You are on page 1of 145

I

I

MARlUS DUINTJER

ARCHITECT

P.K.A. PENNINK
Colofon

Schrijver: Prof. ir. P.K.A. Pennink

Met medewerking van:
- M. van Minnen (research)
- ir. Anèt Meyer (research)

Voorwoord: H. Salomonson, arch. b.n.a.

Lay-out: J. Kostoulas

Bouwkundige tekeningen: H. Winthouwer

Foto's: P. Goede, F. Keuzekamp, J. Versnel, J. d'Oliveira, K.L.M .

Druk: Tripiti, Rotterdam, 1986

Uitgave: Architectengroep Duintjer B.V. Amsterdam

Financiële bijdrage: Prins Bernhard Fonds

Financiële bijdragen werden geleverd door:

- Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
- De Nederlandsche Bank N.v.
- N.v. Luchthaven Schiphol
- Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
- Stichting het Amsterdamsche Fonds
- Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe
- Architectengroep Duintjer B.v.
- Bond van Nederlandse Architecten
- Gravin van Bylandt Stichting
De uitgave van dit boek valt samen met de opstelling van een
tentoonstelling van het werk van de architect Marius Duintjer in de
zalen van Arti et Amicitiae, juni 1986 te Amsterdam .

Aan het tot stand komen van boek en tentoonstelling werkten mee:
- J . Abma, deken kring Amsterdam b.n.a .
- Prof. ir. P.K.A. Pennink, plv. deken kring
Amsterdam b.n.a.
- ir. J.H. Kramer, architect b.n.a .
- J . Kostoulas, ontwerper
- ir. E.G . Duintjer, b.i.

Medewerking werd verleend door:
- Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der
Bouwkunst, Bond van Nederlandse
Arch itecten
- Technische Hogeschool Delft, afdeling der
Bouwkunde
- Architectengroep Duintjer B.v. (voormalig:
Duintjer, Istha, Kramer en Van Willegen)
- Mevrouw M .J . Duintjer-van der Maar
- Abma + Hazewinkel + Dirks, architectuur en
planning

De uitgave van dit boek kwam mede tot stand dankzij een financiële
bijdrage van het Prins 8ernhard Fonds.
"/

)
n4"e'AAL çy KlfUe : BIJ,TEVotUoU.v SPO<A/~,V. ""rv~volI:; 4irEJ(l(t~v-f;>If;. :"A4t 'fEfW. ~lEr aPt/ec r Vo.
....' ' ' l K!C(inl / "",,,SAlt'}ft; KAUt'TA4IPSf.CIV, r(">4J()A.lçE~"P 0./ M.I L/~"f. I('LE<A(1EN .:..nAI/)V _ Cr-i'FEtTe
QOIt! NIEr 6E>lA4JI)IU) , / IflOÇ-RS.v Bc(,"'~ C~ONP ç .... EnfOiV / VJ.OEIi?E.v vEJi!A'EP~"", ,,;;)UE BErbltJVI!
HI"T Pl4f ,,,rIJ ,AIr AÇ/'AU.I,AAÇ' / LEHENAAI!,PA,(/F. NOC/TEAt p,ÇFIlf: fVlCEA:!vuur ~I\I .8'.-l"W.(/~yJ:*­
/EI I4I / PIJl H "API.'A~1i!J /lOI/1(',v rAlUt'lV€'Rk ~r IlERA"'If,,_wU~_ .:.f7E ~"': ~EP,t'/JIF-IP i

'
;~::II ~r:.AJNr::~~~~~~r~~1o():<J':r~i!::U~Fl:;~<~V// I ~;~~:4?5,~~r;;I/E~'/'~U~;~';'Jf.,:::dG":'
7
:~~;~:; 0n ~.~ ::::,rslNroPN-:W:~I/J::r;a1r ~!:: ~~~~k ~~'::o~;::JE~·I.!;: .-E: ~~ .'F;v ~;r ~

~UIOZY{)E

.DT .~~,o;[~~~~:
~
-- -- ----,- - - - -- -_. _.. __ .

MOTTO 3377 ONTWERP VAN MARlUS DUINTJER, ARCHITECTTE AMSTERDAM

4
Voorwoord
Marius Duintjer, ter herinnering

Marius leerde ik kennen in 1936. Het contact bleef bewaard tot 1983,
het jaar dat wij afscheid van hem hebben moeten nemen. Het begon
met een prijsvraag van het Genootschap Architectura et Amicitia voor
een week-end huisje aan de Vecht, die door hem werd gewonnen met
een voor die tijd merkwaardig ontspannen ontwerp.

Wie is Duintjer? vroegen wij ons af. Het was, geloof ik, Auke Komter
die het kon vertellen . Hij had in Zürich gestudeerd en bij Le Corbusier
gewerkt.

Spoedig daarna hebben we elkaar ontmoet. Een gereserveerde
jongeman, observerend met een wat ironische blik. In deze jaren
waren in Amsterdam "de 8" en in Rotterdam "opbouw" de
groeperingen van architecten met belangstelling voor het nieuwe
bouwen; wij maakten gemeenschappelijke excursies, er ontstonden
persoonlijke banden, maar toch verschilden wij in onze visie op werk
en maatschappij ..

Na de oorlog kwamen wij weer bij elkaar, rondom Ben Merkelbach en
ik herinner mij dat Marius heeft meegedaan met het gemeenschap-
pelijke ontwerp voor een "Ieave centre" dat in de galerij had moeten
komen als plaats van vermaak voor geallieerde militairen. Ieder van
ons mocht zijn kroegje bijdragen en Marius had een prachtig plan
getekend met een Berlageaanse lichtkroon en eigenlijk zag ik die
militairen daar niet onder zitten. Hij voelde zich in de kring van "de 8"
niet zo gelukkig en reeds in 1946 trok hij zich terug . Ik geloof dat het
hem stoorde dat men aan één tafel zat, waarbij een gemeenschappe-
lijke grondslag verondersteld werd, welke eigenlijk niet aanwezig
was; Marius wilde liever alleen verder. Deze wat eenzame positie in
de Nederlandse architectuur heeft hij eigenlijk steeds behouden. Wat
het werk van Duintjer onderscheidt van andere ontwikkelingen in
deze periode lijkt mij de neiging tot een zekere statigheid, een houding
die ook begrepen kan worden als terughoudendheid ten opzichte van
het zwaarteloze karakter van veel werk in de wereld van het nieuwe
bouwen. Wel bleef het werk vrij van barokke tendenzen, zoals deze
zich ontwikkelden in het werk van enkele leden van de "groep 32",
welke in 1934 in "de 8" was opgegaan en een viertal jaren later weer
van deze groep werd losgemaakt.

Na de oorlog heb ik enkele malen met Duintjer mogen samenwerken
op een wijze die gelukkige herinneringen heeft nagelaten. Zijn bege-
leiding stimuleerde zonder onze vrijheid te belemmeren. De eerste

5
maal in 1955, waar hij als supervisor van Aalsmeer ons had aange-
wezen om bejaardenhuisvesting in het Seringenpark te bouwen .
Later hebben wij gedeelten van de interieurs ontworpen van de
Nederlandse Bank en van het provinciehuis in Zwolle . In een derge-
lijke samenwerking ontstaat een binding en ik heb de wijze waarop
het gebouw van de bank is ontvangen als onjuist ervaren. In het
oorspronkelijke ontwerp waren aan het Oosteinde wel degelijk voor
het publiek toegankelijke ruimten ontworpen, maar de veiligheids-
dienst van de bank stond het niet toe . De stemming tegen dit gebouw
werd bepaald door verontwaardiging over het onttrekken van deze
plaats in de stad aan de bevolking; geen theater - geen stadhuis - een
bank! Men bleek niet gevoelig voor het doorzichtige paviljoen aan het
Frederiksplein en de toch in maat en kleur beheerste hoogbouw. Ban
de Bank!! werd een kreet die zelfs op het woonhuis aan de Prinsen-
gracht werd gekalkt. Dat was de enige keer dat ik Marius verbitterd
heb gezien.

Bij het provinciehuis in Zwolle was evenals bij de bank onze bijdrage
beperkt tot wat men het "representatieve" gedeelte noemde. Eigen-
lijk is deze hierarchie onverenigbaar met architectuur, maar toch, wij
hadden vertrouwen in het resultaat. Niet zo de kranten! Te groots, te
mooi werd het gevonden; meer verenigde naties dan Zwolle. Dit is nu
alles weer vergeten en ik geloof dat het een goed stukje Zwolle is
geworden.

Bij een terugblik op het levenswerk wordt duidelijk dat aan ieder
gebouw een visie ten grondslag ligt. Niet altijd had hij het ogenblik
mee, maar ik vraag mij af of de hoogtepunten wel voldoende gewaar-
deerd worden. Zo is het een belevenis om te zien hoe in het Andreas
ziekenhuis patienten en bezoekers ruimtelijk begeleid worden. En dan
het lyceum in Buitenveldert, statig en intiem, dus echt Amsterdams
ligt het daar, gedeeltelijk over het water gebouwd met een zeer eigen
toepassing van ingedeelde vensters. Wanneer je daar langs loopt
herleeft de herinnering aan Marius Duintjer.

H.S.

6
Inleiding, jeugd
Na de tweede wereldoorlog heeft het bouwen in Nederland - zoals in
alle Westeuropese landen - een enorme vlucht genomen, met als
resultaat dat toen, in een periode van zo'n 35 jaar, meer is gebouwd
dan in vele voorafgaande eeuwen tezamen. Hetgingdaarbij uiteraard
om de wederopbouw van wat in de oorlogsjaren werd vernield. Maar
de bouwactiviteiten werden vooral ook gericht op het huisvesten van
een snel toenemende bevolking en op de gebouwen en de infrastruc-
tuur, nodig voor de na-oorlogse economische en sociaal-culturele
expansie . Om aan deze wederopbouw en uitbreiding van de
gebouwde omgeving vorm te geven werden meer dan ooit architecten
ingeschakeld en het architectenvak beleefde in die periode, althans
beroepsmatig, een grote bloei .

Het bouwen ging vergezeld van uitvoerige discussies over wat zou
moeten worden gebouwd, waar dat moest gebeuren en hoe. Het
waren maatschappelijke strijdvragen, maar niet in de laatste plaats
ook vragen van stedebouwkundige en architectonische aard. Archi-
tecten namen daarbij stelling: theoretiserend, in woord en geschrift,
en ontwerpend - vooral het laatste . Voor sommigen was de vooroor-
logse stroming van het "nieuwe bouwen" daarbij uitgangspunt.
Anderen voelden zicht meer aangetrokken tot de vooral onder Ame-
rikaanse invloed staande internationale ontwikkelingen in het bou-
wen . Tenslotte was er de grote groep die zich op traditionele wijze
ambachtelijk met het vak bezighield. In die tijd laaiden ook de tegen-
stelling tussen de stroming van het "nieuwe bouwen" en die van de
"Delftse school" hoog op. Die stromingen, hun voormannen en hun
aanhangers zijn globaal wel in kaart gebracht. Dit geldt echter niet of
nauwelijks voor de architecten die zich bij geen van deze stromingen
thuis voelden, die hun eigen weg gingen en van wie het werk zoda-
nige kwaliteiten bezit dat het de moeite waard is om daar wat langer
bij stil te staa n.

Eén van hen was Marius Duintjer. Over hem gaat dit boek. Hierin zal
worden geprobeerd om de ontwikkeling te volgen van een architect
die zich, als het ware tastenderwijs, tussen een aantal architectuur-
stromingen een weg baande, die tenslotte leidde tot een duidelijk
herkenbare, zeer eigen en consequente architectuurvorm - onafhan-
kelijk van die stromingen . Bovendien zal worden gepoogd om na te
gaan waaraan het werk van Duintjer zijn kwaliteit ontleent.

Marius, Frans Duintjer werd op 22 december 1908 als derde van vier
zoons in een fabrikantengezin te Veendam geboren . Zijn vaderwaser
directeur van de particuliere aardappelmeelfabriek. In die toendertijd

7
hechte, veenkoloniale gemeenschap groeide hij op; hij ging er naar de
lagere school en naar de HBS.
Hij was ongeveer tien jaar toen hij, naar het schijnt, Rembrandt
ontdekte en van diens werk een groot bewonderaar werd. Het myste-
rieuze van diens clair-obscur zou hem hebben aangetrokken en hij
wilde schilder worden. In die tijd begon hij ook met tekenen. Het is een
jeugdideaal dat bij architecten niet ongebruikelijk is.
De voedingsbodem ervoor lag ook in het gezin; een harmonieus gezin,
waar beeldende kunst en muziek ruimschoots aan bod kwamen .
Duintjer senior was kunstverzamelaar en tevens oprichter van de
plaatselijke muziekvereniging, die ervoor zorgde dat ook in Veendam
kamermuziekuitvoeringen plaats vonden. Dat gebeurde zo'n vier keer
per jaar en de musici logeerden dan meestal in het gastvrije huis aan
het Oosterdiep. Net als de andere gezinsleden bespeelde Marius een
muziekinstrument - de violoncel.

Na het eindexamen HBS A waardoor hij geen directe toegang had tot
de Technische Hogeschool in Delft, vertrok hij naar Zürich om daar
aan de ETH de bouwkundestudie te volgen, een studie die in de ogen
van de familie ook minder eenzijdig op wiskunde en techniek was
georiënteerd dan die aan de Delftse TH, en daarvoor een betere
grondslag voor een archtitectenopleiding bood. Want architect zou hij
inmiddels worden. In januari 1931 studeerde hij er af. Hij was toen
zodanig door het architectenvak geboeid dat het hem nooit meer zou
loslaten.
Wat niet wegneemt dat hij in zijn vrije tijd graag en in verschillende
technieken tekende - en dat op heel verdienstelijke wijze. In die
tekeningen was, naast het landschap, de architectuur een steeds
terugkerend motief.

Terug in Nederland vervulde hij zijn dienstplicht en werd hij reserve-
officier, een functie die hem tijdens de tweede wereldoorlog in een
Duits krijgsgevangenenkamp in Polen zou doen belanden. Daarvoor,
begin 1942, verbleef hij als één van honderd gijzelaars als vergelding
voor een aanslag op een NSB-huis in Amsterdam, in het strafkamp te
Amersfoort. In de zomer van dat jaar werd hij naar het gijzelaarskamp
in Haaren (NB) gezonden, alwaar de formele onverenigbaarheid van
de status van legerofficier en gijzelaar aan het licht trad . Dit had zijn
overplaatsing naar Grune bij Lissa in Polen tot gevolg; hij zou er tot
zijn vrijlating in juli 1944 blijven. In de dienst bleef hij met de architec-
tuur in aanraking. Een door het Genootschap Architectura et Amicitia
uitgeschreven studieprijsvraag voor een woonhuis voor een architect
bood hem daartoe de gelegenheid. Zijn inzending werd goed ontvan-
gen. Met name werden de eenvoudige hoofdopzet en de terreininde-
ling door de jury gewaardeerd.

8
[).s.A, \TUDIWQY<VQt.ACi N"1. 105.2 ,

DLAN It!WfQ,

.;:.', , :::,',. ,. :. .
:', :.~
1:' \. . .' ' .• :
........-'....:.. .:~_ :.. . .~.. <.>.\
~ ,J

, ---'---........:.;....~...".-
:.: ::'.>:;·"":"1'-
r-:i:___ ----r-"""

BrOGQIJIMT[ ,

~
. ! .. ' ,':'
ZUID,
TIJ1U
• • ',' ' ot " ,

",:: • • • I; • ,.' :. • •••• .'. , ' . •• •

~~------------~

OJJ~ I I I I I I DJ]

wen,
o DIJ DO )ITIJD
OCXT,
IItlll ITIJCOIIIIIIII

9
Na zijn diensttijd werkte Duintjer van 1933 - 1935, net als sommige
van zijn generatiegenoten bij Le Corbusier. In zijn architectenbestaan
is deze periode een merkwaardig intermezzo; daarvan is namelijk
naderhand maar betrekkelijk weinig in zijn werk - zeker in het na-
oologse - terug te vinden.
In 1933 vond de voltooiing plaats van de Cité du Refuge, waarvoor Le
Corbusier in 1929 de opdracht ontving en waarvan de bouw in 1930
begon; ook werd toen het appartementengebouw aan de Rue
Nungesser-et-Coli voltooid, waarvoor Ie Corbusier eveneens in 1929
de opdracht ontving en waar'Jan in 1931 de bouw begon . Uit 1933
stammen tevens stedebouwkundige plannen voor Antwerpen,
Genève en Stockholm en de niet uitgevoerde ontwerpen voor terras-
woningen in Algerije, volkswoningbouw in Zürich en een kantoorge-
bouw, eveneens in Zürich. In 1934 werd een stedebouwkundig plan
voor het Noordafrikaanse Nemours ontwikkeld en in 1935 tenslotte
kwam het gebouw van Centrosoyus in Moskou gereed, waarvoor de
opdracht in 1928 was ontvangen en vond de bouw plaats van een
tuinhuisje in Celle-St. Cloud.
Van al deze projecten - bepaald toch niet Le Corbusiers minste -
waarover in zijn atelier ongetwijfeld uitvoerig zal zijn gediscussieerd
en aan de voorbereiding en uitwerking waarvan intensief zal zijn
gewerkt is eigenlijk alleen in één werk van Duintjerwerkelijk iets van
terug te vinden, namelijk het uit 1935/ 1936 stammende woonhuis te
Leeuwarden . Het is of hij in het kader van deze opdracht met zijn in
Parijs opgedane ervaring heeft willen experimenteren, of hij zijn
eigen affiniteit tot de filosofie en vormentaal van Le Corbusier erin
heeft willen testen, om vervolgens tot de ontdekking te komen dat die
onvoldoende was om erop voort te bouwen. Anders is het ontbreken
van welk spoor dan ook in zijn latere werk, behoudens soms een wijze
van tekenen, njet te verklaren .
Het zou er ook op kunnen wijzen dat Duintjertoen al, al proberend - hij
zou later van zichzelf zeggen dat hij een "probeerder" was - zich een
weg zocht, betrekkelijk immuun voor beïnvloeding, onafhankelijk van
de bestaande stromingen .

10
beginperiode,1935-1945

Woonhuis te leeuwarden
Het woonhuis te Leeuwarden behoort tot de eerste bouwwerken die
Duintjer als zelfstandig architect ontwierp. Het was bestemd voor zijn
broer. De simpele rechthoekige plattegrond wordt, tussen de kopge-
vels, opgedeeld door drie evenwijdige, dragende binnenmuren op
onderling verschillende afstanden. Binnen deze zowel strenge als
onregelmatige structuur ontwikkelde hij een verrassend vrije platte-
grond met een boeiende ruimtelijke geleding en werking: een "plan
libre" met gebruikmaking van een traditionele bakstenen draagcon-
structie. Sommige van de vrij gevormde binnenwanden en de muur
ter plaatse van de ingang verraden de invloed van Le Corbusier. De
borstweringen en niet-dragende gevelwanden zijn opgebouwd uit
tweezijdig gestukadoorde bimsbeton, met aan de buitenzijde 2 mm
dikke metaa Iplaten op een houten stijl- en regelwerk. Het dakleer va n
het flauwhellende zadeldak was afgewerkt met eenspeciale alumini-
umverf, teneinde door weerkaatsing de warmtelast van de zon te
verminderen.

Duintjer demonstreerde hiermee dat hij niet wars was van het experi-
ment. Hij ontwierp een huis dat de vergelijking metde ontwerpen van
de "officiële" vertegenwoordigers van het "nieuwe bouwen" makke-
lijk kon doorstaan. Het is begrijpelijk dat hij in een bespreking in de
Schweizerische Bauzeitung van recente Nederlandse bouwwerken,
waaronder die van Duiker (Hotel Gooiland) en Brinkman en van der
Vlugt (Stadion Feijenoord), als een werkelik nieuw talent wordt aan-
gewezen*) Het is niet verwonderlijk dat hij ook lid wordt van "de 8".

Het artikel in de Schweizerische Bauzeitung van Hans Suter geeft
overigens een goed beeld van de tijd, waarin deze gebouwen tot stand
kwamen en Duintjer besloot zich als zelfstandig architect te vestigen:

"Wenn ich im Folgenden von einigen neuen Bauten berichte, will ich
damit nicht den Eindruck erwecken, als ob in Holland immer noch de
regste Bautätigkeit herrsche.lm Gegenteil, das Baugewerbe istschon
länger als bei uns beinahe stillgelegt. Dazu kommt noch eine eigen-
tümliche behördliche Abneigung gegen Veranstaltung von Wettbe-
werben; die gröBten Bauaufgaben werden durch direkten Auftrag
vergeben. Ueber diesen Zustand hörte ich manche bittere Klage aus
der jungen Architektengeneration, der dadurch die Möglichkeit zu
Talentproben zum vornherein genommen wird. Erst nach langem
zähem Kampff und unter dem Druck der Verhältnisse haben die
Architektenvereinigungen für den Neubau des Amsterdamer Rathau-
ses die Ausschreibung eines allgemeinen Ideenwettbewerbes
erzwingen können."

* 31 oktober 1936 11
12
13
f i'

14
15
Vakantiehuisje te Borger

Aan het woonhuis te Leeuwarden ging in 1934de bouwvoorafvan de
eerste fase van het zomerhuisje van het Drentse Borger. Hier ont-
wierp Duintjer op hetfamilielandgoed Meindersveen, aan de rand van
het bos en hei, met een prachtig uitzicht over vennen in de verte, een
houten optrekje van bescheiden afmetingen . Daarin waren een
woonruimte met stookplaats en keukentje en twee door gordijnen
afgescheiden slaapplaatsen ondergebracht. Op het zuidwesten, aan
de uitzichtzijde, bevond zich een halfoverdekt terras. In de eerste
versie van het ontwerp was nog voorzien in een flauwhellend zadel-
dak, maar uiteindelijk werd het huisje uitgevoerd met een nagenoeg
plat, rondom uitkragend lessenaarsdak. De gevels zijn samengesteld
uit terra-rode gepotdekselde houten delen en wit geschilderde kozij-
nen, deuren en ramen; het grote uitzichtraam is aan de buitenzijde
voorzien van een schuifluik. Dat was alles. In de loop van de tijd
vonden verschillende uitbreidingen plaats. Om te beginnen een
tweede huisje, loodrecht op het eerste, met een vernuftige kelder
onder een vaste, gemeenschappelijke eettafel. Weer later volgde een
derde huisje, loodrecht op het tweede en daarmee verbonden door
een bamboe galerij met vaste bankjes. Het complex werd tenslotte
voltooid met een garage en een vierde huisje: een kraal van aaneen-
gesloten, nietige bouwsels aan de rand van een weids landschap,
rondom een hof waarin een vaste buiteneettafel en een waterput zijn
gesitueerd. Het hof vormt tevens de ontsluiting van de huisjes en
ontleent zijn ruimtelijke betekenis mede aan het feit dat het uitzicht
zich eerst in de huisjes verrassend openbaart.

Op het eerste gezicht lijkt het complex uit de vrije hand te zijn geconci -
pieerd en bijna te lichtvoetig voor de naam architectuur. Als zodanig is
het ook niet zo belangrijk. Wel is het van belang omdat hierin een
aantal vertrekpunten voor Duintjer's latere werk is terug te vinden:
een zorgvuldige situering met oog voor het bijzondere, dat in het
ogenschijnlijk gewone schuilt, de eenvoud van middelen, het alzijdig
overstekend dak met zijn expressieve ondersteuning . Ook weerspie-
gelt het hoe Duintjer al experimenterend, met ruimte , constructie en
materiaal omging. Dat doen de meeste architecten, maar in dit geval
gebeurde het in klein bestek en dus geconcentreerd en tegelijk op een
heel onbevangen manier.

16
17
·.'
'.

'r -

!) yj/i
I/I I

18
... .. .. .
. . . ,. ,. •
.. ...
...
.. .,
,.
, .. ... . .
.• .1 .. .
Ol
....
" '" ..
• .. • • . ,
",.
• '\ ,
• . ..
( f

. .. (
111
#'
. ~.

.... ....
,- .~
+ ,~

• {
"
,* " '" '"

,
..
J 11'

r.

.. ,,
.•
" .. ,
.. • .
20
22
23
De Amsterdamse raadhuisprijsvraag

In 1937 deed hij samen met Auke Komter mee aan de (beruchte)
prijsvraag voor het nieuwe Amsterdamse raadhuis op het Frederiks-
plein. Ze hadden elkaar in Amsterdam leren kennen , waarschijnlijk
via het Genootschap Architectura et Amicitia en "de 8", waarvan
beiden lid waren. Het verhaal gaat dat bovendien enig ouderlijk initi-
atief voor de architectencombinatie verantwoordelijk was; in elk geval
staat vast dat ook het delen van de kosten een motief was voor hun
samengaan .
Het was de eerste keer dat Duintjer beroepshalve een groot gebouw
ontwierp en hij had er meteen succes mee. De inzending van Duintjer
en Komter was van dien aard dat zij via de besloten prijsvraag in 1938,
samen met Berghoef en Vegter, in 1940 tot de finale van de tweevou-
dige opdracht doordrongen . Berghoef en Vegterwonnen de prijsvraag
tenslotte, maar het is bekend dat ze daaraan weinig plezier hebben
beleefd *.
De opeenvolgende plannen van Duintjer en Komter vertonen, merk-
waardig genoeg, weinig van het jeugdig élan, waarvan het vakantie-
huisje in Borger en het woonhuis in Leeuwarden getuigen of, voor
wat Komter betreft. het huis dat hij voor zijn moeder in Hattem
ontwierp. Het is of de plannen gebukt gaan onder de loodzware ernst
van het programma van eisen en van wat in die tijd onder representa -
tiviteit werd verstaan. Weliswaar onderscheidden de ontwerpen -
althans de eerste**- zich door hun functionaliteit en sobere
baksteenarchitectuur van het merendeel der andere prijsvraagont-
werpen, maar toch is het -zeker in historisch perspectief- onbegrijpe-
lijk dat ze maar zo weinig loskwamen van het min of meer gangbare
beeld van wat een raadhuis zou moeten zijn

Het is typerend voor de onzekerheid in die tijd -het einde der dertiger
jaren (hetgeen overigens tot in onze tijd voortduurt) - voor het gebrek
aan houvast. het gevoel heen en weer te worden geslingerd tussen
wat traditioneel bepaald, tastbaar en beheersbaar was en wat in
razendsnel tempo veranderde door een maatschappelijke en techni-
sche ontwikkeling die te complex was om nog te kunnen worden
overzien, laat staan in het eigen vakgebied te kunnen worden geïnte-
greerd en uitgebeeld .

• Na de oorlog kwam het niet tot bouwen . wel tot een nieuwe situatie: het Waterlooplein . Bovendien
ondervond het ontwerp als typisch voorbeeld van de Delftse School toenemende kritiek. In de
" herkansing " ging de combinatie tenslotte , mede als gevolg van onderlinge verdeeldheid, ten
onder. Een nieuwe prijsvraag werd uitgeschreven en naar het ontwerp van de architecten
Holzbauer en Dam nadert nu de " Stopera ", een combinatie van stadhuis en opera, zijn voltooiing .

•• Door de mobilisatie en de gevolgen van de oorlog heeft Duintjer zich met het laatste ontwerp
maar zijdelings bezig kunnen houden. Getuige zijn brieven naar huis maakte hij zich bezorgd over
de richting waarin het plan zich ontwikkelde, maar hij bleef trouw aan de gemeenschappelijke
onderneming . Dat blijkt uit het schetsboek vol alternatieven .
27
PlAN VOOR HET RAADHUIS VAN AMSTERDAM
Ontspanningsgebouw te Zuilen
I

Ook Duintjer leed eronder. Illustratief hiervoor zijn zijn ontspannings-
gebouw voor de wagon- en bruggenfabriek van Werkspoor te Zuilen
(nabij Utrecht) en zijn toelichting daarop in het naoorlogse Forum
(1946). Het is een van de weinige door hemzelf geschreven toelichtin-
gen lop eigen werk. Alleen al daarom is zij hier integraal op~enomen,
maar ook omdat deze toelichting een typerend voorbeeld IS van een
architectuurbeschrijving, die heel lang heeft stand gehouden en ook
nu nog wel eens de kop opsteekt, een beschrijving die in sociaal-
filosofische overwegingen het motief zocht voor de ruimtelijke ont-
wikkeling, vorm en constructie van een gebouw.
Dui r tjer was wat dit betreft een kind van zijn tijd, hoewel hij er
kennelijk geen vrede mee had. Hij bezondigde er zich nadien tenmin-
ste niet of nauwelijks meer aan en hield zich aan de stelregel "dat een
beschrijving van een gebouw zinloos was indien dat gebouw niet goed
was en voor zichzelf sprak en dat, indien dat wel het geval was, de
beschrijving overbodig was .. .. . "

"09 het daartoe bestemde terrein van ruim elf meter breedte, naast
de Hoofdingang der fabriek, werd in het jaar '39 een ontspanningsge-
bouw gebouwd, waarmee een lang gekoesterde wensch van een
sociaal-voelende directie, èn van een bloeiende personeelvereeni-
ging, in vervulling ging.
Waar het de wensch was ook diverse vereenigingen der gemeen-
schfP van Zuilen een gastvrij onderdak te bieden, werd de hoofdin-
gang buiten de afsluiting van het fabrieksterrein gelegd. Een klein
zaal~je op den beganen grond met eigen stoelenberging biedt plaats
aan kleuterklasjes, cursussen en kleinere bijeenkomsten; de grootere
zaal boven ontvangt kantoorpersoneel bij de lunch, naai-, knip- en
kookcursussen voor de huisvrouwen, schaakclubs en bijeenkomsten
van allerlei aard in den avond, terwijl op het kleine verhoogde toneel
trioljl1phen gevierd worden in revue en tooneelstuk, of de muziek ten
dans noodt. In het klein bestek van de opgave lag het in de bedoeling
de functies van het tooneeltje zeer eenvoudig te laten: een verhoogd
vloergedeelte (dat echter "gestreken" moest kunnen worden) en een
simpele aanduiding van décors met schermen, welke in de bergkast
achter het tooneel geborgen konden worden .
Deze schermen waren aan beide zijden beschilderd - de eene zijde
suggereerde het "buiten" met groen, en vogels in blauwe luchten, de
andere zijde het "binnen" van de huiskamer met warmte en gebor-
genheid. Dat echter amateurtooneel-bloed kruipt waar het nietgaan
kan, bleek al spoedig toen de eerste revues ten toonele kwamen met
bezettingen, die in sterkte het aantal der toeschouwers trachten te

29
evenaren en waarbij de dansende reien weinig meer arm- en been-
slag hadden dan de toeschouwers. Vanzelfsprekend bleven daarbij
een eerste en tweede tuschsendoek en installaties voor droomerige
lichteffecten niet uit, maar het doel werd bereikt: er werd "echt"
tooneel gebracht.
In het gebouw vonden verder, als ruimten voor het bedrijf benodigd,
een verband- en onderzoekafdeeling, benevens een archief, plaats.
Wat den opbouw aangaat, is het een baksteenbouw, van buiten en
van binnen schoon gewerkt, van een frisch rode steen van de Oude
Rijn, beton vloeren, stalen spantjes voor de kap op de bovenzaal, en
zink als dakbedekking voor alle dakjes. Siermetselwerk binnen en
buiten werd uitgevoerd met donker gesinterde Groninger steen. In het
inwendige werd door den Utrechtschen beeldhouwer Uiterwaal eenig
decoratief gips stucwerk uitgevoerd - in den uitbouw aan den voorge-
vel bracht Gerard Hordijk een mozaïk aan, van op kleur en grootte
gesorteerde kiezel, in een techniek die we kennen van stoepen in het
gebied tussen de groote rivieren; deze mozaïk was een geschenk van
het gezamenlijk personeel der fabriek en spreekt de bestemming van
het gebouw op eigen wijze zinnebeeldig uit. Beter gezegd; het zingt
dàt, waarvan het gebouw spreekt, in de plattegronden, in zijn binnen-
ste leven dus, bovenal: dat afgewend-zijn van de fabriek. De fabriek,
met de wèl grootschte perspectieven der "traversen", met het wèl
krachtige en gespierde dat aan de constructie-hallen en werkplaatsen
voor metaalbewerking eigen is - maar met de rauwe hardheid tevens,
het alleen-technische en mannelijke, dat haar éénzijdigheid uit-
maakt. Dáárvan wendt de dansende vrouw in de mozaïk zich af - en
steekt de bazuin. Daarvan ook wendt het gebouw zich af - en veroor-
looft geen blik op het fabrieksterrein, dan door een haag van bloemen
en planten in het bloemenraam, bij de entrée van de bovenzaal. En het
is niet enkel dáárin gelegen, die afgekeerdheid van het puur techni-
sche en machinale; ligt het niet veel meer nog in dien toets van het
handwerkelijke, in dat, vooral in het inwendige, spreken van het steen
voor steen gestapeld en gevoegd zijn? Daarin spreekt het een andere
taal dan de fabriek, waar een staalskelet gesteld wordt en de bak-
steenwand alleen nog vult. Ligt het ook niet in de spantjes van de
bovenzaal, met de uiteindelijk alleen schaal- en ruimte bepalende
noodzaak van de trekstangen? Ook daarin spreekt het niet de taal, die
in onze tijd de fabriek spreekt, die de bruggen over onze breede
wateren slaat. Ligt het niet in de toets van het geheel, die een andere
is dan die van de grijze dieseltreinen, die als gladde reptielen door
Holland's landouwen gleden - en naar we hopen, zullen glijden - en
die in deze fabriek gebouwd worden?
En he~ is daarmee, dat dit gebouwtje staat vóór de oorlog, vóór die
jaren waarin het ons, in het rauwe geweld, duidelijker kon worden
welke weg een wereld gaat, die de grootste vragen alleen verstande-
lijk wil benaderen . Het isdaarmee ook, datwe mogen beseffen dateen
vlucht niet redt, en dat we dàn eerst de bazuin kunnen steken, wan-
neer we het geestelijk overwicht over onze eigentijdse techniek her-
kregen en ons hart van den druk onzer werktuigen bevrijd zullen
hebben."
A~<H'EF ... BI .... I>J EN TU'N "" VER8ANP.AFD, .. "'''L. ..

,
.
'TOI'!"'NCO
F"'81l11f1C,

• • • • ., • • ••• ' • '. • •• • ~" I ".i...
.. . . ".
.. " .. y"" ...."
"
. .
......
"
""
" ., . .
...
... . "
...
..
"
"


"
..
..
..
t
..

....
• "..
.. ..
,".,.
'"
Ol

".....,..
.. .,....,...

~.,."".."~
i'
. (':"'1 ':: ., 0

31
32
tweede periode,op zoek naar een eigen vorm

Oorlogsmonumenten
Een in de tijd duidelijk afgebakende, aparte categorie in zijn werk is die
der oorlogsmonumenten (1946-1948). Zeker in die direct na-oorlogse
jaren vormden zij een - begrijpelijk - uiterst gevoelige opgave. De
behoefte om de herinnering aan de gevallenen levend te houden en
de beginselen waarvoor zij streden in tekens vast te leggen leidde tot
het realiseren van een groot aantal van die monumenten. Het bleek
een probleem voor beeldende kunstenaar en architect gelijk. Toen
openbaarde zich het gebrek in Nederland aan een monumentale
traditie: het feit dat monumentaliteit de Nederlander niet op het lijf is
geschreven. Duidelijk trad ook aan de dag dat de vraagstukken van
massa en ruimte, expressiviteit en symboliek bij het aan geen plaats
gebonden vrije beeld anders zijn dan bij het monument, dat wel aan
een plaats is gebonden, en dat ook door de schaal van een monument
andere eisen aan de plastische vorm en materiaaluitdrukking worden
gesteld dan door een gebouw.

In zijn Friese gedenkstenen heeft Duintjer een lyrische en tegelijk
klassieke oplossing gevonden voor het probleem van de maat en
uitdrukkingsvorm bij een eenvoudig monument. Hij ontwierp een
ongeveer manshoge obelisk-vormige stèle die zich in enkelvoud heel
fijnzinnig in de ruimte manifesteert en die in meervoud in staat is om
een elementaire, tot bezinning nodende ruimte in te sluiten.

De opdracht was het gevolg van een prijsvraag "ter verkrijging van
een Friese gedenksteen, te plaatsen op de graven van hen die gedu-
rende de oorlog 1940 - 1945 hun leven hebben geofferd voor het
vaderland in zijn strijd voor vrijheid en recht" . De jury, met daarin de
latere rijksbouwmeester ir J.J.M . Vegter, oordeelde als volgt over zijn
inzending onder het motto: "En de toortsen branden op de terpen":
"Dit gehele ontwerp in zijn voordracht zowel als karakter, in hoofd-
vorm zowel als in onderdelen, getuigt van grote karaktervastheid . De
jury heeft bewondering voor het idee, dat aan deze steen ten grond-
slag ligt en op zo dichterlijke wijze in het motto tot uitdrukking is
gebracht. Zij bewondert de gaafheid van het ontwerp en in het bijzon-
der het samengaan van sierlijkheid en kracht, zoals dit ondermeer
respectievelijk in letters en bekroning tot uitdrukking is gebracht. Zij is
van oordeel, dat dit ontwerp voldoet aan het verlangen om te komen
tot een vorm van grafmonument, die tot in lengte van dagen op
waardige wijze getuigen kan van strijd en verzet in de jaren 1940 -
1945; maar bovenal stelt de jury met grote voldoening vast dat dit
ontwerp een waardige getuigenis kan zijn van het Friese volkskarak-
ter: ook daar immers vinden wij hoekigheid samengaan met lyrische
zachtheid. "

33
In de hierna volgende monumenten in Naarden, Odoorn, Goirle en
Veendam en voor Werkspoor in Amsterdam en Utrecht werd de spon-
tane, elementaire vormkwaliteit en zeggingskracht van die eerste
gedenksteen niet meer gëevenaard .

FRIESLAND

34
35
36
37
NAARDEN

38
J3ronzCf) vf.....;j'~/}.
'VocJ:r/.<",- ""'" ~f5<
~!Jt..5 in. t,'c..Çtc.... CU>'Ic.n'{"-
-'P<C,~.

:Jt4 In'; -f.c"-s+
(J~ 'il.ra.ni~'Û..l.uJ
~--'-t en cpC,'rn",-
f.:1(u,-

ODOORN

39
ODOORN

40
ONTWERP VOOR GOIRLE

41
VEENDAM

42
De kerken - de twee
Tijdens de oorlog leerde Duintjer professor Van der Leeuw kennen en
zij spraken veelvuldig met elkaar over onder andere de integratie van
kunst, architectuur en kerkbouw, het centrale gespreksthema van de
na-oorlogse Prof. dr G. van der Leeuw-stichting. Dat wil niet zeggen
dat Duintjer intensief deelnam aan de discussies - zowel tijdens als
direct na de oorlog - over liturgie en kerkbouw, over de vraag of in de
protestantse kerk, naast de centrale plaats van het woord, niet aan de
liturgie een veel belangrijkere rol moest worden toegedacht. Evenmin
was Duintjer kerks, in de zin van getrouw kerkganger of belijdend
lidmaat van een kerkgenootschap. Maar wèl ontwierp hij de plannen
voor zes in het oog lopende kerken: eerst de Nederlands Hervormde
Kruiskerk in Amstelveen (1946 - 1951), vervolgens de Opstandings-
kerk in Amsterdams West, de zogenaamde kolenkit (1955, 1956) en
tenslotte - geheel anders - in de jaren zestig, het kwartet kerken in
Rijswijk (ZH), Zeist, Arnhem en Amsterdam Zuid. Daarbij valt op dat
tussen de eerste twee kerken en de overige vier qua planopzet,
ruimte-ontwikkeling en vormgeving een zodanige breuk bestaat, dat
je je afvraagt of hier dezelfde architect bezig is geweest. En toch ..... .

Duintjer's Kruiskerk raakte indertijd tot ver over de grenzen bekend
als voorbeeld van nieuwe Nederlandse kerkbouw, maar ook vanwege
haar situering en vooral door de ruimte-ontwikkeling in het interieur,
waarin het licht zo'n belangrijke rol vervult.

In al zijn kerken - de twee en de vier - koos hij voor het licht als
bemiddelaar bij de strijdvraag, waaraan in de protestante eredienst de
voorkeur diende te worden gegeven: aan het woord of aan de liturgie.
Typisch Duintjer, had hij respect voor beide opvattingen en probeerde
hij een mogelijke strijdigheid in de plaatsing van kansel, doopvont en
avondmaalstafel op te heffen door ze in het licht samen te vatten . Het
verhaal gaat dat hij tijdens een wandeling met zijn vrouw in één van
de bossen van Natuurmonumenten nabij Kortenhoef zo door het
zonlicht tussen takken en bladeren werd getroffen dat hij naderhand
probeerde dat in zijn architectuur te benaderen.

De kerk "met de duizend vensters"is daar een goed voorbeeld van.
Door haar axiale situering heeft ze een - zij het ingehouden - monu-
mentaliteit verkregen, die goed past bij de plaats die de kerk toen nog
in de samenleving innam of geacht werd in te nemen. Terzijde van de
drukke Keizer Karelweg, belangrijke verbinding tussen Amstelveen
en Amsterdam, getuigen de situatie en het bouwvolume tevens van
de spirituele waardigheid die Duintjer aan de kerk toedacht. Prachtig
is het silhouet van de westbouw met zijn beide torens. Boven de

43
44
45
voorhof met de flankerende bouwvolumes ten behoeve van catechi-
satie en diakenen verrijst het gesloten muurvlak van de toren, "Zon-
der enige poging tot mooi-doen ... , breed, massaal, tot waar even
boven het kleine luchtraampje de torendeling aanvangt"*. (Ds.
Postma in een excursieverslag van het Instituut van Religieuze en
Kerkelijke Kunst van mei 1951.) Hof en torenfront, met de drie zware,
blauwe deuren vormen de inleiding tot wat de essentie van het
gebouw is, een in licht opgeloste ruimte of misschien beter gezegd
een in licht gevangen ruimte. Mr A.J .J. van Rooy schreef daarover in
1953 in Forum: " ... . het interieur werd een ruimte, die op wonderlijke
wijze zichzelf overtreft. Het korte schip, dat alleen aan de nok en
binnen aan de begrenzing van het houten gewelf herkenbaar is, lost
zich naar beneden op in een samenstel van tweewandige hallen met
ritmisch geplaatste kleine vensters, die zelfs hoger komen dan de
daklijst. Het resultaat van al het schuin- op schuin zetten is een
vormenspel van weinig stabiliteit, waarvan merkwaardigerwijs een
weldadige rust uitgaat, ondanks de onzekerheid, die ruimtelijk bele-
den schijnt; er is iets van onbepaaldheid en durende beweging in het
blanke interieur met zijn duizend vensters en de vergelijking dringt
zich op met een long, al schijnt hier het licht van alle dag ingedronken
en gezuiverd weer uitgeperst te worden. In dit volkomen los van het
architectuurboekje hanteren van ruimtelijke effecten tot ze nauwe-
lijks ruimtelijk meer mogen heten, steekt het nieuwe en eigene van
Duintjers werk." Met dit gebouw gaf Duintjer al blijk van zijn onafhan-
kelijkheid en zijn reeds ver ontwikkelde architectonische vakman-
schap. Dat neemt niet weg dat in de Kruiskerk nog enige structurele
dubbelzinnigheden voorkomen, waarvan niet duidelijk is of ze met
opzet zijn ingevoerd, dan wel zijn terug te voeren tot een te complexe
probleemstelling of het gevolg zijn van de verschillende ontwerpvari-
anten. Wat dit laatste betreft spreekt hijzelf in zijn toelichting in het
Bouwkundig Weekblad van 11-18 september 1951 over " .... een
moeizame weg via eerste plan, tweede, derde tot het vierde gebouwde
project." Vast staat ook dat het project niet direct de instemming
verkreeg van de plaatselijke welstandscommissie. Eén van de com-
missieleden - Boeyinga - verklaarde tenminste tegenover zijn collega
en vriend Dick Greiner: "Tja, een vreemd ontwerp, maar hij is er zo
van bezeten, het moet maar worden gebouwd; hij moet het zelf maar
weten"*. Onno Greiner in een bijdrage ter gelegenheid van Duintjer's
70ste verjaardag, december 1978. De eerste besprekingsschets van
augustus 1946 laat een duidelijk door kolommen bepaald midden-
schip zien, dat gewelfvormig is overdekt; hieraan werden zijkapellen
en absiden met een driehoekige plattegrond toegevoegd . De uitwen-
dige vorm is traditioneel, met een opengewerkte toren. Een ongeda-
teerde vervolgschets toont een variant met de kapspanten in het zicht,
en een vrijstaande toren. In de opeenvolgende schetsen nam de toren

46
zeer verschillende vormen aan; zo is nog tot het in 1948 in Forum
gepubliceerde ontwerp bijvoorbeeld sprake van een drielingtoren:
drie met een lessenaarsdakje afgedekte torens van ongelijke hoogte .
Tot in dit plan - overigens al met de vele vensters - leek het ook of
Duintjer onderscheid wilde maken tussen het door de spanten
bepaalde hoofdvolume van het schip en de zijkapellen. Dit werd waar-
schijnlijk nog versterkt doordat de grondslag van de kapellen een
rechthoekige driehoek was. Akoestisch bleek het echter beter, de
hoek van negentig graden te vergroten, en zo is nu in het plan de
geometrie van de regelmatige tienhoek terug te vinden en is het
genoemde onderscheid in het uitgevoerde plan minder, omdat de
wanden van de zijkapellen nu qua richting aansluiting vinden bij de
richtingen van schip en absis. Boeiend zou het zijn geweest indien
deze integratie tussen schip en zijkapellen ook in de doorsnede was
doorgevoerd, waardoor de dakvorm van de zijkapellen in die van het
schip afleesbaar zou zijn geweest. Indien Duintjer in deze richting
heeft gedacht, dan is het denkbaar dat de constructieve problemen in
verband daarmee hem ervan hebben doen afzien .
.
P,
p

•• o 0
o 0 D
Dfl aD
IJ [l IJ

;
'. 'f

.r
,
I. f,
" f ,

;,.,
'1/1'
. " };> " IJ
~
rfJ . rf! . {( Jf
/' 11r 111

:,4 " re j. /1, ~ ft ~ )}7 /1( {ij /1/

48
49
52
Geheel verschillend waren bij de Opstandingskerk de situatie en het
programma . In tegenstelling tot de situatie in Amstelveen, bood die in
de Amsterdamse wijk Bos en Lommer geen enkel houvast. Het bouw-
terrein, eufemistisch Bos en Lommerplein genoemd - typerend voor
een vorm van stedebouw die met bijzondere bebouwing geen raad
weet - was een overgeschoten leegte, waarin elk ruimtelijk aankno-
pingspunt ontbrak.

Duintjer heeft van deze nood een deugd gemaakt. Hij heeft geen
aansluiting gezocht bij iets wat er niet was, noch gedaan alsof, maar
zijn Opstandingskerk tot autonoom middelpunt van de situatie verhe-
ven, een in- en door zichzelf bepaald object dat als een duidelijk
merkteken boven de anonieme omgeving oprijst. Werkend met
niveauverschillen en een verhoogd voorplein, wist hij via het volume
van de kerkzaal een climax te bereiken in de karakteristieke toren, die
trefzeker door de Amsterdammers werd vergeleken met de in die tijd
nog veel gebruikte kolenkit, en dan ook zo werd genoemd.

Ook het programma was complexer dan bij de Kruiskerk. Op het,
ondanks zijn ruimtelijke onbegrensdheid beperkte bouwterrein moes-
ten, naast de kerkruimte met haar annexen, een pastorie en een
wijkcentrum worden ondergebracht. Duintjer heeft duidelijk ge-
streefd naar een vormintegratie van de vier componenten : kerkzaal,
ruimten ten behoeve van het wijkcentrum, toren en pastorie. De
pastorie lijkt daar eigenzinnig buiten te willen blijven en rondgaand
om het complex is de integratie zeker ook niet vanuit elk gezichtspunt
gelukt. Maar vooral uit het noordwesten, westen en zuidwesten
bezien is er een knap, samenhangend en zeer levendig ensemble
ontstaan . De ribben van de hoge, overhoeks geplaatste vensters van
de kerkzaal vinden van daaruit gezien een perfect antwoord in de
gevelstijlen van de laagbouw en die weer in de lichte opbouw van de
pastorie.
Naast alle verschillen is ook hier de functie van het licht voor het
kerkinterieur van fundamentele betekenis. Dit keer niet de tinteling
van 1000 vensters, maar hier overheerst statig, welhaast mystiek
licht, dat uit de hoge ramen met hun wisselende oriëntatie naar
binnen stroomt. In deze kerk demonstreert hij opnieuw zijn architec-
tonisch vakmanschap, maar, in vergelijking met de Kruiskerk, tevens
zijn voortdurend zoeken naar een "eigen" vormentaal, naar een
abstract ruimtelijk programma of. zoals hij het zelf weleens uitdrukte,
naar een "vergeestelijking van de materie in en door de architectuur".
Daarin zou de wetmatigheid van het vanzelfsprekende voorop moeten
staan, zodat niet hoefde te worden teruggegrepen op het acade-
mische cliché; een architectuur ook, die geen ondersteunend betoog
nodig heeft.

53
Wat de rol van het licht betreft was hij daarin al een eind gevorderd,
wat de vormentaal betreft nog niet, althans niet tot eigen tevreden-
heid . Daarvoor was onder meer eerst nog een tweede serie kerken en
wat eraan vooraf ging nodig .
'."""

56
Het aantal opdrachten nam inmiddels toe. Met de Kruiskerk en de
Opstandingskerk had hij naam gemaakt, maar ook met zijn woonhui-
zen, bedrijfsgebouwen, projecten voor de gezondheidszorg en door
het winnen van de besloten prijsvraag voor de Nederlandsche Bank
aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam. Hij nam actief deel aan het
verenigingsleven: aan dat van de Bond van Nederlandse Architecten
BNA en van Architectura et Amicitia en hij was een tijdlang redacteur
van Forum. In 1956 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in
het architectonisch ontwerpen aan de Afdeling der Bouwkunde van
de Technische Hogeschool te Delft, een functie die hij tot 1963
vervulde.

Tot aan het begin van de jaren zestig ontwierp Duintjer nogal wat
industriegebouwen. De Veendamse relaties en die, welke hij tijdens
en direct na de oorlog wist te leggen en te onderhouden, zijn daaraan
niet vreemd. Het merendeel was voor Werkspoor en een aantal van
die projecten deed hij in samenwerking met het architecten- en inge-
nieursbureau G.J . en AJ. Langhout te Amsterdam . De taakverdeling
tussen beide bureau's was duidelijk: Duintjer verzorgde in beginsel de
vormgeving, Langhout de functionele en constructieve aspecten. Het
is de vraag of deze werkwijze hem heeft bevredigd; bij herhaling
pleitte hij immers voor de volledige integratie van functie, constructie
en vorm .

Het ontspanningsgebouw van Werkspoor aan de Oostenburgergracht
te Amsterdam werd op 19 december 1959 met de architectuurprijs
van de stad Amsterdam 1958 bekroond; de prijs werd toen voor de
eerste keer toegekend. Een belangrijke factor voor de toekenning was
de ingangsgevel, waarover de jury het volgende opmerkte:

"De jury is van mening dat door de in 1952 tot stand gebrachte
vernieuwingen van het gebouwencomplex van Werkspoor aan de
Oostenburgergracht een positief resultaat is bereikt dat het inzicht in
de problematiek van nieuw bouwen in de oude stad verheldert. Het
kàn de stad verrijken. De entree, gevat tussen een historische gevel
van grote waarde (gerestaureerd door wijlen architect AA Kok) en
een andere gevel van minder betekenis (doch zeker niet karakterloos)
geeft in de bronskleuringe metalen pui een gelukkige verbinding
tussen beide, zonder enige uitdrukkelijke poging tot aanpassing .... Er
is hier sprake van een werkelijke regeneratie van de bestaande oude
gebouwen, die met de hedendaagse toevoegingen tot een gaaf geheel
zjjn gegroeid dat voorbeeldig is, zowel ten aanzien van de architecto-
nische vormgeving als ten aanzien van het gebruik."
Ondanks het gebrekkige Nederlands waarvan de jury zich meende te
moeten bedienen - zou het daarom zijn dat Wieger Bruin in zijn

57
feestrede ter gelegenheid van de prijstoekenning zo vaak de literatuur
noemde? - zijn haar argumenten wel duidelijk en kan men daarmee
vrede hebben .

Tegelijk moet worden vastgesteld dat de gevel door zijn indeling,
materiaalkeuze en detaillering nu merkwaardig gedateerd overkomt
en dat Duintjer hierin kennelijk nog op zoek was naar een eigen
houding en vorm .

Van een paar jaar later is de Opstandingskerk en uit diezelfde periode
dateert de verbouwing van het kantoorgebouw van Vinke & Co aan de
Amsterdamse de Ruyterkade . Het is een verbouwing zoals er in die tijd
veel in de binnenstad plaatsvonden . De op gang komende economi -
sche groei in het begin van de jaren vijftig maakte reorganisatie en
uitbreiding van bedrijven, die van oudsher in het centrum gevestigd
waren noodzakelijk. De fondsen waren ervoor beschikbaar en de
expansie was toen nog niet zodanig dat dit tot problemen leidde; ook
was de binnenstad toen nog redelijk bereikbaar. Met weinig en
bescheiden middelen, te weten nieuwe wit geschilderde houten tui-
melramen, donkerbruin geolied metselwerk en de karakteristieke, in
staal en glas uitgevoerde, luchtige opbouw van de kantine wist Duint-
jer een resultaat te bereiken, dat tot op dit moment het silhouet van de
stad ter plaatse bepaalt. Het is een sterk gebaar, waarin van geen
aarzeling sprake is en dat dan ook tot de beste van zijn werken uit die
periode kan worden gerekend.

Uit 1957/ 1959 stamt tenslotte het gebouwencomplex van het expe-
ditiebedrijf Jonker te Veendam , bestaande uit een loods en een los
daarvan staande kantine. Merkwaardig is dat beide gebouwen niets
met elkaar uitstaande hebben. In de loods overspannen de lichte
stalen boogspanten in één kloek gebaar de totale ruimte , hetgeen ook
in de gevel duidelijk afleesbaar is. De kantine is in haar vormgeving,
detaillering en materiaalkeuze het tegendeel daarvan en veel minder
overtuigend. In elk geval vormt het complex geen eenheid.
Duintjer zal dat naderhand zeker als zodanig hebben ervaren . Hij was
als geen ander zelfkritisch en gevoelig voor de onvolkomenheden in
zijn eigen werk . In alle projecten uit die tijd is, naast het trefzekere, ook
iets te vinden van aarzeling en onzekerheid en daardoor van
inconsistentie

58
derde periode, de eigen vorm, thema en variaties

59
derde periode, de eigen vorm, thema en variaties

Inmiddels moet hij toen - in de jaren vijftig - via vakliteratuur al
ruimschoots met de Japanse woonhuisarchitectuur in aanraking zijn
gekomen. De vanzelfsprekendheid waarmee constructie, detaillering
en vormgeving in elkaar opgaan en de wetmatigheid van een maat-
voering, gebaseerd op de menselijke maat van de "tatami" moeten
hem zeer hebben aangesproken; maar misschien nog meer was hij
onder de indruk van het altijd onverwachte, zichzelf relativerende en
schilderachtige in de Japanse architectuur. Romantisch van aard als
hij was, bezat hij daarvoor een grote gevoeligheid. Het zou echter nog
enige tijd duren voordat hij zich de beginselen ervan voldoende had
eigen gemaakt en verwerkt had tot een eigen vormentaal, die voor het
ontwerpen operationeel was.

In zijn Delftse oratie op 21 november 1956, getiteld "Bouwen met hart
en ziel", wordt overigens nog met geen woord over de Japanse archi-
tectuur gerept. Wel spreekt hij over de romaanse en gotische archi-
tectuur en hoe ruimtevorm en constructie daarin samengaan, totdat
in de late gotiek de grenzen van het mogelijke worden bereikt. Spre-
kend vooral is zijn verwijzing naar de romaans-gotische toren van
Schildwolde:

"In de vroeg-romaanse en romaanse architectuur .. . zullen we dat
elementair begin van alle monumentale bouwkunst vinden, dat
bestaat in de plastische belichaming van de ruimte-idee in de con-
structie zelf ... . Hier vooral voelen we de eerbied voor de materie en de
liefde, waarmee ze bewerkt wordt; hier voelen we de ernst en de
toewijding van de vakman, die dát maakt waartoe zijn techniek hem
in staat stelt, door deemoedig en haast beschroomd zijn ziel er in uit te
spreken. Wanneer deze diep menselijke houding in een beeld zijn
uitdrukking zou kunnen vinden, dan roept dit bij mij de gedacht aan
een toren op die staat in het Groninger Land - dat land waar misschien
de grootste schat aan bouwkunst van ons land te vinden is in de
romaanse-gotische kerken - ik doel op de toren van Schildwolde. Op
een grondvlak van negen bij negen meter één massale toren tot
vijfentwintig meter hoogte zonder enige geleding, in oranjerode bak-
steen opgetrokken, en afgesloten met een gemetselde spits, welke
opgaat uit de hoeken van vier topgevels tot ruim vijfenveertig meter
hoogte.

In deze vier topgevels bevindt zich een reeks van klimmende spaarnis-
sen, ingeleid door een lager gelegen reeks galmgaten. Deze toren die
op een terp opgericht staat los van de kleine witte kerk, heeft in dit
vlakke land een werking die ik u niet zou kunnen beschrijven - maar
waarvan de eerste indruk is: dit is één enkele opgerichte steen, een
ontzaglijke dolmen, van een oerkracht die wel uit Egypte schijnt te

60
stammen . Eerst dán zult U zich realiseren dat deze immense kolos,
ook nu na zevenhonderd jaren, van een felle maar warm oranje-rode
kleur, in zijn geheel... . moeizaam is opgemetseld; en ook metselwerk
is een zichtbaar brok bouwtechniek. En dan zult U pas gewaar wor-
den, dat er boven in deze kantige steenhoop enkele klimmende nissen
uitgesneden zijn, scherp als met een mes uitgestoken, en het lijkt wel
of daarin pas de mens het woord neemt. In zekere zin zou dit bouw-
werk voor te stellen zijn als één grote constructie, één brok eerbied
voor het materiaal - en daarop de bekroning in de haast bedeesde
architectuuru itspraak welke in de nissen schuilt."

Deze evocatieve tekst is tekenend voor de figuur van Duintjer, is hem -
alhoewel allerminst extravert - ten voeten uit en in hoge mate auto-
biografisch . Uit de tekst spreekt hoezeer de architectonische
transformatie van materie in ruimte en vorm hem boeide en hoeveel
betekenis hij aan de materie toekende; hoezeer hij het ook als pro-
bleem zag om niet alleen bezielde ruimte te ontwerpen, maar daarbij
ook de materie te bezielen of misschien beter gezegd, daarbij de ziel,
die wel aan de materie wordt toegekend, eruit op te wekken. Gevoelig
voor het pure dat in het gewone, alledaagse schuilt, stelde hij dat
probleem in alle bescheidenheid voor zichzelf en in zijn eigen werk.
Dat wil zeggen, dat hij het hoogstens wel eens aan de orde stelde in de
kring van intimi , maar nooit in een openbare discussie . Waarschijnlijk
beschouwde hij het als een particuliere problematiek, die voor ande-
ren niet belangrijk genoeg was om ze daarmee lastig te vallen . Hij zag
zijn voorbeelden in de romaanse en gotische architectuur en in die
van Berlage, maar tevens in het werk van constructeurs. Gezien zijn
aard is het begrijpelijk dat hij aan deze voorbeelden die uit de Japanse
architectuur toevoegde, een architectuur die zo 'n indruk op hem
maakte dat hij de principes ervan tenslotte als leidraad in zijn ont-
werpwerk opnam .

HET HUIS KATSURA
Het huis Katsura wordt wel beschouwd als authentieke representant
van de voor de Japanse architectuur zo belangrijke uit de 17e eeuw
stammende Sukiya-stijl. Die architectuurstijl , ontleend aan het oud-
Japanse theehuis en toegeschreven aan de bekendste theemeester
uit die tijd Sen no Rikyu, wordt gekenmerkt door een elegante een-
voud die Duintjer bijzonder zal hebben aangesproken. Hij was de
voorbeelden ervan vrij vroeg, misschien zelfs al tijdens zijn studie
tegengekomen; anders zijn sommige details uit Borger niet te verkla-
ren . Gaandeweg moet hij zich steeds meer aangetrokken hebben
gevoeld door de vanzelfsprekendhe id van het skelet van gepolijst,
ongeschilderd hout met zijn originele pen - en gatverbindingen, en

61
niet dragende wanden van bamboe, leem met zijn warme tinten, en
luchtige shoji's - wegschuifbare gevelpanelen van hout en doorschij-
nend papier - en fusama's - meestal witte of in lichte kleuren uitge-
voerde schuifwanden. Hij werd geboeid door de geometrische
wetmatigheid en tegelijk grote mate van vrijheid in de plattegronden,
gebaseerd op de tatami van 1,92 x 0,96 m en daarvan afgeleide
kleinste moduul van 0,32 x 0,16 m . Maar bovenal onderging hij de
invloed van de ordening van ruimten, vormpatronen en structuren
binnen de voor deze architectuur zo typerende conceptuële eenheid .

Raadhuis te Landsmeer (1956 - 1968)
Chronologisch is het raadhuis te Landsmeer het eerste werk waarin
de breuk met het eigen verleden en de invloed van de Japanse archi-
tectuur zich duidelijk openbaren . Het gebouw, op de kruising van
Dorpstraat en Raadhuisstraat werd in samenhang met de vrijstaande
conciërgewoning zo gesitueerd dat tegenover de langszijde ervan, op
de hoek van beide straten, een plein ontstond. Daaraan ligt het een-
voudige prismatische bouwvolume met zijn grote vloer en dakover-
stekken en zijn regelmatige stelsel van in- en uitwendig in het zicht
blijvende kolommen en balken van gewapend beton, waartussen
overwegend houten puien met witte plaatvormige borstweringen en
aluminium schuiframen.

Dit even sterke als sobere ordenend beginsel wordt niet verstoord
door de functionele invulling; integendeel, deze is er volledig aan
ondergeschikt gemaakt. Desondanks is er sprake van een zekere
dubbelzinnigheid en net zoals in zijn andere werk laat Duintjer er naar
raden of dit opzet is of toeval. Door het souterrain en de grote over-
stekken kan het gebouw namelijk ook worden gezien als een superpo-
sitie van horizontale vlakken. Daartussen verzorgen de lichte,
terug liggende invullingen, gelijk shoji's, de klimaatscheiding tussen
binnen en buiten, respectievelijk de relatie daartussen. Ook wordt het
gebouw niet aan de langszijde, vanaf het plein ontsloten - wat gezien
zijn ligging aan het plein voor de hand zou liggen - maar aan de korte
zijde. Dit gebeurt door een royale trap, die echter weer loodrecht op de
langsas van het gebouw staat en terzijde van het plein uitkomt.

Ook in dit gebouw speelt het licht een belangrijke, zij het thans een
vooral utilitaire rol. AI dan niet geregeld door de ingebouwde zonne-
schermen, valt het daglicht door de grote gevelpuien naar binnen . De
binnen toegepaste constructies en materialen komen er tot leven,
vooral, via strijklicht, de onbehandelde betonblokken van de vuIwan-
den . Het werk getuigt van een nieuw élan - de Japanners zouden
spreken van sakui - originele creativiteit - en Duintjer demonstreert er
een hernieuwd zelfvertrouwen mee; hij is zeker van de weg die hij wil
gaan .
63
.
1- r;::=
~~
r-- ~
FINAN CI ËN BOEKHOUDING SOC ZA KEN
I--
~ Is
1= f= f=
f-- f--
VEGADERKAMER f-- ~
f-- ~
f= 1= != f= I --" ~

- -
I
I
I
I
f U[J. ~~
I--
=
-=> ~
I--

....
I I-
PANTR
h
b -- ~
e-
- I-- c::=::J
- I-- - f- -I-- ....

I
c:PL • .l

~
I•
.-

1
~ 1_ f- I
- t-
1 I
I
-j-
SECRETARIE GEM. SEC RE TAR IS BUR GERMEESTER

. • •

64
De kerken - de vier
Kort na elkaar ontwierp Duintjer vier Nederlands hervormde kerken,
die in beginsel tot een zelfde type kunnen worden gerekend . Ze
worden wel de bungalowkerken genoemd. Het zijn de Johanneskerk
in Rijswijk, de Thomaskerk in Zeist, de Sionskerk in Arnhem en ten
slotte de Pinksterkerk in Amsterdam-Buitenveldert. De eerste twee
werden in 1959 en 1960 ontworpen en twee jaar later gebouwd,
terwijl de ontwerpen van de laatste twee uit 1962 dateren en 1963 en
1964 hun bouwjaren zijn . Hoofdkenmerk van alle vier is de betrekke-
lijk lage, plat afgedekte bouwmassa van de kerkzaal met haar recht-
hoekige plattegrond en geprononceerde dakoverstekken en de lage
aanbouw met daarin de bijruimten . Verschillend zijn uiteraard de
situering, indeling en het materiaalgebruik.

De Rijswijkse Johanneskerk ligt in een royale, aan één zijde door
water begrensde groenstrook, die rondom is omgeven door woonbe-
bouwing van drie en vier lagen met een kap. In de toelichting bij een
publikatie van deze kerk noemt Duintjerdrie ontwerpuitgangspunten :
- een niet-dominerend karakter van het kerkgebouw in de omgeving,
- een mobiele opstelling van kansel, avondmaalstafel en doopvont,
- de ligging van de bijruimten als inleiding tot de kerk.
De kerk zou volgens hem in de omgeving niet mogen overheersen -
heel anders dus dan in bijvoorbeeld Schildwolde - noch qua bouw-
massa, noch door een te sterk persoonlijk getinte vorm . Ook in het
interieur was zijn streven gericht op een ingehouden ruimtevorm; de
binnenruimte moest niet veel meer zijn dan "een licht-omsluiting,
een aanduiding van de plaats waar de dienst gehouden wordt. In het
diffuse licht van deze binnenruimte is de plaatsing van kansel,
avondmaalstafel, doopvont en de ruimte voor de gemeente verander-
lijk".* Het principe van de bijruimten als inleiding tot de kerk werd
door Duintjer gemotiveerd met een verwijzing naar de plaats van de
kerk in de wereld. De inleiding zou erde bouwkundige uitdrukking van
zijn; geen toegang, maar verbinding van wereld en kerk.

Tenminste zo belangrijk is het ruimtelijk effect van de indirecte bena-
dering van de kerkzaal - buiten en binnen . Dat gebeurt via een aantal
richtingsveranderingen, als gevolg waarvan steeds andere onderde-
len van de kerk in beeld komen : achtereenvolgens de bouwmassa van
de kerkzaal met haar uitkragende spanten en witte vensters, de lage
aanbouw, het groene atrium, het summier door een pergola aange-
duide entreegebied, de entree zelf, de ontmoetingsruimte, door grote
puien opnieuw het atrium, maar nu van binnenuit, en tenslotte het
hoofdmoment, de heldere "lichtontsluiting" van de kerkzaal. Elke
monumentaliteit, elke zweem van symmetrie is aan deze benadering

65
66
67
vreemd. Wel is er sprake van een onnadrukkelijke, maar tegelijk door
haar opeenvolging van taferelen, weloverwogen geleidelijkheid, die
overeenkomsten vertoont met de omtrekkende ontsluitingswijze in de
zeventiende-eeuwse Japanse Sukija-architectuur. Duintjer heeft dus
niet gekozen voor de op het eerste oog misschien meer voor de hand
liggende en zeker meer economische ontsluiting via het atrium . Bij de
gekozen planorganisatie bood de situatie daartoe onvoldoende aan-
knopingspunten en hij zou dan hebben moeten afzien van de in
potentie schilderachtige beeldsequentie, waarvoor hij een grote
gevoeligheid bezat en waar hij in veel van zijn ontwerpen ook naar
streefde.
De door Duintjer ontworpen ruimtelijke afwisseling gaat gepaard met
een planorganisatie van grote directheid en soberheid. Een L-vormig,
laag en eveneens plat afgedekt bouwvolume omvat het groene atrium
en vindt via het lange been aansluiting op de kerkzaal. Aan de brede
hoofdgang, tevens ontmoetingsruimte, en een smalle zijgang liggen
de nevenruimten. De kerkzaal is door een schuifwand deelbaar, zodat,
naar verkiezing, de dienst in een grote of kleine ruimte kan worden
gehouden. In het laatste geval dient het gesloten vlak in de noordoost-
gevel als achtergrond voor het liturgisch centrum. In de ongedeelde
ruimte was eerst voorzien in de plaatsing van kansel, avondmaalstafel
en doopvont voor de lichte noordwestgevel. Daarbij werd echter de
oppervlaktehelderheid van de ramen, bezet met dubbel glas, waartus-
sen glasvlies, onderschat en bleek de noodzaak om de opstelling voor
de gedeelde ruimte als een permanente te aanvaarden . De mobiliteit
van het liturgisch centrum bood toen dus uitkomst.

De gevels vertonen een vergelijkbare sobere opzet als de pIanorgani-
satie. Gesloten vlakken van baksteen metselwerk en glaspuien wisse-
len elkaar af. In de laagbouw zijn de puien van hout, in een
regelmatige verdeling met grote maten, in de kerkzaal van beton in de
karakteristieke vierkantverdeling van ongeveer 0,80 x 0,80 m .

Kenmerkend zijn ook de dakoverstekken met het dunne, plaatvormige
dakvlak en de daarin zichtbare draagconstructie, een thema dat
Duintjer al in zijn allereerste werk, onder andere in Meindersveen,
gebruikte .

Om de alzijdigheid van het overstek te bewerkstelligen veroorloofde
hij zich de vrijheid van het toepassen van spant en halfspant, alsof het
een ruimtelijk en richtingloos systeem was. Evenals in zijn andere
werk benaderde hij daarbij de draagconstructie op een onbevangen
wijze. Hij aanvaardde haar als richtinggevend voor ruimte en vorm .
Maar, wars van dogmatiek, behield hij zich het recht voor om ervan af
te wijken als ruimte en vorm dat naar zijn idee eisten .

68
Johanneskerk te Rijswijk

r-
r- ~
- ~lt.oJ·Mre =. ~ ~ YEtt:&A.tE-=It.UIMTE
I~~ O
r-
Httttil l I
T~~
ONTMCE.'T"' .. _-= . . 'MTE"
l>

...t>MINI!!oT1'tAT'E
. -~ (

I<:Jo.ZlJTWIltVVte~ o=

II
,I
I
~

I

I !

Beganegro nd.

Thomaskerk in Zeist.
Plattegrond Sionskerk.
1. Portaal
2. Kapel
3. Kerkdeur
4. Garderobe
5. Creche-jeugdvereniging
6. Toiletten
7. Vertrek predikant
8. Consistorie
9. Stoelenbergplaats
10. Kerkzaal
11. Gang

Situatie Sionskerk in Arnhem.

8 p 5, lOm
I

7

-----_ ......... ~-------

5 2

70

Achterwand van de Sionskerk.
Plattegrond Thomaskerk .
1. Ingang
2. Garderobe
3. Toiletten
4. Vertrek predikant
5. Administratie en
vergaderruimte
6. Catechisatie
7. Keuken
10 8. Voorhal kerk met tonee/-
zoaltje
9. Club lokaal met toneel
fO. Kerkzaal
11. Galerij

o
- 5 10 m
I

9 8 ~.
111

111
6 5 4

L~_~_~_~_~_~_~_~_~_~_~_~_~_=_=_E_=_~_=_~_=_=_=_~_=_=_~_~_E_=_~
___E_=_=_~__
~_=_~_._E_=_~_'_E_=_3_____
LJ_J_~_~ ___ ~J

o

JULIANA PLEIN

z
""""

D
..J
::>
""
'"""'"z
~
z
CJ
o""
0:

n
Situatie Thomaskerk in Zeist. Interieur van de Thomaskerk.
Zoals veel gebouwen in Zeist, ligt de Thomaskerk rondom vrij . Het gaat
hier om een hoekperceel, waar twee lommerrijke lanen uitkomen op
wat eufemistisch een plein wordt genoemd . Het wat krap bemeten
perceel is aan het eind van twee bouwstroken gelegen, waarop in
hoofdzaak woonhuizen van het type "twee onder één kap" zijn
gebouwd. Desondanks is de situatie, door het groen in de omgeving
en het "plein" op de voorgrond niet benauwd. Het gebouw, bestaande
uit twee loodrecht op elkaar staande rechthoekige prisma's - het
volume van de kerkruimte, twee maal zo hoog als dat van de bijruim-
ten - komt er goed tot zijn recht.

Evenals in Rijswijk vindt de ontsluiting van de kerkzaal plaats via de
nevenruimte, opnieuw als het ware met een omtrekkende beweging
die een steeds wisselend gezicht op het exterieur biedt. Programma
en situatie waren hier beknopter en de af te leggen weg is korter. Ook
verschillend is de ruime hal die als voorportaal van de kerkruimte
fungeert, maar die tevens, in samenhang met het naastgelegen clu-
blokaal met zijn verhoogde vloer, als afzonderlijke gemeentezaal
bruikbaar is; de verhoging dient daarbij als podium .

Hierdoor was binnen een beperkte ruimtelijke opzet niet alleen een
flexibel gebruik van de ruimten mogelijk, maar ontstond - bijzonder
boeiend - ook een wisselende ruimtelijke oriëntatie: via het voorpor-
taal op de kerkzaal of loodrecht daarop, vanuit de gemeentezaal op het
podium. Daarbij speelt het invallende daglicht een belangrijke rol, niet
in het minst door de verschillende kwaliteiten ervan: eenzijdig, onge-
filterd, vanuit het zuiden, in een betrekkelijk lage ruimte, en invallend
aan twee zijden, uit het oosten en westen, door gefigureerd glas, in
een hoge ruimte. De kerkzaal zelf is heel eenvoudig van opzet. Voor-
en achterwand zijn van ruig gepleisterd metselwerk. Als zijwanden
zijn daartussen de hardhouten puien met hun karakteristieke vier-
kantverdeling opgetrokken, waarin opgenomen de stalen kolommen
ter ondersteuning van de vakwerkliggers van het dak. Deze zijn bin-
nen door een gestukadoord plafond aan het oog onttrokken; buiten
nemen zij, in verband met het dakoverstek, de vorm aan van
vollewa nd-consoles.

In een toelichting (BOUW 1965, blz. 1292) - al even sober als het
gebouw zelf - spreekt Duintjer wat cryptisch over "het persoonlijke
van opdracht en ontwerp" dat "ingevoegd in het algemene van de
gewone bouwconstructies van onze tijd en de alledaagse materialen
heeft geleid "tot de vorm van het gebouw". Hij vertrouwde erop dat
een gave invoeging van het persoonlijke in het algemeen-
constructieve wel eens een wonderlijk heldere kerk zou kunnen
opbrengen. "

72
Dat is ze inderdaad geworden: een prachtige, heldere, tot bezinning
opwekkende ruimte . Het is een ruimte die je, even naast de lengte-as
van onder een eenvoudige orgelgalerij uit betreedt. Op de langzaam
naar het podium en liturgisch centrum aflopende, met zwart linoleum
beklede vloer, plaatste Duintjer twee, door een middenpad geschei-
den blokken van zwart gebeitste mahoniehouten banken. Op het
podium verenigde hij kansel, doopvont en avondmaalstafel in één
sierlijk meubel van witte beton. hij kwam hiermee waarschijnlijk
vrijwel letterlijk tegemoet aan de behoefte van de Liturgische Kring
van de Hervormde Kerk aan een ook in architectonische zin ondeel-
bare eenheid tussen woord en sacrementen . Heel weinig middelen
had Duintjer nodig om van zijn kerkzaal een serene "lichtontsluiting"
te maken . Met heel weinig middelen ook gaf hij vorm aan exterieur en
buitenruimte . De twee bouwvolumes sluiten welhaast moeiteloos op
elkaar aan. De gevels zijn aan een sobere en strenge ordening onder-
worpen en de " campanile" op het grasveld van vierkant behakte
basralocuspalen, nietig in verticale projectie, is in een perfecte har-
monie met de twee gebouwdelen . Met dit gebouw schiep Duintjer één
van de hoogtepunten in zijn werk: " een wonderlijk heldere kerk."

Deze mening wordt overigens niet door iedereen gedeeld, zoals blijkt
uit de navolgende tekstgedeelten die door Ds. W.G . Overbosch op 17
maart 1963 voor de radio werden uitgesproken:
" Niet zonder enige aarzeling maak ik een paar opmerkingen over de
nieuwe Hervormde 'Thomaskerk", einde 1962 in gebruik genomen in
het Kerckebosch te Zeist, en in deze gestadig vollopende villabuurt
gebouwd door prof. M .F. Duintjer uit Amsterdam. Deze aarzeling
betreft niet de onbetwistbare verfijning, die er ook ditmaal tot in
kleinigheden gesignaleerd kan worden in het werk van één onzer
bekendste Nederlandse architecten; veeleer heb ik het oog op de
duidelijke omslag, die zich de laatste jaren in het bouwkundig "den-
ken " van prof. Duintjer heeft voltrokken, althans voor zover het de
vormgeving van zijn kerkelijke opdrachten betreft. Een paar van de
meest markante na-oorlogse kerken in ons vaderland zijn door hem
geconcipieerd; ik denk nu aan de Hervormde "Kruiskerk" te Amster-
dam en de enveneens Hervormde "Opstandingskerk" (oftewel " de
Kolenkit") in Amsterdam-Slotermeer. Zijn deze beide echter een dui-
delijke herhaling van (wat ik dan voor het gemak maar even noem) het
" kathedrale type " , de Zeisterkerk die nu onze aandacht vraagt, is
(evenals de wat eerder gereedgekomen Hervormde "Johanneskerk"
te Rijswijk, Z.H.) daarvan vrijwel het uiterste tegendeel. Dat het hier
om een KERK gaat, men zal het wellicht aanstonds vermoeden naar
aanleiding van het in de omringende plantsoenaanleg opgestelde.
" teken " (een uiterst gecompliceerd " kruis" van zware eikenhouten
balken, over de iconografische zin en de liturgische betekenis waar-

73
van nog wel het nodige te zeggen zou zijn), - maar op zichzelf genomen
zou zij een willekeurige aula kunnen zijn van een schoolgebouw of
iets dergelijks. En ook de situering aan de Oranje Nassaulaan is
betrekkelijk willekeurig; er is geen wegenstelsel, dat op dit kerkge-
bouw uitloopt, of een pleinsituatie, waarin een toren als dominant is
gedacht. Zowel in Rijswijk als hier in zeist heeft men de neiging van
een "bungalow des Heren" te spreken, zoals Ds. van der Ham zich bij
de opening van de "Johanneskerk" uitdrukte. Nu hebben bungalows
tegenwoordig niet zelden pretenties genoeg (ze vervangen het
bescheiden buitenhuisje maar ook de duurste villa van een vroegere
generatie), ook al worden ze nog zo quasi-toevallig in hun natuurlijke
omgeving ingebed; maar het wil mij vóórkomen, dat hun benaming in
ieder geval maar ternauwernood met de tabernakel correspondeert,
waardoor in de schrift de tent-idee wordt belichaamd . Een duidelijke
ommezwaai mogenwe dus echt wel vaststellen. Hangtdie samen met
de opdracht der betrokken kerkeraden, in dit geval dus Rijswijk en
Zeist? In Rijswijk hoopte men in ieder geval op een maximum aan
"openheid naar de wereld", in Zeist geeft de benaming "Thomaskerk"
ons een vingerwijzing, - "Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp!"
Maar kan men zulke gevoeldens van "randkerkelijkheid" in de kerk-
bouw eigenlijk wel tot uitdrukking brengen? En als de opdrachtgevers
dan al niet tot klaarheid kunnen komen, - is het niet de taak van de
architect, al tekenend en ontwerpend, te laten zien, dat er zo minstens
een onduidelijke ingangspartij ontstaat, die niet recht bij het, dan toch
noodzakelijk belijnde hoofdgebouw wil passen? Het lijkt mij typerend,
dat de "Thomaskerk", bij wijze van spreken, zo maar ergens begint,
met een houten afdak en een dus wat gecamoufleerde toegangsdeur,
die in de eerste aanleg tot en door de nevenruimten leidt. Van het
nadrukkelijk voorplein in Amstelveen of de brede statietrap in Sloter-
meer is dan niet veel meer overgebleven. Moeten we intussen, in een
kerk binnengaande, niet juist weten, waar we aan toe zijn en welke
drempel we dus overschrijden?
De eigenlijke kerkruimte betreedt u vanuit de ontmoetingshal naar
rechts, een opzet, die met de Rijswijkse geheel correspondeert: deze
ruimte is dus ondergebracht in een tweede bouwblok, haaks op het
eerste, zodat er als totaal-plattegrond een hoofdletter L is ontstaan,
waarvan de horizontale streep dik is aangezet. Door een paar wijd-
openzwaaiende deuren komen we onder een orgelbalconnetje bin-
nen en staan dan in een lichte zaal, van bijzonder evenwichtige
afmetingen. De rechthoekige ruimte is vlak afgedekt en aan de voor-
zijde volkomen gesloten, zodat de kerkganger tegen een (in drie vlak-
ken verdeeld) witgrijs pleisterwerk aankijkt; aan de beide zijkanten
echter ervaart hij over de volle hoogte en breedte de buitenwereld, die
door het (niet helemaal blanke) glas een weinig vertekend, niettemin
zichtbaar is door telkens 7 x 9 vierkante ruitjes, ingezet in aan beide

74
zijden zes grote vlakken tussen de betonspanten, waarmee de gehele
constructie op een eenvoudige wijze overeind gehouden wordt. In
totaal zijn er dus 756 ruitjes, die juist genoeg bescherming geven
opdat men zich binnen wete, tegelijkertijd echter iedere beslotenheid
opheffen en daarmee bij de mogelijkheid tot concentratie wel een
vraagteken zetten.
Nog helemaal afgezien van de, altijd weer moeilijk op te lossen en
intrigerende, kwestie van licht en belichting, - daarmee is andermaal
aangetoond, dat naar de kerk gaan het zich begeven naar een gekwali-
ficeerde ruimte betekent. Wij moeten niet in het ongewisse gelaten
worden, voor wèlke ontmoeting het kergebouw is bedoeld. En dat
dreigt steeds wéér te gebeuren, waar men de knopen niet duidelijk
doorhakt en dan ook werkelijk voor de (uiteraard tijdelijke, namelijk
voor de liturgische tijd bedoelde) afzondering heeft gekozen; Mijn
kerkgang bezegelt een roeping, waardoor ik even later juist ook als
gemeentelid des te vrijmoediger tot en in de wereld kan terugkeren. -
Daarmee is niet gezegd, dat bijvoorbeeld het aan de buitenzijde van de
afsluitende glaswanden laten uitsteken van de dagkdraagbalken, die
de gememoreerde betonstaanders zowel in Zeist als in Rijswijk met
elkander verbinden, geen interessante constructiedetails opgeleverd
zou hebben. Het in-het-gezicht-Iaten van deze balken levert rondom
de beide kerkgebouwen, die onze aandacht hebben, een soort luifel
op, die de "tent-idee" tot op zekere hoogte welsprekend belichaamt.
Maar een opvatting van het kerkgebouw als weinig-méér dan een
behoorlijke schuilplaats tegen regen en wind is daarmee nog niet
gelegitimeerd . Tenslotte moet ik wat zeggen over de liturgische vin-
gerwijzingen, die er in de "Thomaskerk" worden gegeven. Stelt u zich
voor, dat het overgrote deel van de Zeister kerkruimte wordt ingeno-
men door twee bankenblokken, waartussen een opgangspad even ter
linker zijde van de as naar voren loopt: de hoek rechsvóór de eenmaal
gezeten gemeente moet u zich dan drie treden verhoogd voorstellen,
terwijl links aan de voorzijde helaas niet een orgel staat opgesteld,
waarvoor hier uitstekend plaats geweest zou zijn, maar nog een 36-tal
losse stoelen, eveneens op het genoemde podium gericht, en dus
haaks op het kleinste bankenblok. Op het podium is echter ..... géén
kansel te vinden, en eigenlijk is er al evenmin een doopvont of een
avondsmaaltafel, al zat het combinatie-meubel, dat dit alles vervangt
(overigens is het, anders dan in Rijswijk, waar alles verplaatst kan
worden, in de láátste plaats mobiel!) toch wel voornamelijk de indruk
wekken van een tafel, of eerder nog een altaar. Een groot en massief
betonnen blad rust op een betrekkelijk kleine betonnen poot, waar-
over het ter ener zijde veel verder uitsteekt dan ter anderer.
Op dat tafelblad kreeg juist boven het voetstuk een oude statenbijbel
zijn plaats (waar men in de kerkdienst de facto ter nauwernood uit zal
kunnen lezen, zodat de toevoeging van andere bijbels en boeken

75
76
78
Plattegronc1

1 voorhof
2 portaal
3 garderobe
4 keuken
5 catechisatie
6 voorhal kerk/toneelzaaltje
7 k erkeraadskamer/
toneel podium
8 kamer dominee
9 kinderkerk/hobbyruimte
10 kerk
11 teken
12 carillon

il

Dwarsdoorsnede Langsdoorsnede
noodzakelijk wordt) en dáár wordt dan ook de zondagse preek gehou-
den; links staat een wijde schaal van ceramiek, die als doopvont is
bedoeld, rechts is een stenen kruik neergezet met twee bekers en een
broodschaal, - voortdurend aanwezige representanten van het avond-
maalsgereedschap, dat in de pottebakkersoven zijn fraaie vormen
kreeg. Avondmaal-vieren denkt men op zijn Schots te doen, dat wil
zegen zittend op de eigen plaats in de banken, terwijl brood en wijn
worden rondgegeven. Ik ga hier niet herhalen, dat ik daar overwe-
gende bezwaren tegen heb: de daad van het opstaan en de kring van
de "circumstances" acht ik wezenlijk voor de vormgeving van de
avondmaalsviering. Ik zet ook niet opnieuw de mijn inziens noodzake-
lijke vraagtekens bij het symbolische gereedschap buiten gebruik, dat
verwachtingen wekt, die niet gehonoreerd zullen worden. Eerder
vraag ik mij af, of dit allesomvattende meubel nu de ideale expressie is
van wat de Liturgische Kring in de Nederlands hervormde Kerk des-
tijds pousseerde, namelijk dat het Woord en de sacramenten zo nauw
mogelijk met elkander moesten worden verbonden en zich zelfs archi-
tectonisch als een ondeelbaar geheel moesten vóórdoen . Ik heb het
nooit eerder zo gezien, en ik wik graag toegeven: uit een oogpunt van
aestetica is het feilloos. De eens-voor-al-vastgelegde verhoudingen,
waar geen koster aan knoeien en geen dominee aan wrikken kan; de
welhaast geraffineerde kleurcombinatie van het donkerbruine aarde-
werk op de witgeschilderde betonragel tegen een grijze achtergrond, -
het is perfect, zou men willen zeggen . Maar juist in die
onwrikbaarheid vind ik het eigenlijk te mooi , - nog afgezien van de
vraag, of men een doopvont wel op de avondsmaaltafel kan zetten.
Kort en goed: kan het samenzijn van de gemeente hier nog wel
spelvormen aannemen, kunnen we ons wel ongegeneerd genoeg
bewegen, - en als dat niet het geval is, hebben we ons dan niet in een
stilisering geschikt, die de artistieke gevoelens van het ogenblik bij-
zonder bevredigt, maar een volgende generatie misschien juist irri-
teert? "Het is ook nooit goed", zult u zeggen, feliciteer Ds. Groeneboer
nu en de Zeister Gemeente, want ze hebben er een in hoge mate
bruikbaar huis bij gekregen . Daar verheug ik mij dan ook hartelijk
over: het moet een féést zijn, in de grote pul op het liturgisch podium
wekelijks een bouquet te schikken, de acoustiek lijkt uitstekend voor
de gemeentezang, in één woord, als het overal uitviel zoals hier,
zouden we de discussie op een heel ander niveau kunnen voortzetten
dan ze meestal moet worden gevoerd . Maar ..... mijn aarzelingen heb
ik niet kunnen overwinnen, zoals ik u al zei . AI hoop ik ten zeerste, dat
ik daarmee in het ongelijk gesteld wordt.

Kerk en woord vertegenwoordigen hier kennelijk twee opvattingen . In
het woord van DS. Overbosch herkennen we de opvatting van de

80
ingewijde in een kerkelijke traditie, in Duintjers kerk diens zoeken
naar een vorm, waarin religie ook op een ander abstractie-niveau
mogelijk wordt. En wie er gelijk heeft .... ?

Hoewel er in principe dezelfde componenten in worden aangetroffen,
onderscheidt de Arnhemse Sionskerk zich binnen het type sterk van
haar twee voorgangers en van haar opvolger. Dat geldt voor het hele
scala van situatie, programma en planorganisatie en vorm en materi-
aalkeuze. Gelijk aan de Johanneskerk zijn het hoger opgaande bouw-
volume van de kerkzaal en de aanliggende lage, L-vormige aanbouw
met de nevenruimten. Verschillend zijn echter de in de situtatie optre-
dende hoogteverschillen en de hoekverdraaiing, terwijl het gebouw
ook niet vrij ligt zoals in Rijswijk en Zeist en naderhand in Amsterdam-
Buitenveldert.
Bovendien vindt de benadering van de kerkzaal niet via de hoek van de
L plaats, maar juist loodrecht op het staande been ervan, via het min of
meer ingesloten kerkpleintje. Het hoogteverschil tussen straat en
kerkingang wordt overbrugd door een vrij brede trap, die met drie
korte armen naar dat verhoogde kerkpleintje leidt. Het wordt door de
korte zijde van de kerkzaal en twee gevels van de laagbouw begrensd;
aan de open zijde van de kerkzaal en twee gevels van de laagbouw
begrends; aan de open zijde biedt het uitzicht over de stad . Vanaf het
pleintje komt men in de laagbouw binnen, dwars op een gang, die
links naar de garderobe en een ruimtelijke verwijding voert en rechts
naar de kerkzaal.
De zaal wordt via de scherpe hoek van de gang door een drietal deuren
overhoeks betreden .

Uit de plattegrond is duidelijk afleesbaar dat Duintjer met het pro-
bleem van deze ingang, die onder meer het gevolg is van de hoekver-
draaiing in de situatie, heeft geworsteld. Doordat hij er te weinig
ruimte voor vrijmaakte, slaagde hij er niet in om een bevredigende
vorm te geven aan de voorruimte van de zaal en de toegang daartoe.
De ontmoetingen van volumes en ruimten missen hier de nodige
vanzelfsprekendheid. Ze leiden eerder tot een aantasting van de op
zichzelf staande ruimte, dan tot een nieuwe ruimtelijke eenheid. Dat
wordt niet verholpen door de ontegenzeggelijk fijne detaillering van
puien en dakranden en ook niet door de plastische behandeling van de
zaalwanden met behulp van gasbetonblokken .

Een nieuw element in het programma is de kleine kapel, die apart
vanaf het pleintje toegankelijk is. Duintjer maakte er een e-envoudige
rechthoekige ruimte van, waarin het daglicht alleen via daklichten
toetreedt. Met eveneens in relief behandelde wanden van gasbeton-
blokken, een vloer van granietkeitjes, een houten plafond en de iets

81
excentrisch en kruislings geplaatste houten dakbalken ontstond hier
een wijdingsvolle ruimte, waarin meditatie en gebed niet moeilijk
vallen. Duintjer ging hier, in tegenstelling tot de kerk, trefzeker te werk
en hij toonde eens te meer aan, met heel weinig middelen prachtige
ruimten te kunnen ontwerpen .

In de Amsterdamse wijk Buitenveldert voorzag het stedebouwkundig
plan, langs één van de secundaire structuurelementen - de Van
Boshuizenstraat - in enige door woningbouw omzoomde terreinen
voor bijzondere bebouwing . Een van die terreinen werd toegewezen
aan de Nederlands Hervormde gemeente en Duintjer ontwierp er zijn
Pinksterkerk, de laatste van het kwartet.

Het totale bouwvolume is in verhouding tot het bouwterrein aan de
kleine kant en het lijkt erop alsof Duintjer bij het situeren naar houvas-
ten heeft gezocht. zonder daarin echt te slagen. Dat zou althans de
verklaring kunnen zijn voor de ten opzichte van elkaar verschoven
kerkzaal, lage aanbouwen open voorhof, welke laatste bovendien op
de straathoek is georiënteerd. Als contrapunt is net als in Zeist. - maar
ditmaal uitgevoerd in profielstaal, - een vrijstaand kruisvormig teken
aanwezig . Overigens komt door deze ligging het karakter van het
gebouw vooral aan de zuidoostzijde goed tot zijn recht.

De opbouw volgt. met variaties, het inmiddels beproefde recept. De
nevenruimten liggen, nu L-vormig, direct tegen het volume van de
kerkzaal aan en de benadering van de zaal vindt plaats via een diago-
nale of een als het ware halve krukasvormige beweging : door de
voorhof. van links naar rechts, waar zich het ingangsportaal bevindt
en vervolgens weer door de voorruimte van de kerkzaal naar rechts,
door de drie deuren van de zaal zelf die deze aan de linkerkant
ontsluiten.

De kerkruimte is het treffende bewijs hoe Duintjer in staat was met
licht een ruimte tot leven te brengen en hoe hij daarin materiaal en
detaillering een bezielende rol wist te laten vervullen. Het platte, aan
alle zijden overstekende dak, aan de onderzijde afgewerkt met een
plafond van houten delen , rust op stalen vakwerkspanten die binnen
en buiten, evenals de loodrecht op de spantrichting staande consoles,
in het zicht zijn gebleven . Tussen deze spanten en consoles, die op
hun beurt weer op stalen kolommen rusten , bevindt zich een rond-
gaande strook glas, die de rankheid van de constructie goed doet
uitkomen . Hieronder is het skelet dichtgezet met metselwerk of puien,
onderverdeeld in de karakteristieke vierkanten. Zoals men industriële
projecten bouwt, bouwde Duintjer een kerk; met heel sobere midde-
len: een stalen skelet, een plat dak en dichte en open gevelvullingen.

82
Het adagium "Iess is more" zou hiervan toepassing kunnen zijn, ware
het niet dat waar Mies van der Rohe in zijn perfectionisme ophield,
Duintjer daarmee niet wenste te volstaan en doorging met
vormgeven.

Zo dikte hij plaatselijk het kozijnhout op met ribben van verschillende
lengte en in één of twee lagen. In de puien levert dit overhoeks
gezien, een boeiend spel op van licht en schaduw, terwijl deze vari-
ërende opdikking mede aan de sprankelende lichtkwaliteit van de
ruimte ten grondslag ligt. Deze is, afgezien van de bovenlichten, en de
puiverdeling ook het gevolg van de plaatsing van de puien : in de
oostgevel drie kolomvakken, in de zuidgevel één, in de westgevel
twee, terwijl éénderde van de achterwand van het liturgisch centrum
open is en tweederde gesloten .

De inrichting is opnieuw heel sober. Op de nar het podium aflopende
kwartsietvloer staan mahoniehouten banken, die door een excen-
trisch middenpad in twee blokken zijn verdeeld. In het liturgisch
centrum wordt de avondmaalstafel. eveneens met kwartsietplaten
bekleed, geflankeerd door een kansel en een doopvont van witte
beton. Daar tegenover, aan de ingangsijzde van de zaal, bevindt zich
een orgelbalkon met een balustrade waarin het vierkantmotief van de
puien terugkeert.

Binnen het door hemzelf ontwikkelde gebouwtype wist Duintjer
vooral in zijn kerken in Zeist en Amsterdam-Buitenveldert een archi-
tectonisch hoge kwaliteit te bereiken .

83
HOOfDBANK
, VAN " DE,
NIEDlEllUAND
SClHlE RANK
AMIS1rIEJRDA]v'~

:-;CHAAL I : loOt)
ARC HI TECT
.~\. F . DUI:-':TJER
MEDEWERKER
P H GUEDE
1 955

S Rl' UAl'K[

84
De Nederlandse Bank

In het begin van de jaren vijftig was Duintjer als architect al zo bekend,
dat het begrijpelijk is dat hij door de directie van de Nederlandsche
Bank, samen met zes collega's werd uitgenodigd voor de meervoudige
opdracht voor de nieuwe hoofdbank aan de Oude Turfmarkt in
Amsterdam . Deze zou het conglomeraat van oude gebouwen ter
plaatse, waarin een efficiënte bedrijfsvoering steeds moeilijker werd,
moeten vervangen. Reden voor de meervoudige opdracht was dat het
de directie gewenst voorkwam "om voor deze zeer belangrijke plaats
in het hart van de stad zich niet te bepalen tot voorstellen van de
architect, die regelmatig voor haar werkt, doch dat daarnaast ook
anderen in de gelegenheid zouden moeten worden gesteld hun visie
op het zeer moeilijke probleem te geven."

De vestiging in de Amsterdamse binnenstad dateert van 1B14toen de
Nederlandsche Bank van het rijk twee panden aan de Oude Turfmarkt
in bruikleen kreeg. Dat aantal groeide tot vijf in 1864. In het daarop-
volgende jaar gaf de directie van de bank aan de architect Froger de
opdracht voor een totale verbouwing van de panden. Alvorens aan het
werk te gaan reisde Froger, op kosten van de bank, door Europa om
voorbeelden te bezichtigen en inspiratie op te doen . In 1868 was het
gebouw gereed en bood het huisvesting aan 75 beambten, een getal
dat volgens de plannen van Froger tot het dubbele kon uitgroeien. Dit
bood slechts tot het begin van deze eeuw soelaas en opnieuwwas de
directie genoodzaakt naar uitbreiding te zoeken . Maar nu werd zij in
deze plannen gedwarsboomd doordat het naastgelegen Binnengast-
huis ook behoefte had aan uitbreiding en de gemeente niet toestond
dat de uitbreiding van de Nederlandsche Bank ten koste zou gaan van
de uitbreidingsmogelijkheden van het Binnengasthuis. Vanaf dat
moment was er sprake van grondruil : de Oude Turfmarkt voor een
andere situatie in de binnenstad. Zo werd een plan ontwikkeld voor
een situatie aan de Spuistraat, dat echter wegens de kosten geen
doorgang vond . Terwijl het gesprek met de gemeente over grondruil
doorging, breidde de bank inmiddels haar bezit langs de Turfmarkt en
Nieuwe Doelenstraat verder uit en na het intermezzo van de Tweede
Wereldoorlog werd aan de nieuwbouwplannen op eigen terrein dan
ook nieuw leven ingeblazen. In 1948 nodigde de directie prof. Zwiers
uit om samen met de technische staf van de bank een studie te
verrichten naar de mogelijkheden om op het terrein langs Oude Turf-
markt en Nieuwe Doelenstraat een nieuw bankgebouw te bouwen.
De studiegroep kwam tot de conclusie dat een nieuw bankgebouw
met een voor de situatie aanvaardbare hoogte mogelijk was, mits een
gedeelte van het Binnengasthuisterrein kon worden bebouwd. Toen
tenslotte de laatste reële mogelijkheid tot grondruil verviel, omdat het
Frederiksplein, sinds het niet meer als stadhuisterrein in aanmerking
kwam, voor de opera werd bestemd, lag het voor de hand dat met

85
hernieuwde energie aan de plannen voor de bestaande situatie werd
gewerkt. Wegens gebrek aan alternatief bleef de gemeente we inig
anders over dan in principe met deze plannen in te stemmen. Wel
stelde ze daarbij de volgende voorwaarde :
- In verband met de verbreding van de rijweg ten behoeve van het
gemotoriseerd verkeer dienden de rooilijnen langs Oude Turfmarkt
en Nieuwe Doelenstraat te worden teruggelegd .

Kennelijk zag ze daarbij een aantal monumentale panden aan de
Oude Turfmarkt over het hoofd, waaronder het uit 1642 daterende
door Philippe Vingboons ontworpen woonhuis met zijn fraaie hoge
halsgevel. Toen de gemeente, tot inzicht gekomen , later op deze
voorwaarde terugkwam, weigerde de bank haar plannen vervolgens
aan te passen. Tekenend voor de opvattingen van althans een deel
van de architectengemeenschap uit die tijd, was het commentaar van
de toenmalige Forumredactie die de directie van de bank in haar
weigering steunde: " Men moet zich afvragen wat verloren gaat en
wat er voor in de plaats komt. Van alle voor het nieuwe bankplan te
slopen gebouwen betekenen drie gevels aan de Oude Turfmarkt een
wezenlijk architectonisch verlies, terwijl het andere lelijk of middel-
matig is. Het zou een miskenning van de rangorde zijn om twee
woonhuizen en een pakhuis te willen sparen voor de hoofdzetel van
de Nederlandsche Bank. Gelukkig is de Directie op deze wens van de
Gemeente dan ook niet ingegaan. "

Andere voorwaarden van de gemeente luidden :

- Er diende rekening te worden gehouden met een nieuwe weg die de
Grimburgwal met de Kloveniersburgwal zou verbinden , uitkomend
tegenover de ophaalbrug van de Staalstraat.

- In verband met de continuïteit van de gevelwand ter plaatse zou de
Grimburgwal in het verlengde van de Oude Turfmarkt moeten wor-
den overbouwd .

Wat deze voorwaarde betrof liet de directie zich leiden door het inzicht
van de architecten.

In 1954 werden zeven architecten, te weten prof. ir J .F. Berghoef,
W.M. Oudok, M.F. Duintjer, Joh. H. Groenewegen, prof. ir F.P.J .
Peutz, prof. ir C. Wegener Sleeswijk en prof. ir H.T. Zwiers voor de
meervoudige opdracht uitgenodigd. Aan deze opdracht lag een pro-
gramma van eisen ten grondslag , waarin ondermeer het volgende
was opgenomen: " ... .. De kern van de oude stad zal door dit gebouw,
dat in afmetingen tot de belangrijkste van de stad zal gaan behoren,

86
..... Cll.\ .-\l. L2HI)
.\ J.I: (' J! J T F. I'T
, , .\\. F . DUI~T JEh:
.\lElJE""E I~"(': ~
: : I-' I1 ( i ( ) ,.: lIL
, , J 1..1 ')')

:r
'\ ~~ ~
, '-
: " . '\

"\ " JE JE S

87
88
\ \
\
\
" ',,,', 1(H. ' : 1'. 1. 1)0. -

14, ~~i/,TIHt:;~
A R C H ' l ' .: CT
IK ..~, ou, Nl' , J, K
"'I<: DY.WJ: J<t.:. E W'
P . JI . G 0 E IJ f .

'957

ca., J_I,nlU.-
• au
......
Io.Ifi."'
t 200
.
" A f' U I T L ( " T
'" ,.. OU''''Tjl:.
!lil' ,\ ••r.
f'"
'I;..,,~.
0 1:. D I'
J9~.7
sterk worden beïnvloed . De uitvoering zal in etappen dienen te
geschieden hetgeen noodzakelijk is in verband met de geleidelijke
ontruiming en verwijdering van de bestaande gebouwen : de opzet van
de planindeling zal hierdoor sterk worden beïnvloed. Het is de uitdruk-
kelijke wens van de Directie, dat de architectonische opzet van het
nieuwe gebouw de karakteristieke sfeer van de oude kern van de stad
niet zal verstoren en zo mogelijk nieuwe schoonheid aan de oude
luister zal toevoegen. Deze opdracht vereist van de ontwerper ener-
zijds een terugtreden ten opzichte van het aanwezige, anderzijds een
kunstzinnige visie om het levende stadsbeeld te verrijken. Tevens zal
de planindeling een efficiënte ontwikkeling van een modern bankge-
bouw moeten waarborgen ..... Uit de aard van het gegeven zal het
gebouw zowel met de schaal en het karakter van het Rokin als metdie
van de Burgwallen moeten harmoniëren." Ongeveer zes weken na
toezending van het programma van eisen volgde een bespreking met
alle architecten, waarin deze nadere inlichtingen konden vragen; van
deze bespreking werd een verslag gemaakt, dat geacht werd een
onderdeel van het programma te zijn . Na negen maanden moesten de
plannen bij de bankdirectie worden ingediend, die zich in haar beoor-
deling liet bijstaan door een commissie, bestaande uit prof. Wieger
Bruin, ir G. Friedhoff, ir A.R . Hulshoff en ir N.E. Servatius, hoofd van
de technische adviesafdeling van de bank (secretaris). Met uitzonde-
ring van prof. Peutz dienden allen een plan in .

In de beoordelingscommissie bestond een voorkeur voor het plan van
Duintjer. De directie achtte echter geen van de plannen zonder meer
voor uivoering geschikt en daarom werd besloten de architecten in de
gelegenheid te stellen om hun projecten te herzien. Dit was mede
gewenst omdat de eisen van de directie in het tijdsverloop tussen het
opmaken van het prijsvraagprogramma en de indiening van het
beoordelingsrapport nogal waren gewijzigd en het gebouw in zijn
uiteindelijke vorm onder andere kleiner zou kunnen worden . Duintjer,
inmiddels aan de Technische Hogeschool te Delft benoemd tot buiten-
gewoon hoogleraar, Wegener Sleeswijk en Zwiers maakten van deze
mogelijkheid gebruik.

Het plan dat Duintjer vervolgens indiende week niet wezenlijk af van
dat uit de eerste ronde. In zijn toelichting schreef hij : "De gedachte
algemene indeling zal uit de ingediende plannen duidelijk zijn. De
banktechnische opzet van dit plan is, behoudens enige kleinere orga-
nisatorische veranderingen, ongewijzigd gebleven .... . De gesloten
ellipsvormige hof van het eerste plan is nu gewijzigd in een plein,
hetwelk zich opent naar de binnenstad en de universiteit." Het com-
mentaar van de beoordelingscommissie, waarvan de leden Friedhoff
en Hulshoff waren vervangen door ir H. Hoekstra, ir D. Roosenburg en
ir A.J. van der Steur, was lovend. Het luidde als volgt:

92

- - - - - - - - - --
Situering en hoofdopzet

Het is juist. dat de architect het terrein volgens een eenvoudige
rooilijn heeft bebouwd . Wel zijn de door de Gemeente gegeven rooilij-
nen overschreden, maar dit leidt tot een aanzienlijke verbetering van
het stedebouwkundige beeld. De totaalindruk van het plan is overtui-
gend. Door de hoofdopzet is de ontwerper erin geslaagd de hoogte van
het gebouw te beperken tot l8m met enkele bekronende hogere
elementen . Het bouwwerk blijft hierdoor lager dan het Hotel " De
I'Europe" en voegt zich in dit opzicht goed in de omgeving. Voor deze
relatief lage bebouwing is op zeer gelukkige wijze een verticale kolom
geïntroduceerd op een gunstige plaats op de Oude Turfmarkt. in
schaal vergelijkbaar met de Munttoren . Het plan vertoont in zijn
stedebouwkundige opzet waardevolle suggesties die ingrijpen in de
ruimtelijke situatie van de omgeving . Hierdoor wordt aan de zijde van
de O.z. Voorburgwal een boeiende ru imtewerking verkregen. Het
goede gebruik van boombeplanting mag hierbij worden gesignaleerd ..

Indeling van het gebouw

Het plan is vanzelfsprekend groot gezien, groot gedacht en met mees-
terschap behandeld door de eenvoud waarmede het gecompliceerde
gegeven tot oplossing is gebracht. Functioneel zijn tegen de indeling
geen ernstige bezwaren in te brengen. De afzonderlijke toegang voor
de Directie is niet op de juiste wijze van het publiek gescheiden . De
woningen zijn aanvechtbaar gesitueerd. De parkeerruimte onder de
Oude Turfmarkt - een waardevolle gedachte - is uit het eerste ontwerp
overgenomen . In de derde fase wordt de definitieve parkeerruimte
verwezenlijkt, waardoor de garage onder de Turfmarkt zou kunnen
worden afgestoten en de stad ten goede komen .

Architectuur

Door gebruik te maken van de gebogen rooilijn is de architect erin
geslaagd een grote ongebroken bouwmassa te realiseren , die zich
niettemin wat schaal betreft in het stadsbeeld voegt. Door de tactvolle
invoeging van enkele sprekende motieven, de hoofdingang, de zuil, de
zeer interessante golvende luchtl ijn, die bereikt is zonder enig onor-
ganisch kunstmiddel door de afdekking zelf, is een overtuigend geheel
verkregen . Het begrip bankgebouw is op nieuwe wijze tot verschijning
gebracht; een hoog gesloten plint met een open bovenbouw. Een in
Amsterdam veel voorkomend motief - afnemende verdiepinghoogte -
is op fraaie wijze toegepast. Het hoog gesloten plint is suggestief en
heeft een sterk karakter. Het brengt de degelijkheid en het gesloten

93
karakter van het bankbedrijf tot uiting . De lichte golving van het
straatpeil tekent zich tegen het vlakke, gesloten plint duidelijk af. In de
totale compositie is dit een levendig en typisch Amsterdams element.
Bij de op twee zware kolommen rustende overbouwing van de afslui-
ting van de binnenplaats aan de zijde van de Burgwallen is naar de
mening der commissie de juiste schaal niet getroffen. De oplossing
van de binnenplaatsgevel, in het bijzonder voor de benedenverdie-
ping, en de aansluiting van de overbouwing aan de hoofdmassa van
het bankgebouw zouden nadere bestudering vereisen."

De commissie kwam vervolgens eenstemmig tot de conclusie, "dat
het ontwerp Duintjer in alle opzichten boven de beide andere uit-
steekt. Bovendien is zij van oordeel, dat het ontwerp Duintjer ook in
absolute zin, èn in ruimtelijke ontwikkeling èn in architectonische
vormgeving, van ongemeen hoge kwaliteit is en, uitgevoerd, niet
alleen een waardige huisvesting zou betekenen voor de Nederland-
sche Bank maar tevens een aanwinst voor de stad Amsterdam . Onze
commissie beveelt Uw Directie met overtuiging aan, op de grondslag
van dit voorontwerp, de opdracht voor het maken van een definitief
ontwerp voor de nieuwe Hoofdbank te verlenen aan Prof. M. F.
Duintjer."

Lang niet iedereen was deze mening toegedaan . Zo schreef de Bond
Heemschut in 1957 in zijn blad ondermeer: " .... . De tegenzin welke bij
de burgerij bleek tegen het stichten van een gebouw van de gewenste
omvang aan de Oude Turfmarkt was groot. Het was Burgemeester
van Hall, die direct na zijn ambtsaanvaarding een poging deed, om uit
de hachelijke impasse te komen waarin deze kwestie geraakt was,
door het voorstel te doen de directie van de Nederlandsche Bank een
ander terrein aan te bieden, elders in de stad. Naar bekend werd, bleek
de directie inderdaad bereid tot nader overleg en wel in het bijzonder
over de vestiging op de plaats welke de gemeenteraad van Amster-
dam reeds bestemd had voor de Opera, nl. het Frederiksplein. In dat
stadium verkeren wij thans, op het ogenblik dat de bestedingsbeper-
king haar kille greep op de gehele Nederlandse samenleving heeft
gelegd en de uitvoering van a: dergelijke plannen in een vaag ver-
schiet heeft gezet .... . Wij zijn ..... geen voorstander van een nieuw
hoofdgebouw van de gewenste omvang (gehele Oude Turfmarkt,
Grimburgwal,O.Z. Achterburgwal en Kloveniersburgwal tot Oude-
manhuispoort en Nieuwe Doelenstraat) aan de Oude Turfmarkt. Her-
haaldelijk hebben wij en met ons het Koninklijk Oudheidkundig
Genootschap, het Genootschap Amstelodamum, en de Vereniging
Hendrick de Keyser tot uiting gebracht, dat de binnenstad levend en
karaktervol moet worden gehouden en dat dit ons inziens slechts te
bereiken is door de aloude woonfunctie daarvan te bevorderen . De

94
ongelukkige city-vorming die tot dode straat- en pleinwanden leidt,
dan wel tot openluchtgarages, moet vermeden en afgewend worden,
men denke aan de troosteloze leegte der straten na kantoortijd, des
avonds en zaterdags en zondags ..... In ons gezamenlijk antwoord op
de Nota - binnenstad ... .. is dit omstandig betoogd ..... .
Het is daarom dat wij burgemeester Van Hall's voorstel met vreugde
begroeten. Wel achten wij het Frederiksplein een ideale plaats voor de
Opera, zowel om ligging, als ruimte die de ontwerper gelegenheid
biedt een "eigentijds" monument te scheppen, zonder in conflict te
komen met het bestaande stadsschoon, als om de verkeers- en par-
keersituatie, welke ter plaatse goed is op te lossen. Ons inziens was
het beter De Nederlandsche Bank een waardige plaats aan te bieden
in de dringend te saneren "Pijp". Deze wijk is architectonisch thans
waardeloos, maar door de ligging in het midden van Amsterdam,
direct aansluitend op de stadskern, en door voortreffelijke verbindin-
gen aan water- en uitvalswegen, aangewezen om een geheel nieuwe
waarde te krijgen. Hier kan de hedendaagse architect in een nieuwe
stadswijk de ruimte ordenen nodig om De Nederlandsche Bank de
plaats en de vorm te geven welke deze instelling verdient. En dit tóch
op een centrale plaats in de hoofdstad. Nochtans - en dit om misver-
stand te voorkomen - dunkt ons het Frederiksplein te prefereren
boven de Oude Turfmarkt."

De grondruil Oude Turfmarkt - Frederiksplein bood zowel voor de bank
als de gemeente voordelen . De bank was niet gedwongen tot een
uitvoering in fasen en de onvermijdelijk daaruit voortvloeiende
bedrijfshinder; ze kon haar bedrijf aan de Oude Turfmarkt voortzetten
totdat het nieuw gebouw aan het Frederiksplein gereed was geko-
men. Ook kon ze besparen op sloopkosten. Bovendien bood het Frede-
riksplein een veel grotere bebouwingsvrijheid dan de situatie aan de
Oude Turfmarkt en was de bereikbaarheid beter. Voor de gemeente
gold toendertijd, dat het ruimtegebrek van de A-faculteiten van de
Gemeentelijke Universiteit, door het samenvoegen van de terreinen
rond de Oude Manhuispoort en het Binnengasthuis en die van de
bank, kon worden opgeheven. Tevens konden de historische gevels
aan de Oude Turfmarkt worden behouden; direct na de grondtransac-
tie zijn ze dan ook op de monumentenlijst geplaatst. Het is duidelijk dat
er aan het Frederiksplein voor de opera inmiddels geen ruimte meer
overbleef; die verhuisde in gedachten naar het terrein van de oude
RAl aan de Ferdinand Bolstraat.
Gemeente en Nederlandsche Ba nk werden het over de grondruil eens
en Duintjer werd conform het advies van de beoordelingscommissie
door de directie aangezocht voor het ontwerp van de nieuwe hoofd-
bank .... op het Frederiksplein; het plein dat deel uitmaakte van het
stedebouwkundig plan uit de tweede helft van de vorige eeuw van dr.

95
Sarphati en waar tot de brand in 1929 het uit gietijzer en glas opge-
bouwde Paleis van Volksvlijt. naar het ontwerp van architect Ouds-
hoorn, stond; het plein waarop Duintjereerder, samen met Komter, de
plannen voor het Amsterdamse stadhuis ontwierp.

In 1960 had hij zijn ontwerp gereed. Daarin was weinig meer terug te
vinden van de ideeën en de vormentaal uit de prijsvraagperiode.
Tegenover de soepele, zich in het weefsel van de binnenstad voe-
gende planorganisatie en beweeglijke verschijningsvorm stond nu
een strenge en geometrische ordening; ongetwijfeld ook ingegeven
door de situatie. Het plan voorzag in een rechthoekige laagbouw van
drie en plaatselijk vier lagen, met een frontbreedte en diepte van ruim
120 m en 100 m, die een binnenhof omsloot. Deze binnenhof werd
door een excentrisch daarin geplaatste plaatvormige hoogbouw van
17 lagen in twee kleinere hoven verdeeld, één van ongeveer 50 x 50
m, waaraan de hoofdingang was gelegen en één van 20 x 50 m, met
de personeelstoegang.

In de toelichting op zijn plan stelde Duintjer zichzelf de vraag of het
wel verantwoord was om op het Frederiksplein, aan de rand van één
van de mooiste Europese binnensteden, zo hoog - ruim 72 m. boven
maaiveld - te bouwen; of het wel goed was voor het totale beeld van de
stad. Hij gaf voor zijn keuze de volgende argumentatie: "Een ring van
hoge, slanke gebouwen langs de Singelgracht. rondom de oude kern
van de stad, zou een verrijking en een verjonging van het stadsbeeld
kunnen geven - een verandering van het vertrouwde beeld van de vrij
laag gebouwde binnenstad, maar geen aantasting ervan. De hoge
gebouwen in deze kring zouden op grote afstand van elkaar moeten
staan. Geen knellende band dus van gebouwen, welke het gevoel
geeft de binnenstad van de nieuwe stad af te sluiten . Dit is ook de
overtuiging geweest om de hoogbouw niet in de as van de Utrechtse-
straat te plaatsen - dus om het straatbeeld niet af te sluiten." Hij stond
niet alleen in zijn opvattingen over nieuwbouw aan de rand van de
oude binnenstad. Uitvoerig werd in die tijd gediscussieerd over de
voor- en nadelen van sanering van de 1ge eeuwse wijken, over de
aard en vorm van vervangende nieuwbouw en over de verkeersmaa-
tregelen in verband daarmee en vooral ook in verband met de ontslui-
ting van de binnenstad, die nog steeds werd gezien als het
economische en culturele hart van de stad . Gelijktijdig met die discus-
sie werden door de ambtelijke diensten, stedebouwkundigen en
architecten ambitieuze plannen ontwikkeld voor sanering en ver-
keersdoorbraken, tangenten, radialen, metroverbindingen en hoge
bebouwingsconcentraties, onder andere ter plaatse van de Pijp.
Duintjer was op de hoogte van die discussie - nam er in kleine kring
ongetwijfeld ook aan deel - kende de plannen en zal er mede door zijn

96
:::J)o oe
]
=

]
~
=
WEST -- OOST DOORSNEDE

__L _L .._L.~ I-----l-

:~
~

c;;';:A
_ ·ó ' :;, 1c-- i ;-- •

} ol .. ~

~ :_~ ~
~ç} 5 _

-·9/
~d L

_55 ! ë; èI :
" rej,.j ["" ëE=I
~ ~ ~?iJ'-
I T I 1 -'''''-
98
100
101
102
103
geïnspireerd. Maar anders dan de voorstanders van city-vorming, van
een soort Manhattan in de 1ge-eeuwse Amsterdamse wijken, en in
tegenstelling tot de a-structurele zogenaamde stadsvernieuwings-
plannen, die als reactie daarop vanaf de jaren zeventig worden uitge-
voerd, stond hem - getuige zijn betoog - een veel mildere en tevens
boeiender en meer structurele overgang tussen oud en nieuw voor
ogen . Dat werd niet onderkend; althans niet door de tegenstanders
van de bank op het Frederiksplein . Die klampten zich vast aan een
nostalgisch en vertekend beeld van een stadsplein dat er in feite nooit
was geweest; niet in de tijd van Sarphati, want toen was de stad te ver
uit de buurt, noch daarna, toen het verkeer vanuit Weteringschans,
Sarphatistraat, Utrechtsestraat en Oost- en Westeinde op het plein
beslag legde. Niettemin werd die situatie nogal naief aan hetbankge-
bouw toegeschreven, alsof een gebouw alleen-bepalend zou kunnen
zijn voor het functioneren van de vorm van een plein. Weinig vlijend
was de kritiek van een aantal dat zich in dit opzicht deskundig achtte,
van jong: " .. ... het gebouw mist iedere trilling of klank". (Wiek Röling)*
tot oud: "men is niet tot een constructief aanvaardbare aansluiting
gekomen van de lage en hoge bouw, wat vanaf de binnenplaats
bijzonder hinderlijk zichtbaa r wordt." (J.J. Vriend)**. Het laatste is
inderdaad waar. Duintjer verslikte zich in dit moeilijk oplosbare, archi-
tectonische probleem, zoals menigeen voor hem . Maar intolerant en
onwetend is het purisme, waarmee vervolgens het hele gebouw naar
de vodden hoop wordt verwezen en de architect het verwijt krijgt, dat
hij .... . "weet waar de klepel hangt maar allang geen klok meer hoorde
luiden."*** Want, wat van het verkeersplein als plein overbleef, is
goeddeels aan de bank te danken. Goed van verhoudingen - je ziet er
de lengte nauwelijks aan af - heeft de glazen pleingevel met zijn
gelaagdheid van onderbouw, overstekende kashal ter hoogte van
twee verdiepingen en bekronende, terugliggende kantine een inge-
houden monumentaliteit. Daar doen de hekken op de begane grond -
een noodzakelijk kwaad - weinig aan af. Ze zijn uiteraard door hun
functie bepaald, maar tevens onderworpen aan dezelfde maatsyste-
matiek als de gevel waarvan ze deel uitmaken. Daardoor en door de
aan elkaar verwante detaillering, vertonen de lagen in hun verschij-
ningsvorm een sterke structurele eenheid .
De zuidzijde daarentegen is, binnen hetzelfde eenvoudige concept
van opgetilde rechthoekige bebouwing, veel opener en plastischer
behandeld. Duintjer stond een aaneenschakeling van "ruime plei-
nen" voor ogen - deels langs het water - mogelijk gemaakt door de
plaatsing van de hoogbouw in de binnenhof, omgeven door een krans
van lage bebouwing, die de gelegenheid zou moeten geven tot een
ruime wandeling, net zoals voorheen bij de Galerij . Langs de Singel-
gracht was daartoe tevens een wandelpassage gemaakt, van Oost-

Amsterdam door de bank genomen uitg. Arbeiderspers 1967, blz . 31
De Groene
Amsterdam door de bank genomen, uitg. Arbeiderspers 1967, blz . 31
naar Westeinde. Door de ook hier uit veiligheidsoverwegingen
noodzakelijke hekken is deze verwachting maar zeer ten dele uitgeko-
men; met mooi weer zit er af en toe een visser. De ruimtelijke werking
is er echter niet minder om. Ze wordt nog versterkt door de manier
waarop aan de draagconstuctie vorm is gegeven. Uitgevoerd in
schone beton, zijn kolommen en balken op de begane grond in het
zicht gebleven, waardoor een ook uit de constructie voortvloeiende
geleding tot stand kwam. Het is moeilijk te bewijzen dat Duintjer zich
hier opnieuw door de Japanse architectuur - de oude en de heden-
daagse - heeft laten inspireren. Maar wel staat vast dat zijn gebouwen
uit die periode door een zekere hang naar constructieve expressie
worden gekenmerkt.

Gebruik makend van de mogelijkheden van belastingsreductie en de
kleinere kolomafmetingen als gevolg daarvan, is de hoogbouw naar
boven toe verjongd. Deze optische correctie is nog versterkt doordat
de hoogte van de raamstroken afneemt. Inderdaad is hiermee bereikt
dat de hoogbouw, ondanks zijn afmetingen en zijn prozaïsche herha-
ling van kantoorlagen niet in de omgeving detoneert, noch deze - én
de laagbouw van het complex zelf - overheerst. Het getuigt van Duint-
jer's vakmanschap. Maartoch is er ook sprake van een gemiste kans.
Waar een verrijking op haar plaats zou zijn geweest, overheersen nu
in de hoogbouw nuchterheid en soberheid; de architectonische kwali-
teit van de laagbouw wordt hier dan ook niet bereikt. Desondanks is
het ensemble door dit kwaliteitsverschil niet uit balans geraakt en er
kunnen, zoals een criticus nog onlangs opmerkte*, tenminste de
verdiensten van gaafheid, beheerstheid en verzorgdheid aan worden
toegekend.

Dat geldt ook voor de op de functies toegesneden planorganisatie en
voor de interieurs, zoals de boeiende kashal met haar insteekverdie-
ping en - opnieuw - expressieve draagconstructie . Bij de inrichting
van de directievleugel en de bovenste verdieping van de hoogbouw
werd Duintjer terzijde gestaan door Hein Salomonson.

Het gebouw neemt in het gezamenlijke werk van Duintjer een belang-
rijke plaats in en dat niet alleen vanwege zijn grootte en omdat het de
Nederlandsche Bank is. Hij toonde ermee aan dat ook een grote
complexe opgave met een eenvoudige grondvorm en bescheiden
middelen tot een architectonisch en stedebouwkundig goed en even-
wichtig resultaat kan worden gebracht. Op een voor hem nieuwe
schaal - ondanks de gewonnen prijsvraag - varieerde hij (de "probeer-
der") op de door hemzelf ontwikkelde nieuwe vormthema's, zonder
daarbij in de valstrik van louter een vergroting te lopen . Bij de Neder-

Prof. ir. NA de Boer, NRC Handelsblad 11-03- 'B6
105
landsche Bank zijn situering, planorganisatie, ruimtelijke ontwikke -
ling, vormgeving en constructie precies op de aard en de schaal van de
opgave afgestemd; ze zijn ook onmiskenbaar van zijn hand .

liuuI...JI..Jl.
.1-
l1''''rT TT "1 fC - r rTfn
~ 0

0
ft{
1 ~1n
H
0

~~

I.
,
. I- ~

....
~ I-
I- TTTIl , 1

I
I

F;
l.J.1
lP:::! .~
h
r" ] 1 ~
11 :
m
I
lTr ~~
JJt--.
1= I
-
p:!llllj c

~
De Algemene Bank Nederland
Tijdens herstelwerkzaamheden aan een gemetselde kolom van de
arcade van het woning- en winkelcomplex aan de Vijzelstraat, tussen
Keizersgracht en Prinsengracht, begaf de kolom het en stortte op 23
maart 1955 een deel van het gebouw in. De kolom werd gerepareerd
en de percelen 76-78 en 80-82 werden herbouwd; bovendien werden
de overige kolommen van de arcade geconsolideerd. Deze maatrege-
len bleken echter niet afdoende, want in de winter van 1962 vielen
opnieuw stenen uit de gevel en moesten balkons worden gestut. Toen
werd dan ook besloten om het uit 1927 daterende, door architectJ.M.
van der Mey, medewerker van het architectenbureau Gulden en
Geldemaker, ontworpen gebouw te slopen en te vervangen door
nieuwbouw. De toenmalige eigenares, de N.V. Amstelstein, diende
daarvoor bij de gemeente een herbouwplan in, ontworpen door archi-
tect J . Trapman; het omvatte woningen, winkels en een kantoor-. of
hoteletage. Met de belangen van de winkeliers uit het bestaande
complex werd daarbij zoveel mogelijk rekening gehouden, door hen
een optie te geven op winkelruimte in het nieuwe complex en hen
tijdelijk - zo was de bedoeling - onder te brengen in een, eveneens
door Trapman ontworpen winkelcentrum aan het Weteringcircuit.
Het plan was echter onder een ongelukkig gesternte geboren, want
toen er - inmiddels voor een andere eigenaar - op de bouwplaats mee
was begonnen, werd voor de financier van het project surseance van
betaling aangevraagd en restte er weinig anders dan verkoop van het
terrein en project.

Voor de overname was de Algemene Bank Nederland de belangrijkste
gegadigde en zij werd uiteindelijk dan ook de koper. Daarbij liet zij
niemand over haar plannen in het ongewisse: ter plaatse zou de
uitbreiding van het indertijd door architect De Bazel aan de Vijzel-
straat - tussen Herengracht en Keizersgracht - ontworpen hoofdge-
bouw moeten worden gerealiseerd; desnoods aangevuld met enige
winkels en vitrines. In 1966 werd Duintjer uitgenodigd om voor deze
uitbreiding, samen met Trapman, de plannen te ontwerpen en nog in
hetzelfde jaar werd een vroege perspectiefschets van hem in het
personeelsblad van de bank opgenomen.

Vanaf dat moment werd de openbare mening tegen de plannen van de
bank in stelling gebracht en liepen er velen tegen te hoop: provo's,
politici, journalisten, wetenschapsmensen, kunstenaars, studenten
en architecten . In hun ogen was de bestemmingsverandering ontoe-
laatbaar, betekenden de plannen een verdere stap in het proces van
city-vorming en zouden grootte en vorm van het complex een funeste
invloed hebben op de omgeving . In de pers verschenen felle artikelen,
er vond een "teach-in" plaats, er werden adressen verzonden aan de

107
gemeenteraad en in de raad volgden heftige debatten . De emoties
liepen zo hoog op; het "ban de bank" was niet van de lucht en ook de
voorgevel van Duintjer's huis aan de Prinsengracht moest het
ontgelden .

Duintjer trok zich de kritiek erg aan - vooral de kritiek waartegen hij
zich niet kon wapenen, omdat die in de beleidssfeer lag, maar ook die
van zijn collega's - en hij vroeg de bankdirectie respijt om het plan, in
elk geval in zijn verschijningsvorm ter herzien.

In zijn ontwerp had hij onder andere met de volgende programmati -
sche eisen rekening te houden:

- een kashal en een hal voor particulieren op de begane grond, en op
de eerste verdieping een effectenhal, die onderling door middel van
roltrappen verbonden moesten zijn;
- vijf kantoorlagen met een zo flexibel mogelijke indeling voor 1.000
tot 1.300 personen, waarbij met alle uitrustingseisen van een
modern kantoor rekening moest worden gehouden;
- op de zesde verdieping een beperkt aantal directievertrekken en
vergaderru i mten.

De net gereed gekomen fundering en parkeerkelders van het oor-
spronkelijk geprojecteerde gebouw, met zijn geheel andere bestem-
ming en constructieve structuur, betekenden daarbij een extra
complicatie. Begin 1969 was het gewijzigde plan in beginsel klaar;
daarna volgden nog enige constructief noodzakelijke aanpassingen
die echter de essentie van het plan niet meer zouden aantasten .

Nu staat het gebouw er. Qua volume is het niet erg veel groter dan zijn
voorganger; zeven lagen hoog met daarop een teruggebouwde dak-
verdieping, aan de uiteinden trapsgewijs verlaagd, zodat aansluiting
wordt gevonden op de langswanden van Keizersgracht en Prinsen-
gracht. De terrasvormige opbouw, de plaastelijke uithollingen, zoals
bij de overbouwing van de Kerkstraat en de arcade, geven het
gebouw, ondanks zijn onontkoombare lengte, hoogte en structurele
herhaling, een zekere "lenigheid" waardoor het zich, afhankelijk van
het standpunt van de beschouwer, goed in de omgeving voegt. In de
Vijzelstraat zet het het ritme voort van Carlton en voormalige Handel-
maatschappij, terwijl op de koppen, vooral aan de zijde van de Keizers-
gracht. een heel knappe beëindiging van de grachtwanden is
bewerkstelligd. Belangrijk in dit verband zijn ook de kleurstelling van
de gevels - donker met witte kolommen - en de detaillering. Het iseen
ingetogen gebouw geworden, dat ondanks de situatieve en construc-

108
109
111
tieve complicaties een duidelijke structuur vertoont met heldere plat-
tegronden en doorsneden. Het ruimtelijk effect ervan is boeiend .
Duintjer heeft met dit gebouw aangetoond dat een sterk en persoon-
lijk vormprincipe, onafhankelijk van herkomst en tijd. zich zeer goed
voor toepassing in gecompliceerde binnenstadsituaties leent, mits
het intelligent. met realiteitszin en een gevoelige hand gebeurt.

112
De provinciehuizen
Van de door Duintjer ontworpen overheidsgebouwen, zijn de provin-
ciehuizen in Zwolle en Assen niet alleen de grootste, maar architecto-
nisch ook het belangwekkendst, zeker wat het Overijsselse
provinciehuis betreft.

Voor het provinciehuis te Zwolle hadden Gedeputeerde Staten
aanvankelijk een meervoudige opdracht willen verstrekken aan drie
architecten, te weten ir. J .W .C. Boks, prof. M .F. Duintjer en
prof. G.H. Holt; geen van drieën was in Overijssel gevestigd .
Provinciale Staten protesteerden hiertegen en op hun aandrang werd
het drietal met twee Overijsselse architecten uitgebreid, te weten
H. Mastenbroek en ir. J.C. Rent jes, Een commissie van advies,
bestaande uit ir. J . Leupen, ir. F.P.J . Peutz en ir. H.G .J. Schelling,
beoordeelde de plannen en begin 1961 kwam zij tot de slotsom dat
aan de inzending van Duintjer de voorkeur moest worden gegeven, en
adviseerde zij Gedeputeerde Staten aa n Duintjer de opdrachtte geven
zijn plan verder uit te werken . Het kost weinig moeite de commissie in
haar overwegingen te volgen : "De algemene opzet van dit plan is
duidelijk. De belangrijkste partij, het representatieve gedeelte, ligt
aan de zuidwestelijke zijde van het terrein , het werkgedeelte aan de
noordoostelijke zijde . Daartussen liggen de gecombineerde ingangen
en de toegang naar een wandelterras achter de gebouwen . Als mas-
sawerking is deze opzet zeer aantrekkelijk .... De indeling van het
representatieve gedeelte stelt bij nadere bestudering enigszins
teleur. Ofschoon hierin talrijke boeiende elementen zijn te waarde-
ren, is met name de plaats van de vestiaire niet bijzonder gelukkig, en
is de trapopgang naar de Statenzaal nog wel voor verbetering vatbaar.
De onderlinge relaties van de diverse hoofdruimten zijn op ver-
dienstelijke wijze afgewogen. De grote massa van het kantoorgebouw
is aantrekkelijk. De suggestie om een latere uitbreiding daarvan door
een links van dit blok op te richten gebouw te realiseren doet geen
afbreuk aan het plan, maar brengt het ontwerp in tegendeel op een
hoger niveau . De architectuur heeft grote verdiensten. Met een fijn
afgestemde fantasie zijn de verschillende massa's onderling afgewo-
gen, en is door boeiende toevoegingen de nodige verrijking tot stand
gebracht. De Statenzaal en de grote ontvangstruimte zijn op aantrek-
kelijke wijze aangeduid .

Ofschoon het plan in zijn plattegronden op verschillende plaatsen nog
verder bestudeerd zou moeten worden, en de architectuur van het
representatieve gedeelte nog niet geheel tot de gewenste hoogte
gebracht is, heeft dit ontwerp grote kwaliteiten ."

Terecht spreekt de commissie in haar aanbeveling aan Gedeputeerde

113
i
---'


~

CJ
,,"'-NT(X)RRUMTE

EERSTE VERDIEPIN:}

114
NOORD-WEST GEVEL

115
116
.--~
~
- .
-

. ~ " ..

Staten over "muzikale architectuur". Knap, in situatief opzicht, is
inderdaad de splitsing van de twee functies en hun gelijktijdige
samenvoeging, met daartussen de wederzijdse toegangen en de
doorgang naar het grote wandelterras met uitzicht op de Wezenlan-
den. Ook de verhouding van de beide bouwmassa's, hun onderlinge
aansluiting en de aansluiting op de directe omgeving is fijnzinnig van
conceptie en uitvoering. De splitsing van beide functies is per bouw-
deel in het karakter van de draagconstructie en uiteraard van de
ruimte-ontwikkeling terug te brengen, zonder dat dit de eenheid van
het complex verstoort. De gevels vertonen de voor Duintjer kenmer-
kende, ver overstekende vloeren, met hun horizontale werking, en
gevelkolommen in of voor het glasvlak. Daartussen - tussen de dra-
gende en gedragen bouwdelen, met hun soms onderbroken regel-
maat en daardoor gerelativeerde wetmatigheid - vervult het glasvlak
de functie van lichtdoorlatende en klimaatscheiden schijf. Het belang
dat Duintjer toekende aan de rol van het licht, blijkt nog eens uit zijn
toelichting bij de plannen voor de statenzaal, waarvoor hij "een afdek-
king" had voorzien "die een sprankelende lichtval zal kunnen
bewerkstelligen . "

Het gebouw is goed gesitueerd, doeltreffend van indeling, intelligent
geconstrueerd en fraai van vorm, ruimtelijke geleding, materiaal-
keuze en detaillering; functie en distinctie gaan er als vanzelfspre-
kend in samen . In de als het ware ingetogen monumentaliteit van het
gebouw heeft Duintjer de opgave, die schuilt in de provinciale admini-
stratie, dienstverlening, regelgeving en vertegenwoordiging, trefze-
ker getypeerd en het is eigenlijk onbegrijpelijk dat zijn architectuur
geen andere navolging heeft gekregen dan binnen het eigen bureau,
Duintjer, Istha, Kramer en Van Willigen .

127
;------------------------:

~==~I

BEGANE GROND

~ l~___________

I
o
In ruim 1968, ruim zeven jaar na Zwolle, ontving Duintjerde opdracht
voor het provinciehuis in Assen . Daarentegen bestond wel enige
oppositie. Het tumult uit Amsterdam, als gevolg van de bankgebou-
wen, was ook tot Assen doorgedrongen. Zo verwachtte een statenlid,
tevens bestuurslid van de Groningse Academie van Bouwkunst er
weinig goeds van, hooguit een traditioneel vormgegeven kantoorge-
bouw, en hij pleitte ervoor om "de architectuur van deze tijd een kans
te geven."

Hoezeer kritiek wordt bepaald door de tijd waarin ze wordt geschre-
ven, blijkt uit een artikel van K. Wiekart in het Nieuwsblad van het
Noorden naar aanleiding van Duintjer's schetsontwerp, dat in mei
1969 gereed was. Onder het kopje conventioneel schreef hij: "Er is
dan tenslotte nog het criterium van de pure vormgeving, waarbij als
uitgangspunt mag gelden dat de architectuur zowel een "portret" is
van een tijd en een cultuur alsook een richtingaanwijzer voor toekom-
stige ontwikkelingen. In die zin is Duintjer's ontwerp een goed gelij-
kend portret, maar van het gemiddelde, niet van het beste uit onze tijd.
De constructie is conventioneel, de opbouw is conventioneel en het
gebruik van de materialen is conventioneel. ... dat ..... blijkt o.m. uit de
voorgestelde gevelbekleding: prefab-elementen met ingeschokte
grote tegels. Zoiets vind ik vergelijkbaar met plastic imitaties van hout,
leer of porselein . Tegels behoren tot de bouwmaterialen van het
ambacht, en ambachtelijkheid kan een gebouw een aantrekkelijke
levendigheid geven ..... Wie met voorgefabriceerde elementen wil
werken, is in de zeer goede zin van het woord progressief, maar de
elementen moeten dan geen imitaties zijn van wat door de eeuwen
heen ambacht en natuur voortbrachten."
De opvattingen zijn wel veranderd . Nu is het geprefabriceerde geveI-
element met ingeschokte tegels niet meer uit de bouwpraktijk weg te
denken, en behoort tot het algemeen aanvaarde ontwerp-
instrumentarium van vele progressieve architecten.

Het gebouw vertoont punten van overeenkomst met dat uit Zwolle,
maar de verschillen zijn groter. Het bestaat uit vier min of meer op
zichzelf staande gebouwdelen van verschillende hoogte, waarvan
twee op een vierkante grondslag, die door verbindingsvleugels van
verschillende breedte met elkaar zijn verbonden. Het planschema zou
echter ook kunnen worden gezien als een middendeel met aan de
uiteinden twee uitbouwen, waarvan twee zelfstandige gebouwdelen
zijn gekoppeld.

De looplijnen, tussen wat wel de "paviljoens " worden genoemd, zijn
lanQ . Dat hoeft, zeker gezien de ligging op de vijf hectaren grote

119
"brink", geen bezwaar te zijn. Integendeel, de omweg van ingang
naar statenzaal heeft het voordeel van de geleidelijkheid en steeds
wisselend tafereel. In de wijdlopigheid en "paviljoenachtige" gele-
ding schuilt met name het contrast met het Overijsselse provincie -
huis. In Assen is de structuur van het gebouw minder direct en helder
dan in Zwolle. En dat geldt, ondanks alle overeenkomsten ook voorde
verschijningsvorm en sommige details, zoals de entrée . Deze tekort-
komingen zijn echter niet in staat het effect van de sterke ordening
teniet te doen .

Christelijk Lyceum "Buitenveldert" te
Amsterdam.
In het uiterste zuiden van de Amsterdamse tuinstad Buitenveldert,
tegen de grens van Amstelveen en daarvan gescheiden door een
waterloop, ligt terzijde van de doorgaande Buitenveldertselaan, het
Christelijk Lyceum "Buitenveldert". Het is een opvallend gebouw met
zijn vleugel in het water en opbouw met draaibare sterrenkoepel. De
aan drie zijden door het water omgeven vleugel. onderdeel van de
T-vormige plattegrond, huisvest op de begane grond de aula, die als
hart van het gebouw kan worden beschouwd. Bij feestelijke gebeurte-
nissen en bijeenkomsten kan ze, door het opzij schuiven van schuif-
wanden, geheel bij de hal worden getrokken . Ze wordt tevens gebruikt
voor overblijven, muziekonderwijs, toneeluitvoeringen en voor activi-
teiten die plaatsvinden binnen het kader van de discussie- en werk-
groepen die het Daltononderwijs eigen zijn . Voor het ontwerp van
deze school , die ongeveer 800 leerlingen ruimte moest kunnen bie-
den, ontving Duintjer in 1959 de opdracht. Chronologisch kwam deze
opdracht na die voor Landsmeer en viel zij samen met de opdrachten
voor het Bethesda ziekenhuis te Tiel en de Nederlandsche Bank te
Amsterdam ; zij ging aan de vier kerken vooraf.
Duintjer, toen 51 jaar oud, ontwierp hier een sterk en vitaal gebouw,
waarin zijn architectuurvisie nagenoeg compromisloos aan den dag
trad, en bewaard is gebleven. De draagconstructie is een skelet van
betonkolommen, -balken en in de gevel uitkragende -vloeren, die in
het interieur onbehandeld in zicht zijn gelaten. De gevelvullingen - als
zodanig duidelijk herkenbaar - zijn van de van hem bekende, helrode
Groningse baksteen en van glazen bouwstenen en stalen puien met
een ruitindeling van 0,75 x 0,75 m . In het interieur zijn de vulwanden
wit geschuurd, de vloeren belegd met tegels en zijn de plafonds
bekleed met akoestische platen. Er is weinig met kleur gewerkt omdat

120
hij van mening was dat "het schoolleven kleurrijk genoeg is om zelf
kleur aan te brengen; het doet dat spontaner en beweeglijker en als
het goed is, op meer eigen wijze". De school moest de kleur meer
oproepen dan zelf brengen. De asymmetrie van de T-vormige platte-
grond met zijn sterke as tussen aula en gymnastiekzalen wordt
gecompenseerd door het voorplein en de begrenzende lage bebou-
wing. In de aula is een niveauverlaging aangebracht, met treden,
waarvan de helling het talud langs het water volgt; hierdoor ontstond
aan de halzijde als vanzelf een verhoogd toneel. Zware, bijna Egyp-
tisch aandoende paddestoelkolommen dragen de hoger opgaande
verdiepingen. Op weergaloos knappe wijze regiseerde hij hier het spel
van licht en ruimte, daarbij gebruik makend van de weerkaatsing van
het licht in de rimpelingen van het water, in contrast met het duister
rondom de kolomkoppen . Tintelend is ook het licht in de lokalen,
gangen en werknissen, en essentieel in verba nd hiermee is de functie
van de rastergevels en de materiaal - en kleurkeuze in het interieur.

In en met dit gebouw, dat tot de hoogtepunten van zijn totale werk
behoort, varieerde Duintjer op het thema van licht en ruimte, dat hij al
in zijn eerste kerken inzette, maar nu in een nieuwe vorm.
Stationsgebouw van de luchthaven
Schiphol

In 1949 keurde de Amsterdamse gemeenteraad het tangentiële uit-
breidingsplan voor de luchthaven Schiphol goed. Dit vormde de
grondslag voor het stedebouwkundige plan in hoofdzaken, dat tien
jaar later de instemming verwierf van de minister van Verkeer en
Waterstaat. Weer twee jaar later, in 1961, werd het voorlopig ont-
werp voor het stationsgebouw door het Bouwbureau Stationsgebouw
Schiphol aan de luchthavendirectie aangeboden . In het bouwbureau
werkten drie architectenbureau's samen, namelijk NV "NACO",
Nederlands Ontwerpbureau voor Luchthavens uit Den Haag, NV
Architecten- en ingenieursbureau ir. F.C. de Weger uit Rotterdam en
het bureau van Duintjer. Naderhand werd ook de Amsterdamse bin-

123
nenhuisarchitect Kho-Liang-Ie bij het werk betrokken. In 1963 werd
officieel met de bouw begonnen en in 1967 werd het complex
geopend. Sindsdien functioneert het, niet alleen als nationale en
Amsterdamse luchthaven, maar ook als internationaal voorbeeld voor
een perfect georganiseerd, sfeervolluchthavengebouw. Die perfecte
organisatie is gebaseerd op de even eenvoudige als ingenieuze afhan-
deling van de verkeers-, passagiers- en bagagebewegingen. Dat
gebeurt op in feite drie niveau's. De vertrekkende reizigers rijden voor
op een verhoogde voorrijweg voor de vertrekhal, en zijn dan op het
niveau, waarop zij via gesloten "pieren" in het vliegtuig kunnen
stappen. De aankomende reizigers dalen via trappen en roltrappen

124
van de pierren af in de aankomst op de begane grond. De bagage
wordt in de kelder gesorteerd . Deze reductie van een complex pro-
bleem tot een logisch, overzichtelijk, als het ware vanzelfsprekend
stelsel van ruimten en verkeersgebieden moet Duintjer bijzonder
hebben aangesproken, want steeds weer probeerde hij in zijn werk de
organisatorische en ruimtelijke essentie van de opgaven te doorgron-
den en die in zijn ontwerpen vorm te geven.

Bij projecten die in teamverband zijn ontworpen en gerealiseerd, is
het welhaast ondoenlijk om aan te geven wie van de deelnemers voor
welk onderdeel van het werk verantwoordelijk is. Desondanks kost
het geen enkele moeite om in het hoofdgebouw de invloed van
Duintje door Kho-Liang-Ie te herkennen. Planorganisatie, draag-
constructie en ruimte -ontwikkeling in hoofdzaak zijn zeker resultaat
van een gezamenlijke ontwerpinspanning, maar materiaal- en kleur-
keuze in het interieur, detaillering, en vorm en indeling van de gevels
en als gevolg daarvan, de kwaliteit van licht en ruimte, zijn onmisken-
baar toe te schrijven aan het Amsterdams koppel Duintjers/ Kho-
Liang-Ie .

Na de voltooiing van het stationsgebouw is Duintjer nog een tijdlang
als supervisor bij andere bouwactiviteiten op de luchthaven betrokken
geweest. Maar het effect daarvan is waarschijnlijk alleen voor inge-
wijden waarneembaar.

'-: ,
1
....

{
1\
-......-( ,--- >-

'r,
\
I

\
I
I
I
I

~ - -~_. -~_. ~:=:löf 'l
\ --- ..
I-··"~ _._-~ ­
-~ =_ :.. _ -=--"

125
50 Si SI Sl 55 S'5 5) 52 ~ ,. 1. 211 22 21 21 2t 2t )0

I I I I I I I I I iI I I I I I I I I

)

,';
.I I
"
.I: I
"

o 'Cl JO lOm

m Z7 2t 29 )0

I I I I I

. .Wd.

J) \1
I ~~=,===,===.
VERHOOGDE VOORRUWEG

=====
,, ==.================= ' \

11
I I iI
&0 51
1I I il
57 56
1i 1 1 1 i1
5J
I! 1
50 11
I I
n
I 1 1 1
A ~.
-------
~_,_,
-~
-~" ,~
I I I

~-
De ziekenhuizen

Duintjer heeft veel bejaarden-, verpleeg- en ziekenhuizen op zijn
naam staan. Het merendeel van de ziekenhu izen ontwierp hij in
samenwerking met D.J . Istha, die hij op de Amsterdamse Academie
van Bouwkunst. in de cursus 1947 - 1948 bij diens HBO -eindproject
als mentor begeleidde . In chronologische volgorde zijn het:
- het diaconessenhuis in Breda (ontwerp 1952, klaar 1959);
- het Bethesda ziekenhuis in Tiel (ontwerp 1956, gereed 1964);
- het centraal ziekenhuis in Alkmaar (ontwerp 1958, gereed 1963);
- het Wilhelmina ziekenhuis in Doetinchem
(ontwerp 1959, gereed 1966);
- het Andreas ziekenhuis in Amsterdam
(ontwerp 1961, gereed 1969);
- het Bleuland ziekenhuis in Gouda (ontwerp 1963);
- het ziekenhuis Ny Smellinghe in Drachten
(ontwerp 1965, gereed 1971);
- het ziekenhuis West Friesland in Hoorn (ontwerp 1965);
- het Nederlands Kanker Instituut. Antonie van Leeuwenhoekhuis in
Amsterdam (ontwerp 1965, gereed 1972);
- het Pieter Pauw ziekenhuis in Wageningen
(ontwerp 1968, gereed 1977);
Ziekenhuizen behoren zowel organisatorisch als qua technische
infrastructuur tot de complexe woningbouwtypen . Binnen een archi-
tectenbureau vraagt dat om specialisatie . Istha was de compagnon
die zich er in had gespecialiseerd. Dat neemt niet weg dat Duintjer er
zich intensief mee bemoeide en dat met name de projecten uit de
jaren 50 en uit het begin van de jaren 60 heel duidelijk de kenmerken
van zijn ontwerpwerk dragen.

In het eerste project. het diaconessenhuis in Breda, dat Duintjer
omschreef als van het gangbare T-type, was hij nog niet toe aan een
werkelijk integratie van vorm en programma, noch aan een eigen
interpretatie daarvan; het bleef bij een onderlinge afstemming. Waar-
schijnlijk was de moeilijkheidsgraad van zo'n eersteling ook te groot:
het programma op zichzelf en de eisen die door opdrachtgever en
overheid aan de verwerking ervan werden gesteld, en de eigen vorm
waarnaar hij nog op zoek was. Aan het eind van de jaren 50 werd hij
het probleem niet alleen organisatorisch meester, maar wist hij het
programma en vorm zodanig te integreren, dat het geheel aansluiting
vindt op zijn overige werk uit die tijd.

Heel duidelijk manifesteert zich dat voor het eerst in het Bethesda
ziekenhuis in Tiel. De plattegrond lijkt een mengvorm te zijn van hetT-
en H-type, hetgeen wordt veroorzaakt door de lage vleugel loodrecht
op de T, waarin polikliniek en revalidatie-afdeling zijn ondergebracht.

128
.. _ 10. . . . • ·. .

.........

:::-=-------~
Deze "onduidelijkheid" werd waarschijnlijk ingegeven door de situ-
ering op het terrein en de wens om een begrensde voorruimte te
krijgen waaraan de belangrijkste ingangen zijn gelegen . Voor het
overige zijn de plattegronden streng functioneel, maar tegelijk van
een heldere ruimtelijkheid op plaatsen waar het relevant is, zoals in
de bezoekershal op de begane grond . Arbitrair lijkt in dit verband de
vorm met zijn dakoverstekken, gevelindeling, materiaalkeuze en
detaillering is Duintjer's hand duidelijk te herkennen, zij het dat de
uitbundigheid van de overigens prachtige zuidgevel van het bedden-
huis wel sterk afsteekt tegen de verder algemene soberheid van de
gevels.

Het Andreas ziekenhuis, alias de Nederlandse Hervormde Diacones-

129
sen inrichting te Amsterdam, ligt op een bijna 4 ha groot rechthoekig
terrein, dat aan noord- en westzijde wordt begrensd door respectieve-
lijk de Cornelis Lelylaan en de Einsteinweg, en aan de zuid- en oost-
zijde door het brede water van de Westlandgracht. Van welke zijde ook
benaderd, steeds blijft de groepering van het H.vormige, ten dele 7
lagen hoge ziekenhuis, het 11 verdiepingen hoge woongebouw voor
leerling-verpleegsters en het 3 lagen hoge woonblok voor ander pers-
oneel, door haar vorm en plastische beëindigingen boeien . Dat wordt
niet in het minst ook veroorzaakt door de terreinaanleg in verschil-
lende niveau's, waaraan Mien Ruys haar bijdrage leverde . De platte-
gronden bezitten een functionele vanzelfsprekendheid en zijn in hoge
mate overzichtelijk. Daarnaast vertonen ze een overeenkomstige
ruimte-ontwikkeling als in het Bethesda ziekenhuis. Goed gedimensi-
oneerd is de voorhof, met de ingangen van ziekenhuis, opname en
medisch centrum, en in de gevels zijn de kenmerkende horizontale
opbouw, de duidelijk fijn-gedetailleerde verticale geleding en de
gevel rasters terug te vinden. In dit complex demonstreerde Duintjer
dat hij de problematiek van de integratie van programma en eigen
vorm volledig beheerste.

130
Epiloog

Het totale werk van wat Duintjer ons heeft nagelaten is zeer omvang-
rijk en het heeft - zoals dat bij alle mensenwerk het geval is - zijn
sterke en zwakke kanten. In dit boek is uit het werk een selectie
gemaakt, waarbij alleen dan naar de zwakke momenten is verwezen,
wanneer dat een relevant tijdsbeeld opleverde of illustratief was voor
een fase in de ontwikkeling van zijn architectuur. Het aldus geschet-
ste beeld is uiteraard subjectief, maar hoe gekleurd ook, wel repre-
sentatief voor de ontwikkelingsgang van een architect die,
onafhankelijk van gangbare stromingen, besloot zijn eigen weg te
gaan . ,Het begin van zijn vorming als architect viel samen met nog net
niet de nadagen van een heroïsch tijdperk in de Europese architec-
tuur. Hij trad de verschijnselen en de theorieën in verband daarmee
onbevangen tegemoet, toetste ze op hun bruikbaarheid voor zichzelf,

131
om ze vervolgens te verwerpen en zijn eigen weg te volgen, op zoek
naar de eigen vormtaal en nadat hij die had gevonden, ermee experi-
menterend . Hij ontweek daarbij het maatschappelijk tumult niet; inte-
gendeel, hij nam er op zijn eigen wijze geëngageerd aan deel. Maar
temidden daarvan bleef hij voortdurend bezig met het vak dat zijn
liefde had - met de architectuur. Hij was wat dat betreft een solist, die
"de derde weg in de architectuur" probeerde te gaan, tussen de
dogmatici van het zogenaamde functionalisme en die van de traditio-
nele scholen door. Hij was een tussenfiguur die in staat bleek een heel
sterk architectonisch ontwerp te ontwikkelen, dat bestand was tegen
de transformaties die uit opgaven en tijd voortvloeien .

Hij was een functionaris in zijn streven naar een soepele plan-
organisatie, maar ook in de zin dat hij de functie kende van het door
bladeren gezeefde, invallende zonlicht zoals bij de ambtswoning van
de burgemeester in Bergen uit 1962.

Hij was een purist, op zoek naar een ontwerpsystematiek die wellicht
school in de wetmatigheid van geometrische figuren en hun verme-
nigvuldiging van klein naar groot of omgekeerd in hun deling van
groot naar klein; om vervolgens speels uit de band te springen met
klein in groot of groot in klein . De gevel van de mantelfabriek Stibbe in
Amsterdam uit 1964 is daarvan een voorbeeld .

Hij zocht naar een architectonische expressie van construct ie en
detail en naar de manier waarop die soms met minimale middelen,
bijvoorbeeld door de invloed van het licht, tot maximale rijkdom kon-
den worden gebracht, zoals in zijn kerken of in een eenvoudig trap-
penhuis voor Werkspoor in Utrecht.

Voor deze sti Iie probeerder en zij n werk vraagt dit boek de aa ndacht en
wil het de ogen openen .

132
Biografische notities
1908 Marius Duintjer, geboren in Veendam op 22
december, als derde van vier zoons van Engbert
Jurjen Duintjer, mede-eigenaar van een aardap-
pelmeelfabriek ter plaatse en Jetske Ottema,
notarisdochter uit Leeuwarden.
1927 Eindexamen HBS -A te Veendam .
1927 - 1931 Architectuurstudie aan de Eidgenössische Tech -
nische Hochschule in Zürich; wordt gediplo-
meerd.
1932 Vervult zijn militaire dienstplicht en wordt
reserve-officier .
1933 - 1935 Werkt bij Le Corbusier in Parijs.
1935 Korte tijd werkzaam bij architectenbureau Hooy-
kaas en Lokhorst in Rotterdam .
Vestigt zich als zelfstandig architect in Amster-
dam. Slaat het aanbod van zijn vader af om de
praktijk van de in 1936 overleden architect Duiker
over te nemen.
1936 Lid van "de 8" .
Lid va n het Genootschap Architectura et Amicitia.
1939 Opnieuw opgeroepen in actieve dienst in verband
met de mobilisatie.
1940 Trouwt in Utrecht met Martha Janna van der
Maar, die een dochtertje uit een eerste huwelijk
inbrengt.
Zij vestigen zich in Amsterdam aan de Prinsen-
gracht 728. Daar worden nog drie zonen geboren.
1942 - 1944 Gijzelaar in Amersfoort en Haaren en krijgsge-
vangene in Polen.
1945 Hervatting van de eigen praktijk.
Docent aan de Academie van Bouwkunst in
Amsterdam .
Lid van de Maatschappij tot Bevordering der
Bouwkunst. Bond van Nederlandse Architecten
BNA en bestuurslid van de kring Amsterdam .
Lid van de "groep Roosenburg".
Redacteur van Forum .
1952 Compagnonschap met D.J . Istha .
1956 - 1963 Buitengewoon hoogleraar aan de Afdeling der
Bouwkunde van de Technische Hogeschool te
Delft.
1958 Lid van de Commisssie van Advies voor de Res-
tauratie van het Koninklijk Paleis te Amsterdam .

133
Architectuurprijs van de stad Amsterdam .
1966 Commandeur in de Huisorde van Oranje.
1970 Uitbreiding van de bureaudirectie met ir . J .H. Kra -
mer en T. van Willegen.
1983 Op 2 mei in zijn woning te Amsterdam overleden .
Lijst van Werken en Bibliografische
notities
Jaar van realisatie:

1932 Passantenhotel
studieprijsvraag
woonhuis voor architect
studieprijsvraag
- Bouwk. Weekbl. 1932 p. 193-204
zomerhuisje te Eext (gemeente Anloo)
1936 vakantiehuisje aan de Vecht
prijsvraagontwerp
- Bouwk. Weekbl. 1936 p.521-526
woonhuis te Leeuwarden, Harlingerstraatweg
- Schweizerische Bauzeitung 1936 p. 197
- De 8 en Opbouw 1937 p. 192
tentoonstellingsstand voor radiatorenfabriek
- De 8 en Opbouw 1937 p. 33
1937 woonhuis te Veendam, Julianalaan
inrichting, meubels woning te Driebergen
woning + inrichting te Den Hulst
1939 zomerhuisje te Borger,
diverse uitbreidingsfasen vanaf 1934
Raadhuis van Amsterdam
prijsvraagontwerpen 1937, 1938 en 1939
(samenwerking met architect Komter)
- De 8 en Opbouw 1937 p. 255
- Bouwk. Weekbl. 1938 p. 1 en 54
- Bouw. Weekbl. 1939 nr. 7
- De 8 en Opbouw 1940 nr. 4
- De 8 en Opbouw 1940 nr. 7/8 p. 84-86
- Rapport van de jury inzake de openbare en
besloten prijsvraag voor het nieuwe Raadhuis
van Amsterdam p. 25,31-33,37-38,43 .
Uitg. Stadsdrukkerij 1939
- Forum 1947 p. 135-180
- TABK 1961 p. 301-305,352
- Polytechn . Tijdschr. 1969 p. 712-721,670-
683
Ned. Hervormde Kerk met rusthuis en
jeugdgebouw te Veendam
ontwerp
ontspanningsgebouw voor Werkspoor te Zuilen
- Forum 1946 p. 55-59
meubelontwerpen voor diverse opdrachtgevers
van 1937 - 1939
versieringsontwerpen voor het Leidseplein te
Amsterdam
1942 bebouwing van de Blaak te Rotterdam
prijsvraagontwerp
1944 saneringsplan voor de Jordaan te Amsterdam
ontwerp
1945 plannen voor herbouw te Hengelo
(samenwerking met de architecten Komter,
Holt, Van Woerden)
- Bouw 1946 p. 4-23
Canadian leave center te Amsterdam
ontwerp
dorp in de Zuiderzeepolder
prijsvraagontwerp
(in samenwerking met architect Groenewegen)
1946 boerderijen in Friesland
wede ropbouwpla n ne n
gedenkteken voor gevallenen te Leeuwarden
herbouwplan voor Breskens
ontwerp
1947 uitbreidingsplan voor Middelburg
ontwerp
- Bouw 1 947 p. 398-400
gedenkteken voor gevallenen Werkspoor te
Amsterdam
1948 gedenkteken voor gevallenen Werkspoor te
Utrecht
gedenktekens voor gevallenen te Veendam,
Naarden, Odoorn, Goirle
- Forum 1951 p.22-27
- Plan 1970 p. 220-290
136
flatgebouw te Veendam
ontwerp (in samenwerking met ir. Van Lingen)
portiersgebouw voor Werkspoor te Utrecht
woonhuis te Zuilen
uitbreiding en verbouwing
uitbreidingsplannen voor Veendam
1949 woningbouwcomplex te Roosendaal
- Bouwk. Weekbl. 1 950 p. 650-664
St. Walburgtoren te Zutphen
prijsvraagontwerp wederopbouw
- Forum 1950 p. 82 - 109, 113
- Bouw 1950 p.374
1950 meubelontwerpen direktiekamer Werkspoor te
Utrecht
fabrieksgebouw N.V. Staalmeubel te Velsen
geneeskunding dienstgebouw voor Werkspoor
te Utrecht
woonhuis te Zandvoort
ontwerp
1951 schakelgebouw G.E.B. te Arnhem
gebouwencomplex gemeentelijk vervoerbedrijf
te Arnhem
- Forum 1954 p. 133-135
- Bouw 1969 p. 1167-1180
Ned. Hervormde Kerk te Amstelveen "Kruiskerk"
- Bouwk. Weekbl. 1951 p. 329-337
- Technische Gids 1951 p. 225
- Bauwelt 1952 nr. 46 p. 181-183
- Forum 1953 p. 209-219
poldertoren te Emmeloord
prijsvraagontwerp
- Bouwk. Weekbl. 1951 p. 455
- Forum 1952 p. 60-66
1952 koffiekamer voor Werkspoor te Amsterdam
(samenwerking met architecten Langhout)
kantoor voor Werkspoor te Amsterdam
wijkgebouw in Oostenburg te Amsterdam
- Bouwk. Weekbl. 1953 p. 333-335

137
woonhuis H. Gorterstraat te Amsterdam
- Bouwk. Weekbl. 1952 p. 305-310
ontspanningsgebouw voor Werkspoor te
Amsterdam
(samenwerking met architecten Langhout)
- Forum 1952 p. 114-120
- Die Kunst und das schöne Heim 1953
p.185
1953 verpleeghuis "der Boede" te Koudekerke
- Bouwk. Weekbl. 1959 p. 447-449,458
ziekenhuis De Tjongerschans te Heerenveen
(samenwerking architect Istha)
vergaderkamersvoor Werkspoor
verbouwing
1954 drukkerij fa . Meyer te Wormerveer
(samenwerking met architecten Langhout)
- Bouwk. Weekbl. 1954 p. 218-222
apparatenfabriek Werkspoor te Utrecht
(samenwerking met architecten Langhout)
1955 zusterhuis voor diaconessenziekenhuis te
Naarden
woonhuis aan de H. Gorterstraat te Amsterdam
kantoorgebouw Vinke & Co te Amsterdam
verbouwing
1956 woonhuis aan de Minervalaan te Amsterdam
Ned. Hervormde Kerk te Amsterdam
"Opsta ndingskerk"
- Bouw 1957 p. 490-492
- Forum 1957 p. 539-553
- Katholiek Bouwblad 1957 p.209-219
- Bouw 1970 p. 1504-1505
manege in het Amsterdamse bos te Amstelveen
fabrieksgebouw Demkastaal te Utrecht
(samenwerking met architecten Langhout)
politiebureau en brandweerkazerne
te Vlaardingen
- Bouw 1964 p. 1366-1369
1957 schaftgebouw D.M.W. te Veendam
grafsteen te Veendam
woningbouw te Tilburg
woonhuis te Veendam , Julianapark
1958 rusthuis te Veendam
uitbreiding
raadhuis te Bergen
ontwerp uitbreiding
1959 fabrieksgebouw Amstelbrouwerij te Amsterdam
ontwerp
(samenwerking met architecten Langhout)
bestuursgebouw voor de Stichting IJsselvliedt
ontwerp
Diaconessenziekenhuis te Breda
(samenwerking met architect Istha)
- Bouwk. Weekbl. 1960 p. 443-446
- Het Diaconessenhuis Breda, 48 pag .
druk: Vada Wageningen 1956
expeditiebedrijf fa . Jonker te Veendam
- Bouwk. Weekbl. 1959 p. 426-427,432
1960 Verpleeghuis Aeneas te Breda
1e fase
politiebureau en brandweerkazerne
te 's-Hertogenbosch
kleuterschool te Veendam
1962 ontspanningsgebouw Werkspoor te Utrecht
kantoorgebouw Werkspoor te Utrecht
(samenwerking met architecten Langhout en
Huisman)
- Stichting Centrum Bouwen in Staal Rotterdam
NL 1965 p. 1-10
Ned. Hervormde Kerk te Rijswijk
"Johanneskerk"
- Bouw 1964 p. 1886-1889
Ned. Hervormde Kerk te Zeist "Thomaskerk "
- Polytechn . Tijdschr. 1964 p. 946-952
- Bouwk. Weekbl. 1964 p. 188-189
- Bouw 1965 p. 407
- Bouw 1965 p. 1292-1295
- Prof. Dr. G. v.d. Leeuw-Stichting p. 1030-
1042
1963 Centraal Ziekenhuis te Alkmaar
(samenwerking met architect Istha)
Ziekenhuis "Bethesda " te Tiel
(samenwerking met architect Istha)
- Bouwk. Weekbl. 1966 p. 206-212
- Het Ziekenhuiswezen 1966 p. 174-182
Ned. Hervormde kerk te Arnhem "Sionskerk"
- Prof. Dr. G. v.d . Leeuw-Stichting p. 1377-
1386
- Bouwk. Weekbl. 1965 p. 105-109
kantoorgebouw fa . Schröder te Amsterdam
Chr. Lyceum te Amsterdam
- Bouw 1965 p.1456-1461
- Bouwk. Weekbl. 1965 p.2-6
1964 woonhuis te Bergen
woonhuis te Amsterdam, Buitenveldert
rusthuis "de Molenhof" met wijkgebouw te
Zwolle
Ned. Hervormde kerk te Amsterdam
"Pinksterkerk"
- Bouw 1966 p.1068-1071
- TABK 1965 p.396-407
- TABK 1966 p. 201-210
fabrieksgebouw fa . Stibbe te Amsterdam
1965 raadhuis te Hoogezand Sappemeer
- Polytechn. Tijdschr. 1965 p.80-81
Streekziekenhuis "West Friesland" te Hoorn
(samenwerking met architect Istha)
- Bouw 1965 p.91
- Bouw 1965 p.1456 - 1461
woonhuis te Enschede
1966 Wilhelmina Ziekenhuis te Doetinchem
(samenwerking met architect Istha)
- Bouw 1962 p. 643
politiebureau en brandweerkazerne te Rijswijk
- Bouw 1966 p. 562-567

140
- Acier, Stahl, Steel 1968 p.89-93
kantoorgebouw G.E.B. te Arnhem
muziek- en balletschool te Veendam
1967 Hoofdbank van de Ned . Bank NV. te
Amsterdam (1954-1968)
- Heemschut 1957 p.75
- Forum 1957 p.250-300
- Polytechn. Tijdschr. 1957 p.836-838
- Polytechn . Tijdschr. 1957 nr. 8
- Forum 1957 nr.8
- Bouw 1961 p. 276-278
- TABK 1967 p. 604-606
- Bouw 1968 p. 271
- Bouw 1968 p. 932-934
- Bouwk. Weekbl. 1968 p. 418-428
Hoofdgebouw Luchthaven Schiphol
(samenwerking met architecten De Weger en
Kho-Liang-Ie)
- Polytechn. Tijdschr. 1963 p.176-181
- Der Baumeister 1963 p.222-223
- Bouw 1967 p. 1133-1174,1429
- Bouwk. Weekbl. 1968 p. 180-185
- Schiphol, 48 pag. Meyer Wormerveer z.j.
- Schiphol Amsterdam Stationsgebouw-
complex, 28 p.
NV. Luchthaven Schiphol (1975)
Diaconessenziekenhuis te Bergen op Zoom
ontwerp
(samenwerking met architect Istha)
1969 raadhuis te Landsmeer
- Bouwk. Weekbl. 1969 p. 386-389
verpleeghuis Aeneas te Breda
2e fase
(samenwerking met architect Istha)
Andreas Ziekenhuis te Amsterdam
(samenwerking met architect Istha)
- Andreas Ziekenhuis, 58 pag. Ned. Hervormde
Diaconessen-inrichting Amsterdam z.j.
politiebureau te Hoogezand
woonhuis te Amsterdam

141
ontwerp
1971 Streekziekenhuis "Ny Smellinghe " te Drachten
(samenwerking met architect Istha)
- Baksteen 1968 nr. 3 p. 10-11
- Christelijk Instellingswezen 1971 nr. 271
p. 7-17
verpleeghuis t.b.v. turn-key projecten
ontwerp
(samenwerking met architect Istha en bureau
Wiegerinck, Van Balen , Meurkens, Dorigo)
bejaardentehuis te Spanbroek
1972 Provinciehuis te Zwolle
- Bouw 1961 p. 208-211, 192
- Bouwk. Weekbl. 1961 p. 153-172
- Bouw 1963 p. 1056-1057
- V.E. bestek 1973 nr. l p . 4-13 .
Uitgave Van Egteren Bouwnijverheid
-Bouw1974 p. 151
- Provinciehuis Overijssel.
Uitg. Provinciaal Bestuur van Overijssel, z.j .
1973 raadhuis te Heemstede
uitbreiding en verbouwing
Ned. Kankerinstituut te Amsterdam " Antoni
van Leeuwenhoekhuis"
(samenwerking met architect Istha)
Bankgebouw A.B.N . te Amsterdam
- Heemschut 1966 nr. 6 p. 126-134
- Ankertros 1966 nr. 8 p. 3-8 .
Uitg . A.B .N.
- Bouw 1968 p. 11 52
- Kringloop 1973 nr. 18 p. 2-5.
Uitg . Techn . Buro Beuker Amsterdam
- Bouw 1974 p.743 -749
Cultureel Centrum "d'Oosterpoort"
te Groningen
(samenwerking met architect Kramer)
- Baksteen 1975 nr. 6 p. 10-13
- Tijdschrift voor Theater Techniek 1972
nr. 2 p.20

142
Provinciehuis te Assen
- Bouw 1973 p. 1429-1433
- Architectural Review 1973 nr. 911 p. 29
- Polytechn . Tijdschr. 1974 p. 35-43
- Provinciehuis Drenthe, uitg . Provinciaal
Bestuur van Drenthe, z.j .
rusthuis "Batenstein" te Vianen
(samenwerking met architect V.d. Heiden)
bejaardentehuis " De Paasbergen " te Odoorn
- Bouw 1973 p. 1466
woningbouw "Essenstein" te Voorburg
ontwerp
1975 raadhuis te Naaldwijk
- Informatie Bulletin Naaldwijk, aug . 1975
p. 3-20
verpleeghuis "Nieuw Vrijthof" te Tiel
(samenwerking met architect Istha)
1978 Bankgebouw A.B .N. te Utrecht
verbouwing
1982 Hoofdbank "Bank of Thailand" te Bangkok
(samenwerking met arch.buro De Weger)
- Bank of Thailand.
Uitg. B.T., z.j .
- Bangkok Post/ World. Supplement 12-07-82
Ziekenhuis "Rivieren land" te Tiel
(samenwerking met architect Kramer)
1983 raadhuis te Lisse
(samenwerking met architect Van Willegen)
- Het Gemeentehuis van Lisse.
Uitg. Gem . Lisse 28 pag. 1983
- Bouw 1985 p. 38

143
Inhoud
Pag.
Voorwoord 7

Inleiding / jeugd 7
Woonhuis te Leeuwarden 11
Vakantiehuisje te Borger 16
Amsterdamse raadhuisprijsvraag 26

Tweede periode 33
Oorlogsmonumenten 33
Ontspanningsgebouw te Zuilen 29

Derde periode 59
Het huis Katsura ..... . . . . 61
Raadhuis te Landsmeer 1965-1968 62
De kerken, de vier 65
De Nederlandsche Bank 85
De Provinciehuizen · 113
- Overijssel - Zwolle · 113
- Drenthe - Assen · 118
Christelijk Lyceum "Buitenvelder!" . 120
Stationsgebouw Schiphol . 123
De ziekenhuizen . 128
Andreasziekenhuis .129
Epiloog . . . .. · 131
Biografische notities . 133
Lijst van Werken en Bibliografische notities · 135

144