken als gegeten 1) hebbende’ .’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. enz. enz. Mededeelingen van Mr. Niettegenstaande van Dam ernstig aanhield daarvan geëxcuseerd te mogen worden. 99. II.15 tot 's avonts laet toe te bedde hadde gelegen. in strijd met de capitulatie. mits datter geen soldaten inde stadt sullen comen voor morgen avont. 8 der capitulatie luidde: ‘Dat dese Stadt niet meer sall beswaert worden met garnisoenen. Deel 30 . welck geen overlast aende borgerie sall doen. voor ruim 80 duizend gulden schade). werd hij ‘versogt en gecommitteert. Conform het ‘Verhael vande proceduren’. voornamelijk bij den aftocht des vijands. van het beste gedisciplineert volck. Art. Toen hij met Montecuculi tot een accoord gekomen was. nog in den avond van den 14 4) Augustus met 1500 man binnen de stad rukten . blz. zich daartegen verklaarde. 11 bepaalde: ‘Dat sijn Gen. sall sijn desen avont meester vande poorten mette sleutelen. de ontwerp-artikelen der overgave inhoudende. is van Dam naar Amersfoort teruggekeerd en heeft de ontwerp-capitulatie aan den krijgsraad en den magistraat voorgehouden. Conform het ‘Verhael vande proceduren’. omme beschijt te zeggen’ . Willem van Dam in de gevangenis. Hiertoe werd eerst den volgenden avond. Daarom ging dien avond nog geen parlementair uit.

dat de Bordes schrijft. Het is dan ook geheel zonder grond. T. Zeer duidelijk blijkt dit uit zijn brief aan Naeranus. Dit moet. Van Dam handelde volkomen in opdracht van den Raad. T. welke hij van den Raad had ontvangen . die het ontwerp contract goedgekeurd had. waarin reeds de bepaling nopens het tijdstip van het bezetten der poorten opgenomen was. hoe het ontijdig bezetten der poorten een gevolg was van het zwakke gedrag van van Dam tegenover Montecuculi 2) en in strijd met de instructie. in dit opzicht iets te verrichten of te verhinderen .16 bij den vijandelijken bevelhebber aan de molens buiten de Utrechtsche poort en 1) was derhalve niet in staat. inzonderheid over den burgemeester van Dam en den schepen de Goyer. zooals de Bordes het noemt .p. is dan ook geen sprake. 194. Conform zijn brief aan zijn broeder en dien aan Naeranus. 196. Deel 30 . dien men van Dam nazond.p. blz. Willem van Dam in de gevangenis. behalve aan de aanmaning van Prins Frederik 1) 2) 3) Mededeelingen van Mr. blz. 3) Van een ‘laf gedrag’. Ondanks al deze feiten velde de Raad van State een zeer streng vonnis. ondanks zijn aanhouden.a. Later werd door 6 à 7 Raden dienaangaande nog de eisch gesteld. Van Dam kon echter. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de vijand dien avond nog niet in het bezit van de poorten zou komen. in deze van Montecuculi geen uitstel bekomen.a.

terwijl men aan van Dam zelfs een zwaar opgenomen zaak ten laste legde. Deel 30 . die niettemin door van Hardevelt bedreven was. Volgens hem bleek dit ook eenigermate uit het vonnis van van Hardevelt. die. Waren tijdig afdoende maatregelen voor de verdediging van den IJsel genomen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. welk geloof destijds te Amersfoort vele aanhangers vond. in vele zaken gepardonneerd werd. om op die wijze de aandacht af te leiden van een zelf begaan verzuim.een overdreven beteekenis voor den Lande toegeschreven. het aan de Vroedschap mededeelen van de ongunstige meening van den Prins. o 2 . nl. nopens de verdedigbaarheid 1) Zie blz. Door hen onder verdenking te brengen van met den vijand geheuld te hebben.17 1) Hendrik om ‘een Exempel te statueeren’ . aan twee redenen worden toegeschreven: o 1 . 3. hoewel hij presideerend burgemeester was en alles tezamen met van Dam gedaan had. Heeft vooral de Raad van State aan de overgave van Amersfoort . Waren de Goyer en van Dam Remonstrant. Duidelijk doet van Dam dit tot tweemaal toe in zijn schrijven aan Naeranus uitkomen. Ds.dat vóór de ontworpen Utrechtsche linie gelegen was en welks val derhalve met het behoud dier linie in geenerlei verband stond . dan was de geheele Veluwe voor een vijandelijken inval gespaard gebleven. wilde men de Remonstrantsche partij in de geheele Republiek in discrediet brengen. de Gedeputeerden van Holland en Utrecht enz. Ook op dezen grond liet van Dam in zijn brief aan Naeranus het licht vallen. Tideman heeft dit in zijn bovenaangehaald geschrift nader uiteengezet.

die als gecommitteerde te Amersfoort geweest was. ten einde den vijand te verhinderen met gewapende vaartuigen uit de Eem de Zuiderzee onveilig te maken. De Bordes. dat zijn vonnis ‘op opgeraepte calumniën is gefundeert’. Uit van Dam's brief aan zijn broeder blijkt. Ook uit van Hardevelt's memorie. 98. bewijst ook het feit. t. die tot de overgave medegewerkt had. 21. van de 3) Admiraliteit van Amsterdam bekend hebben gemaakt . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. blijkt. dat men het speciaal op de Remonstranten had gemunt. Daar de directe weg door troepen onveilig werd gemaakt. blz. aan de Admiraliteit van Amsterdam den last gegeven had om een of twee gewapende vaartuigen voor den mond van die rivier te doen postvatten. 225/6. ja. IIier werden zij op last van den Raad van State in de herberg ‘het Poortje’ gearresteerd en . Zie Dodt van Flensburg. dat zij overtuigd waren in de gegeven omstandigheden niet anders te hebben kunnen handelen. opgesteld om te toonen. doch Montecuculi liet hem aanvankelijk niet vertrekken. ‘dan doordien hij geen Arminiaen 2) was ofte andersins suspect. is ongemolesteert gebleven’ . deelt mede.ondanks protest. Dat van Dam en de Goyer zich geenszins schuldiger gevoelden dan ieder ander regeeringspersoon..18 1) van Amersfoort . dat zij voornemens waren zich naar Utrecht te begeven om daar hun handelwijze toe te lichten en zich vrijwillig op de Zuiderzee aan de HH.a. blz. Deel 30 .p. omdat zij den Staten van Utrecht en niet den Raad 1) 2) 3) Zie blz. hoe men. reisden zij later over Amsterdam naar Utrecht. dat hij onmiddellijk tot de Staten te Utrecht had willen gaan om zich te verdedigen. Immers daarin spreekt hij over een burgemeester.

1629 besloten Gedeputeerden ‘dat extracten sullen werden gemaeckt vant gene roerende der supplianten gedaene goede devoiren tot conservatie der stad Amersfoort voor het overgaen vande selve aenden vijandt alhier ter vergaderinge genoteert is. van den 22 Sept. dienden van Dam en de Goyer opnieuw. Na zes weken gevangen gezeten te hebben. Reeds dadelijk wendden zij zich per request tot de Gedeputeerde Staten van Utrecht. Zij verklaarden zich geen kwaad bewust te zijn. 1629.’ Bij res. 12 Aug.19 1) 2) van State ‘subject’ waren . ‘ten eynde sij supplianten nevens de andere gevangens. gedaene devoiren ende beijveringe van 't gemeene beste. d. doch na rijp beraad besloten Gedeputeerden de zaak te verwijzen naar 3) den Raad van State. Ed. al hun handelingen hadden slechts ten doel gehad ‘om hun stad en gemeente van een onvermijdelijke ruyne en pillage ende het inleggende garnizoen ten dienste van den Lande te preserveren. Res. ut haere langhe. een verzoek in aan de Gedeputeerden van Utrecht. nu met van Hardevelt. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.p. Mo. toenmaals stadsgevangenis. O. favorabele attestatie’ geliefden te geven en met dat doel enkelen uit hun college wilden afvaardigen naar den Raad van State. dat Gedeputeerde Staten ‘van haer persoonen. salva honore sten costeloos mogen werden ontslagen.’ Zij verzochten nu.S. opdat hun detentie mocht ophouden en zij zich voor Ha. comportementen. mochten verdedigen. t. Van Aitzema.op ‘Hasenberch’ gevangen gezet . Deel 30 .d. behoudens de hiervóór genoemde ‘acte van non-prejuditie’ . verdrietige ende ignomineuse detentie.a. actiën.’ Die 1) 2) 3) Het tegenwoordige stadhuis.

den Ondanks deze aanbeveling sprak de Raad van State den 5 October 1629. Van der Borre stelde dan ook terecht de vraag: ‘Daermen soo vraecht ende op sulcke beuselingen staet. In afschrift berusten o o deze sententiën in het archief van de Hooge Militaire Vierschaar (Algemeen Rijksarchief). 1629. 1629-1631. terwijl tevens 4 Heeren aangewezen werden om de zaak der requestranten aldaar mondeling te bepleiten. Ook viel men over allerlei kleinigheden. dat van Aerssen. enz.20 extracten zouden aan den Raad van State worden ingediend.S. 176. Register van partiën. vooral uit den brief van van Dam aan Naeranus. ordinaris drukkers van de Hog. n . van 25 Sept. ende het huys ter Eem’ in druk bij de erven van 3) Wouw. heeft men daer wel wat van gewichte tot beswaringe?’ en kwam tot de slotsom: ‘Uwe E. 1) 2) Zie de vroedschapsres. het onderzoek leidde. Pamfletten-catalogus van de Koninklijke Bibliotheek. Heeren Staten-Generael . Mededeeling van Mr. over die ghene die schuldigh geweest zijn aen het overgeven der Stadt Amersfoort. Korten tijd daarna verschenen de ‘Sententien Vanden Raedt van State der Vereenighde Nederlanden. 3) Knuttel. Teekenend is het ook. Willem van Dam in de gevangenis. O. De groene kamer van het stadhuis was voor deze gelegenheid door de vroedschap van Utrecht dienzelfden morgen ter 1) beschikking gesteld . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Conform het ‘Verhael vande Proceduren’. n . Deel 30 . hoe men 't soect’. de bekende tegenstander van van Oldenbarnevelt. Mog. daartoe te Utrecht overgekomen. En van Dam schreef: ‘Alles wordt ten ergste 2) geduit’ . blijkt uit de hierna afgedrukte bescheiden op menige plaats. can hieruyt sien. 3871. Op welke eigenaardige wijze de Raad van State tijdens het onderzoek te werk ging. Slechts twee leden van dat college hielden het onderzoek. zijn vonnis uit.

sijn leven langh geduyrende. niettegenstaande de oude en de nieuwe magistraat zeer gunstige verklaringen nopens hen afgegeven hadden. daarom gecasseerd werd van zijn compagnie. dat kapitein Tertulianus van Dorp. zich in zijn commandement niet gedragen had. destijds nog evenals van Hardevelt en de Goyer gevangen op den huize Hasenberg. omdat hij geen maatregelen getroffen had om de stad intijds van ammunitie enz. Mede zeer streng waren de vonnissen tegen van Hardevelt.. een verkeerden indruk gevestigd te hebben nopens de meening van den Prins. vluchtte hij over Zeeland naar het buitenland. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. werd incapabel verklaard om voortaan eenig magistraatsambt in de Vereenigde Provinciën te bekleeden.en eedshalve schuldig was te doen. voorts te zeer geneigd geweest te zijn 1) Na met de bezetting van Amersfoort te Utrecht aangekomen te zijn.’ Hij werd voornamelijk ervan beschuldigd. te doen voorzien. de Staten van Utrecht en van de Gedeputeerden uit Holland en Utrecht omtrent de verdedigbaarheid van Amersfoort. terwijl hem ook verschillende. eerste en presideerend burgemeester. toen de stad aan den vijand werd overgegeven en die sedert voortvluchtig 1) was . Deel 30 . De burgemeester Willem van Dam. terwijl hij verder zijn leven lang gebannen werd uit de Vereenigde Provinciën. Willem van Hardevelt. van Dam en de Goyer uitgesproken. tijdens het beleg begane vergrijpen en informaliteiten werden ten laste gelegd. Bannende den selven uyt de Vereenighde Provinciën enz. zooals hij eer. werd verklaard ‘te zijn inhabyl om voort-aen eenige Staet ofte officie te moghen bedienen. die te Amersfoort gecommandeerd had.21 Daaruit blijkt.

Daaronder bevond zich de schepen Jacob van Dam. 31. Zie blz. 63. daar de schout sedert de vroedschapsres. 3) sten Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Destijds had de betrekking weinig te beteekenen. werd insgelijks ‘inhabyl’ verklaard en verder voor zes jaar verbannen. doch wien overigens dezelfde feiten ten laste werden gelegd als aan van Dam. Daarom bedankte den hij hem den 16 Augustus en benoemde toen een nieuwen. die gedurende zijn 2) 3) verder verblijf in de stad aanbleef . Zijn bemoeienis strekte zich voornamelijk over de rechtspraak uit. 518. Als burgemeesters traden toen op Johan Saell en Ryck van Diest. die de oorzaak was geweest. Vonnissen van geringere beteekenis kregen nog Johan Carremans. beiden genoemd in den brief van van Dam aan Naeranus. schepen en burgerhopman. noot 3. werd door den Prins een nieuwe magistraat benoemd. blz. de schout van Amersfoort Walraven van Arckel en eenige der compagniescommandanten. de sergeant 1) Jan Woutersz. omdat zij zich niet alleen had laten gebruiken in den eed of dienst des vijands. Na de overgave van Amersfoort had de oude magistraat geweigerd verder dienst te doen en inzonderheid om de bewuste 1500 man Keizerlijke troepen in te kwartieren. Willem van Dam in den vierden graad. Cloeck. een nee van Mr. doch bovendien 1) De schout te Amersfoort werd door den Stadhouder benoemd. 48. Ook had hij Montecuculi geen ‘vereering’ willen geven.22 tot een spoedige overgave en hiertoe werkdadig bijgedragen te hebben. die niet naar het leger van Montecuculi gegaan was om te onderhandelen. dat nog op den bewusten avond van den den 14 Augustus een vijandelijke macht binnen de poorten kwam. Deel 30 . die het Huis ter Eem verlaten had. Ook deze magistraat werd gestraft en wel. 2) Den 30 Aug. II. Zie van Bemmel. en blz. van 15 April 1624 de zittingen van den Raad niet meer bijwonen mocht. ook blz. Peter de Goyer.

p. Wordt bij een res.S. t. onredelijk te zijn.). Deel 30 .a. I. doch op beschuldigingen. 887/8. Volgens van Aitzema zouden beiden reeds den den 10 October 1629 bij notarieele acte protest tegen hun vonnis aangeteekend hebben en zou hun request op beider verzoek door de Gedeputeerden van Utrecht aan de Staten-Generaal gezonden zijn met een aanbeveling aan de gecommitteerden 2) van Utrecht ter Generaliteit om hun zaak aldaar ten beste te helpen bevorderen . 297. blz.a. die daarvan meermalen afweken en somtijds daarmede in strijd waren. der burgerij geld af te persen. Reeds twee dagen later 1) 2) 3) 4) Van Bemmel. uytgesondert weynig persoonen. Van Aitzema.23 zich niet ontzien had. Vergelijk de door Van Dam vermelde verklaring van de Staten van Utrecht in zijn brief aan Naerenus. In Holland had men destijds reeds den Nieuwen Stijl. omdat hun vonnis niet geveld was op grond van hun bekentenissen. dat de Magistraat zoude 1) betalen 't geen de noot vereyschten om alle swarigheyt te verhoeden’ . 3) Zij verzochten ook de ‘voorschrijving’ van den Prins van Oranje . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. teneinde haar dit te kunnen teruggeven. om den vijandelijken generaal en diens officieren daarmede te vereeren. 64 en 65. dat aan de burgerij ontnomen was. dan is dit derhalve O. der Staten of van de Vroedschap der stad Utrecht slechts één datum genoemd. blz. den Het eerste request van van Dam en de Goyer werd den 5 Januari 1630 in de 4) Staten-Generaal gelezen en aangehouden . Zooals ook uit van Dam's brief aan Naeranus blijkt.v. d. ‘Doch is sulks niet geschiet. Gezamenlijk moest men het geld opbrengen. appelleerden de Goyer en hij met 2 requesten bij de Staten-Generaal. blz. dewijle bij een yder in de Stat verstaan worde. in Utrecht werd hij door de Staten eerst ingevoerd bij plakkaat van 24 Juli 1700 (in te gaan 1/12 Dec.

en met de stukken. nadat de Raad van State nopens hunne zaak van advies had gediend. waarin genoemd college andermaal zijn consideratiën mededeelde. dat Ha. want den 28 d.a. ende recht inde sake te doen’ en gelast. Het vonnis was op het stadhuis Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De Staten-Generaal stonden dit verzoek sten den 20 Januari toe. Deel 30 .24 verscheen de Raad van State in genoemde vergadering en verzocht.’ De Raad van State verklaarde in de zaak gedaan te hebben ‘soo als in recht. die zij bij hun dossier hadden gevoegd. van de Staten-Generaal (d.v.d. sten Toch was de Raad van State nog niet gerust. ‘dat wellicht uit den inhoud der Res. reden en conscientie voor den dienst vant Lant bevonden soude worden te behooren. daar de Raad van State tot genoemd doel nog eenigen tijd in compleeten getale expresselijk te Utrecht had moeten blijven. dat het recht binnen Utrecht moest gedaan worden.’ De Staten-Generaal hadden den Raad van State na het verstrekken der opdracht tot het instellen van een onderzoek ‘van tijdt tot tijdt aengeport om een eynde te maken. die genoemde Heeren daarin aanvoerden. Mo. 20 Januari) fundament zou kunnen genomen worden om de zaak tot het aannemen van het verzochte appel te beleyden. dit was het land nog op extra-onkosten komen te staan. in geen geval een beslissing op het request mochten nemen. Ho. omdat men vreesde. vóórdat hij in kennis was gesteld met de argumenten. werd in de Staten-Generaal een brief van den Raad gelezen.

de beslissing. indien de Staten-Generaal op het verzoek ingingen en zou liever zien. Mo. soo sal 't selve van sulcken gevolge sijn.t. Ho. De Raad ontkende dit. dat ‘in eenige extra-ordinaire zaak.’ Indien Ha. Ho. dat voortaen noyt eenige criminele sententien ter eerster instantie sullen cunnen ter executie gestelt worden.’ Men wees voorts nog op ‘het disrespect ende al te groote cleynachtinge’.25 uitgesproken ‘met volle deliberatie vanden vollen Raed.’ Van alle veroordeelden hadden nu alleen van Dam en de Goyer appèl aangeteekend. daarvan den Raad ontlastende. Mo. welke eigenaardige begrippen destijds nog nopens het recht van appèl golden. sich verder daerinne laeten. met deze zaak ‘een beginsel maken. niet alleen op hetgeen hem gebleken was.’ Uit dit schrijven van den Raad van State blijkt. op vrijwillige bekentenis gegrond. De Raad van State bad nu Ha. niet alleen in crimineele. doch ook van alle civiele zaken aan zich nam. zich daarbij grondende op het ‘zonderling en valsch te kennen geven’. nooit gebruikelijk geweest appèl aan te teekenen tegen een crimineele sententie. Mo.’ Het was h. dat Ha. Ook was het nooit voorgekomen. maar ook op de vrijwillige verklaringen van de gevangenen en op hun schrijftelijke bekentenissen. die hun in het vonnis ten laste gelegd werden. ‘maer daerenboven de swaricheyt die het mede sal brengen soo U. Ho. Ho. dat zij de feiten niet bekend hadden. zooals deze is. ‘om partijen van dubbele moeiten en onkosten te ontslaan. die zij eigenhandig onderteekend hadden. appel is verzocht.l. veelmin toegestaan. om niet alleen de ongegrondheid van het verzoek te overwegen. Mo. De vonnissen waren gegrond. terwijl men daarin tevens Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . deurdyen altijdt ontwijffelijck daervan sal worden geappelleert. die het college zou worden aangedaan.

dienden van Dam en de Goyer nu ook een request in aan de Staten van den Utrecht. verzoeckende dat zijluyden haer in deze provincie vrij ende ongemoeydt mogen onthouden. die hun van meet af beter gezind waren geweest. die haer seer tegens ons formaliseert 1) ende haer reputatie daer aen gelegen laet sijn’ . dat ‘de requeste van Mr.v. dat zij ook door de afwezigheid van hare mans hare goederen niet konden redderen en daarom verzochten eenigen tijd landtwinninge voor hare mans. oudt Borgemeester. Deel 30 . 72. gewesene Borgemeester en Peter de Goyer. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. immers bij provisie. Willem van Dam.26 de juistheid bevestigd vindt van van Dam's woorden aan Naeranus: ‘T'eerste request is gestelt in handen van den Raedt van State. sten Den 8 d. van eerstgenoemden dag hadden de huisvrouwen van van Dam en de Goyer per request aan de Staten te kennen gegeven.’ De twee Vóórstemmende den Leden hadden zich reeds den 5 in de Statenvergadering vóór inwilliging van het verzoek verklaard. Bespeurende. dat de Raad van State een gunstige beschikking op hun verzoek tegenhield. kwam de zaak ook ter sprake in de Vroedschap van Utrecht. ende in de belegeringe gewesen schepen der stadt Amersfoort. Den 5 Maart 1630 besloten deze. omme alsoo hare particuliere zaecken ten besten te mogen dirrigeren ende bevorderen’ zou worden aangehouden. omdat zij den volgenden dag in de Staten afgedaan zou worden. ‘dat zij groote schade aan hare goederen hadden geleden door den inval des vijands. Volgens de Vroedschapsres. doch de vertegenwoordigers van de stad Utrecht wilden daarin niet besluiten zonder voorkennis van 1) Zie blz.a.

Den 19 Maart berichtte hij den Staten-Generaal bij eene missive. de sake selffs noch in deliberatie houde’. terwijle U Ho. niet twijfelende. dat. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. aan de Staten van Utrecht te schrijven in den geest.S. van den 9 den Maart O. In verband met dit besluit stonden de Staten van Utrecht in hun vergadering van 9 Maart de gevraagde ‘landtwinninge’ voor ‘eenigen tijt bij provisie’ toe. Deze laatste droeg reeds kennis van het verzoek. dat sinisterlyck sulcken versouck soude geobtineert werden. verklaarden de Staten-Generaal van goeder hand bericht te zijn. ge- 1) Men denke hier aan het verschil tusschen den ouden en den nieuwen stijl. Ho. 9 19 Maart 1630. sten In hunne missive d. Willem van Dam en Peter de Goyer. de res. De genomen beslissing zou zoowel den Prins van Oranje als den Raad van State worden gemeld.d. vestigde de Raad van State op die zaak de aandacht der Staten-Generaal. Mo. Mo. mits zulks aan den Raad van State werd geschreven. die nog denzelfden dag in hunne vergadering gelezen werd. door den Raad van State verzocht. ‘Ende alsoo onses bedunckens merckelijck soude strecken tot prejuditie vande publique authoriteyt. deliberatie op het request van Mr.a. onder vermelding van de beweegredenen.27 de Vroedschap. in de Staten van Utrecht gelezen. of zij zouden het noodig vinden aan den de Staten van Utrecht te schrijven.v. hangende Ha. dat destijds 10 dagen bedroeg. zonder de dien dag in de Staten van Utrecht gevallen beslissing te kennen. Deel 30 . die tot de inwilliging hadden geleid. De Staten-Generaal besloten nog den 19 2) Maart. den 12/22 d. nog eer dienaangaande was den 1) beslist. 2) Nl. Dit college vond nu goed het verzoek toe te staan.

S.) genomen.v. Op grond van de overwegingen. niet verder in het verzoek te treden. Mo.28 noemde Heeren een verzoek aan de Staten van Utrecht hadden ingediend. daarop den 9 t. 1) Deze had zitting in de Staten-Generaal. ende daeruyt oorsaecke scheppen sich te beclagen. hoe hij den Prins het request van van Dam en de Goyer.d. Naar aanleiding van deze missive 1) besloten de Staten van Utrecht eerst antwoord af te wachten van den Heer Rode nopens zijn wedervaren bij den Prins van Oranje en bij de Generaliteit. neffens d'andere provinciën hebben consent gedragen) sustineren yegens de voorsz supplianten solemnelijck geprocedeert te zijn’. ‘opdat den gemelte Raedt van State. De Prins van Oranje trok zich blijkbaar weinig van de hangende geschillen aan. dit in te trekken. of. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. boven d'indracht inde publicque authoriteyt. alsmede het daarop verleende ‘appoinctement’ had medegedeeld. nadien hare Ed. enz. drongen Hare Ho. door het disrespect. sten want den 16/26 Maart werd in de Staten van Utrecht een brief van den Heer Rode uit den Haag d. waarover deze laatsten ook van gedachten gewisseld hadden. tselve niet connen aen te nemen. reeds door den Raad van State aangevoerd. waarin hij mededeelde. (O. zoo daarop buiten vermoeden reeds iets ten voordeele der requestranten mocht zijn beschikt. Mo. op voorgaende versoucke en delegatie (daerinne die van dese provincie volcomentlijck en vrijwilligh. er nu bij de Staten van Utrecht op aan. en al te groote cleynachtinge die se hierdoor souden meynen haer aengedaen te worden. Deel 30 . die hij in den kennis had gesteld met het bewuste verzoek en de beslissing. 14/24 Maart gelezen.

Mo. Ed. Hij was voorts van oordeel.29 waarop de Prins ‘hem daer over hadde bedanckt. Ho. die besloot ‘te persisteren’ bij hare resolutie van den 8 t. Ho. ende datse de selve willen intrecken alsoo de saecke van al te groote consequentie soude sijn. dat der Staten-Generaal ‘authoriteyt bij eene particuliere provintie in desen al te seer gecrenct wort. concessie hadden verleend. kwam hij bij sten de Staten-Generaal op de zaak terug.. soo verre dit stuck daerbij gelaten worde’. Den 16/26 Maart verscheen de secretaris Huygens van dien Raad in de vergadering der Staten-Generaal met een brief van eerstgenoemd collegie. oordeelen ‘van hoe sware consequentie het sijn sal. te weten voor de communicatie!’ sten De brief van de Staten-Generaal werd den 15/25 Maart in de Vroedschap van sten Utrecht gelezen. Deel 30 . Mo. omdat. Zoodra de Raad van State de te Utrecht gevallen beslissing kende. voorafgaande aanmaning ‘de voorsz. of Ha. alle andere veroordeelden een gelijk verzoek aan hun provincie zouden doen. Hij stelde hun de vraag. om aan de Staten van Utrecht een afschrift te zenden van den brief van den Raad van State en daarbij te schrijven. hoe Ha. het gebeurde in de Staten van Utrecht vermeldende. Men liet nu Ha. want 9 April kwam de secretaris Huygens er andermaal in de Staten-Generaal op terug. het niet noodig oordeelden alsnog aan de Staten van Utrecht te schrijven om de verleende landwinning weer in te trekken. Mo. De Raad van State stelde nu de vraag.’ De Raad van State liet het hierbij niet.’ De Staten-Generaal besloten nog denzelfden dag.v. al was het alleen. De Staten van Utrecht zwegen de zaak verder dood. Mo. dat men met verwondering had vernomen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. niettegenstaande Ha. en dit ook aan de Staten-Generaal te schrijven. Ho. op dien voet doorgaande.

Hiermede geraakte de zaak geheel in het vergeetboek. Ridder. dat de Staten van Utrecht nog niet hadden kunnen antwoorden. dat in deze zaak ‘eenige nadere devoiren werden gedaen. Mo. behalve de Res der Staten-Generaal. 2) Zie voor het hier besproken appèl. noodeloos streng waren den geweest. De Staten van Utrecht n antwoordden niet meer.H. en tot en met 1633 is in de Res van de Staten-Generaal verder niets meer over het appèl te vinden.). Het schijnt. ‘volcomen effect mach sorteren’ . wat de Staten van Utrecht zouden berichten. Ho. Bij res. onder den eersten indruk geveld. was gecommitteerde der provincie Utrecht in de Staten-Generaal. (rec. dat de vonnissen van den Raad van State. n Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ‘midts dat hij Suppliant gehouden sal weesen hem in sijne handel ende wandel te dragen ende comporteren in alle stillicheyt ende modestie. onder welke omstandigheden en voorwaarden de bedoelde concessie aan van Dam en de Goyer was verleend en welke de oorzaak was. De Staten-Generaal besloten daarop af te wachten. van de Staten van Utrecht en van de Vroedschap der Stad Utrecht nog: Lias loopende Staten-Generaal (Algemeen Rijksarchief 's-Hage). Gedeputeerden van die provincie verzocht werd ‘om de goede hant te bieden’. Deel 30 . Heere van Thienhoven etc. van den 18 Februari 1631 werd aan van Dorp toegestaan. 19 Maart (rec. dat de Staten-Generaal ten slotte zelf inzagen. opdat de aanschrijving van 2) Ha.30 of zij het niet noodig oordeelden. Brieven van den Raad van State 25 Jan. 28 Jan.. 19 Maart) en 26 Maart (rec. terug te keeren naar de Vereenigde Nederlanden.’ 1) In de Staten-Generaal deelde daarop de Heer van Tienhoven mede. terwijl den H. 26 Maart) 1630.’ 1) Adriaen Ploos.

Hier wordt gedoeld op Johan Saell en Ryck van Diest. doch den klopten ditmaal ineens aan bij de Staten van Utrecht. noot 2. En in cas de heeren van de twee leden bij overeenstemminge in deze zaak wilden voortgaan.H. Ook hieruit blijkt. maer oock in 3) haer oude ende sommige in meerder digniteyten zijn herstelt’ . 22.H. daartegen te protesteeren. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Den 3 Maart 1631 werd in 1) dat college beider request gelezen . In den aanhef van hun verzoek brachten requestranten hun verschillende pogingen in herinnering. dat de Raad van State moest worden gehoord. daer d'andere niet alleen niet geculpeert. van de twee Vóórstemmende Leden spraken zich dien dag ter vergadering vóór inwilliging van het verzoek uit. dat het appèl bij de Staten-Generaal tot geen gevolg geleid had. De H. Deel 30 . Daarom verzochten zij ‘met alle eerbiedinge’.’ 1) 2) 3) Dit request is met het daarop verleende appoinctement in extenso te vinden bij Matthaeus. Zie blz. ‘lastende hare gecommitteerden 't selve voor Stads opinie ter vergadering mee te brengen. van de Stad en Steden nog geen instructie ter zake ontvangen hadden. 63 en blz. beiden genoemd in den brief van Van Dam aan Naeranus. dat ‘zij Supplianten alleen principalijck sijn uytgekipt.31 Ook van Dam en de Goyer deden een poging om gerehabiliteerd te worden. ‘waer op door contrarie beleyt tot noch toe niet en is gedisponeert’ en wezen zij er op. 139 tot 140. om ook volkomen gerehabiliteerd te worden. bij de Staten-Generaal 2) aangewend. blz. doch daar de H. Den volgenden dag werd de zaak in de Vroedschap van Utrecht besproken en kwam men tot de slotsom. werd het aangehouden. ende soo rigoureuslijck getracteert.

slechts aangeteekend. van dien dag: ‘De Staten gehoordt de lecture van dese requeste ende op alles rijpelijck gelet. wees zij erop.’ De Vroedschap van Utrecht kon zich met dezen gang van zaken in het geheel den niet vereenigen en nam daarom den 9 Maart een res. Deel 30 . ja. hoe men inzake het verzoek van van Dam en de Goyer. zonder dat de president in de vergadering geconcludeerd had of de notulen en het appoinctement had doen resumeeren. inplaats van. met het doel die in de Statenvergadering in te dienen. 1629 yegens henluyden supplianten gepronuncieert. habiliteyt ende vrijheydt. de supplianten gestelt. De meening van de stad Utrecht was in de bewuste res. Mo. De Vroedschap sprak nu als hare meening uit. het bewuste appoinctement van nul Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Mo. heeren Raden van State der Vereenigde Nederlanden op den vijffden Octob. zooals bij verschil van opinie gebruikelijk was. hebben om goede consideratiën haere Ed. In die res. van den betrokken dag in te schrijven. dat ‘hare Stads gerechtigheid merkelijk sou worden geledeert door zoodanige forme en maniere van doen’ en achtte het daarom noodig. Het appoinctement was door den secretaris geteekend en op naam van de Staten uitgegeven. nog denzelfden 4 Maart in de vergadering der Staten uitgebracht en waarvan ter ontlasting van de stad Utrecht aan het slot der resolutie aanteekening werd gemaakt. daertoe mouverende. ende stellen henluyden bij desen in soodanigen staet. besloten de Staten bij res. daarop appoinctement verleend had overeenkomstig de meening van de twee Vóórstemmende Leden. terwijl de zaak door de gecommitteerden der stad nog in beraad gehouden was. als zij waren voor date vande sententie bij d'Ed.32 den Ondanks dit protest. de twee verschillende meeningen in de res.

wordt ten onrechte vermeld. enz.33 en geener waarde te verklaren en hare afgevaardigden te gelasten ‘aan te houden. tot nadeel en usurpatie van de Stads gerechtigheid.’ van Ferwerda.overwegende. opnieuw uitgegeven werd. dat het 11 in de Vroedschapsvergadering. enz. dat de Staten-Generaal het vonnis van den Raad van State vernietigd hebben. opnieuw uit 1) te geven . vermeldt ten onrechte.a. voorkomende in het ‘adelyk en aanzienelyk Wapen-Boek. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat den de beschikking ingetrokken en. Hun werd daarop verzocht met de andere twee Leden der vergadering een schikking te willen treffen.. mits het voorbedoelde appoinctement ingetrokken en op heden zal gedateerd worden. dat hij zich wachte soodanige of diergelijke acten meer te expedieren. Ook den secretaris van de Staten te waarschuwen. sulks als men bevinden zal ter conservatie van Stads gerechtigheid te behooren. Deze . Zij moesten echter eerst hun principalen hierover hooren.’ De Staten van Utrecht.p. . Deel 30 . of dat men anders daar in zal voorzien. t. dat deze stad tegens de kleine steden heeft’. op 11 Maart 1631 gedateerd. op den 10 gedateerd. hiermede in hunne vergadering in kennis gesteld.’ den Den 10 Maart legden die van de stad Utrecht dan ook in de Statenvergadering een verklaring in bovenstaanden geest af. dat de zaak den 10 opnieuw in de Statenvergadering ‘in deliberatie geleid was en dat hiermede merkelijk gesterkt wordt het recht.besloot ‘zich te conformeren in dezen met de twee Voorstemmende Leden. dat hetzelve weder ingetrocken en geroyeert worde ten registere. Ed. onder voorwaarde. besloten nog dienzelfden dag om de beschikking. Mo. Dodt van Flensburg. sten appoinctement van Ha. Zulks geschiedde den den den 1) In de genealogie-van Dam. van den 31 Maart 1631 is.

34 Hiermede waren ook van Dam en de Goyer volkomen gerehabiliteerd. Johanna Hogerbeets. hoe het 42 jaar geleden was. 1631.a. dat men hun later hun gedrag van 1629 niet zeer euvel duidde. dat hij 1) 2) T. door Ferwerda niet vermeld. Van Dam had tevens geruimen tijd zitting in de Gedeputeerde Staten van den Utrecht. 2) Van Dam. ‘wonende in Oude Munsters den Trans aende Zuydtzyde’ testament den 17 Aug. Vermoedelijk verloor hij hier in September 1631 een jong kind. voor notaris Verduyn. later door van Aitzema naar aanleiding van het vonnis van den Raad van State gemaakt: ‘Doch men siet gemenelijck dat de Rechters in sulcke onghesteltenisse van tijden om de rasende en krijtende ghemeente te stillen veeltijds 1) doen dat haer namaels leet is’ .p. 1630 voor notaris Zwaerdecroon en den den 3) 12 Maart 1632 O. eraan herinnerende. Hij maakte hier met zijne tweede vrouw. nu eens als schepen. In dit college nam hij. Deel 30 . 887/8. zijn commissie verstreken zijnde. werd in 1634 opnieuw schepen te Amersfoort. Hij was dit ook van 1638 tot en met 1641 en zat daarna van 1645 tot en met 1673 onafgebroken in de Vroedschap van Amersfoort. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Uit den verderen levensloop van van Dam en de Goyer blijkt.S. Ook Peter de Goyer treft men van 1633 af wederom tal van malen in de Vroedschap van Amersfoort aan. die zich na zijn verkregen ‘landtwinninge’ te Utrecht gevestigd had . den 10 Februari 3) 1671 afscheid . dan weer als burgemeester. De Staten-Generaal en de Staten van Utrecht hadden daardoor de juistheid bewezen van eene opmerking. blz. Bij Dodt van Flensburg staat ten onrechte 2 Febr.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.’ Mr.v. Ed. voor alle eer en beleefdheid. o Handschriften der Remonstrantsche Gereformeerde Gemeente te Rotterdam. waarheen hij met zijne vrouw voor de Franschen gevlucht was.I. Deel 30 . in haar college genoten. 4) Mon frere . commissie.D. waarop de president uit naam der Staten verklaarde: ‘den gemelten heere van Dam haer Ed. verschuldigt te wesen voor de diensten in soo een reex van jaeren gedaen. Willem van Dam's eenigen broeder. Het afschrift is van Wtenbogaert.E. altoos seer aengenaem geweest te sijn en betuygt met leetwesen te verstaen de expiratie van sijn Ed. Mo. N . Copie van seeckere missive van Willem van Dam Borgemeester 3) t'Amersfort . Willem van Dam had den 20 Febr. luiden als volgt: I. 923.S. Deze brief is blijkbaar gericht aan Mr.35 1) aldaar als gedeputeerde der stad Amersfoort den eed had afgelegd in handen van 2) den grootvader van den toenmaligen president . De op blz. Pieter.v. in 1617 schepen en sedert 1637 stadsgeneesheer te Utrecht. in chronologische volgorde opgenomen. 1629 in de vergadering der Gedeputeerde Staten van Utrecht den eed als lid van dit college gedaan. Willem van Dam overleed als schepen van Amersfoort in den ouderdom van den 77 jaren den 16 Juni 1673 N. Dr. te Leiden. Ick hebbe tot nogh toe gheen occasie connen vinden 1) 2) 3) 4) sten Mr. Hij bedankte nu Ha. die in 1616 raad te Amersfoort was. W. 7 bedoelde vier brieven. erkennende de Provintie aen sijn Ed. Mo. De Heer van Sandenberch.

maer den commandeur macr wilde sprecken. opde waerschuwinge ons soo bij de staaten meermalen als bij speciale besendinge twee daghen voor de belegering 1) 2) der stadt de heeren Ouerlander. alhoewel het gheen aengename tijdinge is. jae oock soo dat hij verclaerde onschuldich te willen sijn van 't bloedt der burgeren. valt mij veel swaerder als de meeste swaricheyt. daer ick veel naersticheyt omme gedaen hebbe. nae dat oock den vijand op onse grachten was geapprocheert. Beide eerstgenoemden waren leden van de Amsterdamsche Vroedschap.36 om U E. vijff batteryen opde stad gestelt ende daer mede geschooten hadde ende voort in volle bataille opde stadt was aencomende. nae dat onse borgers twee nachten ende een dach gestadich altemael opde wallen waaren geweest ende seer gefatigeert. seggende de Trompetter dat hij niet meer met de Magistraet te doen hadde. Oetgens was in 1629 burgemeester. te schrijven. Dit waren de gecommitteerden van Holland en Utrecht. soo veel ist dat ick wel te passe ben: mair dat ick als een verrader van de stadt uytgecreten werde. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat oock de derde Sommatie aenden Commandeur geschiet was. dat oock metten vollen raedt besloten is ter instantie vande beste vande goede gemeente. dat oock de selve commandeur verclaert hadde op onse vraghe.. van Nederhorst gedaen... die mij over comen coste. soo men wilde opiniastreren. gelijck oock sulx gevolcht soude hebben.. Deel 30 .. Golsteyn. behalven de disordre die onder haer was.. als wij nu verstaen hebben ende mij oock 1) 2) Hier heeft vermoedelijk gestaan: van Waveren. dair ick voor eerst niet gedaen hebbe als tgeene mij bij den vollen raedt belast is. Oetgens. de stadt niet houbaer ende tegens 't datelick gedreychde gewelt niet defensibel was.

Ick hebbe alles gedaen opt goedt vinde van den Raedt. sulx dat wij genoodsaeckt waeren de moorderije ende roverijen van dit woeste volck met een accoort te ontgaen.. De Raedt heeft het goed gevonden ende ick ben weder nacr den Grave van Montecuculi buyten gegaen. Deel 30 . twelck bij een yegelick geoordeelt sal werden vorderlick genoch te wesen. ende trocken vorder als inde poorten. twelck ick niet konde obtineren. nochte oock konde geven.. In alle geval. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.. dat ickse daer oock nyet ut konde waeren. dat het garnisoen noch dien avondt niet en mochte binnen comen. dat nu dit garnisoen inde poorten ende vorder in tooch is mijn schult niet geweest. alsoo de stadt all gegeven was aende soldaten tot pillage... twelck inde stadt alteratie causeerde. omme 't goedt vinden van den Raedt te rapporteren. warentusschen de soldaten die aende hameyde waren inquamen. hoe well 1) ick meerder bedongen hadde als mijn Instructie mede brachte . Alleenlick waren er ses off seven nae't scheyden die op mij begeerden dat ick alle middelen van inductie soude willen aenwenden. Dat sulx oock bij de bewaerders vande poorte.. gebla- 1) 2) Zie hieromtrent meer uitvoerig van Dam's brief aan Naeranus. maer 2) wel tot een deerlick massacre ende pillage. alsoo ick daer gheen last toe gegeven hebbe. ofte den Commandeur hadde moeten geschieden. maer ten besten uytviel. Om dese actie werde ick dies. alsoo ick buyten was.37 mondeling geseydt werde als ick de capitulatie maeckte dat wij wel te tijde geaccordeert hadden. had men t'garnisoen dien avond niet willen admitteren. ende werde derhalven daer mede t'onrecht beschuldicht. wij souden voor seecker tot gheen appoinctement hebben konnen geraecken. daer en boven soude ons oock het cruyt seer haest gemanqueert hebben. Dit woord is in de copie opengelaten.

met versoeck dat gheen calomnien sonder mijne defensie mogen aangenomen werden. die Hardevelt. het verdriet mij seer dat ick niet van de stadt hebbe konnen geraecken.38 meert. 923.S. Ick soude noch mondeling hier bij konnen voegen dat niet geschreven wil sijn. Soo dat ick aen beyden canten in swaricheyt ben. alsoo ick anders vreese in handen van eenige van onse ruyters te sullen vallen. staten te presenteren. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. eer ick come. nochte alsnoch en kan.H. N . omh. ende dat daarom dat ick soo ijverich besorcht hebbe dat de massacre vande goede gemeente mochte voorcomen werden. hierom heb ick t'peryckel van een ruyter van Chieze compagnie genaemt Henrick Huygen in een huys moeten ontvluchten. VAN DAM. Ick hoope dat ick noch morgen sall konnen vuytcomen om over Amsterdam nae Utrecht te gaen. P. nochte can oock noch selff nyet en utcomen. broeder. Deel 30 . U. den 8 Augusti 1629. omme mij ter vergadering vande H.E. In en Amersfoort den 7 Augusti 1629. ende mijn actien te defenderen tegens alle crijters. W. de Goyer ende mij in stucken willen cappen. wilt desen met eenige Heeren communiceren ten eynde men met gheen vooroordeel ingenomen werde. Noch hebbe ick desen niet connen utsenden. Handschriften der Remonstrantsche Gereformeerde Gemeente te o Rotterdam. Onder tusschen.

Ende. soo omme de ongelegentheyt. goet en bloet bij 't vaderlandt te willen opsetten. om bij behoorlick secours ende eenige waerschijnlicke hope van uytcompste. is er altijt gedifficulteert om de voorss. Staten van Utrecht. gemerct men de macht om een gros te formeren niet moeste verdeelen. 1) tot yegelicx onderrichtinge. Deel 30 .H. mochte gemaeckt werden van de Grebbe af na de Zuyderzee toe. ende bejegeninge van alle calumnien . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. als in't overgeven van dien. soo voor de provincie van Utrecht als Hollandt. Nadat de troupes van den Grave van den Berge op de Veluwe gecomen waren. dat het retrenchement bij de H. als wesende de cortste linie minst accessibel ende meest defensibel tot eene gemeene lantweere. daer sulcx behoorde namelick aen Sijne Excellentie ende de H. Specialick is bij haer daerop aengehouden. om te hebben secours van volck ende ammunitie van oorloge met hetgene daerbij noodigh was.39 II. als mede dat de voorss. Staten van Hollandt ende Utrecht voorgenomen. Verhael vande proceduren gehouden bij den Magistraet van Amersfoort soo voor't overgeven der Stede. 923. stadt volck toe te senden. niettegenstaende alle mogelicke devoir. stadt niet houwbaer wiert geoordeelt tegens eene belegeringe. N . is bij die van Amersfoort meermaels. groote instantie gedaen. met aenbiedinghe. met waerschouwinge datse haer op haere courage 1) o Handschriften der Remonstrantsche Gereformeerde Gemeente te Rotterdam. ja al waren der oock vijf duysent mannen in.H. stede haerzelven alleenlick voor te sien hadde tegens een haestigh effoort ende subyten overval. maer dat de Magistraten borgers ende inwoonders der voorss.

waeraen de defensie van Amersfoort ende 'tgeheele landt ten hoochste gelegen was. maer in tijts op haer swacke gelegentheyt achtnemen tot hare ende haerer borgers behoudenisse. dat het geurgeerde retrenchement. stede tot verscheyden tijden ie ingecomen vj (6) compaignien soldaten. die te dien eynde haer souden toegesonden worden. Mid'lerwijle sijn binnen de voorss. tot Amersfoort voorss. maer vrij te spade. vivres. niet lange tegens eene vaste belegeringe gehouden werden. selfs na 't oordeel van alle crijchs-verstandinge. die niet gedefendeert konde worden.H. als wesende groot van circuit Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. oock waerschouwinge deden. niet wilde laten tot haer verderf in den tempel sluyten.H. om alle het goet. dat seker aensienlick persoon van't collegie der H. Deel 30 . Borgemeesters vermaenden onder andere propoosten. en soo gantsch sobere provisie van ammunitie. deselve stadt in effecte alzoo stellende als eene geabandonneerde plaetze. en soo voort. Voecht hierbij. van Hollandt ende Utrecht. dewelcke met de Borgemeesters sprekende. geresolveert is te maken ter voorss. daervan Josephus schrijft. Staten-Generael. Het is wel waer. aengecomen.40 niet te zeer zoude verlaten. datse hare eygene swackheyt niet en kenden. na vele ende verscheyden instantien. gelijck het oock met al te weynigh volck is aengevangen. Dit is noch den voorss. Magistraten specialick aengeseyt twee dagen de voor de belegeringe door de Gecomm der H.H. vrouwen ende kinderen uyt de stadt te senden met de schepen. beneffens een comp ruyteren. Staten van Utrecht met noch een ander in sijn geselschap wesende. plaetze. 'sdaechs voor de belegeringe binnen Amersfoort hem vindende. datse haer met de Jodische Zeloten. H. sijnde ien deselve comp c niet veel stercker dan ontrent vj (600) combatans ende daerenboven m ontrent vij (7000) pont buspoeder: maer dezelve stede en conde evenwel met soo weynich volck.

als tot resistentie van gewelt en vijantlicken aenval geapproprieert. met afbrandinge van 'tselve ende d'andere huysen daer ontrent. tot ruyne van eenige particulieren . door welcker ruyne evenwel de stadt. wiens molen afgebrandt wiert. die int leger voor Amersfoort 't commandement hadde. doch daer weder door d'uytvallende soldaten uytgedreven wiert. waerop d'eerste sommatie geschiede: daervan de Magistraten voorts dadelick door eene expresse de H. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende dat in alder ijl: doch en bequamen noch assistentie noch antwoorde. Deel 30 . Op Maendagh den iij dito des morgens quamp 't leger daervoor.H. ende hem in een huys. leet van sijn persoon wel schade m van xiij (d. 13. als mede Sijne Genade van Brederode adviseerden. Alle de borgerije waren den gantschen dach. met ijverich versoeck van hoochnoodigh secours.000) Guldens. als Generael van 't leger van Aertzhertoginne.41 ofte binnegangh. met vele beleefde presentatien. 1) mit oock een molen. Waer op voort quam een brief van den Grave van den Berge.z. meer tot vermaeck ende recreatie. wallen ende buyten-cingulen met verscheyden hoven beset. als oock den voorgaenden nacht hooft voor hooft gestadigh op de wallen geweest en geduerich. Des namiddags wiert het geschut geplant ende op de stadt gelost. begeven hadde. den geseyden brief aen den Grave de Montecuculi medegegeven. Hij was wel selve in eygenen persoone int leger niet: maer hadde. 1) In margine staat: de man. hoewel met groote desordre op haren vijandt schietende: die diesniettegenstaende niet verre van de poorten op eenige plaetzen was geapprocheert. sijnde oock haar poorten. Staten van Utrecht. buyten d'Utrechtsche poort staende. en Op Sonnendagh den ij Augusti ouden stijls quamen verscheyden voorloopers en van 's vijants troupes ontrent de stadt.

daertoe met redenen gedisponeert zijnde. bij continuatie van sulck schieten. Waerop men. Dit aldus met eenparige stemmen vanden geheelen Raet der stadt goetgevonden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. door uytsendinge van een ander missive met een trompetter. is het selve daerna gerenverseert door eenen. ende de crijchs-oversten. borgers ende om tijt te winnen. en. maer om de wallen rontomme te besetten alle tseffens noodigh waren. die bij 't nemen van dezelve 1) resolutie niet geweest. ende 1) dito: al wanneer men. niet conde geholpen worden. maer. te min. bij provisie een stillestandt van wapenen voor dien aenstaende nacht. bij mishagen vandien. die op den brief van den Grave van den Berge te voren dilatoirlick hadde geantwoordt. de selve geprotraheert en heeft tot den volgenden dagh den iiij overwogen zijnde. die wat difficulteerden. daertoe oock beyde borgers ende soldaten gemattert sijn geweest als die niet sterck genoech waren in getale om malcanderen te ververschen. tot ververschinge van soldaten. dewijle het buspoeder. met toeseggens van naerder resolutie te zullen overschrijven. geraetsaem vonden te tenteren. soude hebben connen becomen. of men. beschoncken zijnde. niet als met eenparige stemmen hierinne willende procederen. Grave te sonderen ende te verstaen wat conditien hij soude hebben willen inwilligen. om daerentusschen den voorss. in seer corten tijt soude geconsumeert.42 als geen uytcompste noch hope van ontset ofte secours voor handen wesende. te verscher tot resistentie te wesen. de selve naerder Volgens mededeelingen van den burgemeester Willem van Hardevelt was dit de schepen Aert van Deuverden (Aernout van Duverden). Deel 30 . geslapen hadde . Sulcx dat de Magistraten der geseyde stede.

Deel 30 . daer de vijandt onder beneficie van verscheyden batterijen tot vijf in getale van allen kanten op approcheerde. volgens des stadts ordinantie van allen ouden tijde in hoochwichtige saken Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. maer den Commandeur alleen wilde spreken. ende die van den crijchsraet geconduiseert wiert. brief. goetgevonden de gedreychde ende onvermijdelicke massacre ende plunderinge met een accoort te voorcomen. Daerentusschen de batterijen spelende oock met ijsers van xxiiij (24) ponden. Borgemeesters. indien se bleven opiniastrerende: soo is eenparichlick. ende van haer verstaen hebbende datse genoechsaem daervan despereerde. waertegens een Borgemeester neffens een vande crijchs-hopluyden souden uytcomen: soo sijn nevens die van den magistraet noch geroepen xvj (16) vande gequalificeerste borgers. niettegenstaende hij voor de tweede mael met de Schout. soo presenteerde sich des vijants trompetter voor de derde mael. selfs zonder oppositie van genen. 't welck gestort soude worden. dat hij twee ostagiers soude binnen senden. oock soo. Waerop noch voor de dimissie van denselven. trompetter van de Magistraet afgevaerdicht ter poorte uytgetrocken (is). ende den vijandt in volle bataille aencomende. Ende. die des daechs te voren de genomen resolutie hadde gerenverseert. of er middel tot defensie van de stadt was. dat hij niet meer met de Magistraten van de stadt te doen hadde.43 den crijchs-raet gevraecht. ende tot dien eynde een brief door een trompetter uyt te senden: aen welcken eenige oproerige menschen feytelick. dat den commandeur Dorp verclaerde ontschuldigh te willen zijn aen 't bloet der borgeren. seggende. de voorss. met eene groote confusie onder de borgerije belet hebben het uytbrenghen van den voorss. na dat de Grave de Montecuculi voornoemt verclaert hadde.

lieutenants ende andere officieren. mitzgaders der borgeren hopluyden. van Dam van wegen de stadt met den Grave de Montecuculi voorss. dat de poorten vande stadt noch dien nacht van sijn volck onbeset mochten blijven. hem selven verobligeert hebbende selfs in persoone aen den voorss Grave van sijn wedervaren te sullen komen rapport doen: soo is 't beraemde accoort alsoo bij den geheelen Raet goet gevonden ende gearresteert. 493. Deselve daerop uytgegaen sijnde. Weder buyten gecomen wesende. Deel 30 . ende de voorss. tot vj (6) ofte vij (7) sterck. sijnde hem van eenige. gelijck oock gecapituleert was. eenparichlick verstaen hebben. gevende hem daertoe eene schriftelicke instructie uyt aller name. gehandelt.44 1) geobserveert . specialick gerecommandeert te urgeren bij den voornoemden Graven. heeft wel het gene hem was 1) 2) Zie omtrent dit oude gebruik te Amersfoort: van Bemmel II. Hij noemt evenwel deze toepassing van dit gebruik niet. de welcke te samen met de Magistraet. ende dat na 't scheyden van den Raet. Daerop is de voornoemde van Dam weder uyt de stadt gegaen. dat den onvermijdelicken overval van de stadt met een accoord behoorde voorgecomen te worden. is tegen den avond weder in de stadt gekeert. ende hebbende deselve van Dam noch eenige artikelen meerder. Dit was de ingenieur van Thije Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. vergeselschapt met den ritmeester Chiese en 2) noch een lieutenant van wegen den crijchs-raet hebben dese van wegen 't garnizoen. dat de Borgemeester Mr. blz. Willem van Dam te dien eynde wilde uytgaen. diewelcke daerinne eyntlick ook bewillicht heeft. ende dienvolgende versocht. als sijne instructie medebrachte. opt goetvinden van den Raet bedongen.

het schip met ammunitie van Amsterdam gesonden. niet alleene in de stadt inne gecomen is maer oock met een merckelicke troupe gemarcheert zijn tot op de marct. ende alle de gene. datse niet hebben willen toelaten. souden inhalen: soo wort daerop uyt gemeenen name geantwoort. ende tot verwonderinge van velen. eer hij voor de stadt quam: maer hij verclaert voor hemselven heylichlick dat Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . die noch bij de Raet genomen sijn geweest tot assistentie. die de poorte ende toesicht van dien bevolen was. om hare burgers niet te laten willens ende wetens comen op een vleeschbanck.45 gerecommandeert ernstelick ende instantelick geurgeert maer te vergeefs: want des vijants volck staende bij de poorte. Grave doende was. directelick tegen d'expresse woorden van de capitulatie. sonder daertegen dapper gecontesteerd te hebben. dat hij alleen buyten met den vijant gehandelt heeft maer hij antwoort tot sijne defensie dat hij dit gedaen heeft uyt last vanden vollen Raet. om de uytcomende burgers ofte soldaten te overvallen en dat se daeromme ex officio gehouden waren sulcken gevaerlicken uyttocht te verhinderen. dat die gene. Alsoo nu den Magistraet wort te laste geleydt. De Borgemeester van Dam wort int particulier te laste geleyt. Men roept seer tegen hem ende andere van de Magistraet van eenige preallable heymelicke handelingen met den vijant. Dit is het corte ende naecte verhael van 't gepasseerde. terwijlen hij bij den voorn. ende dat die van den crijchsraet hebben willen alleen handelen. Dat hij oock die commissie niet heeft aengenomen. dat se int selve verwitticht waren dat de vijandt met een tamelick aantal volcx te paerde ende te voet in embuscade lagh. die haer daertoe willich presenteerden. dat de burgers. sulcx niet en hadde verhindert.

expresselick daertoe uytgecomen om hem ter purge te stellen. daer hij eerst mocht onderhoort worden. daervan doch al van hadde verclaert. Ick sal eenige hier verhalen. dat hij hemselven wel gewacht soude hebben herwaert aen te comen. item. ende daeruyt verstaen off hij schuldigh was. Dat hij met 4 schepen tseffens uyt Amersfoort is gecomen. Men heeft gevraecht. dat aende tonne leydt. in stillicheyt geraken. dat men op sijn versoeck. den Grave van Montecuculi hadde gesonden een flessche met ontrent dry cannen wijn. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. maer dat hij hemselven willens heeft bekent gemaect. wie de poorten geopent heeft? dit wiert voor een effectieve preuve gehouden. oock wijn geschonken. Men heeft hem geexamineert over het inne comen van den trompetter van den vijand: Hoe hij binnen gecomen is. ende hadde connen voorbij het oorlochsschip. oock om te removeren eenige huysen ende item: of hij oock de wallen wel beset hadde etc. men heeft hem op een dreyvoet sonder kussen doen sitten. Men heeft van Dam over eenige minuten scherpelijck geexamineert. als of hij schuldigh ware geweest. soo wel als hij herwaerts is gecomen. of hem de sleutelen ende de bewaringe vande poorten sijn toegestaen geweest. ende getrouwe patriotten ende voorstanders van de vaderlantsche vrijheyt. Deel 30 . Indien hij yet sulcx onder de leden hadde gehadt. maer soude na d'IJssel en na Wesel hebben connen gaen. dat men cruyt en loot voor hem hadde. van wien ontfangen. aen den Generael.46 hem sulcx noyt in den sin gecomen is: dat hij ende de sijne van ouder tot ouder sijn vijandt geweest van de Spaensche Regieringe. of men hem in sijn officie niet heeft belet. van wien ingeleydt. Men heeft hoog geinterpreteert dat men den trompetter eten ende drincken hadde gegeven. aengaende den commandeur.

oock afgehouden hebben dat op de defecten bij hem aen de Magistraet geremonstreert. terwijlen de trompetter binnen was. hem aengeseyt dat hij moeste categorice antwoorden. datmen hem geen belet hadde gedaen. Daer is oock wel gecavilleert op 't inlaten vanden trompetter ten ijn male: oock seer nauwe gesift dat men den selven 2 halve pistoletten tot vereeringe hadde gegeven daer den trompetter van de stadt buyten met een dobbelde ducaat was beschoncken ende de Magistraet meende dat het de costume was. Deel 30 . ende of haer hooft voor hooft haer goet duncken was afgevraecht. dat hij de sleutelen niet versocht hadde. men vermeende dat soo lange hij binnen was stillestand van wapenen moeste sijn. dat men 't hem wel soude doen den(ken?). wat persoonen. dat de Magistraet becommert was geweest over't schieten vande borgers ende soldaten. het en ware dan dat de vijandt hostiliteyt daerentusschen bethoonde. Men heeft wel nauwer gesift.47 D'antwoorde was. niet verstonden. ende als hij ergens op de swackheyt van sijn memorie hem beriep. Seer nauwe heeft men oock gevraecht over 't consent van 't overgeven van de stadt bij die van den crijchsraet: ofse ontboden waren geworden hoe sterck. men duydde alles ten archsten ende wiert te boecke gestelt hetgene men meende meest tot beswaringe van de gevangen te dienen. bij deselve was gelettet: dat zij haer oock op de militaire ordre aengaende het besetten van wallen. dat het stukken waren die niet ongestraft moesten passeren. ende oversulcx die hem niet geweygert waren: dat de borgers willich sijn geweest hare boomen af te houden. Men heeft hem oock seer scherp gevraecht off hij buyten sijnde met den Ritmeester Chieze ende van Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende dat de Magistraet sulcx heeft verboden gehadt. Men wilde geen de minste dubitative antwoorde toelaten.

hadde gecommuniceert. en men vreesde voor 1) plunderinge . heeft men daer wel wat van gewichte tot beswaringe? Ick houde evenwel. ende of hij oock in hare presentie met de gecommitteerde van den Grave hadde gehandelt. dat de gevangenen niet sullen losgaen sonder brantmerck. Daerbij hoe het toegecomen was dat des vijants volck des avonds ingelaten was daer se eerst moesten des anders daechs morgens incomen volgens d'artyckelen van de capitulatie? waerop hij geantwoort heeft dat hij doe buyten was ende over sulcx daeraen niet schuldigh. niet geheel eerlick sijnde. ende is noch niet geexamineert. wilden gelt hebben. Hij sal 't richten. De magistraet is nu verandert en heeft men tot Burgemeesters gemaect een harde kerckbroeder. Hare Overste hadden eenige duy- 1) De Staten-Generaal namen in het najaar van 1629 vele goede troepen over. De Denen die hier ingecomen waren op Vrijdagh.48 Tijen. De Gooyer sit sonder acces. ende de poorten moesten bewaren dat deselve mochten gaen volgens het bespreck. Wat dunct uwe E? daermen soo vraecht ende op sulcke beuselingen staet. Gisteren Sonnendagh was hier geweldige ontroertheyt. tusschen den Keizer en Koning Christiaan IV gesloten. ende Godt den hoogen Garant der onnooselheyt bevolen worden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. off Hardevelt is geexamineert weet ick noch niet. die van wegen het crijchsvolck buyten met hem gingen. staende te versorgen bij degene die binnen waren. Deel 30 . die oock kercksch is maer wat soeter. ende dan noch een. Wat raet? Wie kan tegen ongelijck ende gewelt? Het moet geduldelick geleden. die in Deenschen dienst waren geweest en die vrijgekomen waren door den vrede van Lubeck.

ende deselve wiert daertoe gebracht. Godt sij ons genadigh. Schrijven van A. ende de arme soldaten hadden noch gelt noch broot. wachtende na d'uytcompste. Ick blijve hier vast. Tideman is ook deze brief van de hand van Adriaan van der Borre. mach het discretie communiceren. N . Alle de burgers sijn te nachs in wapenen geweest. soo men mij geseyt heeft. Deel 30 . niet geleert. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Uwe E. In 1624 werd hij predikant te Leiden en eenige dorpen. oock alle de borgers in wapenen. dienaer en vrint 1) DE VLAMINGH . Men brachte de andere soldaten. 3 Septemb. ende dan sullen se lancx de Leck en d'IJssel geleydt worden. Adriaan van der Borre of Adrianus Borrius was een der eerste Remonstrantsche predikanten en nam een werkzaam aandeel in de vestiging van de Remonstrantsche broederschap. alle bekende. hoewel ick al eenige brantbrieven uyt Hollandt becomen hebbe met sommatie van weder te comen. oom. van der Borre aan den eersame. Men wacht noch xi (11) comp van tselve volck. Hij overleed te Amsterdam in 1630. alle kloosters ende kercken beset. schoonmoeder. Handschriften der Remonstrantsche Gereformeerde Gemeente te o Rotterdam. 2) III. Dit is gene ick tegenwoordich hebbe. ende des namiddachs isser. huysvrouw. 923.49 senden ontfangen. Groetenisse aen uwe E. Uwer E. e suster. ende haer evenwel niet gegeven. soo men seydt. voorsienige r S . 1629. De voormiddach predicatie wiert afgesneden. Fran- 1) 2) Volgens mededeeling van Ds. datse elck een paer rijcxdaelders en cregen. maer sij wilden meer hebben. ende sij sijn noch in wapenen. vrome.

Deel 30 . Hierop heeft hij int eerste geantwoort dat hem wel yet daervan in confuso voorstondt. ende alle straten waren beset met picktonnen om te vuyren. koopman tot Amstelredam . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ick sach tbeginsel daervan. 770. Men hadde in alle de kercken gepredict ende Godt gedanckt. van hier soude schrijven. voldoe ick nu sulcx. ofte ten minsten geconcipieert was geweest. dat ick uw E. latende de luyden. 1. oversulcx. Volgens mijne beloften in de jongsten aen mijn sone geschreven. het gebeyer ende geluy van klocken horen. maer hij eerst. maer dat hij niet recht konde geheugen wat 'er van was. N . en dat'er vele confuse ende vreemde voorslagen gedaen waren. niet mede een vierde gesonden. Gisteravond arriveerde ick hier. gingh na de ruste toe.50 1) ciscus van Limborch. oock d'andere twee. datse voor de woelende Gemeente van binnen ende middelerwijle voor een overvallinge van buyten bevreest waren. off. maer moede ende mat wesende van soo verren gangh als Utrecht van hier is. Seer waerde vrunt ende broeder in den Heere. Hem wiert gevraecht. Hardevelt ende de Gooyer. de vreuchdevuyren ten eynde uyt sien. ende vont de gantsche stadt vol vreucht. behalven de dry brieven aen den vijandt gesonden gedurende tbelegh. Dat sij in de uytersten perplexiteyt ende becommernisse geweest waren. indien hier 1) o Handschriften der Remonstrantsche Gereformeerde Gemeente te Rotterdam. Op den geseyden dach wiert van Dam weder geexamineert. die beter daertoe gedisponeert waren. Ick sal hier nu bij gaen den voegen het gene ick tsedert Saterdagh den 15 deser van de gevangens gehoort hebbe.

dat men den brief tot antwoorde gestelt op den sijnen met den trompetter niet hadde connen uytcrijgen. 3. Daerop is hem voorts gethoont een chartebel van sulcken inhoude. het welcke. ende wiese gestelt hadde. Gevraecht of hij se niet selve ingestelt hadde. als feytelick door de populacie belet zijnde. hij dadelick opt eerste 1) aensien bekende sijn handt te wesen . of hem alsdan meer daervan in de memorie soude comen antwoorde. maer was blijven steken. alsoo de trompetter van de stadt met den brieff tot antwoorde aen den Grave de Montecuculi. antwoorde sijns wetens neen. Gevraecht als men hem wat op den wegh hielpe. 4. Godt een getuyge wesende van sijne innocentie. antwoorde dat hem daer yet van voorstont. dat het een voorslagh moeste geweest zijn. of het gene excuse was aen den Grave de Montecuculi. onderteeckeninge. wesende van sijne handt. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 2. antwoorde niet seker te connen seggen. maer dat hij 't evenwel niet pertinent en wiste. 5. Deel 30 . also 't hem niet alles voorstondt. sonder opschrift. dat het konde wesen. was verhindert 1) Volgens van Dam's brief aan Naeranus werd bedoeld chartebel (brief van excuse) op verzoek van de magistraat door van Dam namens haar geconcipieerd. immers altijt dat hij wel wiste dat'er bij hem niet apart. die niet goetgevonden en wiert.51 yet van was. maer alles met weten van't collegie van den Magistraet was geschiet. Gevraecht van den inhout van sulcken brief ofte concept. Gevraecht sijnde. date. De gelegentheyt daervan was. ja.

6. soo was bij de Magistraet vreese dat haren trompetter evenwel niet uyt soude connen comen. soo wiert bij de Magistraet gevreest. antwoorde dat de Secretaris soo weeckhartigh was. veroorsaect door de tweespalt. concept van briefgen wort hooge gewogen. soo seyden de heeren voort daerop. alsoo de trompetter van de stadt metten brieff van de Heeren noch eyntelick uyt was geraect. heeft te kennen gegeven. want de heeren seggen dat men daerdoor den vijandt de swackheyt vande stadt. ende oversulcx dat sij ende hare borgers te meer in ongenade souden geraken bij den voorseyden Grave. Deel 30 . ende dat in allen gevalle dit briefgen niet was gesonden geweest. dat 1) Dit zal mede een der redenen zijn. ende dat daerop waren gevallen de geseyde propoosten. ende niet de Secretaris. ende niet meer willende met de Magistraet te doen hebben.52 door het woelende grauw uyt de stadt te rijden. waarom in het Amersfoortsche archief zoo weinig te vinden is nopens het gebeurde bij de overgave in 1629. dat de voorss. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. die d'er binnen was. begerende met den Commandeur alleene te spreken. ende alsoo midderwijle des vijants trompetter weder binnen quam. dat se geen werck van hem conden crijgen. niettegenstaende hij voor de tweede mael met Borgemeesteren ende die van den crijchsraet vergeselschapt wiert. dat se meenden heymelick buyten te sullen crijgen. waerom hij dat hadde geconcipieert. Met dat nu van Dam hadde bekent dat het sijne handt was. Het voorss. Gevraecht. antwoorde. en daerdoor wel moesten selve tot meermalen de penne in de handt 1) nemen . hiervan was dit briefgen van excuse geconsipieert. Grave qualick soude nemen het dilay van de voorss.

De fiscael Cloots heeft wesen soecken op de Secretarye tot Amersfoort uyt last van de heeren. De Gooyer repliceerde weder dat hij sprack als eene die ontschuldigh is. of men niet naerders tot last vande gevangens soude connen vinden. den vijandt te kennen geeft de swackheyt van de stadt. maer de gevangens houden dat sulcx niet waerschijnlick zij.53 het proces daermede uyt was. maer als een Jesuyt. die in een belegerde stadt sijnde. ende de heeren scheyden daerop. off hij geen kennisse Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. maer de Gooyer verantwoorde hem weder met groote couragie. hierop antwoorde hij dat een soodanige straffe verdient. die hem hart aen gingh als een leeuw. ende soo niet t'oversnorcken diegene. De Borgemeester de Gooyer is daerover oock geexamineert geweest. hemselven daermede schuldigh maect ende straffe verdient. off hij niet meende dat die gene. al ware hijt selver. die noch beter memorie daervan hadde als van Dam. ende op de suyverheyt van sijne conscientie derf steunen. Aerssens dede d'examen. die aen sijne voeten saten ende minder waren als hij. Deel 30 . De Borgemeester Hardevelt isser oock over geexamineert. maer eens te gedencken den dagh daer sij beyde even hooge ende groot souden wesen. Eerst wiert hem gevraecht. hem vermanende gemack te doen. de heeren seggen dat het de trompetter haer gegeven heeft. om te besien. Daerop Aerssens seyde. ende daervan onwederroepelick vonnisse soude worden gegeven vanden alderhoochsten Richter. dat hij sprack niet als een politicus. en het schijnt dat hij niet gevonden heeft als dit fijne chartabelligen. ende het examen geschiede in deser manieren. Daerna is hem gevraecht.

chartabel inhielt. dat het hadde connen verhinderen het uytseynden van een brief. sijn eerlicke. ende soo sterck hadde geweest. dewelcke sij lange gekent. datter was geresolveert geweest yet sulcx te concipieren. Hardevelt en de Gooyer. Deel 30 . Ick hebbe gesien sekere verclaringe van den geheelen ouden enden nieuwen magistraet. ende met deselve dickwels gebesoigneert hebben. dat'er was goetgevonden geweest. vrome persoonen. als 't voorss. De navolgende nacht. waerbij deselve verclaren. waerdoor men aen den Grave de Montecuculi hadde willen excuseren het uytstel vande antwoorde op sijnen brief. dat de heeren van Dam. hetwelcke uyt sijnen mont is geteeckent. die 't uytsenden van denselven brief hadde met gewelt verhindert. het welcke was soo vele als den vijandt willen openbaren hoe qualick de stadt van binnen gestelt was. sonder van yemant daertoe vermaent ofte aengeport te wesen. dat men sulcken briefgen van excuse soude concipieren. doordien de populacie tegen de magistraet stondt. ende datse de selve altijt hadden bevonden trouwe voorstanders van t'Vaderlandt ende ijverige vijanden van de Spaensche heerschappije en Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. die de magistraet sochte uyt te senden. waermede hij hemselven soo diep schuldigh maect als van Dam en de Gooyer.54 hadde van het concept van excuse. een brieff aen den fiscael gesonden. ende heeft uyt hemselven. dat hij hemselven naerder overdacht ende bevonden heeft warachtigh te wesen. hemselven naerder overdenckende. als het voorseyde chartabel innehielt. daerinne hij ront uyt bekent. Hier heeft hij plat af ontkent eenige kennisse daervan te hebben gehadt. soo is hij indachtigh geworden. liggende het selve op de ongestuymicheyt van de populacie.

Deel 30 . en datse in alles wat se hebben gedaen ende gehandelt int overgeven van de stadt. waerdoor hij t'onvrede soude hebben geweest. vele min wat die inhouden sal. Ick hebbe niet eygentlick verstaen wat hij daerop geanwoordt hadde. alsoo hij 's daechs voor de belegeringe met seker advocaet van Amsterdam hadde gesproken. Hem is oock aen geseyt dat hij den majoor soude gedrongen hebben de sleutelen aen Goossen te geven. Hem wiert oock aengeseyt. maer hij heeft sulcx ontkent. ende aen de Heeren sulcx willen clagen. Daer waren maer 2 van den Raet van State tot Utrecht. dat hij de eerstemael binnen komende. maer niet en wiste op wat maniere. dat hij ter contrarien hemselven daervan gesocht hadde te excuseren. dat hij de commissie om buyten te gaen willigh aengenomen. hierop is sijn antwoorde geweest. ende hemselven daertoe genoech geoffreert hadde. dat hij hem alsdan soude inlaten. Uwe E. maer hij hadde geantwoort. noch indachtigh te sijn. Van Dam is noch gevraecht geweest. als van Dam aen den Grave van Montecuculi was gesonden. gelast hadde dat'er ordre gestelt soude worden. off hij Goossen de poortier belast hadde. als Karreman (dit is een vande borgercapiteynen. hoedanige dat de propoosten waren geweest die hij met hem hadde gehouden. die mede buyten de stadt was. can hieruyt sien hoemen 't soect. die Catholyck gesint was.55 regieringe. dat hij oock den majoor de sleutelen soo niet hadde afgeparst. niet hebben gedaen dan met gemeen advys ende eendrachtigh goetvinden van den geheelen magistraet. een treffelick kercksman) soude comen met 200 mannen. dat. ende die nu mede gevangen sit. dat hij weder comende mochte uytgelaten worden sonder wachten. doe ick Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Men weet noch niet recht de tijt wanneer de sententie gaen sal. Men heeft oock de Gooyer geexamineert.

ofte tusschen Rees ende Wezel. voorgehadt een schansse op te werpen tusschen Emmerick ende Rees. ADRIANUS BORRHIUS. kinderen. schoonsuster. ick verstont niet recht waer. van de andere waren sommige int leger. het Vaderlant. een partye ontrent Heusden. Leyden 22 Septemb. 770. Hij wille hare onnooselheyt voorstaen. N . ons. soo ick op de wegh verstont. Neempt ten besten mijn haestigh gecrabbel. die daer onder vallen. De Raet van State is eygentlick gestelt over de crijchsluyden. Sijne Excellentie ruct vele volcx by malcanderen. De vijandt leyt noch in sijn foorten op d'Yssel met eenigh aental van ruyters ende knechten. sullen die nu soo over borgers mede willen sententieren. met de lieve huysvrouw. off de sententie sal scherp sijn. maer daer is ordre tegen gestelt. Wat hij voor heeft leert de tijt. ende sten alle de vrunden genadich wesen. Graef Hendrick van den Berge heeft. Deel 30 . Wat raet? Tegen gewelt en vermach men niet. sommige in den Hage. Bekende handt. eer men vonnisse sal geven. daervan een parthye vergaderen ontrent Moock. ende over de mesusen. men meent dat se eerst alle sullen bij een sijn. om soo den toevoer opwaerts te verhinderen. Hij is de garand der onnoozele. Handschriften der Remonstrantsche Gereformeerde Gemeente te o Rotterdam. 1629. schoonmoeder. uwe E. men moet het dragen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. nae de viunicheyt van 't examen. dat soud'er hart op aen comen.56 vertoogh. ende daerentusschen sijne goede conscientie den Heere bevelen. Daer wort niet getwijffelt.

Deel 30 . Afgezet en verbannen 1619. 2) is hebbe ick oock aen domino Rijckwaert geseyt. Carolus Rijckewaert. 't Gene voorss. De Remonstrantsche Broederschap. 1650. Hij overleed op den predikstoel 1 Jan. Tweede druk. De Goyer was destijds schepen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. predikant te Utrecht sedert 1607. Te voren was hij burgemeester geweest. A. Brief van Mr. Hij stond opnieuw te Utrecht sedert 1629 en bediende van daaruit Amsterdam. die mij uyt uwen name daer nae gevraecht heeft ende met eenen uwe groetenisse mede gedeelt en hoeseer u. berustende in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. een der mede-onderteekenaars van de Remonstrantie (1610). blz. Zie Tideman. Sij sullen soe lange daer moeten blijven ter tijde toe ick selfs eens te Hoorn sal kunnen comen omme d'selve te separeren. 76. gepact in houte kisten die ick daer toe expresselijck hadde belast te doen maecken.E. Ick sall voor deselve voorts gelijcke sorge dragen als voor mijn ander goet. 1) 2) 3) Origineele brief. Ic kan niet anders vernemen off alle de boecken sijn bij malckanderen gepact sonder datter eenige vermist sijn. soe ick verneme dat de mijne ten deele onder d'uwe en d'uwe onder de mijnige vermengt sijn doordien alles heeft moeten geschieden tumultuarie en in absentie van mij ende mijn huysvrouw.57 1) IV. Mijn Heere! Ick hadde all voor desen last gegeven om U nicht te verwittigen dat uwe boecken die men binnen Amersfoort nevens mijne meublen tweemaal heeft moeten verbrengen met de selve mijne meubelen noch behouden tot Hoorn gecomen sijn. Handschriften. Vermoedelijk Ds.E. 309/10. Tschijnt. Willem van Dam aan Samuel Naeranus . 3) mede becommert is over tgene den burgemeester de Goyer en mij overcomen is. Ick bedancke u. doch dit sall hem eerst bij de visitatie openbaren.

op dewelcke alleen de gepasseerde swarichheden van 't gemeen landt blijven berusten.58 voor de vriendelijcke affectie t'mijwaerts. als boosdoenders ende sulcke als wij in 't eerste sijn uytgecreten geweest. De defentie van onse stadt is weynich in consideratie gecomen. met een compagnie ruyters binnen gecregen waermede wij well voor een aenloop maer voor geen belegeringe bestendich waren. dit alles sijn lijdende. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Is dit bij iemandt beharticht soe is het bij de burgemeester de Goyer en mij gedaen. die de herten kent is een getuyge over mijne onnoselheyt ende met hoe ijverigen gemoet ick bevlijticht hebbe tgene ten gemeenen besten en behoudenisse was dienende. dat wij. 't Soude mij voorwaer al te beswaerlick vallen ten ware mijne goede ende geruste conscientie in desen mij was verlichtende en vertroostende gelijck ick oock mijne sententie hebbe opgenomen met de woorden dat ick dit liever hadde te lijden dan dat de goede gemeente swaerder hadde overcomen. Wij hebben allenthalven met alle mogelyckheyt assistentie gesolliciteert En onse commissien ende rapporten getrouwelijck uytgevoert ende gedaen. Deel 30 . Godt. ende oock mede het gevoelen niet en heeft. Men heeft ons met geen middelen van defentie versien. men vreesde dat de soldaten die men ons soude toesenden voor 't gemeene landt onbruyckbaer souden gemaeckt werden. qualick 600 combatans sterck sijnde . Eyntelick hebben 1) wij ses compagnien te voet. alles wel met verwonderinge verstaen heeft.E. Ende gelove dat u. Doe dese ons all toegesonden waren sijnder gecommitteerden van Hollandt ende Utrecht 1) Volgens den burgemeester van Hardevelt waren het er slechts 4 tot 500.

dat wij ons niet souden verlaten op onse couragie. de Goyer en mij om aen de 1) magistraet te relateren . dat wij ons niet en souden laten bedriegen. oock vervoeringe van vrouwen en kinderen niet afradende. daer op geandtwoordt wierde. datt het dan beter ware dat wij alle uyt de stadt gingen.H. De burgemeester Hardevelt seydt dat als hij seyde.te weten de burgemeesters Hardevelt. waeronder vier halve cortouwen waren. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. versoeckende 1500 off 2000 man met andere nodige behoeften. Voor andtwoordt cregen dat onse stadt niet te houden was ('t sijn de 2) eygen woorden) met 3000 noch met 5000 mannen . waer op wij ons beclagende dat men de defentie van de selve onse stadt soe weynich in achtinge naemt ende ons alsoe abondonneerden en iterativelijck instantie doende om middelen van defentie met presentatie als meermaels te voren van goet en bloet bij 't landt te willen opsetten bij apparentie van uytcomste. dat wij onse eygen swackheyt niet en kenden.voorhoudende de uytvoeringe van 't coorn ende de goederen ende de swackheyt van onse stadt. Deel 30 . Dit zou Golsteyn gezegd hebben.59 gecomen ons . ses en dertich compagnien paerden ende elff stucken geschuts. Wesende daerdoor belet de uytvoeringe bij de H. meent ghij dat ghij all veel versuymen soudt? Dit geschiede des Saterdaechs nae de middach waerop den viandt sich den aenvolgenden dach tot Bernevelt ende des maendachs 's morgens voor Amersfoort vertoende met vijff regimenten te voet. dat sij onse stadt hadden doen besien met meer andere woorden. gecommitteerden voorn. geurgeert ende bij de magistraet geconsenteert waertoe 1) 2) Volgens van Hardevelt voerde de Heer van der Horst (Nederhorst) het woord.

Alle de burgers ende soldaten mosten gestadich hooft voor hooft sonder intermissie op de wallen sijn. dat de magistraet en ick selfs geresolveert was mede te vechten. Den aenvolgenden dach hadden sij haer geschut op vijff plaetsen geplant ende schooten daermede. Deel 30 . Ick voechde noch daer bij sij souden bij den Commandeur gaen ende overleggen off eenich middel tot defentie was. wij seyden haer het oordeel van den crijchsraet.60 ontrent 50 off 60 schepen voor de Eem quamen doch te laet. Indien iae. Den viandt was na de middach all nae opte grachten ende inde huysen aen de Utrechtse ende Slijckpoort gecomen. Twee lieutenants van de borgerie quamen daernae voor de Magistraet en sustineerden dat men soe haest niet behoerde te composeren. waermede deselve noch niet nae behooren beset waren. sij en conden ons niet verseeckeren. De sterckte van de stadt is u. sij gingen den Commandeur spreecken en cregen tot andtwoordt dat onse muyren oudt waren en op verrotte anckers rustende. gelijck oock den Commandeur met sijn krijchsoversten bij de Magistraet formelijck ende expresselick affgevraecht sijnde off de stadt noch te houden was daer op nae deliberatie en visitatie van de ammonitie geandtwoordt heeft dat sij ons den aenstaenden nacht niet conden verseeckeren. bekent.E. De 7000 pondt cruydts die wij op drie reysen t'mijner ernstiger instantie becomen hadden waren den eersten avondt tot op 37 off 3800 pont Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. schietende met musquetten op de onse ende oock met eenighe van hare stucken. en off men noch all 24 uyren mochte comen te houden (seyde hij) soe souden wij als dan geen appoinctement crijgen kunnen. dat mense moste opgeven. Den commandeur en soldaten hebben haer dickmaels beclaecht dat sij op een vleeschbanck waren ende geen eer konden bevechten. blijckende t selve bij sijne sententie. dat de stadt niet houbaer was.

Vexat censura columbas. Ende alsoe wij om veylich te gaen te water op Amsterdam trocken. 493. niet buyten last maer volgende mijnen last. T'is ons werk niet anders geweest als ledematen van deselve. T'gene bij ons ofte bij mij gedaen is. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. daer was verraderie mede vermengt etc. is door expresse last ende ten versoecke van de Magistraet getrouwelick ende oprechtelijck gedaen. met vier schepen vol volcks hebbe ick selfs uyt ons schip gegaen na de Heeren van de Admiraliteyt die met twee oorlochschepen en eenige iachten voor de Eem lagen ende de gelegentheyt van alles aen haer 1) Zie van Bemmel. Een fraeye occasie om den roep over t'versuym van des viants overcomste over den Jissel te verdoven. Ick geve u E. blz. die de sorge voor het bloet vande burgers ende andere miserien incumbeerde. Men heeft te voren Amersfoort in geen consideratie genomen ende op de behoudenisse van dien geen staet gemaeckt ende daeromme ons met soe weynich middelen van defentie versien ende de courage die bij ons meerder als bij iemandt was (t'is de waerheyt dat ick segge) ons benomen. Deel 30 . II.61 nae geconsumeert. Beschrijving van Amersfoort. Daernae was t'heele landt door t'overgaen van Amersfoort in gevaer gestelt. De burgemeester de Goijer en ick hebben ons uyt Amersfoort begeven soe haest het ons is toegelaten geweest omme ons te verandtwoorden tegens de calumnien die principalick tegens onse personen gespreydt worden. nu te bedencken wat ons. in sulcken gevall toestondt te doen? De gantsche Magistraet met de gantsche crijchsraet metten officiers van 1) de borgerie ende sestien vande gequalificeerste burgers daertoe geroepen hebben de overgevinge vande stadt tsamentlick geresolveert.

den maioor Hasselaer. Men heeft ons eerst met twintich soldaten ten huyse van den geweldigen. Midlerwijle heeft men mij seer bejegent (waerinne hem Aerssens die alles 1) Vandaar. in de gevangenis opgestelde memorie van verdediging. naedat onsen schipper door die van t'selve iacht belast was geen volck voor haer wedercomste aen landt te setten. immers. waerop. capiteyn Hoop met eenige musquettiers met het selve iacht aen ons schip gecomen sijn seggende dat sij daer gesonden waren van de burgemeesters niet om ons eenich effront ofte disrespect aen te doen maer alleen om ons voor de insolentie van t'graeuw te praeserveren ende beschutten. een ‘met potloot geschreven en getekent verhaal’ is. Ick verstae dat Aerssens en Olphert Barentss. van een gemoet sich genes quaets bewust). alwaer den Raedt van State ons door haren geweldigen dede appraehenderen waertegens wij protesteerden als den Raedt van State die geen iurisdictie over ons en competeerde in desen niet subiect wesende met versoeck dat wij mochten gebracht werden voor de Heeren Staten van Utrecht omme voor de welcke ons te presenteren wij ons op reys begeven hadden. Ick schricke noch als ick dencke op het woeden van t'graeuw tot Amsterdam en t'perijckell da[er] wij noch doorgaens in waren om bij het graeuw ontweldicht te worden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. verhaelt. dat van Dam's meermalen aangehaalde. daernae op Hasenberch strictelick bewaert sevendhalve weeck met verbot van acces van 1) vrunden en pen en inct . Deel 30 .62 E. dewelcke ons een iacht nasendende die van Amsterdam van onse comste veradverteerden. men bracht ons voort nae Utrecht in een herberch. doen ter tijdt alleen tot Utrecht waren. (een evident teecken.

ende naedat men ons daerinnne onnosel heeft bevonden. Deel 30 . toen de Spanjaarden de stad ontruimd hadden. 1629 door Prins Frederik Hendrik tot burgemeester benoemd. dewelcke off sij niet genoech met haer vader geleden hadde. nu oock op t uyterste swanger sijnde t'defect van t'selve lijden met haer man noch 1) sten Beide den 30 Aug. Doch wij waren Remonstranten. ende evenwell soe t'schijnt om de harde proceduyren tegens ons aengeheven tot conservatie van hare geingageerde reputatie eeniger mate een glimp te geven. daer nochtans geen indicien toe waren.63 gedirigeert heeft niet als een rechter ad indagandam veritatem maer als partie ad accusandum heeft gethoont) op veele vragen geexamineert ende oock off ick geen communicatie met den viande hadde gehouden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. veel min eenich debath ofte reproche daer tegens vergost. ick was aen de dochter van Hogerbeets getrout. heeft men alle onse actien soecken te esplucheren ende daerop sulcke sententien in dicta causa gegeven dewelcke in veele ende notable poincten van onse confessien sijn discreperende ende oock somtijdts de selve contrarierende sonder dat men ons tot onse defentie heeft gehoort off eenige openinge van getuygen ofte getuychenissen. Wij en wisten oock niet wat men daeruyt t'onser beswaernisse wilde duyden te meer dewijle die geene die t'principaelste met ons gemeen hadden niet alleen niet gecauseert maer weder in den magistraet ende oock in hoger plaetse gestelt worden als Johan Sael die nevens Rijck van Diest al in t'eerste van onse gevanckenisse 1) Burgemeester worde . Onse confessien sijn maer naecte verclaringen vande waerheyt van onse actien daerinne geen delicten gelegen sijn.

64 moste suffleren. De fiscaell (twelck was de bailluw van der Goude genaemt Cloot tot dit werck uytgecosen) seyde tegens de voorn. Deel 30 . De Staten van Utrecht schrijven nu onlanx aen de Staten Generael dat haer onse actien bekent sijn ende wat goede devoiren wij ten dienste van den lande hebben gedaen soe haest den viandt over den Jissel gecomen was Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Dit werdt bij veelen gehouden de fonteyne te sijn van onse beswaernissen. 1 . 2 . Wij werden in onze sententien belast met misduydinge van de meeninge van de Heeren Staten van Utrecht. Met nalaticheyt in t'solliciteren van polver waer van t'contrarie al te claer blijckt. alsoe t'rapport vant voorgeven van de gedeputeerden van Hollandt ende Utrecht ons te laste geleyt bij hem alleen in onse absentie ende niet bij ons en is geschiet twelck nochtans de meeste verslagentheyt causeerde ende wijlieden wel gewilt hadden dat hoewel t'nae waerheyt is geschiet. ende dat hij over sulx noch heet noch coudt wesende mede o uytgespogen soude werden. Tschijnt oock eeniger maten uyt de sententie van Hardevelt. T'rapport vant aengeven van de Heeren gedeputeerden van Hollandt en Utrecht is in onse absentie bij Hardevelt o gedaen als geseyt is waer uyt verbaestheyt ontstonde. wat soeter gedaen hadde geweest. oock deselve soe discreetelick gemenageert als de saecke enich sints conde lijden. dewelcke presiderende Burgemeester wesende ende alles hebbende gedirigeert ende met mij gemeen gehadt. die genoemt werden onrechte rapporten. iae selfs ons te laste geleyt is tgene bij hem alleen gedaen is geweest. Hardevelt dat hij de brugge was daer d'Arminianen en de Papisten waren overgegaen. Ick verclare dat wij in aller oprechticheyt ende getrouwicheyt onse rapporten hebben gedaen. d'gedeputeerden tie van Hollandt en Utrecht als oock van sijn Ex in onse rapporten. in veelen delen verschoont is.

nae sijn aencomste door sijn ordre. Zie blz. Is dit bij iemandt benaersticht soe is het bij mij gedaen. Die van Amsterdam o doen oock andere verclaringen. sulx is bij ons ontkent ende geseyt dat wij den commandeur in sijn ampt geen belet gedaen hebben. 4 . 19.65 1) omme met middelen van defentie geassisteert te worden . De wijn is oock niet buyten weten van de militaire door ordre van de Magistraet en niet alleen van de burgemeesters wesende een vles van ontrent drie kannen groot aen den generael op sijn ernstich versoeck gesonden als menende dat sulx als een courtosie selffs aen vianden niet behoort nochte oock gebruyckelijck o is om geweygert te werden. gelijck oock op alles soe veel doenlick was nae gelegentheyt ordre gestelt is geweest. T'tegenhouden dat den commandeur de bewaringe van de poorten niet is toebetrout geweest. 3 . Deel 30 . Naelaticheyt in reparatie van de defecten. Hij heeft oock in t'gene hij t'mijner instantie aen de Magistraet schriftelick heeft overgelevert des vrijdaechs voor de belegeringe tot aenwijsinge van veele defecten en t'gene hij meerder hadde voor te stellen niet verhaelt off te kennen gegeven dat hem de poorten niet vertrout en waren. Naar 's-Hertogenbosch of naar Utrecht? Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende alsoe ick acht dagen te voren 2) buyten de stadt in commissie belet geweest sijnde niet veel in de Magistraet praesent conde wesen als somtijts ter vlucht hebbe ick de reparatie vande defecten t'mijner instantie als geseyt is bij den Commandeur aengewesen ten hoochsten gerecommandeert. Voor sijn aencomste hebben de maioors de wachten bestelt met ordre van de magistraet ende borgercapiteynen. Maer eylacy de defecten waren te veel 1) 2) De Gedeputeerden van Utrecht zonden een ongeveer gelijkluidende verklaring aan den Raad van State.

goede conditien vergunnen ende niemant in t'een off t'ander te beswaren. ingevalle wij geen gewelt en verwachten. De Magistraet.66 als u. insonderheyt o oock bij ons sonder assistentie vande Staten. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Zie omtrent hunne wreedheden.z. van Bemmel II. ende vreesende mede dat uyt t'expres afseggen van dese praesentatie een praetext van geen accoordt te willen vergunnen ende voorts van plonderinge bij het rouw ongedisciplineert viants 1) volck wesende Keysersche en ten dele Crabaten genomen mochte werden. In welcken gevalle den graeff geen vorder last en hadde ende dat het ons gedien soude tot iammerlijck geclach van vrouwen ende kinderen waer van hij onschuldich wilde wesen. Deel 30 . Dus is het met de saecke gelegen. Hier op vielen voorts als de opinien dat men behoorde te composeren aenschouw 1) D.w. 5 . ende daeronder t'concipieren van een acte van decharge (soe die genaemt werdt) en van een briefken van excuse. heeft collegialiter geresolveert met communicatie en goetvinden van den crijchsraet desen voorseyden brief dilatorie te beantwoorden als wesende een saeck daer soe haest niet op conde geresolveert werden maer dat men hem nae genomene resolutie soude antwoorden. wel bekent is om in soe korten tijdt gerepareert te werden. Quade comportementen int beleyden van metten viandt te composeren. ook op de Veluwe. die in dusdanige gelegentheyt met geen ander middel haer stadt ende borgerie conden praeserveren als met een goet accoordt. blz. Croaten. Bij de tweede sommatie ende opeyschinge van de stadt worde door den trompetter een brief van Graef Henrick van den Berge aen de Magistraet gebracht van inhouden dat de graeff van Montecuculi last hadde omme ons beleefdelick te tracteren. 949.E.

die niet en was te defenderen. Evenwell is noch den brief dien avondt niet afgegaen nae datter bevonden waren bij visitatie bij ons mede doen doen 37 off 38 tonnekens cruyt elck van hondert pont. gelesen. brief met den trompetter uyt te senden. De crijchraet haer beclagende dat sij ongeluckich waren dat se in soedanigen plaetse lagen. Deel 30 . ende de Magistraet dierhalven hare opinie te meer urgerende. Aert den Emenesser met eenige cumsuis hebben feytelijck belet t'uytgaen van desen trompetter niettegenstaende de commandeur. officier ende burgemeesters Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Des andern daechs is nae formele affvraginge aen den crijchraet gedaen ende hare verclaringe daerop gevolcht als vorens verhaelt is. Dese acte is ten versoecke van den Magistraet bij mij in de vergaderinge geconcipieert. heeft den Commandeur t'sijnen versoecke een acte verleent vervatende de redenen waeromme sij verstonden dat men de gemeente niet behoorden te stellen in hasard van overvall ende sulx nodich te sijn te composeren gaerne willende de militairen te gevalle verclaren dat de Magistraet eerst van composeren gesproocken hadde. waerinne ick mede als burgemeester t'woordt hebbe moeten helpen voeren. een trompetter met een brief uyttesenden van inhouden datter eenige buyten comen souden omme met den generael mondeling te spreecken van t'gene men geresolveert was te doen. t'welck tegens de waerheyt en onse negative confessie inde sententie gestelt is.67 nemende op onse insuffisantie ende swackheyt. T'welck met den crijchsraet is gecommuniceert en in deliberatie geleyt. De Magistraet ende niet wij buyten kennisse van deselve. bij haer goetgevonden ende uytten name van den selve bij de secretaris geteeckent. Eijntelijck is t'samentlijck goetgevonden. t'samentlijck ende eenparichlick geresolveert desen voorss. sonder nochtans te seggen van last te hebben van Sijn Excellentie etc.

68 haer aucthoriteyt sochten te interponeren. ende seggende voorts dat hij mette Magistraet niet te doen hadde. soe ick verstae. sij waren soldaten sij souden noch kunnen middel vinden om haer selven te redden. voor confusie waer men in de stadtbevreest ende voor een overvall van buyten. bij Willem van Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . insonderheyt doen sulx geduyrende den derden trompetter van den viant binnen gesonden worde willende den commandeur alleen spreecken ende hem affvorderende cort antwoort off hij de stadt wilde opgeven ofte niet. Den viandt quam vast met meerder troupen op de stadt aen. Doch alsoedrae de comste van desen derden trompetter de humeuren veranderden ende besadichden ende onsen trompetter metten meer gemelten brieff sonder resistentie uyt de poorten quam is den brief van excuse. waerover men resolveerde de selve den trompetter van de viandt mede te geven doordien onsen trompetter niet conde uytgeraecken ende daerbij voegen een briefken van excuse van't retardement van't andtwoordt in den dilatoire brieff des daechs te voren toegeseyt omme noch soe veel als doenlick was de inconvenienten die uyt de actien van Aert den Emenesser cum suis te verwachten stonden te soecken te praevenieren. niet van mij maer van den magistraet geschreven maer well te haren versoecke bij mij geconcipieert opgehouden ende niet uytgesonden. T'is oock met communicatie vanden crijchsraet geschiet. Dit conceptgen (twelck oock gegrosseert en in forme van missive gestelt en bij de secretaris geteeckent is geweest) blijvende op de taeffel leggen. de militaire officiers waren in grote perplexiteyt nevens ons. is. ende men hielt het daervoor dat men dus continueerende tot geen appoinctement immers altijdt met groot nadeel soude geraecken indien men den brief niet conde uytcrijgen. De militaire officiers seyden dat sij de arme burgerie beclaechden.

ordre ende last geschreven te sijn. ende andersints daer van te disponeeren. 3 der capitulatie luidde: ‘Dat de gene die uytter stadt vertrecken willen. Wat nu aengaet mijne actien int maecken van't accoordt (daer toe ick genoechsaem bij opdringinge de commissie heb moeten aennemen) deselve sijn oock geschiet in aller oprechticheyt. ART. sonder dat die in 't minste ghevioleert sullen worden’. Dit klopt met den inhoud van den brief van van der Borre. briefken bij mij inde 3) vergaderinge van den Magistraet volgens haere resolutie geconcipieert was . sullen een jaer langh tijdt hebben. ‘Dat alle privilegien. ART. in welck hij sonder consent te verwachten sal mogen in komen’. niet teghenstaende hij woonachtigh sij in de Geunieerde Provintien. De Burgemeester Hardevelt hadde het eerst geignoreert doch voort nae sijn examen sijn memorie ververschende ende hem beswaert vindende heeft den fiscael bij missive doen weten dat t'voorss.69 1) 2) Deuverden opgenomen ende bij Aert van Deuverden . ende oock meer te impetreren. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende dat het hem dies niet teghenstaende vrij sal staen 't sijner believen middelertijt tot Amersfoort ofte daer ontrent. Tleste vant derde artyckle als oock 't 12 ende 4) 15 sijn boven de 1) 2) 3) 4) Raad te Amersfoort. ‘De Huysluyden in de Jurisdictie van Amersfoort en daer ontrent leggende dorpen wonende. coustumen ende herkomsten sullen blijven. mits haer stellende onder de ghehoorsaemheyt van Zijne Majesteyt’. stelt men t'evenwel bij mij buyten resolutie. mits dat hij zijn name sal doen aengeven aende Gouverneur van de Stadt drie ofte vier dagen te voren. Schepen aldaar. het sij alleen ofte met zijn familie te komen. 12. Ende met alle doenlijcke naersticheyt omme de artijckelen die mij mede gegeven waren soe nae te bedingen als 't mogelijck was. sullen hebben sauvegarde. om met haer goederen ende vee bij haer huysen vrij en onghemolesteert te mogen konnen en blijven. ART. Deel 30 . Niettegenstaende ick instantelick versocht hebbe dat de Heeren naerstich souden willen ondersoecken wat hier van was ende dat sij souden bevinden dit te wesen t'werck van den Magistraet ende niet van mij met praesentatie dat ick het haer oock wilde doen blijcken. ende weder vertrecken sonder eenich beletsel ofte verhinderinghe. qui praecipuus tragaediae nostre author est et precium sceleris praeturam sperat et ambit. 15. Aerssens ter handen gestelt. Evenwel werdt hem de kennisse van dien niet t'laste geleyt als well den Burgemeester de Goijer waer uyt te sien hoe men't op ons gesocht heeft. om haer goederen in ende buyten de jurisdictie deser stede te verkoopen.

daer men vermidts den avondt aenquam niet langer nae 1) Dit was art. Deel 30 . 11 der capitulatie. maer 't artyckel van dat den viandt geen volck inde stadt soude moegen laten comen voor des anderen daechs heeft hij niet anders willen toestaen dan onder conditie dat hij noch den selven avondt meester van de poorten souden wesen ende geen volck in de stadt laten comen voor des 1) anderen daechs tegen den avondt . T'contract bij den viandt all onderteeckent worde vast int net gestelt om bij de Magistraet mede geteeckent sijnde mij naegesonden te werden.70 artyckelen mij mede gegeven bedongen. sij hebben t'accoordt soe t'lach goet gevonden met een goet genoegen ende dat ick weder nae buyten gaen soude omme den viandt hier van bescheyt te seggen gelijck ick belooft hadde sulx te doen voort datelijck alsoe den avondt aenquam. Ick hebbe aen de Magistraet rapport gedaen ende mijn wedervaren op ieder poinct verhaelt. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ick konde de Magistraet soe lange niet bij den anderen houden ter tijdt toe alles noch eens na de comste van den Burgemeester Hardevelt.

indien men goet gevonden hadde t'selve artyckel soe niet toe te staen ende dat het moste verandert werden.71 conde wachten. is aff te seggen. dat oock Carremans bij Hardevelt ende de Goijer ten dien eynde mij naegesonden is twelck ick oock met alle mogelijckheyt hebbe gedaen ende noch weder in praesentie van Carreman gereitereert doch te vergeeffs. ende soude mij grote swaricheyt geimputeert hebben kunnen werden indien daer een ongeluckich assaut op gevolcht hadde. Dewelcke ten dien eynde nae binnen gegaen sijnde den troupe van des viandts volck voor de hameye gecomen is willende deselve opgemaeckt hebben. Maer dewijle het mij maer gerecommandeert worde van eenige van den Magistraet ende geen last van 't collegie van den Magistraet toequam. Ick versochte aen Carremans te willen rapporteren dat wij het niet conden obtineren. conde ick niet anders doen als ten uytersten daer op aenhouden maer bij refuys 't accoordt bij de Magistraet bewillicht niet opseggen. T'is waer dat nae t'scheyden van den Magistraet bij ses ofte seven daer noch gebleven mij gerecommandeert worde nochmaels te tenteren dat de viandt noch dien avondt geen meester van de poorten mocht sijn. Hadde de Burgemeester Hardevelt soe verbaest ende verscrickt geweest hij hadde als praesiderende Burgemeester de approbatie ende resolutie van den Magistraet collegialiter genomen weder collegialiter moeten doen retracteren ende uyt desselfs naem last laten toecomen omme t'accoordt bij weygeringe van't gene voorss. gelijck buyten twijffel geschiet soude hebben. Dit hadde tegens mijn last geweest. mochte geresumeert werden dewelcke hem te rusten geleyt hadde ende aen de boden meermaels om hem gesonden voor antwoordt gegeven hadde dat hij hem conformeerde met t'gene gedaen soude worden. Deel 30 . hij ende degene die in de Utrechtse Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

dan dat ick binnen comende om rapport te doen. Op t'twede request mede continerende praesentatie om ons te Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende sulx niet en sijn geconvinceert. wij hebben geappelleert aen de Staten Generael met twee requesten versocht om in appel ontfangen te mogen werden tegens de sententien gewesen op gebleecken ende niet op confessie maer van de selve in veele ende notable poincten discreperende ende oock somtijdts de selve contrarierende. T'gene van den last aen den poortier om de sleutels bij hem te houden geseydt werdt is anders niet. aen den maioor ende die aen de poort waren seyde dat ick wederom nae buyten soude moeten gaen. Ick was buyten. siende de valbruch nederleggen ende de sobere besettinge van de poorte om te resisteren hebben de hameye geopent waermede evenwel grote swaricheyt voorcomen is. sonder dat ons eenich ander blijck ofte getuychenissen sijn geobijcieert. T'eerste request is gestelt in handen van den Raedt van State. Ick late nu u.E. Doch hierinne dede den viandt tegent accoord dat hij sijn volck voort op de marckt dede marcheren t'welck hoewell t'hem qualick liet aensien noch geluckich tot vermijdinge van groote apparente swaricheyt is uytgevallen. Deel 30 . die haer seer tegens ons formaliseert ende haer reputatie daeraen gelegen laet sijn.72 poort waren hier over verbaest sijnde. die van binnen was de wacht bevolen. Dat sij passen souden dat ick reeicheyt mochte vinden om uyt te raecken. Ick conde dit niet beteren. en alle verstandigen onpartijdigen oordeelen off wij met dese onse actien dusdanige proceduyren ende sententien hebben gemeriteert. T'schijnt dat de maioor daer van wat ruymer verclaringe tot sijner ontlastinge gedaen heeft. Midlerwijlen most ick den heelen nacht als ostagier buyten blijven ende gaen eeten ende slapen ter plaetse men mij brochte.

ende derhalven alleen met gedult sullen moeten lijden ons troostende met een goede ende geruste conscientie en de reste Godt den Heere bevolen die de herten kent en t'sijner tijdt oock sall oordelen. ende desselfs huysvrouw gebiedende met toewenschinge van alles goets nae 1) Reden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. verlangende was omme van de saecke onderricht te sijn. T'gene voorss. Twelck indien't geschiet ware geweest gantsch tot onse decharge ende blijck van onse onnoselheyt soude hebben kunnen dienen. Ick sorge dat wij te machtigen partije hebben. Deel 30 . Daer 1) en is niet off seer weijnich van't gepasseerde te boeck gestelt . De provintien konden malckanderen noch niet verstaen. als een vertrouwt vrient van't ongeluck en ongelijck ons wedervaren te beclagen. waarom er te Amersfoort in het archief zoo weinig te vinden is nopens de overgave van 1629. Groeningen stondt het toe midts dat wij eerst in hechtenisse souden gaen ende dat alsdan de saecke met der Raedt van State soude werden affgedaen. eenige stonden ons versoeck toe. te liever willen communiceren door dien ick uyt domino Rijckwaert hadde verstaen dat u E. is hebbe ick u E. De traecheyt van onsen secretaris int aenteeckenen die bijnae nergens geen notitie van gehouden heeft is ons mede seer nadelich geweest.73 sisteren is niet gedaen. Oock omme ons mede bij u E. t'welck de oorsaecke was dat de Burgemeesters dickwils selffs de penne hebben moeten voeren. eenighe hebben haer noch niet verclaerdt. Mij voorders gantsch vriendelick aen u E. dewelcke ons dit mogelijck t'onsen besten toegesonden heeft om met afsnijdinge van alle wegen tot de werelt t'padt ten hemel ons gladder te maecken.

geboren te Dordrecht. Zie omtrent hem van der Aa. blz. Van 1615 tot 1619 stond hij te Amersfoort. dienst. De Remonstrantsche Broederschap.en vrientwillige vriendt W. Handschriften. alsmede Tideman. 169 en 170. 1) Samuel Naeranus. van Bemmel I. 76. was een bekend Remonstrantsch predikant en geleerde. 1) Eerwaerdige geleerde wijse voorsienighe Heere Samueli Naerano mijnen gunstigen goeden vriendt.74 siele ende lichaem. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Waer toe ick u E. VAN DAM 1630. met u huysgesin in des Heren bewaringe bevele U E. A. Universiteits-bibliotheek te Amsterdam. In laatstgenoemd jaar werd hij uit Amersfoort gebannen. Deel 30 . doch bleef in briefwisseling met van Dam.

dezen brief van den bekenden Orangist Paulus Hendrik Justus d'Hangest d' Yvoij .het begin is verloren -. vrijen. même temps je vous félicite.. Het leek mij niet zonder belang.. duelleeren) niet bieden.M. A. Medegedeeld door A. auquel vous pouvez vous fier et qui est en même temps plus robuste qu' Jsack. ce qui n'est pas donné à tout le monde. De brief maakt deel uit van de in de Amsterdamsche Universiteits-Bibliotheek bewaarde ‘verzameling Diederichs’. als nummer 31 Be.M. ce qui vous est très nécessaire pour le temps que vous voiagez d'avoir un domestique qui soit fort de constitution et pouvant résister aux fatigues. die in het buitenland reisde.75 Utrechtsche kout van 1769.. aangezien de zoo merkwaardige gedenkschriften van G. Cramer. van Hardenbroek de hier gevolgde rubrieken (overlijden. gericht. Deel 30 . 5). waarschijnlijk aan een drager van den naam Wttewaell.. in deze verzameling bekend te maken.J.. J'espère Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. que vous en avez trouvez un.C.

et pour se conserver le sien. car six personnes. quand même on a l'avantage. ne laissent que de causer une certaine émotion. mon cher cousin. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. en pouvant éviter la rencontre de ce gibier de potence. que vous a fait le Roi demême que toute la famille roijale. ils fait plus cher vivre que dans un autre. à un combat.76 que vous aurez fait le voiage de Turyn à Gènes. car ils peuvent être 1) Karel Emanuel I (1730-1773). si a Turin on n'en agit pas de même et peutètre par réprésaille: ergo comme Hollandois doublé paye. pour faire une capture incertaine. en les animant par là à y faire un plus long séjours. Vous paroissez fort content de 1) l'acceuil. Joint encore à cela. Deel 30 . où on dit que tout est à fort bon marché et il me semble que là vous avez oublié que vous êtes Hollandois. au contraire des bandits ont toujours une certaine crainte qui n'est propre qu'à ces célérats [sic] et elle est bien augmentée en eux. comme vous me marquez tres bien. ils prennent très vite la rescourse du lièvre pour la plus part du temps. il est bien plus agréable. où il fait le plus cher. et qui sait. inspirent du respects. que l'on a chez nous la diabolique coutume de faire paijer à un étranger le double de la valeur des choses. Dans un pais. Vous venez de la Suisse. koning van Sardinië. et de Gènes à Milan sans fâcheuse rencontre. on se bat à merveille. Car à en juger par les rapports des étrangers la Hollande est un des pais. Mais comme de pareilles rencontre. ce dont je ne doute presque point. et trouvant à qui parler. quand ils en doivent venier. et en y attirant aussi d'autres. il me semble que se dut être une politique à toutes les cours de faire un bon acceuil aux étrangers qui y passent.

arrivéez à Utrecht depuis le mois de juin jusques en décembre. Nous passerons au dernier article de ma lettre. qui fait pour ainsi dire l'esprit de la nation françoise. que l'on lui présente. Deel 30 . et les étrangers rendent une cour encore plus brillante. il n'auroit jamais fait. auprès des rois qu'auprès des particuliers. aussi bien des étiquettes n'ont pas lieu à leurs égards. à recevoir les étrangers. qui a été remplacé par monsieur Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. que j'ai due obmettre de vous écrire. mais par là j'ai voulue vous remettre où vous en êtes restéz à m'écrire. Vous saurez sans doute la mort de monsieur de Jonckheere le sénateur. vous me pardonnerez si j'en ay laisséz échaper quelques unes. Vous voilà à peu prés répondue à tous les points de votre lettre. ou seulement à moitié. et privé par là de pouvoir faire des réflection. d'examiner seulement quelqu'un. qui vous satisfisent. Comme je n'ai pas été à Utrecht durant la belle saison. ne les ayant pas scue. parceque la cour de France est plus fréquentée d'étrangers de toute nation qu'aucune autre cour de l'Europe et que si le roi étoit obligé d'entretenir un chaquun en son particulier. Les manières sont aussi différentes. pardonnez les réflections que j'ai faite à quelques unes si elles ne s'accordent point à vos idées et pensées. ce qui me sera toujours très agréable. si vous me continués votre correspondance. Je tâcherai pourtant de vous les tracer en ordre et feray mon mieu pour n'en obmettre aucune. Mais c'est peut être une étiquette nécessaire. A force d'écrire il a radotté. savoir les nouvelles.77 introduits partout bien plus facilements que les gens du pais. ne s'accorde guerre avec l'affabilité et la politesse. qui lui est présenté. preuve encore ce que vous m'écrivez touchant la différence de la réception que vous a fait le roi de France.

als nog levend. blijkbaar niet stadhoudersch (‘somtijds vrij wat sterk aan stadsbelangen geattacheert’ l.78 1) Craijvanger . car ce que je vous écris est tout comme je l'ai entendue. autrement je plain sa bourse. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. et même un matador. et quand il 1) 2) Mr. Gedenkschriften van Hardenbroek. cela est triste à voir. Zijn samenzijn met d'Yvoij zal dan ook meer officieus dan wel bepaald vriendschappelijk geweest zijn. et chambre. Deel 30 . Vous sentez bien qui [sic] faut brûller celle ci après l'avoir lue.c. Woertman was een bekend vroedschapslid en afgevaardigde der stad ter Staten-Generaal. I voor. het laatst. point que je satirise. de sorte que s'il ne satisfait pas mieux dans les points qui regarde [sic] la magistrature. secrétaire de la finance. en [sic] en second lieu le bon Dieu scait d'où ils sont venue et qui ils sont. uitgegeven door Prof. et en général. 159. aussi perdent ils là. Jonckheere étoit de la corespondance. A 2) présent à d'autres. Van der Aa geeft dus als het jaar van zijn dood verkeerdelijk 1764 op. mais à cause que je ne veux me faire des ennemis de personnes. Il connoissoit à fonds notre gouvernement. Monsieur Woertman . est aussi décédéz. Krämer. Mais j'espère. Dirk Woertman. un grand homme.H. pg. On dit qu'il sentant [sic] parfaitement l'architecture ainsi que de pouvoir engraisser des boeufs. Aussi les messieurs ont tout d'abord songé à le remplacer par un sujet qui en premier lieu n'a eu auquun de ces [= ses] proches ou apparentées dans la magistrature. soit dit à la vérité. tout ce qui regarde le commerce des bestiaux. cequi a donné une grande confusion aux messieurs de la corespondance. I 396. 322. Hij komt veel in v. il réussira mieux que dans le premier. in ons briefjaar 1769 (pg. wordt ook door van der Aa vermeld. echter ook 129 noot 2). que dans ce dernier article. advocaat. Willem Craijvanger. vgl. car pour l'ordonnance de ces batimens. geboren in 1713. 322). ses collègues en auront mal de ventre.

il étoit consulté de tous les membres en général. I 323). L. zeer overeenkomstig hetgeen onder volgt. † 1776. . 53. Monsieur Strick l'Anglois . heer van Zuijlen.H. ‘Een regte vos’ noemde hem de Prins-Stadhouder (v. hij zat in den ‘knijpraad’ pg. Misschien een zoon van Mr. I pg. 65 noot 3. Cornelis Anthonij Vos.E. I 33. Strick van Linschoten. was 1750 in de vroedschap gekomen. stadhoudersch. Vos et moi.H. v.79 y avoit quelques affaires épineuse. 45 vg. blijkbaar ontleend aan een zijner eerste geschriften.Hij was Orangist. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. is volkomen helder. quand il le recevoit. Il y a eu beaucoup de solicitant pour le remplacer comme secrétaire des finances.H. J. een machtig staatsman. 188 aant. Les 1) 2) 3) solicitans ont été le secrétaire Roel . Deel 30 . de 1) 2) 3) 4) 5) J. et il l'a donné à monsieur Vos (car il en avoit remis la nomination aux princestadhouder) qui a désisté de la magistrature. Bekend als godsdienstig-zedekundig auteur. de Zedekundige brieven over het geluk (1762). Het stukje over ‘het waar geluk’ (bldz. d'eux tous il y en avoit auquun qui auroit osé se flater de l'égaler en capacité. wat misschien een en ander in de hier beschreven verwisseling verklaart. lees: docteur ès lettres (1765). 2. de Perponcher’ (Utrecht. die na den slag bij den Wittenberg naar de Nederlanden week.H. Moravisch rebel. Ik heb gebladerd in de ‘Anthologie uit de prozaschriften van W.) uitzondert.F. secretaris van politie.H. 4) le tour pour donner cet emploi étoit au nobles et monsieur de Zuijlen l'avoit à sa disposition. I bijvoegsel tot pg. 92. wanneer men enkele der gedachten en spreuken (bldz. mr. il l'a arrangé de façon que celui qui le remplaceroit se trouveroit au fait de tout avec un peu d'aplication en très peu de temps. dans laquelle il a été remplacé par monsieur et maître le baron Willem Emmerij de Perponcher de Sedlnitzkij. mais à dire le vrai. Mais on assure que d'un emploi aussi pénible que l'étoit le sien. Hij stamde af van Piotr van Sedlintzkij. Maitre. v. l'Anglois ziet misschien op een verblijf in Engeland. 1740-1819. 6-10).E. Van een duistere wijze van zich uitdrukken blijkt daar niets. Diederik Jan van Tuijll van Serooskerken. waar hij als generaal commandant van Grave was en zijne dochter Anna († 1656) hare hand aan Isaak graaf de Perponcher schonk. heer van Polanen. héritier 5) présomtif de la couronne de Pologne . Bosch & Zoon 1854). Een dergelijke samenwerking van hem en den Prins v. et aussi dérangé. Röell.

et ce qu'il y a encore de plus singulier. il étoit un des messieurs de la correspondance. December van het Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Na de gemeenten Montfoort en Bommel gediend te hebben. qui est commissaire de bièrre à Utrecht. car on dit que monsieur Vos sentant [sic] très bien les 1) finances. Monsieur Vos est donc secrétaire des finances. 1723-1795. ayant été plusieurs année dans le collège. Deel 30 . Mais se qu'il y a de singulier. et alors on s'apprend à se connaître. a été juste. et jantens juger différament sur son savoir. mais c'est ce qui je sçais. c'es que les messieurs de la correspondance n'ont pas approuvé cette promotion. den werd hij hoogleeraar in de godgeleerdheid te Utrecht. waar hij den 4 briefjaar overleed. je crains bien que sa signature ne fasse une énigme. qu'il prêche très mal. monsieur de Zuijlen. et longtemps. mais je sçais bien que le choix de monsieur de Zuijlen. puisqu'il y a des personnes qui disent qu'il en sçait moin que rien. enfin en tout ceci je ne comprens rien. Le frère de monsieur Vos est aussi devenue proffesseur extraordinaire de ministre de village qu'il étoit. j'ai été en pension avec lui. et il est 1) Jacobus Albertus Vos. ou du stadhouder. Il paroit aitre [sic] un jolie garçon et il a un très bon naturel. s'il n'écrit pas plus distinctement qu'il s'explique.80 sorte que nous avons à présent un successeur des roi. et il a reçue cet emploi par un des nobles.

Segaar. extraordinarius voor geschiedenis en welsprekendheid († 1810). Monsieur le sénateur Hengts est aussi mort très subitement. Deel 30 . ce qui ne va pas trop bien.en volkenrecht (vertrokken 1790). A présent. il n'a jamais étudié. et mieu que je ne puis vous le dépeindre. des morts. Mais je ne sçais si j'ai raison ou tort. hoogleeraar in de philosophie en mathesis († 1813). qui est devenu sénateur. quoique il peut être mauvais orateur. hoogleeraar in 't Nieuw-Testamentisch Grieksch († 1803). Pour celui ci.81 proffesseur en théologie. et fort peu de monde le connoit. par la promotion à cette charge du fils de monsieur de Jonckheere. et pour cela bon théologien. Encore un de la corespondance. et en dernier lieu. professor in 't natuur. et ceci est bien le plus riches de ceux qui sont mort depuis longtemps à Utrecht. ce qui me fâche 2) bien. En J. Meinard Tijdeman. enfin vous le connoissez de renom. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. C'est le conseiller. Je ne le connois point.H. C. mais il me semble que nous ne recevons plus un proffesseur de renom quoique depuis 1) peu d'année on en a appellé quatre ou cinq à notre académie. Homme généralement regretté pour ces générosité dont il ne cessoit journellement d'en donner des preuves.F. Tegenwoordig is de naam van Hengst. van Goens. Enfin le générosissime et pauvre homme a été enterré avec une suite de trente quatre carosse. mais on dit pourtant qu'il sentent parfaitement la magistrature etc. Le 1) 2) Dit zijn: J. on a aussi très vite remplacé ce dernier. hoogleeraar in 't burgerlijk recht († 1814). monsieur et maître Jean Jacob van Westrenen seigneur de Lauewerecht. d'Yvoij oordeelt hier wel wat lichtvaardig. en zeker ten aanzien van van Goens. Voorda. R. je me fais vieu quand je vois de pareille personnes emploié. Ten aanzien van Tijdeman.M. Hennert.

Sentimens dignes pour faire valoir des pleurs qu'autrement la nature fait verser à des enfens bien nées en perdant un père chérie. Jacob. car il y a été au bord du tombeau. et en même temps égaler la manièr(e). mais ce qui lui fâchait le plus. et a crié ‘daar gaat nu de rijken heenen’ etc. je veux dire fou: mais comme l'ivraye croît toujours. à ce que l'on racconte. et un si brave père. v. je vous nommerai celui qui m'a 1) racconté le trait. Frederik Christiaan Reinhard baron van Reede. où il soupoit. a fait des huées. et je lui fis mon compliment (de félicitation) je veux dire de condoliance au sujet de la mort de son père: la filicitation sur son heureuse convalescience. mais lorsque je m'informois comment se portoit son épouse c'est que le visage ne peut démentier les sentimens jaloux dont ce vilain est remplie. c est de n'avoir pas pue profiter. il en a réchappé. c'étoit le greffier Van den Heuvel qui l'avoit 2) de millord d'Athlone . 1781 Secretaris van Financiën. Hij was geboren in 1743. 404 noot 1). vrijheer van Amerongen. Griffier van het Hof te Utrecht. Mais il ne me répondit rien.: passage trop applicable: on racconte. 1732-1785. J'ai rencontré ce ladre (= van de pokken geschondene) tandis que son père n'étoit point encore enterré. graaf van Athlone. Lorsqu'il se trouvoit si 1) 2) Hendrik Herman van den Heuvel. de mettre son argent à jnterent comme le défunt.82 peuple.H. suivant de Themat. et celui ci l'avoit de la bouche de Themat. Deel 30 . Oeconomisch auteur. où il a une superbe tombe. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. aussi puis je vous assurer que je ne remarquois point la moindre émotion en lui. I 390. celui-ci donc le lamentoit et disoit qu'il perdoit tant. et même a été dérangé quelques temps. l'orsque le convoi funèbre est arrivé à l'église de St. Vgl.

78 regel 6. qui lui ont été tenier compagnie on dit. et ce drôlle a déjà commencer à la traiter pire que jamais. tant dans ces délires qu'autre moments. et qu'il étoit présent. mais revenons à notre sujet. lors ce que les fraieurs de la mort l'on pressé. et il ne cessoit de la demander pardon de même qu'à Dieu. et je vous feray éprouver ce que un mari a des prérogative sur sa femme. qu'il étoit présent. Mais à paine se remet il de sa maladie. à ce que l'on dit. étant si mal. dans un moment. car des personnes. ne sera rien en comparaison de ce que vous me voierez faire à présent à votre sujet. qui étoit à ce que des personnes qui l'a soignoit ont assuré. que cette femme devoit avoir un humeur d'ange. Je veux bien vous avouer que sâchant toutes ces histoires. ce qui effectivement elle avoit fait. Deel 30 . qu'il n'avoit point de fièvre. il fit encore un don à la femme. mais elle c'est trompé. à votre égard. où son humeur diabolique le reprens. de sorte que l'on assure que ce n'est pas la faute de la femme si ils ne vivoiet pas bien en harmonie. Il la fit donc venier. de soixante mille florains. et que les médecins ne crurent point quil en réchapperoit. lui demandoit pardon de tous les tors. tant elle étoit triste et inquitté du sort d'un marie qui ne lui avoit caussé que des paines et tourments. pg. et étoit très en paine de scavoir si elle les lui pardonnoit de bon coeur. trop longue pour vous 1) Vgl. il fit venier la femme. qu'il lui avoit fait souffrir. ce qui a duré plusieurs semaines. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. et ce que j'ai fait avant ma maladie. inconsolable. en étoit en joye. Madame croyoit être délivré de moi.83 mal. il dit 1) à sa femme. il a seulement changé de paroles dans ce temps de détresse ce qui ne prouve que trop sa lâcheté.

H. et quand il sera mort. Il me semble qu'un drôle comme lui devoit être banis de la compagnie des braves gens. I 103 noot 1 verlangde aanduiding.84 écrires et en trop grand nombre.H. car Strick auroit pue rester longtemps sousgreffier. que l'on se doit en compagnie. qui est très capable. Everard de Jong. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Monsieur de Jong. se trouve très mal. le sénateur Laan deviendra 2) conseiller en sa place . raadsheer in het hof en rentmeester van Sint Paulus en Sint Agnes. qui tous sont morts avant lui. et a été remplacé par monsieur Comman . Lauwerecht a été remplacé dans la cour de justice par un monsieur Roelands. Comme le sousgreffier Strick. Ces emplois durant sa maladie. Of dit wel uitgekomen is? Volgens v. il a pris sa démission de l'emploi de sousgreffier qui a été donné au jeune Monsieur van Hengts. Voici encore quelques trais que l'on raconte au sujet du défunt monsieur de Laueregt. de 3) la part de la Bourgoisie. v. est aussi mort. comme il doit vous aitre connue. en het vervolg van onzen brief. pensoit avoir cette place et qu'il ne la pue obtenier. j'ai quelquefois eu de la peine à lui rendre la sivilité ordinaire. avec raison. qui a déjà duré longtemps. par ces arrangements vous pouvez voir si il y a à faire quelque chose pour un autre homme de façon. Monsieur Overmeer. qui étoit commissaire des bières. et monsieur Oosterdijck le remplacera comme sénateur. et de son épouse. Ziehier de v. Deel 30 . avoit trois ou quatre de ses petits emplois de rentmester d'un et d'autre couvent.H. quand même il voudroit se pouser dans le politique. ont déjà été donnée en survivance à trois diverses personnes. III 55 noot 3). I 393 noot 2 werd Mr. Hendrik Arnoud Laan 5 jaar later adjunct van bovengenoemden Heer Vos. Le matin 1) 2) 3) Mr. vue que de Jong 1) le conseiller .

Quoique je ne ne puis me lasser à vous écrire. Voila assez dit au sujet des morts. il faut que je vous communique que Klaasje Pesters. Cappelle. Si le grand père est mort très vieux. Robert Jasper van der Capellen tot de Marsch enz. Mijn man lief (dit elle) gaat uijt als een kaars. Röell op. die dit driejarig ambt in 1748 voor het eerst gekregen had (v. hij en zal soo de oogen niet geslooten hebben.De vader. ce dont vous pouvez vous appercevoir. fils de Monsieur le Colonel. est mariéz à mademoiselle van de Velde .85 il a fait un grand gain. comme l'on dit. Nicolaas Pesters.H. schrijver van een werk over het Nederlandsch zeerecht (Utrecht. J. 1770). . il a une femme bien riche mais bien sotte. Heerlijkheid van de familie van Tuijll van Serooskerke. I 27 noot 4).. mais avant que de quitter la famille de Westreenen. et se tournant vers le domestique: maar jij jou duijvel. le petit fils commence bien jeune à jouier des emplois. hij zoude er wel mede 3) kunnen gebruijd zijn. il y avoit un valet (qui l'a servie les deux dernières années de sa vie) assis auprès de son lit. of ik zal je de deur uijtschuppen. et. ma main à la longue refuse de tracer des caractères lisibles. Mais comme j'ai encore à vous dire quelques chose il faudra un peu déchifrer. Huwde Sara Jacoba van den Velden. Hij volgde in genoemde kwaliteit zeker Mr. madame étant dans la chambre où monsieur étoit agonisant. 's Zomers waren zij te Brummen buiten. Monsieur de Wierat est marié a mademoiselle de Rijnhuijsen . had veel invloed te Utrecht. Willem Nicolaas P. savoir député à l'admirauté de Zeelande pour trois ans . Quelqu'un d'autre qui entroit dans la chambre demande à madame comment monsieur se portoit. Deel 30 . comme vous saurez.A. 1) 2) 3) Mr. ce que je veux vous 2) marquer. a reçue la commission 1) de Zeelande. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

1) 2) 3) 4) 5) 6) Mr Jan Pit. c'et à 3) dire il a eu un blauwtie. en het tot luitenant-generaal bracht.86 1) Le fils de monsieur Pit a une demoiselle de Dorth. en hier: s'est marié. en het tot luitenant-generaal bracht. Dictionary of National Biography). 1743-1811. mais aussi eu un blauwtie.H. qui est 5) un Anglois. qu'elle a un autre adorateur. il est logé ici. ne pouvant 4) abandoner la citadelle . geëligeerde in de Ridderschap. v. zoodat men aldaar wel zal moeten lezen: 1767. et il l'a aussi demandé en mariage mais elle ne l'a pas accepté. et paroit être un fort jolie homme. chez Oblet . 1717-1770. vous vous le rappellerez aisément. August Robbert baron van Heeckeren. à présent on raconte. 1717-1770. bekend Prinsgezind Geldersman. le haut officier Conte de Rechteren l'a aussi demandé. Zoons hadden zij niet. Dus waarschijnlijk Leopold Casimir graaf van Rechteren. monsieur Counen avec mademoiselle Ram. Deel 30 . Dus waarschijnlijk Leopold Casimir graaf van Rechteren. heer van Suideras. il se marie à mademoiselle Alida van Westreenen. qui est puissament riche. Kastelein van 't ‘Kasteel van Antwerpen. die het onmetelijk fortuin en den naam van zijn grootvader den speler en woekeraar kolonel Francis Charteris (1675-1732) geërfd had (vgl. die in 1747 lauweren verwierf door verdediging van een fort bij Bergen op Zoom. il se nomme monsieur Chartres . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.’ Zeker Francis Wemyss (1723-1808). quoique il recommence à lui refaire la cour. die in 1747 lauweren verwierf door verdediging van een fort bij Bergen op Zoom. si vous vous souvenez encore de notre premier voiage à Amsterdam d'un quelqu'un qui disoit: ‘l'on ne banderoit (zeilersuitdrukking) pas pour cens mille florins’. Monsieur le lieutenant Sigterman a fait longtemps la cour à mademoiselle Geldsack. monsieur le baron Heeckeren 2) de Suderas . I 114 noot 4. Zijn huwelijk met Aleida Jacoba van Westreenen van Sterkenburg had volgens van der Aa 1776 plaats. monsieur Jhonsson m'a dit que c'étoit un des plus riches particuliers 6) de sa nation.

heer van Schonauwen. comme je sors fort peu. Misschien een zoon van Johan Julius Schreuder. Monsieur Crofs est partie pour l'Angleterre. Deel 30 . et ma soeur Hansje est depuis 2) bien du temps à Schoonauwe . II pg. Krämer. horsmis celui-ci Titie a encore d'autres prétendans. mais depuis deux mois on m'a dit 1) que cela étoit entièrement fini . 1704-1764. was in het briefjaar luitenant-generaal en gouverneur van Bergen-op-Zoom geworden. geboren 1739. où elle venoit. raad van Nederlandsch-Indië. Il sembloit fait l'un pour l'autre. un autre vous le dit. quoique cela me fâche. lid van de Utrechtsche ridderschap. ce qui m'a fait plaisier. Mais il est déjà remplacé par monsieur Schreuder. C'est un Indien . mais je ne les connois pas. très riche. gouverneur van Ceylon. De grootvader van Titia was schilder te Utrecht. que cela n'a pas réussi.87 Mademoiselle Titije de Roosemale a eu longtemps et comme vous saviez déjà pour prétendant le jeune monsieur d'Hardenbroeck. Mais ce que j'ay vue c'est que je vois présentement toujours mademoiselle Roosemale sans monsieur d'Hardenbroeck. et que l'on disoit que le Général d'Hardenbroeck auroit défendue à son fils de tant fréquenter la maison de monsieur Roosemale. puisque il faisoit la cour à ma soeur Hansje. ce qui donnoit matièrre a resonner [sic] au monde. je ne puis rien vous en dire. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ce qui est de la vérité. v. car se que l'un ne vous dit pas. peut- 1) 2) 3) Jan Adolf baron van Hardenbroek. 45 noot 1 vermeldt Gerlach Theodoor van der Capellen. De Ro(o)smaels waren van eenvoudige afkomst. m'amusant mieux dans ma chambre à lire qu'aux assemblées. et qu'il étoit très assidus à frequenter les compagnies. que dans d'autres temps que nous fréquentons les compagnies. Prof. de sorte que je n'en sais pas tant à présent. jeune homme qui a bonne mine. Zijne tweede echtgenoote was eene gravin d'Aumale. et 3) qui étudie ici.H.

car on m'a raconté qu'il y avoit eu quelque micmack. et elle est très mal et fort foible. aussi a t'elle la plus mauvaise sorte de petites véroles. demême qu'un sorte de fièvres chaudes. Madame la princesse d'Orange est attaqué des petites véroles et cela pour la seconde fois de sa vie. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ce seroit un coup bien fatal car elle c'est acquis par ces manières affables les coeurs de tous ceux qui ont l'honneur de la connoitre. On a institué des jours de prières. et il y en a fort peu de bêtes qui restent en vie. et les bals. ne faisant que pleuvoir et faire des tempĉtes. et cette maladie règne ici terriblement et en général par toute les provinces. Le grand bal de souscription a aussi été déffendue. qu'il y a. sur la liste qu'on délivre hebdomadairement à la maison de ville. et autres divertissement public. toen Engelsch predikant te Utrecht. où on peut facilement être trompé. v. les ayant déjà eu une fois à Berlin. Deel 30 . Mais cela a été arrangé par monsieur 1) Braun .88 être à tort et peut être point. Ceci donne une grande consternation. il y a depuis quelque semaines 18 morts plus que de coutume.H. ce qui a fait bien 1) Robert Brown. ce qui occasionne une grande cherté. I 390 noot 4. Si nous avions le malheur de perdre cette princesse. dans la province d'Utrecht. celleci entrennent bien du monde au tombeau. car les filles c'est une marchandise. Engelsch agent te Utrecht. de pest pokken. qui s'annoncent par des maux de gorges. la maladie parmi les bestiaux fait aussi des grands ravages. on été interdits. il c'est retiré d'ici justement pas fort honnêttement. à Utrecht. Aussi le temps est ici très malsain depuis deux mois. de vader van den lateren hoogleeraar William Lawrence Brown (1755-1830).

H. qui étoit lundi. à présent. Noordbrabandsche heerlijkheid. Deel 30 . L'autre n'a pas trouvé bon de continuer à se battre. et jusqu'à ce qu'il a pris la fuite. qui se sont expliquéz un peu fortement contre les magistrats et même des magistrats contre leurs collègues. Mais on a dejà chanté un mois cette chanson. I 383. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. le 13 . que s'il ne continuoit pas à lui donner une honnêtte satisfaction. il demanda si ces messieurs. Monsieur le capitaine Smitsart jouoit au billard. une pareille histoire a encore eu lieu entre un capitaine de hautbord. mais il est aussi resté supprimé. Voici le fait. il y a eu un duel sur la place de St. qu'il ne vouloit plus se battre. de verderopgenoemde familiebetrekking wordt daar ook genoemd. A présent on dit qu'il y aura des parties de dances au maisons. et il n'y en vient rien. au nouvelles. Smissaert. monsieur de Hees en Leen. qui sont fort réscentes. 384. C'est que dimanche passé. officier de marine. après quoi le dernier a dit. Venons. dont jignore le nom. ils ont mis l'épée à la main. chez Jan Steevens. v. avec notre cousin de Weede. Ce qui n'est pas fort jollie. qui 1) c'est très mal comporté. qui étoit connus 1) 2) Waarschijnlijk H. sur quoi monsieur Cuijpers a dit. et ont poussé quelques bottes. qu'il le rosseroit. a remis son épée. et autre compagnie de dames. et il y a des messieurs. et monsieur de Tuijl de Hees en 2) Leen . Jean vers les six heures du soir entre monsieur Cuijpers. et un sénateur de la ville d'Utrecht. schout te Rhenen. et un autre monsieur.89 des mécontans. et a été rosté du marin d'importance. de nos parents. me Le lendemain. ayant intention d'aller passer quelque temps à Amsterdam et comme il vouloit fréquenter les salets.

sur quoi Smitsart a dit: dégainez 1) 2) Walter Pieter Boudaan. il faut que vous me demandiez excuse ici en public. je vous donnerai une lettre pour mon beau père. auroit dit: mon cousin. et alors Smitsart vous donnera des adresse voor de winckel etc.90 à Amsterdam. ou il m'en faut satisfaction. comme de raison. avec plaisier: je 1) vous donnerai une lettre pour monsieur le bourgemaitre Boudaen . et a passé par la petite chambre. où on verse la caffé. sur quoi monsieur de Weede dit. et cela dans un lieu public. qu'un homme d'honneur ne peut souffrir. ne pouvoit pas lui procurer connoissance à des messieur qui le présenteroit à Amsterdam. il poura vous faire introduire partout. monsieur de Weede a quitté la partie. et a continué son jeu. passé par l'autre chambre. Monsieur Smitsart se fâchant. Hormis cela je suis homme d'honneur et officier. qui est mon oncle. et comme celuilà connoit beaucoup de monde à Amsterdam. Deel 30 . meester in de rechten. je ne vous ay choquéz en rien. à la piste. et qui vous procurera quelqu'un qui vous introduira partout où il vous plaira. et l'a attaint au coin du Domsteeg. vous me faites là un compliment. 2) monsieur Straalman . sur quoi monsieur Smitsart répondit. et a gagné le Domskerckhof. l'autre n'a pas voulue demander excuse. 1701-1781. sur quoi monsieur de Weede auroit répondue pour excuse: j'ai fait serment de le ne demander jamais. lui disant: il me faut une excuse ou satisfaction. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. sinds 1761 elf maal burgemeester van Amsterdam. Vous parlez à un homme. qui ne se conte en rien inferieur à un monsieur de Weede. monsieur Smitsart l'a aussitôt suivi. l'autre a dit: il faudra pourtant vous résoudre à le faire. Matthijs Straalman was eveneens burgemeester van Amsterdam.

Alors Weede a cryé au secours pour la garde. Mais Weede a été le mardi de grand matin chez Smitsart. notre cousin Cees 1) Roosemale. si je vous laisse aller. ou je vous rosse. ou vous en aurez encore plus.91 et défendez vous. et Smitsart a dit: comment diable vous appelez la garde et cela contre un officier. Deel 30 . en garde. Je vois bien que de cela il ne viendra rien. et pour demander excuse. me l'a racconté. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ne peut être cachée. et il l'a convoié de la même manière jusques à sa maison. Sur quoi monsieur Smitsart l'a régallé d'une volée de coups de plat d'épée. aussi cela fait-il la nouvelle du jour. à cinq heures du soir. et si vous ne voulez pas faire cela. après quoi Weede est partie pour Amsterdam. Je puis voir le blanc de vos yeux. voilà l'histoire comme je l'ai de deux personnes qui ont été au caffé pendant la céne [sic]. et monsieur Schut . au claire de la lune. mais il n'avoit pas vue la rossade. Sur quoi Weede a dit: j'ai femme et enfan de sorte que je ne puis me battre. comme je vous l'écris ici. qui étoit encore à ce que l'on dit au lit. du Domsteeg jusqu'à la Place de St. j'ai fait serment de ne le demander à personne.H. et il lui a demandé pardon. dès que je vous rencontreray. hormis 1) Wellicht Gerard Jacob Schut. retournez plûtôt avec moi et faites moi une excuse. Jean. monsieur de Weede a dit qu'il faisoit trop sombre. me l'a racconté paraillement. mais quelques chosse de cette nature qui se passe à Utrecht. qui avoit été au caffé. qu'il faut me demander excuse. de qui le frère avoit été au caffé. A présant vous en aurez encore plus. et alors Smittsart a dit: retenez bien. il fait un beau clair de lune (comme il faisoit effectivement). geneesheer. v. I 127 noot 1).

et qu'il avoit même admiréz la tranquilité de monsieur Smitsard. of denk jij dat omdat je nu gelt heb. quoique j'ai beaucoup de respects pour mes seigneurs et maîtres. non seulement il est quitte de son honneur. à cause quil a rossé un sénateur. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. je heb dog maar een mensiste vrouw etc. tout comme un autre. I: vooral 4 noot 4. ou monsieur de Weede railloit un quelqu'un un peu fortement. et à présent ceci lui est arrivé. un chaquun donne tord a monsieur Smitzard. nous y fîmes une 1) Uit de opsomming der aanzittenden valt op te maken. alles te seggen dat je in de mond komd. Car il y avait quinze jours avant que ceci lui est arrivé. qu'il n'avoit entendu rien de pareil. Deel 30 .H. il m'éttonnera si il ne s'attirera pas quelques affare. quand ils mérittent quelque chose. 1) J'ai soupé il y a quelque jours chez monsieur votre grand père . mais je trouve qu'il a eu grand raison. mais aussi la famille de sa femme est terriblement taxée par là. le soir je dis à mon père: si Weede raille un chaquun de la façon dont il s'y est pris le soir. mais Roosemale ma dit.92 qu'il disoit que monsieur Smitsart auroit d'abord répondue: ik kan hem dan beeter adresse geeven bij de winckel als uwen schoonvaader bij fatsoenlijke lieden. waarin hij de oppositie had aangevoerd. v. Hendrik Ahasverus Wttewaal heer van Stoetewegen is geweest. que cela est arrivé à monsieur de Weede. dat dit de oude heer Mr. que j'étois à la partie de jeudie. Hij was nu sinds lang uit de vroedschap. En voilà assez à se sujet. il faut qu'ils en rescoivent le salaire. et celuilà le traitoit en garçon. qui rajeunit. Il me fâche. qui l'en fasse répentier. Et j'ay eu une prévention de ce qui vient d'arriver à Weede. 64 noot 5. Zoo had hij zeer voor de gekozenverklaring van een anderen d'Yvoij geijverd.

et si ils sont plus grand 1) 2) 3) 4) Daniel Cornelis Egbert van Hangest-Genlis gezegd d'Yvoij. de distinction. Il avait aussi fait demander ma soeur Hansje mais elle étoit à Schoonauwen. nous n'y avons été qu'à onze. ma tante. vous y aurez aussi vue l'ancien capitole. et à présent je me trouve embarassé de leur donner un titre. qu'il ne demandoit qu'un des messieurs et la demoiselle. car on ne dit pas saintales. le Conseiller van den Heuvel et son épouse. Deel 30 . mais il me revient: oyes papales. mon oncle. die in dit jaar Paus was geworden. marquez moi si on y engraisse encore des oye de distinction. votre oncle de 2) Stoettweegen. et moi. Clemens XIV. madame de Gui.93 partie. impériales. Et la raison étoit. il avoit envoyé un billet. kolonel van de cavalerie. à savoir primo monsieur de Stoettweegen. J'ai été chez lui jusqu'à minuit. qu'alors le Cornet devoit venier. mais à cause que Hansje étoit à la campagne. car premièrement oyes républicaine. et Mitze de Nassouw . 4) Vous aurez sans doute vue l'entrée publique de sa sainteté et la courbette qu'il a faite. Et si je ne 1) pouvois venier. puis roiales. nous nous y sommes bien divertie et le veillard [sic] étoit très gay. et le soir y mangâmes des huîtres. que l'on trouve dans cette ancienne maîtresse du monde. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Mademoiselle Testas. bekwaam financier. et si celui là n'étoit pas en ville alors le troisième monsieur. dis je. Mr. † 1800. Jacob Adriaan. Monsieur van den 3) Heuvel le greffier. Maria gravin van Nassau La Lecq. qu'il vouloit une table de douse. mais il marquoit bien dans son billet. s'aura été superbe à voir comme toutes les raretés et beaux édifices.

van Utenhove heer van Bottenstein.H. vrijheer van Assendelft en Assumburg. Pour ce qui regarde le Cadet Bottenstijn. Dans le moment on met dit que la princesse royale d'Orange est très mal. P.H.H. ainsi je crois qne cela pouroit être vrai. v. à ce que j'ai oui de 3) monsieur Col . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. I passim. Deel 30 . Daniëls. P.J. Adieu. et si 1) vous allez voir sa résception vous pouriez y rencontré votre ami de Bottenstijn . il n'a 2) plus sa campagne . mais je ne puis vous l'assurer.S.94 que les oyes ordinaire.S. car on dit qu'il va faire un voiage. Boet- 1) 2) 3) 4) J. Vous irez peutêtre bien voir le mariage de madame la future dauphine. Amelisweerd? Waarschijnlijk Jan Kol. Assembourg . portez vous bien.P. YVOIJ. rentmeester van de vijf conventen. I 391 noot 2. 't Lam. il va voiager. Décembre J. Deutz. Je m'aperçois que ma plume ne peut plus me servier et n'y ayant plus rien à vous communiquer qu'à vous demander de brûler celleci après l'avoir lue. v. et qu'il se propose d'aller voir cette réception. 4) Mrs. et vous priant d'être assuréz que je serez toujours avec la plus parfaite amitié monsieur et très cher cousin Votre très humble et obéissant serviteur et cousin ème Utrecht 26 1769.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Het Stadsmuziekcollege te Utrecht 1631-1881 (Utrecht. on dit qu'ils seront suivie de bien d'autres .95 1) sclaar . viennent de quitter 2) 3) le collège de musique . Op bldz. ontvanger. Deel 30 .M. Stoetweegen. Verzameling Diederichs 31 Be. Buddens. patriot. 1742-1807. Over dit genootschap zie men J.C. 1) 2) 3) Benjamin graaf van den Boetzelaer. 10 wordt daar achteruitgang in dezen tijd vermeld. Bijlage 2 aldaar wordt gevormd door een lijst der besturen. Regteren. d'Oorschot. 1881). Dudoc. Handschriften der Amsterdamsche Universiteitsbibliotheek. cela me fâche. van Riemsdijk.

Van der Heim. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. kunnen veel belangrijks opleveren enz. Steyn en Van de Spiegel zich thans in het Rijksarchief bevinden. den tijd tusschen den vrede van Utrecht en de verheffing van Willem IV in 1747. Er zijn ook papieren van Van Hoornbeeck. volk. dat het archief van Slingelandt. ten rijksarchieve. die in 't bizonder aanspraak hebben op belangstelling. Medegedeeld door Dr. Jorissen heeft belangrijke studies over dit tijdvak gepubliceerd. Th. VI. Het stuk. maar geen woord rept van de papieren van Slingelandt.’. heeft betrekking op het meest stiefmoederlijk behandelde en daardoor ook slechtst gekende gedeelte der geschiedenis van de Republiek. maar desniettemin blijft toch nog zeer veel te doen om wat dieper door te dringen in de kennis dezer jaren. Wijlen prof. ja dat de aanwezigheid aldaar dier papieren zelfs vrij onbekend schijnt 1) te zijn . Bussemaker. in zijne Geschiedenis van het Nederl.96 Een memorie over de Republiek uit 1728. zegt: ‘Ook de archieven der raadpensionarissen. Deel 30 . Het is toch wel opmerkelijk. omdat zij de jaren van achteruitgang en verval zijn. waarvan die van Heinsius. dat Blok. doch deze hebben geringe beteekenis. nog zoo weinig gebruikt is. En 1) Ik meen dit hieruit te mogen opmaken. dat ik in deze Bijdragen en Mededeelingen ga uitgeven. 570.

97
hoeveel ander materiaal, gedrukt en ongedrukt, ligt voor het grijpen! Voor zoover
het gedrukte aangaat, denk ik vooral aan de resoluties van Holland en van de
Staten-Generaal en aan de secrete resoluties van Holland, die over de financiëele
verhoudingen heel wat wetenswaardigs bevatten. En naar het mij voorkomt zijn het
die financiëele verhoudingen, waarop bij het onderzoek naar de oorzaken van den
achteruitgang der Republiek in het bizonder de aandacht gevestigd moet zijn. Niet
aan een plotselinge verslapping van het volkskarakter, niet aan het gekuip der
regeeringsfamiliën, dat immers in de vorige eeuw ook reeds welig getierd had, maar
aan den ellendigen staat der geldmiddelen en aan de gebreken van het
belastingwezen moet het in hoofdzaak geweten worden, dat de Republiek hare
beteekenis als politieke macht inboette, dat haar leger geheel onvoldoende was,
dat hare scheepsmacht eene bespotting werd en dat de handel, zwaar belast,
onbeschermd en aan anderer willekeur blootgesteld, hoe langer hoe minder de
mededinging kon weerstaan die hem van vele kanten werd aangedaan. De schrijver
van het pamflet: ‘Korte Schets Van 's Lands welwezen door de laatste Vrede, nevens
1)
eenige Aanmerkingen op het stuk van de Commercie en Barriere’ (in 1714 na den
vrede met Frankrijk en vóór dien met Spanje opgesteld), die zoo vurig een krachtigen
opbloei van den handel wenschte, wordt niet moe de noodzakelijkheid van voldoende
convooien te betoogen, en terwijl hij weinig heil of zelfs veel nadeel voorspelt van
een barrière in de Zuidelijke Nederlanden, vraagt hij een

1)

o

Knuttel, Catalogus, IV, n 16231.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

98
barrière ter zee van 140 oorlogsschepen. De commissarissen, die in 1728 aan de
Staten van Holland een rapport over de financiën uitbrachten, schreven het verval
van zeevaart en handel ook grootendeels toe aan de gebrekkige bescherming van
de commercie, en de Fransche gezant, wiens memorie ik hierachter meedeel,
spreekt geheel in denzelfden geest. Het groote kapitaal, dat in de Republiek aanwezig
was, werd dientengevolge van den handel gedeeltelijk afgeschrikt, en tevens vond
het, naarmate de Nederlandsche koopman door beter beschermde mededingers
verdrongen werd, er geen voordeelige plaatsing meer in. De bovenvermelde
pamfletschrijver geeft te kennen, dat ‘Holland zoo veel negotianten heeft dat Europa
te klein is om den handellust te kunnen voldoen, om dat de oogst klein, en de
Arbeiders veel zijn’, en iets te voren heeft hij gezegd, ‘dat door de meenigte van
handelaers de afgeleegenste Koopsteden en Landen zoodaanig dikmaels vervult
worden met waren en goederen, dat er niet winst genoeg kan gedaen worden, of
dat er geen waren genoeg zijn tot retouren; waardoor de Equipagien der schepen
1)
niet goet gemaakt konnen worden, veel min winst gedaen’ . Ook in de hier
gepubliceerde memorie vindt men aanwijzingen in dien zin, en zoo is het alleszins
verklaarbaar, dat het opgehoopte kapitaal gaarne plaatsing zocht in de
e

staatsleeningen, die sinds de groote oorlogen van het laatst der 17 eeuw door
verschillende regeeringen werden aangegaan, vooral door de Engelsche, in wier
snel aanwassende schuld Nederlandsch geld voor groote bedragen betrokken was.

1)

Ibid. p. 34/35.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

99
Dat deze financiëele belangen der Nederlandsche kapitalisten bij den gang van
zaken in Engeland op de politieke overwegingen der regenten, die immers zelve
tot de kapitalisten behoorden, licht invloed konden oefenen, springt in 't oog; en
1)
zooals in een latere periode D'Affry hierop de aandacht vestigde , deed Fénelon
dit in 1728.
De armoede van den staat, die niet meer bij machte was haren handeldrijvenden
onderdanen behoorlijke bescherming te verleenen, was in schrille tegenstelling met
den rijkdom der ingezetenen; die tegenstelling gaf na 1780 nog aan E. Luzac
aanleiding tot eene ontboezeming: ‘Het ontbreekt ons Vaderland niet aan geld en
middelen, en niettemin is de Republiek ontbloot van eene genoegzaame magt, om,
door een harer nabuuren aangevallen zijnde, eenigen weerstand te kunnen bieden.
Men kan met waarheid zeggen: dat de Republiek te gelijk zeer magtig en zeer
magteloos is, naar maate dat men den Staat als een ligchaam beschouwt, of wel
2)
deszelfs ingezetenen afzonderlijk genomen’ . Maar reeds in 1724 trof hetzelfde
verschijnsel de aandacht van een Franschman, die schreef: ‘On peut dire que cet
Etat ressemble à Tantale, car aucun Etat de l'Europe ne possède tant de richesses
3)
en or, argent et crédit que celui-là, mais il n'oseroit y toucher’ . Bij een betere regeling
van het systeem der belastingen en van haar beheer zou den staat van die groote
particuliere rijkdommen meer ten goede hebben kunnen

1)
2)
3)

Bijdragen en Mededeelingen van het Hist. Gen., XXVII, 395, 404.
E. Luzac, Hollands Rijkdom, IV, 312.
o

Archives des Aff. Etrang., te Parijs. Mėmoires et Documents, Fonds France, n 1257.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

100
komen, en ook hierover kan men, naast Van Slingelandt's Staatkundige Geschriften,
met vrucht de genoemde resoluties raadplegen, waarin de financiëele toestand van
generaliteit en provincie en de gebreken van het belastingwezen zoo dikwijls ter
sprake komen.
Voor het ongedrukte materiaal zou ik, behalve op de archieven der
raadpensionarissen van deze periode, van de Fagels en van Willem IV, vooral de
1)
aandacht willen vestigen op de Newcastle-papers in het Britsch Museum en nog
meer op de Archives des Affaires Etrangères te Parijs. Sinds in 1713 na het herstel
van den vrede de markies van Chateauneuf als vertegenwoordiger van den
Franschen koning in Den Haag was verschenen, is tot de oorlogsverklaring van
1747 de Fransche diplomatie onafgebroken zeer werkzaam geweest in de Republiek;
de Triple-alliantie van 1717 maakte haar tot bondgenoote van Lodewijk XV, en
hoewel zij zich niet liet bewegen om tot de zoogenaamde Quadruple-Alliantie toe
2)
te treden , bracht dit in den ijver der Fransche regeering om de vriendschap der
Staten-Generaal aan te kweeken geen verandering. De elkaar opvolgende Fransche
gezanten onderhielden naar verschillende zijden betrekkingen met regenten,

1)
2)

Brugmans, Verslag enz. p. 240. Ook te Stockholm zal in de omvangrijke papieren van Preis
heel wat te vinden zijn. Vgl. Kernkamp, Verslag enz. 1903 pag. 22.
Daar, in spijt van Wagenaar en van de uitvoerige moderne litteratuur, in Nederlandsche
werken met volharding de voorstelling gegeven wordt dat de Republiek tot dat verbond is
toegetreden, is het goed nog eens nadrukkelijk te herinneren dat dit niet geschied is. Over
alles wat dienaangaande is voorgevallen bevat het archief van Heinsius, ten rijksarchieve,
uitvoerige inlichtingen.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

101
gaven in alle richtingen hun oogen den kost en zonden zeer geregeld hunne
berichten, niet alleen over diplomatieke onderhandelingen maar ook over toestanden
en verhoudingen in de Republiek, naar Versailles. De verkregen ervaring van den
een diende natuurlijk weer tot voorlichting van zijn opvolger en stelde de regeering
in staat om een nieuwen gezant in zijne instructies uitvoerige aanwijzingen te geven
over het tooneel, waarop hij zijne rol zou gaan spelen. De briefwisseling in de
Correspondance Politique, Hollande, en de gegevens, soms door de gezanten of
andere agenten verstrekt, die in de Mémoires et Documents zijn bijeengebracht,
maken dientengevolge de Archives des Affaires Etrangères te Parijs tot een rijke
vindplaats van materiaal voor de geschiedenis der Republiek van 1713-1747. Vooral
voor de eerste jaren, 1714-1718, is de aanwezige massa zeer groot in de
o

Correspondance; deze jaren van Chateauneuf's gezantschap vullen de deelen n
o

254-n 336, dan volgen Morville (337-344), Chambery (345-355), Fénelon (356-372),
Fénelon en De la Baune (373-386), eindelijk weer Fénelon alleen tot zijn vertrek in
1)
1744 (387-451) . Uit dien voorraad is ook het stuk geput dat ik hier publiceer en dat
ik reeds een tiental jaren ken. Indertijd toch ben ik begonnen om over de periode,
die m.i. zoo zeer om nadere bestudeering vraagt, stof te verzamelen en die te
2)
verwerken ; door verschillende omstandigheden, ten slotte ook door verandering
van werkkring, heb ik dit moeten staken en zal ik het ook

1)
2)

os

in het Supplément van de Correspondance, Hollande, nog bovendien de n . 10-14.
Mijne opstellen in De Gids, 1899, III, in Nijhoffs Bijdragen, 4e reeks, I, II, in het Tijdschrift voor
geschiedenis, land- en volkenkunde, 1901.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

102
in de toekomst niet kunnen hervatten. Van harte hoop ik echter dat anderen dien
arbeid zullen opnemen; het stuk, dat hier wordt uitgegeven, zal hun daarbij van
dienst kunnen zijn.
Gabriel Jacques de Salignac, marquis de Fénelon, was in den aanvang van 1725
1)
als vertegenwoordiger van Lodewijk XV in Den Haag gekomen ; in 1728 ging hij
zijn post tijdelijk verlaten om deel te nemen aan het congres van Soissons, en voor
den duur zijner afwezigheid werd de heer De la Baune met de waarneming der
zaken belast. Te zijnen behoeve werd een Mémoire instructif opgesteld, die hem
van verhoudingen en personen op de hoogte moest brengen, en hoewel het nergens
gezegd wordt, blijkt uit de Mémoire zelf ten duidelijkste - herhaaldelijk wordt in de
eerste persoon gesproken, als het niemand anders dan de vertrekkende gezant
kan zijn - dat Fénelon de opsteller is. Wij krijgen dus in dat stuk, dat hier volgt, de
waarnemingen en ervaringen van een bekwaam diplomaat gedurende drie jaren,
die hij gebruikt had om scherp rond te kijken en van zijne relaties uitstekend gebruik
te maken. Hij geeft zijnen tijdelijken opvolger eerst een karakteristiek van het volk
waarmee hij te doen krijgt, herinnert hem dan aan de betrekkingen der Republiek
met Frankrijk en gaat vervolgens over tot een uitvoerige bespreking van den toestand
der Republiek en van de personen, die er de eerste plaatsen innemen. Zoo komen
o

o

o

o

o

achtereenvolgens te berde. 1 Financiën. 2 Leger. 3 Marine. 4 Handel. 5 Politiek
o

van onthouding jegens het buitenland. 6 Tegenstelling tusschen de belangen van
Amsterdam en andere Hollandsche

1)

Zijne instructie van 10 Jan. 1725 in vol. 356 der Corresp. Politique, Hollande, in de Archives
des Aff. Etrang.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

103
o

steden, vooral in zake de belastingen. 7 Invloed van deze tegenstelling op de
buitenlandsche politiek der Republiek en hare toetreding tot het verbond van
o

Hannover. 8 De hulpbronnen der Republiek, de rijkdom der particulieren, de
geldbelegging in buitenlandsche fondsen, en de invloed van die geldbelegging op
o

de richting der politiek. 9 De verhouding jegens de Habsburgers, in verband met
o

o

het Barrière-tractaat. 10 De verhouding tot Pruisen. 11 De twisten in Oost-Friesland
o

en de rol van de Republiek hierin. 12 De verhouding tot Frankrijk naar aanleiding
o

van de verschillende moeilijkheden der Republiek. 13 De partijen vóór en tegen
een stadhouder, de cabalen in verschillende colleges, het belang van Frankrijk bij
o

de kwestie van het Stadhouderschap. 14 Karakteristiek van verschillende regenten.
o

14 Wijze waarop in de Republiek de zaken met vreemde diplomaten behandeld
worden, de conferenties, etiquette.
Uit deze opsomming blijkt wel, dat Fénelon niet karig was met zijne inlichtingen,
en wij danken aan die mildheid een belangrijk stuk. Waar ik kon, heb ik zijne
mededeelingen gecontroleerd, en zij kunnen zulk eene controle uitstekend verdragen;
dit geeft vertrouwen ook in opgaven, waar deze ontbreekt. In noten heb ik inlichtingen
en verwijzingen gegeven, die ik noodig of wenschelijk achtte; over de Europeesche
verhoudingen van dezen tijd behoef ik niet uit te weiden: de hoofdzaken vindt men
in ieder handboek en voor een uitvoerig commentaar is het hier niet de plaats;
trouwens, wie ze wat uitvoeriger wil kennen, kan hiervoor al vrij aardig terecht bij
deel XVIII van onzen Wagenaar. Ik laat nu de Mémoire instructif voor zich zelf
spreken.
TH.B.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

104

Le 25 Mars 1728.
Mémoire instructif pour M de la Baune.
M. de la Baune arrivera en Hollande dans d'heureuses circonstances. Néanmoins,
pour maintenir et accroître les favorables dispositions que S.M. y a fait naître, et
pour leur faire porter tout le fruit à en attendre, il aura besoin de joindre beaucoup
de réflexion aux connoisances qu'il est nécessaire qu'il ait. Elles ne doivent pas se
borner à une notion ordinaire du gouvernement et des intérests de cet Etat. Il est
important qu'il connoisse encore le génie de la nation, qui est générallement plus
uniforme qu'ailleurs; en quoy l'état présent de la République diffère de ce qu'elle
estoit autrefois; l'esprit qui y domine aujourd'huy; les affections diverses et les
intérests particuliers qui partagent les membres; le plus ou le moins d'influence que
ces affections et ces intérests particuliers peuvent avoir dans les délibérations sur
les affaires générales; quels sont les grands ressorts capables de réunir les suffrages
et de mettre cette République en mouvement ou de la calmer; les caractères des
principaux ministres, leurs affections personnelles; enfin, les diverses méthodes qui
se peuvent suivre pour traitter les affaires dont on est chargé.
On en dira au moins assez sur ces différents objets pour indiquer ce qui demande
d'estre connu.
Cette nation, sous un extérieur de simplicité couvre un grand fonds de délicatesse
pour s'alienner, quand on la néglige, ou quand on luy fait sentir de la hauteur. Elle
est, au contraire, plus susceptible qu'une autre d'estre séduite par les égards et par
la considération qu'on luy témoigne. Plus donc ceux

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

105
qui sont chargez de traitter avec elle sont envoyez par un grand Roy, plus il y a à
gagner pour son service à sçavoir tellement se comporter et s'exprimer tant de vive
voix que par écrit, que les bonnes raisons ne soient déduites et soutenues que d'un
ton qui, sans perdre de la dignité pour le maître, ne tienne jamais de la hauteur, ces
dcux choses estant, en effet, entièrement différentes. C'est un point qui ne peut
1)
estre trop recommandé. Le feu Pensionnaire , qui connoissoit bien sa nation, m'a
souvent dit combien on pouvoit la mener loin, en suivant cette route. Il en est des
particuliers comme de la nation en général. Ils veulent beaucoup d'attention dans
le commerce; ils y sont même formalistes. Il y faut mettre beaucoup du sien pour
les apprivoiser et recommencer souvent à leur faire des avances, sans se rebuter
de ne pas éprouver un certain retour flatteur, qui n'est pas de leur caractère.
Ces avances doivent, cependant, se borner à ne perdre aucune occasion naturelle
de les leur faire. D'ailleurs, il faut beaucoup de patience dans les premiers temps,
soit pour attendre tranquillement les moments d'étendre insensiblement ses liaisons,
ayant seulement attention de cultiver avec soin celles qui sont une fois commencées,
soit pour ne se pas inquietter, en se voyant d'abord peu recherché, du danger de
n'estre pas toujours instruit des premiers de tout ce qui se passe. L'empressement
n'avanceroit rien et ne serviroit qu à faire perdre de la bonne opinion pour celuy en
qui on le remarqueroit; une conduitte tranquille, au contraire, imposera, et à mesure
que la bonne opinion pour la personne s'éta-

1)

den

J. van Hoornbeeck, den 17

Juni 1727 overleden.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

les liaisons se formeront. et. mais les gens sensez y sont communs. peuvent estre de sûrs indices pour donner lieu daprofondir et de tout pénétrer à celuy qui sçait en même temps tout combiner.M. Cette qualité leur donne un fonds de confiance dans la solidité de leur jugement. dont on peut tirer avantage. de la Baune se rende agréable qn'une grande simplicité dans les manières et dans la conversation. Les génies élevez et étendus se trouvent rarement dans cette nation. on est.M. Deel 30 . que les ministres et les principaux membres de la République useront toujours d'assez peu de réserve avec celuy que S. ou de se garantir du reproche d'avoir fait mistère de ce que l'on veut cependant dérober. les réponses envelopées. ou l'affectation de certaines demies confidences que j'ay vues diverses fois mettre en pratique à mon égard. suffisament mis au fait par eux de tout ce qui mérite d'estre sçu.106 blira. dans les occasions où l'on méditeroit quelque chose d'important dont on se cacheroit. paroissant plus tost se laisser pénétrer que chercher à pénétrer les autres. dans le cours ordinaire. Quand une fois on est parvenu à former ces liaisons avec un certain nombre de membres. charge de ses affaires. en paroissant leur déférer beau- 1) Tegenover den Keizer. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. quand on sera une fois prévenu en faveur de la personne. la réserve inusitée. Rien ne contribuera davantage à faire que M. L'appuy de S. et qu'un esprit attentif apperçoit aisément n'estre faites qu'en vue de détourner du véritable objet. est aujourd'huy 1) si généralement regardé de leur part comme le plus grand fondement de leur sûreté . et ils se font un point si principal de le ménager.

Il en résulte aussy. que la réflexion qu'ils apportent à touttes choses les rend plus défiants que d'autres. sans y rien mesler qui les indispose. lorsqu'elles n'excédent pas la portée du bon sens qu'ils ont en partage. Ce même caractère sensé les rend encore fort entiers dans leur sentiment. on ne leur feroit pas illusion. quand elle est une fois embarquée. Ce ne fut qu'après la paix conclue à Utrecht qu'elle reconnut jusqu'où elle s'estoit laissée écarter de ses véritables intérests. pour ne se pas discréditer auprès d'eux. en effet. Ce qui vient d'estre dit du caractère de la nation en général conduit naturellement à parler de l'état présent de la République. ils ont coutume de juger fort bien des choses. Il est fort important en même temps. qui trouvoient leur compte à la continuation Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. qu'à moins qu'ils ne soient entraînez par quelque violent intérest. bien différent de l'idée qu'on pourroit s'en faire par la comparaison des temps passez. quand ils sont une fois prévenus. et il n'en résulteroit que le démérite d'avoir cherché à la leur faire. aussy luy est-il difficile de revenir sur ses pas. Comme il faut que bien des circonstances concourent pour y réunir les suffrages et la mettre en mouvement. générallement parlant.107 coup. que la confiance secrette qu'ils mettent dans leur bon esprit fait qu'ils se deffient moins de ce qui leur manque. ils sont d'autant plus sujets à se tromper lourdement dans celles qui demandent des vues plus étendues. de ne jamais contredire une bonne raison par une mauvaise. c'est de quoy sçurent profiter longtemps les Puissances. car. et qu'ils reviennent difficillement. quand on sçait la leur exposer dans toute sa force. ainsy que les particuliers de la République même. Deel 30 . ce qui est d'autant plus à éviter. ils cèdent plus que d'autres à la raison.

fournissoient à tout et maintenoient le crédit par un payement régulier des intérests de ce qui avoit 1) esté précédemment négotié. werd den 17den Juli 1727 tot raadpensionaris van Holland benoemd. qui flattoient les peuples. 1727. L'impression de terreur qu'avoient fait les progrès de la France. enfin. remply de particuliers riches en argent. Resol. l'intérest particulier que les membres les plus accrédités trouvoient dans les commissions honorables ou dans les maniements utiles. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. les succès de la dernière. d'autant plus éblouie par les prospéritez de ses armes. in de Secr. tout cela donnoit lieu à faire valoir au delà des justes bornes les engagemens pris et à entraîner une nation. à l'avènement de Philippe V au trône d'Espagne. qu'elle n'y estoit pas accoutumée. Holland. dans une proposition secrette faite par luy au mois de Septembre dernier .108 de la guerre. qui avoit augmenté ses dettes particulières d'environ 1) 2) Sīmon van Slingelandt. Des levées immenses d'argent se faisoient par voyes de négotiations. qui. aujourd huy Pensionnaire . que la seule Province de Hollande. Tout devenoit facile dans un pays. M. qui devoient cesser par la paix. surtout l'occupation du Pays-Bas Espagnol. comptant sur les consentements nécessaires pour trouver chaque année de quoy fournir aux nouveaux efforts qui alloient toujours croissants. van 1690-1725 secretaris van den Raad van State. nous a 2) appris. Bedoeld is Slingelandt's propositie van 11 Sept. l'animosité que cette impression et trois guerres consécutives avoient causé dans les esprits. se succédant les unes aux autres. Le produit des impôts et de tout ce qui composoit les revenus fixes n'estoit plus que la moindre partie de ce qu'on y employoit. sinds 1725 thesaurier-generaal. Deel 30 . de Slingland.

sur le comptoir de la généralité. il falut en venir à faire la balance des revenus fixes avec les charges annuelles. te Parijs. il ne craignoit rien tant que de compter avec soy-même. alors se trouvèrent justifiez le petit nombre des membres qui. et de deux millions quelque cents milles florins. niet op een Hollander maar op een Franschman. d'une part. Eveneens wordt hiervan gewaagd in een Mémoire concernant Monsieur Heinsius. maar houd haar voor onjuist. France. p. 462 der Mémoires et Documents. conseiller Pensionnaire. 24. d'une autre. naar alle waarschijnlijkheid is de schrijver Basnage. et lorsque. on se trouva sans prétexte pour continuer les mêmes levées d'argent par voye de négotiation. Etrang. L'égarement parut donc dans toute son étendue. non compris quinze millions de florins négotiez encore pendant la même guerre. pendant la guerre que termina la paix de Ryswick. quand. chose que le feu Pensionnaire 1) Heinsius faisoit si peu . Aff. zooals talrijke stukken in het archief van Heinsius (ten rijksarchieve) bewijzen. der Arch. in de jaren 1714-1718. Ik weet niet waarop deze bewering gegrond is. Deel 30 .109 vingt huit millions de florins. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. les avoit acrues pendant la dernière guerre de cent vingt huit autres millions. Daarenboven wijst een zinsnede als deze: ‘Monsieur Heinsius ne brilloit point par ce que nous appellons Esprit’. Indertijd heeft Blok in zijn Verslag aangaande een voorloopig onderzoek te Parijs enz. pour le compte de cette même Province. après la paix faite. envisa- 1) Heinsius' gebrekkige kennis van het financiewezen en zijn afkeer om zich daarmee te bemoeien worden ook herhaaldelijk vermeld in de brieven van den Franschen gezant Chateauneuf. onder een min juisten titel dit stuk ook aangewezen en daarbij gezegd dat het is geschreven door een Hollander. qu'uniquement occupé des expédients pour fournir au besoin du moment présent. te vinden in vol. que les personnes les mieux instruites m'ont assuré de luy. die tusschen 1712-1720 in toenemende mate Heinsius ter zijde stond in diens diplomatieke correspondentie.. cette ressource manquant.

ainsy que je l'ay appris d'eux-mêmes. lorsqu'ils représentoient. qu'à supposer qu'ils pussent exécuter contre la France tous les vastes projets dont on les repaissoit. 1726 tot het verbond van Hannover toe. De Vos in Nijhoff's Bijdragen. 24 Jan. confiées à la garde des troupes Hollandaises et stipulées à 12. 1725) wordt gezegd. mais sans force pour résister au torrent. Vgl. waarop de militie gebracht werd door de Groote Vergadering. dont le 2) détail seroit icy déplacé . Recueil.000 sur le papier. bij resolutie van 26 Mei 1717 en van 30 Mei 1718 gesteld op 31748 koppen behalve 2000 Zwitsers.110 geant le véritable intérest de leur patrie. qu'il avoit soutenue jusqu' au dernier jour de la guerre.000 hommes par le traitté de la Barrière. devant estre prises sur 1) 2) Na lange aarzeling trad de Repũbliek den 9en Aug. quand ils reviendroient. qui n'en faisoient pas 30. In de generale petitie van 1725 (Resol. se trouva-t-il en état d'en entretenir 34. ne pouvoient se faire écouter. III. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. d'où seulement. Wagenaar. C'est par une suitte de cet épuisement de ses finances que cet Etat a passé subitement de la figure principale. IX. ils ne trouveroient plus de République. dat de militie. echter onder verzet van Zeeland. il avoit entretenu pour la seule guerre du Pays Bas au-delà de 130. XVIII. à peine. à l'autre extrémité d'une foiblesse et d'une létargie. Au lieu que. attendu diverses défalcations à faire. Les garnisons des places. Holl. Deel 30 . zeer defectueus was onderhouden. il a commencé à se relever par quelques efforts. Het cijfer van 34.000 effectifs. is niet duidelijk. mais avec une grande pente pour y retourner. 3e serie. die met Fénelon overeenstemt.000 hommes. 166. Rousset. après la paix. depuis 1) son accession à l'alliance d'Hanover . dans les dernières campagnes qui précédèrent la paix d'Utrecht.000 man is het getal. 136.

1727) wordt gesproken van een totaal van 53926 koppen. le fonds nécessaire pour fournir à cette nouvelle dépense s'avance par ce qu'on nomme les solliciteurs.0000 effectief kunnen gerekend worden. 2 Jan. die 50534 effectief zullen bedragen. Holl. jusqu' à ce que les apparences d'une rupture prochaine firent résoudre coup sur coup des augmentations dans les troupes de terre. tant de la Barrière que de ses anciennes frontières. 1727). ce qui donneroit aujourd'huy le moyen à la Republique de mettre en campagne pour le besoin 15 à 16.. comme Zélande. qui se firent à trois diverses reprises. Mij zijn slechts twee besluiten tot vermeerdering der militie bekend.111 ce petit nombre de troupes. in die van 1728 (Resol. Les choses sont demeurées sur ce pied-là. Ces augmentations les ont fait monter à 55. een van 9474 koppen (Resol.000 hommes sur le papier. Deel 30 . nl. Utrecht et Frise. Cette difficulté de 1) 2) 3) Hierop wordt ook in de generale petitie van 1725 gewezen. et dans le 2) commencement de l'année dernière . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 5 Nov. et qu'en Hollande même. Holl. Il est vray que quelques Provinces. Holl. passablement gardées. qu'il ne restoit pas de quoy former le plus petit corps.000 effectifs. 1726. et ce peu de forces se trouvoit si dispersé et dans un si grand nombre de places. 1728) van 51452 man nominaal. sans que jusqu'à présent on ait pu convenir des moyens de le lever. 10 Jan. 21 Jan. les anciennes et véritables frontières de la République 1) demeurèrent dégarnies . Dit wordt bevestigd door de generale petities van 1727 en 1728. 12 Nov. waaruit blijkt dat ook Overijsel achterlijk was. 14 Febr. Holl. die op geen 50. à la fin de 1726. 1726) en een van 10304 koppen (Resol.000 hommes de troupes bien en état de servir. n'ont pas jusques icy pleinement satisfait à ces augmentations dans les trouppes de leur 3) répartition . que l'on peut bien compter pour 50. en laissant les places. In de generale petitie van 1727 (Resol.

les dépenses courantes des amirautez payées. S'il arrivoit qu'il n'y eût pas eu d'occasion de les employer. conduiroit aisément à une nouvelle réduction. que l'émulation des villes pour favoriser leurs marchands autorise en quelque sorte. Wat Fénelon zegt van de vermindering van den handel in 't algemeen en van den grooten omvang van de fraude. dat Willem IV kort voor zijn dood trachtte te verwezenlijken. De Jonge. La diminution du commerce en général. et par là formoient pour le besoin des fonds considérables. 474 sqq. Zeewezen. Le produit des droits sur touttes les marchandises qui entrent ou qui sortent. et encore plus la licence de la fraude qui s'est introduite dans la perception des droits d'entrée et de sortie. In een memorie van Augustus 1727 gewaagt hij ook van den grooten omvang der fraude. qu'à peine suffit-il aujourd'dhuy pour fournir aux frais courants des amirautez et à la construction de quelques nouveaux vaisseaux. bepleitte in 1727 en 1728 reeds het denkbeeld. Geschiedenis v. Les Provinces contribuoient aussy à ces armements. qui diminue tous les jours. 4e série. 189 sqq. sans quoy 1) il n'en resteroit bientost plus en état de tenir la mer . n 256). V. Deel 30 . Zie de litteratuur bij: Fruin. die reeds Willem III met berichten gediend had en het op zijn ouden dag ook weer Willem IV deed (Archives de la Maison d'Orange Nassau. dans l'étendue de la domination des sept provinces. ont tellement anéanti cette branche principale du revenu de la généralité.112 s'accorder.h. Archief Willem IV. ou par des négociations sur le comptoir de la généralité. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Nederl. 309. qui augmenteroit apparemment si les dangers dont la République s'estoit allarmée achevoient de se dissiper. n'ayant pas toujours souffert le même déchet qu'à présent. om de Republiek tot een portofranco te maken. I. touttes ces ressources manquent à la fois. et qui est spécialement affecté aux amirautez. die de admiraliteiten van hare inkomsten berooft en het onmogelijk maakt ‘de protéger notre navigation et notre commerce. L'épuisement n'a pas moins paru par la chûte entière de la marine. p. tant par mer que par terre. elles se réservoient d'une année à l'autre. Gesch. De fraude was trouwens een oud kwaad. uitgeg.’ o (Koninklijk Huisarchief. wordt bevestigd door getuigenissen van den Rotterdamschen koopman Caillaud. qui se bâtissent encore chaque année. door Colenbrander.). ou par des fournissemens extraordinaires de leur propre caisse. 1) Vgl. mais aujourd'huy. Deze. der Staatsinstellingen. il fournissoit encore chaque année de grandes sommes à employer aux frais de l'armement des vaisseaux à mettre en mer.

697-12-5. betaalde zij voor den uitkoop van 's lands in. c'est une somme de 400. Secr. Krachtens de conventie. Holl.en uitgaande rechten jaarlijks 364. V.000 de florins. quelques vaisseaux de convoy à une certaine distance au devant de la flotte marchande des Indes.I.a.000. dat van 1700-1740 zou loopen. ou pour la seureté des bâtiments qui vont se charger des sels et des fruits de Portugal. pour la mettre en état de satisfaire à tout . 1532.. souvent même la caisse en est en danger de se fermer. 29 Aug. Resol.000 gulden. qui fournit 1) aux frais de ces convoys . den 15en Maart 1700 door de O. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. gesloten.C. Deel 30 .a. tous les ans.000. Holland. kan ik niet nauwkeurig controleeren. Resol. 1) 2) Volgens het in 1696 vernieuwde octrooi. que la Compagnie des Indes Orientalles donne chaque année pour exempter les marchandises de sa flotte des droits d'entrée à payer.000 florins. door Fénelon hier gegeven. met H. Les revenus des pays de la généralité sont plus qu'absorbés par les intérests des négotiations faites sur son comptoir et qui ne vont pas à moins de 70. Het bekende rapport van 1790 (o. hetzelfde bedrag dus dat zij ook betaald had van 1696-1700. faute de régularité de la part des Provinces à fournir leur contingent de ce qu'elles doivent encore y 2) porter.113 Si ces amirautez envoyent encore. p.H. 1790) geeft voor de schuld van het kantoor-generaal in 1717 het bedrag van 58. Het cijfer van 70.M. Zie o. in de Secr.300. 1726. Zie Groot Placaetboek der Staten-Gen.000.

(Rapport van 1790 in de Secr. comme on l'a dit. après la Hollande. Sinds verscheiden jaren betaalde het ook niet de verschuldigde renten van in Holland opgenomen gelden. courte de sommes très-considérables dans la balance 1) de ses revenus fixes avec les charges annuelles . suivant l'ancienne répartition qui règle le contingent de chaque Province. en Secr.725. Resol.114 Enfin. In 1727 was dat bedrag 14. dans le temps que fut réglée cette ancienne répartition qui subsiste encore le même entre les Provinces. Friesland's financiën waren inderdaad in zeer slechten toestand. zie Resol. ook Dr. waardoor het gewest bezocht was. depuis les augmentations faites dans les troupes de terre. 542). est encore 2) plus obérée approportion . Holland. fournit le plus dans le cent. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. A la vérité. et cette Province principalle. Holl. elle ne se trouve pas aujourd'huy à beaucoup près cotisée appro- 1) 2) Volgens het financiëel rapport van 1721 (Secr. Vgl. La Frise qui.000 de florins.404. vooral ziekte onder het vee. Hierover vrij wat in de Resol. les négotiations faites sur le crédit particulier de chaque Province ne sont pas moins exhorbitantes.086. A. Holl. van der Meulen. Celles dont la Province de Hollande est chargée en son particulier vont encore à présent beaucoup au-delà de 200. deels ook ten gevolge der rampen. p.000. Holland 1715 en volgende jaren. toenmaals door Holland te betalen. Resol. Comme elle estoit exposée aux ravages des Espagnols et aux contributions qu'ils exigeoient. (Rapport van 5 Mei 1728. Deel 30 . se trouve.J. 5 Mei 1728). Holland. Resol. Studies over het ministerie van Van de Spiegel. In 1728 was het tekort op het budget 1.317. il n'en est pas de même de la Gueldres. 24 Mei 1721) beliep de rente. est celle qui. 13.130.348.

et du produit des imposts qui depuis la paix sont fort modiques dans cette Province. quand elles en auroient encore les moyens. sedert weer ruim 5½%. zooals uit de generale petities van 1725-1728 blijkt. Holl. Comme ces fraudes vont presque totallement 1) 2) Geheel juist is dit niet. Ook deed Gelderland in deze jaren behoorlijk het zijne ten aanzien der militie en der financiëele verplichtingen. dans les occasions. des exemples de vigueur que les aultres Provinces sont peu en état de suivre et qui. Van 1622-34 betaalde het. Bij de regeling van 1612 was Gelderland gesteld op 5½%. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. wegens den druk van den krijg. 1725 (Resol. Mais. Cet épuisement des finances particulières des Provinces les laissent donc fort hors d'état de contribuer du leur. sans quoy ils produiroient plusieurs millions de plus et fourniroient de quoy tenir un bon nombre de vaisseaux en mer tous les ans. comme elle ne contribue que cinq dans le cent. de quoy fournir à son contingent aux dépenses extraordinaires. qui anéantit le produit des droits d'entrée et de sortie. 14 Nov. pendant la dernière guerre. de tirer des domaines considérables dont elle jouit. maar 4¼. qui sont ceux des anciens Ducs de Gueldres. en quelque sorte tolérée. Vermoedelijk denkt Fénelon hierbij aan Gelderland's resolutie van 2 Nov. outre que. pour des armements de mer. On a déjà vu que c'est la fraude. sans s'obérer par des négotiations d'argent.115 1) portion des autres Cet avantage joint à une bonne administration l'a mis en état. elles ne s'accorderoient pas aisément pour les employer. au défaut des autres ressources. 2) par là. le bon état présent de ses finances aboutit pour la cause commune à la mettre en situation de donner. Deel 30 . 1725) over de noodzakelijkheid om den staat in beter postuur te stellen. demeurent sans effet .

les Provinces et les villes mêmes de Hollande. H. pendant la guerre. Bij placaat van 6 Juni 1702 werd een extraordinaris last. en sorte donc que cette République se trouve sans marine. et. 163-177. On avoit établi.en veilgeld ingesteld. voornamelijk bestemd om de kaapvaart aan te moedigen. eigenlijk twee verschillende heffingen. van anderen aard.E. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. V. il y a deux ans. suivant sa première destination. 1652. pag. 1725. Statistische gegevens betreffende den handelsomzet van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1579-1715). toen het ordinaris veilgeld werd afgeschaft (Resol. Zie Resol. p. ne sont pas disposées à se cotiser pour supléer au manque de fonds qui en résulte. qui ne partagent pas le profit du désordre. Staten-Generaal. et ne passent pas aujourd'huy celuy de trentequatre. meedeclt. sur tous les bâtimens chargez qui entrent ou qui sortent un droit nommé last en veyl-geld. jusques icy encore un moyen de faire paroistre de temps en temps son pavillon en mer. estoit de l'emploier à l'encouragement des armateurs. Het veilgeld en lastgeld. que par l'impuissance où elle se trouve de faire même usage du peu 1) qu'elle en a . Elle a eu. 583). Staten-Gen. qui se levoit en sus et à part des droits d'entrée et de sortie. qui se percoivent par les 2) officiers des amirautez . cependant. dans la Hollande à celuy de la ville d'Amsterdam. L'usage de cette levée. op cit. in 1645 geheven). thans ook de dissertatie van Dr. Vgl. Dit bleef gehandhaafd na den vrede en zelfs in 1725.116 à l'avantage particulier des habitants de la Hollande et de la Zélande. Becht. Deel 30 . p. dateeren van 1652 (afgezien van het veilgeld. Geheel duidelijk is Fénelon hier' niet. 201 sqq. lesquels estoient au-dessous de trente. maar dat de toestand allertreurigst was blijkt voldoende uit hetgeen De Jonge. et 1) 2) Of het cijfer juist is kan ik niet controleeren. bien moins encore par le petit nombre de vaisseaux de guerre qui luy restent en état d'aller en mer. 3 Maart.

par un changement de destination. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ce fonds. cit. Il est vray que M. qui produit tous les ans environ 400. De Jonge. waaruit in de laatste jaren verscheiden eskaders bekostigd zijn. est celuy sur lequel se sont levées par voye de négotiation les sommes employées depuis plusieurs années aux armements des petites escadres. qui va tous les jours croissant. on a trouvé jusques icy du costé de l'intérest particulier des difficultés insurmontables à faire convenir de quelque redressement solide. 58. cette dernière ressource est bien près d'estre 3) épuisée . le Pensionnaire d'aujour- 1) 2) 3) De Jonge.000 florins. et. Deel 30 . 14 Febr. le plus petit armement de mer devriendra en quelque sorte impossible.117 devoit cesser avec la guerre. On a vu l'impuissance de la plus part des Provinces du costé de l'état de leurs finances et leur peu de disposition pour des fournissemens de leur bourse. en profitant pour le libérer du boni des années où on ne fait point dessus de nouvelle négotiation. dientengevolge belast is met 3 à 4 millioen. In de Resol. et quant à cette collusion. 57. si elle vient une fois à manquer. Er waren twaalf schepen gevraagd maar er werden er slechts acht toegestaan. s'il y avoit moins de collusion dans la perception des droits affectez aux amirautez. Malgré l'attention qu'on a de ménager ce fonds. Holl.en veilgeld. 1728 leest men. et. dont 2) l'équipement vient d'estre consenti aux Etats Généraux . C'est par la voie d'une semblable négotiation sur ce qui reste encore de libre de ce fonds. op. que doit se trouver la somme requise pour l'armement et l'entretien en mer d'une escadre de huit vaisseaux. 59. V. mais elle s'est perpétuée. 1) que la République a mis en mer de loin en loin . dat het verhoogde last. V. que la nécessité a introduit. qui ne seroient pas nécessaires.

810. dat de commandant van Gibraltar de Algerijnen begunstigde en hielp. On ne compte pas aujourd'huy à beaucoup près qu'il y en ait cinq cent d'employés 3) à cet usage . Aitzema. c'estoit même. IV. et 4) jusqu'au rétablissement de leur paix avec les Algériens . 260. voor het jaar 1736 mee. op cit. 1726. Recueil. Cette République ne se trouve pas moins affoiblie par la diminution de son commerce que par l'épuisement des finances tant de la généralité que des Provinces en particulier. est entièrement tombé. Le commerce que les Hollandois faisoient dans les Echelles du Levant. 1726. spreekt op 1653 van omtrent twee duizend haringbuizen. 18 sqq. dat toen 219 buizen en 31 ventjagers uitgingen. 236. Res. De in 1709 gepubliceerde Mémoires de Jean de Witt. Beaujon. avec plus de confiance peut-estre que de sagesse. Zie Resol. gelijk bekend. Res. a voulu signaller le 1) commencement de son ministère en formant d'abord des projets sur ce sujet . 320. XIX. Deel 30 . Ook Secr. se comptoient par milliers.118 d'huy. Holland 18. en Meded. Holland). deelt uit den Koopman I. 2) L'on voit dans des mémoires imprimez sous le nom du Pensionnaire de Wit que. 1) 2) 3) 4) In zijne propositie van 11 Sept. Overzicht van de geschiedenis der Nederl. dat ter walvischvaart ging. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. vergelijke men voor den aanvang der 17e eeuw Bijdr. Zie het overzicht bij Beaujon. et à peine aujourd'huy y envoyentils encore quelques vaisseaux. Geen Nederlandsch schip was meer veilig en klagen baatte niet. très-florissant autrefois. et surtout pour celle du harang. Celuy des costes d'Italie ne l'est guères moins. Gen. p. le nombre de grands bâtiments. Zeevisscherijen. Wat den vroegeren omvang betreft. Hist. III. mais il paroist luy-même s'estre déjà fort ralenti dans la poursuite de son dessein. liet de Engelsche regeering kalm toe. zie Rousset. 1726. 25 Maart 1724. Holland 6 Febr. 1727 (Secr. eene vertaling. De vrede van 8 Sept. qui sortoient tous les ans des ports de Hollande pour la pêche. is geen vermindering op te merken. Totdat de toetreding der Republiek tot het Hannoversch verbond gewenscht werd. 18 Sept. Saken van Staet en Oorlog. de son temps. van Pieter de la Court's Aanwysing der heilsame politike Gronden en Maximen enz. In het aantal schepen.

Men vindt hierover het een en ander in een ‘Mémoire ou idée généralle du Commerce que la France fait avec les Etrangers. avec quelques observations sur la situation présente de l'Angleterre et de la Hollande’. Les Anglois leur ont pareillement enlevé la plus grande partie de celuy qu'ils faisoient 1) en Espagne et en Portugal . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. qu'ils faisoient le peu qu'ils en avoient conservé dans toute la Méditeranée. te Parijs. Autrefois. et le nombre de ceux-cy augmente de plus en plus.‘het grootste gedeelte van 's Landts welwesen afhangt’ (p 19). n 1257). die voor een belangrijk deel bestaan had in het aanvoeren van artikelen ten behoeve der Spaansche bezittingen in Amerika. (Zie Von Noorden. Europäische Geschichte im 18en Jahrh. De handel op Spanje. et on comptoit que de cinq vaisseaux de touttes les nations. ondervond de schadelijke gevolgen van het Assiento de negros en de daarbij bedongen voordeelen.zoo zegt hij . 1) In Portugal vooral door het Methuen-verdrag van 27 Dec. daarenboven concurreerde de Fransche handel sterk. Etrang. De Mémoire is van December 1724. tandis que celuy des Hollandois diminue de jour en jour. 1703. à la faveur du pavillon Anglois ou en chargeant sur des bâtiments François. I. o De schrijver van het reedsgenoemde pamflet n 16231 kende aan den handel op Spanje hooge beteekenis toe. door Engeland te Utrecht verkregen.119 pour l'ordinaire. il y en avoit au moins trois Hollandois. en op den kant is aangeteekend: ‘Voilà le meilleur de tous les mémoires qui jusques à présent ont été remis à Monseigneur’. Deel 30 . Aff. qui fréquentoient ces mers et qui passoient et repassoient le Sund. le commerce du Nord et de la Baltique estoit presque tout entre leurs mains. 402). aujourd'huy. les Anglois n'en envoyent guères moins qu'eux. ‘waer van’ . (Arch. Mémoires et Documents o Fonds France.

Bizonderheden omtrent den handel bevatten deze niet. non pas cependant sans un notable déchet que luy ont déjà causé 1) les grands et riches retours des vaisseaux de la Compagnie établie à Ostende .000 ton. qui est entièrement aux abois. compte à peine aujourd'huy autant de ces bâtiments chez elle qu'elle en avoit de centaines. honderd jaar later was het getal 2605. Sprekend over den Franschen handel met het Noorden zegt de steller: ‘Notre commerce avec le Nord est entièrement perdu par les longues guerres. Huisman. on trouve à emprunter dessus moitié ou les trois quarts de leur juste valeur suivant leur qualité et solidité à un intérêt modique. la cire. in het stadsgebied. toen talrijke haringbuizen uit Enkhuizen door de Franschen werden verbrand. V. begroot hij op 150. Uit geheel denzelfden tijd als de laatste zijn de reeds vermelde beschouwingen van den koopman Caillaud. eerst door de schorsing van het octrooi der compagnie te Ostende voor 7 jaar bij de preliminairen van 1727. au lieu qu'ils tirent de nous ou que nous leur portons tous les ans pour plus de quinze millions de nos marchandises. quelques toiles. en ce qu'elle tire de nous tout ce qui nous embarasse. tevens het eenigste wat zij bezat. Omstreeks 1724 zou dus volgens deze opgave de handel der Republiek nog steeds de bemiddelaarster geweest zijn bij de uitwisseling der producten van Frankrijk en die van het Noorden. les vendent avantageusement et nous rapportent les bois de construction. toen hij natuurlijk nog de naweeën van den krijg sterk gevoelde. La Frise a beaucoup perdu du trafic qu'elle faisoit autrefois par ses ports sur le Zuyderzée.000). Ils viennent acheter nos vins. La Belgique commerciale sous l'empereur Charles VI. maar naar aanleiding van ontwerpen om aan de admiraliteiten meerder en beter verzekerde inkomsten te verschaffen. Waal en IJsel afkomen.120 Leur Compagnie des Indes Occidentalles tombe de jour en jour en plus grande décadence.000 van gemiddeld 50 last of 100 ton (voor zijne berekening neemt hij dan vervolgens wel is waar maar 10. geeft Caillaud eene raming van het handelsverkeer. alles inbegrepen. en ce que nous tirons d'eux. les chanvres. et le font à notre détriment. 4) Une décadence si généralle doit estre envisagée 1) 2) 3) 4) Vgl. dan door hare opheffing bij de tractaten van Weenen van 1731/32. Vooral het jaar 1703. si on en excepte quelques épiceries. dus onmiddellijk na den oorlog en nog vóór den vrede met Spanje. et nous les vendent avec profit’ etc. Ik geef deze mededeelingen. ce qui ne va pas à trois millions par an. schijnt noodlottig voor de stad geweest te zijn. et une des cinq amirautez placée chez elle à Harlingen ne fait plus 2) aujourd'huy nombre que sur le papier . De Jonge. doch verbetering is er blijkbaar weinig gekomen in de daarop volgende jaren. le cuivre et l'acier dont nous manquons. le reste n'est rien ou peu de chose. door n 16231 der Pamflettenverzameling der Koninklijke Bibliotheek. op. les lins. mais étant un débouché certain pour nos marchandises de l'Amérique et pour nos eaux de vie. Enfin. De admiraliteit van Harlingen bouwde tusschen 1713 en 1748 één schip. les gaudrons. Wat verder zegt de Mémoire over den handel van Frankrijk met de Republiek: ‘Notre commerce avec la Hollande nous est avantageux.000 schepen aan om de ontvangsten vooral niet te hoog te stellen. La ville 3) d'Enkhuysen . cordages. les Hollandais s'en sont emparez. Il n'y a que la branche de leur commerce dans les Indes Orientales qui fleurit encore. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ils font les porter dans ces Mers. Ik wil hier ook nog iets meedeelen uit de hiervóór genoemde Mémoire van Dec. (Tegenwoordige staat van Holland. fromage. De mededeelingen van Fénelon over het verval van den handel bevestigen over 't algemeen o hetgeen wij van elders vernemen. les villes en Nord-Hollande y sont dépéries approportion de leur commerce. cit. fort considérable autrefois par le nombre des bâtiments qu'elle envoyoit à la pêche du harang. Deel 30 . hij schat het aantal schepen. car si on ne trouve pas à vendre les marchandises qu'on y envoie. Den inhoud van de vaartuigen. die Rijn. die van Italië. In het laatste jaar kwamen op dat kohier voor 3615 huizen in de stad en 515 buiten de stad. 206. zooals bekend is. omdat zij uit een tijd zijn dicht bij dien van Fénelon's opgaven. Deze concurrentie werd echter.a. le suif. II. beurre. par exemple. dont l'article de nos colonies est le plus considérable’. waarin echter sprake is van den toestand van den handel in 1714. fruits ou denrées. 456). dat jaarlijks de Nederlandsche havens binnen komt. tabac. maar zijne schatting is toch 15. Een tastbaar bewijs van Enkhuizens verval levert de vergelijking van het kohier der verponding van 1732 met dat van 1632. Van de vrachtwagens. op 15. overwonnen. o. Maas. 1724 over den Franschen handel. elle gagne beaucoup avec nous par les commissions continuelles que notre commerce lui donne. elle est d'une grande resource pour nos négocians. nos eaux de vie et autres fruits. les mâtures de nos vaisseaux.

met Christiaan VI. Deel 30 . Jaren lang had de Nederlandsche koopman overlast te verduren van den Deenschen koning wegens vorderingen op den staat. evenals anderen. op Duinkerken. maar hij legt ook nadruk op de mededinging.000 gulden verkregen zal worden. vooral ten opzichte der voorziening van de Zuidelijke Nederlanden. Caillaud wijst.121 en grande partie comme une suitte de l'impuissance de la République. Anderzijds deed de Russische regeering den Nederlandschen handel ook velerlei belemmering aan. Het is evenwel zeker. Natuurlijk zijn dat zeer ruwe schattingen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.heffen en hij rekent dat hieruit minstens 200. die dateerden uit den Spaanschen successieoorlog en waarover eerst met den opvolger van Frederik IV. . waar ook alle lasten op den handel zijn opgeheven. de onvoldoende bescherming. devenue de jour en jour plus Duitschland en Luik komen. voornamelijk ook al weer door de algemeene oorzaak van den teruggang van den handel. dat de handel op de Oostzee te lijden had. in Sept 1731 een overeenkomst getroffen werd. nagenoeg vrijhaven. wil hij voor iedere reis f 6. als de groote concurrent. op Hamburg.

on la suivoit dans la pratique. Si on n'osoit pas tout-à-fait encore en adopter publiquement la maxime. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. de protéger le commerce de ces sujets par ses flottes. pour s'estre trop meslée des affaires généralles de l'Europe. qui avoient pris le plus de supériorité depuis la paix. Cet esprit même avoit tellement prévalu dans les sept Provinces. Deel 30 . dans l'extrémité contraire de croire que leur Etat pourroit subsister tranquilement.122 grande. Cette expérience du désordre où elle se trouvoit. avoit précipité les membres. que les premiers progrès de la compagnie d'Ostende firent longtemps murmurer bien haut les villes de Hollande. en s'abstenant à l'avenir de prendre part à rien au dehors.

123
particulièrement intéressées à en arrester le cours, sans que leur cry pût tirer la
1)
République de sa profonde létargie. Ce fut seulement après les traittez de Vienne
qu'elle commença tout de bon à s'allarmer. Le danger de voir les intérests des
2)
sommes hypotéquées sur le Païs Bas autrichien et le subside stipulé par le traitté
de Barrière mal payés, et les mauvais traittements de la Cour de Vienne s'accroître
à proportion de la nouvelle supériorité qu'elle prendroit dans l'Europe et dans l'Empire
par sa liaison avec l'Espagne, fit pour ouvrir les yeux ce que n'avoit pu achever le
peu d'attention que l'on témoignoit faire à Vienne aux plaintes redoublées des Etats
Généraux touchant l'octroy accordé à la Compagnie d'Ostende, au préjudice des
articles 5 et 6 du traitté de Munster avec l'Espagne et des articles 1 et 26 de celuy
3)
de la Barrière avec l'Empereur . La réunion seule de ces divers intérests donna
prise à l'alliance de Hanover pour y attirer la République.
A la vérité, il n'en estoit pas de la ville d'Am-

1)

2)
3)

Het defensief verbond en het handelsverdrag tusschen de hoven van Spanje en Weenen
werden 30 April 1725 gesloten. Zooals men weet volgden 5 Nov. 1725 het huwelijksverdrag
en de offensieve alliantie, die geheim werden gehouden. Zie o.a. Syveton, Une cour et un
aventurier au XVIIIe siècle (1896). Die ‘aventurier’ is Ripperda, voor wien onlangs prof. S.A.
Naber in het krijt getreden is (Nijhoff's Bijdragen, 4e reeks, VII, p. 208 sqq.), zonder m.i. te
slagen. Het is jammer dat prof. Naber niet de brieven van Ripperda gekend heeft, die door
Rodriguez Villa in het Boletin de la Real Academia de la Historia, t. XXX zijn gepubliceerd;
hij zou dan vermoedelijk op blz. 265 anders geschreven hebben.
Die sommen waren zeer aanzienlijk; in het Barrière-tractaat (Du Mont, Corps Diplom. p. I,
458) worden zij genoemd, n.l. 8.396.000 en 4.618.955 gulden.
Over vroegere onderhandelingen naar aanleiding der compagnie te Ostende, zie Huisman
op. cit. p. 225.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

124
sterdam comme des Provinces Unies en général. En même temps que la République
estoit tombée en décadence, cette ville principale s'estoit acrue d'un grand nombre
de nouveaux habitants, du négoce, des richesses et des marchands des autres
villes, qu'elle avoit sçu attirer chez elle, quoyqu'on prétende que, depuis un temps,
elle commence à s'appercevoir elle-même d'une nottable diminution de son
1)
commerce .
Cependant, la jalousie qui résulte de cet accroissement de la ville d'Amsterdam
et l'opposition de son intérest particulier avec celuy des autres villes de Hollande
sont aujourd'huy dans cette Province une source de division, qui dégénère en un
nouveau principe dc foiblesse pour la République entière, dont les résolutions
participent nécessairement au défaut d'intelligence en Hollande, attendu que c'est
de cette Province principale que doit venir le mouvement pour touttes les autres.
Cette division a par là une connexion nécessaire avec les affaires générales. Elle
se renouvelle touttes les fois qu'il s'agit de résoudre quelque chose d'important.
Deux sortes d'impositions forment les deux branches principalles des finances
de la Hollande. Les impòts qui se lèvent sur tout ce qui se consomme, et les
centièmes deniers imposez sur les maisons et les terres, lesquels se retiennent
aussy sur les obligations.
A cela près que la fraude peut avoir plus de lieu dans une ville que dans une
autre, la première de

1)

Tien jaar later, in 1738, maakt de Spaansche consul te Amsterdam melding van het
aanmerkelijk verval van den handel der stad. (Zie mijn Verslag van een voorloopig onderzoek
te Lissabon, Sevilla, Madrid enz. p. 140).

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

125
ces impositions est suportée avec beaucoup d'égalité, puisque chacun n'y contribue
qu'à proportion de ce qu'il consomme; mais le taux en est si haut, que le feu
Pensionnaire Hoornbeeck m'a souvent dit qu'on ne pourroit l'augmenter sans courir
risque d'émouvoir le peuple et sans faire un grand préjudice au commerce, qui
souffriroit beaucoup, si la vie, déjà fort chère pour l'artisan, le devenoit encore
davantage.
La seconde de ces impositions reste donc susceptible d'augmentation, quant à
ce qui se lève sur les maisons et les terres. C'est ce qui a esté pratiqué dans les
guerres précédentes, et dont il reste encore en sus du centième denier ordinaire,
1)
autrement dit verponding , un autre centième sur les maisons et un demi centième
sur les terres. La cote-part de chaque ville pour la contribution à ces centièmes
deniers demeure réglée suivant les anciens cahiers, attendu les intérests opposés,
qui ne permettent pas de convenir du redressement nécessaire à y apporter de

1)

Fénelon bedoelt de extraordinaris verponding, die voor de landen gewoonlijk een halve
extraordinaris verponding bedroeg en voor de huizen een heele extraordinaris verponding.
Over de verpondlng zelve zie men: Staatkundige Academie-Verhandelingen, I, p. 233, Van
der Pot, Verhandeling over.... de ordinare Verponding. Vóór 1732 bedroeg de verponding
van de huizen den 8en penning van de geschatte huurwaarde, van de landerijen den 5en
penning. De steden en dorpen kwamen in het kohier van 1632 voor een bepaald bedrag voor,
dat zij aan het gewest te betalen hadden; elk stadsbestuur zorgde voor dit bedrag, en zoo is
het duidelijk, dat de toeneming of vermindering der steden in den loop der tijden een zeer
onbillijke verhouding in de verponding te weeg kon brengen, nog verergerd omdat de
extraordinaris verpondingen ook volgens het oude kohier van 1632 geheven werden. Uit het
financiëel rapport van 1728 (Res. Holl. 5 Mei 1728) blijkt ook het misnoegen dat bestond, en
in 1730 werd tot herziening besloten; in 1732/3 kwam het nieuwe kohier der huizen, in 1734
dat der landerijen tot stand.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

126
temps en temps; en sorte que, subsistants ainsy toujours les mêmes, ils n'ont reçu
aucun changement depuis l'année 1670. Autant donc cette ancienne répartition est
favorable à la ville d'Amsterdam, qui depuis ce temps là s'est acrue, non seulement
1)
par un nombre prodigieux de nouvelles maisons mais par l'amellioration du prix
des anciennes, autant les villes qui sont dans un cas contraire s'y trouventelles
lézées; une observation seule suffit pour faire juger de l'extrême disproportion.
Dans le produit de ce que la Province de Hollande

1)

Bij de herziening der kohieren voor de verponding in 1730-33 werden te Amsterdam in de
lijsten der verponding gebracht 26317 huizen; in 1632 was dat aantal 15562 (Wagenaar,
Amsterdam I, 50). Wat Fénelon hier zegt van eene verandering van 1670 is mij niet bekend
en berust misschien op eene verwarring met een ander kohier, namelijk het personeele kohier
van 1674. Ook dit gaf aanleiding tot grieven. Om in buitengewone behoeften te voorzien
werden in de 17e eeuw buitengewone belastingen geheven van de bezittingen; die heffingen
werden onderscheiden in reëel en personeel. De reëele extraordinaris schattingen werden
geheven van huizen en landerijen (dat is de extraordinaris-verponding) en van ambten en
obligatiën (een honderdste penning). De personeele goedschatting of personeele 200e
penning werd van het geheele vermogen in 't algemeen geheven, en hiervoor was ook een
kohier opgemaakt in 1674. Volgens het finantiëel rapport van 1728 (Resol. Holland en Secr.
Res. Holland 5 Mei 1728) waren tot 1680 zelden reëele extraordinaris schattingen geëischt;
maar sinds dien tijd werden zij in toenemende mate geheven en ten slotte bleven zij alleen
in wezen, omdat het kohier van de personeele goedschatting van 1674 niet werd herzien en
dientengevolge, bij de groote vermogensveranderingen, onbruikbaar werd. Zoo geschiedde
het dus, dat de geheele last der extraordinaris schattingen drukte op de bezitters van vaste
goederen en van obligatiën en rentebrieven, terwijl ander vermogen vrij uitging.
De vermelding van 1670 kan misschien ook hieruit te verklaren zijn, dat in 1728 een staat
van de ordinaris en extraordinarisverponding in het Noorderkwartier werd overgelegd volgens
een lijst van het jaar 1670, die ter financiekamer van Holland berustte (Secr. Resol. Holl., 5
Mei 1728, p. 68).

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

127
retire des accises ou impôts sur la consommation, dont les fermes se renouvellent
tous les ans par voye d'adjudication, on trouve aujourd'huy que le comptoir de la
ville d'Amsterdam fournit de 33 à 34 dans le cent, au lieu que dans le verponding
1)
elle ne contribue qu'environ 18 ; à quoy il faut ajouter que le ressort de son comptoir
s'étendant fort peu à la campagne, en comparaison de celuy de plusieurs autres
villes de Hollande, sa contribution dans le produit des accises sur la consommation
va de ville à ville bien au-delà de ces 34 dans le cent; outre que, sans la fraude
dans la perception des accises, que l'on prétend plus en usage à Amsterdam que
partout ailleurs, la différence paroistroit encore plus grande.
C'est par cette inégalité de l'assiette du verponding que les efforts des guerres
passées devenant plus onéreux pour les villes lezées, à mesure qu'il s'imposoit de
2)
nouveaux centièmes deniers , la ville d'Amsterdam, au contraire, s'accroissoit par
la préférence, que les négotiants, attirez d'ailleurs par son commerce florissant, luy
donnoient pour s'y transporter avec leurs richesses.
Cette ville se fait donc un intérest capital, non seulement d'éluder tout
redressement des anciens cahiers, mais de ne laisser point admettre de nou-

1)

2)

Deze cijfers heb ik gecontroleerd naar het rapport van 1721, 24 Mei (Secr. Res. Holland), en
ze in orde bevonden. Het rapport geeft voor het totaal der verpachte middelen 8.193.079.
Telt men de bedragen der verschillende middelen, die Amsterdam opbrengt, te zamen, dan
krijgt men 2.820.603, dat is dus omtrent 33%. Het geheele bedrag der verpondingen is 2.693
331, Amsterdam met bijbehoorend gebied brengt hierin op 501.366, dat is ruim 18%.
Fénelon bedoelt dus de reëele extraordinaris schattingen, in de noot op de vorige bladz.
genoemd.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

128
veaux moyens d'une nature à luy faire perdre son avantage dans la répartition. C'est
sur quoy elle est dans le cas d'avoir à combattre chaque année, touttes les
impositions devant estre consenties tous les ans et la résistance devenant de jour
en jour plus grande, pour faire continuer les centièmes deniers sur l'ancien pied.
Les villes lézées, tendant toujours de leur costé à quelque redressement, ne
perdent aucune occasion d'en remettre la proposition sur le tapis, et, instruites par
leur propre expérience, elles sont aujourd'huy extrêmement en garde contre la
politique de la ville d'Amsterdam pour embarquer tellement les choses dans les
partis de vigueur, qui peuvent conduire à la nécessité de trouver de nouveaux fonds,
que le besoin de pourvoir à la propre sûreté et la difficulté de s'accorder sur la nature
des moyens à employer réduisent à s'en tenir à l'ancienne méthode ou au moins à
des sortes d'imposts, dans la contribution desquels Amsterdam trouveroit égallement
son compte. Il a esté nécessaire de s'étendre sur cet intérieur, attendu le contre-coup
qui en résulte sur les affaires du dehors.
Ce fut l'opposition de ces intérests différents, qui retarda pendant plusieurs mois
dans la Province de Hollande sa résolution en faveur de l'accession à l'alliance
1)
d'Hanover . La ville d'Amsterdam, soutenue des villes les plus intéressées après
elle à ne pas laisser subsister le commerce de ceux d'Ostende aux Indes, et tranquille
sur l'événement d'une guerre dont elle n'estoit pas en peine, lorsque la République

1)

Het besluit werd door de Staten van Holland den 8en Febr. 1726 genomen. (Resol. Holland).

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

129
auroit l'appuy des Puissances unies par l'alliance d'Hanover, ne vouloit admettre
aucune clause qui gesnât les compagnies de commerce dans la liberté d'agir contre
les Ostendois, pour l'annéantissement de leur navigation.
Les villes, au contraire, moins intéressées à l'extinction de ce commerce et plus
occupées de ne pas donner lieu à un nouvel accroissement de la ville d'Amsterdam
à leurs dépens, ne vouloient pas que, sans un commun consentement, on pût se
servir du nom des compagnies de commerce pour engager une rupture par des
hostilités sur mer, secrètement concertées avec l'Angleterre seulement.
Le gouvernement en Angleterre avoit en effet un grand intérest à une sorte de
rupture, qui se seroit engagée sur ce pied-là; car, en donnant ainsy le mouvement
aux affaires, et en ayant les mains libres pour se prévaloir de la supériorité de ses
flottes, il se seroit vu en état de primer dans l'alliance et par là de conduire les choses
au but de son intérest particulier, et tout ce qu'il y a eu de manoeuvres sourdes de
1)
ce costé-là à combattre à la Haye a assez fait voir à quoy on tendoit .
La deffiance sur cela alla si loin, de la part des

1)

Van deze ‘manoeuvres sourdes’ en van de samenspanning der Engelsche diplomatie met
Amsterdam is mij van elders niets bekend, evenmin als van den strijd der andere steden
tegen Amsterdam in deze aangelegenheid. Wel weet men, dat over 't algemeen de houding
der Engelsche regeering veel krijgslustiger was dan die der Fransche, en dat George I in
zijne woorden tot het Parlement in Jan. 1727 vrij uitdagend sprak en met name ook de
oprichting der Compagnie te Ostende onduldbaar noemde; onderwijl was Fleury onvermoeid
bezig om den vrede te handhaven (zie Baudrillard, Philippe V et la cour de France, III, 255
sqq.), ook nadat feitelijk de vijandelijkheden tusschen Engeland en Spanje begonnen waren.
Vgl. ook Huisman, op. cit. p. 340 sqq.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

130
villes bandées contre celle d'Amsterdam, qu'elles ne voulurent jamais se départir
de la demande qu'elles faisoient d'une clause, qui soumît touttes entreprises contre
ceux d'Ostende à un commun consentement et à un concert préalable entre les
Puissances alliées; en sorte qu'elles préférèrent de faire dépendre ainsy les
résolutions de la République d'un concert, où S.M. ne pouvoit manquer d'emporter
la balance, au danger de tout ce qu'elles craignoient de l'intelligence secrette avec
l'Angleterre; et, comme, parmi les autres Provinces, celles qui estoient les plus
exposées par leur situation au ressentiment de l'Empereur participoient aux mêmes
deffiances, et ne vouloient pas qu'on pût précipiter une rupture par des hostilités
sur lesquelles on ne seroit pas assuré du suffrage et du concours de S.M., la ville
d'Amsterdam et la faction Angloise comprirent enfin, qu'une plus longue résistance
ne feroit qu'augmenter les défiances, et la résolution de la Hollande se prit avec la
1)
clause demandée . Ce ne fut pas, cependant, sans se proposer de la faire
disparoistre dans le cours de la négotiation, lorsqu'il s'agiroit de convenir de l'acte
de l'accession des Etats Généraux, et c'est ce qui fut tenté à diverses reprises avec
autant d'art que de persévérance.
Mais cette clause devoit donner dans l'alliance trop de supériorité à S.M., qui
devenoit maîtresse des résolutions contre les Ostendois par le consentement qu'Elle
y devoit donner, et il estoit trop aisé de ne laisser pas exténuer dans la négotiation
une condition, dont la demande estoit venue de la Hollande même et ensuitte des
autres Provinces qui l'avoient adoptée, pour perdre cet avantage. Il estoit d'au-

1)

Bedoeld is de clausule: ‘dat de middelen van nadruk en feitelijkheid, dewelke tegen de
Compagnie van Ostende in Indië of elders geraaden souden moogen werden gevonden by
de hand te nemen, niet anders sullen werden werkstellig gemaakt als na voorgaande concert’
(Secr. Res. Holland, 8 Aug. 1726; ook Huisman, op. cit., p. 347, 353).

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

131
tant plus important à conserver que cette clause, insérée dans l'acte de l'accession
de la République, est devenue un grand mobile de la facilité qu'on a trouvé à la faire
concourir aux articles préliminaires, signés depuis avec les Cours de Vienne et de
1)
Madrid .
La ville d'Amsterdam et sa faction, toute occupée de la destruction totale de la
compagnie d'Ostende, et qui rapportoit tout à cet objet, voyoit de fort mauvais oeil
qu'on passât à se relâcher à une suspension du commerce de cette compagnie aux
Indes, et plus encore que le terme de cette suspension fût réduit à sept ans; mais,
d'un costé, S.M. trouvoit que le préliminaire d'une suspension de sept ans estoit un
premier pas, après lequel il y avoit lieu d'espérer que, sans en venir à une rupture,
il seroit facile de disposer la Cour de Vienne à la révocation de son octroy; et, de
l'autre, on avoit les mains liées, rien ne pouvant s'exécuter contre les Ostendois
sans avoir esté préalablement concerté. A quoy se joignoit le penchant pour la
continuation de la paix des Provinces les moins intéressées au commerce maritime,
et les plus exposées par leur situation aux événemens de la guerre, et qui, fondant
principalement leur sûreté contre les forces et le ressentiment

1)

In hoofdzaak kwamen die in Juni 1727 tot stand, doch dan volgde nog een lange
onderhandeling om de bezwaren van het Spaansche hof tegen de uitvoering der preliminairen
op te heffen, dat eerst den 6en Maart 1728 berustte bij de conventie van het Pardo. (Baudrillart,
Philippe V et la cour de France, t. III, p. 255-405).

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

et la République ainsy nécessairement entraînée. Tout plia donc pour souscrire aux articles préliminaires. il faut aussy parler de ses ressources. Comme il pourroit même arriver qu'on voudroit luy faire un argument de la clause du concert préalable. à qui il convenoit moins dans cette conjoncture que dans toute autre de faire bande à part. parce que ce qui a esté un principal mobile pour le passé devra encore l'estre pour l'avenir. pour l'instruction de M.132 de l'Empereur dans l'appuy de la France. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . doivent donc estre attentivement étudiez. Les sept Provinces. il ne restoit plus à délibérer à l'Angleterre. Il a esté nécessaire. en hésitant à suivre la route qu'Elle jugeoit la meilleure. Cependant. en la luy faisant valoir comme une déférence. n'a fait que concourir avec plaisir à une précaution salutaire. que la seule manière de répondre sur ce sujet est de rapeller que S. demandée par la Hollande même et par les autres Provinces à son exemple. et ce qu'ajoutent les jalousies domestiques à la difficulté qu'elle trouve à s'en relever. de ses intérests les plus chers. pour laquelle la République s'en seroit remis à S. il est encore à propos pour ce cas-là qu'il soit instruit. Ces intérests opposés de ville à ville en Hollande. sont peuplées d'une multitude d'habitants riches en argent.M. de la Baune.M. ayant une si grande influence sur les résolutions par rapport aux affaires générales.M. et surtout la Hollande. il ne suffit pas d'avoir peint l'état d'extrême foiblesse où elle estoit tombée depuis la paix d'Utrecht. pour donner une juste idée de la situation présente de cette République. et ceux qui se trouvent pareillement de Province à Province. ne croioient pas qu'on dût allienner S. d'entrer dans ce détail.

et la préférence que ces peuples donnent aux occasions de le placer dans le pais. dans quelques-unes. La raison de cette différence est que les obligations sur cette Province. la diminution du commerce. appartiennent toutes aux Régents. Il en est de même de la pluspart des autres Provinces. l'intérest y est à quatre. Zie ook 2 Jan. avec cette différence que. Resol. par conséquent. Holland 24 Febr. par la retenue que l'on fait d'un et demi pour la contribution aux centièmes deniers. et qui. comme dans celle d'Utrecht et d'Overyssel. En Frise. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. qui ne les laissent point sortir de leurs mains. Deel 30 .133 Cette abondance d'argent. L'intérest des obligations sur la Hollande est réduit de quatre pour cent à deux et demi. in spijt van vroegere beloften. qui sont en petite quantité. sont particulièrement intéressés à ne pas laisser faire de réduction à l'intérest. l'intérest y est de trois pour cent. attendu le bon état de ses finances. sont la source d'une sorte de crédit qui ne se voit point ailleurs. qu'à deux ou trois près pour cent on trouve tant qu'on veut à les négotier au pair. ce qui donne une augmentation de faveur à leurs obligations. qui fait qu'on ne trouve plus les mêmes facilitez qu'autrefois de l'y employer utilement. à la vérité. Si les propriétaires vouloient les négotier. 1714. on les prendroit avec empressement bien au-dessus du pair. en 15 Nov. Ce manque de fidélité et la modicité de l'intérest n'empêchent pas qu'elles ne se soutiennent en telle faveur dans le public. quoyqu'il eût esté expressément stipulé dans la création de ces rentes 1) qu'elles ne seroient sujettes à aucune réduction . le crédit de la Province n'y 1) In 1714 werden de 100 en 200e penning ook gelegd op de nieuwe obligatiën. En Gueldres même.

Trois pour cent est donc aujourd'huy le plus fort intérest que les Provinces ayent besoin de donner pour les nouvelles sommes qu'elles seroient dans le cas d'emprunter sur leur crédit. et lorsque. outre que les autres Provinces ne sont pas touttes obérées à proportion de la Hollande. ou si le Pensionnaire d'aujourd'huy pouvoit parvenir à faire goûter ses projets. forment le fonds des finances de cette Province. Les ressources seroient donc encore très-grandes de ce costé-là. que pour apporter un solide redressement dans les moyens qui. faisoit céder les considérations particulières à l'intérest de pourvoir à la sûreté commune. si un danger pressant. et par Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Le mauvais état de ses finances l'a obligé de réduire à deux l'intérest de ses obligations. depuis la paix. la Hollande s'est vue de temps en temps dans le besoin de faire des emprunts sur ce pied. comme elle contribue cinquante-huit dans le cent. tels qu'ils sont établis aujourd'huy dans la Hollande. il en résulteroit un rétablissement général pour la République entière. tant pour remédier aux abus qui anéantissent le produit pour les amirautez des droits d'entrée et de sortie. car. Cette amellioration de ses revenus luy procureroit des fonds à affecter dans le besoin au payement des intérests des nouvelles sommes.134 est pas sur le même pied. l'empressement à porter son argent a toujours esté tel que des sommes considérables se sont trouvées avec la plus grande promptitude. et si les finances de cette Province principalle estoient ainsy une fois redressées. et elles ne se négotient qu'avec perte de trentre à quarante pour cent. qu'elle auroit la facilité de négotier à trois pour cent. Deel 30 . dont la République se verroit menacée. si la répartition estoit rendue plus égalle et la perception plus fidèle. avec un nottable déchet de ce qu'elles seroient.

rien n'avoit tant avancé la résolution de la Province de Hollande. qui demanderoient de nouveaux efforts. Förster.000 hommes 1) seulement . noot 2. et M. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.135 conséquent plus elle seule que touttes les autres ensemble. 111. Deel 30 . 332. qu'il prétendoit empêcher. liet zich door den Keizer winnen en sloot het verdrag van Wusterhausen. Rien ne pourroit tant contribuer à ce redressement que le danger où l'on mettroit cette République. passer subitement à en faire dans peu de mois trois consécutives. Friedrich Wilhelm I. Recueil. den graaf van Königsegg-Erps. in December 1725 ingeleverd. Il en avoit esté de même des mémoires menaçants délivrés par le 4) Comte de Königsegg. Bedoeld zijn de memoriën vas 's Keizers gezant. Ce fut l'effet de l'allarme que les Provinces prirent. au lieu que le retour des espérances d'une conciliation des différents qui 1) 2) 3) 4) Nog 29 Jan. de Slingland auroit pu se promettre beaucoup plus de succès de ses projets de redressement. Nous l'avons vue après plusieurs années de vaines délibérations. in uittreksel bij Wagenaar. du bon ou du mauvais état de ces finances particulières dépend le plus ou moins de facilité pour les partis. 1726. XVIII. 330. en Urkundenbuch. Holland) was een vermeerdering met 7000 man voorgesteld. Zie hiervóór p. 1724 (Resol. die zich eerst bij het Hannoversch verbond had aangesloten.000 hommes . 231. sans pouvoir convenir d'une augmentation dans ses troupes de 6. 12 Oct. 244. Rousset. ministre de l'Empereur à la Haye . qui 2) les ont augmentées de plus de 20. II.. lorsque l'Empereur eut détaché le Roy de Prusse de l'alliance 3) d'Hanover . 159. II 60 sqq. 236. Gelderland consenteerde maar het consent der andere gewesten liet zich wachten. Frederik Willem 1. si les difficultés survenues avec l'Espagne sur l'exécution des préliminaires eussent abouti à une rupture.

op de Stadt Embden en Oostfriesland’ bepleit (Knuttel Catalogus. et luy en a même déjà fait rencontrer qu'il n'a pu surmonter jusques icy. konden kwalijk zulk een groote belangstelling wekken.000 en in 1724 200. L'on peut voir dans le traitté de Barrière de 1715 la liste des sommes négotiées sur le crédit des Provinces-Unies de l'argent de leurs habitants et hypotéquées sur le Pays Bas Autrichien. wordt beweerd: ‘Het is meer als bekent. In een pamflet van 1728.000. De steden van Oost-Friesland hadden geleend in 1720 600. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Recueil XIX. en in 1721-23 nogmaals 600. p. dat ‘Het recht en interesse van H.136 menaçoient la tranquilité de l'Europe luy prépare bien des obstacles. Ce qu'on a dit de l'abondance d'argent qui se trouve dans les sept Provinces mérite encore une observation. noot 2. ils en ont encore en divers endroits 1) 2) Zie hiervóór. avant plusieurs remboursements faits depuis la conclusion de ce traitté. toen deze Oost-Friesland in bezit nam. Deel 30 .H..000 gulden.000.000 gulden aan de Republiek en bizondere personen in de Republiek schuldig. montoient au-delà de 13 1) millions de florins . IV.. in 1717 nogmaals 125. Dit zal met de noodige overdrijving gezegd zijn.000 gulden. Les sujets de la République ont des sommes considérables 2) placées de même sur l'Ost-Frise .M. De stad Emden was omtreeks dezen tijd vermoedelijk ongeveer 500. et qui.. In de onderhandelingen met Frederik II van Pruisen in 1744. pour faire convenir seulement d'un moyen de lever en Hollande le fonds nécessaire pour fournir à la nouvelle dépense des augmentations dans les troupes de la répartition de cette Province. 16751). die in Oost-Friesland op het spel stonden. dat in deese Dagen op Onse Amsterdamse Beurse by na soo veel niet gesproken word van de Negotie. althans de sommen van den staat en van particulieren.. 123). worden de volgende bedragen genoemd (Rousset. nog van den uitslag der verwerde en duistere Europische Saken als van de Oostfriesse Onlusten en Strijdigheeden’ enz. De vorst van Oost-Friesland: in 1705 125. 123.

217). VI. Blok. 366.J. 1146 sqq. qui doivent estre regardez comme appartenants en principale partie à la Province de 2) Hollande. II. Ces sommes placées au dehors font aujourd'huy un objet si interressant pour la plus part des membres.a. Over de kwikzilveren koperleeningen van het Oostenrijksche huis. 13. et. Gedenkschriften van G. qu'à mesure que la République a perdu de son commerce. Il est aisé de juger par tant de millions placés chez l'étranger.-Indische Compagnie en de Zuidzee-Compagnie. I. Deel 30 . noot 2. soit de la générallité. dans cette Province.000 gulden. puisqu'on prétend qu'ils y sont intéressés pour plus de 100 millions de florins. De Vroedschap van Amsterdam. zie Elias. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. van Hardenbroek I. als Nederlandsch kapitaal uitsluitend in Engelsche staatsschuld belegd. Meer dan ramingen zijn natuurlijk ook niet de mededeelingen voor vrij wat later tijd van Hardenbroek. à ce qui y est le plus acrédité . mais un article bien plus considérable que tout le reste est celuy des sommes immenses. een leening van 500. die in 1762 tot een bedrag van omtrent 300 millioen kwam. geeft hij als een vage raming. in 1703 door den keurvorst v/d Paltz genegotieerd (Weeveringh.137 1) d'Allemagne et jusqu'en Hongrie . In 1782 raamde Van de Spiegel op zijn beurt het Nederlandsche kapitaal in Engelsche leeningen op 280 millioen. waarbij dan nog kwamen zeer aanzienlijke bedragen in de Engelsche O. que c'est un point qui entre en principale 1) 2) Tot leeningen in Duitschland behoorde o. où le produit des mines de cuivre leur a esté hypotéqué. op gezag van den bankier Boas (Krämer. naar het bekende rapport van 1790). ou négotiés sur le crédit soit des Provinces en particulier. Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Wat Fénelon zegt van het bedrag. waarvoor Nederlandsch kapitaal in Engelsche fondsen betrokken zou zijn. que les particuliers ont dans les fonds publics en Angleterre. Handleiding tot de Geschiedenis der Staatsschulden. le nombre des riches rentiers s'est prodigieusement acrû.

Elle regarde l'Angleterre sous ce gouvernement comme la Puissance qui doit faire sa sûreté. pour la sûreté même de ces sommes hypotéquées et des droits qu'elle s'est acquis par le traitté de la Barrière. A cet intérest général se joint celuy des fortunes de ce grand nombre de principaux membres. Deel 30 . C'est cette crainte qui l'a réduitte à recourir. Le gouvernement Anglois.250. sitipulés par le traitté de Barrière. venant à trop prévaloir sur l'autre. entre la France et l'Empereur. Le maintien de son gouvernement présent devient par là doublement cher à cette République. et à regarder ensuitte le soutien de S. et qu'ils courroient grand risque s'il survenoit une révolution. placées ainsy dans les fonds publics à Londres. suivant que l'une de ces deux Puissances principalles. seroit en état d'opprimer la République. Il résulte un effet bien différent du grand intérest que les sujets des Etats Généraux ont dans les fonds publics en Angleterre. à l'appuy que luy présentoient les puissans Roys unis par l'alliance de Hanover.M.000 florins. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. luy donnoient un merveilleux moyen de tenir cette République dans une sorte de dépendance. à proportion que les affaires de la nation et le gouvernement prospèrent.138 considération dans la façon dont ils envisagent les affaires du dehors. Comme ces fonds haussent ou baissent. sur quoy les Provinces Unies avoient à compter avec l'Empereur. en prenant parti. depuis que la Cour de Vienne l'a mis dans le cas de tout craindre de sa part. Les fonds hypotéqués sur le Pays Bas et le subside de 1. l'on peut juger combien ce double intérest forme des liens indissolubles pour cette République à l'égard de la Grande-Bretagne. mais il en est arrivé tout autrement. comme le principal fondement de sa sûreté contre le ressentiment de l'Empereur. pour ou contre.

furent les premiers à s'allarmer. Ils ne furent pas même les moins soupçonneux sur les difficultés formées de la part de l'Espagne au sujet de l'exécution des préliminaires. apportoit à amener les choses de proche en proche à un tel point que le Roy de la Grande-Bretagne ne pût refuser de se prester à la conciliation. qui avoient poussé le plus loin la deffiance. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.M. et l'Angleterre.M.139 de son costé. nulle autre Puissance n'ayant autant de moyens que la République de traverser un Roy d'Angleterre dont elle ne seroit pas contente. sans qu'on y insérât la clause pour soumettre toutte entreprise contre la navigation de ceux d'Ostende à un concert préalable. Le mécontentement ne va jamais jusqu'à faire perdre de vue à la République la maxime générale de rester étroitement unie à l'Angleterre. pour craindre que le soin. que l'Angleterre fait souvent de son ascendant pour rendre fort peu de justice à la République dans ce qu'elles ont à démesler ensemble. Les membres même. dès qu'ils craignirent que la réconciliation avec l'Espagne ne pût devenir la source de quelque désunion entre S. a un intérest capital de ne se pas détacher de cet Etat. Deel 30 . que S. en refusant de 1) consentir à la résolution de la Province de Hollande en faveur de l'accession . et de luy susciter sa propre nation. ne cachât quelque vue secrette de mettre 1) Tot het verdrag van Hannover. qui l'emporte au dessus de touttes les considérations particulières sur l'abus. Le maintien de cette correspondance mutuelle est donc envisagé par la République comme un intérest principal. et pour agraver la supériorité qu'elle a pris sur elle dans le commerce.

In dezen tijd nog W. il ne sçauroit trop s'appliquer à s'insinuer 2) dans l'esprit du ministre de la Grande Bretagne et éviter. Pour le succès même de cette vue. où le cours des affaires générales devroit conduire à des choses qui ne seroient pas touttes du goust de l'Angleterre. et l'Angleterre. il ne doit jamais rien échaper à M. et sur laquelle M. Par la même raison.M. de la Baune ne scauroit donc apporter trop d'attention à écarter tout ce qui pourroit donner lieu à des soupçons de cette espèce. ne sçauroit estre trop en garde sur ces sortes de confidences. il faudroit qu'elles s'oppérassent par un progrès insensible. en écoutant tout pour en rendre compte. leurs routes devront estre très-différentes. Dans le cas même. de luy devenir suspect. autant qu'il le pourra. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. comme ils ne tendront pas à un même but. de la Baune.140 en embarres le gouvernement en Angleterre. mais c'est une matière bien délicate à traitter. Il ne laissera pas de pouvoir arriver. qu'il s'agiroit de luy faire faire. que le rende suspect d'estre venu dans un sistème de disjonction. Deel 30 . Finch. en se souvenant cependant que. que les traitez d'Utrecht ont acquis à l'Angleterre . qu'on luy parlera de l'intérest que la République auroit de voir mettre des bornes aux avantages dans le commerce de 1) l'Amérique. Quand on se rappelle combien la République a prodigué de sang et de trésors dans la dernière 1) 2) Bedoeld is natuurlijk het assiento de negros. de la Baune. qui devront toujours luy estre fort suspectes. qui de proche en proche fît envisager à la République comme nécessaire chaque pas. qui pût conduire la République à la nécessité de faire un choix entre S. M.

il y a d'abord lieu de s'étonner.141 guerre. o 2) I. que la République est obligée par son traitté avec l'Empereur d'employer à la garde de la Barrière. 289 sqq. qui regardent ce droit de garnison plustost comme onéreux 1) que comme un avantage . Il y en a donc plusieurs. Resol.000 hommes. Deel 30 . Zie Nijhoff's Bijdragen.000 florins. Dit was ook door den pamfletschrijver. 24 Jan. Il faut.. van eene barrière in de Zuidelijke Nederlanden niets dan nadeel. dont la garde confiée aux troupes Hollandoises a esté presque le seul fruit pour elle de tant d'efforts. voorzien. en excepter quelques-unes de ces places égallement reconnues pour estre extrêmement importantes à la République. o 2 L'impuissance où les Etats Généraux sont par là de garnir suffisament leurs 2) propres frontières . à moins qu'ils n'entretiennent un corps de troupes plus grand qu'ils ne seroient obligés de l'avoir sans cela. déduction faitte de ce qui s'employe chaque année du subside à l'entretien des fortiffications des places de cette Barrière. En effet. 4e reeks. en voyant comment beaucoup de membres de poids penssent aujourd'huy sur les places de la Barrière.250. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 1) Zulke beschouwingen waren niet nieuw. in de vorige noot genoemd. zij waren al door sommige regeeringsleden gegeven in den tijd der onderhandelingen over het Barrière-tractaat. Zie de generale petitie van 1725. Ook de schrijver van het reeds meergenoemde pamflet n 16231 uit Knuttel's Catalogus voorzag in 1714. plus de la moitié de la dépense des 12. pour l'entretien des 12.000 hommes tombe sur le compte de la République. reeds voordat het Barrière-tractaat gesloten was. 1725. Ceux qui penssent comme on vient de le dire allèguent pour raisons: o 1 L'insuffisance du subside de 1. Holl. cependant.

si la Cour de Vienne se fût prévalu à temps 1) de son avantage .142 o 3 L'argent qui sort chaque année du pays. estant employé à la subsistance des garnisons dans les villes de la Barrière. bien solides en elles mêmes. avoit esté mis en état de l'accompagner d'éclaircissemens si satisfaisants sur le commerce d'Ostende et sur les effets à craindre du ressentiment de l'Empereur. estoient propres à donner un grand avantage à la Cour de Vienne. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. l'Empereur avoit dans la révocation de son octroy de quoy faire l'équivalent de celle des places de la Barrière. et d'une abolition ou du moins d'une grande diminution du subside stipulé. Huisman. Après avoir allarmé la République par les progrès de la Compagnie d'Ostende. quand elle se fut une fois laissée gagner de la main par l'invitation faitte aux Etats Généraux d'accéder à l'alliance d'Hanover. L'ambassadeur de S. Ces considérations. y demeure et tourne au proffit des sujets de l'Empereur. Tout estoit donc à craindre de ce costé-là. qu'on auroit pu faire assez peu de difficulté de luy remettre. op. mais elle le perdit sans retour. maar te laat. tandis que ceux de la République. cit. par rapport au payement du subside et des intérests des sommes hypotéquées sur le Pays Bas 1) Voorstellen in dien geest werden wel te berde gebracht. attendu ce qui se doit supléer à l'insufisance du subside pour le payement des douze mille hommes. p 352. et de nature à le paroistre encore davantage dans un pays naturellement porté à l'oeconomie. dans les places appartenant en propre aux Etats Généraux.M. et qui. restent en souffrance par la modicité des garnisons.

qui naissoient de la forme du gouvernement. les vues s'étendirent. après lequel tous les mouvements. ils ne furent plus regardés que comme un retour forcé. 341. Deel 30 . cit. des deffiances dont on a parlé. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. que la ministre Impérial se donna pour porter la République à se prester à des expédients sur le commerce d'Ostende. après quoy elle seroit demeurée à la mercy de l'Empereur.143 1) Autrichien. que la négotiation fut portée au but dès la première conférence . Les places de la Barrière leur parurent alors d'un merveilleux usage. mais enfin tout se réunit. Ce fut un coup de partie. Comme ils venoient après coup. et l'affaire de l'accession ne fut plus retardée que par les obstacles. qu'ils avoient eux-mêmes tant contribué à élever. op. Huisman. En même temps. irrité par la nécessité où elle l'avoit mis de faire enfin attention à ses griefs. furent inutilles. et les Etats Généraux firent leur principal objet des mesures à concerter pour abaisser la puissance de l'Empereur. p.. fondé seulement dans l'intention de faire perdre à la République l'occasion unique de l'appuy qui luy estoit offert. et de la difficulté de ramener à un plan de vigueur les membres encore imbus de la maxime que les intérests entre les grandes Puissances de l'Europe devoient se démesler à l'avenir. qui divisoient les villes de Hollande entre elles. mais dans un sens tout opposé à la première intention. La Cour de Vienne reconnut alors trop tard pour ses vues que la République luy avoit échappé. et pour luy donner de telles bornes que la République n'eût plus rien à en craindre. 1) Vgl. sans que la République prît part à rien.

A ce sujet d'éloignement pour ce Prince s'en joignent plusieurs autres: ses engagemens pris avec l'Empereur. La République. 1) Von Meinertshagen. pour le laisser ensuitte sans plein pouvoir. de son costé. Rien n'a tant contribué à faire naître ces heureuses dispositions et à les confirmer.144 Elles faisoient craindre à l'Empereur de se voir dépouillé du Pays Bas en une seule campagne. que le soin que S. en luy faisant prendre part à l'invitation faite aux Etats Généraux d'accéder à cette alliance et à touttes les conférences tenues sur ce sujet. avec lequel elle avoit fait la guerre. M. son ministre à la Haye prostitué. que la République avoit eu de se promettre qu'une des suittes du bonheur.. seroit de luy assurer la propriété du haut quartier de Gueldres. de la Baune doit donc se faire un point principal de maintenir la confiance établie à cet égard. et surtout qu'elle ne vouloit aucun aggrandissement du costé du Pays-Bas. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Touttes les raisons.M. les regardoit comme la porte du secours. Deel 30 . par où la France étoit en état de luy donner la main et de la garantir de tout ce que l'Empereur se proposeroit d'attenter contre elle. a pris de convaincre cette République par touttes ses démarches et par les assurances réitérées qu'elle en a fait donner du désintéressement de ses vues. pour ne donner jamais lieu aux anciens ombrages de se réveiller. l'ont rendue plus sensible à la douleur de voir passer dans les mains du Roy de Prusse ce qui luy en a esté cédé par la paix d'Utrecht. dans le temps où il estoit sans prétexte pour se 1) détacher de l'alliance d'Hanover. et il doit pousser jusqu'au scrupule la circonspection.

en ook in de Resol. beriep Frederik I van Pruisen zich op het testament van Frederik Hendrik en was Johan Willem Friso door Willem III als erfgenaam aangewezen. Stathouder de trois Provinces . institué héritier par le feu Roy Guillaume. II. qui ont souvent enlevé à main armée des sujets de l'Etat jusques sur les terres de la République. t. il s'est engagé à l'égard des enfans de ce Prince. et toujours impunies. ce qu'une telle conduitte a fait juger de sa disposition à se rendre l'instrument des vengeances de l'Empereur contre la République. des officiers des troupes Prussiennes. les fréquentes violences. 273-279. Cette animosité tire son origine des différents émus au sujet de la succession du feu Roy Guillaume. Tout cela rend non-seulement le voisinage de ce Prince odieux. Over den twist in de eerste jaren na den dood van Willem III vindt men vele stukken in Lamberty's Mémoires pour servir à l'histoire du 18me siècle. pour peu qu'il y trouvât quelque profit. In beide testamenten waren de Staten-Generaal tot executeurs benoemd. le Roy de Prusse s'estant porté héritier. Dans le même traitté d'Utrecht. 359-396 en volgende deelen. enfin. mais fait redouter son accroissement. au préjudice du testament qui avoit institué en cette 2) qualité le Prince. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.145 au moment de la signature. père du Stathouder de Frise d'aujourd'huy . 121-123. Deel 30 . Holland 1702 vlg Deze verplichting had de Pruisische koning aangegaan niet tegenover de erfgenamen van Johan Willem Friso of tegenover de Staten-Generaal maar jegens den koning van Frankrijk. A quoy se joint encore l'animosité particulière des partisants du 1) Prince de Nassau. wien hij zijne rechten op Oranje afstond in ruil voor hetgeen hij van het Overkwartier van Gelder kreeg. Non seulement cet engagement demeure 1) 2) 3) En van het landschap Drente. de les satisfaire au moyen d'un équivalent au sujet 3) de leurs prétentions sur la Principauté d'Orange . qui a acquis au Roy de Prusse ce qu'il tient du haut quartier de Gueldres. Zooals men weet.

totdat in 1712 de koning. Mais la conduitte du Roy de Prusse l'a rendu tellement odieux et suspect que cela luy fait beaucoup perdre de cet avantage. en a chassé leurs trouppes. Deel 30 . 571-592. mais ce qui a encore plus aigri les esprits est l'occupation par voye 1) de fait des villes et Comtés de Moeurs et de Lingen .146 sans exécution. op. ne désirent pas de voir le Stathouder de Frise en possession de tous les grands biens de la succession du feu Roy Guillaume. de la part des membres qui. Lamberty.. In stad en kasteel van Meurs bleef echter staatsche bezetting (Lamberty. 360). qui luy donneroient des moyens d'augmenter son crédit et le nombre de ses amis. VII. le Roy de Prusse trouveroit un grand support dans la Province de Hollande. du costé de ces griefs qui intéressent le Prince de Nassau. qui dans les premières querelles sur la succession des Etats du dernier Duc 1) Reeds in 1702 liet de koning van Pruisen de graafschappen Lingen en Meurs bezetten. L'intérest de religion. het kasteel liet overrompelen en de staatsche bezetting uit stad en kasteel verdrijven. dès qu'il seroit question de quelque agrandissement du Roy de Prusse dans le voisinage de la République. de la Baune verroit donc les sentiments se réunir. cit. cit. pour s'emparer de Lingen. gesterkt door eene beslissing van het Kammergericht te Wetzlar. op. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Il est vray que. p. M. jusqu'à ce qu'il fût décidé à qui ils appartiendroient. et que le Roy de Prusse. attendu qu'en vertu de leur qualité d'exécuteur du testament du feu Roy Guillaume. C'est même un grief pour les Etats Généraux. estant opposez au Stathoudérat. l'administration de ces deux Comtez devoit leur rester.

Gulik en Ravestein krijgen. cit. d'Ost-Frise et les Etats du pays. depuis Princes. 415 sqq. à son égard. der Preuszischen Politik. 1. si quelqu' événement mettoit sur le tapis la question de la succession de Berghes. Rousset's Recueil bevat in t. entre les Comtes.. Doch de Hohenzollern beweerden. et 1) 2) Bedoeld is hertog Johan Willem.147 1) de Clèves fit prendre partie aux Etats Généraux en faveur des Electeurs de Brandebourg. quoyque Catholique. ne pouroit changer que dans le cas. depuis 150 ans. Deel 30 . 282 sqq. Cette disposition. zijn schoonzoon. 19 sqq. zie ook Förster.. die in Maart 1609 overleed. 2. keurvorst Karel Philips had geen manlijke erfgenamen en na zijn dood zou het keurvorstendom komen aan het huis Pfalz-Sulzbach. n'empêcheroit pas aujourd'huy que tout leur penchant ne les portât à favoriser la branche de Sultzbach. Les différents qui se sont élevez et en quelque sorte perpétuez. Zou dit echter ook Berg. Er waren nog andere pretendenten ook. dat met het uitsterven van het huis Neuburg het vergelijk van 1666 te niet ging en hunne oude aanspraken op de gansche Kleef-Guliksche erfenis weer van kracht werden. p. fort généralle par rapport au Roy de Prusse. als erfgenaam dier landen aangewezen. Gesch. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat in 1666 met de Hohenzollern een vergelijk over de Kleef-Guliksche erfenis getroffen had en in 1685 het keurvorstendom van de Pfalz gekregen had. Het huis Pfalz-Neuburg. Ritter. VII vgl. hierover talrijke stukken. op. en de opvolgingsstrijd die toen ontstond. comme devenus nécessaires à sa seureté. Deutsche Geschichte im Zeitalter der Gegenreformation etc. liep ten einde. p. en Droysen.M. IV. de Juliers et du Comté 2) de Ravestein . II. auxquels le Roy de Prusse seroit admis. où on parviendroit à faire entrer la République en deffiance des intentions de S. bij het vergelijk van 1666 aan het huis Neuburg toegewezen? Keurvorst Karel Philips meende van ja en had den erfprins van Pfalz-Sulzbach. et où ce qu'on sçauroit lui faire craindre de ce côté là la porteroit à regarder les engagements.

82 sqq. 281 sqq. een Africaansche compagnie opgericht. die echter spoedig weer was te niet gegaan (Aitzema. en dit eigenmachtig handelen was een der grieven. attendu touttes les raisons que la République a d'y prendre un grand intérest. was den Staten-Generaal zeer onaangenaam. in Leerort sinds 1611. 1244).. die zich sinds 1681 meer en meer in de Oost-Friesche zaken was gaan steken. in 1683. Outre que ces deux places sont de la dernière importance à la République pour couvrir ses frontières du costé de la Basse Allemagne. waarover graaf George Albrecht bij den keizer klachtig viel. La commodité de son 1) 2) De inmenging der Staten-Generaal in den strijd tusschen den vorst en Emden dagteekende reeds van 1595. in Emden lag al garnisoen der Republiek sinds 1602 en vooral sinds 1607. Later. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. het werd thans de aanvang der moeilijkheden tusschen de Republiek en den Keizer. dat ook reeds in 1681 was geschied. was te Emden op octrooi van den grooten Keurvorst. die echter ook het leven niet houden kon. si cette ville passoit sous le pouvoir de quelque Prince. In 1632 had graaf Ulrich te Emden reeds een Abessinische maatschappij opgericht. Ostfriesische Geschichte. qui fût dans le sistème à la mode 2) des établissements nouveaux sur le commerce . die eerst bij het verdrag van Weenen van 1731/32 uit den weg werden geruimd. heeft hierover talrijke stukken. Ook Rousset's Recueil. p. Omstreeks 1720 richtten de Emdenaars zelf een maatschappij van koophandel op. en de kwestie was ook van beteekenis voor de algeme ne verhoudingen. et s'y sont maintenus depuis cent vingt ans et plus . mérittent une attention particulière.148 qui se sont fort échaufez dans ces dernières années. Saken van Staet en Oorlogh. Deel 30 . elle auroit tout à craindre pour les restes de son commerce de la situation avantageuse d'Embden. Zie Wiarda. deel IV. C'est à la faveur de l'entremise des Etats Généraux pour appaiser ces différents et à ce titre de protection qu'ils se sont mis en possession du droit de garnison dans 1) Emden et dans Liehrohrt. p. Dit inroepen van keizerlijke bemiddeling. I. VII.

Il peut cependant y avoir eu des vicisitudes dans cette conduitte de prédilection en faveur de ceux d'Embden. faits à la réquisition des parties. qui fit appeler les premières trouppes Hollandoises qui furent introduites dans Embden. au lieu qu'elles ont esté 1) Zie pag. C'est l'appuy que ces Etats trouvoient de la part de la République. Il est vray que l'on voit assez que cette réquisition a dû estre souvent un parti forcé pour le Comte ou le Prince d'Ost-Frise. puisque l'on voit une concession d'un Comte d'Ost-Frise pour remettre Liehrohrt à la garde des troupes Hollandoises. Deel 30 . noot 2. un grand intérest. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. de plus.149 port et la rivière d'Ems. La République a. et une compagnie des Indes qui y seroit établie le seroit beaucoup plus avantageusement qu'à Ostende. pour la sûreté des sommes prêtées 1) par ses sujets et hypotéquées sur l'Ost-Frise . qui vient se décharger dans l'espèce de golfe sur lequel elle est située. qui n'estoit pas en état de se soutenir contre les Etats du pays. de l'aveu de ceux qui en font le fondement de leur sûreté contre les desseins du Prince. la rendroient aisément l'entrepost du commerce pour tout le Nord et pour la Basse Allemagne. et qui s'y sont maintenues depuis. que la République appuioit et avoit intérest de favoriser. 123. par l'entremise et en quelque sorte sous l'autorité des Etats Généraux. qu'il ne soit point apporté de changement à la forme pour l'administration des revenus du pays établie suivant les accords entre le Prince et les Etats.

Depuis l'année 1595.v. tous les accords entre le Prince et les Etats. ont esté rappellez et confirmez. firent la faute de se départir de leur recours ordinaire aux Etats Généraux. y a fait rendre 1) 2) 3) De bezetting van Leerort in 1611 geschiedde met toestemming van graaf Enno. s'estoient toujours faits par l'entremise des Etats Généranx. die het in handen stelde der Staten-Generaal om als onderpand te dienen. qui ont esté en grand nombre. Deel 30 . de graaf en de stenden.. attendu qu'en 1682 et dans les années suivantes ceux d'Embden et leurs adhérents. Fénelon zal bedoelen de twisten van 1680-1683. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. plustost comme juges que comme arbitres. Zie Wiarda. mais dans lesquels ceux d'Embden soutiennent que les anciens accords. 142 sqq. B. cette possession se trouve un peu interrompue. mécontents du support à leur désavantage qu'ils crurent alors que leur Prince trouvoit de la part du Prince d Orange. Cependant le Prince d'Ost-Frise. Cependant. ayant trouvé de la protection à la Cour de Vienne. en portant leurs nouveaux différents devant 2) l'Empereur. depuis le Roy Guillaume. toen de stenden zïch tot den Keizer wendden. qui s'en regardoient comme les garands et se confirmoient par là dans la possession de s'entremettre de touttes les brouilleries qui survenoient. VI. faits sous la médiation et la garantie des Etats Généraux. in 1678 en 1693. op. cit.150 1) admises dans Embden à la réquisition seulement du parti bandé contre le Comte . Il y a eu même depuis ce temps-là quelques 3) nouveaux accords faits sans l'entremise de la République . où la République a commencé à se mesler des affaires d'Ost-Frise. comme au juge légitime . de toenmaals gesloten overeenkomst van Oosterhuizen zouden nakomen. dat beide partijen.

235. 18 Aug.. 1) 2) 3) 4) Keizerlijke decreten van 18 Aug. p. op.M. Les Etats Généraux même ne prirent plus de résolution sur ce sujet sans les communiquer dans des conférences publiques à l'Ambassadeur de S. 214. elle commença à revenir à ses anciennes maximes. et qui sont pareillement considérez comme tels par les Etats Généraux. et le renversement des anciens accords qui sont regardez par le party opposé au Prince comme les loix fondamentalles du pays. les Etats Généraux estoient 4) dispensés de prendre fait et cause pour eux . Deel 30 . p. De cette exécution s'ensuivroit la perte de la vie et des biens pour ce qu'on nomme les rénitens. 127. Elle se deffendoit même des instances des Embdenois et de ceux de leur parti. cit. Ibid. Wiarda. VII. 288. 11 Juni 1723. Mais lorsque l'alliance d'Hanover eut fait reprendre vigueur à la République. à la Haye et au ministre d'Angleterre. et qu'elle se vit assuré de cet appuy par son accession. IV. 1722. 281-509. lorsque dans leur oppression ils revenoient dans leur ancien recours à elle. bij Wiarda. Ibid. L'état de létargie où la République étoit tombée luy avoit fait longtemps négliger 3) de s'entremettre efficacement pour appaiser ces nouveaux troubles . 142. en alléguant qu'ayant porté eux-mêmes l'affaire devant l'Empereur. VII. dont l'exécution rigoureuse 2) fait aujourd'huy l'objet de l'inquiétude de la République . p. cit. mais leur exécution a rencontré tant d'opposition dans le pays qu'il s'en est ensuivy des voyes de fait de part et d'autre. 174. ook vele desbetreffende stukken bij Rousset. Recueil. 1721. 175 sqq.151 1) des décrets tout-à-fait à son avantage . p. qui ont donné lieu à de nouveaux décrets Impériaux. 289 sqq. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. op.

furent signez peu de jours après. trompez par les insinuations adroites dont le Comte de Königsegg-Erps sçut les flatter et par les bonnes parolles que l'on donnoit à leur ministre à Vienne. cit.M. op. informée de ce qui se passoit. qu'on regardoit à Vienne comme uniquement du ressort de la jurisdiction Impérialle.M. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. en effet. et l'Empereur. il ne luy resteroit pas de plus grand intérest que de chercher à regagner la confiance de la République. Les Etats Généraux donc. 366. Elle l'autorisoit. si les ministres de la République entroient dans le même sentiment. que pour reprendre le chemin d'un certain millieu entre S. S. p.. à se concerter avec le ministre d'Angleterre. se rendroit facille pour terminer les choses au contentement 1) de la République L'on chercha dès lors à se cacher de l'Ambassadeur de S M.. sur ce qui avoit rapport à l'Ost-Frise. se hâta d'instruire son Ambassadeur à la Haye par une dépêche du 26 May 1727. pour expliquer dans une conférence qu'il paroissoit que la République ne pouvoit pas s'opposer 1) Wiarda. tant pour ne pas donner occasion à l'Empereur de s'indisposer du recours à d'autres qu'à luy sur des affaires. en terminant les choses en Ost-Frise d une manière satisfaisante pour elle. jusqu'à ce qu'ils tombèrent dans le piége que leur tendoit la Cour de Vienne. en leur faisant insinuer qu'après s'estre conciliée sur les affaires généralles par les préliminaires qui.152 Ils continuèrent d'en user ainsy. dans la confiance que la Cour de Vienne. VII. une fois satisfaite par cette déférence extérieure. Deel 30 . se laissèrent induire à porter ceux d'Embden et leurs adhérents à donner l'acte de leur soumission à la décision de l'Empereur.

ny. comme il y avoit entre les Etats et le Prince d'anciens réglements dont elle estoit garante. la République ne pouvoit pas estre responsable de la continuation des violences. et auxquels les derniers décrets Impériaux donnoient atteinte en plusieurs points. qui souffriroient de justes difficultez. tant qu'elle ne seroit pas en état de leur faire voir une assurance d'une amnestie pour le passé. sans renoncer à ses garanties et à son droit de protection.153 directement à l'exécution des mandements. en même temps. Deel 30 . conseiller aux Etats d'Ost Frise de se soumettre aux décrets Impériaux qui effectivement estoient injustes en plusieurs points. les abbandonnant ensuitte à toute la rigueur des loix. tant que l'on ne concourroit pas de touttes les parts aux moyens de conciliation. Des conseils aussy salutaires auroient dû avoir leur effet. au Comte de Königsegg que. qu il sembleroit donc qu'elle auroit une chose à faire. mais les Etats Généraux avoient conçus de si grandes espérances des égards. et qu'il seroit pourvu à leurs droits par un examen amiable des articles des décrets Impériaux. mais que. qu'avec une telle assurance seulement elle seroit en état de faire les derniers efforts auprès des vieux administrateurs pour les porter à la soumission. que la Cour de Vienne Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. elle ne pouvoit pas espérer de contenir les Etats dans de justes bornes. et déclarant. par conséquent. qui seroit de déclarer encore dans une conférence publique avec le Comte de Königsegg qu'elle ne vouloit point s'opposer au droit que l'Empereur pouvoit avoir comme chef de l'Empire de prononcer sur ce qui regarde 1 Ost-Frise. mais qu'en même temps elle ne pourroit pas. s'ils n'acceptoient pas un offre si raisonnable. autoriser les violences des vieux administrateurs.

1) 2) Rousset.154 se proposeroit de leur faire sentir en cette occasion..M.M. où ils s'estoient laissé embarquer.M. avant que de s'estre assurée comme quoy l'Empereur en useroit. ils avoient déjà pris et communiqué au Comte de Königsegg une résolution du 23 May..M. aux Etats Généraux. et qu'ils leur 1) conseilloient en effet cette soumission .M. mais interdisent encore à l'avenir tout recours aux étrangers et. Wiarda. Tout s'est vériffié sur le mécomte où S. en particulier. VII. cit. par laquelle ils déclaroient aux députez venus d'Embden pour réclamer leur protection. 373 sqq. Recueil. et se contenta de montrer la dépêche qui les contenoit à deux des principaux ministres. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . Les Etats Généraux s'estant donc déjà déterminez ainsy.. Non seulement il a esté rejetté comme insuffisant. outre la perte de la vie et des biens 2) prononcée contre ceux de qui on exige cette sorte de soumission . qu'au point où les affaires estoient venues.I. op. mais la Cour de Vienne en est devenue plus roide pour exiger une soumission spécifique aux décrets qui ne renversent pas seulement les anciens accords. pour qu'elle leur fût une preuve des favorables intentions de S. IV. reçut ses conseils pour la République. il s'abstint d'en faire usage. quand l'Ambassadeur de S. 497.. sinon qu'eux et leurs principaux et commettans se soumissent aux décisions et décrets de S. 495. qu'avant l'arrivée à la Haye de la dépêche de S. avoit prévu que la République tomberoit. si elle portoit ceux d'Embden et leurs adhérents à donner l'acte de leur soumission. et qu'ils se rappellassent en temps et lieu combien Elle avoit préveu ce qui leur arriveroit du parti. ils ne sçavoient point d'autre conseil à leur donner.

155 Les commissaires subdéléguez de la commission Impériale ont même encore acrû l'inquiétude des Etats Généraux par une lettre aux Bourguemestres et aux Conseillers de la ville d'Embden. avoit jugé qu'ils auroient dû suivre. Deel 30 . dont S. ont pris tout nouvellement une résolution. Lors donc qu'on luy a parlé sur ce sujet. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. où. et bien propre à achever de luy alliéner cette République. dans une affaire où on avoit cru pouvoir se passer d'Elle. pour la disposer à mettre de plus en plus toute sa confiance dans son appuy. il a bien observé que la situation des choses en Ost- 1) Dit staat er.M. Les Etats Généraux même.M. que ceux qui en ont eu la commission ont accompagné de beaucoup d'ingénuité sur le passé. par laquelle ils rentrent insensiblement dans la route que S. en les pressant tant pour faire la soumission illimitée qu'on exige d'eux.M. Cette conduitte allarmante de la Cour de Vienne. par un retour à cet égard. que pour satisfaire réellement aux décrets et aux ordres des dits commissaires et subdéléguez.M. détour. La façon. pressés de pourvoir à ce que le Prince d'Ost-Frise et les commissaires subdéléguez de la commission Impériale ne se crussent pas en état de continuer à aller en avant. misschien moet gelezen worden. de la Baune. Ce n'a 1) pas esté sans faire sonder auparavant l'Ambassadeur de S. a autorisé son ministre à en user sur ce commencement de retour à son appuy. doit estre connue de M. ils ont inséré une période. et en leur fixant à cet égard un terme court. par laquelle il paroîtroit comme si le dessein seroit de fruster les Etats Généraux de leur garnison dans Embden. donne un grand avantage au ministre de S. qui avoit esté déjà précédée d'une autre dans le même esprit.

au préjudice de leurs priviléges. paroistroit résolue à soutenir les magistrats de cette ville. à quoy il a ajouté depuis. s'estant livrée tout-à-fait à la bonne foy de la Cour de Vienne. capables de ne laisser pas mettre les choses en Ost-Frise hors de leur entier. lorsqu'on voudroit abuser de leur soumission pour les maltraitter. Deel 30 . il y avoit lieu de croire qu'elle contiendroit les ministres de l'Empereur. quoyqu il eût droit d'en Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.M. que l'affaire ne paroissoit pas sans remède. On ne doit point même quitter cette matière.M.156 Frise ne devenoit embarrassante que depuis que la République.. suivant l'ordre qu'il en avoit. non par forme d'aucun reproche. Cet encouragement et d'autres pareils donnez à propos n'ont déjà pas peu contribué à confirmer les Etats Généraux dans des dispositions de vigueur. mais il l'a fait. pour l'exécution des décrets. avoit porté les magistrats d'Embden à un premier acte de soumission. Elle leur donneroit en cela comme en tout le reste des marques de son amitié. en associant le Roy de Prusse. en vertu de son droit de protection sur Embden. sans parler du nouveau sujet d'ombrage que la Cour de Vienne a donné à la République. sans s'estre assurée auparavant de la façon dont l'Empereur en useroit. à la commission Impéria e dont elle l'avoit exclus au commencement. touttes les fois que la République. de la Baune. et en rappellant seulement le méritte des conseils de S. Comme cette affaire ne pourra manquer de devenir de plus en plus un objet principal de lattention de M. que. et que lorsque les Etats Généraux auroient recours aux bons offices de S.. que c'estoit certainement la seule façon d'en sortir. il a esté nécessaire de la traitter avec étendue.

des Empereurs l'expectative de l'Ost-Frise. aux dépends de ceux de la République. dans cette circonstance. 2) 3) qui se réduit au Prince d'aujourd'huy . qu'il n'y a point de Prince entre les mains de qui les Etats Généraux craignissent plus aujourd'huy de voir passer l'Ost-Frise. Fénelon heeft waarschijnlijk het oog op het verdrag van Wusterhausen. die in 1744 kinderloos overleed. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dès il y a longtemps . au défaut de la ligne masculine des Princes régnants. George Albrecht. ne pouvant ou ne s'estant même jamais 4) proposé d'effectuer à son égard ses engagements au sujet de Berghes et de Juliers songeroit cependant à le maintenir dans ses intérests par ce qu'elle luy accorderoit en Ost-frise. Deel 30 . Karel Edzard. Le détail des engagements entre S. van 1720. 234. et que les Prussiens qui. waarop ik reeds gewezen heb. l'exécution des décrets Impériaux commise au Roy de Prusse. depuis un temps. Frederik II van Pruisen stelde zich toen in het bezit van het land en sloot met de Republiek een overeenkomst over de verzekering der financiëele vorderingen harer onderdanen. à la vérité en petit nombre jusqu'icy. Le cas pourroit donc aisément arriver.. a donné lieu de soupçonner que la Cour de Vienne. y sont cependant entrez en possession 5) de quelque partage avec les Hollandois du droit de garnison . op cit. se sont aussy introduits dans Embden. en qualité de Comte du pays de la Marck. Wiarda.M. waarbij echter Frederik Wilhelm I zijne aanspraken op Gulik liet vallen en slechts toezeggingen van den Keizer verkreeg betreffende Berg en Ravestein. L'ombrage est d'autant plus grand de ce costé-là. et. qui n'a qu un fils . et cette 1) 2) 3) 4) 5) In 1694.157 estre comme co-directeur du cercle de Westphalie. VII. qui pourroit l'ayder à faire valoir ses droits. 1) La maison du Roy de Prusse a obtenu.

Recueil. 394. si on luy en reparloit. en se donnant par là le loisir de recevoir des instructions sur la manière de répondre. avoit fait dresser pour servir de réponse sur les préliminaires 1) proposez par la Cour de Vienne . et que les mêmes raisons d'en écarter la demande pourroient subsister. M. Deel 30 . ayant esté envoyé à la Haye pour y recevoir l'approbation des Etats Généraux. ils fussent confirmez par une garantie solide. qu'après que les articles préliminaires auroient esté réglez. 1) Bedoeld is het tweede project van de Fransche regeering.158 République devant estre connu par une lecture des pièces mêmes. dans le cas où il seroit attaqué sur cela. Comme il a paru peu nécessaire jusques icy de passer à un nouvel engagement pour confirmer ainsy les articles préliminaires par un acte de garantie. qu'après une heureuse conclusion du congrès. Le projet. les alliés se garantissent réciproquement tout ce qui seroit convenu. paroistre ignorer ce qui ne s'est point passé de son temps et qui ne se trouve point dans les actes connus. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ils ne s'y conformèrent que sous la condition de quelques remarques dont ils accompagnèrent leur consentement. III. On informera seulement M. Ils demandoient par ces remarques. et. que S. en Janvier 1717. il suffira de dire icy qu'il n'en subsiste point de plus ancien que celuy de la triple alliance signée à la Haye.M. de la Baune peut toujours. de la Baune d'une circonstance que cette lecture n'apprend pas. Rousset. L'inclination pour ou contre le Stathoudérat partage trop les esprits dans la République pour n'en pas faire un point principal de ce mémoire.

Ils réussirent en Gueldres. en 3) faveur du Prince de Nassau. Dat is niet zonder aanmerkelijke overdrijving. Il y a environ cinq ans qu'il y eut de grands mouvements dans les Provinces. à la fin de l'année 1722. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.159 Indépendamment de l'intérest particulier du crédit à acquérir pour les uns et à perdre pour les autres par le rétablissement du Stathoudérat. Sinds 1718 van Stad en Lande. ce qu'on a rapporté des mésintelligences qui divisent cette République et de l'obstacle qu'elles mettent à un salutaire usage des ressources qu'elle auroit encore pour se relever solidement de son état de foiblesse. suffit pour faire comprendre que ceux. Deel 30 . maar geen erfstadhouder. et en quelque sorte de la 2) même autorité qu'il avoit exercé sous luy . qui se fondent sur l'expérience du danger où la République a esté plus d'une fois de perdre sa liberté sous les Princes d'Orange. qui ne respiroit que la guerre. zoo groot was het gezag van Heinsius nooit. qui envisagent les choses du costé du défaut d'autorité pour réunir les esprits. et de ce qui luy en a coûté pour avoir été conduitte par un Stathouder absolu. en na 1713 was het zeer gedaald. non seulement son élection n'y fut pas mise en délibération. et ensuitte par un Pensionnaire qui avoit hérité de ses inclinations. car pour la Hollande. où il fut élu Stadhouder. favorisent le Stathoudérat. mais cette Province envoya des députations solemnelles à toutes 1) 2) 3) Hij bedoelt natuurlijk: indien Willen III een zoon had gehad en deze hem terstond in zijne waardigheden was opgevolgd. et qu'elles sont regardées d'une façon toutte contraire par ceux. déjà Stathouder héréditaire de Frise et de Groningue . à Utrecht et en Overyssel. qu'elle n'auroit pas conservée 1) apparemment. si la race se fût perpetuée . mais ils échouèrent en Zélande.

de brief der Staten van Holland aan die van Gelderland. Ils furent un signal qui réveilla les ennemis du 2) Stathoudérat et surtout la Province de Hollande . que l'on prenoit en s'adressant aux autres Provinces. o 2) vindt men bijeen in n 16568 van den Catilogus van de Pamflettenverzameling berustende in de Koninklijke Bibliotheek. 1724). 13 Juni 1723. Huisarchief) vindt men een plechtige verbintenis van 14 leden der Ridderschap om de verhelfing van den prins uit alle vermogen te bevorderen. De Staten van Holland eerst. 152. 13. Men vindt Willem's instructie o. het antwoord der laatsten. (Resol. den stadhouder benoemden. Holland 1722. in Resol. pour maintenir le gouvernement sur le pied où il se trouvoit étably. 17 Aug. 12 en 14 Juli. Deel 30 . Op 16 Oct. p. In o 3) Overijsel ijverde een partij onder de Ridderschap voor Willems verheffing Onder n 116 van het archief van Willem IV (Kon. au lieu de la possession où elle estoit de le leur donner. die 2 Nov.160 1) les autres . qui fut clausulée de tant de restrictions qu'elle ne le faisoit Stathouder 3) que de nom . den bestaanden regeeringsvorm te handhaven. 13 April. l'on peut dire que ces mouvements prématurés en sa faveur servirent fort mal sa cause. qui donnèrent lieu aux résolutions formelles qui furent prises dans les Provinces de Zélande. d'Utrecht et d'Overyssel. en in hoofdzaak in de Tegenwoordige staat van Gelderland. ook in het hiervóór genoemde pamflet. qui s'indisposa d'autant plus que la route. Verschillende stukken. Comme l'âge peu avancé du Prince ne permettoit pas encore d'attendre de longtemps aucune utilité pour la République de l'autorité du Stathoudérat mise sur la teste d'un enfant. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 31 Maart. van Utrecht en van Overijsel besloten. deel IV. op de bezending der Staten van Holland betrekking hebbende. Holl. en même temps 1) Resol. op 4 Nov 1722. naar aanleiding van het gebeurde in Gelderland. Holland. Le Prince ne fut pas même dédomagé par l'avantage de son élection en Gueldres.a. 15 Oct 1722. tendoit à finir par l'obliger à en suivre le mouvement. dan ook die van Zeeland.

qu'ils soupçonnent de songer au Stathoudérat pour lui même. s'est divisée depuis peu en deux factions. 10 en 21 Juni en 6 Aug. Willem van Hessen was in staatschen dienst en gouverneur van Maastricht. En 1) 2) Resol. Deel 30 . son oncle. et surtout de la Hollande. qui avoit esté fort unanime dans le temps de cette élection. et pour se désister d'une demande dont le mauvais succès a montré 1) qu'elle avoit été hazardée à contretemps . qui en conjecturoient que ce n'estoit pas avec intention de laisser subsister les choses sur ce pied-là. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. sa mère. que la Princesse.161 que la facilité de son Conseil pour le faire souscrire à tout autorisoit les soubçons de ceux. prit enfin le party d'écrire aux Etats Généraux. A ce peu de progrès des dispositions prochaines en faveur du Prince de Nassau se joint une grande défiance de ses partisans à l'égard des vues du Prince Guillaume 2) de Hessse . quand le premier pas du Stathoudérat des sept Provinces une fois fait mettroit en situation d'en reprendre toutte l'autorité. dont l'une a pris parti avec beaucoup d'éclat et l'a même emporté contre l'autre. bij de promotie van 1727 werd hij tot generaal bij de cavalerie benoemd. et l'opposition sur ce point fut si forte de la part des Provinces qui ne l'ont pas reconnu pour Stathouder. 1727. La Province de Gueldres même. Holland. une condition sine qua non du consentement de la Province à la promotion militaire qui se fit l'année dernière. en qualité d'un des généraux d'infanterie. qui persistoit à vouloir faire de la nomination du Prince. pour leur demander que l'intérest de son fils n'arrestât pas plus longtemps leur résolution sur la promotion projettée.

M. que les Régens accréditez des Provinces et des villes principales. et qui doit demeurer dans un grand secret . fait regarder comme plus propre à satisfaire au besoin de la République. laatste bundel. ou qui y sont moins contraires que les autres. estant sans affection personnelle pour le Prince de Nassau. qui ont goûté de la liberté. de Boetzelaar et d'Obdam . parmi ceux qui regardent le Stathoudérat comme nécessaire à la République. werd door dezen zelf aan Chesterfield meegedeeld. de Slingland. ne rentreront pas volontiers sous le joug d'un Stathouder. si elle se trouvoit dans la cas de ne pouvoir se passer plus longtemps dun chef. qu'ils luy déclarèrent que son élection estoit assurée. qui allèrent ensemble le trouver. et que l'acquit du costé de l'esprit. door Slingelandt aangegaan om op geenerlei wijze tot verandering van den regeeringsvorm mee te werken. On en a vu une preuve récente dans ce qui s'est passé à l'égard de M. p. De verbintenis. et qui partagent entre eux toute l'autorité du gouvernement. qui. du courage reconnu et de l'application dans le métier de la guerre. Lord Chesterfield en de Republiek der Vereenigde Nederlanden (Historische Studien. qui sçait se rendre agréable par des manières insinuantes et populaires. lors de sa promotion à la place de Pensionnaire. Mais on peut conclure. qu'un Prince qui sort à peine de l'enfance. Johan Hendrik van Wassenaar. heer van Nieuwveen. ne voudroient pas d'un Stathouder qui le seroit des sept Provinces à la fois. 1) 2) 3) Jacob Godefroy van den Boetzelaer.162 effet. et qui tournent les yeux sur le Prince Guillaume de Hesse. 29). Deel 30 . en général. heer van Wassenaar-Obdam. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Zie Jorissen. le luy eurent fait abjurer. 3) C'est un fait que j'ay sçu de bonne main. il y a des membres de poids. On a exigé de luy qu'il s'expliquât nettement sur le Stathoudérat et 1) 2) ce ne fut qu après que M. et dont on ne peut juger que par conjecture.

et qui ne sont pas dans leur corps ou dans leur ville du parti dominant. Car la Régence de touttes les villes. te Utrecht. Ik deel hier. au reste. Il est donc facile de juger que. Deel 30 . que c'est une matière qui fait plus ou moins partage dans touttes les Provinces. Hist. et les nobles des Provinces où ils font corps. maar misschien uit Augustus) van Wassenaar van Duivenvoorde aan Heinsius: ‘Wetende dat de Heeren Pensionarissen van Haarlem en Amsterdam met UWEdG. iets uit een briefje mee van 1717 (zonder dateering. Diderik van Bleyswijk (Werken v. (Archief Heinsius. et sur laquelle le nombre des partisans du Stathoudérat est grossi. sullen spreken over de nieuwe aen te gaene correspondentie heb ik van mijn pligt geoordeelt aen UWEdG. Ces cabales. kennis te geven. de tous ceux qui sont mécontens de leur sort. pour partager entre eux plus de commissions et d'emploits recherchez. cependant.163 Il faut compter. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. comme il arrive toujours en pareil cas. dat ik in het seker onderrigt werde. les seules conjonctures peuvent faire pencher la balance pour ou contre le rétablissement du 1) De beste toelichting dezer praktijken geeft (afgezien der contracten van correspondentie) Jorissen's uitgave der Memorien van Mr. par l'exclusion du petit parti. dat men tragt mij buiten te sluiten. attendu l'intérest que ceux qui la forment ont d'en user ainsy. ter illustratie van die praktijken.h. dans cette opposition d'intérests et de sentimens qui partagent les suffrages. sont nécessairement sujettes 1) à de grandes vicissitudes entre elles . celle qui a la supériorité n'estant jamais composée que d'autant de membres qu'il luy en faut pour s'assurer la pluralité. à qui on ne laisse que le rebut. se partagent toujours en deux cabales. Gen. en dat ik onmogelijk kan leiden dat ik gemeprizeert werde’ enz. Rijksarchief). nieuwe serie n 45). niet in een stad maar in de provincie.

que rien ne conviendroit moins aux intérests de S. Les trois Provinces. sont fondées sur ce qu'elle le met en état de donner la main à la Basse Allemagne. qui rendent extrêmement importante à S.M. C'est ce qui est arrivé dans l'affaire des préliminaires. diminueroit la dépendance à proportion de la vigueur qu'il donneroit au gouvernement. que la promotion d'un Stathouder. de contenir l'Empereur dans les Pays-Bas. qui par la réunion de l'autorité. ou au moins ne se rendre suspect à aucun. qui ont le Prince de Nassau pour Stathouder. étant seulement certain que la qualité de Stathouder des trois Provinces peut faire plustost obstacle au Prince de Nassau que luy faciliter les choses pour arriver au Stathoudérat des quatre autres. Le ministre de S. de lémulation de ces deux partis. par conséquent. il est aisé de juger que tous ces avantages se trouveront d'autant plus dans cette liaison.. Il y a souvent un bon usage à faire. et de se tenir dans une sorte de dépendance à son égard. Mais c'est un point sur lequel il seroit bien dangereux de se laisser pénétrer. outre Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Quand on considère que les raisons. de qui elles attendoient touttes leur sûreté. avoient un intérest particulier à ce qu'on ne hésitât pas à déférer à ce qui estoit le sentiment de S. et de lier l'Angleterre.M. surtout de la Hollande. se voyant les plus exposées pour le cas où on en seroit venu à une rupture avec l'Empereur. sa liaison étroitte avec les Hollandois. de son costé. doit. que la République demeurera dans un état. Deel 30 . pour le succès de ce qu'on auroit à ménager. a un intérest capital à ne pas faire bande à part de la République. qui luy fasse sentir la nécessité de l'appuy de S. et. surtout s'il l'estoit des sept Provinces à la fois. qui.M. au contraire.M. s'appliquer à gagner la confiance des deux partis.164 Stathoudérat.M.

aujourd'huy Pensionnaire de Hollande. réunit un esprit supérieur à des connoissances très-étendues en tout genre et à une expérience de près de 40 années dans le ministère. II. Sa conversation et sa manière de traitter les 1) Het verdient opmerking. die in 1728 in Holland gekomen was en dus Slingelandt ook heeft kunnen waarnemen tijdens de volgende jaren van diens raadpensionariaat. hoe dit oordeel overeenstemt met dat van Willem Bentinck. men vindt het wezenlijke hieruit bij Groen van Prinsterer. Ce n'est pas qu'il ne sache se replier. de Slingland.M. M. qui met en Hollande le plus grand obstacle à l'avancement du Prince de Nassau. où tout se doit opérer par persuasion . qu'autant qu'il sçaura inspirer une telle confiance dans son appuy. que de ne pas parler du caractère d'un nombre au moins des principaux Régents.165 la satisfaction qu'elles trouvoient à faire perdre du terrain à la ville d'Amsterdam. le maintien du gouvernement dans l'état présent ne doit estre l'ouvrage du ministre de S. 534. Il joint à cela un caractère ferme et décidé et une activité infatigable pour le travail. Handboek der Geschiedenis van het Vaderland. Het oordeel zelf in een Afschrift van Willem Graaf Bentinck's eigenhandige historische en staatkundige o Aanteekeningen (Handschrift der Leidsche Universiteits-bibliotheek n 734). in voce Slingelandt. que la République s'en tienne assurée et en conclue qu'elle n'a besoin de rien de plus. mais touttes ces qualitez le rendroient plus propre pour estre le ministre d'un Roy absolu que pour remplir la place de premier ministre 1) d'une République. Ce seroit avoir traitté bien imparfaitement de l'état présent de la République. Enfin. Deel 30 . quand il a à coeur de gagner les gens. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

et il est d'un caractère à mettre plus qu'un autre de la passion dans les affaires. Les circonstances dangereuses. Mais quand on est une fois connu sur ce pied-là. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Sa partialité même pour l'Angleterre le rendoit plus nécessaire aux yeux de ceux qui. après la mort du Pensionnaire Heinsius . qui luy fait trop présumer de son ascendant pour entraîner les autres à ses sentimens.166 affaires sont séduisantes. de plus. Deel 30 . Il a. dont les affections personelles fussent toutes tournées de ce costé-là. et c'est cette crainte qui luy 1) donna l'exclusion. l'ont fait regarder comme le seul homme capable de tenir le gouvernail dans ces temps orageux. un fonds de confiance en sa supériorité. et personne n'a plus que luy l'artifice à la main. croioient fort important de choisir un Pensionnaire. La situation des affaires du dehors l'a beaucoup favorisé dans la dernière vacance. qu'il sçait même colorer des apparences d'une entière effusion de coeur. la contradiction l'irrite. had de benoeming van Slingelandt tegengewerkt en dien van Hoornbeeck bevorderd. Ce caractère connu et l'ambition dont il est dévoré l'ont toujours fait craindre. estant déjà entrez en quelque inquiétude sur la suitte des préliminaires et qui ne vouloient pas que la République pût estre détachée des intérests de l'Angleterre. Enfin les villes bandées contre celle d'Amsterdam l'ont regardé comme plus propre qu'un autre à procurer 1) Ook de toenmalige Fransche gezant. la défiance s'étend souvent jusqu'aux occasions où on ne la méritte pas. dans lesquelles se trouvoit la République. D'ailleurs. De Morville. ce qui le rend capable de faire de grandes fautes et d'entreprendre avec plus de confiance que de sagesse.

à la fin. dat Sl. Son dévouement pour l'Angleterre est entier. obligées de céder. 1) 2) Johanna van Coesvelt. Bilderdijk had het dus wel bij 't rechte eind. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. qui sçait faire envisager les choses du costé des véritables intérests de la République. Die vriendschap met Townshend was al van ouden datum en dateerde reeds uit den tijd dat Townshend hier het eerste tractaat van garantie der Barrière was komen sluiten.167 le redressement de leurs griefs. (Geschiedenis des Vaderlands. qui furent. Vgl. 78. zie Jorissen.M.. Deel 30 . maar minder juist is zijne uitdrukking. met wie hij in 1726 gehuwd was. L'on a déjà rapporté comme quoy on l'avoit obligé de s'expliquer sur le Stathoudérat. et qui sembloit l'avoir en quelque sorte dégradé. et touttes ces considérations réunis ont fait oublier 1) son mariage honteux avec sa servante . mais. et il faut s'en défier. Jorissen. avec qui il a un chiffre. Lord Chesterfield. eindigde met zijne dienstmeid te trouwen. Il entretient personnellement une correspondance réglée avec mylord 2) Townshend . Cette précaution estoit d'autant plus nécessaire que ceux qui prétendent le bien connoistre l'ont toujours cru d'un caractère à se tourner pour ou contre le Stathoudérat. 226. toen hij schreef dat Slingelandt zijne dienstmeid getrouwd had. Il n'eut donc contre luy que les villes d'Amsterdam et de Horn. comme cette partialité est connue. sans néanmoins indisposer le Pensionnaire par aucune démonstration de défiance à son égard. XI. Voor Slingelandt's betrekkingen met Townshend in dezen tijd van zijn raadpensionariaat. elle fournit des ressources à un ministre de S. et il est proprement le conseil du ministre Anglois à la Haye. fait publiquement quelques mois auparavant. Lord Chesterfield enz. p. sans espérer de le changer. suivant qu'il croiroit ou non pouvoir s'en servir pour l'affermissement de sa propre autorité. enz.

Il est fâcheux que M. Cette longue expérience et son caractère simple et modeste luy ont tellement acquis la confiance des membres qui composent les Etats Généraux. Les Etats Généraux ne prennent point de résolution importante qui ne sorte de sa plume. et ayant fait son apprentissage sous son père. et il ne s'en cache pas. mais la hauteur et la façon avantageuse de traitter les affaires le roidissent. il n'en a pas aussy les défauts. quand il la reconnoist dans les autres. et en connoist les intérests. En soutenant son sentiment avec modestie. au lieu de luy en imposer. qu'il en est l'oracle dans touttes les occasions où il s'agit de déterminer quelque chose d'important. estant depuis environ 40 ans Greffier des Etats Généraux. il n'est pas porté à l'intrigue. quand une fois il est préoccupé. Il aime sincèrement sa patrie. et personne ne sçait mieux que luy dire en toutte douceur une vérité forte. car il n'est pas d'un caractère à employer l'artifice de propos délibéré. Son coeur est bon et le rend sensible à cette qualité.168 M. de Slingland. Il n'est pas cependant incapable de profondeur et même de déguisement. D'ailleurs. Son inclination est décidée en faveur du Stathouder. S'il n'a pas toute la supériorité de génie de M. avec Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dont il est l'âme. et on ne le fait pas aisément revenir. Il sçait fort se posséder. mais il faut pour cela qu'il soit pressé par quelque nécessité d'échapper à un embarras présent. et il joint à un esprit droit et modéré une grande facilité. qui occupoit la même place. le Pensionnaire. mais elle n'est fondée de sa part que dans la persuasion du besoin de la République. il y est ferme. Fagel est un ministre consommé par l'expérience qu'il a acquise dans les affaires. et il inspire le même esprit à l'assemblée des Etats Généraux. Deel 30 .

par sa capacité que par son application à touttes les grandes affaires’. Deel 30 . qui a succédé à M. (Resol. il pourroit luy-même beaucoup contribuer à ralentir les mouvements de prédilection du Pensionnaire pour l'Angleterre. ait acquis un aussy grand ascendant qu'il l'a sur son esprit. Holland). et qu'il s'estoit uniquement occupé de son employ. 1714 noemde Chauteauneuf hem: ‘un homme estimable autant par sa probité. In een brief van 10 Dec. Dubois getuigde in een brief van 30 Nov. van der Heim.169 1) qui il a eu de grandes liaisons de famille par sa soeur qu'il avoit épousée et avec qui il a toujours été fort uni. door de Fransche regeering aan de elkaar opvolgende gezanten meegegeven. mais quoyque trop facile à se laisser entraîner à ses sentimens. Antonie van der Heim. est un homme laborieux et d'un grand sens. En ook in de instructies. geboren 1693. Het gunstig oordeel van Fénelon over François Fagel was algemeen en werd door andere Fransche diplomaten ook gedeeld. il n'a pu apporter dans la place de Trésorier les mêmes connoissances et la même expérience des affaires du dehors et de la manière de les traitter. auquel il donnoit toute son application. où il s'agiroit de se déterminer sur ce qui pourroit blesser l'intérest de la République. Hij werd 18 Juli 1710 tot secretaris van de Rekenkamer benoemd. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. il est par touttes sortes 2) d'endroits digne d'une grande confiance . qui faisoient 1) 2) 3) Fagel was gehūwd geweest met Elisabeth van Slingelandt. de Slingland à la place de Trésorier. où il fut mis à 17 ans . dans les moments de crise. mais comme il n'avoit jamais esté auparavant 3) que dans la place de secrétaire de la Chambre des Comptes. Enfin. 1716 van hem: ‘un homme incomparable en ce Païs-ci par la connoissance parfaite qu'il a de l'estat de l'Europe et par sa droiture’. wordt steeds met veel lof gewaagd van Fagel's bekwaamheden en karakter. M.

Il n'a que 35 ans. prenoit quelque jalousie du commencement de relation entre M. qui ne croioit point. Hop . mais comme dans les Etats Généraux les partisans de ce Prince et les députez de la Province de Hollande les plus opposés au Stathoudérat ont 1) 2) 3) Jacob Hop. 2). in 1688 grietman geworden van Hemelumer Oldephaert en vervolgens met verschillende ambten bekleed. Il est gendre d'un membre de la Province de Frise . Jacobus. et encore plus de M. et par là a bien du temps devant luy pour prendre du crédit. p. Fagel sur la part que je pouvois luy faire des affaires. et seulement après avoir consulté M. Voorrede. dochter van Jacobus van der Waayen. et j'ay déjà eu lieu de remarquer que M. H. die een zoon was van den bekenden Johannes van der Waayen.170 1) dans le même employ de feu M. was bekend als een warm aanhanger van het huis Oranje.J. qui puisse faire juger qu'il ait hérité de l'éloignement de son oncle pour la 3) France. (Het Archief van den raadpensionaris Antonie Heinsius. des ministres bien principaux. Il est neveu par 2) sa mère du feu Pensionnaire Heinsius . mais je n'ay rien veu et il ne m'est rien revenu. Mr. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Cependant. van der Heim et moy. dans laquelle je n'avois fait que répondre à des démarches assez marquées de sa part pour me rechercher. was in 1684 gehuwd met Catharina Heinsius. fort dévoué au Prince de Nassau. uitgegeven door Jhr. de eenige zuster van Heinsius. Antonie van der Heim. Mr. Deel 30 . was in October 1725 overleden en door Slingelandt opgevolgd. van der Heim. de Slingland après luy. que les affaires dussent se traitter sans sa participation. de Slingland. il paroist songer à arriver insensiblement à faire la même figure que ses prédécesseurs. die 35 jaar thesaurier-generaal was geweest. de vader van den thesoriergeneraal en lateren raadpensionaris. Van der Heim was gehuwd met Catharine van der Waayen. lorsqu'il estoit Trésorier.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. lid van het college van admiraliteit van Amsterdam (later van dat op de Maas). Il a quelque chose d'heureux dans la phisionomie. qui le mettent fort à son 1) 2) 3) Slingelandt. qui est à la tête du corps des nobles de Hollande et du Commiterde Raaden. grootzegelbewaarder en stadhouder van de leenen. je ne sçaurois dire de quel costé il penche sur cet article. de Boetzelaer . Il a le même caractère simple et modeste. Nicolaas Ten Hove was raadsheer in den hove van Holland. 27 Oct. où M. werd in 1690 secretaris van den Raad van State. 2) M. baljuw van Den Haag. hoofdingeland van Delfland. hoogheemraad van Rijnland. 172. toen hij als opvolger van Slingelandt benoemd werd tot secretaris van den Raad van State (Res. secrétaire du Conseil d'Etat. heer van Nieuwveen. Touttes ses liaisons de famille. et qui réunit aujourd'huy en 3) sa personne un grand nombre demplois . à quoy il joint une grande application. de Tenhove. 1725). Staten-Generaal. Mercurius 1737. mais encore de tous ceux où les conjonctures pourront l'élever. fait un personnage principal dans la République. de Slingland avoit commencé à la remplir . Fagel et ce qu'il luy doit ne permettent pas de douter qu'il ne soit dans les mêmes maximes sur le Stathoudérat.171 également concouru à son choix pour la place de Trésorier. non seulement capable de son employ. bewindhebber van de O-Indische Compagnie. Europ. C'est un sujet. Hij was eerste lid der ridderschap van Holland. le Greffier Fagel. son attachement pour M. Deel 30 . a esté mis dans cette place à peu près 1) au même âge. voorzitter van gecommitteerde raden. et peut estre regardé comme son élève. Jacob Godefroy van den Boetzelaer. vindt men de verdeeling zijner talrijke ambten na zijn dood. gecommitteerde ter Generaliteit. M. meesterknaap van Holland. C'est un homme d'une naissance recommandable dans le pays. Il marche absolument sur ses traces. et en paroist fort instruit. Il est neveu par sa mère de M. Il sçait traitter les affaires en ministre. I. in 1664 geboren.

Il n'avoit pas esté pour la promotion de M. dans la conversation familière. Deel 30 . Hij was door bemiddeling van zijn oom. in 1727 lid der Ridderschap geworden. 595). 1) 2) Wijlen de heer van Noordwijk is Wigbold van der Does. Holland 1727. On ne luy accorde pas le désintéressement. Ce n'a pas esté sans s'assurer que M. p. il a fait dans les Etats de Hollande la fonction de Pensionnaire avec beaucoup d'applaudissement. il s'explique assez ouvertement de ses sentiments. son gendre. nog zeer onlangs ritmeester geworden. Il s'est attiré beaucoup de contradiction 2) par la promotion du jeune M. que ses ennemis ont prétendu ne s'estre pas faite pour rien. Willem Vincent.172 aise et qui lui donnent un grand crédit. dans le corps des nobles . mais il luy a esté favorable dans la dernière vacance. Il s'exprime bien. baron van Hompesch. Hoornbeeck luy fut préféré. Hompesch. zijn zoon is Steven van der Does. (Resol. heer van Noordwijk. de Nortwick dans le corps des nobles . qu'il conserve de la dépouille du feu Pensionnaire. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. soit par quelque chose de dur et de brusque qui entre dans son caractère. Pendant la vacance du Pensionnairat. soit par la jalousie de son crédit. Reynier Vincent graaf van Hompesch (generaal der cavalerie en colonel van het regiment gardes te paard). et on a fort mal parlé à son égard 1) de l'admission du fils de feu M. C'est un homme de bon esprit. et capable de mettre de la vigueur dans les affaires. Hij was gehuwd met Charlotte Cornelia van den Boetzelaer. quand feu M. de Slingland. de Slingland ne luy disputeroit pas la possession du grand sceau. Il n'est pas aimé.

toen dezen te Leiden kwamen studeeren. 20 Augustus. le Pensionnaire et M. 21 September. In de Resol Holland 1728 komt die zaak telkens ter sprake. 24. 8. Son opposition est entière pour le Stathoudérat. Johan Hendrik van Wassenaar. 243. M. (1888). 23. ce qui a esté fomenté par les nobles de la Province. et plus encore par l'ombrage que les villes ont paru prendre de l'empire qne luy. 18. Deel 30 . en conservant à l'extérieur la simplicité d'un républicain. p. 2 Juli. 5 Mei. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.173 1) Comme ce jeune homme n'est point originaire du pays . et sur cela l'intelligence sera toujours grande entre luy et les villes avec qui même il ne seroit pas d'accord sur le reste. Verslag aangaande een onderzoek in Duitschland enz. les villes ont fait et font 2) encore difficulté de l'admettre dans l'assemblée des Etats de Hollande . le Comte d'Obdam . d'Obdam sembloient vouloir prendre dans les affaires.a. Op verzoek hunner moeder hield hij ook toezicht op de studies en belangen van Willem en Charles Bentinck. La conduitte de l'Empereur à l'égard de la République l'a fort aliéné. et il est aisé de juger qu'il 1) 2) 3) Hij was uit Gulik. M. qui ont esté piquez de se voir préférer un étranger. dat de karakteristiek. zie o. de Boetzelaar. Willem Bentinck had steeds groote vereering voor hem. a un grand fonds de gloire sur sa naissance. die Fénelon hier van hem geeft. 28 April. tant qu'elle ne devra point opérer disjonction avec l'Angleterre. 18 Maart. in hoofdtrekken ook zou kunnen gelden voor Willem Bentinck. 3) M. heer van Wassenaar en Obdam. Hoe hoog deze Wassenaar stelde blijkt uit zijn brief van 4 April 1766 bij Blok. 24 Juni. en het is opmerkelijk. et la liaison intime avec la France luy paroistra prétieuse.

Il est sujet à prendre aisément feu dans les affaires. il est trop tout d'une pièce pour avoir avec les autres une ouverture capable de faire qu'on s'ouvre à son tour avec luy. Il est aimable en société. Ses employs. Le grand moyen d'arriver à sa confiance seroit de luy paroistre penser entièrement à l'Angloise. Sa liaison est intime avec M. ou pour les précipiter. en s'en faisant une idée à leur mode. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. je l'ay fort perdu. Il s'estoit donné de grands mouvements pour luy. D'ailleurs. ou quand elles ne vont pas à sa guise. Hoornebeeck. est souvent fort défectueuse.174 se fait des idées bien hautes du nom de Wassenaer. il s'en pique et accorde difficilement ces qualités aux autres. connoissant de longue main comment il faut le prendre. Dans la dernière vacance. s'il sçavoit s'accommoder davantage aux autres et se rendre plus populaire. Cependant. dès le temps de la promotion de feu M. Deel 30 . et il s'est fort attribué la gloire de son choix. qui chez M d'Obdam. depuis qu'il ne m'a pas trouvé aussy Anglois qu'il le vouloit. quand il le veut. qui. la place de député de la part des nobles aux Etats Généraux et la déférence que l'on rend volontiers dans le pays à sa naissance luy donneroient beaucoup plus de crédit qu'il n'en a. Lorsque la conformité de sentimens ne se trouve pas entière avec luy. il s'en promettoit tout pour le rétablissement des finances de la Hollande et pour le redressement des affaires de la République entière. mais il arrive rarement qu'il fasse assez cas des autres pour le vouloir. c'est un membre. car ses vues sont touttes tournées de ce costé-là. Il est de ces gens qui veulent trouver le parfait dans les hommes. c'est un homme qui fait plus que d'avoir de la probité et du désintéressement. ainsy que chez ses semblables. en fait un de ses instruments. le Pensionnaire.

dat deze lijst werd opgesteld ter voldoening aan het besluit der Staten van Holland van 11 Nov. l'usage étant tellement à Amsterdam que le client doit son suffrage à son bienfaiteur. de Lijst van ambten en officiën ter begeving staande van Burgemeesteren van Amsterdam in 1749. Deel 30 . Il seroit ardent à avancer le succès de touttes les affaires où l'Angleterre marcheroit de front avec S.). et qui sont du parti dominant. sont fort peu accessibles aux ministres étrangers. ce qui ne demande même que de vieillir. XXVIII. mais on doit estre en garde à son égard dans touttes celles où il en seroit autrement. ce qui leur donne la disposition d'autant de suffrages qu'ils se sont faits de créatures.175 qui doit estre fort cultivé et dont la délicatesse même sur les égards à luy rendre doit estre fort ménagée. et 1) disposent de tous les emplois pendant le temps de leur régence . 1747 en dat in andere steden ook zulke lijsten zijn opgemaakt (Archives de la Maison d'Orange-Nassau. 4e serie. mais c'est ce qui ne pourroit s'acquérir qu'en les pratiquant. La ville d'Amsterdam a un poids si principal dans les résolutions de la Hollande.M. et par là dans celles de la République. à la réserve des Pensionnaires. I. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.. qu'un homme qui en useroit autrement 1) Zie in deze Bijdragen en Mededeelingen. Son éloignement pour le Stathoudérat n'est pas moins fondée sur son incompatibilité pour tout ce qui auroit un caractère supérieur que sur le zèle républicain. qu'une connoissance détaillée du caractère de ses principaux ministres seroit fort nécessaire. 205 sqq. Je diray donc seulement qu'il y a toujours dans cette ville un Bourguemestre qui y possède un crédit dominant. et ces Messieurs-là. le redeviennent tour à tour. Ik maak van deze gelegenheid gebruik om aan te stippen. attendu que ceux qui ont esté une fois Bourguemestres.

Il porte dans les affaires un esprit 5) d'avocat. qu'il en a acquis des connoissances générales qui peuvent le faire regarder comme un homme instruit. Il luy manque même beaucoup pour sentir le mérite de la supériorité qu'il n'a pas. avec une médiocre capacité. le Stevenon . Mr. 2) a aujourd'huy le crédit dominant. Deel 30 . pendant qu'il estoit Pensionnaire d'Amsterdam. C'est par là que M. Hij was 8 Maart 1726 tot eersten secretaris der Staten van Holland benoemd. II. Mr. Il est. Elias. qui le rend fertile en arguments. autre Bourguemestre de la ville d'Amsterdam. c'est icy le lieu de parler de luy. où il n'auroit plus à parler. 7) Son fils. 4) M. du parti dominant. (Elias. 690. D'ailleurs. Willem Buys. Jan Trip. heer van Berkenrode. mais elles sont cependant touttes de l'ordre commun. II. Mattheus Lestevenon. Comme M. heer van Strijen (Elias. Zie Elias. Men vindt die ambassades vermeld bij Elias. 718. Tripp . II. 719. ont fait qu'on l'a vu avec plaisir 6) passer à l'employ de secrétaire des Etats de Hollande . qu'il a eu le crédit de se faire substituer en qualité de Pensionnaire . II.c. Abraham Buys. souvent peu de mise en politique. a hérité de sa loquacité. Diens zuster Elisabeth was getrouwd met Willem Buys. de 3) plus. II. Buys passe pour avoir conservé du pouvoir sur l'esprit de ce Bourguemestre. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. il n'est pas sans lumières.176 1) se discréditeroit sans retour. l. 710). qui a esté sa première profession . Elias. Buys a esté si souvent employé dans les Ambassades et dans les affaires du dehors. Mr. Ses longues harangues dans les Etats de Hollande. De Vroedschap van Amsterdam. beau frère de M. 718). qu'il accompagne 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) Mr.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.177 d'un air de légèreté et de suffisance qui ne paroissent pas chez luy devoir s'imputer seulement à la grande jeunesse. et. il a toujours assez réussy dans ce qu'il a entrepris pour son avancement particulier ou pour celui de sa famille Il ne passe pas même pour avoir renoncé au Pensionnairat. et la préférence donné à M. et il est d'un caractère à estre sensible à la considération qu'on luy marque. malgré la haine presque générale contre luy. il ne laisse pas d'estre bon à cultiver. où ce caractère est moins de mise que partout ailleurs. et qui ne promettent pas qu'il puisse jamais avoir beaucoup de poids dans un pays. 1) Personne ne pousse plus loin que luy l'éloignement pour le Stathoudérat . Buys ne soit plus en place à Amsterdam. p. Il ne manque pas d'adresse pour arriver à ses fins. 110). den 23en Nov. Heinsius noemde hem een habbelaar (Salomon. Deel 30 . Buys eut avec moy se termina à me laisser une grande idée de son esprit et de sa capacité qu'il me fit sentir estre plus grande que celle de tous Mrs. de Slingland ne contribue peut-estre pas moins que son attachement aux intérests particuliers de la ville d'Amsterdam à ne le pas rendre un partisan des projets du Pensionnaire pour le redressement des finances. attendu la relation qu'il y conserve encore. Geschichte des letzten Ministeriums Königin Annas von England. Chateauneuf vond hem buitenmatig verwaand. Quoyque M. 1713 schreef hij aan Torcy: ‘Toutte la conférance que Mr. Ses vues dans les négotiations présentes ne se sont étendues que bien tard au-delà de ce qui rapportoit tout à l'unique objet de l'intérest de la ville d'Amsterdam sur le commerce d'Ostende. 1) Het ongunstig oordeel van Fénelon werd door anderen gedeeld. les Etats Généraux.

c'est luy pour qui elle paroist avoir le plus de prédilection. il doit estre fort tourné de ce costé-là. Mr. Pensionnaire de Dort.178 1) M. Weiser . C'est un homme sans ambition. qui prétendent le connoistre. de la Bassecourt aujourd'huy premier Pensionnaire d'Amsterdam. est d'un caractère bien supérieur. François Teresteyn van Halewyn. Je dois cependant dire à son avantage que le feu Pensionnaire Hoornbeek. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. XIX. Bedoeld is Mr. Wagenaar. peu devant sa mort. sa dextérité dans les affaires. 4) M. 2) M. est un homme sensé. Hallewijn . mais il est venu tard aux affaires. mais dur dans la négotiation. werd hij met de tijdelijke waarneming van het raadpensionariaat belast. Jacob de la Bassecour. Deel 30 . car. Adolf Visscher. de Slingland. Tout ce 1) 2) 3) 4) Mr. p. et décidé en tout par l'intérest particulier de sa ville. 88. et qui veut le bien de sa patrie. après M. Toen Slingelandt in 1727 ziek was. Pensionnaire de Haarlem. Sa souplesse. croyent qu'on peut faire sur luy. Bijvoegsels. hij was in 1723 pensionaris geworden. reeds pensionaris sinds 1704. a acquis de grandes connoissances par la lecture. et sa manière de les traitter. me l'avoit en quelque sorte désigné comme celui qu'il jugeoit le plus propre à lui succéder. mais il s'est rendu suspect à beaucoup de membres par le caractère ambitieux qu'on luy impute et par le peu de fonds que ceux. le font regarder comme plus capable qu'un autre de remplir un jour la place de Pensionnaire de 3) Hollande . Si la faction Angloise ne se trompe point sur ses véritables sentimens.

Willem Hooft. Deel 30 . burgemeester van Leiden. C'est un membre qui mérite fort d'estre cultivé. de la ville de Delft. C'est luy qui. burgemeester van Rotterdam. mais ce sont gens peu accessibles pour un Ambassadeur. de celle de Leyden. 5) Je ne parle point de M. Waarschijnlijk wordt bedoeld Mr. Marinus Groeninx. die een rol van beteekenis had gespeeld in de onderhandelingen van 1709 en volgende jaren. gevolmachtigde was geweest te Utrecht en later voor de onderhandelingen over de Barrière naar Antwerpen was afgevaardigd. dans l'affaire de l'accession. 3) 4) Groeninx . Ouft . 1) 2) Il y a encore M. dont la capacité dans les affaires est connue. j'ay cru voir que ses soupçons avoient changé d'objet et qu'il n'estoit pas moins occupé du danger que la suitte des préliminaires ne fût de susciter des embarras au gouvernement en Angleterre. Johan van den Bergh. de Horn. et M. burgemeester van Delft. burgemeester van Hoorn.M.179 que les livres luy ont appris du peu de sincérité des Cours dans les négotiations le rend extrêmement soupçonneux. et de Conik . Albert Coninck. qu'il l'avoit esté de luy lier les mains pour qu'il ne pût pas embarquer à son gré la République dans une guerre. par défiance des vues particulières de l'Angleterre et de la ville d'Amsterdam. de Vandenberg est le seul d'entre eux avec qui j'aye pu faire quelque connoissance. qui sont des Bourguemestres d'un grand poids dans leurs villes et dans la Province. de Van der Dussen . fut le grand promoteur de la clause du concert préalable. Mr. mais 1) 2) 3) 4) 5) Mr. Mr. Mr. et depuis les difficultés apportées de la part d'Espagne à l'exécution des préliminaires. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Bruno van der Dussen. burgemeester van Gouda. Vandenberg . de Rotterdam.

sur tout ce qui a rapport aux intérests de son fils. mère du Stathouder. qu'en substituant à sa place un de ses proches . et l'autre dans celle de Frise. Il y a sujet de le croire affectionné à la maison du Prince de Nassau. De bekende Sicco van Goslinga. Adriaan van Lynden tot Ressen. 2) 3) M. Dans la dernière vacance du Pensionnairat. et n'a cessé de l'estre. quelques gens le nommoient comme un sujet auquel on pouvoit songer. het congres van Soissons. il ne sera pas nécessaire de 1) 2) 3) 4) 5) Cornelis van Bijnkershoek.i. In zijne plaats bij den prins kwam Derk van Lynden tot de Park (D'Ablaing van Giessenburg. D. l'un dans la Province de Gueldres. est un grand magistrat. Van Lynden werd in 1726 burggraaf van Nijmegen. de Goslinga est destiné pour le congrès et que M. sinds 1724. 5) Comme M.M. de la Baune ne le verra que peu de temps à la Haye. 1) M. et M. qui est à la Haye à la tête d'une des Cours de justice. et qui passe pour homme d'une grande probité. De Ridderschap van het kwartier van Nijmegen). de bekende rechtsgeleerde.180 qui s'est absolument discrédité par son manque de moeurs et de tout principe et par un esprit d'intérest sordide. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. de Binkershoek . pour remplir le Burgraviat de 4) Nimègue. de Lynden et de Goslinga sont des membres de grand poids. qui joint beaucoup de lumière à un grand sçavoir. Deel 30 . Ils ont l'un et l'autre part principale dans les Conseils de la Princesse de Nassau. president van het Hof van Holland. de Lynden a esté longtemps gouverneur du jeune Prince.

M. sinds 1724 afgevaardigd ter Generaliteit. que la chaleur avec laquelle ils s'y sont pris pour servir les intérests du Prince a plustost reculé qu'avancé ses affaires. de Lynden. et l'on suppose qu'elle a esté beaucoup suscitée par les membres de 3) 4) la Hollande. afgevaardigd ter Generaliteit in 1723 (D'Ablaing van Giessenburg. de Welderen et Torck . Sicco van Goslinga. Dat is niet geheel juist. en bij vergaderingen van den landdag werd hij gewoonlijk benoemd tot directeur der zes afgevaardigden van het Nijmeegsch kwartier voor de loopende zaken. 1) 2) 3) 4) Men zie over hem het proefschrift van G. assez ouvert et rond en affaires. D'ailleurs. sont de cette faction. burgemeester van Hattem. L'employ de Burgrave. luy avoient d'abord fait prendre une supériorité entière dans la Province. de Lynden Président de la noblesse en 2) Gueldres . qui sont députez aux Etats Généraux pour la noblesse de cette même Province. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. graaf van Welderen.). ennemis du Stathoudérat. et ce qu'ajoutoit au crédit de sa place celuy qu'il a à la Cour du Stathouder. Slothouwer.181 1) s'étendre beaucoup icy sur son sujet . Il est bon seulement de dire de luy et de M. Bernard. M. Deel 30 . qui rend M. de Lynden est un homme sensé. in die kwaliteit presideerde hij dan de landschapstafel. avec qui il paroist fort uni.. De burggraaf van Nijmegen was het aanzienlijkst lid der ridderschap van het kwartier van Nijmegen. op cit. La jalousie qu'elle a exitée a fort contribué à former une faction au désavantage du crédit du Prince dans la Province. ce que j'ay cru et crois encore vray à un certain point. mais il ne paroist pas qu'il ait sçu assez en ménager l'usage.M.M. Frederick Willem Torck. Il a toujours fait avec moy profession ouverte de donner une grande préférence à ce qui venoit de la part de S.

en Adriaan van Lynden tot Ressen. et dont la Province. plus sage que luy. afgevaardigd om George II na diens troonsbestijging te begroeten en de tractaten te vernieuwen. 18 Sept. b. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. qui demeureroit plus exposée qu'une autre. Res. mais le goût du plaisir les rend fort amusez. de Welderen en particulier.v. attendu le mauvais état de ses finances.182 attendu la situation de sa Province. maar in het laatst van 1727. dans les commencements avait tenu une conduitte propre à en faire bien espérer. d'ailleurs. par raport à une guerre qui luy conviendroit encore moins. n'avoit jamais voulu profiter. de Goslinga. ce ministre l'ayant 1) même engagé à prendre le titre de Comte sur une concession de l'Empereur . Adolf Hendrik van Rechteren. qui paroist l'avoir assez adroit. J'en dis autant de M. 1727). s'est fait depuis grand tort par sa passion pour le jeu et pour les femmes. echter niet in 1729. Deel 30 . Hij werd met Cornelis Sylvius. dont son père. (Zie de conceptinstructie in de Secr. de Königsegg. M. Il s'est même rendu fort suspect à ses confrères par la grande familiarité qu'il a contractée dans la maison de M. il en fait une à la Haye fort 1) 2) In de eerste helft van de 18e eeuw werden meerdere Geldersche en Overijselsche heeren door den Keizer in den gravenstand verheven. de Welderen et Torck sont de jeunes gens qui ont de l'esprit. qui. zooals D'Ablaing op cit. est dans le même cas que la Gueldres. dans le cas d'une rupture où le secours de S. manqueroit. de Lynden de sçavoir déguiser ses vrays sentiments. burgemeester van Haarlem. mais je n'ay pas laissé de m'appercevoir plusieurs fois qu'il ne me disoit pas tout sur les cas qui pouvoient oppérer prédilection chez luy pour les insinuations de l'Angleterre. qui est encore plus capable que M. M.M. surtout le dernier. Son goust pour la dépense 2) n'a pas commencé à paroistre dans son ambassade à Londres . zegt.M. Holland.

1) M. de Singendonck est aussy député pour la Gueldres aux Etats Généraux. entre lesquels M M. en dépenssant beaucoup. Le feu Pensionnaire. qui n'estoit pas pour le Stathoudérat. mère du Stathouder. plus que les autres.183 disproportionnée à ses facultez. Il est fils d'un père qui sçavoit se procurer des ressources pour accommoder ses affaires. Comme la Gueldre est dans l'usage d'envoyer beaucoup plus de députez aux Etats Généraux que les autres Provinces. qui y viennent de la part de la noblesse des quartiers dont ils sont. Je l'ay vu juger bien sainement du véritable intérest de la République et frapper au but. et où il a un crédit dominant. avoit en luy une grande confiance. Johan van Wijnbergen. ne seront pas inutiles à cultiver. il y en a encore plusieurs. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . Christiaan Karel van Lintelo. dont il est Bourguemestre. Il a sçu tirer parti du soutien en sa faveur de la Princesse. 1) 2) 3) Matthias Lambertus van Singendonck. qu'il ne s'est pas livré. Il y est de la part de la ville de Nimègue. In 1702 had Hendrik Singendonck te Nijmegen tot de Nieuwe Plooi behoord en een rol gespeeld. sur ce qui se passoit en Espagne pour la conciliation des difficultez survenues au sujet de l'exécution des préliminaires. C'est un homme d'un grand jugement et fort appliqué aux affaires. qui a cherché à le mettre dans les intérests de son fils. Il paroist cependant. 2) 3) de Wymbergh et de Lintelo .

Comme députez de la noblesse de la Province. de faire liaison. parcequ'il la recherchera luy-même. M. et avec qui il sera facile au ministre de S. Il est fort sujet à parler avant que d'avoir pensé. et l'on peut tirer beaucoup de luy. de Wynberg est aussy grand parleur. Il est beaucoup plus instruit qu'on n'a coutume de l'estre en ce pays-cy. C'est un confident de la Princesse de Nassau. Deel 30 . Si ce caractère connu n'est pas propre à luy donner du poids. ils sont toujours présidents des commissions où ils assistent. où il s'agiroit de faire un choix entre la France et l'Angleterre. est un membre qui mérite fort d'estre cultivé. Il est parfaitement au fait de l'intérieur de la République en général. 1) 2) Van 1700-1716. et luy fait reconnoistre tout le mérite de l'appuy de S.M.M. 2) M. toen was hij op zijn verzoek van dit ambt ontheven.184 1) Le dernier a esté assez longtemp ministre de la République à Berlin . et en profitant de son goust pour la société de la table. député comme M. Philip Frederik Vegelin van Claerbergen. de Wegelin . il s'en est même expliqué ainsy plus d'une fois avec moy. et ils le sont à leur tour de la commission secrette. Cette connoissance le rend zélé partisan de la continuation de la paix. de Goslinga aux Etats Généraux de la part de la Frise. il a aussy son avantage pour tirer de luy des lumières. Il est cependant de ceux qui seroient embarassez dans le cas. et de celuy de sa Province en particulier. en luy marquant de la considération. Il a même du sçavoir et c'est un homme appliqué aux affaires. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

de Svartzembourg . baron van Ginkel. et n'a dans sa Province rien au-delà de la sorte de crédit que sa place luy donne nécessairement. il luy manque cependant une certaine force pour appuyer en public son sentiment et le faire prévaloir. Quoyqu'il juge très-bien des choses. le feu Comte d'Athelone . et par là il est facile de former liaison avec luy. Il est fort instruit des affaires par une 4) longue expérience et connoist bien le fort et le foible de la République et les caractères différents des divers membres. Il est à Utrecht Président du second membre. 168. Il est neveu de M. Nijhoff's Bijdr. 2) 3) M. à qui il défère entièrement. et qu'il ait plus de connoissance que la pluspart des autres membres. autre député de la Frise à l'assemblée des Etats Généraux. Il est sociable. mais il donne aujourd'hui beaucoup à la vie commode. de Rinswoude est d'une maison fort considérable. qui a commandé les armées de la République. ce qu'il sçait même accompagner des apparences d'une grande effusion de coeur. Son extérieur ne prévient pas sur ses lumières. est un homme d'une naissance distinguée. Frederik Adriaan van Reede. qui est celuy des nobles. 4e reeks II. de Goslinga. Il n'est pas sans adresse pour en imposer quelquefois sur le fonds de ses sentimens. Ce n'a 1) 2) 3) 4) Michael Onuphrius thoe Schwartzenberg en Hohenlandsberg. Tijdens zijne ambassade van 1713-18 had Chateauneuf ook reeds vele relaties met Renswoude gehad. Deel 30 .185 1) M. mais rien au-delà. en étoit. graaf van Athlone enz. Godard Adriaan van Reede. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. heer van Renswoude. on ne laisse pas de le trouver sensé en affaires.

Il pense tout au mieux sur le mérite de l'appuy de S. Cornelis Quint. qu'au millieu de toutes les confidences qu'il me faisoit. Le feu Pensionnaire faisoit de luy un cas tout particulier.186 esté qu'après bien des temps. Je le crois cependant en gros fort bien intentionné. Damerongue est du corps des élus.M. afgevaardigde ter Staten-Generaal. Zijn vader was Joost Taets van Amerongen tot Natewisch. que suggéroit la défiance où on estoit entré de quelque suitte dangereuse des préliminaires par raport à l'Angleterre. en luy paroissant estre dans cette persuasion à son égard. où il a le crédit dominant. et qui m'ont esté souvent fort utiles. a encore son père membre du corps des nobles. 2) Le Bourguemestre Quin a eu longtemps le crédit dominant dans la ville d'Utrecht. Son oppiniâtreté 1) 2) Gerard Godard Taets van Amerongen tot Natewisch. kanunnik van St. Jan. que je me suis apperçu. de Rinswoude. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Il n'y a que le fils qui vienne à la Haye. burgemeester van Utrecht. C'est un homme assez particulier et avec qui l'esprit de société ne donne pas le même lieu de lier qu'avec M. outre cela. il entroit plus qu'il ne vouloit que je le crusse dans des démarches. et qui. Il m'a toujours donné lieu de le croire fort opposé au rétablissement du Stathoudérat. et fort en dernier lieu. lid der Ridderschap sinds 1691.. 1) M. et il y a beaucoup à tirer de luy. Deel 30 . qui fait à Utrecht le premier membre de la Province. Il juge fort seinement des affaires et des intérests de la République. mais c'est un membre qui a par luy-même un grand poids dans sa Province. et est très-ferme pour faire valoir son sentiment.

Dr. La possession du crédit particulier. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. zou men in Beintheim een lid der Ridderschap willen zoeken. In 1705 had de keizer hem in den gravenstand verheven. Tout ce que je sçay de son caractère est que c'est un 1) 2) 3) De bekende Adolf Hendrik van Rechteren. et le danger de le voir tomber par celuy que prendroit un Stathouder. Deel 30 . C'est un homme d'une intrigue et d'une activité extrême. Reinhard Burchard Rutger. qu'on a soupçonnée n'avoir pas esté sans intérest. de Recteren . Volgens vriendelijke inlichting van den rijksarchivaris in Overijsel. graaf van Rechteren. Schoengen. a repris une entière supériorité depuis 3) la mort de ce rival. 160 vermelde verbintenis van 1724 namen vijf Bentincks deel. 1) M. Staten-Gen. zou met Beintheim kunnen bedoeld zijn Anthoni van Benthem. de Beintheim . et l'on a attribué à cette diminution de crédit le parti qu'il a pris de se faire députer de la part de sa ville aux Etats Généraux. l'ont toujours rendu jusques icy des plus ardents contre le Stathoudérat.187 à traverser jusqu'au bout l'affaire de l'accession. Zoo staat er. Daar hier toch van de Ridderschap sprake is. dont le crédit dans le corps de la noblesse d'Overyssel s'estoit vu 2) partagé par la faction de M. Of deze echter den invloed van Van Rechteren bestreed en eene partij onder de Ridderschap had. Zou het een der Bentincks kunnen zijn. Depuis que je suis en Hollande. die ook wel eens Benthem of Bentheim genoemd worden? In de op p. 13 Mei 1728). mais cest un homme qui ne passe pas pour estre d'un caractère sur lequel on puisse faire de fonds bien certain. M. daarvan is mij niets bekend. luy a fait perdre quelque terrain. et il vient tout nouvellement de faire choisir un de ses enfants pour venir député aux Etats Généraux. die voor het eerst in 1694 voor Kampen ter Staten-Generaal werd afgevaardigd. de la part de la noblesse du premier quartier. heer van Almelo. il n'a pas paru à la Haye. heer van Gramsbergen (Res.

et qui s'est attiré beaucoup d'affaires par là. et parlent avec grand éloge de ces bonnes intentions pour la patrie. de Stembergh est aussy fort opposé au Stathoudérat. (Resol. en venant s'établir pour toujours à la Haye. in 1725 wederom (voor het eerst in 1704) afgevaardigd ter Staten-Generaal. de Stembergh dispose sans partage. On crut dans l'affaire de l'accession qu'il avoit esté fort dans les intérests de l'Empereur pour la traverser. les zélez deffenseurs de la liberté contre le rétablissement du Stathoudérat comptent beaucoup sur luy. Les députez que la Zélande envoye aux Etats Généraux y sont à vie. Il seroit donc assez inutille de s'étendre sur le sujet de gens qui ne sont que de simples organnes des 1) Joan Beeltsnijder Steenbergen. C'est un homme très-estimable. dont M. Il y a en Overyssel trois villes. qui font partage de suffrage avec les nobles des trois quartiers. M. deux de ces villes sont partagées en plusieurs factions. et il faut avouer que c'est un sistème fort général. ce qu'il fait qu'ils perdent beaucoup de leur crédit personnel dans leur Province. et le ministre Impérial s'estoit adressé à luy. en effet. en sorte que ceux qui viennent de leur part aux Etats Généraux ne peuvent pas estre regardez comme ayant dans ces villes un crédit dominant. d'ailleurs. Je le crois cependant dans le système de ceux qui supposent l'union avec l'Angleterre absolument nécessaire à la République.188 homme d'un tempérament fort emporté. mais il n'en est pas ainsy de celle de 1) Campen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. et dont les intentions sont fort bonnes. Staten-Gen. il ne se rendit que tard. Deel 30 . 27 Mei 1725).

I. heer van Geldermalsem. qu'ils doivent attendre d'une Province où ils conservent d'ordinaire peu 1) d'influence. 291. 61 Adriaan van Borsele. député aussy à vie de la part de la Zélande au Conseil d'Etat. 3) M. que par la considération que son bon esprit. et je n'y ay jamais vu les membres les plus accréditez. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Il arrive assez ordinairement qu'il n'y a pas à la Haye plus d'un député aux Etats Généraux de la part de la Province de Groningue. Velters en Ockersse.189 instructions. de Gueldermassen . où ils sont fort occupez des divisions domestiques qu'entretient l'ancienne jalousie entre la ville de Groningue et les Omelandes. Caspar van Citters. Il y a dans cette Province un grand Pensionnaire. mais il est tellement affoibly. qui forment les deux membres de la Province. 1) 2) 3) In 1727 waren afgevaardigden van Zeeland de heeren Noey. seroit un membre à ne pas oublier. de karakteristiek van hem door Dubois. raadpensionaris van Zeeland van 1718-34. Zie Tegenwoordige Staat van Zeeland. van Hoorn. De quatre même qu'ils sont il en est mort deux depuis peu . et peut-être peu de jours à vivre. Vgl. Ils se tiennent chez eux. 4e reeks. I. Nijhoff's Bijdragen. et sa longue expérience luy ont acquise. est un homme d'un esprit fort bizare. qu'on peut le regarder comme un homme qui a au plus quelques mois. son caractère contribue fort à ne pas faciliter de la part de cette Province les affaires où son concours est nécessaire. Comme 2) celuy qui l'est aujourd'huy . de twee laatsten komen later niet meer voor en waren vermoedelijk gestorven. comme en Hollande. son application aux affaires. tant parce qu'il a vu beaucoup de choses.

d'Iterson qui a esté longtemps député aux Etats Généraux. als van alle andere eerlycke luyden’ zulk een knip op de neus gekregen had. et il n'a esté exclu des employs que par les brigues de M. qui a eu pen- 1) 2) 3) W. die dit triompheerend aan Heinsius berichtte. sprak er zijne voldoening over uit. II. van Sonsbeeck. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Hij was indertijd zeer geliëerd met Chateauneuf en was dat ook geweest met den Engelschen gezant Strafford. mais qui n'est plus en place. Archief van Heinsius). Hij was tot 1711 afgevaardigd geweest ter Staten-Generaal voor Twenthe. pour le mettre au fait de ce qui passe par son colége.Gestr. 4e Reeks.190 1) Son confrère. M. Ernst Hendrik van Ittersum tot Oosterhof. 167). p. qu'une conjecture. Heinsius en diens vrienden waren hem alles behalve vriendelijk gezind. Den 7en Juni 1715 berichtte Chateauneuf over hem: ‘M. Ce n'est icy. de Van Leyden . Strafford door het nieuwe ministerie werd aangeklaagd. zijne verbindingen met den laatste waren stellig niet van onbedenkelijken aard geweest.’ . en Joh. au reste. L'un est M. heer van Vlaardingen. Deel 30 . (Rijksarchief. van den Bergh. de Sonsbeck . Les Estats-Généraux ont esté satisfaits des négociations dont ils l'ont chargé en Allemagne. den 19en Juli 1715 schreef de agent Chavigny aan Torcy: ‘M. na de troonsbestijging van George I. heb ik elders reeds meegedeeld (Nijhoff's Bijdragen. Itersum passe icy pour un homme d'esprit et de mérite. qui a sçu fort l'attirer. le Comte de Königsegg. de la part de la noblesse de la Province d'Overijssel. 3) L'autre est M. son ennemi déclaré.Dat Chateauneuf zijne bekwaamheden hoog schatte. de Rechteren. le comte de Strafford. Je soupçonne qu'il n'est peut-estre pas inutille à M. Il est de ceux dont on peut mettre la liaison de table à profit. want toen. est un homme d'un caractère qui luy attire peu d'estime. de Leyden m'a confié les embarras où il se trouve et la crainte qu'il a d'estre enveloppé dans les accusations de M. Pieter van Leyden. was Van Leyden zeer beducht. 2) Il y a encore deux hommes à la Haye dont il est bon de parler. In 1717 trachtte hij van de vroedschap van Leiden verlof te krijgen om het rentmeesterschap der domeinen van de grafelijkheid te aanvaarden zonder afstand te doen van zijne vroedschapsplaats en van de bedieningen die hieruit voortvloeiden Het werd hem met 25 tegen 10 stemmen geweigerd. dat ‘desen quaadtaardigen quandt ende vyandt soo van UWelEd.

en sorte que. Le second a esté perdu par une affaire d'intérest. en effet. qui l'a exclu des employs. qui en fait même un espèce de conseil du ministre Anglois à la Haye. mais qui l'a entièrement perdu. il est homme capable de bien conseiller. et par là ils recherchent assez les ministres étrangers. quoyqu'il soit encore membre de la régence de cette ville. M. Comme ils se trouvent l'un et l'autre fort desoeuvrés. Le premier est un émissaire de l'Angleterre. Deel 30 . attendu le tort qu'a fait à sa réputation l'affaire qui l'a perdu. de Van Leyde n'est pas sur le même pied. J'ay eu beaucoup de relation avec ce dernier. au moins en quelque genre. qui est un homme moins caché. qui luy a fait beaucoup de tort.191 dant un temps le crédit dominant dans la ville de Leyden. Le premier s'est brouillé dans sa Province avec la cabale dominante. étant entièrement dévoué à Mylord Townshend. et souvent à mon profit. Je connois moins aussy ses allures que celles de M. Ce sont deux hommes capables et instruits. d'lterson. Il n'est pas même sans influence. qui ont conservé de l'estime pour luy. ils ont de la peine à renoncer à faire personnage. qui en peuvent tirer des lumières. attendu ses anciennes habitudes avec les principaux ministres de la République. La place de Pensionnaire et celle de greffier des Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. il ne s'y tient quasi plus.

Il arrive même souvent que le Pensionnaire et le Greffier. en se rendant chez luy la veille ou le matin avant l'heure de l'assemblée. jugeant du bon effet que peut produire la connoissance dans les Provinces de ce qu'on leur communique et voulant en avancer le succès. il suffit de le faire de vive voix. Ces conférences se tiennent avec les commissaires des Etats Généraux. Ils sont au nombre de huit. mais. l'on doit s'adresser au Président de semaine. deux de la Hollande. et un de chacune des autres Provinces. Lorsqu'on est dans le cas d'en demander une. à proportion qu'on s'apperçoit qu'ils sont instruits de l'affaire dont il s'agit. suivant ce qu'on connoist des caractères et des affections différentes. Cela n'empêche pas cependant. Le Greffier est toujours aussy de ces conférences. de Slingland et Fagel. Les deux pour la Hollande sont de droit le député aux Etats Généraux de la part du corps des nobles de Hollande. que l'on ne puisse et qu'on ne doive en même temps profiter des occasions qu'on a d'entretenir les principaux membres.192 Etats Généraux estant aujourd'huy occupées par des ministres aussy consommés dans les affaires que M. il y a beaucoup d'avantage à se renfermer à traitter avec eux. diversifiant les raisons à dire à chacun. et en est aujourd'huy l'âme avec le Pensionnaire. et le Pensionnaire. ces conferences se doivent demander par un memoire adressé aux Etats Généraux. Dans les cas mêmes Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. quand elles deviennent aussy fréquentes qu'elles l'ont esté depuis deux ans. sont les premiers à proposer d'en faire part dans une conférence. Régulièrement parlant. toutes les fois qu'on a lieu de les croire égallement bien intentionnez et en état de procurer par eux-mêmes le succès de ce qu'on est chargé de ménager. députez pour les affaires étrangères.M. pour s'ouvrir avec eux. Deel 30 .

qui.193 où ce qu'on auroit à communiquer ne seroit qu'une dépendance de ce qui se seroit passé dans une conférence précédente. Le Pensionnaire et le Greffier sont des ministres si principaux. qui est toujours un député de Gueldres. il y avoit des occasions où il fût bon qu'eux et la commission ne se trouvassent pas préparez à ce que l'on se proposeroit de dire ou de délivrer dans la conférence. comme par exemple celuy d'Angleterre. quand c'est un membre d'un certain poids. de la Baune ce qu on appelle la Chambre de Trève. Le lieu de ces conférences sera toujours pour M. il y auroit toujours une manière légère de leur parler du dessein où l'on seroit d'en demander une. que pour les mettre en état de préparer les esprits à entrer dans de semblables dispositions. et d'en parler aussy au Président de la commission. de Slingland et Fagel. surtout dans la personne de M. autrement ils auroient lieu de regarder la chose comme un défaut de considération ou de confiance. Il importe même ordinairement beaucoup de les avoir entretenus d'avance de ce qu'on se propose de traitter dans la conférence. comme la première Province. tant pour les disposer favorablement eux-mêmes. qu'on ne doit point demander ces conférences sans leur en avoir parlé auparavant. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . sans leur découvrir ce qu'on ne voudroit pas leur laisser pénétrer d'avance. on pourroit s'adresser seulement au Président de la commission.M. à moins qu'il ne dût estre de quelque une qui se tiendroit chez un autre ministre. s'il s'en trouve un à la Haye avec caractère d'Ambassadeur. ou une des Chambres qui sont à costé. cependant. Si. ne les mît pas dans le cas de s'indisposer de ce qu'on la demanderoit à leur insçu. mais le mieux cependant est de s'adresser toujours au Président de semaine.

comme il a esté dit. L'usage de la Haye est donc que les commissaires des Etats Généraux donnent à tout ministre de quelque Prince que se soit. On use encore d'un autre expédient. Le Président de la commission se place donc. qui est si étroitte à proportion de sa longueur. et se placent à l'autre. Il est vray qu'il y a des Résidents qui tâchent d'éluder cet usage et avec qui les conférences se passent dans une sorte de confusion qui sert d'expédient. et avec cette circonstance que le Résident doit encore laisser un siége vuide entre luy et le Greffier. La Chambre de Trève. le costé étroit du haut bout de la table devant alors rester sans estre occupé. en sorte que l'Envoyé se trouve à la place honorable vis-à-vis le Président de la commission. Deel 30 . sans avoir égard au plus ou au moins de dignité des Princes qui les envoyent. au haut bout de la table. Le Président estant placé. au haut bout de la table.194 Une circonstance obligera de s'étendre icy sur la scéance de ces conférences. le costé droit de cette longue table. mais il en est tout autrement avec les ministres qui n'ont que le caractère de Résident. L'on se range le long de cette table. le Résident estant placé du costé gauche. qui est une sorte de gallerie beaucoup plus longue que large. après le Greffier. en ce cas. et les autres commissaires partagés le long des deux costés en long. et les autres commissaires se partagent ensuitte le long des deux long costés. qu'il n'y a de place que pour un siége à chacun des deux bouts. qui l'est luy-même au-dessous des autres commissaires. placé de travers Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. est occupée dans sa longueur par une fort longue table. qui a caractère d'Envoyé. on donne un siége au Résident à la droite du Président. une partie des commissaires se tenant assis et les autres debout avec le Résident.

Les officiers généraux de mer ou de terre de la République sont placés de même. et où les tables sont de la même forme et disposées de la même façon que celle de la Chambre de Trève. pour estre lu à l'assemblée ou seulement dans la commission secrette. et qu'il y auroit cependant beaucoup d'inconvénient à s'interdire la voye des conférences. lesquelles sont sensées plus sans céremonies. Il y a encore une autre manière de traitter les affaires. Dans le cas encore où le Président de semaine se trouveroit un membre de petite considération. et dont la dernière paroist la plus honorable. et que le Président de la commission secrette seroit au contraire un membre d'un certain poids. on pourroit ne s'adresser qu'au der- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. mais avec la petite distance nécessaire pour qu'il ne soit pas sensé en rang parmy les commissaires. qui demandent qu'on ne s'en tienne pas à passer uniquement par le canal des ministres. le traittement que l'on refuse à tout ce qui n'a pas le titre d'Envoyé. On peut donc le faire par un mémoire adressé aux Etats Généraux. quand on veut en user ainsy avec le Résident. et sur lesquelles on voudroit cependant éviter l'éclat des conférences.195 vis-à-vis l'angle droit de la table. Deel 30 . suivant que l'affaire demande plus ou moins de ménagement. quand on les appelle dans les conférences pour les consulter. il a esté nécessaire d'entrer dans ce détail. de la Baune. ou par une simple déduction qu'on remet au Président de semaine. pour luy indiquer les deux méthodes qu'il peut suivre. qui sera sans caractère. mais. Comme on feroit apparemment difficulté d'accorder à M. la conférence a coutume de se tenir dans une des chambres particulières qui sont à costé de la Chambre de Trève.

Au reste. et que c'est une chose qui demande bien de la circonspection. mais à présent la chose ne se pratique plus. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Par une concession particulière de S. ses ministres. doivent traitter les Etats Généraux dans les mémoires qui leur sont adressés 1) de ‘Hauts et Puissants Seigneurs’ et de ‘Hautes Puissances’ . si l'on se trouvoit dans le cas d'avoir à parler dans leur assemblée. 267.M. On conclura ce mémoire par une réflexion de grand usage pour les occasions importantes. Deel 30 .196 nier. s'il vouloit s'en charger. Il estoit autrefois en usage de s'y rendre dans des occasions importantes. pour luy confier ce qu'on voudroit qui fût lu seulement dans cette commission. et il n'y a plus que les cas de pure cérémonie où les ministres étrangers soient admis à l'audience des Etats Généraux. cette dernière réflexion ne s'étend point aux demandes à faire aux Etats Généraux dans touttes les choses communes qui ne tirent point à conséquence. lesquelles se font touttes par un mémoire adressé aux Etats Généraux. 4e Reeks. ou même au Greffier. comme il ne convient pas toujours de s'expliquer par écrit. Mais.. sans en avoir l'ordre et sans estre bien instruit des termes dans lesquels on doit le faire. ce qu'il a quelquefois fait avec moy. que l'on remet au Président de semaine. Nijhoff's Bijdragen. le plus sûr en ce genre est toujours de ne le point faire. Il en seroit de même. La République estant aussy circonspecte sur les propositions nouvelles qu'on luy fait qu'elle est facile 1) Dit was bedongen bij de Triple-Alliantie van 1717. II. de quelque caractère qu'ils soient.

.197 à convenir des moyens de faire réussir ce qu'elle auroit résolu par elle même. noot (octavo-uitgave van 1820). de se conduire de façon que. Memoirs of Horatio lord Walpole. pour le succès des vues où il s'agiroit de la faire entrer.M. Tome 373. il est de la dernière importance. 324. Deel 30 . elle se 1) porte de son propre mouvement à désirer ce qu'on auroit à luy proposer . maar een regel verder. sentant le besoin de la protection de S. bij het einde van den zin. 1) Op p. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Correspondance. is weggevallen eene verwijzing naar Coxe. Op p. 166. 125 moet de verwijzing naar de noot niet staan bij verponding. Paris. bij de vermelding van Slingelandt's lastig humeur. Fol. Archives des Affaires Etrangères. I. 306-364. Hollande.

C. Het stuk. het stuk in het licht te geven. maar het terrein der schenking gaf hem moeilijkheid. Pijnacker Hordijk. Fastraad Scheerbaard. scheen mij eene curiositeit. Ik vergiste mij niet: aanstonds toonde hij zich geneigd. Den held der oorkonde. die de onbekende tekst aan de hand deed. Reeds zes jaren is het geleden. die hierachter voorkomt onder n 3. eerlang verdiepte hij zich ook in de verschillende problemen. C. dat ik aan Mr. Deel 30 . en toen hij ook deze was te boven gekomen.198 e Twaalf onuitgegeven oorkonden uit de 12 eeuw. die van onze vroege middeleeuwen zeker wel de beste kenner is geweest. Pijnacker Hordijk signaleerde de o oorkonde van graaf Dirk VI van Holland. had hij spoedig teruggevonden in eene oorkonde der abdij van Postel. die de behandelde periode goed kende en de litteratuur daarover geheel beheerschte. uitgegaan van een der oudste Hollandsche graven. van wien slechts ééne enkele oorkonde (van 1156) bekend is. Medegedeeld door wijlen Mr. vooral aan een geest als den zijne. reeds op zich zelf niet zonder Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. die wel de aandacht zou trekken van den geleerde. gaf de datum der oorkonde.

o P. eene uitgaaf verdienden. 1) o Eene andere oorkonde van 1188 (Brom N . Brom's uitgaaf van de Regesten der oorkonden betreffende het sticht Utrecht tot 1301. 129..H. zoover mij bekend werd. Mr. Hij zette zich met ijver aan de uitvoering van dit meer uitgebreide werkplan. die daarmede in strijd schenen.a. doch zoover ik kan nagaan. niet minder dan de oorkonde van den Hollandschen graaf. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. daar in die uitgaaf 1) de aanhef ontbreekt. niet opgelost zijn) en onderwijl kwam er op nieuw verandering in den inhoud der collectie. Het o bleek Mr. en in November 1905 kon hij mij zijn cahier met afschriften der uit te geven oorkonden toezenden. bleek. die. dat n . daar het Mr. 7 reeds uitgegeven was (hetgeen echter.199 bezwaar. En eerlang kwam er nieuwe reden tot uitstel. hem weder aanleiding tot nieuwe onderzoekingen.H. I N . 522) verviel echter later inderdaad. om ze nog eens met de origineelen te vergelijken. Daarentegen bleek hem ook. behalve n . Aanvankelijk dacht hij zelfs aan onechtheid. dat over de andere stukken in vollen gang. baarde de in 1174 vermelde comes Wilhelmus de Pule hem zorgen. een herdruk niet overbodig schijnt te maken ).H. werd zijdelings betrokken in Dr. 1 en 2 en het supplement. P. die nog onuitgegeven waren en die dus stellig. is deze twijfel door hernieuwd onderzoek overwonnen. en hij e ontdekte daarin al spoedig verscheidene oorkonden uit de 12 eeuw. Deel 30 . P. Het cahier o bevatte alle hierachter uitgegeven afschriften. dat zij reeds uitgegeven is bij Van den Bergh. Intusschen bleef er nog altijd wat te onderzoeken (o. Intusschen werd de uitgaaf van het stuk steeds verschoven. zijn onderzoek over de oorkonde van graaf Dirk VI was toen geheel afgeloopen. vooral in verband met de Annales Egmundani.

dat niets op zijnen naam zou worden uit- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. in wiens hoofd alles. dat gezorgd zou worden. ter eere zijner nagedachtenis en ten bate der Nederlandsche geschiedenis. geraaktc dus ten slotte op den achtergrond. werd op zijn verzoek afgeschreven. De nagelaten bloedverwanten van den overledene wilden mij op mijn voorstel wel vereeren met de opdracht. om. 1 en 2 uitgegeven oorkonden door Brom ten onrechte als uitgegeven waren opgegeven. echter met het beding. Deel 30 . wat op onze oudste geschiedenis betrekking heeft.200 o dat de thans onder n . daar ze vroeger alleen vermeld waren. aanstonds werden dus afschriften aangevraagd en. toen in den nazomer de studie van de middeleeuwsche geschiedenis van Nederland een onherstelbare slag trof door het plotseling overlijden van hem. maar steeds meer werd hij toch e overtuigd. Ook de als supplement afgedrukte oorkonde. omvangrijker uitgaven opgevat en met ijver ondernomen. zoodat hunne opneming in dit verband noodzakelijk werd. de uitgaaf daarvan te voltooien. met eenige aanteekeningen voorzien. door Brom gissenderwijze op omstreeks 1120 geplaatst. de uitgaaf van het twaalftal oorkonden. Zoodra ik van de ramp vernam. spoedde ik mij naar Haarlem. sedert jaren lag opgetast en wachtte op eene gewenschte bewerking. dat deze oorkonde veel jonger was dan de 12 eeuw en dus niet in dit verband behoorde. Ondertusschen werden weder plannen voor nieuwe. om te trachten uit de schipbreuk te redden wat nog te redden was. Zóó stonden de zaken. bij het cahier gelegd. waarbij ik weldra van verschillende zijden de daarbij behoorende aanteekeningen kon voegen. waarvoor reeds zooveel werk verricht was. Ik was zoo gelukkig om (naast andere bijna voltooide stukken) ook het mij welbekende cahier terug te vinden.

maar dat eventueele gebreken daarin niet mogen komen voor rekening van den geleerde. dat de overledene zelf zou hebben gewenscht. ook het voorbehoud kwam geheel overeen met mijne voorstelling van hetgeen ik meende. maar ik heb het mij ten plicht gemaakt. die zijne groote nauwgezetheid zou gewraakt hebben. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat wel is waar de verdiensten dezer kleine uitgaaf geheel zijn van Mr. Het is mogelijk. MULLER Fz. als gewoonlijk getuigend van zijne uitgebreide kennis en zijne ijverige studie. die hij zelf volgens zijne kladjes daarbij gevoegd zou hebben. Deel 30 . Ik hoop niet. dat ik bij het overbrengen zijner aanteekeningen onjuistheden heb neergeschreven. die mij aandreef om dit werk der pieteit te ondernemen. Indien ik bij de uitgaaf in bijzonderheden niet geslaagd ben. die door zijn ontijdigen dood verhinderd is. dan zal men dit gewis verontschuldigen met de goede bedoeling. en ik had niets anders te doen dan bij zijne afschriften (waarbij hij zelf de variae lectiones nog had aangeteekend) de aanteekeningen te voegen. zijn werk geheel te voltooien. Ik heb die opdracht gaarne aangenomen. De uitvoering leverde trouwens weinig bezwaren: het werk aan de voorgenomen uitgaaf scheen inderdaad verricht te zijn. Pijnacker Hordijk.201 gegeven. mocht dit echter tegen mijne bedoeling het geval zijn. dat hij zelf aan zijne uitgaaf hier en daar nog iets naders zou hebben toegevoegd. dan moge de lezer bedenken. om niet te trachten dergelijke mogelijke leemten zelf aan te vullen. wat zijn welbekende angstvallige zorg en zijne groote grondigheid zouden misprijzen. S. Zoo is deze uitgaaf geheel zijn werk.

vrij van uitkeeringen. behalve 1) van het servitium voor den proost. quod ego Burchardus. Qui hoc infringere temptaverit. 1101 . Bisschop Burchard schenkt de kerk van Herenkem aan de thesaurie der nieuw gestichte kerk van St. 38. ab oblatis. primo. indictione nona. Ut autem commodior sit custodi ipsa ecclesia et per hoc gracior sanctis elemosina mea. Quod ut ratum maneat. Dei misericordia Trajectensis episcopus. iram Summi pontificis incurrat. Deze onmisbare woorden ontbreken in het handschrift. C . sub Henrico imperatore. Marie fol. ab omni denique reditu liberam. dit is echter niet zoo: ze wordt daar alleen vermeld. excepto servicio prepositi quod ipse custos persolvet. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. I p. o o Actum est hoc anno ab incarnacione Domini M . ecclesiam de Herenkem dedi beate Marie ad custodiam ecclesie novi operis. Marie. In nomine Domini Jhesu Christi et in nomine pie matris eius. jussi per hanc cartulam memorie commendari et eam meo sigillo signari. nee Matrem ejus propiciam inveniat.202 I. Henrico filio ejus rege. quam predecessor meus felicis memorie Conrardus episcopus fundaverat. dimisi eam a circatu.) 1) 2) Volgens Brom's Regestenlijst zou deze oorkonde reeds uitgegeven zijn in: Dodt's Archief. 2) (Notum sit ) universis fidelibus presentibus et futuris. sub testimonio Christi et ecclesie. CCXXI. Deel 30 . (Naar het Liber pilosus van St.

zijn voorganger. de afschriften lezen meestal: sceram. duos servanti dormitorium. alsmede de verleening van het daarop gebouwde huis in 1) erftins aan Hezelo. Bisschop Godebold bevestigt de schenking van den hof voor den burg Trecht aan het nieuw gestichte kapittel van St. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Notum sit fidelibus Christi. Domum ipsam accepit Hezelo de manu fratrum et custodis in capitolio hereditario jure ad 1) 2) Volgens Brom's Regestenlijst zou deze oorkonde reeds uitgegeven zijn in: Dodt's Archief. 9). 9. Bedoeld wordt zonder twijfel de hof voor den burg Trecht. dit is echter niet zoo: ze wordt daar alleen vermeld. 1116 . dedit 3) beate Marie ad novum opus. scilicet tribus denariis singulis annis. wordt vermeld in 1108. I p. waarbij het huis en de daarbij behoorende grond verdeeld wordt tusschen het kapittel en de stad (denkelijk krachtens het van Hezelo verkregen recht). Marie Johannes is van elders niet bekend. de eerste deken van het kapittel Herman. duos mansionario. Er staat ‘I ceram’. quatuor uncias ad lumen altaris 4) ad sanctas virgines. De woorden ‘in ceram’ zijn onzeker. De deken van St. Marie o 3) 4) in 1196 eene overeenkomst sloot met de stad Utrecht (Regesten stad Utrecht. De hof vormde later de tinsheerlijkheid van den Omloop van St.203 II. waarover het kapittel van St. Marie. sedecim denarios inter presbiteros in ceram . interventu Johannis sacerdotis post decani . Marie door bisschop Burchard. cui concessit ordinare reditum domus ad elemosinam secundum voluntatem suam. Deel 30 . N . Ille fratribus in anniversario suo tres uncias constituit. In nomine sancte et individue Trinitatis. quod domnus Burchardus episcopus curtim ante 2) castellum cum censu ad se pertinente.

5) (Naar het oorspronkelijke charter in het kapittelarchief van St. o o2) imperii V . Gerardus filius(?) sculteti . laudavi. 5) fol. zijn zeer onduidelijk en gedeeltelijk uit de afschriften aangevuld.. Deel 30 .. Meintetus tel(onearius). door Brom niet vermeld. scriptum’. presens scriptum sigillo meo et auctoritate roboravi. Laici: Jalo scultetus. Gislebertus. Theodericus capellanus episcopi. Het oorspronkelijke charter.) 1) 2) 3) 4) 5) De woorden ‘et ut ratum. De laatste vier. terwijl zijn annus imperii V begint 15 April 1115. De eerste twee letters zijn onduidelijk. (M. regnante Heinrico V . De oorkonde moet opgemaakt zijn tusschen 6 Januari en 15 April 1116: immers de annus regni XI van Hendrik V begint 6 Januari 1116. quia ei servierat et domum edificaverat. Adelwinus. Herimannus filius Anfridi. Remigius. o o sub apostolatu domni Pascalis pape. Ruodolfus prepositus. Geldolfus . Everherdus. nagenoeg onleesbare namen zijn gedeeltelijk aangevuld met behulp van het afschrift in het 16e eeuwsche register Litterae thesaurarie etc. Lofridus Knif. Otto custos. Hubertus.204 hunc censum et reditum. Gerardus frater 4) ipsius. 295 vs. Franco. Hi testes qui adfuerunt: Clerici: Heremannus prepositus.. Thibaldus scolasticus. Hanc traditionem et elemosinam ego Godeboldus. Meingodus archidiaconus. indictione VIIII. Lutbertus. Elgerus. Marie .. 3) Theodericus. is echter aanwezig. Dei gratia Traiectensis 1) episcopus. et ut ratum habeatur. Walo. o o o Facta est hec confirmatio anno Dominice incarnationis M C XVI . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. in de vouw geschreven. Reinelmus. anno episcopatus domni episcopi G(odeboldi) II . anno regni ejus XI .

hetgeen echter strijdt met het feit. in terminis subternotatis jacentia . quemdam locum. virtute sancti Spiritus accensi seculo abrenunciantes et in melius vitam 2) commutantes. Imp. 235. 437) thans Wtwijck in het land van Altena. 's-Hertogenbosch. . 709. Wichmans (Brab. In nomine sancte et individue Trinitatis. heette eigenlijk Fastradus de Wtwicht. 495). sub regulari disciplina mutato habitu ad conversandum elegerunt et possessiones suas seu predia. waar hij monnik werd (Miraeus. S. v.Oudhed. Sylvaeducensis. ab Overste 1) 2) Fastraad Scheerbaard. Not. den Utrechtschen graaf Willlem den Scheele) hier huiselijk noemt bij zijn bijnaam. Nos Theodricus comes Hollandie notum facimus successure posteritati. 433. Hist. Opera diplomatica. Rom. episcop. dat hij volgens deze oorkonde in 1125 reeds monnik zou zijn geweest te Oostbroek.a Markemunde usque Overste Mere. Deel 30 . Leroy (Not.Id. p. . . Graaf Dirk VI van Holland oorkondt. 418) verhaalt. Marchion. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. In plaats van ‘qui’ heeft het handschrift ‘in’. quod 1) quidam nobiles Fastrad Scherebard et uxor ejus Sophia.205 III. 1125. p. Belgii. a. dat de edelman Fastrad Scherebard en zijne gemalin Sophia bij hunne inkleeding te Oostbroek aan de abdij verschillende goederen hebben vermaakt. Mariana. eccl.vlg. dat hij de stichter dezer abdij zou geweest zijn in 1140. en verklaart de hem opgedragen voogdij der abdij nooit in leen te zullen geven. p. qui Nova Bethleem vel Oestbruch est nuncupatus. filia videlicet comitis de Gulike. I p. die zich volgens de gewoonte van zijn tijd (ik herinner aan zijn jongeren tijdgenoot.Foppens. p. p. Hij wordt in eene oorkonde van 1173 vermeld als weldoener der abdij van Postel onder het zegel van den eersten abt van Oostbroek. .

Het handschrift heeft ‘quia’ in plaats van ‘quas’. eam in feodum traderemus. waar dezelfde grenzen vollediger zijn opgegeven. In het handschrift ‘fundatam’. silvis. nullas omnino exactiones in homines eorum faceremus. censu. in 4) 5) proprio fundo in predictis terminis sita . acquisitis et acquirendis. eidem ecclesie. (a Halreberge ) usque Durlichtervene . de advocatia. jurejurando firmavimus. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. pratis. 6) quas libere possederunt. quod nulli homines. Nos vero ob remunerationem eterne vite imposterum utilitati predictorum fratrum consulentes. campis cultis et incultis. cum conventu fratrum suorum. tractibus aquarum. harum possessionum solemnem donationem sigilli nostri impressione muniri pecierunt et nos in advocatum harum possessionum elegerunt. et predictus Fastradus. Zie over deze plaatsbepalingen hierna ad 3b. propinquus noster et speciali dilectione familiaris.206 1) 2) 3) Mere usque Halreberge. Nam. in honore sancte Marie Dei genitricis et 7) sancti Laurencii preciosi martyris Christi fundate in perpetuum possidendas tradiderunt. Het handschrift heeft ‘liconibus’. piscariis. Ad hujus igitur facti testimonium corroborandum Ludolphus. o Deze herhaling (overeenkomende met N . pascuis. neque nos neque 9) successores nostri. Het handschrift heeft ‘sitam’. ejusdem loci abbas 8) primus . litonibus . 3b) wordt door den zin gevorderd. decimis tam majoribus quam minoribus justiciis. cum villis. set pro remedio anime nostre et omnium 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) 9) Het handschrift heeft ‘Overste Overmere’ in plaats van ‘Mere’. Herhaaldelijk vermeld tusschen 1113 en 1133. mobilibus et immobilibus.cum capella. Deel 30 .

Vermeld in 1129. De dateering heeft bezwaren. 130. Herhaaldelijk vermeld tusschen 1105 en 1145 (Godefr. Zijn 12e regeeringsjaar begon echter met 13 April 1122 (in plaats van XII te lezen XV?). In 1118 wordt als abt nog genoemd Wibrand. Riene). Riquinus de Malberga . 26 fol. Hist. 30) in 1121 nog wordt aangeduid als ‘filius pusillus’ van graaf Floris. coll. en het indictie-cijfer was in 1125 niet X maar III De datum kan wegens het overlijden van den keizer niet later gesteld worden. o o o Acta sunt hec Trajecti anno incarnationis dominice M C XXV . du meurtre de Charles le Bon. Vermeld in 1125 en 1131. Daventr. Abt Henric wordt herhaaldelijk vermeld tusschen 1133 en 1147. Herhaaldelijk vermeld tusschen 1093 en 1133. Het jaar 1125 komt inderdaad overeen met het 27e regeeringsjaar van keizer Hendrik V. 8) feliciter . Overleden 23 Augustus 1131. episcop. Meingotus 3) 4) major in Trajecto prepositus .207 sucessorum eam in defensione et tuitione nostra fideliter haberemus. 33) stellen zijn optreden eerst in 1130. 5) 6) 7) Layci: Theodricus Weneger . ook Lindeborn. Ut autem hec rata et inconvulsa per succedentia successorum nostrorum tempora permaneant. Reni. regnante Henrico o Romanorum imperatore. indictione decima. sigilli nostri impressione signavimus. (Naar een afschrift in het HS. Rijksarchief in Utrecht. 434.) 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) De Annales Egmundani (p. de Riena. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Rene. abbas. imperii vero XII . en zijne moeder nog in 1127 voor hem optreedt. Deel 30 . p. Henricus sancti Pauli in Trajecto . Hermannus ad sanctum Johannem prepositus . 56). terwijl graaf Dirk door dezelfde bron (p. terwijl de keizer 23 Mei 1125 overleed. vgl. anno regni ejus XXVII. Booth C. doch hij strijdt met het bericht der Annales Egmundani over het optreden van abt Wouter eerst in 1130. Godefridus de Rein . p. dat begon 6 Januari 1125. subternotatis idoneis testibus: 1) 2) Walterus abbas Egmundanus . hetgeen zijne minderjarigheid op dat tijdstip waarschijnlijk maakt (Galbert de Bruges. Nl. Rienen. Ghiselbertus et alii quamplures. Hist.

op tnortende van Halsteren palende op Diederics hofstat van den Dike. 284. aldus sprekende van ouden tiden: ‘Ic Fastraet Skerebaerd ende miin wiif Zophie hebben ghewandelt onse leven ende siin gevallen in een beter. 24: ‘Boterbleete’. p. Ende omme 1) 2) 3) 4) Aldus in E L. marchion. van daer palende op Pouberch. here van Butghibach ende van Berghen op den Zoem. 489) vermeldt ‘duos lacus. daer die besiecte man in woont buyten Halsteren. ghedaen heeft ane die vier ende twintich hoeven moers ende een halve metter overmaten. scepenen.’ In E. doch onmiddellijk daarna volgt de goede lezing. in E L. dat es van der Opperster 2) 3) mere ten Hoghen Alderberghe. in E L. van daer vort palende op die Middelste mere boven Etten. ‘Die eerste pael zal zijn 't huys. wairbi dat wi ghegheven hebben in aelmosse den cloister van Oesbroeke al dat leecht binnen desen palen. Breda. hadde yeghes te doene. heere van Bergen. dat den here van Breda toegehorich was. op Diericx huys gaende van den Dijcke. diewelke alle bezonderen hande op heilighen gheleit ghesworen hebben. die gaet tot Sprundel-waer daeroff. dat es te verstane die noortzyde. Leroy (Not. Beschr. in het Algemeen rijksarchief) zegt geheel hetzelfde: ‘Dit siin die poenten. Ende elck here sal rechten op tsiin van hoghen ende van leghen. van de comm. 6: ‘ics’. 298. p. die here Jan van Valkenborch. ende alsoe neder ter Schelt toe gaende. mannen ende die ouders van den outsten van den lande van Woude. die es mijns heren Geraerts heere van Bergen. v. Ende ane die noertzide van den langhen dike van Rosendale. van des moere so es die helft. der goederen van den markies van Bergen op Zoom. In den iersten soe dede heer Jan voernoemt verghaderen te Woude in die zale vijftich personen ende meer. die hierna volghende siin. Dat es all mijns heer Geraerd van Wesemalen. 1290 (bij Van Goor.208 b. die staet tot den Oversten maere. daer es die zuutzide des heren van Breda ende die nortzide des heren van Berghen. 4) van der Dorlechten-venne op Hoemairleede toten Botervleete .L. ende van daer ten uytersten huyse te Sprundele. die leeght boven Calfsdonck van Doerlicht toten wege. gedaan door schepenen van Wouw op 2 Februari 1342 (Arch. uytgenomen den moer. van sequestr. van Diederics hofstat palende op Dorlechtter-venne van Dorlecht.’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 24 staat hier ‘der lechten’. ende van Diericx huys van den Dijcke tot Doerlicht ende van Doerlicht totten Hogesten Halderberge. dat dat goet van Dorlecht voernoemt gheleghen es binnen desen paelsteden. ende van daer opten Puesberge toten eygen van Akeren. gheleghen binnen desen voernoemden paelsteden. van daer vort palende tote Sprundele op Harman Valkenaers hofstat. 428). die es tsheeren van Breda. Aanteekening over de bovengenoemde oorkonde.’ Eene paalscheiding van het goed Doerlecht. dat si enen brief zaghen. die behoeren toe der heerscepien van Bergen op den Zoem. van Dorlechtter-venne palende op den Hoecsten Halderberch. van den Hoghen Alderberghe op Dorlechten -venne. Aldus in E L. daer hi woende.d. Doerlicht wordt in 1342 en 1345 vermeld: Regesta Hannonensia. dat men Dorlecht heet. ende van den Hoghesten Halderberge toten paele. 6. daer men te Breda-waert ghaet.Over het hier omschreven terrein worden wij nader ingelicht door eene limietscheiding van Breda en Bergen op Zoom d. gheleghen in Dorlecht. quorum unus dicitur Middelmeer. ende dander helft van desen moer suydewaerts. dats te wetene van der hofstat. die soude ic wel doen 1) spreken. Deel 30 . Dat hebbe ic verstaen van luden van der Niewer Vaerd. 24. 1125. Ende alle die wildert ende moer. daer die Lazersman placht te wonen. dat Hermans is tes Falkeners. dat si hoirden haren vader zegghen. . p. van daer vort palende op dat eyghen van Wilre.

480. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 6 staat: ‘Kouvendoch’. etc. 24. Rom. vgl. Aldus in E L. Imp.’ 1) Binnen desen palen soude legghen Gastele ende Barlebosch ende die monekehof 2) te Louvendonch 1) 2) Zie over de parochie Gestel (Gastel) en de silva Baerlebosch (thans Oudenbosch): Leroy. in E L. p. echter de vermelding in de hierbij afgedrukte oorkonde van 1290 van Calfsdonck bij Doerlicht (onder Roozendaal). dat hiet gheconfirmeert hevet.209 die meere zekerhede hebben wi ghebeden den grave Dieric. marchion. Not. Bedoeld zal wellicht zijn ‘Bovendonk’ bij Hoeven. S. Deel 30 .

om eene kerk te bou- 1) In den Codex diplom. diet verbaden den her van Striene . vermeldende. een dochter van den grave van Gulick was. dat de abdij van Oostbroek in 1614 vertoonde een extract uit een cartularium. 42 vs. Neerl. Algemeen rijksarchief. dat die here van Striene dede ontsegghen die moneke. 2e S. en eene oorkonde over het gedeeltelijk bedijken daarvan in 1461: Codex dipl. Ende oec es luden te ghedenken. gelegen in den lande van Althenae. Deel 30 .’ . ommedat si siin goet bezaten. 24 fol. die de voors.De goederen zouden door den St. haer begevende int clooster van Oestbrouck buyten Utrecht.) IV. by eede belooft de voers.210 etc. aan de inwoners van Ter Aa. ol. IV 2 p. en EL. 51 vs. 60/1. ende dat si haeren pais yeghen hem maecten omme CC . 2e S. Elisabethsvloed van 1421 overstroomd en in 1461 gedeeltelijk weder bedijkt geworden zijn. vgl. mids bede van den here van Breda ende van 1) anderen vreenden. abdye hadde begifticht mit seeckere haer goederen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. goederen voir hem ende syne successeurs trouwelijck in syne bescherminge te sullen houden. in den jare 1125 de voors. 62 leest men. eene aanteekening over het overstroomen van den uithof Upten Doern met eene kapel (die van Fastraad Scheerbaard?) in 1421. by name Fastrad Scherebart ende Sophia zijn gemale. met goedvinden van den proost van Oudmunster. gifte mit syne segel ende brieve hadde geconfirmeert ende by de gifters tot patroon ende beschermer derselver goederen vercoosen wesende. 6 Cas C. ten overstaen van den grave van Hollandt in der tijt regierende. (Naar twee afschriften in de registers EL. die noch leven. IV 2 p. ‘dat seeckere personaigen. Neerlandicus. Bisschop Andreas vergunt.

... Jan.... qui vocatur A.... Vgl............ et qui post. die ook voor de inwoners van Demmerik als parochiekerk zal dienen... Achter ‘a’ volgen nog een paar letters... in vicino 4) commod(ius.. et habeant parrochiam. Jan behoorde en thans met Demmerik eene gemeente vormt.. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.. Deel 30 .. Aardrijksk.... Slechts de ‘n’ is duidelijk leesbaar.. 701 bezat de proost van Oudmunster het collatierecht echter ook te Vinkeveen. qualiter ego Andr)eas.. 8) Ad cujus rei confirmationem hanc cartam. woordenboek XI p........ Demmerik behoorde tot de Proosdij van St. den Tegenwoordigen staat van Utrecht.. 1) Notum sit fidelibus Christi tam presentibus quam (futuris...... commanentium concessi edificare ecclesiam n(ovam) . 7) et Werneri et Gisleberti accreverint. Het woord ‘concessi’ is moeilijk leesbaar..... II p.. In nomine sancte et individue Trinitatis.. quod remotius incommode querebat(ur).. Van het woord ‘commanentium’ zijn eenige letters uitgewischt.. et omnimoda exactione et reclamatione persone ejus in 6) posterum. Aan ‘et’ gaan nog eenige onleesbare letters vooraf. 1138..... Dei gratia Trajectensis episcopus.. juxta 2) 3) lacum.... waarvan de lezing onzeker is.. 205 behoorde Demmerik nog destijds in het kerkelijke onder Ter Aa en betaalden de inwoners de helft der onderhoudskosten van kerk.... stabilem et incolvu(lsam). que appellatur Denemarc ... concessi . ut divinum officium..... Van der Aa.. pastorie en school te Ter Aa... dat eveneens tot de Proosdij van St. et ut incole nove terre.. con)sensu et voluntate prepositi Veteris monasterii domos 5) eorum a ..211 wen. vlg. 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) Van de woorden ‘presentibus quam’ is slechts het onderste gedeelte der letters behouden.. petitione et obtentu fidelium meorum...

212 Actum est hoc anno dominice incarnationis mill. die Diederik zoon van Gislebert zich had trachten toe te eigenen. P.) V. teekende hierbij aan. 3) quam Theodericus Gisleberti filius totam apud Otterspore et dimidiam apud Broclede sibi injuste addicere attemptaverat .. Trajectensis sedis per Dei misericordiam episcopus. ingeplakt voor in HS.. o (Naar het geschonden origineel. De Otterspoorbroeksche polder ligt ten zuiden van Breukelen. indictione (I)... het blijkt niet.. dat dit wellicht de oorsprong was der heeren van Nijenrode... in het 1) Museum Meerman-Westreenen . Deel 30 . ⅔ toe aan het kapittel. Marie. In nomine sancte et individue Trinitatis.unde multe super ipsum a preposito Alberone. welken grond hij voor deze gissing had. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Mr. que Broclede dicitur. et ab ipsis fratribus beati Petri fiebant querimonie tam apud nos quam apud principes regni. qui eandem decimam ad usus fratrum habebat disponere. que tandem compositione consilii in nostra et nuntiorum regis Conradi presentia. et apud Otterspore . 17 fol. dat echter niet te vinden is. CXXXVIII. Bisschop Andreas wijst van de tienden van het kapittel van St.H. 1139.. notum facio presenti scripto cunctis fidelibus presentibus et futuris. Ego Andreas. Pieter te Broclede en Otterspore. qualiter decimam quandam 2) ecclesie beati Petri in Trajecto apud villam. quorum 1) 2) 3) Brom's Regestenlijst noemt daarnaast nog een afschrift vooraan in het Liber pilosus van St.. N ..

duas jamdictas partes singulari utilitati fratrum prefate ecclesie assignavi et in perpetuum concessi. o o 5) Acta hec anno dominice incarnationis M . in het origineel konden slechts de ‘p’ van ‘permaneat’ en de ‘i’ van ‘nostri’ gelezen worden. Op 13 Maart van dat jaar begon het tweede regeeringsjaar van koning Conrad. indictione II. qui ecclesiam contingebat. tercia pars. Andreas. Heinricus prepositus Monasteriensis. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. inquam. doch ongetwijfeld is 1139 bedoeld. Ik heb een gedeelte van den zeer langen volzin tusschen streepjes geplaatst. Arnoldus cancellarius . ipsi concederetur . quam apud utramque villam predictam sibi injuste addixerat atque invaserat. 4) Utque res gesta rata in omne futurum permaneat. Hanc autem concessionem vel constitutionem fecimus pro petitione fidelis nostri Alberonis ejusdem ecclesie prepositi et rogatu ceterorum meorum fidelium. ut de tota decima. Theodericus Coloniensis prepositus. Vermeld 1138-1151. overleed 23 Juni 1139. Het jaartal is niet geheel duidelijk geschreven. signi nostri impressione hanc cartam insigniri curavi et banni nostri auctoritate eandem constitutionem confirmavi.C . due partes ecclesie in perpetua quiete 3) manerent.has.213 1) 2) hec sunt nomina: Warnerus episcopus Monasteriensis . De laatste vijf woorden berusten grootendeels op den tekst der afschriften. Deel 30 . In dat jaar is de indictie II. sic sunt consopite ac terminate. ita ut eandem decimam predicta fraternitas libere et sine respectu prepositi sui in quos voluerit usus deputet ac disponat. 1) 2) 3) 4) 5) Vermeld 1132-1151. maxime vero ut ea constitutione et ipsorum fratrum sublevetur indigentia et singulis annis diligentius in meo anniversario perpetua ipsorum prece apud Deum mea augeatur et specialis sit memoria. sollicita ejus fructu se suosque successores sublevare. XXXVIIII . bisschop voor 13 Juni 1128. anno regni o Conradi II .

Arnoldus. naar een vidimus van 1389.A. hier en daar. Embrico custos. 258.214 o episcopatus Andree XI . Pieter Henric Troibant aan de abdij Oudwijk. Conradus prepositus Thielensis. In nomine Patris et Filii et Spiritus sancti. testibus his. sancti Salvatoris prepositus. Wilelmus. Otto. Simon.) VI. Radulfus custos. waar het schrift onduidelijk is geworden. Jo(annes). Lanfridus. Warnerus archidiaconus. aangevuld naar twee oude afschriften in het cartularium van het kapittel. Petrus. Bliterus custos. doch de aanhef ontbreekt daar Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. (Naar het oorspronkelijke charter in het kapittelarchief van St. Reimarus sancti Johannis prepositus. 1) Dit stuk is reeds afgedrukt door den heer L. deel X (1882) bl. Pieter. Heinricus abbas de sancto Paulo. quorum hec sunt nomina: Hartbertus majoris ecclesie prepositus. Crisantius. Erembertus. amen. Gompertz in Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht. Frabertus.P. Lambertus. Arnoldus decanus sancte Marie. Anselmus decanus. 1164 . Deel 30 . Thiemo. Ascelinus. De pauselijke legaat Lindo bevestigt de gift van eene halve hoeve land in het veen boven Utrecht en zeven morgen land te Vleuten door den 1) kanunnik van St. Lietbertus ejusdem ecclesie decanus.

c. 425 N . Eapropter ego Lindo. quod quidam frater Henricus. Regesta pontif. Lindo komt ook voor in eene bul van den tegenpaus Victor IV van 1163 (Jaffé. o 9) 10) 11) 12) 13) II p. In het handschrift: ‘confirmentur’. In den druk: ‘fulciri debent’. qui est super Vene prope Trajectum in protectione et justitia sancti Martini. Deel 30 . que sunt apud Flutene pre- 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) In het handschrift afgekort: ‘devot. canonicus sancti Petri in Trajecto. 145). Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. quem de suo argento. pro remedio anime sue contulit abbatisse Sophie et sororibus ejus 9) santimonialibus de Altwijck dimidium mansum. voor 1162 en na 1166 komen trouwens als zoodanig voor Gregorius en Conradus (l. Hij heet daar echter nog geen episcopus Sabinensis (l. In den druk: ‘Quapropter’. wat reeds gedrukt werd. dat inderdaad eene heerlijkheid van het kapittel van Oudmunster was. qui cognominabatur Troibant. Dei gratia Sabinensis episcopus et apostolice sedis 8) legatus . In het handschrift: ‘firma’. In den druk ‘Slutene’. 14480). In den druk: ‘Aldewick’. non de aliquo 10) patrimonio acquisierat et emerat et in vita sua legitime et pacifice sine ulla 11) contradictione alicujus et reclamatione possederat. concedente et confirmante venerabili fratre nostro Godefrido episcopo et preposito Majoris ecclesie Arnoldo. In het handschrift: ‘eiisdem’. 418). In den druk: ‘matrimonio’. apostolico debent fulciri patrocinio et summa auctoritate 6) 7) roborari. 12) 13) Contulit etiam eisdem septem jugera. notum facio omnibus Christi fidelibus tam futuris quam presentibus. p.c. Bedoeld wordt echter zeker Vleuten.’ Met dit woord begint. In den druk: ‘alicujus interdictione’.215 1) 2) Quae a viris pia devotione fidelibus ecclesiis et locis venerabilibus pro redemptione 3) 4) 5) animarum conferuntur . In het handschrift: ‘Sabinensis dictus’. p.

nisi resipuerit. Erenwoldus abbas de Oostbroeck. In het handschrift ‘Enewoldus’. et si quis attemptare presumpserit. doch veranderd in: auctoritate. daar de zin doorloopt. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. et ex testamento per fideles manus reliquit . legitima donatione coram fratribus suis. rogatu venerabilis fratris nostri Godefridi Trajectensis episcopi pro officii nostri debito confirmamus. 8) Hujus legitimae donationis testes sunt: Arnoldus major prepositus. 4) ibidem Deo servientibus. hec eadem eidem loco et san(c)tis sororibus.216 posito sancti Bonifatii Jordano concedente et confirmante. In den druk: ‘Dmni’ met een afkortingsteeken. Deze abt wordt vermeld in 1147 en 1164. ut hec sibi tradita libere et legitime 5) idem locus in pace possideat. is niet duidelijk geworden. In den druk vormen de woorden ‘legitima’ tot ‘reliquit’ een afzonderlijken volzin. ad cujus protectionem et justitiam pertinere dinoscuntur. 3) Cujus donationem nos approbantes. In den druk: ‘pacem’. anathematizatus et excommunicatus subjaceat. In het handschrift ‘autoritate’. De tegenpaus Paschalis III bekleedde deze waardigheid 22 (26) April 1164-20 September 1168. Et ut nullus super his sanctas sorores molestare 6) presumat. In het handschrift: ‘devotionem’. iram Dei omnipotentis et sanctorum apostolorum Petri et Pauli atque omnium sanctorum incurrat reumque se divinae majestatis esse cognoscat et a sacratissimo corpore et sanguine Domini nostri Jhesu Christi se alienum sentiat atque in extremo examine divine ultioni. interpositis 1) 2) fidelibus testibus. auctoritate Dei omnipotentis et sanctorum apostolorum Petri et Pauli et 7) domini pape Paschalis et episcopi Godefridi et nostra interdicimus. hoe deze woorden echter in verband met het voorgaande gebracht moeten worden. 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) In het handschrift staat ‘testo’ met een afkortingsteeken. ten onrechte.

imperii autem IX. qui manu sua predictam donationem scripsit. regni domini 4) 5) Frederici XIII. LXIIII. Harmannus decanus sancti Petri. et multi alii fideles manus. Deze tijdsbepalingen komen allen uit: het 13e jaar van Frederik I's regeering begint 9 Maart 1164. Keizer Frederik I neemt de abdij Oudwijk bij Utrecht onder zijne bescherming en bevrijdt haar van alle heffingen. De oorkonde is dus gegeven tusschen 9 Maart en 14 Mei (18 Juni) 1164. Rijksarchief Utrecht. indictione XII. Mauricius prior 1) 2) et Guillielmus Anglicus. Deel 30 . cum omnibus appendiciis suis. In den druk ontbreekt ‘domini’. In het handschrift ontbreekt ‘autem’. coll. pro remediis anime meae cenobium beati Stephani in suburbio Trajectensi situm in loco. In den druk: ‘alii multi’. cultis et incultis. In nomine sancte et individue Trinitatis. sub nostra imperiali tuitione susce- 1) 2) 3) 4) 5) In den druk: ‘Wilhelmus’.) VII. 3) Acta sunt hec anno dominice incarnationis M. quod ego Fredericus. het 10e jaar van zijn keizerschap 18 Juni 1164. Dei gratia Romanorum imperator et semper augustus.C. supprior sancti Pauli. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. acquisitis et acquirendis. qui dicitur Oldwijck. Buchelius in HS. 1165. Odulphus canonicus ejusdem ecclesie. episcopatus domini Godefridi IX . Notum sit sancte ecclesie fidelibus tam futuris quam presentibus. het 9e jaar van bisschop Godefrid voor 31 Juli (denkelijk voor 14 Mei) 1164. 63.217 magister Heynricus. (Naar een afschrift van A. Booth C.

1) 2) Lees: 1165. Deze datum is berekend naar aanleiding van de hierna vermelde jaartallen over de vermelding der getuigen. coll. nostram offensam se incurrisse sentiat. Het kapittel van St. amen. het tiende van zijn imperium 18 Juni 1164. doch dit laatste wordt ook in andere oorkonden wel eens een jaar te weinig berekend. Concedimus etiam eundem locum liberum esse ab omni exactione sive collecta. (1165-1169 .) In nomine Patris et Filii et Spiritus sancti. imperii decima indictione etc. Ut autem haec rata et inconcussa permaneant. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Rijksarchief Utrecht. op welken grond. den tins en het gerecht van 2) een stuk land te Eiteren. Deel 30 . ik weet echter niet. Notum facimus scripto presentibus et absentibus conventionis modum. 63.) VIII. ut Domino inibi famulantes securius vivant et nostri memoriam frequentius in quotidianis orationibus faciant. quem cum Lamberto de A inivimus. 1) Acta sunt hec anno incarnationis dominice MCXLV . Buchelius in HS. ut. Het veertiende jaar van de regeering van Frederik I begint 9 Maart 1165. paginam hanc scribi et sigilli nostri fecimus impressione confirmari. Salvator te Utrecht geeft in erfpacht aan Lambert van der A en zijnen erfgenaam den tiend. regni nostri XIIII. Pusillus grex sancti Salvatoris in Trajecto omnibus in Christo pie viventibus salutem. (Naar een afschrift van A. Brom's Regestenlijst zegt: 1164-1169. Booth C.218 pimus. si quis ausu temerario bona prefati cenobii invaserit.

Vermeld 1155-1181. et inter locum. ook: De Geer. heres ipsius pro eodem beneficio sibi in pacto relinquendo dimidiam marcam capitulo nostro annuo jure ministrabit. De sancta Maria: Paridanus. sita inter viam. Jacobus. magister Walterus. qui dicitur Hesewiger-sithwinde. Hanc itaque conventionem ipsi et posteris suis. cujus decima. ab ipso quamdiu vivit in natale sancti Martini solvendis. 5) De sancto Petro: decanus Heremannus . Vermeld 1148-1172. 2e S. 362. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Hec omnia ibidem nostre potestati attinentia predicto Lamberto singulis annis pro X solidis. Godeschalcus. 4) De ecclesia sancti Johannis: decanus Cunradus . que dicitur Utweg. Vermeld 1165-1169. Si vero prefatus Lambertus vel heres ipsius de prefato pacto censum die determinato non persolverit. 3) prepositus Embricensis Thidericus . vermeld en omschreven in een charter van 1350. Postquam vero ab hac vita decesserit. in pacto permisimus. 108. Gozuinus. exhibito nobis annuatim pacti nostri debito. Laici aderant: Giselbertus Haveze. quasi hereditaria successione ratam tenebimus. Vgl. 56. 2) De domo sancti Martini testes aderant: decanus Arnoldus . ipsa censualis possessio in usum fratrum sancti Salvatoris libere et absque ulla contradictione redibit. Lutbertus. p. de A Ilias. magister Heinricus. Walterus. IV 2. Vermeld 1155-1172. 1) 2) 3) 4) 5) Bedoeld worden de ‘bona de Merloe’ in het kerspel van Yselstein. Bijdragen. gedrukt: Codex dipl. que dicitur Eiteren. p.219 Est quedam terra in territorio ville. Neerl. Luidolfus. tributum et 1) justicia nostro juri respondent . Hugo.

episcopatus 4) sui anno XVIIII . Richardi regis et confessoris Mauritii et sociorum ejus. Urbani pape et martyris. sanctorum Philippi et Jacobi. dedicata est a domino Godefrido. Alg. de cruce beati Andree apostoli. Wilhelmus de Schalcwig . Hildeboldus.. Deel 30 . Het handschrift heeft hier ‘Reumondo’. doch later ‘Reymundus’. Aug. Aanteekeningen over de wijding van de kerk en de altaren der abdij Oudwijk bij Utrecht. a domino Martino 3) cardinali episcopo Tusculano et a domino Reymondo Hiporiensi episcopo. (Naar het oorspronkelijke charter in het Nassausche domeinarchief. 1. Nam ipse dominus Godefridus princepale altare dedicavit 8 Kal. Aug. Heinricus et Hugo Ultra-Vech. Anno Domini 1173 ecclesia. a Wilhelmo de Vorne et uxore fundata. 1173. Ipso die fundator ecclesie mansum obtulit. Vermeld 1165-1186. fol. bisschop van Ivrea. cujus situs est juxta Marre. Lees: XVIII. a tribus episcopis in magna gloria VIII Kal. Dominus autem Martinus consecravit altare in sinistra parte. rijksarchief. in quo et condidit relliquias Timothei apostoli. Luidolfus. 1) 2) 3) 4) In 1156 worden vermeld Walterus de A en Albero de A. Hergerus.220 1) 2) Walterus . in 1159 Galterus de A en zijn zoon Helyas. o 2009 N . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. in quo et condidit relliquias has: de sepulcro beate Marie. Bedoeld is Raimond.) IX. Riquinus. de 11000 virginum.

40 talenta dedit. Buchelius in HS. Deel 30 . Oostwaard in de gemeente Zuilen. de quibus terras in Horstwerde emit.221 Dominus vero Reymundus consecravit altare in dextra parte. 127). Wel bestond er reeds van ouds een Horstweerd (Teg. Contulit etiam idem Guilhelmus huic loco aream unam et domum in Veteri 1) cymiterio . cujus situs est prope Marre versus Rhenum. ut de duabus unciis in anniversario fratris sui Walonis et de 2 in anniversario domini Everhardi sororibus serviatur.) X. Urbani pape martyris. et 1) 2) Zeker de straat Oud-kerkhof te Utrecht. II p. maar in latere stukken van Oudwijk komt nooit deze. 63. coll. que solvit 6 uncias. constituitque. constituitque. d. que se monialem in hoc 2) loco fecit. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Utrecht. Rijksarchief Utrecht. Idem pie memorie Guilhelmus cum filia sua Hatwyga. steeds de Oostwaard voor. fundator et edificator hujus ecclesie. Lees: Oostwerde. Crisanti et Darie martyrum. staat v. in die dedicationis ejusdem ecclesie obtulit mansum unum.i.) Wilhelmus. in quo recondidit relliquias Pontiani martyris. Aanteekeningen over verschillende giften aan de abdij Oudwijk ter gelegenheid van de wijding der kerk. (Naar een afschrift van A. quatenus de eodem manso in vigilia et in die dedicationis ipsius templi sororibus laute ministretur et in anniversario ipsius Wilhelmi similiter inde serviatur. (1173. reliquas duas ecclesie beati Martini dedit. Booth C. reeds in 1217 en nog in 1400.

ita duntaxat. dat hier geen zin heeft.) XI. 1) In nomine sancte et individue Trinitatis. ubi necesse est. Voor het woord ‘innocentia’. eis non 5) deesse. teneamentum: Ducange i. Buchelius in HS. Deel 30 .v. Misschien is te lezen ‘usquequaque’ in de beteekenis van ‘altijd’ of ‘overal’. Rijksarchief Utrecht. 2) Ego Godefridus Dei gratia Trajectensis episcopus. Booth C. Bisschop Godefrid bevestigt den verkoop als allodiaal goed van eene hoeve land te Oudwijk. Pietatis officium est et aequitati 3) consentaneum ecclesias singulas in thenamentis . coll. (Naar een afschrift van A. que a Gerardo nepote pro 6 marcis in vadimonio habuit. si Gerardus sex marcas dederit. zal wellicht te lezen zijn: ‘in notitiam’. quod Volframus de Bernevelde unum mansum terre. In het handschrift: ‘aequitate’. 63. cujus situs in Altwijck et quem tam ipse quam antecessores sui in feodum a preposito Majore tenuisse dinos- 1) 2) 3) 4) 5) In het handschrift: ‘sancte summe’. aan de abdij Oudwijk door Volfram van Bernevelde. ‘tenere’. agros suos ipse recipiat et eisdem 6 marcis alia comparetur terra. que justo titulo et bona fide 4) possident. 1174. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. tenementum. Transeat igitur innocentia universorum. leengoed der Domproosdij.222 quatuor jurnalia juxta claustrum et 6 jugera in Altwyca. usquequam munire et in testimonio veritatis. Zie over tenamentum.

Testes: Simon major prepositus. Lees: 1174. Ook bij deze oorkonde blijkt de ‘annus imperii’ dus één jaar te laag. het 19de jaar van zijn imperium op 18 Juni 1173. ne jus ipsius in aliquo lederetur. Henricus comes de Malsen. qui interfuerunt. ne quis hoc factum in irritum ducere presumat. indictione VII. Walterus. Het 23ste jaar der regeering van Frederik I begint op 9 Maart 1174. Wilhelmus comes de Pule. Lambertus prepositus sancti Bonifacii. Het 19de jaar van bisschop Godefrid begint in 1174. in welk jaar de indictie VII is. Albertus et alii multi. Gerardus. transtulit. Gezelinus camerarius. Otto de Malberch. Arnoldus majoris ecclesie decanus. idem Volframus de propria hereditate in duplum feodum restituit et duos mansos terre apud Amersfordiam assignatos in ecclesiam sancti Martini. VI Idus Septembris. Deel 30 . jure feodali tenendos. Balduinus prepositus sancte Marie. Ad hujus rei communitionem hoc factum scripto commendavimus et sigilli nostri impressione propter malorum importunitatem presentem cedulam roboramus.223 cuntur. Ministeriales: Gosuinus de Haldolle. 2) Acta sunt hec Trajecti anno dominice incarnationis MCLXXIII . Liberi: Florentius comes de Hollandia. Ut autem prepositus in hanc venditionem consentiret. Nos itaque autoritate Dei omnipotentis et beati Petri ac nostra precipimus et sub anathematis districtione inhibemus. Et testes. Jacobus de Odenhoef. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. per nostram concessionem ac per manum ejusdem prepositi ecclesie sancti Stephani de Oltwijck cum omnibus pertinentiis et usufructibus in perpetuum 1) possidendum pro sexaginta libris denarii vendidit. annotari fecimus. anno 1) 2) In plaats van ‘denarii’ zal wel moeten gelezen worden: ‘denariorum’.

(Naar een afschrift van A. Ego Godefridus. considerans. Bisschop Godefrid verklaart de voogdij der abdij Oudwijk op zich te nemen. ut advocatiae curam in nullum trans- 1) 2) 3) Dit woord ontbreekt in het handschrift. anno episcopatus domini 1) Godefridi XVIIII. ipso regente sedem hujus civitatis feliciter. amen. men kan ook lezen ‘advocati’. Deel 30 . imperii vero XVIIII. om hare eigene abdissen te kiezen. Het handschrift heeft: ‘suscipi’. idem successoribus meis imponens. Booth C. Rijksarchief Utrecht.) XII. coll. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. bevestigt haar in het bezit harer goederen en geeft haar het recht. Buchelius in HS. fundatas dotare. Dei gratia Trajectensis ecclesie episcopus. 63. In nomine sancte et individue Trinitatis. monasterium sancte Marie sanctique Stephani in Altwijc cum suis 2) pertinentiis in protectione mea suscepi et ejus advocatus esse statui. quatenus ipsi in propriis personis ejusdem loci 3) venerandi advocati sic existant. Het handschrift heeft: ‘advocatus’. dotatas contra improbos tueri ad cultum Dei pertinent.224 regni domini Frederici imperatoris XXIII. quod ecclesias fundare. terwijl hij tevens de stichting en dotatie der abdij in 1135 verhaalt. 1174.

quinque mansos et octo agros juxta Alxemer et mansum unum ac quattuor agros 1) 2) 3) 4) Voor ‘possidebit’. qui vulgo Vene dicitur. filius ejusdem. anathema sit et ab omni communione fidelium. ut in ea libertate fratres et sorores illius loci consistant. habeatur alienus. ut si quis in abbatissam vel in fratres vel in sorores vel in servos vel in ancillas vel in res mobiles seu immobiles manum aut 2) consilium in malum immiserit. Otto castellanus. in testimonium facti presentem cedulam proprio sigillo impressi et. duos etiam mansos in campo. sicut sequens litera legentibus eam manifestis titulis declarat: a4) Anno dominice incarnationis MCXXXV. tribuit. In plaats van ‘quodque’ heeft het handschrift ‘que’. indictione VI . quodque liberam post discessum abbatisse sue habeant secundum timorem Dei et regulam sancti Benedicti consiliumque Deum timentium electionem in perpetuum. tres mansos in Altene dedit. qualiter et a quibus predicta domus fundata est et meo tempore dotata. In 1135 is de indictie 13. Ut autem omnia hec rata persistant. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. sed tanquam jugum Domini in suis humeris ad honorem Dei perferant. quibus locum istum dotavit. subscribi feci. Het handschrift heeft: ‘communioni’. quae possidet vel 1) in posterum justo titulo possessura est . Adjeci insuper. Eidem etiam ecclesie sub anathemate firmavi universa bona. donec resipiscat. nisi duntaxat ad Deum et ad me 3) meosque successores. Deel 30 . domina Mechtildis castellana in proprio fundo claustrum istud posuit. quod nullum obedientie vel famulatus respectum habeant.225 ferant.

Oostwaard onder Zuilen. et hanc congregationem in Altwick cum omnibus suis secundum misericordiam tuam 7) in perpetuum protege.i. Lees: Bredevelt (onder Woerden). Lees: Emecenkerc (Heemskerk)? Hier en ook later wordt de eerste naamval gebruikt. Lees: Oostwerde. Lees: Oostwerde. d. fiat! Testes igitur horum hi sunt: Simon majoris ecclesie prepositus et Arnoldus decanus ipsius. in Marsenveen duo 6) mansi. Het handschrift heeft: ‘diminuerunt’. Het voorafgaande ‘Alxemer’ zal wel Aalsmeer zijn. Lambertus prepositus sancti Bonifacii et Rudolphus decanus ipsius. Et si qui diminuerint ex his. Het voorafgaande ‘Fletene’ staat wel voor ‘Flutene’. que subscripta sunt. item dimidium mansum in Mi. in Breclewelt dimidium mansum. diminuat Deus dies eorum et deleantur de libro viventium. in bonum et ne auferas miserationes tuas a me. d. item in 6) Horstwerden tria jugera. et in Marsebroeck duo mansi. parsque eorum sit cum Dathan et Abyron. d. 1) 2) 3) 4) 5) 6) 6) 7) Lees ‘Habkewolde’ of ‘Abekewolde’. vel laesionem aliquam fecerint aut violentiam loco isto intulerint.i. in villa Emetenhert duo mansi . Abcoude. Deus meus. et terra absorbeat vivos. fiat. in Altwick duo mansi.i. item in Halten dimidium 3) 4) mansum. in Horstwerden duo mansi et dimidius. de Vecht. d. in Marsen unus mansus. Memento mei.226 1) in Habtewolck huic loco dedit. d. waar men den vierden verwacht. Deel 30 . 4 etiam mansos cultos in Vene. Oostwaard onder Zuilen.i.i. Vleuten. 2) Etiam ista possidet: juxta Vehit dimidium mansum. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Amen. juxta 5) Novum Renum 4 jugera. in Fletene dimidium mansum.

63.) 1) 2) 3) 4) Lees: ‘Hildebrandus’. 2) Magister Daniel.227 Balduinus prepositus sancte Marie et Gezelinus camerarius. Gerardus comes de Gelre. Paulus voorkomt van 1169-1188. Amen. Gerlagus de Renen. Gerardus filius ejus. Henricus comes de Malsen. coll. Rijksarchief 4) Utrecht . regnante glorioso imperatore Frederico. Wilhelmus comes de Pule. indictione a VII . Helias villicus et Godefridus ejus filius. die als abt van St. Deel 30 . Boven het afschrift staat: Ex libro antiquo in pergameno scripto. Buchelius in HS. Godefridus prepositus sancti Petri ac Hermannus decanus ipsius. et Conradus prior ipsius. Wilhelmus de 3) Schalckwijck. Het handschrift heeft: ‘Gadefridus’. Jacobus et alii multi. Gosewinus. ac Mauritius prior ipsius. imperii autem XVIII. Guilhelmus de Vorne. ipso regente sedem hujus civitatis feliciter. Remigius abbas in Oistbroeck. Booth C. 1) Hildefridus abbas sancti Pauli. Het handschrift heeft: ‘Jacobi’. (Naar een afschrift van A. decanus ipsius. anno vero episcopatus domini Godefridi XVIIII. anno regni ejus XXIII. Magister Godefridus . Walterus capellanus. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Acta sunt autem hec Trajecti anno dominice incarnationis MCLXXIIII. Ministeriales: Gerardus et Albertus ejus filius. Albertus prepositus sancti Joannis.

Receptis vestris amicabilibus litteris et questione in eis inclusa. P. opeischt ter verdediging zijner diocese. of dergelijke neiging zal bestaan hebben.228 Supplement. terwijl het niet zeer aannemelijk is. quam caucionem episcopus facere tenetur de jure vel de consuetudine patrie vasallo pro castro ipsius vasalli. wanneer hij een kasteel. Het Domkapittel van Luik doet aan de vijf Utrechtsche kapittelen mededeeling van de zekerheid. (Zonder 1) jaar . door een zijner vasallen gebouwd. doch kunnen aangevuld worden uit de inhoudsopgave in het begin daarvan: ‘Littera capituli ecclesie Leodiensis.de vicedeken natuurlijk altijd vermeld werd.) Domini et amici carissimi. quod ab ipso optinet in feudum. Indien de brief uit dezen tijd dagteekent. en hoewel dergelijke huizen reeds vroeger nu en dan vermeld worden. was van meening.’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.afgezien van de vraag.H. constructo dicti vasalli sumptibus. Ik houd zijn gevoelen voor juist. om ook den deken zelf reeds daarbuiten te stellen. quam caucionem episcopus facere tenetur de iure vel patrie consuetudine vasallo pro castro ipsius vasalli. Hij grondde dit gevoelen voornamelijk op het niet vermelden van den Luikschen Domproost. constructo ipsius vasalli sumptibus. . . wanneer het dekanaat tijdelijk vaceerde. die de bisschop van Luik volgens recht en gewoonte stellen moet. 292 . ook om eene andere reden. continente. si episcopus petat dictum 1) o Mr. 2) quod ab episcopo (optinet in feudum ).in Brom's Regestenlijst onder N . daar . 293 opgenomen op het jaar 1120. Deze drie onmisbare woorden ontbreken in het handschrift. de brief betreft gewis een zoogenaamd ‘open huis’ van het Sticht. Deel 30 . dat het noemen van den vicedeken kon wijzen op eene neiging. dat dit stuk. verklaart zich ook zijne opneming in het ongeveer uit dezen tijd dateerende necrologium goed. dat een dergelijk stuk meer dan twee eeuwen zou bewaard gebleven zijn. schijnen ze echter eerst in de 14e eeuw talrijk geworden te zijn.veel jonger was dan de 12e eeuw. terwijl hij zelfs gistte. alleen omdat op dit jaar een dergelijk advies van het Keulsche Domkapittel o 2) vermeld werd onder N . die dus reeds buiten het kapittel moest gesteld zijn. Het laatste argument scheen mij niet afdoend.

prout et secundum quod considerari posset rationabi- 1) 2) 3) 4) Het handschrift heeft: casum. debere fieri 2) credimus . quod sequitur. si qui ex ipsis vastarent vel consumerent aut per eorum culpam aliquid perderetur. colligerent aut expenderent aut aliqua dicti castri edificia destruerent. In het handschrift ontbreekt dit woord. dicto vasallo se ad hoc paratum mediante caucione prestita offerente. ad finem quod homines et persone. tenetur. Het handschrift heeft: faciendi. Deel 30 . dominus 3) episcopus ad restitucionem tenetur. videlicet quod primo deberent ostendere domino episcopo vel suis pro eo castrum et omnia bona et munitiones in eo existentes et legitime estimari. Het handschrift heeft: credemus. vestre peticioni super hoc quantum in nobis est respondemus.229 castrum ab ipso vasallo pro sue dyocesis defensione. per vos super hoc consulendis. Si eciam dicti homines in dicto castro sic positi aliqua bona in campis seu villis aut ortis dicto castro raperent. dicto suo vasallo de talibus faciendam . Sed quantum ad consuetudinem patrie Leodiensis 1) complaceat vobis scire. Et (de ) hujusmodi castro ac aliis predictis restituendis dominus episcopus vasallo suo secundum estimacionem hujusmodi deberet competentem prestare caucionem. quod in hujusmodi casu illud. quos dominus episcopus in castro poneret. Premissaque qualibet amicabili promptitudine in hiis et aliis quibuscumque. quod quid est de jure in talibus faciendum scire poteritis a jurisperitis. ac aliis 4) personis dampna hujusmodi sustinentibus. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dominus eciam episcopus ad talium restitucionem dicto vasallo.

230 liter et perpendi per probos homines. ad seu circa dictum castrum advenientes. amicis nostris karissimis. habentes usum et noticiam in talibus non suspectos. Sed si hostes. Deel 30 .) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. sancti Petri. Et super tali caucione seu convencione fierent littere obligatorie cum obligacione ipsius domini episcopi et suorum dicteque sue ecclesie bonorum. 4 vs. qui ad defensionem patrie sue ac dicti loci sua corpora periculo in hoc supponerent atque vitas. dominis Maioris. Posset eciam dominus episcopus caucionem idoneam fidejussoriam prestare vasallo super premissis. postquam in dicto castro posuisset homines. quod fraus dolus et quecumque decepcionis species in hiis omnibus reici deberent et bona fides plenaria observari. sancti Johannis et sancte Marie Trajectensium ecclesiarum prelatis et capitulis. Scriptum Leodii mensis Junii die XX. per quod tamquam per dominum transfeudalis caucio hujusmodi seu obligacio esset confirmata. Vicedecanus et capitulum Leodienses viris venerabilibus et discretis. hoc tamen in premissorum singulis attento. sancti Salvatoris. Altissimus vos in sua gracia custodiat nunc et semper. si alius pretactus caucionis modus non prestaretur. ipsum castrum in toto vel in parte diruerent seu dampna aliqua in villis domibus ortis campis et bonis predictis quoquomodo inferrent. hora completorii. dominus episcopus ad talia restituenda minime tenetur. Salvator. fol. sigillo dicti domini episcopi sigillande unacum sigillo nostri maioris. (Naar een afschrift voorin het necrologium van het kapittel van St.

1) De brief . Het waren dus zeker geen alledaagsche mededee- 1) Ik vond dien. N. waar hij was. Vandaar de lacunes.. Medegedeeld door Dr. Japikse bij diens ook te Gouda ingesteld onderzoek naar ongedrukte resolutiën der Staten doorzochte portefeuilles met ‘ingekomen stukken’. dien de lezer hierachter vindt afgedrukt. Deel 30 . is aan de burgemeesters van Gouda geschreven door Dirk Jansz. in een portefeuille met willekeurig bijeengevoegde stukken. L. een handschrift in folio.A. gedeputeerde ter in het midden van November 1572 te Delft gehouden Statenvergadering en bevat klachten over het zonderlinge gedrag van zijn medegedeputeerde Dirk Hoensz. in het Archief der Gemeente Gouda. die op een gegeven oogenblik weigerde aan de verdere beraadslagingen deel te nemen en zich dagen lang schuil hield. Kesper.231 den Brief over een op den 17 November 1572 te Delft gehouden vergadering van de Staten van Holland. heeft geleden door het uitsteken der randen buiten de portefeuille. Het stuk. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dus niet in de door Dr. zonder dat men wist. Lonck.

alléén in de minuut voorkomende. zich kenmerkt door die bijzondere uitvoerigheid. die zich in den nieuwen stand 1) 2) Er bestaan van deze resolutiën. nl. die men elders niet licht zal aantreffen. die eigen is aan alle mededeelingen van pas doorleefde. sten Toen op den 21 Juni 1572 Jonkheer Adriaan van Swieten in den naam van den Prins Gouda bezet had. Vandaar dat de brief. Hoe het zij. Resolutiën. de schaarschheid van berichten omtrent wat er. Misschien ligt juist in die uitvoerigheid. de minuut en het net. voorzoover de Goudsche 1) 2) vroedschaps-resolutiën en enkele andere bescheiden mij daartoe in staat stelden. zoo spoedig mogelijk na het gebeurde geschreven. voor de kennis van dien tijd niet onbelangrijke bijzonderheden. welks inhoud ik thans. Hiertoe behoort vooral de merkwaardige concept-rekening betreffende de uitgaven. in de Staten van Holland is voorgevallen wettigt reeds de uitgave van den brief. eenigszins schokkende gebeurtenissen. had in de Staten een groote opschudding verwekt en Lonck zelf was natuurlijk ten zeerste onder den indruk van het gebeurde. eenigszins nader wensch toe te lichten. de eigenlijke waarde van den brief. voelde de Goudsche vroedschap zich als een overwonnene. ook uit dezen tijd. twee exemplaren. Deel 30 . die hem afvaardigde. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. meer nog dan in de medegedeelde feiten zelf. na de eerste vergaderingen in Juli. die Gouda zich in de jaren 1572-1574 voor de ‘gemeene saecke’ getroost heeft. bevat de brief allerlei kleine. De houding van Hoensz. zal ik als ‘minuut-vroedschaps-resolutiën’ citeeren. die Lonck hier te doen had aan de regeering der stad.232 lingen. Daar Lonck zijn regeering de ware toedracht van zaken eens recht goed voor oogen wilde stellen.

om uit eigen beweging de zijde van den Prins te kiezen en was zij ook nog te veel aan het oude geloof gehecht. Niet van die vroedschap toch was de omzetting uitgegaan. vierde reeks deel II bl. en Oudhk. die 't eigenlijke middelpunt vormt van den inhoud van den brief. waarover wij indertijd elders eenige bijzonderheden hebben medegedeeld. Hevig en hardnekkig was de strijd. verreweg de belangrijkste zaak. Deel 30 . de vroedschap had den eed van trouw aan den Prins moeten doen en over het geheel bleek zij meegaande en paste zij zich. als correcte regeering.233 van zaken zoo goed mogelijk moest trachten te schikken. trots ook haar hevig verzet tegen den tienden penning en ook haar afkeer van alle geloofsvervolging miste zij den noodigen revolutionnairen zin. die voortdurend tot allerlei conflicten aanleiding gaf: het onderhoud der in Gouda gelegde garnizoenen. dat de ‘vrijheid van religie’ ten slotte alleen aan de Calvinisten zou ten goede komen. Wèl echter over de andere zaak. waarin zij van geen toegeven weten wilde. Intusschen. Maar twee zaken waren er. Gesch.. Daar 't nu juist deze kwestie is. om niet angstig terug te deinzen voor de mogelijkheid. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. betrof de religie. zal ik haar 't eerst en tevens eenigszins breedvoerig bespreken. 1) Over deze religie-kwestie. dien zij voerde. wordt in den brief niet gesproken. aan de nieuwe omstandigheden aan. 391 vlg. toen de bij de overgave bedongen ‘liberteyt van religie van overwedersijden’ inderdaad een ijdel woord bleek te zullen worden. 1) In de Bijdragen voor Vad. De eerste.

1572. van den hopman af tot den minsten knecht toe. voor sommige oogenblikken althans. en zoo leefden ook de huisgezinnen min 3) of meer op kosten van de burgerij . dat dit aantal zelfs ruim 950 bedroeg. Al die soldaten moesten onderhouden en. waar dit noodig was. Vrouwen en kinderen kwamen veelal juist tegen etenstijd hunne mannen en vaders opzoeken. dat het onderhoud der soldaten den burgers zwaarder viel ‘mitsdijn wijff ende kinderen mede quamen eten. ook gehuisvest worden door de burgers. In de concept-rekening staat ergens. Jammer genoeg ontbreekt daar bij één vendel de anders steeds voorkomende opgave der data van komst en vertrek. Docb dit groote getal was abnormaal en slechts het gevolg van toevallige opeenhooping van elkaar afwisselende vendels.’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. hadden. die beiden zich dan ook gewillig betoonden in datgene. begrepen èn de vroedschap èn de burgerij. dan voor de verdediging der stad noodig was.234 Dat na de omzetting in Gouda garnizoen moest worden gelegd ‘voor de defentie ende bewaringhe der stede’. nl. In 't begin van Augustus lagen er 700 soldaten en nog dagelijks 1) vermeerderde dit aantal . van 16-23 Juli. is licht te begrijpen. En waren 't nu alleen maar die soldaten zelf. maar al die manschappen. Zie vroedschaps-resolutie van 6 Augustus 1572 en de conceptrekening passim. de gewoonte hun vrouwen en kinderen mede naar 2) de plaats van hun garnizoen te nemen . Maar al heel spoedig trok 't eene vendel na 't andere Gouda binnen en werd de stad met het onderhoud van veel meer soldaten belast. zoo zij getrouwd waren. Deel 30 . Het getal soldaten kan men. die naar gelang van hun vermogen voor een of twee soldaten (of een meerdere) te zorgen hadden. 1) 2) 3) Zie vroedschaps-resolutie van 6 Aug. Er was een oogenblik geweest. die op het onderhoud der vendels betrekking hebben. wat Van Swieten voor dit doel van hen eischte. Welke groote uitgaven dit onderhoud van de burgerij vorderde. vrij nauwkeurig opmaken uit de verschillende posten in de conceptrekening.

Inderdaad werd een vendel .dat van Hopman Beest . die zij wilde toepassen. dat een lid van de vroedschap van de stedelijke regeering geldelijke vergoeding eischte voor den velen wijn. werden zij daartoe weinig bereid gevonden. die een bij hem ingekwartierd hopman opgedronken had. zal ik deze verder maar niet aanhalen. 2) thans in den vorm van het maken van schulden. toch reeds door allerlei andere buitengewone belastingen gedrukt.klachten over den toenmaligen toestand werden zoo min mogelijk in het net-exemplaar opgeteekend . Zie voor dit alles vooral de concept-rekening. hoofdzakelijk aan die rekening ontleend zijn. dat de burgerij. dat zij althans één vendel niet bij de burgers ingekwartierd zou laten. de kosten van hun onderhoud enz. Deel 30 . bestond hierin. op kosten der burgers leefden . om de burgers van den last dier soldaten te bevrijden. maar toen de stedelijke regeering daarop bij diezelfde burgers om geld kwam vragen voor de te betalen soldij. zal mededeelen. dat zij de soldaten moesten ‘traicteeren naer hoeren appetite’.van 8 Augustus.235 Daarbij kwam nog dat meerderen zoowel als minderen in den regel hooge eischen 1) stelden en de burgers op allerlei manieren afpersten . In het algemeen was 't den burgers steeds een ergernis. tegen betaling van soldij. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Geen wonder. Daar al de bijzonderheden.en niet een enkel glaasje! Teekenend in dit opzicht is het feit. op eigen kosten zou doen leven. doch dit. dat de soldaten van het genoemde vendel slechts door beloften van betaling rustig konden gehouden worden en inmiddels toch weer. 1) 2) De Heeren Hoplieden eischten bijv. klacht op klacht begon te uiten en de vroedschap op middelen zon. Zie minuut-vroedschaps-resolutie . wijn aan tafel .van de burgers weggehaald. Het gevolg was. die ik verder omtrent 't aantal soldaten. Een der eerste maatregelen.

die natuurlijk ten doel had het getal soldaten belangrijk te verminderen. Deel 30 . voor een verblijf van ongeveer een maand. om met hem een zeker contract te maken aangaande het getal soldaten.236 den Die toestand werd onhoudbaar en daarom besloot de vroedschap op den 6 Augustus een deputatie naar Van Swieten te zenden met de opdracht. En nu besloot de vroedschap wel opnieuw deze soldaten geheel ‘op eigen kosten’ te laten leven. dat thans. In plaats van ‘Bever’ vond ik ook ‘Bijber’ en ‘Beveren’. slecht betaald als 't werd. Doch met het vertrek van dit ééne vendel was noch de burgerij noch de vroedschap tevreden. Het verzoek werd ingewilligd en na eenige vruchtelooze pogingen. waarmede Gouda voortaan belast zou blijven. dat uit 350 man bestond en naar raming van de stedelijke regeering aan de burgerij. Maar de burgemeesters. een opdracht. niet alleen voor de burgers. maar Lumey eigenlijk hier de man was. een last was maar ook gevaar voor de rust in de stad opleverde. de som van ruim f 4680 gekost had. dat niet Van Swieten. dat het aldaar 1) zeer gehate vendel van Hans Bever uit Gouda zou mogen vertrekken . wendden zich zonder voorkennis van de vroedschap rechtstreeks tot Lumey en verzochten. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. uit 215 man bestaande. Er was nog altijd 't vendel van Hopman Beest. De genoemde hopman wordt meestal aangeduid met den naam van Hopman Hans Bever uit Trier. die begrepen. vertrok het bedoelde vendel. die maar altijd aan 't borgen moesten blijven. om nog een soort afkoopsom te verkrijgen. maar 't bleef bij het oude: het geld van het zoogenaamde ‘sol- 1) Zie vroedschaps-resolutie van 16 Augustus 1572.

Tegen dwangmiddelen . zag zij op. zooals de vroedschap zich uitdrukte . om zich de extra-belasting van een onnoodig groot garnizoen te laten welgevallen. In den regel lichtte de vroedschap deze meening toe door verwijzing naar de ‘armoede der ingesetenen’. dat de vroedschap zich bij de Staten ging beklagen. waarschijnlijk. die maandelijks voor de soldaten zou moeten worden uitgegeven. dat 't gemeene land het onderhoud dier soldaten 3) betaalde . Zie de vroedschaps-resolutiën van 14 Augustus en 29 Augustus 1572. de meening begon voor te staan.‘het remedie van justicie’. doch niet zelden heeft 't den schijn. En toch kon de som van ongeveer f 2000. Maar consequent was de vroedschap bij 't innemen van dit standpunt niet. dat 't niet meer dan billijk was. Deel 30 . De vroedschap intusschen zat voor een groote moeilijkheid. dat de burgers al meer dan genoeg aan al die soldaten hadden ten koste gelegd.237 1) 2) datenkohier’ kwam zeer slecht binnen en het aantal ‘restanten’ bleef groot .. natuurlijk slechts door middel van een speciaal daarvoor geheven belasting worden bijeengebracht. dat de vroedschap zich in deze zaak tegelijk ook op meer principieel standpunt plaatste en van oordeel was. Zie vroedschaps-resolutie van 25 Augustus 1572. die een betaling der soldaten onmogelijk maakte. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat Gouda niet verplicht was.om de gelden van het soldatenkohier geind te krijgen. de vraag of het thans in Gouda aanwezige garnizoen te groot was voor de 1) 2) 3) Van een afzonderlijk ‘quohier der soldaeten’ leest men in een minuut-vroedschaps-resolutie van 29 Augustus 1572. en. omdat zij zelve overtuigd was. Niet meer dan natuurlijk was 't dus. toen klagen niet meer baatte.

‘ordre te stellen’ . Zie vroedschaps-resolutie van 5 September 1572. De gedeputeerden hadden geen succes en Gouda bleef voor het onderhoud der soldaten aansprakelijk. ten slotte althans zooveel geld opbracht. die voor Gouda deze vergadering zouden bijwonen. soet deser stede ende darme 1) ingesetenen nyet mogelick en es deselve betaelinghe te vervallen’ . dat men erover dacht. ook op deze zaak. wier verpleging ook al weer groote uitgaven 1) 2) Zie vroedschaps-resolutie van 29 Augustus 1572. om ten slotte aan het muiten te gaan. Zóó ernstig werd eindelijk de toestand. om het onderhoud der soldaten langer te bekostigen. 't Hoofdpunt was en bleef dus de onmogelijkheid. toen de burgerij. dat de soldaten door het betalen van telkens kleine bedragen eenigszins tevreden konden worden gesteld. ‘dat de soldaten alhier liggende betaelt behoeren te werden bij tgemeenlandt. om zich rechtstreeks tot den Prins 2) te wenden met het verzoek om. die zoo goed als geen betaling kregen. door het gewelddadig optreden der soldaten ten zeerste verschrikt. kregen de gedeputeerden. om den Staten aan te dienen. toen men voor de eerste maal de boven aangeduide meening tegenover de Staten uitsprak. Men liet echter dit plan varen. den last. Intusschen begonnen de soldaten. Deel 30 . sten Toen op den 31 Augustus en volgende dagen de Staten te Haarlem zouden vergaderen. hoe langer hoe onrustiger te worden. Het beleg van Schoonhoven bracht weldra tal van gekwetsten in Gouda. werd door haar in 't geheel niet gesteld. en dit argument werd dan ook aangevoerd.238 verdediging der stad. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Maar 't ongeluk vervolgde Gouda.

dat zij al de ‘onverwinlicke schaede. gewelt. na het bezoek van Lumey's soldaten. ten opzichte van al wat soldaat 1) 2) Zie vroedschaps-resolutie van 8 October 1572. Hier kan ik volstaan met de herinnering aan het feit. 99 noot g.239 1) vorderde . maer liever de stadt ende haere goeden verlaeten souden. (Zie vroedschaps-resolutie van 17 October 1572). Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. door Van Wijn in Bijv. De vroedschap schijnt eerst een poging gewaagd te hebben. overlast ende verdriet’. om de zieke en gekwetste soldaten niet in de stad toe te laten. dien zij gedurende reeds ongeveer vier maanden van al die soldaten had gehad. hoe de burgerij. om goed te doen zien. thans.’ Wij haalden deze woorden aan. op Wagenaar VI. die zij van de soldaten geleden hadden. is bekend en meermalen 2) beschreven . dat in het laatst van October Lumey zelf met een vendel van ongeveer 700 man zich gedurende een tijd van 13 dagen in Gouda legerde. wier geduld reeds bijna zoo goed als uitgeput was door den overlast. Natuurlijk diende de vroedschap ook bij deze gelegenheid bij de Staten een voorstel in. Het onderhoud echter van die gewonde soldaten was een zaak van haast geen belang in vergelijking met het feit. dat de burgers verklaarden. om geen goet van de werelt.doch ook ditmaal bereikte de vroedschap haar doel niet. O. ten doel hebbende om het onderhoud althans van dèze soldaten op 's lands kosten te doen geschieden . ‘in soedanighen schijn nyet weder en souden willen verwachten. Althans Lumey verweet dit de stedelijke regeering. en Aanm. Deel 30 .a.zij deed dit op de in 't begin van October te Leiden gehouden dagvaart . Wat de burgers toen geleden hebben door de afpersingen dier soldaten en door de andere door hen bedreven wandaden.

Lonck op. in haar meerderheid nog katholiek was. Wel bevat zij in het algemeen ook wel weer een klacht over de gevolgen van den opstand. van deze geheele zaak liever maar geen officieele vermelding meer willen maken. in de Staten op minder heusche wijze ontvangen was. dat. een 1) dergelijk verzoek tot den Prins zou worden gericht . Het verblijf van Lumey en de zijnen had den burgers niet minder dan f 4000 gekost. Tevens werd besloten. zoo de Staten het verzoek niet wilden inwilligen. nl. Tot de heffing van den 100sten penning was eerst onlangs. (Verg. Dat deze resolutie niet in het net-exemplaar voorkomt. dat de achterstallige zoowel als de nog te betalen soldij der in Gouda liggende soldaten uit de opbrengst van den sten den 12 en den 100 penning betaald zou worden. door de Staten besloten. gelijk bekend is. bovendien nog dit gevolg. Wellicht heeft men later. om nog langer geld voor die soldaten op te brengen en een verwijzing naar de groote uitgaven. zooals wij zagen. Bij de vroedschap. in het begin van November. had de woede van Lumey's soldaten tegen alles wat nog aan het oude geloof herinnerde. maar de zaak werd toch openlijk in de Staten behandeld. is vreemd. nadat het verzoek van Gouda. De stemming èn van de vroedschap èn van de burgerij was er dus thans allerminst naar. die. 1) Zie minuut-vroedschaps-resolutie van 11 November 1572. den Op den 11 November droeg dan ook de vroedschap aan Dirk Jansz. zich naar de Statenvergadering te begeven en daar om een ordonnantie te verzoeken. Als toelichting tot dit verzoek zou dienen de onmogelijkheid.240 heette gestemd moet zijn geweest.d. om het eenmaal opgevatte denkbeeld van betaling der soldaten uit 's lands kas te laten varen. gelijk wij straks zien zullen. Deel 30 . waarbij bepaald werd. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat zij met grootere heftigheid dan voorheen voor de belangen der katholieken optrad en in het algemeen zich minder in den nieuwen toestand begon te schikken. die de stad zich reeds had getroost. vastgesteld bij ordonnantie van de Staten d. 16 Augustus 1572. De heffing van den 12den penning (van de inkomsten van landerijen) was. om met Dirk Hoensz. vroedschaps-resolutie van 4 November 1572).

de den betaling althans van de achterstallige soldij door den ontvanger van den 12 1) penning te doen geschieden . voordat de Staten 't goedkeurden . Zoo stonden dus de zaken. toen het meergenoemde verzoek van Gouda op de Staten-vergadering 3) van 17 November in behandeling kwam. Deel 30 . Welk resultaat deze ‘behandeling’ toen opleverde. de vergadering gehouden werd op een Maandag en deze Maandag niet kan geweest zijn de 10de (want de zaak was toen nog niet eens in de vroedschap besproken) moet de vergadering op Maandag 17 November gehouden zijn. welke datum in 1572 op een Dinsdag viel.241 De betaling der soldaten kon intusschen niet langer uitgesteld worden en daarom besloot de vroedschap. De burgemeesters waren. toen de vroedschap op haar beurt verklaarde. vindt de lezer in den brief zelf in alle bijzonderheden medegedeeld: het voorstel van de Goudsche afge- 1) 2) 3) Zie vroedschaps-resolutie van 12 November 1572. zonder op de beslissing van de Staten te wachten. blijkens den brief. dat zij hen zoowel tegenover de Staten als tegenover haar zelf niet aansprakelijk zoude stellen. bereid den ontvanger de bedoelde acte te verleenen en zoo werd ten slotte 't geld 2) reeds uit 's lands kas betaald. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Zie vroedschaps-resolutie van 16 November 1572. De brief is gedateerd 18 November. Daar nu. Natuurlijk maakte de ontvanger bezwaar en eischte hij van de burgemeesters ‘in haere prive name’ een acte van schadeloosstelling.

‘gedeputeerden’ genoemd. in betrekking tot die soldaten geschied is. dat bij bepaald verbod om de soldaten uit 's lands kas te betalen de gelegenheid ontnomen zou worden om voort te gaan met die betaling voorloopig door den ontvanger der gemeenelandsmiddelen te doen geschieden. wat toch wel de reden mag zijn geweest van de zonderlinge houding. Deel 30 . dat den 19 November bij de vroedschap in behandeling kwam.242 vaardigden werd van alle kanten met zulk een storm van verontwaardiging ontvangen. in de hier bedoelde Statenvergadering aannam en die zijn medegedeputeerde haast tot wanhoop bracht. Hij was. Met die ‘swaricheyt’ werd waarschijnlijk dit bedoeld. dat een behoorlijke verdediging onmogelijk bleek. die Dirk Hoensz. Ook in de tresoriersrekening van 1572 worden Lonck en Hoensz. moge klinken ‘Raed van sijne 1) 2) Zie vroedschaps-resolutie van genoemden datum. vooral met het oog op zijn houding. 2) Tot nu toe noemden wij Hoensz. dat de brief geschreven werd. omdat men vreesde. Toen nu Gouda's voorstel zoo goed als verworpen was. dat. een rekest aan den Prins worden gezonden. volgens 't besluit van de vroedschap. komen wij thans tot de vraag. Althans tot dit laatste werd in diezelfde 1) vergadering het besluit genomen . hoe vreemd 't ook. Men besloot toen het bedoelde rekest voorloopig nog niet te verzenden. maar eigenlijk was hij dit slechts ten deele. Nu wij dus den lezer voldoende op de hoogte gesteld hebben van al hetgeen vóór en omstreeks den tijd. moest er. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. er ‘swaricheyt’ zou kunnen ontstaan. Lonck stelde den daarvoor een concept op. wel een ‘gedeputeerde’ . zoo er ongunstig op beschikt werd.

Muller. Loncq. Nederl. blz. 3 November 1572 bij Kluit. 71). der Holl. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.d. zijn natuurlijk de nieuwe leden van het Hof van Holland. veroorloof ik mij de daarop betrekking hebbende vroedschapsresolutie in haar geheel mede te deelen. om één van hem beyden tot electie van den Prinche van Orangiën te wesen Raet van sijnder Excellentie. 419 en verder den brief. 1) Zie de Commissie van den Prins betreffende de oprichting van dezen Raad d. doch ook de 1) Statenvergaderingen moesten bijwonen . werd door de Staten een tweetal opgemaakt. (Zie o. Zij is van 14 December 1572 en luidt aldus: ‘Ten voorsz. III bl. Over hen zullen wij later nog even spreken. Hoensz. dat dat alles. Men moet dan weten. Ter vervanging van o Hoensz. dewelcke continueeren representeeren sullen een lidtmaet van de Staten. Hist. 2 voorkomt. De ‘Raetsheeren in den Haghe’. door te zeggen. waarvan de leden.a. Staatsreg. Staat der Ver. Maar die verplichting wees hij van zich af. dat er toenmaals een Raad bestond. van wie ook in den brief gesproken wordt. uit de edelen en vertegenwoordigers der verschillende steden op voordracht van de Staten door den Prins gekozen. Deze ‘Raad’ was dus min of meer een voorlooper van den ‘Raad nevens zijne Excellentie’. Dit laatste vereischt natuurlijk toelichting. was dus reeds als ‘Raad’ verplicht op de hier bedoelde Statenvergadering als vertegenwoordiger van de stad Gouda aanwezig te zijn. niet alleen als afzonderlijk college den Prins ter zijde moesten staan. Daar er omtrent den hier bedoelden Raad verder weinig bekend is. daeghe is volgende tschrijven van de voornoemde gedeputeerden genomineert meester Pieter van Asperen en Dirck Jansz. of althans geconstitueerd was. die in het voorjaar van 1573 werd opgericht.243 Excellentie’ en had hoofdzakelijk als zoodanig de verplichting om de Statenvergadering bij te wonen. waarop Lonck als N . Deel 30 . dat er tot nu toe van het geheele optreden van dien Raad nog niets te bemerken was geweest. om mette anderen Staten in de gemeene landtssaecke te besongeeren’.

om. Hoensz. Of men hem toenmaals niet vertrouwde. komt ons van zijn standpunt niet geheel 1) onbegrijpelijk voor . niet herkozen. aan de Staten het ons bekende verzoek te doen betreffende de te Gouda liggende soldaten. op de vergadering te komen. toch al schoorvoetend in de vergadering gekomen.a. aan zijn verplichtingen als ‘Raad’ had onttrokken. dat in de door ons besproken Statenvergadering in behandeling kwam. ‘noch in treyn niet gebrocht’ was. de vergadering verliet en verder niets meer van zich liet hooren. herwon spoediger het vertrouwen. In elk geval werd hij later weer in genade aangenomen. Dat nu Hoensz. Deel 30 . Reeds in het voorjaar van 1573 werd hij. om te zamen met Hoensz. dat zijn verplichting tegenover de vroedschap vervallen was door zijne opvatting van die tegenover den Prins en de Staten. Deze toch had op den 11 November Lonck opgedragen. gelijk bekend is.) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Sinds 1575 was hij zelfs meermalen Burgemeester van Gouda. verplichting.244 zooals hij zich uitdrukte. had betrekking op de zoogenaamde geannoteerde goederen. gekozen tot lid van den Raad nevens zijne Excellentie. die zich. waarover wij thans nog enkele mededeelingen wen- 1) Hoensz. of dat hij werkelijk zich eenigen tijd van de partij van den opstand heeft afgescheiden. Doch later liet hij zich dan toch door Lonck overhalen. evenals Hoensz. die dan toch de Statenvergadering zou moeten bijwonen. Wagenaar VI bl. werd in Juli 1573.. Het andere punt. nu meende eerst.. 399. Maar niet alleen tegenover den Prins en de Staten had Hoensz. onmiddellijk nadat het voorstel van Gouda op zoo'n ruwe wijze was afgemaakt. doch den ook tegenover de Goudsche vroedschap. is niet uit te maken. bij de omzetting der vroedschap. blijkens den brief. ter voldoening aan de hem gegeven opdracht. (Zie omtrent Duyst o. Hendrik Duyst.

dat zij lijsten zouden opmaken van de in 1) Zie Bor I bl. die gevlucht waren. dat de bedoelde goederen door de magistraten der betreffende steden zouden worden geannoteerd en dat de vruchten daarvan zouden worden ontvangen door de rentmeesters der domeinen. 290 en 291. die.voor het beheer dier goederen afzonderlijke ontvangers aangesteld. dat de Staten aan een dergelijken toestand een einde wenschten te maken. dus met overtreding daarvan . Wat er op die wijze van die inkomsten. De aangelegenheid van de geestelijke goederen en de goederen der gevluchte en andere ‘de gemeene saecke’ niet toegedane personen (al welke goederen later met den algemeenen naam van ‘geannoteerde goederen’ werden aangeduid) was eigenlijk reeds geregeld bij de ordonnanties van den Prins van 23 1) en 25 Augustus 1572 . Geen wonder dus. dat de stedelijke regeeringen andere ontvangers zouden aanstellen voor de inkomsten der kloosters en de goederen van hen. die volgens de ordonnantie voor de gemeene zaak bestemd waren. terecht moest komen. die van hun beheer rekening en verantwoording zouden moeten doen aan een commissie uit de Staten. Zoo was in laatstgenoemde ordonnantie o. zonder dat er van eenige rekening en verantwoording aan de stedelijke regeeringen of de Staten sprake was. Doch in vele steden hadden de gouverneurs òf reeds vóór het uitvaardigen der zooeven genoemde ordonnantie òf daarna. Deel 30 . is licht te begrijpen.dit is onzeker . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.a. Op de in het begin van November te Haarlem gehouden dagvaart werd dan ook bepaald. bepaald.245 schen te doen. de door hen ontvangen gelden aan de gouverneurs afdroegen. en verder.

Deel 30 . als ontvanger voor de hier bedoelde inkomsten aangesteld en kon de vroedschap er niet zoo gemakkelijk toe overgaan om een ander in zijn plaats te den benoemen. door wiens toedoen vooral de Geuzen binnen Gouda waren gekomen. wat op die geannoteerde goederen betrekking heeft. niet geteld. in Gouda Van Swieten een zekeren Herman Sterre. de gouverneurs. Algemeen toch was men 't er over eens.246 hare steden gelegen bezittingen van inwoners van Utrecht en Amsterdam. van wie de stedelijke regeeringen toch in vele opzichten zoo afhankelijk waren. dat trouwens ook wel slechts geopperd zal zijn. een Goudsch burger. Vandaar dat de vroedschap in hare vergadering van den 12 November besloot. door Van Swieten waren aangesteld.de eigenlijke schuldigen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. werd het bezwaar van Gouda. waarschijnlijk als belooning voor zijn in dit opzicht bewezen diensten. er de Staten nog eens uitdrukkelijk op te wijzen. dat Herman Sterre. Zoo had bijv. de vroedschaps-resolutie en de minuut-vroedschaps-resolutiën van 12 November 1572 en verder den brief zelf. Gelijk uit den brief blijkt. Waar reeds door de gouverneurs ontvangers waren aangesteld. De uitvoering echter van dit besluit leverde natuurlijk voor menige stedelijke regeering bezwaar op. durfde men waarschijnlijk 1) Zie voor alles. van Delft. om zich tegenover Van Swieten te kunnen verdedigen. evenals de in den brief genoemde Jan Hendriksz. dat de aangelegenheid der hier bedoelde goederen opnieuw geregeld behoorde te worden en dat die ‘calesen’ van ontvangers . stond een benoeming van andere ontvangers gelijk met rechtstreeks optreden tegen die gouverneurs. Aan Lonck werd toen opgedragen dit bezwaar in de Staten ter sprake 1) te brengen .

levendig geschreven als hij is. zou nog wel het een en ander te zeggen zijn. dat Buys eerst in het laatst van December als landsadvokaat is aangenomen. Everdingen (Leven van Paulus Buys. Brink. v. waaruit men dus zou kunnen opmaken. dus nog geen landsadvokaat was .d. den Prins zouden verzoeken. waaruit dus blijkt. 20 vlg. die hier spreekt over ‘onse burchermeester’. en 2 3) Schetsen I bl. werd de aangelegenheid der geannoteerde goederen opnieuw geregeld door de ordonnantie 1) van den Prins d. 1) 2) Zie Resolutiën Staten van Holland 1571/74 bl. Stud. 10 Februari 1573 . dat van de negen op genoemden datum benoemde 2) leden er niet minder dan zes bedankt hadden . dat dit bedanken eenigszins verwacht werd. waarmede de Prins bij het organiseeren van het nieuwe bewind te kampen had.247 niet aan . Zoo bijv. Uit de daar afgedrukte commissie van den Prins blijkt. volgens den brief. Vergelijk hiermede de gissing van Dr. 501 vlg. waarover in den brief slechts terloops wordt gesproken. om welks uitvaardiging de Staten. Over vele andere zaken. Verder over Paulus Buys.d. dat 3) Buys toen nog pensionaris van Leiden. Gelijk bekend is. Maar daar mijne inleiding reeds lang genoeg is. Over de op 3 November 1572 benoemde raadsheeren zie men Bakh. Deel 30 . (aanteekening). Deze ordonnantie is dus waarschijnlijk het ‘placaet’. veroorloof ik mij voor deze en dergelijke kleine bijzonderheden den lezer naar den brief zelf te verwijzen. ons een aardigen blik zoowel op de wijze. v. over de benoeming van zes ‘raetsheeren’ (leden van het op 3 November 1572 opnieuw opgerichte Hof van Holland). 20). Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De brief in zijn geheel geeft. bl. waarop het toenmaals in de Statenvergaderingen kon toegaan als op de eigenaardige moeilijkheden.door andere behoorden vervangen te worden.

nog naloopt. door den Prins benoemd ‘daer niet of mochten’. die den verdediger van een minder welkom voorstel met gejouw en geschreeuw ontvangen. 1) Bij de aanvulling dezer lacune maakte ik gebruik van het adres van den brief en de gewone aanvangsformules van dergelijke brieven. dat zij. U in faicten te s[crijven] de sobere hulpe ende adresse. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. onder zijne leiding. Lonck aan de burgemeesters van Gouda.A. zijn al even kenschetsend als de pacificeerende Buys. die de vergadering verlieten. om hen van hun ongelijk te overtuigen.dat 't den meesten aan den innerlijken drang om iets ten bate van de ‘gemeene saecke’ te doen ten eenemale ontbrak en dat de Prins. 1) Eersame wijse voorsy[nighe discreete goede vrunden ick gebiede mij] zeere tuwaerts. die de Goudsche gedeputeerden. zoodat 't volgens Loncks getuigenis ‘gheen één mans werck’ is. ten slotte hunne benoeming aannamen.248 De gedeputeerden. omdat zij. Ick mach U niet verswijgen. van wie hij slechts hopen kon. behalve door enkele getrouwen als Paulus Buys. die ick hebbe an Dirck Dircksz. na zich eerst op allerlei wijzen verontschuldigd te hebben. Brief van Dirk Jansz.doch ditmaal met al de duidelijkheid van een los daarheen geworpen woord . slechts omgeven was door nog maar altijd aarzelende figuren. om met een dergelijk voorstel voor den dag te komen. En de raadsheeren.K. wellicht tòch nog tot nutte dienstknechten voor de zaak der vrijheid zouden kunnen worden opgeleid? L. die. Deel 30 . bewijzen zij niet opnieuw .

sulcxs de saicke in den hoeren mede te staen. ende dat de voorgaende nominatie om Raedt te weesen van zijnder Excellentie ende soe te representeren yegelick zijne stadt. die het onderwint sullen hebben over de gheestelicke goeden ende van de goeden van de geaffugeerden ende van degheenen toecomende. van Delft. want hij overmits zijn zwaer hooft sustineert ende seydt gheen last te hebben om te compareeren bij den Staeten. alsoe eenige deshalven doer commissie van mijnheere Van Swieten al onderwonnen hebben. tselve niet geeffectueert wordt noch geeffectueert es. dat men versoucken sal an de Excellentie. om sulcke calesen van ontfangers te compelleren tot behoerlicke reeckening. om hierop een placaet gemaect te worden. met interdictie Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. constringeren ofte ordonneren. volghende voorgaende resolutie van de Staeten. ende hebbe nochtans doer veel biddens ende smeeckende woerden . Deel 30 .alsoe de conclusie van de vroetschap op hem mede spreect . doerdien zij alle noch niet bijeen geweest ofte gecompareert zijn. om hem naer sijn reeckening te vragen.249 [Hoens]. ende overmits die van Leyden. ende men sal nieuwe ontfanghers stellen. dat men in de Staeten soude ontbieden Jan Heyndricxsz. es breeder geresolveert. ende dat de penningen van deselve angeslagen goeden meest in handen gecommen zijn van de gouverneurs van de steeden. ende oock haerluyder commissie opsegghen. hoe wij ons sullen hebben mette nominatie van degheenen. haerluyder reeckening voor de magistraeten te doen. die van Vuytrecht ende Amsterdam. ende men sal de andere. die nu weeder qualick te becommen sullen zijn. te weeten op Manendach smorgens ontrent te 9 vuyren. gelijcke commissie gehadt hebbende. es geresolveert. ende den Staeten angedient. Ghorchom ende eenige andere steden seyden.met hem in de Staeten geweest.

alle de andere met mijn genomineert zijn hier noch niet. Naerdat wij dese voorsz. om van weegen der stede van der Goude te compareeren als representeerende uwer stadt ende te volghen zijn Excellentie binnen den palen van Holland. dats noch in treyn niet gebrocht. zullen wij op u versouck resolveren. datter weynich troest es te verwachten van de Staeten. maer van de ontfangers. segghende. hebben zij ons gheen finael affscheyt gegeven. seggende. wij sullen yegelick in den onsen wel mede wat bijbrenghen dat wij verschooten hebben. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. waer hij op zeyde: jae. nochtans zeyden die van Delft ende meer andere. doch deze laatstgenoemde woorden zijn doorgehaald en door de eerstgenoemde vervangen. antwoerde op ons versouck hadden.. ghij zijt genomineert van de Staeten. waerop Buys hem antwoerde ende zeyde: zij 1) zijn hier alle zonder een van de eedelen . volgende de resolutie. waervooren onse burcher- 1) In plaats van een van de eedelen stond er eerst Dirck Jacobsz. want het meerdeel van de vergaderinghe daer zeer op begoste te roupen.250 dat deselve penningen van nu voortaen niet sullen commen in handen van de gouverneurs. Dirck Dircxsz. maer hebbent weeder met reedenen gedebatteert zoeveel wij mochten. van Leiden. daer groete confuys ende oock gheen eere voor onser stede inne gelegen was. oock den pensionaris van Gorchom. dat onse soldaeten betaelt zouden moghen worden van de e hondersten ende 12 penning. heeft Dirck Dircxs niet langher in de Staeten willen blijven sitten. tsegens hem. Noopende tversouck. wij hebben nochtans onse grieven bij monde verhaelt ende op haer gelijckelick roupen niet veel gepast. maer overmits datter een van Dordrecht met een van de edele waren bij de ritmeesters van de Prinche. om geemployeert te worden in der gemeene saicke. als de Staeten wat meer ende starcker in getaele zijn. duchte ik.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ende tschijnt. vuytgaende van de vergaderinge. Dirck Dircxsz. wat ich hem daertoe badt. dan mijnheeren dit versouck an te dienen. ende Dirck Hoenss. datter gheen ander gedeputeerden van der Goude sullen commen. daer ick openbaer in de Staeten op antwoerde ende seyde. hem te soucken maect. dat ick den inhoude van dien zoude volcommen ende dat zij niet weet waer hij gebleven es. wij hebben gheen varder last om hier te compareeren. seggende. twas al te vergeeffs. want onse burgermeesters anders niet weeten hij compareert . zoe zullen wij gelijckelick scheyen ende ons doleren an zijnder Excellentie van uwer onwillicheyt. zeyden de Staeten: ghaen mijnheeren van der Goude loopen. of hij gereyst es ofte niet. zeyde: onse gecommitteerde sullen binnen een of 2 daghen selver commen. begeerde niet te blijven ende zijn oversulcxs gescheyen. om Dirck Dircxs te induceeren. Deel 30 . maer hij heeft mijn dit 1) ingeleyt billet doen gheven bij de huysvrouw van Heyndrick Duyst.volgende voorgaende nominatie . Pouwels Buys. sulcxs men hem vandaech niet gesien noch gevonden heeft. dat hij van schaemte gebleven soude hebben.niet kunnen vinden. Maar theeft niet geholpen. daer hij gelogeert es. dat ghij gaet ende maect groet confuys onder de Staeten. ende ons heeft terstont gevolcht Mr.jammer genoeg . Up ghisteren waren de genomineerde Raeden ontbooden te commen 1) Dit billet heb ik . duplicerende. dat Dirck Dircxsz.251 meester ende ick compareren.daghelicxs in de vergaderinge van de Staeten. Ick hadde gehoept met sulcxs anseggen te bemorwen. segghende: mijnheeren hebben ongelijck ende zijn qualick bedogt. ende.

dat ick niet wiste.. bij mijnheer . vuyre. ende huyden morghen zijn se gheenich van beyden gecompareert. dat hij ontbooden was bij zijnder [Excellentie]. tgunt van zijnder Excellentie niet wel genomen worde ende es oock een saicke ..... d.. Deel 30 .....soe mijn van eenige goede vrunden int secreet geseyt es . dewelcke daer gelijckelick quamen zonder Dirck Dircxs ende Heyndrick Duyst. vuytdien Mr.. onder hem was maer es als noch [niet] gereet.. waren.... hebbe nochtans geobedieert ende mijn gevonden voormiddach ontrent Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. daer Heyndrick Duyst tot antwoerde op ghaff: ick zal der mijn te nacht op beslapen. asteel om te. soe heeft hij mijn gelast van weegen zijnder Excellentie alleen te compareeren op indingatie te verwachten. te compareren bij de Staeten totdatt een van onse burgermeesters ofte ander gedeputeerde van der Goude gecoomen waren. es bij mijn gecomen Dorp ende laste mijn medebroeder Dirck Dircxsz. gescreven. waer ick denselven Dorp op antwoerde...252 bij zijn Excellentie. Omtrent dier vuyre. zoe heeft deselve Dorp met Buys tot Heyndrick Duyst gegaen om dese insinuatie te doen.. waer Dirck Hoensse was ende hij mocht naer hem sien ende die weete selver doen. deur dabsentie van dese twee heeft zijnder Excellentie die weder doen vergaderen op huyden te 9 vuyren te compareeren.. acte van author[isatie]... waernaer hem de raeden van sijnder Excellentie zouden reguleeren ende belaste hem te compareeren op huyden ten voorsz. Pouwels Buys ghisteren avondt tot Heyndrick Duyst was mette instructie van zijnder Excellentie. Hoewel nochtans ick sulcke laste van mijnheeren niet hadde..dat wel onse stede van der Goude in een indingnatie brenghen zoude.. want ick hem dit ingeleyde billet liet leesen bij Dirc Dircxsz.. Ende naerdat de Staeten van zijnder Excellentie ges.. maer hij heeft hum niet gevonden.

hebbe ick met een goet 3) vrundt van kennes dese ingeleyde requeste doen maecken. waer dat quamen ses personen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. mijnheeren sullen oock niet laeten een ander gecommitteerde te senden. dus sullen mijnheeren niet laeten andere in der plaetse van Dirck Hoensse ende mijn te senden 1) 2) 3) De woorden om raetsheeren te zijn in den Haeghe staan in margine.schijnt niet bewaard gebleven te zijn. 2) Laet Mr. die hem nu te soucken maect. Bedoeld wordt de bekende burgemeester Mr. om onse soldaeten betaelt te mogen worden vuyt de 12 ende hondersten penningh. om te presenteren an de Excellentie van de Princhen van Aurangen. Ook dit rekest . die genomineert waren tot Raeden 1) van der Excellentie. want zijluyden daer niet of mochten doer oersaecke dat se genomineert waren van de Prinche van Aurangen.253 half elven aldaer. want zij meest alle daer zoe tsegens roupen. Deel 30 . die daghelicxs mach compareren in de Staeten. tgunt ick alleen niet begheere te doen. hoewel daer weynich troest es. dat het gheen één mans werck es alle hoer roupen te wederleggen. Rosendael. die door geheime briefwisseling met den Prins de omzetting van Gouda voorbereidde.'t was trouwens ook slechts een later niet verzonden concept . doch hunne plaats in den tekst is zeer duidelijk aangegeven. Overmits dabsentie van Dirck Hoensse sal ick gheen varder versouck in de Staeten de doen. maer hier dient er wel een van de outste vuyt de weth ofte vroetschap om dese saicke andermael te versoucken. Jan Jacobsz. burgemeester hem reguleren naer dit ingeleyde billet. want mijn last es met Dirc Dirck Hoensse te besongeren. om raetsheeren te zijn in den Haeghe . Jan Jacobsz. naer veel diversse excuusen hebben tselve geaccepteerd. Hoewel daer weynich troest es. want ick nootelick thuys moet zijn.

laet Mr. Ist mogelick. Het adres luidt: Eersame wijse voersinighe disereete goede vrunden den Burgermeesteren der stede van der Goude. o o Archief der Gemeente Gouda.254 metten eersten dat doenlick es. N . Jan morgen avont hier zijn. Dirck Jansse Lonck. Vuyt den Delft met seer grooter haeste. spoedig . zonder expresse last van mijnheeren. ter 1) Goude . al zoude ick noch een 2 of 3 dagen hier blijven.naar Gouda is teruggekeerd. II B N . ghij moecht hem wel medebrengen ofte weeder binnen senden. (Inv.) 1) Dat Hoensz. Wilt ghij yet an ofte of gedaen hebben in dese requeste. Noopende de rentmeesters van de conventen waer zeer goet. want zijn saicke ende commissie haest heeft. dat se selver eenige persoonen nomineerden ende verwillichden ende dat die bij mijnheeren geautoriseert mochten worden. daer mogen mijnheeren gelijckelick op resolveeren. Ulieder dienaer ende vrundt. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 1. Is Dirck Dircxsz. zien wij uit de tresoriersrekening van 1572 (in een der posten op ‘reizen’ betrekking hebbende).althans eerder dan Lonck . desen 18 o November A '72. begheere ick niet in de Staeten te commen. Deel 30 . of ick zal mede thuys commen. 22 Portef.

Ieder dier ondernemingen trad op als een ‘kamer’ 1) Soms traden eenige ondernemingen gezamenlijk als ‘kamer’ op. daar. hare archieven voor het grootste deel verloren zijn gegaan. Dr. zoo b. slechts 1) contractueel verbonden. Dit kan trouwens geen verwondering wekken. Medegedeeld door Mr.v.v.255 Vroedschapsresolutiën. die van 1614 tot 1642 in het bezit was van een door de Staten-Generaal verleend octrooi voor de walvischvangst bij Spitsbergen. Deel 30 . Steeds is zij gebleven een combinatie van eenige. Met onze kennis van de inwendige geschiedenis en van de inrichting der Noordsche Compagnie is het nog steeds niet best gesteld. de Oost-Indische. S. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ondernemingen. sententiën en notarieele acten betreffende de Noordsche Compagnie. bij de ‘tweede’ kamer Delft. is de Noordsche Compagnie. van Brakel. Anders toch dan b. gelijk bij de inrichting der Compagnie bijna onvermijdelijk was. nimmer een corporatief georganiseerde eenheid geweest.

Slechts door eenige contracten betreffende de regeling van het bedrijf. dat de papieren dezer ondernemingen. Van een ‘archief der Compagnie’ kan men dus eigenlijk niet spreken. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. moest dus als van zelf op de uitwendige geschiedenis der Compagnie de nadruk vallen. Want het was niet steeds dezelfde onderneming.van de verschillende ondernemingen. Muller in 1874 zijne ‘Geschiedenis der Noordsche Compagnie’ uitgaf.256 der Compagnie en had als zoodanig het recht aan de walvischvangst deel te nemen. doch slechts het recht om als ‘kamer’ op te treden. of . die de kamers vrijwillig met elkander hadden gesloten. Overigens was elk der kamers volkomen vrij in haar doen en laten. dat het mogelijk bleek van de inwendige organisatie althans de groote lijnen vast te stellen. De geschiedenis der ‘kamer Enkhuizen’ is slechts zeer onvolledig bekend. die achtereenvolgens de dragers waren der aan haar toekomende rechten. Daar deze ondernemingen niet hun kapitaal of hun bedrijf aan elkander overdeden. die te Enkhuizen een stuk van het archief der aldaar gevestigde 1) kamer terugvond . Een belangrijke aanvulling bracht in 1898 prof. evenals de meeste andere koopmansarchieven.juister gezegd . die achtereenvolgens als kamer optraden. waren zij in hunne vrijheid van beweging beperkt. is het geen wonder. Zelfs mag het verbazen. Kernkamp. verloren zijn gegaan. Jammer genoeg ver- 1) Deze stukken zijn uitgegeven als: ‘Stukken over de Noordsche Compagnie’ in de Bijdragen en Mededeelingen van 1898. die als ‘kamer’ in een bepaalde stad optrad. maar toch onderscheiden wij vijf of zes verschillende ondernemingen. Er bestonden slechts archieven der verschillende kamers. Toen Mr.

257 spreiden deze stukken slechts licht over een viertal der eerste levensjaren dezer kamer en doen zij ons. Uitgaande van en in hoofdzaken instemmende met de resultaten der beide bovengenoemde schrijvers. Ik zelf heb mij daarop met dit onderwerp beziggehouden in mijne dissertatie over e de Hollandsche handelscompagnieën der 17 eeuw. de compagnie betreffende. Toen daarop het plan rees. en die over vroegere ondernemingen op verwant gebied van twee oprichters der compagnie licht doet opgaan. Het resultaat van dit zoeken waren allereerst de hierachter afgedrukte sententies van 1625 en 1633. door wijlen Mr. Mr. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. waar kamers gevestigd zijn geweest of die getracht hebben een kamer binnen hare muren te krijgen. enkele onderdeelen nader te kunnen preciseeren. waarin ik in het bijzonder de organisatie der drie groote compagnieën besprak en onderling vergeleek. besloot ik van deze gelegenheid gebruik te maken om te trachten uit het archief van het Hof van Holland en uit enkele stedelijke archieven nog iets meer bijeen te brengen. de leemten in onze kennis te meer beseffen. die mij door Mr. Deel 30 . Muller Fz. N. juist door hetgeen zij bieden. mede naar aanleiding van een door mij gevonden sententie van het Hof van Holland. de Roever nagelaten en mij door zijn opvolger.R. meende ik. W. S. Ik voeg daaraan toe een van het Algemeen Rijksarchief afkomstige resolutie der admiraliteit van Amsterdam. die ik. mij op het spoor van enkele notarieele acten. Daarbij komen de vroedschapsresoluties en enkele brieven. Ten slotte brachten eenige notities. deze sententie in de Bijdragen en Mededeelingen uit te geven. werd medegedeeld. Veder. die ik verzamelde uit de archieven der steden. voor zoover zij van belang zijn te achten. welwillend ter inzage verstrekt. mede afdruk.

Dat niet alle afgedrukte stukken van groot belang Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat ook het archief van Haarlem. de heer C. dat de stads-resolutieboeken uit den tijd der Compagnie niet meer aanwezig waren.258 Ik mag niet nalaten hier te vermelden. daarvoor mijn oprechten dank te betuigen. had de welwillendheid. die mij bij het doen mijner nasporingen behulpzaam waren. zoowel hem als den anderen archivarissen en ambtenaren. terwijl de heer Burgemeester van Stavoren mij berichtte. Deel 30 . de resolutieboeken. dat in de onder hun beheer staande archieven niets betreffende de Noordsche Compagnie te vinden was. Perrels aldaar dank. De verzekering. kan dit zijn gebeurd. Hoorn en Monnikendam heb ik persoonlijk uit de plaatselijke archieven bijeengebracht. De archivaris dier gemeente.de stad. . kan ik niet geven. Middelburg en Rotterdam aan de welwillendheid der gemeentearchivarissen en de uit Veere afkomstige stukken aan den heer J.nog iets zou opleveren. dat ik daarbij niet eens een enkele resolutie over het hoofd heb gezien. die omstreeks 1636 met zooveel volharding trachtte een plaats in de Compagnie te krijgen en bij de onderhandelingen tusschen de Compagnie en de opposante steden van Holland een belangrijke rol speelde. gelijk te Hoorn. doch moest mij ten slotte een ontkennend antwoord geven. Vooral wanneer registers ontbreken. Een persoonlijk bezoek aan het gemeentearchief te Harlingen leidde mij voor die stad tot gelijk resultaat. Niettemin mag ik niet nalaten. De archivarissen van Delft en Vlissingen berichtten mij.J. naar het bestaan van stukken en resoluties over de Compagnie een onderzoek in te stellen. Enkhuizen. De resoluties uit Amsterdam.W. Ik had gehoopt. moeilijk leesbaar zijn en de tijd voor onderzoek beperkt is. Gonnet. . dat ik de vroedschapsresoluties uit Edam.

Voorts vernemen wij eenige nadere bijzonderheden aangaande de verhouding tusschen de kamers.259 zijn. waaruit blijkt. en met betrekking tot verschillende punten vullen zij aan. Of groote winsten werden behaald was onverschillig. Evenmin ontken ik. De Noordsche compagnie en de overheid. Deel 30 . In het bijzonder brengen zij nieuws aangaande de verhouding der kamers tot de plaatselijke regeeringen en over de juridische constructie der kamers. indien van de groote winsten. Zonder toelichting zou de lectuur dezer stukken. dat de organisatie der compagnie steeds meer werd gecentraliseerd. voor niet velen belangwekkend zijn. door den een Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. naar ik vrees. wat de thans afgedrukte stukken voor nieuws brengen. Doch de stukken geven althans iets. Overvloed en lage prijzen was de leus dezer colleges. Het ontstaan der groote handelscompagnieën met een van staatswege verleend octrooi is een der opmerkelijkste gevolgen van de gewijzigde handelspolitiek. Eigenlijk kan men van een wijziging in de handelspolitiek niet spreken. hetgeen Muller en Kernkamp reeds hadden gevonden. ontveins ik mij niet. die sedert den aanvang der nieuwe geschiedenis door alle West-Europeesche staten wordt gevolgd. De Staat toch liet zich daarmede gedurende de middeleeuwen niet in. I. Slechts de stadsregeeringen volgden doelbewust een economische politiek. Ik heb daarom in een eenigszins uitvoerige inleiding de conclusies van vorige publicaties over deze onderwerpen geresumeerd en tevens aangeduid. Zelfs werd dit ongewenscht geoordeeld. dat ook thans nog over vele punten van de organisatie der Compagnie onzekerheid heerscht en over geheele tijdvakken van hare inwendige geschiedenis een sluier hangt.

om de heffing van groote bedragen mogelijk te maken daarin bestond. Deel 30 . deze gelden zonder groote bezwaren op te brengen. in ruil voor hunne toestemming te vragen om bescherming hunner belangen ter zee en in het buitenland. door het openen van nieuwe bronnen van welvaart. die in tijd van vrede. Dit kon geschieden door het handhaven van orde en veiligheid maar ook. vooral in vergelijking met vroegere toestanden. zoowel als in tijd van oorlog voor de veiligheid ter zee hadden te zorgen. Zonder toestemming der ingezetenen konden deze belastingen echter niet worden geheven en de kooplieden. De staat der Bourgondiers en Oostenrijkers . nadat de dynastieke twisten.260 gemaakt. hadden geleid tot de welgevestigde heerschappij van één geslacht. maar hield duur huis. dat het beste middel. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De regeering werd zoodoende gedwongen deze onderwerpen binnen den kring van hare bemoeing te trekken. moesten door het heffen van belastingen worden gevonden. Daarom werden niet slechts organisaties in het leven geroepen als de admiraliteiten. waarvan de middeleeuwen vol waren. De groote geldsommen. die in deze belastingen het grootste aandeel hadden op te brengen lieten natuurlijk niet na. dat men de bevolking in de gelegenheid stelde. dat gaandeweg een groot gebied aan zich wist te onderwerpen.was goed georganiseerd.om ons nu tot ons eigen land te bepalen . Als verder gevolg werd zij daardoor echter ook tot het inzicht geleid. benoodigd voor de bezoldiging van een steeds aangroeiend getal ambtenaren en voor het onderhoud van groote staande legers. Dit veranderde. maar werd aan den anderen kant ook het introduceeren van nieuwe takken van handel en bedrijf aangemoedigd. meer onmiddellijk. de economische ondergang van den ander het gevolg was.

Een monopolie voor de vaart op de nieuw ontdekte landen was in hun oogen niet meer dan de rechtmatige belooning voor het genomen initiatief. waren vele.en West-Indië. om hunne belangen in alles den doorslag te doen geven. Deel 30 . en. Dit begrepen ook de Staten-Generaal. zwaar bewapend waren. dat tot het maken dezer kosten onze kooplieden slechts te vinden waren. en toen men serieus aan de mogelijkheid van eigen ontdekkingsreizen begon te denken.g. Vooral bestond voor de overheid gelegenheid om aanmoedigend op te treden. Dikwijls waren ook verscheiden reizen noodig. De moeielijkheden. Hoe zou het ook anders. een talrijke bemanning voerden en. om niemand over hunne opvattingen in twijfel te doen verkeeren legden zij in 1614 in het z. Daarbij kwam. dat de uitrustingen zelf zeer kostbaar waren. die daarbij te overwinnen zouden zijn. voor koopvaarders. indien zij daartegenover ook de zekerheid hadden. Ook al werden onbekende landen ontdekt. Het is te begrijpen. dan nog bleef het de vraag of loonende handel kon worden gedreven. werd onder de republiek door de Staten natuurlijk voortgezet. toen men ook hier te lande kans begon te zien direct deel te nemen aan de aanvankelijk door Portugal en Spanje gemonopoliseerde vaart op Oost. voordat geschikte aanknoopingspunten werden gevonden. Lang niet alle ontdekkingsreizen leidden tot het beoogde doel. Ten einde de ingezetenen aan te moedigen ‘omme hen te employeeren Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. daar sinds de revolutie de kooplieden nog beter gelegenheid hadden dan vroeger.261 Wat de Oostenrijkers hadden begonnen. dat niet van hunne moeiten en kosten anderen de vruchten zouden plukken. Algemeene Octrooi hunne politiek in deze vast. daar de schepen voor zeer langen tijd van leeftocht werden voorzien.

zich tegen vijandelijk geweld te weren. werd een octrooi voor vier reizen beloofd aan allen. die binnen een jaar na de ontdekking aan de Staten-Generaal konden aantoonen. landen ende plaetsen. wanneer de concurrentie tusschen de betrokken kooplieden de inkoopsprijzen op de vreemde markt zóó opjoeg en de verkoopsprijzen hier te lande zóó deed dalen. Daaruit konden Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dan was de verleening van een octrooi aan deze kooplieden het aangewezen middel om den handel zelve in staat te stellen.de Oost-Indische Compagnie levert ons een voorbeeld . om zoowel in den vreemde als hier één lijn te trekken. havenen. zoolang het optreden van nieuwe concurrenten onmogelijk werd gemaakt. hunne belangen geschonden achtten. slechts stand konden houden. dat dientengevolge de handel dreigde te verloopen.diende het octrooi als belooning voor de bereidwilligheid der kooplieden. om de vroeger ongebreidelde concurrentie door samenwerking te vervangen. een tot dusverre onbekend land te hebben bevaren. Deel 30 . Een andere aanleiding om een octrooi te verleenen kon gelegen zijn in de omstandigheid. daar immers de afspraken der kooplieden. Ook tot het bereiken van andere doeleinden werden zij gebruikt. In de eerste plaats werd een octrooi verleend. juist door de nieuw aangeknoopte betrekkingen.262 ende verkloucken in 't ondersoecken ende ontdecken van de passagieën. die aan de vaart op het pas ontdekte land deelnamen. Het was dan de onontbeerlijke sluitsteen van het door de kooplieden zelf gemetselde gewelf. Het monopolie maakte extra-groote winsten mogelijk. die voor desen niet ontdeckt ofte bevaren zijn gheweest’. Niet alleen echter als aanmoedigingspremieën moesten deze octrooien dienst doen. dat vreemde Staten. Was er dan slechts een of waren het enkele weinige ondernemingen. In zoo'n geval .

263
de kosten van een zware bewapening of zelfs van eigen oorlogsschepen gemakkelijk
worden bestreden. Tevens werd zoodoende gewaarborgd, dat niet anderen van de
aldus verzekerde veiligheid zouden profiteeren om hen, die door deze zware lasten
1)
waren gehandicapt, een daarom des te gevaarlijker concurrentie aan te doen .
Deze drie overwegingen nu deden, hoewel in verschillende mate, hun invloed
gelden bij de verleening van het octrooi der Noordsche Compagnie.
Over de noodzakelijkheid om de concurrentie te beteugelen spreek ik nader. Zij
trad ook niet zeer op den voorgrond, althans in de overwegingen der Staten. Des
te meer was dit echter het geval met de derde der hierboven genoemde
overwegingen. De directe aanleiding tot de verleening van het octrooi gaf het geweld,
in den zomer van 1613 door de Engelschen gepleegd tegen de Hollandsche
walvischvaarders. De Engelsche regeering, die hiertoe machtiging had gegeven,
eischte n.l. voor hare onderdanen het uitsluitend recht op voor de vangst bij
Spitsbergen, zich daarbij, ten onrechte, beroepende op een vermeende ontdekking
van dat eiland door Sir Hugh Willoughby. De Staten-Generaal, niet gezind deze
pretentie te erkennen, besloten krachtig op te treden en verleenden de Compagnie
het door haar gevraagde octrooi. Zij achtten zich hiertoe te eer gerechtigd, omdat
de Compagnie het eiland wel niet ontdekt had, - dit was in 1596 door Jan Cornelisz.
Rijp geschied - maar toch de eerste was geweest,

1)

Over de andere motieven, die de Staten er soms toe leidden een octrooi te verleenen en die
hier niet besproken behoeven te worden, zie Holl. Handelscompagnieën, Hfdst. I § 10, 11,
12.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

264
1)

2)

die vanuit Holland schepen ter walvischvangst aldaar had uitgezonden . Geheel
zonder aarzelen is het besluit in de Staten-Generaal echter niet genomen. Dit leert
ons de brief van de Amsterdamsche vroedschap aan hare gedeputeerden in den
3)
Haag, van 15 Maart 1614 . Duidelijk spreekt daaruit, evenals uit de besluiten, in
1616 zoo door dit college als door hare Rotterdamsche zuster genomen, de afkeer
van een monopolie. Ware het mogelijk geweest, men had er de voorkeur aan
gegeven de visscherij vrij te laten en de visschersvloot door oorlogschepen tegen
geweld te beschermen. Doch men wilde den Koning van Engeland geen aanstoot
geven. Daarom neigde Amsterdam tot de octrooieering eener compagnie, die zelf
voor hare verdediging kon zorgen, en voor wier daden de Staten-Generaal niet
aansprakelijk konden worden gesteld. Blijkbaar heeft deze overweging ook in de
vergadering der Staten-Generaal hare uitwerking niet gemist. Toch moeten daar
nog andere overwegingen inwilliging van het verzoek der Compagnie hebben
aanbevolen. Immers, hoewel in 1614 de Compagnie zelve een talrijke en
welbewapende vloot walvischvaarders naar Spitsbergen uitzond, voegden de
Staten-Generaal daaraan toch, ter

1)

o

2)

Uit de hieronder als n . 1 afgedrukte resolutie van de Amsterdamsche admiraliteit blijkt, dat
twee der eerste bewindhebbers der Noordsche Compagnie, voor zij aan uitrustingen ter
walvischvangst deel namen, een schip op de robbenvangst hadden uitgezonden.
De verzoekers van het octrooi zeiden in hun request zelfs, dat zij Spitsbergen hadden ontdekt.
De Staten-Generaal wachtten zich echter wel, dit in het octrooi te herhalen. De verzoekers
bleken trouwens bij een andere gelegenheid zich zeer wel de onjuistheid dezer bewering
bewust te zijn. Vgl. Muller 88, en Holl. Handelscompagnieën, bl. 29 noot 1.

3)

N . 2.

o

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

265
1)

bescherming, een convooi van drie oorlogschepen toe , hetgeen weinig strookt met
de houding, die door Amsterdam was aangeprezen. Ik meen daarom ook te mogen
2)
vasthouden aan de meening, die ik elders reeds uitsprak, dat bij de verleening van
dit octrooi ook zijn invloed heeft doen gelden de vrees, dat de ongebreidelde
concurrentie dezen jongen tak van handel weer zou doen verloopen.
Misschien is het wel aan de omstandigheid, dat de Staten-Generaal de door
Amsterdam aanbevolen gedragslijn niet konden of wilden volgen, toe te schrijven,
dat deze stad, evenals Rotterdam, in 1616 in verlenging van het octrooi weinig lust
had. Als men toch convooischepen moest medegeven - zoo zal men hebben
geredeneerd - deed men beter de visscherij voor een ieder open te stellen. De
kosten van deze convooischepen konden door het heffen van een lastgeld van de
3)
walvischvaarders althans grootendeels worden gedekt . Bovendien kon men de
4)
schepen verplichten in admiraalschap te zeilen .

1)
2)

3)
4)

Muller 99 noot 5.
Holl. Handelscompagnieën bl. 28. Met de daar uitgesproken en verdedigde meening is slechts
schijnbaaar in strijd, hetgeen op bldz 45 te lezen staat, dat n.l. het octrooi der Noordsche
Compagnie in de eerste plaats verleend werd, om haar in staat te stellen haar bedrijf gaande
te houden ondanks de aanvallen der Engelschen. Hoewel de Staten-Generaal niet ongevoelig
bleken voor het gevaar, dat deze nering niet slechts door de Engelsche aanvallen, maar ook
door onderlinge concurrentie in verval zou geraken, kwam dit laatste motief bij hen toch pas
in de tweede plaats. De kooplieden hebben echter aan dit gevolg van het octrooi groote
waarde gehecht, ook al waren zij leep genoeg, dit niet aan de groote klok te hangen.
Ook van de Noordsche Compagnie werd dit lastgeld geheven. Het kon echter bij lange na
niet de kosten van het convooi dekken.
Gelijk later voor den Levanthandel werd voorgeschreven en na de opheffing der Noordsche
Compagnie ook door de walvischvaarders geschiedde.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

266
Of dit in 1616 inderdaad de hoofdlijnen van de redeneering der Amsterdamsche
vroedschap zijn geweest, weten wij niet. Maar onwaarschijnlijk is het geenszins.
e

Want als het grootste nadeel van monopolies werd in de 17 eeuw beschouwd, dat
zij aan de andere ingezetenen een gelegenheid benamen om winst te maken. Anders
dan heden ten dage, nu men den nadruk legt op de nadeelen, die tengevolge van
de verhooging der prijzen voor den gebruiker het gevolg van een monopolie zijn,
e

werden in de 17 eeuw monopolies vooral bestreden, omdat zij voor andere
handelaars een bron van winst verstopten. Wanneer dan ook een octrooi werd
verleend, niet als rechtmatige belooning voor een gedane ontdekking, doch als een
voorrecht, dat in het publiek belang aan sommigen werd verleend, meenden de
Staten-Generaal dit nadeel althans eenigermate te kunnen goed maken, door in de
voordeelen van het octrooi zooveel mogelijk alle ingezetenen te doen deelen
Allereerst placht daarom de voorwaarde te worden gesteld, dat ieder die zich
aanmeldde, als aandeelhouder in de compagnie zou worden toegelaten. Ook aan
de Noordsche Compagnie werd bij de verleening van het octrooi en bij de continuatie
in 1617 deze verplichting opgelegd. En toen in 1622 de Staten-Generaal het octrooi
voor een jaar verlengden, zonder daarbij dezen eisch te herhalen, was toch, gelijk
uit een der afgedrukte stukken blijkt, de Enkhuizer vroedschap zoozeer overtuigd,
dat men slechts door deze voorwaarde te stellen het verleenen van een zoo groot
voorrecht kon recht-

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

267
vaardigen, dat zij besloot althans voor de binnen hare muren gevestigde kamer te
doen, wat de Staten-Generaal hadden nagelaten. De bestuurders der kamer
Enkhuizen kregen het verlof om hun bedrijf verder in de stad uit te oefenen slechts
onder de voorwaarde, dat in deze kamer ieder als participant moest worden
toegelaten, die daartoe het verlangen zou te kennen geven. En indien een eenigszins
belangrijk aantal personen van deze gelegenheid zou gebruik maken, zouden zelfs
eenigen dier nieuwe deelnemers: ‘bij de H.H. Burgemeesters tot het bewint van dien
(d.w.z. van de kamer Enkhuizen) den requestranten (d.w.z. de toenmalige
bestuurders) worden bygevoeght.’
Door voor iedereen de mogelijkheid tot deelneming open te stellen was echter,
naar der tijdgenooten meening, nog niet genoeg gedaan om de nadeelen van
dergelijke wettelijke monopolies binnen zoo eng mogelijke grenzen te houden.
Daartoe was niet slechts noodig, dat iedereen zijn geld kon inleggen en in verhouding
tot zijn inleg in de winst kon deelen, maar ook, dat zooveel mogelijk alle havensteden
hun deel kregen in de uitrustingen der compagnie. Ook hiervoor moesten de
Staten-Generaal zorgen. Elke compagnie toch zou er, nadat het monopolie eenmaal
verworven was, natuurlijk naar streven met een zoo klein mogelijke uitrusting een,
naar verhouding, zoo groot mogelijke winst te behalen en allicht haar gansche bedrijf
in een der havens wenschen te concentreeren. Niet zonder reden wilden daarom,
zoo dikwijls de verleening van een octrooi ter sprake kwam, de ‘watersteden’ daarin
slechts toestemmen, indien in elk der havens een evenredig deel der uitrustingen
zou worden gedaan. Alle invloed, waarover een stad te beschikken had, werd
aangewend om den zetel van een kamer binnen haar muren te brengen

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

268
en aan deze kamer een zoo groot mogelijk aandeel in het bedrijf der compagnie te
verzekeren.
Het bezit van een kamer had niet slechts tot gevolg, dat een deel der schepen
daar afvoeren en aankwamen, doch stelde ook de plaatselijke handelshuizen in de
gelegenheid profijtelijke leveranties aan de compagnie te doen, terwijl - last not least
- daardoor aan de groote kooplieden en regenten het uitzicht op een begeerlijke
bewindhebbersplaats geopend werd. De naijver tusschen de steden was dus
begrijpelijk. Dat zij een zoo grooten invloed had was echter slechts mogelijk bij eene
staatsregeling als die der republiek. Terwijl in Engeland, Pruissen en Frankrijk even
goed als hier te lande geprivilegieerde compagnieën werden opgericht, is de
verdeeling in kamers dan ook een verschijnsel, waarvan in het buitenland nauwelijks
een spoor is te vinden.
Tusschen de octrooien des Oost- en West-Indische Compagnieën eenerzijds en
dat der Noordsche Compagnie aan den anderen kant bestaat echter dit verschil,
dat bij de laatste niet, als bij de beide eerste, in het octrooi zelf werd aangegeven,
waar kamers zouden gevestigd worden en welk aandeel in het bedrijf der Compagnie
ieder dezer kamers zou krijgen. Ik was vroeger geneigd de verklaring van dit
verschijnsel te zoeken in de omstandigheid, dat bij de octrooieering der Noordsche
Compagnie niet tevens een geheel nieuw lichaam werd opgericht en georganiseerd.
Ik meende, dat men eenvoudig de verschillende reederijen, die reeds bestonden,
door het octrooi in de gelegenheid wilde stellen zich met elkander te verstaan omtrent
gemeenschappelijk optreden tegen de Engelschen en over een onderlinge regeling
van de vangst en den verkoop. De latere kamers der Compagnie zouden dan, vóór
de verleening van het octrooi, ieder geheel zelfstandig hadden ge-

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

269
vischt. De hierachter afgedrukte stukken bewijzen echter, dat deze opvatting onjuist
1)
was. Uitdrukkelijk wordt toch in verschillende resoluties gezegd, dat het de
kooplieden van Amsterdam zijn, die het octrooi hebben gevraagd en verkregen.
Blijkbaar is daartoe dus het initiatief genomen door de beide Amsterdamsche
reederijen, die zich onmiddellijk na den slechten afloop der campagne van 1613
met elkander hadden vereenigd en hebben de andere reederijen, die schepen naar
2)
Spitsbergen hadden uitgerust, zich uit dit uiterst speculatieve bedrijf teruggetrokken .
Een ander bewijs, dat de latere kamers niet zijn de transformaties van vroeger
3)
zelfstandige reederijen, levert een Hoornsche resolutie , waaruit blijkt dat bij de
4)
oprichting der kamer Hoorn, in Februari van het jaar 1614 , daar ter stede eigenlijk
niemand gekwalificeerd was om de inschrijvingen der participanten in ontvangst te
nemen. De vroedschap besloot daarom, dat tot tijd en wijle, dat op regelmatige wijze
bewindhebbers gekozen zouden zijn, de burgemeesters als zoodanig zouden
optreden.
Aan deze resolutie was eene andere voorafgegaan, die ons doet zien, dat het
ontbreken zoo van participanten, als van een college van bewindhebbers voor het
stadsbestuur volstrekt geen beletsel vormde om te trachten een deel van het bedrijf
binnen zijne muren te concentreeren. Het is de reeds genoemde

1)
2)
3)
4)

o

o

Hoorn 7 Feb. 1614 (n . 31); Rotterdam 19 Jan. 1614 (n . 38).
Van de Zaandamsche reederij, die in 1613 bij Spitsbergen had gevischt is bekend, dat hare
schepen door de Noordsche Compagnie werden overgenomen. Muller 74, noot 2.
o

N . 32.
Het octrooi was op 27 Januari 1614 verleend.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

270
1)

resolutie van 7 Febr. 1614 , waaruit wij tevens zien, hoe bij de bepaling van het
aandeel, dat men voor de nog op te richten kamer Hoorn reserveeren wilde, niet in
de eerste plaats werd gevraagd, welk kapitaal de Hoornsche kapitalisten bereid
waren te fourneeren, doch dat er allereerst naar werd gestreefd niet bij andere
steden van gelijken rang achter te staan. Aangezien men vernomen had, zoo luidt
de resolutie, dat Rotterdam en Delft moeite doen een vierdepart in de uitrustingen
te verkrijgen zal men zich met Enkhuizen in verbinding stellen om gezamenlijk te
2)
trachten een even groot deel machtig te worden .
Men mag vragen, of de Amsterdammers verplicht waren, aan deze wenschen te
voldoen en of zij niet hadden kunnen beweren, dat zij aan alle bepalingen van het
octrooi voldeden, wanneer zij alle liefhebbers toestonden, hun geld in de
Amsterdamsche compagnie in te leggen, waarbij dan hoogstens met een beroep
op het octrooi de niet-Amsterdamsche participanten hadden kunnen eischen, dat
ook uit hun midden eenige bewindhebbers zouden worden gekozen. De andere
steden schijnen zich echter tot staving van hun eisch, dat ook buiten Amsterdam
kamers zouden worden opgericht, te hebben beroepen op een, ons tot heden
onbekend, besluit der Staten-Generaal, waarbij als voorwaarde voor de verleening
van het octrooi zou zijn bepaald, dat aan de andere zeesteden ‘contente-

1)
2)

o

N . 31.
Vgl. de Enkhuizer resolutie van 7 Dee. 1621, waaruit blijkt, dat ook in dat jaar dezelfde naijver
nog bestond. Tegen de vereeniging van de groote met de kleine Noordsche Compagnie had
Enkhuizen bezwaar, omdat daardoor het aandeel der Maassteden dat van de kamers in het
Noorderkwartier zou overtreffen.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

271
1)

ment’ zou worden gegeven . Wellicht ook leidde men deze verplichting af uit het
octrooi zelf, door n.l. de bepaling, dat de nieuw toetredende participanten niet slechts
recht zouden hebben op een evenredig winstaandeel, maar ook op ‘alsulcke voordere
voordeelen, alsser sullen mogen geraecken te vallen, soowel het bewint van de
voorszeide compagnie ende equipagie aengaende, als anders’ zoo te interpreteeren,
dat in de slotwoorden ‘als anders’ begrepen waren de voordeelen, die het hebben
van een kamer in de plaats zijner inwoning medebracht. In ieder geval schijnt echter
de Amsterdamsche kamer zonder tegenstribbelen haar macht met andere kamers
te hebben gedeeld.
Niet alleen echter bij de eerste oprichting deden zich dergelijke centrifugale
invloeden gelden. Ook later stond de Compagnie aan velerlei aanvallen bloot van
steden en provincieën, die aan de walvischvangst bij Spitsbergen wenschten deel
te nemen. Over verschillende van deze pogingen werpen die hierachter afgedrukte
stukken nieuw licht. In de eerste plaats krijgen wij een kijkje op de voorgeschiedenis
en de oprichting der Zeeuwsche kamers in 1617.
De provincie Zeeland had in 1614 niet in de verleening van het octrooi toegestemd,
naar zij beweerde, omdat zij bevreesd was daardoor Jacobus I te zullen ontstemmen.
Dit belette echter niet, dat toen in 1616 eenige Zeeuwen, door de winsten der
Hollanders aangelokt, zelve een uitrusting naar Spits-

1)

o

Vgl. de Hoornsche resolutie van 7 Feb. 1611 (n . 21). Dat der Compagnie door de
Staten-Generaal verplichtingen werden opgelegd, ook al was daarvan in het octrooi niet
gerept, kwam meer voor. Vgl. de Res. S.G. 14 Maart 1614, geciteerd door Muller bldz. 74
noot 2.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

de vroedschap dier stad reeds voor de verleening van het octrooi in 1614 onderzocht heeft of niet in Middelburg zelf lust tot deelneming aan de walvischvangst bestond. welke er toe hebben geleid. maakt dit feit het toch niet onwaarschijnlijk.v. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De stukken uit het archief te Veere werpen daarop in zooverre nieuw licht. naar de hierachter afgedrukte Middelburgsche resolutie leert.272 bergen deden. dat de werkzaamheid der Staten-Provinciaal en der plaatse- 1) Bldz 323 e. Wat echter op de houding van Zeeland in 1614 een nieuw licht werpt is. Deel 30 . 1) is door Mr. Hoewel blijkens den verderen loop van zaken daartoe op dat oogenblik nog geen liefhebbers te vinden waren. zonder daarin door de Noordsche Compagnie te worden verhinderd. de Staten niet alleen hun niets in den weg legden. dat. mochten de Zeeuwen later aan de vangst willen deelnemen. doch tegenover de Staten-Generaal en Holland uitdrukkelijk voor de Zeeuwsche kooplieden de vrijheid vindiceerden om bij Spitbergen te visschen. Muller reeds geschreven . dat zij ons doen zien. dat de vrees voor Jacobus I niet het eenige motief was. dat Zeeland er toe leide zijn consent aan het octrooi te onthouden en dat daarnevens een rol gespeeld heeft de wensch om. De geschiedenis der verwikkelingen tusschen de Zeeuwsche reederijen en de Noordsche Compagnie. benevens die van de onderhandelingen. De Staten Generaal waren trouwens genoodzaakt aan dezen eisch toe te geven. dat in 1617 drie Zeeuwsche kamers in de Compagnie werden opgenomen. hun daartoe op deze wijze een achterdeurtje open te houden. daar formeel de Zeeuwen in hun recht waren.

En niet anders werd het. eenige kooplieden uit de betrokken steden naar 1) den Haag gecommitteerd . 45-50. nog steeds waren geen kamers in de verschillende Zeeuwsche steden geconstitueerd. Integendeel. 44 en 45 en ook de brief van Gecommitteerde Raden aan de verschillende steden in Zeeland van 27 Jan. waarin nu ook de Zeeuwsche reeders waren opgenomen. toen het contract tusschen de 2) Hollandsche kamers en de Zeeuwen gesloten was en over de toepassing voor het 3) eerste jaar moest worden onderhandeld . Ook toen met Holland op alle punten overeenstemming was verkregen en men in Zeeland er 1) 2) 3) Vgl. Maar noch te Middelburg.273 en lijke vroedschappen geenszins was afgeloopen. Slechts werden naast de gedeputeerden der provincie ter Staten-Generaal. want al was voor en door Zeeland een aandeel in de walvischvangst bedongen. toen den 27 Januari 1617 aan de Compagnie. zie het contract afgedrukt bij Muller blz. dat aan Zeeland zou worden ingeruimd. afgedrukt achter de Notulen van Zeeland van dat jaar. door de Staten-Generaal een nieuw octrooi voor vier jaren was gegeven. Dit is trouwens begrijpelijk. 19 Maart 1617. Alleen in Vlissingen bestonden twee reederijen. de hierachter afgedrukte stukken uit het Veersche archief nos. noch te Veere waren inschrijvers opgeroepen of bewindhebbers gekozen. die reeds sedert 1616 aan de walvischvangst hadden deelgenomen en de kern der later aldaar zetelende kamer vormden. hielden de Staten de touwtjes in handen.v. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 423 e. die tot nu toe de onderhandelingen hadden gevoerd. Stukken uit Veere. nos. 1617. ook bij de daarop volgende onderhandelingen betreffende het aandeel.

dat twee schepen te Middelburg. o N . zelfs gesteld werd. Gemakkelijk schijnt de overeenstemming niet te zijn verkregen. in het komende seizoen uit Zeeland ter walvischvangst zouden uitloopen. werd dit niet aan de participanten overgelaten. hoe te Enkhuizen de eisch. 47. riepen Gecommitteerde Raden niet de afgevaardigden der participanten. Eerst na ‘presentatiën. Moest deze in de eerste plaats dienen om het verkeer in de stad te verleven.274 aan moest gaan denken den buit te verdeelen. Deel 30 . de inschrijvingen inmiddels waren ingekomen. daartegenover was de vroedschap zich bewust de natuurlijke beschermer der Compagnie te zijn. die.digen. Boven zagen wij. doch die der drie steden van Walcheren tot een 1) bijeenkomst te Middelburg bijeen. blijkens het van de gedeputeerden ter generaliteit ontvangen bericht. bewijst de resolutie der Veersche vroedschap 3) van 18 December 1617 . over de drie steden zouden worden gereparteerd. Hoewel. althans te Veere. 48 en 49). 1) 2) 3) Brieven van Gecommitteerde Raden van 28 December 1617 en 16 Jan. Dat het niet overal zoo ging. toen de Staten-Generaal het octrooi hadden vernieuwd zonder deze voorwaarde uit de vorige octrooien over te nemen. doch door de Staten geregeld. Vroedschapsresolutie van 29 Jan. dat ieder tot participatie in de Compagnie moest worden toegelaten. 1618 (nos. Ook later hield de vroedschap nog een wakend oog op het doen en laten der in haar gebied gevestigde kamer. 1620. op welke wijze de vijf schepen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Zie het schrijven van Gecommitteerde Raden van 18 Feb. om te beslissen. debatten en contradebatten’ werd ‘eyndelingh’ overeengekomen. twee te Vlissingen 2) en een te Veere zouden worden uitgereed . 1618.

zou men één of twee participanten uit de burgerij toelaten.275 Deze vroede vaderen waren blijkbaar van oordeel. waarmede in 1617 de Zeeuwen succès 1) hadden gehad. die een verdeeling in kamers noodig maakten en later tot het toelaten der Zeeuwen leidden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. zou openstaan. dat de deelneming in de Compagnie slechts voor hen. Het ergste was echter. Deel 30 . dat twee Friesche kamers werden opgericht . dat de met succès bekroonde pogingen van Friesland ook in verschillende Hollandsche steden. het hoofdproduct der Compagnie. dat als belooning voor de moeite. zijn ook de oorzaak geweest van den val der Compagnie. hoe groot Veeres aandeel in de uitrusting van 1618 zou zijn. Dezelfde politieke en economische toestanden. en wisten te bereiken.v. die zij zich in het belang der toekomstige kamer Veere gegeven hadden. en toen dan eindelijk bepaald was. Alleen als in hun kring geen liefhebbers te vinden waren. Muller 336 e. waar geen kamers gevestigd waren. Toen het octrooi in 1634 afliep. Voor de oude kamers was de toelating der Friezen dus zuiver verlies. de leden der vroedschap. Daar de markt voor traan. de begeerte tot deelneming aan de walvisch- 1) Vgl. en daarbij zouden Burgemeesteren en Schepenen dan nog de bevoegdheid hebben onwelgevallige personen te weren. dat dezelfde winst over meer hoofden verdeeld werd. besloten zij. volgden de Staten van Friesland dezelfde tactiek. hun ook wel een voordeeltje toekwam. had deze toelating slechts dit gevolg. beperkt was en met de oprichting van nieuwe kamers dus geen evenredige uitbreiding van de vangst en de traanproductie kon gepaard gaan.

Ed. dat toelating van zoovele pretendenten practisch met opheffing van het monopolie gelijk zou staan. De Compagnie begreep. Gro. 342. Naar toch uit de Amsterdamsche resolutie van 1 Juli 1633 (afgedrukt o onder n . wisten de pretendenten in de vergadering der Staten van Holland door te zetten. over het volgende uitvoerig Muller blz. De resoluties van Edam van 4 Dec. 4) en uit de Resolutiën van Holland blijkt. zelfs zulke. Nadat vele conferentiën met de pretendenten tot geen resultaat hadden geleid. Ik acht dit oordeel echter wel wat hard. dat toen reeds oppositie tegen de verlenging van het octrooi zal zijn gevoerd. door zonder bepaalden last in de verlenging toe te stemmen. Zij verzette zich dan ook met hand en tand. over het optreden van Holland bij deze gelegenheid Muller bldz. Deel 30 . daar de voorstellen van den een geregeld door den ander werden verworpen. indien de Compagnie niet binnen 14 dagen aan de pretendenten voldoening had gegeven. Ter rechtvaardiging van hunne houding beriepen H. 1634 o (n . 1) 2) Vgl. dat in Juli door de Staten nog geen besluit was genomen. Vgl.276 1) vangst wakker maakte . dat Zeeland en Friesland met zooveel succès hadden gehanteerd. de octrooiverlenging van 1634 te zullen houden ‘nul en van onwaarde’.v. toen hunne gedelegeerden ter Staten-Generaal in de verlenging hadden 2) toegestemd. deze daartoe niet waren gelast . Mo. Allerlei steden. eischten deel aan het octrooi. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 341 e. 1632 (n . was de zaak in Juli 1633 in de Staten van o Holland besproken. 13) maken waarschijnlijk. dat dit college tot steun hunner eischen naar hetzelfde wapen greep. zich op het feit. In de vergadering van 11 December 1636 verklaarden de Staten. Echter zonder succes. 12) en van 18 Oct. Daaruit volgt echter tevens. waar geenerlei gelegenheid tot het uitrusten van schepen bestond. dat. Dit zal ook wel de reden zijn geweest. dat de gedeputeerden wel wat ver gingen.

Verschillende der hierachter afgedrukte stukken teekenen ons dezen. die zich daartoe aanmeldde.trouwens met even weinig resultaat . tijd. voor de Compagnie kritieken. Oogluikend lieten de Staten toe. . zijn hervat. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de schepen steeds van Edam moesten uitloopen en ook aldaar moesten aankomen. In de eerste plaats geven de resoluties van Monnikendam en Edam ons een blik in den gemoedstoestand en de handelingen van de vroedschappen der pretendeerende steden. blijkt uit de bepaling. in 1642. Wat bij de oprichting van een dergelijk lichaam voor de stad de hoofdzaak was. Deel 30 .277 Hoewel Holland door het optreden der Staten-Generaal werd weerhouden zijne bedreiging uit te voeren en de onderhandelingen eerst tegen den afloop van het octrooi. doch waarin dan ook ieder. aan welke een stedelijk monopolie werd verleend. 14 en 15. In een latere resolutie werd het monopolie. terwijl de directie steeds te Edam gevestigd moest blijven. ook al kwamen de aandeelen in handen van de inwoners van andere steden. die de Compagnie op haar eigen terrein concurrentie zouden gaan aandoen. dat in verschillende dier steden schepen ter walvischvangst werden uitgerust. In Edam blijkt men zelfs van stadswege een eigen compagnie voor de walvischvangst te hebben opgericht. Reeds in 1635 hadden de pretendeerende steden verklaard. 1) als participant moest worden toegelaten . zich door het octrooi niet gebonden te achten.heeft men zich toch in Holland gedurende het tusschenliggende tijdvak weinig meer aan het octrooi gestoord. dat aan deze compagnie ver- 1) Zie nos.

zelfs daarvan afhankelijk gemaakt. in termen. wordt dan ook. Dat de Noordsche Compagnie zich dergelijke inbreuken op haar monopolie niet 2) kon laten welgevallen. toch de door hen aangevoerde hoeveelheden traan groot genoeg waren. om der Compagnie reeds in 1635 de handhaving van het door haar vastgestelde reglement op de vangst en den traanverkoop onmogelijk te maken. na van 1635 tot 1638 jaarlijks aan deze voorwaarde te hebben voldaan. dat in deze troebele tijden door den Enkhuizer bewindhebber Meyn gevoerd werd tegen Cornelis Sweers. 16. dat de concurrenten der Compagnie zich niet in de baaien van Spitsbergen waagden. De concurrentie had tot gevolg. in 1639 geen uitrusting deed. welke maatregelen de Compagnie had genomen om zich de lorrendraaiers van het lijf te houden en haar monopolie te beveiligen. dat de traan in dat jaar slechts een ‘vylen’ prijs kon maken. dat al hebben deze maatregelen misschien tot gevolg gehad. dat Sweers gaf en dat door Meyn niet schijnt te zijn tegengesproken. In het proces . door eerstgenoemde uitvoerig verhaald. spreekt van zelf. Dat dit geen ijdele bedreiging was. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. toen deze compagnie. aan wien hij zijne rechten in de Compagnie had overgedaan. Zie de hierachter afgedrukte sententie in deze zaak. Deel 30 . Uit het antwoord. blijkt echter tevens. In 1639 be- 1) 2) o Zie n . bleek.278 zekerd werd. In 1640 besloot de vroedschap inderdaad deze compagnie als geliquideerd te beschouwen en de inschrijving voor eene nieuwe 1) onderneming voor een ieder open te stellen . dat de Compagnie zich den ernst der tijden wel bewust was. dat deze jaarlijks een of meer schepen in zee zou brengen. die bewijzen.

dat in dit seizoen een ongewoon groot aantal walvischvaarders was uitgeloopen. dan haar was toebedeeld. Blijkbaar geschiedde dit echter niet om de autoriteit van Holland tegenover de Gencraliteit te handhaven. Immers in eene resolutie uit het eerste jaar. Men hoopte daardoor de Compagnie gelegenheid te geven. om zich aan de walvischvangst te wagen. er bij de Staten op aan te dringen. wordt ons door de afgedrukte resoluties belicht. waar kamers gevestigd waren. doch omdat de vroedschap van deze omstandigheid meende gebruik te kunnen maken. om van de Generaliteit de erkenning te verkrijgen. die een trouwe steun der Compagnie was. o o Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.279 1) sloot dan ook de Amsterdamsche vroedschap . welken loop de prijzen zouden nemen. Deel 30 . Blijkbaar waren dus nog altijd velen door het octrooi afgeschrikt. blijkt. nadat het octrooi wezenlijk was verloopen. 6 der afgedrukte resoluties. Hare gedeputeerden toch werden niet geïnstrueerd er naar te streven. ook die der steden. Toch zou men te ver gaan door aan te nemen. dat het octrooi zonder consent van Holland is verleend. dat Enkhuizen reeds in 1634 zich aansluit bij de bewering der pretendeerende steden. Merkwaardig is daarbij. dat Holland ge- 1) Zie n . Doch niet alleen de houding der pretendenten en der Compagnie. alsnog met de pretendenten tot overeenstemming te komen. 2) Resolutie Amsterdam 27 Juni Juni 1643 N . dat in Holland door niemand meer 2) met het octrooi rekening werd gehouden. om kracht bij te zetten aan hare pretentie op een grooter aandeel in de Compagnie. zoodat men niet wist. 11. dat althans voor dat jaar het octrooi zou worden gehandhaafd.

veranderde echter Amsterdams houding. dat. als toen het bij de verlenging van 1622 zijne gedeputeerden last gaf. Het Enkhuizer stadsbestuur volgde dus dezelfde gedragslijn.) Terwijl Amsterdam tegen inwilliging dezer voorwaarden geen bezwaar schijnt te hebben gehad. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.280 rechtigd was ex post het octrooi als voor zich niet bindend te beschouwen. was het de trouwe steun der Compagnie. doch moesten alleen trachten te bewerken. te weten: dat het octrooi voor een groot aantal jaren zou worden verlengd. Muller 338. Muller 344 en 348. was dit wel het geval met Hoorn. geloof ik. Zoolang het octrooi gold. als de steden op de Maas. Nadat het octrooi was afgeloopen. tot op heden niet bekend. In 1635. Deel 30 . tusschen 3) de Staten en de Compagnie als bemiddelaar op te treden . Resoluties van 8 Jan. Anders was de houding van Amsterdam. Het was. de pretendenten te willen toelaten. aan anderen dan aan de Compagnie zou worden verboden. tijdens de 1) onderhandelingen met de Friezen . ook die in volle zee. indien Enkhuizen met zijn ‘gebuurstad’ Hoorn een even groot aandeel in de Compagnie kreeg. gelijk uit deze resoluties blijkt. gelijk wij zagen. o Resolutie van 2 Juli 1635 (n . (Vgl. ook in 1639 onderhandelingen zijn gevoerd en dat de Compagnie toen nogmaals verklaard heeft. en 29 Maart 1639 (nos. Nog in 1639 trachtte het. nam de stad trouwens een even egoiste houding aan door aan hare afgevaardigden de instructie te geven: ‘het octroy. Ook toen werd op handhaving van het octrooi aangestuurd. dat een prohibitief invoerrecht op den traan zou worden gelegd en dat alle walvischvangst. ist doenlijck 2) binnen de provintie van Hollant te houden’ . dat de vrijheid der o zee wilde handhaven: zie de resolutie van 18 November 1642. 35. 27). 5 en 6). Maar thans 1) 2) 3) Vgl. n . indien werd voldaan aan drie voorwaarden. daarin slechts te consenteeren. dat aan Enkhuizen ‘contentement’ werd gegeven.

10 Juni 1642 en van 30 Aug. Alle stadsbesturen trachtten nu bij een eventueele verlenging of vernieuwing voor hunne stad een grooter aandeel te bedingen. . indien door de Compagnie bewilligd werd in 4) zekere. Deel 30 . 42 en 43. doch tevens te letten op ‘stads gerechtigheden’. Welke deze zijn wordt niet gezegd. zie de res. 1) 2) Terwijl Hoorn en Enkhuizen blijkbaar de kat uit den boom wilden kijken en hun gedeputeerden dus instrueerden een afwachtende houding aan te nemen. 7-9). Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.Enkhuizen onder bijvoeging der bepaling. dat in geen geval in een vermindering van zijn aandeel ten bate der anderen mocht worden berust.meende Rotterdam uitdrukkelijk den eisch te mogen stellen. niet alleen met de pretendeerende steden. Hoewel zijn aandeel in de uitrusting en de vangst der Compagnie reeds 50% van het totaal bedroeg. dat in geen geval mocht worden bewilligd in een octrooi. waarmede blijkbaar bedoeld is. 5-7 Maart. dat het in de Compagnie zou worden gesteld ‘in proportie’ met de andere steden van Holland. . waar kamers der Compagnie resideerden. 1642 (nos. die door de ‘gewezen’ 3) Compagnie waren geoccupeerd. Amsterdam ging nog verder. 33-35. doch ook met die steden. Al zal zij hiermede nu wel meer be- 1) 2) 3) 4) Hoorn nos. dat meer zou omvatten dan een monopolie voor de visscherij aan de eilanden. door de stad gestelde condities . En bij deze laatste was met den afloop van het octrooi de onderlinge naijver weer ontbrand.281 moest rekening worden gehouden. Enkhuizen nos. 28-30. besloot de vroedschap toch in de continuatie slechts toe te stemmen. o Rotterdam n .

aan wie wel een groote mate van zelfbestuur was gelaten.282 doeld hebben hare gedeputeerden een wapen te geven om de pretentiën van anderen af te slaan. Deel 30 . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. die bij de behandeling dezer aangelegenheid in de Statenvergadering een ieder bezielde. dan gehoopt hebben. Daar waren de kamers inderdaad plaatselijke kantoren. De Oost-Indische Compagnie was dus. Bij deze XVII berustte in beginsel de macht om betreffende elk onderdeel van het bedrijf der Compagnie te beslissen. waarvan de hoogte wederom door de XVII werd vastgesteld. in werkelijkheid waren deze kapitalen der kamers economisch noch juridisch een zelfstandige eenheid. De verhouding der kamers onderling. die aan de gezamenlijke kamers gegeven werd. ondanks haar verdeeling in kamers. Zoo was het b. Al sprak men dus niet zelden van het kapitaal der kamer Amsterdam of der kamer Zeeland. II. bij de Oost-Indische Compagnie. een dividend. één geheel. zou tot misverstand aanleiding kunnen geven. Allicht toch kan zij de gedachte wekken. doch die in alle zaken van gewicht toch slechts de uitvoerders waren van de besluiten der Heeren XVII.v. dat men in de kamers slechts administratieve onderdeelen van één groot lichaam te zien heeft. is een andere zaak. dat de aandeelhouders van alle kamers een en hetzelfde dividend over hun kapitaal ontvingen. De naam ‘Noordsche Compagnie’. Behalve in de positie der XVII komt dit het sterkst tot uiting in het feit. Dat zij feitelijk slechts een matig gebruik van deze bevoegdheid maakten. het besluit teekent in ieder geval den geest van loven en bieden. dat inderdaad Amsterdams aandeel in de Compagnie zou worden vergroot.

z. De concurrentie tusschen de kamers onderling zou de prijzen vermoedelijk evenzeer hebben doen dalen. tengevolge van de groote Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . Indien de kamers zich echter niet verder met elkander hadden ingelaten.w. Gezamenlijk hadden zij het genot van het monopolie der walvischvangst bij Spitsbergen. Geen der kamers kon dus krachtens het octrooi tegenover de andere kamers een anderen of hoogeren eisch doen gelden dan deze. De bewindhebbers der kamers waren te goede kooplieden om dit niet aanstonds te begrijpen. was hier elke kamer een zelfstandige onderneming. zonder dat. Gezamenlijk traden de kamers echter op tegen iedereen. in de door haar gemaakte winst werd slechts door haar eigen participanten gedeeld. Anders was het bij de Noordsche Compagnie. om door onderlinge afspraken de prijzen op te houden. Tevens echter zagen zij onmiddellijk. te zijn toegelaten. Gelijk reeds in het begin dezer inleiding werd gezegd. d. dat zij zou worden toegelaten tot de visscherij bij dit eiland en tot het hebben van hare installaties aan het strand. zonder tot het medegenot van het octrooi. Wat de kamers bijeenhield was het octrooi. zou het octrooi hun weinig voordeel hebben gebracht. die. zonder tot de Compagnie. met haar eigen kapitaal en haar eigen schepen. zich verstoutte zijn schepen naar Spitsbergen uit te zenden. dan noodig was om de concurrentie van buitenstaande ondernemingen af te weren. als bij een onbeperkte concurrentie het geval zou zijn geweest.283 doch louter een onderdeel van het kapitaal der Compagnie. dat het hun gewaarborgde monopolie een schoone gelegenheid bood. Voor de schulden eener kamer waren de andere kamers nimmer aansprakelijk. dat onder beheer van de bewindhebbers eener bepaalde stad of van een bepaald kwartier was gesteld.

284
winsten, die zij dientengevolge zouden maken, concurrentie van niet tot de
Compagnie toegelaten ondernemingen zou kunnen opkomen.
Om tot zoodanige onderlinge beperking der concurrentie te kunnen komen, was
in de allereerste plaats noodig, dat aan elk der kamers, die zich de moeite en de
kosten van eene uitrusting getroostten, een aandeel in de vangst werd gewaarborgd.
Anders toch had het kunnen gebeuren, dat de schepen van de eene kamer geheel
geladen, andere slechts met een kleine lading traan terug kwamen.
In zulk een geval zou de eerste kamer bij een spoedigen afzet, ook tegen lagen
prijs, baat hebben gevonden, de anderen daarentegen slechts in het hoog houden
der prijzen heil hebben gezien. Wilde men dus mogelijk maken, dat allen een en
dezelfde prijspolitiek zouden volgen, dan moesten in jaren van een overvloedige
vangst alle kamers daarin deelen, terwijl omgekeerd moest worden gezorgd, dat in
een, over het geheel genomen, schraal jaar, niet een der broeders, die toevallig
een rijke vangst had medegebracht, voor de anderen de markt bedierf.
Daarom werd jaarlijks op een vergadering van alle kamers de vangst
1)
‘gereparteerd’, d.w.z. van het totaal aantal kwarteelen traan, waarop de vangst
geraamd werd, werd aan elk der kamers een bepaald aantal toegelegd. Natuurlijk
wilde deze raming niet zeggen, dat door het volk der Compagnie juist het aantal
walvisschen moest worden gevangen, noodig om dit geraamd aantal kwarteelen
traan te leveren. Hoeveel visschen zouden worden gevangen en hoeveel traan
daarvan zou komen, was natuurlijk niet te bepalen.

1)

Het kwarteel was de inhoudsmaat, waarmede in den traanhandel werd gerekend. (Zie Muller
blz. 89.)

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

285
Hoogstens kon men den Commandeur-Generaal gelasten terug te keeren, zoodra
een zekere hoeveelheid traan verkregen was. Deze repartitie diende dan ook in de
eerste plaats als sleutel voor de verdeeling der vangst tusschen de kamers. Daarom
werd ook in verhouding tot het aandeel, dat elke kamer in de vangst kreeg, bepaald,
hoevele schepen zij dat jaar naar het noorden zou zenden.
Aan deze repartitie werd dan op de volgende wijze uitvoering gegeven. In het
noorden aangekomen trachtten de schepen van elk der kamers zooveel visschen
te vangen als zij konden. Het spek werd afgesneden en in groote ketels, die op het
strand waren opgesteld tot traan gekookt. Aan het einde van het seizoen werden
dan alle vaten traan op het strand bijeengebracht en door den ‘generaal-rooier’
onder de kamers verdeeld in verhouding tot het hun in de repartitie toegekende
aandeel. Bleek dan, dat een kamer meer gevangen en gekookt had dan haar aandeel
bedroeg, dan werden de daarvoor gemaakte onkosten haar door de andere kamers
vergoed.
Door eene dergelijke regeling werd voorkomen, dat ieder der kamers slechts zou
zorgen haar competente portie traan binnen te krijgen om daarna den anderen den
rug toe te keeren. Integendeel, van iederen gevangen visch moest aan de andere
kamers een evenredig deel worden afgestaan. Omgekeerd deelde men in elke
vangst, die door het volk van een der andere kamers werd gedaan. Terwijl dus werd
voorkomen, dat naijver tusschen het volk der kamers tot onnoodige conflicten leidde,
bleef aan den anderen kant ieder tot het laatste toe bij een goede vangst belang
hebben. Allen streefden er naar, in zoo kort mogelijken tijd zooveel mogelijk te
vangen. Zonder dat hierdoor twisten en geschillen konden ontstaan werden
zoodoende de kosten van

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

286
het bedrijf beperkt. Tevens echter had deze regeling, gelijk ik boven uiteenzette, tot
gevolg, dat de basis voor een onderlinge overeenkomst betreffende de te volgen
prijspolitiek werd gelegd. Ook al is het bestaan van dergelijke afspraken voor 1618
1)
niet bewijsbaar , men mag toch aannemen, dat van den aanvang af dergelijke
afspraken betreffende de repartitie werden aangevuld door prijsconventies. De reeds
genoemde algemeene vergadering bepaalde den prijs, waaronder geen der kamers,
op straffe van een hooge boete, haar traan mocht verkoopen. Nog verder gingen
de kamers, toen zij bepaalden, dat in elken verkoop, door een hunner gedaan, al
de anderen volgens een vasten maatstaf zouden deelen. Niet slechts werd daardoor
bereikt, dat allen deelden in de winsten, die een van hen door een bijzonder
voordeelige transactie maakte, doch tevens werd zoodoende een waarborg
verkregen, dat geen der kamers onder den vastgestelden minimumprijs verkocht.
Immers, de kamer, die het contract afsloot en daarbij de anderen tot
gemeenschappelijke levering aanschreef, moest ook rekenschap van deze transactie
afleggen. Bovendien trachtte men door het verleenen van premiën voor het
verkoopen van groote partijen tegelijk een zoo spoedig mogelijken afzet van het
product te bevorderen.
Al deze maatregelen betroffen alleen den traan. De andere producten, waarvan
de balein wel het

1)

Zie Kernkamp 272. In de aldaar geciteerde passage kan ik niet, met Kernkamp, het bewijs
zien, dat voor 1617 géén prijsconventie bestond. Immers de uitlating betreft den verkoop van
traan in het buitenland. En voor dien verkoop heeft een prijsconventie, voorzoover wij weten,
nooit bestaan. (Vgl. mijne Handelscompagnieën blz. 68.)

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

287
voornaamste was, vielen buiten de kartelovereenkomst. Een in 1621 gewaagde
1)
poging om ook de aanvoer van dit bijproduct te regelen met het oog den stand van
de markt mislukte. Later echter - en dit acht ik een der voornaamste bijdragen tot
de geschiedenis der Compagnie, die de hierachter afgedrukte notariëele akten ons
2)
brengen - is ook ten aanzien der baarden eene regeling getroffen . In 1633 toch
klaagde Amsterdam, dat de andere kamers nalatig waren, om hare baleinen te
leveren aan de ‘commissarissen, totten verkoop van de gemeene baerden gestelt,
volgens het contract opt stuck van de baerden gemaeckt.’
Niet alleen het feit, dat ook de verkoop van de baleinen geregeld werd, is
merkwaardig; doch tevens trekt het de aandacht, dat de wijze, waarop dit gedaan
wordt, een nieuwe stap is op den weg naar grooter eenheid. Vroeger had men wel
den kamers verschillende verplichtingen opgelegd, waaraan zij bij het verkoopen
van den traan gebonden waren, doch de verkoop was steeds geschied door elke
kamer op zich zelf. Tegen ontduiking en prijsverlaging tengevolge van de onderlinge
concurrentie der kamers werd gewaakt door de deelneming van alle kamers in elken
verkoop, door een hunner gedaan. Kon men echter het onderling wantrouwen en
het vasthouden aan de zelfstandigheid der kamers overwinnen, dan kon dit doel op
veel eenvoudiger wijze worden bereikt. Ten aanzien van den baleinverkoop bleek
dit mogelijk. Daarbij werden alle baleinen door de verschillende kamers aan een
centraal kantoor voor

1)
2)

Kernkamp 345.
o

Antwoord van Amsterdam aan de kleine kamers: Notariëele akten n . 3.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

288
den baleinverkoop toegezonden. Blijkbaar was dit kantoor te Amsterdam gevestigd
en werd het door eenige, daartoe speciaal gecommitteerde, bewindhebbers beheerd.
Een dergelijke wijze van verkoop hief natuurlijk alle nog bestaande concurrentie
tusschen de kamers op. Allen deelden in de opbrengst in verhouding tot de
hoeveelheid balein, die zij hadden geleverd.
Hier vinden wij, wat wij bij een modern kartel een ‘Verkaufstelle’ noemen. Want,
ik moet er nog eens aan herinneren, door al deze afspraken ontstond wel tusschen
de kamers een hechte belangengemeenschap, doch niettemin bleef elke kamer
een afzonderlijke onderneming.
Steeds bleef de winst, die de kamers maakten, verschillend. De eene kamer
betaalde hooger loonen dan de ander, of had relatief hoogere kosten van uitrusting.
Door schipbreuk of faillissementen van debiteuren zal de eene verliezen hebben
geleden, waarvan de ander vrij bleef. Zelfs de schade, bij de verdediging van de
rechten der Compagnie tegen interlopers en vreemde natiën opgeloopen, is, in
sommige tijdperken van haar bestaan, voor rekening van de kamer gekomen,
waaraan het beschadigde schip toebehoorde.
Reeds meermalen gebruikte ik het woord ‘kartel’, om de organisatie der Compagnie
aan te duiden. Inderdaad, sinds Mr. Muller voor het eerst op deze overeenkomst
wees, kan niemand, die de inrichting der Compagnie beschrijft, het zonder deze
vergelijking doen. Heden ten dage zou een organisatie als de Noordsche Compagnie
ongetwijfeld worden aangeduid als een productiekartel, gecombineerd met een
prijsconventie.
Maar steeds blijven twee verschilpunten bestaan. Het eerste is, dat de Compagnie
door een wettelijk voorschrift tegen het optreden van concurrenten was

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

289
gevrijwaard, terwijl onze moderne kartels uit eigen kracht een monopolie moeten
1)
verwerven . Het tweede bestaat hierin, dat, terwijl een modern kartel ontstaat door
aaneensluiting van vroeger geheel zelfstandige ondernemingen, de kamers der
Noordsche Compagnie, met uitzondering der Amsterdamsche, eerst zijn opgericht,
nadat het octrooi was verleend. Wel waren zij ook na die verleening tot samenwerking
niet verplicht, maar het uitzicht op deze samenwerking was juist het lokmiddel, dat
tot deelneming in deze ondernemingen opwekte.
Gelijk uit bovenstaande uiteenzetting blijkt, bestond de Compagnie uit eenige
ondernemingen, die, behalve door vrijwillig geknoopte, contractueele banden, slechts
bijeengehouden werden door het gemeenschappelijk bezit van een door de regeering
verleend monopolie.
De Compagnie als zoodanig had dan ook geen bezittingen, ternauwernood eenige
weinige gemeenschappelijke onkosten. Alleen in de kosten van het op Spitsbergen
gebouwde fort en de kerken, die te Smeerenburg en op Jan Mayen-eiland waren
gesticht moesten wellicht alle kamers bijdragen. Van een ‘kapitaal der Compagnie’
kan men niet spreken. De toelating van nieuwe kamers beteekende dan ook niet,
dat het aandeelenkapitaal werd vergroot, doch alleen, dat een of meer nieuwe
ondernemingen werden opgenomen in den kring van hen, die gezamenlijk het recht
hadden in het Noorden te visschen. Wanneer aan deze nieuwe leden van het kartel
een bepaald ‘aandeel in de Compagnie’, b.v. ¼ of ⅛, werd

1)

Over de omstandigheden, die in de 17e eeuw een octrooi noodig maakten, en over die, welke
thans vele kartels in staat stellen zonder wettelijk privilege, door eigen kracht, een monopolie
te verwerven, zie Hollandsche Handelscompagnieën, Hoofdstuk III.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

290
ingeruimd, wilde dit dan ook alleen zeggen, dat zij in de uitrustingen, door alle kamers
gezamenlijk te doen, een zoodanige fractie voor hunne rekening zouden moeten
nemen, gelijk hun ook volgens denzelfden maatstaf hun aandeel in de vangst zou
worden toebedeeld.
Op welke wijze de kamer van dit haar toekomende recht gebruik wilde maken,
was voor de andere kamers van geen belang. Zoo kwam het voor, dat een kamer
zich in verschillende reederijen splitste, die dan volgens onderling overeengekomen
maatstaf, het aan de kamer toebedeelde aandeel in de repartitie verdeelden. Als
zij slechts gezamenlijk de verplichtingen bleven vervullen, die op hun kamer rustten,
kon dit den anderen ook onverschillig zijn. Eveneens kon het gebeuren, dat de
participanten van een der kamers geen lust of geen geld hadden zelf hunne rechten
te blijven uitoefenen en deze aan anderen overdeden. Dit was o.a. het geval, toen
in 1635 de Enkhuizer bewindhebber Jacob Meyn, die met zijn schoonvader Frederik
Gerritsz. With de eenige participant in de kamer Enkhuizen was, onder goedkeuring
van de algemeene vergadering der kamers, de rechten, die de kamer Enkhuizen
in de Compagnie had, overdeed aan zekeren Cornelis Sweers, in welke overdracht
tevens begrepen waren de aanspraken, die Meyn tegen de andere kamers kon
doen gelden wegens het overnemen van een deel der rechten der vroegere ‘tweede
1)
kamer Delft’ . Sweers zou gedurende den duur van het octrooi, dat in 1634 voor
acht jaar, dus tot en met 1642, ver-

1)

Over deze tweede kamer Delft, zie Muller blz. 77 e.v. Wanneer verder over de kamer
Enkhuizen wordt gesproken, zonder bijvoeging, zijn deze rechten daaronder begrepen.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

291
lengd was, alle rechten mogen uitoefenen, die der kamer Enkhuizen in de Compagnie
competeerden. Zelfs zou hij de kamer op de algemeene vergaderingen der
Compagnie vertegenwoordigen. Slechts over zaken, het behoud en de continuatie
van het octrooi rakende, moest hij het oordeel van Meyn inwinnen. Deze bleef n.l.
aansprakelijk voor alle onkosten, die de kamers gezamenlijk tot dat doel zouden
maken. Natuurlijk, want van eene eventueele verlenging na 1642 zou niet Sweers,
doch Meyn profiteeren. Daarentegen zouden alle kosten betreffende de equipage
en de visscherij door Sweers gedragen worden. Als vergoeding voor dezen tijdelijken
afstand van rechten zou Sweers jaarlijks aan Meyn een vergoeding betalen van
47½ stuiver voor elk kwarteel traan, dat in de repartitie van 1635 aan Meyn was
toebedeeld, en dat onverschillig of bij volgende repartities Meyns ‘quote’ zou worden
1)
verhoogd of verlaagd , en onverschillig, of Sweers al dan niet van het hem
toekomende recht om een of meer schepen uit te rusten zou gebruik maken.
Duidelijk blijkt, dat de rechten, die hier door Meyn aan Sweers verpacht worden,
niet zijn de eigendomsrechten op schepen, fornuizen en de verdere kapitaalgoederen,
die tot de uitoefening van het bedrijf noodig waren, doch dat deze overdracht
uitsluitend betreft het vischrecht der kamer Enkhuizen.
De transactie is dus te vergelijken met het overdragen van een concessie. Dit
blijkt te duidelijker,

1)

Dit kon op tweeërlei wijze geschieden. In de eerste plaats kon het geheele aantal kwarteelen,
waarop de vangst geraamd werd, worden vermeerderd, zoodat ook het aandeel van Enkhuizen
evenredig werd verhoogd. Ook echter kon de verhouding tusschen de quote van Enkhuizen
en die der andere kamers worden gewijzigd, terwijl de totale raming der vangst dezelfde bleef.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

292
omdat, naast de bovengenoemde regeling van de verpachting van vischrecht, geheel
afzonderlijk geregeld was de wijze, waarop Sweers gebruik zou mogen maken van
de scheepsbenoodigdheden, die de kamer hier te lande had liggen, en van de
fornuizen, tenten enz., die zij op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland bezat.
Het belang van het eveneens hierachter afgedrukte vonnis uit 1633 ligt hierin, dat
wij daarin, naast vele andere transacties, ook vermeld vinden, dat Antonie Monier,
bewindhebber der eerste kamer Delft eenige jaren te voren aan Thijman van
Volbergen had overgedaan het geheele ‘kapitaal’ dat hij (Monier) in de Compagnie
herideerde, ‘met alle de winsten ende baten van dien.’ In tegenstelling met de
transactie tusschen Meyn en Sweers, hebben wij hier dus het geval, dat de eene
participant aan den ander het complex van vorderingen overdoet, dat hij als
participant tegenover een der ondernemingen, waaruit de Compagnie bestaat, kan
doen gelden. Heden ten dage zou men zeggen, dat Monier aan Van Volbergen zijn
aandeelen in de kamer Delft had overgedaan. Dit was een handeling, die met het
uitoefenen van het vischrecht in het Noorden niets had uit te staan, dus ook niet
door de algemeene vergadering der Compagnie, zelfs niet door de andere
participanten der kamer Delft behoefde te worden goedgekeurd. Van Volbergen
kreeg daardoor geen ander recht dan dat op een evenredig aandeel in de winst en
het saldo, dat bij liquidatie der onderneming zou overblijven. Ook het
bewindhebberschap ging daardoor niet op hem over, al zal deze transactie allicht
wel tot gevolg hebben gehad, dat Monier het verloor.
Elk kartel staat bloot aan het gevaar, dat een der leden tracht de
kartel-overeenkomst te ontduiken, indien hij kans ziet daardoor een extra-winst voor

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30

(B. De aanleiding was de volgende. Vermoedelijk hadden zij 3) hun volle lading traan vroeger binnengekregen dan verwacht was . de terugreis naar het vaderland aanvaard vóór het tijdstip. Ook de Noordsche Compagnie bleef van dit euvel niet vrij . de kwesties. doch dit spek in vaten tot het volgende seizoen op Jan Mayen-eiland achtergelaten. welks inhoud ons onbekend is. In 1632 hadden de schepen der kleine kamers. die 2) toen juist te Amsterdam vergaderd waren. lieten beteekenen . Een leerzaam voorbeeld hiervan geeft de hierachter afgedrukte memorie. blz. 3 der notariëele acten.’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De Amsterdamsche schepen waren echter achtergebleven en hadden nog eenige walvisschen gevangen. waarbij de winst van alle opgenomen ondernemingen in één kas vloeit en aan de aandeelhouders van elk der vroeger zelfstandige ondernemingen gelijkelijk ten 1) goede komt. Immers het gedrag der commandeurs wordt door hunne bewindhebbers ‘gelaudeert ende geapprobeert. waarover deze twist liep zijn er wel uit op te maken. 272 en 291). te kwader trouw. waarop hun dit volgens een ‘generale resolutie’ der Compagnie vrijstond. Al is dit stuk een antwoord op een klacht dier kleine kamers. Juist in dit opzicht staan de kartels achter bij de trusts. Doch zelfs zonder dat een der aangesloten kamers. die de Amsterdamsche bewindhebbers in 1633 aan de gezamenlijke kleine kamers. o N . Zij hadden echter geen gelegenheid gehad het daarvan afkomstige spek tot traan te kooken. het gesloten contract ontdook. en M.293 zich zelf te maken. Deel 30 . moesten uit de onduidelijkheid of onvolledigheid van deze overeenkomst allerlei moeilijkheden ontstaan. gelijk zij ook in 1631 gedaan hadden. Toen zij echter in 1633 1) 2) 3) Zie de door Kernkamp gesignaleerde gevallen.

doch dat inmiddels de ten onrechte onthouden traan haar zou worden teruggegeven. of deze 8939 mengelen de geheele voorraad uitmaakten. Deze traan toch was afkomstig van visschen. aan hen toekwam. Waarom wordt niet gezegd. hadden de Commandeurs der kleine kamers dit belet. ontleend aan het Amsterdamsche antwoord. Toen de anderen hiertoe niet gezind bleken. door Amsterdam in 1632 gevangen. Deel 30 . Amsterdam. dat in het vaderland deze kwestie door arbiters zou worden uitgemaakt. is vermoedelijk niet geheel 1) Het blijkt niet. toen dit niet hielp. of slechts het aandeel. die wel niet zonder last van hunne bewindhebbers zullen hebben gehandeld. aangenomen altijd de gegrondheid der pretentie der kleine kamers. De Commandeurs der Amsterdamsche schepen.294 dit spek wilden kooken en de zoo verkregen traan wilden inladen. nadat bij het vertrek der andere schepen de geheele vangst onder de kamers was verdeeld. boden de Amsterdamsche commandeurs aan. welke door Amsterdam in het vorige jaar was achtergelaten. dat eerst getracht had door ‘een vriendelijk schrijven’ de andere kamers van hun ongelijk te overtuigen. dat de zaak door arbiters zou worden beslist. dat in die hoeveelheid. een hooger toon aanslaan en eischte. doch het is te raden. wilden daarom deze traan ook in 1633 buiten de verdeeling houden en als een bijzonder voordeeltje van de kamer Amsterdam beschouwd zien. ging. Deze voorstelling van de zaak. naar de andere kamers beweerden. De andere Commandeurs namen daarmede echter geen genoegen en trokken bij het doen der repartitie 8939 mengelen traan af van de aan Amsterdam 1) toekomende hoeveelheid . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Alleen het laatste zou natuurlijk billijk ziju geweest.

Juist het ontbreken dezer voorwaarde schijnt alle pogingen in deze richting te hebben doen falen. die door een harer schepen 1) gevangen zijn op een in 1633 gemaakte ontdekkingsreis . ook. dat de Compagnie ook in deze jaren nog ontdekkingsreizen had laten doen. Het is niet onbegrijpelijk. Deel 30 . 187). Wellicht betrof deze eisch dan ook niet den op Jan Mayen-eiland achtergelaten traan. doch bij de terugkomst van het schip geheel door Amsterdam in ontvangst genomen. Bij dezen stand van zaken toch is moeilijk in te zien. dat dergelijke voorvallen. voor alle partijen aannemelijk te maken. Amsterdam eischt n. Alle winst zou dan in één kas vloeien en de verliezen zouden door allen gelijkelijk worden gedragen. waarop blijkbaar bij het aangaan der kartelovereenkomst niet was gerekend. 93.l. moesten echter alle kamers in ongeveer gelijke mate van het euvel te lijden hebben. waardoor de Compagnie ongeveer de organisatie harer Oost-Indische zuster zou hebben verkregen. om door verandering in de organisatie der Compagnie het ontstaan van soortgelijke kwesties onmogelijk te maken. welke in het antwoord van Amsterdam eveneens wordt aangeroerd. Kort na de oprichting der Compagnie vinden wij dan ook reeds 2) pogingen vermeld om alle uitrus tingen der kamers ‘uit een gemeene beurs’ te doen . Om een dergelijke fusie. 84. meen ik. niet bekend. doch een andere kwestie. Deze traan was natuurlijk niet door den generaal-rooier gereparteerd. waarop dit aanbod een antwoord zou kunnen zijn.295 volledig. (Zie Muller blz. dat de kleine kamers alle pretenties zullen laten varen op eenige visschen. Muller blz. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. het denkbeeld deden rijzen. welken eisch de kleine kamers wel aan Amsterdam hadden kunnen stellen. Het machtige 1) 2) Het was.

Reeds lang. Aan den onwil dezer kamer wordt het mislukken toegeschreven van alle pogingen om tot inniger samenwerking te komen. blijkbaar uitdagend zelfbewuste. met het voeren der onderhandelingen met de Staten-Generaal belast. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. waaruit wij de kennis dezer kibbelarijen putten. Deel 30 . niet tot een eisch in zake de achtergelaten traan. in 1633. dat de vertegenwoordigers der kleine kamers op de algemeene vergadering verschijnen ‘met te vooren geconfirmeerde advysen ende gecomplotteerde stem- 1) De quote van Amsterdam was even groot als die van de andere Hollandsche kamers te zamen. hebben de bewindhebbers dier kamer bemerkt. Maar hetzelfde stuk. Amsterdam bepaalt zich n. Amsterdam trad dan ook op als centraal bureau der Compagnie en was als zoodanig o. zoo klaagt Amsterdam. die de kleine kamers voeren tegen alles wat Amsterdam voorslaat. schijnen in 1632 tot één onderneming te zijn samengesmolten. den bestaanden toestand te handhaven. Er ontstond een blijkbaar georganiseerde oppositie tegen Amsterdams hegemonie.a. optreden der laatsten. gelijk men zeide. ‘op’ de Maas. Daarbij bleef het echter niet. Hoorn en Enkhuizen. maar voegt daarbij een bittere klacht over de stelselmatige en op onderlinge afspraken gegronde oppositie.l.296 1) Amsterdam zag er blijkbaar zijn voordeel in. De kleine kamers waren dientengevolge als van zelf op elkander aangewezen. of. die van den aanvang af in nauwe verbinding met elkaar hebben gestaan. Reeds het optreden. van de Commandeurs der kleine kamers tegen de Amsterdammers verraadt een algemeene irritatie tegen het. de kamers aan. Hetzelfde deden hunne antagonisten. leert ons meer.

wat aan eene reederij herinnert. dat voor een dergelijk ultimatum de anderen zouden moeten inbinden.297 men’. nieuwe bewijzen voor deze. Deel 30 . De uittreding van Amsterdam toch zou het kartel onvermijdelijk hebben doen uiteenspatten. Dit was blijkbaar meer dan een voorbijgaande ruzie. Omgekeerd spreekt uit Amsterdams woorden een opgekropte ergernis. die meende dat de voorcompagnieën der Oost-Indische Compagnie reederijen waren. was elke kamer vrij in de wijze. indien niet in de bovengenoemde kwestie van de achtergelaten traan c. naar ik meen. levert. De inwendige organisatie der kamers . wier organisatie in hoofdzaken overeenkomt met die der voorcompagnieën. Blijkbaar hebben de kleine kamers dan ook toegegeven. Gelijk ik boven reeds aanstipte. die Amsterdam doet. 1) III. Amsterdam wist waarschijnlijk wel. op staanden voet de geëischte satisfactie werd gegeven. door mij verdedigde. met de andere kamers aangegaan. stelling. Handelscompagnieën’. die zoo hevig was. die zich zelfs aan de dienaren der kamers had medegedeeld. Zij verwerpen alle voorslagen. Aan een dergelijke stelselmatige oppositie. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. trachten aan te toonen. dat de Compagnie nog tien jaar heeft bestaan. een ergernis. heb ik tegenover Lehmann.a. moet een lange reeks van grieven ten grondslag hebben gelegen. welk voorbeeld door hunne Commandeurs en dienaren op S itsbergen en Jan Mayen-eiland wordt gevolgd. dat in de organisatie dier compagnieën niets aanwezig is. dat Amsterdam in allen ernst dreigde met opzegging van alle contracten. Hetgeen hieronder volgt over de kamers der Noordsche Compagnie. wij weten althans. waarop zij van hare rechten zou 1) In het vierde hoofdstuk mijner ‘Holl.

Met de inwendige organisatie der kamers bemoeide zich noch het octrooi. geheel in handen van den koopman Pedy 1) was . die te Amsterdam gedrukt waren en door de aldaar gevestigde kamer aan de anderen werden toegezonden. die uit Hoorn en Enkhuizen afkomstig zijn. Daar nu in de beide eerste octrooien. die trouwens niet voor of door de Compagnie was uitgedacht. de bepaling voorkwam. Daar niet allen aan de leiding konden of wilden deelnemen. noch de algemeene vergadering. Hoe het bij de oprichting eener aldus georganiseerde kamer toeging. Deze biljetten. dat het mogelijk was. die der Compagnie verleend werden. die in 1622 en in 1635 telkens in handen van twee personen was. dat in 1617 door de Hollandsche kamers met de Zeeuwen werd gesloten. en naar die te Veere. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Zie het door Kernkamp (blz.298 willen gebruik maken. werden niet slechts in de stad. maar ook in de omliggende steden aangeslagen. dat een kamer zich in verschillende reederijen splitste. Zie Kernkamp blz. 330) afgedrukte aanplakbiljet. Toch bestond een normale organisatie. In het contract. 269. wordt dan ook een dergelijke inrichting der kamers stilzwijgend verondersteld. Wij zagen dan ook. was een dergelijke organisatie hier als van zelf aanwezig. doch die toen ter tijd gebruikelijk was voor alle ondernemingen. waar de zetel der kamer was. 82. Nadat 2) de liefhebbers door openbare aanplakking van biljetten tot het doen van inschrijvingen 1) 2) Muller blz. Als voorbeelden verwijs ik slechts naar de kamer Enkhuizen. waarbij het bestuur der onderneming berustte. dat een ieder in deze onderneming zooveel geld kon inleggen als hij wilde. althans in 1635. waarbij een kapitaal door vele deelnemers werd bijeengebracht. Deel 30 . vormde zich uit het midden dezer ‘participanten’ een college van ‘bewindhebbers’. leeren ons eenige der afgedrukte stukken. Ook kon een kamer uit één of twee personen bestaan. welke.

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Dat de stadsregeering de aldus opengevallen plaats wilde bezetten. Behalve Blauhulck bekleedde ook Gerrit Freecks. cit. In Hoorn . die Kernkamp ter sprake heeft gebracht. 32. doch dit is afgestuit op den tegenstand 4) der kamer Amsterdam.299 waren opgeroepen deed zich de moeilijkheid gevoelen. 14 en 47). dat aanvankelijk wel degelijk twee bewindhebbers aanwezig zijn geweest. o Resolutie van 8 April 1616 (n .v. Elders waren echter nog geen kamers geconstitueerd en 1) 2) waren er dus ook nog geen bewindhebbers. Echter schijnt deze laatste spoedig Enkhuizen te hebben verlaten. Wel heeft de stadsregeering getracht nog een tweeden bewindhebber te benoemen. 299 e. Blauhulck. Hoewel het niet met zoovele woorden gezegd wordt. Terloops mag ik er op wijzen. (Nos. dat de Enkhuizer resoluties eenig nader licht geven 3) over een kwestie. die ook het octrooi hadden aangevraagd. Uit de hierachter afgedrukte stukken blijkt nu. die waardigheid. Op. dat van 1614-1617 als eenig bewindhebber der kamer Enkhuizen optrad Jan Simonsz. Kernkamp vermeldt . raad en schepen dier stad. 18). blz. hielp men zich uit de moeilijkheid door de burgemeesters te machtigen voorloopig als bewindhebbers op te treden. Deel 30 . en vermoedelijk ook elders . is te 1) 2) 3) 4) o o Resolutie van ult Februari 1614 n . Te Amsterdam geschiedde dit natuurlijk door de bewindhebbers der reeds bestaande vennootschap. dat er niemand was om deze inschrijvingen in ontvangst te nemen. schijnt dit toch uit de resoluties van Edam en Veere te blijken.

om Enkhuizen te vriend te houden. dat de Enkhuizensche vroede vaderen er aan 1) 2) Dit bleek mij bij het doorlezen der Enkhuizer vroedschapsresoluties. onder het uitsluitend beheer en van dezen laatste stond. In deze onderstelling schijnt het mij echter niet voldoende verklaarbaar. Men zou zich deze verhouding dan zoo moeten voorstellen. hadden zij toch niet kunnen laten. Deel 30 . Het antwoord dezer kamer is door Kernkamp medegedeeld en luidde. Den 5 Mei d. dat een instelling als de kamer der Noordsche Compagnie. er in had toegestemd. Voordat Burgemeesteren hem echter ter benoeming voordroegen. Buyskes scheen de geschikte man te zijn. een dépendance. dat een deel van het te Amsterdam bijeengebrachte kapitaal zou worden gebruikt om te Enkhuizen een kamer te vestigen en dus ook door eenige aldaar gevestigde kooplieden zou worden geadministreerd. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Dit raadplegen van Amsterdam leidt Kernkamp er toe. dat hoogloopende onaangenaamheden tusschen 1) de stad Enkhuizen en Blauhulck waren gerezen . de vraag te stellen. zoodat de vroedschap niet zonder bezorgdheid moest zien. kwamen Burgemeesteren met een candidaat voor den dag.a. of de kamer Enkhuizen wellicht slechts een creatuur. dat Amsterdam. dat men te Amsterdam uiterst verbaasd was te vernemen. waarom Enkhuizen van den beginne af zich zoo nauw met Hoorn verbonden heeft. Meynert Thomasz. die zich de en benoeming tot bewindhebber zou willen laten welgevallen. Blauhulck over deze benoeming te polsen en van hem vernomen. Den 8 April 1616 werd dan ook door de vroedschap aan Burgemeesteren opgedragen een ‘bequamen persoon’ te zoeken. 2) voor hij de kamer Amsterdam had geraadpleegd . aan welker bezit voor de stad zoo veel was gelegen.v. der kamer Amsterdam was.300 eerder te begrijpen. als men weet. Deze geschillen hadden op de Compagnie echter geen betrekking. dat hij daarin niet kon toestemmen.

blijkt niet. dat de benoeming der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie geschiedde door den magistraat der stad. om een niet-participant tot bewindhebber te benoemen. De oudste mij bekende bepalingen over dit onderwerp 1) 2) Zie het contract bij Muller blz.301 dachten. Blz. eindigt deze resolutie toch met de opdracht aan Burgemeesteren om nogmaals te trachten hem tot het aannemen van een benoeming te overreden. die voor minstens f 2000 hadden deelgenomen. Niet alleen geeft het bovenstaande ons een aanvulling van de geschiedenis der kamer Enkhuizen. Het schijnt. 423. was 1) Blauhulck nog steeds eenig bewindhebber . door Amsterdam aangenomen. een anderen geschikten candidaat te zoeken. Want hoewel uit de resolutie van 5 Mei schijnt te volgen. Waarschijnlijk is tengevolge van de kordate houding. en indien hij blijft weigeren. waarop onder vigueur van het eerste octrooi de verkiezing der bewindhebbers was geregeld. Waaraan deze mededeelingen zijn ontleend. Deel 30 . doch ook mag men. geloof ik. toen op 19 Maart 1617 het contract met de Zeeuwen werd gesloten. dat men van het verzet van Amsterdam nog niet wist. dat intusschen Meynert Thomasz. Immers. dat door de bewindhebbers der kamer werd opgemaakt en waarop slechts hoofdparticipanten dierzelfde kamer mochten voorkomen. 2) Muller deelt mede . van een benoeming verder niet gekomen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. reeds op zijn aanvankelijke bereidverklaring was teruggekomen. 82 en 83. daaruit eenige conclusies trekken over de wijze. Als hoofdparticipanten golden zij. waar de kamer gevestigd was uit een dubbeltal.

later. die zich tegen de benoeming van een niet-participant zou verzetten. dat op dit stuk geen voor Enkhuizen geldige bepalingen bestonden. schijnt men te Amsterdam wel als van zelf sprekend te hebben beschouwd. Alleen wordt bepaald. of de Enkhuizer magistraat zich daardoor gebonden zou achten. Deel 30 . op. hoe tijdens het eerste octrooi de zaak geregeld was. een getuigenis. dat op de nominatie slechts mogen voorkomen participanten. dat de nominatie door de bewindhebbers werd opgemaakt.302 komen voor in het contract met de Zeeuwen. Wie de nominatie zal opmaken. om zich aan de bepalingen te houden. Dat de bewindhebbers tevens participant moesten zijn. toonde volstrekt niet onwillig te zijn. Te eerder mag men aannemen. heb ik nergens gevonden. dat 1) 2) Amsterdam beroept zich op: ‘d'ordre van onse camer’. dat aanvankelijk op dit stuk in het geheel geen bepalingen bestonden.de benoeming door de plaatselijke regeeringen moest geschieden. doch strijdt niet met het contract met de Zeeuwen. dat de bepalingen van dit contract toenmaals stipt werden nageleefd. en was wellicht zelfs in een interne 1) regeling dier kamer uitgesproken . ook al was hij geen participant. dat 8 of 10 der ‘hoogste participanten’. scheen door alle partijen te worden erkend. een nominatie zullen opmaken .’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Van een nominatie. die ten minste f 2000 in de compagnie ‘herideeren. wordt daarin niet gezegd. Muller.naar het voorbeeld der Oost-Indische Compagnie . Deze wijze van handelen is in strijd met de mededeeling van Mr. wordt niet gerept. door de andere bewindhebbers opgemaakt. omdat dezelfde vroedschap. nadat het contract met de Zeeuwen tot stand was gekomen. Alleen. In deze resolutie toch wordt bepaald. naar mijne meening. Tevens leert deze resolutie ons. die daarin betreffende de benoeming van bewindhebbers voorkwamen. daartoe 2) door Burgemeesteren geconvoceerd. Uit de resolutie van 8 April 1617 blijkt. die bereid was Meynert Thomasz. doch het schijnt de vraag. De hierboven vermelde besluiten der Enkhuizer vroedschap wijzen er nu. te benoemen. dat .

bijeengebracht door een onbepaald getal deelhebbers en bestuurd door bewindhebbers. die in eene compagnie een bedrag hadden ingelegd.303 niet ieder. Slechts van hen. Deel 30 . doch bestond ook bij de kamer Amsterdam. die ontstaan was uit twee ondernemingen. waren toch blijkbaar de Burgemeesters van Enkhuizen in 1617 vrij in de keuze der personen. minstens gelijk aan dat. die het meest hadden ingelegd. hetwelk een bewindhebber moest ‘herideeren’. die op de nominatie voor bewindhebber worden geplaatst. omdat deze afkomst der kamer en de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. door dat feit alleen het recht kreeg aan het opmaken der nominatie deel te nemen. nadat eenmaal het octrooi was verleend. die zij tot het opmaken der nominatie wilden oproepen. die vroeger zelfstandig waren geweest. die in den regel uit de voornaamste participanten werden gekozen. dit vast te stellen. wordt gezegd. wie als ‘hoogste’ participanten zijn te beschouwen. De hierboven geschetste organisatie: een kapitaal van vooraf niet bepaalde grootte. Hoewel men nu in de 17 eeuw in het algemeen onder hoofdparticipanten verstond hen. die f 2000 had ingelegd. In het contract met de Zeeuwen is trouwens niet nader gedefinieerd. mits slechts de opgeroepenen in het algemeen tot de participanten behoorden. Het is van belang. doch zich nog voor de verleening van het octrooi hadden vereenigd. e dat zij f 2000 moeten herideeren. die werden opgericht. gold niet slechts als normaal bij de kamers.

waarvan hij zelf het bedrag kon bepalen. Dit zou onmogelijk zijn geweest in een reederij. ook in 1617. 2 der afgedrukte sententiën. doch een scheepspart voor ¼ van het schip.304 vermelding van een ‘boekhouder’ tot het vermoeden zouden kunnen leiden. dat hier de organisatie van een reederij bewaard was gebleven. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. doch als een fractie van het schip met toebehooren worden uitgedrukt. dat het 1) 2) o Zie n . waarbij uitspraak werd gedaan in het geding 2) tusschen Van Volbergen en Monier . ⅛. bewijzen de vermeldingen van bewindhebbers en participanten. o N . met een inleg. toen zij nog een geheel particuliere onderneming was.000 stort. Niet anders blijkt trouwens de Kleine Noordsche Compagnie te zijn ingericht geweest.v. niet te vereenigen geweest. als hij zelf wilde. krijgt de reeder die f 25. 1/32 of 1/64 van het totaal. Dat echter ook Amsterdam de normale organisatie had aangenomen. maakt waarschijnlijk. om een ieder met zoo veel en zoo weinig penningen. f 100. Het kon trouwens ook niet anders. die wij ook bij de Amsterdamsche kamer meermalen aantreffen. 1 der afgedrukte sententiën. Een dergelijke verdeeling in scheepsparten. niet een aandeel tot dat bedrag.000 uitgeeft. die steeds luiden op ¼. De sententie van het Hof van Holland. 1/16. sinds de beide eerste octrooien de verplichting oplegden. Deel 30 . die 1) met de Groote Compagnie niets te maken had . waar de aandeelen niet op een nominaal bedrag in geld luiden. Wanneer eene reederij voor het aankoopen en uitrusten van een schip b. als participant toe te laten. die zich aanmeldde. ware met de toelating van een ieder.

bewindhebber in rechte om betaling aan. met alle de winsten ende baten van dien. de ander daardoor zou zijn bevrijd. Het voordeel voor de eischers lag dan hierin. dat deze vier personen hoofdelijk tot betaling 2) der geheele verschuldigde som zouden worden veroordeeld . Ten einde dit duidelijk te maken. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.v.305 niet bij alle kamers gebruikelijk was aan de participanten aandeelbewijzen te verstrekken. 14 der resoluties.’ Waren aandeelbewijzen uitgegeven. Daar voor deze leveranties geen betaling was ontvangen. daar zij van een der vier gedaagden de gansche schuld konden invorderen. Toen echter in 1635 te Edam tot oprichting van eene compagnie werd overgegaan. De kamer Delft deed het blijkbaar niet. In 1617 hadden drie kooplieden te Delft aan de toen nog zelfstandige Kleine Noordsche Compagnie bier geleverd. spraken zij twee der bewindhebbers. en eischten. doch 1) 2) o Zie n . 't welck (Monier) in de Compagnie hadde geherideert. dat als de een betaald had. dat zij het vonnis slechts eens behoefden te executeeren. Deze moest dan maar zien. Deel 30 . die in 1617 als zoodanig hadden gefungeerd benevens de kinderen van een derden. Monier toch had. moet eerst een kort overzicht van den inhoud dezer beslissing worden gegeven. De gedaagden erkenden de schuld. dat men zijne ‘actie’ daarin 1) zou verkoopen . De reeds meermalen genoemde sententie van 1625 geeft ook eenig licht aangaande de verhouding dezer compagnie tot derden. 150 e. aan Van Volbergen overgedaan ‘het geheele capitael. Vgl. Natuurlijk in dier voege. dan zou ongetwijfeld van Moniers actie of actiën zijn gesproken. zoo lezen wij. sprak de vroedschap van de mogelijkheid. van de drie anderen hun aandeel in de betaalde geldsom terug te krijgen. sedert overleden. ook mijne Hollandsche Handelscompagnieën blz.

dat deze schuld werd aangegaan. die het Hof in deze toepaste. op dezelfde wijze was georganiseerd als de kamers der Groote Compagnie. doch sommige der personen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. In het eindvonnis werden ten slotte de gedaagden veroordeeld. zij had geen ‘persona standi in judicio.’ Niet de ‘Compagnie’ werd gedagvaard. Zij boden echter aan. te betalen. doch ging zelfs na hun dood op hunne erfgenamen over. dat deze Kleine Noordsche Compagnie. Zie ik wel. die in 1617 bewindhebber waren geweest.in afwachting van de eindbeslissing . . dat de aansprakelijkheid der gedaagden niet werd beheerscht door de regelen. die van belang is. althans aangaande die. Hoewel de beslissing niet wordt gemotiveerd. mits de eischers cautie stelden voor het geval de eisch later nog mocht worden ontzegd. gelijk werd herinnerd. En deze aansprakelijkheid der bewindhebbers hield blijkbaar niet op met hun aftreden als zoodanig. en bovendien daarover rente te betalen sedert den dag der litis contestatio. niet als een rechtspersoon werd beschouwd. dus ieder ¼.306 ontkenden de hoofdelijke aansprakelijkheid.eene conclusie.al vast ieder ¼ te voldoen. veroordeelde het Hof hen om . die voor de aansprakelijkheid van medereeders in een schip golden. gezamenlijk de geheele som. welke het niet toepasselijk achtte. Om een juridischen vakterm te gebruiken. Daar althans in zoover overeenstemming bestond. ieder ¼ van de verschuldigde som te betalen. op het moment. Uit dezen loop van zaken blijkt allereerst. die. meen ik toch. dan volgt uit de sententie althans dit. een beslissing. Deel 30 . waaraan zij dus door gevolg te geven aan het provisioneele vonnis reeds voldaan hadden. dat deze sententie ook eenig licht geeft aangaande de rechtsregels.

dat reeders voor de schulden der reederij niet ieder voor het geheel kunnen worden aangesproken. waardoor de aansprakelijkheid van reeders afwijkt van die van leden eener vennootschap van koophandel.307 omdat zij steun geeft aan de boven ontvouwde meening. een dergelijke royale houding aan te nemen op kosten hunner pupillen. Een der hoofdpunten immers. Voorts zou ook het deel door elk der gedaagden te betalen niet voor allen gelijk zijn geweest. dat zij in de reederij bezitten. dat twee der gedaagden minderjarig waren. Ware deze regeling der aansprakelijkheid hier geldig geacht. is dit. doch dat de andere bewindhebbers. De voogden dezer minderjarigen zullen zich toch wel niet verantwoord hebben geacht. indien de eischers haar al over het hoofd hadden gezien. dat de gedaagden. dat deze compagnieën niet den juridischen vorm van reederijen bezaten. Tegen een dergelijke onderstelling spreekt echter het feit. doch wederom evenredig aan ieders bezit van scheepsparten. dan zouden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. doch slechts voor een gedeelte. toch ongetwijfeld de gedaagden zich daarop hebben beroepen om te betoogen. indien zij meer hadden aangeboden dan waartoe zij verplicht waren. Men kan aannemen. evenredig aan het aandeel. Deel 30 . hun evenredig deel daarin zouden moeten bijdragen. die reeds lang op hun geld hadden moeten wachten. waarvan let wel .de eischers melding maken. die het bestaan der schuld niet ontkenden. niet met deze exceptie af te wijzen en dat zij zich daarom bereid verklaarden meer te betalen dan naar streng recht van hen kon worden gevorderd. dat de geheele verschuldigde som niet van hen kon worden geëischt. Bovendien zouden de gedaagden. zich door een gevoel van billijkheid lieten bewegen om de eischers.

dat de andere bewindhebbers hadden te dragen. vader en zoon. Indien wij dus konden aannemen. dat Nicolaes Kyen. zouden zijne drie kinderen 1) Het aanwijzen van een dergelijke commissie was niet ongebruikelijk.308 wel niet hebben verzuimd. dit nog eens in het licht te stellen. dat niet wordt gerept van het aandeel. voor het aanschaffen van proviand had te zorgen en die dan ook het voor de reizen benoodigde bier had besteld. n. Nicasius Kyen. die b. zonder dat zij een deel der schuld op de andere bewindhebbers konden afwentelen. die gezamenlijk de gansche som moesten betalen. Deel 30 . n. Maria Cornelisdr. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ook bij de Compagnie van Verre kwam een dergelijke splitsing in commissies voor. welke hij in persoon besteld heeft. gestorven was. een commissie 1) uit de bewindhebbers hadden gevormd . met Maria Cornelisdr. Maar dan ontstaat een andere moeilijkheid. bij toepassing der bepalingen betreffende de aansprakelijkheid van reeders begrijpelijk zijn. deze. Elke reeder was en is toch persoonlijk en voor het geheel aansprakelijk voor de betaling der leveranties aan de reederij. Ieder zou dus ⅓ te betalen hebben gehad en. en wijlen Nicasius Kyen de bestellingen voor het geleverde bier persoonlijk hadden gedaan. zou althans verklaard zijn.l.l. Slechts in één geval zou. indien mocht worden aangenomen. waarom deze drie bewindhebbers de gansche som hadden te betalen. dat in deze onderstelling het door de kinderen van wijlen Nicasius Kyen gezamenlijk te betalen aandeel niet grooter zou zijn geweest dan ⅓ van het geheel. Zie mijne Hollandsche Handelscompagnieën blz. daar een van hen. 100.v. dat de beide Kyens. Er waren dan immers drie reeders geweest.

Deel 30 . In het aanbod.309 dus ieder 1/9 hebben betaald. zou van elk zijner drie kinderen ⅓ geëischt kunnen worden. de regelen voor de aansprakelijkheid van reeders schijnen niet te zijn toegepast. Hoe men de zaak ook keert of wendt. Dat ten slotte het Hof. ook al achtte het de drie betrokken bewindhebbers ieder voor het geheel aansprakelijk. Men zou kunnen onderstellen. toch niet verder ging dan elk der gedaagden Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Nicolaes Kyen zou dan hebben moeten betalen ⅓ (als bewindhebber) + 1/9 (als erfgenaam van Nicasius Kyen). Als Nicasius Kyen desnoods de geheele verschuldigde som zou hebben moeten betalen. Daarmede verdraagt zich het best de eisch der leveranciers. welke rechtsregels het Hof in deze wèl toepasselijk achtte. Daarenboven zouden alleen in deze onderstelling de beide minderijarige kinderen van wijlen Nicasius Kyen niet meer betalen dan naar streng recht kon worden gevorderd. dat de gedaagden deden. Ook in deze onderstelling zouden dus de minderjarige kinderen van Nicasius Kyen veel meer hebben betaald dan in rechte van hen had kunnen worden gevorderd. en ieder der beide zusters van Nicolaes Kyen 1/9. ⅓ (als bewindhebber). dat de bewindhebbers werden geacht aansprakelijk te zijn volgens de regelen. Maria Cornelisdr. Bovendien wordt in den eisch nergens ook maar aangeduid. dat de drie aangesproken bewindhebbers persoonlijk de bestelling hebben gedaan. dat inderdaad de vordering berust op het feit. Helaas is echter niet duidelijk. en evenzoo in het vonnis betaalt echter ieder dezer vier personen ¼. die voor eene vennootschap onder firma gelden. Door voor elk der beide minderjarigen betaling van ¼ aan te bieden bleven de voogden daar nog onder.

Handelscompagniën bladz. Diversen. waarover hierboven nog niet is gesproken. door het hierboven vermelde aanbod te doen. is zeer goed te begrijpen. op hun verzoek. Een andere verdeeling zou slechts tot 1) geheel noodelooze kwesties aanleiding hebben kunnen geven . zijn er twee. IV. n . 95) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Een ernstig bezwaar tegen deze onderstelling is echter. uit het protocol van den notaris Palm Matthijsen afkomstig. (Zie Holl. volgens de bewindhebbers. door de bewindhebbers der Compagnie van Verre met de participanten dier onderneming werd gesloten. doet ons den inhoud kennen van een monsterrol. Onder de notarieele acten. waarop in 1616 door de bewindhebbers van Amsterdam matrozen waren aangenomen.’ dat bij de voorbereiding van Houtmans reis naar Indië. de participanten dit recht wèl zouden hebben gehad. Krachtens het provisioneele vonnis toch was de hoofdsom reeds betaald en daarop hadden de eischers dus niets meer te pretendeeren. dat de eerstgenoemden verplicht waren aan de participanten. eigenlijk implicite de juistheid zouden toegeven van de door hen bestreden theorie der solidaire aansprakelijkheid. De wijze van belooning. bij gebreke dier bepaling. die hierachter zijn afgedrukt. Deel 30 . 132. Het voornaamste punt dier overeenkomst was.310 tot betaling van ¼ te veroordeelen. Indirect blijkt hetzelfde trouwens uit het ‘generale contract. de bepaling. hierin voort- 1) Over de verhouding van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie tot de participanten o leert ons voorts een sententie van het Hof van Holland van 31 Juli 1658. dat de participanten geen opening van zaken zouden vragen. dat. dat de gedaagden dan. rekening en verantwoording te doen. De eerste acte. A contrario volgt daaruit.

waar echter niet vermeld is.311 komende. ‘Ik leeze in de consistorieacten van 6 April 1630: “alzoo de Noordsche Compagnie twee predikanten verzoekt voor de reyse naar Groenland. noch door Muller. doch ook de andere matrozen een loon ontvingen. meen ik. Vliss. was. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. De tweede acte is een interrogatoir van twee matrozen. zal dit den Classis worden voorgestelt. en die er toe zal hebben bijgedragen. Kerkhemel (1758) werd mij door den Gemeentearchivaris van Vlissingen medegedeeld. Zij moesten blijkbaar dienst doen om de vertoogen te steunen. noch door Kernkamp vermeld en is merkwaardig omdat zij doet zien. Muller blz. die verklaringen afleggen aangaande de baldadigheden. dat de Noordsche Compagnie zoo bezorgd was voor het zieleheil harer in het Noorden vertoevende dienaren dat zij in 1630 aan het consistorie te Vlissingen ‘twee 2) predikanten verzocht.”’ Dit citaat uit G. dat niet slechts de eigenlijke visschers. dat eenigermate evenredig was aan den uitslag van de visscherij. Slotwoord. die Christiaan IV over de beweerde miskenning 1) zijner rechten door de Hollanders aan de Staten-Generaal richtte . die voor de 1) 2) Vgl. 252. voor de reyse naar Groenland’ . Tevens geven zij een kijkje op de dikwijls ruwe wijze. Deel 30 . Bij mijn onderzoek naar stukken. V. dat de klachten van den Deenschen vorst ook betroffen in 1624 gepleegde daden van geweld. waarop het onder het matrozenvolk op Spitsbergen toeging. om te zien of er iemand toe genegen ware. Vrolikhert. door de Hollanders in 1624 tegen de eigendommen der Deensche Compagnie op Spitsbergen bedreven.

zij het dan ook zonder door een wettelijk monopolie tot het handhaven van kartelovereenkomsten in staat te zijn gesteld. daarvoor in een volgend deel der Bijdragen en Mededeelingen eenige plaatsruimte af te staan. Een gelukkig toeval heeft voorts uit dezen tijd van het bestaan der kamer Harlingen een complete rekening van den boekhouder dier kamer doen bewaard blijven. nog vele jaren hebben deze ondernemingen. kwamen mij verschillende stukken in handen. dat zij nog geruimen tijd trachtten aan het reeds lang vervallen octrooi eenige rechten te ontleenen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Naar ik hoop. kwamen mij grootendeels te laat in handen om ze bij de thans geboden verzameling nog te kunnen afdrukken. die hun een boven de andere walvischvaarders geprivilegieerde positie zouden verschaffen. zal het bestuur van het Historisch Genootschap echter bereid worden bevonden. Daaruit bleek mij. die ons een duidelijk beeld geeft zoo van de uitgaven als van de inkomsten en het afzetgebied dier kamer.v. Deel 30 . hun bedrijf voortgezet. Integendeel. dus na den afloop van het octrooi. welke dagteekenen uit den tijd na 1642. Deze stukken. Merkwaardig is het echter te zien.B. S.312 geschiedenis der Compagnie van belang zijn. dat met den afloop van het octrooi geenszins de kamers der Compagnie ophielden te bestaan. alle betrekking hebbende op eene in het bovenstaande niet behandelde periode.

voormiddach. en Uwe E. zijn d'selve metten vroetschappe deser stede gecommuniceert. Haye onlangs van de Cab Bon espérance alhier aengebracht. Is by appostille. ende geresolveert. ResolutiËn. a. Den 15 Martii 1614. ende dit opsienne van de zeer cleyne waerde van dien. Burgermeesteren ontfangen hebbende van haere gedeputeerden in Den Hage seeckere brieven. by s(chipper) Pr. 2. Ende gedelibereert sijnde opt stuck van de vaert ende visscherie op Spitsberghe. dat van wegen het Land geene toerustinge tot defensie van de voorssvaert worde gedaen. Admiraliteit van Amsterdam. gestelt op de requeste van Leonardt Ranst ende Jacques Mar(chys) cum socijs. en Saterdach den 13 Octobris 1612. Deel 30 . brieffen van den 13 deser maend hebben wy ontfangen ende den inhoudt van dien op huyden metten vroedschappe deser stede gecommuniceert. b. Vroedschap van Amsterdam.313 I. 1. dat daerop sal worden gereschribeert als volgt: Erntfeste etc. henlieden geremitteert 't recht van innen van zeeckere quantiteyt robbevellen. opdat alle oirsaecke van mis- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende is goet gevonden ende verstaen in dese gelegentheyt voor den landen best ende dienstelijck te wesen.

ende dat tot conservatie van dezelve vaert de schepen behoorlijck werden geëquipeert ende voorsien met geschut. ende d'selve vergunt octroy om voor den tijt van twee jaren de voorss. verstaen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 19 December 1616. vaert behouden worde ende nyet verlaten.314 genougen ende offensie. maer dat men een yeder sal toelaeten derwarts te moghen varen. 't selffde toe te staen. dat oock daerbeneffens deselve schepen werden geassisteert met eenighe schepen van oorloge vant landt. vaert hebben 1) geëquipeert ofte anderen haer in deselve geformeerde compagnie begeren te begeven ofte daerinne te leggen seeckere somme van penningen. ende van't vertoogh aen den Heeren Burgermeesteren ende regierders deser stede gedaen. 3. die alrede mede op de voorss. soo veel doenlijck voorgecommen worde. 1 Juli 1633. die syne Majesteyt van Groot Bretaigne daeruyt soude mogen nemen. Opt verzoek van die van de Noordsche Compagnie is. soe is geresolveert. is niet raedsaem gevonden. Deel 30 . dat de gedeputeerde in de ver- 1) Ms. 4. Ende opdat echter de voorss. nae lezinge van de deductie by haer ter generaliteyt ingelevert. Wat belangt de versochte continuatie vant octroy van de compagnie op Spitsbergen. datter een geformeerde compagnie opgerecht sal mogen worden. sal haer vrystaen sulcx te mogen doen. vaert alleen te mogen bevaren. welverstaende soe diegeene.: begeven.

den gedeputeerden te lasten devoir te doen ende de gedeputeerden van wegen dezelve Compagnie te seconderen. by de Engelschen ende anderen hier ingebracht wordende. Albert Coenraedts ende Drs. niet in dienst van de voorss.315 zoghte prolongatie van 't octroy. daer de traenen. bestaende in drie leeden: 1. De requeste van de Noordsche Compagnie is gestelt in handen van de Heeren Burgermeesters Dr. Andries Bicker ende Gerard Schaep oudt-Burgemeesters. geoctroyeerden ende anderen ingezetenen. 2. 3. octroy verclaert moge worden noch voor dit jaer geprolongeert te zijn om midlerwyle. Compagnie zijnde. dat ze hier geen marckt zouden konnen houden: zoo is 't zelve geventileert ende nae omvraege goedtgevonden. dat geene ingezetenen oft vreemden zich van hier derwaerts zoude mogen begeven. by haer voor dezes geobtineert. maer oock eenighe jaeren daernae zouden mogen worden gecontinueert. die oock derwaerts zouden willen zeylen zal hebben te stellen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . dat het voorss. van het octroy in questie de resterende vier jaeren niet alleen. 29 Maart 1639. verboden zouden worden ofte zulx beswaert. te moogen zien hoe men't met de voorss. Gehoort zijnde 't advis van de Heeren Commissarissen opt verzoeck by die van de Noordsche Compagnie gedaen. 5. noch voor vier ofte ten lanxten zes jaere zullen mooghen bewillighen. 6. 8 Januari 1639.

) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. met de geoctroyeerden te bedingen. Burgemeesters hebben den Raede voorgedraeghen. 30 Augustus 1642. Op het gelijkluidende punt van beschrijving voor de 1) Hier zal men wel moeten lezen: ‘op zeekere conditien. Daarop werd besloten: In de continuacie van 't octroy der Noordsche off Groenlandsche Compagnie is 1) geconsenteert te bewilligen met de geoctroyeerde te bedingen . 10 Juni 1642. Deel 30 . 9. met haer te bedinghen.) Alsmede op het vernieuwen des octroys over de walvischvangst oft Groenlandtsche Compagnie oft anders daerin te doen ten meesten dienste van den lande. waerop mid tsdien gedelibereert zijnde. 5-7 Maart 1642.’ o (Zie N . is goedtgevonden van deser stede wegen daerin te consenteren ende dat op zekere conditien by deser stadt. 9. Onder de beschrijvingspunten voor de vergadering der Staten van Holland van 17 o Juni 1642 en volgende dagen komt voor als n 14: (Groenlandtsche oft Noordsche Compagnie. dat die van de Noordsche Compagnie van meyninge zijn te versoecken continuatie van haer octroy. by dewelcke resolutiën gepersysteert werde. alvooren consent daer in te draeghen.316 7. 8.

dat wel mochte voorvallen. Commissarissen de Heeren Dr. Wordt op een gelijkluidend punt van beschrijving besloten: Noordsche Compagnie. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 11. Schaep ende Pater. Deel 30 . by deez stadt alvooren haer consent te uyten met de geoctroyeerden te bedinghen. doordien er zoo groot een meenighte van schepen van allen kanten derwaerts gegaen is. om de stucken te examineeren ende rapport te doen. 27 Juni 1643. Vroedschap van Edam. 19 November 1642. 10. vergadering der Staten. Wordt op een gelijkluidend beschrijvingspunt besloten: Dewyle d'andere steden zeer veele preëminentien willen bedingen ende men niet weet. 4 December 1632.s. 12. c.317 a. alsmede op de twee daaraan voorafgaande punten wordt besloten: De Heeren Gedeputeerden worden ghelast de prolongatie van 't octroy der Oost-Indische Compagnie te vorderen. hoe 't met deselve schepen geloopen sal wezen. tot dat van de West-Indische Compagnie hun best te doen ende dat van de Noordsche Compagnie toe te staen op zeekere conditiën. hoe 't met de vangst dit jaer sal leggen. soo wordt goedtgevonden aff te wachten. Voorgestelt wesende.

14. Compagnie sal soecken te bedingen. de saecke by der handt te nemen. Deel 30 . indien men hier gesint soude wesen van dese jare na Groenlandt ter visscheryeneerringe te equipperen. ende dat in de vergaderinge van de Staten van dese provincie genoechsaem verstaen wort. indien zulcks gebeurt. by de Staten-Generael vergunt buyten kennisse van de Staten van Hollandt ende sonder approbatie van deselve.318 dat die van de Groenlantsche Compagnie versochten continuatie van heurluyder (octroy). Compagnie. alst doenlijck is. dat men metten eersten de preparaten wel soude eysschen te maecken. niet en mach bestaen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende dat men daertoe alle mogelijcke devoir ende vlijt sal aenwenden. bij eenparicheyt van alle de leden van de vroetschappe geresolveert ende goetgevonden. 13. dat onse gedeputeerden in de continuatie niet sullen consenteren voor dat ons van wegen onse ingesetenen toegestaen sal wesen seecker part in deselve compagnie mette directie ende aequippagie van dien. dat de continuatie vant octroy van de voors. dat men van stadtswegen soo veel in de voors. 6 Januari 1635. ende voor geen octroy en is te houden. Geproponeert wesende by Burgemeesteren. is daerop geresolveert. is achtervolgende de voorslach van Burgemeesteren. Nopende de Groenlantsche Compagnie. is noch geresolveert. welcke saecke int begin van de aenstaende vergaderinge sal dienen. 18 October 1634. dewyle onse stadt nopende de Groenlantsche Compagnie noch geen contentement gedaen en is.

in sulcke voegen als tzelve namaels by wettelijck octroy aen dese stede ofte d'ingesetenen van dien toegestaen soude mogen worden. quam te vercopen. des dat yeder gehouden sal wesen. sonder dat enige andere burgeren oft inge- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. van wegen de Staten van Hollant op de instantie van enige geinteresseerde steden wert gecontradiceert ende van geender waerden gehouden. Deel 30 . ende dat 't schip ofte schepen te gebruycken.319 ende dat tot dien eynde alle degene. Geproponeert sijnde by de heeren Burgemeesteren het versoeck by enige gequalificeerde burgers deser stede aan haer gedaen by occasie. Ende dat oversulcks de administratie ende bewint van de geseyde equipagie met allen aencleven van dien hier ter stede sal blyven. met dien verstande. 7 Maart 1635. hier affvaeren ende oock hier weder met haere ladinge aencomen sullen. al waert dat yemandt sijn actie aen enige vreemde op andere plaetsen wonende. tenderende tzelve versoeck. 15. dat het octroy van de Groenlantsche Compagnie is geëxpireert ende dat de continuatie van dien by de Staten-Generael vergunt sijnde. equipagie hier ter stede sal werden gedaen. die van meeninge is. octroy begrepen. dat de voors. in de voorseyde equippagie te participeren. ten eynde aen de versoeckers ende hare medeparticipanten gegunt soude worden de vryheyt ende gerechticheyt van alleen hier ter stede te mogen aequipperen ende toerusten totte visscherye ofte neringe van de walvischvangst aen ende omtrent Groenlant ende de custen ofte quartieren int voors. binnen veertien dagen inteeckeninge te laten doen van sijn capitael. sulx toegelaten sal werden. twelck hy daerinne sal willen herideren.

is geresolveert ende goetgevonden aen alle burgeren ende ingesetenen deser stede te notificeren. aequippagie sullen continueren ende geduyrende den tijt. sullen blyven behouden. gepraefigeerden tijt aen d'heeren Burgemeesteren sullen aengeven. gerestringeert soude mogen worden. Deel 30 . die hun binnen den voors. subject sullen sijn ende gehouden wesen datelijck int werck te treden om een schip ofte meer te aequipperen. die in de voors. in de voorgaende resolutie van date den sesten Januarii lestleden begrepen. gerechticheyt syl. ende dat van nu aff de voors. welcke voors. privative ende met exclusie van alle anderen burgeren ende ingesetenen alhier. aequippagie genomen ende op alles rypelijck gelet. 20 Januari 1640. voor so veel dese stede aengaet ende int vermogen van de vroetschappe is die te vergunnen. ende so spoedich als doenlijck is in see te brengen. midts sy de conditiën. daeraen de continuatie vant octroy voors. dat een yder. ende daerop gesien de resolutie voor desen aengaende de voors. tijt niet aengegeven hebbende.320 setenen alhier haer de voors. haer binnen den voors. op verlies van het effect van dese concessie. wert vergunt aen allen ende enen yegelijcken. ende langer niet. vryheyt ende gerechticheyt van de visscherye ende neringe. 16. binnen veertien dagen na de notificatie hen aen de heeren Burgemeesteren sal moeten aengeven op pene van daervan versteecken te sijn ende blyven. aequippagie begeert te participeren. In deliberatie geleyt sijnde tgeen Burgemeesteren voorgecomen is van wegen de Groenlantsche Com- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. visscherye ofte neringe dan souden mogen onderwinden. so lange sy in de voors.

321 pagnie hier ter slede. Den laatsten Februari 1616. 5 Mei 1616. Compagnie van nu aff tot Lichtmisse toe open te stellen voor alle andere burgeren om middelertijt te mogen verclaren hoe vele sy daerinne begeren te herederen. daertoe deselve Heeren Burgemeesteren een bequaeme persoon sullen bewegen. om opt spoedigste een tweede bewinthebber van de Groenlantsche Compagnie neffens Jan Symsz. oft men verstaet de voorgaende concessie dienaengaende te laten by de overige personen. die genegen sijn de visscherye ende walvischvangst te continueren. 't Stellen van een tweeden bewinthebber van de Groenlantsche Compagnie is uitgestelt tot op morgen. (Op 1 Maart is hierover niets genoteerd. 19. Is verhaelt 't gene by Burgemeesters gedaen is int Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende daerop nagesien wesende de resolutiën van den e sesten Januarii ende sevenden Martii des jaers 16 vijffendertich. oock andere burgers in deselve Compagnie ingelaten souden moeten worden. Deel 30 . dan oft vermidts de discontinuatie van deselve visscherye. d. is verstaen ende geresolveert de voors. 17.) 18. 8 April 1616. in plaetse van Gerrit Freecks. Is geresolveert en Burgemeesters sijn geauthoriseert. die vertrocken (is). Vroedschap van Enkhuizen.. Blauhulck te stellen. in den voorgaenden jare gevallen.

21. dat Meynert Thomasz. eer hy denselve Meynert Thomasz. dat hy eerst naer Amsterdam wilde schryven ende de saecke aldaer refereeren. te weten. dat yedereen. ten antwoorde hadde gegeven. dat Burgemeesters in dien gevalle geauthoriseert 1) werden om een ander bequaem persoon daertoe te bewegen . ende soe hy niet te bewegen is. dat de gecommitteerden deser stede dienaengaande als haer last voor resolutie sullen inbrengen. 3 April 1617. off nog 1) Deze autorisatie wordt 16 Mei d. nog eens bevestigd. wel in de continuatie te consenteeren. Buyskens. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 3 September 1616. die begeren sal. in deselve compagnie sal mogen participeeren. Deel 30 .a.v. ende was Jan Symsz. dat ditto Meynert Tomasz. alsnoch by Burgemeesteren tottet aennemen vant selve ampt sal versocht werden. 20. Verder is omvrage gedaen. te weten. Blauhulck daerop ontboden ende hem sulcx aengeseyt sijnde. Is voorts omgevraegt. off men de saecke van de Groenlantsche Compagnie alsnu sal afdoen.322 stuck van 't stellen van een tweeden bewinthebber van de Groenlantsche Compagnie ende hoe verre daerinne was geprocedeert. Is daerop geresolveert. daertoe serieuslijck versocht sijnde. doch met dien reserve. hem eyntelijk gelaten hadde gestelt. soe de Compagnie van visscherye der walvisschen om by Noorden continuatie van octroy versouckt. tot sijn compaignon maeckte.

Deel 30 . Daerop verstaen de saecke tot op Saterdage uut te stellen om alsdan aff te doen. ten eynde dat dievolgens uute selve vier twee by myne Heeren Burgemeesters tot bewinthebberen sullen werden gecoren. 23. omme te hebben last over 't genen ten lantdaghe wort verhandelt nopende de prolongatie van het octroy van de Groenlantsche Compagnie mitsgaders de combinatie van de Groote met de Cleine. dat acht of thien van de hoochste participanten in deselve compagnie by den anderen comen ende een dubbel getal van vieren uute selven nomineeren sullen. Naer lesen van de requeste. 28 February 1622. wat men doen sal int stuck van de Groenlantsche Compagnie. 7 December 1621. overgegeven by Wit en Exkens. is geresolveert. Op het aenschryven der gecommitteerden ter lantdaghe. 24. Verder omgevraagt. dat het octroy van de Noor- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. nopende 't stellen van bewinthebberen tot beleyt van deselve compagnie. 22.323 uutstellen. 8 April 1617. dat onse gedeputeerden in dier saecke sullen difficulteeren ende geen stemme openbaren. is naer omvraghe by meest alle stemmen geresolveert. inhoudende. ten ware men dese onse stadt neffens onser gebuirstede Hoorn gerieve (?) soo groote gedeelte als de steden van de Mase sullen gecryghen.

25. omme van dese stadts wege te becomen behoorlijck contentement nopens de pertense prolongatie van het octroy van de Noorder Compagnie. alsoo deselve prolongatie tegen de resolutie van Hollandt is geschiedt. ende dienvolgens alles daerveur te doen wat sy tot stadts dienste ende voordeel sullen bevinden te behooren. 9 September 1634. 2 Juli 1635. 26. Is vorder geresolveert. ende dat syluyden oversulcks geerne consent hadden omme alhier toeredinghe te doen tot de walvischvisscherye behoorend. Deel 30 . mitsgaders in gevalle dat meerder participanten bycomen sullen eenige by de Heeren Burgemeesters tot het bewint van dien den requestranten worden bygevoeght. onder voorwaerde. mede 't bewint van dien mogen hebben. dat de gedeputeerden gaende ter dachvaert sullen vorderen. 27. 20 September 1634. Nopens de continuatie van de Noordersche ofte Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.324 dersche Compagnie was voor een jaer geprolongeert. Over de praetense prolongatie van het octroy van de Noorder Compagnie ende omme behoorlijck contentement daervan te ontfangen is verstaen by de voorige resolutie te persisteeren. is by allen stemmen sulcks henluyden toegestaen voor dit jaer. dat een ieder vry sal staen daertoe mede te herideeren ende bybrengen een suffisant capitael.

dat daerinne de oude resolutiën gevolght sullen worden. wort gelaten bij 't voorgaende 30. 28. van de Noortsche Compagnie. daarover te schrijven. 6 September 1642. sullen d'advysen gehoort ende. e 1) Op het 14 beschrijvingspunt voor de a. 8). overgegeven worden. ist doenlijck. Op een gelijkluidend beschrijvingspunt besloten: e Het 12 . Inmiddels was naar aanleiding van het genoemde beschrijvingspunt den 22en November 1642 besloten. Over het versouck van de continuatie der Noordersche Compagnie is verstaen. vergadering der Staten van Holland wordt besloten: e Het 14 . ende (?) ten behoeve van de gantsche burgerije gesorght. 29.s. octroy van de Noortsche Compagnie beroerende. 1) Het punt van beschrijving is hiervoor afgedrukt bij de stukken uit het Amsterdamsch Archief 2) (n . het octroy. o Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ist noot. binnen de provintie van Hollandt te houden ende ten behouve van de gemeene burgerye te brengen. 2) 28 Februari 1643 .325 Groenlantsche Compagnie is verstaen. Deel 30 . 7 Juni 1642. zonder dat echter blijkt aan wien.

't welck geleyt (?) in deliberatie is goet gevonden ende geresolveert. off men eenige ende wien men zal verzoucken om te wesen bewinthebberen van de nieuwe voorgenomen compagnie van Spitsbergen ofte walvischvangste. alsoo deselve traffijcke van goede apparentie ende dienstich voor dese quartieren geoordeelt wert te wesen. ende geseyt wert. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat by provisie Burgemeesteren billetten zullen mogen aenslaen ende als bewinthebberen de name van de participanten aenteckenen (?). Den laatsten Februarii 1614. Vroedschap van Hoorn. dat by de stede van de Mase zeer wert gearbeyt om een vierdepaert in deselve equipagie te mogen hebben. 32. die binnen seeckere tijdt haer souden willen bekent maeken om daerinne te participeeren ende dat oock de andere zeesteden contentement soude moeten worden gedaen.M. dat men metten eerste die van Enchuysen sal beschryven omme met haer een eenparige voet te ramen ten eynde onse stede en de stede van Enchuysen elck mede een achte paert soude mogen hebben in deselve equipagie. 31. In deliberatie gestelt zijnde. Heeren Staten aen zeekeren coopluyden van Amsterdam octroy is verleent voor eenige jaren. Deel 30 . Alsoo men verstaet. mits dat deselve coopluyden in hare compangie souden moeten admitteeren alle degeene. is verstaen. omme te mogen bevaren de custe van Spitsbergen. Groenlandt ende andere plaetsen daeromtrent. om walvisschen te vangen ende anderssints hare negotie drijven. dat by de E. 7 Februari 1614.326 e.

zijn mits desen gecommitteert om te ontbieden eenige coopluyden. 34. schepenen. ten eynde Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. schippers en andere personen. die men verstaet vry te moeten blyven voor alle degenen. Marcus de la Palma. 36. hem verstaende de handelinge op Noorwegen en Oostlandt. een van de secretarissen. Burgemeester. 1 September 1642.s. Olivier Corbault en Jan Jolijt. e Op het 14 beschrijvingspunt voor de Statenvergadering van 17 Juni 1642 wordt besloten: Autorisatie om de besoignes by te wonen. 18 November 1642. doch niet over de see. die deselve sullen willen frequenteeren. Op een gelijkluidend beschrijvingspunt voor de a. Jacob de Waert.327 33. Deel 30 . 27 April 1614. Johan Vet en Adriaen Joossen. Statenvergadering wordt ‘autorisatie’ gegeven. 't sy mondeling. raeden. te letten op stadts gerechtigheden ende van alles te refeeren. Wordt op een gelijkluidend beschrijvingspunt besloten: Autorisatie. 't sy by missive. 35. 't best connende vaceeren. f. onder behoorlijk contentement van onse camer ende mitte de seclusie uyt crachte van octroy niet verder gaende dan over de landen by de gewesden compagnie geoccupeert. Wet en raad van Middelburg.

Vroedschap van Rotterdam. gedaen ende geresolveert te worden als naer behoren. van alles 't selve rapport gedaen zijnde. daarby octrooy versogt werdt tot de vaart op de Noordkusten ende het visschen van de walvisschen aldaar is gestelt in handen van de Gecommitteerde Raaden. 3 Februari 1635. 28 November 1616. Deel 30 . g. Burgemeesteren en vroedschap van Monnikendam. Edam ende Medemblick als daertegen opposerende steden sullen sterck maken ende trachten voor te comen. h.328 om te sien. 38. Dat de requeste van de coopluyden van Amsterdam. dat de continuatie geen voortgang sal nemen. dat wy ons met die van Enckhuysen. ten ware wy daer mede in gecombineert werden. Aangaande het versoek van de compagnie op het Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 39. hoe onse gedeputeerde ter dachvaert gaende haer sullen hebben te dragen in de sake van de Groenlantsche Compagnie. 37. 19 Januari 1614. Vorder is voorgestelt. oft men niet en soude connen alhier oprichten seeckere compagnie van de Oostersche en Noordersche vaert omme. daervan de Heeren Staten-Generael 't octroy buyten consent van de Staten van Hollandt ende West-Vrieslant hadden gecontinueert voor acht jaren. Is daerop verstaen.

compagnie zoo korten tijd behoort te verlengen als doenelijk sal wesen. Deel 30 . Noopende de continuatie van 't octroy van de Groenlandse Compagnie wert verstaan. dogh met soodanige ordre gereguleert. Eindelijk mede gerapporteerd sijnde. ende soo hetselve niet wel kan worden te weege gebragt. die hen soude(n) willen 't onregt beschaadigen. 40. dat meest alle de leden scheenen te inclineeren om het octroy van het walvischvangen voor drie off vier jaeren nogh te verlengen. dat daarinne niet soude begreepen wesen het nieuwe questieuse 1) gevonden eylandt .l. dat sal werden gelet. dat van gelijken de handt daaraan sal werden gehouden ende daarbeneevens. 41. 1) N. dat men alsdan het octroy aan de voorsz. behoudelijk. dat de stad van Rotterdam in dezelve compagnie werde gestelt in proportie met de andere steeden van Hollandt. sijn deser steede gedeputeerde gelast daarinne mede te moogen consenteeren. 24 December 1616. dat de visschers versekert mogen gaan tegens alle diegeene. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. den tijt van vier jaaren. Jan Mayen-eiland. dat men deselve vissery behoord te stellen in vryheit.329 vangen van de walvisschen. Dat het octroy van de visscherye op de walvisschen geprolongeert is. 42. 19 December 1616. 23 Juni 1642.

mette welcke wy dyenaengaende mochten communiceren. 1) Bij dezen eersten brief geef ik adres. 13 Juli 1643.E. seer voorsienige sijt Gode bevolen. sien. Deel 30 . discrete.E. Ter ordonnantie van de Gecommitteerde Raden van de Staten van Zeelandt. morgen ten thien uren eenige hare gedeputeerden ons toeseynden.) 1) Eersame. de continuatie van het Groenlandse octroy te bevorderen. Statenvergadering wordt besloten: e Op 't 15 point.330 43. i. discrete. waerop alsoo metten eersten oirboir is dat werde gerescribeert. 44. Hiermede Eersame. (get. wat deselve adviseren nopende de esquippage op den walvischvanck. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. aanhef en onderschrift volledig. Burgemeesters en Schepenen van Veere. bij de latere kort ik deze zooveel mogelijk af.s. 24 Februari 1617. Boreel. dient dese ten fyne U. By den medegaenden extracte uytte missive van de gedeputeerden in Den Hage sullen U. Uyt Middelburg den XXIIII February 1617. (Schrijven van Gecommitteerde Raden van Zeeland. e Op het 15 punt van den beschrijvingsbrief voor de a. seer voorsienige Heeren . wyse. wyse.) J.

met bewilliginge van Uwe Ed. 27 Februari 1617. om met de andere aff te handelen van den nombre.dat metten eersten twee ofte drye van wegen de negotianten uyt Zeelant herwaerts werden gecommitteert. die hier sullen mogen commen belieft ons te preadviseren twee oft drye dagen van haere comste. 45. wy sullen debvoir doen ten eynde zyl(ieden) de gecommitteerde van Hollandt hier gereet vinden.331 (Adres:) Eersame. Indien het dengenen. wyse. Mo. wy hebben gesproken met degene. date den XVIII Februarii 1617: Wat belangt de portie in den walvischvangh. diewelcke met ons het expedienste vinden. dewelcke d'ingezetenen van den lande van Zeelant in de esquippage soude werden toegestaen. Heeren Staten-Generael in 's-Gravenhage. die men voor de aenstaende teelt sal uytreeden. die hier doen de saecken van de Hollantsche trafficquanten in die negotie.onder correctie van Uwe Ed. Deel 30 . discrete seer voorsienige Heeren Burgemeesteren. Den pensionaris heeft rapport gedaen achtervolgende Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. in onse bywezen. (Bijlage. daervan Myne Heeren van den rade begeeren by haere missive van den XIIII deser maent onderricht te werden. Schepenen ende Raden der stede Veere. qualiteyt ende quantiteyt van de schepen.) Extract uyt seker missive van de Heeren gedeputeerde van Zeelant ter vergaderinge van de Ho. . Mo. in welcke vergaderinge over het contingent van esquippaige mede sal connen werden verdragen. Mo. ..

Den pensionaris is gecommitteert om by die van den Rade van Zeelant te bevoorderen de repar(ti)tie over de lasten. ende by zooverre nyemant uyt het voors. Den pensionaris voor dezen rapport gedaen hebbende nopende de bovengemelde Groenlantsvaert hebben Burgemeesters ende Schepenen goetgevonden ende geordonneert. 18 December 1617. midtsgaders eenige gecommitteerde van de coopluyden derzelver drye steden. 47. datter gedeputeerde van de coopluyden uyt de respective drye steden Donderdage toecommende naer Den Hage sullen reysen om aldaer met de gedeputeerde van de compagnie in Hollant op alles naerder te delibereren ende adviseren ende daernaer rapport te doen. dat een yder uyt het collegie van Weth ende Raedt. ende onder ander. collegie hen en openbaerde. die in de voors. ende 't gene van den octroye en de verdeelinge van de compagnie voorder dependeert. 27 November 1617. hem zal bekent maken binnen desen loopenden jare 1617. dat goetgevonden is. nopende het uytreden ende vangen van de walvisschen omtrent Nova Zembla. Deel 30 . 46.332 de commissie by 't volle collegie van die van der Weth op Zaterdage voorleden hem gegeven. dat alsdan een ofte twee uyt de borgerie dezer stede de plaetse Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. van zijn gebesoigneerde by de Heeren van den Rade tot Middelburgh met de gedeputeerde van de andere steden van Walcheren. de provincie van Zeelandt in de compagnie van de Groenlantsvaert vergunt. voyage begeert te participeren.

) J. E. (w.g. welcken voorn(oemden) tijt geëxpireert sijnde en sal nyemant meer in de compagnie geadmitteert werden. Hiermede. 48. dient dese ten fyne Uw. sien. Alsoo wy met Uwe E... welcken volgende ende in conformiteyt van 't afscheyt den en 4 deser genomen. hebben te communniceren aengaende de equippaige op den walvischvanck voor den aenstaende jaere 1618. enz. zal daerover de clachte gedaen ende de dispositie blyven aen Burgemeesteren ende Schepenen. yder met een capitael naer advenant d'andere uitreeders. Ende off daer eenige zwaricheyt opt aennemen van de voors. eenige en hunne gedeputeerde by ons vervoegen tegen Donderdage. 49. alsoo nu staet te letten op de particuliere repartitie binnen dese pro- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Eersame enz. 16 Januari 1618. Eersame enz. Schrijven van Gecommitteerde Raden van Zeeland. Deel 30 .. Boreel. persoonen wierde gemaect. wesende den 4 Januarii naestcommende. in welcker voegen men in Hollant is verdragen op de verdeylinge van de quartieren ende equippage van den walvischvanck voor den loopenden jare 1618.333 sal werden vergunt. 28 December 1617. Schrijven van dezelfden. By medegaende extract uyt de missiefe van de Heeren gedeputeerden in 's Gravenhage sullen Uw E.

omme met comoditeyt ende vruchtbaerlick te besoigneren. hoevele schepen zij naar het Noorden wilde zenden. hare gedeputeerde voor ons laten verschynen Vrydage naestcomende. welck getal zijlieden sullen mogen vermeerderen 1) tot vijfftien schepen . Vlissingen ende Vere. Tot antwoorde ofte bericht op het schryven van mijn Heeren van den en Rade van date den 4 Januarii sal dienen. althans in 1634. dewelcke de voors. ende die van Hollandt ses schepen van gelijcke grootte. dat iedere kamer voor de walvischvangst zou moeten of mogen uitrusten doch aan de kamers overliet. cit. omme 't welcke te doen 't saisoen is presserende.334 vintie ende 't gene meer van 't regelement van de toerustinge voor desen jare sal bevonden worden te dependeren. Hiermede enz. vrouch voor noene. In de hier afgedrukte overeenkomst tusschen de Hollandsche en Zeeuwsche kamers wordt echter alleen het aantal schepen verdeeld. geaccordeert is. (Bijlage. Inderdaad schijnt uit het bij Zorgdrager afgedrukte contract met de Friezen te volgen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.) Edele etc. (w. met de quote eener kamer in bepaalde evenredigheid stond het aantal door haar te bemannen sloepen. te weten uytter steden van Middelburgh. sulcx dat.) J. Deel 30 . Boreel. wesende den 19 deser. mag men aannemen. latende vooralsnu ongedisputeert de quote ofte repartitie. Muller deelt mede (op. eergisteren verdragen sijn mette cameren van Hollandt op de aenstaende esquippage van den walvischvanck voor den aenstaenden teelt. die hier nu sijn. bldz. over het aantal sloepen niet gesproken. gecommitteerden uyt Zeelandt instineren. dient dese ten fyne Uw E. In den aanvang. dat die van Zeelandt voor dit jaer sullen moeten esquipperen vijff schepen van hondert lasten ofte daeromtrent. dat het hem niet onwaarschijnlijk voorkomt. 103 noot 1). dat hen behoort te volgen. dat.g. dat de Compagnie op hare vergaderingen slechts het aantal sloepen bepaalde. ging het dus juist andersom als later geschiedde: het aantal schepen wordt bepaald. op de verbeurte van dertich duysent gulden soo 1) Mr. dat de gecommitteerden van reeders op den walvischvanck uyt Zeelandt. Mijn Heeren.

dat de Heeren Staten-Generael believen sal te vergunnen twee schepen van oorloge aen de gemeene compagnie. De gecommitteerden uyt Holland hebben uytdruckelijck tot verscheyden reysen verclaert. staende te hopen. alsoo het besloten werdt met noch een acte. thoonende hen genegen aen de esquippagie op het eene ende andere quartier zoo cleyne te sullen aenleggen als het hen sal mogel(ijck) wesen. werdt daartoe jegenwoordel(ijck) vervolgh gedaen. met noch eenige andere conditiën 't samen in een accordt vervaet. ende dat zy onderlinge noch nyet en hebben verdragen.335 d'eene partije gebreckig blijft de vijffve ende d'andere de zesse uyt te maecken. welck accordt. Deel 30 . Tegen de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de aenstaende tsamencomste van de Heeren gedeputeerden uytte collegien ter admiraliteyt de resolutie sal advanceeren. hoevele schepen zyluyden sullen uytmaecken in de gemeene compagnie. ende by lotinge den Hollanderen drye ende den Zeelanderen eenen aengecavelt. Ende dat voorts de bayen in Spitsbergen in vier partyen sullen werden gestelt. nochte oock om te visschen onder Jan Meyen Eylandt. dat sylieden alsnoch nergens eenige esquippage hebben aengevanghen. dat hetzelve is aengegaen op goet vertrouwen ende vaste hope.

compagniën voor te brengen. visscherie van de walvischvanck twee schepen. Deel 30 . begeerende eerst vast te gaen in hetgene de toecommende esquippage betreffende. debatten ende contredebatten eyndelinge geaccordeert ende beslooten is. 29 Januari 1618. compagnie zouden mogen commen ofte nyet. mede in de voors. dan de interesseerde van Vlissingen houden hen tot noch toe in. dat voor desen jare 1618 in de stat van Middelburgh uytgereet sullen worden totte voors. 50. Den pensionaris heeft rapport gedaen van zijn wedervaren ende (het) gebesoigneerde by die van den Rade tot Middelburg neffens de gedeputeerde der steden Middelburg. ende Vlissingen. blivende ongedecideert de questie off de steden. heeft: ‘remonstranten’. hun nyet bekent gemaect hebbende opt schryven van de Heeren van den Rade uyt last van de Heeren Staten van Zeelant te willen medeparticeperen in de uytreedinghe totten walvischvanck. yeder van hondert lasten ofte daeromtrent. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Hiermede enz. geëquipeert ende voorders gereguleert als by particulier contracte daervan is geordonneert.336 1) remonstrantien van Sr. Pieter Courten in den voorwinter overgegeven tegen de Hollantsche compagnie sijn deselve gereet met eene antwoorde. ingel(ijks) twee schepen van de stat van Vlissingen ende een binnen der stede van der Vere. dat naer voorgaende presentatiën. 1) Het HS. haere clachten tegen die voorsch. dat.

(w. dat zy verstaen. dat voor ditmael ende 1) Haar uitsluitend vischrecht bij Jan Mayen-eiland ontleende de Noordsche Compagnie niet aan het haar in 1614 verleende octrooi. haar als ontdekster van dit eiland door de Staten-Generaal afzonderlijk verleend. haer toerustingen op den walvischvanck . van des voors. is te adverteren. die ook na hunne opneming niet aan de visscherij bij Jan Mayen-eiland mochten deelnemen. Deel 30 .daerna mochten aenstellen. ten fyne U.337 51. wanneer dit privilege der Compagnie afliep. 18 Februari 1620.voor soovele des aen desen is clevende . dat het jaer 1618 is het eerste jaer van die consessie. 1) (Schrijven van Gecommitteerde Raden van Zeeland . Wy hebben becommen antwoorde op het schryven van wege de Heeren Staten gedepescheert. Hiermede enz.) J. verclaeren.) Eersame enz. (Vgl. hadden er dus groot belang bij met zekerheid te weten. Die Staten-Generael der Vereenichde Nederlanden. geleth hebbende opt inhouden van deser requeste. omme te ondervinden hoe lange mochte duyren het octroy den ontdeckeren van Jan Meyen-eylandt verleent.E. Muller 324 e. doch aan een ander octrooi. De Zeeuwsche kamers. Ende alsoo wy daerby werden onderricht.) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Boreel. Bijlage. Daar dit laatste octrooi was vastgesteld met medewerking der Staten van Zeeland konden de Zeeuwen het niet in den wind slaan.v.g. dient desen omme U. gelijk zij het octrooi van 1614 deden.E.

ende als gelegen in de limiten van't selve octroy. geoctroyeerde compagnie tot gemeen proffijt ende schade sonder prejudicie ende nadeel van de gemoveerde ende geïntenteerde processen. ende dat oversulcx 't voors. die daervan sal triumpheren.338 dese reyse alleene het eylandt in questie tusschen partyen werdt gehouden voor begrepen in het eerste octroy aen de remonstranten verleent. omme daerinne recht ende justitie t'administreren. der kamer Middelburg. uytte meriten van de saecke in goede consientie sullen bevinden te behooren. in deze resolutie genoemd. gelijck Haere Ho. eylandt sal werden beseylt ende aldaer gevischt van wegen de voors. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. geweest zijnde in communicatie met Sr. het octroy daertoe staende sal genyeten ende proffyteren den tijt van vier jaeren. Over deze onderhandelingen is mij verder niets bekend. Deel 30 . verstaende. innegaende het toecommende jaar 1618 voor het eerste jaer van deselve vier jaeren. Gedaen ter vergaderinghe aan de Hooghgemelte Heeren Staten-Generaal op en den 16 Meerte anno 1617. dat de partye. 1 Mei 1623. Mo. welcke processen Haere Ho. 1) Den Burgemeester Barentzen. 52. is blijkbaar de vertegenwoordiger. Courte ende daernaer met 1) Sinjeur Courten. Blijkbaar is tusschen de drie Zeeuwsche kamers onderhandeld over een nadere overeenkomst. ordonneren dat gestelt sullen werden in handen van den Hoogen Rade van Hollandt. waardoor ook zij zich nauwer aaneen zouden sluiten. zoo niet de eenige bewindhebber. doch hebben deze onderhandelingen tot geen resultaat geleid.

Zij spreken thans Nicolaes Kyen. De eischers komen nu met een nieuwen eisch en vragen ook vergoeding van interessen sedert de levering van het bier. die elck van de Groenlantvaerders zoude mogen medevoeren. dat hen niet werd betaald. met anderen. Deel 30 . weduwe van Jan Jacobsz. doch ontkennen de hoofdelijke aansprakelijkheid. Maria Cornelisdr. Gerrit Jansz. van der Dussen hadden in 1616 en 1617 aan de Kleine Noordsche Compagnie bier geleverd. Adriaen Jacobsz. Het Hof beveelt de gedaagden met de betaling van de door hen aangeboden gelden te beginnen en schort zijn eindvonnis op. doch alsoo zyl. Mus. I.. te mainteneren.339 eenige van die van Vlissingen. Courte bescheyden waren. mitsgaders de kinderen van den inmiddels overleden Nicasius Kyen. dat de gedaagden veroordeeld zullen worden tot hoofdelijke betaling der verschuldigde som. nyet wel en conden overeencommen is goetgevonden de statsgerechticheyt ten aensiene van de equipage. die onder henluyden int particulier was gedaen. Sententiën. van der Eyck. van Adrichem en Bruyn Dircksz. bewindhebbers dier Compagnie waren. die mede tot Sr. die destijds. De gedaagden bieden aan. doch nyet gecommen. die Nicolaes Zwancke met de zyne is doende uyt de haven alhier. ieder ¼ te betalen. om betaling aan en eischen. II. die op dat tijdstip eveneens bewindhebber was. nopende de verdeelinge van de oxhoofden. Het Hof staat toe. dat de oorspronkelijke eisch met Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

tusschen d'erffgenamen van wylen Gerrit Janss. ieder der gedaagden wordt tot betaling van het door hem aangeboden vierdepart veroordeeld. wijst echter bij eindvonnis slechts rente toe sedert den dag der litis-contestatie. aengenomen hebbende d'arrementen van processe by denzelven Van der Eyck te 1) vooren geintenteert . ‘waerby. zoo hij procedeert gedaechde. Deel 30 . als een van de partyen contendenten. commissaris van de vivres. indien den procureur gestorven is.340 deze nadere pretentie wordt uitgebreid. dat sijn wederpartye. ende Nicolaes Kijn. 1) Het verzoek ‘om de arrementen van een proces aen te nemen’ wordt door Willem de Groot (‘Inleyding tot de practijck van den Hove van Holland’. of van de respective procureurs. coopluyden. in zijn leven burgemeester der stadt Delff. 108) gedefinieerd als het verzoek. D'Erffgenamen van wylen Gerrit Jansz. mitsgaders Maria Cornelisdr. t'samen kinderen van wylen Nicasius Kijn. impetranten in rauactie ter eenre. in zijn leven mede commissaris van de vivres. ghedwonghen werden het overblijfsel van het proces aen te nemen ende verders daerinne te procederen. ofte soo de partye gestorven is. wonende aldair. Ook de solidaire aansprakelijkheid wordt niet aangenomen. mitsgaders Adriaen Jacobsz. degene die het proces vorderen wilt versoeckt. van der Dussen. desselfs erfgenamen. impetranten ende Nicolaes Kijn. van der Eyck. van Adrichem ende Bruyn Dircxs. voor hem zelven ende als oppervoocht ende als procuratie hebbende van de medevoochden van syne onmondige zusters. gedaechde ter andere zyde. hangende den processe gestorven is. In der saecke hangende voor den Hove van Hollant. weduwe wylen Jan Jacobs.’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. blz. van der Eyck. Mus.

een van de impetranten. te 40 grooten t'stuk. Leversteyn. suyvers bedragende ter somme van 987 gulden 8 st. bouckhouderschap by de Compagnie was opgeseyt. guldens. Deel 30 . van der Maede. voor de somme van 201 gulden. Aelbrecht Henricxs. Aelbrecht Henricxs. Nattevelt ende bouchouder van de voors. in welcke voors. Compagnie gelevert. eerst denzelven Leversteyn ende daernair. Bruyn Dircxs. burgemeester van der Eyck. van Adrichem. somme aengereeckent. was d'voorn. wesende als bouckhouder van de voors. dat zy in de jaeren 1616 ende 1617 aen de Cleyne Noortsche off Groenlantsche Compagnie geleverd hadden zeeckere groote quantiteyt van bieren. Compagnie gestelt. Compaignie in dyer tyden neffens Dirck Adriaensz. van der Dussen affgeslagen. dat hem Leversteyn de voors. mitsgaders oock de andere impetranten ongeraden ende ongelegen was den voors. ende van hem versocht betalinge van de bieren aen de voors. nademael denselven Nattevelt seyde. te weten de voorn. Leversteyn voor de betalinge Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.341 Allegerende de voors. ende Bruyn Dircxs. gedaechden. was in de reeckeninghe van den jare 1617. naedat hem Leversteyn tvoors. wesende oock mede een van de reeders. van der Dussen ter somme van 273 car. Adriaen Jacobss. doch hadde denzelven Nattevelt den voorn. gegaen by den voors. ter somme van 513 guldens 8 st. van der Dussen. van der Dussen. Leversteyn ende andere bewinthebbers waeren geweest de voors. Compagnie. zeggende dat hy zich moste addresseren aen de voorn. impetranten. ende alsoo sy impetranten van haer deuchdelijcke achterwesen nyet en wierden gecontenteert. Nattevelt ende Adriaen Claess. Dan alsoo de voors.

gedaechdens 1) 2) M. dat daardoor: ‘alderhande actiën ende alle remediën nae rechten competerende in de rechtsvorderingh begrepen ende inbedonghen schijnen te werden. hadden de gedaechden vuyt crachte vandyen gedaen dachvaerden tot seeckere dage voor denzelven Hove. ende op hair deuchdelijck ende well gefundeert te kennen geven geimpetreert hebbende mandament in rauactie. nyet en konden geraecken. maeckende eysch van costen. als met hem in 't particulier nyet hebbende gecontracteert. die haer bouckhouders hadde gestelt.. Compagnie. ofte tot anderen fynen ende 2) conclusie. sijnde’. ende by provisie.. cit.’ Den eischers kwam dit ten goede.s. dat de voorn.342 te interpelleren. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. had volgens De Groot op. schult zouden kennen ofte ontkennen ende de auctentijcke extracten vuyte byeroff 1) brouboecken . tot namptisatie vandyen. t'sy van d'een of d'ander. dat sy met genoegen tot betalinge van hair voors. achterwesen. syen affirmeren by eede. gedaechdens d'voors. blz. van hun impetranten respective dairvan gehouden. dan sy impetranten ziende. maer alleen gesyen ende regardt genomen hadden op de voors. Leversteyn alleen. hen inpetranten oirbaerlijck sijnde . concluderende ten dage dienende. aen hen impetranten respective op te leggen ende te betalen. broukoecken. ende dyenvolgende elcx in solidum gecondemneert souden werden de voors. Deel 30 . 987 guldens 8 st. toen zij later boven de hoofdsom der schuld ook rente eischten. De bijvoeging der woorden: ‘ofte. waeren genootsaect geweest haer te addresseren aen desen Hove. ende nyet op den voorn. waarjegens van wegen de voorn. mits d'een betalende d'ander gevrijt soude sijn. 57 het gevolg. was de zaecke ondertusschen alsoo eenigen tijt blyven staen.

namentlijck een vyerde paert. te zullen voldoen. te meer alsoo sy gedaechden noyt onwillich waeren geweest heur contingent int gene d'selve impetranten seyden gelevert te hebben te voldoen. gelijck oick mede dyenvolgende nyet waer en was. omme de voors. maer dat sy gedaechden off yemant van henlieden ofte van de andere participanten van de voors. concludeerden tot vorder nyet ontfanckelijck. antwoordende. geleverde waeren (zoo veel als d'selve zouden mogen wesen) te beneficieren nair behooren. Deel 30 . ofte aen degeenen. dat de voors. van dat sy te raeden waeren elcx heure contingente portie. d'impetranten elcx in solidum belooft souden hebben. Echter alsoo sy impetranten hen vervordert hadden van hen gedaechden in judicio te eysschen in solidum betalinge van t'gene dat sy seyden verstrect te hebben. dat was nyet waer. dewelcke in de voors. 't scheen well waer te sijn. die zy respective souden mogen gelevert hebben. impetranten heurluyden vorderen eysch ende conclusie Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat zy gedaechden elcx in solidum gehouden waeren d'impetranten van hemlieden pretense achterwesen te voldoen. dat sylieden mede participeerden in seeckere toerustinge.343 geallegeert es geweest. ende by refuys vandyen. derhalven d'selve impetranten met gene redene ofte fundamenten gedaechden hadden betrocken voor desen Hove. die gevallen was op zeecker eylandt gelegen in de Noortzee. toerustinge. zoo hadden sy gedaechden mede nochmael in judicio presentatie gedaen. ende by ordine. te betalen. toerustinge hadden geheredeert. diewelcke gecommitteert was geweest. dat de voors. impetranten respective eenige waren hadden gelevert aen degeenen. sustinerende daermede te mogen volstaen. ende dat ten fyne omme aldair walvisschen te vangen. de waeren.

ende naerdat van wegen d'voors. heeft ‘exceptie’. maeckende mede eysch van costen ofte tot anderen fynen ende conclusie hen gedaechden oirbaerlijcxt sijnde. Deel 30 . somme van 987 gulden 8 st. gedaechdens gepersisteert was voor duplijcke. gedaen presentatie te namptiseren in handen van de voorn. daerom gepleyt werdt. cit. hetgeen de zin onverstaanbaar maakt. surcherende nyettemin d'executie van t'selve namptisatie den tijt van 3) zes weecken. impetranten.) MS. den eysscher onder borgtocht ter hand te stellen. ende daervan. voor het geval dit bevel niet werd opgevolgd. persisteerden voor replijcke.344 mitsgaders versochte provisie zoude werden ontseyt. dat namentlijck den gedaegde sal werden gecondemneert by provisie aen den impetrant de geeyschte penningen te namtiseeren. 1) 2) 3) ‘Men is oock wel dickmaels gewoon in de conclusie te versoecken condemnatie provisioneel. mits stellende cautie de restituendo. D. impetranten elcx een vyerde paert van de voors. (Ibidem 141. jegens welcken antwoorde d'voors. te dienen onder denzelven Hove. parthyen geordonneert de saecke ten penale te beschryven by memorien ende advertissementen van rechten. onder cautie souffisant de restituendo. totdat de saecke by eyndelijcke vonnisse afgedaen wert’.i. 54) ‘Namptiseren is eenige penningen. onder bedreiging met boete. (W. hadde t'voors. zoo ten penale als by hunluyden versochte provisie. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. indyen naermaels bevonden werde sulcx te 2) behooren. de Groot op. mitsgaders andere alsulcke stucken ende munimenten als elcx van henluyden believen souden te exhiberen. ende voorts d'voors. Hoff d'selve gedaechdens gecondemneert. in desen geeyscht. refuserende de voors. indien sulcx van volkomen kennisse van saeken soude moghen bevonden werden te behooren’. volgende heurluyden 1) voors. presentatie van de gedaechdens.

daerby zy impetranten zouden werden gereleveert van dat zy hadden naergelaten gehadt d'voors. 109. omme t'selve alsnoch te mogen doen. ofte tot anderen fynen ende conclusie hem impetranten oirbaerlijcxt zijnde. welcke voors. parthyen zulcx achtervolcht zijnde. gerechticht waeren.) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende geadmitteert. bieren tot de volle ende effectuele betalinge toe. conclusie te mogen amplieren. zy impetranten denzelven Hove behoorlijck doende presenteren concludeerden ten interinemente van dyen naer haire forme enne innehouden. ende henluyden tselve grootelijcx soude obsteren. requeste civile. so sy sustineerden. dat zy naergelaten hadden te eysschen de interesten tegens den penninck 16 van de drye respective geeyschte sommen van de penningen. ende dairop alvooren recht te mogen versoucken ende by ordine ten minsten à tempore litis motiae(!) mede tot de volle betalinge toe. maeckende mede eysch van costen van dien incidente. Deel 30 . maeckende mede eysch van costen van desen incidente. te reeckenen van den tijt van de leverantie van de voors. requeste civile met committimus aen desen Hove adresserende. ten ware zyluyden daervan wierden gereleveert. dairtoe zy nochtans. ende dairmede haire voors. alsoo d'voors. bij ons requeste civile om de conclusie te amplieren ofte altereeren’. als vooren. cit. daervan kan de correctie bij relief versocht werden. gerequireerden concludeerden tot rejectie van de voors. hadden t'selve de Hoghe Overheyt te kennen gegeven 1) ende versocht requeste civile . waerjegens de voors. (De Groot op. impetranten in het naerder resumeren van de stucken bevonden.345 'twelck by de voorn. interessen te eysschen. 1) ‘Indien een advocaet in zijn conclusie van eysch ofte antwoort yet heeft geomitteert. als incivijl.

Deel 30 . Waerjegens de gedaechden antwoordende conclu- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. waeren gelevert. omme int visiteren van dyen daerop zulck regardt genomen te werden als behooren zoude. conclusie. parthyen ter ordonnantie van den Hove acten van dyer dingtalen gemaect ende diezelfde mette voors. dat d'selve interesten hen impetranten ten minsten geadjudiceert souden werden à tempore litis motiae(!) beyde ter voller ende effectueler betalinge toe. Ende naerdat van wegen de gerequireerden gepersisteert was voor duplijcke. amplierende vuyt crachte van deselve speciale admissie heurluyden voors. waervuyt de respective schulden gesproten. concludeerden. ende de voors. gedaechdens gecondemneert zouden werden. ende 't proces daerop by den Hove gesyen sijnde. impetranten. te reeckenen van dyen tijt aff. daerinne ende hiervooren vermelt. zoo hebben de voors. dat de bieren.346 jegens welcke antwoorde de voors. ende de gedaechdens geordonneert daerjegens t'antwoorden. dat d'voorn. respective somme. ende geadmitteert d'selve alsnoch te moghen eysschen. soo es by denselven Hove de voors. requeste civile gevoucht by den processe. requiranten persisteerden voor replijcke by heurluyden versochte interinementen. hiervooren ende in den processe breder gementionneert. requeste civile geinterineert ende dyenvolgende de impetranten by interlocutoire sententie gereleveert van dat zy naergelaten hebben gehadt d'interesten. daerop alvooren recht versouckende ende by ordine. te eysschen. omme daernair voorts in der saecke gedisponeert te werden als naer behoorende. hen impetranten oirbaerlijcxt sijnde. ofte tot anderen fynen ende conclusie. aen hen impetranten te betalen d'interesten jegens den penninck 16 van de voors.

. als behooren soude. geamplieerde conclusie ende van wegen de gedaechden daertegens gepersisteert was voor duplijcke. Deel 30 . maeckende insgelijcx eysch van costen als boven. Hoff. daervan mede acte gemaeckt ende gevoucht by den processe. als elcx een vyerde paert van de somme van 987 guldens 8 st. van der Eyck de somme van 201 gulden. Zeelant ende Vrieslant. van Adrichem 513 gulden 8 st. jegens den penninck 16. dat d'impetranten heurluyder voors. Gerrit Jans. Gedaen in den Hage. met rype deliberatie van rade deurgesyen ende overgewogen hebbende alle t'gene ter materie dienende is. geamplieerde conclusie zoude werden ontseyt. van der Dussen 273 gulden metten intereste van deselve respective vyerdepaerten. parthyen. gedaechdens aen de impetranten op te leggen ende te betalen heurluyden gedaechdens contingente portien. volgende den last van den Hove. ende by Bruyn Dircxs. by mrs. Ende naerdat van wegen d'impetranten voor replijcke by heurluyder voors. omme int visiteren van dien dairop insgelijcx sulck regardt genomen te worden. Johan Oom van Wijngaerden Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 'T voors. Henrick Rosa. ontseyt d'impetranten haeren vorderen eysch ende conclusie jegens de gedaechdens in desen gedaen ende genomen. by Adriaen Jacobsz. by deselve impetranten respective in desen geeyscht. doende recht in den name ende van wegen de Hoghe Overheyt ende Graeffelijcheyt van Hollant. zoo hebben d'voors. Couwenburch van Beloys. erffgenamen van den voorn. omme redenen den voors.347 deerden ten fyne van nyet ontfanckelijk ende by ordine. zedert de litiscontestatie in desen. Pr. totte effectuele voldoeninge toe. ende compenseert de costen van desen processe. als by de voors. condemneert de voors. Andries de Wit. Hove daertoe moverende.

Daardoor heeft hij ook het recht verloren thans. Daar Monier in gebreke was gebleven deze schuld te voldoen en sedert naar Zweden was vertrokken. ende gepronunchieert den XXII Decembris 1625. tijdens een verblijf hier te lande. staande ten name van Mr. bewindhebber der 1 Kamer Delft der Noordsche Compagnie had in 1616 een obligatie geteekend. uit een in 1616 geteekende obligatie te ageeren. had Thyman van Volbergen. Onder bijbetaling van 6¼% rente zou de eene helft dier som betaald worden over 9 maanden. Laatstelijk is den 24 Augustus 1630 door arbiters uitspraak gedaan ten aanzien van alle nog hangende wederzijdsche pretentiën. beide malen uit de opbrengst van de gelden. dat Van Volbergen zijn (Moniers) participatie in de Noordsche Compagnie heeft overgenomen en bij de bepaling van den daarvoor te betalen Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. doen arresteeren en eischt deze thans betaling van de hoofdsom met de inmiddels verschenen rente. II. e Anthonie Monier. waarbij Van Volbergen erkend heeft. subsidiair werden voor de betaling dezer gelden alle andere bezittingen van Monier verbonden. in wiens bezit de obligatie inmiddels was gekomen. dat Van Volbergen en hij vele zaken met elkander hebben gedaan en en herhaaldelijk met elkander hebben afgerekend. Rombout Hoogerbeets of toonder. 2. verder niets meer van Monier te vorderen te hebben. door Monier in de uitrustingen der Compagnie gestoken. raetsluyden van Hollandt. Deel 30 . hem in 1630. de andere helft een jaar later. tot een bedrag van dertienhonderd gulden. Monier voert hiertegen aan: 1.348 e ende Johan Loenius.

ende Anthoni Monier . dat den voors. tusschen Thyman van Volbergen.349 prijs ongetwijfeld rekening heeft gehouden met de vordering. gedaechde intselve cas. Nadat Van Volbergen onder eede verklaard heeft. die immers in de eerste plaats betaald moeten worden uit de opbrengst dezer participatie. zie men de Zweedsche Archivalia door Kernkamp gepubliceerd: Bijdr. dat Van Volbergen de verschuldigde gelden. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Over zijn verhouding tot de Kroon van Zweden. over dezen Anthonie Monier: Muller blz. gedaechde op den 16 (!) Januarii 1616 verleden hadde seeckere obligatie tot behouve van 1) Vgl. 3. ende Anthony Monier. impetrant van appoinctement van arrest ende rauactie. en Meded. Deel 30 . Secretaris van des Generaliteyts Reeckencamer alhier in den Hage. Thyman van Volbergen. Commissaris-Generael over de artillerie van Zyne Conincklijcke Majesteit van Sweeden. ter andere zyden. welke deze participatie hem in de afgeloopen jaren heeft opgeleverd. 78 en passim. ongetwijfeld reeds genoten heeft door de winsten. 202 en 204. 1) impetrant. wordt door het Hof de eisch toegewezen. Commissaris-Generael. gedaechde. hangende voor den Hove van Hollant. In der saecke. ter eenre. impetrant. de verschuldigde gelden nog niet van Monier te hebben ontvangen. welke hij uit genoemde obligatie nog op Monier had. Secretaris van des Generaliteits Reeckencamer. XXIX blz. en allegerende den voorn.

den voorn. ende dat vuyt de baten. die hem gedaechde aencomen souden vuyt de portie. somme van 1300 ponden te betalen over negen maenden. present ende toecomende. ende d'andere helft t'eynden een jaer daernaervolgende. deselve subjecterende allen rechten ende rechteren. ende 1000 ponden. renunchierende oock het Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. gedaechdes. twelck hy gedaechde te verwachten hadde. dat den voorn. Rombout Hoogerbeets. penningen te sullen restitueren in voegen voornoemt vuyt syne andere goederen. verbindende tot verseeckeringh van dien specialijck het provenue van de voors. d'eene helft van de voors. gedaechde alsdan belooffde de voors. obligatie op de voors. proffijt by quade fortuyne. obligatie schuldich te wesen de somme van 1300 ponden te 40 grooten 't pont. heere Hoogerbeets off houder van de voors. oft gebeurde. impetrant in desen. off thoonder derselver. die de voorn. over gelijcke somme. aen handen van den voors. by dewelcke den gedaechde bekent hadde. gedaechde selffs betaelt. syne obligatie. doen eerstcomende. heere Hoogerbeets ofte thoonder van de voors. dat hy gedaechde den voorn. waer ende op wat plaetse die gelegen souden mogen wesen. proffyten ende winsten. compagnie soude overcomen. met conditie dat. die hy heredeerde in de compagnie ofte voyagie van Spitsbergen.350 zaliger de heere Mr. Deel 30 . niet soude connen voldoen ende betalen. egeene vuytgesondert. belovende den gedaechde by de voors. die hy gedaechde tot synen contentemente in goeden gelde ontfangen hadde. namentlijck 300 ponden by den voorn. termynen vuyt den innecomen vant voors. behoeve betaelt aen hem. t'elcken jare de gerechte helft van dien metten intereste jegens den penninck sesthien. heere Hoogerbeets zaliger tot zijn. roerende ende onroerende. compagnie.

gedaechde soude kennen ofte ontkennen syne voors. obligatie ofte copie auctentijcque van dien.351 beneficium non numeratae pecuniae ende alle andere gratien ende privilegien. onder cautie voort gewijsde affgedaen wesende. ende voorts een dach van rechten prefigeren tot seeckeren dage voor den voors. Hove. tijt geen voordeel ofte proffijt vuyt de voors. welck arrest. hadde vuyt crachte van dien den voorn. gedaechde en was gecomen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. gedaechde gedaen arresteren. es desen Hove te kennen te geven. dage dienende eysch doende geconcludeert. ende hy gedaechde hier te lande geen immobilia en was possiderende. hadde hy impetrant ten voors. capitale penningen ende interesse van dien niet en hadde betaelt. compagnie voor den voorn. ende op 't selve te kennen geven appoinctement van arrest ende van actie geimpetreert hebbende. termynen de voors. die hem gedaechde te bate souden mogen comen. achterwesen te contenteren. sonder hem impetrant van sijn voors. soo was hy impetrant genootsaeckt geweest t'geene voors. ende dienvolgende gecondemneert werden aen hem impetrant te betalen ende by provisie te namptiseren de voors. gedaechde in den jare 1630 vuyt Sweeden hier te landen gecomen sijnde. maer was oock in gebreecke gebleven de voors. obligatie andersints te voldoen. ende tot kennisse van hem impetrant gecomen wesende. gedaen. compagnie op de voorn. ende den voorn. als houder van deselve obligatie. ende alsoo geduyrende den voors. nietjegen. dat den voorn. Deel 30 . sulcx hy gedaechde niet alleen vuyt het provenue van de voors. staende verscheyden minnelijcke interpellatien daeromme by hem impetrant. dat den en gedaechde op den 6 September van denselve jare weder naer Sweeden meende te vertrecken.

affreeckeningen ende liquidatien by den voorn. te weten den voors. metten intereste van dien jegens den penninck 16. dat hem. gedaechde geallegeert es geweest. die tusschen henluyden mitsgaders Beuckel Nieulant ende Julius Cesar Harinck was opgerecht noopende het solliciteren ende bedienen van compagniën in dienste van den lande wesende. Waerjegens van wegen den voorn. impetrant ende hy gedaechde met den anderen hebbende gedreven ende onderlinge vuytstaende gehadt veele ende verscheyden handelingen. zedert en den 26 Januarii 1616 totte effectuele ende volle betalinge toe. syluyden. wesende mede sulcx. syluyden van deselve hare handelinge van tijt tot tijt successivelijcke hadden affgereeckent ende geliquideert. daerover hy gedaechde aen den voorn. dat den voors. niettegenstaende de voorg. alsoo hy gedaechde was vernemende. ofte tot andere fynen ende conclusien als bevonden soude werden te behooren. bedient. impetrant schuldich was geweest eenige merckelijcke somme van penningen. ende hadde hy gedaechde den voors. ter saecke van seeckere compagnie ofte societeyt. maeckende eysch van costen. mitsgaders sijn gedaechdes aenpart in de proffyten ende tractementen van de capiteynen. Julius Caesar. sulcx dat den impetrant op hem gedaechde verder niet en hadde te eysschen ofte alsnoch niet te eysschen en hadde. by de voorn. Deel 30 . dat.352 somme van 1300 gulden.. impetrant van alle hetgeene hy op hem in eeniger manieren was pretenderende ten vollen voldaen ende betaelt. impetrant ende hy gedaechde. als de directie van deselve societeyt in sijn leven gehadt hebbende. impetrant moeste werden goetgedaen seeckere somme van 5081 guldens 6 st. hetselve different in den jare 1624 Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

dat daerenboven hy gedaechde wesende schuldich en gebleven een somme van 2872 gulden 16 st. selffs geposeert ende bekent ende daerop wel het principaelste fundament van syne defentie gemaeckt. daervan op den 20 Julii 1618 ten behouve van hem impetrant in desen hadde gepasseert een obligatie ter somme van 3472 guldens 17(!) st. als daeronder hebbende begreepen een obligatie van 600 guldens. 6 d. daervan tusschen henluyden en was vereffent. 6 d. impetrant by syne antwoorde. waerop hy gedaechde naederhant vuyt Sweeden aen den voors. ende noch 300 guldens metten intereste van dien. dat hy gedaechde jaer ende dach daernaer daerop eenige penningen hebbende betaelt. aen de geëligeerde arbiters overgeleyt. jaere 1624 met den impetrant in alle vrienschap hadde vereffent seeckere recckeninge van 14183 gulden 17 st.353 hadden gesubmitteert gehadt aen rechtsgeleerden volgens den schriftelijcken compromisse daertoe opgerecht. eerst op den lesten Aprilis 1614 ende daernaer op den 21 Martii 1616. dat by deselve liquidatie hy gedaechde aen hem impetrant hadde in betalinge gegeven wel 23500 guldens.. Deel 30 . die den voorn.. ende dat hy gedaechde in den voors. dat hy gedaechde als vooren aen hem impetrant veele merckelijcke duysenden hebbende moeten voldoen. deselve obligatie hadde ingetrocken ende een ander verleden ter somme van 2700 guldens. gededuceert. soo hadde den voors. daertegens overgelevert. die een derde op hem gedaechde hadde spreeckende ende daervoor den impetrant hem als borge hadde verbonden. achtervolgende hetwelcken hy gedaechde syne pretentie hebbende ingestelt ende by synen eysch. impetrant tot laste van sijn Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. impetrant by wissel hadde overgemaeckt de somme van 600 guldens..

van hem gedaechde absoluytelijck ende volcomentlijck af te wesen.354 gedaechdes vader hadde spreeckende. mits welcken alhoewel(!) ook den voors. vereffent ende geslooten sijnde geweest. coopman tot Amsterdam. hebbende den impetrant by deselve middelen aldaer gesustineert. gelijck mede daernaer in de voors. sulcx dat (sooals den impetrant by de voors. was verclaert niet ontfanckelijck nochte gefundeert te sijn tot synen eysch ende conclusie. schriftuyre van antwoorde was verclarende) sijns impetrants meyninge was. mitsgaders dat hy gedaechde hadde ingetrocken de voors. zyne obligatie van 2700 gulden. dat tusschen hem ende de gedaechde veele seer groote liquidatien. by hem ter saecke voors. aen den voors. impetrant niet en conde gerechticht wesen omme yetwes te eysschen ofte pretenderen tot laste van hem gedaechde. dat hy gedaechde niet en vermochte op hem impetrant yetwes meer te eysschen ofte te en pretenderen. impetrant by syne duplijcque wel vuytdruckelijck hadde bekent ende geposeert gehadt. ende daernaer in plaetse ende in voldoeninge van hetgeene hy gedaechde schuldich wierde bevonden. ende sonderlinge niet vuyt saecke van zodanigen obligatie als hy seyde tot laste van hem gedaechde in handen te hebben. aldaer eysscher. Deel 30 . ende daervuyt desen by hem Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. impetrant gegeven hadde een assignatie op Louys de Geer. waerop oock gevolcht was vuytspraecke van arbiters in date den 24 Augusti 1630. op den impetrant in desen (aldaer verwerer) gedaen ende genomen. instantie den voors. daerby hy gedaechde. soo van 'slants wegen als in het particulier. gehouden. hy impetrant sonder eenige calangie ofte contradictie by hem gedaechde was voldaen ende betaelt van hetgeene hy gedaechde aen hem mochte schuldich geweest sijn.

anders genaemt de Noortsche Compagnie. sijn gedaechdes portie in de voors. Deel 30 . impetrant alleen vuyt rancouer tegens hem gedaechde opgenomen ende omme hem onbehoorlijcker wyse te bejegenen hadde onderstaen. welcke obligatie by hem gedaechde in den jaere 1616 op den 26 Januarii soude sijn verleden geweest ten behouve van de heere Mr. ende daerby hy gedaechde soude hebben belooft gehadt deselve somme met de interesten van dien op seeckere termynen te betalen vuyt de baten. die hy gedaechde was heriderende in de compagnie ofte voyagie van Spitsbergen. Noortsche Compagnie overgenomen ende daarvan transport vercregen hebbende.355 en wierde geageert. obligatie hadde vermaent ofte daervuyt in rechten ofte daerbuyten tot laste van hem gedaechde geeyscht. ende hy impetrant selffs in handen hadde gehadt het geheele capitael. alsoo aen den impetrant al over eenige lange jaren by hem gedaechde was getransporteert geweest. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Rombout Hoogerbeets ter somme van 1300 gulden hooftsommen. maar den impetrant de voors. obligatie gecort ende innegehouden hadde met alle de interesten van dien. met alle de winsten ende baten van dien. impetrant nochte mede den gemelten heere Hoogerbeets offte desselffs erffgenamen noyt van de voors. vuytspraecke tusschen hem ende den gedaechde hiervooren gementioneert. proffyten ende winsten. geheel weynich dagen naer het doen van de voors. die hem aencomen soude vuyt de portie. ende dat dienaengaende al over lange tusschen den impetrant ende hem gedaechde was finalijcken affgereeckent ende geliquideert. alle welcke nochthans nietjegenstaende den voors. ongetwijffelt daeraen de voors. dat oock sedert date van dien nochte den voors. twelck hy gedaechde in deselffde voyagie ofte compagnie hadde geherideert.

in deselve obligatie geëxpresseert. den voors. anders genaemt de Noortsche Compagnie. Hove. compagnie ofte voyagie van Spitsbergen. daervuyt by den voorn. ende dat. impetrant ter saecke van de voornoemde obligatie Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. impetrant in desen wierde geageert. dat de voors. dat de capitale somme ende intereste daerinne begrepen (dewelcke ten deelen by den impetrant van wegen hem gedaechde selffs genooten waaren) op de termynen. seggende wyders hy gedaechde. Deel 30 . proffyten ende winsten. ende was dienaengaande al over lange tusschen den impetrant ende hem gedaechde affgereeckent ende geliquideert. compagnie ofte voyagie van Spitsbergen. hadden moeten werden betaelt vuyt de baten. die de compagnie soude mogen overcomen. mitsgaders hem gedaechde vuyt crachte van dien te doen dachvaerden tot seeckeren dage voor den voors. sulcx dat den voors. impetrant naerderhant transport becomen hadde. dat in sulcken gevalle eerst de persoon ende vordere goederen van hem gedaechde daervooren verbonden souden wesen ende aengesproocken mogen werden. ende op ongefondeert te kennen geven t'obtineren mandament van arrest op de persoon ende goederen van hem gedaechde alsoock gansch onbetamelijcker wyse hetselve mandament te werck te doen leggen. niet soude connen werden betaelt. oft gebeurde. mitsgaders de geheele parthye. proffijt by mal fortuyne. alhier in questie. van alle welcke baten. die hy was heriderende in de voors. die hy gedaechde was heriderende in de voors.356 sich te addresseeren aen desen Hove omme te hebben voldoeninge van de voors. expresselijck medebrachte. pretense obligatie. capitale somme ende interesten op de bestemde termynen vuyt den innecomen vant voors. proffyten ende winsten. dat de voors. pretense obligatie. die hem gedaechde naer date van dien souden aencomen vuyt de portie.

omme aldaer. mitsgaders andere alsulcke stucken ende munimenten 1) M. impetrant geëxhibeert werdende de reeckeninge van de voorn. sijnde niettemin tevreden te compareeren voor Commissaris van desen Hove.S. maeckende eysch van costen ofte tot andere fyne ende conclusie hem gedaechde oirbaerlicxt synde. Noortsche Compagnie metten gevolge ende aencleven van dien. by den voors. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. eysch ende conclusie soude werden ontseyt. middelen hy gedaechde antwoordende concludeerde. niet en was voldaen nochte voldaen hadde connen werden ende wat daeraen te cort soude mogen comen. in conformite van de appoinctemente dispositijff van den voors. impetrant refuserende als captieux ende insouffisant. baten ende proffijten.357 op hem gedaechde met recht niet te eysschen en hadde. Hove. dat des impetrants voors.: verstaen. ten fyne van niet ontfanckelijcken. soo hebben de voorn. mandament van arrest soude werden verclaert subreptijf ende obreptijf. persisteerde voor replijcque soo ten principale als by zyne versochte provisie. dat den impetrant synen voors. Deel 30 . by alle welcke voors. off de voors. hem gedaechde voor syne portie daerinne gecompeteert hebbende. obligatie vuytte winsten. ende datter voor hem geen provisie en behoorde te vallen. presentatie den voorn. ende naerdat van wegen den voorn. geschreven by memorien ende advertissementen van rechten ende daervan. sustinerende in allen ge valle 1) daermede te mogen volstaen . geëxamineert te werden. welcke voors. gedaechde gepersisteert was voor duplijcque. parthyen. ende voorts by ordine.

condemneert den gedaechde aen den impetrant op te leggen ende te betalen de somme van 1300 Carolus guldens. Huygo Blocq ende Gerard en Cromman. ende compenseert de costen van desen processe omme redenen den Hove daertoe moverende. impetrant. daervuyt in desen geageert werdt. III. die hy was herederende in de compagnie ofte voyagie van Spitsbergen in deselve obligatie vermelt. en zijn schoonvader. by hem impetrant in desen geeyscht. Johan Loenius. Op 16 Maart 1635 waren Jacob Meyn. Johan Oom van Wijngaerden. souden aencomen voor syne portie. maer dat hem deselve noch deuchdelijck sijn competerende.358 als elcx van henluyden belieft heeft te exhiberen. die den gedaechde naer date van de obligatie. Hoff met rype deliberatie van rade deurgesien ende overgewogen hebbende alle 'tgeene ter materie dienende es. bewindhebber en notabel participant in de kamer Enkhuizen der Noordsche Compagnie. daerby hy by eede verclaert heeft. zedert den 26 Januarii 1616 date van de voors. met Cornelis Sweers overeengekomen. Zeelant ende Vrieslant. proffyten ende winsten. heere van Vryhouve. Overheyt ende Graeffelicheyt van Hollant. obligatie totten effectuele betalinge toe. raetsluyden van Hollant. Tvoors. Gedaen in den Hage bij meesters Nicolaes Cromhouct. metten en intereste van dien jegens den penninck 16. dat hy vuyt de baten. niet en es voldaen van de penningen in deselve obligatie begreepen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. onder denselven Hove gedient ende recht versocht. president. Deel 30 . gehoort d'affirmatie van den voors. die eveneens participant in genoemde kamer was. doende recht in den name ende van wegen de Ho. Abraham van der Meer. ende gepronunchieert den 29 Julii 1633.

Deze zou ook de kamer Enkhuizen op de algemeene vergaderingen der Compagnie vertegenwoordigen en slechts gehouden zijn. het behoud en de verlenging van het octrooi betreffende. waarvan Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. sloepen. de eigenlijke bedrijfsonkosten echter door Sweers. Sweers antwoordt. die daarin aan Meyn met zijn schoonvader competeerden. die aan Meyn in de Compagnie competeerde en thans 1068¾ kwarteelen bedroeg. waarmede in 1634 het octrooi der Noordsche Compagnie verlengd was. Alle onkosten. in zaken. terwijl hij voor de rechten. had hij. aan dezen een vaste recognitie zou betalen van f 2538-5-8 per jaar. dat sinds 1635 van uit Holland en Friesland interlopers waren uitgevaren. Hij nam voorts tegen taxatie over alle gereedschappen. tot behoud van het octrooi gemaakt. Daarbij moest hij zich houden aan de besluiten. daar hij niet had belet. waarom Meyn thans in rechte betaling van hem eischt met rente. het advies van Meyn in te winnen. in de Compagnie de rechten zou uitoefenen. Meyn. die Meyn aan hem overdeed. het getrouwelijk uitgevoerd. victualie. fornuizen enz. dat Meyn zijnerzijds de overeenkomst niet had nageleefd. Deel 30 . Nadat het contract door de Compagnie was goedgekeurd. tenten. die Meyn zoo hier te lande als op Jan Mayen-eiland had. door de algemeene vergadering der Compagnie genomen. Van de getaxeerde waarde dier goederen zou hij 6¼% rente betalen.359 dat deze gedurende de 8 jaren. zouden door Meyn moeten worden gedragen. Sweers echter had wel over 1635 en 1636 de verschuldigde gelden betaald. doch in 1637 de betaling geweigerd. Sweers zou op zijn eigen risico uitrustingen ter walvischvangst mogen doen. overeenkomstig de quote..

Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ik volg echter de lezing van Mr. voor hem selven ende van wegen Frederick Gerritsz. dat Sweers bij het afsluiten van het contract geweten had van het bestaan der oppositie tegen het octrooi.360 het gevolg was geweest. impetrant in rauactie ter eenre. omdat soms ook de naam Meim ter aanduiding van dezen persoon voorkomt.) In het handschrift staat Meun. een lezing. ende Cornelis Sweers. (Zie hierover mijne Hollandsche Handelscompagnieën. blz. De spelling Meyn houd ik ook daarom voor juister. Het Hof veroordeelt Sweers dan ook tot naleving van het contract 1) en veroordeelt hem in de kosten . Hij weigert voortaan te betalen en vraagt restitutie van het reeds betaalde. 60. die mededeelt. terwijl de houding sedert 1636 door de Staten van Holland aangenomen het octrooi geheel waardeloos had gemaakt. had Meyn reeds in zijn conclusie van eisch gesteld. dat Meyn de meest voorkomende spelling van dezen naam is. In der saecke hangende voor den Hove van Hollant tusschen Jacob Meyn. dat de Compagnie den traan niet op prijs had kunnen houden. mede wonende aldaer. doch minder gemakkelijk als een verbastering van Meun kan worden beschouwd. With. sijn schoonvader. 2) Jacob Meyn impetrant ende Cornelis Sweers gedaechde. ter andere zyden: 1) 2) Blijkbaar waren Meyn en zijn schoonvader de eenige participanten der kamer Enkhuizen. wonende tot Enckhuysen. die zeer goed te verklaren is. Voorts had de Compagnie de Friezen toegelaten. Sweers had dan ook bij Meyn geprotesteerd tegen het niet-weren van de interlopers en het toelaten van de Friezen. gedaechde in tselve cas. Dit verweer voorziende. Muller. Deel 30 . 58 en 59 en noot 2 op blz. als de grondvorm Meyn is geweest.

De ‘loge’ of ‘tent’ was het voornaamste gebouw in elke kokerij. Fretum Davidts. De kerk. verhindert noch beleth te werden by ingesetenen van de Geünieerde Provinciën. t'welck alsoo mede wierde onderwonnen by Engelsche. te mogen exerceren. Hoofdstuk IV: De vestigingen der Noordsche Compagnie. mitsgaders zeen. schuren en ‘hutten’ voor het volk vermeld. hadden de Ho. verre van hier gelegen. Compagnie geoctroyeert. Deenen. Later worden nog afzonderlijke pakhuizen. Zeelant ende West-vrieslant. huysen ende logien ende jaer- 1) 2) Jan Mayen-eiland. rivieren ende eylanden. Vlamingen ende andere natien.ende zeemonsteren-visscherien ter plaetse voors. hadden die van de Noortsche Compagnie haer jegens deselve mette wapenen ende andere middelen gedefendeert ende haer vercregen recht geconserveert. loods. de forten en batterijen waren voor alle vestigingen of ‘kokerijen’ gemeenschappelijk. die tot verblijf van het aan den wal werkzame volk en tevens tot magazijn van proviand en gereedschap diende. meestal houten. dat die van de Noortsche ofte Groenlantsche Compagnie. Deel 30 . 1) Bereneylant ende het eylant Mauritius . met pannen gedekt. Heeren Staten Generael der Vereenichde Nederlanden die van de voors. de voors. Compagnie tot conservatie van haer vercregen 2) recht ter voors. Iedere kamer had haar eigen etablissement op eenigen afstand van dat der andere. Geschiedenis der Noordsche Compagnie. alleen. de respective heeren Staten. Zie hierover Muller. impetrant.361 Allegerende den voors. het was een groote. Mo. ende aldaer geëxcerceert de visscherie van walvisschen ende andere zeemonsters. ende namentlijck het lant Spitsbergen. ende hadden die van de voors. ende die gekoockt tot traen ende de neeringe van dien gebracht in dese landen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. van dewelcke ter voorschreve plaetse. walvisschen. omme waerin oock niet gecontrariemeert(!). geen souvereiniteyt nochte jurisdictie conden hebben noch pretenderen. plaetse gemaeckt forten. Fransche. met secluysie van andere ingesetenen ende ondersaten deser landen. houdende hare cameren in verscheyden steden van Hollant. van over lange jaren tot haere groote costen ende periculen d'eerste ontdect ende gevonden hadden de custen van Novasembla.

ende daerover gecomen wesende in onderhandelinge.362 licx derwaerts gesonden wel gemonteerde schepen. gedaechde in desen hem getoont hadde genegen te wesen. hadde hy impetrant ter begeerte van den voorn. hadden de en gemelte Ho. Deel 30 . impetrants. ende dat het laeste verleende octroy expireren soude met den jare 1634. vuyt wiens name hy ageerde. noetabel participant in de voors. soo hy in desen procedeerde. daerop hy in de qualiteyt. Heeren de Staten Generael den 24 October van den voors. jare 1634 de voorgaende octroyen gecontinueert voor den tijt van acht jaren. pre- 1) Zie over deze overwinteringen Muller blz. ende ter contrarie beschadicht ende vercort soude werden. inganck nemende met d'expiratie vant jongste octroy. ende oock eenige van haer 1) aldaer laten wonen ende overwinteren . ende desselffs schoonvaders actie in de voors. voor een tijt van jaren over te nemen sijn. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. den voorn. 153 e. gedaechde den en 17 Martii 1635 in schrifte gestelt de conditien ende voorwaerden. Mo. Compagnie. ende alsoo door de voorschreve visscheryen de neeringen ende innecomen deser landen grootelicx wierden gebeneficieert. indien deselve neeringe in andere landen wierden gediverteert.v. dat hy impetrant in desen was bewinthebber ende met sijn schoonvader. Compagnie ter Camere van Enckhuysen.

voortaan de uitrustingen voor gemeene rekening te doen. Muller p. coelbacx . soo hy procedeerde. 107 en 114. vgl. Wellicht wijst deze laatste omstandigheid er op.v. dat den gedaechde gehouden soude wesen naer voorgaende tauxatie van neuterale persoonen. Wat kapbakken waren. 84) vermelde contract van 1632. naar ik meen. aen te nemen alle de gereetschappen.’ Allicht zou de kennis van den inhoud van deze overeenkomst licht brengen in het vraagstuk der verhouding van de kamers Enkhuizen en Amsterdam. onder hem impetrant alhier te lande berustende. met de geassocieerde camers aengegaen. mag men. alsmede alle de tenten. inhoudende de voors. waarbij Hoorn en Enkhuizen zich verbonden. alsmede met de 2) Camere van Amsterdam . dat het door Muller (blz. qualiteyt competeerde in de voors. 1) furneysen. (Zie mijne Hollandsche Handelscompagnieën blz. bevrydende hem impetrant. hetwelcke hem impetrant in de voors. Compagnie ter Camere van Enckhuysen. het gebruyck vant recht. is mij niet bekend. 1) 2) Koelbakken.363 senteerde aen gedaechde te cederen voor den tijt van acht doen eerstcomende jaren. dat ook toen nog de participanten hun geld niet voor onbepaalden tijd. 56 en 101 e. concludeeren. Uit het feit dat hier alleen Amsterdam genoemd wordt en van een samengaan met Hoorn niet meer wordt gesproken. dan met gene kamer gesloten en slechts voor een of voor enkele jaren. conditiën onder anderen. dat mede den voorn. Blijkbaar wordt hier gedoeld op het op blz. vaten ende anders. volgens de tauxatie van de commandeurs aldaer. victualie. ter voors. in 1635 niet meer bestond. Blijkbaar werden dergelijke contracten dus nu eens met deze. vant selve.) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. chaloupen. hen des verstaende. zelfs niet voor den geheelen duur van het octrooi. plaetsen van de visscherie wesende. capbacx ende anders. gedaechde soude advoyeren ende hem sterck maecken soo voort contract. 378 genoemde contract: ‘tot gemeene visscherie tusschen eenige leden. inlegden. Deel 30 .

acht jaren. octroy . defentie. sonder dat hy impetrant daerin yet dragen soude. dat nae de expiratie van de voors. acht jaren tot defentie ende mainctienement vant voors. dat alle d'oncosten. staen soude tot laste van den voorn. ende t'ware dat de taux van equipagie. Compagnie.364 dat den gedaechde voort vuytgaen van de schepen gehouden soude wesen aen hem impetrant te betalen de somma. dat den voorn. Compagnie gekent ende daerover directie soude hebben. octroy op alle bijeencomsten van de voors. wierde vermeerdert ofte vermindert. gereetschappen. die loopende de voors. gedaechde d'extimatie van de voors. gereetschappen ende goederen geduyrende de voors. gereetschappen. alsoock 47½ stuyver voor quarteel. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat den gedaechde geduyrende de voors. 63. Deel 30 . vivres ende anders souden werden getaxeert. jaerlicx geduyrende voors. gedragen soude worden by hem impetrant. acht jaren hy impetrant weder naer hem nemen soude de voors. vallende over d'equipagie als anders. alsdoen wesende. gedaechde. tenten ende anders onder tauxatie als vooren. sonder 1) Over deze onkosten zie mijne Hollandsche Handelscompagnieën blz. acht jaren onder hem soude mogen houden op interest jegens den penninck 16. tware dat hy gedaechde equipeerde dan niet. daerop de voors. dat alle vordere oncosten. ende dat de decisie van de differenten daerover vallende staen soude aen de vergaderinge van de voors. acht jaren souden moeten gedaen 1) werden tot mainctinement. ampliatie ende prolongatie vant voors. noot 3. pro rato van 24000 quarteelen equipagie.

mits- 1) De kamer Enkhuizen had een deel van het recht der 2e kamer Delft. Compagnie gedaen den 16 Martii 1635. acht jaren yemant anders aen te nemen. ende dat op de actie ende recht. by parthyen in desen geteyckent. op alle welcke conditien parthyen alhier verdragen waren door vuytspraecken. ende dat op alsulcken voet. ziet blijkbaar het woord: ‘andersints. inhoudende onder anderen: dat hy impetrant aen den gedaechde cedeerde ende toestondt. voor den voors. en by de vergaderinge van de voors. dat daervan dien conform extentie soude werden en gemaeckt in behoorlijcke forma. die Meyn en thans Sweers krachtens deze transacties kon laten gelden. geduirende deselve acht jaren geen andere equipagie ter walvisvanck soude mogen doen. ordre ende reglement als de poincten opt reglement vant voors. octroy van October 1634 voors. om by hem gedaechde voor den tijt van acht jaren loopende 't voors. noch daerinne participeren directelijck noch indirectelijck. dat hy impetrant. twelck hy impetrant ende sijn voorn. Deel 30 . jare 1635 beraemt de equipagie te doen. de nombre van 1068¾ quarteelen. een ander deel was door Meyn persoonlijk overgenomen. Sulcx was geschiet by acte van den 4 Aprilis van den voorschreve jare. Ende was by deselve vuytspraeck geseyt.365 geduyrende de voors. octroy ende Compagnie vuyt den hooffde van de Camere van Enckhuysen 1) ende andersints was competerende. overgenomen. soo hy procedeerde. de voormalige Kleine Noordsche Compagnie.’ Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. wesende de juiste quote van hem impetrant naer advenant van den taux van 24000 quartelen. Op de pretenties. octroy der Noortsche Compagnie ter walvischvanck te mogen equiperen tot synen proffyten ofte schade. schoonvader int voors.

Deel 30 . mitsgaders de ampliatie ende prolongatie van dien. camer van Enckhuysen by resolutiën jaerlicx vermeerdert off vermindert soude mogen werden. die geduyrende de voors. niet vuytgesondert. 8 penn. acht jaren. wesende 47½ stuyver per quarteel van de voorseyde quantiteyt van 1068¾ quarteelen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende ondertusschen daervan interest jegens den penninck 16 int jaer. furneysen ende alle andere goederen. ende de somme daerop de tauxatie soude worden gedaen te betalen ter expiratie van de voors. alsmede alle tenten. tware hy gedaechde equipagie t'elcken jare daerop dede dan niet. acht jaren aen hem impetrant te betalen de somme van 2538 gulden 5 s.366 gaders der respective resolutiën ende t'accort van de gemeene visscheryen van en date den 16 Martii 1635 tot gemeine visscherie tusschen eenige leden alles melden ende medebrachten. daervan te indemneren. vaten ende anders hier te lande berustende. chaloupen. sijnde ter plaetsche van de visscherie. victuaelien. met conditie dat alle de oncosten. taux van 24000 quarteelen by de generale Compagnie off de quote van de voors. ende dat t'elcken jare voor het vuytgaen van de schepen ter neeringe. chaloupen. octroy ende defentie desselffs. ende nietjegenstaende den voors. hadde voorts den gedaechde aengenomen ende belooft voort recht ende gebruyck van de voors. daernaer den gedaechde hem hadde te reguleren ende hy impetrant. soo hy ageerde.. gedaechde te vergoeden. gedragen soude werden by hem impetrant. die gehouden bleeff sulcx aen den voorn. equipagie geduyrende de voors. acht jaren gedaen soude werden tot mainctiennement vant voors. hadde voorts den gedaechde tot tauxatie als boven aengenomen alle gereetschappen.

octroy. aen hem impetrant communicatie soude doen ende sijn advys nemen. daervan den interest jegens den penninck 16 int jaer beliep 333 gulden. waren de voors. 2538 guldens 5 st. hebben soude het gebruyck ende besittinge van de plaetschen ende commoditeyten. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dattet selve soude wesen tot laste van den gedaechde. raeckende t'voors. ende op alle byeencomsten ende voorvallende saecken tot defentie ende mainctienement vant voors. acht jaren eenige equipagie ter walvisvanck te doen. 8 penn. gelijck parthyen haer oock daernaer hadden gereguleert. sonder dat hy impetrant ende sijn schoonvader daerinne yet souden dragen. gedaechde geduyrende de voors. met haere tenten ende goederen. gereetschappen getauxeert op 5328 gulden. alwaer de Camere van Enchuysen soo aent eylandt als Spitsbergen was. dat den voorn. Deel 30 . gelijck mede de voors. volck te laten overwinteren op de plaetse van de neeringe ende anders. doch dat hy gedaechde noopende alle de poincten der beschryvinge ofte byeencomsten. ende hadden parthyen ten wedersyden belooft hen naer den inhouden van de voors. acht jaren de persoonen van hem impetrant ende van sijn schoonvader soude representeren. gedaechde geduyrende denselven tijt op 't recht van hem impetrant. onder verbant van haere persoonen ende goederen ende onder submissie van alle rechten ende rechteren.367 ende wat oncosten vielen over d'equipagie. ende by hem gedaechde alles ter goeder trouwen werden gedirigeert buyten yemants toedoen. vuytspraecke ende accordt te reguleren. octroy daervooren werden gekent. dewelcke. dat den voorn. soo hy ageerde. sonder dat hy impetrant ende sijn schoonvader gesamentlijcken noch yemant van henluyden yder vermogen souden geduyrende de voors.

vergaderinge der Groot Mo. Deel 30 . De Staten van Friesland hadden zelfs in 1634 aan een Friesche Compagnie octrooi verleend: Muller t. vuytspraecke ende accordt sijn. en daeroveral op den 20 Mey 1634 in de vergaderinge van de Groot Mo.v. impetrants. selve in persoon ofte door gemachtichde. octroy ter vergaderingh van de Ho. equipagie ende neringe mitsgaders gebruyck van de voors. Heeren Staten van Hollant ende Westvrieslant was geproponeert. vuytspraecke ende verdrach volcomentlijck bekent was. dat eenigen tijt geleden vuyt goede consideratie ten dienste van deselve provinsien het voors.368 den voorn. gereetschappen aenvaert hadde ende noch was besittende ende gebruyckende. Vrieslant als andere sochten mede part ende deel te hebben int voors. gelijck hy gedaechde mede op alle beschryvinge ende vergaderinge van de voors. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. geadmitteert ende gecompareert was. ende de leeden van de voors. gedaechde over de jaren 1635 ende 1636 aen hem impetrant hadde betaelt. part ende deel in de voors. Heeren Staten Generael voor acht jaren was gecontinueert. malcanderen dienden te verstaen off vereenicht te werden. daerjegens hy gedaechde wederom in conformite van de voors. Compagnie. Heeren Staten van Hollant ende Westvrieslant. octroy ende 1) Compagnie ende op de voors. visscherien equipeerden. Mo.z. octroy participeerden off daerop pretendeerden. soo van Hollant. hierover Muller bldz. 1) Vgl. Compagnie in plaetse van hem impetrant bekent. nietjegenstaende hem gedaechde al voor date van de voors. 326 e.p. derwelcker ingesetenen int voors. dat verscheyde ingesetenen.

octroy. gedaechde in desen in haere en 1) vergaderinge van den 30 October 1635 was verclaert. met den eersten byeencomen souden. Muller 343. tot conservatie vant voors. occupateurs ende possesseurs van de plaetschen in de Noortsche quartieren. by de Bewinthebbers van de voors. alsoo syluyden d'eerste waren geweest. octroy te beter mochte werden gemaincteneert. dat. Mo. octroy ende van de neeringe van dese provincien. dat de leeden als vooren. wegen haere ingesetenen participerende ofte pretenderende. Compagnie ende onder deselve namentlijck mede by den voors.369 ten eynde tvoors. verdragen ende geresolveert. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende daervan hen by de Ho. daer deselve neeringe ende visscherie wierde gepleecht. Dat dienaengaende verscheyde byeencomsten gehouden wesende ende parthyen den anderen niet kunnende verstaen. dat eenige vuyt de voors. Heeren Staten-Generael verleent was het voors. ende indien de voors. ook Hollanders die buiten de Compagnie stonden bij Spitsbergen begonnen te visschen. vergaderinge souden worden gecommitteert omme de geinteresseerde leden daerover te vereenigen. dat verscheyden persoonen in Hollant als Vrieslant trachten hetselve octroy met 1) Gelijk boven werd herinnerd. ondanks de bepalingen van het octrooi. om elckanderen te bejegenen ende verstaen aengaende de participatie ende verdeelinge respective in de voors. Deel 30 . waren in den zomer van 1635. Compagnie. participanten ende pretendenten onderlinge niet en souden connen accorderen. was naer deliberatie verstaen ende geresolveert. die de neeringe van de walvisvanck in dese landen hadden gebracht ende d'eerste vinders. ende men metterdaet bevonde.

Zeelant ende Westvrieslant geresolveert hadden de plaetse van haere possessie soo aen landt als in baeyen ende eylanden onder het octroy behoorende te maincteneeren. die op deselve plaetsche yet souden willen attenteren ofte aen landt comen omme haere visscheryen te beneficieren. deselve schade int gemeen by alle de cameren soude werden gedragen. dat eenich schip ofte scheepen van eenige camer ofte cameren niet present ware geweest ter plaetsche. gecommitteerden ende die van de voorschreven Compagnie Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . Ende alsoo de heeren Staten van Vrieslant in regarde van haere ingesetenen mede versochten voor eenich gedeelte int voorschreven octroy ende Compagnie geadmitteert te werden. ende oft gebeurde. dat deselve neringe ende defentie geschieden soude generalijcken met gevoechde macht van alle de camers ter plaetsche present wesende. d'oncosten ende schaden daervan mede by het gemeen soude werden gedragen. behouden ende defenderen tegens alle ende eenen igelijck. ende dat men niemant buyten het octroy wesende eenige inruyminge ter voors. daeromme de respective camers van Hollant.370 indirecte middelen te ondercruypen ende oock daertoe sochten te vercrygen de publicke authoriteyt der Staten deser Landen. daervan niemant hem soude mogen onthouden noch weygerich stellen. was daerover tusschen deselve Heeren Staten off haere Ed. alwaer het schoon saecke. dat yemant om te bewaren ende defenderen van deselve plaetschen eenige schade quame te lyden. ende soo eenige processen over deselve ongelegentheden quame te ontstaen. plaetse soude doen. Mo. alwaer ter cause als vooren eenige questie ofte ongelegentheyt voorgevallen soude mogen sijn.

alwaer geen cameren van de voors. 680). tot noch toe gemaincteneert ende onder t'voors. gelijk trouwens uit de volgende zinsneden blijkt. Heeren Staten van Hollant placcaet was 1) gemaeckt ende alomme in de Geünieerde provincien ende namentlijck in Hollant gepubliceert. buyten redenen mede sochten voor haere ingesetenen in deselve Compagnie ende octroy van dien part te hebben ende geadmitteert te werden. compareerende t'haerder vergaderinge. hadden die van de voors. Zie Muller blz. Mo. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. daerop haere Groot Mogende by apostille van den 1 December 1636 vuyt elck van de seven provincien. Compagnie alvooren gevonden. Compagnie aen haere Ho. octroy. Mo. versocht vernieuwinge vant selve placcaet ende maintienement vant voors. Deel 30 . Compagnie en waren. octroy begreepen. oock die ter zeevaert niet gelegen waren. te vinden in het Groot-Placcaatboek (1. Ondertusschen op de instantie van de voorschreve pretenderende steden van Hollant. gecommitteert hadde een van de heeren omme de saecke te examineren ende in de vergaderinge rapport te doen. visscherie te onderwinden ter voorschreve plaetse. namentlijcken jegens de pretenderende steden van Hollant ende de ingesetenen van dien. daerjegens den en 11 Martii anno 1633 by de Gr. maeckende tmeerendeel van de stemmen compareerende in de vergaderinge van de Gro. by de voors. 90. dat mede soo wtheemsche als ingesetenen van dese landen haer onderstonden de voors. ende alsoo meest alle de steden van Hollant.371 en gemaeckt accordt ende verdrach van date den 25 Julii 1636. Mo. Heeren Staten van den- 1) Dat het placcaat door de Staten van Holland zou zijn uitgevaardigd is eene vergissing. geoccupeert. Het is een placcaat der Staten-Generaal.

372 en selven lande. octroy. die souden mogen strecken tot cassatie vant voors. Deel 30 . waren alle de leden van de voors. hadden nochtans die van de voors. Welcke resolutie hoewel onder reverentie ende correctie niet en mochte bestaen in prejudictie van de voors. naer voorgaende deliberatie goetvonden ende verstonden. dat deselve. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. die by haere apostille van den 22 der voors. omme te hooren de redenen. ende in cas de Heeren Staten van Hollant yetwes gelieffden te seggen tegens 't selve octroy. Compagnie de voors. maent December hadden verclaert. seven heeren gedeputeerde. Ende den tijt aenstaende dat de schepen van de voors. pretendeerende steden meer dan billicke ende redelijcke presentatie gedaen. Compagnie tselve by requeste geremonstreert aen de Ho. Heeren en Staten-Generael. dat het voors. Dan deselve daermede geen satisfactie nemende. octroy wierde gecontinueert volgende sijn forme ende inhouden. Mo. den 11 December van den voors. ofte by faulte van dien. dat sulcx ter vergaderinge van de Ho. octroy naer de expiratie van denselven tijt soude wesen nul ende van onwaerden ende dienvolgende datelijcken soude comen te cesseren. dewelcke oock niet gehouden was de voors. dat die van de voorschreve Compagnie voor Kersmisse doen eerstcomende reedelijck contentement souden hebben te doen aen de leden des versoeckende. Compagnie jegens den en 7 Martii 1637 beschreven binnen Amsterdam. jare resolutie genomen was. hadden die van de voors. Compagnie equiperen ende in zee gaen soude. daerby de saecke voorts gebleven was. dat het voors. pretendeerende steden int voors. gehoort het rapport van de voors. Compagnie. Heeren Staten-Generael soude werden gebracht. octroy te laten off eenich paert toe te staen. Mo.

dispuyten haer souden mogen vervorderen eenige equipagie op de walvisvanck te doen binnen de limiten van het octroy. die contrarie t'voors. octroy. maer cesserende t'octroy de voors. Dat dienvolgende de gedeputeerde van de voors. ende alle swaricheden ende costen die daervuyt souden mogen resulteren ende ontstaen int gemeen dragen. oft mochte gebeuren dat eenige particuliere. soo van haere Ho. staende de voors. octroy ende de landen by de Compagnie geoccupeert ende tot noch toe gepossideert yet soude willen attenteren. ende dat tselve accordt stadt grypen zoude soo lange als het voors. Deel 30 . Mo. maer met gevoechde macht alle enterloopers van daer houden ende weeren. gaende op de visscherie. sessie als een lith van de voors. met die van Vrieslant gemaeckt. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. als Ed. ende volgens dien te maecken ende formeren d'instructie voor de Commandeurs.373 omme aldaer onder anderen te delibereren ende resolveren over t'geene als vooren was gepasseert ende in de vergaderinge. octroy soude blyven in sijn geheel. Mo. dat men deselve plaetsche ende landen soude beschermen ende niemant buyten het octroy sijnde aldaer gedogen. hoe men hen hierinne soude hebben te dragen jegens diegeenen.. vergaderinge binnen Amsterdam gecompareert wesende. gedaechde op de voors. Compagnie als haer vry eygen geacquireert goet souden behouden de plaetsen onder tselve accort begrepen. ende op de equipagie ende vuytrustinge van de schepen ende visscherie voor den doen loopenden jaere 1637 genomen hadden verscheyden resolutien. ende namentlijcken dat Willem Symonssen als gecommitteerde van de stadt van Harlingen in Vrieslant vuyt crachte vant voors. was voorts int generael geresolveert. Compagnie ende namentlijck mede den voorn. Compagnie soude werden toegestaen.

daertoe de schepen van de voors. inhoudende onder anderen: dat soo haest de scheepen soo aen het eylant als Spitsbergen soude wesen gearriveert. Compagnie malcanderen souden moeten assisteren. ende alsoo beducht wierde. ende niet gedogen. maer haer trachten te verdriven. gemeene cameren aen de commandeur van de voors. gegeven een schriftelijcke instructie. jare 1637 gaende op de visscherye. dat tot bewaringe van den overtoom alsulcke ordre met retrenchementen ende anders soude werden gestelt als men noodich vinden soude. deselve te repareren ende soo met geschut. diegeene. ende ter plaetsche van de visscherie soo nae by den anderen houden alst lyden conde. van de Compagnie niet wesende. ende op thien mylen aen't eylant als die van deselve Compagnie niemant anders toelaten. dat men met gemeenderhant ende gevoechde macht het recht van de visscherie deser Compagnie soude maincteneren ende defenderen. in den voors. maer tot den vuytersten malcanderen moeten bystaen. sonder dat de schepen by aenval van de vyanden malcanderen souden mogen begeven. die de Compagnie in haere neeringe wilde beschadigen t'hooft te bieden met gevoechde macht. maer van daer weeren alle die daer souden mogen comen. dat deselve eenige walvisschen ofte andere zeemonsteren in zee sochten. ende dat de Commandeurs ende bevelhebbers verdacht souden sijn. Compagnie. int voorgaende jaer gemaeckt. cruyt ende yser te versien e als het 11 articule inhielde. dat al t'geene by hen wierde bericht ende verhandelt geschiede ten bywesen van Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat eenige. regard genomen soude werden op de batterien.374 was voorts by de voors. Deel 30 . om die neeringe te exerceren ende affbreuck te doen soude mogen verschynen.

hoewel den voorn. gedaechde soude kennen ofte ontkennen het contract. contracte. tusschen parthyen alhier aengegaen. denselven souden affhandich maecken ende benemen alle haere chaloupen ende gereetschappen. 2528 gulden 5 st. 8 penn. dat den voorn. instructien de schepen van de voors. accorde. Deel 30 . ende dienvolgende geduyrende de reste van acht jaren. ende hem voorts daernaer in alles te reguleren. accorde. omme geapliceert te werden als naer behooren. naer inhoudt van den voors. ende noch de voors. visscherie behoorende. mede hiervooren gementioneert.375 eenige gelooffwaerdige getuygen. ende alle tselve onder behoorlijcke inventaris overleveren aen de Generale Compagnie. octroy. Hove. gedaechde voor het vertreck van deselve schepen naer inhouden van den voors. daerop getauxeert waren de gereetschappen tot de voors. sulx dat hy impetrant genootsaeckt was geweest hem t'addresseren aen desen Hove ende op sijn deuchdelijck te kennen geven geobtineert hebbende mandament van rauactie. Concluderende ten selven dage dienende. over de 47 stuyvers ende een halve per quarteel. ende bevindende eenige enterloopers deser landen binnen de limiten vant voors. qualite jaerlicx te be- Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. van welck te doen hy bleeff onwillich ende in gebreecke. volgende welcke voors. somme. schuldich ende gehouden was aen hem impetrant te betalen de voors. 333 gulden over den interest van de voors. den voorn. ladingen van traen ende balinen. Compagnie ter zee ende visscherye vuytgevaren wesende. breder hiervoren geroert. ende gecondemneert hem voortsaen te reguleren naer den voors. aen hem impetrant in de voors. resolutien ende op de voors. gedaechde vuyt crachte van dien te doen dachvaerden tot seeckeren dage voor den voors. ende daervan gehouden werden notitie.

Deel 30 . gedaechde geallegeert es geweest: dat tusschen hem gedaechde ter eenre ende den voorn. tot laste van hem gedaechde staende. qualite cedeerde ende toestondt aen ende ten behouve van hem gedaechde. octroy ende Compagnie vuyt den hooffde van de Camere van Enckhuysen ende anders was competerende. 8 penningen over 47½ stuyver per quarteel. impetrant in de voors. ende goet te doen de costen. ende dat op de actie ende recht. ten walvischvangst soude mogen equiperen tot synen proffyte ofte schade. die hy impetrant door gebreck van dien alreede hadde gehadt ende geleden ende noch soude mogen hebben ende lyden. somme van 333 guldens ende van 2528 guldens 5 st. ende voorts te presteren alle de conditien ende voorwaerden.376 talen eerst de voors. alsdoen wesende. schaden ende interesten. int voors. ende dat t'elckens eer de scheepen van de voorschreve Compagnie vuyt dese landen souden gaen. dat den impetrant ende den voors. daerby den impetrant in de voors. maeckende eysch van costen ofte tot andere fynen ende conclusie als bevonden soude werden te behooren. Wit. alles mede hiervooren breder geroert. en qualite ter andere zyden op den 4 Aprilis 1635 was aengegaen seecker accort door tusschenspreecken van de vergaderinge van de Noortsche Compagnie. ende by provisie te namptiseren de voors. 333 gulden over den interest van het getaxeerde gereetschap. ende noch 2528 gulden 5 st. int voors. sijn schoonvader. contract begreepen. dat hy gedaechde voor den tijt van acht jaren loopende het octroy der Noortsche Compagnie. Waerjegens van wegen den voorn. 8 penningen als mede verschenen. wesende de juste quote naer Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.

als de poincten opt reglement vant voors. tot gemeene visscherie tusschen eenige leden alles medebrachten. ende dat op sulcken voet. fourneisen. mits middelertijt jaerlicx geldende ende voldoende denselven interest. victualie. Deel 30 . onder conditie dat hy gedaechde gehouden soude blyven van den impetrant over ende aen hem te nemen alle de gereedschappen. 363 vermelde contract met Amsterdam. ordre ende reglement.377 advenant van den taux van 24000 quarteelen. niet vuytgesondert. met belofte van te betalen ter expiratie van de voors. impetrant ende With daeraff indemneren. mitsgaders de respective resolutien ende t'accort van de gemeene visscherye en 1) van date den 16 Maart 1635 voors. voor den voors. octroy van October 1634. synen schoonvader hier te lande berustende. sijnde ter plaetsche van de visscherie soo aent eylant als Spitsbergen. capbacx ende alle de verdere goederen. alsmede alle de tenten. ende sooveel sulcx ondervonden soude werden te bedragen. vaten ende anders. Soude voort hy gedaechde gehouden sijn tot synen laste te nemen drie Fransche ende drie Duytsche arpoeniers met haere stuyrluyden ter visscherie gehuyrt ende de gereetschappen daertoe van Baione 1) Waarschijnlijk het op blz. coelbacx. t'selve soude hy gedaechde mogen onder hem behouden op interest den penninck 16. acht jaren. onder hem ende den voorn. chaloupen. de nombre van 1068¾ quartelen. chaloupen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. daertoe ten wedersyden te verkiesen. ende dat alles ter tauxatie van neuterale Commandeurs. daernaer hy gedaechde hem soude hebben te reguleren ende den voorn. jare 1635 beraemt d'equipagie te doen.

Deel 30 . mits conditie dat alle d'oncosten. de Wit alreede gehuyrt. die de Compagnie placht te gebruiken. acht jaren gedaen wierden tot mainctienement van de octroyen ende defentie derselver. die gehouden souden blyven alle deselve aen hem gedaechde te vergoeden.v.378 de France ontboden. strantsnyders ende alle het andere volck soo tot de plouch ende anders. die geduyrende de voors. equipagie geduyrende de voors. nemende hy gedaechde mede aen hem ende tot synen laste de bevrachtinge vant schip genaemt de Neptunis. schoonvader. de door Kernkamp afgedrukte stukken blz. en de eerste der hierachter afgedrukte notarieele acten.. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. zie men Muller blz. daeraff hy gedaechde de conditien was belovende naer te comen.. die alreede gehuyrt ende aengenomen waren. ende dat t'elcken jare voort vuytgaen van de scheepen ter neeringe. ende hadde hy gedaechde belooft ende aengenomen voort recht ofte gebruyck van de voors.v. 1) Over de vreemde en de Hollandsche visschers en matrozen. quantiteyt van 1068¾ quartelen. soude sijn ten laste van hem gedaechde. mitsgaders d'ampliatie ende prolongatie van dien gedragen soude werden by den impetrant ende sijn voorn. ende de oncosten daerop gedaen. 8 penn. ende wat oncosten souden vallen over het equipagievolck te laten verwinteren op de plaetsen van de neeringe ende anders. mits restituerende ende betalende alle t'gunt int huyren te cost gemaeckt ende op 1) de hant gegeven was . wesende 47½ stuyver per quarteel over de voors. mitsgaders de vishouwers. 365 e. acht jaren te betalen de somme van 2538 gulden 5 st. waarop zij betaald werden. en de wijze. 106 e. by den impetrant ende den voors.

Wit gesamentlijck noch yemant van henluyden vermogen souden geduyrende de voors. octroy den impetrant werden gecommuniceert. coelbacx. Deel 30 . impetrant ende den voors. alwaer de Camer van Enckhuysen alsdoen soo aent eylandt als op Spitsbergen waren. als wanneer syluyden gehouden souden zijn van hem gedaechde weder aen off over te nemen alle de voors. directelijck noch indirectelijck in eeniger manieren. acht jaaren opt recht van den impetrant ende den voorn. acht jaren de persoonen van den impetrant ende den voors. octroy daervooren werden gekent. vaten ende anders hier te lande. de Wit hebben t'gebruyck ende besittinge van de plaetsen ende commoditeyten. met haer tenten ende goederen. ende by hem alles ter goeder trouwen werden gedirigeert buyten imants toedoen. Compagnie de vuytspraecke ende de decisie daervan doen soude ende naergecomen moeten werden. dependerende vant voors. mitsgaders de tenten. capbacx ende alle de verdere goederen niet Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. acht jaren eenige andere equipagie ter walvischvangst te doen ofte daerinne te participeren. ende soude hy gedaechde geduyrende de voors. doch soude alle de poincten van beschryvinge. impetrant ende synen schoonvader. off andere sijn gedaechdes gereetschappen ende goederen van victualien. Wit representeren op alle byeencomsten. ende sijn advys daervan nemen. ende soude hy gedaechde geduyrende de voors.379 ende soo daerover different quame t'ontstaen. ende (by) voorvallende saecken tot defentie ende mainctienement vant voors. chaloupen. ende daervan naer d'expiratie van deselve tijt dienaengaende weder ontruyminge doen tot behouve ende proffijt van den voors. dat de vergaderinge van de voors. sonder den voorn. fournaisen.

qualite wel behoort hadde tvoors. dat ‘de pretendeerende steden’ in 1635 bij Spitsbergen begonnen te visschen. die ‘in zee’ vischten. Het argument is echter zonderling. octroy ende alle de voors. daar deze z. opmaken. schijnt er op te wijzen. 343) zegt. Vriesen noch was toegelaten portie ende ge- 1) 2) Muller (blz. contract aen sijn syde naergecomen ende gepresteert te hebben. Deel 30 . octroy in veele poincten was gecontravenieert. doch die tevens consent kregen om aan land te mogen kooken. Ende hoewel den impetrant in de voors. doordien contrarie derselven octroye terstont 1) daernaer verscheyden enterlopers van Vrieslant ende van Edam niet alleen haer 2) hadden bemoeyt met het visschen van walvisschen in zee . zeevisscherij bedreven en het spek der gevangen visschen eerst hier te lande tot traan kookten. Uit deze passagie van Sweers' antwoord mag men. maer dat daerenboven in den voors. daerop de voors. en de Friesche kamers. naerder te sien was. dat de eerste slechts de z.380 vuytbesondert. contracte. Als er meer waren geweest. jare 1636 de voors. hier gemaakt tusschen de interlopers. zou Sweers wel niet hebben nagelaten die te noemen. doch souden deselve goederen niet mogen excederen soodanigen somme. 115. goederen by hem gedaechde by tauxatie aengenomen waren. ter plaetse van de neeringe soo aent eylant als Spitsbergen alsdan mede sijnde.g. geloof ik. soo wast echter gebeurt dat diennietjegenstaende tvoors. sulcx dat hy gedaechde het effect vant voors.) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. tusschen de voorn. tot tauxatie als vooren. De tegenstelling. (Vgl. die niet alleen in de Compagnie werden toegelaten.g. ‘zeevisscherij’ nimmer onder het octrooi begrepen is geweest en dus ten allen tijde door een ieder kon worden uitgeoefend. parthyen aengegaen. dat de Edamsche compagnie de eenige wezenlijke concurrent is geweest. als alles naerder by den voors. Muller blz. conditien soude hebben mogen genieten. daerdoor den handel van den traen soo seer bedorven was. dat de Compagnie geen prijs op deselve hadde connen stellen.

en ende dat oock op den 11 December anno 1636 voors.) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. by den voors. eyntelijck oock tot naerdeel van de 1) Hier wordt gedoeld op het octrooi. daerdoor gehadt ende geleden. Deze compagnie werd daarop in de Noordsche Compagnie opgenomen als de kamers Harlingen en Stavoren. ende dat door de voors. Deel 30 . door de Staten van Friesland aan de in hunne provincie opgerichte compagnie verleend. die bysondere equipagie hadden gedaen tot Staveren ende Harlingen. de duur bedroeg slechts 20 jaar. jae sulcx alreede waren ontstaen. waerdoor de voorschreve visscherie was opengestelt. het octroy van de voors. Compagnie met consent van aen tlant te mogen koocken.381 deelte in de voors. impetrant in de qualite als vooren aen hem gedaechde vercocht ende gecedeert. ende noch grooter voor de expiratie van de voors. ende jegens het voors. immers gehouden waren geworden. dat tsedert het voorschreve laetste octroy. Compagnie by de Heeren Staten van Hollant ende Westvrieslant t'enemael was te niete gedaen ende geannulleert. dat dit octrooi voor 25 jaar was verleend. by de Ho. vermits de Compagnie niet en hadde connen houden ordre ende reglement. (Zie Muller ibidem. Mo. enterlopers van diversche steden ende van de provincie van Vrieslant. (Zie Muller blz. van weynich off geender waerde en was geweest. Heeren Staten-Generael in Martio 1635 off daerontrent verleent. contract dienvolgende gemaeckt ende d'intentie van dien. 338. tijt nootsaeckelijcken moesten ontstaen ende resulteren. alles hetwelcke gestreckt hebbende tot sijn gedaechdes excessive schade.) Ten onrechte zegt Sweers echter. 1) ende daerop octroy van 25 jaren hadden vercregen . by haer in voorgaende jaren gebruyckelijck. alles strydende jegens het octrooy. costen ende interesten.

maer van de betaelde penningen restitutie metten intereste van dien te vorderen. Deel 30 . qualite geen actie vuyt crachte van den voors. ende voorts van allen costen. contract voldoen ende presteren. enterlopers jaerlicx continueerden tot groot naerdeel van de voors. qualite te doen protesteren van dat hy niet en hadde geweert de enterloopers van verscheyden plaetsen. ende dat hy gedaechde voortaen niet van meyninge en was vuyt crachte vant voors. op den 5 Januarii 1637 jegens den impetrant in de voors. item het innelaten van de Vriesen jegens den text van den voors. dewelcke tsedert daerdoor merckelijck affgeslagen ende tot een geheelen vylen prijs gecomen waren. qualite hem gedaechde gecedeert. octroye van de Ho.382 Compagnie in deselve waren ingeruymt. mandament van rauactie geimpetreert. noch oock het voors. hadde echter hem geaddresseert aen desen Hove. impetrant in de voors. contract eenige penningen meerder te tellen. contracte en competeerde. omme die aen den impetrant in de voors. Compagnie. Mo. ende hoewel daeromme den voorn. sulcx dat de participanten in de voors. qualite te verhalen ende doen verhalen soo hy te rade werden soude. Compagnie deselve moesten verlaten. als daervuyt geen proffijt off voordeel meer te verwachten hebbende ende tot groote schade belast bleven met haer gereetschappen totte selve Compagnie behouvende. by hem gedaechde ter oorsaecke van alle hetselve tot dien dage toe gehadt ende geleden ende noch te hebben ende te lyden. Heeren Staten-Generael. die daerdoor geen repartitie noch prijs conde houden in traen ende baleinen. schaden ende interesten. dat ook de voors. by den impetrant in de voors. welcke octroy den impetrant niet en hadde connen maincteneren. ende hem gedaechde vuyt crachte Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. en Soo was hy gedaechde genootsaeckt geweest.

8 penn.383 van dien gedaen dachvaerden tot seeckeren dage voor den voors. geproduceert. jegens welcke antwoorde den voorn. by welcke voors. Hove. aen den impetrant in de voors. Zeelant ende Vrieslant. ende noch 2528 gulden 5 st. middelen hy gedaechde antwoordende concludeerde ten fyne van niet ontfanckelijck ende by ordine dat den impetrant synen voors. Hove geschreven by memorien ende advertissementen van rechten. gedaechde gepersisteert was voor duplicque. doende recht in den namen ende van wegen de Hoge Overheyt ende Graeffelicheyt van Hollant. impetrant persisteerde voor replicque soo ten principalen als by syne versochte provisie. ende dienvolgende geduyrende de reste van 8 jaren. Hoff met rype deliberatie van rade deurgesien ende overgewogen hebbende alle 't geene ter materie dienende es. int mandament geroert ende in den processe by den impetrant onder de lettere F. tusschen en hem ende den impetrant gemaeckt. ende daervan mitsgaders andere alsulcke stucken ende munimenten als elcx van henluyden belieft heeft te exhiberen onder denselven Hove gedient ende recht versocht. condemneert den gedaechde sich te reguleren naer het contract. maeckende mede eysch van costen ofte tot andere fynen ende conclusie als bevonden soude werden te behooren. Deel 30 . parthyen in conformite van den appoinctemente dispositijff van den voors. over 47½ stuyver Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Ende naerdat van wegen den voorn. soo hebben de voorn. in denselven contracte gementioneert. qualite jaerlicx te betalen. eerst 333 gulden over den interest van het getaxeerde gereetschap. van date den 4 Aprilis 1635. T'voors. eysch ende conclusie soude werden ontseyt ende datter geen provisie en behoorde te vallen.

1. Heere van Vryhouve. Reynier van Persijn. indien het schip half vol (met traan) terugkeerde. 13 September 1616. tot laste van hem gedaechde staende. Pieter Couwenburch van Beloys. ende dat t'elckens eer de schepen van de Compagnie vuyt dese landen sullen gaan. dat. president. op ende jegens den gedaechde gedaen ende genomen. Johan Loenius. raetsluyden van Hollant. De bewindhebbers van de kamer Amsterdam der Noordsche Compagnie doen aan de bemanning van het schip ‘de Waterhond’ een aanbod betreffende de betaling van het haar verschuldigde loon. Notarieele acten. ende voorts te presteren alle de conditien ende voorwaerden int voors.384 per quarteel. Hove. het maandgeld Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. contract begreepen. Huygo Blocq ende Sebastiaen Francke. ontseyt den impetrant synen vorderen eysch ende conclusie. Uit het protocol van Notaris Palm Matthysen te Amsterdam. III. ende condemneert deselve gedaechde in de costen van desen processe tot tauxatie ende moderatie van den voors. Deel 30 . ende en gepronunchieert den 17 November 1638. Gedaen in den Hage by Meesters Niclaes Cromhout. In den artikelbrief was bepaald. alles mede in den mandamente ende den processe breder geroert.

nog gemakkelijk door onpartijdige arbiters kunnen worden opgenomen hoeveel traan inderdaad was aangevoerd.wenschten te doen uitmaken. Frans Henricqs. Deel 30 . gevaeren hebbende met 't 1) 2) 3) 4) Het is niet volkomen duidelijk of de bewindhebbers bedoelden de bedongen verhooging later uit te betalen. Een schieman was een matroos. 340. openbaer notaris. voor het schip ontladen was.v. 3) schieman . Het laatste komt mij echter het meest waarschijnlijk voor. De bewindhebbers bieden aan thans het 1) maandgeld uit te betalen. by den Hove van Hollant op nominatie der voorschreven stede geadmitteerd.385 van het scheepsvolk met een derde. Vincent Janssen. dat de bemanning op de betaling der verhooging geen recht had. Ariaen Willemsen.waarin dan door de bemanning al of niet kon worden berust. Wilden nu de schepelingen beweren op uitbetaling der verhooging recht te hebben. dat het aanbod werd gedaan kort na de terugkomst van het schip. Uit den datum van het stuk blijkt. . getransporteert (?) ende gevoecht (?) neffens Volckert Janssen. dan zou thans.. hoochbootsman. tot Amsterdamme residerende. ter presentie van de ondergeschreven getuygen my ter requisitie ende versoecke van de Heeren Bewinthebbers van de geoctroieerde 2) compagnie van Nova-Sembla. zie men Muller blz. . Het stuk is door vocht aangetast en dientengevolge hier en elders zeer moeilijk leesbaar. aan wien de zorg voor en de behandeling van het touwwerk was opgedragen. constaepel. dan wel of zij door dit aanbod te doen. nadat de aangevoerde traan verkocht zou zijn. oppercuyper. soo voor 4) hun alsmede in den naem van d'andere gemeene bootsgesellen . Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. 107 e. en Zorgdrager blz. Over de bemanning van een walvischvaarder. en Op huyden den 13 September anno 1616 hebbe ick Palm Matthijsen. residerende binnen deser stede. Later zou dit natuurlijk niet meer mogelijk zijn en bij een eventueel proces zou men dus minder vasten grond onder de voeten hebben gehad. en indien het met een volle lading terugkwam met de helft zou worden verhoogd. dat in ieder geval verschuldigd was .

Deel 30 . schaden ende interessen. insinuatie ende protest: De Heeren Bewinthebberen van de geoctroieerde compagnie van Nova Sembla. ende dat de maentgelden van desen tyde af sullen cesseren ende ophouden. die 't volck aen den Heer sal hebben. deselve op U persoon ende goederen te sullen verhaelen. Als de schepen thuys comen ende 't selve schip. die sy door U toedoen alreede hebben geleden ende noch voorder sullen comen te lyden. U datelijcken in conformite van denselven artyckelbrieff te willen betalen soo veel maenden als ghylieden aen den Heer staen hebt. daer ende soo sy dat te raede sullen vinden. Ende zoo ghy eenige actie meer te pretenderen hebt als de artyckelbrief medebrengt. ende aen hen gedaen de naevolgende presentatie. daermede ghy wtgevaeren zijt. afslach van de deuchdelijcke presentatie protesteren sy insinuanten alle costen. Alle 't welck henluyden geinsinueert ter presentie van Govaert (?) Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. besworen is sekere artyckelbrieff.386 schip genaemt den Waterhont. afgevaeren van Delfshaven naert Noorden om walvissen te vangen. residerende binnen deser stede. dat ghy deselve meucht institueren daer ende soo ghylieden dat te raede meucht vinden. doen seggen. inhoudende ondere andere. dat yders maentgelt gedubbeleert alsdan sal werden. namelijck van de maenden. schipper van 't schip genaemt ‘de Waterhont’. aengenomen by schipper Claes Joosten. dat ingevalle 't voorschreven schip thuys compt met sijn halve ladinge gekoocte traen. soo sijn de voorschreven Heeren Bewinthebberen tevreden ende staen overbodich. Ende by refuys. ende ingevalle 't selve schip vol comt met gecocte traen. dat een ygelijck sijn maentgeld verbetert sal werden een derde deel. doende U mede by desen uwen dienst opseggen. tot binnen deser stede gecomen (is). soo dat by U gemeene matroosen.

Blay. Interrogatoir van Lucas Gerritsz. wijzen uit. getuycht ende geattesteert tgeene 1) Zie over deze baldadigheden Muller.G. en Huybert Jansz. Raedt ende Agent van Sijn Coninklijcke Majesteyt van Denemercken. betreffende de baldadigheden in het laatstverloopen seizoen gepleegd tegen de tenten en andere goederen. Deel 30 . ende heeft by waere woorden. notaris te Amsterdam. van wien de antwoorden afkomstig zijn. meende ik ter vereenvoudiging aanhef en vragen slechts eens te mogen afdrukken en bij de vragen de beide antwoorden te mogen vermelden. ende Pauwels Jansz. die de Denen op Spitsbergen hadden 1) achtergelaten . out omtrent vyer en dertich jaeren.J. Het protocol bevat eigenlijk twee afzonderlijke interrogatoiren van denzelfden dag. verclaert. in plaetse ende onder presentatie van eede. ten versoucke van den heere Cornelius Vinck.. en Op huyden den 14 Novembere anno 1624 compareerde ter (myner) presentie Lucas Gerritsz. of H. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. van Amsterdam. 14 November 1624. Uit het protocol van Jan Warnaerts. kuiper. Daar echter zoowel de aanhef als de vragen geheel gelijkluidend waren. 143. eveneens kuiper. 2.387 Jacobsz. De voor elk antwoord geplaatste letters L. cuyper. van Hasselt in Overijssel. als getuygen hiertoe versocht. blz.

) Verclaert jae.G. Raedt ende Agent van Syne Coninklijcke Majesteyt van Denemercken. (L. (L. alsoock noch by de tente opt lant seeckere sloepen? (H. Deel 30 .G. Off hy getuyge in desen loopende jaere 1624 niet geweest heeft in Spitsbergen in dienste van de Noortsche Compagnie binnen deser stede? (H.) Verclaert jae. Off hy getuyge aldaer niet en heeft gesien staen een tente van Syne Majesteyt van Denemercken. cuyper. desen articule waerheyt te sijn.388 in margine van yder van de navolgende articulen gestelt ende geannoteert is. (H.G.J.) Verclaert jae. van Staveren.) Seyt opt schip van Cleyn Dornet van Serdam en onder desselffs commandement. gemaect ten versoucke van de heere Cornelius Vinck. waerheyt te sijn: Interrogatoir. omme daerop verhoort ende geëxamineert te werden den persoon van Lucas Gerritsz.J. met ocxhoofden ende hoepen. (L. van Hasselt in Overijssel. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende dat er dertich sloepen waeren.J.) Seyt met den schepe genaemt De Met wat schip ende onder wiens Vergulde Meulen ende ondert commandement? commandement van Wybrant Janss.) Verclaert jae.

) Deposeert.389 (L. desen articule mede waer te sijn.) Attesteert als vooren. (L. jae. ende dat de Engelsen drie sloepen gebruyct hebben. ocxhooffden ende hoepen mitsgaders sloepen geroert ende gebruyct heeft? (H.J. Wie ofte wat personen in de tente geweest ende de voorsz. dat hy getuyge in Spitsbergen geweest is. dat de deelen van de tente vertimmert sijn aen andere tenten ende dat eenige vaeten verbrant sijn by 't volck wt dese landen. maer meest by 't volck van Willem Pedy van Rotterdam. ende heeft hy getuyge hem selffs oock daerby gewarmt. ocxhooffden ende hoepen. dat de speckback gedestrueert ende dat twee van de sloepen tot specksloepen gemaect ende gebruyct sijn. tente geweest. Off geduyrende de tijt.) Attesteert sulcx gedaen te sijn by volck in dienste van de Compagnie hier te lande wesende.J.J. ende dat de Engelsen drie van de sloepen gebruyct hebben. Deel 30 . oock yemant in de voorsz.G. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.) Deposeert jae. de voorsz. mitsgaders sloepen geroert ende gebruyct hebben? (H. Van gelycke.

) Verclaert dat de tente heel vernielt is.) Deposeert. betreffende de verdeeling van het spek. 3. afkomstig van eenige visschen. ende de ocxhooffden ende hoepen dat die waeren wechgevoert. gevangen door een schip der kamer Amsterdam. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. in 1632 door de schepen van Amsterdam gevangen na het vertrek der schepen van de andere kamers. burgers deser stede.J.G. Ende ten tyde van sijn getuygens vertreck van Spitsbergen.390 (L. dat de tente heel gedestrueert ende de staecken daervan maer sijn blyven staen. tente. in wat staet ofte gestaltenisse hy de voorsz. Antwoord van de bewindhebbers der kamer Amsterdam op eene insinuatie van de andere kamers der Compagnie. Gedaen binnen de voorsz. Deel 30 . stede van Amsterdamme ter presentie van Symon Stem ende Thijs Janss. ende dat eenige vaeten verbrant sijn ende dat bynae alle de hoepen ende is yets gebleven maer weynich waerdich. 21 November 1633. alsmede van het spek afkomstig van eenige visschen. Coebergen. wtgenoomen de staecken. ocxhoofden hoepen ende sloepen gelaeten heeft? (H. getuygen hyertoe versocht. Dese is in de mienuyte geteeckent.

Heeren Bewinthebberen van der Noorder Compagnie. zal worden gestaakt. Rotterdam.391 gedurende een ontdekkingsreis voor rekening dier kamer gedaan. Middelburch.. terwijl ten slotte de eisch wordt gesteld. Deel 30 . Rotterdam. ter camere binnen deser steede. Vlissingen ende ter Veere soude insinueeren ende Haer Edele daeraff ende van de antwoorden daerop te volgen soude leveren acte. dat de baleinen. Vlissingen ende ter en Veere op den 18 November deses jaers 1633 door den notaris Abraham van Vliet aen hunlieden hebben doen insinueren. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Voor het geval aan deze eischen niet wordt voldaan. luydende 't selve geschrifte. en Op huyden den 21 November 1635. antwoorde ende contraprotestatie. by den Hove van Hollant geadmitteert. Tevens wordt geëischt. antwoorde ende contraprotest aldus: De bewinthebberen van de geoctroyeerde Noordsche Compagnie ter camere van Amsterdam gehoort ende gesien hebbende de insinuatie ende protestatie. zegt Amsterdam alle contracten met de andere kamers op. ende aldaer weesende hebben de voorn. Heeren Bewinthebberen my ter handen gestelt seeckere geschrifte. openbaer notaris tot Amsterdam residerende. die de andere kamers onder zich hebben. versocht sijn(de) te compareeren ter vergaderinge van de E. die de bewinthebberen van deselve compagnie van de cameren van Delff. versoeckende dat ick met twee getuygen sulcx aen de bewinthebberen van deselve compagnie ter camere tot Delft. Hoorn. dat de stelselmatige oppositie. die de andere kamers tegen Amsterdam voeren. Hoorn. ick Jan Warnaertsz. Enchuysen. Enchuysen mitsgaders van de cameren Middelburch. aan het verkoopkantoor zullen worden toegezonden.

seggen oock waer te sijn. tegen haere expressen last ende commissie. ten waere weder en wint anders veroorsaeckte. die volgens de voorgaende generale resolutie. dat de commandeurs van de insinuanten. gelijck hetselve by de voernoemde commandeurs buyten ordre in den jare 1631 oock is geschiet. sonder noot van weder ofte wint op en den 6 Augusti van denselven jaere haer vervordert hebben vandaer te vertrecken.392 seggen voor antwoorde.. het speck afgesneden ende in vaeten ende backen geleyt. met expressen last en ordre om de voorengemelde visscherie aen 'tselve eyland beneffens de scheepen van de andere camers te plegen. om deselve hare schepen ende ingeladen traen te doen verseeckeren. ende met kennisse van de respective commandeurs. latende de schepen van Amsterdam aldaer alleen. Deel 30 . vandaer niet en te vertrecken nochte naer huys te keeren voor den 28 Augusti. welck speck by de commandeurs van Amsterdam in den verleden saysoene 1633 aldaer tot traen gecoockt is. welcke schaede de bewinthebberen van Amsterdam oock in meyninge zijn aen de andere cameren te verhaelen. in Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. dat de camer van Amsterdam in den verleden jaere 1632 op den visscherye van den walvisch aen het eyland Maurittius gehouden hebben twee schepen onder de commandeurs Wybe Jansen ende Cors Janss. voor dien tijt aen het eyland gelaeten. de scheepen van Amsterdam alsdoen meede aldaer alleen latende. by alle de leden van deselve compagnie getyckent. dat oock de waerheyt is. aldaer sijnde. waerdoor de camer van Amsterdam genootsaeckt is geweest. buyten ordre. een notable somme te spenderen tot premien. dat waer is. dat de scheepen van Amsterdam naer het ontydig vertreck van de andere schepen in den verleden jaere 1632 eenige visschen hebben geschooten ende gedoot.

soo hebben deselve insinuanten het Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. met aensegginge. soo dien van Amsterdam alsulcken notoor gewelt feytelijcken hadden willen wederstaen. haerlieden onderwerpende de wtspraeck van neutrale goede mannen. de camer van Amsterdam by repartitie aengedeelt. seggen oock warachtich te sijn. ende dat met maniere van doen geheelijcken strydende jegens de societeyt. de commandeurs van Amsterdam met gewelt affhandich te maeken 8939 mengelen traen. vertrouwende dat de voorsz. dat de questie met den eygendom van denselven traen by de meesters int generael wel soude werden vergelecken ende geaccordeerd. Deel 30 .393 de schepe van Amsterdam ingeladen. stellende door sulcken middel het leven van veele persoonen in perijckel. dat de commandeurs van de insinuanten daerop geen contentement nemende. 'twelck in den jaere 1632 by die van Amsterdam na het ontydig vertreck van de andere scheepen was becomen. dat hetselve attentaet mochte werden gerepareert ende dat denselven traen tot Amsterdam aen de geinsinueerde mochte worden toegesonden. daertoe te verkiesen. presenterende die van Amsterdam de questie van de eygendom over het speck ofte traen. doch in plaets van dat de insinuanten alsulcke onbehoorlijcken manieren van procederen soude desavoyeren. haer vervoordert hebben. int vriendelijcken te willen laten decideren. insinuanten alsulcken enorme proceduren niet en souden toestaen. daervan gecomen. aen de insinuanten int vrindelijcken hebben geschreven en versocht. dat soo haest de bewinthebberen van Amsterdam (de schepen wtter zee thuys gecomen sijnde) hetselve exes ende gewelt vernomen hebbende. soo solemneelijcken tusschen de respective cameren gemaeckt. daermeede verbreckende het contract.

dat de insinuanten van tijt tot tijt met te voren geconformeerde advysen ende gecomplotteerde stemmen verschynen op de ordinaris vergaderingen. verwerpende alle goede ende de compagnie dienstige propositie. mits dat die van Amsterdam sullen beloven ende tevreden zijn. welck voorbeelt ende exempel de commandeurs en de ministers van de insinuanten aen de plaetsen van de visscherie oock naervolgende en zijn plegende. als de commandeurs van de insinuanten in den verleeden saysoenen met gewelt die van Amsterdam hebben ontnomen. dat de bewinthebberen van Amsterdam van over langen tijdt metter daet bevonden hebben. ende tot noch toe die van Amsterdam de voorss. Deel 30 . waerover de camer van Amsterdam genoechsaeme ende suffisant reden hebben om haer te separeeren van alsulcke schadelijcken ende sedicieuse societeyt. tot naerdeel ende schade van de gemeene sociteyt. doch insiende het gemeene beste van deselve compagnie ende dat door onderlingen twist ende vordere te ontstaene onlusten tusschen de respective leden den stant van de compagnie soude comen te vervallen in een irreparabele schade ende confusie. soo sijn de bewinthebberen van Amsterdam evenwel tevreden te continueren voor den aenstaenden jare in een goede ende oprechte societeyt op desen naervolgende conditien: dat de insinuanten aen de bewinthebberen van Amsterdam preciyselijcken sullen hebben te restitueeren alsulcken traen. 8939 mengelen traan onthouden. dat de questiën van het speck. sal worden afgedaen staende Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap.394 doen van haere commandeurs gelaudeert ende geabbrobeert. in den jaere 1632 by hunlieden naer het vertreck van de andere schepen becomen. Het is oock sulcx. dewelcke tot verscheyden teyden by die aan Amsterdam gedaen sijn.

ende in cas van weygeringe derselver conditiën. dat de insinuanten oock sullen betaelen elcks haer portie in de bodemerie ende monteringe van vier sware stucken extraordinaris. in handen van de commissarissen. om naerder ondeckinge ende possessie te nemen van seecker lant ofte eylant. doch sonder eenige reden ofte fondament. te willen helpen beslissen ende nederleggen. presenteren vorders die van Amsterdam alle voordere questiën ende misverstanden. volgens het contract opt stuck van de baerden gemaeckt. ende de insinuanten voorgeven eenighe pretensie daerop te willen maecken. daertoe te verkiesen. soo verclaeren de bewinthebberen ter camere van Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. niettegenstaende alreede eenige questiën soude(n) mogen voor andere arbiters sijn gebracht. by hunluyden voor desen ondeckt ende opgedaen. ende alsoo de bewinthebberen van Amsterdam in den verleeden zaysoene hebben wtgemaeckt een schip.395 dese vergaderinge by drie onpertydige coopluyden. Deel 30 . ende onderweezen op deselve reyse eenige walvisschen by het volck van hetselve schip in zee zijn geschooten ende becomen. op het schip van den Generael Cornelis Ys geleyt. die tusschen de respective leden souden mogen wesen. tot defentie van de gemeene vloote ende visscherye in den verleeden saysoenen aen Spitsbergen. dat de respectieve cameren oock sullen gehouden sijn sonder uitstel te leveren alle de ballynen. ofte die (te) willen submitteren voor sooveele hunlieden aengaet onder de arbitragie van drie neutrale coopluyden. soo sullen de insinuanten van alsulcken voornemen desisteren ende die van Amsterdam in toecomende daerover ongemoeyt laten. totten verkoop van de gemeene baerden gestelt. die syluyden onder haer sijn hebbende.

’ Gedaen binnen Amsterdamme ter presentie van Jan Snider ende Cornelis Corbault. ontstaan tengevolge van dezelfde gebeurtenissen. als getuygen. maer mogen de insinuanten haerlieden daerin gouverneeren naer haeren raedt gedraegen sal. duydelijck voorgelesen ende geinsinueert. byeen waeren. excempt Hooren. die aanleiding gaven tot de geschillen tusschen Amsterdam en de andere kamers. Naschrift. Toen de voorgaande stukken op het punt stonden afgedrukt te worden.E. waarop de laatste der notarieele acten (die van 21 November 1633) betrekking Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. ende 't voorenstaende antwoort ende protestatie H. Volgende welck versoeck hebbe ick (my) tenselven daege mette getuygen naegenoemt getransporteert ten huyse van de weduwe Coesart. protesterende voorders van alle schaden ende interessen. omme daernae daerop te antwoorden. alwaer bewinthebberen van de voorsz. ontdekte ik. alreede geleeden ende noch te leyden. gelijck de bewinthebberen van Amsterdam oock sullen doen. compagnie ende vuyten cameren voorengemelt. nochte met deselve niet (te) connen besoengeeren oft eresolveeren opt stuck van de aenstaende equipagie.396 Amsterdam met de insinuanten geene voordere societeyt ofte gemeenschap te connen houden. dat het door Mr. Muller meermalen geciteerde arrest van den Hoogen Raad van 4 April 1637 betrekking had op een geschil tusschen de kamers Hoorn en Enkhuizen. die daerop door bewinthebberen van de camere van Delft seyde: ‘levert ons copie. Deel 30 . hierover gestaen.

dat Amsterdam traan heeft aangevoerd. dat in het najaar van 1632 begonnen werd.l.397 heeft. In het arrest wordt geen melding gemaakt van de walvisschen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. in deze acte gegeven. Niet alle kamers toch hadden in 1632 bij Jan Mayen-eiland gevischt. Daar in het arrest de voorstelling van zaken. Het vertrek der schepen vóór den daarvoor gestelden dag blijkt nog tot andere geschillen aanleiding te hebben gegeven. 82. Wel wordt erkend. Slechts Amsterdam zond naar beide eilanden schepen uit. Deel 30 . Begrijpelijk is dus. Het contract 1) van 3 November 1630 had n. die door de schepen van Amsterdam. noot 1. ter vermijding van onkosten. tot één dier visch- 1) Zie Muller blz. die in 1631 op Jan Mayen-eiland was achtergelaten. doch deze wordt gezegd afkomstig te zijn van de voorraad. gevangen zijn. die voor het bedrijf der Compagnie trouwens niet vereischt waren. dan wel bij Jan Mayen-eiland zou visschen. niet slechts elks quote voor de komende vier jaren vastgesteld. Het spek van de in 1632 gevangen visschen is toen immers ongekookt op het eiland achtergelaten en eerst het volgende jaar afgehaald. Niet alleen echter tusschen Amsterdam en de andere kamers rezen moeilijkheden. na het vertrek der andere. doch blijkt ook ten aanzien van elke kamer te hebben bepaald of zij bij Spitsbergen. op een enkel punt wordt aangevuld. terwijl deze andere geschillen ons weder een nieuw ontwikkelingsstadium van het kartel te aanschouwen geven. meen ik daaraan alsnog het volgende te mogen ontleenen. dat in dit proces tusschen Hoorn en Enkhuizen. de andere kamers bepaalden zich. Het een zoowel als het ander kan zijn gebeurd. daarvan nog geen melding werd gemaakt.

398 terreinen. toch een zekere hoeveelheid traan zouden binnenkrijgen. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 30 . welke door Amsterdam van Jan Mayen-eiland was aangevoerd. viel niet vol te houden. die de andere kamers op Spitsbergen hadden gewonnen en evenzeer in die. Zoodoende werd gewaarborgd. n. die deze traan hadden aangevoerd. daardoor het contract geschonden en hun recht op een deel der bij Spitsbergen gemaakte vangst verspeeld hadden. Slechts moesten zij dan voor deze hoeveelheid traan kookgelden vergoeden en vracht betalen aan de kamers. eischten zij hun deel in de traan. Toen nu in 1632 de schepen der kamers Enkhuizen. daar immers het gebeurde met de Amsterdamsche schepen bewezen had.l. dat de vangst op elk eiland verdeeld zou worden niet slechts tusschen de kamers. dat als aan een der eilanden de vangst mislukte. omdat zij door dit te vroege vertrek zich de kans hadden laten ontgaan nog een lading traan binnen te krijgen. maar zelfs voordeelig zou zijn geweest. Delft en Veere onverrichterzake van Jan Mayen-eiland terugkwamen. en beweerden. de kamers. dat de kamers. De andere kamers wezen echter dit beroep op het generale contract van 1630 af. wier schepen te vroeg van Jan Mayen-eiland vertrokken waren. doch tusschen alle kamers der Compagnie. hun aandeel in hetgeen aan het andere eiland was gevangen. Bij deze betoogen der kamers Hoorn. Echter werd tevens bepaald. Rotterdam. die aldaar hadden gevischt.door voortdurend slecht weer tot dezen terugkeer vóór den daarvoor bepaalden dag zouden gedwongen zijn geweest. Dat zij . dat langer blijven niet alleen mogelijk. die daar hadden gevischt.gelijk hunne commandeurs volhielden . strikt genomen zouden deze kamers zelfs tot schadevergoeding verplicht zijn.

Alle processen te vermelden. vermoedelijk juist om hun het sluiten van een dergelijke overeenkomst mogelijk te maken. De mededeeling. 84. dat Hoorn in het komende seizoen met één schip bij Spitsbergen zou visschen en aldaar zes sloepen zou ter zee brengen. waar zij zouden visschen. werd gesloten. Ook over het contract. terwijl Enkhuizen een even groote uitrusting naar Jan Mayen-eiland zou zenden. die bij Spitsbergen hadden gevischt tot afgifte van een evenredig deel der aangevoerde traan werden veroordeeld. gelijk ik boven deed. die ter beslechting van deze geschillen gevoerd zijn. blijkbaar hebben zij slechts beoogd door dit nadere contract over en weer hun bedrijf te vereenvoudigen. men toch niet mag aannemen. 1) Op. Muller daaruit afleiden. Voorts was bepaald. blz. Daarin was bepaald. dat elk der beide kamers aan de andere de helft van haar vangst zou uitkeeren en deze hoeveelheid traan kosteloos zou kooken en vervoeren.s. de pretentie van Enkhuizen c. leert ons het arrest nog iets naders. Deel 30 . dat. is voor ons doel onnoodig. naar het schijnt voor één jaar. dat 11 Maart 1632 tusschen Hoorn en Enkhuizen. cit.399 Middelburg en Vlissingen sloot natuurlijk Amsterdam zich aan. dat de beide kamers tot één vennootschap waren versmolten. ook al mag men wellicht met Mr. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. moge volstaan. dat. dat deze kamers overeenkwamen hunne uitrustingen gezamenlijk te bekostigen. 1) Uit deze bepalingen blijkt. werd toegewezen en de kamers. voorzoover uit het arrest kan blijken. In het generale contract van 1630 was ten aanzien dezer beide kamers niet bepaald.

maar het aantal sloepen van elke kamer evenredig was aan haar quote in de vangst. Deel 30 . Echter werd het aantal schepen. naar ik meen. hoe groot de quote van elke kamer zou zijn. Muller het vermoeden uitspreekt. Daarbij deden echter nog andere omstandigheden hun invloed gelden.v. bij het vaststellen van de instructie voor de commandeurs. die in het vorige jaar was achtergelaten. de oplossing van een reeds hierboven besproken questie. n.B. waar deze kamer zou visschen en hoevele sloepen zij daar ter zee zou brengen. bij welke gelegenheid natuurlijk het ‘plan de campagne’ voor het komende seizoen werd opgemaakt. dat Mr.v. Zoodoende was dus verkregen. althans in 1618. De onderstelling van Mr.l. Daarom geschiedde deze bepaling dan ook elk jaar opnieuw. deze of al dan niet traan moest worden meegenomen.400 Ten slotte brengt het arrest. b. Muller wordt nu door ons arrest voor de latere jaren van het bestaan der compagnie echter in zooverre bevestigd. dat een zekere evenredigheid bestond tusschen de kosten. dat elke kamer zou uitrusten toch ook bepaald. Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. S. doch dat uit de stukken uit het Veersche archief blijkt. die de kamers voor het betalen der harpoeniers en de overige sloepbemanning moesten maken en hun aandeel in de vangst. dat niet het aantal schepen. dat. In de inleiding op de hiervóór afgedrukte stukken wees ik er reeds op. dat in het generale contract van 1630 blijkt te zijn aangegeven. alleen het aantal schepen werd verdeeld.