You are on page 1of 3

Dood aan de printer

Aan zijn doodsstrijd leek geen einde te komen. Iemand had hem al lang
uit zijn lijden moeten verlossen, maar niemand toonde moed, iedereen
bleef hopen, en wachten.
Elke morgen drukte iemand op het knopje en even hoopten wij dat een
goede nachtrust hem er weer bovenop zou hebben geholpen. Enkele
bange seconden gingen voorbij, tot daar weer zijn ellendige gebrom
weerklonk, en wat later dat gekerm als hij aan het werk werd gezet en
hij moeizaam slecht of niet bedrukte bladzijden uitbraakte.

Zelden ging de aftakeling van een machine zo door merg en been als
toen onze printer steeds verder en verder afstierf, zich een weg
kermend naar het stort, wachtend op de dag dat zijn jonge, blinkende,
haast geruisloze vervanger zou geleverd worden. Het jonge geweld liet
op zich wachten en met de oude printer ging het steeds maar bergaf.
Het werd zo erg dat zijn gekerm het telefoneren moeilijk maakte. De
persoon aan de andere kant van de lijn vroeg dan of er misschien een
zoogdier werd gekeeld in de gang en dan moest ik hem gerust stellen,
neen, het is onze printer, “Oh, u kan maar beter een nieuwe bestellen”
en dan antwoordde ik, licht geïrriteerd: “Ja. Daar wachten wij op.”

Als hij printte, kermde hij. Deed hij tussendoor even niets, dan bromde
hij. Op elk moment van de dag kon je hem horen, boven en beneden,
tot in elk bureau. De printer stond in de gang naast mijn bureau, mooi
in het midden van het kantoor. Hou hard ik ook probeerde, zijn
doodstrijd viel geen moment te negeren en scenario's begonnen vorm
te krijgen in mijn hoofd.
Eerst dacht ik: “Wat als we nu eens een paar dagen niet printen?”, we
zetten hem uit, het gebrom houdt op, hij slaapt en wij laten hem slapen
tot zijn vervanger arriveert. Hoe erg kan het zijn om enkele dagen niet
te printen?
Ik formuleerde mijn voorstel in een e-mail gericht aan Hildegard en
staafde mijn voorstel met argumenten die wezen op ecologische en
andere besparende, eerder financiële aspecten.
Had ik beter moeten weten dan haar hiermee lastig te vallen? Zonder
twijfel.

Het wachten op antwoord deed het kabaal uit de gang nog meer naar
een crescendo stijgen. Al mijn aandacht richtte zich nu op de
aftakelende machine. Werk kreeg ik niet meer gedaan. Telefoons nam
ik niet meer op. Ook Annemie stond op springen, net zoals, naar ik
vermoedde, iedereen in het kantoor. “Als dit zo door gaat”, moest ik
denken, “vallen er doden voor het eind van deze week.”
Enkele uren later was er nog steeds geen antwoord van Hildegard. Ik
balanceerde heen en weer tussen drie opties: de e-mail nog eens
verzenden (wat zij vermoedelijk erg hinderlijk zou vinden), de machine
zelf en ongevraagd uitzetten (idem), of naar haar bureau gaan en mijn
zaak in persoon bij haar bepleiten (idem). Ik besloot er nog een nachtje
over te slapen.

Gehuld in niets meer dan de duisternis van mijn eigen kantoor in het
bouwvallige pand temidden de stad, zat ik aan mijn bureau. Ik
probeerde te genieten van de stilte en ik probeerde mijzelf eraan te
herinneren wie ik was, zoals ik dat elke avond deed na de werkuren.
Oscar Loman, speurneus. Juist, die ja. Ik hield mij als schaduw
verborgen in het kantoor, ik observeerde en noteerde. Gehurkt in een
donker hoekje keek ik toe, en ik wachtte op de opdracht. Ik liep
verloren in het kantoor. Ik was het spoor bijster. Mijn aandacht richtte
zich niet op verdachten of complotten, maar op het lot van een
stervende printer. Waar was ik mee bezig?

Voor mij lag het dossier. Het groeide uit tot een aardige berg papier. Ik
sloeg het dossier even open, ergens in het midden, een lang hoofdstuk,
over Bo en Bo's woorden. Ik sloeg het dossier weer toe en sloot mijn
ogen. Eerst merkte ik het nauwelijks, het leek nog erg ver weg. Ik
probeerde wanhopig mijn gedachten te ordenen. Het volume nam toe,
drong zich aan mij op, het nam bezit van mijn hele hoofd en veegde de
laatste resterende gedachten aan iets anders weg. Woest landde mijn
vuist op tafel. Ik stond recht en wandelde naar de kast waar sinds
maanden en nu bijna een jaar mijn speurneusoutfit stof hing te
verzamelen. Regenjas. Gedeukte hoed. Wapen.

Het voelde onwennig aan om bij nacht in mijn oude plunje de zo


vertrouwelijke route naar het werk te fietsen. Voortdurend keek ik om
mij heen en achter mijn schouder, ik nam nog kleinere achterstraatjes
dan anders en mijn gezicht was haast helemaal onzichtbaar achter
mijn hoge kraag en ver vooruit geduwde hoed. Als een schim in de
stad, bij nacht en op de fiets. Ik wou het niet horen, maar mijn hart
bonkte als een deurwaarder.
Onderweg had ik voor mezelf al de berekening gemaakt. Voor de
achterdeur, met mijn sleutel in hand, telde ik het nog eens na op mijn
vingers.
Deur openen. Luid gepiep. Drie passen naar het alarm. Vier seconden
om de code in te tikken en te voorkomen dat er een sirene begint te
loeien en er een rood licht begint te branden in de controlekamer van
een bewakingsfirma aan de andere kant van de stad. Haalbaar.
Ik draaide nog maar net aan het slot of het gepiep begon al. Ik liet mijn
sleutels vallen, met één sprong stond ik aan het bakje waar ik mijn
code moest intikken.
“Fuck!” riep ik over het gepiep heen, “Mijn geboortejaar!”
Denken kon ik niet meer, ik typte blind vier cijfers in, het gepiep en ik
hielden de adem in, twee seconden en dan... Niets. Ik was binnen.
Met mijn hoed in de ene hand en de andere hand die het zweet van
mijn voorhoofd veegde, liep ik de trap op. Geen moment te verliezen.
Een voorbijganger kon makkelijk het gepiep horen tot op de straat en
de politie alarmeren. Ik nam drie treden per stap.

Daar stond hij. Hij sliep. Geen piep en geen zucht. Vreedzaam, zou je
denken, als je niet beter wist. Moest ik iets zeggen? Neen, geen tijd om
iets te zeggen. Ik tastte in de binnenzak van mijn regenjas.
Ik zocht zijn zwakke plek, daar waar het hart klopt en de machine doet
draaien. De loop streelde zijn harde huid, zijn van vuile vingers
bedrukte knoppen en scherm, langs de lades waar hij papieren
stapelde, recto, recto/verso, gesorteerd, met of zonder nietjes of
gaatjes, A4 of A3, geprint of gescand. Ik tilde zijn deksel op en liet de
loop rusten op het glas waaronder zijn licht heen en weer scheen als wij
afzonderlijke pagina's kopieerden.
“Hier” fluisterde ik.
Eén schot recht door het glas en de machine daaronder en dit beestje
slaapt de eeuwige rust.
“Zo doe je dat, Loman, als ze niet willen luisteren.”

Related Interests