LUSTRUM PUBLIKATIE 1989-1994

WOORDEN
BEELDEN
PLANNEN
Over het stedebouwkundig meesterwerk
Publikatieburo Bouwkunde
Onder redactie van:
Willem Hermans
Edward Hulsbergen
Anne Kok
pOdium.."........ voor

p 'V :? I
V
s
COLOFON
Uitgave Publikatieburo Bouwkunde
Faculteit der Bouwkunde, Technische Universiteit Delft
Berlageweg 1,2628 CR Delft, telefoon (015) 784737
Vormgeving Henk: Berkman
Druk Universiteitsdrukkerij TU Delft
Cip-gegevens Koninklijke Bibliotheek, Den Haag
ISBN 90-5269-176-2
Copyright © 1995/ POLIS, Podium voor Stedebouwkunde
Niets uit deze publikatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden
gemeekt doonniddel van druk, fotokopie, microfIlm, of op welke andere wijze
dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Deze lustrumpublicatie werd financieel mede mogelijk gemaakt door:
Maurits Bongers
CH & Partners, stedebouw en landschap
Dirk Frieling, vakgroep stedebouwkunde
Stef van der Gaag
Lutgart Gijsenbergs
Hein de Haan, Casa architecten
Lörzing en Keijsers, regionale planners en ontwerpers
Palmboom en van den Bout, stedebouwkundigen
Stylosstichting
Universiteitsfonds TU Delft
Kees van der Wardt
John Westrik
Ook met dank aan:
Harko Stolte, Michiel Brouwer, Henk de Wit, Alfred Kayser en het
Publikatiebufo Bouwkunde.
1
2
3
4
5
VOORAF 7
Edward Hulsbergen en Willem Hermans
WAAR GAAT HET OM?
Hans Krop
GEWOON, STEDEBOUW
Nicola Körnig
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Simon Vinkenoog
BELEEF DE STAD
Fenna ter Haar en Anne Kok
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
9
19
37
63
79
TENSLOTTE 99
BRONNEN 101
INHOUD
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
•••••••
11 .
.. -
------_ ...
...
\
••
VOORAF
Leeftijd zegt niet veel: het bouwjaar, daarmee wordt de relatie met de tijd
pas echt gelegd. Polis werd opgericht in het cursusjaar 1989-1990. Het 10-
jarig bestaan wordt op de grens van de eeuwsprong gevierd. Over vooruit-
denken gesproken!
Maar zover is het nog niet, hoewel het fin de siècle gevoel er soms wel is.
Nu alvast iets groots en meeslepends doen, maar wel met een knipoog
naar, ja naar wat...
Bij de activiteiten die door Polis in de afgelopen jaren zijn ondernomen,
wisselen ernst en humor elkaar af: vrolijke excursies en diepgravende dis-
cussies, burobezoeken voor intimi en massaal bezochte manifestaties, zo-
als 'Ontwerpend Sturen Aan de Stad': op de bres voor een beter studeer-
bare opleiding, een overdaad aan stageplaatsen en het verrichten van
hand- en spandiensten bij grote evenementen voor de bond en de faculteit.
Een eigen nieuwsbrief, een stichting, het eigen hok als zenuwcentrum.
Polis - het podium - is ook de salon waar de Zeitgeist zich thuisvoelt.
Met één lustrum kijk je nog niet achterom. Eerder richt je de blik op naar
wat komen gaat. Een lustrum, ook het eerste, betekent een feest, een vro-
lijke manifestatie en een publikatie. Vijf jaar Polis en straks weer een vijf-
jarige opleiding. In vijf jaar passeert een complete studiegeneratie, Wat
daaraan mee te geven nu het podium voor de stedebouwkunde vijf jaar be-
staat? En wat voor de praktijk-leden? Welke pretentie durft Polis waar te
maken?
Laten we gaan voor het maximale: het Opus Magnum, de stedebouwkun-
dige meesterwerken. Bijna op het eind van de twintigste eeuw een stand-
punt bepalen. Wat zijn de grote, wellicht tijdloze inspiratiebronnen van
het vak? Wat maakt dat werk uniek? Wat zegt het over zichzelf en wat
over de traditie waarin het zich plaatst of waartegen het zich afzet? Als de
vakbeoefening en de beroepsopleiding daar niet bij gebaat zijn! Nu nog
traditioneel gemanifesteerd; niet als CD-lof CD-rom of handig schijfje,
maar in een klein boekwerk. Op naar het tweede lustrum in 2000.
VOORAF
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Gustave Doré:
Le Mirage urbain, 1872
Edward Hulsbergen en Willem Hermans
WAAR GAAT HET OM?
OPUS MAGNUM
Het gaan voor het maximale, voor het meesterwerk. Dat is mooi, die am-
bitie, de wens te excelleren, iets groots tot stand te brengen of er minstens
bij betrokken te zijn.
Maar hoe is het in de echte wereld van dit meesterschap? Immers op de
loer liggen altijd: het modieuze, het prestigieuze, het populistische, het
verkopen van de ziel, de vergissing. Is de hang naar meesterschap wellicht
eigenlijk, diep weg, de strijd tegen de ontmoediging?
En wat is er voor dit meesterschap nodig aan persoonlijke en omgevings-
kenmerken? Wat is de keerzijde van deze ambitie?
Gunnen wij onszelf en de anderen wel het bereiken van meesterschap?
Stimuleert de beroepswereld? Of is de verbeten concurrentie (om de op-
drachten) de enige echte wereld? Wie krijgen de kans op gerealiseerde
stedebouwkundige meesterwerken?
STEDEBOUWKUNDE TUSSEN WERK EN HARTSTOCHT
Stedebouwkunde als vakgebied kent een breed werkveld. De relatie tussen
de stedebouwkunde en de samenleving is niet in een paar woorden te vat-
ten, en blijkt bovendien veranderlijk. De menselijke cultuur - in al haar
sociaal- en fysiek-ruimtelijke verscheidenheid - kan onderwerp van be-
schouwen en bewerken zijn. De stede bouwkundige betrokkenheid bij de
produktie van stedelijke, regionale en landschappelijke plannen, bij de fy-
siek-ruimtelijke ingrepen en bij het wetenschappelijk werk is omvangrijk
en divers. En net als andere vakgebieden die bijdragen aan maatschappe-
lijk omvangrijke produkten - zoals gezondheid, veiligheid, inkomen -
heeft ook de stedebouwkunde een binding met de industriële kant van de
economisch-technologisch georganiseerde samenleving.
Op macro-niveau, gaat het om enorme investeringen in de gebouwde en
landschappelijke omgeving. Op micro niveau is er de concurrentie om de
invloed, de opdrachten en het voortbestaan van de instelling, het bureau
en de eigen positie. Tel daarbij op de onzekere band tussen korte-termijn
behoeften en lange-termijn belangen, de verscheidenheid van visies en de
eraan gekoppelde acties, de vele actoren, en het feit dat geen twee situa-
ties gelijk zijn.
Dan is het toch niet verbazingwekkend dat het vakgebied der stedebouw-
kunde nogal eens de aanblik biedt van een 'snelweg vol met kwade chauf-
feurs' die elkaar voorbij kijken of die elkaar toeroepen hoe er moet wor-
den gereden? 1
1 Het beeld, weliswaar i
over de situatie in een I
ander vakgebied, is vanj
Robert M. Pirsig, in: Lila
een onderzoek naar I
zeden. Ooievaar poekel
house Amsterdam, I
2e druk, 1994, p.59. I
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Lenz: Promenade sur Ie
Ring (Wenen), 1900
10
Wordt deze aanblik echt vooral bepaald door economische, financiële en
machtscontroverses, of is er meer? Ons inziens is het elkaar negeren of
luide de les lezen ook nauw verbonden met de hartstocht, met het heilig
vuur zonder welke geen vakgebied kan blijven bestaan en zich kan ont-
wikkelen. Maar wat een rommelige vertoning. Wat zijn de rode draden?
Aan welke draad zullen we gaan trekken?
Voor deze Polis-Iustrumpublikatie kiezen wij als motto het Stedebouw-
kundig Opus Magnum. 'Meesterwerk' blijkt een uitdagend en emotione-
rend begrip. Het verwijst naar (hoge) kwaliteit en bevat dus een kwali-
teitsoordeel. Bij discussie komt ogenblikkelijk de vraag naar voren welke
de gehanteerde criteria voor de beoordeling zijn.
WAT IS EEN MEESTERWERK?
Het begrip 'meesterwerk' heeft twee betekenissen. Ten eerste, het werk-
stuk dat wordt gemaakt om te worden toegelaten tot de beoogde beroeps-
groep. Het oordeel daarover komt van een jury, en is dus een opleidings-
en/of toelatingsoordeel aan de hand van criteria. Deze betekenis verwijst
naar traditionele kwaliteit, vakmanschap van goede en grote klasse. Men
is als geslaagde het vak meester.
De tweede betekenis verwijst naar het 'werk' dat van topkwaliteit is.
Goede kwaliteit wordt voor normaal genomen. Enerzijds lijkt dit op uit-
holling van het oorspronkelijke, aan opleiding gekoppelde begrip, ander-
zijds zegt het iets over hoe kwaliteitscriteria in de loop van de tijd tot de
gewone eisen zijn geworden.
Dit lijkt duidelijk, maar in de praktijk zijn er veel misverstanden. Het is
met de term meesterwerk net als met de term kwaliteit: stedebouwkundi-
gen vertonen er allergische reacties bij.
WAAR GAAT HET OM?
Virgilio Marchi : Ville, 1919
11
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
2 Langdon , P., met bij-
dragen van A.G. Shibley
en P. Welch (1990).
Urban Excellence.
Van Nostrand Reinhold,
New Vork.
12
Wat is een meesterwerk? Wèlke zijn de stedebouwkundige meesterwer-
ken en wié zijn hun stedebouwkundigen? Is er zoiets als 'tijdloze' kwali-
teit?
In het verslag van een zoektocht naar projecten met 'urban excellence',
wordt een opsomming gegeven van wat je wel en niet moet doen als je het
beoordelingsprobleem eenvoudig wilt houden. De auteurs bekritiseren
daarmee het al te gemakkelijk oordelen, het eenzijdig belichten van kwali-
teit als oplossing voor het dilemma van de complexiteit. Zij hechten groot
belang aan het debat over de ontwerpen. Beoordelen is niet het afstrepen
van checkpunten, maar een dynamische dialoog. De 'mythen' rond pro-
jecten wordt hun inziens gevormd en in stand gehouden doordat:
• meestal slechts de positieve aspecten worden vermeld, en er geen af-
weging plaatsvindt van kosten en baten, of de kosten op de koop toe
worden genomen,
• slechts het artefact - het project, het object of de locatie - wordt be-
licht, en niet de processen en waarden,
• de kwaliteitscriteria niet of onvoldoende worden vermeld, en
slechts één van de actoren of professionals worden beoordeeld.
Daartegenover stellen zij, dat het oordeel 'urban excellence' gebaseerd
moet zijn op:
• positieve en negatieve punten,
• objecl/project/locatie en processen/waarden,
• expliciete kwaliteitscriteria, en
• de bijdragen van alle actoren,
• tevens stellen zij, dat: de beoordelaars de weging in het eindoordeel
moeten duidelijk maken
2
.
De vraag naar 'meesterwerk' aan de borreltafel is snel beantwoord. De
persoonlijke voorkeuren worden daar gewaardeerd, vooral als die met ver-
ve worden geponeerd. Zeker als in het tafelde bat de woordenwisselingen
de kameraadschap en speelse concurrentie intensiveren en het plezier ver-
groten. Morgen mag weer iets anders worden beweerd.
Maar als serieuze vraag waarop je kunt worden aangesproken, ligt het
anders.
Het debat over stedebouwkundige 'kwaliteit' is ingewikkeld. De stede-
bouwkundige opgave is veelal complex, terwijl de inbedding van deze op-
gave in het geheel van de stedelijke ontwikkeling het aantal criteria waar-
mee kwaliteit kan worden benoemd, zeer groot maakt. Wat neem je wel
en niet mee in het eindoordeel?
WAAR GAAT HET OM?
/,,'ti-r Michiel de Klerk:
Er lijkt in dit opzicht een groot verschil tussen architectuur en stedebouw-
kunde. Over architectuur gesproken: Hans van Dijk reserveert, in een arti-
kei over de gebouwde omgeving, het begrip architectuur voor gebouwen
die niet geheel en al zijn te herleiden tot externe processen
3
. Een gebouw
verraadt altijd wel iets van de financiële armslag van de opdrachtgever, de
regels van de overheid en de ideologische bronnen waaruit de ontwerper
heeft geput. Architectuur onderscheidt zich van het doorsnee gebouw
doordat zij altijd een formeel 'statement' bevat over de verhouding van
haar eigen bestaan en de invloeden die daarop van buitenaf inwerken. Ar-
chitectuur is een artistieke en intellectuele activiteit, die ondanks haar ge-
bondenheid aan eisen en overwegingen van praktische aard, een auto-
noom bestanddeel is van de cultuur. Een architectonisch meesterwerk
geeft, aldus Van Dijk, de vakbroeders en het publiek iets om over na te
denken. Het automatisme in het ontwerpen en het waarnemen van gebou-
wen wordt doorbroken. Zo'n meesterwerk is een echt kunstwerk. Het is
niet alleen een produkt van de culturele omstandigheden, maar het trans-
formeert de cultuur op een wijze die vooraf ongekend is.
Geldt dat ook voor de stedebouwkunde? Kan naar stedebouwkundige
meesterwerken worden gekeken zonder oog te hebben voor de collectieve
kanten van het stedebouwkundige avontuur, voor het maatschappelijke
doel van de bouwkunde, en voor de lange termijn van de stedebouwkun-
de? Een bouwkundig plan moet kunnen worden gemaakt (technisch ge-
construeerd), moet worden betaald (economisch en eventueel cultureel
rendabel) en moet worden ondersteund (beleid, politiek); de twee laatste
punten verwijzen naar de economisch en politiek heersende groepen.
In feite omvat de discussie over de stedebouwkundige meesterwerken, net
als de discussie over stedebouwkundige kwaliteit, twee verschillende
waarderingen.
Appartementenblok
Spaarndammerplantsoen,
1914-1916
3 Hans van Dijk, Maak
maar weer eens een
meesterwerk. In: De
Haan H. & I. Haagsma
(1981). Wie is er bang
voor nieuwbouw.
Intermediair Bibliotheek,
Amsterdam.
13
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
14
De eerste waardering betreft de kwaliteit die nodig is om het goede, ge-
bruikelijke niveau te garanderen waarop we rekenen: functioneren naar
behoeven, mooi zoals gevraagd, duurzaam zoals verwacht. De tweede be-
tekenis betreft de kwaliteit die voorbij het gangbare gaat, de non-confor-
mistische visie en actie die nieuwe, onverwachte perspectieven biedt. De-
ze laatste kwaliteit is moeilijk te beoordelen, omdat dit oordeel in de toe-
komst pas echt goed mogelijk is. En dit levert allerlei maatschappelijke
confrontaties op, terwijl beide vormen van kwaliteit tegelijkertijd nodig
zijn voor het continueren van de samenleving.
VERLANGENS
Vraag een bouwkundige wat hij of zij wil hebben gedaan alvorens het po-
dium te verlaten. Sommigen zeggen het direct, de meesten pas na het
overwinnen van echte of het terzijde stellen van strategische bescheiden-
heid:
Meeslepend wil ik stedebouwer zijn
de stad, het land mijn werkterrein
mijn invloed via plan en materie
uniek wil ik zijn. en niet in serie.
Opus magnum dus.
WAAR GAAT HET OM?
Maar het verlangen van de stedebouwer kan ook uitgedrukt worden in een
subjectief vakmatige ambitie. Hierbij vormt het plan - in zijn uitwerking
en realisatie - de confrontatie van dat verlangen met de maatschappelijke
werkelijkheid. En dan is stedebouwkunde:
Slim organiseren
vernuftig bouwen
sturen in een transformatieproces.
Maar wat is dan de magistrale stedebouwkunde? 'Meesterwerk' is een uit-
dagend woord. En al zal vrijwel iedere vakbeoefenaar de stille of uitge-
sproken wens koesteren om iets meesterlijks te verwerkelijken - immers
ingenieurs 'maken' - dan nog zal de eerste ambitie zijn goede stedebouw
te bedrijven en te proberen het stedebouwkundig maximum in het geheel
van de situatie te behalen.
Het 'meesterwerk' is het toonbeeld van grote vaardigheid en bekwaam-
heid. En dan wordt tegenwoordig gewoonlijk niet bedoeld het proefstuk
aan het eind van de opleiding; dit is er om lid te kunnen wórden van de
beroepsgroep. Het gaat om het indrukwekkende plan, het ontwerp dat
zonneklaar aantoont dat je meester bént.
Hooykaas: Perspectief
vanuit een loggia,
Pampusplan
15
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
a
a Sportlaan, toestand na
verwoesting
b Herbouwplan Sportlaan
van Dudok, 1946
b
Datje meester bent waarin? In het sturen, in het verkennen of in het vorm-
geven? In alle drie tegelijk, of kan dit heden ten dage niet meer. Zijn de
'stuurlui' tegenwoordig de gemeentelijke stedebouwkundigen, in dienst
van de overheid, die verkenningen ombouwen tot werkbare perspectieven
en die zowel programmatisch als organisatorisch de voorwaarden schep-
pen voor vormgevers? Is de situatie in feite: stedebouwers van de lange
termijn, in vaste dienst, om verbindingen te leggen versus stedebou-
wers/architecten in ad hoc verband om een korte termijn produkt te ont-
wikkelen?
INDELINGEN
Noem mij tenminste drie beste stedebouwkundige ontwerpen of prestaties
en drie beste stedebouwkundigen. Of: als je een excursie zou moeten
voorbereiden voor Japanse gasten, welke stedebouwkundige plannen en
gerealiseerde stedebouwkundige projecten zou je aan hen dan laten zien.
Vervolgens zou er een overzicht gemaakt kunnen worden en kan tot orde-
ning in bijvoorbeeld een top tien worden besloten.
In het ideale geval gaat dit zonder al te veel problemen.
WAAR GAAT HET OM?
Er is weinig reden om te veronderstellen dat het zo eenvoudig zal gaan.
Een van de te verwachten vraagstukken is welke 'klassen', dat wil zeggen
relevante beoordelingscategorieën, moeten worden onderscheiden. Dit om
te voorkomen dat onvergelijkbare werken in een vergelijking worden ge-
dwongen, analoog aan muzikale ordeningen. Bijvoorbeeld: klassiek,
vroeg, traditioneel, modern; of ludieke indelingen als: utopisch, roman-
tisch, pop, new kids on the block.
Wellicht is het ook nodig aandacht te besteden aan de veranderende con-
text van het stedebouwkundig werk. Het beeld van de stedebouwkunde,
maar ook het zelfbeeld van de stedebouwkundigen is, net als bij andere
vakgebieden, aan spanningen onderhevig
4

Hoe te komen tot een discussie die iets voorstelt? Dat wil zeggen, hoe niet
te vervallen in een soort 'crisis'denken, hoe 'markt'-kwalificaties te relati-
veren en de gemakkelijke 'dominanties' kritisch te bezien?
En ook, hoe begrip te hebben voor wat er in de praktijk wordt geprodu-
ceerd. Hoe niet te blijven steken in het bagatelliseren en onkritisch gelaten
accepteren van zo-is-het-nu-eenmaal?
4 Het is verwonderlijk, dat
in een recente publikatie
van het Stimulerings-
fonds voor Architectuur-
De Vreeze, N (red.)
(1994). Orde en chaos in
de stadsontwikkeling.
Rotterdam - onder de I
auteurs geen stede bouw-
kundige vanuit de TU
Delft is te vinden.
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Paul Citroën:
Metropolis, 1923
DE LEDEN AAN HET WOORD
'Zoveel hoofden, zoveel zinnen'. In dit lustrumboek blijkt dit spreek-
woord aardig op te gaan. Wellicht heeft de stedebouwkunde - gemateriali-
seerd of als gedachte-constructie - ook iets van 'voor elk wat wils'.
In de afgelopen maanden kon worden geconstateerd dat de vraag naar
'meesterwerken' absoluut geen saai gesprek opleverde. Ook als de eerste
reactie was 'moet dat nou', dan nog vlogen vaak de spetters er vanaf als
men eenmaal aan de praat was. Reserves werden terzijde geschoven, en
onderkoeld of heetgebakerd zocht de liefde voor de stedebouwkunde naar
een uitdrukkingsvorm.
WAAR GAAT HET OM?
In hoofdstuk 2 - Gewoon Stedebouw - geeft Hans Krop zijn antwoord op
de vraag: 'Wat doe je nou eigenlijk?', waarbij het venijn zit in dat woord-
je 'eigenlijk'.
In hoofdstuk 3 - Vakmanschap en Meesterschap - ontrafelt Nicola Körnig
op systematische wijze de begrippen vakmanschap en meesterschap. Be-
hoort baanbrekend stedebouwkundig werk definitief tot het verleden, of is
er licht aan het einde van de tunnel?
Hoofdstuk 4 - Beleef de Stad - is de tot op heden ongepubliceerde tekst
van een lezing die Simon Vinkenoog enkele jaren geleden voor Polis heeft
gehouden. Met een gedrevenheid die zijn reputatie eer aandoet, geeft hij
zijn stedelijke ervaringen gestalte.
In hoofdstuk 5 - Zoveel Hoofden Zoveel Zinnen - laten Fenna ter Haar en
Anne Kok één-en-twintig geïnterviewde Polis-leden aan het woord. Er
wordt een overzicht geboden van de bandbreedte en de verscheidenheid
die de gesprekken over 'meesterwerken' hebben opgeleverd. En of men
nu meesterwerken ziet of niet: uitspraken over de stedebouwkundige als
trendsetter of trendvolger worden begroet met walging of waardering.
Tenslotte, meesterschap is misschien daarom ook een moeilijk begrip om-
dat men ermee uitspreekt waarvoor en voor wie men bewondering heeft.
En dat valt niet altijd mee. Behalve misschien als het om historische figu-
ren gaat waarvan men niet te duchten heeft en die veilig tot onderwerp
van consensus kunnen dienen. Immers je kunt het niet doorlopend oneens
zijn.
19
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
20
Hans Krop
GEWOON, STEDEBOUW
WAT DOE JIJ NOU EIGENLIJK PAPA?
Het blijft pijnlijk als die vraag voor de zoveelste keer gesteld wordt. Door
kinderen, door geïnteresseerde vrienden, door opdrachtgevers. Het venijn
zit hem natuurlijk in het woordje 'eigenlijk', alsof er een beetje het ver-
moeden in doorklinkt dat je het zelf ook wel niet precies zult weten. En
misschien is dat ook wel een beetje zo. Ik bevind me dan overigens niet in
slecht gezelschap1. Wat pijnlijker vonnen kan de vraag aannemen als
geïnteresseerde potentiële opdrachtgevers werk van je komen bekijken.
Na een uitvoerige en kennelijk interessant gevonden toelichting vooraf, is
er bij terrein bezoek al gauw meer aandacht voor een gootdetail dan voor
een uitzicht dat je knap in je plan hebt weten te integreren.
Als het dan kennelijk een moeilijke vraag is, laat ik dan eenvoudig begin-
nen. Beter een simpel concept dat uitwijding, variatie en nuancering mo-
gelijk maakt dan de illusie koesteren dat de werkelijkheid in al zijn com-
plexiteit te kennen valt. Van lenen ben ik vervolgens ook niet vies, het
meeste is uiteindelijk al uitgevonden. Het gaat er meer om wat je er mee
doet. Als vertrekpunt voor het scherpstellen van wat de stedebouwkundige
eigenlijk doet, kies ik de vierdeling die Jan Heeling onlangs formuleerde
voor de inhoud van de discipline:
• de stedebouwkundige levert een bijdrage aan de formulering van het
programma,
• de stedebouwkundige ontwerpt de stadsplattegrond,
• de stedebouwkundige maakt het inrichtingsontwerp voor de openbare
ruimte,
Nieuw Nederland, onder-
werp van ontwerp; toe-
komstscenario's voor 2050.
1 In december '94 werd in
• de stedebouwkundige bepaalt de randvoorwaarden voor de op te rich- de Rotterdamse kunsthal
ten bebouwing. door het Stimulerings-
fonds voor de architec-
Dat is simpele heldere taal, het concept waarop je altijd kunt terugvallen.
In iedere concrete situatie valt er wat op af te dingen en ongelofelijk veel
op te nuanceren. Maar het heeft dezelfde eenvoud als het antwoord op
mijn vraag aan een scheikundig technoloog. Wat doe jij nou eigenlijk?
Mengen, roeren, scheiden en verwarmen, was zijn antwoord. Een heel
vakgebied in vier woorden. Stedebouw is ongetwijfeld gecompliceerder,
maar in vier zinnen moet het toch kunnen. Die vier zinnen zijn voor mij in
deze verkenning het mengen, roeren, scheiden en verwarmen van de ste-
debouw. Daarmee wil ik proberen de piketten uit te zetten die het vak ste-
debouw afbakenen en herkenbaar maken. Meer zou er dan niet zijn.
tuur een congres geor-
ganiseerd onder de titel
'Orde en chaos in de
stadsontwikkeling' , waar
ook de fine fleur van de
Nederlandse stede bouw-
kundigen kennelijk met
die vraag de nodige
moeite had. Zie Rob van
der Bijl in Blauwe Kamer/
Profiel van december
1994.
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
Scenario Zorgvuldig Neder-
land, constructie van het
landschap Oost-Brabant,
een schetsmatige weerga-
ve; Heeling, Bekkering,
Lörzing.
'22
De stedebouwkundige levert een bijdrage aan de
formulering van het programma
Er zijn mensen die daarvoor doorgeleerd hebben, voor het schrijven van
programma's. Via handboeken, statistieken, berekeningen, observatie van
het menselijk gedrag en kennis van de markt. Bestuurders in ons democra-
tisch bestel hebben vaak een fijne neus voor wat er maatschappelijk aan
de hand is. Hun programma's zijn niet altijd realiseerbaar of adekwaat
voor een bepaalde plek, maar kunnen meestal wel rekenen op maatschap-
pelijke steun. Grondgesteldheid, cultuurhistorie, civiel techniek, grondei-
gendom, bodem en andere vervuiling en tal van andere beperkingen kleu-
ren het programma weer op een andere manier. En alsof de lijst van pro-
grammapunten nog niet groot genoeg is dragen aktiegroepen en belange-
norganisaties ook nog het hunne bij. Nu eens motiverend dan weer stem-
mingmakend, maar het is er wel.
Iedere stedebouwkundige is een beetje planoloog, een beetje bestuurder,
een beetje technicus, een beetje aktievoerder, en met al die kleine beetjes
kom je een heel eind. Om tijdens het ontwerpen niet in de problemen te
komen is het handig om het programma realistisch en consistent te krij-
gen, maar ambities en de complexiteit van de materie staan dat vaak in de
weg. Maar naast al die geleende disciplines, bespeelt de stedebouwkundi-
ge ook nog zijn eigen viool, heeft hij een eigen en specifieke rol in de pro-
grammafase?
GEWOON, STEDEBOUW
Ja, zei Dirk Frieling en organiseerde al weer een aantal jaren geleden
NNA0
2
. Een grote ontwerp-sessie gekoppeld aan een tentoonstelling, die
niet de bedoeling had om een blauwdruk van Nederland te maken, maar
om nieuwe programma's voor Nederland te bedenken. Niet omdat er een
concrete vraag lag, maar omdat er hoe dan ook een toekomst is, omdat er
hoe dan ook geïnvesteerd wordt, omdat er hoe dan ook verandering is.
Hoeveel programmaloze vragen zijn de vakwereld sindsdien al niet voor-
gelegd, al dan niet in de vorm van ideeënprijsvragen. In feite is dat de
vraag om iets te zien dat er niet is. Is dat niet bij uitstek een ontwerp-daad.
Misschien is dat wel de projectontwikkelaar in de stedebouwkundige. Een
natuurgebied te zien waar aardappels groeien, een vakantieproject te zien
omdat er toch grind gedolven wordt, een afvalberg transformeren in een
park. Nu vanzelfsprekend en al bijna platgetreden, maar ooit als program-
ma bedacht door ontwerpende geesten die dingen zagen die er niet waren.
Stedebouwkundigen?
Ja, zei Jan Heeling toen hij in het struktuurplan voor Groningen de verbin-
dingskanaalzone identificeerde en die vervolgens opvoerde als program-
mapunt voor de stedelijke ontwikkeling.
Ja, zegt Willem Jan Neutelings met zijn tapijtmetropool, want ieder pro-
gramma dat verder kijkt dan zijn neus lang is, is op voorhand achterhaald.
De invloed van die programmatische uitspraak op het ontwerpproces is
vele malen groter dan de invloed van een kantorenprognose.
W.J.Neutelings, de Rand-
stad als ruimtelijk-program
matisch tapijt.
2 Nederland Nu Als
Ontwerp, 1987.
23
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
trategische verdeling van
e nieuw ontworpen plei-
en over het stadsdeel
rácia, Barcelona.
24
Ja, zei Joan Busquets toen hij voorstelde om in Barcelona een aantal plei-
nen opnieuw in te richten. Niet in de eerste plaats omdat hij geïnteresseerd
was in mooie pleinen, maar omdat hij de strategische betekenis ervan in-
zag. Niet de ontwerp-kwaliteit, maar de programmatische betekenis staat
centraal. Na alle excursies die terecht georganiseerd zijn is het toch ook
interessant om te weten of de beoogde strategie inderdaad gewerkt heeft.
En zo zijn er nog eindeloos veel voorbeelden waar niet het programma het
ontwerp bepaalt, maar het ontwerp het programma. Bouwen voor de
markt is dan niet alleen bouwen waar de markt om vraagt, maar ook aftas-
ten welke vernieuwing van programma perspektief bieden. De meter ver-
sus de uitvinder. Marketingmensen hebben daar twee woorden voor be-
dacht; market pull en market push. Zo simpel is dat.
LES PI.ACES DE GMCIA
GEWOON, STEDEBOUW
De stedebouwkundige ontwerpt de stadsplattegrond
Die stelling wordt óf niet bestreden, maar is het dan niet al te simpel om
er je beroep van te maken, óf hij wordt wel bestreden omdat het een illusie
zou zijn, zo niet van hoogmoed zou getuigen.
Beide opvattingen zou ik willen bestrijden. Niet op theoretische gronden,
maar gewoon door om me heen te kijken.
Onlangs stond in de Leekster Courant (toch niet het centrum van de we-
reld) een promotioneel artikel over de ontwikkeling van de nieuwe wijk
Wolvenschans. Geen architectuurtekeningen, geen sfeerimpresies, zelfs
geen tekening met huizenblokjes, maar een stedebouwkundige kaart van
Ad Habets. Wegen, profielen, groen, te bebouwen gebieden. Kan zo over-
genomen worden in de Falkplan. Er is dus nog hoop; zelfs bij gewone
burgers in Leek bestaat het besef - anders zet je het niet in de krant - dat
zo iets kennelijk interessant kan zijn, dat stedebouwkundige kwaliteit niet
begint met fantastische architectuur maar met een goed stedebouwkundig
ontwerp.
Wolvenschans is zeer overzichtelijk. Eenvoudig en beperkt van program-
ma, korte looptijd, een overzichtelijke markt. Dat is iets heel anders dan
een Vinexlokatie. Ook die krijgt uiteindelijk zijn plattegrond, goed of
slecht, maar de onzekerheden over het programma verhinderen kennelijk
de conceptie van een vastliggende plattegrond.
Berlage had daar minder moeite mee. Toen hij met het plan voor Amster-
dam Zuid begon was de onzekerheid over het programma groter dan nu
bij de Vinexlokaties, alleen leefde dat besef toen minder. Toekomstver-
kenningen bestonden nog nauwelijks. De belangrijkste drijfveer was ge-
loof in de toekomst en consensus over wat een stad is. De kwaliteit van
het plan werd herkend, het plan werd in 1917 vastgesteld en vervolgens in
de loop van een kleine 20 jaar gerealiseerd (dat is langer dan de Vinexlo-
katies waarover we nu praten).
De verdubbeling van de vesting in Groningen vergde overigens meer dan
het tienvoudige daarvan (d.w.z. de invulling ervan). Dat leidde wel tot een
financiële aanslag op de gemeentebegroting, maar niet tot onzekerheid
over het ontwerp.
VanEesteren moet het plan Zuid wel een onzeker en romantisch avontuur
gevonden hebben. Zijn Algemeen Uitbreidingsplan was gebaseerd op ge-
degen onderzoek, de zaak was volledig onder controle, hier kon niets
meer mis gaan.
25
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
GEWOON, STEDEBOUW
Het plan werd gewoon uitgevoerd en er ging inderdaad niks mis. Laten we
aannemen omdat het een goed plan is, maar zeker ook omdat er woning-
nood was, er een redelijk vertrouwen was in de deskundigen en omdat er
grote overeenstemming bestond in de opvattingenwereld van die deskun-
digen. Architecten versterkten zonder veel de diskussie de kwaliteiten van
het plan.
Die consensus is wellicht voorgoed verdwenen en het heeft geen zin om
daar rouwig om te zijn, behalve dan dat het de stedebouwkundige discipli-
ne bijna de kop gekost heeft. In de periode dat het aantal stedebouwkundi-
gen in Nederland op een hoogtepunt zat, produceerde de discipline onder-
zoeken, schema's en 'vlekkenplannen'. Alsof je een kop koffie omstoot!
Vormloos, zonder uitdaging of inspiratie, met flexibiliteit als risicoloos
excuus. Het blijft een merkwaardige contradictie dat in het programmalo-
ze tijdperk pregnante uitspraken over de vorm gedaan worden en dat in
een tijdperk waarin in ieder geval de pretentie bestond dat de program-
ma's beheerst werden, zorgvuldig de uitspraken over de vorm gemeden
werden.
Als ook de pretentie van inzicht in de programma's gaat verdwijnen krijgt
het ontwerp weer een kans. Dat vraagt om een verklaring. Stedebouw
heeft in de ogen van velen, ook stedebouwkundigen, bestaan uit het schui-
ven met bouwblokjes; dat biedt houvast en is gemakkelijk zichtbaar te
maken. Niet voor niets bestonden de presentatietekeningen van zowel het
plan Zuid van Berlage als het AUP van VanEesteren uit bouwkundige
vogelvluchtperspectieven. Als inzicht in het programma ontbreekt vervalt
dat houvast, er valt geen bouwprogramma meer vast te leggen.
Ad Habets, stedebouwkun-
dig ontwerp Wolven schans
in Leek, 1994.
AUP Amsterdam, 1934; vo-
gelvlucht richting Buitenvel-
dert van het zuidelijke
stadsdeel , aansluitend aan
het nog niet voltooide Plan
Zuid van Bertage.
27
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
Het nieuwe land twintig
minuten na de aankomst
van de eerste trein: mensen
in een geometrische verde-
ling in het landschap.
28
Maar er ontstaat wel de uitdaging om mogelijkheden aan te bieden, om
een troosteloze aardappel akker om te vormen in een begerenswaardige
plek, een plek die zijn eigen programma genereert. Kortgeleden heb ik
zeer genoten toen in een plannetje dat ik ontworpen had alleen nog maar
de bouwstraten en de waterpartijen waren aangelegd. Het wordt nooit
meer zo mooi als nu, dacht ik.
Dat programmaloze ontwerp is in feite van alle tijden. In de Griekse en
Romeinse kolonistensteden werden alleen enkele bijzondere funkties vast-
gelegd. Maar complexer was de situatie in Amerika na de vrijheidsoorlog:
een building lot van 2000 bij 3000 km
2
die in honderd jaar tijd in gebruik
genomen zal worden. Om daarin te voorzien neemt het congres in 1785 de
grootste stedebouwkundige beslissing aller tijden, de 'Land Ordinance'.
Een wetgeving die de maatvoering van de gronduitgifte regelde. Daardoor
konden niet alleen snel beslissingen genomen worden, ook was verzekerd
dat de maatvoering voor veel funkties geschikt was. En nog dagelijks
blijkt dat de gekozen maatvoering duizend verschillende invullingen mo-
gelijk maakt. Stedebouw lijkt daarom sindsdien overbodig. Door de neu-
traliteit was het patroon flexibel, het sloot aan bij het diepgewortelde ge-
lijkheidsbeginsel van het Amerika van die tijd en als objectief, want uni-
verseel systeem voorkwam het veel diskussie. De vele overhoeken bij ri-
vieren, bergketens en dergelijke nam men in het lege land graag voor lief.
.

GEWOON, STEDEBOUW
Endry van Velzen sluit daar naadloos op aan: "De overheid ziet toe op het
tot stand komen van het grid en stelt eenvoudige bebouwingsvoorschriften
op. Daarbinnen mag iedereen zonder nadere (esthetische) bemoeizucht z'n
gang gaan. Ook voor spontaniteit, eigenbouw, tijdelijkheid en transforma-
ties in de tijd wordt zo ruimte geboden. De struktuur van het grid is onder-
werp van ontwerp, evenals de plaats en de bestemming van de grote open
ruimten".3 Een als revolutionair bedoeld voorstel bedient zich van het heel
traditionele middel van de ontworpen 'stads'plattegrond, die onder in-
vloed van bijvoorbeeld waterbeheersing en grondeigendom een heel wat
ingewikkelder struktuur zal krijgen dan de Amerikaanse gridsteden.
Overigens kruipt ook in Amerika het bloed waar het niet gaan kan. Zelfs
een spoorwegmaatschappij, die een herhaalbare stadsplattegrond had be-
dacht om de lijn vulling en bestaansrecht te geven, maakte in ieder stadje
een kleine variatie om dat zijn eigen identiteit te geven. En Amerikaanse
ontwikkelaars weten dat succesvolle plannen niet meer op het grid geba-
seerd zijn, dat immers de gelijkheid symboliseert, maar dat een plan en
een plek een eigen identiteit moet vertegenwoordigen.
fLAT
0" nul':: TO ...... &tTIlt Of'
ANADARKO
. . OKLAlIOMÁ TERRITO
_", ... s...u-.
_" ... s..J._,."';tIoofw .......... """'""" South-_
, ........ " ...... r"""' •• I ... ""'· ... <f .... .. s..Inoot_
ti s.±l0l\
__ ....
tNO"'*" "r:IllIDiÀ"

3 NRC, 10 februari 1994.
Plattegrond Anadarko,
Oklahoma; 1901.
29
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
4 Zie Ontwerpend Sturen
Aan de Stad, Atelier
Stad, februari 1994.
30
In Europa hadden we nooit anders gedaan. Iedere stads of dorpsplatte-
grond heeft zijn eigen unieke karakter, aangepast aan de lokale omstan-
digheden en in die stadsplattegrond ligt het eigene van iedere plaats veran-
kerd. Ook als alle bebouwing in Utrecht of Amsterdam vervangen wordt,
dan nog blijven het unieke steden die direkt herkend kunnen worden. In
die Europese traditie is iedere wijziging van de plattegrond een unieke,
stedebouwkundige beslissing. Daar gaat ons vak dus over.
Soms kan de Falkplankaart van Ad Habets vooraf getekend worden. Va-
ker trouwens naarmate een initiatiefnemer zelfverzekerder iets wil en er
van overtuigd is dat hij iets goeds te bieden heeft. Opvallend is dan ook
dat ontwikkelaars vaak minder behoefte hebben aan globale bedoelingen
en symbolische voorstellingen dan gemeentelijke overheden. Het is beter
nauwkeurig te weten wat je wilt dan verzuipen in flexibiliteit en goede be-
doelingen. En bij weten wat je wilt hoort een effektieve plattegrond.
Vaak ontstaat de Falkplan als resultaat van een proces, waarin de stede-
bouwkundige strategisch stuurt. Doet er niet toe op welk schaalniveau of
volgens welke methodiek of strategie. Of het nou gaat om het Melun Sen-
art van Koolhaas, het strategische detail van Frits Palmboom, of het
Scheene-ontwerp van Jan Heeling, ze sturen om een nog onbekende plat-
tegrond begrijpelijk en beheersbaar te houden gedurende 20 jaar, zonder
uitspraken te doen over de bebouwing (en zonder koffie te morsen).
Overigens, het ontwerpen van de stedebouwkundige plattegrond is er on-
danks alle Vinexlokaties nog maar zelden bij. Meestal gaat het om ver-
bouwingen. Dat wil zeggen het opnieuw lezen en interpreteren om ver-
nieuwing mogelijk te maken. Dat is een verhaal apart.
4
De stedebouwkundige maakt het inrichtingsontwerp
voor de openbare ruimte
Dat zou hij wel willen roept een heel leger civiel technici en verkeersdes-
kundigen in koor, en een aantal architecten en landschapsarchitecten la-
chen in hun vuistje omdat zij veel van de spraakmakende inrichtingsplan-
nen hebben gemaakt. Terwijl de stedebouwkundigen zich druk maakten
over de architectuur, waar ze toch geen greep op kregen omdat anderen
daar het primaat h((bben, gingen derden met hun eigen vakgebied op de
loop. Waarom vind ik het zo belangrijk om de inrichting van de openbare
ruimte tot het vakgebied van de stedebouw te rekenen? In de eerste plaats
omdat die inrichting voor een zeer belangrijk deel het beeld van de stad
bepaalt, in de tweede plaats omdat het een misvatting is om te menen dat
het toch gaat om de grote lijnen en dat die details maar bijzaak zijn en in
de derde plaats omdat de overheid juist en bij uitstek in de openbare ruim-
te zelf opdrachtgever is en haar ambities zelf kan realiseren. Die drie be-
weringen wil ik nader illustreren.
GEWOON, STEDEBOUW
• Probeer eens met een standaardlens, die globaal overeenkomt met de
normale ooghoek, een foto van een plein of straat te nemen. Het over-
grote deel van het beeldvlak wordt dan bepaald door de inrichting en
het gebruik van de openbare ruimte. Dat alleen is voor mij al voldoen-
de bewijs dat de betekenis van de architectuur voor de beeldvorming
van de openbare ruimte wordt overschat en de betekenis van de inrich-
ting van de openbare ruimte wordt onderschat. De nieuwbouw die
Cees Dam enige jaren geleden aan de Dam realiseerde is buiten de
vakwereld bijna door niemand geregistreerd. De inrichting van die
ruimte is veel dominanter dan de wanden. Vergelijk eens met een foto
van de Dam voordat het Monument er stond.
• Welke gerespecteerde architect zou de materiaalkeuze, de plaatsing en
indeling van de ramen, de principedetails of de kleurstelling overlaten
aan de techneuten of de jongste tekenaar omdat de grote lijn toch een
geniale greep was en de rest maar details? Iedereen weet dat dat niet
lang zal duren en als bij Koolhaas bepaalde details misschien wat
knullig overkomen is dat niet een slippertje van de jongste tekenaar
maar een bewust gekozen commentaar. Alleen de optelsom van alle
details bepaalt of een concept uiteindelijk overtuigt en dus gerespec-
teerd wordt, of dat het eenieder vrijstaat om er maar wat mee aan te
rommelen. De inrichting van het San Marcoplein in Venetië, van het
Piazza del Campo van Siena, van de Lange Voorhout in Den Haag of
de grachten in Amsterdam zijn niet alleen in hun concept, maar ook in
hun detaillering overtuigend. Daarom bestaan ze al eeuwen in dezelfde
vorm. Dat geeft houvast. Veel woonerven houden het nog geen twintig
jaar uit.
Geertruidenberg. Bomen,
bestrating, een pomp, een
kerk; een stedelijk plein.
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
Een van de essenties van
het San Marco-plein, zon-
der dat er een gebouw te
zien is.
Siena, tot in het laatste
detail.
GEWOON, STEDEBOUW
• De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een perfecte af-
spiegeling van onze volksaard. Een volk van individualisten dat niets
moest weten van royale concepten. Steden die stijf staan van individu-
aliteit. Een enkele keer is het gelukt om een stedebouwkundig 'ge-
samtkunstwerk' tot stand te brengen: het plan Zuid van Berlage, het
AVP en nog zo'n paar. Maar dat zijn eerder incidenten dan de regel.
Om de drie jaar verandert de mode in de architectuur, daar valt geen
peil op te trekken en daar valt maar zeer moeizaam wat aan te sturen.
Waarom niet veel bewuster sturen met de middelen die de overheid
zelf in de hand heeft, de inrichting van de openbare ruimte?
Een goed stedebouwkundig plan dwingt ook in de materialisering en de-
taillering van de openbare ruimte respekt af. Natuurlijk spelen civiel tech-
nici, verkeerskundigen en landschapsarchitecten daarbij een belangrijke
rol, net zoals de politie, de gebruikers en de aanwonenden. Maar het is het
domein van de stedebouw en dus beschamend als stedebouwkundigen
daarin niet het voortouw nemen.
De stedebouwkundige bepaalt de randvoorwaarden
voor de op te richten bebouwing
En dat doen ze maar al te graag. Daar kun je imponeren met de geleende
produkten van een meer gewaardeerde en erkend creatieve discipline, de
architectuur. Daar wordt het bouwprogramma zichtbaar waar de opdracht-
gever om gevraagd had. Daar liggen de roots van de stedebouwkundige
vakuitoefening, bijwagen van menig architectenbureau. Laat nou het gros
van de referentiebeelden die daaruit ontstaan gerelateerd zijn aan gevallen
wethouders, vreemde culturen, verfoeilijke maatschappelijke systemen,
zonniger klimaten of andere programma's dan aan de orde zijn. En dat ter-
wijl zo veel te zeggen valt over wat stedebouwkundig relevant is. De
plaats van de entree bijvoorbeeld, of de schaal van de gevel, of de ligging
van de begane grondvloer ten opzichte van het maaiveld, of de plaatsing
van het gebouw op de kavel, of het silhouet van de straat.
Zonder modieuze referentiebeelden wist Robert Geddes in 1993, op het
congres 'Stedebouw in beweging' 5 in Rotterdam, een toekomstbeeld te
schetsen van een aantal straten in Philadelphia. Nauwkeurig had hij gea-
nalyseerd van welke architectonische componenten het straatbeeld daar
afhankelijk is. Dat is vastgelegd in wetgeving. Wetgeving die pluriformi-
teit stimuleert, geen standpunt inneemt in het debat welke architectuurstijl
ouderwets is of modem en niet gebaseerd is op de toevallige voorkeur van
een bepaald moment, maar op objectief beschrijfbare elementen. Geddes
was niet de grootste spraakmaker in Rotterdam, misschien wel de be-
kwaamste vakman.
5 Zie publikatie: S. Gal!,
e.a. , Stedebouw in
beweging;
Uitgeverij 010 (1993).
33
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
Robert Geddes, architecto-
nische componenten van
het straatbeeld.
34
Natuurlijk droom ik: ook wel eens van een Rue de Rivoli, natuurlijk was ik:
geïmponeerd door de perfecte symmetrie van de Oost Berlijnse Frankfur-
terstrasse, natuurlijk smaakt macht naar meer. Natuurlijk zou een architect
ook wel eens de complete inrichting willen maken, liefst met de kleding
en het gedrag van de bewoners erbij. Maar nodig is dat niet
Na deze verkenning weet ik: het eigenlijk wel zeker. Stedebouwkundigen
leveren een bijdrage aan het programma, ze ontwerpen de stadsplatte-
grond en de inrichting van de openbare ruimte en ze geven aanwijzingen
voor het bouwen. Niet meer en niet minder. Wie hier niet in wil passen
moet zich maar geen stedebouwkundige noemen. Als de discipline een
van deze aspekten verwaarloost gaat zij op den duur lopen als een kreupel
paard. Dat moet individuele stedebouwkundigen er vooral niet van weer-
houden om zich als een terriër vast te bijten in een onderdeel.
GEWOON, STEDEBOUW
Maar net zo als de scheikundige technologie gehandicapt is als een van de
componenten mengen, roeren, scheiden of verwarmen niet onder controle
is, zo zal de stedebouw blijven hinken als zij niet toonaangevend en
grensverleggend bezig is in haar eigen 'core' aktiviteiten.
• Ik heb een grondige hekel aan stedebouwkundigen die alleen maar
programma's van andere disciplines overschrijven zonder er zelf iets
wezenlijks aan toe te voegen;
• Als de plattegrond van stad, regio, dorp, wijk of buurt niet deugt,
wordt terecht de stedebouwkundige daar op aangesproken;
• Stedebouwkundigen blijven gemankeerde architecten als ze er niet in
slagen om kwaliteiten van bebouwing in stedebouwkundige zin te om-
schrijven.
Niet iedere scheikundige is er met zijn mengen, roeren, scheiden en ver-
warmen in geslaagd om goud te maken. Zo zullen ook niet alle stede-
bouwkundigen meesterwerken produceren.
351
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
36
Nicola Körnig
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
MEESTERWERK?
Terwijl in de muziek, de beeldende kunsten of de literatuur het begrip
'meesterwerk' een vanzelfsprekend bestaan leidt, roept de term in verband
met de stedebouw heel wat uiteenlopende reacties Op.
1
Uiteraard zijn er
plannen die iedereen kent, waarnaar vaak verwezen wordt, die fungeren
als referentie of schoolvoorbeeld. Van een erkenning van dergelijke plan-
nen als 'meesterwerken' is echter geen sprake. Tegelijk zal niemand be-
weren dat er niet ook bijzonder verdienstelijke stedebouwkundige plannen
zijn. Een kwestie van al te grote bescheidenheid, dat een dergelijk preten-
tieus begrip in de stedebouw niet gebezigd wordt?
De term roept kennelijk twijfels op, en wel van de legitimiteit van het be-
grip zelf tot de vraag of je in verband met de complexe processen bij de
productie van de stad wel van één, al dan niet meesterlijk, werk kunt spre-
ken. Onbegrijpelijk zijn die twijfels niet. Kan er sprake zijn van een mees-
terwerk, als er in de stedebouw het begrip 'meester' niet bestaat? Kan er
sprake zijn van meesterwerken terwijl het overgrote deel van de stede-
bouwkundige productie werk zonder een herkenbaar signatuur is? Vaak
zijn plannen anonieme producten, het resultaat van samenwerking van
verschillende disciplines of van inspraak. Doelt het begrip op het onge-
schonden, getekende ontwerp of op het gebouwde resultaat? Komen al-
leen uitgevoerde ontwerpen in aanmerking als meesterwerk of ook theore- 1 zie ook hoofdstuk 5,
tische concepten of baanbrekende visies? Wordt het uiteindelijke resultaat Zoveel hoofden, zoveel
zinnen.
van een ontwerp wel geassocieerd met 'stedebouw' of worden geslaagde
operaties niet veeleer gezien als het product van andere, uitvoerende disci- 2 Een kenmerkend voor-
plines? Kan een plan niet pas na verloop van tijd beoordeeld worden, als beeld hiervoor is de
het de toets door de tijd heeft doorstaan? Kunnen, gezien de verscheiden-
heid in opgaven, omstandigheden en lokaties, stedebouwkundige plannen
wel op dezelfde criteria beoordeeld worden? Waarop moet een beoorde-
ling plaatsvinden: op het vakmanschap, waarmee aan alle gangbare prakti-
sche eisen voldaan is, op de maatschappelijke relevantie, op esthetische
kwaliteiten of juist op een combinatie hiervan?
Met de beoordeling van stedebouwkundige plannen is sowieso iets merk-
waardigs aan de hand. Via de vakdiscussie, de politieke besluitvorming,
inspraakprocedures of het alledaagse gebruik van de gebouwde omgeving
zijn stedebouwkundige plannen voortdurend blootgesteld aan toetsing en
kritiek. Dit gebeurt echter volledig op individuele basis; algemeen geldige
criteria bestaan niet, niet binnen het vak noch erbuiten. Pogingen om tot
enig consensus over het vraagstuk te komen - zoals bijvoorbeeld de regel-
matig terugkerende discussie over Archiprix-beslissingen of de introductie
van de trojka 'gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde' door
de overheid - hebben tot nu toe geen bruikbaar resultaat opgeleverd.
2

3
discussie over de uit-
eenlopende beoordeling
van de Archiprix-inzen-
ding 'Waterfront' uit
1989 door de mentoren
resp. de jury, die in het
kader van de BNS-mani-
festatie 'Tussen stad en
stede bouw' in 1990
plaatsvond.
3 Ministerie van Volks-
huisvesting. Ruimtelijke
Ordening en Milieu-
beheer, Vierde nota over
de ruimtelijke ordening,
deel a: beleidsvoor-
nemens; SOU Den Haag
1988.
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Een planmatige aanpak van
de ontwikkeling van de stad
wordt op dat moment inge-
zet, dat er expliciet ideeën
ontwikkeld worden over de
stad als leefruimte voor
bepaalde vormen van de
samenleving. De Griekse
rastersteden met hun orga-
nisatie van de traditionele
bouwblokken in een gelijk-
waardig grid kunnen geïn-
terpreteerd worden als de
ruimtelijke vertaling van het
ideeëngoed over 'polis' en
'democratie': het ideale
stadsplan completeert de
ideale (stad)staatsinrich-
ting; Milete, ca. 490 v. Chr.
Het grid is later veelvuldig
gemodificeerd, onder ande-
I re in de Amerikaanse ras-
tersteden, waarin de neu-
trale structuur van het grid
een ideale, blanco onder-
grond vormt voor de archi-
tectonische uitdrukking van
het individuele gebouw.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Werken en meesterwerken
Net zoals de gebouwde omgeving vonnen stedebouwkundige plannen het
product van een bepaalde cultuur, een product, waarop de sociale, politie-
ke, economische of technologische processen van dat moment hun stem-
pel hebben gedrukt. Veranderingen in deze maatschappelijke context zijn
in de stedebouwkundige productie uit de betreffende tijd steevast terug te
vinden. Het overgrote deel van de veranderingen in het repertoire van de
stedebouw vormt daarbij een reactie op invloeden van buitenaf: technolo-
gische vooruitgang, sociale of politieke omwentelingen of verschuivingen
op het economische vlak.
Niet alle verandering in de stedebouw zijn echter volledig te herleiden tot
externe factoren. Er zijn plannen, die schijnbaar vanuit zichzelf nieuwe
elementen in het vakgebied introduceren zoals een nieuw ordeningsprinci-
pe, een tot dan toe onbekende schaal of een nieuwe strategie. Hoewel zij
zich ook telkens in hun visuele kenmerken onderscheiden van gangbare
plannen, ligt het bijzondere van die ontwerpen niet zozeer in hun uitvin-
dingen op het stedebouwkundige vlak als veeleer in het verwerkte ideeën-
goed. Door nieuwe, vaak op een idealistische achtergrond gebaseerde the-
ma's aan de orde te stellen, beperken zich die plannen niet tot reacties op
hun maatschappelijke context maar meten zich een actieve rol aan bij de
ontwikkeling ervan.
4
In plaats van louter het product te zijn van een be-
paalde cultuur, geven de plannen de ontwikkeling ervan een duwtje in de
rug.
Vakmanschap en meesterschap
Het overgrote deel van de stedebouwkundige productie, dat onder een
eenzijdige invloed van de maatschappelijke processen als een uitdruk-
kingsmiddel van die cultuur werkt, biedt antwoorden op de behoeften van
dat moment. Criteria om dergelijke ontwerpen te beoordelen, kunnen ge-
relateerd worden aan de bruikbaarheid van de plannen in de dagelijkse
productie van de stad. Die criteria kunnen samengevat worden onder de
tenn 'vakmanschap' en bestrijken in principe de gehele gereedschapskist
van het stedebouwkundig ontwerp. Dit materiaal stelt de ontwerper in
staat om op alle technische, gebruiks- en esthetische eisen een adequaat
antwoord te vinden en deze in een consistent plan te verwerken. Een af-
doende opsomming van 'technische, gebruiks- en esthetische eisen' te
willen geven is ondoenlijk. Deze worden bepaald door de periode waarin
een plan tot stand komt en veranderen al naar gelang de opgave en de spe-
cifieke omstandigheden.
4 Hans van Dijk, Maak
maar weer eens een
meesterwerk. In: De
Haan H. & I. Haagsma
(1981). Wie is er bang
voor nieuwbouw.
Intermediair Bibliotheek,
Amsterdam.
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Middeleeuwse stadjes
komen per definitie niet in
aanmerking als stedebouw-
kundige (meester)werken,
omdat het geen geplande
maar gegroeide structuren
betreft. Siena vormt hierop
een uitzondering: de inplan-
ting van het Piazza del
Campo, het nieuwe stad-
huis en de systematische
gevelbehandeling langs de
hoofdstraten naar de drie
stadspoorten zijn de be-
langrijkste onderdelen van
de transformatie van drie
afzonderlijke dorpjes in een
nieuwe stad en vormen de
trotse uitdrukking van het
nieuwe zelfbewustzijn
ervan; ca. 1300.
Siena, Piazza del Campo.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Binnen die gereedschapskist zijn een paar onderdelen van bijzonder be-
lang, zoals het integrerend en probleemoplossend vermogen van het stede-
bouwkundig ontwerp. Dit stelt de ontwerper aan de ene kant in staat, de
nodige keuzes en afwegingen te maken om de uiteenlopende eisen in één
plan te verwerken. Aan de andere kant behelst dit het vermogen om de
vaak tegenstrijdige belangen in een ontwerp te vatten, dat niet alleen aan
de gestelde 'harde' eisen voldoet maar ook aan de onuitgesproken behoef-
ten aan welbevinden en esthetica.
Het tweede belangrijk onderdeel van het vakmanschap is de verwerking
van de factor tijd. Hierbij hoort bijvoorbeeld de 'lange adem' van een ont-
werp, die nodig is om de gang door procedures en de tijd tussen planning
en uitvoering zonder aantasting van het concept te doorstaan. Tijdens en
na de realisatie kan een zekere slijtvastheid op het ruimtelijk-funktionele
vlak een kwaliteit zijn. Om aanpassingen aan de eisen van de tijd op te
kunnen nemen, om ook een minder meesterlijke uitvoering te overleven
en om naar verloop van tijd nog een brede waardering te vinden.
Het derde belangrijke onderdeel betreft de consistentie van een plan ofwel
de manier waarop het materiaal uit de gereedschapskist wordt ingezet. In
ruimtelijk-functioneel opzicht betreft dat vooral de verbanden tussen com-
positie, programma's en schaalniveau's, in strategisch opzicht is het de
manier waarop concept, strategie en ontwerp-middelen elkaar in hun ef-
fecten versterken. De consistentie van een plan is bepalend voor de kans
van slagen van het ontwerp.
De ideaal stad-modellen van
de Renaissance beant-
woorden in hun formele
compositie aan de eis van
het Humanisme naar een
volledige correspondentie
tussen het perfecte sociaal
politieke arrangement en de
perfecte architectonische
vorm van de stad. De sche-
ma's van de città ideale zijn
ontworpen volgens de in-
zichten en de constructie-
wetten van het perspectief,
de toegepaste ordenings-
principes zijn afgestemd op
de wetten van symmetrie
en proportie; Filarete, plat-
tegrond van Sforzinda,
ca. 1450.
41
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
De à priori-verstedelijking
van een aantal drukgebruik-
te bedevaartsroutes in het
16e eeuwse Rome moest
twee vliegen in een klap
vangen: het overgedimen-
sioneerde routestelsel tus-
sen de belangrijkste kerken
en heiligdommen moest de
betekenis van de contrare-
formatie ook in het beeld
van de stad tot uitdrukking
brengen; daarnaast werden
de routes ingezet om de in
verval geraakte stadsdelen
opnieuw te urbaniseren. In
deze opzet is Sixtus V. vol-
ledig geslaagd; nog van-
daag wordt het stadsbeeld
van Rome bepaald door
deze barokke ingrepen;
schematische weergave
van de aangelegde straten
van G.F.Bordino, 1588.
In het plan van IIdefons
Cerdà uit 1859 voor de
grootschalige 1ge eeuwse
stadsuitbreiding van Barce-
lona, de Ensanche, staan
de greep op de ontwikke-
ling van het stadslichaam
en programmatische flexibi-
liteit voorop. Dit bereikt hij
door de combinatie van een
à priori verstedelijking van
het wegennet en een neu-
traal , maar royaal gedimen-
sioneerd grid, dat de meest
uiteenlopende programma's
p kan nemen; vogelvlucht.
42
Ook al waren de Hauss-
mann-boulevards in Parijs
niet direct bedoeld als
podium voor de opkomende
bourgeoisie, zij bleken per-
fect aan te sluiten aan de
latente behoefte aan een
dergelijke stedelijke ruimte;
schema van de nieuwe
straten.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
De inhoud van de gereedschapskist bestaat doorgaans uit instrumenten,
die het resultaat zijn van tradities, gewoontes en ervaringen. De ontwikke-
ling van methoden en technieken van de stedebouw verloopt normaliter in
betrekkelijk kleine stappen, waarin veranderende behoeften tot modifica-
tie en verbetering van het bestaande instrumentarium leiden. Dit brengt
met zich mee dat de inhoud van de gereedschapskist een betrekkelijk hoog
statisch gehalte heeft.
Essentieel kenmerk van plannen, die uitstijgen boven het gangbare, is
daarentegen hun dynamisch karakter. De dynamiek komt aan de ene kant
naar voren in hun specifieke houding ten opzichte van de maatschappij. In
plaats van louter te reageren op externe processen, lijken de plannen voor-
uit te lopen op hun tijd en confronteren de maatschappij met mogelijke
toekomstige ontwikkelingen. Vernieuwende plannen kunnen daardoor niet
alleen voldoen aan de verwachtingen van het moment maar ook op nog
onuitgesproken behoeften van de maatschappij in een later stadium.
Tegelijk stimuleren de plannen de ontwikkeling van het eigen vak. De in-
troductie van nieuwe thema's brengt de normaal traag verlopende ontwik-
keling met een grote sprong vooruit. Zo'n stroomversnelling kan op elk
onderdeel van de gereedschapskist van toepassing zijn, zoals de uitvin-
ding van nieuwe types stedelijke ruimte, een andere organisatie van pro-
gramma's, de introductie van nieuwe ontwerp-middelen of van composi-
torische principes.
Boulevard Richard Lenoir,
aangelegd 1861-63.
43
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
De Ringstrasse Wenen uit
1860 is het prototype voor
de transformatie van voor-
malige vestinggordels tot
ringboulevards; deze aan-
pak is veelvuldig gekopi-
eerd en gemodificeerd, zo-
als in de transformatie van
vestinggordels tot bolwerk-
parken. Dergelijke ingrepen
hebben een enorme slijt-
vastheid tegen aantasting
bewezen en vormen van-
daag nog hooggewaardeer-
de stedelijke ruimtes; de
Ringstrasse vandaag ter
hoogte van de Hofburg.
Een van de theoretische
concepten met verreikende
gevolgen voor maatschap-
I pij en stedebouw is het tuin-
stad-concept van Ebenezer
Howard uit 1898. Het con-
cept is beïnvloed door de
socialistische utopisten, die
een herstructurering van de
maatschappij en de over-
winning van de breuk tus-
sen leven en werken na-
streefden; een reactie op
de misstanden in de over-
bevolkte 1ge eeuwse indus-
triesteden. De kracht van
Howard's concept ligt in de
combinatie van de aange-
paste utopieën met nieuwe
transporttechnieken, die de
tuinstad tot een uitvoerbaar
model voor nieuwe zelf-
voorziene steden maakt,
die de voordelen van stad
en platteland combineren
en de nadelen elimineren.
Het model sluit perfect aan
ij de denkbeelden van de
ociaal-bewuste liberalen;
iagram.
44
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
To-day
Vaak zijn de nieuwe thema's gebaseerd op een idealistische achtergrond,
op ideologische, sociale of culturele kwesties. Aanleiding voor het ont-
staan van vernieuwende plannen is meestal een samenloop van omstan-
digheden: gesignaleerde tekortkomingen op bijvoorbeeld het hygiënische
vlak, een intuïtief aanvoelen van noodzakelijke of gewenste veranderin-
gen en een gelegenheid tot het lanceren van een ontwerp, bijvoorbeeld het
opheffen van een militair schootsveld. Als dit laatste ontbreekt worden de
nieuwe thema's in theoretische concepten aan de orde gesteld; deze zijn
doorgaans radicaler geformuleerd zijn dan op uitvoering gerichte ontwer-
pen.
Afhankelijk van de vraag of de nieuwe denkbeelden achteraf aan blijken
te sluiten bij latente behoeften of feitelijke ontwikkelingen, vinden de ont-
werpen wel of niet toegang tot de traditie van het vak. Dit gebeurt door
het copiëren van een succesvol gebleken ingreep als geheel, door het
overnemen van enkele belangrijke kenmerken of door een verdere bewer-
king van de thema's op het theoretische vlak. Een groot deel van de in hun
tijd spraakmakende ontwerpen heeft op die manier ook op lange termijn
Reclame voor Welwyn
(GB). een in dejaren twintig
gerealiseerde tuinstad; ont-
werp L. de Soissons.
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Het bandstad-oonoept van
Sofia Y Mata uit 1882, de
'Ciudad Uneal', is een voor-
loper op het Functionalisme
en louter afgestemd op het
modeme verkeer (toen de
tram). De sociaal-politieke
ideeên blijven beperkt tot
het scheppen van een
milieu waarin het directe
contact tussen bebouwing
en open landschap en goed

staat. Dit concept is nooit
op grotere schaal tot uitvoe-
ring gekomen; het idee van
de band stad blijft echter bij
tijd en wijle in de vakdiscus-
sie de kop opsteken.
nog invloed op de ontwikkeling van de stedebouw. Op dit punt onder-
scheidt het meesterlijke werk zich nadrukkelijk van modieuze plannen die
als 'eendagsvliegen' hooguit aan kortstondige behoeften voldoen en bin-
nen korte tijd aan nieuwe impulsen of vervanging toe zijn.
Ambacht, kunst en wetenschap
Betreft het bij de criteria onder het kopje vakmanschap benoembare kwa-
liteiten, criteria voor het meesterschap blijken nauwelijks in concrete ter-
men te vatten. De meest karakteristieke eigenschap van de uitblinkers lijkt
juist te bestaan in het onverwachte van het ontwerp, in de uitdaging aan de
maatschappij; in het feit dat de plannen geen antwoorden op gestelde vra-
gen formuleren maar de maatschappij ongevraagd met door henzelf aan-
gedragen vraagstukken en oplossingen confronteren.
Er moet bij de beoordeling van plannen dan ook een onderscheid gemaakt
worden tussen te formuleren criteria en te constateren kwaliteiten. De eer-
ste kunnen bepaald worden door opdrachtgevers, critici, kortom de maat-
schappij; de tweede komen voort uit een autonome inbreng vanuit het vak
en de ontwerper. Criteria, vooraf gesteld of achteraf gehanteerd, kunnen
niet meer vaststellen dan de gewenste minimum kwaliteit van een plan;
hoe hoog het meetlat je voor het minimum ligt, bepaalt de maatschappij.
Elke extra kwaliteit, die een ontwerp daaraan toevoegt, kan alleen achteraf
geconstateerd worden.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Dit verschil tussen het aan tradities gebonden 'vakmanschap' en het meer
autonome 'meesterschap' is een erfenis uit de historische ontwikkeling
van de stedebouw. Tot de Renaissance kent de maatschappij geen verschil
tussen de instrumentele en de creatieve kant van een vak. In de bouwkunst
is de figuur van de 'bouwmeester' bewaker en vernieuwer van tradities te-
gelijk.
5
Dit verandert onder invloed van het Humanisme; kunst en weten-
schap emanciperen uit het ambacht en ontwikkelen zich tot zelfstandige
bezigheden, culturele goederen die op hun manier bijdragen aan de ont-
wikkeling van de maatschappij. Tegelijk ontstaat een onderscheid tussen
de instrumentele en de creatieve kant van een vak; in de wetenschap het
verschil tussen onderwijs en onderzoek, in de kunst het verschil tussen
uitvoering en ontwerp. In de bouwkunst is dat moment gebonden aan het
ontstaan van het architectenberoep met Brunelleschi. Vanaf dan worden
de instrumentele, ambachtelijke en de creatieve, artistieke kant van het
vak gesplitst in het meesterschap in de uitvoering en het meesterschap van
het ontwerp. Kunst en wetenschap vormen op dat moment nog geen ge-
scheiden grootheden, de homo universalis zoals Leonardo da Vinci is uit-
vinder en kunstenaar tegelijk. Het onderscheid tussen kunst en weten-
schap als zelfstandige disciplines ontwikkelt zich pas later in de richting
van de de mensheid dienende wetenschap en de vrije kunst.
leonardo da Vinci; het
ideale mannelijke lichaam
volgens Plato's idealen.
5 Het begrip 'meester'
komt vooruit het am-
bacht, waarin een ba;
paalde beroepservaring
en een proeve van be-
kwaamheid leidt tot het
recht op de benoeming
'meester'. Aan het mees- I
terschap zijn twee rech-
ten verbonden: het recht
om op te leiden en het
recht om te bepalen wat
gebeurt. In die twee
rechten komt de reikwijd-
te van de betekenis van
het ambacht binnen de
maatschappij naar vo-
ren: de 'statische' bete-
kenis van traditie in het
belang van het doorge-
ven van eenmaal ver-
worven kennis, maar ook
de 'dynamische' beteke-
nis, de mogelijkheid tot
verandering en tot ver-
nieuwing.
Met de koppeling van het
creatieve moment aan
het meesterschap wordt
elke vernieuwing aan de
traditie gekoppeld, de
meester is 'bewaker' en
'vernieuwer' tegelijk.
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
Tony Gamier's Cité Indus-
trielIe uit 1904 kan be-
schouwd worden als de
grondlegger van het Func-
tionalisme. Het plan is niet
bedoeld voor een rationalis-
tische industriestad, maar
voor een ontspannen en
geordende samenleving.
Het ontwerp laat zien dat
industrialistie niet altijd ver-
vreemding en lelijkheid tot
gevolg heeft.
Vogelvlucht van de Cité
Industrielle; op de voor-
grond de haven en indus-
triegebieden, daarachter
het station.
48
r
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Voor de woonwijken van de
moderne maatschappij gaat
Garnier uit van een vaste
stede bouwkundige maat-
indeling gecombineerd met
een rechthoekige verkave-
ling. De flexibiliteit van deze
opzet blijkt uit de Cité des
Etats Unies die, hoewel
ontworpen voor 2 à 3 bouw-
lagen, een uitvoering in een
extreme dichtheid (8 à 10
lagen) verwerken kan.
In zijn plan voor Amster-
dam-Zuid uit 1915 breekt
Berlage met de bestaande
opvattingen dat pleinen in
de stadsplattegrond belang-
rijker zijn dan straten en be-
nadrukt de mogelijkheid,
met het standaardproduct
'woning' stedelijke ruimte te
scheppen. In plaats van het
massale van de moderne
woningbouw te verdoeze-
len, wordt het ontwerp ge-
structureerd door grote ver-
keersstraten die aan de
Haussmann-boulevards
herinneren. De architectuur
van de bouwblokken kan,
aldus Berlage in zijn toe-
lichting, niet aan het toeval
overgelaten worden. De ar-
chitectonische eenheid van
straat, plein en stads ge-
deelte is voorwaarde wordt
het 'Gesamtkunstwerk'. De
vogelvlucht-tekeningen ge-
ven voorbeelden voor de
architectuur en de inrichting
van de openbare ruimte;
blik van de huidige Berlage-
brug naar het westen.
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
In de 'Siedlungen' of satel-
lieten van de jaren twintig
- een verdere ontwikkeling
van de tuinstad-gedachte -
komen alle thema's van de
avant-garde van die tijd aan
de orde: de esthetische,
stedebouwkundige, produc-
tie-technische en sociale
ideeên van de moderne be-
weging. Dankzij de bevlo-
gen leiding van Ernst May
en gunstige stadspolitieke
verhoudingen met een soci-
aal-democratisch stadsbe-
stuur kon in het Niddadal-
project in Frankfurt (1930)
het functionalistisch ge-
dachtengoed op een voor-
beeldige wijze in de praktijk
toegepast worden; titelblad
van het eerste nummer van
, het tijdschrift 'Das Neue
I Frankfurt', 1926 met in het
midden de Siedlung Praun-
heim.
6 In Nederland heeft -ver-
geleken met de rest van
Europa- de scheiding
tussen architectuur en
stedebouw zeer expliciet
plaatsgevonden. Hier
vormen de vakken van-
daag afzonderlijke disci-
plines met eigen oplei-
dingen, in andere landen
wordt stedebouw veel-
meer gezien als een
specifiek onderdeel van
de bouwkunst; in plaats
van via een zelfstandige
opleiding wordt stede-
bouw daar vaak onder-
wezen in de vorm van
een kopstudie in het ver-
lengde van een algeme-
ne studie bouwkunde.
Het naast elkaar bestaan van ambacht en kunst levert in de praktijk nau-
welijks problemen op. Tot het eerste kwart van deze eeuw wordt het be-
grip 'meester' door nijverheid en bouwkunst tegelijk gebruikt en klinken
in de begrippen 'bouwmeester' of 'stadsbouwmeester' zowel de autono-
mie van de vrije kunstenaar mee als de binding van de vakman aan de tra-
dities van het vak. Tot in die tijd wordt stedebouw - ook al bestaat het vak
nog niet als een zelfstandige discipline - vanzelfsprekend beschouwd als
een cultureel goed, als uitdrukking van de culturele ontwikkeling van de
maatschappij. In die situatie komt, tenminste wat betreft Nederland, vanaf
de jaren twintig verandering.
6
Met de splitsing van architectuur en stede-
bouw wordt een onderscheid geïntroduceerd tussen de architectuur als on-
derdeel van de kunst en de stedebouw als een toegepaste wetenschap.
Bedoeld als een versterking van de stedebouw door een wetenschappelijke
onderbouwing van haar aannames, zet vanaf dat moment een ontwikke-
ling in die doorwerkt tot de dag van vandaag: de verschuiving van de p0-
sitie van de stedebouw van een autonome naar een dienende discipline.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
! iii li! i l i ! !l i lil
.JIL-... ___ _
Ernst May, schema's van
JI L - - - ~ ' L JI IL
.J.
1;1
I
de ontwikkeling van het ste-
odelijk bouwblok van het ge-
§ sloten blok tot strokenbouw.
,-
Jeml
lWWI
=
1.1
....... , ..
"I
., rl TI T, TI --rT1'I'. r 1 I Ir
I. 11. m.
Die verschuiving heeft echter niet geleid tot een comfortabele en/en-posi-
tie waarin .bij de stedebouw alle lijnen bij elkaar komen. In tegendeel, het
vak lijkt eerder terecht gekomen te zijn in een wankele positie tussen twee
stoelen in. De tweeledigheid van haar positie is vandaag in alle lagen van
het vak voelbaar. In het begrippenapparaat is geen ruimte meer voor aan
de kunst gerelateerde termen zoals meesterwerk; tegelijkertijd heeft niet
een op wetenschappelijke leest geschoeide theorie- en begripsvorming
plaatsgevonden. De onderhuidse verwachtingen van maatschappij en ont-
werpers van de mogelijkheden van een ontwerp worden nog steeds be-
paald door een geloof in de kracht van visionaire plannen; in de praktijk
wordt het stedebouwkundig ontwerp echter behandeld als letterlijke verta-
ling van gemillimeterde 'randvoorwaarden'. Er bestaat geen helder be-
roepsbeeld van de stedebouw . Het zelfbeeld van stedebouwkundigen is
een afgeleide van de vrije kunstenaar, maar voor de buitenwacht heeft het
beroep geen helder profiet.1,8 Ditzelfde spanningsveld tussen kunst en
kunde is ook voelbaar in de beoordeling van stedebouwkundig werk.
Condities voor het ontwerp
In een (fictief) overzicht over het optreden van baanbrekend stedebouw-
kundig werk over de afgelopen 2000 jaar valt er over het overgrote deel
van de periode een eenduidig verband te ontdekken tussen de ontwikke-
ling van de maatschappij en het optreden van vernieuwende plannen. Tij-
den van stormachtige maatschappelijke ontwikkeling worden steevast
aangekondigd en begeleid door een indrukwekkende uitstoot aan spraak-
makende visies en ontwerpen. In de meer rustige tijden tussenin vindt
naast de consolidatie van de nieuwe maatschappelijke verhoudingen ook
de consolidatie van de stedebouwkundige verworvenheden plaats.
7 In het zelfbeeld van de
stedebouw spelen de
creatieve kant en het
maatschappelijke belang
van het vak nog steeds
een doorslaggevende
rol ; stedebouwkundigen
zien zichzelf vooral als
vormgevers/esthetici, als
strategen en als beden-
kers van toekomstige
ontwikkelingen; Samen-
vatting eindrapport-
beroepspraktijk en scho-
lingsbehoetten van
stedebouwkundigen,
onderzoek in opdracht
van de BNS, Amsterdam
1994.
8 zie ook hoofdstuk 2,
Gewoon Stedebouw.
51
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Het AU P Amsterdam. 1934:
onderzoek voorafgaande
aan het ontwerp;
statistische gegevens uit de
bijlagen van het AUP
(fragment).
AUP. het ruimtelijke ont-
werp; het oostelijke stads-
deel gezien in de richting
van Watergraafsmeer.
52
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Dit verband blijft tot ongeveer het midden van deze eeuw bestaan, daarna
verandert het beeld ingrijpend. De maatschappij doorloopt na de oorlog
een bijzonder dynamische periode met snel wisselende denkbeelden en
idealen.
9
De stedebouw zit in die periode geenszins stil; in tegendeel, de
hoeveelheid spraakmakende plannen is enorm. Zeker in Nederland - waar
in de vooroorlogse periode enkele internationaal belangrijke werken tot
stand waren gekomen zoals Berlage's plan voor Amsterdam-Zuid of het
AVP - wordt driftig gewerkt aan uitdrukkingsvormen voor de nieuwe
maatschappij. Als het werk al vernieuwend is, het heeft achteraf gezien
echter geen langdurige maatschappelijke impact gehad. Weliswaar vinden
onderdelen van de gerealiseerde plannen ingang in het repertoire van de
stedebouw, maar het daarachterliggende ideeëngoed blijkt te snel achter-
haald zoals de wijkgedachte in de studies en plannen van 'de 8' en de
'Opbouw' of de 'core' van het polderdorp Nagele.
Het ontwerp voor de Dier-
gaarde in Rotterdam van
W.G.Witteveen uit 1940,
architectonische invulling
JWils; de vormgeving van
de verbindende elementen
staat voorop in het stede-
bouwkundig ontwerp, de
architectonische uitdrukking
van de gebouwen is secun-
dair; maquette gezien naar
het noorden (via de huidige
Westersingel naar het
Centraal Station).
Theoretische concepten als 'New Babylon' van Constant Nieuwenhuis of
het 'Pampusplan ' van Bakema worden wel opgepakt in de vakdiscussie, 9
maar van een feitelijke invloed op de ontwikkelingen van de maatschappij
Wederopbouw, wel-
vaartsstaat, de revolutie
van '68, verschuivingen
van welvaart naar wel-
zijn en van gemeen-
schap naar individu.
is nauwelijks sprake. Plannen, die wel met sterk vernieuwende elementen
in uitvoering worden genomen lopen al tijdens de realisatie stuk op de
toets door de praktijk zoals de Bijlmer of blijken, zoals de Tweede Nota,
niet aan te sluiten op de feitelijke ontwikkelingen.
53
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Omslagpunt in de gangbare
opvattingen over stede-
bouw in Neder1and: het
basisplan van van Traa
voor de wederopbouw van
Rotterdam, 1946. Rotter-
dam wordt gezien als een
stad van gebouwen, de
ruimtelijke compositie van
de stad wordt opgeheven
ten gunste van een
mozaïek van ruimtelijke
fragmenten; zicht op de
Scheepmakershaven.
54
Aanleidingen voor dit uit de pas lopen van maatschappelijke en stede-
bouwkundige ontwikkeling zijn er legio en voor een goed deel liggen zij
in de condities van het stedebouwkundig ontwerp. Zo zijn snelle verande-
ringen in de maatschappij fnuikend voor de lange adem van de stede-
bouw. Het vak is met de traditionele uitrusting niet in staat te anticiperen
op snel opeenvolgende wisselingen en wordt veroordeeld om óf 'eendags-
vliegen' te produceren óf achter de ontwikkelingen aan te hollen; diezelf-
de snelle wisselingen belemmeren tegelijk het ontwikkelen van nieuwe in-
strumenten. Daarnaast gaan de veranderingen in de maatschappij gepaard
met verschuivingen van de positie van de stedebouw . De democratisering
van het planningsproces verdeelt de verantwoording voor het ontwerp
over de schouders van ontwerper, belanghebbenden en politiek; met de
democratisering van het ontwerp-proces wordt ook het auteurschap ver-
deeld over de verschillende deelnemers aan het proces. Dit verlies van
verantwoording en auteurschap over het plan ondermijnt de betekenis van
de stedebouw als een cultureel goed, dat juist gedijt onder de stimulerende
wisselwerking van maatschappelijke invloeden en autonome inbrengen uil
het vak.
Vergelijkbare dilemma's bestaan aan de opdrachtgeverskant. De democra-
tisering ontneemt de politiek voor een deel de autonomie van haar beslis-
singsbevoegdheid en tegelijk ontstaat door ontwikkelingen op het econo-
mische vlak een achterstand in het instrumentarium. Ook daar is het gelei-
delijke verlies van de vertrouwde machtsmiddelen (de greep op woning-
bouw, wetgeving en financiering) nog niet gekompenseerd door nieuwe
instrumenten.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Maak maar weer een meesterwerk?
Moet de discipline dan maar gewoon accepteren, dat baanbrekend stede-
bouwkundig werk definitief tot het verleden behoort? Gezien de her-
nieuwde belangstelling voor de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving in
de afgelopen jaren is het doek over de mogelijkheden van de stedebouw
zeker nog niet gevallen. Bovendien staan juist nu operaties op stapel zoals
de Vinex-Iokaties, stationsgebieden of structurele veranderingen in de
landbouw, waarmee de discipline zich opnieuw zou kunnen profileren.
Voordat de stedebouw daaraan kan beginnen, zou het vak echter serieus
werk moeten maken van het eigen profiel. De tegenwoordige maatschap-
pelijke context van het ontwerp maakt die discussie zelfs onontkoombaar.
Deze is de afgelopen decennia zo grondig veranderd dat er veel van de tot
voor kort vanzelfsprekende uitgangspunten achterhaald zijn. Zo is het niet
meer reëel om nog uit te gaan van de maakbaarheid van de samenleving;
overheid noch stedebouw hebben de middelen om, zoals in het verleden,
ruimtelijke ontwikkelingen naar hun inzichten te sturen. Net zo onrealis-
tisch is het, te blijven werken vanuit een perspectief waarin een zekere
normering van het maatschappelijk gedrag een constante factor is. Er is
nauwelijks meer sprake van herkenbare groepen met overeenkomstige be-
langen, maar van voortdurend veranderende groeperingen met wisselende
behoeften. Onder die omstandigheden kan het stedebouwkundig ontwerp
niet meer dezelfde taken vervullen dan in het verleden en zou het vak be-
reid moeten zijn een fundamentele discussie over zijn eigen toekomst aan
te gaan, over zijn opgaven en mogelijkheden in het dynamische krachten-
veld van de maatschappij.
a b
a Diagram wijkgedachte.
b De 'stempel' als uitdruk-
kingsvorm voor de naoor-
logse maatschappij;
L.Stam-Beese, Rotterdam-
Pendrecht, 1949.
55
1
\
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
De verdere ontwikkeling
van de wijkgedachte: de
visual units, Rotterdam-
Alexanderpolder; Opbouw
1953.
De uitvoering van de 'Stad
van Morgen'; het Lage
Land gezien in richting van
de Kralingse Plas.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Het lijkt er op dat ook in andere kringen het besef ontstaat, dat de stede-
bouwkundige onder de tegenwoordige condities niet meer vanzelfspre-
kend in staat is, aan zijn oude taken te voldoen. Tot dit vermoeden geven
tenminste een aantal recente projecten aanleiding, die uit de impasse van
de machteloosheid van het stedebouwkundig ontwerp lijken te zijn ge-
raakt. Het is echter niet de stedebouw die het voortouw daartoe genomen
heeft, het initiatief komt vanuit de politiek.
Voorbeelden van dergelijke projecten zijn de meer dan tien jaar geleden
opgestartte plannen met de 'Barcelonese aanpak', het project 'Euralille' in
het Franse Lille of - zij het in beperkte mate - de Rotterdamse 'Kop van
Zuid'. Ondanks hun onderlinge verschillen vertonen de projecten een aan-
tal opvallende overeenkomsten.
De belangrijkste hiervan ligt in de aanpak van de operaties, waarin het ste-
debouwkundig ontwerp gezien wordt als de meest kritieke stap in het pro-
ces van ontwerp en uitvoering van de gebouwde omgeving. Om die reden
krijgt het ontwerp bescherming in zijn meest kwetsbare fase, de tijd tussen
opdrachtverstrekking en besluitvorming. Tijdens het gehele ontwerp-pro-
ces treedt de plaatselijke politiek op als beschermheer van het stedebouw-
kundig ontwerp, die onvoorwaardelijk steun verleent aan het plan. Die be-
scherming resulteert aan de een kant in plannen met een buitengewoon
herkenbare signatuur; ontwerpen waarin het handschrift van de auteur te-
gelijk het beeldmerk van het plan is. Daarnaast zijn het telkens zeer con-
sistente plannen, waarin het achterliggende ideeëngoed, de gekozen strate-
gie en de ingezette middelen perfect op elkaar aansluiten.
a b
a Public design op vele
fronten, de 'Barcelonese
aanpak' onder burgemees-
ter Maragall, 1979-1992;
toestand van de Via Julia
voor de à posteriori-verste-
delijking van het openbare
gebied.
b B.de Sola, J.M. Julià,
Via Julia na de operatie:
geaccentueerde hoogtever-
schillen, gemarkeerde
hoekpunten, een schaduw-
rijke plek aan de metrohal-
te, kortom een betekenis-
volle plek in het stadsdeel.
De sculptuur op de voor-
grond is van Sergi Aguilar,
de Torre Favencia op de
achtergrond van Antoni
Rossell6.
57
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Rem Koolhaas, OMA, het
TGV-station Euralille; in
plaats van een autonome
situering van het grootscha-
lige programma op afstand
van de stad is gekozen
voor een situering op steen-
worpafstand van de histori-
sche binnenstad: de super-
snelle trein wordt begrepen
als een buitenkans voor de
toekomstige ontwikkeling
van de provinciestad.
10 De Amersfoortse woon-
wijk Kattenbroek van
Ashok Bhalotra en met
Fons Asselbergs als poli-
tieke beschermheer
hoort qua aanpak ook bij
dit rijtje; de nagestreefde
(stads)culturele beteke-
nis reikt echter niet ver-
der dan de wens om van
de laatste groeistadwijk
'iets bijzonders' te ma-
ken (E.Koster, Ashok
Bhalotra, Kattenbroek,
de Architect mei 1990,
themanummer nieuw-
bouwwijken).
58
Een tweede overeenkomst ligt in de manier waarop het ontwerp ingezet
wordt als sturingsinstrument in de gebouwde omgeving. De plannen wor-
den niet beschouwd als op zichzelf staande operaties maar als strategische
ingrepen binnen een groter geheel; als 'sleutelprojecten' waarvan de in-
vloed verder reikt dan de directe omgeving. De werking van de plannen is
eerder gericht op een indirecte invloed en op het genereren van toekomsti-
ge ontwikkelingen dan op directe sturing en controle over lopende proces-
sen. De omvang van de stedebouwkundige operaties wordt niet bepaald
door de concrete afmetingen van de projecten maar door de reikwijdte er-
van binnen het grotere geheel. Bij deze operaties fungeert de stedebouw-
kundige niet als de allesbepalende stuurman van het proces maar als een
balancerende surfer, die meebeweegt in het krachtenspel van uiteenlopen-
de processen.
De derde overeenkomst ligt in de stadsculturele betekenis van de opera-
ties. Het stedebouwkundig ontwerp wordt gezien als een middel bij uitstek
om uitdrukking te geven aan een gewenste stedelijke cultuur.
1O
Hierachter
schuilt uiteraard ook de politieke waarde van dergelijke plannen. Het ste-
debouwkundig o n t ~ e r p wordt niet alleen gezien als het instrument waar-
van de kwaliteit bepalend is voor het succes van het uiteindelijke resul-
taat, maar ook als marketing- en promotiemiddel voor de betreffende ge-
meenten. Het feit dat deze plannen niet louter gebaseerd zijn op idealisme
maar op manifeste economische en financiële belangen doet echter geen
afbreuk aan hun kwaliteit als stedebouwkundige producten. In hoeverre de
plannen voldoen aan technische, gebruiks- en esthetische eisen is uiter-
aard een kwestie van het vakmanschap van de ontwerper.
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Het nieuwe TGV-station als
beeldbepalend landmark.
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Met de ontwikkeling van het
voormalige havengebied
worden alle stadsdelen op
de zuidelijke Maasoever
gekoppeld aan het stads-
centrum; de belangrijkste
elementen van het plan zijn
de verbindingen tussen
noord en zuid (de nieuwe
Erasmusbrug, het nieuwe
metrostation en de Empla-
cementsweg) ; Rotterdam,
Kop van Zuid; masterplan
1992.
60
VAKMANSCHAP EN MEESTERSCHAP
Los van hun al dan niet meesterlijke kwaliteiten geven deze plannen blijk
van mogelijke ontwikkelingen in de stedebouw . Naast de aard van de toe-
komstige ontwerp-opgaven en de positie van de stedebouwkundige betreft
dit vooral de mogelijkheden en het belang van een geëngageerd opdracht-
geverschap. Uit de projecten blijkt, dat de stedebouwkundige onder de te-
genwoordige condities niet in staat is, de kwaliteit van het geheel in han-
den te houden maar steun en goede condities nodig heeft om de potenties
van het ontwerp waar te kunnen maken.
Dit is uiteraard geen nieuwe inzicht. Nederland heeft uiteindelijk haar
enig als zodanig herkend stedebouwkundig meesterwerk niet alleen aan
Berlage's getekend ontwerp voor Amsterdam-Zuid te danken maar ook
aan de politieke steun tijdens ontwerp en uitvoering.
Zwarts & Jansma,
metrostation en galleria
Wilhelminaplein.
61
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Leonardo da Vinci; ideale
menselijke proporties.
,.
Simon Vinkenoog
BELEEF DE STAD
Geautoriseerde bewerking van een lezing, gehouden op 2 juni 1992 in
het kader van de Stedebouwweek
Het één brengt het ander mee.
Het ene brengt het andere met zich mee.
Het ene brengt het andere voort: het één en ander is een proces, dat zich
voortdurend ontwikkelt, al dan niet met of zonder ons, maar wij maken er
deel van uit en dat bewustzijn wil scheppen, gaat vorm geven en dat
maakt de verbeeldingskracht een stuk sterker.
De Bouwer, de constructeur, de architect, de planoloog, de stedebouwer.
Bouwt hij voort, bouwt hij anders? Behoort hij tot een school, is hij een
oorspronkelijk denker, die weet wat aan zijn werk voorafgegaan is?
Bouwt hij uit het Niets, bouwt hij een Toren van Babel, bouwt hij voor
ideale stervelingen of vandalistische onderklassen? Bouwt hij voor zich-
zelf, bouwt hij voor iedereen? Kan hij met iedereen samenwerken? Kan
hij met iedereen in het reine komen, met de rooilijnen en de bouwvoor-
schriften, de minimum- maximum maten, prijzen, kosten, baten, subsi-
dies, rente- provisie- percentage- regelingen?
Heeft hij nog tijd te filosoferen, te abstraheren, zijn gedachten elders te la-
ten zweven, wèg van wat de omgeving van hem wil, wat aan zijn ziel
knabbelt, wat hem doet gehoorzamen aan andere impulsen dan die rebelse
diep vanuit zichzelf?
Je werpt je op als betoger, discussiant, mederedetwister en je verliest je in
eigen geheimzinnige labyrinten, waarin niemand anders de weg in weet
dan jijzelf.
Daar zit dat jongetje, dat met stapels stenen speelt, bij een bouwproject
achtergelaten; hij bouwt een iglo rondom, hij maakt een schutschans, kan-
telen - later speelt hij in een blok verlaten huizen, ruiten ingegooid, lood,
zink, alles van waarde weggehaald, en hij springt behendig met anderen
van vloer naar vloer, waar het ruikt naar mensen uit het verleden, en die
van het heden met hun onbedwingbare behoefte tot poepen ...
Zovele herinneringen komen aan de loop van een stroompje, een beekje,
een riviertje, aan het strand geulen en omleidingen maken, de wegwater-
bouwkundige stond aan het prille begin van zijn loopbaan en de schrijver
hoeft alleen maar over zijn schouder mee te kijken, alvorens elders een
beroep of roeping te vinden.
631
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
Django Reinhardt.
64
'Bouwkundig tekenaar' wilde hij worden; dat sprak hem aan. Hij had
geen idee van wat het begrip inhield. Je moest er na de MULO voor naar
de MrS. HTS, dat was niet voor je weggelegd - je mocht al blij zijn datje
kon doorleren: naar een baas of de ambachtsschool gingen de meeste an-
deren uit je klas; alleen het zoontje van de kruidenier, die ging naar de
HBS - die had er blijkbaar het geld voor.
1940: je droomt en de Duitse aanvaller bombardeert het hart uit Rotter-
dam weg. Wég droom.
De oorlogsjaren: moorden en dromen. Kille onbegrijpelijke leegtes. Ang-
sten, uiteen gesmeten verwarde gevoelens en een groeiende honger. Post
tenebras lux. Hongerwinter, koude, Django Reinhardt op de radio, steeds
minder, tot op het merg en been van wat je later kon benoemen Samuel
Beckett, Antonin Artaut. Nowhere, the void.
Ja, ik was begonnen te tekenen (en ik teken nog steeds). Architectuur. Ge-
bouwen natekenen, Dudok - lange wanden perspectivisch verdwijnend,
radio-studio's, ziekenhuizen; geen weet nog van Le Corbusier of Frank
Lloyd Wright. Nergens weet van: blauwe en rode lijnen trekken van punt
naar punt, op millimeterpapier - thuis zei ik dat het voor school was,
'huiswerk' .
Kortom, school en stad, geboortestad Amsterdam, dat ik gelief te spellen
als AM-*-DAM, met een vijf puntige ster als middelste lettergreep, met
twee benen stevig op de grond à la Da Vinci, wiens meester evenals de
mijne, de ervaring zelf is.
Sono un discepolo della experienzia! AmSterDam, Mad Master verhus-
seld. Vreemde Meester Magisch Centrum. Moord en brand. Bont en
blauw. Ik bezing de stad in een gedicht, geschreven en ooit voorgelezen in
extasy-club The Limelight, 1987. In memoriam Josje Leeger, van wie de
wandschilderingen aan de muren.
[Als onderbreking van een betoog
dat nooit ophoudt
van geen ophouden weet]
AMSTERDAM
Stad van piraten
stad vol muur apparaten
stad van open en gesloten deuren
stad van solaire interieuren
stad van straatverloren uren
stad van luisterende zwetende pissende muren
stad van schrijdende godinnen
stad van haaien en dolfijnen
stad van ongeschreven jungle wetten
stad van dromers en dwazen
stad van betweters en beunhazen
stad van vergrijzing en vergruizing
stad - god gegeven in de grote kruising
van ruimten en tijden -
van de ene naar de volgende hemelstreek-
geen stap eendachtig
het begin zonder eind -
BELEEF DE STAD
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
stad van kennis
stad van Wibaut en Sarphati Robert Jasper [var Vi cs
stad van ieder en andermans ritme
stad van licht en lucht en dansende kleuren
stad van woorden en beelden
stad van de grens tussen en onzichtbaar
stad van ontmoeting bio-cosmo-alchemische reiniging
stad van super nationale activiteiten
stad van potlood en palet penseel computer cabaret
stad als een spinneweb en in het midden een carré
stad van onderweg met inspiratie
stad van plotseling applaus
of plotselinge stilte
stad van plotselinge lentes
stad van eeuwige seizoenen
stad van pimpelpaars en bont en blauw
stad vol woede ook, en kou -
stad van vrije mannen vrije vrouwen vrije kinderen
stad van moeders pappot ook
moederwater en
vrachtvader Almans
eeuwig verlangen -
stad van wanhoop twijfel verbijsterende twijfel
stad van hooggestemde plannen die verwachtingen blijven
stad van stemmen mensen zielen
stad van lucht en water
groen en rood en zwart gesnater
stad van taal en stad van lied
stad van mijn dromen
stad van mijn leven
stad van mijn tijd
stad van mijn vrienden
stad van mijn liefde
stad van mijn adem
stad van de val de leegte in
Jezelf hernemen. Tabuia Rasa, opnieuw beginnen. Van het 'bevrijde' Ne-
derland vluchtte ik, najaar 1948, op 20-jarige leeftijd naar Parijs, niet we-
tende dat ik er acht jaar zou blijven wonen.
Stad, waarnaar ik nooit heimwee heb gehad. Wel nieuwe ogen. Liftend
midden in Parijs afgezet. Boulevard Strasbourg-Saint-Denis, Marktkraam-
pjes, hoeren in deuren, langs razend verkeer, meer mensen bijeen dan ik
ooit eerder gezien had, na een paar uur sprakeloos rondlopen opnieuw
even gevlucht om bij te komen, een bioscoop binnen - film over Henri
Dunant, de oprichter van het Rode Kruis, met Jean-Louis Barrault in de
hoofdrol.
Parijs, de stad, de pers in rep en roer eind 1948: tijdens de jaarlijkse Alge-
mene Vergadering van de Verenigde Naties die er plaats vond, had een
Amerikaan zich met een tentje op het extra-territoriale terrein van de V.N.
gevestigd, zijn paspoort met de naam Gary Davis verscheurd, en zich uit-
geroepen tot Wereldburger Nummer Eén.
De man, ondertussen door de meeste mensen vergeten, volgens laatste be-
richten levend in een garen-en-band-winkeltje in Metz, liet de wereld een
boek na, The World My Country; ergens slingert nog mijn Wereldpa-
spoort (onbruikbaar in de meeste, nou ja, alle landen) nr. 1901 o.i.d. Maar
voor mij was dat jaar ook het eerste jaar van mijn wereldburgerschap: bij
Ossip Zadkine, de Rus waar zovele Amerikanen beeldhouwen studeerden,
ontmoette ik Shinkichi Tajiri, de nisei die zich in Nederland zou vestigen
en bij wie ik voor het eerst kinetische kunst in actie zag; op een enkele
mobile van Calder na - in het Amsterdamse Stedelijk, waar ik die jaren
voor Parijs vaak in rondscharrelde - was mij dat niet bekend: de warmte
die van de centrale verwarming opsteeg zorgde voor een constant bewe-
gen van vleugels en wieken, die met draden en katrollen langs de muren
waren opgehangen.
Tajiri toonde mij op een dag een brief van Corneille, hem vragende om
medewerking bij een Cobra-tentoonstelling. Ja, ik was de heren tegen het
lijf gelopen, ze zouden nog een hamer en een zaag van me lenen die ik
nooit terug kreeg, Appel en Corneille met vrouwen en kornuiten, die een
fabrieksverdieping zouden ombouwen tot ateliers - het in de herinnering
nog altijd stinkende gebouw aan de overkant van de Rue de Santeuil, waar
leer werd gelooid en vrachtwagens vol drillende huiden naar binnen wer-
den gereden. Op snikhete dagen niet uit te houden. Maar we/ze zijn de be-
proevingen te boven gekomen en genieten nu, ieder op eigen wijze, van
wat het leven ons te bieden heeft.
BELEEF DE STAD
I
I
I
I
67 I
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
De Bouwer: hij bouwt, hij weet wat hij bouwt en hij weet voor wie. Wat
gaat aan zijn tekeningen en ontwerpen vooraf? In hoeverre weet hij wat
zijn hersens doen, hoever ziet hij - of niet - en in hoeverre is wat hij doet
al bij voorbaat afgeschreven?
De Eiffeltoren was bestemd niet langer dan één tentoonstelling te duren,
nu domineert de toren al meer dan een eeuw de stad.
'Duurzaam bouwen verplicht in Delft' lees ik in het aprilnummer van Ge-
zond Bouwen & Wonen: strenge milieu-eisen.
Geen kant-en-klaar bouwpakket, geen blauwdruk, geen eisen en condities.
Geen virtual reality, geen driedimensionale doorkijkmogelijkheden, geen
droomhuis, geen theorie, maar een professioneel bewoner. De omvang
van de tuincentra zien groeien langs 's Heren wegen: de behoefte van
mensen is zich met groen te omringen. De bloei van (volks)tuincom-
plexen, het aantal tijdschriften voor amateurtuinders, bloemen- en plan-
ten liefhebbers; de rozenkwekers, de fuchsia-stekplanten-centra - is er iets
wáár van dat terug naar de natuur, waarover in de jaren zestig zo innig ge-
sproken werd? Met hoon en argwaan, scepsis en ironie de plannen ontvan-
gen en teniet gedaan, die kabouter RoeI van Duyn de Amsterdamse ge-
meenteraad voorlegde. Nu de nood hoger gestegen is: geen beleidsniveau
of het moet het doen met een milieu-ambtenaar, of een organisatie-specia-
list, of een computer-specialist, een synthesizer of een generalizer. Ik denk
niet dat het in Nederland nog goed komt, bovendien trekken steden zich
niets van beleidsmakers aan. Buurten raken in verval en komen op, wor-
den gentrified of juist aan afbraak overgeleverd. Een oud postkantoor
wordt voor 7 miljoen verkocht en had 100 miljoen kunnen opbrengen.
Rotterdam past het megalomane beeld van Rem Koolhaas en zijn Metro-
polis-kornuiten die een vleugje Fluxus en Memphis in hun oeuvre storten,
en ons in Amsterdam bijvoorbeeld niet verblijden met een Byzantium.
Aldo van Eyk leidt trots bezoekers in zijn nieuwe Burgerweeshuis aan de
Amstelveenseweg rond: idem zoveel jaren later moet om het behoud er-
van gevochten worden. We kijken naar de dogons, de steden van Apurië,
de kasbahs en souks, de favella's, agora's en besterde pleinen - en zijn
niet in staat een levende stad te bouwen. Dat doen de bewoners, de
autochtonen en de allochtonen, die van de zoveelste generatie en die van
de laatste bush-bush. Ophef en vertier, de straat weer theater, de stad een
jungle, de seizoenen oppermachtig in dit klimaat. Welke hete zomer?
Deze? Een vriend van mij duikt in oude Chinese boeken, 2800 . voor
Christus; er is sprake van miljoenensteden met dezelfde problemen als de
onze. De wereldproblemen zijn van psychische aard, emotionele aard,
morele aard. Wij denken in een verlichte tijd te zijn aangeland maar in ons
eigen werelddeel, waar we de oorlog dachten te hebben overwonnen, wor-
den steden kapot geschoten en vallen duizenden slachtoffers.
Het grote waarom. De grote vraag.
Wat willen wij bouwen? Schuilkelders? Of willen wij het licht toelaten en
lukt dat straks maar al te moeilijk? Moeten wij ons beschermen met grote
Buckminster Fuller-koepels om de vervuilde atmosfeer buiten onze per-
ken te houden? Kunnen wij windkracht, waterkracht en zonne-energie ge-
bruiken om uitgeput rakende aardse energie te sparen, zo er nog iets te
sparen valt? Wat voor tijd is dit? Zijn er nog vlotten-bouwers, piep-
schuimknopers, arken van Noach, Biospheres I, TI - Gaja-Aarde en Zon-
aanbidders? Is er nog behoefte aan utopisten met zonnesteden en republie-
ken waar de vrije gedachte wordt afgezworen? Is er behoefte aan een New
Babylon waar de mens weer kan leren spelen, vreedzame spelen in plaats
van de huidige?
BELEEF DE STAD
Constant Nieuwenhuis,
plattegrond van Nieuw
Babylon over Den Haag,
1964.
69
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
70
Is een voetbal fanaat om te turnen tot braaf huisvader die zijn rozen met ta-
bakswater ontluist? Volgens een godsdienstsociologe is de huidige groot-
stedelijke jeugdcultuur de geboortewee van een nieuwe stadsreligie, die
inderdaad met veel Ach en Wee gepaard gaat: disco en rap, house en soul,
salsa en Ajax Ajax Ajax!
Hoe kan een stedebouwer daarop inspelen? Hoe ver verwijderd van de re-
aliteit was de opzet die Bijlmer heette en naderhand eufemistisch Amster-
dam Zuid-Oost werd genoemd? Hoeveel plannen raken in feite in de ver-
sukkeling doordat te veel mensen een stem in het kapittel willen hebben
en de menselijke maat vergeten wordt in het bos van procedures waar-
doorheen je de afzonderlijke bomen, de bewoners niet meer zien kunt.
Welk een gruwelijker aanbeeld dan de dode wijken, waar na donker geen
ander licht dan T.V. of waakvlam brandt. Geen vermaak, geen ontspan-
ning, geen muziek, geen plek van samenkomst. Als ze er al zijn, de multi-
culturele instellingen, is het onder een betonnen of natuurstenen dak:
openbare leeszaal, postkantoor, VVV. In Zoetermeer, vlak bij het nieuwe
theater, alle vijf café's netjes op een rijtje, elk anders ingericht, schattig,
aandoenlijk en om de een of andere reden om te huilen.
Geen cordon rond de stad, geen museumwezen, geen plek als Venetië, die
in de grond zinkt en door de jeugd wordt verlaten. Ik heb de lof van de
stad bezongen, het Parijs met zijn vele parken en plantsoenen, vergezich-
ten en wouden rondom: de oude joodse buurten, de allang niet meer door
toeristen betreden paden van oude kerkhoven en binnenplaatsen. Het Pa-
rijs van de surrealisten, die langs de boulevards flaneerden en hun prome-
nades beschreven met de onverwachte avonturen. Barcelona 1951 (hoe
het er nu uitziet, ik wil er naar gaan kijken als de Olympische Spelen
voorbij zijn), de Rambias, de Barrio Chino, de golfslag van Gaudi - ik
ben verzot op steden, Tanger, Florence, Praag, Budapest - in New York
liep ik de eerste keer, na zes jaar Parijs, in 1954 weer even sprakeloos
rond en het krioelde van mensen in Rio de Janeiro, Buenos Aires en Bom-
bay.
De spookstad Los Angeles met zijn enclaves op heuvels (twintig minuten
rijden om een pakje sigaretten te halen), North Beach in San Francisco,
LittJe Italy door Columbus Avenue gescheiden van Chinatown.
In Amsterdam meegespeeld in het plaatjesboek Amsterdam, dat onge-
schreven avonturenverhaal.
DE AVONTUREN VAN AMSTERDAM
(uit een open plaatjesboek)
De straat slijpen. Laat hem maar schuiven
Een stad zonder groen
is een mond zonder zoen,
een stad zonder water
kent geen vroeger of later
Een stad zonder licht
schrijft geen enkel gedicht,
een stad zonder mensen
is een leven zonder wensen,
een stad zonder boeken
heeft niets meer te zoeken ...
Niet na te vertellen. mee te maken,
hoekje om, trapje op of af:
welkom thuis!
Rechts of links, te voet of op de fiets,
te schaats of over het water:
soms hangt alles zo roerloos en bloot
zichzelf te wezen, dat je erbij
moet zijn geweest om er meer
van te willen weten,
stond het zo tijdloos stil
'niets meer te wikken ofte wegen'
dat de wereldse alledag
verdween achter matglas.
Schoonheid sterkt.
Zien geeft kracht.
Kunst doet leven.
Behouden vaart in geschiedenis
die voor ieder anders is,
zelf te schrijven
& te maken is.
BELEEF DE STAD
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Monument op de Afsluitdijk,
W.N.Dudok en C.lely,
Zuiderzeewerken; 1933.
Lopen kerken leeg? vroeg ik in Vrij Nederland. Mooi zo, open plaats voor
- later zou het multiculturele vrijplaats gaan heten, met subsidies en het
bestaande, vooral uit het buitenland toestromende, jonge publiek: Melk-
weg, Paradiso, in Den Haag Het Paard (van Troje), in Eindhoven de Effe-
naar.
Deze belever stond deze zondag bij het monument op de Afsluitdijk die
zestig jaar en een week geleden, 28 mei 1932, afgesloten werd, Wadden-
zee van Zuiderzee scheidde, zoet van zout, recreatie blij, vissers niet blij,
en daar stonden in een massief beeld van Hildo Krop die steenzetters af-
gebeeld met een tekst: een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst.
Ik bouw mij een lusthof van woorden, straattheater eist slachtoffers, ver-
maakt anderen: de stad is de grote ontmoeting, de stad is het hart, de wil-
dernis en de geest van een mens onderweg: van de nomadische en agrari-
sche fase naar die van industrialisatie en informatie. Welke energie staat
ons te wachten?
Welke ontwikkeling is toe te juichen, en welke te bestrijden, welk autoluw
of autovrij referendum? Welk deelbelang, groepsbelang, algemeen be-
lang? Welke nieuwe wegen worden gezocht: alles ondergronds, ook al is
het duurder? Wat zijn de ware prioriteiten? Ik heb geen antwoorden, maar
het recht de vragen te stellen - bij een juiste multidisciplinaire vraagstel-
ling moet een grondslag van verstandhouding aanwezig zijn. Geen scho-
lenstrijd, maar de harde leerschool van de praktijk. Je kunnen vereenzelvi-
gen met de idee dat je niet voor de toekomst bouwt, of voor vakgenoten,
maar voor mensen die nu leven en hun identiteit misschien niet eens be-
paald hebben. Computers en automatisering hebben het aanschijn van de
wereld veranderd, maar nog steeds begeven mensen zich op weg en zijn
ze onderweg naar elkaar toe, al dan niet met autotelefoon, semafoon, pie-
pers aan elkaar verbonden. Er wordt getelefaxed bij het leven, maar nog
steeds belanden mensen het liefst getweeên in bed, met als het effe kan
een tuin met of zonder zwembad, licht, ruimte en doorkijk.
Een doorzichtige stad zou je willen bouwen, waar links en rechts groen el-
kaar zou kunnen ontmoeten, hangende tuinen wellicht - maar we hebben
nu eenmaal niet veel verval in Nederland, en moeten we daarom maar
weer nieuwe dijken bouwen, met een nieuw soort dijkhuizen? En waar
zijn de gangen gebleven die we in onze zandkastelen aan het strand bouw-
den?
BELEEF DE STAD
73
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
74
Is Disneyworld een escape of een toekomstvisioen? Kunstmatige sprook-
jes met kunstmatige paradijzen van wat mooi was, is en zal blijven? Noor-
derdierenpark Emmen, een tropische vlindertuin, een planetarium in Artis
(met zelfs,las ik deze week, een gespreksavond over vliegende schotels)-
ik denk aan de attracties in het Fun Palace, door Joan Littlewood ooit eens
omschreven, in de jaren zestig van happening en experimenteel theater:
Juke box information - wat we nu database zouden noemen.
Adult toys - speelgoed voor volwassenen.
Star gazing - een ruimte om sterren te bewonderen.
Science gadgetry - spelen met wetenschaps-apparatuur.
News service - spreekt voor zichzelf: ik zou willen wijzen op positief,
ontwikkelend nieuws, de anti-voorpagina, anti-advertentiepagina.
Tele-communications - nu al eenzijdig via CNN, ook een ideëel product.
Swank promenades - to see and be seen, om te zien en je te laten
bekijken.
Hide Aways - als je even weg van anderen wil.
Dance floors - hiphop, house etc. maar ook stijl- en afdansen.
Drink - op je gezondheid.
Rallies - betovenrende bijeenkomsten rond orateur of visionair, profeet,
prediker of stand-up comedian.
Battles of flowers ~ even een rondje Aalsmeer of Floriade.
Concerts - van Prince tot Pinkpop en van Vivaldi tot Scriabin.
Learning machines - daar gaan we met virtual reality, relaxation
chamber, smart drugs en interactieve audio-video-media.
Observation decks - je waant je aan boord van de Nautilus, deze
gedroomde toekomst binnen.
Nurseries - crêches, kweekkassen.
Music - eigen acoustiek, poor man's music, alle geluiden die het lichaam
of lichamen kunnen maken.
Theater Clownery
Instant Cinema
Fireworks
Recording sessions - ik hoef niet langer te vertalen of te verduidelijken.
Kunst dabbling - wat bij vernissages, veilingen, kunstbeurzen, musea en
ateliers gebeurt.
Gala days & nights
Genious Chat - het gebabbel der genieën, ook nooit weg.
Gossip revues - Weekend, Story, Privé, Aktueel, Nieuwe Revue en
Panorama, maar dan met levende deelnemers.
Laboratories
Food
Ateliers
- Waarmee we weer bij het begin zijn aangeland. Het een met het ander,
en het blijft in beweging, vertaalt zich door de jaren heen anders: het kent
hackers en autonomen, dromers en dwazen - ook hen behoort de stad. De
polis, waaruit het woord politiek ontstond, waar politiek bedreven moet
worden om ieder het zijne te kunnen geven, rechten en verplichtingen, le-
ges en statiegeld, belasting en burgerrechten.
Hoe gecompliceerd dit beroep, hoe alomvattend. Tussen vrijmarkt en ver-
zorgingsstaat, tussen vrije jongens en aannemers, tussen witwasgelden en
fraudeurs - onbegonnen werk, maar je kunt blijkbaar niet anders: je wilt
een stad bouwen, en je stelt je de vragen en bouwt, met als doelstelling
onder meer het i n i t i ~ r e n en in stand houden van een levendige weten-
BELEEF DE STAD
75
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
76
schappelijke discussie, inspelend op de actualiteit van de stedebouwkunde
en altijd met het oog op kennisvermeerdering.
Ik ben weer terug waar ik begon, en keer weer. In 1981 werd mij ge-
vraagd over een dergelijk thema te schrijven: poëzie in de stad. Ik keek
niet naar mijn zes pagina's van toen. Ik had het inderdaad over Provo,
over Constant, citeerde Henri Miller en Karel van der Nagel. Ook toen
een getuigenis uit wat ik pleeg te noemen Nomadabad, de stad die je be-
reikt door je ideeën te laten stromen, door ideeën heen te trekken zoals je
door landen en steden trekt (in de uitspraak van Francis Picabia).
Mijn betoog, vertoog, overpeinzing en/of vraagstelling wil ik graag be-
sluiten met de laatste alinea van die tekst, door de poorten van de stad ge-
leid met de inleidende regels van de Nicaraguaanse dichter-priester-minis-
ter Emesto Cardenal.
DOOR DE POORTEN VAN DE STAD
'Tenslotte is God ook Stad
(God als Stad:
de Stad van de definitieve ontmoeting
van ieder mens met alle mensen
de Stad van de voltooide eenheid en gemeenschap
de Stad van de Communie)'
Woorden van Emesto Cardenal in het gedicht 'Profetie over Managua',
opgedragen aan de gevallen stadsguerrilla dichter, ex-seminarist, marxist
Leonel Rugarna.
Zolang wij er zijn blijft de stad de ziel. de baarmoeder. de kraamkamer
en het grote levende orgaan waardoor de mens zich uit. Waar anders de
grote en kleine theaters. de musea. de laboratoria. de ateliers. de acade-
mies. de studeerkamers?
Die stad. zo tegenstrijdig als de mens zelf. Zo conflictueus. zo verwonder-
lijk. zo dichtbij. De hele wereld binnen handbereik. De bibliotheken. de
archieven. de krachtcentrales van de geest: wie zou het anders willen?
Wie zei dat de wereld zijn enige commune was? Wie noemde Moeder
Aarde een globaal dorp? Wie wist ons te herinneren aan een hongersta-
king in een kerk. aan een sprekershoek in een park. aan het woord en het
weerwoord van de straat?
'Zalig zij. die hun gewaden wassen. opdat zij recht mogen hebben op het
geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad. Buiten zijn de
honden en de tovenaars. de hoereerders. de moordenaars. de afgodendie-
naars en ieder. die de leugen liefheeft en doet.' (Openbaringen 22:14.15)
BELEEF DE STAD
77 I
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
78
Fenna ter Haar en Anne Kok
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
21 INTERVIEWS
Voor dit hoofdstuk zijn 21 Polis-leden geïnterviewd. De verschillende
groepen die in POLIS verenigd zijn, zijn aan het woord gelaten: oud;
jong; vrouw; man; ontwerper; onderzoeker; werkzamm op regionaal
niveau; Urban Design niveau; etc. Aan deze mensen werden drie hoofd-
vragen voorgelegd, te weten: Welke projecten zijn aan te wijzen als een
stedebouwkundig meesterwerk?; Wat is de stedebouwkundige opgave? en
Is de stedebouwer een trendvolger of een trendsetter? Aan de interviews is
met enthousiasme meegewerkt. Door nu alle interviews naast elkaar te
leggen en ze op een aantal punten met elkaar te vergelijken, is er een zeer
gevarieerd beeld ontstaan.Deze variatie maakt dat de stedebouwkundige
discussie altijd interessant zal blijven.
Aan het eind van het hoofdstuk zijn korte profielschetsen van de geïnter-
viewden opgenomen.
HET MEESTERWERK
Een meesterwerk is... betoverend, geheimzinnig, verrassend, reëel, niet
bestaand, subliem, gecompliceerd, gevarieerd, drie dimensionaal, com-
pleet, flexibel, moeilijk ... gewoon een meesterwerk.
Als je al over een meesterwerk kunt spreken dan heeft iedereen het over
een ander meesterwerk, een ander werk, een andere meester of een ano-
niem werk. Werk van een andere schaal en tijd. Zelfs als het 'Opus Mag-
num' niet bestaat in de ogen van de spreker, moet het wel voldoen aan een
aantal eisen.
De eerste reactie op de vraag is minder divers dan de echte antwoorden.
Eigenlijk wordt iedereen even sprakeloos, heeft even bedenktijd nodig,
even stilte, een zucht.
"De vraag 'wat is een meesterwerk?' intrigeert mij" zegt Clemens Steen-
bergen. Paul Colnot "Er zijn veel goede projecten maar dat zijn geen pro-
jecten van één iemand of een team." Jan Harten stelt de vraag ter discus-
sie: "Moet je over een meesterwerk praten? Is er een meester?" Jan Hee-
ling vindt "Het gaat niet om het meesterwerk, het gaat om het meester
zijn." Paul Drewe zegt ook moeite te hebben met de term omdat het teveel
op kunst en architectuur lijkt. Anna Vos vindt het een moeilijke vraag.
Volgens haar zijn er in Nederland geen echte meesterwerken. Dirk Frie-
ling vindt daarentegen dat er veel zijn en noemt naast de westelijke tuin-
steden van Amsterdam direct het plein bij het stadhuis in Zeewolde.
79
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
80
Een enkeling weet dus direct wat een meesterwerk is, en noemt er zonder
twijfel één. J. van Ipenburg vindt middeleeuwse steden meesterwerken.
Frits Palmboom onderscheidt evenals Enno Zuidema verschillende cate-
gorieën meesterwerken namelijk steden, projecten en ideaal typen. Taeke
de Jong laat er geen twijfel over bestaan: "Zoetermeer! Ik woon dus in een
meesterwerk. "
Eisen
Als eis waaraan een meesterwerk moet voldoen wordt vaak het werken
vanuit 'een visie' genoemd. Dat lijkt net zo'n bewering als 'een plan moet
kwaliteit hebben'. De verveling slaat al toe bij de gedachte aan een kwali-
teitsdiscussie. De term meesterwerk heeft naast de feitelijke betekenis een
sterk emotionele betekenis. Een discussie over welke plannen meesterwer-
ken zijn, roept daarom geen verveling op, maar fascinatie. Een meester-
werk boeit en inspireert.
Functionaliteit is een belangrijke eis voor stedebouwkundig werk, dus ze-
ker voor een meesterwerk: "Functionaliteit eerst voor vormgeving. De na-
druk op de stedebouwkundige vormgeving is doorgeslagen, de laatste tijd.
Er zou meer aandacht moeten zijn voor de functie van de stad en de ge-
bruikers", vindt Henriëtte van Eys. J. van Ipenburg zegt: "Er moet voor
de mensen gebouwd worden."
Als belangrijke randvoorwaarde wordt vaak de politiek in verschillende
opzichten genoemd. Aafke Nijenhuyzen zegt een sterke wethouder be-
langrijk te vinden en ook Ina Kleywegt noemt het handig als de politiek
achter de plannen staat.
Alies Rommerts: "Het maken van strategische verbindingen is de basis
voor een goed plan, plannen die zich als een eiland gedragen zoals Nieuw-
land vind ik slecht. Een meesterwerk moet ook zonder meester kunnen
worden uitgevoerd."
Voor velen zijn fleJ!,ibiliteit en aanpasbaarheid belangrijke eisen.
Maar Peter de Bois vindt dat de mate waarin iets een oplossing voor een
probleem is, iets zegt over het meesterwerkgehalte en niet of iets flexibel
is. Flexibele structuren leveren alleen maar vervlakking van kenmerken en
inzichten op volgens hem.
Alies Rommerts: "Ik heb nog geen echt meesterwerk gezien. Ik ben wel
betoverd door steden, bijvoorbeeld Barcelona, het plan van Cerdà, dat
heeft echt iets toegevoegd. Het plan behoudt kwaliteit zelfs terwijl de
blokken in het grid te dicht bebouwd zijn."
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
Taeke de Jong: "Een grid is per definitie niet flexibel. Alle hokjes zijn
even groot, wat is daar nu flexibel aan!"
Blijkbaar wordt het begrip grid vaak verward met een heldere of sterke
structuur. Als meesterwerk zijn door vrijwel iedereen projecten of steden
met een heldere, sterke structuur genoemd. Een meesterwerk moet blijk-
baar een herkenbaar beeld opleveren waardoor ook het auteurschap, de
meester, er mee te verbinden is. Dit is de eis waarover overeenstemming
blijkt te zijn.
Hoewel een meesterwerk misschien aan de genoemde eisen moet voldoen,
is het niet een optelsom van deze eisen. Een meesterwerk is meer dan het
vakmanschap alleen: "Er moet een element van verrassing of verbazing in
zitten, waardoor je denkt: 'Wat is hier aan de hand?' Dat kan in sensatio-
nele zin of in rust, een soort geheimzinnigheid. Het moet je sprakeloos
maken", zegt Frits Palmboom.
Barcelona
81
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
82
Een meesterwerk wordt niet alleen mogelijk gemaakt door allerlei voor-
waarden maar beïnvloedt deze ook weer, het schept nieuwe mogelijkhe-
den en inspireert. Een meesterwerk is een impuls, een inspiratiebron.
Het tijdsaspect blijkt voor velen essentieel wanneer we het over een mees-
terwerk hebben.
Tijd & Schaal versus tijd ~ schaal
Als eis voor een meesterwerk is vaak genoemd dat het steeds aan de nieu-
we maatschappelijke behoeften kan voldoen. Edzo Bindels: "Een meester-
werk bewijst zich doordat het de tijd kan doorstaan. Een meesterwerk
kenmerkt zich door realiteitszin zoals veel werk van Koolhaas. Dat soort
plannen leggen de hedendaagse realiteit bloot en halen er een meerwaarde
uit. "
Taeke de Jong meent echter dat we minder naar oude meesterwerken
moeten kijken: "Uit het verleden valt minder te leren dan uit ontwerp-ex-
perimenten. Mensen verwijzen wel naar Siena als meesterwerk. Maar dat
is een verouderd concept. Er zijn inmiddels auto's en er is telematica!"
Genoemde oudere meesterwerken lijken altijd op stedelijk niveau of in ie-
der geval op een grote schaal betrekking te hebben slaan. Terwijl genoem-
de meesterwerken die recent zijn vaak van kleine schaal zijn. Misschien is
een meesterwerk dat een ingreep van een kleine schaal realiseert niet meer
te herkennen na een aantal decennia omdat het zich als vanzelfsprekend in
de stad heeft gevoegd. Kunnen we meesterwerken nog wel herkennen als
we de context niet kennen die er was voordat het meesterwerk werd gere-
aliseerd? Het lijkt alsof de meesterwerken op de kleine schaal wel regel-
matig als recent meesterwerk worden genoemd en grootschalige meester-
werken op de schaal van de stad niet. Worden er nog wel grote meester-
werken gemaakt?
Herkennen we een meesterwerk wel? Wat als het briljante plan zich zo
goed in zijn omgeving voegt dat het er onderdeel van uit maakt. Boven-
dien kennen we niet altijd de situatie ervoor. Herkennen we straks een in-
greep als de Kop van Zuid nog? Ina Kleywegt: "Als ik de kaart bekijk van
Rotterdam denk ik dat de Kop van Zuid een meesterwerk is. Zo'n heel an-
dere ontwikkeling en het oppakken van alle routes, dat je dat bedenkt uit
het niks. Als de bestaande wijken er straks 'in passen' is het een meester-
werk."
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
Peter de Bois vraagt zich zelfs af of meesterwerken de tijd wel overleven:
"Alleen een deel van de essentie van de geschiedenis presenteert zich aan
ons en dat is het deel wat zich heeft aangepast. Wat zich niet heeft aange-
past, is verloren gegaan. Zo is er veel van de essentie van oplossingen ver-
loren gegaan."
Paul Drewe vindt dat je pas na de uitvoering, na verloop van tijd zicht
hebt of iets een meesterwerk is of niet.
On-bekend?
Een meesterwerk hoeft geen bekend, geroemd project te zijn. Er worden
verschillende steden genoemd die zeker niet als algemeen bekend veron-
dersteld mogen worden. Anna Vos noemt bijvoorbeeld Shibam: "Deze
stad in Jemen is fascinerend. Het is een compacte stad met een zeer stevi-
ge structuur. Daarbinnen heeft de stad zich door de eeuwen hen steeds
kunnen vernieuwen."
Beeld van de Bijlmer
83
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
okohama Japan, O.M.A.
84
Maar de bekende projecten worden toch ook naar voor gebracht. Hubert
de Boer noemt de Bijlmer als meesterwerk: "Hier is zo'n sterke hoofd-
vorm waarbinnen in detail veel mogelijk is. Dat er van alles is misgelopen
in de Bijlmer, ligt niet aan de stedebouwkundige opzet. Er is kritiek te le-
veren op de al te modelmatige uitvoering van de opzet. Het model is vorm
geworden en is zelfs doorgezet in de architectonische vorm."
Realisatie
Een meesterwerk hoeft niet persé gebouwd te zijn.
Alies Rommerts: "Een tekening kan briljant zijn maar als het wordt uitge-
voerd misschien niet. Een model, theorie of concept hoeft niet persé uitge-
voerd te worden maar kan op zich ook een meesterwerk zijn." Edzo Bin-
deis: "Wat ik een goed plan vind is het plan van O.M.A. uit 1992 voor de
verstedelijking van een haven pier in de baai van Yokohama, bij Tokyo.
Dat is als concept een meesterwerk. Hier is onderzocht wat de activiteiten
zijn in een gebied, die zijn in elkaar geschoven, geïntensiveerd." Hubert
de Boer vind de tweede nota ruimtelijke ordening een meesterwerk: "Hier
wordt een kader, helder en neutraal, gegeven aan de verstedelijking."
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
"Sommige meesterwerken zijn alleen papieren meesterwerken. De plan-
nen zeggen op papier iets over de stad, het is een culturele wereld die over
de stad gaat en daar wel degelijk iets aan bijdraagt door de discussie die
het oproept", meent Frits Palmboom.
Experimenten lijken nodig in het streven naar een meesterwerk. Maar dan
wel experimenten als ontwerp, op papier, en niet uitgevoerd. Henriëtte
van Eys vindt dat de stad geen zandbak is. Ze vindt het er af en toe wel op
lijken: "Meesterwerken bestaan niet tot nu toe. Men prutst maar wat."
Het is opvallend hoeveel oude voorbeelden, klassiekers worden genoemd
en hoe stil het wordt als naar een recent meesterwerk wordt gevraagd.
Goede plannen worden zonder schroom genoemd. Blijkbaar is een goed
plan niet hetzelfde als een meesterwerk. Henriëtte van Eys: "Recente
plannen hebben te veel zwakke punten. Ecolonia is op hoofdlijnen goed,
Almere wordt niet gek ontwikkeld." Edzo Bindels: "De Smithsons vind ik
erg goed, beter dan Berlage. La Defense is ook een meesterwerk, door de
tijd gedacht."
Ina Klaasen stelt dat je in de stedebouwkunde niet over een meesterwerk
kunt spreken: "Een meesterwerk heeft met kunst, gekoppeld aan een per-
soon en het wordt in één keer gemaakt." Misschien is dit laatste wel een
voorwaarde om een meesterwerk te maken.
Als het meesterwerk er is, weet je het dan?. is er een moment dat je bingo
kunt roepen of 'yes!, dit is het'? Enno Zuiderna: "Je hebt misschien een
plandictatuur nodig om een meesterwerk te maken, maar ik vind dat niet
nastrevenswaardig. Euralille en Elburg hebben als meesterwerk gemeen
dat er een kans ontstond om in één keer iets compleet te maken. De Kop
van Zuid heeft ook die potentie. Door te wachten op een ingestorte kanto-
renmarkt kan die positie verloren gaan. Je hebt het in de tijd dan niet meer
in de hand. Er komt niet dat punt dat je de gordijnen open kunt doen en ta-
da .... "
Voorbeelden
Dat een meesterwerk niet alleen bestaat uit één werk maar soms uit ver-
schillende ingrepen, en niet altijd gemaakt is door één meester blijkt uit de
verschillende meesterwerken die genoemd zijn. Een meesterwerk kan her-
kenbaar zijn of aanwijsbaar. Herkenbaarheid gaat over een structuur of
duidelijke ingreep en een groep. Aanwijsbaar duidt een project aan, klein-
schaliger, met een persoon of 'meester'. Meesterwerken zijn op alle
schaalniveaus terug te vinden.
85
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Schaal paradox
86
SCHAALPARADOX
UITWAARTS
INWAARTS
,t/ ,J/
7J'
-- 0
/t'
0 000. 0
KORREL
. 00
00000000
~ ,
0 000.00· 0 "verschil" "gelijkheid"
0·000000
0000 0 . 0
0 · 0000
"verschil"
0
"gelijkheid"
Dat een meesterwerk bestaat mag duidelijk zijn uit de antwoorden.
Taeke de Jong roemt Zoetermeer met zijn inmiddels 100.000 inwoners:
"Een plan is een meesterwerk als de genoemde variatie er in zit, op de 100
tot 300 meter, en dat is in Zoetermeer absoluut zo, we hebben hier meer
dan 500 plantensoorten en dat is meer dan menig natuurgebied. Ja, andere
steden hebben ook wel variatie, maar die zijn zo oud. De mensen die Zoe-
termeer hebben opgezet kan je zien als meesters: Schut, Cardinaal, Even-
blij, Hermans. Het is meesterlijk hoe de trein niet boven- maar onderlangs
binnenkomt en hoog door de wijken gaat. Alle perrons op gelijk niveau
met de omgeving. En dan het midden dat hoger ligt. Kan je zonder sjou-
wen omhoog en als je de boodschappentassen hebt gevuld loop je omlaag,
nou .. ?!"
Ina Klaasen noemt toch twee meesterwerken: "Amsterdam met zijn vin-
gerstadstructuur heeft een ijzersterke functionele, ruimtelijke structuur.
Hiermee kan je nog jaren verder. En de Toren van Babel. Dit gaat over de
spraakverwarring in ons jonge vak. Het vak is wetenschappelijk en moet
nog ontwikkeld worden." Jan Willem Tap noemt meesterwerken op de
kleine schaal: "Pleinen, zoals het Plein en de Lange Voorhout in Den
Haag", en op de grote schaal: "De ingrepen van Haussmann en Cerdà in
Parijs en Barcelona, die waren hard nodig en bepalen nog steeds het ge-
zicht." Ook Aafke Nijenhuyzen kent meesterwerken op verschillende
schalen: "Voorbeelden zijn Amsterdam Zuid, Rotterdam Blijdorp en tuin-
dorp Vreewijk, hoewel het na de renovatie een stuk minder is, en het
structuurplan van Groningen." Clemens Steenbergen bedenkt het grootste
meesterwerk. "Ik vind het West-Nederlandse landschap een meesterwerk.
Het is een groot stedebouwkundig kunstwerk; een ruimte constructie met
een programma." Frits Palmboom noemt in razend tempo de volgende
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
meesterlijke steden: "Rome, New York, Praag, Amsterdam, San Francis-
co, Parijs, Venetië." Daar voegt hij nog projecten en plekken aan toe:
"Bijvoorbeeld Piazza San Marco in Venetië wat in de loop van drie eeu-
wen tot stand is gekomen, waarbij het drama steeds vergroot is. Hoe de to-
ren daar net naast de as is gezet, dat is werkelijk ... meesterlijk. Ja."
Els Bet noemt ook een plein: het Spuiplein. "Dit plein intrigeert mij, net
als een aantal andere plekken, omdat hier op een ingenieuze manier de
grote en de kleine schaal bij elkaar komen. Het is alsof er een scherfje van
de kosmos in mijn theekopje valt (vrij naar van Doesburg)."
De toren van Babel
87
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
88
DE STEDEBOUWKUNDIGE OPGAVE
De stedebouwkundige opgave wordt door de geïnterviewde Polis-leden
gezien als de algemene opgave van het vak of als de opgave die er nu ligt
in de praktijk. Daarnaast worden er eisen aan het beleidskader gesteld. De
vraag: Hoe moet het? levert maar al te vaak het antwoord op 'Zo moet het
niet' .
Jan Heeling ziet de taak van de stedebouwer liggen bij de basis van het
van het vak. "Het ontwerpen van de plattegrond van de stad, de openbare
ruimte. De opgave is dat het grondgebied geprepareerd wordt om te kun-
nen veranderen. Van groot belang daarbij is de compositie van de platte-
grond." Hubert de Boer denkt ook ongeveer zo: "Stedebouwers moeten
zich richten op het maken van een onderlegger (neutraal, met een heldere
en herkenbare hoofdopzet)." Hij ziet het vak als een ingenieurs-kunst
(techniek-ontwerp) met daarin een grote rol voor civiele techniek en land-
meetkunde. "Stedebouw is nog steeds ontwerpen door de schalen heen",
zegt Alies Rommerts. Zij stelt dat de onderwerpen die tegenwoordig in de
discussie zijn, zoals stadsregio's, door de politieke situatie bepaald wor-
den. Het vak moet zich daar niet alleen op richten.
"Belangrijk is dat je moet leren lezen hoe de bestaande stad en het land-
schap in elkaar zitten. Het bestaande is het kader voor veranderingen. Dat
is het uitgangspunt, meer dan het programma. Programma's wijzigen heel
snel. Het gaat hier niet alleen om het ruimtelijk-fysieke, nee, met 'het be-
staande' doel ik tegelijkertijd op de socio-culturele en de socio-economi-
sche laag, die eveneens gelezen moet worden. Voor goede stedebouw
moet men inzichten hebben in deze processen", zegt Anna Vos. Volgens
Els Bet is het maken van een goede structuur erg belangrijk. "Het gaat
niet om de objecten maar om de ruimte, de organisatie en de beleving."
Abstracte en concrete opgaven
De genoemde opgaven liggen op verschillende schaal- en denkniveaus.
"Er bestaat niet één opgave. Je kunt niet spreken over één soort stede-
bouw. Het vak is groot zat. Er zijn veel talen mogelijk", volgens Els Bet.
De Clemens Steenbergen vindt dat men in de stedebouw weer moet leren
groot te denken. De vernieuwing van de openbare stedelijke ruimte is vol-
gens hem een belangrijke opgave. Daarbij kan gebruik: gemaakt worden
van landschappelijke middelen. Paul Drewe hamert op het belang van
plannen met visie. De toekomstwaarde is voor hem hierbij essentieel.
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
Voor Henriëtte van Eys is de gebruikswaarde van belang, waarbij de eer-
ste tien jaar als beheersfase belangrijk onderdeel van het ontwerp horen te
zijn.
Jan Willem Tap noemt de stadsvernieuwing en herstructurering als be-
langrijke opgave: "Op een gegeven moment zal er niet zo veel meer ge-
bouwd kunnen worden en dan zal men zich met het bestaande bezig moe-
ten houden." Dirk Frieling noemt de thema's 'stedelijke transformaties'
en 'metropoolvorming' als hot items en hij zegt: "We moeten ophouden
met dat tussengebiedengedoe." Jan Harten vindt dat er meer nagedacht
moet worden over beheer: "Er moet creatief omgegaan worden met het
bestaande. Ook is het tegengaan van suburbanisatie een belangrijke opga-
ve. Men moet zich bezighouden met de kwaliteit van stedelijke gebieden.
Deze moeten concurrerend worden." Hij merkt daarbij op: "Er is meer
dan de Randstad." Aafke Nijenhuyzen stelt dat er een kader gemaakt moet
worden voor die 100.000 woningen die ieder jaar gebouwd moeten wor-
den. "Daarnaast zijn de herinrichting van stations gebieden en duurzame
stedebouw belangrijke punten op de agenda."
Over de 'milieuvriendelijke' ontwerpen voor wijken zijn de meningen
verdeeld. Van de verschillende ecologische wijken en plannen blijkt Enno
Zuidema niet enthousiast geworden: "Als het om ecologie en natuur gaat
hebben we altijd de Veluwe nog!" De meesten erkennen het milieu-aspect
wel als onderdeel in de stedebouwkunde. Maar zij zien het niet als een eis
waaraan een meesterwerk nu of in de toekomst moet voldoen. Het wordt
eerder gezien als 'de waan van de dag' en onbelangrijk voor het vak op
zich.
Aafke Nijenhuyzen: "Het zal wel een onderdeel van het vak uit blijven
maken, zoals bijvoorbeeld sociale veiligheid dat ook is." Ina Kleywegt
noemt het niet nieuw: "Zaken als een gesloten grondbalans en bezonning
zijn altijd al onderdeel van het vak geweest."
Beleid
Er wordt veel van de overheid verwacht. J. van Ipenburg vindt: "Er moet
een strakker R.O.beleid komen, een vijfde nota die het langer uithoudt dan
één regeringsperiode." Edzo Bindels ziet wel iets in een centralere macht.
Dan komt er ook een einde aan die onzinnige en oneindige inspraak.
89
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
Nederland bouwt aan zijn
toekomst
90
Zo niet
Volgens Taeke de Jong is de gebouwde omgeving te veel een compromis.
Ina Klaasen: "Ik vind dat stedebouwkundig ontwerpen tegenwoordig
steeds meer om de verpakking gaat dan om de inhoud." Daarnaast consta-
teert zij: "Er is de neiging om losse plekken te ontwikkelen. Er wordt niet
op de samenhang gelet. Er moet meer gelet worden op de consequenties
van ingrepen."
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
TRENDVOLGER OF TRENDSETTER
Of iemand de stedebouwkundige een trendsetter of een trendvolger vindt
blijkt direct afhankelijk van de definitie die de geïnterviewde geeft aan
'trend'. Ook blijkt dat er waarde-oordelen verbonden zijn aan de woorden
volger en setter. Beide woorden konden zowel walging en waardering op-
wekken. Het blijkt dat de antwoorden betrekking hebben op trends in de
opdracht of de uitwerking.
Maatschappij-volgend
Waar het de stedebouwkundige opgave betreft, is men het niet met elkaar
eens. Jan Heeling stelt: "Een stedebouwer zet nooit een trend. Er zijn ver-
anderingen, veroorzaakt door de economie, de maatschappij, etc. Deze
veranderingen zijn de aandrijving van de ontwerper." Hij wordt aangevuld
door Aafke Nijenhuyzen: "De stedebouwer bouwt met een opdracht uit de
maatschappij." Hubert de Boer zegt: "Er zijn in dit vak geen trendsetters.
De goede stedebouwers waren trendvolgend. Die zaten stilletjes plannen
te maken en maakten daar geen lawaai over."
Volgens J. van Ipenburg kan een stedebouwer geen van beide zijn: "Een
trend is te kort om een ontwerp op te baseren." Ook Els Bet vindt dat:
"Trends zijn te kort. Je moet plannen maken die vernieuwing aankunnen."
Uitgaand van deze antwoorden mag de stedebouwkundige slechts plannen
maken die de maatschappij vraagt. Terwijl de genoemde meesterwerken
zich vaak onderscheiden doordat ze veel verder gaan, ze bieden iets ex-
tra's. Voldoen aan de gestelde eisen is weliswaar noodzakelijk, maar heeft
slechts te maken met vakmanschap. Blijkbaar bevatten veel stedebouw-
kundige plannen tegenwoordig niet eens het vakmanschap, waardoor het
streven zich richt op het goed uitoefenen van het vak. Anderen vinden ge-
lukkig dat de stedebouwkundige in sommige plannen meer moet bieden.
Trendsetter
Ina Klaasen: "Een stedebouwer mag geen trendvolger zijn, echt niet! Dat
heeft rampzalige gevolgen. Dan zou hier straks alles langs de snelweg lig-
gen. Je moet trends willen ombuigen (beleidsmatig) ten opzichte van de
doelstellingen die je hebt. Je moet je blijven afvragen of je een bepaalde
ontwikkeling wel wilt. Wat is van belang op welke termijn?" Daarnaast
zijn er die stellen dat stedebouwers meer invloed moeten hebben op het
programma. Jan Willem Tap: "Iets waar ook verandering in moet komen
is de communicatie en ook de verhouding tussen de programmamakers en
de ontwerpers. Zo als dat nu gebeurt, is dat erg achterhaald.
91
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
92
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
Er worden programma's bedacht die als ze eenmaal zijn opgeschreven al
weer verouderd zijn en dan moet de ontwerper het maar uitvoeren. De rol
van de ontwerper moet groter worden. De ontwerper kan met zijn kennis
en het doen van onderzoek voeling houden met wat er in de maatschappij
gebeurt en potenties aangeven." Edzo Bindels denkt dat een stedebouwer
allebei is, maar hij ziet een belangrijke taak liggen in het laten zien van de
consequenties van een programma aan politici, zodat zij er over kunnen
beslissen. Frits Palmboom stelt dat een stedebouwer wel degelijk trendset-
tend kan zijn waar het de opgave betreft. Hij noemt als voorbeeld de Kop
van Zuid en de nieuwe brug.
Waar het de uitwerking van de opgave betreft, wordt door Aafke Nijen-
huyzen gesteld: "De stedebouwer is ergens ook een trendsetter want er
worden telkens weer nieuwe concepten bedacht, zoals vroeger door de
CIAM." Anna Vos filosofeert: "Eerst dacht ik dat een stedebouwer een
trendsetter moest zijn. Maar nu denk ik dat een stedebouwer een volger is,
iemand die de bestaande stad 'volgt', leest en interpreteert. Hij/zij moet
heel goed kijken wat er in de samenleving gebeurt en daar moet hij/zij op
reageren. Dit reageren kan natuurlijk wel op een vernieuwende manier ge-
beuren."
Opleiding
Clemens Steenbergen bekijkt de situatie aan de TU: "Ik vind het fijne van
de TU dat, in de spreiding van de leerstoelen over theorie en praktijk, een
garantie ligt voor een balans tussen trendsetters en volgers. Daar is het een
universitaire opleiding voor. Ook in het onderzoek kan men settend en
volgend zijn. Het onderzoek kan meer elementair gericht zijn en dieper
graven dan in de praktijk en daarnaast moet je voeling houden met de vra-
gen in de praktijk."
De opleiding heeft volgens sommigen een belangrijke rol. "Stedebouwers
zijn zowel trendvolgers als trendsetters. Zoiets ligt aan de persoon en de
situatie. Wel vind ik dat de opleidingen de ambitie moeten hebben van de
stedebouwkundigen trendsetters te maken." Dit zegt Jan Harten. Volgens
Peter de Bois zijn stedebouwers ook allebei. 'Maar', zegt hij, "De school
moet via haar produkt, de student, vernieuwend zijn in het vakgebied."
Daarnaast constateert hij: "Wat je ziet is dat studenten die van de oplei-
ding afkomen eerst proberen trendsetter te zijn en dan na een aantal jaar
volger worden." Peter de Bois stelt voor: "Het zou goed zijn als er een in-
stituut komt waar stedebouwers die leeg zijn, om de zoveel jaar weer eens
bij kunnen tanken, zodat de passie voor hetvak blijft."
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
It's a small world after all
194
Stedebouwkundige meesters?
Antwoorden die over opdracht en uitwerking gaan, zijn als volgt: "Het is
afhankelijk van het ambitie-niveau van de opdrachtgever en van de stede-
bouwkundige zelf." zegt Enno Zuiderna. Volgens Paul Colnot ligt het aan
je positie: "Soms heb je de kans om iets een duwtje te geven." Paul Drewe
stelt: "Je mag hopen dat stedebouwers trendsetters zijn. Alleen al het ma-
ken van een plan verandert al iets aan het denken over de stad."
Geconcludeerd moet worden dat een trendsetter nodig is om een meester-
werk te maken. Misschien worden er slechts weinig meesterwerken ge-
noemd van recente datum omdat het aantal eisen steeds groter is gewor-
den en daarmee de complexiteit van de opgave. Ook kan het zijn dat hel
vakmanschap niet voldoende tot uitdrukking komt in de plannen. Bij een
groot deel van de plannen is vakmanschap voldoende voor het realiseren
van een goed plan. In enkele situaties moet de stedebouwkundige echter
naar meer streven dan het vakmanschap, om een plan te maken dat mis-
schien door de tijd heen een meesterwerk genoemd zal worden.
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
PROFIELSCHETS GEïNTERVIEWDEN
In alfabetische volgorde
Els Bet, afgestudeerd als architect in 1985. Stedebouwkundig ontwerper
bij de gemeente Den Haag. Lid Polis-bestuur sinds 1993.
Edzo Bindels, student stedebouwkunde. Bezig met afstuderen op het
herdefiniëren van de open ruimte.
Hubert de Boer, stedebouwkundig ontwerperflandschapsarchitect.
TKA Almere en, tot voor kort, hoogleraar Stedebouwkundig ontwerpen,
'Stad en Regio' aan de TU Delft.
Peter de Bois, afgestudeerd als architect en stedebouwkundige in 1974.
Docent stedebouwkundig ontwerpen aan de TU Delft. Lid Polis-bestuur
89/90 (oprichting) en 90191.
Paul Colnot, afgestudeerd als architect en stedebouwkundige in 1968.
Bureau Froger en Meijsing te Delft.
Paul Drewe, afgestudeerd als econoom en socioloog. Hoogleraar Stede-
bouwkundig onderzoek aan de TU Delft (Ruimtelijke Planning).
Henriëtte van Eys, academie voor Beeldende Kunsten, daarna afgestu-
deerd als stedebouwkundige in 1977. Buro voor ruimtelijke vormgeving
van Eys te Arnhem. Lid van de Raad voor de Ruimtelijke Ordening.
Dirk Frieling, afgestudeerd als architect in 1965. Hoogleraar Stedebouw-
kundig ontwerpen aan de TU Delft. Daarnaast stedebouwkundig adviseur
van de gemeente Amsterdam.
Jan Harten, afgestudeerd als architect en stedebouwkundige. Hoofd van
de dienst stadsontwikkeling in Roermond. Bestuurslid B.N.S.
Jan Heeling, afgestudeerd als architect in 1967. Hoogleraar Stedebouw-
kundig ontwerpen, 'Methoden en theorie', aan de TU Delft.
Bureau Heeling, Krop Bekkering te Groningen.
Julia Van Ipenburg, studente stedebouwkunde. Bezig met afstuderen op
de Noordoostpolder.
95
WOORDEN,BEELDEN,PLANNEN
96
Taeke de Jong, afgestudeerd als stedebouwkundige in 1976, proefschrift
Milieudifferentiatie 1978. Hoogleraar Milieuplanning en ecologie aan de
TU Delft. Doet daarnaast af en toe opdrachten.
Ina Klaasen, afgestudeerd in 1975 in de fysische geografie met als bij-
vakken planologie en milieukunde. Docent stedebouwkundig ontwerpen
'Stad en Regio' aan de TU Delft en bezig met promotie onderzoek.
Ina Kleywegt, afgestudeerd als stedebouwkundige in 1992.
BGSV, bureau voor stedebouw te Rotterdam.
Aafke Nijenhuyzen, afgestudeerd als stedebouwkundige in 1985.
VHP in Rotterdam. Lid Polis-bestuur 90/91.
Frits Palmboom, afgestudeerd als architect in 1981. Stedebouwkundig
bureau Palmboom en van den Bout te Rotterdam.
Lid Polis-bestuur 91/92 en 92/93
Alies Rommerts, studente stedebouwkunde. Bezig met afstuderen op
nieuwe sturingsmiddelen voor het Groene Hart.
Lid Polis-bestuur 91/92 en 92/93.
Clemens Steenbergen, afgestudeerd als landschapsarchitect in 1974.
Hoogleraar Landschapsarchitectuur aan de TU Delft.
Jan Willem Tap, student stedebouwkunde. Bezig met afstuderen op de
regio Rotterdam. Lid Polis-bestuur 93/94.
Anna Vos, afgestudeerd als architect in 1981. Gemeente Amsterdam,
dienst Ruimtelijke Ordening en docent aan de TU Delft, faculteit Bouw-
kunde, werkverband Vrouwenstudies. Lid Polis-bestuur sinds 1993.
Enno Zuidema, afgestudeerd als stedebouwkundige in 1992.
Dienst Stedebouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam.
Voorzitter Polis-bestuur 91192.
ZOVEEL HOOFDEN, ZOVEEL ZINNEN
Chatenay Malabry, een on-
ondekt meesterwerk?
Met deze wijk bij Parijs is in
1938 begonnen en deze
was klaar in 1970. De wijk
is opgebouwd vanuit een
viertal assen welke uitgaan
van de entrees van de wijk.
Deze entrees zijn telkens
duidelijk gemarkeerd door
een winkelplein, ronde blok
beëindigingen en een
torenflat. De vierde, meest
oostelijke, as kromt direct
voorbij het entreeplein naar
links en transformeert in
een hoofdas die de twee
middenassen snijdt. de
grote hoogte verschillen,
uitgebuit door vernuftig
aangebrachte vista's, ver-
oorzaken een theatraal
effect.
97
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
De sprong
98
TENSLOTTE
Stedebouwkundigen zijn net zo min meesters over de vorm en functie van
stad en land, als bijvoorbeeld artsen over de gezondheid, sociale weten-
schappers over het gedrag en de samenleving, of natuurkundigen over de
natuur. Daarvoor is de samenleving te complex, en stedebouwkundigen
hebben niet de pretentie alles naar hun hand te kunnen zetten. De wissel-
werking tussen de stedebouwkunde en de samenleving is er meer een van
visie en actie.
Het maken van een stedebouwkundig plan betekent dat je iets van plan
bent, dat je iets wilt bereiken. Hoe?
Door er begeestigd tegen aan gaan, door het heilig vuur en met de inzet
voorbij het gangbare te komen, in woord en beeld. Of door gewoondoen,
want dan doe je het al goed genoeg; en of het bijzonder is zal wel blijken.
De bijdragen in dit Polis-Iustrumboek verhalen ieder op hun eigen wijze
over dit spanningsveld.
De lezer zal opmerken dat niet wordt beslist over welke de feitelijke
meesterwerken zijn. Dat is zo. Volstaan wordt met uitdagen, meningsvor-
ming; en er zijn suggesties. Eigenlijk is dat zo gek nog niet. De auteurs en
geïnterviewden geven ons een glimp van hoe zij de stedebouwkunde en
zichzelf zien. Misschien zijn wij de woorden die vertellen wie we zijn.
1
Tegelijkertijd wordt duidelijk, dat binnen de discipline taalstrijd en beel-
denstorm, weliswaar onderdrukt, eerder regel dan uitzondering zijn.
Hoopgevend is het ontbreken van onverschilligheid in de discussie over
vakmanschap en meesterschap. De gemoederen worden erdoor in bewe-
ging gebracht.
De verscheidenheid in reacties lijkt een spiegel voor het aftasten van de
rol en het eigene van de stedebouwkunde, dat alles in de veranderende
samenleving aan het eind van de 20e eeuw.
En het meesterwerk? Niet iedere opgave leent zich voor heel veel ambitie.
Maat en schaal hebben hiermee te maken, zo ook de aard van de opgave.
Een structuurplan kan meesterlijk zijn als gedachtenconstructie. In een
stedebouwkundig ensemble kan de essentie van de bouwopgave worden
vormgegeven. Hoe dan ook, in ieder geval moet minimaal goed vakman-
schap worden geboden.
Stedebouwkunde begrijpen, behoeft het kijken naar de wereld door de
ogen van de stedebouwkundigen. De opgaven zoals zij die zien, vormen
de sleutel tot het verstaan van hun oordelen en handelen.
Daar is Polis ook de komende vijf jaar podium voor.
Een podium om reserves terzijde te stellen, om hartstocht en ratio uit te
spelen, om te verzoenen. En om zo nu en dan meesterlijk uit de band te
springen: het feest kan beginnen.
TENSLOTTE
Eduardo Galeano, 1989,
Ellibro de los abrazos.
Hoofdstuk: La uva y el
vino: "Si la uva está
hecha de vino, quizá
nosotros somos las
palabras que cuentan 10
que somos."
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
100
Fenna ter Haar
Stedebouwkundige, Gemeente Gouda,
Willem Hermans
Stedebouwkundige, TU Delft en CH & Partners stedebouw en landschap,
Den Haag.
Edward Hulsbergen
Stedebouwkundig onderzoeker, TU Delft.
Anne Kok
Stedebouwkundige, Bureau Froger en Meijsing, Delft.
Nicola Körnig
Stedebouwkundige, Heeling, Krop en Bekkering, Groningen.
Hans Krop
Stedebouwkundige, Heeling, Krop en Bekkering, Groningen.
Simon Vinkenoog
Schrijver, Amsterdam.
BRONNEN VAN DE AFBEELDINGEN
Bron afbeelding omslag
• Rem Koolhaas, Delirious New Vork; A Retroactive Manifesto for
Manhattan, 010, Rotterdam 1994
Bron afbeelding Vooraf
• Werkgroep 5x5, Voorbij het gangbare; De balie
Bronnen afbeeldingen hoofdstuk 1
• Prof. J.B. Bakema, Woning en woonomgeving; TU-Delft 1977
(pag. 14)
• J. Dethier en A. Giheux (red.), La Ville, art et architecture en
Europe; 1870- 1993, Centre George Pompidou, Parijs 1994
(pag. 8, 10, 11, 13, 15, 18)
• Stichting Architectuur Museum, W.M Dudok 1884-1974;
Van Gennep Amsterdam 1981 (pag. 16)
Bronnen afbeeldingen hoofdstuk 2
• Ayuntament de Barcelona, Barcelona, Espais iEscultures (1982-
1986); Barcelona 1987 (pag. 24)
• Gemeente Amsterdam, Algemeen Uitbreidingsplan van
Amsterdam; Nota van Toelichting; Amsterdam 1934 (pag. 27)
• S.Gall e.a., Stedebouw in beweging; Uitgeverij 010, Rotterdam 1993
(pag. 34)
• R.Geurtsen e.a., Stadsontwerp in 's Gravenhage, Publikatieburo,
Delft 1989 (pag. 23)
• Hans Krop, dia's (pag. 31)
• L. Harpin, Cities, MIT press Cambridge 1963 (pag. 32)
• Nieuwsblad van het Noorden, 26 november 1994 (pag. 26)
• Stichting Nederland Nu Als Ontwerp, Nieuw Nederland; onderwerp
van ontwerp, Staatsuitgeverij, 's Gravenhage 1987 (pag. 20, 22)
• J.W.Reps, Cities of the Amerikan West; a history of frontier urban
planning; Princeton University Press 1979 (pag. 28,29)
BRONNEN
101 I
WOORDEN, BEELDEN, PLANNEN
1102
Bronnen afbeeldingen hoofdstuk 3
• Ayuntament de Barcelona, Barcelona, Espais iEscultures (1982-
1986); Barcelona 1987 (pag. 57)
• Gemeente Amsterdam, Algemeen Uitbreidingsplan van
Amsterdam; Nota van Toelichting en Bijlagen; Amsterdam 1934
(pag. 52)
• Geoffrey Broadbent, Emerging Concepts in Urban Space Design;
Van Nostrand Reinhold, New York 1990 (pag. 38,40)
• J.v.d.Bout, Erik Pasveer, Kop van Zuid, 010, Rotterdam 1994
(pag. 60)
• J.Castex, J.-Ch.Depaule, Ph.Panerai, De rationele stad, van
bouwblok tot wooneenheid; SUN, Nijmegen 1984 (pag. 42, 43, 51)
• H.Coubier, Europäische Stadt-Plätze; DuMont, Keulen 1985
(pag. 40)
• A.Devolder, De Alexanderpolder, waar de stad verder gaat;
ontwerpopgave AIR Rotterdam 1993, Rotterdamse Kunststichting
1993 (pag. 55, 56)
• K.Gaillard, B.Dokter (red.), Berlage en Amsterdam Zuid; Uitgeverij
010, Rotterdam 1992 (pag. 49)
• R. Geurtsen, De Stad, object van bewerking, TU-Delft 1988
(pag. 42)
• H.Hirdina (red.), Das Neue Frankfurt, die neue stad; Elefanten
Press, Berlin 1984 (pag. 50)
• I.Klaasen, N.Kömig (red.),Tussen stad en stedebouw;
Publikatieburo, Delft 1990 (pag. 44, 45, 46)
• Gerard Kwakkenbos, dia's (pag. 44, 49)
• B.Leupen e.a., Ontwerp en analyse; 010, Rotterdam 1993
(pag. 38,42,58,59)
• S.van Moos (red.), Stad en architectuur in Italië, 12e -16e eeuw;
TU Delft 1981 (pag. 41)
• H.Rottier, Stedelijke structuren; Muiderberg 1981 (pag. 48)
• Ian Tod, Michael Wheeler, Utopia, wereldhervormers tussen
werkelijkheid en fantasie; De Haan, Haarlem g.j. (pag. 47)
• Cor Wagenaar, Welvaartsstad in wording, De wederopbouw van
Rotterdam 1940-1952; NAI, Rotterdam 1992 (pag. 36, 53, 54)
• Die Neue Stadt, Rotterdam im 20. Jahrhundert; tentoonstellings-
catalogus, Hatje, Stuttgart 1993 (pag. 55)
Bronnen afbeeldingen hoofdstuk 4
• P.Groenendijk e.a., Gids voor moderne architectuur in Nederland;
uitgeverij 010, Rotterdam 1987 (pag. 72)
• M.de Hoog, Verstedelijking en landschapsontwikkeling;
De Architect, september 1990, themanummer stad en landschap
(pag. 69)
• Jan Tod, Michael Wheeler, Utopia, wereldhervormers tussen
werkelijkheid en fantasie; De Haan, Haarlem g.j. (pag. 62)
• platenhoes Django Reinhardt 'BrüsseI48' (pag. 64)
Bronnen afbeeldingen hoofdstuk 5
• Disneyland, Souvenir Guide 1992 (pag. 94)
• Larry Gonick, Neo-Babelonia, BSO Utrecht 1989 (pag. 87)
• Winfried Janssen, Woonwijken als voorbeeld, een internationaal
perspectief, Metropolis, Rotterdam 1992 (pag. 97)
• Taeke de Jong, Systematische transformaties in het getekende
ontwerp en hun effect, 153ste Dies Natalis, TU-Delft januari 1995
(pag. 86)
• Anne Kok, foto (pag. 83)
• N. Kuhnert e.a., In gesprek met Rem Koolhaas, de Architect
januari 1994, blz 32 (pag. 84)
• Morris, Lucky Luke, De trek naar Oklahoma, Dupuis 1960 (pag. 78)
• NWR, Bouwen en wonen in de jaren negentig, 1990 «pag. 90)
• Seron, De mini-mensjes: De planeet Ranxerox, Dupuis 1985
(pag. 92)
• C v.d Ven, Bouwen in Barcelona, Van Gennep Amsterdam 1980
(pag. 81)
Bron afbeelding Tenslotte
• Jeroen Henneman, De Stad, Nouvelles Images, Den Haag 1989
BRONNEN
103 I
WOORDEN, BEELDEN , PLANNEN

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful