P. 1
Woonvoorkeurenonderzoek

Woonvoorkeurenonderzoek

|Views: 383|Likes:
Published by Delftdigitalpress
Deel 5 van de serie 'Woonconsument en woningkwaliteit' geeft een overzicht van woonvoorkeuren zoals die in de afgelopen vijftig jaar naar voren zijn gekomen uitwoonwensen- en woonsatisfactieonderzoek. Daarbij komt ook de theorie rond woonvoorkeuren aan de orde. Tevens wordt ingegaan op de relevantie van woonvoorkeuren en onderzoek op dit gebied voor woningcorporaties. Het onderzoek is gebaseerd op literatuurstudie en gesprekken bij een achttal woningcorporaties. Dit rapport is bedoeld voor gebruik in het onderwijs en in het onderzoek. In het onderwijs, om studenten Bouwkunde bekend te maken met dat wat bewoners belangrijk vinden. En in het onderzoek, om te helpen de nog steeds bestaande kloof tussen onderzoek en praktijk een stukje te overbruggen.
Deel 5 van de serie 'Woonconsument en woningkwaliteit' geeft een overzicht van woonvoorkeuren zoals die in de afgelopen vijftig jaar naar voren zijn gekomen uitwoonwensen- en woonsatisfactieonderzoek. Daarbij komt ook de theorie rond woonvoorkeuren aan de orde. Tevens wordt ingegaan op de relevantie van woonvoorkeuren en onderzoek op dit gebied voor woningcorporaties. Het onderzoek is gebaseerd op literatuurstudie en gesprekken bij een achttal woningcorporaties. Dit rapport is bedoeld voor gebruik in het onderwijs en in het onderzoek. In het onderwijs, om studenten Bouwkunde bekend te maken met dat wat bewoners belangrijk vinden. En in het onderzoek, om te helpen de nog steeds bestaande kloof tussen onderzoek en praktijk een stukje te overbruggen.

More info:

Published by: Delftdigitalpress on Jun 02, 2010
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

08/12/2014

pdf

text

original

TU Delft

WOONVOORKEURENONDERZOEK:
theorie, empirie en relevantie voor de praktijk
Woonconsument en woningkwaliteit 5
Franceline de Jong
Faculteit der Bouwkunde
Vakgroep Volkshuisvesting en Stadsvernieuwing
juni 1997 --------------
WOONVOORKEURENONDERZOEK: Theorie, empirie en relevantie voor de praktijk
Uitgave Publikatieburo Bouwkunde
Faculteit der Bouwkunde
Technische Universiteit Delft
Telefoon (015) 2784737
ISBN 90-5269-223-8
Copyright (!;) 1996
Franceline de Jong
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd enJof openbaar worden gemaakt door
middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
VOORWOORD
Voor u ligt het eindresultaat van een onderzoek naar woonvoorkeuren, dat ik in de periode
maart 1993 tot april 1995 als Assistent in Opleiding verrichtte aan de Faculteit der
Bouwkunde van de TU Delft. Het verband tussen woonvoorkeuren en huishoudenskenmerken
stond in dit onderzoek centraal. Vanuit drie invalshoeken werd naar woonvoorkeuren
gekeken: de theorie, de empirie en het gebruik van de resultaten van woonvoorkeurenonder-
zoek in de praktijk.
Het leven als AiO ging niet altijd over rozen. Vaak heb ik me afgevraagd, waaraan ik was
begonnen en of ik het onderzoek ooit zou kunnen afronden. Over voorkeuren van mensen
op het gebied van zo iets belangrijks als wonen, raak je inuners niet snel uitgepraat. Fijn om,
nu dit boek er eenmaal ligt, met enige tevreden terug te kunnen kijken!
Zonder anderen tekort te doen, wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om enkele
mensen in het bijzonder te bedanken voor hun bijdrage aan dit boek.
André Thomsen en Theo van der Voordt, heel erg bedankt voor de begeleiding! Vooral die
laatste loodjes kon ik in m'n eentje onmogelijk tillen ...
Dank ook aan Inge van Laren en Harry Lucassen, die de eindredactie en de lay-out
verzorgden. De andere medewerkers van de vakgroep Volkshuisvesting en Stadsvernieuwing
en de AiO' s van Nethur wil ik bedanken voor hun waardevolle adviezen.
Naar de heer W. de Bruin van het NCIV, Koepel voor woningcorporaties, gaat mijn dank
uit voor zijn bemiddeling bij het vinden van gesprekspartners voor de interviews. De acht
gesprekspartners van woningcorporaties bedank ik voor hun medewerking en openhartigheid.
Ten slotte spreek ik de hoop uit, dat dit boek gebruikt zal worden in het onderwijs en in het
onderzoek. In het onderwijs, om studenten Bouwkunde wegwijs te maken in de wereld van
de woonvoorkeuren. En in het onderzoek, om te helpen de nog steeds bestaande kloof tussen
onderzoek en praktijk een stukje te overbruggen.
Franceline de Jong
september 1996
5
6
2
INHOUDSOPGA VE
VOORWOORD 5
SAMENVATTING ...... . ..... ... ...................... 11
INLEIDING . ....
1.1
1.2
1.3
1.4
Aanleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen
Begrippen en afbakening van het onderzoek . .
Werkwijze en opzet van het rapport .
THEORETISCH KADER ....... ... .
2.1
2.2
2.2.1
2.2.2
2.2.3
2.2.4
2.2.5
2.3
2.3.1
2.3.2
2.3.3
2.3.4
2.3.5
2.4
2.5
2.6
2.7
2.7.1
2.7.2
2.7.3
2.7.4
2.7.5
2.8
Inleiding .. ......... ... .
Algemeen menselijke voorkeuren
Inleiding .............. .
Klassieke psychologie: behoeften
Klassieke economie: nutsmaximalisatie
Klassieke sociologie: groepsnormen . .
De waarheid in het midden . . . . . . .
Kenmerken van huishoudens . . . . . .
Huishoudensfase en positie op de arbeidsmarkt
Recente ontwikkelingen . . . . . . . . . . . . . .
Leefstijl ...................... .
Bewonerspreferenties in relatie tot huishoudenskenmerken . . . . .
Huishoudenskenmerken in relatie tot algemene behoeften . . . . . .
Woonervaring . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Handelingsruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Prioriteiten . . .. . ... . .. .
Het meten van woonvoorkeuren . . . . . . . . .
Inleiding .. .. .......... . . . .. .
Traditioneel woonwensenonderzoek . . . .
Woonbeeldenonderzoek . . . . . . . . . . .
Decision Plan Nets ............. .
Woonsatisfactie-onderzoek en aanpassingsbenadering
Conceptueel model . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
15
15
16
17
19
21
21
22
22
22
24
24
24
26
26
27
28
30
34
35
36
39
41
41
42
44
44
45
46
7
3
4
8
WOONVOORKEUREN IN EEN HISTORISCH PERSPECTIEF ... .
3. 1 Inleiding . . . . . .. . . . . . . . . . .
3.2 Woonvorm
3.2. 1 Inleiding . . . . . . . . . . .
3.2.2 Woningtype . . . . . .. . ..
3.2.3 Stapeling, woonlaag en ontsluiting
3.3 Woninggrootte . . . . . . . . .
3.3.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . .
3.3.2 Aantal vertrekken . . ..... .
3.3.3
3.3.4
3.3.5
3.3.6
3.4
3.4.1
3.4.2
3.4.3
3.4.4
3.5
3.5.1
3.5.2
3.5.3
3.5.4
3.6
3.6.1
3.6.2
3.7
3.7.1
3.7.2
3.7.3
3.8
3.9
3. 10
Grootte van de woonkamer . . .
Grootte van de keuken . ...
Grootte van de slaapkamers . .
Bergruimte ... . ....... .
Indeling van de woning . . . . .
Inleiding . . ... . ....... .
Grootte van vertrekken ten opzichte van elkaar
Relaties tussen vertrekken . . . .. .... .
Veranderbaarheid van de woning indeling . .
Bouwfysische aspecten ... .
Verwarming . . .
Warmte-isolatie .
Ventilatie ....
Geluidsisolatie
Uitrustingsniveau
Keuken ... .. .
Sanitair .. ... .
Buitenruimte . .
Privé-buitenruimte
Bezonning en daglicht
Uitzicht en inkijk ...
Woonomgeving . . . . . . . . . .
Dynamiek in woonvoorkeuren
Woonvoorkeuren schematisch samengevat ..
ROL VAN WOONVOORKEUREN BIJ WONINGCORPORATIES
4. 1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
4.2 Kenmerken van de corporaties .... .. ........ . . .
4.3 Woonvoorkeuren bij programmering/nieuwbouw . .... .
4.4 Woonvoorkeuren bij woonruimteverdeling . . .
4.5 Woonvoorkeuren bij beheer van de corporatie
4.6 Relatie met de marktpositie van de corporatie .
4.7 Kennis en nut van woonvoorkeurenonderzoek .
4.8 Reacties op stellingen . . . . . . . .
4.9 Reacties op dilemma' s . . . . . . . .
4.10 Enkele kritische kanttekeningen . .
49
49
51
51
51
55
57
57
58
61
63
64
66
68
68
69
70
72
76
76
77
78
79
81
82
83
85
85
89
91
93
96
97
103
103
106
107
110
116
118
120
123
125
127
5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
5.1 Woonvoorkeuren . ......... ...... ..... . . . .. .. ..... 129
5.2 Corporatiestandpunten .............................. 133
5.3 Aanbevelingen voor nader onderzoek ..................... 133
5.4 Aanbevelingen voor beleid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
LITERATUUR
Bijlage 1 Opzet belangrijkste publicaties voor de literatuurstudie
Bijlage 2 Vragenlijst woningcorporaties
9
10
SAMENVATTING
Marktgericht werken is wat de klok van de volkshuisvesting slaat. Om marktgericht te
kunnen werken is generaliseerbare en praktisch toepasbare kennis vereist van voorkeuren.
Dit onderzoeksrapport geeft een overzicht van woonvoorkeuren zoals die sinds de Tweede
Wereldoorlog tot op heden uit woonwensen- en woonsatisfactieonderzoek naar voren zijn
gekomen. Daarnaast wordt ingegaan op de theoretische verklaring van woonvoorkeuren en
de relevantie van woonvoorkeuren en onderzoek daarnaar voor woningcorporaties.
Bij dit alles wordt bijzondere aandacht besteed aan de relatie tussen huishoudenskenmerken
en woonvoorkeuren.
De probleemstelling die in dit onderzoek centraal staat luidt: Welke woonvoorkeuren hebben
verschillende huishoudens, hoe zijn deze te verklaren en in hoeverre maken woningcorpora-
ties gebruik van de resultaten van woonvoorkeurenonderzoek? Aan de hand van literatuur-
studie en gesprekken bij een achttal woningcorporaties wordt deze vraag beantwoord.
De onderzochte woonvoorkeuren betreffen zes hoofdaspecten van de woontechnische
kwaliteit, te weten: de woonvorm, de woninggrootte, de indeling van de woning, bouw-
fysische aspecten, het uitrustingsniveau en de buitenruimte.
Over woonvoorkeuren ten aanzien van de woonvorm, de woninggrootte en de buitenruimte
is veel bekend. Voor verhuisgeneigde huishoudens zijn deze kenmerken van doorslaggevend
belang. De meeste mensen hebben voorkeur voor een ruime eengezinswoning (drie, vier of
meer kamers) met een eigen tuin. Deze wens is het hardst voor huishoudens met kinderen
en, in mindere mate, jonge tweepersoonshuishoudens.
Willen wonen in een appartement is voor de meeste huishoudens het gevolg van een beperkte
handelingsruimte. Alleen onder een aanzienlijke groep ouderen vinden we een positieve voor-
keur voor een appartement, vanwege de gelijkvloersheid en de sociale veiligheid.
Woonconsumenten hebben een afkeer van massale woongebouwen. Herkenbaarheid van het
eigen territorium en privacy zijn belangrijk. Door de centrale functie van de woonkamer
geniet de grootte hiervan hoge prioriteit. De grootte van slaapkamers speelt geen rol van
betekenis in woonvoorkeurenonderzoek. Te kleine slaapkamers zijn wel een belangrijk knel-
punt in woonsatisfactieonderzoek, net als een gebrek aan bergruimte. Voor de meeste
huishoudens met kinderen geldt: hoe ruimer de woning is, hoe beter. Het inkomen en toe-
wijzingsregels beperken de mogelijkheden. Alleenstaanden en ouderen kiezen bewust voor
niet te grote woningen vanwege onder andere de bewerkelijkheid. Voor tweepersoonshuis-
11
houdens weegt dit niet op tegen het nadeel van weinig ruimte.
De woningindeling is voor de meeste huishoudens een relatief onbelangrijk woningkenmerk.
Enerzijds speelt bij de voorkeuren de traditie een belangrijke rol. Men heeft voorkeur voor
indelingen zoals die van oudsher bekend en beproefd zijn. Anderzijds passen woonconsumen-
ten zich vrij gemakkelijk aan de woningindeling aan waarmee zij worden geconfronteerd,
mits voldoende ruimte en de noodzakelijk geachte voorzieningen aanwezig zijn.
Ten aanzien van bouwfysische aspecten en het uitrustingsniveau van woningen geldt, dat de
voorkeuren onder invloed van de welvaartsontwikkeling wijzen in de richting van beter en
luxer. De aanwezigheid van bijvoorbeeld centrale verwarming, goede warmte-isolatie,
ventilatie en in mindere mate geluidsisolatie worden als vanzelfsprekend ervaren. In het
zoekgedrag van verhuisgeneigde huishoudens spelen deze kenmerken geen belangrijke rol.
Als het op deze punten echter schort aan de kwaliteit van de woning, leidt dat tot een grote
mate van ontevredenheid bij zittende bewoners. Deze aspecten hebben met andere woorden
het karakter van een dissatisfier.
Behalve sommige ouderen en sommige drukbezette huishoudens die bewust voor een huis
zonder tuin kiezen, heeft in principe iedereen voorkeur voor een tuin boven een balkon. Bij
huishoudens met jonge kinderen en, in mindere mate, bij jonge tweepersoonshuishoudens is
deze voorkeur het sterkst. De tuin behoeft in het algemeen niet bijzonder groot te zijn.
Gedurende de afgelopen vijftig jaar zijn woonvoorkeuren in essentie nauwelijks veranderd.
Wel hebben de woonvoorkeuren zich, onder invloed van de steeds grotere welvaart,
ontwikkeld in de richting van meer ruimte en betere voorzieningen. Woonvoorkeuren
vertonen daarnaast meer variatie dan vroeger.
Huishoudenskenmerken en toekomstverwachtingen daarover zijn onmiskenbaar van invloed
op woonvoorkeuren. De belangrijkste huishoudenskenmerken zijn in dit verband het aantal
leden van het huishouden, de leeftijd en het al of niet verzorgen van afhankelijke kinderen.
De rol van de leefstijl is onduidelijk.
Naast huishoudenskenmerken zijn algemeen menselijke behoeften en woonervaring belang-
rijke factoren bij de vorming van het subjectieve ideaalbeeld.
De subjectieve woonwensen hebben weinig waarde zolang deze niet zijn gerelateerd aan de
feitelijke mogelijkheden om de wensen te realiseren. De handelingsruimte van huishoudens
wordt enerzijds beperkt door het inkomen en het gebonden zijn aan een bepaald woning-
marktgebied en anderzijds door het aanbod op de woningmarkt, door toewijzingsregels en
onvolledige informatieverzameling. De confrontatie van de woonwensen met deze
beperkingen leidt tot een aanscherping van de wensen en de noodzaak om prioriteiten te
stellen. Zo ontstaat het aspiratiebeeld, een consistent en realiseerbaar pakket woonvoor-
keuren.
Door · onderzoekers gemeten woonvoorkeuren zijn een vertekening van het werkelijke
aspiratiebeeld. De vertekening wordt veroorzaakt door de onderzoeksmethode en door de
verhuisgeneigdheid en specifieke omstandigheden van het huishouden op het moment van
onderzoek.
De gesprekken bij acht woningcorporaties leren, dat woonvoorkeuren voor corporaties geen
onbelangrijk onderwerp zijn. Een uitgebreide doelgroepenbenadering sluit niet aan bij de
werkwijze van de corporaties. Echter, binnen de grenzen van de eigen doelstellingen tracht
men op hoofdlijnen rekening te houden met de woonvoorkeuren van huurders en woning-
zoekenden.
12
De ideeën van de ondervraagde sleutelfiguren van de woningcorporaties over woonVOOf-
keuren stemmen goed overeen met de onderzoeksresultaten. Deze ideeën zijn vooral op eigen
ervaring gebaseerd. Men acht woonvoorkeurenonderzoek alleen nuttig, indien het betrekking
heeft op de eigen, lokale woningmarktsituatie . Het meenemen van de financiële consequenties
van woonvoorkeuren is daarbij een randvoorwaarde. Verder is men erg geïnteresseerd in
nieuwe ontwikkelingen, vooral als die zijn vertaald in voorbeeldprojecten of bruikbare
instrumenten. Men volgt de ontwikkelingen op het gebied van ouderenhuisvesting en aan-
pasbaar en flexibel bouwen.
Belangrijke aanbevelingen die op grond van dit onderzoek kunnen worden gedaan zijn:
- Besteed in de vraagstelling van woonvoorkeurenonderzoek meer aandacht aan de
beperkende randvoorwaarden en aan compenserende kwaliteiten.
- Zoek naar ruimte- en milieusparende alternatieven om binnen de beperkingen van het
ruimtelijke ordenings- en milieubeleid toch zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de
voorkeuren van woonconsumenten.
- Richt de onderzoeksinspanningen ook op de mogelijkheden om individuele bewoners meer
vrijheid te geven (flexibel bouwen, omgang met zelf aangebrachte voorzieningen, con-
structies tussen huren en kopen e.d.).
13
14
1
INLEIDING
1.1 Aanleiding
, Na een lange periode van algemene woningtekorten zijn de verhoudingen op de woning-
markt aan sterke veranderingen onderhevig. Ook in de gereguleerde sociale sector ontstaat
een vrijere woningmarkt en komt een steeds grotere nadruk te liggen op klantgerichtheid. Het
is gebleken ( . . .) dat er, in vergelijking met de markt voor consumptiegoederen, een gebrek
is aan generaliseerbare en praktisch toepasbare kennis van consumentenvoorkeuren en de
daarop gerichte methoden van marktonderzoek ' (Intennediair, 30 oktober 1992).
Aldus luidde de oorspronkelijke probleemomschrijving uit de vacature-advertentie voor dit
onderzoek. Het onderzoek, met als werktitel ' Bewonerspreferenties en woningkwaliteit' ,
werd gefonnuleerd in het kader van het onderzoeksproject ' Woonconsument en woningkwali-
teit' . In dit project van de vakgroep Volkshuisvesting en Stadsvernieuwing staat de
beoordeling van woningen door bewoners centraal. Doel van het project is de ontwikkeling
van een kwaliteitstoets voor woonconsumenten met behulp van methoden voor vergelijkend
warenonderzoek.
De eerste fase van het project 'Woonconsument en woningkwaliteit' bestond uit een
literatuurstudie naar relevante kwaliteitskenmerken voor woonconsumenten en de mate waarin
deze aan verschillende huishoudenskenmerken zijn gerelateerd. Deze fase is in 1989 afgerond
met de publicatie 'Bewonerspreferenties en gebruikskwaliteit' van Marja van der Werf. Op
basis van de gegevens verzameld door Van der Werf is men vervolgens de beoogde
kwaliteitstoets gaan ontwikkelen. De publicatie van Van der Werf bleek zeer waardevol,
maar gaf in onvoldoende mate antwoord op de vraag wat belangrijke woonwensen zijn, hoe
woonconsumenten verschillende woonwensen tegen elkaar afwegen en hoe deze afweging
samenhangt met bepaalde huishoudenskenmerken.
Besloten werd om dit onderwerp opnieuw onder de loep te laten nemen. Met uitvoerige
literatuurstudie en aanvullend veldonderzoek naar woonvoorkeuren in relatie tot huis-
houdenskenmerken zou moeten worden voorzien in het geconstateerde gebrek aan kennis.
Aldus ging onderhavig onderzoek van start.
15
Al spoedig bleken gegevens over woonvoorkeuren in relatie tot huishoudenskenmerken niet
schaars te zijn, maar in ruime mate voor handen. Juist in de afgelopen twee jaar verscheen
een aantal uitgebreide publicaties op dit terrein, waarvan sommige behoorlijk gedetailleerd
(Van Kempen et al., 1994; Priemus et al. , 1995; Wassenberg et al. , 1994).
Dit maakte het onderzoek niet overbodig, maar zorgde wel voor een accentverschuiving. De
nadruk is minder komen liggen op het geven van een overzicht van woonvoorkeuren in
relatie tot huishoudenskenmerken als zodanig, en meer op de theoretische verklaring van die
woonvoorkeuren én het gebruik van resultaten van woonvoorkeurenonderzoek in de praktijk.
Theorievorming speelt in dit onderzoek een belangrijke rol. In recentelijk verrichte
onderzoeken worden woonvoorkeuren veelal uitsluitend in verband gebracht met huis-
houdenskenmerken en maatschappelijke ontwikkelingen, die op de huishoudenskenmerken
van invloed zijn. De eigenlijke verklaring van voorkeuren ligt echter dieper: niet de ken-
merken van het huishouden als zodanig, maar de daaruit voortvloeiende huishoudensspeci-
fieke behoeften en activiteiten maken dat men voorkeur heeft voor bepaalde woningken-
merken. In dit onderzoek wordt daarom zowel vanuit de optiek 'verschillen tussen huis-
houdens' als vanuit andere invalshoeken naar woonvoorkeuren gekeken.
Het andere belangrijke thema in dit onderzoek is het gebruik van woonvoorkeurenonderzoek
in de praktijk bij woningcorporaties. Een klein jaar van uitgebreide literatuurstudie naar
woonvoorkeuren leidde tot de conclusie, dat er wel veel gegevens zijn, maar dat deze vaak
niet op de juiste plaats in de praktijk terechtkomen of daar niet goed worden benut. Het leek
zinvol om na te gaan hoe dat komt en wat onderzoekers kunnen ondernemen om deze kloof
tussen onderzoek en praktijk te overbruggen.
1.2 Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen
De doelstelling van dit onderzoek is het geven van een overzicht van de woonvoorkeuren van
huishoudens en het vergroten van het inzicht in de achtergronden van woonvoorkeuren en in
de wijze waarop woonvoorkeurenonderzoek een rol speelt bij woningcorporaties, teneinde
richtingen te kunnen aangeven voor zinvol onderzoek naar woonvoorkeuren in de toekomst.
Zowel onderzoekers van woonvoorkeuren als studenten volkshuisvesting en 'woning-
corporaties kunnen met deze gegevens hun voordeel opdoen.
De probleemstelling voor dit onderzoek luidt :
Welke woonvoorkeuren hebben verschillende huishoudens, hoe zijn deze te verklaren en in
hoeverre maken woningcorporaties gebruik van de resultaten van woonvoorkeuren-
onderzoek?
De probleemstelling is op te splitsen in drie hoofdvragen, waarbij een aantal deelvragen is
geformuleerd:
1 Welke woonvoorkeuren hebben verschil/ende huishoudens?
la Welke woonwensen hebben woonconsumenten, volgens de onderzoeksliteratuur, ten aan-
zien van: woonvorm, woninggrootte, indeling van de woning, bouwfysische aspecten,
uitrustingsniveau, buitenruimte, relaties tussen woning en buitenruimte en aspecten van
de woonomgeving?
16
lb Hoeveel prioriteit kent men aan deze kenmerken toe?
Ic In hoeverre zijn er structurele verschillen tussen de woonvoorkeuren van verschillende
huishoudenstypen?
ld Welke samenhang bestaat er tussen de woonvoorkeuren ten aanzien van de verschillende
kenmerken van woning en woonomgeving?
Ie In hoeverre zijn woonvoorkeuren in de loop der tijd veranderd?
2 Hoe zijn de woonvoorkeuren, zoals die uit onderzoek naar voren komen, te verklaren?
2a Welke huishoudenskenmerken en andere factoren zijn van invloed op de woonvoorkeuren?
2b Welke factoren spelen een rol bij het afstemmen van de woonvoorkeuren op de feitelijke
mogelijkheden om deze te realiseren?
2c Welke factoren bepalen in hoeverre gemeten woonvoorkeuren en werkelijke woonvoor-
keuren met elkaar in overeenstemming zijn?
3 Hoe gaan woningcorporaties om met woonvoorkeuren en onderzoek op dat gebied?
3a In hoeverre en op welke manieren houden woningcorporaties bij programmering/nieuw-
bouw, woonruimteverdeling en beheer rekening met de woonvoorkeuren van verschillende
doelgroepen en individuen?
3b Hoe komen woningcorporaties aan hun kennis van woonvoorkeuren? Welke rol spelen
ervaring/marktinzicht, eigen onderzoek en onderzoek van anderen?
3c In hoeverre deelt men bij corporaties de kritische kanttekeningen die ontwerpers en
beleidmakers plegen te zetten bij woonvoorkeuren en onderzoek daarnaar?
3d In hoeverre stemmen de door woningcorporaties waargenomen woonvoorkeuren overeen
met die uit de literatuur?
1.3 Begrippen en afbakening van het onderzoek
In de onderzoeksvragen wordt gesproken over woonwensen en woonvoorkeuren. Deze twee
begrippen zijn sterk aan elkaar verwant en worden vaak door elkaar gebruikt, maar
verschillen wel degelijk in betekenis.
Woonwensen zijn 'verlangens ten aanzien van (onderdelen van) het wonen, die door
(toekomstige) huishoudens worden geformuleerd of zichtbaar worden uit hun handelingen of
activiteiten' (Van der Werf, 1989). Woonwensen betreffen naast woning- ook woon-
omgevingskenmerken, voor zover die de kwaliteit van het wonen mede bepalen.
Woonvoorkeuren zijn volgens Van der Werf woonwensen met een sterke affectieve waarde.
Het zijn dus belangrijke woonwensen. Van Dale geeft het woord voorkeur een andere
betekenis en omschrijft het als 'keuze van het een boven het ander' . Een bepaalde
woonconsument heeft bijvoorbeeld voorkeur voor een open boven een gesloten keuken.
Daarmee is nog niets gezegd over het belang dat hij of zij aan een open keuken toekent. Het
essentiële verschil met het begrip woonwensen, dat een zekere vrijblijvendheid impliceert,
is dat het begrip woonvoorkeuren aangeeft dat er gekozen moet worden en dat prioriteiten
moeten worden gesteld. In dit rapport wordt de term woonvoorkeuren gebruikt om de
prioriteit die men aan de verschillende wensen toekent te benadrukken. Het begrip woon-
wensen wordt gebruikt indien (nog) geen sprake is van een belangenafweging of keuze. De
grens tussen wensen en voorkeuren is overigens niet altijd scherp te trekken.
17
Huishoudenstype, doelgroep en woonconsument zijn drie andere, deels aan elkaar verwante
begrippen die in dit rapport vaak voorkomen.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek definieerde het begrip huishouden in 1960 als 'elke
groep van twee of meer personen die in huiselijk verkeer met elkaar samenwonen en een
gemeenschappelijke huishouding voeren (onder één dak wonen, gezamenlijk de hoofdmaaltijd
gebruiken en een gezamenlijke woonkamer hebben)' . Een alleenstaande wordt daarbij
gedefinieerd als 'een bijzondere vorm van een huishouden bestaande uit één persoon'. Het
meest wezenlijke kenmerk van een huishouden voor dit onderzoek is, dat men, alleen of met
elkaar, beschikt over een voor derden besloten privé-ruimte. Centraal staat immers het
verband tussen kenmerken van het huishouden en wensen ten aanzien van de 'besloten privé-
ruimte' . Onderzoekers en marketeers onderscheiden vaak bepaalde huishoudenstypen, dat
wil zeggen groepen huishoudens met één of meerdere gemeenschappelijke kenmerken. Een
onderscheid naar leeftijd en aantal leden leidt bijvoorbeeld tot onder andere de huishoudens-
typen: jonge alleenstaanden, gezinnen met kinderen en oudere echtparen. De veronderstelling
is dat overeenkomsten in huishoudenskenmerken gepaard gaan met overeenkomsten in gedrag
en behoeften.
Een doelgroep is volgens Van Dale 'een groep waarop een bepaalde actie is gericht, die men
met een bepaalde aanpak probeert te bereiken' . Het is een begrip uit de marketing.
Producenten en dienstverleners delen huishoudens enlof individuen in verschillende doel-
groepen in, op grond van bepaalde gemeenschappelijke kenmerken die van belang zijn voor
hun consumptiepatroon. Zij richten zich met hun produkten of diensten op de behoeften van
bepaalde doelgroepen. Indien een doelgroep bestaat uit huishoudens met bepaalde gemeen-
schappelijke kenmerken, vervult een huishoudenstype de functie van doelgroep.
Een consument is een (klein)verbruiker, aldus Van Dale. Een woonconsument zou in het
verlengde van die definitie een verbruiker van woongoederen enlof -diensten zijn. Een
woning verbruik je echter niet, die gebruik je. Het woord woonconsument lijkt te veronder-
stellen dat de woning een consumptiegoed is. Het reduceert de bewoner tot een afnemer van
een product of dienst. Toch gebruiken onderzoekers het begrip woonconsument steeds vaker.
Het aantrekkelijke ervan is, dat het een breder begrip is dan huurder of bewoner. Ook
mensen in koopwoningen en mensen die (nog) geen woning bewonen kunnen woonconsument
genoemd worden. Bij gebrek aan een sympathieker woord met een even zo brede betekenis,
wordt ook in dit onderzoek het woord woonconsument regelmatig gebruikt.
Dit onderzoek beperkt zich tot voorkeuren die de woontechnische of functionele kwaliteit
van de woning betreffen. De functionele kwaliteit verwijst naar de bruikbaarheid van de
woning voor de bewoners. Deze term omvat meer dan slechts de mate waarin de als meest
elementair beschouwde woonbehoeften worden vervuld. De functionele kwaliteitsopvatting
heeft betrekking op alle functies die de woning voor de afnemers vervult (Van Wijk et al.,
1989). Deze variëren van beschutting, privacy, samenzijn en comfort tot bijvoorbeeld het
verschaffen van status aan de bewoners (De Jonge, 1960b). Allerlei woningkenmerken, zoals
de grootte van de woning, het aantal vierkante meters per persoon, soort en aantal
vertrekken, de relaties tussen vertrekken en technische voorzieningen die bij bepaalde
vertrekken horen, bepalen de mate waarin de woning de verschillende functies voor de
bewoners kan vervullen (De Vreeze, 1993). Naast woningkenmerken bepaalt ook een aantal
kenmerken van de woonomgeving de bruikbaarheid van de woonsituatie. In dit onderzoek
staat de woning centraal, maar daarnaast wordt kort aandacht besteed aan een aantal
kenmerken van de woonomgeving.
18
Het onderzoek beperkt zich tot de Nederlandse situatie, zowel wat de literatuurstudie als het
gebruik van woonvoorkeurenonderzoek in de praktijk betreft. De situatie hier en nu wordt
gerelativeerd door het plaatsen van woonvoorkeuren in een historisch perspectief.
1.4 Werkwijze en opzet van het rapport
De indeling van dit rapport sluit aan bij de drie hoofdvragen van de probleemstelling. In
hoofdstuk 2 staat de theoretische verklaring van woonvoorkeuren centraal. Op basis van de
theoretische inzichten uit diverse publicaties over woonvoorkeuren, wordt een conceptueel
model geconstrueerd. Hoofdstuk 3 biedt een overzicht van woonvoorkeuren, zoals die uit de
onderzoeksliteratuur van na de Tweede Wereldoorlog naar voren komen. Per woningkenmerk
wordt aangegeven hoe de voorkeuren samenhangen met bepaalde huishoudenskenmerken en
in hoeverre de woonvoorkeuren in de afgelopen vijftig jaar constant gebleven of juist
veranderd zijn. In het vierde hoofdstuk staat de rol van woonvoorkeuren en onderzoek
daarnaar bij woningcorporaties centraal. Hierover hebben gesprekken plaatsgevonden bij een
achttal woningcorporaties. In het laatste hoofdstuk worden conclusies getrokken en aan-
bevelingen gedaan voor bruikbaar woonvoorkeurenonderzoek.
In maart 1993 werd met dit onderzoek begonnen en twee jaar later, in april 1995, werd het
afgerond. De publicatie van de rapportage liet door omstandigheden nog ruim een jaar op
zich wachten. Gedurende dat jaar hebben anderen nieuwe onderzoeken naar woonvoorkeuren
verricht en daarover gepubliceerd. Deze recente publicaties zijn in onderhavig onderzoek niet
meegenomen.
Waar in dit rapport 'hij' staat als verwijzing naar de woonconsument, de respondent en
dergelijke, wordt net zo goed zijn vrouwelijke tegenhanger bedoeld.
19
20
2
THEORETISCH KADER
2.1 Inleiding
Zoals aangegeven in het vorige hoofdstuk, speelt in dit onderzoek de relatie tussen
huishoudenskenmerken en woonvoorkeuren een belangrijke rol. Wie woonvoorkeuren
verklaart op basis van huishoudenskenmerken, legt de nadruk op de verschillen in woon-
wensen van verschillende typen huishoudens. Naast verschillen zijn er echter allereerst grote
overeenkomsten. Aan deze overeenkomsten liggen algemeen menselijke voorkeuren ten
grondslag. In paragraaf 2.2 wordt aandacht besteed aan verschillende theorieën over
menselijke voorkeuren. Vervolgens komt in paragraaf 2.3 de theorievorming over de relaties
tussen huishoudenskenmerken en woonwensen aan de orde. Huishoudens met vrijwel
identieke huishoudenskenmerken kunnen echter ook heel verschillende woonwensen hebben.
Deze individuele verschillen zijn voor een deel terug te voeren op de verschillende ideeën
die mensen over wonen hebben, ten gevolge van hun persoonlijke ervaringen met het wonen.
Woonervaring staat centraal in paragraaf 2.4.
In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt ingegaan op de rol die algemene behoeften, huis-
houdens en woonervaring spelen bij het tot stand komen van woonwensen. Woonwensen
hebben echter weinig waarde, zolang deze niet zijn gerelateerd aan de mogelijkheden die het
huishouden heeft om de woning van zijn dromen daadwerkelijk te kunnen bewonen. In para-
graaf 2.5 wordt het spanningsveld besproken tussen de wensen van het huishouden en de
mogelijkheden en beperkingen die het ondervindt bij de realisatie ervan. De confrontatie van
wat men zou willen met de feitelijke mogelijkheden leidt tot de noodzaak om belangen af te
wegen en prioriteiten te stellen. Hieraan wordt aandacht besteed in paragraaf 2.6.
Met deze hoofdvariabelen kunnen we in principe verklaren waarom huishoudens bepaalde
woonvoorkeuren hebben, gegeven de omstandigheden op de woningmarkt. Om de woon-
voorkeuren zoals die uit de literatuur naar voren komen, te kunnen verklaren, dient nog een
laatste hindernis te worden genomen. Onderzoeksresultaten zijn immers altijd slechts een
benadering van de werkelijkheid. De methode van onderzoek en de bereidheid en mogelijk-
heden van de respondenten om aan te geven wat zij werkelijk willen, kunnen voor een forse
discrepantie tussen feitelijke en geregistreerde woonvoorkeuren zorgen. Deze discrepantie
staat centraal in paragraaf 2.7.
In paragraaf 2.8 ten slotte, wordt op basis van de theoretische noties die in dit hoofdstuk aan
21
de orde komen, een conceptueel model geconstrueerd. Belangrijke variabelen voor het
conceptueel model worden in de hierna volgende tekst cursief gedrukt.
2.2 Algemeen menselijke voorkeuren
2.2.1 Inleiding
Psychologen, economen en sociologen bestuderen het ontstaan en veranderen van voorkeuren
en gedrag elk vanuit hun eigen invalshoek. In deze paragraaf wordt allereerst aangegeven wat
de door de psycholoog Maslow ontwikkelde hiërarchische behoeftentheorie inhoudt. Veel
onderzoekers van woonvoorkeuren hebben deze klassieke theorie gebruikt en bekritiseerd.
Ook de nuanceringen en tegenwerpingen komen aan de orde. Vervolgens wordt aandacht
besteed aan de klassieke economie, waarin voorkeuren worden beschouwd als het resultaat
van nutsmaximalisatie. Als derde komt de sociologische invalshoek aan de orde, waarbij
. conformatie aan groepsnormen de belangrijkste verklaringsgrond vormt voor het handelen
en de voorkeuren van mensen. Aan het einde van de paragraaf komt het tot een zekere inte-
gratie van de verschillende invalshoeken.
2.2.2 Klassieke psychologie: behoeften
Van Dale definieert het begrip behoefte als een 'bewust gemis van iets dat niet of zeer
bezwaarlijk ontbeert kan worden; verlangen daarnaar' . Het algemene idee achter behoeften-
theorieën is, dat bevrediging van behoeften als aangenaam wordt ervaren. Het langdurig
voortbestaan van behoeften en dus van spanning vindt men juist onaangenaam. Menselijk
gedrag, waaronder het woongedrag, is gericht op het bevredigen van behoeften.
Maslow (1943) onderscheidt vijf categorieën van algemeen menselijke behoeften, die in een
rangorde ten opzichte van elkaar staan. In volgorde van lagere naar hogere behoeften zijn
dat:
1. fysiologische behoeften (bijv. honger, dorst, slaap, sexuele behoeften);
2. behoeften aan veiligheid (bij v . bescherming, orde, stabiliteit);
3. sociale behoeften (bijv. liefde, vriendschap, identificatie, erbij horen);
4. behoeften aan achting (bijv. onafhankelijkheid, succes, status, zelf-respect);
5. behoeften aan zelfverwerkelijking (dat wil zeggen ontplooiing van voor de eigen
persoonlijkheid specifieke eigenschappen) .
Volgens deze theorie worden de hogere behoeften pas manifest als de lagere, meer elemen-
taire, in een bepaalde mate vervuld zijn. De veronderstelling is dat als een behoefte
bevredigd is, deze uit de aandacht verdwijnt en de daarop volgende behoefte belangrijker
wordt. Het blijft echter altijd mogelijk dat een lagere behoefte ten gevolge van opnieuw
optredende deprivatie weer tijdelijk dominant wordt.
De hiërarchische behoeftentheorie van Maslow is voor het verklaren van woonvoorkeuren
gedeeltelijk bruikbaar gebleken. Zo noemt De Jonge (1960b) de afkeer van trappenlopen en
de voorkeur voor dichtbij de woning gelegen voorzieningen als voorbeelden van fysiologische
behoeften, terwijl de algemene behoefte aan veiligheid onder andere tot uitdrukking komt in
22
het grote belang dat mensen hechten aan privacy in en rond de woning. Uit onderzoek naar
woongedrag in de stedelijke samenleving bleken bij de lagere sociaal-economische klassen
vooral de behoeften manifest die samenhangen met de handhaving van minimale veiligheid,
materiële welvaart, sociale zekerheid en affectieve relaties. In de hogere sociaal-economische
klassen daarentegen traden de behoeften aan prestige en zelfverwerkelijking, deels ook aan
een esthetisch goed verzorgde woonomgeving, sterker op de voorgrond. Het welvaarts-
minimum waarnaar de lagere sociaal-economische klassen streefden, was door hen reeds
ruimschoots overschreden.
Ook Driessen en Beereboom (1983) leggen relaties tussen de theorie van Maslow en
resultaten van woonvoorkeurenonderzoek. Zij geven het volgende voorbeeld van het optreden
van deprivatie. Iemand die in een zeer onveilige buurt woont denkt uitsluitend aan zijn
lijfsbehoud. Dat is dan de allesoverheersende behoefte. Wanneer de buurt veilig wordt,
verdwijnt deze behoefte uit de aandacht en wordt de veiligheid van de woonomgeving als
normaal beschouwd. Daarvoor in de plaats komt bijvoorbeeld een sterke behoefte aan een
goede woning. Wanneer de buurt om de een of andere reden opnieuw onveilig wordt, komt
de behoefte aan veiligheid weer centraal te staan en krijgt de behoefte aan de redelijke
woning minder aandacht.
Een duidelijke terugkeer naar lagere behoeften trad ook op in de wederopbouwperiode na de
tweede wereldoorlog. Door het grote woningtekort stelden huishoudens hun wensen bij tot
hetgeen haalbaar was. Toen de druk op de woningmarkt verminderde en de welvaart toenam,
groeide het wensenpakket weer. Status, geborgenheid, veiligheid en privacy tellen nu weer
volop mee (Van Wijk et al., 1989).
Het algemene idee dat er een zekere hiërarchie van behoeften bestaat, is door veel
onderzoekers overgenomen. Over de concrete invulling ervan bestaat minder overeen-
stemming. Onderzoek heeft uitsluitend de dominantie van fysieke behoeften over de andere
behoeften bevestigd. De volgorde van de andere behoeftencategorieën is minder duidelijk
(Driessen en Beereboom, 1983). Het is niet aannemelijk dat de verschillende behoeften strikt
volgtijdelijk manifest worden. Een zekere mate van vrijheid en zelfverwerkelijking is bij-
voorbeeld ook van belang voor mensen waarvan de lagere behoeften slechts in beperkte mate
bevredigd zijn (De Jonge, 1976a).
Verder blijkt de hiërarchie niet voor iedereen gelijk te zijn. Naarmate individuen hoger
geordende behoeften bereiken, neemt de consensus over het belang van de aspecten af.
Sommigen ervaren bijvoorbeeld milieuvervuiling als bedreigender dan criminaliteit, terwijl
voor anderen criminaliteit juist een groter probleem vormt dan milieuvervuiling (Driessen en
Beereboom, 1983). Daarnaast verschillen groepen en individuen in de mate waarin een
behoefte vervuld moet zijn, alvorens de nadruk op hogere behoeften komt te liggen. Bij een
hoog welvaartspeil blijven de elementaire, materiële behoeften niet alleen continu bevredigd,
ook ligt het niveau van de bevrediging hoger. Dit komt wat de woning betreft onder andere
tot uiting in een betere bouwkundige kwaliteit, meer ruimte en een betere outillage (De
Jonge, 1976a).
Een laatste kritiekpunt betreft de suggestie die gewekt wordt, dat mensen gelukkiger zouden
zijn naarmate de lagere behoeften meer zijn bevredigd en zij zich kunnen wijden aan de
bevrediging van de hogere. Dat dit niet per defInitie het geval is, wordt onder andere
geïllustreerd door een hang naar het (quasi-)primitieve, juist onder het meer welvarende deel
van de bevolking (De Jonge, 1976a).
23
2.2.3 Klassieke economie: nutsmaximalisatie
In de klassieke economie worden voorkeuren beschouwd als het resultaat van rationeel keuze-
gedrag. Mensen streven naar maximalisatie van hun individuele nut. Nut ontlenen zij aan het
bezit of gebruik van goederen en diensten, waarbij meer bezit of gebruik een hoger nut geeft.
Het marginale nut, dat wil zeggen het extra nut dat aan een extra hoeveelheid goed of dienst
wordt ontleend, neemt weliswaar steeds verder af naarmate meer van het betreffende goed
of de betreffende dienst wordt geconsumeerd, maar blijft altijd positief. Economen
beschouwen behoeften dan ook als oneindig.
In hun bestedingen vergelijken consumenten het marginale nut van verschillende goederen
en diensten met elkaar. Zij kiezen voor het goed of de dienst, waaraan het meeste marginale
nut wordt ontleend, net zolang totdat dit marginale nut zo gering is geworden dat zij hun geld
beter aan andere goederen of diensten kunnen besteden. Een voorbeeld hiervan is, dat huis-
houdens met hogere inkomens in de loop van hun wooncarrière eerst naar steeds grotere
woningen en vervolgens naar kwalitatief betere woningen verhuizen (Harts en Hingstman,
1986).
2.2.4 Klassieke sociologie: groepsnormen
Sociologen bestuderen gedrag en gedragspatronen van en tussen mensen voor zover deze
beïnvloed worden door het feit dat mensen in bepaalde verhoudingen tot elkaar staan (De
Jager en Mok, 1983). In de sociologie bestaat niet één klassieke verklaring voor gedrag. In
de sociologie hanteren verschillende stromingen hun eigen optieken. Toch schetst Lindenberg
(1990), zelf socioloog, het mensbeeld van de homo sociologicus. In tegenstelling tot de vol-
maakt geïnformeerde, sterk op consumptie gerichte, nutsmaximaliserende homo economicus,
is de homo sociologicus een gesocialiseerd wezen dat zich in zijn handelen laat leiden door
de normen van de groep waartoe hij behoort of wil behoren. Waar in de klassieke psycho-
logie behoeften en in de klassieke economie nutsmaximalisatie ten grondslag liggen aan veel
gedrag en voorkeuren van individuen, zijn dit volgens de klassieke sociologie groepsnormen.
De huidige populariteit van wonen in de stad onder hogere inkomensgroepen, na een periode
waarin wonen in een verbouwde boerderij erg in trek was, kan een voorbeeld zijn van de
invloed van groepsnormen op woonvoorkeuren.
2.2.5 De waarheid in het midden
Hollen mensen instinctmatig achter hun eigen behoeften of de normen van de groep aan, of
moet iedere gedraging worden beschouwd als het resultaat van een rationele afweging? Het
eerste is niet waar; mensen kunnen bijvoorbeeld in hongerstaking gaan voor een 'hoger doel' .
Zij kiezen dan voor het vervullen van een andere behoefte dan de meest manifeste. Het
tweede is evenmin waar: onze geïndividualiseerde samenleving laat juist een sterk
verminderde betekenis zien van groepsnormen voor individueel gedrag. Ook de derde
verklaring klopt niet. De economie drijft bijvoorbeeld deels op irrationele impulsaankopen,
terwijl ook de meest weloverwogen beslissingen zelden geheel op rationele overwegingen zijn
terug te voeren.
24
Er zijn tegenwoordig weinig psychologen, economen en sociologen meer, die de klassieke
opvattingen van hun discipline als de enige waarheid beschouwen. De verschillende weten-
schapsopvattingen zijn in de afgelopen decennia dichter bij elkaar gekomen. Vrij algemeen
wordt aangenomen dat de mens in zijn gedachten en gedrag op verschillende gedachten hinkt.
Lindenberg (1990) schetst het beeld van de homo socio-economicus, een combinatie van de
hierboven beschreven mensbeelden uit de sociologie en de economie. Op basis van uit-
gebreide studie van zowel sociologische als economische theorieën ter verklaring van gedrag,
komt Lindenberg tot de conclusie dat mensen twee ultieme doelen nastreven, te weten fysiek
welbevinden en sociale erkenning. Met enige voorzichtigheid voegt hij er als derde het
vermijden van nadeel aan toe. Lindenberg betrekt de behoeftentheorieën uit de psychologie
niet in zijn betoog. Met uitzondering van de behoefte aan zelfverwerkelijking, zijn de
behoeftencategorieën van Maslow echter moeiteloos onder te brengen in deze driedeling van
Lindenberg .
Het theoretisch kader dat Driessen en Beereboom gebruiken in hun uitgebreide studie naar
de kwaliteit van het stedelijk leefmilieu, sluit enerzijds aan bij de behoeftenhiërarchie van
Maslow en anderzijds bij de driedeling van Lindenberg . Zij nemen van Maslow de primaire
behoeften over. Daartoe lijken zij zowel de fysiologische behoeften als de behoefte aan
veiligheid te rekenen. De primaire behoeften als verklaringsgrond voor woonvoorkeuren
vullen zij aan met een aantal andere zaken, die algemeen als nastrevenswaardig worden
beschouwd. Zij noemen de volgende zogeheten 'algemeen nuttig geachte zaken', gerangschikt
van het meest naar het minst belangrijk:
• primaire behoeften vervullen;
• financieel voordeel bieden;
• sociaal contact vergemakkelijken;
• afwisseling bieden;
• aanzien geven;
• tijdsbesparing opleveren.
Naast de primaire behoeften vinden we ook de sociale behoeften en de behoefte aan achting
uit Maslow's hiërarchie in dit rijtje terug. Deze vertonen een duidelijke overeenkomst met
de doelen fysiek welbevinden en sociale erkenning, die Lindenberg noemt. De behoefte aan
afwisseling, die Driessen en Beereboom toevoegen, kan worden beschouwd als een uit-
werking van de behoefte aan zelfverwerkelijking volgens Maslow. De behoefte aan af-
wisseling is groter naarmate andere behoeften meer vervuld zijn. Driessen en Beereboom ver-
onderstellen dat de optimale hoeveelheid afwisseling per individu verschilt. Naarmate mensen
meer gewend zijn aan veel afwisseling, bijvoorbeeld stadsdrukte, zal de door hen als optimaal
ervaren hoeveelheid afwisseling hoger liggen. Hierdoor streven mensen als het ware op
verschillende niveaus naar een zekere harmonie tussen rust en drukte.
Financieel voordeel en tijdsbesparing kunnen worden beschouwd als uitwerkingen van het
doel dat Lindenberg 'vermijden van nadeel' noemt. De link met nutsmaximalisatie is snel
gelegd.
In het schema op de volgende bladzijde zijn de indelingen van Maslow, Driessen en
Beereboom en Lindenberg naast elkaar gezet en de overeenkomsten tussen de begrippen met
lijnen aangegeven. De volgorde van de laatste twee indelingen is aangepast aan die van
Maslow en zegt dus niets over het belang van de verschillende zaken.
25
Schema Maslow, Driessen en Beereboom en Lindenberg
Maslow (1943) :
hiërarchie van
behoeften
Driessen en Beereboom (1983) :
algemeen nuttig
geachte zaken
Lindenberg (1990) :
homo socio-economicus
fysiologische behoeften 7 primaire behoeften vervullen ---- fysiek welbevinden
behoeften aan veiligheid
sociale behoeften ___ _
behoeften aan achting
behoeften aan zelf-
verwerkelijking
sociaal contact vergemakkelijken sociale erkenning
aanzien geven ~
afwisseling bieden
financieel voordeel bieden vermijden nadeel
tijdsbesparing opleveren ~
Driessen en Beereboom zijn zeker niet de eerste of de enige auteurs, die bij het bestuderen
van woonvoorkeuren een op verschillende wetenschappelijke disciplines gebaseerd theoretisch
kader gebruiken. In het conceptueel model neem ik de ' algemeen nuttig geachte zaken' van
Driessen en Beereboom op als belangrijke algemene behoeften. Reden voor deze keuze is de
duidelijkheid en veelomvattendheid van de zes zaken die zij noemen, al nemen de psycho-
logische en sociologische theorie een duidelijkere plaats in dan de economische. Daarnaast
speelt een rol, dat Driessen en Beereboom dit lijstje in hun onderzoek hebben toegespitst op
woonvoorkeuren. Zij hebben onderzocht hoe het belang dat aan de verschillende zaken wordt
toegekend, is gerelateerd aan een aantal huishoudenskenmerken (zie subparagraaf 2.3.5).
2.3 Kenmerken van huishoudens
2.3.1 Huishoudensfase en positie op de arbeidsmarkt
Over huishoudenskenmerken die ten grondslag liggen aan verschillen in woonsatisfactie,
verhuisgedrag en woonvoorkeuren, is veel geschreven (zie o.a. Priemus, 1984 en, voor een
beknopt overzicht, Wassenberg et al . , 1994). Van oudsher worden woonvoorkeuren verklaard
op basis van de variabelen inkomen, opleiding, leeftijd van het hoofd van het huishouden en
grootte van het huishouden. De eerste twee variabelen geven de positie in de arbeidscarrière,
de laatste twee de huishoudensfase aan. De zogenaamde career/life-cycle theorie koppelt de
ontwikkeling van het huishouden aan de arbeidscarrière.
Trouwen, kinderen krijgen, het uit huis gaan van kinderen, eventueel het overlijden van de
partner en verminderde vitaliteit worden beschouwd als gebeurtenissen in de levensloop, die
de woonvoorkeuren (mede) bepalen. De arbeidscarrière stelt paal en perk aan de mogelijk-
heden om de voorkeuren te realiseren. Er is van oudsher een sterke samenhang tussen de
26
leeftijd en de positie op de arbeidsmarkt. Het inkomen wordt verondersteld te stijgen met het
aantal arbeidsjaren en te dalen als de arbeidscarrière rond het 65e levensjaar wordt beëindigd.
De klassieke wooncarrière volgt dit patroon: tot aan het pensioen vertoont deze een stijgende
lijn (groter, beter, duurder wonen) en vervolgens een dalende (kleiner, goedkoper wonen).
Onderzoekers tonen telkens weer de samenhang aan tussen de huishoudenssamenstelling, leef-
tijd en sociaal-economische kenmerken enerzijds en de woningkeuze met betrekking tot type,
grootte, eigendomsverhouding en prijs anderzijds (Wassenberg et al., 1994). Aan de relaties
tussen huishoudenskenmerken en woningkenmerken op een gedetailleerder niveau, zoals de
woningindeling, afmetingen van vertrekken, diverse voorzieningen en relaties met de buiten-
ruimte, is veel minder aandacht besteed.
2.3.2 Recente ontwikkelingen
In recent onderzoek naar woonvoorkeuren lijkt overeenstemming te bestaan over het feit dat
de klassieke verklarende variabelen, positie op de arbeidsmarkt en huishoudensfase, nog altijd
van invloed zijn op de woonvoorkeuren. De voorspellende waarde van deze variabelen is
echter wel afgenomen. Steeds minder huishoudens doorlopen immers de 'traditionele' huis-
houdenscyclus, terwijl de periode waarover de verschillende fasen zich uitstrekken sterk
varieert. Individuen veranderen vaker van huishoudensvorm en waarden en normen ten aan-
zien van gezinsvorming en wonen zijn veel gedifferentieerder dan voorheen. Dit alles maakt
het heel moeilijk om voorkeuren en gedrag te verklaren en te voorspellen (Floor en Van
Kempen, 1994a; Hooimeijer, 1994). Aan de grote diversiteit van levenslopen en omstandig-
heden van huishoudens liggen allerlei demografische, sociaal-economische en sociaal-
culturele ontwikkelingen ten grondslag, welke nauw met elkaar verweven zijn.
De waarde van de traditionele huishoudenscyclus voor het verklaren en voorspellen van
woonvoorkeuren is sterk afgenomen door ontgroening, vergrijzing, de toename van het aantal
echtscheidingen en de grote variatie in partnerrelaties, alsmede de maatschappelijke acceptatie
daarvan. Door deze ontwikkelingen is de leeftijdsopbouw van de bevolking veranderd, terwijl
binnen de leeftijdscategorieën veel meer verschillende huishoudensvormen voorkomen dan
voorheen.
In sociaal-economisch opzicht zijn vooral de veranderingen in de arbeidsparticipatie debet aan
de grotere diversiteit in omstandigheden van huishoudens. Vaste banen zijn minder vanzelf-
sprekend dan voorheen. Arbeidscarrières verschillen daardoor sterk en laten in steeds
mindere mate een ononderbroken en min of meer stijgende lijn zien. Veel voorkomende
verschijnselen als langdurige werkloosheid, deeltijdbanen en tijdelijke arbeidscontracten
passen niet bij het idee van de traditionele kostwinnersloopbaan, net zo min als twee-
verdienerschap en (her)intreding van vrouwen op oudere leeftijd. Dit alles heeft tot gevolg
dat er geen sprake meer is van een vaste relatie tussen de leeftijd en de positie op de arbeids-
en woningmarkt.
Ook de relatie tussen de arbeidscarrière en het opleidingsniveau ligt minder duidelijk dan
voorheen. Een hoge opleiding is geen garantie meer voor een riant en zeker inkomen. Het
opleidingsniveau speelt in woonvoorkeurenonderzoek zelden nog een rol van betekenis. In
recent woonvoorkeurenonderzoek wordt behalve naar de hoogte van het inkomen of in plaats
daarvan veelal gevraagd naar het aantal inkomens, de bronnen van inkomsten enlof het aantal
27
uren betaalde arbeid van de verschillende leden van het huishouden. Deze variabelen zeggen
iets over de inkomenspositie op langere termijn en zijn daarom voor de woonvoorkeuren
relevanter geworden dan de combinatie van inkomen en opleidingsniveau.
2.3.3 Leefstijl
Bovengenoemde ontwikkelingen hebben ertoe geleid, dat met meer en andere huishoudens-
kenmerken dan voorheen rekening moet worden gehouden om enigszins betrouwbare uit-
spraken over woonvoorkeuren en woongedrag te kunnen doen. Maar dan nog blijft het
moeilijk om woongedrag en woonvoorkeuren te verklaren of te voorspellen. Woonvoorkeuren
van huishoudens die wat de in het voorgaande besproken kenmerken betreft exact gelijk zijn,
kunnen toch nog sterk verschillen. Om deze verschillen een plaats te geven, wordt in woon-
voorkeurenonderzoek veelvuldig gebruik gemaakt van het begrip leefstijl. Dàt de leefstijl van
invloed is op woonvoorkeuren wordt algemeen onderkend, maar over de wijze waarop
bestaat veel minder overeenstemming. Het begrip is moeilijk te definiëren en te operatio-
naliseren.
Verschillende onderzoekers hebben zich gewaagd aan een nadere invulling van het leef-
stijlbegrip. Velen van hen definiëren leefstijl als de manier waarop mensen omgaan met hun
tijd en hun geld (Hooimeijer, 1994; Vijgen en Van Engelsdorp Gastelaars, 1986) enlof als
hun waardenoriëntatie met betrekking tot de besteding van tijd en geld (Bell, 1968; Bootsma,
1994). Bekend is het onderscheid dat BeU (1968) maakt tussen 'familism', 'careerism' en
'consumerism'. 'Familism' kenmerkt zich door een sterke concentratie op het gezinsleven.
Bij het kiezen van het woonadres prevaleren de belangen van de kinderen, waardoor deze
huishoudens vooral in suburbane woonmilieus te vinden zijn.
Bij 'careerism' staat het maken van carrière centraal. Huishoudens met deze leefstijl vestigen
zich bij voorkeur in de nabijheid van (stedelijke) voorzieningen, teneinde hun schaarse vrije
tijd zo efficiënt mogelijk te besteden. 'Consumerism' is een hedonistische leefstijl, waarbij
men bijvoorbeeld gericht is op de aanschaf van allerlei gebruiksgoederen (Priemus, 1984).
Ook een sterke gerichtheid op recreatie kan worden beschouwd als een vorm van
'consumerism' . Ten gevolge van de toegenomen welvaart en vrije tijd komt een op
consumptie of vrijetijdsbesteding gerichte leefstijl tegenwoordig steeds vaker voor
(Boelhouwer et al., 1993). Desondanks maken onderzoekers naar woonmilieuvoorkeuren
meestal slechts onderscheid tussen gezinsgerichte en carrièregerichte huishoudens, wellicht
omdat de relaties van deze leefstijlen met woonmilieuvoorkeuren het duidelijkst zijn (o.a.
Droogleever Fortuijn, 1993).
In het onderscheid dat Machielse (1989; vgl. Merton, 1961) maakt tussen huiselijken en uit-
gaanders, zijn alle drie door Bell genoemde leefstijlen onder te brengen. Huiselijken zijn
geen mensen die de hele dag thuis willen zitten. Het verschil met uitgaanders ligt hierin, dat
huiselijken de woning beschouwen als een plek die op zichzelf de moeite van het verblijven
waard moet zijn. Kenmerken van de woning en de directe woonomgeving vinden zij van
groot belang. Uitgaanders daarentegen hechten ten minste evenveel waarde aan de ligging
van de woning ten opzichte van voor hen belangrijke lokaties, als aan woningkenmerken.
Meer dan voor huiselijken heeft de woning voor uitgaanders het karakter van een uitvals-
basis. Het onderscheid tussen huiselijken en uitgaanders komt grotendeels overeen met dat
tussen gezinsgerichte en carrièregerichte huishoudens. Op consumptie gerichte huis-houdens
28
kunnen zowel tot de huiselijken als tot de uitgaanders behoren. Dat hangt er vanaf of hun
consumptie of recreatie vooral in de woning en directe woonomgeving of juist ver van huis
plaatsvindt.
Huishoudens verschillen niet alleen naar de wijze waarop zij hun tijd en geld wensen te
besteden, maar ook naar de mate waarin beide hulpbronnen beschikbaar zijn. De beschik-
baarheid van tijd en geld hangt nauw samen met de arbeidsparticipatie van de volwassenen
in het huishouden. Het geldbudget neemt toe en de hoeveelheid vrije tijd af met het aantal
volwassenen in het huishouden dat betaald werk verricht. Een structureel tijdgebrek treffen
we vooral bij huishoudens waarin elke volwassene een (voltijds) betaalde baan heeft, zoals
werkende alleenwonenden, eenoudergezinnen met betaald werk en tweeverdieners met en
zonder kinderen. Bij het grote belang dat sommige van deze huishoudens toekennen aan de
nabijheid van voorzieningen, speelt de behoefte aan tijdsbesparing een belangrijke rol (Vijgen
en Van Engelsdorp Gastelaars, 1986). Een deel van de ouderen en andere huishoudens
zonder betaald werk hebben juist veel vrije tijd en relatief weinig geld. Zij zullen meer
nadruk leggen op financieel voordeel dan op tijdsbesparing.
Uit het voorgaande blijkt dat de variabele leefstijl , geoperationaliseerd als de beschikbaarheid
en besteding van tijd en geld, nauw samenhangt met bepaalde huishoudenskenmerken.
Verschillende onderzoekers gebruiken de variabele leefstijl niet als aanduiding voor
'onzichtbare' verschillen tussen qua overige kenmerken gelijke huishoudens, maar
beschouwen de leefstijl als afgeleide van een aantal objectieve huishoudenskenmerken. Zij
onderscheiden bijvoorbeeld traditionele en nieuwe typen huishoudens. Voorbeelden van
nieuwe typen zijn tweeverdieners met of zonder kinderen, baanloze huishoudens en part-time
werkenden met i!en relatief hoge opleiding. Een traditioneel type is het huishouden met één
fulltime werkende en één verzorgende partner. Deze typen verschillen naar beschikbaarheid
en besteding van tijd en geld, hetgeen leidt tot verschillende wensen ten aanzien van bij-
voorbeeld het bezuinigen op huishoudelijke activiteiten, het uitbesteden van taken en thuis-
werken (Van der Werf, 1989). De leefstijl wordt dus geacht niet alleen relevant te zijn voor
woonmilieuvoorkeuren, maar ook voor voorkeuren ten aanzien van kenmerken van de
woning zelf.
In de Woonatlas van de voormalige Bouw- en Woningdienst Amsterdam wordt het begrip
leefstijl op een wat andere wijze ingevuld. Er worden maar liefst veertien 'lifestyles' en bij-
behorende woonprograrnma' s onderscheiden (Oostenbrink et al., 1991). De lifestyles blijken
gebaseerd op de volgende zes dimensies: aantal leden van het huishouden, leeftijd van de
verschillende leden, deelname aan het arbeidsproces, inkomen, al of niet thuiswerken en
nadruk op individualiteit of gemeenschappelijkheid binnen het huishouden. Een voorbeeld van
een woonprogramma is de superhat, een HAT-eenheid met een hoog voorzieningenniveau,
waaronder een 'high tech' keuken en -sanitair. Bij dit woonprogramma behoort een een- of
tweepersoonshuishouden met betaald werk buitenshuis en weinig tijd voor huishoudelijke
rompslomp.
De dimensie 'nadruk op individualiteit of gemeenschappelijkheid' zijn we nog niet eerder zo
duidelijk tegengekomen, hoewel het belang ervan voor woonvoorkeuren evident is. De
dimensie is des te interessanter gezien de tegengestelde bewegingen die momenteel zijn waar
te nemen. Enerzijds viert de individualisering, ook binnen huishoudens, hoogtij .
29
Anderzijds neemt een verschijnsel als groepswonen onder jongeren en ouderen juist in
omvang toe (CBS, 1994).
In het dagelijks spraakgebruik wordt het begrip leefstijl ook wel in verband gebracht met de
etnische herkomst van huishoudens. Verschillende culturele achtergronden leiden immers tot
bepaalde leefgewoonten. In grootschalige woonwensenonderzoeken wordt de variabele etnici-
teit zelden meegenomen, noch in relatie tot de leefstijl, noch als apart huishoudenskenmerk.
Priemus et al. (1995) doen dat wel in hun onderzoek in het Rijnmondgebied, waar relatief
veel etnische minderheden wonen. Deze onderzoekers concluderen dat de woonwensen en
woonaspiraties van migranten minstens even sterk variëren als die van Nederlanders.
De feitelijke woonsituatie van veel allochtonen verschilt van die van de gemiddelde
Nederlander (FSOW, 1996). Allochtonen bewonen relatief meer flats en etagewoningen. Het
zijn meestal huurwoningen met een laag uitrustingsniveau. Ondanks de gemiddeld grotere
huishoudensgrootte bewonen allochtonen kleinere woningen. Dit heeft te maken met hun
gemiddeld lage inkomen, maar ook met een ander bestedingspatroon, waarin het wonen een
minder belangrijke plaats lijkt in te nemen.
Uit enkele ontwerp-experimenten blijkt, dat de eerste generatie Turken en Marokkanen in
Nederland een aantal specifieke wensen heeft ten aanzien van de indeling van de woning.
Deze zijn bepaald door de Islamitische cultuur. Vertrekken moeten voor mannen en vrouwen
afzonderlijk bereikbaar zijn, zodat hun activiteiten gescheiden kunnen plaatsvinden. Privacy
in alle ruimten is belangrijk. De keuken moet groot zijn en afgesloten van de woonkamer.
Dit is het vrouwendomein, waar wordt gegeten en dat als bergruimte dient. Ten slotte stelt
men een scheiding van de badkamer en het toilet op prijs.
De woonwensen van Surinamers en Antillianen lijken meer op die van Nederlanders. Ook
de tweede en derde generatie Turken en Marokkanen in ons land hebben meer 'verweste-
lijkte' woonvoorkeuren. Zij spreken de Nederlandse taal, hechten in het algemeen minder
waarde aan de cultuur van hun voorouders en willen graag integreren in de Nederlandse
samenleving. In tegenstelling tot hun (groot-)ouders lijken zij zich bij voorkeur niet te
vestigen in buurten met veel buitenlanders, maar in een gewone Nederlandse woning in een
gewone Nederlandse buurt (FSOW, 1996).
Bovenstaande bevindingen zijn afkomstig uit kleinschalige onderzoeken. In de (grootschalige)
onderzoeksrapporten die voor dit onderzoek zijn bestudeerd, ontbreken gegevens over de
etnische herkomst van respondenten. Om die reden wordt in dit onderzoek verder niet
afzonderlijk stilgestaan bij woonvoorkeuren van allochtonen.
2.3.4 Bewonerspreferenties in relatie tot huishoudenskenmerken
De literatuurstudie die Van der Werf (1989) verrichtte naar bewonerspreferenties, onder-
scheidt zich van eerder genoemde studies door de gedetailleerdheid waarmee kenmerken van
huishoudens zijn onderzocht. Van der Werf hanteert een activiteitenbenadering. Haar uit-
gangspunt is, dat wensen en voorkeuren van huishoudens met betrekking tot de kwaliteit van
woningen samenhangt met het aantal en soort activiteiten dat huishoudens in een woning
moeten of willen kunnen uitoefenen. Naast de te verrichten activiteiten zijn bijbehorende
voorwaarden en attributen bepalend voor de woonwensen. Voorwaarden zijn de condities
waaronder huishoudens hun activiteiten optimaal menen te kunnen ontplooien en attributen
zijn de voor het uitoefenen van de activiteiten benodigde materiële goederen. Haar
opsomming van huishoudenskenmerken is op dit uitgangspunt afgestemd. Zij streeft naar een
30
indeling via kenmerken die onderscheidend zijn voor een specifieke manier van leven, omdat
juist de manier van leven specifieke activiteiten, voorwaarden en attributen van huishoudens
weerspiegelt. Van der Werf onderscheidt interne en externe huishoudenskenmerken. Interne
kenmerken typeren de structuur van het huishouden en externe kenmerken houden verband
met de relaties die het huishouden met de buitenwereld onderhoudt.
Van der Werf noemt vier relevante interne kenmerken. Het eerste is het al of niet zorg
dragen voor afhankelijke kinderen. De zorg voor kinderen vraagt om aanwezigheid van en
verzorging door volwassenen in het huishouden. Ook bepaalt het al of niet aanwezig zijn van
afhankelijke kinderen voor een groot deel de verschillen in welvaart tussen huishoudens,
hetgeen ook weer invloed uitoefent op de woonvoorkeuren. Als leeftijdsgrens bij 'zorg voor
afhankelijke kinderen' hanteert zij 18 jaar.
Het tweede kenmerk is de leeftijd van de leden van het huishouden. Net zo goed als de .
leeftijd van het hoofd zijn de leeftijden van de overige leden van het huishouden van belang
voor de woonwensen. Daarnaast is de leeftijd een indicatie voor de hoeveelheid tijd die de
verschillende leden per dag in de woning doorbrengen. Vanwege een gebrek aan empirische
gegevens, beperkt zij zich in haar theoretische model tot de leeftijd van het hoofd van het
huishouden.
Het derde kenmerk is het aantal personen in een huishouden. Dit bepaalt vooral het aantal
activiteiten dat tegelijkertijd in een woning moet kunnen worden verricht, alsmede de
bijbehorende voorwaarden.
Het vierde relevante kenmerk is de sexe. Sexe-specifieke kenmerken zijn volgens Van der
Werf van belang voor de (voorwaarden voor) activiteiten in en rond een woning. Omdat
hierover nauwelijks empirische gegevens zijn, neemt zij de sexe niet als variabele op in haar
theoretisch model.
Van der Werf heeft de volgende externe huishoudenskenmerken op hun relevantie voor
woonwensen onderzocht: inkomen, inkomensperspectieven, inkomensbronnen, beroep,
opleiding en leefstijl. In haar model neemt zij alleen de externe kenmerken op die recht doen
aan de specifieke positie van groepen huishoudens en aan de perspectieven die voor huis-
houdens open (kunnen) staan. Dit zijn er vier. Allereerst noemt zij de hoogte van het
inkomen als graadmeter voor hetgeen voor een bepaald huishouden op een bepaald tijdstip
realiseerbaar is. De tweede is de bron van inkomsten als graadmeter voor de inkomens-
perspectieven van een huishouden qua arbeid en sociale zekerheid. De derde is de
mogelijkheid om extra inkomensbronrien te verwerven en de vierde de leefstijl. De leefstijl
is volgens Van der Werf op te vatten als een aan groepen toe te schrijven verschil op de
variabelen lengte van de werkweek voor wat betreft betaalde arbeid, aantal werkenden in een
huishouden en de opleiding. Ook culturele factoren die leiden tot een constateerbaar verschil
in activiteiten en woonwensen vallen onder dit begrip.
31
In figuur 2. 1 is aangegeven hoe Van der Werf de relaties tussen huishoudenskenmerken en
woonwensen in kaart heeft gebracht.
Figuur 2. 1: Bewonerspreferenties volgens Van der Werf
,
Huishoudenskenmerken
Interne kenmerken
• aantal leden van een
huishouden
r---
• zorg voor afhankelijke
kinderen
• leeftijd hoofd van een
huishouden
Externe kenmerken
• hoogte inkomen
- bron van inkomsten
- mogelijkheid om meer
dan één inkomsten-
bron te verwerven
-leefstijl
,
Demografische
factoren
Sociaal·economische
factoren
Sociaal-culturele
factoren
Referentiehuishoudens:
• Ouderen
(één of twee persoons)
• Eénouder huishoudens
met zorg voor kinderen
·Eénpersoonshuishou·
dens jon3;er dan 29 jaar
• ieners hui·
houdens zonder/met
zorg voor kinderen
('nieuw type huishoud: )
• Twee·ouderhuishoudens
met één kostwinner en
zorg voor kinderen
('traditioneel gezin')
- Huishoudens met meer
dan twee volwassenen
(woongroep)

Distri utie
Bron: Van der Werf (1989, p.79)
Woonwensen
, Voorwaarden m.b.1. activi.,
teiten (anders dan via
-
regelgeving vastgelegd)
I
Activiteiten in en
,
rond de woning
,
Attributen I.b.v. activi·
J
teiten in en rond de
woning
t
Volgens dit schema oefenen demografische, sociaal-economische en sociaal-culturelefactoren
invloed uit op zowel de kenmerken van huishoudens als op hun woonwensen. Dit is in
overeenstemming met de in subparagraaf 2.3.2 beschreven ontwikkelingen.
De huishoudenskenmerken die Van der Werf uiteindelijk in haar schema opneemt, verschillen
niet zoveel van de huishoudenskenmerken die gewoonlijk bij woonvoorkeurenonderzoek
worden meegenomen. De relevantie van haar onderscheid tussen interne en externe
huishoudenskenmerken is daarbij niet erg duidelijk. In mijn conceptueel model sluit ik wat
de huishoudenskenmerken betreft gedeeltelijk bij Van der Werf aan, door de variabelen
aantal leden, zorg voor afhankelijke kinderen, leeftijd en leefstijl over te nemen.
32
Van der Werf gebruikt maar liefst drie variabelen om de arbeidsmarktpositie van huishoudens
te beschrijven. Zij dicht zowel het huidige inkomen als het inkomensperspectief een
belangrijke rol toe bij het tot stand komen van woonwensen. Ik neem de inkomenspositie niet
op deze plaats op in het model, omdat ik het inkomen en het inkomensperspectief primair
beschouw als beperkende randvoorwaarden. Deze bepalen in hoge mate in hoeverre woon-
wensen gerealiseerd kunnen worden en het dus reële woonvoorkeuren zijn (paragraaf 2.5).
Voorts veronderstel ik dat niet alleen het inkomensperspectief, maar ook de verwachtingen
ten aanzien van de andere huishoudenskenmerken een rol spelen bij de woonvoorkeuren.
Mensen betrekken een woning in het algemeen voor een relatief lange periode en zullen dus
rekening houden met te verwachten ontwikkelingen in het huishouden. Ouderen die
verwachten in de toekomst minder vitaal en afhankelijk te worden van zorgvoorzieningen,
zien bijvoorbeeld alvast uit naar een kleinere woning in een buurt met een hoog voorzienin-
genniveau. Een ander voorbeeld zijn jonge tweepersoonshuishoudens, die met een voorkeur
voor een eengezinswoning met vier of vijf kamers alvast anticiperen op de aanwezigheid van
kinderen in het huishouden. Evenals een perspectief ten aanzien van het aantal leden, kunnen
dus ook een leefstijlperspectief en een leeftijdsperspectief worden onderscheiden. Het leef-
tijdsperspectief is een belangrijke indicator voor de te verwachten ontwikkelingen ten aanzien
van de andere huishoudenskenmerken.
Zoals eerder aangegeven gaat Van der Werf er vanuit dat woonwensen van huishoudens tot
stand komen via noodzakelijke en gewenste activiteiten, attributen en voorwaarden voor
activiteiten. Ik hanteer het uitgangspunt dat bewoners daarnaast ook woonwensen hebben die
niet zijn gebaseerd op activiteiten, attributen of voorwaarden. Wensen kunnen gebaseerd zijn
op algemene behoeften, zoals bijvoorbeeld aanzien of afwisseling. Daarnaast kunnen mensen
voorkeur hebben voor bepaalde woningkenmerken omdat zij die van huis uit gewend zijn (zie
paragraaf 2.4) .
De huishoudenskenmerken beïnvloeden de woonwensen in het schema van Van der Werf
langs twee wegen, namelijk via het blok 'referentiehuishoudens' en via het blok 'woning-
markt distributie'.
De zes referentiehuishoudens zijn voorbeelden van veelvuldig voorkomende typen
huishoudens en van huishoudens die representanten lijken van nieuwe ontwikkelingen.
Hoewel op basis van de genoemde zeven huishoudenskenmerken veel meer huishoudenstypen
te onderscheiden zijn, beperkt Van der Werf zich in haar onderzoek bewust tot deze zes veel
voorkomende of in opkomst zijnde typen. Hun woonvoorkeuren zijn voor de praktijk het
meest interessant. Het werken met typen huishoudens als intermediërende variabele tussen
huishoudenskenmerken en woonwensen heeft als belangrijk voordeel, dat woonwensen zoals
die blijken uit empirisch onderzoek niet aan de afzonderlijke huishoudenskenmerken
behoeven te worden toegeschreven. Theoretisch gezien is het echter niet wenselijk om het
huishoudenstype als intermediërende variabele tussen huishoudenskenmerken en woonwensen
te beschouwen. Woonwensen komen immers rechtstreeks voort uit bepaalde huishoudens-
kenmerken of combinaties van enkele huishoudenskenmerken. Daarbij doen de referentie-
huishoudens als intermediërende variabele geen recht aan het gegeven dat verschillende
kenmerken van een huishouden tot conflicterende woonwensen kunnen leiden. In dit onder-
zoek wil ik juist proberen aan te geven welke huishoudenskenmerken de wensen in welke
richting sturen en hoe het huishouden omgaat met eventueel conflicterende woonwensen.
33
Het blok 'woningmarkt distributie' als intermediërende variabele tussen huishoudenskenmer.-
ken en woonwensen geeft de rol aan die het beschikbare aanbod op de woningmarkt speelt
bij het tot stand komen van woonwensen. Huishoudens uiten hun woonwensen volgens Van
der Werf binnen en naar aanleiding van een beperkte handelingsruimte. Dit betekent dat
huishoudens hun woonwensen afstemmen op de mogelijkheden die zij zien om deze te
realiseren. In paragraaf 2.5 wordt nader stilgestaan bij dit spanningsveld tussen wensen en
mogelijkheden.
2.3.5 Huishoudenskenmerken in relatie tot algemene behoeften
Aan het einde van paragraaf 2.2 is aangegeven dat Driessen en Beereboom (1983) de
volgende zes 'algemeen nuttig geachte zaken' onderscheiden, die een rol kunnen spelen bij
het tot stand komen van woonvoorkeuren: primaire behoeften vervullen, financieel voordeel
bieden, sociaal contact vergemakkelijken, afwisseling bieden, aanzien geven en tijdsbesparing
opleveren.
Driessen en Beereboom hebben aan hun respondenten een aantal woning- en woonomgevings-
kenmerken voorgelegd die aan deze behoeften gerelateerd zijn. Zo hebben zij bepaald in
hoeverre het belang van de verschillende behoeften verschilt naar huishoudensfase en naar
inkomen. Zij onderscheiden de volgende zeven fasen in de levenscyclus:
1. jong, alleenstaand;
2. jong, gehuwd zonder kinderen;
3. gehuwd met kleine kinderen;
4. gehuwd met alle kinderen thuiswonend;
5. gehuwd met enkele kinderen uit huis;
6. gehuwd met alle kinderen uit huis;
7. oudere alleenstaanden.
Het belang van het vervullen van primaire behoeften neemt toe tot aan de derde fase, om
vervolgens weer af te nemen. Oudere alleenstaanden hechten hieraan beduidend minder
waarde dan alle andere huishoudens. Het belang van financieel voordeel maakt een tegen-
gestelde ontwikkeling door. Huishoudens aan het begin en vooral aan het einde van de
levenscyclus kennen hieraan meer belang toe dan gezinshuishoudens. Dit betekent dat
elementaire woonbehoeften bij deze huishoudens soms moeten wijken voor de beperkte
financiële mogelijkheden. De behoefte aan sociaal contact in de woonomgeving neemt
volgens Driessen en Beereboom toe met de leeftijd. Naarmate mensen ouder worden, zijn
zij voor hun sociale contacten meer gericht op de woonomgeving. De behoefte aan
afwisseling is wat groter voor jongeren dan voor ouderen. Wat de behoefte aan aanzien
betreft zijn de verschillen gering. Alleen oudere alleenstaanden hechten hier wat meer waarde
aan. Tijdbesparende aspecten ten slotte zijn volgens dit onderzoek in geen enkele huis-
houdensfase van groot belang.
Driessen en Beereboom onderscheiden op basis van het netto gezinsinkomen, het onderwijsni-
veau en het beroepsniveau een vijftal sociaal-economische categorieën. De relaties van de
'algemeen nuttig geachte zaken' met de sociaal-economische posities van de huishoudens zijn
minder sterk dan die met de huishoudensfasen. Het belang van het vervullen van primaire
behoeften neemt toe met het inkomen, dit in tegenstelling tot hetgeen op grond van de
34
behoeftenhiërarchie van Maslow verwacht mocht worden. Het dalen van de behoefte aan
financieel voordeel met het stijgen van de sociaal-economische positie is wel geheel volgens
de verwachting. De behoefte aan sociaal contact in de woonomgeving daalt niet-significant
met het stijgen van de sociaal-economische positie, terwijl de behoefte aan afwisseling juist
niet-significant stijgt met de sociaal-economische positie. De behoefte aan aanzien daalt niet-
significant bij het stijgen van de sociaal-economische positie, hetgeen ook weer in tegen-
spraak is met de behoeftentheorie van Maslow. De behoefte aan tijdsbesparing stijgt
significant met de sociaal-economische positie.
De 'algemeen nuttig geachte zaken' blijken in redelijk sterke mate samen te hangen met de
huishoudensfase en in mindere mate met de sociaal-economische positie van huishoudens. Dit
betekent, dat huishoudenskenmerken niet alleen rechtstreeks, maar ook via de algemene
behoeften de woonwensen kunnen beïnvloeden.
2.4 Woonervaring
Zoals is de vorige paragraaf betoogd, zijn verschillen tussen woonwensen voor een groot deel
terug te voeren op verschillen in huishoudenskenmerken. Daarnaast zorgen verschillende
ervaringen met woonsituaties voor verscheidenheid in woonwensen van huishoudens en van
de verschillende leden van een huishouden.
Op basis van de jeugd- en vorige woonsituaties van de leden van het huishouden worden
bepaalde ideeën gevormd over wat wonen is. Iemand die in een grote, vrijstaande villa is
opgegroeid zal anders over wonen denken dan iemand die als lid van een groot gezin in een
gehorige flatwoning geleerd heeft ruimte en voorzieningen te delen en zich aan geluidshinder
tussen aangrenzende woningen aan te passen.
Op vergelijkbare wijze als de woongeschiedenis van de leden van het huishouden, speelt ook
de huidige woonsituatie een belangrijke rol bij de woonvoorkeuren. Daarnaast geeft de
huidige woonsituatie aan hoever de wooncarrière gevorderd is en wat een logische volgende
stap zou zijn. Volgens Burie (1972) zijn vooral (extreme) satisfacties en dis satisfacties met
de huidige woonsituatie van belang voor de woonvoorkeuren. Dit betekent dat men bij het
zoeken naar een andere woning in het bijzonder let op de woningkenmerken die in de huidige
woning zeer positief of juist negatief scoren.
Naast de eigen woongeschiedenis en de huidige woonsituatie is de referentiegroep van belang
voor de beeldvorming van het huishouden over het wonen. De referentiegroep is te definiëren
als de groep waaraan een persoon zich in gedrag en houding oriënteert, waaraan hij zijn
referentiekader ontleent (De Jager en Mok, 1983). De referentiegroep is dus van grote
invloed op de normen en waarden van een individu of huishouden. Het kan een groep zijn
waartoe men zelf behoort, maar ook een groep waartoe men graag zou willen behoren. Door
communicatie met leden van de referentiegroep, zoals familie, vrienden en kennissen, worden
ideeën over het wonen gevormd. Ook beïnvloedt de referentiegroep de woonwensen doordat
het individu of het huishouden de woonsituatie van leden van de referentiegroep waarneemt
en de eigen woonsituatie daar bewust of onbewust mee vergelijkt.
35
Machielse (1989) beschrijft naar aanleiding van een onderzoek onder huishoudens die naar
de binnenstad van Rotterdam of naar omliggende forensengemeenten zijn verhuisd, hoe de
woongeschiedenis, de huidige situatie en de referentiegroep een rol spelen in het vestigings-
gedrag van forensen. Huishoudens die in een niet al te ver verleden goede ervaringen hadden
opgedaan met het wonen in de grote stad, probeerden hun woonwensen aanvankelijk opnieuw
binnen de grote stad te realiseren. Huishoudens die geen of slechte en vaak ook kortstondige
ervaringen hadden opgedaan met het wonen in de stad richtten zich onmiddellijk op lokaties
buiten de stad. De meesten wezen Rotterdam af op grond van het naar hun mening slechte
woonklimaat. De huishoudens zonder grote-stads-ervaring hadden zich hun (voor)oordeel niet
gevormd op basis van eigen woonervaringen, maar op basis van informatie van anderen.
Huishoudens die zich op lokaties buiten de stad richtten, bekeken in eerste instantie de hen
bekende gebieden in de regio. Kende men de regio niet, dan ging de voorkeur uit naar een
gemeente die zoveel mogelijk met de vorige woonplaats overeenkwam, zeker indien men daar
langdurig en met veel plezier gewoond had. Machielse concludeert dat huishoudens in eerste
instantie op basis van hun leefstijl bepalen waar zij de gewenste woning gaan zoeken. Als de
woonwensen zeer specifiek zijn, zoals bij huishoudens die in de omgeving van grootstedelijke
voorzieningen willen wonen, dan is daarmee ook meteen het zoekgedrag bepaald. Indien
echter de woonwensen meer keuzemogelijkheden openlaten, domineert de woongeschiedenis.
Dat de woonervaring een belangrijke rol kan spelen bij woonvoorkeuren, blijkt ook uit het
proces van 'urban conditioning' of stedelijke socialisatie, dat op kan treden bij jongeren die
vanuit een suburbaan woonmilieu naar de grote stad verhuizen vanwege hun studie. Deze
jongeren leren de stad kennen en een deel van hen gaat de binnenstad als woonplek
waarderen (Machielse, 1989). Jongeren daarentegen die in een suburbaan woonmilieu zijn
opgegroeid en geen reden hebben om zich in een stad te vestigen, zoeken hun eerste
zelfstandige woonruimte veelal in het suburbane woonmilieu waaraan zij gewend zijn geraakt.
2.5 Handelingsruimte
In het voorgaande is aangegeven, dat woonwensen gevormd worden onder invloed van
algemene behoeften, huishoudenskenmerken en verwachtingen daarover, alsmede de indivi-
duele woonervaring. De zo gevormde woonwensen hebben het karakter van een subjectief
ideaalbeeld. Priemus (1984) definieert het subjectieve ideaalbeeld als ' het huis of het woning-
aspect dat het huishouden ideaal acht, gezien zijn specifieke omstandigheden, ongeacht het
woningaanbod en ongeacht het kostenniveau' . De wensen zijn met andere woorden nog niet
gerelateerd aan de mogelijkheden die het huishouden op de woningmarkt heeft.
De woonwensen die huishoudens koesteren binnen hun beperkte handelingsruimte en
waarnaar zij dus metterdaad streven, vormen het aspiratiebeeld. Priemus (1984) definieert
het aspiratiebeeld als 'de woning of het woningaspect welke het huishouden binnen het kader
van het aanbod van woningen op de voor het huishouden interessante woningmarkt in de door
het huishouden bereikbare prijsklasse ideaal acht, gezien zijn specifieke omstandigheden'.
De handelingsruimte die huishoudens hebben om hun woonwensen te realiseren wordt
beperkt aan zowel de vraag- als de aanbodzijde.
Aan de vraagzijde is de inkomenspositie van het huishouden een belangrijke beperkende
factor. Hoe hoger het inkomen van een huishouden en hoe beter en zekerder het inkomens--
36
perspectief, hoe meer mogelijkheden het huishouden in principe heeft om zijn woonwensen
te realiseren. Naarmate men meer aan wonen kan en wil besteden, nemen de keuzemogelijk-
heden zowel qua prijsklasse als qua eigendomssituatie toe. De prijsklasse heeft in het
zoekproces in eerste instantie het karakter van een harde randvoorwaarde (Van Kempen et
al., 1994). Alleen woningen die het huishouden als betaalbaar beschouwt, worden in het
afwegingsproces betrokken. Binnen de grenzen van de betaalbaarheid wegen woon-
consumenten de prijs van het wonen af tegen hetgeen de woning te bieden heeft in termen
van ruimte, voorzieningen en comfort. Daarbij kan een hogere kwaliteit tot op zekere hoogte
een hogere prijs compenseren (Kuylen, 1980). De prijs van het wonen is dan ook geen
onderdeel van de woningkwaliteit, maar staat hier tegenover (Van Wijk et al., 1989). Het
is in principe onzin om te spreken van gewenste woonlasten. Woonconsumenten die zeggen
een duurdere woning te wensen, bedoelen daarmee dat ze voorkeur hebben voor een
kwalitatief betere woning of woonomgeving. Deze wens gaat gepaard met hogere woonlasten.
Deze zijn in dit geval ondergeschikt aan het belang dat men toekent aan betere kwaliteit. Hier
tegenover staan huishoudens met minimuminkomens, die zo min mogelijk aan wonen kunnen
en willen uitgeven. Lage woonlasten zijn voor hen een harde randvoorwaarde. Binnen het
voor wonen beschikbare budget trachten deze huishoudens zoveel mogelijk kwaliteit te
realiseren. Vaak zijn deze huishoudens genoodzaakt een lagere kwaliteit te accepteren dan
waaraan behoefte bestaat. In figuur 2.2 is schematisch weergegeven hoe het belang dat huis-
houdens toekennen aan de woonlasten resp. de kwaliteit van de woning samenhangt met de
inkomenspositie.
Figuur 2.2: De prijs/kwaliteitsverhouding in relatie tot het inkomen
Inkomen_
Het inkomen en het inkomensperspectief bepalen, naast het budget dat voor het wonen
beschikbaar is, ook de toegankelijkheid van de koopsector. De handelingsruimte van
eigenaar-bewoners is groter dan die van huurders, omdat de eersten in het algemeen meer
vrijheid hebben om de woning aan te passen aan de eigen wensen.
37
Dit laat onverlet dat er een groep huishoudens is die, ondanks hoge inkomens en gunstige
inkomensperspectieven, de voorkeur geeft aan huren boven kopen. Hiertoe behoren met name
alleenwonende werkenden en ouderen. Deze huishoudens kennen veel belang toe aan vrijheid
om te verhuizen enJof het niet behoeven verrichten van onderhoud. Ook financiële zekerheid
kan een argument zijn om te huren (Elsinga, 1995).
Naast het inkomen en het inkomensperspectief beperkt ook de gebondenheid van het huis-
houden aan een bepaald gebied de mogelijkheden om de woonwensen te realiseren. Veel
huishoudens zijn aan een bepaalde regio gebonden vanwege hun werk. Maar ook gehechtheid
aan een streek of stad of zelfs een bepaalde buurt beperkt het aantal lokaties dat in
aanmerking komt.
In het verlengde van de beperkingen aan de vraagzijde liggen de beperkingen aan de aanbod-
zijde. Binnen het woningmarktgebied en de prijsklasse waarin het huishouden zijn woon-
wensen wil realiseren, is het beschikbare aanbod en de diversiteit daarvan beperkt.
Woonconsumenten passen hun woonwensen tot op zekere hoogte aan aan hetgeen op het voor
hen interessante deel van de woningmarkt beschikbaar is. In bijvoorbeeld Limburg of de
Achterhoek wensen veel mensen een woning die het daar alom aanwezige ideaal van de vrij-
staande eengezinswoning in de koopsector zo dicht mogelijk benadert . In een stad als
Amsterdam spreken flatwoningen veel meer mensen aan dan in landelijke gebieden.
Naast het feitelijk beschikbare aanbod speelt ook informatie hierover een belangrijke rol.
Indien huishoudens niet goed geïnformeerd zijn, is de kans groot dat hun geperceptieerde
mogelijkheden ver afwijken van de mogelijkheden die zij daadwerkelijk hebben.
Soms is de toegankelijkheid van de woningmarkt beperkt, doordat bepaalde toewijzingsregels
gelden. In de sociale huursector gelden bijvoorbeeld, los van de woonwensen, regels over
de huurprijs in relatie tot het inkomen en over de grootte van de woning in relatie tot de
grootte van het huishouden.
Het subjectieve ideaalbeeld wordt dus onder invloed van de beperkende factoren inkomen,
inkomensperspectief, gebondenheid aan een bepaald gebied, beschikbaar aanbod, informatie
en toewijzingsregels omgevormd tot een aspiratiebeeld.
Omwille van de duidelijkheid is het goed om het subjectieve ideaalbeeld en het aspiratiebeeld
zorgvuldig van elkaar te scheiden. Aan dit onderscheid zijn evenwel beperkingen verbonden.
Allereerst worden beide woonbeelden in werkelijkheid niet zo volgtijdelijk gevormd als in
het voorgaande gesuggereerd en zijn zij niet zo zuiver van elkaar te scheiden. Zonder zich
bewust op de woningmarkt georiënteerd te hebben, hebben woonconsumenten vaak al een
idee van hetgeen zij daar zullen aantreffen. De eigen woonervaring alsmede informatie van
de referentiegroep en andere bronnen spelen daarbij een belangrijke rol. De initiële woon-
wensen worden mede op basis van deze kennis gevormd. Daarnaast is het subjectieve ideaal-
beeld in elk geval gerelateerd aan hetgeen huishoudens om zich heen zien aan mogelijke
woonsituaties. Woonconsumenten wensen in het algemeen geen woningkenmerken waarvan
zij nooit hebben gehoord. Zij formuleren hun behoeften in termen van het bekende.
Naast de meervoudigheid van het aspiratiebeeld en het subjectieve ideaalbeeld noemt Priemus
(1984) nog een aantal beperkingen van dit begrippenpaar. Belangrijk zijn de vaagheid en de
veranderlijkheid van beide woonbeelden. Indien mensen gevraagd wordt om een subjectief
ideaal- of aspiratiebeeld te formuleren, is dat geheel vrijblijvend en afhankelijk van hun
gemoedstoestand. Vooral het aspiratiebeeld is aan verandering onderhevig.
38
De belangrijkste gedachtengang achter het onderscheid tussen subjectief ideaalbeeld en
aspiratiebeeld staat desondanks als een paal boven water: naarmate huishoudens zich meer
bewust zijn van hun eigen beperkingen en zich meer hebben georiënteerd op hun mogelijk-
heden op de woningmarkt, neemt het realiteitsgehalte van de woonwensen toe.
2.6 Prioriteiten
Volgens de definitie van Priemus kan het aspiratiebeeld betrekking hebben op een bepaald
woningkenmerk of op de woning als geheel. Het vormen van een aspiratiebeeld ten aanzien
van de woning als geheel brengt met zich mee, dat de wensen ten aanzien van de afzonder-
lijke woningkenmerken met elkaar gecombineerd moeten worden. Een aspiratiebeeld mag
uiteraard geen tegenstrijdige woonwensen bevatten. Wie bijvoorbeeld een flatwoning met een
wijds uitzicht wenst, kan geen bij deze woning aansluitende tuin aspireren. Daarnaast
veronderstelt het vormen van een aspiratiebeeld een zekere afweging van de belangen die
men aan de afzonderlijke woonwensen toekent.
Bij het stellen van prioriteiten spelen verschillende factoren een rol. In het algemeen kunnen
mensen zich uiteraard meer harde eisen permitteren naarmate er meer ruimte is op de
woningmarkt. Daarbij speelt naast de regio ook het inkomen een belangrijke rol. In het
algemeen is de woningmarkt voor hogere inkomensgroepen ruimer dan voor huishoudens met
een laag inkomen.
Als mensen verhuisgeneigd zijn, is de reden om te verhuizen van invloed op de hardheid van
de woonwensen. Mensen die verhuizen vanwege de woonsfeer zijn het meest veeleisend;
mensen die over grote afstand verhuizen vanwege de werksfeer op korte termijn het minst.
De hardheid van de eisen van mensen die om de persoonlijke sfeer verhuizen, dat wil zeggen
vanwege (veranderingen in) het huishouden, varieert sterk (Priemus, 1984).
Ook een hogere leeftijd leidt tot meer harde eisen (Van Kempen et al., 1994). Dat is niet
verwonderlijk. Ouderen hebben de top van hun wooncarrière bereikt en zijn daarom weinig
verhuisgeneigd. Dit betekent dat de nieuwe woning ten opzichte van de huidige woonsituatie
een hele verbetering moet inhouden. Men is daarbij weinig geneigd om concessies te doen.
Huishoudens die helemaal aan het begin van hun wooncarrière staan doen aanmerkelijk
gemakkelijker water bij de wijn. Bij het realiseren van de voor velen van hen belangrijkste
woonwens, te weten het verlaten van het ouderlijk huis, hebben zij immers weinig te
verliezen. Daarbij speelt ook een rol, dat starters op de woningmarkt er vaak vanuit gaan dat
zij slechts een beperkt aantal jaren in hun eerste woning zullen doorbrengen en zich daardoor
gemakkelijker aanpassen.
Huishoudenskenmerken zijn ook van invloed op de belangenafweging van de verschillende
woonwensen onderling. Uit onderzoek naar woonmilieuvoorkeuren is bijvoorbeeld bekend,
dat veel huishoudens met kinderen prioriteit toekennen aan de verblijfkwaliteiten van de
woning en woonomgeving, terwijl drukbezette tweepersoonshuishoudens en vooral alleen-
staanden nogal eens prioriteit geven aan de locatie van de woning ten opzichte van stedelijke
voorzieningen (Droogleever Fortuijn, 1993; Vijgen en van Engelsdorp Gastelaars, 1986).
Het ligt voor de hand dat ook de woonervaring invloed uitoefent op de belangenafweging.
39
Daarnaast zijn volgens de hiërarchische behoeftentheorie van Maslow algemene behoeften
van invloed op de prioriteitsstelling. Aan woningaspecten waarmee wordt voorzien in
behoeften die op een bepaald moment manifest zijn, wordt volgens deze theorie meer belang
toegekend dan aan woningaspecten die voorzien in lagere of hogere behoeften.
Verondersteld kan worden dat naast de eerder genoemde factoren ook de veranderbaarheid
van woningkenmerken van invloed is op het belang dat eraan wordt toegekend (Van Wijk et
al., 1989). Hoe gemakkelijker bewoners een bepaald woningkenmerk aan hun eigen wensen
kunnen en mogen aanpassen, hoe minder prioriteit zij zullen toekennen aan het reeds
aanwezig zijn van dit kenmerk bij het betrekken van de woning.
Verder speelt de schaarste van woningkenmerken een rol in de prioriteitsstelling. De SAR
(1989) zet uiteen, hoe het belang van een woningkenmerk voor de waardering van de
woonsituatie toeneemt naarmate de eigenschap meer afwijkt van het als normaal beschouwde
prestatieniveau. Dit geldt zowel in positieve als in negatieve zin.
Op het moment dat een eigenschap haar maximale prestatieniveau heeft bereikt en men er
in brede maatschappelijke lagen vertrouwd mee is geraakt, neemt het belang van die
eigenschap voor de waardering van de totale woonsituatie af. De invloed ervan kan dan
alleen nog maar variëren tussen neutraal en negatief. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de
riolering: een goed werkende riolering is vanzelfsprekend, een slecht werkende riolering leidt
tot grote ergernis. De aanwezigheid van bijvoorbeeld centrale verwarming is misschien nog
niet geheel vanzelfsprekend, maar in elk geval niet meer schaars genoeg om op grote schaal
positief aan de woningwaardering bij te dragen. Woningkenmerken waarvan de waardering
slechts kan variëren tussen neutraal en negatief, worden ook wel dissatisfiers genoemd.
Mensen zijn niet bijzonder tevreden wanneer ze erover beschikken, maar wel ontevreden als
deze kenmerken ontbreken. De vanzelfsprekend geachte aanwezigheid van dit soort woning-
kenmerken leidt ertoe, dat deze kenmerken bij het formuleren van woonwensen weinig of
geen aandacht krijgen en geen prioriteit lijken te hebben. Indien een huishouden echter wordt
geconfronteerd met een woning waarin vanzelfsprekend geachte kenmerken ontbreken, wordt
de onbewust toegekende prioriteit alsnog manifest.
Tegenover dissatisfiers staan satisfiers. Ook deze zijn schaars. Satisfiers zijn zaken waarmee
mensen erg tevreden zijn wanneer ze deze hebben, maar die geen aanleiding geven tot
ontevredenheid indien ze ontbreken. Een voorbeeld van een satisfier is een dakterras op een
eengezinshuis met een flinke tuin. Het wordt beschouwd als een leuk extraatje. Aan 'leuke
extraatjes' wordt per definitie weinig prioriteit toegekend in de belangenafweging.
Het voorkomen van satisfiers en dissatisfiers wordt mede bepaald door de heersende
levensstandaard. Naarmate de welstand (van de samenleving als geheel of van bepaalde
klassen) hoger wordt, neemt het totale aantal dissatisfiers toe ten koste van het aantal
satisfiers (De Jonge, 1981). Sommige zaken blijven echter schaars en behouden hun satisfier-
karakter, ook als de welstand steeds verder stijgt. Voorbeelden hiervan zijn een schitterend
uitzicht en rustig wonen in het hart van de stad. Die dingen zijn en blijven, onafhankelijk van
de welvaart, slechts voor enkelingen weggelegd.
Door dit alles heen blijkt het streven naar een beperking van cognitieve dissonantie, vrij te
vertalen als een als onaangenaam ervaren toestand van ontevredenheid (zie Festinger, 1957).
Om een dergelijk gevoel van ontevredenheid te beperken, zijn mensen geneigd om minder
40
belang toe te kennen aan zaken die zij toch nooit kunnen bereiken en meer belang aan zaken
die wel binnen hun bereik liggen.
2.7 Het meten van woonvoorkeuren
2.7.1 Inleiding
De mate waarin de door onderzoekers gemeten woonvoorkeuren weergeven wat men
werkelijk wil, is onder meer afhankelijk van de omstandigheden waarin het huishouden zich
op het moment van onderzoek bevindt. Betreft het bijvoorbeeld een huishouden met concrete
verhuisplannen of juist een huishouden dat net een nieuwe woning heeft betrokken? Maakt
men kans om de woonwensen te kunnen realiseren of maken allerlei beperkende randvoor-
waarden het min of meer onmogelijk om te verhuizen? Vergelijkt men de huidige woon-
situatie met die van huishoudens die het beter of juist slechter getroffen hebben? Dit soort
omstandigheden beïnvloeden de mate waarin men zich als het ware toestaat om kritiek te
hebben op de eigen woonsituatie en daarvan afwijkende voorkeuren te uiten. Indien een
andere woonsituatie toch niet in het verschiet ligt, zou het uiten van allerlei onmogelijk te
vervullen wensen immers slechts leiden tot een gevoel van onvrede, tot cognitieve
dissonantie.
Omdat het wel of niet verhuisgeneigd zijn van huishoudens zoveel invloed heeft op de geuite
woonvoorkeuren, wordt in het literatuuroverzicht waar nodig onderscheid gemaakt tussen
zoekende en zittende woonconsumenten. Zoekende woonconsumenten zijn wel verhuisgeneigd
en zittende niet. In paragraaf 4.9 wordt nader stilgestaan bij de verschillende referentiekaders
die zoekende en zittende woonconsumenten hanteren bij het uiten van woonvoorkeuren.
In samenhang met de mate van verhuisgeneigdheid en daarmee samenhangende omstandig-
heden van het huishouden op het moment van onderzoek, is de methode van onderzoek van
grote invloed op de overeenstemming tussen gemeten en werkelijke woonvoorkeuren.
Verschillende onderzoeksmethoden leveren verschillende onderzoeksuitkomsten en halen alle
hooguit een stukje van de werkelijkheid boven water. In deze paragraaf komen daarom
verschillende methoden van woonwensenonderzoek aan de orde.
2.7.2 Traditioneel woonwensenonderzoek
Het uitgangspunt bij woonwensenonderzoek is: een goede woonsituatie is die welke zo goed
mogelijk aansluit bij de woonwensen van een huishouden (Burie, 1972). Het traditionele
woonwensenonderzoek, zoals dat sinds de jaren vijftig wordt verricht en waarvan het
periodieke Woningbehoefte-onderzoek (WBO) een bekend voorbeeld is, heeft een gefrag-
menteerd karakter. Voor allerlei woningkenmerken afzonderlijk geven de respondenten aan
wat zij het liefst zouden willen. Aan de vraag of de voorkeuren ten aanzien van de
verschillende woningkenmerken wel met elkaar te combineren zijn wordt meestal geen
aandacht besteed. Ook worden de financiële consequenties van het pakket woonwensen niet
altijd in het onderzoek meegenomen. De kritiek op het traditionele woonwensenonderzoek
spitst zich toe op de volgende punten (o.a. Goethals en Musterd, 1990; Tacken en de Kleijn,
1979):
41
1. De bewoner wenst die woonvonn die hij kent uit eigen ervaring.
2. Wensen worden geïnspireerd door de nonnen die de bewoners ' sociaal gelegitimeerd'
achten.
3. Wensen staan onder invloed van reductie van cognitieve dissonantie; de bewoner past zijn
wensen aan aan de realiteit om hem heen.
4. Wensen kunnen betrekking hebben op het subjectieve ideaalbeeld of op het aspiratiebeeld.
5. Er zijn latente en moeilijk fonnuleerbare wensen.
6. Wensen van woonconsumenten komen zelden rechtstreeks van de vragers bij de aanbieders
van woonruimte terecht en kunnen door allerlei processen op de woningmarkt nauwelijks
invloed uitoefenen op het aanbod.
Het eerste kritiekpunt sluit aan bij hetgeen in paragraaf 2.4 werd aangegeven. De woon-
ervaring, zowel die van de bewoner zelf als die van zijn referentiegroep, speelt bij woon-
wensen een belangrijke rol. Verschillende onderzoekers drukken zich sterker uit door te
stellen dat woonconsumenten erg behoudend zijn of het nieuwe schuwen (Burie, 1992; De
Vreeze, 1994). Aanvullend aan dit eerste punt van kritiek op woonwensenonderzoek kan
worden opgemerkt, dat woonconsumenten geneigd zijn om hun wensen in tennen van
bestaande oplossingen te fonnuleren. Ouderen bijvoorbeeld zeggen soms een plek in een
verzorgingstehuis te wensen, in plaats van hun behoefte aan meer sociale contacten te uiten
(SEV, 1994).
Dit voorbeeld illustreert tevens de onder punt twee genoemde neiging om sociaal gelegiti-
meerde woonwensen te uiten. Mensen geven liever niet toe dat zij eenzaam zijn. Een ander
voorbeeld van een dergelijke sociaal gelegitimeerde woonwens is waarschijnlijk de grote
belangstelling van respondenten in het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) voor
woningen die het milieu minder belasten, zonder dat daar een kostenbesparing tegenover
staat.
Het derde punt is reeds besproken in paragraaf 2.6 over het afwegen van belangen. Het aan-
passen van de wensen aan de realiteit kan ook positief worden uitgelegd. Het vergroot de
relevantie van de woonwensen voor het te verwachten gedrag.
Ook het vierde punt is eerder aan de orde geweest. Het probleem is dat niet altijd duidelijk
is of de respondent het subjectieve ideaal- of het aspiratiebeeld in het achterhoofd heeft,
wanneer hij de gewenste woonsituatie schetst. Niet alle onderzoekers achten dit een punt van
belang. Kuylen (1980) is van mening dat beide beelden duidelijker gescheiden worden, naar
mate huishoudens zich meer georiënteerd hebben op de woningmarkt en de noodzaak tot
verhuizen groter is. Volgens Van Kempen et al. (1991) zijn mensen zich in het algemeen
goed bewust van hun mogelijkheden en spreken zij meestal een haalbare wens uit.
Het vijfde kritiekpunt, het bestaan van latente en moeilijk fonnuleerbare woonwensen, is
relevanter bij onderzoek dat is gericht op het achterhalen van een subjectief ideaalbeeld dan
bij onderzoek gericht op het aspiratiebeeld.
Het zesde kritiekpunt ten slotte zegt meer over de ongunstige positie van woonconsumenten
in een door aanbieders beheerste markt dan over de validiteit van woonwensenonderzoek.
Goethals en Musterd (1990) voegen nog een ander kritiekpunt toe, namelijk dat de woonwens
in traditioneel woonwensenonderzoek in tal van deelwensen wordt opgesplitst. Zoals eerder
gesteld kan de som van de deelwensen sterk afwijken van de werkelijk realiseerbare
mogelijkheden. Dit geldt in nog sterkere mate indien de fmanciële consequenties van de
woonvoorkeuren niet in het onderzoek worden meegenomen. Een ander nadeel van woon-
42
wensenonderzoek is dat de onderzoeker, door het gebruik van veel geprecodeerde vragen,
bepaalt welke woningkenmerken ter sprake komen en welke niet en dus ook welke belangrijk
gevonden kunnen worden en welke niet.
Hoewel niet over alle kritiekpunten overeenstemming bestaat, kan uit het voorgaande worden
geconcludeerd dat traditioneel woonwensenonderzoek op een aantal cruciale punten tekort-
schiet. Er zijn verschillende pogingen ondernomen om aan bepaalde kritiekpunten tegemoet
te komen. Ook zijn andere methoden ontwikkeld, waarbij woonwensen duidelijker gerelateerd
zijn aan de feitelijke mogelijkheden (zie o.a. Goetgeluk et al. (red.), 1994; Priemus en Smid,
1994). Slechts twee ervan worden hierna toegelicht, omdat deze een belangrijke rol spelen
in de onderzoeken die zijn bestudeerd ten behoeve van het literatuuroverzicht. Dit zijn het
woonbeeldenonderzoek en het opstellen van zogenaamde Decision Plan Nets.
2.7.3 Woonbeeldenonderzoek
Woonbeeldenonderzoek biedt een oplossing voor het gefragmenteerde karakter van
traditioneel woonwensenonderzoek en het veelal ontbreken van een relatie met de woonlasten.
Bij woonbeeldenonderzoek krijgt de respondent complete woonsituaties voorgelegd, die
meestal bestaan uit een foto en de belangrijkste woningkenmerken in trefwoorden, waaronder
de woonlasten. De respondenten kunnen hun relatieve voorkeur uitspreken voor alle of een
aantal van de woonbeelden (o.a. Singelenberg en Stelwagen, 1980). Als uitgangspunt bij
woonbeeldenonderzoek formuleert Van der Werf (1989) : een goede woonsituatie is die welke
gekozen wordt uit het beschikbare aanbod. De beperkingen van het woningaanbod zijn in dit
type onderzoek een gegeven. Naast het hogere realiteitsgehalte is een voordeel van het
w.erken met woonbeelden, dat ook het onbekende als alternatief in het onderzoek kan worden
meegenomen. Wassenberg et al. (1994) voegden aan de reeks woonbeelden die zij hun
respondenten voorlegden, de huidige woonsituatie van de respondenten toe. Hierdoor konden
de wensen worden gerelateerd aan de positie die de eigen woning innam.
Aan woonbeeldenonderzoek kleeft een aantal bezwaren. Allereerst valt of staat deze methode
met de selectie en presentatie van de afgebeelde woonsituaties en het realiteitsgehalte van de
opgenomen informatie. De beoordeling van de mogelijke variatie in woonsituaties is aan de
onderzoekers (Van Erkel et al., 1988). Daar komt bij dat het fotomateriaal de tekst vaak
overheerst, waardoor de waarde van het onderzoek afhangt van de mate van representativiteit
van de beelden (Boersma, 1990). Ten derde associëren veel mensen het afgebeelde woning-
type met een bepaald woonmilieu, waarin dat type veelvuldig voorkomt. Hierdoor is niet
altijd duidelijk of men nu de woonmilieu- of de woningvoorkeuren meet. Sinds het einde van
de jaren tachtig wordt het woonmilieu daarom vaak expliciet in de woonbeelden opgenomen.
Ten vierde verhult de integrale benadering van woningkenmerken de prioriteitstelling en het
afwegingsproces van woonconsumenten. Ongunstige woningkenmerken kunnen worden
gecompenseerd door gunstige, maar het inzicht welke aspecten als gunstig en welke als
ongunstig worden beschouwd, ontbreekt. Dit probleem kan worden opgelost door de
respondent alsnog te vragen zijn totaalvoorkeuren in deelvoorkeuren uiteen te leggen enlof
te vragen naar het waarom van zijn keuze.
43
2.7.4 Decision Plan Nets
Een andere methode van woonvoorkeurenonderzoek is het construeren van zogenaamde
Decision Plan Nets. Een Decision Plan Net (DPN) is een systematische afbeelding van
individueel keuzegedrag in een besluitboom. De gegevens hiervoor worden verzameld in
diepte-interviews met woonconsumenten die verhuisgeneigd of recentelijk verhuisd zijn. Deze
woonconsumenten geven aan welke kenmerken van de woning en de woonomgeving in hun
besluitvorming een rol spelen of hebben gespeeld en hoe belangrijk deze kenmerken voor hen
zijn. Hierbij worden ook de woonlasten meegenomen. Tevens komt ter sprake hoe hard de
wensen zijn en in hoeverre het ontbreken van een bepaald kenmerk kan worden gecompen-
seerd door de aanwezigheid van andere kenmerken. Er wordt daartoe onderscheid gemaakt
tussen absolute voorkeuren, inwisselbare voorkeuren en relatieve voorkeuren (Floor en Van
Kempen, 1994). Decision Plan Nets spelen een hoofdrol in het onderzoek van Van Kempen
et al. (1994), waarvan de resultaten in het volgende hoofdstuk aan de orde zullen komen. De
DPN-methode heeft belangrijke voordelen ten opzichte van het traditionele woonwensen-
onderzoek en het woonbeeldenonderzoek. De respondenten geven zelf aan welke kenmerken
zij belangrijk vinden en hoe hard hun wensen zijn. Er komt niet één ideale woning uit het
onderzoek. In plaats daarvan wordt duidelijk welke woningen men wel en welke niet zou
accepteren en onder welke voorwaarden men bereid is bepaalde wensen te laten vallen. De
DPN-methode relateert de woonwensen dus beter aan de realisatiemogelijkheden dan
traditioneel woonwensenonderzoek (Kempen, 1994).
Een nadeel van de DPN-methode is, dat het houden van de diepte-interviews hoge eisen stelt
aan de interviewer. Ook is het erg moeilijk om op basis van de individuele besluitbomen
uitspraken te doen over voorkeuren van groepen huishoudens. En ten slotte geldt voor de
DPN-methode, evenals voor de andere onderzoeksmethoden, dat de voorspellende waarde
voor het verhuisgedrag gering is (Van Kempen, 1994).
2.7.5 Woonsatisfactie-onderzoek en aanpassingsbenadering
Ten behoeve van het literatuuroverzicht zijn naast woonwensenonderzoeken ook onderzoeken
gericht op woonsatisfactie en op wonen als aanpassingsproces bestudeerd.
In tegenstelling tot woonwensenonderzoek is woonsatisfactie-onderzoek gericht op de
tevredenheid van de bewoners met hun huidige woning. Het is dus evaluatief onderzoek.
Uitgangspunt bij woonsatisfactie-onderzoek is: een goede woonsituatie is die welke een zo
hoog mogelijke mate van woonsatisfactie met zich meebrengt (Burie, 1972). Een bekend
voorbeeld van woonsatisfactie-onderzoek dat in Nederland regelmatig wordt vèrricht, is het
woongeriefonderzoek van de Vrouwen Advies Commissies voor de Woningbouw (VAC's).
Ook Post-Occupancy Evaluation (POE), evaluatie van het gebouwde na de ingebruikname,
kan als een vorm van woonsatisfactie-onderzoek worden beschouwd. Bij POE's vindt een
nadrukkelijke terugkoppeling plaats naar het programma van eisen en het ontwerp. Op deze
wijze kunnen lessen worden getrokken voor vervolgprojecten (Van der Voordt, 1994).
De toegevoegde waarde van woonsatisfactie-onderzoek ten opzichte van woonwensenonder-
zoek zit vooral in de gedetailleerdheid van de vraagstelling. Waar woonwensenonderzoeken
meestal niet verder komen dan wensen met betrekking tot de eigensdomssituatie, de woon-
lasten, het woningtype, het aantal kamers en het soort woonmilieu, komen in woonsatisfactie-
onderzoeken ook de indeling van de woning, de grootte van de afzonderlijke vertrekken en
de tevredenheid met allerlei voorzieningen aan de orde.
44
Een probleem bij woonsatisfactie-onderzoek is de onduidelijkheid van de relatie tussen de
tevredenheid met onderdelen van de woonsituatie en de algemene (woon)satisfactie (Burie,
1972). Ook bestaat er onmiskenbaar een relatie tussen de woonsatisfactie en bepaalde huis-
houdenskenmerken. De huidige generatie ouderen bijvoorbeeld betoont zich in vrijwel ieder
onderzoek het meest tevreden met de woonsituatie. Zij hebben slechtere tijden meegemaakt
en lijken van zichzelf niet te mogen klagen.
Een nadeel van projectoverstijgend woonsatisfactie-onderzoek is, dat veelal informatie
(plattegronden e.d.) ontbreekt over de woning waarover men tevreden of ontevreden is.
POE's, gericht op één project, hebben dit nadeel niet.
Woonwensenonderzoek en woonsatisfactie-onderzoek meten beide wat mensen vinden, ofwel
v e r b a ~ e preferenties. Dit worden ook wel 'stated preferences' genoemd (o.a. Hooimeijer,
1994). Daar tegenover staat onderzoek naar de zogenaamde 'revealed preferences' , te
vertalen als vertoonde voorkeuren. Hierbij wordt verondersteld dat voorkeuren kunnen
worden afgeleid uit het gedrag dat mensen vertonen. Wonen wordt in deze benadering
beschouwd als aanpassingsproces (Priemus, 1968). Uitgangspunt van de aanpassings-
benadering is: een goede woonsituatie is die welke mede gekenmerkt wordt door een zo hoog
mogelijke mate van aanpasbaarheid aan zich wijzigende omstandigheden (Burie, 1972). Tot
deze categorie behoren studies naar zelfwerkzaamheid, verbouwingen en flexibiliteit, alsmede
studies naar verhuisgedrag en verhuismotieven. De meerwaarde van de aanpassings-
benadering ten opzichte van andere benaderingen zit in de betere relatie tussen onderzoeks-
resultaten en te verwachten gedrag. Nadeel is dat niet kan worden bepaald in welke mate het
gedrag voortkomt uit woonvoorkeuren enerzijds en ondervonden beperkingen anderzijds.
Algemener dan de aanpassingsbenaderingen zijn de functionele benaderingen. Als uitgangs-
punt van woonactiviteitenonderzoek formuleert Van der Werf (1989): een goede woonsituatie
is die welke zo goed mogelijk aansluit bij de woonactiviteiten van een huishouden. Zoals in
subparagraaf 2.3.4 beschreven, staat de activiteitenbenadering in het onderzoek en concep-
tueel model van Van der Werf centraal.
De verschillen tussen de genoemde soorten onderzoek en de resultaten ervan zijn aanzienlijk.
Er is een groot verschil tussen de verbale prioriteitsstelling, zoals geuit bij woonwensen-
onderzoek, en de non-verbale prioriteitsstelling, die impliciet wordt gebruikt bij evaluatie
(Burie, 1972). Welke methode in een bepaald geval het best kan worden gebruikt is altijd
afhankelijk van het doel van het betreffende onderzoek (Hooimeijer, 1994). Tegenwoordig
worden meestal verschillende onderzoeksmethoden met elkaar gecombineerd, teneinde een
zo compleet mogelijk beeld van de werkelijkheid te verkrijgen.
2.8 Conceptueel model
Op basis van het voorgaande is een conceptueel model geconstrueerd ter verklaring van
woonvoorkeuren zoals die uit onderzoek naar voren komen (figuur 2.3). In deze paragraaf
worden de belangrijkste relaties tussen de begrippen toegelicht. Daarbij wordt verwezen naar
de paragrafen van dit hoofdstuk, waarin de verschillende begrippen zijn besproken.
45
Figuur 2.3 : Conceptueel model
algemene behoeften
· primaire behoeften
· sociaal COntact
- aanzien
- afwisseling
• fmancieel voordeel
• tijdsbesparing
1
(daadwukeJijkigepercipleerd)
bereikbaar deel van
de woningmarkt
• aanbod
- informatie
- toewijzingsregels
demograflSChc: factoren
soc.cconomlsche factoren
1
soc .culturele factoren
huisboudenskenmerken en
woonen'aring
<--
huishoudensperspectieven
f--+
. woongeschiedenis
- aantal leden van hel huishouden
- huidige woonsituatie
·Ieefiijd
- referentiegroep
- zorg voor afhankelijke kinderen
• leefstijl
1
-
1
subjectieve ideaalbeeld..
-
,
beperkende randvoorwaarden
- inlc.omenen
inkomensperspectief
- gebiedsgebondenheid
belangenafwegiDg
- unpasb&arheid woninglcen-
merk
- schaarste woningkenmerk
1.----o n d ; ; ; - ; ; ~ - - - - I
I I
I - "'rbuisgeneigdheid en omstandigheden huis- I
I
houden op het moment van onderzoek I
- methode van onderzoek
,emeltn woon voorkeuren
Centraal in het conceptueel model staan drie aanduidingen van woonwensen. Dit zijn het
subjectieve ideaalbeeld, het aspiratiebeeld en de gemeten woonvoorkeuren.
Het subjectieve ideaalbeeld is de woonsituatie die het huishouden ideaal acht, gezien zijn
specifieke omstandigheden en ongeacht het woningaanbod en het kostenniveau.
De huishoudensspecifieke omstandigheden zijn weergegeven in het middelste en het rechter-
blok: huishoudenskenmerken en -perspectieven resp. woonervaring (zie paragraaf 2.3 resp.
2.4). De huishoudenskenmerken komen grotendeels overeen met die uit het schema van Van
der Werf. Belangrijke verschillen zijn een ruimere toepassing van het huishoudensperspectief
in dit conceptueel model, alsmede het ontbreken van de variabele inkomen bij de huis-
houdenskenmerken. Er zijn wellicht woningkenmerken waarvoor de voorkeuren essentieel
variëren met het inkomen. Het inkomen wordt echter in de eerste plaats beschouwd als een
beperkende randvoorwaarde, die er bij de vorming van het subjectieve ideaalbeeld nog niet
toe doet.
46
De pijl tussen de huishoudenskenmerken en de woonervaring geeft aan, dat de woonervaring
mede afhankelijk is van huishoudenskenmerken. De leeftijd is hiervan een duidelijk
voorbeeld.
Naast huishoudensspecifieke omstandigheden zijn algemene behoeften van invloed op het
subjectieve ideaalbeeld (zie paragraaf 2.2) . De pijl tussen de huishoudenskenmerken en de
algemene behoeften duidt aan, dat het belang van de verschillende behoeften mede
afhankelijk is van huishoudenskenmerken.
De algemene behoeften, de huishoudenskenmerken en de woonervaring staan volgens het
conceptueel model onder invloed van demografische, sociaal-economische en sociaal-culturele
factoren. Veranderingen in arbeidsparticipatie hebben bijvoorbeeld mede gezorgd voor een
grotere diversiteit in leefstijlen en een grotere behoefte van sommige huishoudens aan
tijdsbesparing.
Om van het subjectieve ideaalbeeld tot het aspiratiebeeld te komen, dienen de wensen te
worden gerelateerd aan het aanbod van woningen op de voor het huishouden interessante
woningmarkt in de voor het huishouden bereikbare prijsklasse. Het subjectieve ideaalbeeld
wordt met andere woorden bezien in het licht van de beperkte handelingsruimte (zie
paragraaf 2.5) . In het conceptueel model is dit in twee blokken aangegeven. Het linkerblok
vertegenwoordigt de beperkingen van de woningmarkt, het rechter de beperkingen van het
huishouden. De volgorde van de pijlen die vanuit de blokken naar de centrale as wijzen is
niet zonder betekenis. Alvorens huishoudens zich op de woningmarkt begeven, hebben zij
zich reeds een beeld gevormd van het gebied en de prijsklasse waarin zij een woning gaan
zoeken. De inkomenspositie is op dat moment uiterst relevant.
De confrontatie van de min of meer haalbaar geachte wensen met het concrete bereikbare en
beschikbare aanbod (het linkerblok) leidt veelal tot een nadere aanscherping van de wensen.
Het is noodzakelijk om prioriteiten te stellen ten aanzien van de verschillende woonwensen
(zie paragraaf 2.6). De mate van aanpasbaarheid en schaarste van de woningkenmerken
spelen daarbij een rol. Op deze wijze ontstaat een consistent en realiseerbaar pakket woon-
wensen, aan te duiden als het aspiratiebeeld.
De onderzoeksmethode en de verhuisgeneigdheid en andere omstandigheden van het
huishouden op het moment van onderzoek zijn van grote invloed op de mate waarin de
resultaten van woonwensenonderzoek en de feitelijke woonwensen overeenkomen (zie
paragraaf 2.7) . In het conceptueel model is deze vertekening weergegeven door de pijl vanaf
het aspiratiebeeld een 'onderzoeksfilter' te laten passeren. Dit leidt uiteindelijk tot de gemeten
woonvoorkeuren. In het volgende hoofdstuk staan de woonvoorkeuren centraal, zoals die in
de afgelopen vijftig jaar door vele onderzoekers zijn gemeten.
47
48
3
WOONVOORKEUREN IN EEN HISTORISCH PERSPECTIEF
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste bevindingen weergegeven uit de verrichte literatuur-
studie naar woonvoorkeuren. In het literatuuroverzicht ligt de nadruk op recent woon-
voorkeurenonderzoek. Belangrijke informatiebronnen zijn de onderzoeken van Van Kempen
et al. (1994) en van Wassenberg et al. (1994) . Deze bieden elk een verschillend overzicht
van hedendaagse woonvoorkeuren. Het onderzoek van Van Kempen et al. is qua woning-
kenmerken minder gedetailleerd dan dat van Wassenberg et al. Daar staat tegenover dat het
onderzoek van Wassenberg et al. uitsluitend is gericht op hogere inkomensgroepen in de
Randstad, terwijl Van Kempen et al. huishoudens uit diverse inkomensgroepen en geo-
grafische gebieden hebben ondervraagd. Naast deze grootscheepse onderzoeken is een aantal
minder grootschalige, maar op sommige punten diepgaandere onderzoeksrapporten
bestudeerd. De meeste bestudeerde publicaties zijn van het type woonwensenonderzoek, al
of niet gecombineerd met andere onderzoeksmethoden. Dergelijk onderzoek is het meest
direct gericht op de vraag wat mensen willen en hoe belangrijk zij dat vinden. Waar nodig
zijn deze gegevens aangevuld met resultaten uit evaluatiestudies, onderzoek naar verhuis-
ketens en meer beschouwende publicaties van deskundigen.
Om na te kunnen gaan in hoeverre woonvoorkeuren constant of juist veranderlijk zijn, is ook
een aantal oudere publicaties bestudeerd. Hierbij nemen de vele artikelen die De Jonge,
emeritus-hoogleraar aan de TU Delft, in de jaren vijftig tot en met tachtig heeft geschreven
een belangrijke plaats in. Hij verrichtte zelf woonwensen- en woonsatisfactieonderzoek, voor-
zag de resultaten van op verschillende disciplines gebaseerde theoretische notities en rappor-
teerde kritisch over de bevindingen van vele andere onderzoekers op het terrein van het
wonen (zie o.a. Van Hoogdalem et al. (red.), 1986).
De grens tussen oudere en recente publicaties is getrokken in 1985. Een reden hiervoor is
dat vanaf de tweede helft van de jaren tachtig, meer dan in de daaraan voorafgaande periode,
de differentiatie van huishoudenstypen een belangrijke rol gaat spelen in woonvoor-
keurenonderzoek. Voor het overige is dit een nogal willekeurige en, gezien de resultaten, niet
zo belangrijke scheidslijn.
De meeste bestudeerde publicaties zijn gericht op diverse typen huishoudens. In recent woon-
voorkeurenonderzoek wordt meestal een duidelijk onderscheid gemaakt tussen verschillende
49
huishoudenstypen. Ouder onderzoek naar woonvoorkeuren, zoals dat van De Jonge, was vaak
- impliciet - uitsluitend op gezinnen met kinderen gericht. Over de woonvoorkeuren van
jonge een- en tweepersoonshuishoudens is vooral in de jaren na de invoering van de HAT-
regeling (Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens) in 1975 veel geschreven.
Naar woonvoorkeuren van ouderen wordt ten gevolge van de vergrijzing sinds de jaren
tachtig veel onderzoek verricht.
Al met al is een breed scala van onderzoeksrapporten bestudeerd, recent en ouder, represen-
tatief en niet-representatief, gericht op alle woonconsumenten samen of juist op één
specifieké doelgroep. Het was in het kader van dit onderzoek niet mogelijk om alle publi-
caties die in de loop der jaren over woonvoorkeuren verschenen zijn te bestuderen. Dat is
ook niet nodig, want in de loop van de literatuurstudie bleken de resultaten van verschillende
onderzoeken vaak goed met elkaar overeen te stemmen. Op basis van de gemaakte selectie
van publicaties kan een redelijk compleet beeld worden gegeven van hedendaagse woon-
voorkeuren, ontwikkelingen daarin en de samenhang van woonvoorkeuren met huishoudens-
kenmerken.
De meetmethode, de kenmerken van de respondenten, het moment waarop en de omstandig-
heden waaronder woonpreferenties worden gemeten, zijn alle van invloed op de resultaten
van woonvoorkeurenonderzoek. Daarom is in bijlage 1 een overzicht opgenomen van de
belangrijkste onderzoeksrapporten die in dit hoofdstuk ter sprake komen. Naast auteur, titel
en jaar van uitgave wordt in deze bijlage kort aangegeven welke onderzoeksmethode is
gehanteerd, hoe de groep respondenten is samengesteld, welke huishoudenstypen eventueel
worden onderscheiden en in hoeverre het betreffende onderzoek representatief kan worden
genoemd.
Zoals in het inleidende hoofdstuk is aangegeven, richt ik me in dit onderzoek op woonvoor-
keuren die de woontechnische kwaliteit van de woning betreffen. In het literatuuroverzicht
worden zes hoofdkenmerken onderscheiden:
1. woonvorm;
2. woninggrootte;
3. indeling van de woning;
4. bouwfysische aspecten;
5. uitrustingsniveau;
6. buitenruimte.
Daarnaast wordt enige aandacht besteed aan voorkeuren ten aanzien van kenmerken van de
woonomgeving. Voorkeuren ten aanzien van het sociale klimaat in de woonomgeving zijn
niet meegenomen. Ook voorkeuren ten aanzien van de woonlasten en de eigendomssituatie
komen niet aan de orde. Zoals aangegeven in het theoretisch kader maken deze aspecten
immers geen deel uit van de woonkwaliteit. Voorkeuren op het esthetische vlak blijven
eveneens buiten beschouwing.
In dit onderzoek staat het verband tussen woonvoorkeuren en huishoudenskenmerken
centraal. Bij de beschrijving van de voorkeuren per woningkenmerk ligt daarom de nadruk
op de verschillen in woonvoorkeuren tussen typen huishoudens. Aangesloten wordt bij de
indelingen in huishoudenstypen zoals die in de diverse publicaties worden gehanteerd.
50
Aan het einde van het hoofdstuk worden de bevindingen uit de literatuurstudie tabelsgewijze
samengevat.
3.2 Woonvorm
3.2.1 Inleiding
De Jonge (1964a) verstaat onder 'woonvorm' een combinatie van de volgende eigenschappen:
- de mate van stapeling van woningen;
- de verbinding van de woning met de begane grond en de openbare weg;
- het aantal bouwlagen per woning.
In de gangbare woningbouw sinds de Tweede Wereldoorlog overheersen drie hoofd-
woonvormen, waarbinnen uiteraard allerlei variaties te onderscheiden zijn. Deze drie hoofd-
woonvormen zijn:
- het eengezinshuis, dat meestal bestaat uit een begane-grond-verdieping en een slaap-
verdieping, al of niet met een zolder erop;
- de middelhoge etagebouw, bestaande uit drie of vier woonlagen zonder personenlift . De
woningen zijn toegankelijk via een trappenhuis, al of niet gecombineerd met galerijen.
Meestal beslaan de woningen één verdieping, soms twee (maisonnette);
- de hoogbouw, bestaande uit zes of meer woonlagen met personenlift. De ontsluiting vindt
plaats via galerijen (De Jonge, 1970).
Het begrip woningtype, dat vaak in dezelfde betekenis als het begrip woonvorm wordt
gebruikt, wordt in deze paragraaf gereserveerd om het onderscheid tussen het een- en meer-
gezinshuis aan te duiden. In subparagraaf 3.2.2 wordt stilgestaan bij de voor- en nadelen en
de waardering van een- en meergezinswoningen. In subparagraaf 3.2.3 komen de voorkeuren
ten aanzien van de stapeling, de woonlaag en de ontsluiting van het meergezinshuis aan de
orde.
3.2.2 Woningtype
Ouder onderzoek
In een overzichtspublicatie over woonvoorkeurenonderzoek in de jaren vijftig en zestig, stelt
de Jonge (1970) het volgende. Zodra er een reële keuzemogelijkheid is, prefereert de
meerderheid van de moderne Westerse stadsbevolking het eengezinshuis, ook in rijenbouw,
boven de flatwoning. Voor de Nederlandse nieuwbouwwijken varieert het percentage
bewoners dat een flat prefereert van 5 tot 20 %. Eengezinswoningen sluiten volgens de
bevindingen veel beter aan bij de behoeften en voorkeuren van woonconsumenten dan flat-
woningen. De volgende voordelen worden genoemd (De Jonge, 1970):
- grotere vrijheid: eigen voordeur en eigen tuin, die een bufferzone rond de woning vormt
en mogelijkheid biedt voor velerlei activiteiten;
- ontbreken van boven- en benedenburen, die men zou kunnen storen en waardoor men
gestoord zou kunnen worden. In een eerdere publicatie noemt De Jonge (1960a) het
trappenhuis en de galerij als bronnen van geluidshinder in flats;
51
- de mogelijkheid van dicht bij de woning liggende reserveruimten (schuur, kelder, vliering,
zolder) voor berging en als hobbyruimte;
- direct contact met de begane grond en de openbare weg.
Het eengezinshuis biedt met andere woorden grotere mogelijkheden om de contacten met de
buitenwereld te reguleren dan de flatwoning . Daardoor ervaart men een grotere vrijheid.
Naast de grotere (territoriale en auditieve) privacy wordt ook de mogelijkheid tot manifestatie
van de eigen levensstijl als belangrijk voordeel van de eengezinswoning beschouwd (De
Jonge, 1977). Overigens vonden Brouwer en Tacken (1977) in hun onderzoek dat flat-
woningen niet structureel slechter scoorden op geluidsisolatie dan eengezinswoningen. De
mate waarin men geluidsoverlast ervaart hangt naar hun mening meer samen met het type
plattegrond en de bouwtechnische kwaliteit dan met de woonvorm als zodanig.
Als belangrijke voordelen van flatwoningen gelden de ligging van alle vertrekken op één
niveau en het ontbreken van een tuin, waardoor een beknopte en weinig onderhoud vergende
woning wordt geboden. Daarnaast beschouwen woonconsumenten die echt hoog wonen het
ruime uitzicht en de rust als pluspunten van het hoge woongebouw (De Jonge, 1970). Vaker
dan eengezinswoningen zijn flatwoningen centraal gelegen in stedelijk gebied. In dat geval
is ook het hoge voorzieningenniveau een belangrijk voordeel (De Jonge, 1977).
Een eigenschap van flatwoningen die door sommige bewoners als voordeel en door andere
als nadeel wordt beschouwd, is de geringere sociale controle en grotere anonimiteit ten
opzichte van omwonenden. Contacten met buren zijn minder vanzelfsprekend en blijken ook
minder voor te komen dan tussen bewoners van naast elkaar gelegen eengezinswoningen (De
Jonge, 1970).
De voorkeur voor een huis op de begane grond met een eigen, direct aansluitende tuin is het
sterkst bij gezinnen met jonge kinderen, waarbij ook de moeder in sterke mate aan huis is
gebonden (De Jonge, 1964d). Dit is niet verwonderlijk, daar jonge kinderen een groot deel
van de dag spelend in en rond de woning doorbrengen, waarbij zij volop ruimte en vrijheid
behoeven. Voor hun moeders is het belangrijk om frequent en gemakkelijk visueel en fysiek
contact met de buitenwereld te kunnen onderhouden.
De vraag naar flatwoningen kwam in de jaren vijftig en zestig vooral van alleenstaanden,
'onvolledige gezinnen', werkende vrouwen en ouderen (De Jonge, 1970). Dit zijn inderdaad
woonconsumenten die niet veel werk aan hun woning (en tuin) willen of kunnen besteden en
baat hebben bij een hoog voorzieningenniveau.
De bevindingen van Brouwer en Tacken in hun onderzoek onder bewoners van stadsuitbrei-
dingen uit de jaren 1965-1970 zijn in overeenstemming met hetgeen De Jonge schrijft over
de voorkeuren van de verschillende huishoudenstypen. De verhuisgeneigdheid vanuit etage-
woningen bleek veel hoger dan vanuit eengezinswoningen, vooral onder gezinnen met kleine
of schoolgaande kinderen. Een gebrek aan speelgelegenheid voor kinderen leek het belang-
rijkste motief. Hoewel de speelgelegenheid in flats niet per definitie slechter werd
gewaardeerd, scoorde dit aspect in eengezinswoningen gemiddeld wel hoger (Brouwer en
Tacken, 1978).
52
Recent onderzoek
In een artikel uit 1973 concludeert De Jonge dat de algemene voorkeur voor eengezins-
woningen tussen ongeveer 1920 en 1970 niet essentieel is veranderd (De Jonge, 1973a). Men
vindt tegenwoordig een groter aandeel huishoudens met een positieve voorkeur voor een flat-
woning dan vijfentwintig jaar geleden. Maar nog altijd zijn eengezinswoningen bij de grote
meerderheid van de huishoudens favoriet (Beijering et al. , 1992; Van Kempen et al., 1994;
Priemus et al., 1995 ; Wassenberg et al., 1994). Zowel in het W oningbehoefte-onderzoek
(WBO) 85/86 als in het WBO 89/90 heeft eenderde deel van de respondenten voorkeur voor
een woning in een meergezinshuis. In het onderzoek van Wassenberg et al. geeft een kwart
van de respondenten een woning in een meergezinshuis op als eerste voorkeur. Hierbij speelt
wellicht het hogere inkomen van de potentiële gegadigden voor de VINEX-lokaties een rol ,
waardoor zij in mindere mate slechts uit financiële overwegingen voorkeur aan een meer-
gezinshuis zullen geven.
Het belang dat huishoudens aan het bewonen van een eengezins- of juist een flatwoning
toekennen is hoog. Volgens Van Kempen et al. (1994) is dit voor bijna 90% van de huis-
houdens (zeer) belangrijk en voor meer dan 80% een absolute voorkeur, hetgeen betekent
dat deze huishoudens geen andere woonvorm accepteren. Huishoudens met voorkeur voor
een eengezinswoning kennen gemiddeld meer belang toe aan de woonvorm dan huishoudens
die voorkeur hebben voor een flatwoning (Rongen, 1991).
Uit het onderzoek van Van Kempen et al. blijkt het aantal respondenten dat opteert voor een
eengezinswoning sterk te variëren met het aanbod in het onderzoeksgebied. In de Achterhoek
wenst nog geen 6% van de respondenten een woning in een meergezinshuis, in Tilburg e.o.
is dit 15 % en in Rotterdam e.o. ruim 31 %. Woonconsumenten beseffen wellicht dat een een-
gezinswoning in de stad een onvervulbare wens (ideaalbeeld) is en gaan daarom direct op
zoek naar een woning in een meergezinshuis (aspiratiebeeld) . De wens of noodzaak om in
een stedelijke omgeving te wonen prevaleert dan boven de ideaal geachte woonvorm.
Uit diverse recente onderzoeken blijkt de opgegeven voorkeur voor een bepaalde woonvorm
behalve met het beschikbare aanbod ook samen te hangen met een aantal huishoudens-
kenmerken. De belangrijkste is de (verwachte) aanwezigheid van kinderen in het huishouden.
Een huis met een tuin wordt nog steeds algemeen als het meest ideale woningtype voor op-
groeiende kinderen beschouwd. Uit diverse onderzoeken komen gezinnen en jonge twee-
persoonshuishoudens dan ook naar voren als degenen met de sterkste voorkeur voor een-
gezinswoningen (Van Kempen et al. , 1994; Leliveld en Kruythoff, 1995; Rongen, 1991;
Wassenberg et al ., 1994). Het lijkt daarbij niet uit te maken of het een huishouden met één
kostwinner of twee werkende partners betreft. Alleen bij gezinnen met een zeer laag inkomen
is deze wens aanpasbaar: eenoudergezinnen en gezinnen zonder werk 'kiezen' nood-
gedwongen relatief vaker voor (kleine enlof oudere en dus goedkopere) flatwoningen (Van
Kempen et al. , 1994).
De bevindingen ten aanzien van de voorkeuren van jonge alleenstaanden en kleine huis-
houdens van middelbare leeftijd lijken minder eenduidig. Sommige onderzoekers melden een
voorkeur van deze huishoudens voor woningen in meergezinshuizen (Kruythoff, 1991b;
Rongen, 1991; Wassenberg et al., 1994). Anderen constateren dat ook deze huishoudens een
'gewone woning' aspireren (o.a. Van Kempen et al., 1994; Veldhuis-Blaauw en Vermaas,
1985). Deze verschillen zijn waarschijnlijk terug te voeren op het verschil in aanbod in
53
stedelijke en niet-stedelijke woningmarktgebieden. Het onderzoek van degenen die een voor-
keur voor flatwoningen vonden werd verricht in gebieden met een min of meer stedelijk
karakter. Het is dan weinig reëel om een eengezinswoning te wensen. Het onderzoek van de
andere auteurs vond (onder andere) plaats in minder verstedelijkte gebieden, waar de kans
op een eengezinswoning een stuk groter is. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat het ideaal-
beeld van een groot deel van deze huishoudens gelijk is aan dat van gezinnen, namelijk de
eengezinswoning. De prioriteit die deze huishoudens hieraan toekennen is echter minder
groot dan bij huishoudens met kinderen of een gezinsperspectief. Niet-gezinshuishoudens die
worden geconfronteerd met een beperkt aanbod van eengezinswoningen op het voor hen
interessante en bereikbare deel van de woningmarkt passen hun wens vrij gemakkelijk aan
of wensen bij voorbaat al een woning in een meergezinshuis (0. a. Van Kempen et al ., 1994).
Daarnaast is er een niet te verwaarlozen groep niet-gezinshuishoudens die welbewust kiest
voor een flatwoning (Van Kempen et al. , 1994; Rongen, 1991). Zij vinden een (gelijk-
vloerse) flatwoning comfortabeler, hebben geen behoefte aan een tuin enlof stel1en prijs op
een zekere anonimiteit ten opzichte van omwonenden.
Meer dan jonge al1eenstaanden en een- en tweepersoonshuishoudens van middelbare leeftijd,
lijken ouderen welbewust te kiezen voor een woning in een meergezinshuis (De Bont, 1992;
Rongen en de Hey, 1993). In het onderzoek van Wassenberg et al. gaf maar liefst 45% van
de 50-plussers aan voorkeur te hebben voor een flat , maisonnette of appartement, indien zij
zouden gaan verhuizen. De voornaamste reden is de gelijkvloersheid van de vertrekken in
flatwoningen. Een lift in het woongebouw is voor hen een belangrijke voorwaarde. Volgens
een deelanalyse van het WBO 1989/1990 vindt ongeveer tweederde van de huishoudens van
55 jaar en ouder, die een gewone woning wensen, binnentrappen of trappen naar de woning
bezwaarlijk (Rongen en de Hey, 1993). In het onderzoek van Wassenberg et al. noemde bijna
80% van de 55-plussers gelijkvloersheid zeer belangrijk. Sommigen van hen hebben moeite
met traplopen, anderen anticiperen in hun woonwensen alvast op verminderde vitaliteit in de
toekomst. Verondersteld kan worden dat een woning die uitsluitend per trap bereikbaar is
voor ouderen bezwaarlijker is dan een woning met binnentrappen. Dit ten eerste omdat aan
ongelijkvloersheid binnen de woning soms nog wel een mouw valt te passen door een bed
beneden te zetten, ten tweede vanwege de meestal langere trappen naar een woning toe dan
in een woning en ten derde vanwege de slechte bezoekbaarheid van flatwoningen zonder lift
door mensen die slecht ter been zijn. Dit onderstreept het grote belang van liften in woon-
gebouwen, indien men ouderen wil stimuleren om vanuit hun eengezinswoning naar een flat-
woning te verhuizen.
Er wordt weleens gesuggereerd dat ouderen voorkeur zouden hebben voor een balkon of
dakterras boven een (bewerkelijke) tuin en om die reden voor flatwoningen kiezen. De
meeste onderzoeken bevestigen dit niet. Veel ouderen hebben voorkeur voor een (kleine)
tuin, maar deze wens is ondergeschikt aan de voorkeur voor een gelijkvloerse enlof goedkope
woning, waardoor men uiteindelijk toch voor een flatwoning kiest. De combinatie van een
kleine, (gedeeltelijk) gelijkvloerse woning én laagbouw met tuin vinden ouderen in een
seniorenwoning. Dit is een woning met al1e vertrekken en voorzieningen gelijkvloers, uit-
gezonderd een eventuele logeer-/hobbykamer in de kap. Volgens de SEV (1989) hebben
ouderen in het algemeen voorkeur voor een seniorenwoning boven een kleine flat met lift,
juist vanwege de tuin. Ook Van Kempen et al. vonden een voorkeur van ouderen voor een
seniorenwoning. Wel bleek deze wens veelal inwisselbaar voor een flat met lift. Overigens
54
combineert ook een bungalow de voordelen van laagbouw met gelijkvloersheid. Deze
woonvorm is voor de meeste ouderen echter financieel niet haalbaar.
Priemus et al. (1995) onderscheiden in hun onderzoek in het Rijnmondgebied drie categorieën
ouderen, te weten 55- tot 64-jarigen, 65- tot 74-jarigen en 75-plussers. De wensen ten
aanzien van het woningtype blijken tussen deze groepen sterk te verschillen. De 55- tot 64-
jarigen vragen relatief de meeste eengezinswoningen, terwijl flats met lift zowel onder deze
leeftijdsgroep als onder de 65- tot 74-jarigen populair zijn. Van de verhuisgeneigde 75-
plussers is meer dan de helft op zoek naar een ouderenwoning. Overigens zijn ouderen in alle
drie leeftijdsgroepen weinig verhuisgeneigd.
3.2.3 Stapeling, woonlaag en ontsluiting
Ouder onderzoek
Bij middelhoge bouw bestaat de meeste animo voor de onderste en de bovenste lagen,
waarbij de alleronderste woonlaag de voorkeur geniet. Bij blokken van vier lagen is de derde
laag het minst gewild. Daarnaast wordt de voorkeur voor een deel bepaald door de bestaande
situatie: men heeft voorkeur voor de eigen woonlaag. Verder verkiest men een blok van drie
lagen boven een van vier. Men wenst of zo dicht mogelijk bij de begane grond te wonen, of
zodanig dat men geen bovenburen heeft. Een flat met drie woonlagen heeft als voordeel dat
men minder buren heeft dan bij vier lagen (De Jonge, 1970).
Ook in hoogbouw (hoger dan vier woonlagen) heeft men vaker voorkeur voor de bovenste
en onderste etages dan voor de middenetages. De specifieke voordelen van het hoge wonen
komen het best tot hun recht op de hoogste etages, terwijl de eerste drie woonlagen aan-
trekkelijker zijn voor gezinnen met kinderen en mensen die de levendigheid van de begane
grond niet willen missen (De Jonge, 1970). Uit een evaluatie-onderzoek onder bewoners van
een ERA-flat bleek, dat de meeste bewoners weinig belang toekenden aan de woonlaag. In
het algemeen wilde men liever hoger dan lager wonen (Priemus, 1970).
De Jonge (1960b) spreekt in zijn proefschrift van aanwijzingen, dat er een categorie
huishoudens is die het hoge woongebouw verkiest boven de lagere etagebouw . Dit zouden
voornamelijk alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens zijn, die behoefte hebben om zich
na een drukke werkdag in anonimiteit terug te trekken. De meeste huishoudens, met name
huishoudens met kinderen, verkiezen echter middelhoge etagebouw boven echt hoog wonen.
Contact met de begane grond vinden zij belangrijk en aan anonimiteit ten opzichte van de
directe omgeving hebben zij geen behoefte.
Recent onderzoek
Het bovenstaande wordt niet bevestigd door recent onderzoek. In het onderzoek van
Wassenberg et al. (1994) scoorden de woonbeelden van etagebouw van vijf tot zeven
verdiepingen (alle galerijflats met lift en vergelijkbare woningkenmerken) weliswaar hoger
dan torenflats. Maar in het onderzoek van Rongen (1991) gaven de respondenten die een flat-
woning wensten in ongeveer gelijke mate de voorkeur aan lage, middelhoge en hogere woon-
gebouwen (tot en met negen bouwlagen) . De aanwezigheid van een personenlift acht men
zeer belangrijk (Leliveld en Kruythoff, 1995; Rongen, 1991). Terwijl galerijflats zich voor
het aanleggen van liften verreweg het best lenen, hadden de respondenten in het onderzoek
55
van Rongen in meerderheid voorkeur voor portiekletagebouw. De wensen zijn op dit punt
dus nogal tegenstrijdig. De galerij-ontsluiting wordt mogelijk geassocieerd met massaliteit
en gehorigheid, twee negatief gewaardeerde kenmerken van de vele galerijflats uit de jaren
zestig. Daarnaast wordt de inkijk vanaf de galerij in de woning als onprettig ervaren. De
resultaten van het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) doen vermoeden dat veel woon-
consumenten de galerij-ontsluiting in middelhoge flats van goede kwaliteit op de koop
toenemen, omdat zij de aanwezigheid van een lift zo belangrijk vinden.
Geheel conform de wensen lijken luxe urban villa's te zijn, waarbij de aanwezigheid van een
lift wordt gecombineerd met een afgesloten portiekontsluiting .
In het onderzoek van Wassenberg et al. is gevraagd op welke woonlaag de eigen woning bij
voorkeur moet zijn gelegen. Van degenen die een woning in een meergezinshuis (inclusief
beneden- en bovenwoningen) wensen, spreekt 48 % voorkeur uit voor situering op de begane
grond, 35 % voor situering op de eerste tot en met vierde woonlaag en 17 % voor de vijfde
woonlaag of hoger. Opmerkelijk zijn de verschillen met de wensen van de respondenten in
het onderzoek van Leliveld en Kruythoff. Van de potentiële gegadigden voor een woning op
een VINEX-Iocatie in Rijnmond, wenst slechts 4% van de flatoptanten (exclusief beneden-
en bovenwoningen) een woning op de begane grond. Van 39% van de respondenten gaat de
voorkeur uit naar situering op de eerste tot en met vierde verdieping en 29% prefereert een
woning op de vijfde verdieping of hoger. Leliveld en Kruythoff geven geen verklaring voor
deze afkeer van de begane grond.
Al met al komt uit de meeste onderzoeken naar voren, dat woonconsumenten voorkeur
hebben voor rechtstreeks contact vanuit de woning met de begane grond. Ook ouderen vinden
dat belangrijk (o.a. Van den Booren en Westerterp, 1991; Van der Donk, 1990).
Toch hebben ouderen in meergezinshuizen lang niet altijd voorkeur voor de woonlaag op de
begane grond. Volgens Nelissen (1992) verkiezen vooral veel oudere vrouwen vanwege het
grotere gevoel van veiligheid een woning op een verdieping boven een woning op de begane
grond. De grotere veiligheid zou voor hen de voornaamste reden zijn om voor een woning
in een meergezinshuis te kiezen. Wellicht is de sociale veiligheid ook een verklaring voor
de voorkeur van een deel van de woonconsumenten in de onderzoeken van Wassenberg et
al. en Leliveld en Kruythoff voor een flatwoning op een hoger gelegen verdieping.
Uit het voorgaande valt op te maken, dat de meeste woonconsumenten voorkeur hebben voor
het delen van het woongebouw met niet teveel andere huishoudens. Deze voorkeur zal ener-
zijds te maken hebben met minder geluidsoverlast en anderzijds met een behoefte aan
herkenbaarheid en een afkeer van massaliteit. De voorkeuren voor schakeling van eengezins-
woningen volgen een soortgelijk patroon. Twee-onder-een-kap- en hoekwoningen, waarbij
men slechts met één aangrenzende woning te maken heeft, zijn meer gewild dan tussen-
woningen. Wie het kan en wil betalen, verkiest een vrijstaande woning (Wassenberg et al. ,
1994). Naast overwegingen van privacy spelen status en zelfexpressie - bewust of onbewust -
een rol.
Het is opvallend, hoe eenduidig men denkt over meer en minder gewenste woonvormen. In
het Rijnmond-onderzoek is gevraagd, welk woningtype de voorkeur had, indien de eerste
keuze niet kon worden gerealiseerd. De auteurs zetten de antwoorden als volgt in schema
(Priemus et al., 1995):
56
eerste keus
flat met lift
flat zonder lift
boven-/benedenwoning
eengezinshuis
ouderenwoning
tweede keus
flat zonder lift
boven-/benedenwoning
eengezinshuis
ouderenwoning of geen tweede keus
HAT-woning
Los van huishoudenskenmerken hebben woonconsumenten een zeer eenduidig beeld over de
positie van verschillende woonvormen ten opzichte van elkaar. Overduidelijk blijkt de
onbetwiste eerste plaats van de eengezinswoning in de hiërarchie.
Overigens merken Van Wijk et al. (1989) op, dat verschillende woningtypen staan voor
enigszins verschillende ' woonwerelden' , waarin woonconsumenten uiteenlopende perspec-
tieven hanteren bij het beoordelen van het wonen. Onder bewoners van meergezinshuizen is
de sociale isolatie groter, men heeft meer hinder van buren en richt zich sterker op (meer
goederen in de woning om de woonsatisfactie te verhogen. Het CBS concludeerde al in 1977
dat het woningtype, evenals overigens de eigendomsverhouding, een heel eigen invloed heeft
op de woonsatisfactie. Al zouden flatwoningen even gunstig scoren als eengezinswoningen
op alle overige woning- en woonomgevingskenmerken, dan nog zouden de bewoners van de
flatwoningen minder tevreden zijn. Het is lastig om dit aan de hedendaagse praktijk te
toetsen, want in werkelijk scoren eengezinswoningen op veel kenmerken beter dan
flatwoningen.
3.3 Woninggrootte
3.3.1 Inleiding
In vrijwel elk woonwensen- en woonsatisfactie-onderzoek wordt uitgebreid aandacht besteed
aan voorkeuren ten aanzien van de woninggrootte. Keer op keer blijkt dit een bijzonder
belangrijk aspect (Van Kempen et al. , 1994; Kuijpers, 1993; Wassenberg et al. , 1994).
Driessen en Beereboom (1983) rekenen een grote woning tot de basisvoorzieningen.
Verschillende onderzoekers vonden een sterke samenhang tussen het oordeel van bewoners
over de grootte van hun woning en hun oordeel over of tevredenheid met de woning als
geheel (Brouwer en Tacken, 1977; Heijs, 1992; Pennarz, 1981). Mensen hebben 'leefruimte'
nodig, ruimte om hun spullen neer te zetten, ruimte om gezamenlijke of individuele activi-
teiten uit te oefenen en ruimte om zich terug te trekken.
Aan het aspect woninggrootte kunnen vele deelaspecten worden onderscheiden, zoals de
totale inhoud van de woning, de breedte en de diepte, het aantal vertrekken en de afmetingen
van de afzonderlijke vertrekken en restruimten. In het zoekproces letten woonconsumenten
vooral op het aantal vertrekken en de grootte van de woonkamer (Van Kempen et al. 1994;
Wassenberg et al., 1994). In woonwensenonderzoek wordt aan deze twee deelaspecten van
de woninggrootte dan ook de meeste aandacht besteed. Uit woonsatisfactie-onderzoeken
blijken zich knelpunten voor te doen ten aanzien van andere deelaspecten, zoals de
afmetingen van de keuken, slaapkamers en restruimten. In het navolgende worden de
bevindingen uit de literatuur weergegeven voor het aantal vertrekken en de grootte van
respectievelijk de woonkamer, de keuken, de slaapkamers en de hoeveelheid bergruimte. De
57
voorkeuren ten aanzien van de grootte van de badkamer zijn eigenlijk niet los te zien van de
sanitaire voorzieningen, die men wenst. Dit deelaspect komt aan de orde in paragraaf 3.6
over het uitrustingsniveau van de woning.
3.3.2 Aantal vertrekken
Ouder onderzoek
De grootte van woningen wordt meestal uitgedrukt in het aantal kamers en niet in vierkante
meters . Het aantal vertrekken is zo belangrijk, omdat dit bepaalt in hoeverre verschillende
activiteiten van het huishouden ruimtelijk gescheiden kunnen plaatsvinden. Aan de ruimtelijke
scheiding van woonfuncties is sinds het begin van de eeuw een toenemend belang toegekend.
Er doen zich vooral knelpunten voor indien verschillende leden tegelijkertijd verschillende
activiteiten in één vertrek moeten uitoefenen, zoals bijvoorbeeld studeren en bezoek .
ontvangen. Voldoende vertrekken in verhouding tot het aantal leden van het huishouden is
een belangrijke voorwaarde voor de mogelijkheid om zich in de woning - individueel of sub-
groepsgewijs - af te zonderen. Jonge kinderen en vooral pubers hebben hier sterke behoefte
aan (De Jonge, 1964d; Pennarz, 1981). Volgens De Jonge (1970) komt de veel genoemde
'norm' van één kamer per persoon niet overeen met de vraag van de bewoners. Kleine
huishoudens vragen meer dan één kamer per persoon: tweepersoonshuishoudens wensen
gemiddeld ruim drie en driepersoonshuishoudens ongeveer vier kamers . De wensen van
alleenstaanden worden hierbij niet vermeld. Grote huishoudens wensen juist minder dan één
kamer per persoon: huishoudens met zes personen vragen gemiddeld om ruim vijf kamers.
Alleen middelgrote huishoudens vragen gemiddeld inderdaad één kamer per persoon. Het
middelgrote gezin bestond in de jaren zestig uit vier of vijf personen. De meerderheid van
deze gezinnen wenste een woning met vier of vijf kamers, waarbij de keuken niet is mee-
gerekend (De Jonge, 1960b en 1964d). Waarschijnlijk is de afname van de ruimtebehoefte
per persoon bij een toename van het aantal personen onder andere terug te voeren op het
inkomen als beperkende randvoorwaarde. Grotere huishoudens kunnen om die reden niet
onbeperkt om extra ruimte vragen. Kleine huishoudens kunnen in principe een groot deel van
hun inkomen aan woonlasten besteden, omdat hun overige huishoudelijke uitgaven geringer
kunnen zijn. Daarnaast speelt een 'schaalvoordeel' in de ruimteconsumptie van grotere
huishoudens wellicht een rol. Overigens vonden Driessen en Beereboom (1983) dat huis-
houdens met jonge kinderen het meeste belang toekennen aan een grote woning, op de voet
gevolgd door jonge alleenstaanden, jonge tweepersoonshuishoudens en gezinnen die niet meer
groeien. Oudere echtparen zonder thuiswonende kinderen en oudere alleenstaanden hechten
veel minder waarde aan de woninggrootte.
In een onderzoek naar verandering en constantie van woonwensen constateert De Jonge dat
voorkeuren met betrekking tot woninggrootte niet alleen samenhangen met de huishoudens-
grootte, maar ook veranderen met een toename van de welstand. Hij verwacht bij een
stijgende welvaart een grote vraag naar woningen met vijf of zes kamers. Meer nog dan de
eisen aan het aantal kamers, nemen volgens hem bij een stijgende welvaart de eisen aan de
aftnetingen van de verschillende vertrekken toe (De Jonge, 1973a). Bij vergelijking van de
woonsituaties van huishoudens van gelijke samenstelling maar met verschillende inkomens,
valt inderdaad het verschil in woonoppervlak meer op dan het verschil in aantal vertrekken.
Blijkbaar neemt bij een stijgende welvaart niet het aantal verschillende uit te oefenen
activiteiten toe, maar wenst men bij het uitoefenen van de bestaande activiteiten meer ruimte.
58
Uit onderzoek van Progresbouw Research (1981) blijkt overigens dat het inkomen wel
degelijk ook van invloed is op het gewenste aantal vertrekken. Eigenaar-bewoners, hoger
opgeleiden en mensen tussen 30 en 49 jaar wensten gemiddeld meer kamers dan huurders,
lager opgeleiden, jongeren en ouderen. Deze laatsten hebben in het algemeen lagere
inkomens.
De Jonge (1970) verwacht dat in combinatie met een toename van de welvaart ook een
toename van de vrije tijd zal leiden tot hogere eisen aan de grootte van vertrekken en de
grootte en kwaliteit van de woning in het algemeen. Mensen streven onder die omstandig-
heden naar een verdergaande bevrediging van het verlangen naar een meer afwisselend en
tegelijkertijd comfortabel leven, hetgeen zou leiden tot een grotere ruimteconsumptie (De
Jonge, 1973b) .
Recent onderzoek
Sinds de jaren zestig en zeventig, waarin De Jonge zijn onderzoeken verrichtte, zijn de
welvaart en vooral de hoeveelheid vrije tijd van grote aantallen huishoudens inderdaad
toegenomen. Alleenwonenden wensen tegenwoordig in het algemeen (ten minste) een drie-
kamerwoning. Dit geldt niet voor jonge alleenwonende starters. Met name studenten nemen
meestal wel genoegen met één of twee kamers, al dan niet aangevuld met gemeenschappelijke
zitruimte enlof voorzieningen (Bertholet, 1992). Volgens Van Kempen et al. wensen oudere
een- en tweepersoonshuishoudens gemiddeld ruim drie kamers . Jonge tweepersoons-
huishoudens en een- en tweepersoonshuishoudens van middelbare leeftijd vragen gemiddeld
vier kamers, terwijl gezinnen met één of meer kinderen ruim vier à vijf kamers wensen.
Wanneer we bedenken dat het modale gezin met kinderen tegenwoordig slechts één à twee
thuiswonende kinderen telt (CBS, 1994), zijn dus ook de eisen die deze laatste categorie aan
het aantal vertrekken stelt, toegenomen.
De toegenomen welvaart is niet in gelijke mate over de bevolking gespreid. Veel huishoudens
met een redelijk tot hoog inkomen beschikken tegenwoordig over meer kamers dan het aantal
leden dat het huishouden telt. In het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) achtte 63 % van
de respondenten zo'n extra kamer onmisbaar. In dit onderzoek wenste ruim tweederde deel
van de respondenten vier- en vijfkamerwoningen. In het onderzoek van Van Kempen et al.
(1994), dat zich niet beperkt tot de hogere inkomensgroepen, wenste bijna tweederde deel
van de respondenten drie- en vierkamerwoningen. Priemus et al. (1995) maken een onder-
scheid naar eigendomssituatie. Zij constateren, dat in de koop sector vooral vier- en in
mindere mate vijfkamerwoningen worden gewenst, terwijl in de huursector drie- en vier-
kamerwoningen het populairst zijn.
Het is een belangrijke woonwens, maar lang niet iedereen kan zich een woning met een
'extra' kamer permitteren. In een onderzoek van het RIGO (1987) wenste tweederde deel van
de respondenten een extra kamer. Eenvijfde deel van de respondenten wenste dat ook indien
dat ten koste zou gaan van de grootte van de andere kamers. Dit waren vooral een- en twee-
persoonshuishoudens die twee-kamerwoningen bewoonden. Grotere huishoudens wensten
meestal geen extra kamer, indien dat ten koste ging van de andere kamers. Kennelijk
beschouwt men een drie-kamerwoning als een soort kritische ondergrens.
59
Uit de woongeriefonderzoeken van de VAC's blijken vooral gezinnen met kinderen in goed-
kopere woningen ruimte tekort te komen voor onder andere het ontvangen van visite en
logées, privacy, gezinsuitbreiding, hobby' s, studie en werk en het plaatsen van meubels. Als
oplossing voor een aantal van deze problemen wensen veel respondenten een extra kamer
(Kuypers, 1993; Munneke, 1994). Mensen met de laagste inkomens zijn vaak genoodzaakt
kleinere woningen te accepteren dan waaraan zij gezien hun huishoudens grootte behoefte
hebben. Volgens Van Hoorn (1994) is een kleine (want goedkope) woning een belangrijke
woonwens van eenoudergezinnen en gezinnen zonder werk.
Uit het bovenstaande kunnen we concluderen, dat huishoudens tot op zekere hoogte zoveel
woonruimte wensen als hun budget toestaat. Alleen alleenstaanden en vooral ouderen lijken
om andere redenen voor een niet te grote woning te kiezen. Deze wens heeft onder andere
te maken met de behoefte weinig werk aan de woning te hebben. Gemiddeld stellen ouderen
minder harde eisen aan de woninggrootte dan andere huishoudens (Van Kempen et al.,
1994). Toch vinden ouderen een bepaald minimum aan woonruimte zeker wel belangrijk. Zij
willen in verband met onderhoud en schoonmaak niet te veel, maar wel ruime kamers. Ook
wensen zij voldoende plaatsings- en bergruimte voor de spullen waaraan zij gehecht zijn (Van
Kempen et al, 1994; Langendijk, 1994).
Tot voor kort werden twee kamers of zelfs één kamer voor ouderen vaak voldoende geacht.
Nu komt keer op keer naar voren hoe belangrijk voor ouderen een aparte hobby-/Iogeerkamer
is. Juist zij brengen immers veel vrije tijd in de woning door. De meeste ouderen (alleen-
wonenden en tweepersoonshuishoudens) hebben dan ook voorkeur voor een driekamerwoning
(o.a. Van Kempen et al., 1994; Nelissen, 1992; Priemus et al., 1995; Van der Wouwen
Lijnse, 1990). Voor het Seniorenlabel van de SEV (1993) wordt een driekamerwoning
vereist. Daarbij staat aangetekend dat steeds meer ouderen en zeker oudere twee-persoons-
huishoudens een vierkamerwoning wensen. Vooral jongere senioren-echtparen wensen vrij
vaak vier- en in mindere mate zelfs vijfkamerwoningen (De Bont, 1992; Van der Wouwen
Lijnse, 1990). Bij deze woonwensen van ouderen moet worden bedacht, dat ouderen weinig
verhuisgeneigd zijn. Vitale, jongere ouderen waarderen de leefruimte die zij voor zichzelf
hebben als de kinderen het huis uit zijn, heel positief. Ook gehechtheid aan de woonsituatie
speelt bij ouderen een belangrijke rol. Veel ouderen verhuizen dan ook pas naar een kleinere
woning bij een daadwerkelijke of verwachte achteruitgang van de gezondheid. Met name
voor 75-plussers is een te grote woning een belangrijke verhuisreden (Priemus et al., 1995).
Sommige onderzoekers signaleren een behoefte van oudere (echt)paren om in één woning
meer onafhankelijk van elkaar te kunnen leven. Dit betekent niet dat men bereid is collectieve
ruimten (woonkamer en keuken) in te leveren ten gunste van individuele ruimten (De Bont,
1992; Nelissen, 1992). Bij beperkte financiële middelen zit hier een spanningsveld, waarover
de bestudeerde literatuur geen uitsluitsel geeft.
Uit recent onderzoek blijken dus naast de huishoudensgrootte en in het bijzonder de aan-
wezigheid van kinderen ook de leeftijd en het inkomen van invloed op het gevraagde aantal
kamers. De resultaten van onderzoek naar verhuismotieven zijn met de hierboven beschreven
bevindingen in overeenstemming. 'Andere woninggrootte ' als verhuismotief komt het vaakst
voor bij jonge tweepersoonshuishoudens en gezinnen. Zij wensen vooral grotere woningen
vanwege ervaren ruimtegebrek in de huidige woning enlof gezinsuitbreiding (Harts en
60
Hingstman, 1986; Van Kempen et al., 1994). Uit het verhuisgeschiedenissenonderzoek van
Harts en Hingstman komt naar voren, dat gezinshuishoudens met de hoogste sociaal-
economische posities, wanneer zij niet meer groeien, nog een of meerdere extra stapjes
maken naar de grootste en meest comfortabele woningen.
3.3.3 Grootte van de woonkamer
Ouder onderzoek
Zoals in de inleiding bij deze paragraaf vermeld, is de grootte van de woonkamer blijkens
recent onderzoek een woonwens met hoge prioriteit. Dit was enkele decennia geleden niet
anders (Brouwer en Tacken, 1978). Dat de woonkamer van alle vertrekken het meest belang-
rijk wordt gevonden, heeft alles te maken met de letterlijk en figuurlijk centrale plaats die
dit vertrek in huis inneemt. Het is de plek voor ontmoeting met andere leden van het huis-
houden en de plek waar men gewoonlijk bezoek ontvangt. In de woonkamer moet plaats zijn
voor veel verschillende activiteiten. Daarnaast heeft het vertrek een belangrijke represen-
tatieve functie, dit in tegenstelling tot de slaapkamers, die veel meer privé-domein zijn.
Zowel de activiteiten als de representatieve functie vereisen een behoorlijke ruimte.
Uit de bestudeerde oudere onderzoeken blijkt niet duidelijk naar welke afmetingen van de
woonkamer de voorkeur uitging. In de Voorschriften & Wenken 1965 werd 15 à 20 m
2
voor
het hoofdwoonvertrek voldoende geacht. Een tweede woonvertrek moest 5 à 10 m
2
groot
zijn. Hierbij werd uitgegaan van de aanwezigheid van een werkkeuken van 5 à 7 m
2
. Deze
normen zeggen echter niets over de voorkeuren van de woonconsumenten zelf. Een hoofd-
woonvertrek van 16 à 17 m
2
werd in die tijd door de meeste gezinnen in de gesubsidieerde
nieuwbouw te klein gevonden. Een oppervlakte van ongeveer 24 m
2
werd overwegend
positief gewaardeerd. Deze voorkeur stemde overeen met de feitelijke gemiddelde grootte van
de woonkamer in de woningwetsector eind jaren zestig, die 25 m
2
bedroeg.
Indien een tweede woonvertrek werd gerealiseerd - hetgeen in de jaren dertig gebruikelijk
en na de oorlog in steeds mindere mate het geval was - diende dit ten minste een oppervlak
van 10 m
2
te hebben (De Jonge, 1970) . Volgens eerder onderzoek van De Jonge (1959b)
vond vrijwel iedereen rond 1960 één grote, ongedeelde woonkamer mooier en gezelliger dan
twee kleine. Men gaf bij de gangbare afmetingen van een eengezins-rijenhuis in de lagere en
middelbare huurklassen de voorkeur aan een plattegrond met één woonkamer van bijvoor-
beeld 23 m
2
boven een woonkamer van 16 m
2
en een 'hokje' van 7 m
2
• Ruimtewerking werd
blijkbaar meer gewaardeerd dan intimiteit of beslotenheid. Indien echter twee woonkamers
van voldoende afmetingen konden worden gerealiseerd, had dat de voorkeur. Ruimtelijke
scheiding van verschillende woonactiviteiten beschouwde men dus wel degelijk als een
voordeel van de oude woonkamers-en-suite, maar alleen bij voldoende grote afmetingen van
beide ruimten.
Zoals in subparagraaf 3.3.2. reeds werd verondersteld, nemen de eisen die men stelt aan de
grootte van onder andere de woonkamer toe met het inkomen. In het onderzoek 'Wil
Nederland soberder wonen?' van Progresbouw Research (1981) wensten eigenaar-bewoners,
hoger opgeleiden en mensen tussen 30 en 49 jaar gemiddeld een woonkameroppervlak van
31 à 32 m
2
• Huurders, lager opgeleiden, jongeren en ouderen namen genoegen met een
woonkamer van 26 à 28 m
2
• De eisen van de laatste categorie liggen dus iets hoger dan die
van de respondenten in het onderzoek waarover De Jonge rond 1960 rapporteerde. Dit is niet
61
verwonderlijk, daar tussen 1960 en 1980 zowel de gemiddelde welstand is toegenomen, als,
mede ten gevolge daarvan, de gemiddelde woninggrootte van sociale nieuwbouwwoningen.
Men kon zich grotere woningen permitteren en men zag om zich heen grotere woningen
gerealiseerd worden. Een toename van de welstand schroeft de eisen dus op langs twee
lijnen, namelijk via de koopkrachtige vraag en via het beschikbare aanbod.
Recent onderzoek
Ook uit recent onderzoek blijken de eisen die aan de grootte van de woonkamer worden
gesteld samen te hangen met het inkomen. Waar de Rotterdamse huishoudens in het onder-
zoek van De Bont (1992) genoegen nemen met een woonkamer van 24 à 29 m
2
, komt uit het
onderzoek van Wassenberg et al., dat is gericht op de bovenkant van de markt, naar voren
dat bijna driekwart van de respondenten een woonkamer wenst van minimaal 30 à 40 m
2
en
eenvijfde deel zelfs nog groter. De resultaten van deze onderzoeken zijn eigenlijk niet goed
te vergelijken. In het onderzoek van Wassenberg et al. zijn aan deze vraagstelling namelijk
geen kostenconsequenties verbonden en in het onderzoek van De Bont wel. De respondenten
in het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) hechten echter zoveel waarde aan de grootte
van de woonkamer (81 % noemt een grote woonkamer onmisbaar), dat de gewenste grootte
als een redelijk harde eis kan worden beschouwd. Een tweede woonkamer wordt door slechts
16 % van de respondenten in het onderzoek van Wassenberg et al. zeer belangrijk of enigs-
zins belangrijk geacht. Kennelijk is het tweede woonvertrek sinds de jaren zestig alleen maar
verder uit de mode geraakt. Daar staat tegenover dat meer dan 90% van de respondenten veel
of enig belang toekent aan een grote keuken. Verondersteld kan worden dat ten minste een
deel van de respondenten hierbij denkt aan een eetkeuken, die dus enkele functies van de
woonkamer kan overnemen of aanvullen.
Naast het inkomen en de op een bepaald moment gangbare grootte van woonkamers, is ook
de samenstelling van het huishouden van invloed op de eisen die men aan de grootte van de
woonkamer stelt . Er zijn aanwijzingen dat gezinnen behoefte hebben aan grotere woonkamers
dan kleine huishoudens (De Bont, 1992; Wassenberg et al. , 1994) . De verschillen zijn echter
niet groot en zeker niet evenredig met het aantal leden van het huishouden. Dat zou ook niet
logisch zijn, want kleine huishoudens moeten in principe net zoveel bezoek kunnen ontvangen
als gezinnen. Ook neemt de benodigde ruimte voor bijvoorbeeld een zithoek en een eethoek
niet evenredig toe met het aantal personen dat er moet kunnen zitten en eten.
Wel hebben volgens De Bont (1992) alleenstaanden meer dan meerpersoonshuishoudens
voorkeur voor een 'individuele plattegrond'. Dat wil zeggen dat zij een relatief groot
percentage van de woonruimte aan individuele vertrekken (slaapkamers) wensen te besteden,
ten koste van de collectieve ruimte (woonkamer) . De grootte van de woonkamer heeft voor
hen dus minder prioriteit dan voor meerpersoonshuishoudens.
De voorkeuren van ouderen ten aanzien van de grootte van de woonkamer lijken niet te
verschillen van die van andere kleine huishoudens. Ook zij hechten veel waarde aan een
voldoende grote woonkamer (De Bont, 1992; Langendijk, 1994; Van de Wouwen Lijnse,
1990). Voldoende ruimte om bezoek te ontvangen en de meubels te plaatsen, waaraan zij
gehecht zijn, is voor hen van groot belang.
Uit het voorgaande blijken de eisen die huishoudens stellen aan de grootte van de woonkamer
flink toe te nemen met het inkomen. In mindere mate nemen de eisen ook toe met het aantal
62
leden van het huishouden. Aan een tweede woonkamer wordt weinig belang toegekend. Ook
de op een bepaald moment gangbare woonkamergrootte beïnvloedt de voorkeuren.
Het is op basis van de bestudeerde onderzoeken niet mogelijk om precies aan te geven hoe
groot de woonkamers volgens de verschillende huishoudenscategorieën zouden moeten zijn.
Voor de bruikbaarheid en beleving van vertrekken spelen, naast het aantal vierkante meters,
de vorm en meer specifiek de lengte-breedteverhouding een belangrijke rol. Uit woongerief-
onderzoeken van de VAC's komen nogal eens klachten naar vormen over de inrichting van
een (bijna) vierkante woonkamer, wellicht omdat men gewend is meubels voornamelijk tegen
de zijwanden te plaatsen. Naast de vorm van het vertrek is ook de hoeveelheid on-
onderbroken wandlengte van grote invloed op de mogelijkheden om meubels te plaatsen
(Kuijpers, 1993).
3.3.4 Grootte van de keuken
Ouder onderzoek
De keuken is sinds de negentiende eeuw geëvolueerd van een kookpot op de kachel tot een
afgescheiden ruimte waar kookgerei en etenswaren worden bewaard en waar de maaltijd
bereid, het vuile kookgerei afgewassen en in sommige huishoudens ook de maaltijd genuttigd
wordt.
Over voorkeuren ten aanzien van de grootte van de keuken, noch over de prioriteit die aan
dit woningkenmerk wordt toegekend, zijn in de bestudeerde, oudere onderzoeksrapporten
veel gegevens gevonden. In de Voorschriften en Wenken 1965 wordt een werkkeuken van
5 à 7 m
2
genoemd. Binnen deze afmetingen past een eenvoudig keukenblok met een koelkast
en een fornuis , waarbij niet of nauwelijks ruimte resteert voor een eetplek (De Jonge, 1970).
Dat wil niet zeggen dat er geen behoefte was om in de keuken te kunnen eten. Uit diverse
enquêtes die eind jaren vijftig werden gehouden kwam naar voren, dat de meerderheid van
de bewoners van nieuwe woningen op het platteland de voorkeur gaf aan een keuken met
voldoende ruimte om erin te eten of zelfs te wonen. Een tweede woonkamer kon als alterna-
tief dienen. In stedelijk gebied daarentegen leken de 'moderne' woningen met slechts een
werkkeuken wel degelijk bij de preferenties van de bewoners aan te sluiten (De Jonge,
1959b). In het onderzoek van Progresbouw Research, dat in 1981 werd gehouden, waren de
meningen nog steeds verdeeld. Van de respondenten gaf 49% voorkeur op voor een woon-
keuken en 31 % voor een werkkeuken. De woonkeuken was het meest in trek bij de
respondenten tussen dertig en vijftig jaar, merendeels gezinnen met kinderen.
Recent onderzoek
De preferenties voor een werk-of eetkeuken hangen nauw samen met die voor een open of
juist een gesloten keuken (zie subparagraaf 3.4.3). Uit verschillende recente onderzoeken
blijkt, dat de mogelijkheid om in de keuken te eten door veel woonconsumenten hoog wordt
gewaardeerd (Kuijpers, 1993; Rongen, 1991). Het is daarbij echter niet duidelijk of het altijd
echt gaat om de eetplek in de keuken of om de extra ruimte op zich, die ook voor andere
activiteiten of attributen kan worden gebruikt. Woonconsumenten die het zich kunnen
permitteren, hebben in elk geval voorkeur voor een ruime keuken. In het onderzoek van
Wassenberg et al. (1994) noemde ruim de helft van de respondenten een grote keuken zeer
belangrijk. Evenals in het hierboven genoemde onderzoek van Progresbouw , vonden
huishoudens met kinderen dit gemiddeld wat belangrijker dan de andere huishoudens.
63
Uit de bestudeerde onderzoeken is niet op te maken hoe groot de keuken zou moeten zijn.
Wel komen uit woongeriefonderzoeken van de VAC' s nogal eens klachten over de bruik-
baarheid van de keuken naar voren. Met name een gebrek aan plaatsingsruimte voor huis-
houdelijke apparatuur en aan berg- en afzetruimte worden frequent genoemd. Kennelijk zijn
de gangbare afmetingen in (sociale) nieuwbouwwoningen niet voldoende afgestemd op het
toenemende bezit van keukenapparatuur, zoals magnetron en afwasmachine. Maar het komt
ook voor dat een keuken te klein is voor het plaatsen van een koelkast en een fornuis
(Kuijpers, 1993; Munneke, 1994) .
De eisen die men aan de keuken stelt worden hoger naarmate de leeftijd enJof het inkomen
toenemen. Jonge, kleine huishoudens zijn al heel tevreden als zij de beschikking hebben over
een eigen, afsluitbaar keukentje, terwijl huishoudens in latere fasen van hun wooncarrière
veel meer eisen stellen aan de uitrusting en de omvang van de keuken. Er is weinig reden .
om te veronderstellen dat de huishoudensgrootte als zelfstandige variabele van veel invloed
is op de gewenste grootte van de keuken. De benodigde berg- , afzet- en loopruimte nemen
slechts in geringe mate toe met het aantal personen. Meestal zijn er hooguit twee of drie
personen tegelijkertijd aan het werk in de keuken. Wel moet een eventuele eetplek uiteraard
groter zijn naarmate er meer mensen aan tafel moeten kunnen zitten.
3.3.5 Grootte van de slaapkamers
Ouder onderzoek
In de Voorschriften en Wenken 1965 wordt voor het slaapvertrek van een echtpaar 10 à
15 m
2
aanbevolen en voor de gesubsidieerde woningbouw een hoofdslaapkamer van ten
minste 11 m
2
vereist. Voor andere kamers worden minimummaten van 5 en 8 m
2
gehanteerd.
Uit bewonersonderzoek uit die tijd blijkt, dat bewoners een oppervlakte van 12 à 13 m
2
voor
de ouderslaapkamer overwegend positief beoordeelden. De minimummaat van 11 m
2
werd
te klein geacht. Kinderslaapkamers van 6 of 7 m
2
vonden de bewoners voor redelijk gebruik
te klein, terwijl 9 m
2
voor een eenpersoonsslaapkamer voldoende werd gevonden (De Jonge,
1970). In de bestudeerde literatuur wordt niets vermeld over het belang dat men in die tijd
aan de grootte van slaapkamers toekende.
Recent onderzoek
Aan de gewenste grootte van de slaapkamers wordt in woonvoorkeurenonderzoek beduidend
minder aandacht besteed dan aan de grootte van de woonkamer of het aantal slaapkamers.
In het onderzoek van Van Kempen et al. werd een zeer ruime slaapkamer als een ' aantrekke-
lijke extra' beschouwd (Van Hoorn, 1994) . In het zoek- en afwegingsproces speelt dit aspect
echter geen rol van betekenis. Wellicht wordt dit mede veroorzaakt door het relatief geringe
verschil in afmetingen van slaapkamers dat de woningvoorraad feitelijk laat zien.
Kleine of slecht indeelbare slaapkamers vormen des te meer een bron van ergernis in de
dagelijkse bewoning. Volgens de woongeriefonderzoeken van de VAC's hebben bewoners
veel kritiek op de afmetingen en inrichtingsmogelijkheden van de slaapkamers, zij het minder
op de hoofdslaapkamer dan op de overige slaapkamers (Kuijpers, 1993; Munneke, 1994) .
Vaak vindt men dat er in de slaapkamers te weinig kastruimte is of te weinig ruimte om losse
kasten te plaatsen. Regelmatig ontbreekt ook ruimte voor het plaatsen van grote bedden. In
eengezinswoningen met een schuin dak vanaf de eerste verdieping, is een deel van de vloer-
64
oppervlakte onbruikbaar voor het plaatsen van meubelstukken. Ook wordt de loopruimte
hierdoor beperkt. Bij deze kritiek op de beperkte bruikbaarheid van de slaapkamers met een
schuine wand dient te worden bedacht, dat juist op deze wijze wordt gebouwd om nieuwbouw
eengezinswoningen bereikbaar te houden voor huishoudens met lagere inkomens.
Bezuinigingen op de benedenplattegrond hadden de woningen wellicht nog veel minder
bruikbaar gemaakt.
In de bestudeerde literatuur wordt nauwelijks aandacht besteed aan de vraag, in hoeverre
mensen voorkeur hebben voor slaapkamers van ongeveer gelijke grootte of juist voor een
hiërarchie van een grote hoofdslaapkamer en kleine overige slaapkamers. Alleen De Bont
(1992) vroeg expliciet en mét kostenconsequenties naar de gewenste afmetingen van de
verschillende slaapkamers. Volgens dit onderzoek varieert de gewenste grootte van de hoofd-
siaapkamer tussen 12 en 15 m
2
. Het maakt hierbij geen verschil of deze slaapkamer al of niet
met een partner wordt gedeeld. De gewenste groottes van de overige slaapkamers variëren
tussen krap 8 en ruim 10 m
2
. Alle huishoudens, uitgezonderd die met drie volwassenen,
wensten ook tussen de overige slaapkamers nog verschillen in afmetingen. De huishoudens
met drie of meer volwassenen waren onder andere echtparen met een of meer thuiswonende
kinderen van 18 jaar of ouder. Het is bekend dat jongeren, vooral vanaf de puberleeftijd,
grote behoefte hebben aan een behoorlijk privé-domein (De Jonge, 1964d). De waarde van
deze bevindingen van De Bont is twijfelachtig, want de gewenste vertrekoppervlakten zij n
een bijna perfecte weergave van de huidige woonsituatie van de respondenten. De
antwoorden duiden echter in elk geval niet op een behoefte aan slaapkamers van gelijke
grootte. In paragraaf 3.4 over de woningindeling wordt op de voorkeuren ten aanzien van
qua afmetingen neutrale woonvertrekken nog teruggekomen.
Uit de literatuur is niet erg duidelijk geworden in hoeverre huishoudenskenmerken van
invloed zijn op de gestelde eisen aan de grootte van de slaapkamers. Oudere kinderen hebben
grotere slaapkamers nodig dan jongere kinderen. Verder ligt het voor de hand dat de eisen
die aan de grootte van de slaapkamers worden gesteld toenemen met het inkomen. Met het
inkomen nemen immers de eisen toe die men aan de grootte van de woning in zijn geheel
stelt. Wellicht gaan woonconsumenten die een grote woonkamer wensen en kunnen betalen,
er gewoon vanuit dat een grote woonkamer gepaard zal gaan met ruime slaapkamers.
Verondersteld kan worden, dat het met name voor ouderen die zich niet zo soepel meer
bewegen, van belang is dat hun slaapkamer voldoende bewegingsruimte biedt voor
verzorging, aan- en uitkleden en dergelijke. Het Seniorenlabel stelt met een minimumopper-
vlak van de hoofdslaapkamer van 11,4 m
2
echter geen bijzonder hoge eis (SEV, 1994).
Concluderend kan worden gesteld dat de grootte van de slaapkamers in het zoekproces weinig
prioriteit geniet. Onder zittende bewoners daarentegen zijn te kleine slaapkamers een bron
van dagelijkse ergernis. De grootte van de slaapkamers lijkt daarmee een dissatisfier te zijn.
Voor zover hierover gegevens zijn gevonden, lijken de voorkeuren van bewoners ten aanzien
van de afmetingen van de slaapkamers niet of nauwelijks veranderd ten opzichte van zo' n
dertig jaar geleden. Over de invloed van huishoudenskenmerken op de voorkeuren ten
aanzien van de grootte van de slaapkamers zijn weinig gegevens gevonden.
65
3.3.6 Bergruimte
Ouder onderzoek
Bergruimte vindt men in het algemeen niet op één aanwijsbare plek, maar op verschillende
plaatsen in en rond de woning. Woonconsumenten drukken hun voorkeuren dan ook niet uit
in een hoeveelheid vierkante of kubieke meters bergruimte, maar zeggen veel belang toe te
kennen aan bijvoorbeeld een zolder, een kelder, een garage of kastruimte op de slaapkamers.
In de verschillende bergruimten worden meestal slechts bepaalde soorten attributen op-
geborgen. Door een verschil in grootte, temperatuur, vochtigheidsgraad en ligging in of ten
opzichte van de woning zijn de functies van de bergruimten immers niet allemaal uit-
wisselbaar. Dit alles maakt het vrijwel onmogelijk om uitspraken te doen over de totale
hoeveelheid bergruimte die bewoners in hun woning wensen, laat staan over de ontwik-
kelingen daarin.
Een te geringe hoeveelheid bergruimte in woningen is een hardnekkige tekortkoming. Reeds
in een in 1959 gehouden onderzoek onder bewoners van eengezinshuizen in stedelijk gebied,
concludeert De Jonge: "Op allerlei praktische detailpunten, zoals bergruimte en droogruimte,
schieten de nieuwe eengezinshuizen nog steeds voor een groot deel tekort" (De Jonge,
1959b). Ook in de onderzoeken 'Bewoners Nieuwe Woningen' die het Ministerie van VROM
sinds 1968 regelmatig laat houden, komt onvoldoende bergruimte telkens weer als een
belangrijk minpunt van de nieuwe woningen uit de bus (Van Wijk et al., 1989).
Progresbouw Research (1981) maakt melding van een geringe bereidheid tot bezuinigen op
de hoeveelheid bergruimte. Slechts eenderde deel van de respondenten in dit onderzoek was
desnoods bereid om op de hoeveelheid bergruimte in de woning te bezuinigen en eveneens
eenderde op de hoeveelheid bergruimte buiten de woning. Eigenaar-bewoners en responden-
ten van 30-49 jaar kenden aan een buitenberging het meeste belang toe. Wellicht ging het
hierbij in een deel van de gevallen om een garage. Verder hechtten oudere respondenten de
meeste waarde aan de hoeveelheid bergruimte. Ouderen hebben in hun leven vaak veel
spullen vergaard, waarvan zij geen afstand willen doen. Degenen die wel op de totale
hoeveelheid bergruimte zeiden te willen bezuinigen, hechtten toch veel waarde aan de
afzonderlijk genoemde mogelijkheden, met name aan keukenkastjes boven het aanrecht en
aan een zolder.
Recent onderzoek
Blijkens de woongeriefonderzoeken van de VAC' s en recente onderzoeken 'Bewoners Nieuwe
Woningen', is een gebrek aan bergruimte nog steeds een knelpunt in nieuwbouwwoningen.
Onafhankelijk van de woninggrootte of het woningtype is ruim de helft van de respondenten
in de woongeriefonderzoeken ontevreden met de hoeveelheid berg- en kastruimte. Meer dan
eenderde deel van de respondenten mist ruimte om binnen de was te drogen. Ook een tekort
aan kastruimte in de verschillende vertrekken komt vaak voor (Kuijpers, 1993; Munneke,
1994). Vooral grotere huishoudens, vanaf vier personen, ervaren een tekort aan bergruimte
(Van Eek, 1990). Dit is niet verwonderlijk: grotere huishoudens hebben meer ruimte nodig
voor andere activiteiten én hebben meer spullen op te bergen, maar vaak geen geld voor een
evenredig grotere woning.
66
Het grote belang dat huishoudens toekennen aan bergruimte in de woning komt duidelijk naar
voren in het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) . Meer dan 95 % van de respondenten
achtte 'veel bergruimte' zeer of enigszins belangrijk en 52 % vond dit onmisbaar. In het
onderzoek van Van Kempen et al. (1994) wordt alleen het belang van de verschillende berg-
ruimten genoemd. De aanwezigheid van een zolder en een garage zijn voor de meeste
respondenten geen harde eis. Wel worden deze ruimten vaak als relatieve voorkeur genoemd
door degenen die een koopwoning wensen. In het onderzoek van Wassenberg et al. acht 33 %
van alle respondenten en 40% van degenen die een eengezinswoning wensen, een zolder
onmisbaar, terwijl 24% van alle respondenten geen woning zonder een garage zou
accepteren.
In het onderzoek van Wassenberg et al. is ook gevraagd naar het belang van een bijkeuken
en een kelder. Van alle respondenten acht 13% een bijkeuken onmisbaar. Een kelder wordt
door 6% van degenen die een eengezinswoning wensen als onmisbaar beschouwd.
In het onderzoek van Wassenberg et al. hechten alle huishoudenscategorieën in ongeveer
gelijke mate waarde aan veel bergruimte in het algemeen. Bij de specifieke bergruimten doen
zich wel verschillen tussen de huishoudenscategorieën voor, hetgeen deels samenhangt met
de verschillen in woonvoorkeuren ten aanzien van het woningtype. Tweederde van de
gezinnen onder de vijftig jaar met kinderen vindt een zolder zeer belangrijk, tegen 40% van
de meerpersoonshuishoudens onder de vijftig jaar zonder kinderen, 27 % van de alleenstaan-
den onder de vijftig jaar en 16% van de huishoudens van vijftig jaar en ouder.
Huishoudens onder de vijftig jaar met kinderen en huishoudens van vijftig jaar en ouder
hechten meer dan de andere huishoudens waarde aan een bijkeuken. Huishoudens van vijftig
jaar en ouder kennen wat meer belang toe aan een kelder dan de andere huishoudens. Hierbij
is geen onderscheid gemaakt naar gewenst woningtype. Het is aannemelijk dat een deel van
de oudere huishoudens die een kelder belangrijk vinden, daarmee duidt op een kelder of box
in een meergezinshuis.
Al met al komen de resultaten van recent onderzoek goed overeen met die van ouder
onderzoek. Bergruimte is belangrijk en nog steeds een knelpunt, vooral voor gezinnen.
Gezinnen zijn het meest veeleisend waar het om bergruimte in het algemeen en vooral de
aanwezigheid van een zolder gaat. Senioren, die relatief vaak een woning in een meergezins-
huis wensen, kennen aan een zolder gemiddeld weinig belang toe. Ten aanzien van de andere
specifieke bergruimten zijn zij volgens het onderzoek van Wassenberg et al. wel vrij veel-
eisend. Ten slotte stellen huishoudens met hogere inkomens hogere eisen dan die met lagere
inkomens.
3.4 Indeling van de woning
3.4.1 Inleiding
De indeling van woningen is in hoge mate cultureel bepaald (De Jonge, 1967). Op het
platteland bijvoorbeeld werd vroeger in de keuken gegeten en er werden bezoekers
ontvangen, die via de achterdeur binnenkwamen. Woningen in steden leenden zich beter voor
67
een formelere leefwijze. Tegelijkertijd is de indeling onderworpen aan een aantal ecologische
en dus min of meer universele wetmatigheden. Allereerst zijn dat differentiatie en separatie,
hetgeen betekent dat zich in de woning ruimten bevinden met verschillende functies (De
Jonge, 1970). Een scheiding tussen woonruimte, keuken, slaapkamers en bergruimte wordt
in Westerse landen als normaal beschouwd. Dit is niet altijd zo geweest. De Jonge (1964d)
beschouwt het herenhuis uit de dertiger jaren als een eindpunt in de ontwikkeling vanaf de
middeleeuwen van woningen met één woonvertrek voor alle woonactiviteiten, naar een
samenspel van ruimten met elk één of meer specifieke functies.
Ook is er sprake van hiërarchie. Dit betekent dat sommige vertrekken in hoger aanzien staan
dan andere. Aan de inrichting en aankleding van de woonkamer met zijn openbaar en
representatief karakter besteden huishoudens in het algemeen meer aandacht dan aan
bijvoorbeeld de berging (De Jonge, 1970).
Twee andere belangrijke begrippen in dit verband zijn attractie en repulsie. Bepaalde woon-
activiteiten hangen onderling samen, waarbij dan ook naar ruimtelijke nabijheid wordt
gestreefd. Een voorbeeld is koken en eten. Hierbij is sprake van attractie. Bij activiteiten die
men juist liever ruimtelijk gescheiden houdt, is sprake van repulsie. Een voorbeeld hiervan
is het ontvangen van bezoek en het slapen van jonge kinderen. Ruimtelijke scheiding van
activiteiten kan worden bewerkt door het creëren van bufferzones, zoals een gang tussen de
woonkamer en het toilet . Door de gecombineerde werking van attractie en repulsie ontstaat
polariteit in de woning (De Jonge, 1970). Dit betekent dat het ene deel van de woning andere
functies vervult dan het andere. Van oudsher is het bijvoorbeeld gebruikelijk dat de voorzijde
enJof onderste verdieping van een woning meer representatief is, dan het erachter enJof
erboven gelegen gedeelte. Het begrip polariteit kan nader worden geconcretiseerd in
begrippenparen als dag-nacht, open-gesloten, licht-donker, warm-koud, jong-oud, privé-
gemeenschappelijk en dergelijke. Bij bepaalde stromingen in de architectuur dient soms één
zo' n begrip als uitgangspunt. In de jaren zeventig werd bijvoorbeeld nogal extreme openheid
in de plattegrond nagestreefd. Een ander voorbeeld is het streven naar meer gemeenschappe-
lijkheid in het wonen, zoals in de jaren zestig en zeventig het geval was .
Het ontwerpen volgens extreme principes sluit niet aan bij de voorkeuren van bewoners. Die
hebben veel meer een praktisch compromis-karakter (De Jonge, z.d.). Een woning moet een
zekere mate van openheid hebben, maar ook besloten zijn; voldoende privacy is een voor-
waarde voor behoefte aan gemeenschappelijkheid. Wel kunnen accenten verschuiven en
volgen woonvoorkeuren de ontwikkelingen in de woningbouw tot op zekere hoogte.
Terugblikkend op de geschiedenis van de woningbouw is bijvoorbeeld een ontwikkeling te
zien van een gesloten plattegrond naar meer openheid. Deze is grotendeels het gevolg
geweest van ontwikkelingen in de bouwtechnische sfeer, zoals nieuwe draag structuren en de
introductie van de centrale verwarming (Laddé, 1992).
De ontwikkeling in de richting van meer openheid is gepaard gegaan met een wijziging in
de smaak van bewoners, die openheid modem vonden en ruimtewerking gingen waarderen
boven intimiteit of beslotenheid (De Jonge, 1959b). Bewoners passen zich aan ontwikkelingen
aan, voor zover deze niet al te rigoureus breken met de traditie of bepaalde functionele
behoeften ontkennen.
Uit het voorgaande blijkt wel dat de woningindeling een complex woningkenmerk is,
waarover in theoretische zin veel te zeggen valt. De voorkeuren ten aanzien van de indeling
68
van de woning worden hierna besproken aan de hand van drie met elkaar samenhangende
deelaspecten. Dit zijn de grootte van vertrekken ten opzichte van elkaar, de relaties tussen
vertrekken en de veranderbaarheid van de woningindeling. De voorkeuren ten aanzien van
het aantal kamers, eveneens een belangrijk aspect van de woning indeling , zijn reeds
besproken in paragraaf 3.3 over de woninggrootte.
3.4.2 Grootte van vertrekken ten opzichte van elkaar
Ouder onderzoek
In ouder onderzoek is de grootte van vertrekken ten opzichte van elkaar geen onderwerp van
discussie. In vrijwel de gehele woningvoorraad is sprake van een vaste hiërarchie tussen
vertrekken. Een gezinswoning heeft een grote of twee kleinere woonkamers, een redelijk
grote ouderslaapkamer en een of meer kleinere (kinder)slaapkamers. Deze hiërarchie sloot .
kennelijk goed aan bij de behoeften van de bevolking, die tot voor enkele decennia voor de
overgrote meerderheid uit gezinnen bestond.
Recent onderzoek
Ook nu nog worden de meeste woningen gebouwd met een hiërarchische verhouding tussen
de vertrekken. Met de opkomst van andere huishoudenstypen dan gezinnen, het wijzigen van
onderlinge relaties tussen volwassenen en de toenemende nadruk op individuele privacy, zijn
deskundigen in met name emancipatiekringen gaan pleiten voor het realiseren van woningen
met meer gelijkwaardige en daardoor multi-functionele woonplekken (o.a. Bloeme et al.,
1987; Heere, 1987; Ter Horst et al., 1987; PPD-NH, 1989). Een behoefte van bewoners aan
qua grootte gelijkwaardige woonvertrekken werd in de bestudeerde onderzoeksrapporten
echter niet aangetroffen (zie subparagraaf 3.3.5). Het belangrijkste punt van kritiek op de
'andere woning' van architecte Luzia Hartsuyker, een woning met gelijkwaardige woon-
vertrekken en een flexibele wand, is het ontbreken van een ruimte die groot genoeg is om
als gemeenschappelijke ruimte te fungeren. De maximale vertrekgrootte van 17 à 18 m
2
achtten de bewoners onvoldoende, kleine huishoudens evenzeer als grotere (Van Hintum et
al. , 1989).
Zoals in paragraaf 3.3 aangegeven, letten woonconsumenten in het zoek-en afwegingsproces
veel meer op de grootte van de gemeenschappelijke woonkamer dan op de grootte van de
slaapkamers. Er lijkt nog onverminderd behoefte te bestaan aan gemeenschappelijkheid in het
huishouden en daarmee aan een grote gezamenlijke ruimte. Wel is daarnaast privacy van
groot belang. Een eigen slaapkamer voor iedereen en als het enigszins kan een extra kamer
voor logées en diverse activiteiten worden als normaal beschouwd. Die kamers hoeven echter
niet bijzonder groot te zijn. Uit de bestudeerde onderzoeken is niet op te maken in hoeverre
woonconsumenten, als zij op de totale hoeveelheid ruimte zouden moeten bezuinigen, kiezen
voor een kleinere woonkamer of minder (ruime) slaapkamers, noch aan welke vertrekken zij
indien mogelijk vierkante meters zouden toevoegen.
Huishoudens met meerdere volwassenen die min of meer onafhankelijk van elkaar in dezelfde
woning leven, hechten wel veel waarde aan meer gelijkwaardige woonvertrekken (De Bont,
1992). Zij vormen echter (nog) maar een fractie van het totaal aantal huishoudens, waardoor
hun stem in onderzoeksresultaten nauwelijks doorklinkt. Er valt echter een toename van deze
groep te verwachten. Er zijn steeds meer jongeren die, alvorens alleen te gaan wonen of te
69
gaan samenwonen of trouwen, met een aantal andere jongeren in een huis willen wonen
(CBS, 1994). Ook onder ouderen komen woongroepen in allerlei variaties steeds meer voor.
Daarnaast neemt, mede door de vergrijzing, het aantal huishoudens toe waarin partners meer
onafhankelijk van elkaar willen leven (Nelissen, 1992).
3.4.3 Relaties tussen vertrekken
Ouder onderzoek
De voorkeuren ten aanzien van relaties tussen vertrekken beschrijft De Jonge aan de hand
van de meest voorkomende woonvormen en de ontwikkelingen daarin.
Het herenhuis uit de jaren dertig kenmerkte zich door een vergaande ruimtelijke scheiding
van de verschillende woonfuncties, waarbij alle vertrekken afzonderlijk via gangen bereikbaar
waren (De Jonge, 1964d). De aanwezigheid van een tweede woonvertrek-en-suite was in die
tijd kenmerkend voor de middenstandswoning, terwijl deze ook in arbeiderswoningen vrij
veel voorkwam (De Jonge, 1960b).
De zogenaamde doorzonwoning van na de oorlog sluit hier betrekkelijk nauw bij aan, zij het
dat de tweede woonkamer is komen te vervallen (De Jonge, 1959b). Dit werd in de jaren
zestig door de bewoners niet als bezwaarlijk ervaren (zie ook subparagraaf 3.3.3) . Zij
waardeerden het doorzontype vanwege het licht, het uitzicht naar twee kanten en het gevoel
van ruimte dat de doorlopende kamer geeft. De woningen werden in het algemeen traditio-
neel ingericht, dat wil zeggen met de zithoek aan de representatieve kant en de eettafel aan
de informele achterzijde (De Jonge, 1959b).
De naoorlogse eenbeukige plattegrond, waarbij de keuken en de berging aan de voorzijde en
de woonkamer over de gehele breedte van het huis aan de achterzijde zijn gelegen, breekt
met de gebruikelijke horizontale polariteit van een representatieve straatzijde en een informele
tuinzijde. De werkfuncties liggen nu aan de voorzijde en de woonkamer aan de achterkant
van de woning. Deze zogenaamde tuinkamerwoning leent zich in het bijzonder voor open
bebouwing, waarbij alle woonkamers aan de zonzijde worden gesitueerd (De Jonge, 1959b).
Over de indeling van deze woning verschilden de bewoners van mening. De ruime toetreding
van licht en zon in de op het zuiden gelegen woonkamer werden gewaardeerd, evenals de
koele keuken en de compacte indeling, waarbij woonkamer, keuken en berging dicht bij
elkaar zijn gelegen. Het ontbreken van een duidelijk verschil tussen de voor- en achterzijde
van het huis, het weinig aantrekkelijke uitzicht vanuit de woonkamer en het ontbreken van
visueel contact met de straat werden als nadelen beschouwd. De verkeers-travee tussen
berging en tuin via de woonkamer werd in dit onderzoek niet als bezwaar genoemd (De
Jonge, 1959b). In een latere publikatie noemt De Jonge (1964d) als nadelen van verkeers-
traveeën door vertrekken de beperkte mogelijkheden om meubels te plaatsen en de inbreuk
op het ongestoorde gebruik van de ruimte. Overigens speelden niet alleen functionele
aspecten een rol in de kritiek op de tuinkamerwoning en het ontbreken van kritiek op de
doorzonwoning. Hierbij was ook van belang dat bewoners de traditionele doorzonwoning als
vanzelfsprekender ervoeren dan het tuinkamertype (De Jonge, 1973a). De voordelen van
beide woonvormen worden gecombineerd in een plattegrond met een L-vormige woonkamer.
Voor veel huishoudens is dat echter financieel geen haalbare kaart.
70
Lans (1975) vroeg in haar evaluatie-onderzoek onder bewoners van nieuwbouwwoningen in
Maastricht naar de voorkeuren ten aanzien van een aantal specifieke relaties. De responden-
ten bleken meer directe relaties te verkiezen dan in de eigen woonsituatie aanwezig waren.
Onder directe relaties werden open verbindingen verstaan en verbindingen via een deur of
schuif- of vouwwand. Helemaal open verbindingen wensten velen tussen koken, eten en
zitten, terwijl een deur werd gewenst tussen de hoofd slaapkamer en de badkamer. Deze voor-
keuren sluiten nauw aan bij de sterke opkomst van de open plattegrond in de jaren zeventig.
Recent onderzoek
Deskundigen die pleiten voor het bouwen van woningen met vertrekken van gelijke
afmetingen benadrukken daarbij dat de verschillende woonvertrekken onafhankelijk van
elkaar via gemeenschappelijke verkeersruimte bereikbaar moeten zijn. Hiermee wordt
tegemoet gekomen aan de behoefte aan privacy van de leden van het huishouden.
Woonconsumenten delen dit idee; zij hebben duidelijk voorkeur voor onafhankelijk van
elkaar bereikbare woonvertrekken. Zij vinden het onder andere belangrijk dat een trap in de
hal wordt gesitueerd en niet in de woonkamer, zoals vooral in de jaren zeventig vaak
voorkwam (Van Kempen et al., 1994). Overigens speelt daarbij, naast de voorkeur voor
onafhankelijk bereikbare vertrekken, ook het verdwijnen van warmte via het trapgat een rol.
In diverse onderzoeken wordt aandacht besteed aan een aantal specifieke relaties tussen
vertrekken. Vooral de vraag of men een gesloten keuken wenst of een open verbinding tussen
keuken en woonkamer komt in menig woonwensenonderzoek aan de orde. In het zoek- en
afwegingsproces speelt de verbinding tussen keuken en woonkamer een bescheiden rol.
De preferenties voor een open of juist een gesloten keuken verschillen, waarbij er geen
samenhang met huishoudenskenmerken lijkt te zijn. Als grote nadelen van een open keuken
worden de etensluchtjes in de woonkamer en het zicht vanuit de woonkamer op een rommelig
aanrecht beschouwd (Van der Werf, 1989). Aan dat laatste valt tegemoet te komen door het
aanrecht middels bijvoorbeeld een halfhoog muurtje aan het zicht te onttrekken. Mechanische
ventilatie zou verspreiding van etensluchtjes kunnen voorkomen. Sommige woonconsumenten
beschouwen de mogelijkheid tot contact vanuit de keuken met degenen in de woonkamer als
een voordeel van een open keuken, anderen hebben daaraan juist geen behoefte.
De meerderheid van de woonconsumenten heeft tegenwoordig voorkeur voor een gesloten
keuken, waarbij de mogelijkheid om er te kunnen eten hoog wordt gewaardeerd. In de
verschillende onderzoeken heeft ongeveer de helft van de respondenten voorkeur voor een
gesloten en eenderde deel voorkeur voor een open keuken (Van Kempen et al., 1994;
Rongen, 1991; Wassenberg et al., 1994).
In kleine woningen in de sociale sector is het meestal niet mogelijk om ruime keukens te
realiseren. Juist in kleine woningen heeft een open keuken daarom een aantal voordelen.
Allereerst is er de ruimtelijke werking: de woonkamer lijkt groter als de keuken erbij is
getrokken. Daarnaast maakt een open verbinding tussen keuken en woonkamer een efficiënter
gebruik van de ruimte mogelijk. Als de eettafel in de buurt van de keuken staat, combineert
dat het gemak van eten nabij de plek waar de maaltijd wordt bereid met de gezelligheid of
formelere status van het verblijven in de woonkamer. Uit het bestudeerde materiaal is niet
duidelijk geworden hoe bewoners van kleinere woningen deze voordelen van een open
71
keuken afwegen tegen de nadelen. De VAC' s ondervinden slechts dat ook onder de bewoners
van kleinere woningen de preferenties verschillen (Kuijpers, 1993).
Naast de relatie tussen de woonkamer en de keuken wordt in onderzoek ook nog weleens
aandacht besteed aan de verbindingen tussen de woonkamer en de slaapkamers. In de
traditionele eengezinsrijenwoningen zijn de functies wonen en slapen ruimtelijk van elkaar
gescheiden doordat de woonkamer op de begane grond en de slaapkamers op de verdieping
zijn gesitueerd. Ook in flatwoningen zijn de woonkamer en (een deel van) de slaapkamers
veelal door een bufferzone van elkaar gescheiden. Door een dergelijke verticale of
horizontale polariteit kunnen verschillende activiteiten tegelijkertijd plaatsvinden, zonder
elkaar te hinderen. Kinderen kunnen bijvoorbeeld ongestoord slapen, terwijl hun ouders in
de woonkamer bezig zijn.
Vooral voor ouderen kan het echter van belang zijn dat de woonkamer en een (hoofd)slaapka-
mer aan elkaar grenzen en via een (schuif)deur met elkaar verbonden zijn. In geval van lang-
durige bedlegerigheid is dan gemakkelijk contact vanuit de slaapkamer met huisgenoten en
bezoek in de woonkamer mogelijk. Een dergelijke relatie wordt ook aanbevolen in het
Seniorenlabel (SEV, 1994). In dit geval is er dus sprake van attractie in plaats van repulsie
tussen woonkamer en slaapkamer. Verschillende activiteiten kunnen dan gemakkelijk volg-
tijdelijk plaatsvinden. Het Seniorenlabel waardeert tevens de aanwezigheid van rechtstreekse
verbindingen van de slaapkamer met de badkamer en het toilet positief.
Nog belangrijker dan rechtstreekse verbindingen van de slaapkamer met de woonkamer, de
badkamer en het toilet, is voor veel ouderen dat deze ruimten en voorzieningen zich op één
verdieping bevinden. Aan het belang van traploze relaties voor ouderen is in paragraaf 3.2
over de woonvorm al aandacht besteed. Andere huishoudens waarderen gelijkvloersheid
merendeels positief, maar traplopen is voor hen geen zwaarwegende factor (Wassenberg et
al., 1994).
3.4.4 Veranderbaarheid van de woningindeling
Van veranderbaarheid of flexibiliteit is sprake indien een woning veel verschillende gebruiks-
en inrichtingsmogelijkheden toelaat en gemakkelijk kan worden aangepast aan veranderende
behoeften (De Vreeze, 1993). Als doel van veranderbaarheid noemen Boerman et al. (1992)
het geven van een zekere keuzevrijheid aan de bewoner ten aanzien van de indeling en het
gebruik van de woning, zowel op het moment dat deze de woning in gebruik neemt als
tijdens de bewoning.
Er kan onderscheid worden gemaakt tussen veranderbaarheid zonder bouwkundige ingrepen,
veranderbaarheid met lichte bouwkundige ingrepen zonder tussenkomst van de vakman en
veranderbaarheid met zwaardere bouwkundige ingrepen met tussenkomst van de vakman
(Boerman et al. , 1992). Sommige auteurs gebruiken het woord flexibiliteit uitsluitend als het
gaat over veranderbaarheid met bouwkundige ingrepen. In deze paragraaf gebeurt dat niet
en wordt aangesloten bij het onderscheid dat Oskam en De Vreeze (1992) maken tussen
gebruiksflexibiliteit en indelingsflexibiliteit. Er is sprake van een gebruiksflexibele woning,
indien het gebruik en de indeling kunnen worden veranderd zonder bouwkundige wijzigingen.
Dit is het geval bij woningen met gelijkwaardige en multifunctionele ruimten. Bij indelings-
72
flexibiliteit kunnen het gebruik en de indeling van de woning slechts worden veranderd door
(eenvoudige) bouwkundige maatregelen, met name het verplaatsen, verwijderen of toevoegen
van binnenwanden. In plaats van gebruikflexibiliteit en indelingsflexibiliteit gebruiken Oskam
en de Vreeze ook wel de begrippen 'veranderbaar gebruik' resp. ' veranderbare woning'.
Ouder onderzoek
Rond 1970 werd experimenteel gestreefd naar een hogere mate van flexibiliteit van
woningen, door het scheiden van draagconstructies en scheidingswanden, het toepassen van
schuifwanden en dergelijke. Deze flexibiliteit was niet altijd in de eerste plaats op de
bewoners gericht. Zo was het in de jaren zestig toegepaste ERA-systeem, waarbij de
woningen in één keer werden overspannen, vooral bedoeld voor de exploitant. Deze zou de
woningen zonder dragende binnenmuren na verloop van tijd gemakkelijk kunnen aanpassen
aan gewijzigde omstandigheden (Priemus, 1970). Waar bewoners wel zelf hun woningen
konden veranderen, werd dat in het algemeen positief gewaardeerd (De Jonge, 1970).
Recent onderzoek
Uit recent woonvookeurenonderzoek wordt niet duidelijk in hoeverre huishoudens waarde
hechten aan veranderbaarheid van de woning, al dan niet met bouwkundige ingrepen. Hun
behoefte lijkt niet erg groot. Weliswaar melden diverse onderzoekers dat bewoners vrije
indeelbaarheid en veranderbaarheid van de indeling op prijs stellen of belangrijk vinden
(SAR, 1989; Schoorl en Klüppel , 1988; Wassenberg et al. , 1994). Indien zij echter priori-
teiten moeten stellen, blijkt indelingsflexibiliteit van de woning heel laag te scoren. Dit geldt
zowel in het zoek- en afwegingsproces van verhuisgeneigde huishoudens als voor zittende
huishoudens die een onveranderbare woning bewonen (Rongen, 1991; Woonbond, 1994).
Wellicht speelt onbekendheid met (de voordelen van) flexibele woningbouw een rol.
Bewoners die in een aantal experimenten met vormen van indelingsflexibiliteit de voordelen
aan den lijve ondervonden, waren juist overwegend enthousiast (Van Asseldonk, 1993; Back,
1991).
Reeds eerder werd geconstateerd dat de meeste huishoudens geen behoefte hebben aan
gebruiksflexibiliteit in de zin van gelijkwaardige woonplekken. Men geeft de voorkeur aan
de gebruikelijke hiërarchie van woonkamer, hoofdslaapkamer en overige slaapkamers. Binnen
een beperkt budget willen huishoudens hun behoefte aan individuele privacy niet ten koste
laten gaan van hun behoefte aan een grote gezamenlijke woonkamer. Ook kunnen traditie en
onbekendheid met de voordelen van woningen met gelijkwaardige woonplekken hierbij een
rol spelen.
Een groep die duidelijk baat kan hebben bij zowel gebruiks- als indelingsflexibiliteit vormen
de ouderen. Voor ouderen kan flexibiliteit de voorwaarden scheppen om langer zelfstandig
in de eigen woning te kunnen blijven wonen, ook als men te maken krijgt met verminderde
vitaliteit, langdurige ziekte enlof inwonende hulpverleners. Flexibel in gebruik zijn
bijvoorbeeld woningen met een extra ruimte, waarvan het gebruik niet bij voorbaat vastligt.
Een tijdelijk inwonende hulpverlener kan van deze kamer gebruik maken. Als de extra ruimte
aan de woonkamer grenst en daarmee in verbinding kan worden gesteld, biedt dit de
mogelijkheid aan een bedlegerige oudere om zich naar keuze af te sluiten van danwel in
verbinding te stellen met degene(n) in de woonkamer (Nelissen, 1992; SEV, 1994). Met
redelijk eenvoudige bouwkundige ingrepen is bovenstaand effect ook te bereiken, indien met
73
een grote woonkamer heeft, waarvan een gedeelte als slaapkamer kan worden ingericht (Van
de Donk, 1990). Naannate er minder woonoppervlak ter beschikking is, neemt het belang
van een uitgekiend ontwerp dus toe (zie ook Kempen (red.), 1994).
Meer nog dan gebruiks- en indelingsflexibiliteit, is juist voor ouderen aanpasbaarheid van de
woning van belang. Een aanpasbare woning is een woning die niet op voorhand speciaal is
aangepast en bestemd voor gehandicapten, maar zodanig is ontwerpen dat latere aanpassingen
op eenvoudige en daardoor relatief goedkope wijze kunnen plaatsvinden wanneer een
bewoner gehandicapt raakt (NWR, 1992). In niet-aangepaste vorm zijn aanpasbare woningen
bezoekbaar door mensen met een handicap, waaronder rolstoelgebruikers.
Het is opvallend, dat ouderen zelf nauwelijks direct wordt gevraagd naar hun preferenties ten
aanzien van aanpasbaarheid. Recentelijk is dit wel gebeurd bij verschillende groepen
lichamelijk gehandicapten (Van der Voordt et al. , 1995). Over de prioriteit die ouderen geven
aan aanpasbaarheid in vergelijking met andere woningkenmerken zijn mij echter geen
gegevens uit woonvoorkeurenonderzoek bekend. Groot voordeel van een aanpasbare woning
is dat de belangrijkste ruimten en voorzieningen gelijkvloers zijn of kunnen worden gemaakt.
Het lijkt daarom evident dat ouderen veel waarde hechten aan aanpasbaarheid. Hierdoor
kunnen zij immers gemakkelijker hun allerbelangrijkste woonwens realiseren, namelijk zo
lang mogelijk zelfstandig in de eigen woning blijven wonen. Dat deskundigen het belang van
aanpasbaar bouwen zo sterk benadrukken heeft te maken met de hoge maatschappelijke
kosten die zijn gemoeid met het aanpassen van gewone woningen in het geval de bewoner
gehandicapt raakt. Lichamelijke handicaps beperken zich uiteraard niet tot ouderen, maar hun
kans hierop is wel aanzienlijk groter dan die van jongere mensen. Mede met het oog op de
vergrijzing zijn verschillende gemeenten en corporaties er toe overgegaan om in de sociale
huursector uitsluitend nog aanpasbaar te (laten) bouwen en renoveren.
De toegevoegde waarde van flexibiliteit is grotendeels afhankelijk van de hoeveelheid ruimte
in een woning. Naar aanleiding van hun onderzoek naar verplaatsbare kastenwanden in HAT-
eenheden concluderen Steffen en Vrielink (1986), dat flexibiliteit in de zin van verplaatsbare
elementen alleen nut heeft als de woning voldoende groot is. Het veranderen van de grootte
van vertrekken bleek alleen interessant onder voorwaarde van bepaalde minimumafmetingen
van elk vertrek afzonderlijk. Overmaat blijkt niet alleen, zoals Priemus (1968) aangeeft, de
beste flexibiliteit te zijn. Voldoende ruimte is tegelijkertijd een randvoorwaarde om wanden
zinvol te verplaatsen. Dit zou betekenen dat de behoefte aan indelingsflexibiliteit afneemt met
de mogelijkheden daartoe.
Behalve met de grootte van de woning, hangt het belang van indelingsflexibiliteit ook samen
met de eigendomsverhouding. Eigenaar-bewoners, die overigens gemiddeld grotere woningen
bewonen, ondervinden relatief weinig beperkingen van juridische aard indien zij de indeling
van hun niet-flexibele woning toch wensen te wijzigen. Huurders hebben in het algemeen de
verplichting om het gehuurde bij vertrek weer in de oorspronkelijke staat op te leveren. Dit
stimuleert niet om te investeren in allerlei dure bouwkundige aanpassingen, voor zover dat
al is toegestaan. Voor huurders is het dus slechts in zeer beperkte mate mogelijk om hun
woning aan te passen aan de eigen smaak enlof ruimtebehoefte. Een flexibele woning en dito
verhuurder betekenen voor huurders een forse toename van de bewoningsvrijheid.
Vooralsnog lijkt soepeler regelgeving ten aanzien van het aanbrengen van veranderingen in
74
gewone huurwoningen een minstens even belangrijke woonwens als een flexibele woning
(Gerlof, 1993; Metselaar, 1994). Overigens blijken zelfs experimenten met flexibiliteit te
kunnen stuklopen op door de beheerder opgelegde beperkingen, zoals de plicht om
veranderingen te melden en bij verhuizing terug te brengen in de oude staat (Motmans et al. ,
1991; Steffen en Vrielink, 1986).
De woongeriefonderzoeken van de VAC's bevestigen dat eigenaar-bewoners veel meer aan
hun woningen veranderen dan huurders (Kuijpers, 1993; Munneke, 1994). De meest voor-
komende veranderingen in nieuwe woningen zijn het plaatsen van een tweede toilet, het
bijplaatsen van keukenkastjes en het bouwen van een schuurtje. Het gaat dus niet om
veranderingen aan de indeling van de woning. Hierbij moet bedacht worden dat de woon-
geriefonderzoeken één à twee jaar na oplevering worden afgenomen. In het algemeen vinden
meer ingrijpende aanpassingen pas na een langere woonduur plaats.
Uit het onderzoek van Van Kempen et al. komt naar voren, dat bewoners van kleine
woningen meer belang toekennen aan de indeling van de woning dan bewoners van grotere
woningen. "Als er voldoende leefruimte is en de noodzakelijke voorzieningen aanwezig zijn,
dan wen je er wel aan of je past je aan", zo verklaren respondenten het geringe belang dat
zij aan de indeling van de woning toekennen (Kempen (red.), 1994). De geringe belang-
stelling voor indelingsflexibiliteit is kennelijk een gevolg van de neiging om de bestaande
indeling te aanvaarden en zich eraan aan. te passen. De mate van aanpassing kent overigens
grenzen: in een experiment met extreem open plattegronden in Berlijn plaatste bijna
tweederde van de respondenten zelf een gordijn bij wijze van gangafscheiding (De Jonge,
1964d).
In de bestudeerde onderzoeken is geen verband gevonden tussen het belang dat men aan
flexibiliteit toekent en kenmerken van het huishouden. Wel kwam uit verschillende evaluaties
van woningen met flexibele wanden naar voren, dat de manier waarop huishoudens gebruik
maken van de geboden flexibiliteit mede afhankelijk kan zijn van het aantal leden. Kleine
huishoudens waren het meest geneigd om wanden weg te halen of schuifdeuren open te
zetten, terwijl grotere huishoudens wanden veelal lieten staan resp. schuifdeuren dicht lieten
(Back, 1991; van Hintum, 1989). Deze bevindingen onderstrepen het grote belang dat
huishoudens toekennen aan eigen territoria voor de verschillende leden van het huishouden
en een ruimtelijke scheiding van hun activiteiten.
3.5 Bouwfysische aspecten
De bouwfysische aspecten van de woning, die vanuit bewonersoogpunt van belang zijn en
in deze paragraaf aan de orde komen, zijn achtereenvolgens verwarming, warmte-isolatie,
ventilatie, geluidsisolatie en keuken- en sanitaire voorzieningen.
3.5.1 Verwarming
Ouder onderzoek
Was centrale verwarming vóór de tweede wereldoorlog vrijwel uitsluitend te vinden in de
woningen van welgestelden, in de jaren vijftig waren een of twee centraal verwarmde
75
vertrekken in woningwetwoningen geen uitzondering meer (De Jonge, 1960b). Binnen
bepaalde kostengrenzen werd deze voorziening door de meeste bewoners zeer op prijs
gesteld. Het belangrijkste voordeel ten opzichte van kachels vond men het grotere comfort:
geen stof en as, geen gesjouw met kolen, constante en regelmatige warmte, betere mogelijk-
heden voor het drogen van de was en een grotere veiligheid voor jonge kinderen. De hogere
kosten werden als een nadeel beschouwd, evenals de 'droge' warmte, de onmogelijkheid om
eens even extra hard te stoken en de verminderde gezelligheid (Centrale Directie
Volkshuisvesting, 1956). Bewoners vroegen in het algemeen niet om centrale verwarming
van alle vertrekken in de woning. Huishoudens met hogere inkomens wensten dat vaak wel,
hetgeen samenhing met hun grotere financiële draagkracht en hun behoefte aan ruimte voor
studie, huiswerk en nevenarbeid (De Jonge, 1960b).
In de jaren zestig begint de toepassing van centrale verwarming in alle vertrekken van de
woning algemeen ingang te vinden. In 1968 werd 57% van alle nieuwe eengezinshuizen en
99% van alle woningen in meergezinshuizen van c. v. voorzien (De Jonge, 1970). In de jaren
zestig en zeventig vormde de afwezigheid van centrale verwarming een belangrijk verhuis-
motief (Priemus, 1970). Brouwer en Tacken (1978) legden in hun onderzoek een lijstje van
24 kenmerken van woning en woonomgeving aan hun respondenten voor, met de vraag welke
zij het belangrijkst zouden vinden in geval van verhuizing naar een nieuwe wijk. Aan de aan-
wezigheid van centrale verwarming in de woning kenden de respondenten de allerhoogste
prioriteit toe. Het belang dat men eraan toekende nam toe met de leeftijd. Ook hechtten in
dit onderzoek de hogere inkomensgroepen nog meer waarde aan c. v. dan de anderen.
Volgens Brouwer en Tacken zou dat vooral met de kosten te maken kunnen hebben. Er
waren geen verschillen in prioriteiten tussen huishoudens met en zonder kinderen in dezelfde
leeftijdscategorie.
In het onderzoek van Kuylen (1980) was centrale verwarming van belang in de drempelfase.
Dit betekent dat het een zodanig belangrijk woningkenmerk werd gevonden, dat het niet of
nauwelijks door andere woningkenmerken kon worden gecompenseerd.
Recent onderzoek
Centrale verwarming heeft in de loop der jaren in plaats van een satisfier- steeds meer een
dissatisfier-karakter gekregen. In plaats van de c. v. zijn nu een open haard en vloerverwar-
ming warmtevoorzieningen die voor het merendeel van de huishoudens een satisfier-karakter
hebben. In het prioriteitenlijstje in het onderzoek van Van Wassenberg et al. (1994) komt de
aanwezigheid van centrale verwarming in de woning niet voor . Slechts zes respondenten
noemen dit spontaan als voorziening waarover men zeer zeker wenst te beschikken. Ter
vergelijking: zeven respondenten zeiden per se over een open haard te willen beschikken.
In het onderzoek van Van Kempen et al. (1994) , dat zich niet beperkt tot de boven-modale
inkomensgroepen, lijkt de aanwezigheid van centrale verwarming nog wel een rol van enige
betekenis te spelen. In het prioriteitenlijstje met woningkenmerken komt het type verwarming
op de veertiende plaats. Niet duidelijk is in hoeverre het hier gaat om voorkeuren voor
centrale verwarming of voor bijvoorbeeld een open haard of vloerverwarming. Gezien de
samenstelling van de groep respondenten en hun overige woonwensen, mag echter worden
aangenomen dat de meesten bij dit woningkenmerk centrale verwarming op het oog hebben.
Veel oudere woningen zijn inmiddels van centrale verwarming voorzien. De afwezigheid van
76
centrale verwanning in de huidige woning wordt tegenwoordig dan ook zelden meer als
verhuisreden genoemd. In verkoopadvertenties van makelaars en in woonkranten van sociale
verhuurders wordt bij oudere woningen wel altijd expliciet de aanwezigheid van centrale
verwanning genoemd. De afwezigheid van deze voorziening zou immers wel kunnen leiden
tot afwijzing van de woning.
In de nieuwbouwwoningen waar de VAC's hun woongeriefonderzoeken houden, is nagenoeg
altijd centrale verwarming aanwezig. Zo'n 80 à 90% van de respondenten is tevreden met
het aantal, de plaats en de capaciteit van de radiatoren en de plaats van de thennostaat.
Degenen die minder tevreden zijn noemen de te geringe capaciteit van de verwannings-
elementen in de slaapkamers en het ontbreken van thennostaatknoppen op de radiatoren
(Kuijpers, 1993; Munneke, 1994). Het is aannemelijk dat dat vooral problematisch is voor
huishoudens waar thuis wordt gestudeerd of gewerkt of in een slaapkamer hobby's worden
uitgeoefend.
3.5.2 Warmte-isolatie
Ouder onderzoek
In ouder onderzoek komt warmte-isolatie niet of nauwelijks ter sprake. Pas sinds de
energiecrisis van begin jaren zeventig is wannte-isolatie een onderwerp van discussie. Het
is in enkele jaren tijd een zeer belangrijk woningkenmerk geworden, getuige de resultaten
van onder meer het onderzoek van Progresbouw Research (1981) naar prioriteiten en
mogelijkheden tot bezuinigen op het wonen. Slechts 17 % van de respondenten was bereid
op de wannte-isolatie te bezuinigen. Degenen die niet wilden bezuinigen, voerden als reden
in de eerste plaats de kostenbesparing op lange termijn aan. Bezuinigen op wannte-isolatie
is slechts een schijnbezuiniging. Als tweede reden werd de energiebesparing genoemd.
Respondenten met een hogere opleiding waren nog minder geneigd hierop te bezuinigen dan
mensen met een lagere opleiding.
Recent onderzoek
Het Bouwbesluit stelt aan de wannte-isolatie van nieuwe woningen hoge eisen. Naast de
overheid hechten ook woonconsumenten zelf waarde aan warmte-isolatie en andere energie-
besparende maatregelen, met name indien die hen een kostenbesparing enlof comfortver-
hoging opleveren.
Bij het zoeken van een woning lijkt de wannte-isolatie niet zo vreselijk belangrijk te worden
gevonden. De respondenten in het onderzoek van Van Kempen et al. beschouwen een goed
geïsoleerde woning als aantrekkelijk, maar niet als absolute of relatieve voorkeur (Van
Hoorn, 1994). In het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) is niet gevraagd naar de
interesse voor wannte-isolatie en andere milieusparende maatregelen die zichzelf terug-
verdienen. Slechts negen respondenten noemden dit spontaan als iets wat zeer zeker aanwezig
moet zijn in de woning.
Op het prioriteitenlijstje van woningkenmerken in het onderzoek dat de Woonbond (1994)
hield onder zittende bewoners, staat een goed geïsoleerde, energiezuinige woning op de derde
plaats en daannee veel hoger dan bijvoorbeeld het woningtype, een tuin en een grote
woonkamer. Hiervoor zijn de volgende verklaringen denkbaar, die in elkaars verlengde
77
liggen. De eerste zou kunnen zijn dat de respondenten, een aselecte groep van voornamelijk
actieve huurders, relatief oude, slecht geïsoleerde woningen bewonen. De slechte wannte-
isolatie is dan een punt van ergernis. De tweede verklaring kan zijn, dat de respondenten in
dit onderzoek juist die woningkenmerken belangrijk zeggen te vinden, waaraan de verhuurder
iets zou kunnen verbeteren. Dat is met bijvoorbeeld het woningtype, de afwezigheid van een
tuin en de grootte van de woonkamer niet of nauwelijks het geval. Die kenmerken zijn
inmiddels geaccepteerd of men heeft de woning juist heel bewust daarop geselecteerd. Een
gebrekkige wannte-isolatie daarentegen blijft een dagelijkse ergernis.
Het verschil in belang dat zoekende en zittende bewoners aan wannte-isolatie toekennen,
bevestigt het dissatisfier-karakter van dit woningkenmerk.
Er zijn mij geen recente gegevens bekend over verschillen in het belang dat huishoudens
toekennen aan wannte-isolatie. Er is geen reden om te veronderstellen dat die verschillen
groot zijn. Dat energiesparende maatregelen zichzelf op den duur terugverdienen is
inmiddels, mede onder invloed van overheidsvoorlichting en -subsidies, tot brede lagen van
de bevolking doorgedrongen. Het ligt daarom voor de hand dat de verschillen tussen mensen
met hogere en lagere opleidingsniveaus, die uit het onderzoek van Progresbouw Research
naar voren kwamen, zijn venninderd of verdwenen.
3.5.3 Ventilatie
Ouder onderzoek
In de publikaties van De Jonge wordt aan de ventilatie van woningen nauwelijks of geen
aandacht besteed. Kennelijk was de natuurlijke ventilatie van woningen sinds de invoering
van de Woningwet goed geregeld. Uit woonsatisfactie-onderzoeken komen geen (spontane)
klachten naar voren. Open keukens en mechanische ventilatie bestonden nog niet en waren
dus ook geen onderwerp van discussie in woonvoorkeurenonderzoek.
Pas in de jaren tachtig, wanneer tijdens de zogenaamde ' nationale kierenjacht' het wannte-
verlies uit woningen op grote schaal wordt tegengegaan, wordt ventilatie een actueel punt.
De natuurlijke ventilatie stagneert door de toegepaste isolatiemaatregelen en in woningen
hoopt zich overtollig vocht op. De toepassing van mechanische ventilatie lost dit probleem
op, maar brengt weer andere problemen, met name tocht, met zich mee. In hun onderzoek
van 1983 beschouwen Driessen en Beereboom een vocht- en tochtvrije woning dan ook als
een basisvoorziening.
Recent onderzoek
In het zoek- en afwegingsproces van verhuisgeneigde huishoudens lijkt ventilatie geen rol van
betekenis te spelen; het komt noch in het onderzoek van Van Kempen et al. (1994) , noch in
dat van Wassenberg et al. (1994) aan de orde.
Des te meer ergeren zittende bewoners zich aan gebrekkige prestaties op dit punt. Geheel in
de lijn van de bevindingen van Driessen en Beereboom (1983) , staat een vocht- en tochtvrije
woning nummer één op het prioriteitenlijstje in het onderzoek van de Woonbond (1994) .
Volgens de woongeriefonderzoeken van de VAC's leidt de toepassing van mechanische
ventilatie tot tal van klachten. Vocht is vooral een probleem in de natte ruimten van
eengezinsrijenwoningen. Van alle respondenten noemt ruim 40% de ventilatie van de keuken
78
een knelpunt. De klachten betreffen het centrale afzuig systeem dat tocht veroorzaakt en
lawaai maakt. Bewoners kunnen de ventilatie zelf onvoldoende regelen en het systeem blaast
etensluchtjes van andere woningen in de woning. Ook de ventilatie via een keukenraampje
achten velen die daarover beschikken onvoldoende regelbaar (Kuijpers, 1993; Munneke,
1994).
Behalve de ventilatie van de keuken acht zo'n 20% van de respondenten ook die van de
badkamer en het toilet onvoldoende. Zij missen een raam voor natuurlijke ventilatie
(Kuijpers, 1993; Munneke, 1994). Het lijkt erop dat huishoudens voorkeur hebben voor
natuurlijke boven mechanische ventilatie. Dit kan mede de voorkeur van huishoudens voor
natte ruimten aan de gevel in plaats van inpandig verklaren. Ook de voorkeur voor een
afsluitbare keuken, waarin een raam of deur kan worden opengezet zonder daarvan in de
woonkamer hinder te ondervinden, hangt hier wellicht mee samen.
Er is geen samenhang gevonden tussen huishoudenskenmerken en het belang dat men aan
ventilatie toekent. Er is ook geen reden om een dergelijke samenhang te veronderstellen.
3.5.4 Geluidsisolatie
Er kunnen drie soorten geluidsoverlast worden onderscheiden. Dit zijn geluidsoverlast van
buiten de woning of het woongebouw, geluidsoverlast tussen aangrenzende woningen of
binnen het woongebouw en geluidsoverlast binnen de woning. Volgens een onderzoek van
TNO naar geluidshinder in Nederland wordt diverse soorten verkeerslawaai als de meest
hinderlijke geluiden ervaren (De Jong, 1989). Uit diverse andere onderzoeken daarentegen
komt naar voren dat men geluid van de buren erger vindt dan de andere soorten geluid
(Progresbouw Research, 1981; Van Kempen et al, 1994). Hoe het ook zij , in onderzoek naar
woonvoorkeuren wordt aan geluidsoverlast tussen aangrenzende woningen in het algemeen
meer aandacht besteed dan aan straatgeluiden en geluidsoverlast binnen de woning.
Ouder onderzoek
De Jonge (1960a; 1960b) noemt geluidshinder als een van de belangrijke nadelen van flat-
woningen. Door geluidshinder wordt de zo belangrijke behoefte aan privacy tekort gedaan.
Zoals ook al in paragraaf 3.2 over de woonvorm naar voren kwam, komt De Jonge tot de
conclusie dat woonconsumenten in flatwoningen structureel meer geluidshinder ondervinden
dan in eengezinswoningen.
Brouwer en Tacken (1977) zagen dit in hun onderzoek onder bewoners van nieuwe stads-
uitbreidingen niet bevestigd. Wel bleek goede geluidsisolatie onder de respondenten een hoge
prioriteit te hebben. In het prioriteitenlijstje kwam geluidsisolatie, na centrale verwarming
en winkels voor dagelijkse inkopen, op de derde plaats (Brouwer en Tacken, 1978). Mannen
stoorden zich meer aan geluidshinder dan vrouwen, huishoudens met een hogere opleiding
meer dan die met een lagere opleiding en huishoudens zonder kinderen meer dan huishoudens
met kinderen. De laatste zijn waarschijnlijk toleranter, omdat zij zelf ook geluidsoverlast
veroorzaken. Als verklaring voor het verschil tussen mannen en vrouwen voeren de onder-
zoekers aan, dat mannen die in een lawaaiige omgeving werken thuis rust en stilte wensen,
terwijl huisvrouwen een te stille woonomgeving als een gemis aan afleiding ervaren (Brouwer
en Tacken, 1978). Aan een verklaring voor het verschil tussen hoger en lagere opgeleiden
79
wagen Brouwer en Tacken zich niet. Wellicht produceren veel hoger opgeleiden zelf niet
zoveel lawaai en zijn zij mede daardoor minder tolerant ten opzichte van degenen die wel
geluidsoverlast veroorzaken. Grotere behoefte aan rust om zich te kunnen concentreren bij
lezen of studeren kan een andere verklaring zijn.
De leeftijd had in dit onderzoek geen invloed op het belang dat werd toegekend aan
geluidsisolatie. Wel bleek de mate waarin men geluid als hinderlijk ervoer, mede af te
hangen van de mate van bekendheid met degenen die het geluid produceren. Van bekenden
accepteerde men meer dan van onbekenden (Brouwer en Tacken, 1977).
Ook uit andere onderzoeken blijkt dat huishoudens veel belang toekennen aan goede geluids-
isolatie. Driessen en Beereboom (1983) rekenen een woning zonder geluidsoverlast van buren
tot de basisvoorzieningen. Zij constateerden geen significante verschillen tussen de onder-
scheiden huishoudenstypen en inkomensgroepen. In het onderzoek van Progresbouw Research
(1981) was slechts 15% van de respondenten bereid om op de geluidsisolatie te bezuinigen.
In overeenstemming met het onderzoek van Brouwer en Tacken kwam ook uit dit onderzoek
naar voren dat mensen met een hogere opleiding en ouderen zwaarder aan geluidsoverlast
tillen dan mensen met een lagere opleiding en jongere huishoudens. Ouderen ondervinden
meer dan gemiddeld last van geluid binnen de woning en ergeren zich relatief meer aan
straatgeluiden. Anders dan in het onderzoek van Brouwer en Tacken, stoorden vrouwen zich
in dit onderzoek meer dan mannen aan geluidshinder binnen de woning
Recent onderzoek
Blijkens recent onderzoek speelt de geluidsisolatie van de woning zowel in het zoek- en
afwegingsproces als onder zittende bewoners een belangrijke rol. In het onderzoek van de
Woonbond (1994) plaatsten de respondenten geluidsisolatie op de vierde plaats in het lijstje
van belangrijke woningkenmerken. In het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) noemt
84 % van de respondenten extra goede geluidsisolatie zeer belangrijk. Ruim de helft van de
respondenten vindt dit een onmisbaar woningkenmerk. De verschillen tussen de onderschei-
den huishoudenscategorieën zijn beperkt. Uit het onderzoek van Van Kempen et al. komt
naar voren, dat huishoudens tussen 55 en 74 jaar, en oudere, traditionele gezinnen extra veel
waarde hechten aan goede geluidsisolatie. De meeste huishoudens in dit onderzoek vonden
vooral burenoverlast een probleem; straatgeluiden en verkeersoverlast werden veel minder
vaak genoemd. Burenoverlast veroorzaakt extra veel ergernis wanneer men onwetend is over
de bron enJof de reden van het geluid.
Het is opmerkelijk dat woonconsumenten in het zoek- en afwegingsproces zoveel belang
toekennen aan geluidsisolatie. Het lijkt logisch om afdoende geluidsisolatie, evenals bij-
voorbeeld goede warmte-isolatie en ventilatie, als iets vanzelfsprekends, een dissatisfier, te
beschouwen. Burenoverlast komt echter blijkbaar op zo grote schaal voor, dat men hierop
zeer alert is. Wellicht speelt daarnaast een toenemende gesteldheid op privacy en rust in een
steeds hectischer wordende omgeving een rol.
Dat geluidsoverlast op grote schaal voorkomt, blijkt onder andere uit de periodieke
onderzoeken Bewoners Nieuwe Woningen (Van Wijk et al., 1989) en de woongerief-
onderzoeken van de VAC's (Kuijpers, 1993; Munneke, 1994). In het Rijnmond-onderzoek
noemde 26% van de respondenten de gehorigheid als een van de belangrijkste knelpunten van
80
de woning (Priemus et al., 1995). Net als Brouwer en Tacken en de VAC's vonden ook deze
onderzoekers geen stelselmatige samenhang tussen het ondervinden van geluidsoverlast en
het bewonen van een meergezinshuis. Wel werd het knelpunt gehorigheid in het Rijnmond-
onderzoek vaker genoemd door bewoners van de minst geliefde woonvormen, te weten flats
zonder lift en boven- en benedenwoningen. Hieruit blijkt weer hoezeer de tevredenheid met
de woonsituatie als geheel en de tevredenheid met afzonderlijke woningkenmerken met elkaar
samenhangen.
Volgens de woongeriefonderzoeken van de VAC's veroorzaakt vooral het toilet van de buren
overlast. Maar ook contactgeluiden via harde vloeren en overlast van televisie, stereo en luid-
ruchtigheid van de buren zijn veel gehoorde klachten (Kuijpers, 193; Munneke, 1994). In het
onderzoek van De Jong (1989) werden als meest hinderlijke geluiden uit naburige woningen
achtereenvolgens genoemd de elektrische boormachine, slaande deuren, loopgeluiden, .
radiolt. v.lstereo en huisdieren.
Geluidshinder is extra vervelend voor mensen die veel tijd in de woning doorbrengen. Dit
blijkt ook wel uit het feit dat ouderen en, volgens sommige oudere onderzoeken, (huis-)
vrouwen zich meer storen aan geluidsoverlast dan jongere huishoudens en mannen. Toch is
ook in studenten- en HAT -complexen de geluidsisolatie tussen woningen een veel voor-
komend probleem (o.a. Van der Booren en Konter, 1985). Vooral studenten brengen relatief
veel tijd in de woning door. Deze jongeren hebben een omegelmatig leefpatroon, waarin zij
op variabele tijden behoefte hebben aan rust en ook op variabele tijden geluid produceren.
3.6 Uitrustingsniveau
In deze paragraaf staan voorkeuren ten aanzien van keuken- en sanitaire voorzieningen
centraal. Het is een korte paragraaf, want beide woningkenmerken komen in de bestudeerde
literatuur nauwelijks aan de orde. Dit is merkwaardig, daar het uitrustingsniveau van de
woning voor woonconsumenten bepaald geen onbelangrijk aspect is. Volgens Buys (1992)
zijn juist het comfort en de voorzieningen belangrijke redenen om voorkeur te geven aan een
nieuwbouw- boven een bestaande woning, met name voor huurders en ouderen.
3.6.1 Keuken
Ouder onderzoek
In subparagraaf 3.3.4 is de grootte van de keuken ter sprake geweest. In deze subparagraaf
gaat het over het uitrustingsniveau van de keuken. In de bestudeerde oudere onderzoeken
wordt noch over voorkeuren ten aanzien van de grootte van de keuken, noch over voorkeuren
ten aanzien van het uitrustingsniveau, iets gemeld.
Vanaf de jaren vijftig is het gebruikelijk en onder de Voorschriften & Wenken 1965
verplicht, om nieuwe woningen te voorzien van een keuken met aamecht, gootsteen en
plaatsingsruimte en aansluitingen voor een gasfornuis en een koelkast. Deze voor die tijd luxe
keukenvoorzieningen werden door de bewoners zeer gewaardeerd (De Jonge, 1960b).
81
Recent onderzoek
Ook in de bestudeerde recente woonwensenonderzoeken komt de uitrusting van de keuken
niet ter sprake, dit in tegenstelling tot de grootte ervan (zie subparagraaf 3.3.4) en de relatie
tussen keuken en woonkamer (zie subparagraaf 3.4.3). Kennelijk worden de functionele
behoeften op dit punt langzamerhand bekend verondersteld. Daarnaast is het vrij gebruikelijk
geworden dat woonconsumenten de inrichting van de keuken, evenals het sanitair, indien
mogelijk aan (laten) passen aan hun individuele smaak en de mode van het moment. Uit de
woongeriefonderzoeken van de VAC's komt naar voren dat van de bewoners van premie-
koopwoningen ruim eenderde een nieuwe keukeninrichting heeft geplaatst, tegen ongeveer
10% van de bewoners van de diverse soorten huurwoningen. Huurders wordt in toenemende
mate de mogelijkheid geboden om te kiezen uit verschillende kleuren tegels en voorzieningen
in de keuken. Zowel woonconsumenten als opdrachtgevers lijken de keuken meer en meer
als een los onderdeel van de woning te gaan beschouwen.
In het standaardbestek wordt dan ook veelal slechts een mInImUm aan voorzieningen
opgenomen. Volgens de eisen van het Bouwbesluit zijn dat tenminste een aanrecht van 1,5m
lang en 0,6 m breed, dat is voorzien van een spoelbak met kraan, alsmede een opstelplaats
voor een kooktoestel. Het is gebruikelijk en in bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam ook
verplicht om de keuken daarnaast van een opstelplaats voor een koelkast en van keukenkastjes
te voorzien.
Niet alle woonconsumenten zijn in staat of van zins om de keukeninrichting aan de eigen
smaak aan te passen. Het blijft daarom van belang dat de standaard te plaatsen keuken-
inrichting aan de belangrijkste gebruikseisen voldoet, en vooral dat de keuken voldoende
ruimte biedt. Dat dat niet altijd het geval is, blijkt uit de woongeriefonderzoeken van de
VAC's. Uit de inventarisaties van zowel Kuijpers (1993) als Munneke (1994) komt naar
voren dat ruim éénderde van de bewoners ontevreden is met de inrichting van de keuken. Zij
vinden hun keuken onpraktisch ingericht. Vaak is het aanrechtblad te klein en soms te laag,
er zijn te weinig keukenkastjes of ze zijn te hoog geplaatst, er is geen plaats voor een hoge
koelkast, er ontbreekt een afzuigkap of er zijn te weinig stopcontacten voor alle huishoude-
lijke apparatuur. Een groot probleem is het gebrek aan bergruimte in de keuken. Daarnaast
is onvoldoende toetreding van licht in de keuken, met name op de werkplek, een veel voor-
komend knelpunt (Kuijpers, 1993; Munneke, 1994). Voor mensen met een gezond lichaam
zijn deze dingen lastig. Voor mensen met een lichamelijke handicap kan juist de keuken een
onbruikbare ruimte vol obstakels vormen. Om die reden was de keuken een van de eerste
aandachtspunten in het onderzoek naar aanpasbaarheid van woningen.
3.6.2 Sanitair
Ouder onderzoek
Terwijl de duurdere middenstandswoningen in de jaren dertig gewoonlijk voorzien waren van
een badkamer, was de douchecel in arbeiderswoningen tot na 1930 een uitzondering. In
Amsterdam wordt deze voorziening in 1933 verplicht gesteld voor alle nieuwe woningen.
Daarbuiten blijft de douchecel een schaarse voorziening. De aanwezigheid van een douchecel
en vaste wastafels in nieuwe woningen was in die jaren in Amsterdam een belangrijk motief
om naar een nieuwbouwwoning te verhuizen (De Jonge, 1960b).
82
In de vijftiger jaren had de douchecel in nieuwbouwwoningen algemeen ingang gevonden.
De bewoners waardeerden deze voorziening (De Jonge, 1960b). In vergelijking met
Engeland, West-Duitsland en België was de outillage van Nederlandse nieuwbouwwoningen
bescheiden. Een ligbad was in de ons omringende landen heel gebruikelijk en werd daar ook
door de bewoners gewenst. In Nederland taande de gewone burger niet naar een ligbad (De
Jonge, 1960b). Uit later onderzoek blijkt dit culturele verschil zeer hardnekkig. Volgens
Kroon (1984) hebben ouderen in Nederland voorkeur voor een douche boven een ligbad.
Vitale ouderen die het zich kunnen permitteren verkiezen een douche met een apart ligbad.
De voorkeur voor een douche lijkt logisch, vanwege de moeilijkheden die ouderen kunnen
ondervinden bij het instappen in een bad en de grotere kans op uitglijden. In de Verenigde
Staten en Groot-Brittannië echter hebben veel ouderen voorkeur voor een bad boven een
douche, niet op grond van functionele overwegingen, maar omdat zij dat altijd zo gewend
zijn geweest (Huttman, 1977, in: Kroon, 1984). In Nederland heeft een ligbad veel meer het
karakter van een luxe-voorziening. Volgens De Jonge (1970) neemt de vraag naar ligbaden
toe bij hogere welstand, hetgeen ook geldt voor vaste wastafels in de slaapkamers.
In het onderzoek van Brouwer en Tacken (1978) genoot het kenmerk ' badkamer met ligbad'
geen enkele prioriteit. Deze onderzoekers vonden geen verschil in prioriteitsstelling tussen
de verschillende inkomensgroepen. Wellicht waren de inkomensverschillen in dit onderzoek
geringer dan in de onderzoeken die De Jonge heeft verricht.
Naast het ligbad zijn ook het belang van een tweede wastafel en een tweede toilet op de
verdieping in eengezinswoningen punten van discussie als het over woonvoorkeuren ten
aanzien van sanitair gaat. In het onderzoek van Progresbouw Research (1981) was ongeveer
de helft van de respondenten bereid om te bezuinigen op een tweede wastafel en een tweede
toilet bij bekendheid met het uit te sparen bedrag. Jongeren en huurders hechtten aan deze
zaken minder belang dan oudere respondenten en eigenaar-bewoners. Eigenaar-bewoners
kenden volgens dit onderzoek tevens meer belang toe aan een ligbad dan huurders. Het
belang dat mensen toekennen aan een tweede toilet en vooral aan een tweede wastafel en een
ligbad neemt blijkbaar toe met het voortschrijden van de wooncarrière.
Uit onderzoek van Van Essen (1981 , in: Kroon, 1984) kwam naar voren dat de meeste woon-
consumenten met slechts één toilet in hun woning, een apart toilet prefereerden boven uit-
sluitend een toilet in de badkamer. Dit om redenen van privacy en, in geval van meer-
persoonshuishoudens, het ongemak bij gelijktijdig gebruik.
Recent onderzoek
In het Bouwbesluit voor nieuwbouwwoningen wordt een afsluitbare badkamer van minimaal
1,6 m
2
met daarin ten minste een wastafel en een bad of douche met kranen vereist. Ook
dient - in de badkamer of elders in de woning - een toilet aanwezig te zijn.
Blijkens de woongeriefonderzoeken van de VAC's nemen veel huishoudens geen genoegen
met deze minimaal vereiste sanitaire voorzieningen. Vooral eigenaar-bewoners vervangen het
standaardsanitair door een luxere uitvoering, plaatsen een tweede toilet in de badkamer en
soms een tweede wastafel enJof een ligbad (Kuijpers, 1993; Munneke, 1994). Veel eigenaar-
bewoners laten dit reeds bij de oplevering als meerwerk doen. Door het aanpassen van het
83
sanitair aan de eigen smaak maken bewoners zich hun woning meer eigen. Luxere voor-
zieningen verhogen tevens de marktwaarde van de woning.
Uit het onderzoek van Van Kempen et al. (1994) komt naar voren, dat sanitaire voor-
zieningen in het geheel van de overwegingen bij het zoeken naar een nieuwe woning slechts
een bescheiden rol spelen. Goede kwaliteit van het sanitair, een douche gescheiden van het
bad, een grote badkamer en een extra badkamer worden slechts als aantrekkelijke extraatjes
beschouwd.
In het onderzoek van de Woonbond (1994) wordt het aspect 'voorzieningen als w.c.,
badkamer' juist relatief belangrijk gevonden. In het prioriteitenlijstje neemt het de zevende
plaats in. Verondersteld kan worden dat dit resultaat gedeeltelijk voortkomt uit ontevreden-
heid met sanitaire voorzieningen in oudere woningen.
In het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) noemt bijna de helft van de respondenten een
grote badkamer zeer belangrijk en 38 % van de respondenten acht dit onmisbaar. Dit is geheel
in overeenstemming met de algemene teneur in de woonwensen van de 'Randstadwoon-
consument' ; veel ruimte is het allerbelangrijkst. Het belang van een grote badkamer zegt dan
ook niets over het belang dat aan goede kwaliteit van het sanitair wordt toegekend. Daarnaar
is in dit onderzoek niet gevraagd. Wel is gevraagd naar het belang van een tweede douche-
ruimte en badkamer. Die worden nauwelijks belangrijk gevonden. Bijna een kwart van de
respondenten noemt echter spontaan de onmisbaarheid van een tweede toilet in de woning.
Overigens wordt over vaste wastafels in de slaapkamers in geen van de bestudeerde recente
onderzoeken gesproken. Men is de concentratie van sanitaire voorzieningen in één ruimte
kennelijk op prijs gaan stellen. Mogelijk speelt ook een rol dat mensen vaker dan vroeger
onder de douche of in bad gaan in plaats van de wastafel te gebruiken en dat de slaapkamers
voor meer verschillende activiteiten worden gebruikt dan vroeger.
De verschillen tussen de onderscheiden huishoudenstypen zijn in het onderzoek van
Wassenberg et al. beperkt; ouderen en meerpersoonshuishoudens onder de vijftig jaar zonder
kinderen vinden de grootte van de badkamer iets belangrijker dan gemiddeld. Van Kempen
et al. melden geen samenhang van de voorkeuren met huishoudenskenmerken.
Evenals uit ouder onderzoek komt ook uit verschillende recentere onderzoeken naar voren
dat ouderen veel waarde hechten aan comfortabele sanitaire voorzieningen. De wensen van
vitale, jongere ouderen hebben op dit punt gedeeltelijk een luxe-karakter, terwijl voorzienin-
gen als een seniorentoilet, een douchebak met een lage instap en dergelijke voor minder
vitale ouderen pure noodzaak zijn. In het onderzoek van Van der Booren en Westerterp
(1991) wensen jongere ouderen met voldoende financiële middelen vrij vaak een ligbad met
een aparte douche, terwijl minder vitale, oudere ouderen in meerderheid kiezen voor uit-
sluitend een douche. Zij ondervinden moeilijkheden bij het instappen in een bad of zijn bang
uit te glijden.
84
3.7 Buitenruimte
3.7.1 Privé-buitenruimte
De twee meest gebruikelijke soorten privé-buitenruimten zijn de (voor- en achter)tuin bij
eengezinswoningen en het balkon bij woningen in meergezinshuizen. Tuinen en balkons zijn
niet exclusief aan deze woningtypen gebonden; sommige eengezinswoningen zijn behalve van
een tuin ook voorzien van een of meerdere balkons, terwijl woningen op of nabij de begane
grond in meergezinshuizen weleens over een privé-tuintje beschikken. Daarnaast zijn meer-
gezinshuizen soms voorzien van een gemeenschappelijke tuin. In veel mindere mate dan
tuinen en balkons komen ook andersoortig, al dan niet gemeenschappelijke buitenruimten
voor, zoals loggia's, binnenplaatsen, patio' s en dakterrassen.
In deze subparagraaf worden woonvoorkeuren besproken ten aanzien van de verschillende
soorten buitenruimten, de grootte en de ligging ervan. Daarbij dient te worden gewezen op
het feit dat, zoals aangegeven in subparagraaf 3.2.2, de aanwezigheid van een tuin als een
van de belangrijke voordelen van de eengezinswoning wordt beschouwd. De voorkeur van
veel huishoudens voor de aanwezigheid van een tuin is dan ook niet te scheiden van hun
voorkeur voor een eengezinswoning. Het een wordt, in het totaalbeeld dat de woonconsument
voor ogen heeft, immers direct met het ander geassocieerd.
Ouder onderzoek
Tuinen vormen een overgangsgebied tussen openbaar en privé-terrein en vervullen daarmee
een belangrijke bufferfunctie. Dit geldt vooral voor de voortuin bij eengezinswoningen. Deze
vergroot de privacy van de bewoners. Qua gebruik en inrichting van de tuin treedt polarisatie
op tussen de voor- en de achtertuin. De voortuin is vooral decoratief, terwijl de achtertuin
voor verschillende activiteiten wordt gebruikt. De belangrijkste zijn het kweken van
gewassen, buiten zitten, het drogen van de was en het spelen van kleine kinderen. Daarnaast
wordt de achtertuin ook gebruikt als berg- en hobbyruimte (De Jonge, 1970).
Ook een balkon wordt, bij meergezinshuizen, gebruikt om buiten te zitten, de was te drogen
en kinderen te laten spelen. Balkons van eengezinswoningen worden voornamelijk gebruikt
voor huishoudelijke doeleinden, zoals het luchten van bedden en het kloppen van kleedjes (De
Jonge, 1970).
Het was in de dertiger jaren vrij gebruikelijk om bij meergezinshuizen, waar mogelijk, de
onderste woonlaag van eigen tuinen te voorzien. Al dan niet in combinatie daarmee werden
ook gemeenschappelijke tuinen gerealiseerd, bedoeld om recreatie en sociaal contact tussen
bewoners mogelijk te maken. De ervaringen hiermee waren echter ongunstig en men ging
ertoe over om de middenterreinen uitsluitend als kijkgroen te bestemmen (De Jonge, 1960b).
In theorie kan men de meeste activiteiten die men in een privé-tuin zou uitoefenen, ook in
een gemeenschappelijke tuin verrichten. In de praktijk werkt het zo niet. Mensen voelen zich
in een gemeenschappelijke tuin niet vrij en daarnaast maakt de (verticale) afstand tussen tuin
en woning het gebruik ervan een stuk minder vanzelfsprekend. Zoals eerder aangegeven is
de voorkeur voor een huis op de begane grond met een eigen, direct bij de woning aan-
sluitende tuin het sterkst bij gezinnen met jonge kinderen, waarbij de moeder in hoge mate
aan huis is gebonden (De Jonge, 1959b). Ook Driessen en Beereboom (1983) vonden de
85
sterkste voorkeur voor een tuin bij het huis onder huishoudens met jonge kinderen, alsmede
onder jonge tweepersoonshuishoudens . Jonge alleenstaanden hechtten redelijk veel waarde
aan een tuin, evenals oudere echtparen zonder thuiswonende kinderen. Oudere alleenstaanden
gaven daarentegen beduidend minder om een tuin.
Zowel meergezins- als eengezinshuizen werden in de dertiger jaren gewoonlijk in een
gesloten of halfopen blokverkaveling gebouwd. Tuinen hadden daardoor een beschut
karakter. Bij meergezinscomplexen werd de combinatie van privé- en gemeenschappelijke
tuinen als de beste oplossing beschouwd. Toen vanaf de jaren vijftig naar meer openheid van
de woning en de stedebouwkundige structuur werd gestreefd, werd deze oplossing echter nog
slechts in beperkte mate toegepast. In plaats daarvan werden veelal uitsluitend gemeenschap-
pelijke tuinen gerealiseerd. Waar dat in een gesloten bouwblok gebeurde, waardeerden de
bewoners de veilige speelgelegenheid voor kinderen. Zelf gebruikten zij de tuinen niet, omdat
zij er zich onvrij voelden. Een ander kritiekpunt op de gemeenschappelijke tuinen was de
rommel die er ontstond, doordat niemand zich ervoor verantwoordelijk voelde. Gemeen-
schappelijke tuinen in een open verkaveling hadden als bijkomend nadeel, dat deze vrij
toegankelijk waren voor buitenstaanders en minder veilig voor kleine kinderen (De Jonge,
1960b).
Ook bij de privé-tuinen van eengezinswoningen die in de vijftiger jaren in een open
verkaveling werden gerealiseerd, was van een 'natuurlijke' beschutting geen sprake meer.
Volgens enquêtes in Rotterdam waardeerden de meeste bewoners besloten bouwblokken dan
ook meer dan de open verkavelingen. De grote ramen van de woningen werden vaak wel
gewaardeerd (De Jonge, 1960b). Ook voor het balkon wenste de meerderheid van de
bewoners van flatwoningen een zekere mate van beslotenheid en beschutting tegen wind en
inkijk. Daarnaast vond men zon op het balkon en een ruim uitzicht belangrijk (De Jonge,
1970).
Hoewel tuinen en balkons gedeeltelijk dezelfde functies vervullen, beschouwden huisvrouwen
in de zestiger jaren het balkon geenszins als een adequate vervanging voor een tuin (De
Jonge, 1970). Naast het gemis van direct contact met de begane grond en de onmogelijkheid
om een balkon afwisselend te beplanten en in te richten, speelt daarbij uiteraard de grootte
een rol. Waar bewoners van meergezinshuizen in het algemeen genoegen moesten nemen met
een balkon van hooguit 5 à 10 m
2
, waren tuinen van rijenwoningen gewoonlijk minimaal 30
tot 70 m
2
groot (De Jonge, 1959b). Uit het onderzoek van Kuylen (1980) kwam naar voren,
dat de grootte van de tuin zowel in de drempel- als in de afwegingsfase van belang is.
Progresbouw Research (1981) meldt dat vrouwen en eigenaar-bewoners de grootte van de
tuin belangrijker vinden dan mannen resp. huurders. Het verschil tussen vrouwen en mannen
is te verklaren uit het gegeven dat meer vrouwen overdag thuis zijn en het belang van een
grote tuin voor de kinderen inzien. Het ligt voor de hand dat het verschil tussen eigenaar-
bewoners en huurders voortkomt uit de algemeen hogere eisen die eigenaar-bewoners stellen.
Driessen en Beereboom (1983) vonden in hun onderzoek, dat hogere inkomensgroepen meer
belang toekennen aan de tuin dan lagere inkomensgroepen.
Recent onderzoek
Ook uit recent onderzoek blijken woonconsumenten de aanwezigheid van een eigen tuin zeer
belangrijk te vinden. Net zoals velen in principe de eengezinswoning als superieur boven de
86
flatwoning beschouwen, hebben ook de meeste huishoudens voorkeur voor een tuin boven
een balkon. In het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) noemt 77% van alle respondenten
een eigen tuin zeer belangrijk en 69% zelfs onmisbaar. Nog geen 10% van de respondenten
vindt de tuin enigszins belangrijk, terwijl 15 % aangeeft de tuin niet belangrijk te vinden. Dit
zijn merendeels ouderen en andere respondenten die bewust voor een flatwoning kiezen.
In het onderzoek van Leliveld en Kruythoff (1995) onder potentiële gegadigden voor lokaties
in het Rijnmondgebied, wordt aan de aanwezigheid van een tuin iets minder belang
toegekend. Ook blijken in dit onderzoek de voorkeuren van de respondenten veel sterker te
variëren met huishoudenskenmerken. Maar liefst driekwart van de huishoudens van 55 jaar
en ouder noemt een tuin niet belangrijk, evenals bijna de helft van de eenpersoonshuis-
houdens jonger dan 55 jaar. Het zijn dezelfde huishoudens die aangeven voorkeur te hebben
voor een meergezinswoning. Overigens vindt van de eenpersoonshuishoudens jonger dan 55
jaar ruim 40% een tuin juist zeer belangrijk.
In het onderzoek van Van Kempen et al. (1994) staat de aan- of afwezigheid van een tuin
hoog op het ranglijst je met belangrijke woningkenmerken. Een woning met of juist zonder
tuin wordt door 7 % van de respondenten genoemd als belangrijkste verhuismotief. Al deze
onderzoeksresultaten wijzen op een bewuste keuze, meestal vóór en soms, met name onder
ouderen, tegen een tuin. De aan- of afwezigheid van een tuin laat maar weinig mensen koud.
Bij degenen die graag een tuin willen, is het belang dat hieraan wordt toegekend van
verschillende factoren afhankelijk. Wat huishoudenskenmerken betreft zijn in dit verband,
net als bij het woningtype, vooral de aanwezigheid van kinderen, het inkomen, de leeftijd en
in samenhang daarmee de vitaliteit van belang.
De meerderheid van de huishoudens met Gonge) kinderen acht een tuin onmisbaar, zoals ook
al uit onderzoeken van De Jonge naar voren kwam. Voor jongere alleenstaanden en huis-
houdens boven de vijftig jaar is deze wens veel vaker aanpasbaar. Van deze beide categorieën
respondenten is in het onderzoek van Wassenberg et al. rond de 85% bereid om in plaats van
een tuin een balkon of dakterras te accepteren.
Of de gewenste tuin er ook werkelijk komt, is verder afhankelijk van het inkomen en van het
beschikbare aanbod in het woningmarktgebied waar men een woning zoekt. Uit het onder-
zoek van Van Kempen et al. blijkt, dat in de Achterhoek de aanwezigheid van een tuin voor
vrijwel alle huishoudenstypen een absolute vereiste is. De grootte ervan is een relatieve
voorkeur. In Rotterdam en omgeving is de aanwezigheid van een tuin zelfs bij gezinnen nog
vrij vaak een relatieve voorkeur en indien nodig inwisselbaar voor een balkon. Aan de
grootte ervan stelt men nauwelijks eisen.
Ook de factor leeftijd speelt een rol. Jonge alleenstaanden hechten minder waarde aan een
tuin dan gemiddeld. Een minderheid van hen kiest bewust voor een woning in een meer-
gezinshuis en daarmee, al dan niet bewust, voor de afwezigheid van een tuin. Hetzelfde lijkt
te gelden voor ouderen, maar de verschillende onderzoeken geven hiervan geen eenduidig
beeld. Volgens het onderzoek van Van Kempen et al. hebben oudere huishoudens iets vaker
dan gemiddeld geen behoefte meer aan een tuin (Van Hoorn, 1994).
In paragraaf 3.2 over de woonvorm zagen we dat veel ouderen kiezen voor een (gelijk-
vloerse) woning in een meergezinshuis. Sommigen kiezen, net als sommige drukbezette
kleine huishoudens, bewust voor de afwezigheid van een tuin, omdat die onderhoud vergt.
Velen echter prefereren eigenlijk een (kleine) tuin en een directe verbinding met de begane
grond boven een balkon. Volgens de SEV (1989) legt de tuin het niet altijd af tegen de
voorkeur voor een gelijkvloerse woning. Een flinke groep nog vitale ouderen wenst een eigen
87
tuin en dat kan een voorname reden zijn om te kiezen voor een laagbouwwoning. Zoals
gezegd is het ideaal van veel ouderen een seniorenwoning, een kleine, grotendeels
gelijkvloerse woning met daarbij een eigen tuin(tje).
Behalve aan de aanwezigheid van een tuin of balkon, stellen huishoudens ook eisen aan het
aantal buitenruimten, de grootte ervan en de oriëntatie op de zon.
Volgens het onderzoek van Wassenberg et al. vinden bewoners van eengezinswoningen de
achtertuin belangrijker dan de voortuin. Bijna driekwart van de respondenten zegt bereid te
zijn de voortuin in te leveren voor een grotere achtertuin. Het is evenwel de vraag hoe goed
hen dat zou bekomen, gezien de belangrijke bufferfunctie die de voortuin vervult, zeker bij
de relatief hoge woningdichtheden die op de VINEX-Iokaties worden gerealiseerd.
Iets meer dan de helft van de respondenten in het onderzoek van Wassenberg et al. neemt
genoegen met een achtertuin van (minimaal) tien meter diep. Slechts 10% wenst een diepte
van meer dan twintig meter. Ligging aan het water compenseert voor 85 % van de respon-
denten een kleinere tuin dan zij eigenlijk wensen. Dit is niet verwonderlijk, daar ook water
kan dienen als buffer en een interessant uitzicht biedt. Daarnaast geeft water extra
mogelijkheden voor recreatie, beplanting en dergelijke. Kennelijk zijn dit soort functies
belangrijker dan een groot stuk eigen grond voor gebruiksdoeleinden.
Van degenen die een balkon of dakterras wensen of zouden accepteren, neemt de meerder-
heid genoegen met een oppervlak van deze buitenruimte van 10 tot 15 m
2
• Een kwart van de
respondenten wenst 20 tot 30 m
2
en slechts een zesde deel neemt genoegen met de
gebruikelijke 5 m
2
• Bij de vragen over de grootte van de buitenruimte hebben Wassenberg
et al. geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende huishoudenscategorieën. Uit andere
onderzoeken komt naar voren dat ouderen die een tuin wensen vaker dan gemiddeld de voor-
keur geven aan een kleine tuin vanwege het onderhoud (Van der Booren en Westerterp,
1991; Van de Donk, 1990).
Balkons en dakterrassen vervullen bij eengezinswoningen (met tuin) een heel andere functie
dan bij woningen in meergezinshuizen zonder tuin. Bewoners van meergezinshuizen
beschouwen een balkon als zeer belangrijk en absoluut noodzakelijk (Van Kempen et al.,
1994; Wassenberg et al., 1994). Bewoners van eengezinswoningen daarentegen beschouwen
balkons, dakterrassen en ook serres slechts als een leuke aanvulling op de achtertuin (Rongen
en Houben, 1992; Wassenberg et al., 1994).
Oriëntatie van de achtertuin of het balkon op het zuiden of het westen wordt in het algemeen
het meest ideaal geacht. Blijkens de woongeriefonderzoeken van de VAC's zijn de meeste
bewoners over de ligging van hun tuin of balkon wel tevreden. Ook over de tuin als geheel
is de tevredenheid groot. Onder degenen met een balkon als belangrijkste buitenruimte,
komen een gebrek aan privacy en aan bruikbaar oppervlak frequent als knelpunt naar voren
(Kuijpers, 1993; Munneke, 1994).
88
3.7.2 Bezonning en daglicht
Ouder onderzoek
Uit een in 1949 gehouden enquête kwam naar voren dat woonconsumenten uitzicht vanuit de
woning in het algemeen belangrijker vonden dan de bezonning van de woning (De Jonge,
1959a). Op basis daarvan stelt De Jonge dat strokenbouw in lange blokken niet gewenst is
en dat het niet nodig is om rigoureuze bezonningseisen te stellen. Doorzonwoningen, met een
van gevel tot gevel doorlopende woonkamer, combineren overigens een gunstige bezonning
met een goed uitzicht, omdat men voor beide de keuze heeft uit twee zijden van de woning.
Bewoners van tuinkamerwoningen roemden wel de ruime toetreding van licht en zon in hun
brede woonkamer. Dit voordeel woog echter voor veel bewoners niet op tegen het nadeel van
het beperkte uitzicht, waar strokenbouw in een betrekkelijk hoge dichtheid had plaats-
gevonden (De Jonge, 1959b).
Vóór de tweede wereldoorlog werden woningen vooral georiënteerd op het uitzicht aan de
straatzijde. In de periode daarna werd meer gelet op de toetreding van zonlicht in de woon-
kamer. Mensen gingen daaraan ook meer waarde hechten, al bleef de voorkeur voor een
woonkamer aan de straatzijde nog steeds bestaan (De Jonge, 1964b). In het onderzoek dat
Progresbouw Research in 1981 hield, hechtten de respondenten aan de bezonning van de
woning wat meer waarde dan aan het uitzicht. De bezonning speelde voor 9 % van de
respondenten een rol bij het kiezen van een nieuwbouwwoning en het uitzicht voor 4 %
(Progresbouw Research, 1981).
Recent onderzoek
Aan de oriëntatie van de woning en de tuin ten opzichte van de zon hechten huishoudens,
blijkens recent onderzoek, veel waarde (Van Kempen et al., 1994; Rongen en Houben, 1992;
Wassenberg et al., 1994; Woonbond, 1994). Vooral zon in de woonkamer en in de tuin of
op het balkon wordt zeer op prijs gesteld. Veel woonconsumenten in eengezinswoningen
hebben voorkeur voor zon in de achtertuin gedurende de hele dag en ochtendzon in de
voortuin (Rongen, 1991).
Uit de bestudeerde onderzoeksrapporten wordt niet duidelijk of woonconsumenten op dit
moment prioriteit geven aan de bezonning of aan het uitzicht. In het prioriteitenlijstje volgens
het onderzoek van Van Kempen et al. scoort de ligging van de tuin vrij hoog, terwijl het uit-
zicht in het geheel niet voorkomt. Ook hoog staat de ligging van de tuin in het prioriteiten-
lijstje volgens het onderzoek van de Woonbond (1994) . Het uitzicht kwam niet voor op het
lijstje dat de respondenten in dit onderzoek kregen voorgelegd. In het onderzoek van
Wassenberg et al. wordt vrij uitzicht vanuit de woning door 72 % van de respondenten zeer
belangrijk geacht en de bezonning door 49%. Degenen met voorkeur voor een flatwoning
hechten aan de bezonning meer waarde dan degenen met voorkeur voor een eengezins-
woning.
Een opvallende uitkomst uit het onderzoek van Wassenberg et al. is in dit verband, dat
driekwart van de respondenten die een eengezinswoning wensen voorkeur heeft voor een op
de tuin georiënteerde woonkamer. Slechts 17 % van de respondenten heeft voorkeur voor
oriëntatie op de straat. Blijkbaar hebben zich sinds de onderzoeken van De Jonge, waarin de
meerderheid van de respondenten voorkeur gaf aan een doorzonwoning, grote veranderingen
89
voorgedaan. Wellicht spelen gewenning aan het tuinkamertype en waardering van de goede
bezonning van een op het zuiden gelegen, brede woonkamer hierbij een rol. De behoefte aan
visueel contact met de straat is daaraan kennelijk ondergeschikt. Misschien heeft dit te maken
met een grotere behoefte aan privacy en een minder interessant uitzicht in een dicht
bebouwde omgeving.
Er is geen reden om te veronderstellen dat de preferenties ten aanzien van de bezonning
variëren met bepaalde huishoudenskenmerken. Wel ligt het voor de hand, dat woonconsu-
menten die overdag veel thuis zijn, hieraan de meeste waarde hechten. Uit de bestudeerde
onderzoeken is dat echter niet op te maken.
Met de voorkeuren ten aanzien van daglichttoetreding ligt dat anders. Het is een bekend
gegeven dat ouderen, met het oog op de achteruitgang van hun gezichtsvermogen, in het
algemeen meer behoefte hebben aan daglicht dan gemiddeld (Heijs, 1992). Hoe belangrijk
dit is kwam naar voren uit een van de interviews bij de corporaties (hoofdstuk 4). Weinig
toetreding van daglicht door overhangende balkons was een van de oorzaken van de slechte
verhuurbaarheid van een complex ouderenwoningen.
In verschillende onderzoeken onder jongeren is aandacht besteed aan de gewenste toetreding
van daglicht. Hieruit kwam naar voren dat men grote ramen en zon in de woonruimte positief
waardeert. Te weinig lichtinval in de woonkamer en een inpandige keuken worden als
bezwaarlijk beschouwd (Van der Booren en Konter, 1985; Steffen en Vrielink, 1986). Er is
geen reden om te veronderstellen dat de preferenties van andere huishoudens anders zijn,
daar ook uit de onderzoeken van Van Kempen en van Wassenberg et al. naar voren komt dat
mensen een lichte woning met grote ramen waarderen. In het onderzoek van Van Kempen
et al. bleek daglichttoetreding gemiddeld belangrijker te worden gevonden dan bijvoorbeeld
de grootte van de badkamer. In het onderzoek van Wassenberg et al. achtte 43 % van de
respondenten een serre van enig of veel belang. Ook dit duidt op een waardering van veel
licht in de woning, naast uiteraard het esthetische en status-aspect van een serre.
De beperking van de toegestane hoeveelheid glasoppervlak volgens het Bouwbesluit omwille
van energiebesparing is gezien het bovenstaande als een vermindering van de woonkwaliteit
te beschouwen. Desondanks zijn respondenten in de woongeriefonderzoeken van de VAC's
met de toetreding van daglicht in de woning, evenals met de oriëntatie ten opzichte van de
zon, in grote meerderheid tevreden (Kuijpers, 1993; Munneke, 1994). Een deel van de
woningen in deze woongeriefonderzoeken is onder het Bouwbesluit gerealiseerd, terwijl ook
in de aan het Bouwbesluit voorafgaande periode al minder grote ramen werden toegepast dan
in de zestiger jaren. Weer lijken de voorkeuren tot op zekere hoogte de ontwikkelingen in
de woningbouw te volgen.
3.7.3 Uitzicht en inkijk
Ouder onderzoek
Zoals eerder aangegeven, vonden woonconsumenten voor de tweede wereldoorlog het uitzicht
vanuit de woning in het algemeen belangrijker dan de bezonning (De Jonge, 1959a). Na de
tweede wereldoorlog is het belang dat werd toegekend aan zon in de woonkamer relatief
toegenomen. De voorkeur voor een woonkamer met uitzicht op de straat bleef echter bestaan
90
(De Jonge, 1964b). In een artikel uit 1972 stelt De Jonge dat woonconsumenten het uitzicht
nog altijd zeer belangrijk vinden. Men heeft voorkeur voor een ruim uitzicht, terwijl men
zelf beschut zit, en een bijzonder uitzicht op bijvoorbeeld water of groen. Uit een in die tijd
gehouden enquête onder nieuwbouwbewoners in Groot-Brittannië bleek dat ruimte, helder-
heid, licht, kleur, begroeiing en water belangrijke ingrediënten van een goed uitzicht zijn.
Ook activiteiten van andere mensen werden positief gewaardeerd, mits daarvan geen hinder
werd ondervonden. Vooral ouderen zagen volgens dit onderzoek graag wat activiteit, wellicht
ter compensatie van hun rustige bestaan (De Jonge, 1972).
Dat mensen zoeken naar evenwicht tussen rust en drukte, of zoals Driessen en Beereboom
(1983) het uitdrukken, naar een bepaald optimum aan activatie, blijkt uit een onderzoek van
Jansen en Burie (1967). Wie in een overwegend stille en dun bevolkte omgeving woonden,
hadden voorkeur voor uitzicht op enig vertier. Bewoners van dicht bevolkte, drukke steden
hadden juist behoefte aan een rustig uitzicht.
De Jonge concludeert dat de voorkeur voor een ruim uitzicht, met relatief veel visuele
informatie, een universele menselijke eigenschap lijkt te zijn. De mate waarin men menselijke
activiteiten wenst gade te slaan is zijns inziens meer cultureel bepaald, waarbij vooral het
verschil tussen stad en dorp of platteland op de voorgrond treedt.
Evenals het uitzicht wordt ook de inkijk in de woning grotendeels bepaald door de ligging
ten opzichte van het openbaar gebied en omringende woningen. Daarnaast speelt de grootte
van de vensters een belangrijke rol. In principe geldt: hoe groter de vensters, hoe meer
inkijk. Woonconsumenten waarderen inkijk in de woning in het algemeen negatief, hetgeen
zou betekenen dat de vensters niet te groot moeten zijn. De voorkeuren ten aanzien van de
grootte van de vensters verschillen echter nogal. Sommige woonconsumenten hebben voor-
keur voor beslotenheid, terwijl anderen houden van een ruime toetreding van licht en lucht
en aan alle kanten uitzicht uit de woning.
Deze voorkeuren worden mede door de heersende ' mode' bepaald (De Jonge, 1959b). De
neiging tot raamvergroting is sterker naarmate het uitzicht ruimer of interessanter is, er
minder inkijk is te verwachten en bewoners zich sterker voelen aangetrokken tot een uit-
gesproken ' moderne' woninginrichting. De voorkeuren verschillen dus van individu tot
individu en veranderen in de tijd. Met het oog op de grotere regelbaarheid bij grote dan bij
kleine ramen, ligt een keuze voor grote ramen voor de hand (De Jonge, 1964c). Bewoners
die dat wensen, kunnen de grote ramen gedeeltelijk afschermen.
Recent onderzoek
Zoals uit de voorgaande subparagraaf over bezonning en daglicht naar voren kwam, wordt
aan uitzicht op de straat niet zoveel waarde meer toegekend. Driekwart van de respondenten
in het onderzoek van Wassenberg et al. (1994) geeft aan voorkeur te hebben voor een op de
achtertuin georiënteerde woonkamer. Dit betekent dat de goede bezonning van het tuin-
kamertype momenteel prioriteit heeft boven visueel contact met de straat. Ervan uitgaande
dat de voorkeur voor uitzicht op ruimte, rust en groen constant is, hetgeen Van Kempen et
al. (1994) bevestigen, zou dit betekenen dat de straat in nieuwbouwwijken op deze punten
minder te bieden heeft dan de eigen tuin. Qua levendigheid valt van de eigen achtertuin
weinig te verwachten, hetgeen zou betekenen dat dit aspect van het uitzicht minder belangrijk
is geworden. Een ruim uitzicht als zodanig wordt beslist niet onbelangrijk geacht; bijna drie-
kwart van de respondenten in het onderzoek van Wassenberg et al. acht dit zeer belangrijk.
Helaas is niet duidelijk wat deze woonconsumenten precies onder een ruim uitzicht verstaan.
91
Het lijkt overigens aannemelijk dat de voorkeur van veel woonconsumenten voor een ruim,
rustig en groen uitzicht niet op zichzelf staat, maar duidt op een voorkeur voor een ruime,
rustige en groene woonomgeving.
Volgens verschillende onderzoekers hechten gezinshuishoudens, eenpersoonshuishoudens,
ouderen en bewoners van flatwoningen meer dan anderen belang aan het uitzicht vanuit de
woning (Van Kempen et al., 1994; Rongen, 1991). Het belang dat gezinshuishoudens en
ouderen aan het uitzicht toekennen is te verklaren uit het feit dat leden van deze huishoudens
overdag vaker thuis zijn. Eenpersoonshuishoudens compenseren het alleen wonen wellicht
door meer visueel contact met de buitenwereld te zoeken. Dat bewoners van meergezins-
huizen meer waarde aan het uitzicht hechten is niet verwonderlijk. Het is een van de punten
waarop de flatwoning in het voordeel is ten opzichte van de eengezinswoning en het wordt
daarom extra belangrijk in de beleving van de bewoners. Voor sommige bewoners van meer-
gezinshuizen is een beter uitzicht een reden om een woning op een hogere woonlaag te
verkiezen boven lager gelegen woonlagen (Rongen, 1991; Wassenberg et al., 1994).
Volgens de woongeriefonderzoeken van de V AC' s zijn bewoners van nieuwbouwwoningen,
zonder onderscheid naar woonvorm, in het algemeen tevreden met het uitzicht vanuit hun
woning (Kuijpers, 193; Munneke, 1994).
In het verlengde van de voorkeur voor een vrij uitzicht ligt een voorkeur van veel woon-
consumenten voor weinig inkijk vanaf buiten in de woning. De prestaties van de woning op
dit vlak hangen nauw samen met de woonvorm. Zo is inkijk een bekend probleem bij galerij-
flats, terwijl bewoners van portiekwoningen hier in het algemeen niet zoveel hinder van
ondervinden. Bewoners van eengezinswoningen in hogere bebouwingsdichtheden kunnen de
inkijk in hun woning vaak wel beperken door het afschermen van de ramen of het planten
van begroeiing in de tuin. Woningen van het tuinkamertype hebben in dit opzicht een
voordeel. Doordat de keuken aan de voorzijde is gesitueerd blijft de inkijk vanaf de straat
in de woonkamer beperkt.
In de bestudeerde recente woonvoorkeurenonderzoeken noch in de woongeriefonderzoeken
van de VAC's wordt aandacht besteed aan het belang van weinig inkijk in de woning. Wel
spreekt uit de verschillende onderzoeken een grote behoefte aan privacy, hetgeen veel
bezwaar tegen inkijk impliceert. De bevinding van Wassenberg et al. , dat bijna driekwart van
de respondenten met voorkeur voor een eengezinswoning de voortuin wel wil inleveren, is
hiermee niet in overeenstemming. Zoals eerder in deze paragraaf aangegeven, moeten bij de
feitelijke wenselijkheid van eengezinswoningen zonder voortuin in hoge dichtheden de nodige
vraagtekens worden geplaatst.
Evenals bij het belang dat aan uitzicht wordt toegekend, kan worden verondersteld dat
huishoudens die vaker thuis zijn meer problemen hebben met inkijk dan huishoudens die
minder vaak thuis zijn. De bestudeerde onderzoeken geven hierover geen informatie.
3.8 Woonomgeving
Er wordt de laatste jaren veel onderzoek verricht naar woonomgevingsvoorkeuren. Men
beseft dat de woonomgeving weleens een net zo grote of zelfs grotere rol zou kunnen spelen
92
bij verhuisbeslissingen als de woning. Zoals eerder aangegeven staat in dit onderzoek de
woning zelf centraal. Een aantal kenmerken van de woning, met name de eigendomssituatie,
de prijsklasse, de woonvorm en de woninggrootte, hangt echter nauw samen met kenmerken
van de woonomgeving. De voorkeuren ten aanzien van woning en woonomgeving vertonen
ook een sterke samenhang. We kunnen er daarom niet omheen om toch enige aandacht aan
woonomgevingsvoorkeuren te besteden.
Het onderscheid dat in de voorgaande paragrafen werd gemaakt tussen ouder en recent
onderzoek, blijft hier achterwege. Het gaat er nu uitsluitend om de voorkeuren ten aanzien
van woningkenmerken in een breder verband te plaatsen. In deze paragraaf wordt daarom
slechts in grote lijnen aangegeven in hoeverre de woonomgevingsvoorkeuren van verschillen-
de huishoudenstypen overeenkomen en verschillen. Voor gedetailleerdere informatie over
voorkeuren van verschillende huishoudens ten aanzien van voorzieningen en sociale aspecten
van de woonomgeving zij verwezen naar Van Kempen et al. (1994) en Wassenberg et al.
(1994).
Verschillende onderzoekers hebben zich bezig gehouden met de relatie tussen huishoudens-
kenmerken en het type woonomgeving waarin men zou willen wonen. Van Engelsdorp-
Gastelaars en Vijgen hebben hiernaar onderzoek verricht in Amsterdam en omgeving. Zij
schetsen het volgende beeld. Alleenstaande starters en werkers zijn eenduidig stedelijk,
vanwege hun grote behoefte aan een woonomgeving waarin alle dagelijks te bezoeken voor-
zieningen, zoals werk/opleidingsinstituut, winkels, commerciële zorginstellingen en
uitgaansmogelijkheden aanwezig zijn. Traditionele gezinnen met één kostwinner en (nog)
werkende senioren daarentegen zijn eenduidig suburbaan, vanwege de (vroegere) aanwezig-
heid van kinderen in het huishouden met hun behoefte aan ruimte en groen.
Huishoudens die kinderen hebben of daarop anticiperen én kampen met een structureel
tijdgebrek doordat elke volwassene in het huishouden een (voltijds) betaalde baan heeft,
nemen ambivalente posities in. Tweeverdieners en eenoudergezinnen met een betaalde baan
zijn hiervan duidelijke voorbeelden. De voorkeuren van deze huishoudens lijken vooral te
worden bepaald door hun toekomstverwachtingen en het belang van de beroepsmatige activi-
teiten van de vrouw. Naarmate jonge tweeverdieners meer neigen naar het traditionele
kostwinnersmodel, waarbij de vrouw grotendeels de zorg voor de kinderen op zich zal
nemen, wordt het suburbane woonmilieu aantrekkelijker. Ook voor alleenstaande moeders
met kinderen lijkt te gelden: hoe groter het belang van de beroepsmatige activiteiten van de
vrouw, des te stedelijker het huishouden (Van Engelsdorp Gastelaars en Vijgen, 1991; Vijgen
en Van Engelsdorp Gastelaars, 1986).
Bertholet (1992) maakt een rangschikking van uitgesproken stedelijke tot zeer suburbane
huishoudens, op basis van literatuurstudie en veldonderzoek in Utrecht en Maastricht.
N iet alleen de woonvoorkeuren, ook de woonmilieus zelf vormen een continuüm van stedelijk
naar suburbaan. De indeling van Bertholet is als volgt:
93
alleenwonende starter
alleenwonende werker
stedelijk georiënteerd tweepersoonshuishouden
stedelijk georiënteerd gezin
alleenwonende oudere
lege nester
traditioneel tweepersoonshuishouden
eenoudergezin
traditioneel gezin
stedelijk
T

suburbaan
In het onderzoek van Bertholet worden de eenduidige voorkeuren van alleenwonende starters
en werkers voor het stedelijk woonmilieu bevestigd. Het stadscentrum of een buurt grenzend
aan het centrum heeft jonge alleenwonenden veel te bieden, zoals korte reistijden, nabijheid
van commerciële, onderwijs- en zorgvoorzieningen, gezelligheid, tolerantie voor afwijkende
gedragspatronen en een grote verscheidenheid aan woonvoorzieningen (Bertholet, 1992; Van
der Werf, 1989). Enige nuancering is hierbij op zijn plaats. De voorkeur voor het centrum
of de directe omgeving daarvan is sterker, naarmate het een stad betreft met meer kenmerken
van het typische stadscentrum. In kleinere gemeenten speelt de locatie een veel minder
prominente rol en zijn bijvoorbeeld woningen in perifeer gelegen nieuwbouwwijken vaak erg
in trek bij jonge alleenwonenden (Van Kempen et al. , 1994).
Bertholet splitst de tweepersoonshuishoudens en de gezinnen op in ' stedelijk georiënteerden'
en 'traditionelen' . Deze dimensies hebben betrekking op de leefstijl van het huishouden. Deze
is gedefinieerd als de mate van uithuizigheid of huiselijkheid en (de opvattingen ten aanzien
van) de arbeidsparticipatie van de vrouw.
Stedelijk georiënteerde huishoudens beschouwen de woning meer dan traditionele huishoudens
als uitvalsbasis voor activiteiten buiten de deur en hebben een minder traditioneel rollen-
patroon. Zij kiezen om dezelfde redenen als alleenwonenden voor een stedelijke locatie.
Tweepersoonshuishoudens met een stedelijke woonmilieuvoorkeur hebben meestal (beiden)
een hoog opleidingsniveau en werken full-time . Zij hebben een krap tijdsbudget en een ruim
geldbudget en maken daarom gebruik van allerhande voorzieningen in de nabijheid van de
woning. Voor veel van deze huishoudens geldt, dat zij zich tijdens hun studie de stedelijke
leefwijze eigen hebben gemaakt . Als er kinderen komen, zetten veel van deze huishoudens
alsnog de stap naar een suburbaan woonmilieu (Bertholet, 1992; Kruythoff, 1991).
Het aantal tweepersoonshuishoudens met een stedelijke woonmilieuvoorkeur moet niet
worden overschat. Volgens het onderzoek van Van Kempen et al. (1994) geeft de overgrote
meerderheid van de tweepersoonshuishoudens de voorkeur aan een suburbaan woonmilieu.
Dit geldt in nog sterkere mate voor gezinnen met kinderen. De voorkeur van de meerderheid
van de gezinnen is nog altijd traditioneel en gaat uit naar een woonomgeving met veel
ruimte, groen en speelgelegenheid, waar ook andere gezinnen met kinderen te vinden zijn.
De toename van het aantal tweeverdieriers heeft dus niet geleid tot een verminderde aan-
trekkingskracht van het suburbane woonmilieu. Tweeverdieners hebben weliswaar een krap
94
tijdbudget, maar hun leefstijl is veelal gericht op ontspanning in en om de woning. Indien zij
beschikken over een auto, is enige afstand tot grootstedelijke voorzieningen geen enkel
bezwaar. Voor dagelijkse voorzieningen zoals winkels, kinderopvang en restaurants is men
niet op de stad aangewezen. Deze zijn in suburbane gebieden net zo goed aanwezig
(Kruythoff, 1991).
Blijkens het overzicht van Bertholet hebben ook eenoudergezinnen sterke voorkeur voor een
suburbaan woonmilieu. Het is aannemelijk dat daarbij dezelfde overwegingen spelen als bij
gezinnen met twee ouders. Dat in stedelijke woonmilieus desondanks relatief veel één-
oudergezinnen te vinden zijn, is vooral het gevolg van de gemiddeld slechtere financiële
positie van deze huishoudens. In stedelijke milieus zijn meer goedkope huurwoningen dan
in suburbane woonmilieus.
Bertholet onderscheidt twee categorieën ouderen, evenals verschillende andere onderzoekers
impliciet of expliciet doen (zie bijv. Nelissen, 1992; SEV, 1989; Van der Wouwen Lijnse,
1990). De eerste categorie, door Bertholet aangeduid als lege-nesters, omvat vitale 'jongere
ouderen'. Dit zijn veelal echtparen met een redelijk inkomen. De tweede categorie bestaat
uit minder vitale ' oudere ouderen' . Dit zijn merendeels alleenwonende vrouwen met een laag
inkomen. Tussen de twee extremen van het gezonde, vermogende seniorenechtpaar en de
hulpbehoevende, arme, hoogbejaarde weduwe bevinden zich uiteraard tal van variaties op
deze typeringen. Inkomensachteruitgang, het optreden van lichamelijke gebreken en het over-
lijden van een eventuele partner doen zich immers in de regel niet allemaal tegelijk en ook
niet bij ieder mens op dezelfde leeftijd voor. Wel geeft de leeftijd een zekere indicatie van
de categorie waar men waarschijnlijk het best bij past.
In het overzicht van Bertholet nemen de woonmilieuvoorkeuren van ouderen een midden-
positie in. Ouderen zijn meer dan andere huishoudens aangewezen op dagelijkse voor-
zieningen in de directe woonomgeving. De aanwezigheid van winkels, zakelijke dienst-
verleners en zorgvoorzieningen in de buurt heeft voor ouderen het karakter van een randvoor-
waarde (zie o.a. SEV, 1994). Voor hoogbejaarden is deze randvoorwaarde harder dan voor
vitale senioren. De laatsten hechten zeker waarde aan de nabijheid van voorzieningen, maar
dat weegt meestal niet op tegen hun wens om te blijven wonen in de eengezinswoning in het
suburbane woonmilieu waar zij hun kinderen hebben grootgebracht, of om alsnog naar een
dergelijk woonmilieu te verhuizen. In tegenstelling tot minder vitale ouderen zoeken zij hun
vertier buiten de directe woonomgeving. Voor hoogbejaarden zijn naast voorzieningen ook
sociale contacten in de buurt uitermate belangrijk, zowel vanwege de beperkte mobiliteit als
het wegvallen van bestaande sociale netwerken en een mogelijke hulpvraag. Deze ouderen
zijn vaak erg gehecht aan de buurt waarin zij wonen (Van den Booren en Westerterp, 1991;
Nelissen, 1992). De constatering dat hoogbejaarden in zo sterke mate zijn aangewezen op
hun directe woonomgeving, heeft geleid tot de ontwikkeling van het concept 'woon-
vriendelijke zones voor ouderen' (Raaijmakers en Leene (red.), 1992).
In overeenstemming met het voorgaande stelt Buys (1992), dat wonen in een rustige,
bestaande laagbouwwijk, niet te ver van voorzieningen, het algemene ideaal is.
Uitzonderingen daar gelaten, behoeven dit beslist geen grootstedelijke voorzieningen te zijn.
Ook dorpse voorzieningen voldoen. Of de rust of de voorzieningen prioriteit krijgen, hangt
af van het tijd/geld-budget en van de aanwezigheid van kinderen in het huishouden. De
95
meeste mensen prefereren de rust. Hoe hoger het inkomen, hoe meer men in staat zal zijn
om beide wensen te realiseren.
De vraag of kenmerken van de woning of juist die van de woonomgeving belangrijker zijn
is nog niet beantwoord. Boelhouwer et al. (1993) stellen heel algemeen, dat voor kleine
huishoudens vooral de nabijheid van sociale contacten en voorzieningen en dus de woon-
omgeving belangrijk is, terwijl huishoudens met kinderen in de eerste plaats ruimte-eisen aan
de woning stellen. Anderen laten het relatieve belang van woning- en woonomgevings-
kenmerken afhangen van de plaats en het moment. Volgens Van Kempen et al. (1994) is de
woning het belangrijkste verhuismotief. Indien men echter een andere woning gaat zoeken,
is het woonmilieu een heel belangrijke voorwaarde. Aan het woonmilieu wordt vooral een
negatieve rol toegekend: men mijdt buurten met een slechte naam. In steden met veel
verschillende en ook negatief gewaardeerde buurten, lijkt het woonmilieu van groter belang
te zijn dan in dorpen waar nauwelijks verschillende woonmilieus te onderscheiden zijn.
3.9 Dynamiek in woonvoorkeuren
Bij de in dit hoofdstuk weergegeven woonvoorkeuren is telkens onderscheid gemaakt tussen
oudere en recente literatuur. Uit het overzicht blijkt, dat woonvoorkeuren gedurende de
afgelopen vijftig jaar in essentie nauwelijks veranderd zijn.
De eengezinswoning met tuin is nog steeds favoriet . Wel heeft het toegenomen aanbod van
meergezinswoningen, in samenhang met een toename van niet-gezinshuishoudens, geleid tot
een grotere acceptatie van deze woonvorm. Relatief veel ouderen, vooral vrouwen, hebben
een positieve voorkeur voor de meergezinswoning.
De woninggrootte is nog altijd een van de belangrijkste woningkenmerken. Bij de concrete
eisen die hieraan worden gesteld, spelen de huishoudensgrootte en vooral de welvaarts-
ontwikkeling een belangrijke rol. Door de gezinsverdunning is het hebben van een of meer
extra kamers vrij gebruikelijk. Woonconsumenten gaan dat als een eis formuleren of als een
recht opeisen. Ook ten aanzien van de grootte van de vertrekken, en dan met name de woon-
kamer, zijn mensen door de toegenomen welvaart veeleisender geworden.
Ten aanzien van de indeling van de woning heeft een duidelijk smaakverandering plaats-
gevonden. Deze werd ingezet door een verandering in het aanbod die het gevolg was van
nieuwe principes van ontwerpers. In tegenstelling tot de periode vóór en vlak na de oorlog,
ligt de nadruk sinds de jaren vijftig wat meer op openheid en ruimtewerking dan op intimiteit
en beslotenheid.
Gemeenschappelijkheid binnen het huishouden staat nog altijd hoog in het vaandel. De
behoefte aan een grote gemeenschappelijke en een aantal kleinere ruimten voor de individuele
leden van het huishouden is onverminderd.
Aan voorzieningen als verwarming en warmte-isolatie worden tegenwoordig aanzienlijk
hogere eisen gesteld dan vroeger. Dit is het gevolg van technische ontwikkelingen en het
bewuster omgaan met energie. Ook aan geluidsisolatie is men meer belang gaan toekennen.
96
Er is minder eensgezindheid over manieren van leven en omgaan met elkaar en mensen
zoeken hun toevlucht tot technische oplossingen voor dit probleem.
Ten aanzien van de outillage van de woning is men, alweer onder invloed van de toegenomen
welvaart, veeleisender geworden.
De Nederlander hecht meer waarde aan ruimte dan aan luxe voorzieningen. Dat was zo en
dat is nog steeds zo. Van revolutionaire veranderingen moeten de meesten weinig hebben.
Er is enige ruimte voor experimenten en alternatieve indelingen, maar die moeten wel
functioneel zijn. Indien een ontwikkeling van ontwerperszijde min of meer breekt met de
traditie, zweert men de vernieuwing, die vaak niet doordacht en weinig functioneel blijkt,
na korte tijd weer af. Dit was bijvoorbeeld het geval met de extreem open plattegronden uit
de zeventiger jaren.
Hoewel woonvoorkeuren in essentie nauwelijks zijn veranderd, zijn ze wel meer gevarieerd
dan vroeger. Deze variatie kan gedeeltelijk worden toegeschreven aan de toegenomen pluri-
formiteit van huishoudensvormen en de grotere variatie in woonvormen. Daarnaast spelen
de toegenomen individualisering en welvaart een rol. Meer dan voorheen is het mogelijk om
er persoonlijke voorkeuren op na te houden en die ook te realiseren. Woonconsumenten
vereisen meer leefruimte en meer luxe dan vroeger. Woonvoorkeuren zijn met andere
woorden niet zozeer in kwalitatieve, als wel in kwantitatieve zin veranderd.
3.10 Woonvoorkeuren schematisch samengevat
In dit hoofdstuk zijn per woningkenmerk woonvoorkeuren en achtergronden daarvan weer-
gegeven. In deze laatste paragraaf worden de belangrijkste bevindingen, bij wijze van
samenvatting, nog eens schematisch gepresenteerd. Per woningkenmerk is een tabel gemaakt.
In de tabellen staat wat de voordelen van bepaalde woningkenmerken zijn, voor welke
huishoudens die voordelen (en dus die woningkenmerken) van groot belang zijn en hoe de
verschillende woningkenmerken met elkaar samenhangen. Wat in de tabellen cursief gedrukt
staat zijn veronderstellingen; het overige is uit de literatuurstudie naar voren gekomen.
97
Woonvorm
eengezinswoning flatwoning
voordelen: I van belang voor: voordelen: I van belang voor:
- geen boven- en beneden-
I
- algemene behoefte - alle vertrekken gelijkvloers - ouderen; sommige druk I
I
buren; I bezene
I
meer (auditieve) privacy
I
- vooral huishoudens met jonge - geen ruin huishoudens; gehandi
I
- direct contact met grond en
I
kioderen capten
I
openbare weg - algemene behoefte - weinig sociale controle; - sommige drukbezene
- reguleren contacten met anonimiteit huishoudens; ouderen
buitenwereld - algemene, ' hogere' behoefte - rust - sommige drukbezene
- manifestatie eigen levensstijl huishoudens
- ruim uitzicht - sommige drukbezene
- sociale veiligheid huishoudens
I
- algemene behoefte
I
- oudere alleenstaande I
I
I vrouwen
vaak gepaard met: I van belang voor: vaak gepaard met: I van belang voor:
- tuin - vooral huishoudens met - stedelijk woonrnilieu; - drukbezene huishoudens
(jonge) kinderen nabijheid (stedelijke)
- reserveruimten in of dichtbij - zolder vooral voor voorzieningen
de woning (schuur, zolder, huishoudens met kinderen; - kleinere woning - ouderen;
garage) garage voor hogere eenpersoonshuishoudens
inkomensgroepen - minder bewerkelijke wo - drukbezene huishoudens;
- minder geluidsoverlast - algemene behoefte, vooral Ding ouderen; gehaodieapten
van huishoudens die veel tijd - lagere inkomensgroepen
in de woning doorbrengen. - goedkopere woning - lagere inkomensgroepen;
ouderen, vrouwen en hoger - huurwoning verwachte woon-
opgeleiden duur kort
- suburbaan woorunilieu - huishoudens met (verwachte)
I
I
(jonge) kinderen
I
- grotere woning
I
- vooral grotere huishoudens
I
- duurdere woning
I
- hogere inkomensgroepen;
I
- koopwoning
I
verwachte woonduur lang I
98
Woninggrootte (aantal en grootte van vertrekken)
grotere woning kleinere woning
voordelen: I van belang voor: voordelen: I van belang voor:
- veel ruimte voor activitei
I
- grotere huishoudens; - mioder bewerkelijke wo - drukbezette huishoudens; I
I
ten
I
huishoudens met veel vrije ning ouderen; gehaodicapten;
I
I
tijd, o.a. ouderen minder vitale mensen.
I
- vooral huishoudens met
- veel ruimte voor privacy (oudere) kinderen; sommige
onderling oudere stellen
- meerpersoonshuishoudens;
- veel ruimte voor contact vooral huishoudens met
onderling (jonge) kioderen
- nauwelijks belangrijker voor
- veel ruimte voor contact grotere dan voor kleinere
met buitenstaanders huishoudens
- vooral grotere huishoudens en
- veel plaatsingsruimte voor ouderen
attributen - vooral grotere huishoudens en
- veel bergruimte ouderen
- huishoudms met veranderlijke
- ovennaat maakt flexibel samenstelling of activiteiten
gebruik van de ruimte - huishoudens met bijzondere
mogelijk activiteiten (werk aan huis)
vaak gepaard met: I van belang voor: vaak gepaard met: I van belang voor:
- duurdere woning
I
- hogere inkomensgroepen; - goedkope woning
I
- lagere inkomensgroepen I I
I I
I
verwachte woooduur lang - huurwoning
I
- lagere inkomensgroepen;
I I
- koopwoning
I
- huishoudens met kinderen;
I
verwachte woooduur kon
I I
I
jonge tweepersoons huishou- - flatwoning
I
- drukbezette huishoudens;
I I
- eengezinswoning
I
dens
I
ouderen I I
Indeling van de woning
Bij de indeling van de woning, zoals beschreven in paragraaf 3.4, springt een viertal paren
tegengestelde woonvoorkeuren in het oog. Dit zijn:
- hiërarchische indeling of gelijkwaardige woonplekken;
- doorzonwoning of tuinkamertype;
- gesloten of open keuken;
- woonkamer en slaapkamers/badkamer van elkaar verwijderd of naast elkaar.
99
In de navolgende schema's zijn de voordelen van deze alternatieven op een rij gezet.
hiërarchische indeling
voordelen:
. grote ruimte beschikbaar
voor onderling samen·
zijn
- grote ruimte beschikbaar
voor ontvangen bezoek
- sluit aan bij traditioneel
woonpatroon
- geen 'verspilling ' van
ruimte
aan onbelangrijk geachte
venrekken of weinig ruim
tevergende activiteiten
doorzonwoning
voordelen:
- uitzicht naar twee kanten
- licht van twee kanten
- gevoel van ruimte
- traditioneel verschil russen
voor- en achterzijde woning
- visueel contact met de straat
- geen verkeerstravees
door vertrekken
gesloten keuken
voordelen:
- geen kookluchljes in de
woonkamer
- geen zicht vanuit woon-
kamer op rommelig aan-
recht
100
I van belang voor:
. meerpersoonshuishoudens;
vooral huishoudens met
(jonge) kinderen
- nauwelijks belangrijker voor
grotere dan voor kJeinere
huishoudens
- traditioneel ingestelde
huishoudens
- huishoudens met jonge
kinderen; huishoudens met
activiteiten die weinig, maar
wel een apane ruimte vergen
I van belang voor:
- traditioneel ingestelde
huishoudens
van belang voor:
gelijkwaardige woon plekken
voordelen:
- meer privacy van leden
huishouden onderling
mogelijk
- multi-functionaliteit
tuinkamerwoning
voordelen:
- brede woonkamer;
- veel licht en zon in de
woonkamer;
- compacte indeling
open keuken
voordelen:
- contact russen personen
in woonkamer en keuken
- kleine woonkamer lijkt
groter
- efficiënter ruimtegebruik
I van belang voor:
I
- tweepersoonshuishoudens met I
I
I individueel leefpatroon
I
I
(o.a. ouderen) ;
I
I
gezinnen met oudere kinde-
I
I
ren;
I
I
huishoudens zonder familie-
I
I
of partnerrelatie; I
I
I - huishoudens met veranderen
I
I
de samenstelling of activi-
I
I
leiten;
I
I
huishoudens met bijzondere
I
I
activiteiten (werk aan huis)
I
I
I
I van belang voor:
van belang voor:
woonkamer en slaapkamers/badkamer woonkamer en slaapkamers/badkamer
van elkaar verwijderd naast elkaar
voordelen: I van belang voor: voordelen: I van belang voor:
- geen hinder bij gelijktijdige - meerpersoonshuishoudens; - kono afstanden en traploze - ouderen; gehandicapten
activiteiten in woonkamer en vooral huishoudens mei relaties russen dagelijks
slaapkamer (jonge) kinderen te gebruiken ruimten
- sluit aan bij traditioneel - traditioneel ingestelde - contact mogelijk russen - ouderen; huishoudens met
woonpatroon huishoudens woonkamer en slaapkamer in langdurig zieke
- minder representatieve ruimten geval van ziekte of
niet zichtbaar voor bezoek bedlegerigheid
- slaapkamer bruikbaar als - thuiswerkeode huishoudens
tweede woonkamer,
werk- of hobby kamer
101
Bouwfysische aspecten en uitrustingsniveau
Hetgeen in de paragrafen 3.5 en 3.6 werd besproken leent zich niet voor het op een rij zetten
van voordelen. De voorkeuren ten aanzien van bouwfysische aspecten en uitrustingsniveau
gaan in principe allemaal in dezelfde richting: hoe meer (of hoe moderner) , hoe beter. Ten
aanzien van de prioriteit van deze zaken zijn geen belangwekkende verschillen tussen huis-
houdenstypen geconstateerd.
Buitenruimte
tuin balkon
voordelen:
I van belang voor: voordelen: I van belang voor:
- buffer tussen openbaar en . algemene behoefte aan - geen onderhoud
,
. sommige drukbezette
,
,
privé privacy
,
huishoudens; minder vitale
,
- direct contact met grond - vooral huishoudens met jonge
,
huishoudens ,
en openbare weg kinderen
,
,
- plek voor vele activiteiten:
,
,
• kweken van gewassen
,
,
• buiten zitten
,
,
,
• drogen van de was
, ,
, ,
• spelen van kleine kinde-
,
- huishoudens met jonge
,
, ,
ren
,
kinderen
,
, ,
• berg- en hobbyruimte
, ,
, ,
- contact met natuur
,
- algemene behoefte
,
, ,
vaak gepaard met: I van belang voor: vaak gepaard met: I van belang voor:
- eengezinswoning
,
- vooral huishoudens met - woning in meergezinshuis
,
- sommige ouderen; sonuni-
, ,
, ,
,
(verwachte) (jonge) kinderen
,
ge drukbezette kleine
, ,
- suburbaan woonmilieu
,
- vooral huishoudens met - stedelijk woonmilieu; nabij
,
huishoudens , ,
,
(verwachte) (jonge) kinderen heid (stedelijke) voorzienin-
,
- drukbezette huishoudens , ,
,
gen
,
, ,
102
4
ROL VAN WOONVOORKEUREN BIJ WONING-
CORPORATIES
4.1 Inleiding
Ontwerpers, beleidmakers en andere volkshuisvesters plaatsen nogal eens vraagtekens bij het
nut van woonvoorkeurenonderzoek. Om na te gaan waar die twijfel vandaan komt, is in het
kader van dit onderzoek aan degenen die er baat bij zouden moeten hebben, gevraagd naar
hun mening over woonvoorkeurenonderzoek. Daarom zijn medewerkers van acht woning-
corporaties aan de tand gevoeld over de rol van woonvoorkeuren in hun dagelijkse praktijk
en hun informatiebronnen op dit gebied.
Voor dit deelonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:
1. In hoeverre en op welke manieren houden woningcorporaties bij programmering/nieuw-
bouw, woonruimteverdeling en beheer rekening met de woonvoorkeuren van verschillende
doelgroepen en van individuen?
2. Hoe komen woningcorporaties aan hun kennis van woonvoorkeuren? Welke rol spelen
ervaring/marktinzicht, eigen onderzoek en onderzoek van anderen?
3. In hoeverre deelt men bij corporaties de kritische kanttekeningen die ontwerpers en
beleidmakers plegen te zetten bij woonvoorkeuren en onderzoek daarnaar?
4. In hoeverre stemmen de door woningcorporaties waargenomen woonvoorkeuren overeen
met die uit het literatuuroverzicht?
Een verkennende inventarisatie bij een beperkt aantal woningcorporaties die op dit gebied
enigszins actief zijn, leek een geschikte en praktisch haalbare manier om bovenstaande vragen
te kunnen beantwoorden. De antwoorden op de vragen zeggen iets over de context waarin
resultaten van woonvoorkeurenonderzoek van nut (kunnen) zijn. Onderzoekers van woon-
voorkeuren kunnen daar bij het opzetten en presenteren van hun onderzoek rekening mee
houden.
Bij het selecteren van te benaderen corporaties is gestreefd naar een zekere verdeling naar
grootte (aantal woningen), karakter van het bezit (% eengezinswoningen) en mate van
spanning op de woningmarkt (verhouding tussen vraag en aanbod). De veronderstelling was,
dat de grootte van de corporatie van invloed is op het al dan niet persoonlijk kennen van de
klanten en op de noodzaak en mogelijkheden om woonvoorkeurenonderzoek te verrichten.
103
Het karakter van het woningbezit is gemeten aan het percentage eengezinswoningen. Daarbij
werd verondersteld, dat woonconsumenten in een omgeving met merendeels eengezins-
woningen een ander aspiratiebeeld hebben dan woonconsumenten op een woningmarkt met
een qua woningtypen meer stedelijk karakter. Dit onderscheid is relevant bij de vragen over
woonvoorkeuren als zodanig (onderzoeksvraag 4). De mate van spanning op de woningmarkt
bepaalt in hoeverre het pure noodzaak is om rekening te houden met woonvoorkeuren. Ook
is gevraagd in hoeverre de financiële positie van invloed is op de mate waarin men rekening
houdt met woonvoorkeuren.
Met medewerking van het NCIV, Koepel voor woningcorporaties, zijn op basis van boven-
genoemde criteria tien corporaties aangeschreven met het verzoek om een gesprek met het
hoofd van de afdeling Bewonerszaken, Verhuur of Woondiensten. Om reistijden en reiskosten
te beperken betreft het uitsluitend corporaties in Zuid-Holland en Noord-Brabant. Acht van
hen wilden hun medewerking verlenen. Dit aantal werd tevoren nagestreefd en voldoende
geacht om een zekere verdeling te verkrijgen naar grootte van de corporatie, karakter van
het bezit en mate van spanning op de woningmarkt in de distributie-huursector. De distri-
butie-huursector is het deel van de woningvoorraad met een prijsniveau tot de prijsgrenzen
van de Huisvestingswet (Individuele Huursubsidie-grens) (Schumacher, 1994). Hiertoe
behoort het leeuwedeel van de corporatiewoningen.
In figuur 4.1 zijn de acht deelnemende corporaties ingedeeld naar de genoemde criteria. In
de selecte steekproef ontbreken een kleine corporatie met weinig eengezinswoningen op een
niet al te gespannen woningmarkt en corporaties met veel eengezinswoningen op een boven-
matig gespannen woningmarkt. Dit is niet zo vreemd, daar hoge percentages eengezins-
woningen vooral te vinden zijn in gebieden met beperkte spanning op de woningmarkt. Voor
dit deelonderzoek is enige spreiding over de afzonderlijke kenmerken van meer belang dan
de spreiding over de cellen.
De indeling naar spanning op de woningmarkt in figuur 4. 1 heeft een subjectief karakter,
omdat hierover geen objectieve, op bovenregionaal niveau vergelijkbare gegevens voorhanden
waren. Over het algemeen beantwoordden de gesprekspartners de vraag of er sprake is van
spanning op de eigen lokale woningmarkt bevestigend. De gesprekspartners van buiten de
Randstad voegden daaraan toe, dat het in vergelijking met de Randstad nog wel mee zal
vallen. In de distributie-huursector is in zeven van de acht gevallen sprake van gemiddelde
tot bovenmatige spanning. Bij verschillende corporaties, waaronder ook enkele met veel
spanning in de distributiesector, wordt het verhuren van sommige woningen in het duurdere
segment langzamerhand wat problematisch.
De gesprekken zijn gevoerd in de eerste helft van november 1994. De vragenlijst aan de hand
waarvan de semi-gestructureerde gesprekken zijn gevoerd, is opgenomen in bijlage 2.
Achtereenvolgens kwamen de volgende onderwerpen aan de orde:
- kenmerken corporatie;
- rol van woonvoorkeuren bij programmering/nieuwbouw, woonruimteverdeling en beheer
(onderzoeksvraag 1);
- rol van woonvoorkeuren in relatie tot de marktpositie van de corporatie;
- kennis en nut van woonvoorkeurenonderzoek (onderzoeksvragen 2 en 3);
- stellingen en dilemma' s betreffende woonvoorkeuren( onderzoek);
104
- plannen op het gebied van woonvoorkeuren(onderzoek).
Figuur 4.1: steekproef corporaties
' stedelijk' 'landelijk'
5% tot 45% e.g.woningen 50% tot 95% e.g.woningen
bovenmarig gespannen woningmarkr
Patrimoniums Woningen,
Voorburg (950 won.)
gemiddeld gespannen woningmarkr
Bouwen en Bewaren,
'klein'
Gorinchem (2500 won. )
950 tot 2500 woningen
Woningstichting
Loon op Zand,
Kaatsheuvel (2100 won.)
redelijk omspannen woningmarkr
DWV,
Dongen (1900 won.)
bovenmarig gespannen woningmarkr
Patrimoniums Woningbouw,
'groot'
Delft (3200 won.)
3200 tot 15.000 PWS,
woningen Rotterdam (15.000 won.)
gemiddeld gespannen woningmarkr
SWH, De Kleine Meierij ,
' s Henogenbosch Rosmalen
(7200 won.) (3200 won.)
Uit de gesprekken bleek, dat bij corporaties niet of nauwelijks wordt gedacht in termen van
' rekening houden met woonvoorkeuren' , maar veeleer in termen van markt- en klantgericht
werken. Deze begrippen hangen nauw samen, maar hebben toch verschillende betekenissen.
Marktgericht werken betekent dat de corporatie haar produkten en diensten binnen de grenzen
van haar eigen doelstellingen zodanig op de consument afstemt, dat daarmee zo volledig
mogelijk wordt voldaan aan de behoeften op haar woningmarktgebied (De Jong, 1992). Het
tegemoet komen aan de behoeften van verschillende doelgroepen staat centraal.
Klantgericht handelen daarentegen geschiedt op het niveau van de individuele woon-
consument. Van klantgericht handelen is sprake indien de geleverde kwaliteit in overeen-
stemming is met de eisen en wensen van de (individuele) klant (Breeman, 1991).
Rekening houden met woonvoorkeuren is te beschouwen als een specifieke vorm van zowel
markt- als klantgerichtheid. De afstemming op de behoeften, eisen en wensen van doel-
groepen en individuen heeft in dit geval specifiek betrekking op het produkt huurwoning, dat
105
wil zeggen de kerunerken van de woning en de woonomgeving. De dienstverlening van de
corporatie wordt hiertoe alleen gerekend voor zover deze direct betrekking heeft op het
verhuurde produkt (onderhoud, huismeesters en dergelijke) .
Op mijn verzoek hebben diverse gesprekspartners voorafgaand aan het interview informatie
(onderzoeksrapporten, beleidsplannen, jaarverslagen, informatie over de woonruimte-
verdeling) toegezonden, waardoor sommige vragen niet meer behoefden te worden gesteld
en dieper op de overige onderwerpen kon worden ingegaan. Van anderen is deze informatie
achteraf ontvangen.
Tevoren was één à anderhalf uur voor de gesprekken uitgetrokken. Het bleek echter niet
altijd haalbaar om de vragenlijst in dat tijdsbestek af te werken. Dit was meestal geen
probleem, maar soms zijn daardoor enkele minder belangrijke vragen niet gesteld.
In de paragrafen 4.2 tot en met 4.9 zijn de gespreksuitkomsten per vraag weergegeven.
Hierbij is de nummering van de vragenlijst (bijlage 2) aangehouden. Vraag 44, over plannen
van de corporaties voor de toekomst, is niet apart maar bij de andere vragen verwerkt. Aan
het einde van elke paragraaf worden de belangrijkste bevindingen kort samengevat in de
vorm van conclusies. Het hoofdstuk wordt afgesloten met enkele kritische kanttekeningen bij
de resultaten van dit deelonderzoek.
4.2 Kenmerken van de corporaties
(1) Aantal woningen
Vier corporaties zijn met een bezit tussen 950 en 2.500 woningen als ' klein' te kenschetsen.
Het bezit van de als ' groot' aangemerkte corporaties varieert tussen 3.200 en 15.000
woningen.
(2) Kenschets woningbezit
Het bezit van de acht corporaties verschilt sterk, vooral naar woningtype (van minder dan
10% tot meer dan 90% eengezinswoningen) . Vrijwel alle woningen zijn na-oorlogs en alle
corporaties hebben merendeels drie- enJof vierkarnerwoningen. Alle corporaties hebben voor
het overgrote deel woningen in de prijsklassen tot f 590,- ('goedkoop' ) enJof van f 590 tot
f 790,- ('betaalbaar' ) subsidiabele huur per maand (prijsniveau 1994).
(3) Kenschets huurders en woningzoekenden
De kerunerken van huurders en woningzoekenden variëren. Geheel in overeenstemming met
demografische ontwikkelingen hebben alle corporaties te maken met een toename van kleine
en oudere huishoudens ten opzichte van gezinnen met kinderen.
(4) Marktpositie en -positionering
Zoals aangegeven in het schema in figuur 4.1, zijn zowel corporaties op zeer gespannen
woningmarkten als corporaties op meer ontspannen woningmarkten in het onderzoek
betrokken. Alle corporaties ervaren evenwel ten minste enige spanning in de goedkope huur-
sector en geen enkele corporatie heeft te maken met structurele leegstand.
106
Wat de marktpositionering betreft richt de meerderheid van de deelnemende corporaties zich
van oudsher heel bewust op de primaire doelgroep. De meeste corporaties streven naar een
verbreding van het draagvlak door zich daarnaast op woonconsumenten met wat hogere in-
komens te richten. Markt- en klantgericht handelen is bij alle deelnemende corporaties volop
in ontwikkeling, hetgeen onder andere tot uiting komt in uitbreiding van de dienstverlening.
(5) Organisatiemodel
Twee corporaties werken met wijkteams in een woondienstenmodel, één corporatie zal dit
binnenkort gaan doen. De andere corporaties hebben een traditionele driepoot- of een
daarmee vergelijkbare structuur.
4.3 Woonvoorkeuren bij programmering/nieuwbouw
(6) Aantal nieuwbouwwoningen
Er worden slechts op bescheiden schaal en zeer versnipperd nieuwe woningen gebouwd. Eén
corporatie pleegt al jarenlang geen nieuwbouw meer.
(7) Doelgroepenbeleid
Alle corporaties voeren een doelgroepenbeleid bij nieuwbouw, waarbij doelgroepen worden
onderscheiden naar inkomen, leeftijd en aantal leden van het huishouden. In het algemeen
streeft men naar een (meer) gedifferentieerd bezit. De meest genoemde doelgroepen zijn
ouderen en in mindere mate andere kleine huishoudens. Er wordt voor verschillende
inkomensgroepen gebouwd. Sommige corporaties realiseren duurdere huurwoningen en
woningen in de koopsector om de doorstroming van huurders met hogere inkomens uit
goedkope woningen te bevorderen. De winst die op koopwoningen wordt gemaakt wordt
soms overgeheveld naar nieuwbouw-huurwoningen, teneinde deze betaalbaar te maken voor
lage inkomensgroepen.
Naar de rol van leefstijl bij het bepalen van doelgroepen is na enkele keren niet meer
gevraagd, omdat men leefstijl interpreteerde als ' afwijkende leefstijl' en daar bij het
onderwerp nieuwbouw niet zoveel mee kon. Bij het onderwerp woonruimteverdeling komt
leefstijl opnieuw aan de orde.
(8) Rol van woonvoorkeuren in de planvorming
Wanneer we het hebben over de rol van woonvoorkeuren bij activiteiten van de corporatie,
dient onderscheid te worden gemaakt tussen het (vrijblijvend) kennisnemen van informatie
over woonvoorkeuren en het gebruik van deze informatie in de besluitvorming.
De kennis ' in de hoofden van de medewerkers' wordt door alle gesprekspartners genoemd
als belangrijkste informatiebron bij de planvorming. Uit balie-gesprekken, inschrijvingen,
mutaties en dergelijke hebben de verhuurmedewerkers volgens de gesprekspartners een goed
beeld van wat populaire en minder gewilde woningen en wijken zijn. Daarnaast wordt een
groot aantal andere informatiebronnen geraadpleegd. Een voor de hand liggende bron van
informatie zijn bewonerscommissies van bestaande complexen, die de doelgroep waarvoor
wordt gebouwd vertegenwoordigen. Vier gesprekspartners noemen negatieve ervaringen met
het inschakelen van bewoners(commissies) in het planvormingsproces. Eén corporatie werkt
juist graag met een breed samengesteld planteam, waarin ook woonconsumenten zitting
hebben die de doelgroep vertegenwoordigen. Een andere corporatie maakt zelf de plannen
107
en spreekt deze door met de bewonerscommissies in de wijk waar sloop-nieuwbouw plaats-
vindt in het kader van wijkbeheer.
Drie gesprekspartners noemen de plaatselijke VrouwenAdviesCommissie (V AC) als partner
in het planvormingsproces. Twee van hen schakelen de V AC altijd in, de derde doet dat
incidenteel. Een andere gesprekspartner zou graag met de plaatselijke V AC samenwerken,
maar het contact is tot nu toe niet tot stand gekomen.
Vijf corporaties verrichten incidenteel haalbaarheidsstudies of gebruiken woningmarkt-
onderzoeken in de planvorming. Twee corporaties pakken er in de planvorming gegevens bij
die zij zelf longitudinaal verzamelen. In één geval gaat het daarbij om het mutatieregister ,
in het andere geval om het woningzoekendenregister . Meestal worden dit soort gegevens
alleen impliciet gebruikt, omdat zij deel uitmaken van het 'Fingerspitzengefühl ' van de
corporatiemedewerkers. Bij één corporatie speelt een deskundig bestuurslid een heel belang-
rijke rol in de informatievoorziening.
Aan informatie over woonvoorkeuren dus geen gebrek. Maar wat gebeurt ermee? Diverse
gesprekspartners merkten op, dat de besluitvorming in de planvormingsfase niet altijd
optimaal verloopt. Verschillende corporaties voelen zich sterk beperkt door het beleid van
de gemeente en beslissingen moeten vaak onder grote tijdsdruk en in een sfeer van
concurrentie tussen mogelijke opdrachtgevers worden genomen. Daarnaast is de financiële
ruimte beperkt. Met de hoogte van de huurprijs liggen vaak tevens de woninggrootte en het
voorzieningenniveau vast. Al is de wil er, nauw aansluiten bij woonvoorkeuren acht men
hierdoor vrijwel onmogelijk.
Het is in dit verband opvallend te noemen, dat twee corporaties bij het realiseren van
ouderenhuisvesting expliciet aansluiten bij landelijke ontwikkelingen. Eén bouwt volgens het
Seniorenlabel van de SEV, de andere bouwt alle woningen aanpasbaar. Wellicht speelt hierbij
een rol , dat zelfstandig wonende ouderen een relatief nieuwe en omvangrijke doelgroep
vormen, waarmee corporaties nog niet zoveel ervaring hebben opgedaan. Men is om die
reden meer dan bij andere doelgroepen geneigd af te gaan op ervaringen van anderen.
Daarnaast willen corporaties graag de doorstroming van ouderen uit goedkope eengezins-
woningen bevorderen en zullen zij om die reden geïnteresseerd zijn in gedetailleerde woon-
wensen van senioren.
De informatiebronnen en de besluitvorming kunnen per woningkenmerk variëren.
De eigendomssituatie is afhankelijk van zowel het gemeentelijk beleid als het eigen beleid van
de corporatie. Verschillende corporaties bouwen naast huur- ook koopwoningen om door-
stroming uit goedkope huurwoningen te bevorderen enlof winst te maken ten behoeve van
de primaire doelgroep.
De te realiseren woonvorm is in de eerste plaats afhankelijk van de locatie en woonomgeving
en wordt soms door de gemeente bepaald. Het is onduidelijk in hoeverre woonvoorkeuren
daarbij een rol spelen.
De woninggrootte hangt uiteraard sterk samen met de geplande huurprijs. Daarnaast sluiten
de corporaties met het aantal kamers aan bij algemeen gangbare normen en de eigen verhuur-
ervaringen.
De indeling van de woning lijkt in de eerste plaats aan de architect te worden overgelaten.
Daarbij wordt gekeken naar ervaringen van de corporatie met de verhuur van bestaande
woningen en, in het geval van ouderenhuisvesting, concepten als het Seniorenlabel.
108
Met betrekking tot het uitrustingsniveau van de woning hanteren de corporaties verschillende
uitgangspunten. Vier corporaties leveren de woningen vanuit beheeroverwegingen zo veel
mogelijk op met standaardvoorzieningen, waarbij er eventueel een beperkt aantal keuze-
mogelijkheden is. De andere vier corporaties proberen in het te realiseren uitrustingsniveau
juist aan de woonvoorkeuren van de individuele bewoners tegemoet te komen. Het beleid van
twee corporaties is gericht op het bieden van uitgebreide keuzemogelijkheden, die door de
corporatie als meerwerk worden gerealiseerd. De andere twee streven ernaar de woningen
vrij kaal op te leveren en de bewoners daarna maximale vrijheid te geven in het aanbrengen
van voorzieningen naar eigen smaak. Eén van hen verricht het gewenste meerwerk op
verzoek zelf voor de huurder.
Over de woonomgeving hoeven geen beslissingen te worden genomen, daar nieuwbouw
versnipperd over bestaande wijken wordt gepleegd. Alle corporaties die woningen voor
ouderen en! of andere kleine huishoudens bouwen doen dat bij voorkeur in het centrum. Dit
is echter lang niet altijd mogelijk. Meestal wordt de doelgroep zo goed en zo kwaad als dat
gaat afgestemd op de locatie, in plaats van andersom.
De vormgeving van de woning ten slotte wordt vooral door de architect bepaald, uiteraard
binnen de beperkingen van het gemeentelijk beleid.
(9) Individuele woonvoorkeuren
Bij punt 8 is al kort aan de orde geweest in hoeverre corporaties tegemoet komen aan
individuele woonvoorkeuren bij het opleveren van nieuwbouwwoningen en welke rol inspraak
speelt. De gesprekspartners noemden drie manieren waarop op individueel niveau aan woon-
voorkeuren tegemoet wordt gekomen.
De eerste is het geven enige keuzevrijheid met betrekking tot de keuken en het sanitair (kleur
tegels, keukenfronten, aanrechtlengte, leidingen al dan niet wegwerken e. d.). Vier corporaties
bieden hierbij regelmatig keuzemogelijkheden.
Eveneens vier corporaties hebben in een of enkele projecten de keuze om een bepaalde wand
al dan niet te plaatsen aan de (eerste) bewoners overgelaten.
De derde mogelijkheid die werd genoemd is flexibel bouwen. Eén corporatie is hierin zeer
vooruitstrevend, een andere heeft vrij recentelijk een complex flexibele woningen opgeleverd.
De ervaringen met het aanbieden van keuzepakketten zijn in het algemeen positief. Voor
zover de deelnemende corporaties flexibel hebben gebouwd, zijn de ervaringen nog
nauwelijks geëvalueerd.
Conclusies
- Doelgroepen worden onderscheiden op basis van de traditionele huishoudenskenmerken
inkomen, leeftijd en aantal leden van het huishouden. De klassieke wooncarrière is nog
altijd leidraad bij het denken over woonwensen. De variabelen zorgafhankelijkheid en leef-
stijl uit het conceptueel model spelen geen expliciete rol.
- Er vindt op globaal niveau afstemming van woningkenmerken op woonwensen van doel-
groepen plaats, waarbij de woonlasten als belangrijke beperkende factor worden
beschouwd.
- Bij de relatief nieuwe en belangrijke doelgroep zelfstandig wonende ouderen is de
afstemming van woningkenmerken op woonwensen gedetailleerder. Van onderzoek naar
woonwensen van ouderen lijkt men het belang meer in te zien dan van onderzoek naar
woonwensen van andere doelgroepen zonder hoge inkomens.
109
- Ondanks het grote aantal informatiebronnen dat wordt geraadpleegd, baseert men zich bij
de planvorming vooral op eigen ervaring. Men lijkt zich er niet van bewust dat onderzoeks-
resultaten, hoe dan ook vernomen, van die ervaring deel uitmaken.
- Een groot deel van de planvorming wordt, al dan niet vrijwillig, aan andere partijen over-
gelaten. Vooral de gemeente heeft een grote vinger in de pap.
4.4 Woonvoorkeuren bij woonruimteverdeling
(10) Woonruimteverdelingssysteem
In het kader van markt- en klantgericht werken wordt in veel gemeenten de overstap gemaakt
van het distributiesysteem naar een marktgericht woonruimteverdelingssysteem. In het
distributiesysteem bepaalt de aanbieder van woonruimte, op basis van de inschrijfduur en
voorkeuren van de woningzoekende, welke woning deze krijgt aangeboden. In het markt-
gerichte systeem daarentegen worden vrijkomende woningen (twee)wekelijks of maandelijks
gepubliceerd in een speciaal daarvoor bestemde woon(markt)krant, die bij alle huishoudens
in het woningmarktgebied wordt bezorgd. Een woningzoekende dient zelf aan te geven of hij
voor een of meer van deze woningen in aanmerking zou willen komen. De woningen van zijn
keuze vult hij hiertoe in op een in de krant afgedrukte bon, die hij bij de corporatie inlevert.
Bij meerdere kandidaten voor één woning bepalen criteria als de leeftijd of de laatste verhuis-
datum wie de woning krijgt toegewezen.
Het marktgerichte woonruimteverdelingssysteem sluit in principe beter aan bij de woonvoor-
keuren van woningzoekenden dan het distributiesysteem, omdat zij zelf kunnen bepalen voor
welke woningen zij zich inschrijven. In een distributiesysteem is het weliswaar mogelijk om
voorkeuren op te geven voor de wijk, het woningtype, het aantal kamers en dergelijke, maar
uiteindelijk bepaalt de verhuurder welke woning wordt aangeboden.
Twee deelnemende corporaties werken volgens het marktgerichte systeem en drie andere
stappen daar binnenkort op over. De gesprekspartners noemen daarvoor de volgende redenen:
- het is een beslissing van de gemeente of van het regionale samenwerkingsverband;
- het marktgerichte systeem biedt de klant meer keuzevrijheid;
- het systeem biedt de mogelijkheid om duurdere huurwoningen onder de aandacht van een
bredere doelgroep te brengen;
- alleen degenen die echt willen verhuizen schrijven zich in, waardoor men niet hoeft te
werken met vervuilde bestanden, maar actuele en juiste informatie over de woningvraag
heeft;
- aangeboden woningen worden minder vaak geweigerd.
De overige corporaties zullen voorlopig volgens het distributiesysteem blijven werken. Eén
van deze corporaties zal zijn moeilijk verhuurbare, duurdere huurwoningen wel via een
marktgericht systeem gaan verhuren. Deze gesprekspartners noemen de volgende bezwaren
tegen marktgerichte woonruimteverdeling:
- een marktgericht systeem is niet noodzakelijk gezien de spanning op de woningmarkt;
- jonge starters vallen uit de boot door de toewijzing aan de oudste in een leeftijdscategorie;
- het is niet eerlijk om mensen die een aantrekkelijke woning achterlaten te bevoordelen
boven mensen die toch al onaantrekkelijk wonen;
110
- het marktgerichte systeem sluit mensen uit die niet in staat zijn om de inschrijvingsbonnen
in te sturen;
- langst wachtenden hebben geen voorrang meer;
- het is niet mogelijk om door middel van inplaatsing te zorgen dat 'de juiste mensen in de
juiste straat' terecht komen.
(11) Categorieën woningzoekenden
De vraag naar de onderscheiden categorieën woningzoekenden is bedoeld als opstapje naar
de vragen 12 en 15.
(12) Rol leefstijl
Alle zes corporaties die (nog) werken met een distributiesysteem voeren indien nodig een
inplaatsingsbeleid voor woningzoekenden met een ' afwijkende leefstijl', ofwel overlast-
veroorzakers. Eén van deze corporaties werkt ook met het begrip leefstijl in meer positieve
zin. Woningzoekenden vanaf 30 of 40 jaar kunnen daar een woning krijgen in een bepaald
ouderencomplex als zij een niet al te lawaaiige manier van leven hebben. Dit wordt
vastgesteld tijdens een intake-gesprek.
Volgens de twee corporaties die werken met het marktgerichte systeem is inplaatsing
onmogelijk, omdat in de woonkrant wordt verantwoord hoe de woningen zijn toegewezen op
basis van de gestelde criteria. Overigens is uit evaluatie-onderzoek in Delft gebleken, dat
deze onmogelijkheid om mensen 'in te plaatsen' niet tot problemen leidt (Bosch en
Hanemaayer, 1993).
(13) Informatievoorziening aan woningzoekenden
Bij één corporatie vindt bij inschrijving altijd een intake-gesprek plaats, waarbij de nadruk
ligt op mondelinge informatie in plaats van schriftelijke. Bij een andere corporatie is deze
vraag niet gesteld.
Van de overige corporaties geven de vier met een distributiesysteem in een folder of
brochure aan in welke straten enJof complexen de woningen gelegen zijn en wat voor
woningtypen het betreft. Drie van deze vier corporaties noemen in het schriftelijk informatie-
materiaal per complex het aantal (slaap)kamers, de huurprijs(klasse) en eventuele bijzonder-
heden, zoals de aanwezigheid van een lift, c. v. en isolatievoorzieningen. Twee corporaties
noemen ook het bouwjaar, terwijl de oppervlakten van de vertrekken en het aantal woonlagen
(bij flats) elk door één corporatie worden genoemd.
De twee corporaties met een marktgericht woonruimteverdelingssysteem geven in hun krant
de volgende informatie: adres, woningtype en indien van toepassing woonlaag, aantal (slaap)-
kamers, kale huurprijs plus servicekosten en bijzonderheden zoals de aanwezigheid van een
lift, een tuin, een zolder, isolatievoorzieningen en c.v. Eén van deze corporaties drukt ook
foto's van de aangeboden woningen af.
Uiteraard kan iedere corporatie op verzoek mondeling aanvullende informatie over de
woningen verstrekken. Verschillende corporaties zijn bezig om hun informatievoorziening
uit te breiden door de ontwikkeling van een woningcartotheek met bijvoorbeeld foto' s en
plattegronden van alle woningen. Zij ervaren een behoefte van woningzoekenden aan zeer
exacte informatie over onder andere de indeling van de woning.
111
(14) Op te geven woonvoorkeuren (bij distributiesysteem)
Op de meeste inschrijffonnulieren kunnen woningzoekenden voorkeuren aangeven ten aanzien
van wijk, complex/straat, woningtype en aantal (slaap)kamers. Soms kan ook worden aan-
gegeven hoeveel huur men maximaal wil betalen en hoe de woning moet zijn gelegen (woon-
laag, hoekwoning). Daarnaast is er meestal ruimte om specifieke wensen aan te geven. Eén
corporatie moedigt mensen aan om hun voorkeuren zo specifiek mogelijk op te geven en zelf
in de wijken te gaan kijken, alvorens zich in te schrijven. Met dit beleid hoopt de corporatie
het aantal weigeringen te minimaliseren en zo goed mogelijk aan te sluiten bij wat woning-
zoekenden willen. Vaak geven woningzoekenden hun voorkeuren namelijk slechts globaal op
en weigeren vervolgens de aangeboden woningen omdat deze aan impliciet gebleven eisen
niet voldoen.
Binnen de regels die er zijn om huishoudens naar woonlasten en woninggrootte 'passend' te
huisvesten (zie ook vraag 15), kunnen corporaties niet anders dan aan deze voorkeuren zo
goed mogelijk tegemoet komen.
(15) Produkt-/marktcombinaties
Slechts enkele corporaties hebben hun woningbezit min of meer expliciet in een produkt-
markt-combinatie-matrix (PMC-matrix) ondergebracht. Daarbij worden woningzoekenden met
bepaalde huishoudenskenmerken (doelgroepen, markten) gekoppeld aan bepaalde typen
woningen (produkten). Een PMC-matrix brengt de huidige stand van zaken in beeld en kan
dienen als onderlegger voor beleid. Aan de hand hiervan kan worden gewerkt aan een steeds
betere afstemming van het woningaanbod op de eisen en wensen van de doelgroepen.
Drie corporaties streven naar een gedifferentieerd woningaanbod voor alle doelgroepen en
werken bewust niet binnen het 'keurslijf van een PMC-matrix.
Alle corporaties hanteren bepaalde regels bij het toewijzen van woningen aan verschillende
doelgroepen. Op grond van de Huisvestingswet moeten woningen in principe passend worden
toegewezen, dat wil zeggen goedkopere woningen aan lagere inkomensgroepen en duurdere
woningen aan hogere inkomensgroepen. Daarnaast wordt op grond van gemeentelijke regel-
geving of beleid van de corporatie zodanig toegewezen dat kleine huishoudens zo veel
mogelijk in kleine en grote huishoudens in grotere woningen terecht komen.
De mate waarin verschillende doelgroepen in aanmerking komen voor eengezinswoningen
is afhankelijk van de spanning op de woningmarkt en de samenstelling van het corporatiebe-
zit. Bij alle corporaties zijn gezinnen met kinderen de belangrijkste doelgroep voor een-
gezinswoningen. Waar sprake is van een niet al te gespannen woningmarkt en een groot
percentage eengezinswoningen komen ook tweepersoonshuishoudens zonder meer voor een-
gezinswoningen in aanmerking en bij de corporatie op een ontspannen woningmarkt komen
ook alleenstaanden in aanmerking voor een eengezinswoning, mits deze niet meer dan drie
slaapkamers heeft. Bij de corporaties op krappe woningmarkten met een stedelijk karakter
worden eengezinswoningen zo veel mogelijk uitsluitend aan gezinnen toegewezen. Als
voornaamste reden hiervoor noemt men dat eengezinswoningen gemiddeld meer kamers
hebben dan meergezinswoningen. Enkele corporaties wijzen flatwoningen in beginsel niet aan
gezinnen met kinderen toe vanwege de aan het woningtype inherente geluidsoverlast. Bij alle
corporaties wordt de eengezinswoning als superieur beschouwd. Illustratief in dit verband zijn
de toewijzingsregels van een van de deelnemende corporaties. Bij deze corporatie worden bij
meergezinswoningen maximaal drie kamers meer toegewezen dan het aantal leden van het
huishouden en bij eengezinswoningen maximaal twee.
112
N aast het aantal leden van het huishouden is de leeftijd vaak medebepalend voor het aantal
kamers en het woningtype waarvoor men in aanmerking komt. In het algemeen hebben
senioren meer keuzemogelijkheden dan jonge een- en tweepersoonshuishoudens. Dit is niet
in de laatste plaats te danken aan het feit dat senioren vaak in aantrekkelijke eengezins-
woningen wonen. Veel corporaties hebben er heel wat voor over om deze woningen vrij te
krijgen voor gezinnen (zie ook vraag 20).
In feite wordt dus, zij het niet altijd onder die noemer, bij alle corporaties met produkt-
Imarkt-combinaties gewerkt. De huishoudenskenmerken inkomen, aantal leden, aanwezigheid
van kinderen enlof leeftijd worden immers gekoppeld aan globale woningkenmerken zoals
de huurprijs, het woningtype en het aantal kamers. Deze produkt-/marktcombinaties zijn
meer gebaseerd op beleidsoverwegingen dan op de woonvoorkeuren van de verschillende
doelgroepen.
(16, 17, 18) Aspiratiebeeld, aantrekkelijke en onaantrekkelijke complexen
Bij deze vragen gaat het om door de gesprekspartners waargenomen woonvoorkeuren als
zodanig (vgl. onderzoeksvraag 4). De woonvoorkeuren die de verschillende gesprekspartners
noemden stemmen zeer goed met elkaar overeen. De kennis van het aspiratiebeeld van de
verschillende doelgroepen is in het algemeen gebaseerd op ervaring, met name met de
inschrijving van woningzoekenden en renovatieprojecten.
Als algemene woonwensen en prioriteiten van woningzoekenden werden in de eerste plaats
veel leefruimte, vooral ruime kamers, en een lage huurprijs genoemd. Daarbij staat een goede
prijs/kwaliteitsverhouding voorop. In de beleving van de bewoners is kwaliteit synoniem aan
ruimte, zowel in als om de woning. Ook het woningtype is voor de woningzoekenden van
doorslaggevend belang. In het algemeen acht men eengezinswoningen en vooral hoek-
woningen favoriet. De voorkeuren voor doorzon- en tuinkamerwoningen verschillen.
Nieuwbouwwoningen zijn in het algemeen zeer gewild. Men wil daar ook meer voor betalen.
In verschillende gemeenten, zowel grotere als kleine, ervaren de corporaties een sterke
gebondenheid van woningzoekenden aan de wijk of buurt waar zij zijn opgegroeid en waar
familie, vrienden en bekenden wonen. Meer in het algemeen heeft men de indruk dat
bewoners veel belang hechten aan een zekere mate van homogeniteit qua bevolkingssamen-
stelling in de buurt. Ook noemden verschillende gesprekspartners het grote belang dat
woningzoekenden, zowel in positieve als negatieve zin, toekennen aan extra voorzieningen
en details die de vorige bewoners hebben aangebracht. Men hecht waarde aan vrijheid om
de woning aan de eigen behoeften en smaak aan te passen. De aantrekkingskracht van flexi-
biliteit is daarentegen niet duidelijk. Onder veel doorstromers leeft de wens een woning te
kopen.
Bij renovatie zijn het moderniseren van keuken en sanitair, het samenvoegen van te kleine
kamers en het vergroten van de veiligheid en de uitstraling van het woongebouw veelal de
belangrijkste ingrepen. Naar de indruk van de gesprekspartners zijn dat de verbeteringen die
bewoners belangrijk vinden.
Naast deze algemene woonwensen zijn er woonwensen die per doelgroep verschillen.
De meeste corporaties onderscheiden drie of vier doelgroepen, te weten jonge, kleine
huishoudens, al dan niet uitgesplitst naar een- en tweepersoonshuishoudens, gezinnen met
kinderen en ouderen. Hierna worden de gesignaleerde voorkeuren per doelgroep kort weer-
gegeven:
113
Voorkeuren van jonge eenpersoonshuishoudens
Waar alleenstaanden absoluut niet voor een eengezinswoning in aanmerking komen, is men
geneigd te veronderstellen dat zij ook minder aspiraties in die richting hebben dan meer-
persoonshuishoudens. In minder gespannen woningmarktgebieden met veel eengezins-
woningen zijn de gesprekspartners ervan overtuigd dat ook jonge alleenstaanden in principe
het liefst grondgebonden in een ruime eengezinswoning wonen, mits deze binnen het budget
past. Wel ervaren alleenstaanden een meergezinswoning in het algemeen als minder
bezwaarlijk dan meerpersoonshuishoudens . Voor starters is de woonvorm ondergeschikt aan
de wens om in of dichtbij het centrum te wonen in een woning met een goede prijs/kwaliteits-
verhouding. Starters zijn niet uit op het goedkoopste van het goedkoopste. De woning moet
twee of drie kamers hebben, die vooral ruim moeten zijn. Men hecht niet minder waarde aan
goede voorzieningen dan andere doelgroepen. Wellicht is dat een reden voor de gewildheid
van nieuwbouwwoningen onder eenpersoonshuishoudens.
Voorkeuren van jonge tweepersoonshuishoudens
De meeste gesprekspartners zijn het erover eens dat jonge tweepersoonshuishoudens het liefst
in een eengezinswoning wonen. Op een krappe woningmarkt met relatief weinig eengezins-
woningen wordt niet altijd aan deze voorkeur tegemoet gekomen en neemt men genoegen met
een meergezinswoning. De woonwensen van jonge tweepersoonshuishoudens stemmen ook
op andere punten grotendeels overeen met die van gezinnen met kinderen. Als woonwens van
startende tweepersoonshuishoudens werd expliciet hun voorkeur voor een nieuwbouwwoning
genoemd. Tweepersoonshuishoudens laten in flexibele woningen eerder wanden weg dan
gezinnen met kinderen. Dit bevestigt het grote belang dan aan ruime kamers wordt
toegekend.
Voorkeuren van gezinnen met kinderen
Gezinnen met kinderen hebben een sterke voorkeur voor eengezinswoningen en zijn daarvoor
overal de belangrijkste doelgroep. De genoemde woonwensen van gezinnen met kinderen zijn
weinig specifiek: veel ruimte, een redelijke huurprijs en goede isolatie vindt men belangrijk,
evenals een groene woonomgeving met voldoende parkeergelegenheid en een goede ont-
sluiting. Ook wordt wel gelet op de nabijheid van winkels, scholen, sportvoorzieningen en
dergelijke. Veel gezinnen met kinderen hebben voorkeur voor een woning in een nieuwbouw-
wijk. Als belangrijkste reden daarvoor noemen sommige gesprekspartners de aanwezig-heid
van andere gezinnen met kinderen in zo' n wijk en het uitrustingsniveau van nieuwe
woningen.
Voorkeuren van ouderen
Over de woonwensen van ouderen hebben de gesprekspartners de meest gedetailleerde
ideeën. Ouderen wensen naar hun indruk een niet te dure, gelijkvloerse woning met drie
ruime kamers, die bij voorkeur in het centrum en anders in de eigen wijk is gelegen. Het mag
een seniorenwoning zijn of een flat met lift. Vanwege de veiligheid zijn ook woningen op de
eerste verdieping in woongebouwen zonder lift geliefd. Veiligheid, toegankelijkheid en aan-
pasbaarheid zijn trefwoorden bij ouderenhuisvesting. Daarnaast kennen ouderen volgens
sommige gesprekspartners veel belang toe aan goede warmte- en geluidsisolatie, goed
onderhoud en een goede lichtinval. Ook zouden zij voorkeur hebben voor een gesloten
keuken en een apan toilet (dus niet in de badkamer). Deze laatste voorkeuren stroken niet
met de eisen die aan een levensloopbestendige woning worden gesteld.
114
De jongere generaties senioren hechten veel waarde aan uitstraling, luxe en comfort.
Volgens verschillende gesprekspartners is voor ouderen het woningtype ondergeschikt aan
de nabijheid van voorzieningen. Dit blijkt bij één corporatie uit de moeilijke verhuurbaarheid
van seniorenwoningen met een goede prijs-/kwaliteitsverhouding, die op enige afstand van
voorzieningen zijn gelegen. Naast de nabijheid van voorzieningen wordt ook een rustige
woonomgeving met rustige bewoners gewenst.
Eén gesprekspartner heeft de ervaring dat nieuwbouwappanementen bij ouderen zeer in trek
zijn, omdat zij dan kunnen toeleven naar de verhuizing en de nieuwe woonsituatie.
(19) Scbeefbeid
Goedkope scheefheid (huishoudens met hogere inkomens in goedkope woningen) komt bij
alle corporaties voor. Dure scheefheid (huishoudens met lagere inkomens in dure woningen)
komt ook voor, maar wordt door verschillende gesprekspartners niet als een groot probleem
ervaren. De IHS-regeling biedt kennelijk voldoende mogelijkheden om betalingsproblemen,
die hiervan het gevolg kunnen zijn, te beperken. Ook hebben alle corporaties te maken met
huishoudens die ' te groot' wonen. Dit zijn met name senioren die alleen of met z' n tweeën
in een eengezinswoning zijn achtergebleven. Vier gesprekspartners noemen dit een knelpunt.
(20) Tegengaan scbeefbeid
De gesprekspartners noemen diverse maatregelen om de verschillende soorten scheefheid
tegen te gaan.
Goedkope scheefheid wordt tegengegaan door het bouwen van aantrekkelijke (koop)-
woningen, die bij voorrang worden toegewezen aan huishoudens die een goedkope woning
achterlaten. Deze strategie heeft bij vijf corporaties succes gehad, maar de effecten zijn zeer
beperkt door de geringe aantallen nieuwbouwwoningen die kunnen worden gerealiseerd. Een
andere mogelijkheid is deze huishoudens aantrekkelijke, duurdere huurwoningen aan te
bieden, maar meestal is men niet bereid daarvoor te betalen. Verder is er een corporatie die
huurdifferentiatie toepast en een andere die zogenaamde doorstromingspunten toekent aan
huishoudens die willen verhuizen van een kleine, goedkope naar een grotere, duurdere
woning.
Dure scheefheid is niet bij alle corporaties een probleem. Daar waar dat wel het geval is,
tracht de corporatie de huren betaalbaar te houden of het huishouden te stimuleren om te
verhuizen naar een goedkopere woning, mits die tenminste beschikbaar is. Maar als puntje
bij paaltje komt zijn veel bewoners toch te zeer gehecht aan hun woning om die stap te
zetten. Het paradoxale hierbij is, dat de corporaties soms al lang blij zijn dat de dure
woningen verhuurd zijn.
Vijf corporaties proberen ouderen uit hun aantrekkelijke eengezinswoningen te krijgen door
in hun eigen wijk of op een aantrekkelijke centraal gelegen locatie seniorenwoningen te
bouwen. Deze strategie werkt wel, maar ook hier beperkt het gebrek aan bouwgrond de
mogelijkheden. Daarnaast staat de gemeente niet altijd toe dat de woningen uitsluitend aan
huurders van de corporatie worden toegewezen. Ook is het lastig om aannemelijk te maken
dat de seniorenwoning ondanks zijn kleinere oppervlak duurder is dan de huidige woning,
omdat deze betere voorzieningen heeft. Woonconsumenten zijn geneigd om de prijs van een
woning in belangrijke mate af te lezen aan de grootte ervan. Eén corporatie houdt de huren
van seniorenwoningen daarom kunstmatig laag. Twee corporaties zorgen ervoor dat kleine
huishoudens die een eengezinswoning willen verruilen voor een kleinere woning versneld een
kleinere woning krijgen toegewezen.
115
Al met al zijn de mogelijkheden om scheefheid tegen te gaan beperkt. Huishoudens die
volgens de maatstaven van de corporatie of het Rijk 'te goedkoop' of ' te groot' wonen,
ervaren dat zelf vaak helemaal niet zo. Zij willen gewoon niet meer aan wonen besteden of
zijn blij dat ze (eindelijk) veel leefruimte voor zichzelf hebben.
Overigens merkte een gesprekspartner op, dat de passendheidscriteria ten aanzien van
inkomen enerzijds en huishoudensgrootte anderzijds met elkaar op gespannen voet staan,
omdat duurdere woningen veelal groter zijn dan goedkopere. Een tweepersoonshuishouden
met een dubbel inkomen zou op grond van dat inkomen een dure woning toegewezen moeten
krijgen en op grond van de huishoudensgrootte een kleine (meestal goedkopere) woning. Het
bestrijden van goedkope scheefheid werkt zo te groot wonen in de hand. Een andere
gesprekspartner ziet het strikt passend toewijzen aan de hand van inkomenscriteria niet zo
zitten, omdat dat bij eenzijdig geconcentreerd woningbezit gettovorming in de hand zou
werken.
Conclusies
- Het is bij corporaties niet gebruikelijk om te werken met het huishoudenskenmerk leefstijl
in positieve zin.
- Terwijl bij nieuwbouw woningkenmerken slechts op globaal niveau op huishoudensken-
merken worden afgestemd, onderkennen de gesprekspartners dat in het zoekproces veel
gedetailleerdere kenmerken een belangrijke rol spelen.
- Ondanks de nadruk op marktgericht werken in de sociale huursector , werken corporaties
nog maar weinig expliciet met produkt-/marktcombinaties op een enigszins gedetailleerd
niveau qua kenmerken van woningen (produkten) en doelgroepen (markten).
- Corporaties beschouwen de verleidingsstrategie vaak als enige reële mogelijkheid om
doorstroming te bevorderen. Onderzoek naar de woonwensen van ouderen en hogere
inkomensgroepen kan om die reden op meer belangstelling rekenen dan onderzoek naar
woonwensen van andere doelgroepen.
- Het beeld dat corporatiemedewerkers hebben van woonwensen van doelgroepen stemt goed
overeen met hetgeen hierover naar voren komt uit woonwensenonderzoek. Het is niet
duidelijk vast te stellen in hoeverre de ideeën van de corporatiemedewerkers berusten op
ervaring, op a-priori's of op (onbewuste) kennisname van onderzoeks resultaten.
4.5 Woonvoorkeuren bij beheer
(21) Renovatieprojecten
Slechts één gesprekspartner noemt een ervaring met het aanpassen van een complex voor een
geheel nieuwe doelgroep. Bij de andere corporaties zijn renovatieprojecten gericht op het
verbeteren van de prijs/kwaliteitsverhouding van het bezit in het algemeen. Vaak worden
maatregelen genomen om de woningen ook voor ouderen aantrekkelijk te maken, zonder het
complex bij voorbaat voor deze doelgroep te bestemmen. Veel voorkomende renovatie-
ingrepen zijn het zorgen voor een moderne, frisse uitstraling van het woongebouw en de
semi-openbare ruimten en het verhogen van de veiligheid door het beveiligen van bergingen
en entrees en het aanstellen van een huismeester. De woontechnische kwaliteit wordt vaak
verhoogd door het verbeteren van de keuken en sanitaire voorzieningen, bijvoorbeeld door
hieraan een kleine kamer op te offeren. Ook het uitbreken van wanden komt regelmatig voor.
116
Ten behoeve van met name ouderen hebben diverse corporaties liften aangebracht in flats ,
een gemeenschappelijke huiskamer gerealiseerd en huismeesters of conciërges aangesteld.
Het vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen geschiedt meestal op basis van .
de eigen ideeën van de corporatie en in overleg met bewoners(commissies).
(22) Dynamisch mutatie-onderhoud
Dynamisch mutatie-onderhoud betekent dat een vrijkomende woning in (woon)technisch
opzicht grondig wordt verbeterd. De woning moet daardoor in een staat komen, die zo veel
mogelijk aansluit bij de hedendaagse eisen en normen voor woonvoorzieningen. Er kan ook
een prijsverhoging bijhoren. Doel van dynamisch mutatie-onderhoud is het verbeteren van
de woonfunctie en het verhogen van de verhuurbaarheid.
Eén corporatie gaat binnenkort een duidelijk dynamisch mutatiebeleid voeren. Een andere
corporatie heeft in een complex flatwoningen een experiment lopen, waarbij in de helft van
de woningen bij mutatie een flexibel Matura-inbouwpakket wordt geplaatst. De overige zes
corporaties voegen bij mutatie slechts marginaal kwaliteit toe, bijvoorbeeld aan de badkamer
of de keuken. Hierover vindt soms overleg met de nieuwe huurder plaats. Het toevoegen van
kwaliteit gebeurt ook wel ter rechtvaardiging van een huurverhoging ineens. Bij de meeste
corporaties heeft planmatig onderhoud de voorkeur boven dynamisch mutatie-onderhoud.
(23) Zelf aangebrachte veranderingen en keuzepakketten
Van de acht deelnemende corporaties voert de helft een heel soepel beleid met betrekking tot
zelf aangebrachte veranderingen, terwijl de andere helft hierin wat meer terughoudend is. De
corporaties die zich wat dit betreft soepel opstellen, laten bewoners inpandig min of meer hun
gang gaan. Deze corporaties stimuleren bewoners bewust om in hun eigen woning te
investeren, sommige onder andere door het fmancieel vergoeden van bepaalde verbeteringen.
Eén corporatie gaat binnenkort van start met een experiment, waarbij de bewoners van een
bepaald complex maandelijks f 50,- subsidie van de woningcorporatie ontvangen om, aan-
gevuld met eigen middelen, in hun woning te investeren. De verbeteringen die deze ' soepele'
corporaties toestaan variëren van het aanbrengen van een dakkapel, het verwijderen van
wanden of het plaatsen van een aanbouw aan de keuken tot het opknappen van de keuken en
de badkamer. De corporaties stellen wel als eis, dat de verbeteringen voldoen aan de heden
ten dage gangbare normen. Evenals de corporaties die de woningen het liefst zo veel
mogelijk in oorspronkelijke staat laten opleveren, proberen ook deze corporaties de huurders
zo veel mogelijk vooraf toestemming te laten vragen en zelf te adviseren bij verbeterplannen.
Op verzoek brengen sommige corporaties de verbeteringen zelf aan.
Alle corporaties bieden incidenteel of regelmatig keuzepakketten aan bij renovatie. Meestal
gaat het dan om een keuze uit verschillende kleuren tegels voor de keuken en het sanitair,
of kan men kiezen uit verschillende inrichtingen daarvan. Enkele corporaties bieden daarnaast
keuzen op het gebied van de centrale verwarmingsketel en isolatiemaatregelen. Ook is er een
corporatie die de bewoners van een bepaald complex liet kiezen of een kamer al dan niet tot
keuken moest worden omgebouwd en een die de keuze voor de kleur van het buitenschilder-
werk bij de renovatie van een bepaald complex aan de huurders overliet.
De gesprekspartners noemden de volgende redenen om het zelf aanbrengen van verbeteringen
te stimuleren enlof keuzepakketten aan te bieden:
117
- identificatie van de huurders met hun woning, waardoor meer binding met de woning
ontstaat;
- bewoners vrijheid geven past bij de cultuur van de corporatie;
- imago ten opzichte van de koop sector verbeteren;
- nieuwe huurders accepteren een woning vaak mede vanwege door de vorige huurder
aangebrachte voorzieningen;
- het verwijderen van door de huurder aangebrachte voorzieningen is een ramp.
De corporaties die streven naar het zo veel mogelijk standaard houden van de woningen
hebben daarvoor ook zo hun redenen:
- verschillen in voorzieningen zijn lastig in het beheer;
- nieuwe huurders knappen af op de voorzieningen naar de smaak van de vorige huurder;
- de woningen moeten niet onnodig duur worden.
Verschillende corporaties voeren een terughoudend beleid met betrekking tot het aanbieden
van keuzepakketten, maar stimuleren zelfwerkzaamheid als de woning eenmaal is opgeleverd.
Als reden hiervoor werd genoemd dat het werken met keuzepakketten te duur is en te lastig
voor de aannemer.
De corporaties die een soepel beleid voeren met betrekking tot het (laten) realiseren van
individuele woonvoorkeuren, doen dat meestal nog niet zo lang. Sommige corporaties hebben
reeds geconstateerd dat de betrokkenheid bij de woning hierdoor inderdaad is toegenomen.
Andere corporaties moeten dat nog afwachten.
(24) Flexibel bouwen
Drie corporaties hebben ervaring met flexibel bouwen in de zin van wanden die verwijderd
en eventueel verplaatst kunnen worden. Naar de waardering hiervoor is geen onderzoek
verricht. Men heeft de indruk dat de eerste bewoners de veranderbaarheid wel waardeerden.
Er zijn nog te weinig mutaties geweest om iets te kunnen zeggen over de waardering van
volgende bewoners. Eén corporatie overweegt om een complex flexibel te gaan bouwen.
Hoewel verschillende corporaties flexibel hebben gebouwd of plannen hebben in die richting,
betwijfelen alle gesprekspartners of woonconsumenten werkelijk zoveel behoefte hebben
woningen met verplaatsbare wanden (zie ook vraag 42) .
Conclusies
- Bij beheeractiviteiten ligt de nadruk vaker op algemene kwaliteitsverbetering enJof het
bieden van individuele keuzevrijheid aan bewoners, dan op het geschikt maken van
woningen voor bepaalde doelgroepen.
- Renovatieplannen worden gemaakt in overleg met de zittende bewoners. Woonwensen-
onderzoek kan daaraan weinig toevoegen.
4.6 Relatie met de marktpositie van de corporatie
(25) Noodzaak en/of andere motieven en aanpak nu ten opzichte van vijf jaar geleden
De vijf gesprekspartners die opereren op een niet al te gespannen woningmarkt, beschouwen
rekening houden met woonvoorkeuren op de lange termijn als noodzakelijk. Als immers de
keuzevrijheid van huurders groter wordt, moet je zorgen dat ze tevreden zijn met hetgeen de
118
corporatie hen biedt en voldoende binding hebben met hun woonsituatie. Het zal dan in de
eerste plaats om het wat duurdere bezit gaan, dat concurrentie ondervindt van met name de
koopsector. Onder de huidige marktomstandigheden is het misschien (nog) niet noodzakelijk
om op de woonvoorkeuren in te spelen, maar wel belangrijk. Met tevreden klanten is het
prettiger werken.
Twee gesprekspartners hebben te maken met een zeer krappe woningmarkt in de distributie-
huursector . Hier is rekening houden met woonvoorkeuren geen noodzaak. In de duurdere
segmenten en bij probleemcomplexen acht men dat wel het geval. Eén corporatie bevindt zich
op een dermate gespannen woningmarkt, dat rekening houden met woonvoorkeuren beslist
geen noodzaak is. Juist deze corporatie is het meest actief op het terrein van woonvoor-
keuren. Dat gebeurt vanuit een ideëel motief, hetgeen ook bij de andere corporaties een
belangrijke rol speelt. Gezien de geschiedenis en de taakstelling van de corporatiesector
streeft men ernaar om binnen de financiële doelstellingen méér voor de klanten te betekenen.
In vergelijking met vijf jaar geleden is de aanpak bij de meeste corporaties zeker veranderd.
Het idee van werken in het belang van de klanten is niet nieuw, maar heeft wel concreter
vorm gekregen. Enerzijds in formeel beleid (strategisch voorraadbeheer, doelgroepen-
benadering, marktgerichte woonruimteverdeling e.d.) en anderzijds in verbeterde dienst-
verlening (ruimere openingstijden, betere voorlichting e.d.). Met deze maatregelen zijn de
corporaties meer markt- en klantgericht gaan werken. Dat wil echter niet zeggen dat men ook
meer rekening is gaan houden met woonvoorkeuren.
(26) Relatie met grootte en financiële positie
Vrijwel alle gesprekspartners zijn het erover eens, dat je het beste aan woonvoorkeuren
tegemoet kunt komen indien je de klant persoonlijk kent. De gesprekspartners die kleine
corporaties vertegenwoordigen beschouwen het klein zijn daarbij als een belangrijk voordeel.
De gesprekspartners die grotere corporaties vertegenwoordigen zijn van mening dat ook zij
de klanten persoonlijk kennen, bijvoorbeeld doordat zij werken in een woondienstenmodel.
Het is de vraag hoe de klanten dit zelf ervaren.
De meeste gesprekspartners vertegenwoordigen corporaties met een gezonde tot rijk gevulde
Algemene Bedrijfsreserve (ABR) . Zij beschouwen dat min of meer als een voorwaarde om
aan woonvoorkeuren tegemoet te kunnen komen. Als je voldoende financiële middelen hebt,
kun je immers makkelijker wat extra' s voor de klanten doen of risicovolle projecten
ontwikkelen. De gesprekspartners die corporaties vertegenwoordigen die er financieel minder
florissant bij staan, zijn juist van mening dat de financiële positie geen rol speelt. De meeste
gesprekspartners vinden de cultuur van de corporatie, dat wil zeggen de wil om iets voor je
klanten te betekenen, belangrijker dan de grootte of financiële positie.
Conclusies
- Naast het eigen belang van de corporatie speelt ook een zeker idealisme een rol in de
motivatie om aan woonwensen van huurders en woningzoekenden tegemoet te komen. Men
is echter niet geneigd om in strijd met het eigen belang te handelen.
- Men is van mening dat tegemoet komen aan woonwensen extra geld kost.
119
4.7 Kennis en nut van woonvoorkeurenonderzoek
(27) Eigen/uitbesteed onderzoek waaruit woonvoorkeuren kunnen blijken
Zes corporaties hebben weleens lokaal of regionaal woningmarktonderzoek laten verrichten
in samenwerking met de gemeente en eventueel andere marktpartijen. Dergelijke onderzoeken
hebben vaak een brede doelstelling en geven vooral inzicht in de meer kwantitatieve vraag-
zijde . Ze zijn minder geschikt om er gedetailleerde gegevens over woonvoorkeuren uit te
halen. Twee gesprekspartners noemden haalbaarheidsonderzoeken, op basis waarvan
renovatieplannen voor bepaalde complexen zijn gemaakt. Hierbij is het gebruiksdoel
duidelijker.
Vijf corporaties met een distributiesysteem hebben een eigen woningzoekenden-register, bij
één corporatie vindt de registratie door de gemeente plaats. In de meeste gevallen wordt de
informatie min of meer regelmatig geanalyseerd. Als doelen van die analyses zijn genoemd
het herleiden van wijkvoorkeuren en wachttijden en het verzamelen van actuele woningmarkt-
informatie . De twee corporaties met een marktgericht woonruimteverdelingssysteem
registreren de ingevulde bonnen uit de woonkrant . Als de automatisering is geregeld, denkt
men hieruit waardevolle beleidsinformatie te kunnen halen.
Drie corporaties verrichten al geruime tijd standaard exit-interviews als huurders vertrekken
en analyseren deze ook. De resultaten worden bij één corporatie gebruikt ten behoeve van
de onderhoudsbegroting, bij een andere om de positie van wijken te kunnen vergelijken en
een gevoel voor waardering van woningen op te bouwen. Bij de derde corporatie zijn de
vragen over de kwaliteit van de dienstverlening belangrijker dan de verhuisredenen. Met die
laatste gegevens wordt alleen iets gedaan indien blijkt dat mensen meer dan normaal woning-
of woonomgevingsredenen opgeven. Eén corporatie neemt slechts exit-interviews af indien
er iets vreemds aan de hand lijkt te zijn. Twee corporaties hebben wel ervaring met exit-
interviews, maar hebben er niet zo veel mee gedaan. De belangrijkste verhuisredenen waren
namelijk van persoonlijke aard resp. het willen kopen van een woning.
In acceptatie-interviews wordt gevraagd waarom woningzoekenden een aangeboden woning
al dan niet accepteren. Eén corporatie werkt hier sinds kort mee. Drie andere houden bij
waarom woningzoekenden aangeboden woningen weigeren, hetgeen informatie levert voor
strategisch voorraadbeheer, onderhoud en renovatie. Eén gesprekspartner vertelde in dit
verband dat de opzichter twee à drie maanden nadat de nieuwe bewoners hun woning hebben
betrokken, telefonisch informeert hoe de woning bevalt.
Klachten-registratie vindt bij alle corporaties plaats ten behoeve van het onderhoud.
Informatie over woonvoorkeuren wordt hier niet uit afgeleid.
Bij alle corporaties vindt mutatie-registratie plaats ten behoeve van de verantwoording van
de woonruimteverdeling en soms ten behoeve van het mutatie-onderhoud. Deze informatie
wordt nergens gebruikt om woonvoorkeuren van doelgroepen uit af te leiden.
Drie corporaties houden gebruiksevaluaties na oplevering van nieuwbouw- of renovatie-
projecten. Deze evaluaties zijn vooral gericht op eventuele technische gebreken of andere
problemen en er wordt geen standaard-enquêteformulier bij gebruikt. Eén van deze
120
corporaties laat al jarenlang alle nieuwbouwprojecten door de plaatselijke V AC evalueren,
nadat deze in de planfase de woningen getoetst heeft. Twee corporaties voelen er wel voor
om de V AC te laten evalueren, maar dat is tot nu toe niet gebeurd. Bij twee corporaties is
alleen bij bijzondere gelegenheden een evaluatie gehouden.
Sommige corporaties met poniekflats in hun bezit organiseren portiek-gesprekken als dat
nodig is om problemen op te lossen. Woonvoorkeuren worden hieruit niet afgeleid.
Het huurderspanel als instrument om woonvoorkeuren te achterhalen is onbekend en wordt
nergens toegepast.
Bij alle corporaties vindt overleg tussen huurders en verhuurder plaats. Daar waar bewoners-
commissies per complex goed functioneren worden renovatieplannen enlof wijkplannen met
hen besproken. Vier gesprekspartners betreuren het dat deze commissies vaak helemaal niet
functioneren.
Alle corporaties volgen de ontwikkelingen bij hun concurrenten, met name in het duurdere
huursegment en bij koopwoningen. Dergelijke concurrentie-analyse vindt nergens gestructu-
reerd plaats. Enkele corporaties willen daar wel naar toe om zo de marktpositie van hun
eigen woningen te kunnen bepalen en strategisch beleid te kunnen voeren.
Bij de vier corporaties die experimenteel gebouwd hebben, zijn deze experimenten
geëvalueerd. Bij enkele corporaties is dit gebeurd in het kader van een SEV -experiment
(veiligheid in en om de woning resp. aanpasbaarheid voor ouderen) . Uit de gesprekken is niet
duidelijk geworden wat de corporaties zelf met de resultaten van deze evaluaties hebben
gedaan.
De vraag of er nog ander onderzoek door de corporatie is verricht, is aan één gespreks-
partner niet gesteld. Bij de andere zeven corporaties is een onderzoek naar de kwaliteit van
de dienstverlening verricht of men is dat van plan. Daarnaast zijn haalbaarheidsonderzoek,
woonwensenonderzoek ten behoeve van nieuwbouw en evaluatie van het marktgericht woon-
ruimteverdelingssysteem genoemd. Enkele corporaties zijn bezig om de informatie uit de
verschillende genoemde bronnen aan elkaar te koppelen ten behoeve van strategisch
nieuwbouw- en voorraadbeleid.
(28) Gebruik van onderzoeksgegevens in de praktijk
Resultaten van eigen onderzoek van de corporatie worden meestal op stafniveau verspreid
enlof besproken. Indien relevant komen ze ook bij andere medewerkers terecht. Men tracht
de informatiestroom echter zo veel mogelijk te beperken. Een enkele gesprekspartner gaf aan
dat de op schrift gestelde resultaten niet zo gauw worden geraadpleegd, omdat deze toch 'in
de hoofden' van de medewerkers zitten.
(29) Toegevoegde waarde van eigen onderzoek t.o. v. kennis uit ervaring
Zes gesprekspartners zijn van mening dat veel onderzoeksresultaten bevestigen wat je al wist
en dat de toegevoegde waarde ligt in de nuancering enlof (kwantitatieve) onderbouwing
daarvan. Volgens vier gesprekspartners is onderzoek daarnaast ook waardevol omdat derden
aan de bevindingen van een onafhankelijke partij vaak meer waarde hechten dan aan de eigen
121
ideeën van de corporatie. Eén gesprekspartner is van mening dat woonvoorkeurenonderzoek
weinig toevoegt, omdat woonvoorkeuren zo veranderlijk zijn en omdat woonconsumenten
veelal andere dingen zeggen te willen dan dat ze werkelijk willen.
(30) Nut van landelijk woonvoorkeurenonderzoek
Met resultaten van landelijk woonvoorkeurenonderzoek, zoals het WBO en het onderzoek
'Wonen na 2000' van de NWR doet men weinig. Slechts één gesprekspartner heeft weleens
van het onderzoek 'Wonen na 2000' gehoord, maar ook hij kent de inhoud niet. Van het
WBO wordt wel kennis genomen, maar de meeste gesprekspartners zeggen er weinig mee
te kunnen. Belangrijk bezwaar is dat dergelijke onderzoeken zo algemeen zijn en volgens
sommigen vrijwel altijd gericht op de situatie in de Randstad. De resultaten zijn vaak weinig
verrassend. Vanwege de grote stroom publicaties en tijdschriften die op de corporaties afkomt
is men zeer selectief. De gesprekspartners lijken meer belang toe te kennen aan landelijke
voorbeeldprojecten, bijvoorbeeld op het gebied van ouderenhuisvesting.
(31) Nuttig onderzoek voor woningcorporaties
Drie gesprekspartners noemden het signaleren van trends en ontwikkelingen op de langere
termijn een nuttige vorm van woonvoorkeurenonderzoek. Door telkens één gesprekspartner
werden de volgende suggesties gedaan:
- woonvoorkeuren van doelgroepen op lokaal niveau onderzoeken;
- het belang van luxe voorzieningen ten opzichte van andere aspecten bepalen;
- nagaan hoe (meer) vrijheid van bewoning in de bestaande voorraad kan worden
gerealiseerd;
- het gat opvullen tussen onderzoek dat geheel los staat van de concrete marktsituatie en
gegevens die juist al te specifiek zijn gerelateerd aan de concrete marktsituatie op een
bepaald moment;
- verrichten van evaluatiestudies op projectniveau.
Door verschillende gesprekspartners wordt als probleem van woonvoorkeurenonderzoek
genoemd, dat woonvoorkeuren zo veranderlijk zijn. De meeste gesprekspartners geven direct
of indirect aan, dat woonvoorkeurenonderzoek alleen zin heeft indien het is toegespitst op de
concrete, lokale marktsituatie.
Conclusies
- Het zelf verrichten van onderzoek en het aan elkaar koppelen van de resultaten is volop in
ontwikkeling bij de corporaties. Het onderzoek dat men verricht is echter zelden gericht
op het achterhalen van woonwensen, maar veeleer op de dienstverlening. Opvallend genoeg
vindt ook nauwelijks evaluatief onderzoek plaats.
- Corporaties streven ernaar de informatiestroom binnen de organisatie tot het noodzakelijke
te beperken.
- De corporatiemedewerkers vinden veel woonwensenonderzoek te algemeen of juist te
specifiek gericht op een situatie elders.
- De corporatiemedewerkers kennen aan algemene woonwensenonderzoeken niet of
nauwelijks nieuwswaarde toe.
- Goed gepresenteerde, landelijk bekende huisvestingsconcepten zoals het Seniorenlabel en
Aanpasbaar Bouwen slaan wel aan bij de corporaties.
122
4.8 Reacties op stellingen
De stellingen 32, 33 en 34 zijn afkomstig van De Vreeze van het Stimuleringsfonds voor de
Architectuur. Hij poneerde deze stellingen onder andere op een studiedag van het OTB over
bewonerspreferenties (De Vreeze, 1994, p.57, 58, 60). Stelling 40 is op zijn betoog
gebaseerd. De stellingen 35, 36, 37 en 38 zijn uitspraken van Burie in zijn publicatie
'Veranderende woonvoorkeuren, de positie van de woonconsument en het functioneren van
de bouwmarkt' (Burie, 1992, p.58) . Stelling 39 is overgenomen uit het betoog van
Hooimeijer op bovengenoemde OTB-studiedag (Hooimeijer, 1994, p.4).
(32) Bewoners willen allemaal voor een dubbeltje op de eerste rij zitten.
Vier gesprekspartners zijn van mening dat dit in zijn algemeenheid niet opgaat. De vier
andere gesprekspartners menen juist dat dit voor de meerderheid van de bewoners wel geldt.
Er is hierbij geen relatie met de kenmerken van de corporaties te ontdekken. Verschillende
gesprekspartners maakten de opmerking, dat mensen te weinig beseffen wat het wonen kost
en met name voor een huurwoning erg weinig willen uitgeven. Bewoners die klagen over
gebreken van de woning of het woongebouw - en dat gebeurt vaak - geven niet thuis als de
corporaties aanbiedt om deze tegen een kostendekkende huurverhoging te verhelpen. In die
zin willen ze volgens enkele gesprekspartners inderdaad voor een dubbeltje op de eerste rang
zitten.
(33) Bewoners willen alleen maar wat ze kennen, ze schuwen het nieuwe.
Vijf gesprekspartners zijn van mening dat 'schuwen van het nieuwe' beslist geen gezamenlijk
kenmerk van bewoners is. Twee gesprekspartners merken op dat bewoners in de regel inder-
daad erg behoudend zijn, al hangt het er vanaf, waar het over gaat. Een andere gespreks-
partner heeft het idee dat senioren minder veranderingsgezind zijn dan jongere woon-
consumenten. Ook bij deze stelling is geen relatie gevonden tussen de reacties en de
kenmerken van de corporaties. Overigens hebben de meeste corporaties niet of nauwelijks
ervaring met experimentele bouw.
(34) Ondenoekers (van woonvoorkeuren) trappen alleen maar open deuren in.
Met enige terughoudendheid beamen zeven van de acht gesprekspartners deze stelling. De
achtste gesprekspartner is het niet met de stelling eens, maar merkt wel op dat onderzoekers
realistischer zouden moeten zijn wat betreft de frnanciële consequenties van hun aanbeve-
lingen.
(35) De woon consument heeft weinig ruimtelijk inzicht.
Deze stelling is nader geconcretiseerd door aan te geven dat het hierbij vooral gaat over het
lezen van plattegronden. Alle gesprekspartners zijn het erover eens, dat woonconsumenten
in het algemeen slecht in staat zijn om plattegronden te lezen. Dit probleem lost men op door
het gebruik van ander beeldmateriaal, maquettes e.d.
(36) De woonconsument kan vaak niet goed formuleren wat hij wil.
Twee gesprekspartners zijn het met deze stelling zonder meer eens, terwijl drie anderen juist
van mening zijn dat mensen precies aangeven wat ze willen. Twee van hen merkten op dat
de 'deskundigen' beter moeten luisteren. Eén gesprekspartner vindt dat dit sterk verschilt
tussen woonconsumenten. Twee gesprekspartners zijn van mening dat woonconsumenten
123
beter kunnen formuleren welke eisen ze aan de woning stellen, dan in wat voor woon-
omgeving ze willen wonen.
(37) De woon consument kan geen gefundeerde afweging maken tussen lijn woon wensen
en de kostenconsequenties.
Vijf gesprekspartners zijn het met deze stelling eens, drie niet. Deze drie gesprekspartners
merkten op dat woonconsumenten juist uitstekend kunnen afwegen of ze een bepaalde woon-
wens tegen een bepaald bedrag al dan niet gerealiseerd willen zien. Er lijkt geen relatie te
bestaan tussen de reacties op deze stelling en de kenmerken van de corporaties. Zoals ook
bij de eerste stelling naar voren kwam, zijn verschillende gesprekspartners van mening dat
bewoners weinig inzicht hebben in de kosten die bepaalde woonwensen met zich meebrengen.
Enkele gesprekspartners merkten op, dat woonconsumenten vaak uitsluitend kijken naar de
woninggrootte als indicatie voor de huurprijs. Zij begrijpen niet dat een kleinere, com-
fortabele woning duurder kan zijn dan een grotere, eenvoudig afgewerkte woning.
(38) De woonconsument beoordeelt een woning of ontwerp veelal alleen op basis van lijn
huidige situatie of leefstijl, zonder dat hij kijkt of de woning aanpasbaar is aan eventuele
toekomstige woonwensen.
Vijf gesprekspartners zijn het met deze stelling eens. Eén van hen merkte op, dat dit inherent
is aan de Nederlandse gewoonte om te verhuizen als de huishoudenssituatie verandert.
Volgens één gesprekspartner is de mate waarin men vooruit kijkt helemaal afhankelijk van
de fase in de wooncarrière. Een starter beschouwt zijn woonsituatie als tijdelijk. Een gezin
of tweepersoonshuishouden kijkt wel naar de toekomst, maar een alleenstaande van 40 jaar
kijkt niet of hij ook oud kan worden in de woning van zijn keuze. Iemand van 55 jaar is juist
weer sterk toekomstgericht. Twee gesprekspartners zijn het met deze stelling helemaal niet
eens. Zij zijn van mening dat woonconsumenten de toekomstverwachting wel degelijk in hun
overwegingen meenemen.
(39) Veel woonvoorkeurenondenoek is gericht op de vraag wat bewoners het liefst willen,
terwijl aanbieders van woondiensten door de randvoorwaarden waarbinnen lij moeten
werken meer geïnteresseerd lijn in de vraag welke preferenties straffeloos genegeerd
kunnen worden.
Eén gesprekspartner is het met deze stelling eens. De overigen zijn het erover eens dat zij
binnen veel beperkende randvoorwaarden moeten werken en dat het tegemoet komen aan
woonvoorkeuren bemoeilijkt. Men denkt echter niet in termen van 'straffeloos negeren' en
probeert voor zover mogelijk in positieve zin met woonvoorkeuren om te gaan.
(40) Je kunt beter flexibel bouwen of de bewoners inspraak geven, dan bouwen en
renoveren volgens de resultaten van woonvoorkeurenondenoek.
Met deze stelling zijn alle gesprekspartners het geheel of gedeeltelijk eens. De meeste
gesprekspartners hebben geen hoge pet op van flexibel bouwen in de zin van verplaatsbare
wanden, maar zijn wel van mening dat je moet zorgen voor woningen die ' een leven lang
mee kunnen' door bijvoorbeeld aanpasbaar te bouwen. Over het nut van inspraak zijn de
meningen verdeeld. Verschillende gesprekspartners geven de voorkeur aan keuzemogelijk-
heden boven geheel open overleg. Het grote probleem van woonvoorkeurenonderzoek acht
men in dit verband het ontbreken van een relatie met de concrete marktsituatie.
124
Conclusies
- De reacties op de stellingen benadrukken wederom het belang van het rekening houden met
fmanciële consequenties en andere randvoorwaarden bij woonwensenonderzoek. Naast de
gebondenheid aan de woningmarktsituatie beschouwt men de veranderlijkheid van woon-
wensen als een groot probleem bij woonwensenonderzoek.
- Ook komt weer naar voren hoe belangrijk het is om onderzoeksresultaten goed te
presenteren en vooral de nieuwe inzichten te benadrukken.
- Bewoners kunnen volgens de corporatiemedewerkers slecht plattegronden lezen.
- Woonconsumenten stemmen hun wensen meer af op hun huidige dan op hun -potentiële-
toekomstige huishoudenssituatie. Dit betekent niet dat woonwensen minder relevant zijn,
maar wel dat corporaties soms maatregelen nemen die, ongeacht de huidige belangstelling,
aansluiten bij verwachte toekomstige woonwensen. Corporaties zijn allerminst geneigd om
klakkeloos op de woonwensen volgens een momentopname af te gaan.
- Zoals al eerder geconcludeerd willen veel corporaties graag toe naar woningen, die bij
verschillende huishoudenssituaties aansluiten, zodat niet elke verandering tot een verhuis-
wens behoeft te leiden.
- Ook onderzoek gericht op (het voorspellen van) trends en ontwikkelingen in woonwensen
en op de specifieke marktsituatie van de corporatie beschouwt men als nuttig.
- De corporatiemedewerkers hebben in het algemeen niet het idee dat aan iets experimenteels
geen eer te behalen zou zijn. Hoewel slechts weinigen ervaring hebben, lijken de
corporaties redelijk open te staan voor nieuwe ontwikkelingen.
4.9 Reacties op dilemma's
(41) Als zittende bewoners wordt gevraagd wat ze belangrijke woningkenmerken vinden,
noemen ze heel andere dingen dan woningzoekende bewoners. Woningzoekenden kijken
vooral naar de woonlasten, het woningtype en het aantal kamers. Zittende bewoners
noemen 'vocht- en tochtvrij', 'goed onderhoud' en 'goede wannte- en geluidsisolatie' als
belangrijkste aspecten.
De meeste gesprekspartners herkennen dit verschil in prioriteitsstelling van zoekende en
zittende bewoners. Uit de reacties is de volgende verklaring samen te stellen. Woonconsu-
menten die een andere woning zoeken willen veelal verhuizen omdat de woninggrootte enlof
het woningtype niet meer bij het huishouden past. Het is dan logisch dat die kenmerken in
de afweging het meest belangrijk zijn. Sommige gesprekspartners merkten op dat woning-
zoekenden daarnaast wel degelijk letten op met name de geluidsisolatie en bijvoorbeeld het
vocht- en tochtvrij zijn van de woning. Deze zaken zijn echter niet gemakkelijk bij bezich-
tiging te beoordelen. Sommige woningzoekenden vragen dan hoe het zit aan de verhuur-
medewerker of de huidige bewoner, anderen hopen er maar het beste van. Op een krappe
markt heeft men niet zoveel aan de informatie hierover en is men genoodzaakt om gebreken
op dat terrein te accepteren. Het gewenste woningtype, de gewenste grootte en de acceptabele
woonlasten zijn immers belangrijker. Daarbij speelt mogelijk een rol, dat het woningtype en
de woninggrootte niet of nauwelijks veranderbaar zijn, terwijl aan gebrekkige isolatie en
dergelijke desnoods wel iets te doen valt.
Dat laatste verklaart tevens gedeeltelijk waarom zittende bewoners juist isolatie en dergelijke
als belangrijkste aspecten noemen. Het woningtype en de woninggrootte zijn een gegeven en
sluiten bovendien meestal wel aan bij de woonvoorkeuren, indien tenminste geen grote
125
veranderingen in het huishouden hebben plaatsgevonden. Een zittende bewoner richt zich op
de zaken die hem storen en veelal veranderbaar zijn, want de rest is bekend, min of meer
aanvaard en veelal onveranderbaar.
Overigens, als woonconsumenten willen verhuizen omdat ze gewoon beter willen wonen en
dus niet zozeer vanwege het niet meer passen van de woonsituatie bij de huishoudenssituatie,
hebben isolatie en dergelijke hoge prioriteit naast kenmerken als het woningtype en het aantal
kamers. Woonconsumenten in deze situatie kunnen het zich permitteren kritisch te zijn en
net zo lang te wachten tot er een woning beschikbaar is die aan alle eisen voldoet.
(42) Hoewel de voordelen evident lijken, hechten bewoners nauwelijks waarde aan ver-
anderbaarheid van hun woning.
Alle gesprekspartners onderkennen deze paradox. Zij geven er verschillende verklaringen
voor. Vier gesprekspartners zijn van mening dat woonconsumenten gewend zijn aan de gang-
bare woningindelingen en zich daaraan aanpassen. Zij hebben geen behoefte aan dit soort
nieuwigheden. De vier andere gesprekspartners denken dat woonconsumenten het idee van
flexibiliteit best aardig vinden, maar dan als leuk extraatje. Ze willen er niet of nauwelijks
voor betalen. Flexibel bouwen lijkt meer het belang van de verhuurder dan dat van de
huurder te dienen. Verschillende gesprekspartners zien echter ook vanuit het oogpunt van de
verhuurder meer in neutraal enlof aanpasbaar bouwen dan in flexibiliteit .
(43) Volgens een groot aantal ondenoekers vinden bewoners de kenmerken van de woon-
omgeving belangrijker dan de woningkenmerken. Volgens een groot aantal andere
ondenoekers is het precies andersom.
Bij deze stelling dient een onderscheid te worden gemaakt tussen woningzoekenden en
zittende bewoners.
De meeste gesprekspartners zijn het erover eens dat woningzoekenden in eerste instantie
kijken naar de woningkenmerken en dat de woonomgevingskenmerken op de tweede plaats
komen. Het relatieve belang van woonomgevingskenmerken hangt naar de inzichten van de
gesprekspartners van verschillende factoren af.
Volgens vier gesprekspartners is de woonomgeving, de buurt, relatief belangrijker in de stad
dan in een dorp. In steden is meer dan in dorpen sprake van goede en slechte wijken. Het
mijden van een slechte wijk is dan een belangrijke woonwens.
Op een ruime woningmarkt en in een latere fase van de wooncarrière wordt de woon-
omgeving ook relatief belangrijker. In deze omstandigheden kunnen woningzoekenden het
zich permitteren om veeleisend te zijn. Voor ouderen heeft de nabijheid van voorzieningen
het karakter van een randvoorwaarde. Evenals ouderen kennen ook starters veel belang toe
aan woonomgevingskenmerken, met name een centrale locatie. In tegenstelling tot ouderen
kunnen starters echter nauwelijks eisen stellen.
Er lijken ook regionale verschillen te zijn. In bepaalde plaatsen hechten woonconsumenten
er veel meer waarde aan om in de buurt te wonen waar zij zijn opgegroeid, dan in andere.
Eén gesprekspartner is in tegenstelling tot alle anderen van mening dat woningzoekenden de
woonomgeving belangrijker vinden dan de woningkenmerken, omdat woningkenmerken
beïnvloedbaar zouden zijn en de woonomgeving niet. De belangrijkste woningkenmerken in
de ogen van woningzoekenden, woningtype en woninggrootte, zijn echter niet of nauwelijks
beïnvloedbaar.
Ook zittende bewoners kennen volgens de gesprekspartners in principe meer belang toe aan
woningkenmerken dan aan de woonomgeving. Als de woonomgeving zeer positief of zeer
126
negatief gewaardeerd wordt, neemt het belang ervan in de beleving van de bewoners toe. Als
mensen in een prettige buurt wonen, stellen zij een verhuizing om woon- en!of persoonlijke
redenen zo lang mogelijk uit. Het huishouden probeert zich dan aan de woning aan te passen.
Aan de andere kant kan een onaantrekkelijke woonomgeving juist een reden zijn om te
verhuizen. Hier blijkt dus het belang van extreme (dis)satisfacties, zoals beschreven in het
conceptueel mode. Indien de woonomgeving negatief gewaardeerd wordt, kan deze echter
ook minder belangrijk worden gevonden ten gevolge van cognitieve dissonantiereductie.
Flatbewoners bijvoorbeeld hechten vaak veel waarde aan de woning zelf, waardoor negatieve
aspecten van de woonomgeving, met name in sociaal opzicht, doorbroken worden.
Conclusies
- In overeenstemming met het conceptueel model speelt volgens de gesprekspartners de mate
van veranderbaarheid een rol in het belang dat aan woningkenmerken wordt toegekend.
Daarnaast is de verhuisreden van invloed op het belang van de verschillende woningken-
merken.
- De gesprekspartners bevestigen het bestaan van een zekere, individueel verschillende
hiërarchie van woonbehoeften.
- Eveneens in overeenstemming met het conceptueel model is het belang dat volgens de
gesprekspartners wordt toegekend aan woningkenmerken met een dissatisfier-karakter.
- Flexibiliteit is in het belang van zowel huurder als verhuurder. Huurders staan volgens de
verhuurders niet te springen om flexibiliteit omdat dat onbekend is en! of vanwege de
hogere woonlasten.
- Zoekende bewoners kennen volgens de gesprekspartners meer belang toe aan woning-ken-
merken dan aan de woonomgeving. De woonomgeving wordt relatief belangrijker naarmate
men zich meer eisen kan permitteren, men meer aan een bepaalde buurt gebonden is of de
verschillen tussen buurten in het zoekgebied groter zijn. In het laatste geval is een niet-
negatief gewaardeerde buurt een belangrijke woonwens.
- Zittende bewoners kennen volgens de gesprekspartners eveneens meer belang toe aan
woningkenmerken dan aan de woonomgeving, tenzij de woonomgeving zeer positief of zeer
negatief wordt gewaardeerd. Zoals in het conceptueel model staat aangegeven, is er dus
sprake van extreme (dis-)satisfactie. Tegelijkertijd kan echter het streven naar reductie van
cognitieve dissonantie maken dan men aan onprettige woonaspecten juist minder belang
gaat hechten.
4.10 Enkele kritische kanttekeningen
In het volgende hoofdstuk worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan naar aan-
leiding van onder andere de gesprekken bij de woningcorporaties. Tot slot van dit hoofdstuk
zijn enkele kritische kanttekeningen bij de selectie van de corporaties en de waarde van de
gespreksresultaten op hun plaats.
Aan het begin van dit hoofdstuk is aangegeven dat bij het selecteren van voor dit deelonder-
zoek te benaderen corporaties is gestreefd naar een zekere verdeling naar onder andere de
grootte van de corporaties en de mate van spanning op de woningmarkt. Verwacht werd dat
deze zaken van invloed zouden zijn op de manieren waarop en de mate waarin woonvoor-
keuren en woonvoorkeurenonderzoek een rol spelen. De vraag of dat ook werkelijk het geval
127
is, is op basis van een selectieve steekproef van acht woningcorporaties uiteraard niet te
beantwoorden. In de gesprekken is daarom expliciet gevraagd of men dacht dat de mate
waarin corporaties rekening houden met woonvoorkeuren mede afhangt van de grootte en de
financiële positie van de corporatie. Ook is gevraagd of men het rekening houden met woon-
voorkeuren noodzakelijk acht met het oog op de omstandigheden op de woningmarkt.
Hieruit kan met de nodige voorzichtigheid het volgende worden geconcludeerd.
De mate waarin de deelnemende corporaties rekening houden met woonvoorkeuren heeft
weinig van doen met hun marktpositie. Dit blijkt uit een vergelijking van de gespreksuitkom-
sten met de woningmarktomstandigheden van de verschillende corporaties. Hierbij moet wel
worden aangetekend dat geen enkele corporatie te maken heeft met een geheel ontspannen
woningmarkt in de distributie-huursector. De meeste gesprekspartners beschouwen het
persoonlijk kennen van de klanten en het bezit van voldoende fmanciële middelen om iets
extra' s voor hen te doen als voorwaarden om aan woonvoorkeuren tegemoet te kunnen
komen. Gesprekspartners die werkzaam zijn bij kleine corporaties beschouwen het klein zijn
daarbij als een voordeel. De cultuur van de corporatie, de aan- of afwezigheid van een zeker
idealisme, wordt door allen beschouwd als belangrijkste grond om aan woonvoorkeuren
tegemoet te komen. Dit betekent overigens niet dat er sprake is van lief-dadigheid. Door
rekening te houden met woonvoorkeuren investeren corporaties in langdurige relaties met
tevreden klanten. Dat is niet in de laatste plaats in het belang van de corporaties zelf.
Het is in dit verband niet zonder betekenis dat de corporaties geselecteerd zijn via het NCIV.
Verschillende gesprekspartners gaven aan dat de (van oorsprong) christelijke beginselen van
hun organisatie (nog altijd) een rol spelen bij het vervullen van de maatschappelijk taak en
van invloed zijn op de motivatie om rekening te houden met woonwensen.
Over de validiteit van de interviews dient te worden opgemerkt, dat het niet is uitgesloten
dat op sommige vragen sociaal wenselijke antwoorden zijn gegeven. Welke corporatie wil
in het verband van dit onderzoek niet beschouwd worden als een organisatie die zich sociaal
opstelt en rekening houdt met wat de huurders willen? Met het oog hierop is tijdens de
interviews soms aangegeven dat het gesprek niet bedoeld was als een soort ' examen in markt-
en klantgerichtheid' . Ook kan er een groot verschil zijn tussen het officieel vastgestelde
beleid en het impliciet gevoerde beleid. Het laatste wordt niet benoemd, maar speelt in
werkelijkheid een grote rol. Ten slotte is van belang dat feiten en persoonlijke meningen van
de gesprekspartners in de gesprekken met elkaar verweven zijn. Met het bestuderen van jaar-
verslagen, beleidsplannen, onderzoeksrapporten e.d. is getracht dit probleem zoveel mogelijk
te beperken.
128
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Aan het begin van dit rapport zijn drie onderzoeksvragen en twaalf bijbehorende deelvragen
gesteld. Deze vonnden de leidraad voor het onderzoek. Nu, aan het einde van het onderzoek,
is het tijd om na te gaan in hoeverre deze vragen zijn beantwoord. In dit hoofdstuk worden
de antwoorden op de onderzoeksvragen in de vonn van puntsgewijze conclusies op een rij
gezet. Aansluitend wordt een aantal aanbevelingen voor nader onderzoek gedaan.
5.1 Woonvoorkeuren
Gegevens over woonwensen
Er is op hoofdzaken veel bruikbare infonnatie over woonwensen beschikbaar. Deze
infonnatie betreft met name het gewenste woningtype, het aantal kamers, de grootte van de
woonkamer, de buitenruimte en de woonomgeving. In vrijwel elk woonwensenonderzoek
komen deze zaken terug. Telkens weer blijkt de grote populariteit van de eengezinswoning,
de drie- en vierkamerwoning en de eigen tuin. Tegelijkertijd is er altijd een minderheid met
hiervan afwijkende voorkeuren.
Er is aanmerkelijk minder bekend over voorkeuren ten aanzien van de grootte van de
slaapkamers en overige vertrekken, de indeling van de woning, veranderbaarheid, bouw-
fysische aspecten, het uitrustingsniveau van de woning en relaties tussen de woning en de
buitenruimte. Deze meer gedetailleerde woningkenmerken komen wel aan de orde in onder-
zoek naar de tevredenheid met de woning. Maar daarbij wordt in het algemeen minder
aandacht besteed aan de relatie met huishoudenskenmerken.
Prioriteiten
Over de mate van belangrijkheid van de woonwensen ten opzichte van elkaar is minder
bekend dan over de wensen op zich. Er wordt in toenemende mate aandacht aan dit onder-
werp besteed. Maar het blijkt moeilijk om hierover eenduidige uitspraken te doen. Sommige
onderzoeken tonen bijvoorbeeld aan dat kenmerken van de woonomgeving belangrijker zijn
dan kenmerken van de woning. In andere onderzoeken wordt het tegenovergestelde
geconcludeerd. Ook over het belang van het woningtype ten opzichte van de grootte van de
woning verschillen de resultaten van onderzoeken.
Voor de verschillen in prioriteitsstelling zijn meerdere verklaringen mogelijk.
129
Tegenstrijdige onderzoeksresultaten kunnen voortkomen uit verschillen tussen onderzoeks-
methoden. Het al of niet meenemen van allerlei beperkingen in de vraagstelling, met name
het kostenaspect en het aanbod op de woningmarkt, maakt veel verschil voor de uitkomsten.
Kiezen binnen een beperkt budget op een afgebakend deel van de woningmarkt levert vrij
reële prioriteiten op. Dan blijkt voor een huishouden met kinderen in een stedelijk gebied een
eengezinswoning met tuin bijvoorbeeld een minder harde eis te zijn dan aanvankelijk gedacht.
Onder de gegeven omstandigheden kent men uiteindelijk meer waarde toe aan het aantal
kamers, dan koste wat kost de wens ten aanzien van het woningtype te willen realiseren.
Ook het bijzondere karakter van woonruimte kan zorgen voor tegenstrijdige onderzoeks-
resultaten als het om prioriteiten gaat. Iedere woning is op de plek waar deze staat in
principe uniek. In theorie moet een woningzoekende dus een keuze maken uit bijna oneindig
veel alternatieven. Echter, slechts weinig woningen zijn op een bepaald moment beschikbaar
op de woningmarkt en tevens bereikbaar voor het huishouden. Hierdoor is het zoekproces
een ingewikkeld optimaliseringsvraagstuk op een zeer onoverzichtelijke ' markt' . De optimale
keuze houdt het midden tussen het accepteren van de eerste de beste woning die enigszins
aan de belangrijkste woonvoorkeuren voldoet en eindeloos wachten totdat de meest ideaal
geachte woning beschikbaar komt. Om het nog ingewikkelder te maken, speelt ook de
waardering voor de eigen woning een rol in de beoordeling van andere woningen. Het maakt
voor de resultaten dan ook veel verschil, of een onderzoek wordt verricht onder woon-
consumenten met of zonder verhuiswens. Woonconsumenten met verhuisplannen ('zoekende
woonconsumenten' ) zijn veel bewuster bezig met woonvoorkeuren dan degenen zonder
verhuisplannen ('zittende woonconsumenten' ). De prioriteiten van de eerste groep spitsen
zich toe op die woningkenmerken waaraan in hun huidige woning geen aanpassing meer
mogelijk is, zoals het woningtype of het aantal kamers. Willen verhuizen is immers de laatste
stap in het aanpassingsproces dat huishoudens in hun woning doormaken. Zittende woon-
consumenten geven daarentegen prioriteit aan de zaken die zij in de huidige woonsituatie als
gebreken ervaren. Zij noemen bijvoorbeeld goede warmte-isolatie of een goed onderhouden
woning heel belangrijk. Zittende woonconsumenten zijn geneigd om de onveranderlijke zaken
in hun woning te accepteren en zo een permanent gevoel van ontevredenheid te vermijden
(cognitieve dissonantie-reductie).
Het belang dat men toekent aan een woningkenmerk varieert soms met de 'richting' van de
voorkeur. Voor degenen die een eengezinswoning wensen is het woningtype bijvoorbeeld
belangrijker dan voor degenen die voorkeur geven aan een flatwoning.
Invloed van huishoudenskenmerken
In dit onderzoek is zoveel mogelijk gezocht naar de invloed van afzonderlijke huishoudens-
kenmerken op de woonvoorkeuren. Huishoudenstypen worden beschouwd als combinaties van
huishoudenskenmerken die in de praktijk veel voorkomen. Het samenspel van verschillende
huishoudenskenmerken met de individuele omstandigheden van het huishouden en externe
factoren resulteert enerzijds in een uniek pakket woonvoorkeuren. De grote invloed van
bepaalde huishoudenskenmerken zorgt anderzijds voor een gemeenschappelijke deler in de
woonvoorkeuren van huishoudens met gelijke kenmerken.
Zo is een eengezinswoning vooral voor huishoudens met kinderen en voor veel jonge
tweepersoonshuishoudens een harde voorkeur.
Zo mogelijk nog belangrijker is de grootte van de woning. Jonge huishoudens in de
opbouwfase vinden veel ruimte belangrijker dan oudere huishoudens; huishoudens met jonge
130
kinderen vinden dit het allerbelangrijkst. Alleenstaanden en ouderen kiezen bewust voor niet
te grote woningen vanwege onder andere de bewerkelijkheid.
Ook de voorkeuren ten aanzien van de buitenruimte worden duidelijk beïnvloed door
huishoudenskenmerken. Behalve sommige ouderen en drukbezette huishoudens die bewust
voor een huis zonder tuin kiezen, heeft in principe iedereen voorkeur voor een tuin boven
een balkon. Bij huishoudens met jonge kinderen en bij jonge tweepersoonshuishoudens is
deze voorkeur het sterkst.
Bij de voorkeuren ten aanzien van de woonomgeving spelen huishoudenskenmerken ook een
belangrijke rol. Woonomgevingsvoorkeuren stoelen op een behoefte aan rust enerzijds en aan
voorzieningen anderzijds. Huishoudens met kinderen prefereren veelal een rustige, groene
woonomgeving. De voorkeuren van huishoudens zonder kinderen verschillen nogal, al geven
de meesten uiteindelijk ook de voorkeur aan een rustige woonomgeving.
Vooral het aantal leden van het huishouden en de aanwezigheid van afhankelijke kinderen
bepalen de woonvoorkeuren. Het aantal leden is van belang voor de voorkeuren die met de
grootte van de woning te maken hebben. De aanwezigheid van afhankelijke kinderen speelt
een grote rol bij de voorkeuren, en vooral de hardheid ervan, ten aanzien van de woonvorm,
de woninggrootte, de buitenruimte en de woonomgeving.
Daarnaast is ook de leeftijd van belang. De leeftijd is een indicatie voor veel andere huis-
houdenskenmerken. In het bijzonder is de leeftijd een indicatie voor de vitaliteit. De voor-
keuren van ouderen wijken op sommige punten structureel af van die van jongere woon-
consumenten, omdat zij minder vitaal zijn of dat in de nabije toekomst verwachten te
worden. Zo vindt men vrijwel alleen onder noemenswaardige aantallen ouderen een positieve
voorkeur voor een meergezinswoning en voor (luxe) voorzieningen in plaats van veel ruimte.
Over de relatie tussen woonvoorkeuren en leefstijlkenmerken is weinig bekend.
Geoperationaliseerd als de (gewenste) besteding van tijd en geld, lijkt de leefstijl invloed uit
te oefenen op de gewenste woonvorm, woninggrootte en buitenruimte. De leefstijl is echter
in de eerste plaats bekend als een verklarende variabele voor woonomgevingsvoorkeuren.
Naast deze huishoudenskenmerken is een belangrijke rol weggelegd voor het inkomen bij de
vorming van woonvoorkeuren. Het inkomen is vooral een beperkende factor voor de keuze-
mogelijkheden.
Ook de toekomstverwachtingen ten aanzien van de huishoudenskenmerken zijn van belang.
Een voorbeeld vormen veel jonge tweepersoonshuishoudens die met hun woonvoorkeuren op
de aanwezigheid van kinderen anticiperen. Hun woonvoorkeuren gaan dezelfde richting op
als die van gezinnen met kinderen, maar zijn wel wat meer aanpasbaar. Gezinnen met
kinderen doen minder gemakkelijk concessies aan hun wensen.
Samenhang in woonvoorkeuren
Er bestaat een duidelijke samenhang in de voorkeuren van woonconsumenten ten aanzien van
woning- en woonomgevingskenmerken. Men vormt zich complete ' woonbeelden' : pakketten
van voorkeuren die als geheel bij elkaar passen. Indien uitsluitend naar afzonderlijke
woonwensen wordt gevraagd, uit men soms wel degelijk conflicterende wensen. Maar
gevraagd naar het totaalbeeld, wenst men geen appartement met een zolder en een tuin en
een wijds uitzicht, geen vrijstaande woning in het hart van de grote stad. Misschien zouden
sommigen dat best willen, maar men onderkent dat dit onmogelijke wensen zijn. Het
nastreven ervan zou slechts leiden tot ontevredenheid en frustratie. Daarom maakt men bij
voorbaat een afweging en laat in het geval van conflicterende wensen één wens prevaleren,
131
bijvoorbeeld een kindvriendelijke woonomgeving boven de directe nabijheid van stedelijke
voorzieningen.
Er is een spanningsveld tussen de diverse woonvoorkeuren en de financiële haalbaarheid
ervan. Dit speelt bijvoorbeeld grotere huishoudens met een laag inkomen parten. Hun
voorkeur voor een ruime, comfortabele woning in een rustige buurt staat op gespannen voet
met de betaaibaarheid daarvan. Bij huishoudens die door een laag inkomen nauwelijks keuze-
mogelijkheden hebben, is het begrip woonvoorkeuren eigenlijk niet op zijn plaats.
Woonvoorkeuren in de loop der tijd
Woonvoorkeuren zijn sinds de Tweede Wereldoorlog in essentie nauwelijks veranderd. Wel
is men door de toegenomen welvaart veeleisender geworden. Groter, meer en beter zijn de
kernwoorden. Daarnaast lijken woonvoorkeuren meer variatie te vertonen dan vroeger. Dit
kan worden toegeschreven aan de toegenomen pluriformiteit in huishoudenstypen, de
individualisering en de welvaart. Meer dan voorheen is het mogelijk om er op allerlei
gebieden persoonlijke voorkeuren op na te houden en die ook te realiseren.
Ontwikkelingen als de emancipatie van vrouwen en ouderen hebben hun sporen nagelaten.
Met name de grote aandacht voor woonvoorkeuren van ouderen heeft de woningbouw een
positieve impuls gegeven. Men is daardoor mensvriendelijker en kwaliteitsbewuster gaan
bouwen en meer aandacht gaan besteden aan de indeling van woningen. Dit komt ook jongere
huishoudens ten goede.
Ook ontwikkelingen in de architectuur en de bouwtechniek hebben voor veranderingen in de
gerealiseerde kwaliteit en de woonvoorkeuren gezorgd. De introductie van de centrale
verwarming heeft bijvoorbeeld geleid tot het realiseren van open plattegronden en vervolgens
tot een voorkeur voor een zekere openheid in de plattegrond.
Desondanks kan men stellen, dat de meeste huishoudens voorkeur hebben voor hetgeen zij
kennen en zijn waarde reeds lang bewezen heeft. Veel voorkeuren zijn diep verankerd in de
cultuur. Waar in bijvoorbeeld Groot-Brittannië een bad tot de sanitaire basisvoorzieningen
wordt gerekend, is in Nederland een douche niet weg te denken. Daarnaast gelden de
ecologische wetmatigheden, die aan voorkeuren ten grondslag liggen, onverminderd.
Experimentele woningbouw heeft slechts een kans van slagen, indien de nieuwe ideeën in
overeenstemming zijn met de menselijke basisbehoeften zoals genoemd in het conceptueel
model. De traditionele populariteit van de eengezinswoning is een voorbeeld van een
ecologisch verankerde voorkeur. Dat wil niet zeggen, dat er nooit omstandigheden kunnen
zijn waarin andere overwegingen prioriteit krijgen. Tijdgebrek en behoefte aan sociale
veiligheid kunnen bijvoorbeeld leiden tot een positieve voorkeur voor een gelijkvloerse
woning boven de begane grond.
Verklaring van woonvoorkeuren
Het conceptueel model lijkt de vorming van woonvoorkeuren adequaat te beschrijven. De
nadruk lag in de literatuurstudie op de invloed van huishoudenskenmerken. Keer op keer
bleek echter ook een rol weggelegd voor externe demografische, sociaal-economische en
sociaal-culturele factoren, alsmede algemene behoeften, woonervaring, het bekende en
bereikbare deel van de woningmarkt, het inkomen en de verhuisgeneigdheid. Woonvoor-
keuren worden onder invloed van deze factoren gevormd. Tegelijkertijd ondervindt men de-
al dan niet hinderlijke - invloed van deze factoren bij het realiseren van woonvoorkeuren.
Uit de vele onderzoeken komen duidelijke relaties naar voren tussen huishoudenskenmerken
en voorkeuren ten aanzien van de woonvorm, de woninggrootte, buitenruimten en de
132
woonomgeving. Bij zaken als de indeling, bouwfysische aspecten en het uitrustingsniveau is
dat veel minder het geval. Dit kan enerzijds het gevolg zijn van een geringere hoeveelheid
onderzoeksgegevens over deze onderwerpen. Anderzijds lijken met name bij de indeling van
de woning de andere factoren uit het conceptueel model een belangrijke rol te spelen. Neem
bijvoorbeeld de woonervaring: men heeft voorkeur voor woningindelingen zoals die van
oudsher bekend en beproefd zijn. Wel passen bewoners zich vrij gemakkelijk aan een alterna-
tieve woning indeling aan, mits deze voorziet in de basisbehoeften en voldoende ruimte en de
noodzakelijk geachte voorzieningen aanwezig zijn. Wanneer nieuwe typen plattegronden
voldoende kwaliteit bieden en vaker worden gerealiseerd, gaan zij deel uitmaken van de
traditie. Vervolgens sluiten de woonvoorkeuren zich hierbij aan.
5.2 Corporatiestandpunten
In het onderzoek is een uitstapje gemaakt naar de plek waar de resultaten van woonvoor-
keurenonderzoek gebruikt (zouden moeten) worden, namelijk woningcorporaties. Interviews
met sleutelfiguren van een achttal woningcorporaties leverden naast aanbevelingen voor
onderzoekers van woonvoorkeuren ook een aantal belangwekkende conclusies op.
Rol van woonvoorkeuren
Een sterk gedifferentieerde doelgroepenbenadering sluit niet aan bij de belevingswereld van
de ondervraagde corporaties. Dit heeft alles te maken met het feit dat de corporaties allen
opereren op een gespannen woningmarkt met relatieve schaarste. Wel trachten de corporaties
binnen de grenzen van de eigen doelstellingen rekening te houden met de woonvoorkeuren
van huurders en woningzoekenden. Zij richten zich daarbij vooral op algemeen bekende
woonwensen, op wensen van bewoners van een bepaald complex (vaak vertegenwoordigd
door een bewonerscommissie) en op wensen van de individuele huurder of woningzoekende.
Daarnaast hanteren de woningcorporaties wel degelijk een doelgroepenbenadering ten aanzien
van koopkrachtige woonconsumenten en ouderen, een groeiende groep met deels specifieke
voorkeuren.
Verondersteld kan worden dat woningcorporaties op woningrnarkten waar minder vraag is
naar woningen en een ruim aanbod, meer geneigd zijn om hun aanbod op bepaalde doel-
groepen af te stemmen. Dan wordt ook het inzicht in gedetailleerde woonvoorkeuren
belangrijker om de woningen te kunnen verhuren.
Kennis van woonvoorkeuren
De ideeën van de ondervraagde sleutelfiguren van de woningcorporaties over woonvoorkeu-
ren stemmen goed overeen met onderzoeksresultaten op dit gebied. Bij de vorming van
kennis over woonvoorkeuren speelt de eigen ervaring de onbetwiste hoofdrol. Het is niet
duidelijk in hoeverre a-priori's dan wel (onbewuste) kennisname van onderzoeksresultaten
deel uitmaken van wat men eigen ervaring noemt. De kennis van woonvoorkeuren ten
aanzien van meer gedetailleerde woningkenmerken is niet zo uitgebreid. Aan kennis daarover
voelt men bij de huidige taakverdeling tussen opdrachtgever en architect kennelijk niet zoveel
behoefte.
133
Houding ten opzichte van woonvoorkeuren
De ondervraagde sleutelfiguren vinden het belangrijk om rekening te houden met woonvoor-
keuren. Met de kritiek van ontwerpers en beleidmakers op het nut van woonvoorkeuren-
onderzoek zijn zij het ten dele wel eens. Voor onderzoeksresultaten die niet op de eigen,
specifieke situatie zijn afgestemd, bestaat weinig belangstelling. Het meenemen van de
financiële consequenties van woonvoorkeuren is voor de corporaties een randvoorwaarde.
In voorbeeldprojecten en nieuwe ontwikkelingen is men zeer geïnteresseerd, evenals in
onderzoeksresultaten die zijn vertaald in bruikbare instrumenten, zoals het Seniorenlabel.
Experimenten op het gebied van ouderenhuisvesting kunnen rekenen op een warme
belangstelling. Ook volgt men de ontwikkelingen op het gebied van aanpasbaar en flexibel
(ver)bouwen.
5.3 Aanbevelingen voor nader onderzoek
Concrete keuzeprocessen
Het is belangrijk om in de vraagstelling van woonvoorkeurenonderzoek meer aandacht te
besteden aan de beperkende randvoorwaarden, zoals het kostenaspect. Maar dan nog hebben
verbale woonvoorkeuren maar weinig voorspellende waarde. Daarom is het van belang te
blijven zoeken naar onderzoeksmethoden die het feitelijke keuzeproces met al zijn
beperkingen zoveel mogelijk benaderen. Verdere ontwikkeling en toepassing van de
besluitboommethode (decision plan nets) is gewenst. Het grote voordeel van deze methode
is, dat woonconsumenten geheel zelf bepalen welke criteria zij op welk moment hanteren in
de (nagebootste) besluitvorming. Daarnaast biedt deze methode inzicht in de manier waarop
bepaalde woningkenmerken het gemis van andere woningkenmerken kunnen compenseren.
In het huidige spanningsveld tussen stedebouwkundige eisen (bouwen in hoge dichtheden) en
bewonerswensen (veel ruimte in en om de woning) is dat een uiterst relevante vraag.
Faciliteiten voor interactieve telecommunicatie bieden volop mogelijkheden om deze methode
verder uit te bouwen. Daarbij zal nader moeten worden gezocht naar manieren om uit de
individuele besluitbomen voorkeuren in relatie tot huishoudenskenmerken af te leiden.
Ook zogenaamd ontwerpend onderzoek maakt het mogelijk om rekening te houden met
beperkingen. Bij ontwerpend onderzoek vindt een constante interactie plaats tussen het
ontwerpen, het onderzoeken van de implicaties van een ontwerp en het stellen van nieuwe
eisen. Naast de beperkingen die het huishouden ondervindt, worden ook de beperkingen
meegenomen die de ontwerper en bouwer tegenkomen. Het ontwerpteam met consumenten-
inbreng alsmede de aloude structuurmodelmethode en de activiteitenbenadering, beide
ontwikkeld aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen, verdienen hernieuwde aandacht.
Individuele bewoningsvrijheid
Het is aan te bevelen om onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om individuele
bewoners meer vrijheid te geven. Te denken valt aan het omgaan met zelf aangebrachte voor-
zieningen en constructies tussen huren en kopen. Ook is meer onderzoek naar indelings- en
gebruiksflexibiliteit gewenst. Het bevorderen van individuele bewoningsvrijheid dient de
woonconsument. De veelal grote discrepantie tussen het subjectieve ideaalbeeld en het
aspiratiebeeld wordt verkleind door het opheffen van onnodige beperkingen. Dergelijke
onderwerpen staan in de belangstelling bij corporaties, omdat meer individuele bewonings-
vrijheid in het algemeen een grotere betrokkenheid bij de woonsituatie met zich meebrengt.
134
Interessant is het spanningsveld tussen flexibel bouwen en doelgroepgericht bouwen. In beide
gevallen wordt de keuzevrijheid van bewoners nagestreefd. Bij flexibel bouwen gebeurt dat
door het realiseren van een zo groot mogelijke aanpasbaarheid van de woning aan de wensen
van het huishouden, die in de loop ter tijd veranderen. Bij doelgroepgericht bouwen wordt
een zo groot mogelijke produktdifferentiatie nagestreefd. In combinatie met een flexibel
woningtoewijzingssysteem biedt dat in principe de mogelijkheid om bij elke ingrijpende
verandering in het huishouden te verhuizen naar een passende woning.
Op grond van dit onderzoek kan niet worden gesteld dat het een of het ander beter is. Wel
is gebleken, dat van flexibiliteit veelal alleen door de eerste bewoners gebruik wordt
gemaakt. Zij delen de woning kennelijk zo gunstig in, dat opvolgende bewoners geen
behoefte hebben om nog iets aan de indeling te wijzigen. Dit zou kunnen duiden op een
beperkte meerwaarde van flexibiliteit bij een goed doordachte woningindeling.
Al met al is het wenselijk om meer onderzoek te verrichten naar de vraag of woonconsumen-
ten het meest gebaat zijn bij flexibel bouwen of bij doelgroepgericht bouwen of uiteindelijk
toch massaal de voorkeur geven aan één of enkele uitgekiende basisindelingen.
Met name voor de sociale woningbouw zijn juist die woningkenmerken interessant, die
woonconsumenten heel belangrijk vinden en weinig of geen invloed hebben op het
huurniveau. Dat pleit voor onderzoek naar fmancieel aantrekkelijke mogelijkheden om een
zo groot mogelijke bewoningsvrijheid te realiseren.
Woonvoorkeurenonderzoek op lokaal en regionaal niveau
Voor woningcorporaties is onderzoek naar woonvoorkeuren op plaatselijk of regionaal niveau
onmisbaar. Woningkwaliteit en woonvoorkeuren hebben in een grote stad een volstrekt
andere betekenis dan op een woningmarkt met vrijwel uitsluitend ruime, (half)vrijstaande
woningen. Daarnaast lijkt er zelfs binnen een klein land als Nederland sprake te zijn van
regionale cultuurverschillen die zorgen voor variatie in woonvoorkeuren. Deze verdienen de
aandacht van onderzoekers. Hetzelfde geldt overigens voor modeverschijnselen in
woonvoorkeuren.
Uitwerking leefstiilbegrip
Het begrip leefstijl in relatie tot woonvoorkeuren dient beter te worden uitgewerkt. Wat is
de samenhang met ' objectieve' huishoudenskenmerken enerzijds en de toegevoegde waarde
van het begrip leefstijl ten opzichte van andere huishoudenskenmerken anderzijds? Hoe zit
het met de 'huiselijken' en 'uitgaanders' in kwantitatieve zin? Verschillende concepten uit de
Woonatlas Amsterdam, waarin diverse leefstijlen zijn vertaald in specifieke woningontwer-
pen, zijn toegepast in woningbouwprojecten. Evaluatief onderzoek onder de bewoners hiervan
kan leiden tot meer inzicht in de relevantie van het begrip leefstijl.
In de Woonatlas maakt de mate van individualiteit en gemeenschappelijkheid deel uit van het
leefstijlbegrip . Dit begrippenpaar behoeft meer aandacht, evenals de daarmee samenhangende
vraag in hoeverre er behoefte bestaat aan een hiërarchische woningindeling of juist aan gelijk-
waardige woonvertrekken. Andere interessante onderwerpen voor nader onderzoek zijn in
dit verband de toename van vrije tijd en de opkomst van thuis- en telewerken.
De woonconsument als respondent
In het conceptueel model is een zogenaamd 'onderzoeksfilter' opgenomen. De vele redenen
waarom gemeten woonvoorkeuren een vertroebelde blik bieden op de werkelijkheid verdienen
nader onderzoek. Hoe zit het met het vermogen van woonconsumenten om in alternatieven
135
te denken? Waarom beoordeelt men willekeurige woningen zo heel anders dan de eigen
woning? Welke rol spelen satifiers en dissatisfiers? In hoeverre accentueren bewoners in hun
voorkeuren wat zij zelf hebben of juist missen? En welke (onbewuste) bijbedoelingen richting
bijvoorbeeld de verhuurder hebben bewoners, wanneer zij vragen over de gewenste woon-
situatie beantwoorden?
Presentatie van onderzoeksresultaten
De relevantie van onderzoeksresultaten voor de praktijk dient te worden benadrukt via
marketing en public relations. Een aantrekkelijke, bondige presentatie en het landelijk bekend
maken van belangwekkende onderzoeksresultaten zijn nodig. Onderzoeksresultaten die zijn
vertaald in voorbeeldprojecten of bruikbare instrumenten zoals checklists spreken aan.
Aansluiten bij de actualiteit (ouderenhuisvesting, bevorderen van doorstroming) is geboden.
Ook aan de vraagzijde, a,an woonconsumenten, dient aansprekende informatie te worden
verstrekt over de mogelijkheden om ' alternatieve' woonvoorkeuren te realiseren. Het
samenspel van vraag en aanbod bepaalt immers welke woonvoorkeuren wel en welke niet
worden gerealiseerd.
5.4 Aanbevelingen voor beleid
Woonvoorkeuren versus ruimtelijke ordening en milieubeleid
Nederlandse woonconsumenten kennen veel prioriteit toe aan ruimte in en om de woning.
Meer in het algemeen kenmerken resultaten van woonvoorkeuren- en woonsatisfactie-
onderzoek zich door een vraag om meer en beter. Deze voorkeuren staan op gespannen voet
met de doelstellingen van de ruimtelijke ordening en van het milieubeleid.
Woonvoorkeurenonderzoek heeft daarmee een politieke lading. In hoeverre moet aan de
vraag naar meer ruimte en luxere voorzieningen worden tegemoet gekomen? Is het wenselijk
om door middel van onderzoek (latente) behoeften manifest te maken? Of mogen we blij zijn
dat mensen zich vrij gemakkelijk aanpassen aan hun omstandigheden? Wordt het tijd om het
onderwerp 'management van de woonvraag' uit de taboesfeer te halen? Management van de
woonvraag betekent dat de ontwikkeling van woonbehoeften niet als een gegeven wordt
beschouwd. In plaats daarvan wordt actief gestuurd en dan vooral in de richting van een
afnemende ruimteconsumptie.
Met name met het oog op de invulling van de VINEX-Iocaties is het zoeken naar minder
ruimtevergende en minder milieubelastende alternatieven om aan traditionele woonvoorkeuren
tegemoet te kunnen komen een belangrijke opgave voor de komende jaren. Ontwerpend
onderzoek met een team van ontwerpers en (toekomstige) bewoners biedt de mogelijkheid
om bewoners te confronteren met de (negatieve) consequenties van hun individuele wensen.
In het conceptueel model is de vorming van woonvoorkeuren een aangelegenheid van het
individuele huishouden. De collectieve consequenties van individuele voorkeuren zouden een
plaats moeten verwerven in de belangenafweging. Het bevorderen hiervan is een belangrijke
taak voor beleidmakers.
Woonruimteverdeling
Het zoeken naar compenserende alternatieven voor minder wenselijke woningkenmerken is
één manier om binnen de maatschappelijke beperkingen tegemoet te komen aan woonvoor-
keuren. Een andere manier is het versoepelen van de regels rond woningtoewijzing.
136
In grote delen van ons land is inmiddels het zogenaamde aanbodmodel ingevoerd, waarbij
woningzoekenden niet passief afwachten welke woning zij krijgen aangeboden, maar zelf
kiezen uit het aanbod van vrijkomende woningen. Dit vergroot de keuzevrijheid, al wordt die
nog steeds sterk beperkt door voorwaarden ten aanzien van de huishoudensgrootte, het
inkomen, de leeftijd en vaak ook binding aan de gemeente of de regio.
Bij de verdeling van schaarse woonruimte is er per definitie sprake van een discrepantie
tussen de vrijheid van het individu en de optimale oplossing voor het collectief. Management
van de woonvraag betekent in dit verband sturen in de richting van een efficiënter gebruik
van de bestaande woningvoorraad. Om dat te bewerkstelligen worden bijvoorbeeld door-
stroommakelaars en verhuisconsulenten ingezet, die ouderen aanmoedigen om kleiner te gaan
wonen enlof huishoudens met hogere inkomens stimuleren om duurder en kwalitatief beter
te gaan wonen. Het verder ontwikkelen van dergelijke initiatieven, waarbij het individuele
en het gemeenschappelijke belang hand in hand gaan, verdient de aandacht van beleidmakers.
137
LITERATUUR
Asseldonk, G. van, 1993. Flexibel wonen, Woonpeil, nr.1D, pp. 6-10.
Back, S. , 1991, Een woning met schuifdeuren, Rotterdam (Stuurgroep Experimenten
Volkshuisvesting) .
Beijering, R.M., J.W. van der Marel, G. de Rooij en J.e.M. de Heij (Bouwcentrum
B.V.), 1992, Woningbehoefte-onderzoek 1989/1990, deel 1, ' s Gravenhage (Ministerie
van VROM) .
Bell, W., 1968, The city, the suburb and a theory of social choice, in: S. Greer et al.
(red.), The new urbanisation, new York, pp. 225-247.
Bertholet, P. (RIGO), 1992, Stedelijke woonmilieus en stedelijke woonvoorkeuren,
's-Gravenhage (Ministerie van VROM).
Bloeme, L., W. Greter, M. van Schendelen en M. Storm, 1988, Versteend beleid;
volkshuisvesting in een geëmancipeerde samenleving, Amsterdam (Uitgeverij SUA).
Boelhouwer, P.J., R.B. Jobse, S. Musterd en H. van Wegen, 1993, Stad en woning-
markt in een veranderende samenleving; nationale en internationale trends, Utrecht
(Stedelijke Netwerken).
Boerman, J., W. Lans, A. Thomsen en D.J.M. van der Voordt, 1992, Veranderbaar
gebruik; ontwerpmaatregelen t. b. v. neutraliteit, flexibiliteit en variabiliteit van woningen
en woongebouwen, tussemapportage mei 1992, Delft (RlW/OSPA).
Boersma, A., 1990, De markt voor de naoorlogse etagebouw in beeld; woonbeelden-
onderzoek onder bewoners van naoorlogse meergezinshuizen in de non-profit huursector
in Rotterdam, Delft (DUP).
Bont, I. de, 1992, Woonprogramma's gewikt en gewogen; een onderzoek in Rotterdam
naar verschillen tussen huishoudenstypen betreffende voorkeuren voor de woning,
Rotterdam (Centrum voor Onderzoek en Statistiek) .
Booren, H. van der en W. Konter, 1985, BAT-eenheden gewenst? De gewenste HAT-
eenheid, Haarlem (Werkgroep regionaal en lokaal woningmarktonderzoek in Noord-
Holland) .
Booren, H. van der en I. Westerterp, 1991, Verhuisgeneigdheid en woonwensen van
oudere eigenaar-bewoners, Haarlem (Werkgroep regionaal en lokaal woningmarkt-
onderzoek in Noord-Holland) .
Bootsma, H., 1994, The importance of Value Orientations for explaining Residential
Choice of Couples, paper gepresenteerd tijdens de NETHUR-workshop Keuze-modellen
in woningmarktsimulaties, 27 mei, Utrecht (NETHUR/Faculteit der Ruimtelijke Weten-
schappen) .
Bosch, N. en D. Hanemaayer, 1993, Marktgerichte woonruimteverdeling en woon-
consumentengedrag, Den Haag (B&A Groep) .
Breeman, G. , 1991, Verslag koersbepaling, Doetinchem (Woningbouwvereniging De
Goede Woning) , interne publicatie.
Brouwer, K. en M. Tacken, 1977, Wonen in nieuwe stadsuitbreidingen, deel ID:
Woning en wijkvoorzieningen; deelrapport over een onderzoek naar behagen en
onbehagen met het wonen in nieuwe stedelijke woonwijken, Delft (Technische
Hogeschool, Instituut voor Stedebouwkundig Onderzoek), rapport nr. 22.
Brouwer, K. en M. Tacken, 1978, Wonen in nieuwe stadsuitbreidingen, deel VI:
Verhuisgeneigdheid en prioriteiten in een nieuwe woonsituatie; deelrapport over een
onderzoek naar behagen en onbehagen met het wonen in nieuwe stedelijke woonwijken,
Delft (Technische Hogeschool, Instituut voor Stedebouwkundig Onderzoek), rapport nr.
26.
Burie, J.B., 1972, Wonen en woongedrag; verkenningen in de sociologie van bouwen en
wonen (diss.), Meppel (Boom) .
Burie, 1992, Veranderende woonvoorkeuren, de positie van de woonconsument en het
functioneren van de bouwmarkt, Nijeholtpade (Burie Onderzoek en Advies).
Buys, A. (RIGO) , 1992, Twintig jaar bewoners nieuwe woningen, Den Haag
(Ministerie van VROM) .
Centrale Directie Volkshuisvesting, 1956, Jaarverslag 1955, ' s Gravenhage (Centrale
Directie Volkshuisvesting).
CBS, 1977, Leefsituatie-onderzoek deel 4, ' s Gravenhage (Staatsuitgeverij).
CBS, 1994, Bevolking en huishoudens nu en in de toekomst, Voorburg/Heerlen (Centraal
Bureau voor de Statistiek).
Donk, B. van der, 1990, Woonwensen van ouderen in de gemeente Epe, Wageningen
(Landbouwuniversiteit Vakgroep Huishoudstudies) .
Driessen, F.M.H.M. en H.J.A. Beereboom, 1983, De kwaliteit van het stedelijk
leefmilieu; bewoners en hun voorkeuren, Utrecht (Rijksuniversiteit).
Droogleever Fortuijn, J. , 1993, Een druk bestaan; tijdsbesteding en ruimtegebruik van
tweeverdieners met kinderen, Amsterdam (University Press).
Eek, A.M. van, 1990, Woongeriefonderzoek van de VAC, deel 1: knelpunten bij het
bouwen aan kwaliteit, Utrecht (Stichting Landelijk Contact van de VAC' s) .
Elsinga, M. , 1995. De ontwikkeling van het eigen-woningbezit onder lage-inkomens-
groepen, voordracht gehouden op 17 februari te Delft, Faculteit der Bouwkunde/Nethur.
Van Engelsdorp Gastelaars, R. en J. Vijgen, 1991 , Stadsbuurten en woonkernen in de
jaren negentig; hun veranderende betekenis als lokaal woonmilieu, in: R. van Kempen,
S. Musterd en W. Ostendorf (red.), Maatschappelijke verandering en stedelijke
dynamiek, Delft (DUP) , Volkshuisvesting in theorie en praktijk nr. 30, pp. 107-119.
Erkel , F.R. van, E.T. van Kempen en S. Musterd, 1988, Woonbeeld, woonmilieu en
doelgroepen; differentiatie in de Goudse woningmarkt, Amsterdam (UvNInstituut voor
Sociale Geografie), Amsterdamse sociaal-geografische studies nr. 16.
Floor, H. en R. van Kempen, 1994, Wonen op maat; een onderzoek naar de voorkeuren
en motieven van woonconsumenten en te verwachten ontwikkelingen daarin, deel 1:
theoretische uitgangspunten en probleemstelling, Universiteit Utrecht (Faculteit
Ruimtelijke Wetenschappen) .
FSOW, 1996, In gesprek ... De communicatie tussen woningcorporaties en alloch-
tonen, Huizen (Fonds Scholing en Ontwikkeling Woningcorporaties), Handboek In
Gesprek . ..
Gerlof, D.F.A., 1993, Huurderszelfwerkzaamheid; naar een raamwerk voor een grotere
vrijheid met betrekking tot zelfwerkzaamheid van huurders bij woningcorporataties, Delft
(Technische Universiteit, Faculteit der Bouwkunde), afstudeerrapport.
Goetgeluk, R. , A. Goethals, A. Oskamp en H. Timmermans (red.), 1994, Choice
modelling in housing market simulations (special issue), NetheriandsJournal of Housing
and the Built Environment 9 nr.3.
Goethals, A. en S. Musterd (red. ), 1990, Methoden voor woning- en woonmilieu-
behoefteonderzoek, Amsterdam (SISWO Werkgroep Mathematische Geografie en
Planologie).
Harts, J.J. en L. Hingstman, 1986, Verhuizingen op een rij ; een analyse van individuele
verhuisgeschiedenissen (diss.), Utrecht (Department of Geography University of Utrecht).
Heere, H., 1987, Naar nieuwe woonwensen?; een literatuurverkenning naar verwachtin-
gen omtrent enkele maatschappelijke ontwikkelingen op langere termijn en de gevolgen
voor de kwalitatieve woningvraag, Haarlem (Provinciale Planologische Dienst van Noord-
Holland).
Heijs, W.J.M., 1992, Een exploratieve analyse van wooncomfort; een wetenschappelij-
ke proeve op het gebied van de sociale wetenschappen, in het bijzonder de psychologie
(diss.), Nijmegen (Katholieke Universiteit) .
Hintum, C. van, M. Steenhagen en S. Back, 1989, De andere woning; een evaluatie van
flexibele woningontwerpen van Luzia Hartsuyker in de koop- en huursector, Amersfoort!
Amsterdam (Werkgroep ' 2duizend/Dienst Volkshuisvesting Amsterdam) .
Hoogdalem, H. van, D.J.M. van der Voordt en H.B.R. van Wegen (red.), 1986, Tussen
pen en potlood; feestbundel met bijdragen over ontwerp en onderzoek van de gebouwde
omgeving, samengesteld ter gelegenheid van het afscheid van prof.dr.ir. D. de Jonge als
hoogleraar in het sociologisch onderzoek van de architectuur, Delft (DUP) .
Hooimeijer, P., 1994, Hoe meet je woonwensen? Methodologische haken en ogen, in: I.
Smid en H. Priemus (red.), Bewonerspreferenties: richtsnoer voor investeringen in
nieuwbouw en woningvoorraad, Delft (DUP), OTB Werkdocument 94-13, pp. 3-12.
Hoorn, F.J.J.H. van, 1994, Het belang van woning en woonomgeving, Almere
(Nationale Woningraad) .
Horst, J. ter, K. Theunissen en A. Vos (Emancipatieraad) , 1987, Normering in de
woningbouw in relatie tot veranderende woon- en leefvormen, ' s Gravenhage
(Ministerie van VROM).
Jager, H. de, en A.L. Mok, 1983, Grondbeginselen der sociologie: gezichtspunten en
begrippen (achtste herziene druk), Leiden/Antwerpen (Stenfert Kroese).
Jansen, G.H. en J.B. Burie, 1967, Wonen aan een woonpad, Utrecht.
Jong, F. de, 1992, Van bewonersparticipatie naar consumenteninvloed; onderzoek naar
bewoners invloed bij markt- en klantgerichte woningcorporaties, Wageningen (Landbouw-
universiteit, Vakgroep Huishoudstudies), afstudeerrapport.
Jong, R.G. de, 1989, Geluidshinder in Nederland, Leiden (TNO).
Jong, G.F. de, en J.T. Fawcett, 1981 , Motivations for Migration: An Assessment and a
Value-Expectancy Research Model , in: G.F. de Jong en R.W. Gardner (red.), Migration
Decision Making; Multidisciplinary Approaches to Microlevel Studies in Developed and
Developing Countries, New York (Pergamon Press), pp. 13-58.
Jonge, D. de i.s.m. A. Heimans, 1959a, Naar een norm van bezonning? Bezonning en
uitzicht als factoren bij de situering van woningen, Bouw nr.25, pp. 707-709.
Jonge, D. de, 1959b, Het stedelijke eengezinshuis, Delft.
Jonge, D. de, 1960a, Aspecten van privacy, Stedebouw & Volkshuisvesting nr. 12, pp.
198-201.
Jonge, D. de, 1960b, Moderne woonidealen en woonwensen in Nederland (diss.),
Arnhem (VUGA-boekerij) .
Jonge, D. de, 1964a, De termen woningtype, woningvorm, woonvorm en woonwijze,
Delft (Technische Hogeschool, Afdeling der Bouwkunde, Centrum voor Architectuur-
onderzoek) .
Jonge, D. de, 1964b, Notitie aangaande vensters in woningen, Delft (Technische Hoge-
school, Afdeling der Bouwkunde, Centrum voor Architectuuronderzoek).
Jonge, D. de, 1964c, Uitkomsten van een verkenning aangaande openheid of besloten-
heid in verband met woonkamervensters, Delft (Technische Hogeschool, Afdeling der
Bouwkunde, Centrum voor Architectuuronderzoek).
Jonge, D. de, 1964d, De woning en de privacy binnen het gezin, Misset's Bouwwereld
60 nr. 9, pp. 568-572.
Jonge, D. de, 1967, Een bijdrage tot de interne ecologie van de woning, Delft
(Technische Hogeschool, Afdeling der Bouwkunde, Centrum voor Architectuur-
onderzoek).
Jonge, D. de, 1970, Woonvoorkeuren en woongedrag; een beknopte samenvatting,
Delft (Technische Hogeschool , Afdeling der Bouwkunde, Centrum voor Architectuur-
onderzoek) .
Jonge, D. de, 1972, De woning als venster op de omgeving, De Architect 3 nr.8, pp.
603-606.
Jonge, D. de, 1973a, Sociale verandering en constantie van woonaspecten, De Architect
4, nr.4, pp. 208-211.
Jonge, D. de, 1973b, Recente veranderingen in onze woonwijze, De Architect 4 nr.5,
pp. 304-307.
Jonge, D. de, 1973c, Verandering van architectuuropvattingen en woonidealen, De
Architect 4 nr. 9, pp. 624-628.
Jonge, D. de, 1976a, Behoeften, waarden en prioriteiten op het gebied van het wonen, De
Architect 7 nr.2, pp.30-34.
Jonge, D. de, 1976b, Aspecten van levensstijl en woonwijze, De Architect 7 nr.4, pp.30-
32.
Jonge, D. de, 1977, Woonvoorkeuren en woonlocatie, De Architect 8 nr.3, pp.41-43.
Jonge, D. de, 1981, Versobering van het wonen?, Delft (Technische Hogeschool,
Afdeling der Bouwkunde, Centrum voor Architectuuronderzoek).
Jonge, D. de, 1983, Ontwerpers rekenen te weinig met bewonerswensen, Het Financieele
Dlj.gblad, 6 en 8 augustus, p.11 .
Jonge, D. de, z.d, Bewoning en beleving van patiowoningen; samenvatting, Delft
(Technische Universiteit, Faculteit der Bouwkunde).
Kempen, B.G.A. (red.), 1994, Wonen na 2000; wensen & mogelijkheden, Almere
(Nationale Woningraad).
Kempen, R. van, 1994, Woonconsumentenpreferenties in Nederland, voordracht
gehouden op 7 november tijdens de Nethur-cursus Stedelijk Onderzoek, module
Volkshuisvesting en volkshuisvestingsbeleid.
Kempen, R. , S. Musterd en W. Ostendorf (red.), 1991 , Maatschappelijke verandering
en stedelijke dynamiek, Delft (DUP), Volkshuisvesting in theorie en praktijk nr. 30.
Kempen, R. van, H. Floor en F.M. Dieleman, 1994, Wonen op maat; een onderzoek
naar de voorkeuren en motieven van woonconsumenten en te verwachten ont-wikkelingen
daarin, deel 3: woonsituatie en woonwensen, Universiteit Utrecht (Faculteit Ruimtelijke
Wetenschappen) .
Kroon, J.J., 1984, Overwegingen bij het maken van plannen voor bejaarden-
woningen, ' s Gravenhage (Ministerie van VROM).
Kruythoff, H.M., 1991, Tweeverdieners vergeleken; woonmilieudifferentiatie van twee-
verdieners, eenverdieners en geenverdieners in de Randstad, Delft (OTB).
Kuijpers, A.D., 1993, Wonen ruim bemeten; ervaringen van bewoners met gebruik van
woning en woonomgeving op basis van VAC-woongeriefonderzoeken, Wageningen/
Utrecht.
Kullberg, J., 1995, Mozaïek woningmarkt stadsregio Rotterdam, deel 5: Migranten op
de woningmarkt, Delft (DUP) .
Kuylen, A., 1980, Prioriteiten in het wonen, Tilburg (IV A) .
Laddé, E.E., 1992, Woningplattegronden 1900 - 1970, Bouw 47 nr.7, pp. 15-20.
Langendijk, A. , 1994, Ouderen hebben ook woonwensen, Vastgoed januari, pp. 11-17.
Lans, W., 1995, Evaluatie nieuwbouw Maastricht, Delft (RlW-instituut voor volkshuis-
vestingsonderzoek) .
Leliveld, T.A.L. en H.M. Kruythoff, 1995, Mozaïek woningmarkt stadsregio
Rotterdam, deel 3: De vraag naar nieuwe woningen op de VINEX-Iocaties, Delft
(DUP).
Lindenberg, S., 1990, Homo Socio-oeconomicus: The Emergence of a Genera! Model of
Man in the Social Sciences, Journal of Institutional and Theoretical Economics (JITE)
146, pp. 727-748.
Machielse E., 1989, Stedelijke elite; terug van weggeweest?; een analyse van de aantrek
kingskracht van de stad voor de hogere inkomensgroepen, in: F. Bovenkerk en L. Brunt
(red.), De andere stad, achter de facade van de nieuwe stedelijke vitaliteit, Amster-
dam/Utrecht, pp. 147-157.
Maslow, A.H., 1943, A theory of human motivation, Psychological review 50, pp. 370-
396.
Merton, R.K., 1961, Social theory and social structure, Illinois.
Metselaar, A. , 1994, Zelfwerkzaamheid in de sociale huursector in Nederland (diss.),
Delft (DUP).
Motmans, M., M. de Hartigh en H. van Hoogdalem, 1991, Flexibele BAT-woningen in
Leiden; een onderzoek naar gebruik en waardering door bewoners van verplaatsbare
ruimtescheidende kasten, Delft (Publikatieburo Bouwkunde).
Munneke, M.D., 1994, Wonen ruim bemeten, deel 2; ervaringen van bewoners met het
gebruik van de woning en de woonomgeving op basis van V AC-woongeriefonder-zoeken,
Wageningen/Utrecht.
NWR, 1992, Handboek aanpasbaar bouwen, Almere (Nationale Woningraad).
Nelissen, H., 1992, De toekomst is nog in te halen; keuzes en kansen - goed wonen
voor 50+ vrouwen, Utrecht (Landelijk Platform Vrouwen 50+).
Oostenbrink, M., S. Back, H. Sier, J. van Groenenwoud en T. Zwietering, 1991,
Woon atlas Amsterdam; woonconcepten voor de jaren '90, Amsterdam (Bouw- en
Woningdienst) .
Oskam, A.G. en N. de Vreeze, 1992, Flexibiliteit blijft afhankelijk van inzet opdracht-
gever, Woningraad Magazine nr. 15/16, pp.42-45.
Pennarz, P.J.J., 1981, De kern van het wonen op het spoor, Muiderberg (Dick
Coutinho).
PPD-NH, 1989, Andere leefpatronen, anders wonen?, Haarlem (Provinciale Plano-
logische Dienst van Noord-Holland).
Priemus, H., 1968, Wonen - kreativiteit en aanpassing; onderzoek naar voorwaarden
voor optimale aanpassingsmogelijkheden in de woningbouw (diss), Delft.
Priemus, H., 1970, Wonen in een ERA-flat, 's Gravenhage (Staatsuitgeverij) .
Priemus, H, 1984, Nederlandse woontheorieën, Delft (DUP), Volkshuisvesting in
theorie en praktijk nr. 6.
Priemus, H, F. Wassenberg en B. van Rosmalen, 1995, Mozaïek woningmarkt
stadsregio Rotterdam, deel 1: Hoofdrapport, Delft (DUP) .
Progresbouw Research, 1981, Wil Nederland soberder bouwen?; een onderzoek naar de
mening van de Nederlandse bevolking over de mogelijkheden om te bezuinigen in en rond
de woning, Bodegraven (Progresbouw), Researchrapport 29.
Raaijmakers, A. en G. Leene (red.), 1992, Woonvriendelijke zones voor ouderen
verkend; onderzoek naar de woon- en leefomstandigheden van ouderen en aanzetten tot
een integraalouderenbeleid in het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes, Amsterdam
(Wetenschapswinkel van de Vrije Universiteit).
RIGO, 1987, Woonkwaliteit; deel 1: kwaliteitsregistratie, woningwaarderingsstelsel en
bewoners van nieuwe woningwetwoningen, Amsterdam (RIGO).
Rongen, M.J.Th. (Bouwcentrum Advies B.V.), 1991, Woonprogramma's voor door-
stromers; proefproject PWS - Rotterdam, Rotterdam (Stichting Bouwresearch).
Rongen, M.J.T. en J.C.M. de Hey, 1993, Huisvesting en huisvestingswensen van
oudere huishoudens; deelanalyse Woningbehoefte-onderzoek 1989/1990, Den Haag
(Ministerie van VROM).
Rongen, M.J.Th. en J.M.J.F. Houben, 1992, Woonwensen van mensen; consument-
gericht bouwen; woonprogramrna in prestaties als tussenstap naar ontwerp, Rotterdam
(Stichting Bouwresearch) .
SAR, 1989, Kwaliteitsfactoren in de vrije sector, 's Gravenhage (Ministerie van
VROM).
Schoorl, A.H.A. en J.E.J. Klüppel, 1988, Open bouwen open wonen; een onderzoek
naar de vraagmarkt voor open bouwen, Leiden (Research voor Beleid) .
Schumacher, P.J.M., 1994, Spanning op de woningmarkt van het Stadsgewest 's-
Hertogenbosch, (ODRP organisatie-adviesbureau), eindconcept.
SEV, 1989, Ouderen in nieuwbouw, Rotterdam (Stuurgroep Experimenten Volkshuis-
vesting).
SEV, 1991, Een woning met schuifdeuren, Rotterdam (Stuurgroep Experimenten Volks-
huisvesting) .
SEV, 1994, Seniorenlabel, consumentenkeurmerk voor ouderenhuisvesting, Derde
druk. Rotterdam (Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting).
Singelenberg, J. en R. Stelwagen, 1980, Woonbeelden; ontwerp en proeftoepassing van
een nieuwe methode voor het onderzoek van woonwensen onder jonge alleenstaanden en
tweepersoonshuishoudens. Eindrapport: samenvatting van de vier deelrapporten,
Amsterdam (LOBH) .
Smid, I. en H. Priemus (red.), 1994, Bewonerspreferenties: richtsnoer voor investe-
ringen in nieuwbouw en woningvoorraad, Delft (DUP), OTB Werkdocument 94-13.
Steffen, C. en D. Vrielink, 1986, Veranderbare HAT-woningen; gebruiksevaluatie
verplaatsbare kastenwanden en randbalken in de kapruimte, Delft (DUP).
Tacken, M. en J. de Kleijn, 1979, Beleving van woonsituaties; een trendrapport, Delft
(Technische Hogeschool, Instituut voor Stedebouwkundig Onderzoek).
Thomsen, A.F. en F.C.J. Visser, 1994, Wat wordt de rol van de bewoners bij de tot-
standkoming van woonkwaliteit?, Bundel NIROV Volkshuisvestingsdiscussiedagen 29
en 30 september 1994, deel 2, Den Haag (NIROV).
Veldhuis-Blaauw, E. en H.J. Vermaas, 1985, Alleen HAT-eenheden bouwen in en rond
stadscentrum, Bouw nr. 10, pp. 54-55.
Verloo, M.M.T. en H. van Seventer, 1977, Evaluaties van Huisvesting Alleenstaanden
en Tweepersoonshuishoudens, deel 2: Huisvesting werkende jongeren, Tilburg (IV A).
Verloo, M.M.T. en H. van Seventer, 1978, Evaluaties van Huisvesting Alleenstaanden
en Tweepersoonshuishoudens, deel 4: Evaluatie huisvesting oudere alleenstaanden en
twee-persoonshuishoudens (30-65 jaar), Tilburg (IV A).
Vijgen, J. en R. van Engelsdorp Gastelaars, 1986, Stedelijke bevolkingscategorieën in
opkomst; stijlen en strategieën in het alledaags bestaan, Amsterdam (UvA) .
Voordt, D.J.M. van der, 1994, Van gebruik naar initiatief, in: I. Smid en H. Priemus
(red.), Bewonerspreferenties: richtsnoer voor investeringen in nieuwbouw en woning-
voorraad, Delft (DUP), OTB Werkdocument 94-13, pp. 43-55.
Voordt, D.J.M. van der, M.N. Niclaes, J.G. Drenth en E.A.H. Nolte, 1995, Toetsing
checklist aanpasbaar verbouwen; Reakties van doelgroepen, Delft (Publikatieburo
Bouwkunde).
Vreeze, N. de, 1993, Woningbouw, inspiratie & ambities; kwalitatieve grondslagen van
de sociale woningbouw in Nederland (diss.), Almere (Nationale Woningraad).
Vreeze, N. de, 1994, Architectuur en bewonersvoorkeuren, in: I. Smid en H. Priemus (red.),
Bewonerspreferenties: richtsnoer voor investeringen in nieuwbouw en woning
voorraad, Delft (DUP), OTB Werkdocument 94-13, pp. 57-63.
Wassenberg, F.A.G., H.M. Kruythoff, T.A.L. Leliveld en J.E.H. van der Heijde (OTB) ,
1994, Woonwensen en realisatie van VlNEX-locaties in de Randstad, Den Haag
(Ministerie van VROM).
Werf, M. van der (RIW), 1989, Bewonerspreferenties en gebruikskwaliteit, Delft
(Publikatieburo Bouwkunde), Woonconsument en woningkwaliteit 1.
Wijk, F. van, P. Bertholet en J. Neele (RIGO) , 1989, Twintig jaar woonkwaliteit, 's-
Gravenhage (Ministerie van VROM).
Woonbond, 1994, Huurders over kwaliteit; symposium van de Nederlandse Woonbond,
Amsterdam, NWR Bouw-RAl.
Wouw, B.A.J. van der en P.L. Lijnse, 1990, Binnenstad of buitenwijk?; ouderenhuis-
vesting in de vier grote Zeeuwse steden, Middelburg (Afdeling onderzoek Provinciaal
Opbouworgaan Stichting Zeeland).
BIJLAGE 1
Opzet belangrijkste publicaties voor de literatuurstudie
Auteur(s), jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s), jaar:
Titel:
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s), jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Bertholet, P. (RIGO) , 1992.
Stedelijke woorunilieus en stedelijke woonvoorkeuren.
's Gravenhage, Ministerie van VROM.
Literatuurstudie en woonwensenenquêtes (o.a. met behulp van woon-
beelden).
1015 Woningzoekenden in de steden Utrecht en Maastricht, waarbij
onderscheid is gemaakt naar aantal personen, leeftijd, aanwezigheid
van kinderen en (opvattingen ten aanzien van) arbeidsparticipatie.
voor woningzoekenden in de betreffende steden.
Bont, I. de, 1992.
Woonprogramma's gewikt en gewogen; een onderzoek in Rotterdam
naar verschillen tussen huishoudenstypen betreffende voorkeuren voor
de woning.
Rotterdam, Centrum voor Onderzoek en Statistiek.
Woonactiviteitenonderzoek door middel van mondelinge enquêtes.
203 Rotterdamse huishoudens, waarbij onderscheid is gemaakt naar
aantal personen, leeftijd en aanwezigheid kinderen.
voor de bewoners van in Rotterdam opgeleverde nieuwbouwwoningen
in 1987.
Brouwer, K. en M. Tacken, 1977.
Wonen in nieuwe stadsuitbreidingen, deel lIl : Woning en wijkvoor-
zieningen; deelrapport over een onderzoek naar behagen en onbeha-
gen met het wonen in nieuwe stedelijke woonwijken.
Delft, Technische Universiteit (Instituut voor Stedebouwkundig
Onderzoek) .
W oonsatisfactie-onderzoek door middel van mondelinge vraaggesprek-
ken.
1050 Bewoners van nieuwbouwwijken uit de jaren 1965-1970 in
Rotterdam, Haarlem, Dordrecht en Utrecht.
voor de bewoners van (soortgelijke) nieuwe stedelijke woonwijken uit
die periode.
Auteur(s) , jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s) , jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s) , jaar:
Titel:
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s), jaar:
Titel:
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Brouwer, K. en M. Tacken, 1978.
Wonen in nieuwe stadsuitbreidingen, deel IV: Verhuisgeneigdheid en
prioriteiten in een nieuwe woonsituatie; deelrapport over een
onderzoek naar behagen en onbehagen met het wonen in nieuwe
stedelijke woonwijken.
zie Brouwer en Tacken, 1977.
zie Brouwer en Tacken, 1977.
zie Brouwer en Tacken, 1977.
zie Brouwer en Tacken, 1977.
Hoorn, F.J.J.H. van, 1994.
Het belang van woning en woonomgeving.
Almere, Nationale Woningraad.
Deelanalyse van de onderzoeksgegevens van Van Kempen et al.,
1994.
zie Van Kempen et al. , 1994.
zie Van Kempen et al. , 1994.
De Jonge, D. de, 1970.
Woonvoorkeuren en woongedrag; een beknopte samenvatting.
Delft, Technische Hogeschool, Afdeling der Bouwkunde, Centrum
voor Architectuuronderzoek.
Literatuurstudie van diverse publicaties die tussen 1960 en 1970 in
Nederland en Duitsland verschenen over woonwensen, woonsatisfactie
e.d.
In de bestudeerde publicaties werden respondenten onderscheiden naar
leeftijd, gezinssamenstelling/gezinsfase, opleidinglberoep enlof
inkomen.
n.v.t.
Kempen, R. van, H. FloOT en F.M. Dieleman, 1994.
Wonen op maat; een onderzoek naar de voorkeuren en motieven van
woonconsumenten en te verwachten ontwikkelingen daarin, deel 3:
woonsituatie en woonwensen.
Utrecht, Universiteit Utrecht Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen.
Woonwensenonderzoek met behulp van de Decision-Plan-Net-
methode, telefonische enquêtes en open interviews.
Bij 7.707 verhuisgeneigde huishoudens in Rotterdam, Tilburg en de
Achterhoek is de telefonische enquête afgenomen. 748 van deze
respondenten hebben meegewerkt aan het DPN-onderzoek. De open
interviews zijn afgenomen bij 327 niet-verhuisgeneigde huishoudens.
Er is gekozen voor huishoudensdifferentiatie naar leeftijd, aantal
leden en arbeidsmarktsituatie.
voor woningzoekenden in de betreffende gebieden.
Auteur(s) , jaar:
Titel:
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s), jaar:
Titel:
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s) , jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s), jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Kuijpers, A.D., 1993.
Wonen ruim bemeten; ervaringen van bewoners met gebruik van
woning en woonomgeving op basis van V AC-woongeriefonderzoeken.
Wageningen/Utrecht, VrouwenAdviesCommissie.
W oonsatisfactie-onderzoek door middel van mondelinge vraaggesprek-
ken in 64 nieuwbouwprojecten, 1 à 2 jaar na oplevering. Onderzoek
gericht op knelpunten in het gebruik van de woning. Voornarnelijk
sociale huurwoningen.
1954 Huishoudens zonder relevant onderscheid naar huishoudensken-
merken.
neen.
Leliveld, T.A.L. en H.M. Kruythoff, 1995.
Mozaïek woningmarkt stadsregio Rotterdam, deel 3: De vraag naar
nieuwe woningen op de VINEX-Iocaties.
zie Priemus et al. , 1995.
zie Priemus et al., 1995.
zie Priemus et al., 1995.
zie Priemus et al. , 1995.
Munneke, M.D. , 1994.
Wonen ruim bemeten, deel 2; ervaringen van bewoners met het
gebruik van de woning en de woonomgeving op basis van V AC-
woongeriefonderzoeken.
Wageningen/Utrecht, VrouwenAdviesCommissie.
W oonsatisfactie-onderzoek door middel van mondelinge vraaggesprek-
ken in 58 nieuwbouwprojecten, 1 à 2 jaar na oplevering. Onderzoek
gericht op knelpunten in het gebruik van de woning. Voornarnelijk
sociale huurwoningen.
1841 huishoudens zonder relevant onderscheid naar huishoudensken-
merken.
neen.
Priemus, H. , F. Wassenberg en B. van Rosmalen, 1995.
Mozaïek woningmarkt stadsregio Rotterdam, deel 1: Hoofdrapport.
Delft, DUP.
Woningmarktonderzoek in de regio Rijnmond met behulp van een
schriftelijke enquête naar de marktpositie van corporatiewoningen en
de woonwensen van corporatiehuurders in verschillende buurten,
interviews met migranten over hun wensen en aspiraties en een
schriftelijke enquête onder gegadigden voor een nieuwbouwwoning.
34.000 Bewoners van 206 buurten in de regio Rijnmond, 45 migran-
ten en 305 gegadigden voor een nieuwbouwwoning. De huishoudens
zijn onderscheiden naar leeftijd, aantal leden, etniciteit en inkomen.
voor de woningmarktsituatie in de regio Rijnmond.
Auteur(s) , jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s) , jaar:
Titel:
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s) , jaar:
Titel :
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Auteur(s) , jaar:
Titel:
Plaats, uitgever:
Soort onderzoek:
Respondenten:
Representatief:
Progresbouw Research, 1981 .
Wil Nederland soberder bouwen?; een onderzoek naar de mening van
de Nederlandse bevolking over de mogelijkheden om te bezuinigen in
en rond de woning.
Bodegraven, Progresbouw .
Vraaggesprekken over de bereidheid van huishoudens om te bezuini-
gen op allerlei woningaspecten, teneinde een (hypothetische) nieuw
te bouwen eengezinswoning binnen hun financiële bereik te brengen.
598 huishoudens, merendeels zonder verhuisplannen. De huishoudens
zijn onderscheiden naar geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, aantal
leden, werkzaamheden en opleiding.
neen.
Rongen, M.J.Th. (Bouwcentrum Advies B.V.) , 1991.
Woonprogramma' s voor doorstromers; proefproject PWS - Rotter-
dam.
Rotterdam, Stichting Bouwresearch.
Woonwensenonderzoek t.b.v. een nieuwbouwproject in het Rotter-
damse Prinsenland, waarbij aan de hand van de prioriteiten van de
respondenten woonprogramma' s zijn samengesteld als schakel tussen
marktonderzoek en het programma van eisen.
259 Potentiële gegadigden voor een duurdere nieuwbouwwoning in
Prinsenland. De huishoudens zijn onderscheiden naar aantal leden,
leeftijd oudste persoon en inkomen.
neen.
Wassenberg, F.A.G. , H.M. Kruythoff, T.A.L. Leliveld en J.E.H.
van der Heijde, 1994.
Woonwensen en realisatie van VINEX-Iocaties in de Randstad.
Den Haag, Ministerie van VROM.
Woonwensenonderzoek door middel van mondelinge enquêtes met
behulp van o.a. woonbeelden.
350 'Randstadwoonconsumenten' , dat wil zeggen mensen die binnen
twee jaar naar (eventueel) een nieuwbouwwoning in de Randstad
willen verhuizen en een hoger inkomen hebben. Geen relevant
onderscheid naar huishoudenskenmerken.
neen.
Woonbond, 1994.
Huurders over kwaliteit; symposium van de Nederlandse Woonbond.
Amsterdam, NWR Bouw-RAI.
Opinie-onderzoek naar het belang van aspecten van woningkwaliteit
door middel van schriftelijke enquêtes.
174 bezoekers van een manifestatie van de Woonbond; voornamelijk
huurders die actief zijn in huurdersorganisaties. Geen relevant onder-
scheid naar huishoudenskenmerken.
neen.
BIJLAGE 2
Vragenlijst voor gesprekken met hoofden bewonerszaken/woon diensten over de rol van
woonvoorkeuren in de dagelijkse praktijk bij woningcorporaties
Kenmerken van de corporatie
1. Aantal woningen
2. Kenschets van het woningbezit
3. Kenschets van de huurders en woningzoekenden
4. Marktpositie en marktpositionering
5. Organisatiemodel
Rol van woonvoorkeuren bij programmering/nieuwbouw
6. Pleegt uw corporatie nieuwbouw en zo ja, op welke schaal?
7. Voert uw corporatie een doelgroepenbeleid bij nieuwbouw, dat wil zeggen wordt er
speciaal voor bepaalde doelgroepen gebouwd?
Zo ja, welke zijn dat / waren dat de afgelopen tijd? Zo nee, waarom niet?
Let uw corporatie ook op de leefstijl van mensen? Zo ja, waaraan wordt de leefstijl
afgemeten?
8. Kunt u aan de hand van een of enkele voorbeeldprojecten, aangeven hoe de voorkeuren
van de doelgroep(en) waarvoor gebouwd wordt, dan worden achterhaald en vertaald
in het woningontwerp?
Ten aanzien van welke woning- en woonomgevingskenmerken (hoe gedetailleerd)
wordt/werd bij nieuwbouw rekening gehouden met de woonvoorkeuren?
Hoe is hierbij de taakverdeling tussen de opdrachtgever en de architect geregeld?
9. In hoeverre wordt behalve met de voorkeuren van doelgroepen bij nieuwbouw ook
rekening gehouden met individuele voorkeuren (inspraak, keuzepakketten, flexibel
bouwen)? Hoe zijn de ervaringen daarmee?
Rol van woon voorkeuren bij woonruimteverdeling
10. Wat voor woonruimteverdelingssysteem is er in deze gemeente?
11 . Welke categorieën woningzoekenden worden onderscheiden bij woonruimteverdeling,
welke voorwaarden worden gesteld?
12. Let u ook op de leefstijl van mensen? Zo ja, waaraan wordt de leefstijl dan afgemeten?
Wat doet u met deze gegevens bij de woonruimteverdeling?
13. Welke informatie krijgen woningzoekenden over:
als distributiesysteem: het woningbestand?
als marktgericht systeem: de aangeboden woningen?
14. Als distributiesysteem: Voor welke woning- en woonomgevingskenmerken kan de
woningzoekende voorkeuren aangeven? In hoeverre wordt daaraan tegemoet gekomen
bij toewijzing?
15. Kunt u in een produkt/markt-combinatie-matrix (PMC-matrix) aangeven hoe uw
corporatie de genoemde doelgroepen idealiter koppelt aan woningtypen en buurten, dus
welke verdeling van de huurders over de woningvoorraad bij de woonruimteverdeling
wordt nagestreefd?
16. In hoeverre sluit deze nagestreefde verdeling naar uw idee aan bij wat de woning-
zoekenden eigenlijk het liefst willen? Hoe weet u dat?
17. Zijn er bepaalde complexen bijzonder geliefd, dus waarvoor bijzonder veel belang-
stelling bestaat? Wat maakt deze complexen zo aantrekkelijk en voor wie? Hoe komt
u aan uw inzicht hierin?
18. Zijn er bepaalde complexen die niet zo geliefd zijn, dus waarvoor erg weinig belang-
stelling bestaat? Wat maakt deze complexen zo onaantrekkelijk en voor wie? Hoe komt
u aan uw inzicht hierin?
19. In hoeverre sluit de nagestreefde verdeling (PMC-matrix) aan bij de huidige verdeling
van huishoudens over de voorraad?
Is er sprake van goedkope en dure scheefheid? Van ouderen die te groot wonen?
20. Hoe probeert u de dure scheefwoners en ouderen tot verhuizing te verleiden of hoe zou
dat kunnen? Lukt dat? Aan welke voorwaarden moeten de woning en de woonomgeving
voor deze mensen voldoen?
Rol van woonvoorkeuren bij beheer
21 . Heeft uw corporatie ervaringen met renovatieprojecten, waarbij drastisch is ingegrepen
in een complex om het weer aantrekkelijk te maken of aantrekkelijk te houden voor een
bepaalde doelgroep? Hoe is toen bepaald welke maatregelen het beoogde effect zouden
hebben? Is dat gelukt?
22. Verricht uw corporatie dynamisch mutatieonderhoud of wordt op een andere wijze
strategisch gestuurd in de voorraad? Hoe gaat dat in zijn werk? Waarom worden juist
die maatregelen genomen? Heeft dat het beoogde effect?
23. In hoeverre hebben uw huurders mogelijkheden om de woning aan de eigen smaak en
wensen aan te passen?
Hoe zijn de regels met betrekking tot zelf aangebrachte veranderingen?
Biedt u keuzepakketten aan voor bijvoorbeeld de afwerking van keuken en sanitair,
hetzij als men de woning betrekt, hetzij op een later tijdstip of bij groot -onderhoud of
renovatie? Wat zijn de ervaringen hiermee? Zijn deze ook systematisch onderzocht?
24. Heeft uw corporatie weleens geëxperimenteerd met flexibel bouwen? Zo ja, wat zijn
de ervaringen (van de bewoners, van de corporatie)? Zijn deze systematisch
onderzocht?
Relatie met de marktpositie van de corporatie
25. Is het gezien uw marktpositie pure noodzaak om rekening te houden met woon-
voorkeuren of heeft dit (ook) een andere reden? Is uw aanpak nu anders dan pakweg
vijf jaar geleden en zo ja, in welke opzichten wordt er dan meer rekening gehouden
met wat de klant wil?
26. Denkt u dat de mate waarin corporaties rekening houden met woonvoorkeuren ook
afhangt van de grootte en fInanciële positie van de corporatie? Zo ja, hoe?
Kennis en nut van woonvoorkeurenonderzoek
27. Ik noem nu een aantal mogelijke manieren om woonvoorkeuren te achterhalen. Wilt
u aangeven:
welke van deze onderzoekmethoden uw corporatie toepast, evt. in samenwerking
met of als opdracht aan anderen;
(sinds) wanneer deze onderzoeken worden verricht en met welk doel;
in hoeverre de onderzoeksgegevens zijn geanalyseerd en gerapporteerd?
o (lokaal of regionaal) woningmarktonderzoek
o woningzoekenden-registratie
o exit-interviews
o acceptatie-interviews
o klachten-registratie
o mutatie-registratie
o gebruiksevaluatie (enkele jaren na oplevering nieuwbouw- of gerenoveerd complex,
bijv. door V AC
o portiekgesprekken
o huurders-panel
o overleg huurder-verhuurder (inspraak)
o concurrentie-analyse (succes- en faalfactoren)
o evaluatie van experimenten
o anders, nl :
28. In hoeverre en waarvoor worden de onderzoeksgegevens in de praktijk gebruikt?
Wordt de infonnatie doorgegeven aan de verhuunnedewerkers/overige medewerkers?
Wordt de infonnatie gebruikt bij nieuwbouw, renovatie, woonruimteverdeling en
dergelijke?
29. Wat is volgens u de toegevoegde waarde van eigen onderzoek (evt. in opdracht
uitgevoerd door anderen) naar woonvoorkeuren ten opzichte van kennis opgedaan door
ervaring?
30. Wat kan uw corporatie met de resultaten van landelijk woonvoorkeurenonderzoek,
zoals het WBO en het recente onderzoek van de NWR (Wonen na 2000)? (Hoe)
worden dit soort onderzoeksresultaten bijgehouden en gebruikt? Wordt infonnatie uit
landelijk onderzoek doorgegeven aan de verhuunnedewerkers?
31. Waaraan zouden onderzoekers op het gebied van woonvoorkeuren volgens u hun tijd
moeten besteden? Wat is nuttig onderzoek voor woningcorporaties?
Stellingen
Van de zijde van ontwerpers en beleidmakers is er nogal wat kritiek op landelijk
woonvoorkeurenonderzoek. Wilt u reageren op de volgende stellingen?
32. Bewoners willen allemaal voor een dubbeltje op de eerste rij zitten.
33. Bewoners willen alleen wat ze kennen, ze schuwen het nieuwe
34. Onderzoekers (van woonvoorkeuren) trappen alleen maar open deuren in.
35. De woonconsument heeft weinig ruimtelijk inzicht.
36. De woonconsument kan vaak niet goed fonnuleren wat hij wil.
37. De woonconsument kan geen gefundeerde afweging maken tussen zijn woonwensen en
de kostenconsequenties.
38. De woonconsument beoordeelt een woning of ontwerp veelal alleen op basis van zijn
huidige situatie of leefstijl , zonder dat hij kijkt of de woning aanpasbaar is aan
eventuele toekomstige woonwensen.
39. Veel woonvoorkeurenonderzoek is gericht op de vraag wat bewoners het liefst willen,
terwijl aanbieders van woondiensten door de randvoorwaarden waarbinnen zij moeten
werken meer geïnteresseerd zijn in de vraag welke preferenties straffeloos genegeerd
kunnen worden.
40. Je kunt beter flexibel bouwen of de bewoners inspraak geven, dan bouwen en
renoveren volgens de resultaten van woonvoorkeurenonderzoek.
Dilemma's
Wilt u uw visie geven op de volgende drie ' dilerruna's' uit woonvoorkeurenonderzoek?
41. Als zittende bewoners wordt gevraagd wat ze belangrijke woningkenmerken vinden,
noemen ze heel andere dingen dan woningzoekende bewoners. Woningzoekenden
kijken vooral naar de woonlasten, het woningtype en het aantal kamers. Zittende
bewoners noemen 'vocht- en tochtvrij', 'goed onderhoud' en 'goede warmte- en
geluidsisolatie' als belangrijkste aspecten.
42. Hoewel de voordelen evident lijken, hechten bewoners nauwelijks waarde aan verander-
baarheid van hun woning.
43. Volgens een groot aantal onderzoekers vinden bewoners de kenmerken van de woon-
omgeving belangrijker dan de woningkenmerken. Volgens een groot aantal andere
onderzoekers is het precies andersom.
Plannen op het gebied van woonvoorkeuren(onderzoek)
44. Heeft uw corporatie voor de nabije toekomst plannen of ideeën om meer/op andere
manieren met woonvoorkeuren rekening te houden of onderzoek te doen op dit terrein?

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->