Verdere uitleg bij het didactisch analyse model.

Datum: 2010-03-09

Wat is het didactisch analysemodel? Dit model is een methodisch kader dat je kunt gebruiken bij het opzetten van een activiteit. Het wordt vooral gebruikt bij het opzetten van een educatieve activiteit ( workshop, training, voorlichting, informatiebijeenkomst, les, lescyclus etc.), maar je kunt het ook voor andere activiteiten gebruiken. Het principe van het model is, dat je bij de opzet en uitvoering van de activiteit rekening houdt met de context, de doelstellingen, de doelgroep, de randvoorwaarden, de ideeën die je (en/of de organisatie) heeft m.b.t. leren etc. Je start met een vooronderzoek; op basis van dit onderzoek maak je keuzes in wat je doet en hoe je dat doet. Het voortdurend maken van keuzes en het verantwoorden ( beargumenteren) hiervan, is iets wat bij het professioneel werken hoort. Zoals bij alles in het agogische werk, is het niet zo dat als je eenmaal een keuze gemaakt hebt, (een programma ontwikkelt hebt) dat je je hieraan vasthoudt. Als je bij de uitvoering merkt dat als je handelt volgens je plan/opzet, je toch niet de doelstelling bereikt wordt, dan stel je je manier van werken weer bij. Maar ook dit bijstellen is dan weer een bewuste keuze ( op basis van de informatie die je dan hebt en eerder niet kon hebben.) Het kan ook zijn dat je op basis van de uitvoering , de doelstelling verandert. Hoe je werkt en wat je doet blijft dus voortdurend in ontwikkeling. Wanneer pas je het didactisch analyse model toe? Als het goed is maak je altijd gebruik van dit model. Voor jullie is het daarom in deze fase van de opleiding belangrijk te leren om alle onderwerpen , die in het model aangegeven zijn, uit te werken en toe te passen. Dit leren kun je op verschillende manieren doen: 1. Je kunt een bestaande educatieve activiteit gaan analyseren volgens de onderwerpen in het model. B.v. iemand anders heeft een workshop uitgevoerd of een opzet gemaakt voor een workshop. Je gaat nu deze opzet analyseren m.b.v. alle onderwerpen die er bij het didactisch analyse model staan. Hierdoor zul je waarschijnlijk de opzet van de workshop gaan veranderen/verbeteren. Je kunt deze analyse ook doen als je zelf de betreffende workshop uitgevoerd hebt. 2. Je zet een activiteit op volgens het didactische analysemodel. B.v.. een assertiviteitstraining voor kinderen die gepest worden.Je gebruikt dan het didactisch analysemodel als kader om van daaruit te bepalen wat en hoe je dit gaat doen.

Hoe ga je concreet leren dit model toe te passen? Dit doe je door de opdracht bij het onderdeel “Didactiek” uit te voeren. Zie pag. 15 van het periodeboek. In het volgende studiejaar moet je een nieuwe activiteit volgens dit model zelfstandig in de praktijk opzetten en uitvoeren. Context: Zoals je weet is de kern van CMV: empowerment en participatie. Het gaat erom dat mensen sterker worden , erbij horen en meedoen. Om in een samenleving te bewegen, die steeds sneller verandert, moet je zelf ook steeds veranderen: bijleren en afleren . Mensen leren op verschillende manieren: in het dagelijkse leven en d.m.v. georganiseerde leerprocessen. Als CMV’ er zet je educatieve en vormingsactiviteiten op; maar ook maak je bewust gebruik van de informele leermogelijkheden. Als je een inloopgroep begeleidt, kan het zijn dat er een aantal jongeren is, dat wel iets samen zouden willen doen, maar niet goed weten wat. Het kan zijn dat dit signaal de aanleiding is voor het opzetten van een activiteit, die erop gericht is om dit helder te krijgen. Thema zou dan kunnen zijn: Wat wil ik doen in mijn vrije tijd. Het kan ook zijn dat je werkt in een organisatie, die cursussen geeft. Bv. in het kader van Kunstzinnige vorming. Je krijgt dan bv. de opdracht een toeleidingsactiviteit op te zetten voor de doelgroep: jongeren van 12-16 jaar. Wat en hoe je gaat doen heeft dus alles te maken met de organisatie van waaruit je de opdracht krijgt, de financiële middelen etc. De financiële middelen zijn vaak ook afhankelijk van wat op dat moment in de samenleving een belangrijk thema/onderwerp is. Vaak wordt er hiervoor dan subsidie gegeven.. Het laatste is belangrijk om rekening mee te houden als je zelf een idee hebt. Waar en bij wie moet je zijn om hiervoor financiële middelen te krijgen. De context van waaruit je werkt, kun je zien als het speelveld wat je hebt. Het maakt natuurlijk verschil of je een educatieve activiteit opzet vanuit een instelling die zich specifiek bezig houdt met educatie (ROC), of dat dit is vanuit een jongerencentrum. De context is bepalend voor de werving/activering ; doelstelling en de keuzes die je maakt m.b.t. de inhoudelijke opzet. Onafhankelijk van de context gaat het er altijd om dat er een uitdagende leeromgeving gecreëerd wordt, waarin optimaal en met plezier geleerd wordt.

Waar start je? Als je naar het model kijkt, zie je dat er een pijl getrokken is tussen “doelstelling” en “beginsituatie”. Het is duidelijk dat de doelstelling afhankelijk is van de beginsituatie c.q. het referentiekader (vertrekpunt) van de doelgroep . Als je vraaggericht werkt, laat je de doelstelling meer bepalen door de vraag /behoefte van de doelgroep. Als je een aanbod gerichte activiteit hebt, dan vertrek je meer vanuit de doelstelling van de organisatie. ( Vaak heb je ook dan eerder signalen gekregen vanuit de doelgroep en/of de samenleving dat er behoefte is aan een dergelijk aanbod. B.v. een cursus internet voor ouderen.) In de praktijk is het zo dat je meestal een globale doelstelling hebt en dat naarmate de beginsituatie meer helder is, je de doelstelling kunt concretiseren. Wat valt er onder de beginsituatie? Onder de beginsituatie vallen:: - Doelgroepanalyse : een analyse om de subjectieve en objectieve situatie van een groep mensen in kaart te brengen. - Randvoorwaarden: organisatorische mogelijkheden en beperkingen. - Begeleiding: ervaring en deskundigheid m.b.t. doelgroep en inhoud. - Maatschappelijke thema’s/trends analyseren ( aansluitend op de context). Een doelgroepanalyse maak je op basis van een vooronderzoek. D.m.v. onderzoek ga je op zoek naar objectieve en subjectieve gegevens. Dit doe je door het voeren van informele gesprekken met de doelgroep of sleutelfiguren. Het kan ook door: deskresearch, groepsdiscussie, het vrije interview, mondeling of schriftelijke enquêtes, buurtpanels, wandelen door de buurt etc. Het kan ook zijn dat je start met een toeleidingsactiviteit. Deze activiteit heeft tot doel om de deelnemers te activeren en om meer concreet zicht te krijgen op de belevingswereld van de potentiële deelnemers. De relevantie van gegevens is afhankelijk van de context c.a. doelstelling. Doelgroepanalyses kunnen ook per werksoort verschillen. ( Opbouwwerk, hulpverlening, sport) Voor iedere doelgroep gaat het om vragen over de leefwereld en leefgebieden. De objectieve gegevens hebben betrekking op: Leeftijd, aantal, opleidingsachtergrond, mate van zelfredzaamheid , leerstijl, leercondities etc ( zie bijlage in het periodeboek). Bij subjectieve gegevens moet je denken aan: Wat is het toekomstperspectief? Wat zou men graag willen?Welke nieuw gedrag zou men willen leren? Waar beleeft men plezier aan? Wat is betekenisvol? Wat weet c.q. kan men al m.b.t. het thema/onderwerp.? Hoe werken trends in de doelgroep door? Maatschappelijke trends: Welke maatschappelijke thema’s en/of veranderingen zijn relevant voor de doelgroep. B.v. alcoholgebruik van jongeren. Randvoorwaarden: Welke financiële middelen zijn er voor deze activiteit.? Zijn er richtlijnen/criteria m.b.t. de uitvoering? Waar moet je rekening mee houden? Begeleiding: Wat is de beginsituatie van de begeleiding: leerstijl/deskundigheid/beschikbaarheid etc.

Doelstellingen ( leerdoelen): Leerdoelen gaan altijd over gewenst gedrag in de toekomst. Voordat je een activiteit gaat ontwerpen, moet je altijd eerst vast stellen wat je wil bereiken. In de praktijk is het zo dat je meestal eerst start met een globale doelstelling b.v. deelnemen aan sportactiviteiten. Naarmate je meer zicht hebt op de beginsituatie kun je deze globale doelstelling concreter maken. Onder doelstellingen vallen alle mogelijke doelen. B.v. de deelnemers maken een tuinontwerp; de deelnemers schrijven een persbericht; jongeren de kans geven artistieke talenten te ontwikkelen; jongeren en ouderen in wijk X maken samen een film. Je kunt je voorstellen dat in het laatste voorbeeld de globale doelstelling is dat het contact tussen jongeren en ouderen in wijk X beter wordt. Soms kun je al in een vroeg stadium concrete doelstellingen maken; vaak is het zo dat de doelstelling gaandeweg concreter wordt. Misschien kun je ook tussendoelen maken. Hoe concreter de doelstelling, hoe makkelijker het is om keuzes te maken m.b.t. leerstof ( selectie en ordening). Hoe concreter de doelstelling, hoe beter je kunt nagaan of dit doel bereikt is ( toetsing en evaluatie). Programmeren c.q. opzet. Als je doelstellingen gemaakt hebt, kun je op basis hiervan bepalen wat er geleerd moet worden om dit te bereiken. Dit noem je de leerstof. ( Inhoud/wat). Je maakt hierbij altijd een selectie/keuze : wat is nodig, gewenst en haalbaar. Binnen deze leerstof maak je een ordening in opbouw. B.v. Doe doelstelling is: ouderen maken gebruik van digitaal betalen. Het is duidelijk dat de doelgroep gebruik moet maken van de computer. Omdat ze hier niet mee opgegroeid zijn, kan het zijn dat men hier wat onwennig/angstig tegenover staat. Als eerste zou men dan b.v. de beleving over het gebruik van computer met elkaar kunnen uitwisselen; nadien acties om kennis te maken met de computer etc. Het is belangrijk om bij de ordening van de leerstof ook altijd een evaluatie en/of toetsing mee te nemen. Dit is dan een programmaonderdeel. Leertheorie: Wat is je visie op leren van deze doelgroep? Welke leertheorieen sluiten aan bij jouw visie; de visie van de organisatie; de leerstijl van de doelgroep; de doelstelling. ( zie stencil: leertheorie.) Je kunt 4 belangrijke manieren van leren onderscheiden: a. leren door directe ervaring. b. Leren door sociale interactie. c. Leren door het verwerken van theorie. d. Leren door nadenken. Optimaal is een combinatie. Leeractiviteiten: Wat moeten de deelnemers doen om de doelstelling te bereiken. B.v. een formulier invullen op de computer. Werkvormen: Welke werkvormen passen bij de gestelde doelen en in deze situatie bij de leerstijl en interesses van deze doelgroep. Welke materiaal en welke hulpmiddelen zijn beschikbaar; wat moet je zelf maken? Wat spreekt de doelgroep aan?

Het begrip “werkvormen” is heel divers. Het is een bewust gekozen weg om het doel te bereiken. Je kunt denken aan: schriftelijk, mondeling, creatieve werkvormen, opdrachten, tweetallen werken/sub.groepen etc. Ideetjes voor werkvormen: Battle zonder Knokken / Talentcoaching voor jongeren – Maike Kooijmans. Inspireren tot leren _ Dries van de Vlerk. Uitdagend leren – Vincent de Waal. www.welzijnswerk.nl www.educatiefontwerpen.nl www.theaterwerk.nl www.nizw.nl www.opbouwwerk.nl www.ontwerpatelier.nl www.vveducatie.nl Verder vind je in de mediatheek van Fontys en de bibliotheek allerlei materiaal. Denk ook aan werkvormen, die je zelf ooit gedaan hebt en wat je leuk vond en van geleerd hebt. Deze ideetjes voor werkvormen kun je vaak heel goed passend maken voor deze doelgroep en doelstelling. Onderwijsleersituatie/uitvoeringspraktijk: Als je een programma/opzet gemaakt hebt, ga je dit uitvoeren. Net zoals bij de opzet van het programma, maak je ook tijdens de uitvoering voortdurend keuzes: waar ga ik nu op in; waar geef ik ondersteuning etc. Dit is afhankelijk van : doelstelling, gedrag van individuele groepsleden, groepsdynamische aspecten, randvoorwaarden. Tijdens en na de uitvoering, bepaal je de resultaten. Dit doe je met de doelgroep (evaluatie en toetsing) en op basis van reflectie. Ook voor de evaluatie, kies je voor een passende werkvorm. B.v. een gedichtje maken over de cursus; in 1 woord zeggen wat je ervan vindt etc. Op basis hiervan, maak je een bijstelling in je programma en/of doelstelling.

………………..