You are on page 1of 23

Werkbundel

Leerplandoelen:

Leerplan wereldoriëntatie:

 Mens en techniek:
6.2: Kinderen kennen verschillende energiebronnen. (p.88)
6.3: Kinderen zien in dat energie noodzakelijk is om producten te
vervaardigen en technische handelingen te verrichten. (p.88)
6.7: Kinderen kunnen op hun niveau uitleggen hoe een aantal
distributiesystemen in hun omgeving zorgen voor aanvoer van water,
energie,… (p.90)
6.11: Kinderen kunnen zeggen aan welke eisen een bestaande constructie en
een constructie die ze zelf willen maken, moet voldoen. (p.92)
6.13: Kinderen kunnen een constructieactiviteit of een bereiding correct
uitvoeren. (p.92)

 Mens en natuur:
7.17: Kinderen beseffen dat de aarde bron is van energie en van
grondstoffen. (p.103)
7.19: Kinderen kunnen, na experimenteren, enkele gangbare stoffen en
materialen benoemen en ze groeperen volgens gemeenschappelijke kenmerken
of eigenschappen. (p.104)
7.21: Kinderen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken en hun zelf
geformuleerde voorspellingen toetsen. (p.104)
7.22: Kinderen kunnen in gebruiksvoorwerpen de toepassing herkennen van
natuurkundige principes. (p.105)
Wat is elektriciteit?

Elektriciteit… elke dag hebben we ermee te maken! Je komt je kamer binnen, drukt op
de schakelaar en het licht gaat aan. Je drukt op een knop en de radio gaat aan. Je
steekt de stekker in het stopcontact en de stofzuiger gaat aan. Elektriciteit is overal:
niet alleen thuis maar ook op school, in kantoren, fabrieken, buiten op straat,….

Statische elektriciteit

Er zijn twee soorten elektriciteit: de elektrische stroom, die stroomt en de statische
elektriciteit, die niet stroomt. Bij elektrische stroom wordt energie opgewekt door het
stromen van elektronen. Statische elektriciteit ontstaat door wrijving.

Experimentje 1:

Nodig:
- ballon
- wollen doek/trui
- lange haren van leerling/juf

Opdracht:
- Blaas de ballon op.
- Wrijf over de ballon met een wollen doek of wrijf de ballon tegen je wollen trui
aan.
- Hou onmiddellijk de ballon naast de lange haren van de leerling of juf.

Vraagje:
- Wat zie je gebeuren?

Als je een opgeblazen ballon tegen je trui wrijft, worden er elektronen verplaatst van je
trui naar de ballon. Hierdoor ontstaat een elektrische kracht en kan de ballon lichte
dingen aantrekken, zoals bijvoorbeeld haren, papiersnippers en een waterstraal.
Statische elektriciteit kan je voelen. Soms krijg je een schokje als je in de auto stapt
of als je een wollen trui aantrekt. Dat is statische elektriciteit. Een lading elektronen
heeft zich opgebouwd en die wordt nu dan via jou weggeleid naar de grond. Dat geeft
een schokje en soms zelfs een vonkje. Ook de bliksem is een voorbeeld van statische
elektriciteit. Tijdens een onweer zijn de wolken statisch geladen. De bliksem is een
ontlading daarvan. De bliksem zoekt altijd de kortste weg naar de grond. Vandaar dat
hij ‘inslaat’ op hoger gelegen objecten zoals een kerktoren, een boom, enz. Toch is het
mogelijk dat hij op een huis slaat. Als het onweert moet je dus altijd voorzichtig zijn. Zo
is het geen goed idee om te telefoneren, aan de computer te werken, te stofzuigen of …
tijdens een zwaar onweer.
Stromende elektriciteit

Elektriciteit noemen we ook wel eens stroom. Het bestaat immers uit ‘stromende’
elektronen. Dit zijn piepkleine deeltjes die je met het blote oog niet kan zien. En die
rondstromende elektronen wekken energie op.

Welke soorten energie zou elektriciteit kunnen opwekken?

De elektronen ‘stromen’ wel maar
niet allemaal op hun eigen houtje. Ze duwen elkaar. Je kunt dat
naspelen met een hele klas. Iedereen gaat in een kring staan en jij geeft degene voor je
een duw. Die schuift daardoor een stukje op en duwt het kind daarvoor weer verder. En
zo de hele kring rond. Dan is het kind achter jou aan de beurt, en duwt jou weer een
stukje verder. Als je nu maar lang genoeg doorgaat, maakt iedereen een heel rondje. Dit
spelletje kun je dus alleen maar spelen als je in een kring staat. Bij een lange rij houdt
het duwen op als de voorste is verschoven. Zo is het ook met elektronen. Die hebben een
kring nodig om te blijven stromen. Een kring waardoor elektronen stromen, noemen we
een stroomkring.

De stroomkring

Experimentje 2:

Nodig:
- platte batterij (4,5 Volt)
- stroomdraad
- een fietslampje
- een lamphouder
- schaar

Opdracht:

Maak de volgende prentjes na en kruis aan of het lampje brandt of niet.
Enkele vraagjes:

Kan jij de elektronen zien stromen? ______________________________________

Waaruit komen de elektronen, denk je?____________________________________

Waar stromen de elektronen door? _______________________________________

Uit welke materialen zijn deze dingen gemaakt?______________________________

Dus om elektriciteit te kunnen gebruiken moet je altijd een stroomkring maken. Pas als
de kring gesloten is, kan de lamp gaan branden want dan kunnen de elektronen door de
elektriciteitsdraad en door de lamp heen stromen. Een stroomkring is gesloten wanneer
het lampje (of de zoemer of…) door middel van twee elektriciteitsdraadjes verbonden is
met de batterij.
Als de stroomkring verbroken wordt, gaat de lamp uit. Gelukkig maar, bestaan er
schakelaars en drukknopjes om de stroomkring te onderbreken wanneer dat nodig is.
Anders zou het licht de hele dag branden en de radio de hele dag spelen.

Stroomkringen met meerdere lampjes

Als we meer dan één lampje in onze stroomkring plaatsen, kunnen we de lampjes op
verschillende manieren met elkaar verbinden of schakelen. We kennen in de
elektriciteitsleer twee soorten schakelingen: serieschakelingen en parallelschakelingen.
De stroom en de stroomsterkte gedragen zich in elk van deze schakelingen anders.
Serieschakeling

Bij een serieschakeling met twee lampjes en een
platte batterij, wordt de verbinding tussen de
lampjes gemaakt met één draad. Omdat we slechts
één draad gebruiken moet de elektriciteit in de
batterij verdeeld worden over de twee lampjes.
Elk lampje krijgt dus de helft van de elektriciteit
uit de batterij. Hoe meer lampjes we op deze
manier aan elkaar schakelen, hoe minder goed ze
zullen branden. Alle lampjes samen vormen één
geheel, een serie. Als één lampje stuk is, werken
de andere lampjes ook niet meer.

Vraagje:

Kennen jullie een voorbeeld van een serieschakeling? Wat heeft vele lichtjes en branden
allemaal tegelijk? Als er één lampje kapot is, geeft deze verlichting niet het sfeerlicht
dat je zou wensen.

Opdracht: Maak samen met je buur een serieschakeling.

Nodig:
- batterij
- stroomdraad
- schaar
- 2 lampjes
- 2 lamphouders

Parallelschakeling

Bij een parallelschakeling heeft elk lampje zijn eigen
stroomkring. De elektriciteit moet niet worden
verdeeld. Elke lampje blijft een goede lichtsterkte
behouden. Als er een lampje of een draad stuk is,
blijven de andere lampjes gewoon verder branden. Dat
komt omdat ze niet van elkaar afhankelijk zijn, maar
naast elkaar werken. Om een parallelschakeling te
maken heb je meerdere stroomdraden nodig.

De parallelschakeling wordt heel vaak gebruikt omdat
er minder kans is dat alle lampen tegelijkertijd zouden uitvallen. De verlichting op
school, in je huis, op straat, enz is allemaal gemaakt met een parallelschakeling.
Opdracht: Maak samen met je buur een parallelschakeling, maar breek de
serieschakeling niet af. Want we gaan de twee met elkaar vergelijken.

Enkele vraagjes:
Jullie hebben een parallelschakeling met 2 lampjes en 1 platte batterij naast een
serieschakeling met dezelfde onderdelen.
1) Welke stroomkring geeft het minste licht en waarom?

2) Welke batterij gaat het snelste op zijn en waarom?

Stroomkringen tekenen
Net zoals wiskundigen met symbolen werken als +, - , X, :, enzovoort, werken
elektriciteitsgeleerden ook met symbolen. Om tijd te besparen en ordelijk te werk te
gaan tijdens het experimenteren met verschillende stroomkringen, hebben de geleerden
de volgende symbolen uitgevonden.

Opdrachten: teken de volgende stroomkringen met of zonder schakelaar

1) een stroomkring met 1 lampje 2) een serieschakeling met 2 lampjes

3) een parallelschakeling met 2 lampjes
Wat zijn geleiders en isolatoren?

Nog een experimentje:

Bij het vorige experiment heb je een stroomkring gemaakt.
Je hebt gezien dat het lampje alleen brandt als de stroom er door kan lopen in een
kringetje. Wat zou er gebeuren als je de stroomkring groter maakt met andere
voorwerpen, zoals een schaar, een rietje of een lepel?

Stap 1: Maak een stroomkring zoals op het plaatje:

Brandt het lampje nu? ________________

Stap 2: Een derde draadje

Maak nu 1 van de draadjes van de batterij los.
Maak een 3e stroomdraadje vast aan de batterij.
Je hebt nu 2 losse draadjes, zoals op het plaatje:

Wat gebeurt er als je de twee losse draadjes tegen elkaar houdt?
_________________________________________________________________

Stap 3: Wel of geen stroom?

Je hebt gemerkt dat er enkel stroom gaat door een gesloten kring. Door een gebroken
kring gaat geen stroom.
Hoe kun je stroom nog meer tegenhouden?
Dat moet jij uitzoeken.
Net als op de prent hou je de twee draadjes bij het
voorwerp.

Brandt het lampje, dan kan er stroom door het
voorwerp.
Brandt het lampje niet, dan kan er geen stroom door.

Zet een kruisje op de juiste plaats:

Laat stroom door Houdt stroom tegen
Rietje
Paperclip
Schaar
Potlood
Plastiek bestek
Gewoon bestek
Wasknijper
Nagel
Elastiekje
Touw
Aluminiumfolie
Papier
Glas
Juweel van ………………………

Enkele vraagjes:

Uit welk materiaal zijn de dingen die stroom doorlaten gemaakt? _________________

Uit welk materiaal zijn de dingen die stroom tegenhouden gemaakt? _______________

Uit welke materialen zijn elektriciteitsdraden gemaakt? Waarom?
We onthouden:

Er zijn stoffen, zoals metaal die de stroom doorlaten. Deze heten geleiders.
Voorbeelden van geleiders zijn voorwerpen van metaal, ijzer, goud, ….
Er zijn stoffen die de stroom tegenhouden. Deze heten isolatoren.
Voorbeelden van isolatoren zijn voorwerpen van plastiek, hout, rubber,….
Een batterij maakt in een gesloten kring stroom. In de stroomkring moeten dan wel
allemaal geleiders zitten.

Stroombronnen

In een stroomkring heb je een stroombron nodig en een verbruiker.
Weten jullie nog waaruit jullie een stroomkring hebben gemaakt?
Wat zou volgens jullie de stroombron zijn? ________________________________
Waarom? _________________________________________________________
Wat zou dan de verbruiker zijn? ________________________________________
Waarom? _________________________________________________________
Kennen jullie nog andere stroombronnen?__________________________________

Inderdaad de batterij is de stroombron in de stroomkring die jullie hebben gemaakt.
Een batterij is eigenlijk elektriciteit in draagbare vorm, want ik luister bijvoorbeeld
naar muziek, dankzij een kleine batterij die in mijn MP3speler zit.
Het stopcontact is ook een stroombron. De stroom, die wordt gemaakt in een
elektriciteitscentrale, wordt door grote kabels boven of onder de grond naar ons huis
vervoert en zo naar het stopcontact gebracht.
Een verschil tussen stroom uit het stopcontact en stroom van een batterij is dat er veel
meer stroom op het stopcontact staat dan op een batterij (stopcontact: 230 Volt,
batterij: variërend van 1,5 tot 9 Volt). Het stopcontact is dus heel gevaarlijk en een
batterij veel minder gevaarlijk. Van batterijen kun je maar een klein schokje krijgen ,
als je je vingers in het stopcontact steekt kan je ernstig gewond geraken. Een ander
duidelijk verschil is dat je batterijen makkelijk kunt meenemen en een stopcontact
duidelijk niet.
Een batterij is dus een kleinere stroombron of ook wel spanningsbron. Op de batterij
staat altijd hoeveel spanning eruit komt, dit is het voltage. Dit geeft aan hoeveel
energie hij genereert. Hij heeft twee polen. Meestal kun je ook wel ontdekken waar de
pluspool en de minpool zitten. In fabrieken wordt er elektriciteit in de batterijen
gestopt. Als de elektriciteit op is, is de batterij leeg. Een batterij die je weer met
elektriciteit kunt opladen, noemen we een oplaadbare batterij of accu. Als deze leeg is
laden we hem weer op via een speciaal apparaat, dat we in het stopcontact steken. De
stroombron voor het oplaadapparaat is dan het stopcontact.

Opdrachtje:
 Kijk naar je eigen batterij en duid de minpool en de pluspool aan op deze prent.
 Teken de richting van de stroom. Teken of leg uit:

 Hoeveel spanning komt er uit jouw batterij?
Schrijf dit op de juiste manier hieronder.

Gelijkspanning en gelijkstroom
We weten nu al dat een batterij is voorzien van twee polen
die elk een teken hebben. De kleine pool heeft een + teken
en de grote klem heeft een – teken. De minpool heeft
teveel elektronen en deze willen stromen naar de pluspool
waar er minder elektronen zijn. Het feit dat er in de
minpool meer elektronen zijn dan in de pluspool, noemen we
in de elektriciteitsleer spanning. De eenheid waarin de
spanning wordt uitgedrukt is volt.
In een batterij stromen de elektronen dus allemaal in
dezelfde (gelijke) richting van de ene pool naar de ander
pool. Daarom noemen we de elektrische stroom in een
batterij gelijkstroom.
We kunnen ook zeggen dat de batterij gelijkspanning
opwekt, d.w.z. dat altijd dezelfde pool van de batterij
teveel elektronen heeft. Daarom noemen we een batterij
een gelijkspanningsbron.

Wisselspanning en wisselstroom
Het stopcontact is ook een
stroombron hebben we geleerd. In een
stopcontact zijn er ook twee polen.
Kijk maar, in een stopcontact zitten
twee gaatjes.
In een stopcontact is er ook een
spanning, maar deze wisselt heel
regelmatig. Het teveel aan elektronen
is afwisselend aan de ene pool en aan
de andere pool aanwezig.
Dit noemen we in de elektriciteitsleer
wisselspanning. De ene keer heeft de minpool teveel elektronen en de pluspool minder,
dus stromen ze van de minpool naar de pluspool. En dan de seconde daarna wisselt het
om en stromen de elektronen van de pluspool naar de minpool. Deze elektriciteit die niet
telkens in dezelfde richting stroom, noemen we ook wisselstroom.
Een stroombron die wisselspanning levert, zoals het stopcontact, noemen we een
wisselspanningsbron.
Webquest Elektriciteit
Deze les gaan jullie nog meer leren over elektriciteit. Jullie zullen zelf op zoek gaan
naar informatie op het internet. Het opzoekwerk zal niet zomaar lukraak gebeuren. Ik
heb een webquest gemaakt waar een opdracht opstaat die jullie per twee zullen maken.
We zullen naar het computerlokaal gaan. Daar ga je per twee aan een computer werken.
Je hebt je koptelefoon nodig, omdat jullie ook een aantal filmpjes gaan bekijken.
Hoe gaan we tewerk?
- Open de internetserver
- Tik het volgende adres in de adresbalk: www.webquestelektriciteit.blogspot.com
- Werk het volledige programma aan de linkerkant van boven naar beneden af.
- Je begint dus met de inleiding, dan de opdracht enzovoort.
Voor de opdracht van de webquest te maken, krijgen jullie 2 lesuren de tijd.
Het verslag dat jullie zelf gaan maken komt in jullie werkbundel te zitten.
Hoe wordt elektriciteit verdeeld?
De stopcontactstroom wordt gemaakt in de
elektriciteitscentrales, maar hoe geraakt de stroom van
daar tot bij ons in onze huizen? En er moet voor worden
gezorgd dat iedereen genoeg krijgt. Want anders gaan bij
jou thuis de lampen zwakker branden als de buren
bijvoorbeeld de televisie aandoen.
Het vervoer van stroom gebeurt met grote hoeveelheden
en door dikke draden. Dat die draden zo dik zijn, is wel
logisch. Het is net als met een waterleiding. Door een dikke
buis kan meer water dan door een dunne buis.
Deze dikke draden waardoor de stroom tot in jouw dorp of
stad wordt gevoerd, hangen aan hoogspanningsmasten.
De elektriciteit die door deze dikke kabels stroomt heeft een hele hoge spanning, d.w.z.
meer dan 1000 volt, en deze moet eerst nog
omgezet worden naar elektriciteit met een lagere
spanning vooraleer het naar onze huizen wordt
gevoerd. Deze omzetting wordt gedaan in
transformatoren die zich bevinden in
elektriciteitscabines.
De elektriciteit met een lagere spanning wordt
daarna verder getransporteerd door
ondergrondse kabels naar de meterkast, door de
muren naar het stopcontacten in onze huizen.

Weerstand
Maar met stroom is nog meer aan de hand. Als je veel stroom, dus veel elektronen door
een dunne draad stuurt, dan wordt die draad warm.
En als dat heel veel stroom is dan kan die draad smelten van hitte. Dat komt door
wrijving. Wrijf je handen maar eens stevig tegen elkaar. Ze worden warm. Elektronen
die door een draad racen, hebben ook last van wrijving. Ze maken een draad dus warm.
Dat is niet zo erg als de elektronen ruimte hebben, in een dikke draad dus. Er kunnen
niet oneindig veel elektronen door een draad, net zoals je niet met de hele klas tegelijk
door één deur kan. Hoe breder de deur, hoe meer kinderen er tegelijk doorheen kunnen.
Door een dun draadje kunnen dan ook minder elektronen tegelijk stromen dan door een
dikke draad. Een dun draadje remt de stroom dus af. Dat noemen we weerstand.
Een dunne draad heeft een veel hogere weerstand dan een dikke draad. Daarom worden
dikke draden gebruikt als er veel elektriciteit moet worden vervoerd.
Een dunne draad heeft dus een veel hogere weerstand dan een dikke draad. Daarom worden
dikke draden gebruikt als er veel elektriciteit moet worden vervoerd.

Creatief met elektriciteit
Je kan allerlei leuke dingen maken waarbij je elektriciteit gebruikt. Uit de volgende 4
voorstellen, kies je er 1 dat je zelf gaat maken. Bij het maken van je keuze ga je ook na
of je het materiaal dat je nodig hebt ook thuis kunt verzamelen en meebrengen naar
school. We spreken samen af wat door wie wordt meegebracht, zodat we elkaar kunnen
helpen.

1 Een elektrospel
Wat heb je nodig?
 Platte batterij van 4,5 volt
 Fietslampje van 6 volt
 Lamphoudertje
 Stroomdraad
 Metalen paperclips
 14 splitpennen
 Plank/stuk karton
 Tweezijdige plakband
 2 Schroeven voor lamphouder
 Wit karton
 Plakband

Gereedschap:
 Potlood
 Meetlat
 Stiften/kleurpotloden
 Schaar
 Schroevendraaier die past in de schroefjes van de lamphouder
 perforator

2 Een deurmat-alarm

Wat heb je nodig?
 Fietslampje van 6 volt
 Lamphoudertje
 Stroomdraad 220 cm
 Platte batterij van 4,5 volt
 2 velletjes karton (kleiner dan
deurmat)
 Aluminiumfolie
 Dun schuimplastic of bubbeltjesfolie
 Plakband of paperclips
 Dubbelzijdig plakband
 Plankje
 2 schroefjes om lamphouder te bevestigen in plank
 Schroevendraaier
3 Een zenuwspiraal

Wat heb je nodig?
 Fietslampje van 6 volt
 Stroomdraad
 Platte batterij van 4,5 volt
 Dubbelzijdige plakband
 Schoendoos
 Ijzer-of kopersdraad
 paperclips
 plakband
 verf om doos te versieren

4 Een soort ‘dokter bibber’

Wat heb je nodig?
 Fietslampje van 6 volt
 Stroomdraad
 Platte batterij van 4,5 volt
 Schoenendoos
 Aluminiumfolie
 Plakband
 Paperclips
 Een pincet
 Schaar
 Stanleymes

Werkwijzen: creatief met elektriciteit

Lees aandachtig hoe je tewerk moet gaan alvorens zomaar aan de slag te gaan. Zorg
ervoor dat de elektriciteit in je creatie echt werkt. Maak er ook iets moois van. Gebruik
je eigen creativiteit. Als je hulp nodig hebt, dan vraag je dit aan de juf of meester.
Op de volgende pagina’s vinden jullie stappenplannen voor elke creatie. Neem de pagina’s
voor datgene dat jij wil maken uit je bundel en ga zitten in de groep van mensen die
hetzelfde gekozen hebben. Zo kunnen jullie elkaar helpen en het materiaal verdelen
onder elkaar. Als je niet meer verder kan, vraag dan eerst hulp aan een klasgenoot
voordat je de juf of meester erbij roept.

Veel succes en plezier bij het knutselen van jouw creatie met elektriciteit.

Het elektrospel

1.
Jullie beginnen bij het spelbord voor het elektrospel. Neem het rechthoekig stuk wit
karton. Met potlood verdeel je het bord in vakken. Verdeel het bord eerst in de lengte
in twee helften door overlangs een streep te trekken. De beide helften verdeel je in zes
gelijke vakken onder elkaar.

2.
Maak in elk vak met de perforator een gat. Dit gat
komt twee centimeter vanaf de rand van het
karton, zoals in het voorbeeld hiernaast.

3.
In de zes vakken aan de linkerkant schrijven jullie
nu heel netjes zes vragen. Aan de rechterkant
komen de antwoorden op deze vragen. De
antwoorden zijn door elkaar gehusseld. Zet dus
NIET het juiste antwoord direct naast de vraag.

Variatie:
Je kan ook werken met:
 afbeeldingen/tekeningen die op één of andere manier bij elkaar horen.
Bv. een verpleegster en een spuit (elektrospel rond ‘beroepen)
 Woorden met tekeningen verbinden.
Bv. een getekende boom en het woord boom. (elektrospel voor kinderen die leren lezen)
Bv. een getekende vlag van België en het woord België (elektrospel om de vlaggen van
Europa te oefenen)
Bedenk zelf nog andere mogelijkheden en gebruik je eigen creativiteit.

4.
Nu gaan jullie de schakelingen maken op de achterkant
van het spelbord. Geef eerst op de achterkant aan
welke vakken bij elkaar horen. Zet bijvoorbeeld met een
stift een paars kruis in deze vakken, en in de volgende
twee een groen rondje, enzovoort.

5.
Steek de splitpennen vanaf de voorkant door de gaatjes heen en spreid ze open aan de
achterkant. Zorg dat de uitgespreide splitpennen elkaar niet raken! Verbind de bij
elkaar horende vakken met elkaar met stroomdraden. Stroomdraden maak je zo: knip
een stuk draad af dat een paar centimeter langer is dan de afstand tussen de twee
splitpennen. Verwijder aan beide uiteinden ongeveer twee centimeter van het plastic
omhulsel. Dit noem je stroomdraad strippen. Draai de koperen draadjes om de
splitpennen heen.
6.
Draai eerst het fietslampje in het lamphoudertje.
Knip vervolgens drie stukken stroomdraad af: één van 15 cm en twee van 40 cm. Strip de
stroomdraden weer aan beide uiteinden.
Bij de kortste stroomdraad maak je aan één uiteinde een paperclip vast. Schuif deze
over één pool van de batterij. Het andere uiteinde maak je vast aan het lamphoudertje.
Bevestig nu één van de lange stroomdraden aan de andere kant van de lamphouder. Aan
het andere losse uiteinde van deze draad maak je een paperclip vast.
De derde stroomdraad verbind je met een
paperclip aan de andere pool van de batterij.
Aan het andere losse uiteinde maak je weer
een paperclip vast.
(kijk naar de prent: zo moet het eruit zien)

7.
Nu maak je de batterij en de lamphouder vast
aan de plank. De lamphouder schroef je vast
met 2 schroefjes en een schroevendraaier. De
batterij kun je met de dubbelzijdige plakband
vastmaken.

8.
Het spel kan nu beginnen.
De elektrospel werkt als volgt: één paperclip
hou je tegen de splitpen van een vraag, de andere paperclip hou je tegen de splitpen van
een antwoord. Als je het juiste antwoord hebt gekozen -en als je natuurlijk de draden
goed verbonden hebt!- gaat het lampje branden.
Check of bij elke vraag het lampje gaat branden als je het juiste antwoord aanraakt.
Heb je alle draden goed verbonden? Als dat zo is, plak je de draden aan de achterkant
van het spelbord stevig vast met plakband, zodat het niet bol gaat staan.
Het deurmat - alarm

1.
Jullie beginnen met het maken van het alarmsysteem. Neem eerst de volgende
benodigdheden: de batterij, het fietslampje, de lamphouder, een plankje,
schroevendraaier en 2 schroeven, dubbelzijdige plakband en stroomdraad.
Draai eerst het fietslampje in het lamphoudertje.
Knip vervolgens drie stukken stroomdraad af: één van 15 cm en twee van 2 m. Strip de
stroomdraden weer aan beide uiteinden.
Bij de kortste stroomdraad maak je aan één
uiteinde een paperclip vast. Schuif deze over
één pool van de batterij. Het andere uiteinde
maak je vast aan het lamphoudertje.
Bevestig nu één van de lange stroomdraden
aan de andere kant van de lamphouder. Aan
het andere losse uiteinde van deze draad
maak je een paperclip vast.
De derde stroomdraad verbind je met een
paperclip aan de andere pool van de batterij.
Aan het andere losse uiteinde maak je weer
een paperclip vast.
(kijk naar de prent: zo moet het eruit zien)

2.
Nu maak je de batterij en de lamphouder vast aan de plank. De lamphouder schroef je
vast met 2 schroefjes en een schroevendraaier. De batterij kun je met de dubbelzijdige
plakband vastmaken.

3.
Leg dit even op zij en neem de volgende
benodigdheden: aluminiumfolie, 2 stukken
karton/stevig papier, schuimrubber of
bubbeltjesfolie en plakband.
Knip dan een stuk aluminiumfolie, iets groter dan
één vel papier/karton. Vouw het om het
papier/karton en plak het vast aan de achterkant.
Doe dit ook met het tweede vel papier.
4.
Knip zes stukjes schuimplastic/bubbeltjesfolie.
Plak ze vast met kleine stukjes plakband op één
van de papieren die bekleed is met aluminiumfolie.

5.
Pak de uiteinden van de twee stroomdraden. Plak
elk uiteinde met plakband op een stuk
aluminiumfolie. Leg daarna beide vellen op elkaar. Het schuimplastic zit ertussen.
Je deurmat – alarm is klaar! Even uittesten…
Druk stevig op het stapeltje en wat zie je gebeuren? Als je alles goed hebt gedaan, zou
het lampje moeten branden. Als je niet meer drukt op het stapeltje zou het lampje niet
mogen branden. Dit stapeltje leg je dan onder de deurmat van het kamer en als je
broer of zus je weer wilt komen storen, zul je van nu af aan gewaarschuwd worden door
het lampje.
Een zenuwspiraal

1.
Neem het deksel van de schoendoos. Maak 3 gaten
in het deksel met behulp van een pen. Kijk naar de
prent waar de gaten precies moeten komen.

2.
Knip vervolgens een stroomdraad van 20 cm af.
Strip de stroomdraden aan beide uiteinden. Neem nu
een stukje ijzerdraad van 5 cm maak er een lusje
van. Bevestig dit lusje nu aan een uiteinde van de
stroomdraad. Doe een beetje plakband over de
plaats waar je de twee draden aan elkaar hebt
bevestigd als isolator.

3.
Steek nu de stroomdraad door het gat dat je
gemaakt hebt onderaan in het midden van het
deksel, zoals op de prent.

4.
Neem nu een langer stuk ijzerdraad om de
zenuwspiraal te maken. Je mag zelf kiezen welke vorm
je geeft aan de spiraal. Zorg er alleen voor dat de
plooien niet te dicht tegen elkaar komen te staan
zodat ze elkaar niet aanraken. Hoe meer plooien, hoe
moeilijker het spel wordt. Steek eerst je ijzerdraad
door de lus van het draadje met lus dat je hebt
gemaakt in stap 3. Dit is nodig om later het spel te
kunnen spelen, dus vergeet dit niet. Steek daarna de
uiteinden van de je zenuwspiraal door de 2 andere
gaatjes in het deksel.
5.
Draai nu het deksel om en bevestig het rechter
uiteinde van de ijzerdraad die de zenuwspiraal vormt
met plakband aan de binnenkant van het deksel.

6.
Neem nu de doos en maak met behulp van een pen een
gat in de voorkant van de doos. Zorg dat het gat niet
te groot is, want je moet er daarna een lampje in
steken.
Neem nu de batterij en kleef deze met dubbelzijdige
plakband op de bodem van de doos.

7.
Voor de volgende stap heb je nog een klein stukje
stroomdraad nodig. Strip daarvan ook beide uiteinden.
Verbind 1 uiteinde van dit radje met één pool van je
batterij met behulp van een paperclip. Het andere
uiteinde van dit draadje moet je bevestigen aan de
onderkant van je lampje met een stukje plakband.

8.
Vervolgens moet je het losse uiteinde van de ijzerdraad
(A), waarmee je je spiraal hebt gemaakt, bevestigen
aan je lampje. Dit doe je door het ijzerdraad te
wikkelen rond de schroef van je lampje.

9.
Neem nu het uiteinde (B) van de stroomdraad die aan je
lus is bevestigd. Dit uiteinde moet je nu verbinden met
de andere pool van je batterij met behulp van een
paperclip.

10.
Houd nu de lus van ijzerdraad tegen de ijzerdraad van
je spiraal: brand het lampje? Dan ben je klaar met je
creatie. Het spel kan nu beginnen.
Als je nog tijd over hebt, kan je nu de doos versieren op je eigen creatieve manier.

Een soort ‘dokter bibber’

1.
Neem het deksel van een schoendoos. Maak eerst in de
rechterbovenhoek een gat groot genoeg voor een lampje in te
steken.
Teken daarna een mannetje of een andere figuur, bijvoorbeeld
een dier zoals een spin, op het deksel. De opening tussen de
lijnen van je tekening mag niet te groot zijn, want je moet
later tijdens het spel met een pincet paperclips proberen te
grijpen door de figuur heen en ervoor zorgen dat je de randen
niet aanraakt met het pincet of het lampje gaat branden en je
beurt is voorbij. Hoe meer plaats tussen de lijnen van je
figuur, hoe gemakkelijker het spel zal zijn. Kijk naar de
prenten voor inspiratie.

2.
Knip of snij de figuur uit het deksel. Lep op je vingers als je
een stanleymes gebruikt.

3.
Vouw nu aluminiumfolie over het deksel. Maak daarna in de
uitgeknipte figuur het aluminiumfolie een beetje stuk en vouw
het aluminiumfolie om de randen van de figuur. Doe hetzelfde voor het gat dat bedoeld
is voor je lampje.

4.
Neem nu een stuk stroomdraad van ongeveer 25 cm en strip
beide uiteinden ervan met behulp van een schaar.
Bevestig met een paperclip het ene uiteinde van de draad aan
één pool van de batterij. Plak het andere uiteinde van de draad
aan het pincet met behulp van plakband. Zorg er wel voor dat
het koper van de draad de pincet goed raakt.

5.
Neem nu opnieuw een stuk stroomdraad van 20 cm. Bevestig één uiteinde aan de andere
pool van de batterij met een paperclip.
Steek nu eerst het lampje in het gat dat je hebt gemaakt in de rechterbovenhoek van
het deksel. De schroef van het lampje moet het aluminiumfolie goed aanraken.
Maak nu het andere uiteinde van de stroomdraad vast aan de onderkant van het lampje
met behulp van plakband.
Raak met het pincet het aluminiumfolie aan: brandt het lampje? Dan is jouw versie van
‘dokter bibber’ klaar. Nu spelen maar: wie raapt de paperclips onder het deksel op
zonder de randen van de figuur te raken?