You are on page 1of 2

6.

3 Het potentiële BBP

economische groei: gemeten adhv de evolutie van het bbp op lange


termijn

→ afwijkend van het bbp dat een land zou kunnen halen als alle
productiefactoren worden ingezet
arbeiders die niet worden ingezet
kapitaalgoederen die niet worden gebruikt

werkelijk bbp  potentiële bbp

→ pot. : bepaald door


1. kapitaalgoederenvoorraad
2. beroepsbevolking
→ verschil tussen het werkelijk en potentiële bbp als procent van
potentiële bbp = output gap / productiekloof
onderbesteding: negatieve output gap
= potentiële bbp overstijgt werkelijk bbp
= een land kan meer produceren bij normale graad van inzet
van productiefactoren
• minder gevraagd dan er maximaal kan worden
geproduceerd → lage vraag  productie daalt → deel
productiecapaciteit wordt niet gebruikt
overbesteding: positieve output gap
= werkelijk bbp overstijgt potentiële bbp
= opgevangen door overuren, extra shifts
• meer gevraagd dan er maximaal kan worden
geproduceerd → meer vraag dan maximale productie
aan kan → veel werk → lage werkloosheid

1. kapitaalgoederen

materieel vaste activa


∑VA → met vaste activa financieel vaste activa
immaterieel vaste activa

⇒ uitbreidingsinvesteringen hebben invloed op de kapitaalgoederen en


dus ook op het potentieel bbp

1. beroepsbevolking

→ bepaald het arbeidspotentieel


⇒ mensen bereid om te werken ↑  arbeidspotentieel ↑
→ 3 soorten werkloosheid
seizoenswerkloosheid
conjuncturele werkloosheid
⇒ veroorzaakt door schommelingen van de vraag
structurele werkloosheid
⇒ constante kloof tussen arbeidspotentieel en het werkelijk
aantal werkende mensen
1. kwantitatieve oorzaak
oorzaak:
 diepte-investeringen
 verplaatsen van het productieproces naar
buitenland
2. kwalitatieve oorzaak
oorzaak:
 verkeerd opleidingsniveau
 gebrek aan mobiliteit