P. 1
Aanpak van vervuiling door kaarsen en rook in de Sint Martinuskerk

Aanpak van vervuiling door kaarsen en rook in de Sint Martinuskerk

Views: 279|Likes:
Kaarsen in kerken spelen een symbolische rol, en hebben de functie van verlichting. Helaas hebben ze ook een 'verduisterend' effect: ze veroorzaken roetaanslag en vuil. In de Martinuskerk in Weert wordt een relatief groot aantal kaarsen en veel wierook gebrand. De schilderingen op de muren en op de gewelven, die in de jaren '70 werden ontdekt en gerestaureerd zijn alweer bedekt met een dikke laag roet.

In 1996 verenigden het ICN, de Technischel Universiteit Eindhoven en de Rijksdienst Monumentenzorg hun krachten en startten een onderzoek, om vast te stellen welke factoren precies verantwoordelijk waren voor de vervuiling en hoe (verdere) schade voorkomen kon worden. Niet alleen de kaarsen en de wierook waren schuldig, ook het verwarmingssysteem (vloerverwarming) en de luchtstromen speelden een rol.
Gedurende twee jaar (1997-1998) werden metingen verricht, waarbij onder meer temperatuur en luchtvochtigheid werden gemeten op diverse plaatsen binnen en buiten de kerk. Een computermodel werd gemaakt om de luchtstromen en verwarmingseffecten visueel te maken. Daarnaast werd een chemische analyse gedaan van de lucht en de roet/vervuiling, om de bronnen van de vervuiling vast te stellen. Enkele van de uitkomsten waren, dat aangepaste verwarming en het gebruik van een ander soort kaarsen al aanzienlijk zou helpen, terwijl tegelijkertijd het comfort voor de kerkgangers groter zou worden.

Auteur: Rutger Morelissen
Uitgever: SPCR
Jaar van uitgave: 2005
Bron: Cr 4, 2005
Kaarsen in kerken spelen een symbolische rol, en hebben de functie van verlichting. Helaas hebben ze ook een 'verduisterend' effect: ze veroorzaken roetaanslag en vuil. In de Martinuskerk in Weert wordt een relatief groot aantal kaarsen en veel wierook gebrand. De schilderingen op de muren en op de gewelven, die in de jaren '70 werden ontdekt en gerestaureerd zijn alweer bedekt met een dikke laag roet.

In 1996 verenigden het ICN, de Technischel Universiteit Eindhoven en de Rijksdienst Monumentenzorg hun krachten en startten een onderzoek, om vast te stellen welke factoren precies verantwoordelijk waren voor de vervuiling en hoe (verdere) schade voorkomen kon worden. Niet alleen de kaarsen en de wierook waren schuldig, ook het verwarmingssysteem (vloerverwarming) en de luchtstromen speelden een rol.
Gedurende twee jaar (1997-1998) werden metingen verricht, waarbij onder meer temperatuur en luchtvochtigheid werden gemeten op diverse plaatsen binnen en buiten de kerk. Een computermodel werd gemaakt om de luchtstromen en verwarmingseffecten visueel te maken. Daarnaast werd een chemische analyse gedaan van de lucht en de roet/vervuiling, om de bronnen van de vervuiling vast te stellen. Enkele van de uitkomsten waren, dat aangepaste verwarming en het gebruik van een ander soort kaarsen al aanzienlijk zou helpen, terwijl tegelijkertijd het comfort voor de kerkgangers groter zou worden.

Auteur: Rutger Morelissen
Uitgever: SPCR
Jaar van uitgave: 2005
Bron: Cr 4, 2005

More info:

Published by: Collectiewijzer Netwerk on Mar 01, 2010
Copyright:Attribution Non-commercial No-derivs

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

09/28/2013

pdf

text

original

26

Verduisterend licht in de Sint Martinuskerk
Een kerk is niet hetzelfde als een museum. Toch bevatten kerken, zowel katholieke als protestante, heel vaak kunstwerken. Die kunstvoorwerpen kunnen divers van aard of materiaal zijn: schilderingen en schilderijen, glas in lood, beelden, wandtapijten, edelsmeedkunst, rijk uitgevoerde bijbels, liturgische boeken enzovoort.
Rutger Morelissen, Henk Schellen, Marcel van Aarde 1 De Sint Martinuskerk in Weert.

Integrale aanpak van vervuiling door kaarsen en wierook
Daarom heeft men hier ook te maken met beheer en behoud van gebouw én kunstvoorwerpen op een andere wijze dan in een museale situatie, alleen al omdat de kunstvoorwerpen hier meestal een gebruiksfunctie hebben. Bij aanbrengen van verlichting of verwarming is het comfort van de gelovigen uitgangspunt. Dit soort maatregelen heeft vaak gevolgen voor zowel kunstvoorwerpen als gebouw. Daarover gaat het hier. Kaarsen spelen van oudsher een belangrijke rol in zowel de katholieke als (in iets mindere mate) de protestantse eredienst en hebben behalve een functie als lichtbron ook een symbolische functie. Het branden van kaarsen, wierook en olielampen heeft

Cr 4 2005

helaas een ongewenst bij-effect: het veroorzaakt roet en vuilaanslag. Het ‘licht’ heeft daarmee uiteindelijk een ‘verduisterend’ effect. De aanslag is op den duur schadelijk voor het kerkgebouw zelf, maar ook voor kunstvoorwerpen in het kerkgebouw: de eerder genoemde schilderingen, beelden, altaren, meubilair, wandtapijten enzovoort.
De Sint Martinuskerk Het gebruik van kaarsen, wierook en olielampen verschilt per kerkgemeente. De Sint Martinuskerk in Weert kent een zeer levendige gemeente, de kerk wordt veelvuldig bezocht door gelovigen. Ook worden relatief grote hoeveelheden kaarsen en wierook gebrand. De Sint Martinuskerk is een laatmiddeleeuwse hallekerk, een kerktype waarbij schip en zijbeuken even hoog zijn. De kerk kent verschillende bouwfases, het koor en de drie oostelijke traveeën dateren van circa 1456 en het westelijk deel van de kerk werd voltooid in 1520. De kerk heeft meerdere restauraties ondergaan, [1] de meest recente zijn hier van belang. Het interieur is bijzonder rijk: er zijn grote aantallen altaarstukken en heiligenbeelden uit verschillende periodes en de gewelven zijn zeer rijk beschilderd. Ook zijn er enkele muurschilderingen uit verschillende periodes. De gewelfschilderingen dateren uit de periode van circa 1456 (uit[2] sluitend in de drie oostelijke traveeën) en 1520 en zijn van hoge kwaliteit. Het betreft een schildering over alle drie de beuken van zeer verfijnd en plastisch weergegeven ranken en bloemen, waartussen vele figuren die engelen en – op enkele plaatsen – duivels voorstellen (zie afb. 2). In de 16de eeuw werd de kerk, zoals de meeste kerken in Nederland, witgekalkt. Zowel gewelf- als muurschilderingen zijn pas vrij recent (in 1975) ‘herontdekt’ en vervolgens in de periode 1976-1979 vrijgelegd door restaurator Rob Bremer. Kort na de voltooiing van deze vrijlegging sloeg het noodlot toe en ontstond brand in het verwarmingssysteem. De brand werd snel geblust, maar veroorzaakte veel rookschade: de gehele kerk, inclusief de gewelfschilderingen, was bedekt met een dikke vettige roetlaag. Vrijwel onmiddellijk werd besloten deze laag te verwijderen. Opnieuw ging Rob Bremer met een team van vrijwilligers aan het werk. Het roet werd van de gewelfvlakken verwijderd door de vlakken af te rollen met plasticine, dat vooraf zoveel mogelijk was ontdaan van olie. In 1989 (amper 10 jaar later) moest echter worden vastgesteld, dat er opnieuw sprake was van roetaanslag op de gewelven. Dit maal leek de oorzaak te liggen in het gebruik van kaarsen en wierook. Ook ontstond het vermoeden dat het in 1984 geplaatste vloerverwarmingssysteem hierbij een rol speelde. De start van het onderzoek Omdat de situatie verslechterde, werd in 1996 een gezamenlijk onderzoek gestart door ICN, TU Eindhoven en Rijksdienst Monumentenzorg (de Sint Martinuskerk is een rijksmonument). Doel van het onderzoek was vast te stellen welke factoren de vervuiling veroorzaken (en in welke mate) en vervolgens vast te stellen hoe de vervuiling kan worden tegengegaan. ICN en TU Eindhoven werken overigens regelmatig samen, vooral wanneer het dit soort complexe situaties betreft, waarbij de expertises van beide instellingen elkaar aanvullen. Behalve de bron van de vervuiling, de gebruikte kaarsen en wierook, werden ook het verwarmingssysteem en de daarmee samenhangende luchtstromingen in het kerkgebouw onderzocht. Ook de aanwezige verlichting in het kerkgebouw werd onderzocht. Het gehele onderzoek vond plaats in nauw overleg met de opdrachtgever, de Stichting Martinusmonument. De reiniging van de gewelven In 1996 werden door Rob Crèvecoeur (Senior-adviseur ICN en sinds de ontdekking van de schilderingen betrokken bij zowel res-

tauratie/reiniging als het verdere onderzoek) en restaurator Rob Bremer reinigingsproeven gedaan in het westelijk deel van de zuidelijke zijbeuk. Zowel traditionele als nieuwe reinigings[3] methodes werden beproefd. Uit een aantal bruikbare methodes werd uiteindelijk een nieuw ontwikkelde methode gekozen: het zogenaamde ‘gumpistool’, een techniek waarbij rubberbolletjes met dezelfde samenstelling en eigenschappen als de bekende wish-ab-sponsjes door middel van een zwakke luchtstroom op het oppervlak worden geblazen en zo het vuil mee afnemen. Uit proeven bleek dat deze techniek zeer flexibel en beheersbaar is (de spuitmond van het ‘pistool’ is instelbaar) en goede mogelijkheden biedt voor het verwijderen van vuil in de schilderingen zelf. Gebruik van een wish-ab-sponsje of een roetspons geeft in zekere mate een zijdelingse mechanische kracht. De rubberbolletjes, die vrijwel haaks op het oppervlak aankomen, erlangs rollen en vuil meenemen, geven een beter en veiliger resultaat. Bovendien kunnen de bolletjes een aantal malen worden ‘hergebruikt’. Restaurator Rob Bremer werd opnieuw ingeschakeld om de gewelven te ontdoen van de roetlaag met behulp van dit gumpistool (zie afb. 3). Een belangrijk voordeel van deze methode is het relatief hoge tempo waarin gewerkt kan worden. Begin 2004 werd gestart met de reiniging in de zuidelijke zijbeuk, lente 2005 was het werk voltooid.
Het verwarmingssysteem Tengevolge van het in 1984 geplaatste, trage vloerverwarmingssysteem kon de kerk alleen maar stationair gestookt worden. Dit resulteerde in behoorlijke thermisch gedreven luchtstromingen, die ook tocht veroorzaakten. Om het toch comfortabel te hebben werd de luchttemperatuur nog verder opgestookt. Hierdoor waren ook de energiekosten erg hoog. Om vervuiling in de toekomst te voorkomen werd een groot aantal maatregelen genomen. Een meetmethode moest ontwikkeld worden om mogelijk voortschrijdende vervuiling in de toekomst te kunnen volgen. Uit literatuur is bekend dat vloerverwarming kan leiden tot sterk opwaarts gedreven luchtstromingen. Als er ook een luchtvervuilingsbron aanwezig is in de vorm van roet producerende kaarsen en wierook, dan bestaat een grote kans op oppervlaktevervuiling van wanden en gewelf. Voor de vervuilingsconcentratie is de ventilatie of infiltratie heel belangrijk. Daarom werd een onderzoek gestart naar de bronnen van vervuiling, naar ventilatie- of infiltratievouden, en naar het effect van de vloerverwarming op de [4] thermisch gedreven luchtstromingen.

27

De offerkaarsen zijn sinds 1999 vervangen door grote en kleine offerlichten
Metingen Gedurende twee jaar (1997-1998) werden de volgende lange-duur metingen quasi continu uitgevoerd. Halfuurlijks vond meting en registratie plaats van luchttemperaturen en relatieve vochtigheden bij het preekgestoelte, het orgel en boven de gewelven onder de kapconstructie. Gelijktijdig werden de luchttemperatuur en de relatieve vochtigheid buiten gemeten en geregistreerd. Nabij de noordgevel werden met hetzelfde interval 2 oppervlakte-temperaturen gemeten: die van de vloer iets uit de wand ter plaatse van de vloerverwarming en de wandtemperatuur op ca. 1 meter hoogte. Onder winteromstandigheden is een controle van de oppervlaktetemperaturen van het gewelf met infrarood thermografie uitgevoerd, een en ander in samenhang met de bepaling van de dauwpunttemperatuur van de binnenlucht. Plaatsen met een verhoogde kans op oppervlaktecondensatie zijn hierdoor vastgelegd. Op grond hiervan is een ‘kritische’ meetplaats op het binnenoppervlak van het gewelf vastgesteld, waar oppervlaktecondensatie mogelijk als eerste op kan treden. Op deze plaats is een oppervlaktetempe-

Cr 4 2005

28

Figuur 2: Kwalitatieve vergelijking van de vervuiling van glasfiber filters in de experimenten; de figuur geeft de vervuiling weer van de kaarsen erboven.

Figuur 3: Kwantitatieve vergelijking van de brandtijd van kaarsen (links boven), de roetproductie per uur (rechts boven) en de roetproductie per kaars (links onder).

Figuur 1: Luchtsnelheid als functie van het temperatuurverschil tussen vloer en lucht; gemeten waarden (links), gemiddelde waarden (rechts)

ratuuropnemer aangebracht, die met hetzelfde interval de oppervlaktetemperatuur heeft geregistreerd. Na het aanbrengen van de voorzetbeglazing heeft een indicatieve meting van infiltratie- en ventilatievoud met behulp van een gasanalyser plaats gevonden. Via een chemische analyse van de lucht en het stof is getracht de vervuilingsbronnen in de St. Martinuskerk te achterhalen. Daartoe is de lucht gedurende een dienst op een aantal plaatsen in de kerk op verschillende tijdstippen bemonsterd. Verder heeft een chemische analyse van de in de kaarsen voorkomende vluchtige stoffen plaats gevonden. In de installatieruimte zijn ingaandeen uitgaande temperaturen van het vloerverwarmingscircuit gemeten. In het Laboratorium voor Warmte en Vocht van de TU Eindhoven heeft tenslotte een meetprogramma naar de roetproductie van kaarsen en wierook plaatsgevonden.
Meetresultaten Uit de metingen in figuur 1 blijkt duidelijk dat er een relatie is tussen luchtsnelheid en stookperiode. Uit deze metingen is de luchtsnelheid als functie van het temperatuurverschil tussen vloer en lucht herleid en weergegeven in figuur 1. Er is een sterke indicatie dat de luchtsnelheid toeneemt met een verhoging van dit temperatuurverschil. In de rechter figuur zijn daarom de
Cr 4 2005

29

2

Beschildering met duivels op één van de beuken.

Figuur 4: meetschijf, zoals gemonteerd in de gewelfopening (links) en vergelijking van de oppervlaktetemperaturen via infrarood thermografie (rechts). Opmerking: de emissiefactor van het aluminium oppervlak van de cirkelvormige schijf moet in rekening gebracht worden bij interpretatie van de resultaten.

gemeten luchtsnelheden in klassen van gemiddelde temperatuurverschillen weergegeven. Het resultaat is een duidelijke snelheidstoename, bij verhoogd temperatuurverschil. Het natuurlijk infiltratievoud van de kerk werd gemeten via een tracergas-injectie en een registratie van de afname van de concentratie ervan op 6 verschillende plaatsen in de kerk. Het natuurlijk infiltratievoud bleek erg klein (n=0,08 h-1) in het geval de hoofdportaaldeuren waren gesloten en gemiddeld (n=0,33 h-1), met open deuren.

de onderzijde met het gewelf mee vervuilen en aan de bovenzijde, de zolderzijde, uitneembaar en te bemeten zijn. De thermische eigenschappen van de monsteropstelling is aangepast aan de gewelfconstructie zelf. Om een relatie te leggen tussen vochtgehalte van de lucht en het aantal personen in de kerk, werd bovendien een CO 2 meting verricht. Uit oppervlaktetemperaturenmetingen en relatieve vochtigheidsmetingen werd de relatieve vochtigheid nabij het gewelf bepaald. Uit een vergelijking van RV-metingen en CO 2-metingen blijkt dat de hoogste relatieve vochtigheden aan het oppervlak optreden gedurende december/januari 2002/2003 en 2003/2004: Kerstmis en nieuwjaar. Gedurende die periode werd de jaarlijkse grote kerststal in de St. Martinuskerk gebouwd, die ruim 100.000 bezoekers aantrok.

De elektrische kronen geven te weinig ‘leeslicht’ om gezangen en andere teksten bij te kunnen lezen
Vervuiling van het gewelf De roetproductie van de verschillende typen kaarsen werd gemeten in een door een glasblazer speciaal vervaardigde opstelling. Figuur 2 geeft een kwalitatieve vergelijking van de roetproductie van verschillende kaarsen en offerlichten. De figuur laat de vervuiling van de glasfiber filters in de opstelling zien. Uit de figuur is duidelijk dat de offerkaarsen en de altaarkaarsen de grootste vervuilers zijn. De offerkaarsen zijn sinds 1999 vervangen door grote en kleine offerlichten. Daarnaast bleek uit de studie dat het inkorten van de lont van kaarsen de vervuiling door onvolledige verbranding reduceert (zie fig. 2 en 3). Toekomstige vervuiling Met behulp van een spectrofotometer kon de optische verkleuring van het gewelf gemeten worden. Daartoe werden twee cirkelvormige gewelfschijven met proefmonsters ontwikkeld, die aan
3 Reiniging van de gewelven met het gumpistool.

Cr 4 2005

De relatieve vochtigheid nabij het gewelfoppervlak liet geen kritische waarden zien, behalve tijdens de korte perioden van Kerstmis en nieuwjaar. De vervuiling hangt dus niet samen met schimmelvorming. De metingen gaven een duidelijke relatie weer tussen vloertemperaturen en luchttemperaturen en daardoor ontwikkelde snelheden van de luchtstroming. Het resultaat van de vervuiling van het gewelf was duidelijk het resultaat van verticale thermisch gedreven luchtstromingen en depositie ten gevolge van thermoforese. Een onderzoek naar de roetproductie van offerkaarsen, offerlichten, altaarkaarsen en wierook gaf aan dat offerlichten slechts een fractie van de roetvervuiling van offerkaarsen produceren. Daarom leidt reductie van de luchtstromingen, verhoging van de oppervlaktetemperatuur van het gewelf, vervanging van de offerkaarsen door offerlichten en verbetering van de ventilatie tot een reductie van de vervuiling van het gewelf. De reflectiemetingen gedurende 3 jaar gaven geen significante vermindering van de L-waarden ten gevolge van vervuiling aan (zie fig. 4).
De verlichting van het kerkgebouw Tenslotte nog iets over de verlichting van het interieur. De aanwezige verlichting in het kerkgebouw bleek niet effectief te zijn: de elektrische kronen geven te weinig ‘leeslicht’ om gezangen en andere teksten bij te kunnen lezen. Ook hebben de lichtkronen een nogal verblindend effect wanneer men omhoog kijkt om de gewelfschilderingen te bekijken. Momenteel worden nieuwe verlichtingselementen ontwikkeld, die de ruimte zowel efficiënt als verantwoord (voor de gewelven) verlichten en bovendien vanuit esthetisch oogpunt geen ‘dissonant’ vormen in het interieur van de kerk. Bij dit ontwerp wordt uitgegaan van 50 Lux op de gewelven en 150 Lux op de zitbanken (voor voldoende leeslicht).

30

Conclusie Eredienst en behoud van de kunstschatten van een kerk lijken misschien moeilijk te verenigen, maar het is vaak mogelijk acceptabele oplossingen voor beheersproblemen te vinden. Dit bijzondere project in Weert illustreert dat. Het doel om zowel oorzaken als gevolgen van de vervuiling binnen het kerkgebouw aan te pakken én te toetsen, lijkt te zijn bereikt. De metingen hebben aangetoond dat aangepast stookbeleid en overschakeling op offerlichten de vervuiling aanzienlijk hebben verminderd. De schilderingen zijn weer ontdaan van roet en vuil en wanneer deze op gerichte en verantwoorde wijze zullen worden aangelicht, komen deze meer dan ooit tot hun recht. De genomen maatregelen hebben positief effect gehad op het comfort van de gelovigen en de nieuwe verlichtingselementen zullen daaraan nog bijdragen. Nauwe samenwerking van de Stichting Martinusmonument, ICN, TU Eindhoven en RDMZ is hier zeer vruchtbaar en effectief gebleken.
Rutger Morelissen is werkzaam op de afdeling Advies van het ICN, Henk L. Schellen is Universitair hoofddocent Technische Universiteit Eindhoven en Marcel A.P. van Aarle isonderzoekmedewerker Technische Universiteit Eindhoven [1] Omdat het voor het onderwerp van dit artikel niet relevant is, zal hier verder niet worden ingegaan op de bouwgeschiedenis en vroegere restauratiegeschiedenis van de kerk. [2] De schilderingen bevatten een datering met het jaartal 1520. De oudere schilderingen uit ca. 1456 werden in 1520 overschilderd, maar zijn in 1975 op een aantal plaatsen vrijgelegd. [3] Over de reiniging van de gewelven wordt een artikel voorbereid door Rob Crèvecoeur, Rob Bremer en Rutger Morelissen. [4] Dit onderzoek werd uitgevoerd door de TU Eindhoven, onder leiding van Henk Schellen

Cr 4 2005

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->