You are on page 1of 4

AARDRIJKSKUNDE

WAAR WOON JIJ?
Weet jij hoe al deze huizen genoemd worden? Kies uit:
vrijstaand huis – tipi – woonwagen – bejaardentehuis – paalwoning – wolkenkrabber
– hol – paleis – iglo – kasteel – klooster – asiel – boerderij – nest – villa – hok –
bungalow – flat – blokhut – grot – rijtjeshuizen – caravan – woonboot – hotel

01)
02)
03)
04)
05)
06)
07)
08)
09)
10)
11)
12)
13)
14)
15)
16)
17)
18)
19)
20)
21)
22)
23)
24)
Een dor p in Neder l and

Zo zie je een dorp, als je het vanuit een vliegtuig bekijkt. Herken je alles? Kies uit:

molen – schepen – kasteel – spoorbrug – rivier – station – dorp – hoofdstraat –
sloten – boerderij – huizen – viaduct – trein – meer – fabriek – spoorlijn – kerk –
kampeerterrein – kanaal – akkers – autoweg – bos – brug - weiland

01) 09) 17)
02) 10) 18)
03) 11) 19)
04) 12) 20)
05) 13) 21)
06) 14) 22)
07) 15) 23)
08) 16) 24)
HETZELFDE dor p in Neder l and

Dit is de plattegrond van het dorp op de vorige pagina. Herken je nu ook weer alles?
Kies uit:
molen – schepen – kasteel – spoorbrug – rivier – station – dorp – hoofdstraat –
sloten – boerderij – huizen – viaduct – trein – meer – fabriek – spoorlijn – kerk –
kampeerterrein – kanaal – akkers – autoweg – bos – brug - weiland

01) 09) 17)
02) 10) 18)
03) 11) 19)
04) 12) 20)
05) 13) 21)
06) 14) 22)
07) 15) 23)
08) 16) 24)
IN EN OM HET DORP
1) De meeste winkels van het dorp staan in de …………………..………………….. .
2) Op de …………………..………………….. groeit het koren.
3) Wie met de trein wil reizen, stapt in op het …………………..………………….. .
4) De koeien grazen in het …………………..………………….. .
5) In het …………………..………………….. wonen konijnen en eekhoorns.
6) Voor de trein ligt over het kanaal een …………………..………………….. .
7) In de …………………..………………….. staan grote machines.
8) Op een …………………..………………….. kun je fijn zeilen.
9) De boer en boerin wonen op de …………………..………………….. .
10) Een brug over een weg heet een …………………..………………….. .
11) In het dorp staan veel …………………..………………….. bij elkaar.
12) Een kanaal is recht, maar een …………………..………………….. heeft veel bochten.
13) De trein gaat niet over de gewone weg, maar over een …………………..………………….. .
14) Op de …………………..………………….. mogen alleen auto’s rijden.
15) Paarden, koeien, schapen en varkens heten samen …………………..………………….. .
16) De wieken van de …………………..………………….. draaien door de wind.
17) Al het water van het weiland loopt in de …………………..………………….. .
18) De fietsers moeten wachten, als de schepen door de …………………..………………….. varen.
19) Vroeger woonden er ridders op het …………………..………………….. .
20) In het kanaal varen veel …………………..………………….. .
21) De meeste mensen wonen in het …………………..………………….. .
22) ’s Zondags gaan de mensen naar de …………………..………………….. .
23) In de zomer staan er veel tenten op het …………………..………………….. .
24) De vrachtschepen varen door het …………………..………………….. .

Kies uit:
molen – schepen – kasteel – spoorbrug – rivier – station – dorp – hoofdstraat –
sloten – boerderij – huizen – viaduct – vee – meer – fabriek – spoorweg – kerk –
kampeerterrein – kanaal – akkers – autoweg – bos – brug - weiland