P. 1
Blauwe Aarde

Blauwe Aarde

|Views: 423|Likes:
Published by Adam Adams
Metaphorical story about the life of Adam and Eve in the beginning of the 3rd Millennium. How humanity came to earth, lost paradise and the search for the new paradise. Language: Dutch.
Metaphorical story about the life of Adam and Eve in the beginning of the 3rd Millennium. How humanity came to earth, lost paradise and the search for the new paradise. Language: Dutch.

More info:

Published by: Adam Adams on Dec 10, 2010
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF or read online from Scribd
See more
See less

12/10/2010

pdf

1

2

adamadams
blauwe aarde
[een romance]

3

Blauwe Aarde, tweede editie juni 2008 Copyright © Adam Adams 2008 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, fotokopie, microfilm, gehele of gedeeltelijke bewerking, of op enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Omslagontwerp, vormgeving en typografie binnenwerk: Adam Adams Druk en bindwerk: GZ Digital Media Tsjechië ISBN 978 90 812459 1 3 NUGI 301

http://www.adamadams.net

4

Voor Eva, uiteraard.

5

6

I
‘Wie ben ik? Heb je enig idee welk dier ik imiteer?’ Eva houdt haar handen ter hoogte van de oren naast het voorhoofd, beweegt haar boventanden over haar onderlip en zit geknield op het groene gazon in mijn Amsterdamse achtertuin. Met haar linkerhand maakt ze vervolgens een lange, licht golvende en vloeiende beweging naar achteren, om zo aan te geven dat het dier een lange staart heeft. ‘Een konijntje, misschien? Oh, nee, dat kan niet. Die heeft geen lange staart.’ ‘Nee, nee, maar je bent er bijna,’ antwoordt ze geestdriftig. ‘Het lijkt er wel een beetje op, maar niet helemaal.’ ‘Een haas?’ ‘Hazen hebben ook geen lange staarten.’ Ze beweegt haar tanden nog een keer en doet alsof ze van een vrucht of een noot zit te smikkelen. Welk dier houdt van nootjes?, vraag ik mij af. Het is geen konijn, wellicht is het de een of de andere vogel? Een klein knabbelend dier met een lange staart... maar waarom op de hurken? Hoe heet dat diertje alweer? Knabbeltje? ‘Een eekhoorn! ’t Is een eekhoorn,’ antwoord ik. ‘Ja, super. Jij bent aan de beurt.’ Ze kirt van plezier. Ook ik moet hardop lachen. ‘Nu ben ik.’ Ik hou mijn wijsvinger op mijn voorhoofd, veeg met de rechtervoet over de grond en maak daarbij een briesend geluid. ‘Bbbbrrrrr, bbbbbrrrrrr...’ ‘Een paard? Imiteer je een mustang?’ Ik schud met mijn hoofd. ‘Nee.’ Ik beweeg iets nadrukkelijker met mijn linker wijsvinger. ‘Let op mijn wijsvinger.’ Ik bries nogmaals en beweeg mijn rechtervoet. Het is een bepaald soort paard, een heel oud paard,’ licht ik haar toe. ‘Een heel oud paard? Hoe oud? Ik kan je zo niet volgen.’ ‘Let op mijn vinger,’ herhaal ik. ‘Mijn vinger is een...? Het lijkt een beetje op eekhoorn.’

7

‘Ah, ik begrijp je. Je bent een eenhoorn. Heb ik het goed?’ ‘Ja, je hebt het juist. Je bent écht slim.’ Ze springt op en zo, ineens, paardje hop mijn rug. ‘Huhu,’ hinnikt ze en met haar hakken tikt ze in mijn zij. Wij rijden een rondje door de tuin en schateren het uit van de pret. Met een steigerende beweging gooi ik haar op het gras. ‘Kan ik je nog iets te drinken aanbieden?’ ‘Lekker. Ik heb wel zin in iets fris en als je wilt mag je mijn voeten masseren.’ Ze kijkt verkwikt op bij de gedachte aan een massage. ‘Maar dat van die eenhoorn, dat is niet echt eerlijk. Wij zouden dieren nadoen en proberen deze te raden, maar eenhoorns zijn geen echte dieren. Het zijn mythologische dieren. Fabels.’ ‘Natuurlijk zijn eenhoorns echte dieren, alleen bestaan ze net als dinosauriërs of sabeltandtijgers niet meer en wie weet, binnen niet al te lange termijn andere dieren als tijgers of walvissen. Het mag niet zo zijn, eenhoorns bestaan inderdaad al lang niet meer omdat ze door de mens vervangen zijn voor schapen. Ze hebben geleefd voordat de geschiedschrijving begon, zoals je zegt uit de mythologische tijd. Vertellingen van meer dan zesduizend jaar geleden, voor het schrift. Wat zal ik voor je maken? Verse jus of wil je thee? Heb je zin in een extra kopje koffie? Wil je er een broodje bij?’ Eva antwoordt of ik voor haar thee wil maken, geen broodje en het antwoord weet ze al, dat doe ik met plezier, alles wat ze vraagt doe ik met liefde. Thee, koffie, kinderen, broodjes, ik maak het graag voor haar. Ik loop naar de keuken, zet water op het vuur en doe thee met citroen in de theepot. Twee porseleinen kopjes neem ik uit de kast, theelepeltjes ook en ik zet alles op het dienblad. De massageolie haal ik uit de badkamer. Met het dienblad loop ik tuin in. Wij zitten aan de lange tuintafel onder de kersenboom. Hij is bijna in bloei, een paar bloemen hebben zich al geopend, maar de meeste zitten nog in de knop. Enkele meeuwen vliegen over en in de linde van de buren zit een Vlaamse gaai.

8

Enkele merels doen zich tegoed aan de zaden die ik in de boom heb gehangen. Achter in de tuin glipt een eekhoorntje de hoogte in – vandaar dat Eva een eekhoorn imiteerde – en of ik het nu goed zie en hoor, maar het lijkt alsof hij naar ons zwaait en “nou moe” tegen ons roept. ‘Alsjeblieft, hier een kopje thee. ’t Is goede thee,’ zeg ik zodra ik mij weer naar haar richt. ‘Dank je wel, Adam.’ “Met deze thee maken wij het lichaam schoon en puur, het geeft je lichaam balans en zuivert de bloedvaten”, staat op de verpakking en echt lekker. Ik neem een slokje, Eva ook. Ze kijkt mij aan met helderblauwe ogen en glimlacht haar rode mond. Ze rekt zich uit, haar volle lengte van een meter tachtig strekkend. Ze haalt haar handen door haar golvende haren, lang en blond. ‘Ik ben zo gelukkig als je goed voor mij zorgt. Ik heb hier eigenlijk altijd wel behoefte aan, dit soort vroege middagen in de zon achter in de tuin op het terras. Fijn, echt lekker, doe je mij nog een kopje?’ Ze reikt het kopje aan. Ik schenk weer een kopje thee voor haar in. Ze had al kort na het opstaan gezegd dat ze wat pijn aan haar voeten had van al het jagen en rennen van de afgelopen week en aldus verwen ik haar voeten met een lichte massage. Ik giet een scheutje olie in mijn handpalm en neem met mijn rechterhand het theekopje, breng deze naar mijn mond en neem nog een slokje. Het is theetijd. Mijn handen wrijf ik verder in. Ze is echt dol op mijn verwennerij. Net als ik. Wat wil een mens nog meer? Nice and slow – prettig en langzaam. In haar rechtervoet open ik haar nek, schouderpunten, haar hypofyse, lever, nieren, longen en haar hart. Geniaal dat de voetzolen het lichaam aanwijzen, het geheel verbergen. Eva ligt stil op de chaise-longue en geniet met haar ogen dicht. Wij hebben weinig tijd, er is nog veel te doen, niet alleen vanmiddag; de rest van het weekend ook. Eerst moeten wij

9

nog de stad in, Eva om kleren te kopen en ik heb kort een afspraak buiten de deur die ik niet meer verzetten kon. Ik heb geen rekening gehouden met het feit dat ze dit weekend bij mij zou zijn en de afspraak met Pi had ik al meerdere malen uitgesteld. Het is niet anders. Ik neem vervolgens haar linkervoet in mijn handen en verzorg de lymfeklieren in de lies, de wervels van haar rug, de lever, de zonnevlecht, totdat ze aangeeft dat de vermoeidheid verdwenen is. Ze voelt zich behaaglijk en ze is tot rust gekomen, de massage, de zon en de thee doen haar duidelijk goed. ‘Ik wist niet dat een mens zo moe kon zijn,’ zucht ze. ‘Ik heb mij de afgelopen weken helemaal afgejakkerd en was echt bek en bekaf. Gelukkig heb ik de laatste nacht zacht in je armen geslapen.’ Ze rekt zich uit, geeuwt uitgebreid lang om haar luilekkerheid te benadrukken. ‘Vanzelfsprekend, onze omarming in de droomwereld is als vanouds, de innige band. Een wonderlijke eenheid.’ ‘Ik ga afwisselend warm en koud douchen om helemaal op te kikkeren. Ik heb nieuwe en frisse energie hard nodig,’ merkt ze op. ‘Mijn voeten tintelen helemaal.’ Ze kijkt mij aan alsof ze nog niet helemaal beseft dat wij vandaag samen zijn, dat ze bij mij thuis is. Ze loopt naar binnen, gaat de trap op en de badkamer in. Ik besef het ook niet helemaal. Het douchewater klettert op de marmeren vloer van de badkamer. Haar stem klinkt vrolijk. Ze zingt een Russisch volksliedje. Een uur later ben ik klaar met douchen, helemaal opgeknapt zijn wij en wij voelen ons als de zon, helder, vol warmte, glimlachen en vooruit maar weer, hup met de geit. Wij kunnen er weer tegen. Ik loop het souterrain in, naar de keuken en zeg tegen Fionae, een kunstenares die naast haar schilderkunst de kunst van het koken tot in haar vingertopjes beheerst, dat wij enke-

10

le uren de stad in zijn en dat wij rond zessen het bezoek verwachten. Ze heeft haar zwarte haren in een knotje. ‘Hoe staat het met de voorbereidingen voor het diner vanavond?,’ vraag ik aan haar. ‘Loopt alles op rolletjes?’ ‘Maak je geen zorgen Adam. Alles zal er tip top uitzien, precies zoals je mij hebt geïnstrueerd.’ ‘Goed Fionae, dat maakt mij blij. Tot later.’ ‘Tot later.’ Het doet mij deugd dat ze mij tutoyeert. Gelijkheid en openheid is mij welgelegen, want een mens moet vervuld zijn van enige culturele bagage, bescheidenheid en goede manieren sieren een mens, wij zijn gelijk en allen toch anders. Wij gaan met de fiets. Eva neemt de damesfiets uit de garage en ik neem de herenfiets. Het is logisch en zo gebeurt het ook. Wij fietsen linea recta naar het centrum, ik voorop en Eva steunt en kreunt achter mij aan; ze wordt opgehouden door een grote groep toeristen die nog nooit een fiets hebben gezien, zo lijkt het. Het Vondelpark lonkt met haar verse groene lentekleuren. De Singelgracht, Marnixstraat, Leidsegracht. Wij rijden naar het Spui. Ik zet mijn fiets tegen een verkeersbord bij het Lieverdje. Eva zet de hare tegen de mijne. Via het Begijnhof lopen wij door de binnenstraat van het Amsterdams Historisch Museum waar wij de schuttersstukken bekijken en ik haar over de geschiedenis van de schutterijen vertel. De portretten bekijken gelaten onze blikken en wij kijken naar de kleurrijke pracht van de kostuums en de vlezige gezichten van de schutters. Wij voelen ons prima en schoon en Eva’s haar omringt haar perfecte gezicht. Via het Rokin lopen wij naar de Dam, stoppen voor enkele ogenblikken en kijken om ons heen. Het plein staat vol met juichende en dansende Arabieren. Een stuk of vijfhonderd, duizend misschien. Ik ben niet zo goed in het schatten van menigtes. Enkelen zitten op een dromedaris. De beto-

11

gers dragen spandoeken met “Thank you USA!”, “Freedom and Peace for the People of Irak”, “Fuck Hussein!” Er zijn veel spandoeken in het Arabisch, maar die taal beheers ik niet, hoewel ik aanneem dat deze spandoeken min of meer dezelfde boodschap uitdragen. Een lied van Ilham Al Madfai schalt door een megafoon. Ik herken zijn stem. Eva vraagt wat er aan de hand is. ‘Bagdad is gevallen en bevrijd door de Amerikanen. Eindelijk vrede in Irak. Wist je dat nog niet?’ Ze kijkt mij verbaasd aan. ‘Nee, hoe moet ik dat weten? Ik heb de hele week hard gewerkt, veel gereisd en ik heb helemaal geen tijd gehad voor het nieuws en de kranten. Ik ben bij jou en al het andere interesseert mij niet zo. Maar er is eindelijk vrede voor de Irakezen. Het werd tijd. Mogen ze in vrede leven en gelukkig worden. Super. Ik ben heel erg blij voor ze!’ Ze springt op van vreugde en gooit haar armen omhoog in een jubelstemming. Ik geef haar een dikke knuffel. ‘Dat is een goede wens. Mogen de Irakezen in vrede, in plaats van in ira, kezen. Ze zijn eindelijk verlost van die engerd van een Hussein,’ roep ik uit. Vervolgens: ‘Kom op, wij moeten verder. Ik moet voor half vier op de Nieuwmarkt zijn. En jij hebt ook nog het een en ander te doen.’ Wij steken de Dam over, dwars door de feestvierende menigte. Enkelen staan ons aan te kijken alsof wij van een andere planeet komen en draaien zich om. Deze reacties roepen Eva en ik wel vaker op als wij samen zijn, dat was het afgelopen weekend in Parijs zo en ook nu draaien de hoofden om zodra wij passeren. Wij zijn hier zo langzamerhand wel aan gewend, terwijl wij toch gewone aardlingen zijn. ‘Weet je?,’ vraag ik aan haar, ‘een paar jaar geleden was hier op de Dam Nelson Mandela voor een kranslegging bij het oorlogsmonument en weet je wat toen het meest bijzondere was?’ ‘Nee, ik heb geen idee waar je naartoe wilt... Vertel. Ik ben

12

benieuwd.’ ‘In de week voordat hij in Amsterdam was had het alleen maar geregend. Er was niet eens een minuut zonneschijn. Komt die Mandela uit het Koninklijk Paleis, loopt het plein op en in een keer breken de wolken open. Hij zet een stap naar buiten en ineens een heldere blauwe lucht, zonnestralen op de stenen van het plein, op de hoofden van de toeschouwers, op de kransen die tegen het monument werden gelegd. Dat was zo bijzonder. De toeschouwers scandeerden zijn naam: ‘Nelson! Nelson!’ Nog geen half uur later, na de kranslegging, ze zijn weer binnen in het paleis, sloten de wolken zich weer, werd het weer donker en begon het dagenlang te regenen. Apart, is het niet? Wat mij betreft trouwens mogen ze het oorlogsmonument vervangen voor een vredesmonument. Dat lijkt mij een stuk inspirerender.’ ‘Ja, dat is zeker bijzonder, alsof hogere machten een speciaal licht laten schijnen op een van de meest bijzondere mensen. Echt heel erg apart,’ merkt ze op. ‘Mandela, dat is een beste man, wat een gouden hart.’ ‘Net zoals het weer vandaag is, zo was het toen voor even. Is het je al opgevallen dat het uitzonderlijk warm is voor de tijd van het jaar, dat er geen wolkje aan de lucht is?’ ‘Het is lente. Eindelijk.’ Ze slaakt een zucht van verlichting. ‘Kom, ik ga shoppen.’ ‘Wacht even. Heel even. Er schiet mij iets te binnen. Een gedichtje voor Nelson Mandela. Ehmm, eh,’ mompel ik. ‘Het gaat zo: Er is één man uit de Afrikaanse hoogvlaktes Abra k’adabra lala – Tsjoekie joekie train – Wuh huh! Reizend incognito en vechtend in cogito Voor zijn vrijheid in afzondering, voor zijn recht En nooit gebroken in zijn wil Door betonnen steden Over weilanden groen

13

Op de Tafelberg Voor gerechtigheid Heeft hij gestreden En strijdt hij nog steeds Zijn gedachten zijn verhoord Zijn gezicht is gezien Zijn wil is wet Amandla! Mandala! Mandela!’ ‘Aardig gedichtje hoor, zelf verzonnen?’ ‘Uiteraard zoethart, uiteraard.’ ‘Je hebt talent Adam, daar moet je echt meer mee doen.’ ‘Is het werkelijk?’ ‘Nou ja, ik ben meer van Pushkin, of Tsjechov. Jouw stijl is een beetje kort en bondig indien ik het mij mag veroorloven. Ik hou van meer sierlijke gedichten, maar je gedachte is goed. En dat van die trein vond ik wel grappig.’ ‘Tja, daar vertel je mij wat... Ehm, ga jij maar winkelen en ik ga op het terras zitten met Pi.’ Wij nemen afscheid. ‘Tot zo. Veel plezier met het winkelen.’ Ik kus haar voorhoofd. ‘Dag.’ Ze beroert met haar lippen de mijne. Iedere kus is als de eerste. Daarom ben ik zo stapel op haar. Het voelt altijd goed. Altijd. Ze gaat op zoek naar een nieuwe jurk en, als ze het vinden kan, naar een cadeau voor Lana en Kris die om zes uur komen. Ik heb met Pi (3,1415926535897932384626433832795028 84197...) afgesproken. Ik ken hem nog uit de tijd dat hij zich Pythagoras noemde. Lang geleden heb ik een beeldhouwwerk van hem gekocht dat ik stilletjes de Ark van Mozes noem. Hij

14

noemt zijn kunstwerk normaliter boot. Wij hebben afgesproken op het terras bij café Cuba op de Nieuwmarkt. Het weer is verrassend zacht, de winter is geheel uit het gezichtsveld verdwenen en ik loop via de Damstraat, Oude Hoogstraat en de Kloof het plein op. Ik steek deze over en stap op hem toe. Hij is zoals altijd en net als ik keurig op tijd. Hij reikt mij een hand. ‘Hallo.’ Ik zeg tegen hem dat de stad zo netjes is, de pracht en praal en dat het er uit ziet alsof het gisteren is geverfd als je het vergelijkt met veel andere steden in de wereld. Pi lacht zijn tanden bloot, handen als aambeelden, een beer van een vent. Zijn hoofd vierkant en trots. Grijze ogen. Wij gaan zitten. ‘Amsterdam is zo’n prachtige stad,’ zegt Pi. ‘Vertel mij wat. Het blijft mij iedere keer verbazen als ik terugkom van een reis,’ zeg ik. ‘Wat een verschil met een jaar of dertig, veertig geleden, toen was het hier op de Nieuwmarkt een grote bende.’ Pi is op zoek naar de bediening en ik kijk tevens rond. ‘Ik was een paar maanden geleden nog in Odessa in de Oekraïne aan de Zwarte Zee en weet je, echt, het is werkelijk een bijzondere stad; zo sierlijk als de gebouwen daar zijn. Maar nu is de halve stad afgebladderd en deels ingestort. Het is niet meer wat het ooit was. Het moet er in de 18e eeuw echt prachtig hebben uitgezien. Enkele stukjes in het centrum zien er nog goed uit zoals de opera en het stadspark,’ zeg ik. ‘Veel wegen zijn stuk, het openbaar vervoer is uit de jaren vijftig, of nog ouder en ze hebben daar geen cent te makken, denk je zo. Je vraagt je toch af hoe het komt dat die matrozen die toen niets te eten hadden het vuurtje hebben aangewakkerd om het Russische keizerrijk van de Romanovs te onttronen en honderd jaar later ligt er nog meer in puin. Wat een armoede. Tja, communisten, hè. Krijg je ervan, zodra je alles overlaat aan vadertje staat en de mens alleen een gebruiksvoorwerp

15

is in de handen van de machtige wil van de heersers. Daar waar de mens niet mag beslissen en oordelen over de invulling van zijn eigen leven.’ ‘Ach ja, Odessa, stad van Catherina de Grote, de kanonnen van de Potemkin,’ associeert Pi, een kunstkenner pur sang. ‘Weet je wel die ene film van die ene vent, eh, hoe heet hij alweer? Wie is het... Pudovkin, Vertov? Nee dat zijn ze niet, eh, potverdorie, hé, help mij even. Je moet dit toch weten? Je bent er net geweest, eh wacht, wacht, ik heb het. Ik heb het. Het is een film van Eisenstein.’ ‘Ja klopt, die oorlogskruiser, die Potemkin, de trappen uit de film zijn er nog, duizenden malen is zijn manier van monteren nageaapt, die film is echt klassiek te noemen. De kruiser is niet meer, de standbeelden van de keizerlijke leeuwen zijn verdwenen, twee ervan staan ergens achteraf,’ onderbreek ik Pi. ‘Die Eisenstein, weet je wel, die heeft eens een film gemaakt over Ivan de Verschrikkelijke, die tsaar die iedereen vermoordde die niet in zijn straatje paste, een Stalin avant la lettre, net als die idioot van een Hussein. Eisensteins’ film “Ivan” ging eigenlijk over Stalin, maar ja, dat mocht je toen niet opmerken, anders was je de pineut in de CCCP. Dat hadden ze toen niet bedacht; ach, ja die matrozen op de Potemkin, zelf hadden ze niets, helemaal niets, het zal je maar overkomen. Honger als paarden hadden ze.’ Wij plaatsen een bestelling. ‘De afgelopen honderd jaar bijna alleen maar ellende daarzo. Twaalf jaar na de kleine revolutie aan de kust van de Zwarte Zee, op die Potemkin, kregen ze de grote Russische revolutie, de Eerste Wereldoorlog, de witten tegen de roden, Lenin, de grote hongersnood in de dertiger jaren, zes miljoen slachtoffers. Hitler en trawanten kregen ze er ook nog eens overheen, daarna Stalin. Wat hebben de Oekraïners de afgelopen eeuw geleden. Maar ze zijn nu wel gelukkig af van de Russen, eindelijk is de Oekraïne een vrij land. In Rusland zelf is de oude vertrouwde KGB aan de macht,’ peins ik,

16

‘maar al met al gaat het er niet zo heel erg slecht. Ze hebben een donker verleden te verlichten. Net als de Amerikanen in Irak. Heb je de demonstratie op de Dam gezien?’ Met opgetrokken wenkbrauwen kijk ik hem aan. ‘Nee, wat is daar aan de hand?’ ‘Irakezen die de bevrijding van Bagdad vieren. Ze staan te dansen en te juichen dat het een lieve lust is.’ ‘Feestvierende Irakezen? Dat wil ik zien.’ ‘Dan moet je snel zijn. Volgens mij liep het al een beetje op zijn einde zojuist.’ ‘Ach, laat maar. Ik moet nog eerst zien of het daar wel beter wordt de komende jaren. Die Amerikanen zijn nog lang niet af van het verzet. Maar het is wel OK om te zien dat de Arabieren hier in Amsterdam feest aan het vieren zijn en zo is het waarschijnlijk ook in Bagdad. Die Hussein! Dat is mij toch een griezel. Wat een gebakje.’ ‘Niet een erg lekker gebakje, als je aan mij vraagt.’ ‘Zeker, ’t is oude rotte appelvlaai.’ ‘Je hebt gelijk.’ ‘Wat een gezeik toch, Pi. Word je daar nooit moedeloos van?’ ‘Daar hou ik mij het liefst niet mee bezig. Voor mij is het een soort van tijdverspilling, niet dat ik niet betrokken ben, maar ik wil mij concentreren op mijn eigen werk en wereld.’ ‘Tja Pi,’ stel ik, ‘de tuin wordt weer eens overhoop gehaald.’ Ik schud mijn hoofd en kijk verdrietig. Het is druk op de Nieuwmarkt, de kraampjes worden langzaam afgebroken en de vrachtwagens rijden aan en af. De terrasjes zitten overvol en het bulkt van de zonaanbidders. Bij café Cuba draaien ze muziek van Los Zafiros. Ze zingen over het hart – el corazón. ‘Ik denk er hetzelfde over als jij doet, hoewel ik de ogen er niet voor sluit. Kijk eens naar de Oekraïne. Honderd jaar bijna alleen maar ellende. Gelukkig zijn de ketens daar zowat af. Als je het ziet daar, het gaat echt snel hoor. Ze weten daar

17

wel van wanten. Ik was nog in Kiev en daar stampen ze alsof het niets is in een paar jaar tijd wijken voor miljoenen uit de grond, dat is niet niks hoor! Tjakka, twee, drie jaar verder en weer honderdduizenden woningen erbij. Haha Havana. Werkelijk, hier is het allemaal een stuk rustiger en kleiner. Eigenlijk moeten wij hier naar een economie van afname. Wij vreten en stoken met zijn allen de hele aarde op en dat kan zo niet verder. Indien wij zo doorgaan is er over een eeuw niets meer over,’ zo overpeins ik de toestand. ‘Er moet meer rust in de wereld komen.’ Ik krijg nu pas in de gaten dat ik alleen maar door zit te praten en dat Pi er echt nauwelijks een speld tussen kan krijgen, maar ja, wat maakt het uit. Dus vraag ik aan hem: ‘Maar enfin, vertel eens, hoe is het met de kunsten? Je was toch bezig met een tentoonstelling in Duitsland, of was het in Spanje?’ Ik hou voor even mijn mond dicht. Het is druk, heel erg druk op de Nieuwmarkt. Iedereen op het terras kwettert door elkaar heen, alsof ik de enige ben die zwijgt. De serveerster brengt de koffie verkeerd en een verse jus. Pi neemt de koffie. Wij zetten de bestelling op een rekening, want voorlopig zijn wij nog niet bijgepraat. Leuk dat ik hem weer eens zie. ‘Het is lang geleden,’ mompelt Pi. Hij roert door de koffie en neemt een slokje. ‘Dat in Duitsland is nog in de oriënterende fase. Zal mij benieuwen of dat door gaat.’ ‘Allemaal zo lang geleden,’ herhaal ik terwijl mijn gedachten bij Eva zijn. ‘Klopt, klopt, veel te lang geleden. Wat zei je eergisteren aan de telefoon? Is Eva hier in Amsterdam?’ ‘Ja, ze is kleren aan het kopen in de Bijenkorf. Weinig tijd hè en altijd druk. Ik vroeg nog of ze mee wilde komen om kennis te maken, maar dat zag ze geloof ik niet zo zitten.’ ‘Hoe is het met haar? Bevalt Amsterdam haar een beetje en hoe gaat het met jullie tweeën? ‘Goed. Heel erg goed zelfs. Echt, wij houden zoveel van el-

18

kaar... Niet te geloven na al die tijd, met wat er allemaal is gebeurd tussen ons. Enfin, je weet er alles van. Wij waren het vorige weekeinde in Parijs en ieder moment was prachtig. Zodra ik haar zie, aanraak, wij samen zijn; dan is er zoveel warmte voor haar in mijn hart. Ongelooflijk, wat een vrouw, wat een energie, wat een schoonheid.’ Ik zucht diep en slik. Er valt een korte stilte. ‘Wat heb ik haar gemist.’ Pi is beeldhouwer, schepper van werelden, kroonluchters van planeten en sterren. Magneet. Diabolo. Meubels van staal. Hij is succesvol en zijn werken peperduur. ‘Het is echt OK,’ zegt Pi over zijn werk. ‘Kijk, centen heb ik vroeger nooit gehad, de kunsten, hè. En nu wil ik altijd weer net een beetje meer. Ik heb mijn prijzen de laatste jaren drastisch verhoogd en het gaat stukken beter. Zo werkt dat toch? Je moet de mensen met poen en poot uitdraaien, vraag je de helft denken ze dat het niets is, geen kwaliteit, dus momenteel vraag ik het driedubbele en weet ik het werk niet aan te slepen. After Eight effect, zo noem ik het maar. Werkt altijd en vergeet niet dat mijn werk van de hoogste kwaliteit is. Een werk van mij kan wel honderden, wat zeg ik, duizenden jaren mee. Klagen, nee, dat is er echt niet meer bij, als je ziet wat ik allemaal te doen heb en hoeveel opdrachten ik binnen sleep. Ik heb het druk, de stad is druk. Het is ongelooflijk, zo’n klein stadje eigenlijk, Amsterdam en zoveel te doen. De meeste kunstenaars in de stad hebben geen cent te makken, ze werken zich een slag in de rondte en toch, dynamischer krijg je het bijna nergens in de wereld, al ziet het er in eerste instantie niet eens zo uit. Als je ziet wat er gebeurt, alleen de komende weken al. Hij pakt de Uitkrant die op de tafel naast ons ligt en laat het zien. Pagina’s vol met allerlei kunstige activiteiten. Er komt geen einde aan. Mijn hart krijgt ineens een aantal extra tikjes. Alsof de klok overslaat en niet meer helemaal synchroon loopt met mijn horloge. Ik moet toch maar eens aan een cardiogram, de laatste tijd blijft het maar rammelen van binnen. Al dat ge-

19

ren is niets voor mij. Lijkt mij wel gaaf, aan een hartapparaat en de uitslag lezen. Volgens mij lijkt het een beetje op de beurskoers van de AEX; aandelen voor het hart. Wij drinken er nog een paar, een gin-tonic voor hem en voor mij een whiskey met limoen, hoe verzin ik het en toch echt lekker. Puristen zijn totaal afzijdig van een whiskey met limoen en veel ijs, maar ik vind het lekker. Wij hebben het over de open ruimte in de beeldhouwwerken van Henry Moore en Barbara Hepworth. Met een beetje mazzel was de beer los gegaan, want de vrouwen hebben er weer zin in, ’t is lente en ik lust er wel pap van, maar ik ben al voorzien. Ik hou van een vrouw only en aan mijn lijf geen polonaise. Het is alweer ruim na vieren, de zon is duidelijk over zijn hoogtepunt heen en zakt langzaam naar het westen, het licht begint te verflauwen, het plein kleurt ietsje zachter; een tintje donkerder. Mijn mobiel rinkelt en ik neem op. Het blijkt Wilhelm te zijn. Hij is op het Waterloo en binnen geen tijd op de Nieuwmarkt. Ik stel Wilhelm voor aan Pi en Pi aan Wilhelm. ‘Zo Wilhelm, jee, ik heb je in geen eeuwen meer gezien en gesproken.’ Ik vraag mij af waarom hij er is. Normaal gesproken is hij er alleen als hij iets nodig heeft, dus ik ga ervan uit dat het de afgelopen tijd goed met hem is gegaan en dat hij weer zwaar in de problemen zit. Eigenlijk mag ik hem wel die Wilhelm, als hij maar niet zo overdreven zoetjes doet, daar kan ik echt niet meer tegen. ‘Hé Wilhelm. Hoe is het? Long time no hear! Zullen wij weer eens een keertje sporten?’ Wilhelm is mijn oude squash makker en producent van televisiedocumentaires. Hij zegt niets. Ik hoor slechts een zucht en enkele geluiden op de achtergrond. Een auto die voorbijraast. ‘Wilhelm, wat is er man? Ben je je stem kwijt? Wat is er aan de hand? Tong verloren?’ ‘Nai, nai het ies niet main stiem. Met main stiem iest alles

20

in ordning.’ Eens een Duitser, altijd een Duitser, ach ja, dat accent zal hij waarschijnlijk nooit afleren, denk ik. Alle accenten hebben zijn charme en alles is prima hier op het terras. Maakt niet uit. Wilhelm ziet er een stuk beter uit. Hij is zeker een kilo of tien, vijftien zwaarder geworden. Was het vorig jaar, of is het alweer twee jaar geleden? En zijn kleren zien er ook een stuk beter uit. Het gaat dus blijkbaar en gelukkig maar al een tijdje beter met hem en heeft hij mijn hulp niet zo nodig zoals ik het eerst veronderstelde. Goed zo. In de lichte schaduw van de zon verpozen wij en ik kijk op mijn horloge. Nog een rondje voordat ik de pleiterik wil maken en mijn spullen pak. ‘Wilhelm, iets te drinken?,’ vraag ik, ‘een cocktail misschien, je bent toch zo verzot op klassieke Martini, net als James, of wil je een Electric Smurf? Errug lekker, very sweet, echt iets voor jou dus, maar die zullen ze hier vast niet hebben, denk ik zo, Cuba, Cuba, Cuba... weet je een rondje voor ons drieën, een Caribbean Sunset lijkt mij wel gepast bij deze gelegenheid. Ik draai mij om en zoek naar de bediening. Ze staat vlak achter ons. ‘Zeg, beste meid, maak voor ons eens drie Caribbean Sunsets. Gin, Blue Curaçao, citroensap, slagroom, grenadine ennuh, ik ben iets vergeten eh, wat is het ook alweer. Oh ja en Crème de Bananas. Heb je dat?’ ‘Ja, dat kan wel,’ antwoordt ze niet geheel zeker. ‘Eh, drie Sunsets?’ ‘OK, jongens, drie Caribbean Sunsets?’ Wilhelm en Pi knikken. ‘OK.’ ‘De ingrediënten, ieder dertig milliliter, behalve de grenadine, een klein scheutje maar en ook wat ijsklontjes alsjeblieft.’ Wilhelm kijkt mij aandachtig aan en proeft mijn enthousiasme. Hij heeft mijn opmerking van zojuist serieus genomen, over of hij zijn stem kwijt zou zijn, wat hij eigenlijk niet moet doen. Vandaag ben ik in een vrolijke bui zoals de Irakezen op de Dam en neem ik het leven precies zoals het is. Ik heb alleen behoefte aan fun, fun, fun, niet te serieus, mag dat?

21

Maar Wilhelm ziet mijn gedachten niet en komt al snel op volle toeren, 33 toeren per minuut, net als Chiel Montagne doet. Hij spreekt gedragen over Indiase musicals en balletten met de sierlijkste nimfen. Shiva, Ganesja. De Odissidans, een slanke vrouwenvoet bekleed met een gele schoen, links met de hak op de grond, de tenen naar boven gericht, de rechtervoet plat op de grond, in een beweging, in een cirkelbeweging voor het linkerbeen langs, op de tenen halt, de vingers bewegen in gebarentaal als kronkelende slangen. Het hoofd rechtop, de middelvinger links op de rode stip tussen de ogen, gericht naar de rechter handpalm, duim en wijsvinger samen, de middelvinger, ringvinger en pink gestrekt als de blaadjes van een lotusbloem. ‘De drankjes heren.’ Het meisje van de bediening zet de drie Caribbean Sunsets op tafel. Dat is snel. ‘Dank je wel,’ zeg ik. ‘Lekker,’ zegt Pi. Hij heft het glas. ‘Cheers.’ ‘Proost,’ zegt Wilhelm. Ik ben het met hem eens, zoals wel vaker het geval is, dat wij schone balletten willen zien met gracieuze nimfen in goud bestikte kleding in plaats van die ranzige bende die zich enkele straten verderop bevindt. De portiers die je toeschreeuwen, de peepshows all over, stop een banaan erin en haal ’em er weer uit, de zwepen, het leer, de verlepte vrouwen, de sexslaven, de kerels die dronken schreeuwen en in de grachten staan te pissen. De spuiten die in de goot liggen. De lelijke graffiti. Pooiers paradijs. Wat een plebs. ’Koek, daar loopt weer zo een verlept wijf,’ merkt Wilhelm met zwaar accent op. ‘Verlepte wijven voor verlepte klojo’s,’ zegt Pi. Ik vertel het tegen Pi, bevestig wat Wilhelm zegt. ‘Schone balletten. Daar draait het om. Een nimf is niet voor watjes, die moet je zorgvuldig koesteren en lief hebben. Een nimf is toch totaal anders dan een nymfomaan. Wat een verschil een

22

paar letters kunnen maken.’ Net als Odessa en Odissi, een paar letters verschil maar en toch meteen totaal anders, hoewel Odessa een van de meest sierlijke steden is die ik ooit heb bezocht. Pi knikt. ‘Wat dat betreft krijg ik d’r ook een sik van hoor, van de stad, het plebs en de zooi, de adem, de lucht die compleet naar de klote is door alle auto’s. Ik heb al een zuurstofmasker gekocht, voor het geval dat het nog erger wordt.’ Ik kijk naar de ondergaande zon. ‘Weten jullie al dat de snelheid van de aarde rondom de zon, vergeleken met die van het licht, zowat exact tienduizend keer langzamer gaat? Wij vliegen al zittende en lopende op de aarde dertig kilometer per seconde door het heelal, om de zon heen en draaien een ronde per dag, een stuk langzamer dan een Technics MK II 1200. Dat krijg je niet voor elkaar met een pitch control. Van hier naar bijvoorbeeld Lissabon in honderd seconden, van hier naar New York in een minuut of vijf. Vinden jullie dat niet verbazingwekkend? Als je zo zit en loopt en ehh, van alles eigenlijk, merk je er niets van. Oei, wat gaan wij toch onvoorstelbaar hard op deze planeet.’ Ha, lekker zo’n slok van de Sunset. Pi en Wilhelm kijken mij allebei verbaasd aan, want dit heeft niets met schone balletten, ranzigheid en dergelijke te maken. Ach ja, het zal mij wat zijn. ‘Als je je op de evenaar bevindt, dat de draaiing van de aarde maakt dat je dan sneller dan het geluid gaat? Zo’n zestienhonderd kilometer per uur? Je merkt er niets van.’ De zon gaat altijd op. ‘Voor mij is de beweging van de planeten een grote kosmische dans. Het elegantste ballet dat er is. Het leven is een groot explosief orgasme.’ Pi heeft het ook te pakken. ‘Planeten, de zonnen, de manen leven samen, hebben elkaar nodig in het bestaan, net zoals wij elkaar nodig hebben. En wat die vervuiling betreft, jongens, binnen nu en een paar jaar gaat alles op zonne-energie, waterstof misschien en ooit, ooit be-

23

hoort de hoerenloperij tot de verleden tijd. Wat mij betreft gooien ze de Wallen meteen dicht en dimmen ze die rode lampjes voorgoed. Worden vrouwen eindelijk verlost van die ranzige kereltjes die hier de straten onveilig maken. Stelletje apen.’ Hij knikt met zijn hoofd en kijkt streng om zijn woorden te benadrukken. ‘Ja,’ zegt Wilhelm, ‘zo heb ik ooit een documentaire gezien over het seksleven van eenden, weet je wat d’r gebeurd wanneer de eenden seks hebben?’ ‘Waar gaat die Wilhelm nou weer naartoe?,’ vraag ik mij af. Pi: ‘Niet precies, doen ze het wellicht?’ Ik: ‘Tja, doen die het?’ ‘En of die het met elkaar doen,’ vervolgt Wilhelm. ‘Kijk. Het zit zo. Ligt er een vrouwtjeseend lekker te zonnen op het gras en komt er een mannetje aan. Kwispelt het vrouwtje met het staartje en dat is het signaal voor het mannetje dat het mag en die springt er bovenop, heen en weer, klaar en dan gaat het mannetje verder waar hij mee bezig was. Het vrouwtje blijft gewoon op het gras in de zon liggen.’ ‘Het is wat,’ zegt Pi. ‘Inderdaad, het is mij wat met die eenden,’ zeg ik en nip van de Caribbean Sunset. ‘Lekker die Sunset. Wat vinden jullie ervan?’ ‘Wel pittig,’ antwoordt Pi. ‘Lekker,’ zegt Wilhelm. Hij neemt nog een slokje. ‘Echt lekker. Die moet ik onthouden.’ Hij vervolgt: ‘Dat is nog niet alles. Komt er weer een mannetjeseend aan en ook die springt er bovenop, want het vrouwtje kwispelt nog een keer. Die tweede eend komt ook en dat gaat zo maar door, de een na de ander. Een, twee, drie...’t houdt niet op bij die eenden.’ ‘Tjee.’ Ik kijk Wilhelm verbluft aan. Een lange kerel, kale kop, bruine ogen. ‘En weet je waarom dat gebeurd?’ Hij kijkt mij en Pi achtereenvolgens indringend aan. ‘Keuze, keuze voor het beste

24

zaad. Kijk, het allersterkste zaad dat wint de wedstrijd voor de uiteindelijke bevruchting en zo weet het vrouwtje dat ze de sterkste kindertjes krijgt en zo wint de overheersende, de sterkere natuur het van de zwakkere. Het is gewoon een kwestie van winnen, wie het eerste bij die finish is, net de Olympische Spelen. De winnaar neemt het allemaal. Weet je wel, Darwin, die man van de overleving van de sterkste, van de oorsprong van de soorten.’ ‘Oh ja, Darwin, is dat niet die presentator van die quiz op de televisie in de vroege ochtend?, zeg ik en kijk expres ultradom uit mijn ogen. ‘Wat is zijn voornaam alweer, is dat niet John? John Darwin?’ ‘Deed die Darwin het met eenden, werkelijk waar? Had hij daar iets mee? Wat een viespeuk,’ zegt Pi broodnuchter en hij geeft mij een knipoog. ‘Het moet niet te ver gaan hoor. Daar kan ik echt niet tegen.’ Ik knipoog terug naar Pi. Even kijken of Wilhelm in de gaten heeft dat wij hem flink in de maling nemen. Wilhelm kijkt ons ontnuchterd aan. Hij kan het niet helemaal volgen. ‘Vertel eens, hoe heten die eenden in die documentaire?,’ vraag ik aan hem. Zonder zijn antwoord af te wachten zeg ik: ‘Waren dat niet toevallig Kwik, Kwek en Kwak?’ Ik kijk Wilhelm met een uitgestreken gezicht aan. ‘Gaat het er om wie zijn kwakkie heeft gewonnen? Die van Kwak? Of was het het die van de snelste, Kwik? Of van diegene die de grootste snaterbek had, de beste babbel? Kwek? Was die documentaire een soort van wedstrijdverslag? Of heb je toevallig naar een Disney film gekeken en die verwart met een documentaire op Discovery Channel?’ Wilhelm heeft nog steeds niet in de gaten dat wij hem voor het ootje houden, want hij kijkt veel te serieus uit zijn bruine ogen. ‘Nou, nee, dat werd er in die documentaire niet bij verteld van wie dat kindereendje uiteindelijk echt was. Is dat

25

belangrijk?,’ antwoordt hij. ‘Er werden in die dokumentaire helemaal geen namen genoemd. Hoe komen jullie erbij dat eenden namen hebben? Wat hebben jullie rare gedachten.’ Er gaat bij Wilhelm uiterst traag een lampje branden. ‘Ah, die neefjes van Donald Duck; Tick, Trick und Track? Ja, in het Nederlands, Kwik, Kwek en Kwak, ja, ha ha, nu begrijp ik ’m pas. Nee, ik zou het echt niet weten wie de uiteindelijke bevruchter was en een naam al helemaal niet.’ Hij kijkt ons onzeker aan. ‘Eendensoep,’ mompel ik, ‘ik heb wel zin in een bordje eendensoep.’ Een auto raast met hoge snelheid voorbij, een zwarte Golf GTI met donkere ramen en een adelaarslogo op de motorkap. Achterin zitten de voorspelbare geluidsboxen. Doink. Doink. Doink. 180 beats per minuut. Het zal wel iemand uit Nieuwegein of uit Zuidoost zijn. Degene met de grootste boxen en de vetste beat denkt zeker dat hij de meeste aantrekkingskracht uitoefent op de ladies. En soms is dat zo, maar meestal niet. Die hedendaagse DJ prut, die technorommel, ik word er niet goed van. Toenk. Toenk. Toenk. Fabrieksherrie voor arbeiders die de hele dag achter de machine doorbrengen en in het weekeinde bij het uitgaan nog eens herrie aan het hoofd nodig hebben, want anders voelen ze zich niet op hun gemak. Pilletje erbij en dat noemen ze: love, peace en happiness. Zonder pilletje begrijpen ze niets van liefde, vrede en blijdschap. Niets van dat alles is waar. Het is en blijft fascistengedreun, strak staan ze in het gelid op de dansvloer, laarzen die kinderkopjes verpletteren, ogen zonder enige emotie, muziek voor doven en slechthorenden, al zijn er natuurlijk wel goede DJ’s, maar wat deze vent in z’n auto op heeft staan; op honderd meter afstand krijg ik er instant hoofdpijn van. ‘Aan de kant voor de machine,’ roep ik uit, net als filmregisseur Dziga Vertov een jaar of tachtig geleden deed in zijn manifest en ik sta op, neem afscheid van Wilhelm en van Pi,

26

want ik heb met Eva iets over vijven afgesproken. Het is bijna zo laat. ‘Sorry jongens, ik ga naar mijn meisje toe,’ zeg ik. ‘Tot ziens, bye bye en tot de volgende keer maar weer. ’t Was een waar genoegen.’ ‘OK, Adam, ik zie je. Laat wat vaker van je horen. Doe Eva de groeten. En je moet in juni naar mij toekomen. Er is een tentoonstelling van mijn werk en ik geef een feestje. Je moet het werkje “Mensch” naar mij opsturen zodat ik het kan presenteren. Wil je dat doen?,’ vraagt Pi. ‘Zeker. Ik zal het de volgende week naar je opsturen en ik ben zeker van de party,’ antwoord ik en ik neem de laatste slok van de cocktail. Wel aardig, doch te zoet. ‘Jongens; wij zien elkaar weer snel. Het zal very kwik zijn. Wij bellen!?’ Op de tafel leg ik 25 Euro voor de service en de drankjes, het zal wel genoeg zijn, de rest betalen ze zelf maar. Ik geef Wilhelm en Pi een hand en steek het plein over, loop terug naar de Dam en wacht de tijd af totdat Eva de Bijenkorf uitkomt. Ze wervelt zwierig – een tangopatroon volgend – door de draaideuren van de Bijenkorf naar mij toe. Ze straalt van top tot teen omdat ze de nieuwe jurk met uitbundig bloemenmotief al heeft aangetrokken en het staat haar fantastisch; de jurk omsluit haar welvende lichaam als een handschoen. Daarbij draagt ze nieuwe hakjes. ‘En, vind je het wat?’ ‘Allemachtig prachtig achtentachtig (88) Scheveningen,’ zeg ik met Arabische klank. ‘Je bent een wonder. Draai je eens om. Wow!’ Ik val bijna van mijn stokje, zo oogverblindend als ze is in haar nieuwe jurk. Als wij bij elkaar zijn drinken wij aanwezigheid zo puur. Ik neem haar bij de hand, druk deze tegen mijn rechterwang en kus haar vingertoppen. Met haar slanke lengte, haar lichtgetinte ronde gezichtje, haar lange haren, de bloemenjurk en haar uitbundige lach verwarmt ze

27

mijn innerlijk. ‘Kom, hou mij eens goed vast.’ Ze drukt zich tegen mij aan, onze lichamen ademen warmte en genegenheid. Wij lopen richting Rokin. De demonstranten die de bevrijding van Bagdad en de val van Saddam Hussein vieren zijn uit het zicht verdwenen; een paar spandoeken hebben ze in de hoek bij de ingang van wassenbeeldenmuseum Madame Tussaud achtergelaten.

28

II
‘Kijk! Kijk! Kijk!’ Ze wijst en lacht. ‘Daar in de verte!’ Ze ziet twee blauwe tieten, zo zegt ze. Ze zien er echt grappig uit, deze lieve vogeltjes, alsof ze zich kostelijk amuseren. Altijd op en neer in vreugde, vliegen ze van tak naar tak. ‘Geweldig!’ Lach ik terug. Wij zitten in een lange houten boot en varen met niet geringe snelheid, een kilometer of twintig, over de slingerende rivier. De oevers zijn weelderig begroeid en als je goed kijkt, zoals Eva doet; daar zitten apen in de bomen, vogels ook, moet je daar eens kijken! Vier dagen en drie nachten zullen wij hier doorbrengen en het is alweer de tweede dag. Time flies when you are having fun en als je geen plezier hebt, kan de tijd ook vliegen. Morgen is het Kerstmis, orthodoxe Kerstmis, het is begin januari en bloedheet is het hier. Kerstmis in de tropen, vlakbij de evenaar. Ik zweet als een otter. Ik hoor en haar haar zweeft. Wij bevinden ons in het midden van de jungle op het eiland Borneo en volgen een rivier stroomafwaarts. Als een slang van water meandert het blauw door het groen, de rivier die zich naar de eindeloze oceaan begeeft, het water dat de kringloop achterna rent, zoals een hond met zijn staart doet. Ik steek mijn rechterarm overboord en voel het frisse water stromen; hoor de ruisende rimpels van tijd. Wij slaan linksaf een zijrivier op, maar hier kan de lange boot niet veel verder. Het is hier te ondiep, de oever loopt te steil op; de bodem van de boot schuurt over de stenen. Wij stappen uit en vragen aan de gids hoe wij verder moeten en of wij alleen verder mogen, zonder hem, want wij willen graag alleen op pad en de zijrivier volgen tot wij niet verder kunnen, totdat de tijd voor vandaag op is en van daaruit weer terug naar het verscholen hotel, van hieruit een middag lopen. De gids heeft er geen problemen mee, wij ook niet, anders zouden wij het niet vragen. Wij nemen onze kleine

29

rugzakken uit de boot, doen deze om en de gids zegt: ‘Volg de rode lijn en na vier tot vijf uur komen jullie weer bij de weg die naar het hotel gaat.’ Wij volgen zijn aanwijzing en gaan verder, de zijrivier opwaarts, volgen de door Ariadne roodgekleurde bomen die in het groen de route wijzen. De zon schijnt zoals hij altijd doet en heeft bijna zijn hoogste punt bereikt, het is bijna twaalf uur, zie ik omhoog kijkend, of, nou ja, de zon heeft niet zijn hoogste punt bereikt, de aarde draait oostwaarts, om zijn as en vandaar dat wij denken en waarnemen dat de zon hoger staat en ten opzichte van de aarde beweegt, maar in feite klopt dat niet. Wij zitten nu op het hoogste punt van de dag en daarmee is de kous af. De menselijke waarneming is oh zo bedrieglijk. Om de tijd te kunnen waarnemen heb je geen horloge nodig. De zon, of, alweer, de draaiing van de aarde zegt het voor mij. Voor zover het mij betreft, zullen wij over een uur of zes weer terug zijn bij het hotel, net voordat het donker zal worden, het kan niet anders, zodra het donker wordt is het voor ons te gevaarlijk hier, een zaklamp hebben wij niet meegenomen, een routekaart evenmin. De bomen wijzen de weg. De hemel vibreert, de lucht is vochtig en het is heet, heel erg heet. Loeiheet. Het lijkt alsof wij helemaal alleen zijn hier in de jungle, ver weg van de bewoonde wereld, van de straten, de winkels, het verkeer en zo is het. Wat een logica, want pleinen, stoplichten, zebrapaden, metrotunnels, dierenwinkels, een parfumerie en dergelijke zijn ver te zoeken alhier. En toch ruikt het hier heerlijk, zijn er veel dieren, grotten, doorwaadbare rivieren. Wij worden omringd door een zee van groen. Eva is vlugger dan een hinde, een bevallige gazelle, ze springt van steen naar steen, zo licht als een veertje is ze, mijn sneeuwwitte meid, de waterlelie is gelijk aan haar. Ze zweeft over de stenen, zonder enige uiting daarvan, gracieus. De stroom klatert en ik luister goed, ik hoor alle tonen, groter dan een symfonieorkest klinkt het hier, tympanisch, trio-

30

len, trompetten, fagot, klarinet, kwinten, kwarten, een octet van vogels, een zachte paukenslag zodra een tak valt, basso continuo, ha ka ka koh beh ah iih, het knettert tussen de bomen, het water zwemt sneller dan Mark Spits het deed. Ik volg haar en ze gaat iets verder, nog steeds lichter dan de zon. Ze heeft de kromming van de zijrivier bereikt. Het water stroomt hier ongeveer tien meter breed. Ik roep haar: ‘Wacht even.’ Ze wacht op mij, ze gaat zitten op een steen en ik spring van steen naar steen naar haar toe, in grotere stappen dan de hare, atletisch, met meer gewicht. Het is hier een stuk dieper dan waar de gids ons uit de lange boot heeft gelaten, dus hier is meer voorzichtigheid geboden. Ik beweeg in souplesse en kracht. Af en toe buk ik mij onderweg, raap ik een paar stenen op en ook zie ik kleine visjes in het water, nog geen centimeter groot. Ik groet ze. Zeg ‘hallo visjes,’ ze kwispelen met de staartjes. Altijd, of nou ja, bijna altijd. Vissen zijn vrolijke dieren, gelijk geen ander. Dolfijnen zijn hier helaas niet. Dat zijn pas echt toffe gasten! Wij lopen verder, iets minder springerig, want hier wordt het weer ondieper en kunnen wij gemakkelijk door het water waden. 300 meter verder nog en wij bereiken een bassin, verscholen in de jungle, diep in de binnenlanden van Indonesië, daar zijn wij, in de bocht van deze zijtak, niet zo heel erg groot, geen Nijl of zo, of zelfs maar de kleinste zijtak ervan, nee, hier is het diep bedekt, niet echt breed is het water hier, het geboomte hangt enkele meters boven het water, de lucht is hier niet zichtbaar, de stromen zijn krachtig en smal, het water is afkomstig van overal en verderop valt het water steil naar beneden, van een hoge rotspartij van een meter of 25, dertig, een vergulde waterval en als je je omdraait naar het zuiden, daar komt het water ook, het stroomt vandaar snel glooiend naar beneden, eenvoudig bereikbaar. Ik ga iets verder, nieuwsgierig naar wat er verder volgt. Weer een grote

31

bocht en van daaruit hoger, zie ik en ik ga terug naar Eva die onder de zilveren stroom op een richel van steen staat. Als de Venus van Milo rijst ze op uit het water, met armen, dat gelukkig wel, het zou wat zijn zeg, ineens zonder armen. Ze is mooi, beeldschoon, deze plek is toverachtig, dit kan niet echt zijn, zit ik in een film?, ben ik op een filmset beland, ben ikzelf een film?, een film die ik heb gemonteerd?, waar is de cameraman?, wie heeft de volgspotten aangezet?, wie heeft de muziek gecomponeerd?, ‘hallo, hallo,’ wil ik tegen de regisseur zeggen en toch is het echt zo, dit is echt echter echtst, geen film is dit, geen cultureel werkstuk, dit is moeder natuur die ons roept, die ons de binnenlanden in lokt. Kan iemand het beeld bevriezen, de freeze frame aanzetten, de pauzetoets beroeren?, wil ik vragen, maar dat heeft geen zin, de tijd draait immers door en toch is het altijd nu en neem ik geen freeze frame waar. Ik stap onder de hoge waterval en omhels haar. Ze voelt koel aan. Wij stralen, het water straalt ons, met een grote kracht valt het water op onze ruggen en masseert de spieren zoals de beste masseur dat doet. Ik sta op de rand van de rots, rol ik mijn rug af naar beneden en laat iedere wervel loskomen door de stroom, kom omhoog en beweeg mijn schouders, van links naar rechts, van rechts naar links, het kletterende water klinkt als een Bösendorfer, alsof de toetsen van het water lichtjes beroerd worden door de slanke, lenige vingers van Mitsuko Uchida. Magie in onze vingertoppen Dansende cirkels in de hemel Wat zie je in het zonlicht? In de maan? De vreugde en de lach onthullen Hier is het Recht voor onze ogen Als het water valt Dan zwelt de muziek

32

Aan Ik wil deze plek niet verlaten en Eva ook niet. Wij gaan zitten in de bocht van het riviertje, waar deze uitkomt in het bassin, wij zitten naast elkaar op een klein stukje strand, de voeten in het water en wij zijn stil, heel erg stil. Wij kijken naar de waterval en luisteren naar de ruis die de zwaartekracht opwekt. Woorden zijn hier niet nodig, alles is aanwezig, wij zijn hier weg van alles, in het ware zijn. Indien wij woorden vol verwondering spreken wordt dit wonder verstoord. Geen actie, zo veel rust denk je in eerste instantie, doch beweging is de kern hier en wij zijn het centrum. Het centrum is tastbaar in de bladeren van de bomen, in het klaterende water, in het geluid, in mijn teen, in onze oren weerklinkt het centrum, in de apen in de bomen, in de rotsen, in de kleine visjes die zwemmen in het water. Ik trek een los stukje vel van mijn wijsvinger; in dit velletje ligt het centrum besloten en ik onderwerp mijn handen aan een nader onderzoek, bronsgekleurd en slank, de nagels verzorgd en goed geknipt en ik haal mijn handen door het water, streel haar rug, schouders, nek, voorhoofd. Ze houdt ervan hoe de diepte van het koele water haar warme lichaam beroert. Haar voeten raken de mijne aan. Wij stoeien met onze voeten en proberen het geluid van de waterval te overstemmen met ons gespartel. De geluiden zijn klein en vullen elkaar aan, gelijk duizenden, miljarden zandkorrels die de woestijn vormen, zo vult iedere waterdruppel de rivier, de val naar beneden; de vallende geluiden vullen elkaar aan tot een stroom. Wij zijn het centrum en een miniem deel van dit centrum, oh zo klein en zo voelen wij ons van binnen, het diepe waterblauw in het gefilterde licht, steeds donkerder wordt het, in lagen ligt het water gestapeld tot aan de bodem van dit meertje. Wij voelen ons hier vervuld van pais en vree, deze innerlijke stilte doet goed, maar ik weet niet wat ik kan doen, hoe te

33

handelen en dat is niet zo verwonderlijk na hetgeen er enkele dagen geleden in Singapore is gebeurd. Nog steeds staan de gewelddadige blikken, de slaande bewegingen van de groep jongemannen op mijn netvlies gebrand. Haat, intense haat en bedreiging zoals ik het nooit eerder ervaren heb. Wij hebben geluk gehad dat wij levend weg zijn gekomen, dat moment moeten wij zo snel mogelijk vergeten en achter ons laten. Hier bij de waterval valt de spanning die als een muur tussen ons staat voor enkele ogenblikken van ons af. Verlaat mijn leven niet. Noten vallen in het water vanuit het hoge en dichtbegroeide gebladerte, plons, plons. Wij zien enkele apen, boven in de bomen, ze slingeren van kruin naar kruin. ‘Ik weet wel wat van apen,’ fluister ik tegen haar, ‘maar niet echt veel, wat zijn dat daar?, chimpansees?, makaken? Geen gorilla’s in ieder geval, die zijn een stuk groter. Ze slingeren wat af met die lange armen. Orang oetan misschien?’ ‘Ik weet het niet, Adam, ik heb geen verstand van apen, maar het bevalt mij hier. Kunnen wij maar altijd hier blijven, ’t is ongelofelijk hier, wat een rust, wat een schoonheid. Ach, wat maakt de mens toch lelijke dingen tegenover de natuur, noem ze maar op, de rokende uitlaatpijpen van de fabrieken, de wegen van asfalt, de meeste auto’s, OK het kan best wel iets zijn, het menselijke vernuft, in een schilderij, een gestileerde Ferrari, maar dit, dit... dit is het schilderij in het echt, dit is... ik heb jeuk aan mijn teen. Krab mij eventjes, links, mijn dikke teen.’ ‘Het is een visje. Is je jeuk weer weg?’ Ze knikt bevestigend. ‘Dit is het paradijs.’ ‘Niets kan tegen de natuur op.’ Wij zitten zwijgend naast elkaar, alleen de stilte kan ons verheffen, wij glijden langzaam het water in, spartelen door en in het water; spelen voor vis. Ik wil haar kussen, maar ze ontwijkt mij lachend, wat is haar mond toch wulps en ze duikt onder, ik volg haar zodat wij als twee geliefde goudvis-

34

sen in een rondje zwemmen. In een kringloop om elkaar heen draaien wij, onze voeten-staarten verstrengelen, wij duiken onder en komen omhoog, proesten het water, wij drinken uit de rivier, uit dit magnifieke natuurlijke kuuroord. Wij blijven al spelend een uur lang deel uitmaken van dit overweldigende tableaux vivant. Kleine kinderen zijn wij; zo spelen wij hier. Ik neem vier kleine bananen en enkele stukjes ananas uit mijn rugzak en verdeel ze. Un petit dejeuner entre l’eau. Een plek die door weinig mensenogen bekeken is en ooit bekeken zal worden, al zijn deze bossen honderdduizenden jaren bewoond. Op de een of de andere manier komt het mij voor dat wij hier al eens eerder zijn geweest, heel erg lang geleden. Diep van binnen zijn wij verwant en gebonden aan deze plaats. Wij hebben nog zeker een half uur nodig om ontknoopt afscheid te nemen van deze magische plek. Wij stappen uit dit schilderij, uit deze film en lopen zo de volgende voorstelling in. Enkele ogenblikken later hebben wij de bocht in de zijrivier genomen, het meertje hebben wij achter ons gelaten en wij klimmen steil omhoog, ‘voorzichtig, voorzichtig,’ zeg ik en vreemd genoeg bevindt zich hier, bovenop de hoge rotswand die ons eerst het zicht ontnam, een opener karakter in het woud, de zijrivier is hierboven nog smaller geworden, het groen, het gebladerte is hoger en de bomen zijn dunner gezaaid, hier is een vergezicht. ‘Kijk. Zie,’ fluister ik in haar linkeroor. ‘Daar vliegt een neushoornvogel en daar links bij de struiken een vliegende hagedis. Kijk nou... Dit geloof je toch niet? Wat is dat voor een vreemd gekwaak? Hoor je dat?’ ‘Het zal wel een vogel zijn. De gids had ons toch gewezen op alle vreemde geluiden hier, dat een vogel klinkt als een pad, dat een pad kan zingen als een vogel, dat er slangen zijn die

35

van huidskleur veranderen, zoals kameleons dat doen, insecten die er uit zien als takken die wandelen, spinnen zo groot als een hand, klimplanten met rare bakjes, dubbele kinnen, om water op te kunnen vangen.’ ‘Zie je die klimplanten?,’ merk ik op, ‘die daar, als emmertjes met een deksel gelijken ze, zodra er een insect invliegt gaat het klepje dicht. Een plant als carnivoor, als ’ie een stuk groter zou zijn, zou die zonder enig probleem zo een mens opeten. Alles hier is anders dan je in eerste instantie aanneemt, het is hier plus en plus. De jungle is voor ons een wereld op z’n kop. De meeste dieren willen met geen mens in aanraking komen. Ze zijn voorzichtig, bij het minste of geringste geluid zijn ze uit het zicht verdwenen of ze blijven op grote afstand, verbergen zich tussen het groen.’ ‘Zie je die vlinder daar, groter dan mijn voorhoofd bijna, zo plat als een dubbeltje? En zie je die abstracte lijnen op zijn vleugels?’ Wij kijken onze ogen uit, zo bijzonder is het hier. Onze ogen kijken uit dat er geen dieren zijn die ons aan willen vallen, want hier in deze jungle leven dieren die wel pap lusten van mensen, verder een stuk landinwaarts volgens de gids. Redelijk ver landinwaarts zijn wij; de kust is tweehonderd kilometer van hier vandaan. Al jaren hebben de bewoners hier geen roofdieren meer waargenomen, alleen weet je het maar nooit. Je moet hier altijd op je hoede zijn. Er sluipen en kruipen er zonder enige twijfel nog een paar rond. Er zijn in deze omgeving nog niet zo heel erg lang geleden nog echte neushoorns waargenomen. ‘Kom, wij moeten verder, want anders zijn wij voor het donker niet terug in het hotel. Het is al drie uur. Voel je je weer een stuk beter? Cheer up, love.’ Eva antwoordt niet. Wij pakken ons op, met een zucht bind ik de heuptas om en ik vul de bidon met vers water, het water van de rivier is hier zuiver, beter dan het helderste bronwater dat wij thuis in de

36

supermarkt kopen. Vanaf dit punt is het een stuk eenvoudiger lopen, wij hoeven niet meer te klimmen, de rivier hoeven wij niet meer te doorwaden, dit hier is het hoogste punt in de omtrek, zo’n vijftien kilometer verder, daar pas beginnen de echt hoge bergen, tenminste dat las ik gisteren in de gids in de lounge van het hotel; zo zie ik in de verte. Ik loop voorop en ze volgt mij. Wij volgen de rode palen, Ariadne’s wil en duiken weer het dichtbegroeide geboomte in, door het woud. De rode markeringen zijn moeilijk te herkennen in het verzadigende groen en ik ben bevreesd dat wij de weg kwijt raken, dat wij hier zullen verdwalen; het vochtige klimaat maakt dat de rode verf binnen korte tijd van de bomen verdwijnt. Indien wij niet goed uitkijken, wie weet waar wij zitten en vinden wij dan de weg terug? Wij lopen zwijgend een uur door het groen. Ik ben uiterst voorzichtig en let goed op dat ze niet te ver van het pad af raakt, dat ze de draad niet verliest. Ze is in een stemming om precies datgene te doen wat haar het meeste goeddunkt en is ze van het pad weg gelopen, ze beweegt in een hoog tempo van mij vandaan, alsof ze wilt vluchten, uit het labyrint wil verdwijnen. ‘Kijk uit Eva, loop niet te ver weg, anders ben je zo uit mijn zicht verdwenen. Kom terug, wil je? Ik wil je niet kwijtraken.’ Ik zie haar blik van ver en merk dat ze zich moet losrukken van haar vlucht naar voren. ‘Kom, kijk, daar verderop is het een stuk opener, daar kunnen wij rusten en afkoelen in het water.’ Wij gaan midden in het stromende water zitten, onze kleding is doorweekt. Een wolk vlinders vliegt op ons af, ze draaien om ons heen, ze omringen onze gezichten, onze innerlijke gedachten verborgen van elkaar, een meter zitten wij van elkaar af, de lichtgele vleugels van de vlinders raken mij aan en vliegen naar haar toe, ze raken ons zachtjes aan,

37

omringen onze hoofden alsof ze ons nader tot elkaar willen brengen. Dit kan niet waar zijn, denk ik, dit lees je alleen in boeken, in films zie je dit soort dingen, in Forrest Gump bijvoorbeeld. De tijd is vol signalen, dat bepaalde dingen, ervaringen leren dat het leven vol zit met dit soort gecodeerde berichten, met tekens die exact duiden wat er zich in het innerlijk afspeelt. Zij spelen de expressie van onze gedachten. De vlinders willen onze geesten verheffen en ons verblijden. Ze zien de treurnis in onze ogen. Ze willen onze opkomende tranen drinken, net als nachtvlinders met het oogvocht van runderen doen. ‘Dit is een speciale plek, een mooie plaats om te sterven,’ zegt Eva triest. De wolk vlinders stijgt op en ze vlinderen over het water naar de overkant en verdwijnen in het groen. Ik geef haar geen antwoord. Ik voel mij hetzelfde. De kleine vrolijkheid van enkele uren terug is geheel verdwenen. Maar toch zeg ik: ‘Kom op, stop daarmee. Alsjeblieft niet die treurige kant, je trekt naar het negatieve. Ik begrijp dat je er niets aan kunt doen, ik kan er niets aan doen, dus laat het zijn, alsjeblieft? Ook ik voel mij klote hoor! Maar er is niets tegen te doen. Je hebt gelijk.’ Ze schenkt een kleine glimlach. ‘Je weet ondertussen toch wel dat ik een behoorlijk hysterisch mens kan zijn? Zo ben ik gewoon, de hoogste pieken, de diepste dalen. Maar je hebt gelijk. Het heeft geen zin om onze dagen hier te verpesten door sikkeneurig te zijn. Ik zal ophouden. Weet je wat wij moeten doen?’ ‘Nee, dat weet ik niet, doe maar een suggestie. De strijdbijl van die kinderen begraven? Het heeft niets te maken met jou en mij. Het was toeval.’ ‘Nee, wij moeten morgen de gasten van het hotel uitnodigen, vieren wij met alle gasten een speciaal kerstfeest! Dat lijkt mij super.’ Het enthousiasme is gelukkig weer terug in haar stem. En kijkt ze weer met een lichtje in haar ogen.

38

Zo zitten wij op stenen die door het water overstroomt worden. Om ons heen het gezang van vogels en krijsende apen. Het gekletter van water. Zacht gefilterd licht valt door het gebladerte. In stilte zitten wij daar, betoverd door de omgeving. Tot plotsklaps: een tijger springt vanuit het gebladerte over het water naar ons toe. Wij zijn zo opgegaan in het schouwspel, zitten zo rustig in de lotushouding, dat wij niet eens opschrikken. Zo vredig zitten wij daar samen dat niets onze rust verstoren kan en de tijger, zijn bek opengesperd en vrees opwekkend; het doet ons niets. De verraste tijger stopt in de sprong voorwaarts, komt tot stilstand in het midden van de stroom en zit neer. Eva neemt mijn rechterhand vast en kijkt op naar de tijger. ‘Da’s een mooi dier! Kijk hem daar eens braaf zitten.’ De tijger sluipt langzaam naar ons toe, likt haar tenen en geeft al spinnend ‘Pppppprrrrrrr’ ten gehore. Eva spreidt haar armen en neemt de gigantische poezekop in haar handen. ‘Ja, je bent een schatje. Je bent braaf.’ De tijger geeft haar nog een likje, draait de kop om naar mij en geeft met de rechtervoorpoot een tikje op mijn linkerbeen, snuffelt aan mijn neus en bijt zachtjes in mijn rechterknie. Ze draait zich om en verdwijnt weer, sneller dan ze tot ons kwam. Alsof ik het dier ergens van ken flitst het door mijn hoofd. Tik? Ze straalt mij toe: ‘Da’s een bijzondere ontmoeting, vind je niet?’ ‘Zeker. Zeker,’ peins ik niet begrijpend voor mij uit. Wij blijven in de lotushouding zitten en houden elkaars handen vast, laten ons opgaan in de omgeving. Wij staan op en nemen afscheid van deze hemelse plek en volgen de rode markeringen voor nog eens anderhalf uur totdat wij het houten pad bereiken, een teken dat wij op de weg naar de bewoonde wereld zijn. Nog wat kilometers, drie tot vijf, dan zijn wij bij het startpunt. Op het eindpunt waren wij begonnen.

39

Op het moment dat wij het asfalt bij het startpunt betreden vliegen de pijpenstelen om onze oren, het kraakt in de hoogte en binnen no-time zijn wij alweer doorweekt. De weg staat blank. ‘Laten wij niet wachten op de hotelbus. Kom, gaan wij verder.’ Ze lacht opgelucht omdat wij weer vaste grond onder onze voeten voelen, in plaats van de modderige paden, het waden door het water dat op meerdere plaatsen tot ons middel reikte. Ze doorbreekt haar zware gemoed, net als de donder, de bliksemschichten die in de hoogte oplichten. ‘OK, ’t is nog maar een half uurtje vanuit hier, schat ik zo in. Ik heb ook geen zin om op het busje te wachten.’ Het maakt mij niets meer uit. Ik wil mij niet ellendig voelen, om alles af te laten hangen van haar buien, haar besluiten, haar geweten. Het is hier te betoverend om treurig te zijn, ze kan mij de pot op en op de weg naar het resort begin ik te springen, mijn hoofd breekt open, de vlinders hebben het werk goed verricht, de tijger een verrassing, in de diepe plassen spring ik en ik draai rond, laat mijn voeten met grote kracht neerkomen op de zeiknatte weg, het water spat in de hoogte, tot in mijn kruis, de broek was al doorweekt, wat maakt het uit, jippeketee! Plezier wil ik hebben, de wereld om mij heen aanbidden, goed voor haar zijn. Oh, als ze mij weer toe zou laten zoals het ooit was. Ik zing, ik spring, ik wil het leven voelen, mijn hart hoort niet in een gevangenis thuis, ik wil het uitschreeuwen van plezier, alle pijn eruit gooien, mijn liefde voor haar tonen. Niet onverschillig zijn. De goden spreken van boven, ze knallen de zwepen, Thor geeft de paardenspan een pak op hun donder, het rijtuig dendert en draaft over de wolken, de bergen en de dalen, ik zing, dans, alle gekte moet eruit: ‘“Ik zing in de regen...”.’ Spring, draai, aan de rand van de weg, de imaginaire paraplu draai ik rond. Pa Toe Pi Te Pa, doe ik met mijn voeten. De tapdanser in optima forma. ‘“Kom hier met de re’en”.’ Ik glim een lach op mijn mond, toon mijn parelwitte tanden en Eva

40

kijkt mij aan alsof ze er niets van begrijpt. Ze lacht, verrast door mijn übergekte, mijn fantasie, van de idiotie die ik tentoonspreid. Stomp, stomp, stomp. In de plassen spring ik. De ouverture van een idioot... Ik wil je niet opgeven... De hele riedel zing ik, van A tot Z. Gene Kelly dat ben ik, zijn danspassen doe ik na. Ja zeg ik van binnen tegen haar. Het leven is fraai, alle pieken en dalen zijn ergens goed voor. Een gigantische vrachtauto met gekapt hardhout raast voorbij, het zwaailicht op de hoge cabine draait dol rond. Wij weten net op tijd in de berm te springen. De vrachtauto dreunt door de diepe plassen en wij krijgen een lading modderige nattigheid over ons heen. Wij zien er uit als moddermensen en het woud is enkele bomen armer. Ik sla op mijn knieën van de pret. ‘Haha, kijk jou daar!’ Ze kijkt beteuterd. ‘Ik heb een hekel aan regen. Ik wil geen regen zien!’ ‘Regen is prachtig, het geeft de aarde vrucht.’ Nog een kilometer, de zon valt hier snel, vlak bij de evenaar. De lange hangbrug over de wild stromende rivier draagt ons tot de ingang en wij bereiken de lobby van het hotel. De hotelhouder kijkt mij met opgetrokken ogen aan. Zijn donkerbruine ogen zijn op mijn haren gericht die als slierten vermicelli voor mijn ogen hangen, de doorweekte kleren, de modder overal. ‘Dat ziet er niet goed uit,’ lacht hij. ‘Ach, ik kan het wel hebben. Het hoort bij een reis door de jungle,’ lach ik terug. Hij geeft mij de sleutel. Wij zitten veilig in onze comfortabele hotelkamer, de donder knalt geen zwepen maar kanongebulder. Ze staan in batterijen opgesteld; de lucht breekt open, de hemel zakt door zijn voegen. Ik pak de koeltas van bladeren uit de koelkast, haal er enkele trossen bessen uit die ik onder het fonteintje in de badka-

41

mer was. Ik loop terug de kamer in, onder de ventilator door en serveer de bessen met vanille ijs en vers water. Wij eten zwijgzaam van de vruchten en ik schenk twee glazen bourbon met enkele ijsklontjes in. Ze is moe en ziet er weer iets gelukkiger uit, alhoewel peinzend en in haar eigen gedachtewereld verborgen, net als ik in stilte ben. De prachtige lange wandeling door de jungle met de dansende vlinders, de klare heldere stroming van het water, de rivier, het paradijs opnieuw bezocht, de waterval waar het water ons straalde, de sprong van de tijger, het feit dat wij ons een stuk rustiger en opgeknapt voelen, maakt het dat de stilte en het onvermijdelijke dragelijk is. Onder de koude douche laat ik mijn lichaam afkoelen, droog mij af en trek mijn trainingspak aan. Over het houten pad loop ik naar de lounge van het hotel, waar een viertal zitgroepen staan opgesteld met ruime fauteuils en grote banken; de balie is rechts. Kleine palmbomen en gebatikte wandkleden. Met uitzicht op de rivier en de steile rotswand recht voor mij luister ik naar de regen, ze valt in druppels dik als vingertoppen, de donder blijft hangen, pang, knal, knetterende schreeuwende donderjagende wolken, luchten, waterhoudende elektriciteit valt naar beneden, de bevruchting van de wereld, de zaadjes van de lucht ontkiemen de vruchtdragende aarde. Eva komt ook naar de lounge en gaat op de bank tegenover mij zitten met een boek in de hand. Wij zitten ver uit elkaar. Het hotelpersoneel laat de rieten rolgordijnen helemaal zakken zodat de opspattende regen niet te ver naar binnen springt. Ze staat op en danst in stilte, haar armen reiken naar boven, ze beweegt op haar tenen en maakt cirkels op het glanzende hardhout. Langzaam en behaaglijk beweegt ze haar in zichzelf gekeerde lichaam in cirkels en in geheime cijfer combinaties. ‘Kom toch naast mij op de sofa zitten,’ opper ik met een

42

klopje op de zitting. Ze zit stil naast mij en ik zeg tegen haar: ‘Ik ben niet boos op jou. Je hebt gelijk. Het is voor jou het allerbeste dat je kiest voor je familie, het is je lot, je belangrijkste gelofte en die kan en mag ik niet van je afnemen. Hoe graag ik je ook mag en hoeveel ik van je hou. Ondanks al onze avonturen. Het is moeilijk voor mij om het te accepteren, maar het kan niet anders.’ ‘Voor mij ook Adam. Ik wil dit ook niet, maar het kan niet anders. Het ligt niet aan jou. Echt niet. Emotioneel wil ik dit niet, geloof mij. Je weet wat ik voor je voel.’ ‘Het ligt niet aan jou. Ik vind dat je dat moet weten. Je kunt er niets aan doen. Zo is het gelopen en zo zal het zijn. Kom, kruip tegen mij aan. Je weet ik zal je nooit iets aandoen. Je bent voor mij nog altijd de meest dierbare, zelfs na dit. Ik toon alle begrip voor je besluit.’ ‘Zo is het Adam. Ik hoor bij mijn kinderen.’ ‘Het is goed zo.’ Ik druk haar hand. Ze kruipt tegen mij aan en zo zitten wij bij elkaar, stil en toch pratend, toch voelend in een samenzijn. Het regent katten en honden, zoals de Engelsen beweren. De donder drijft langzaam over, maar het blijft regenen. Rond twaalven gaan wij terug naar de hotelkamer en vallen wij al woelend in gescheiden bedden langzaam in slaap. De volgende ochtend vraag ik aan haar waarover ze heeft gedroomd en of ze heeft gedroomd. Ze antwoordt bitter: ‘Niet van jou.’ Ik kijk haar aan, zoek haar ogen, maar ze ontwijkt mijn blik en ik vang een glimp van pijn op. Alsof ik iets aan deze uitzichtloze situatie kan veranderen. Ons schip heeft schipbreuk geleden, op de steile kliffen ligt het versplinterde hout, de bemanning is gevallen, of wij het willen of niet. Er is geen weg terug, geen bevrijding naar buiten. Vanaf vandaag is het nog twee dagen en dan is ze voorgoed uit mijn leven verdwenen. Hier is het waar ons verhaal afloopt, in de lounge

43

van een hotel diep in de jungle, omgeven door luxe, regen en de bewoners van het paradijs. Onze harten verlangen ernaar om bij elkaar te blijven, maar de drang naar haar kinderen is vanzelfsprekend te sterk, de familiebanden hecht. Haar moederplicht roept.

44

III
Klokslag vijf uur loop ik langs het oorlogsmonument op de Dam en bekijk de marmeren lichamen, de vertwijfelde armen die naar de hemel reiken. Het lichte marmer, het travertijn, verrast mij. Zonnestralen beroeren de top. ‘Wat heb je gekocht? Quelle dame, wat een prachtige jurk! Is het gelukt met je andere inkopen?’ Ik werp een blik in de tassen die ze draagt. ‘Mmm. Zit geen vaas in, zo te zien. Wel, je hebt jezelf goed verwend, zie ik. Je nieuwe jurk is perfect. Zozo. Het houdt maar niet op. Ook iets leuks voor mij? Goed hoor, beeldig.’ Ik voel aan de stof. ‘Mmmm... echt honderd procent zijde. Het staat je prachtig, het lichtgele, gecombineerd met groen en wit. Wat zie je er weer fantastisch uit.’ Ik kijk in haar ogen en ze lacht nogmaals. ‘Da’s een verrassing. Zodra wij thuis zijn, krijg je alles te zien. Enig idee hoe laat de tram gaat?’ ‘Onze fietsen staan nog op het Spui, bij het Lieverdje, darling, dus laten wij eerst daar naartoe gaan. Wij hebben toch geen tram nodig?’ ‘Ach ja, klopt, ik heb alleen wat pijn aan mijn billen van het harde zadel, kan er niet een kussen op? Het is niet goed voor mijn tederheid.’ Ik neem haar rechterhand in mijn linker en fluister: ‘Maak je geen zorgen. Je krijgt straks thuis een verzachtende massage, zijn je pijntjes zo verdwenen.’ Eva geeft mij een tikje op mijn neus. ‘Altijd spannende ideetjes in je hoofd, hè? Geen slecht idee overigens. Je mag zo dadelijk mijn nek wat losmaken.’ ‘Met plezier, honing. Het is voor mij een genoegen je dienaar te zijn. Wat heb je voor Lana gekocht?’ ‘Een boek over Italiaans design uit de 20e eeuw.’ Ze wijst het geschenk aan. ‘Dat is een flinke pil.’

45

Wij steken de Dam over en bekijken de spandoeken met Arabische teksten die in de hoek bij de ingang van Madame Tussaud zijn achtergelaten en lopen via het Rokin naar het Spui. Ze staat voor een moment stil bij de etalage van Jan Jansen en ze bekijkt de voorjaarscollectie met zijn nieuwe schoenen. ‘Altijd extravagant, prachtige materiaalkeuze en betere kwaliteit dan de anderen,’ merk ik op. Wij lopen verder hand in hand, in gedachten verzonken, de gegarandeerde eeuwige heiligheid. Narcissus is in een bloem veranderd. Het ei in een vogel. Of is een ei een ei in een ei en een vogel een vogel in een vogel? Is een vogel een ei? De aarde groeit, stenen groeien, je ziet het niet, maar het is wel zo, heel erg langzaam. Een blauwe reiger wiekt statig over. Een meisje van een jaar of elf, twaalf speelt op een houten fluit naast de ijzeren werken van Lawrence Weiner die op de kinderkopjes van het Spui liggen. “Een vertaling van de ene taal naar de andere”, lees ik op het beeldhouwwerk. Het meisje heeft haar lange bruine haren in een staartje gebonden en ze speelt een deuntje van Mozart. Volgens mij is het een stukje uit die Zauberflöte, de Toverfluit. “Der Vogelfänger bin ich ja, stets lustig, heissa!, hopsasa!” Neurie ik op haar melodie mee. “Prrrrrapapapapapapapapa pppprrrrrrapapapapapapa!” Wij gaan zitten op een van de houten banken. Eva gaat met haar rug naar mij toe zitten en ik masseer haar nek in korte bewegingen los terwijl wij naar de muzikale gave van het meisje luisteren. Wolfgang Amadeus Mozart is het grootste muzikale genie van alle tijden. En Johan Sebastian Bach die kon er ook wat van. Het meisje is nog niet zo goed als hij was op die leeftijd en zal waarschijnlijk nooit zo ver komen. Daarvoor speelt ze met teveel fouten. Als ze maar gelukkig is en er plezier in heeft, dan vind ik het OK. Ze zet haar beste beentje voort.

46

Dat is boven alles te waarderen. Mozart, hoe oud werd die nou? 35? En zoveel gepresteerd, ongelooflijk. Wat een loser zeg, vergeleken met hem ben ik niets, helemaal niets. Pudding, gele pudding, een losse flodder, een lege scheet. Leuk meisje trouwens en ze blaast toch een aardig deuntje op die fluit. Niet onaardig, niet onaardig. Over twee weken is het Pasen, een paashaas staat in een etalage en grijnst mij toe vanachter zijn kruiwagentje vol met eieren. Hoe komt een haas aan een ei?, komt een ei uit een haas?, is een haas een ei? Leggen hazen eieren? Nee toch, lijkt mij zeer onwaarschijnlijk. Ik denk het van niet. Meeuwen zijn vast vliegende konijntjes, zonder het te weten en een berggeit is een stukje Chabichou. Zonder het te weten. Wie weet was Eva ooit een banaan, of tenminste een deel van haar. Nee, ze is een bloem, een zonnebloem. Een veld vol zonnebloemen is ze, haar haren glanzen, haar gezicht omringd door een krans van gele blaadjes, de wind kringelt om haar lieflijk ronde gezichtje, je bent een lichte deerne, dat ben je, een gazelle die vooruitsnelt in de tijd, onvergelijkbaar met ieder ander wezen dat ooit onze planeet heeft belopen. En ik ben de Rattenvanger van Hamelen of William Wright, een herder ben ik, schaapje, schaapje, ja een schaapje ben ik, of nee, ik ben een wolf in schaapskleren, dat zei ooit een portier tegen mij toen ik de disco binnen wilde, zei die “ je komt niet binnen want je bent een wolf in schaapskleren”. Ik droeg op die avond een grijsgroen zomerwollen kostuum van Strellson. Sloeg nergens op wat die portier zei, de idioot, dus ik zei terug “ik ben een schaap in wolfskleren”, wat echt zo is, wat weet die vent van mij?, maar dat geloofde hij niet, vond ’ie niet echt overtuigend, ik mocht nog steeds niet naar binnen en toen ben ik maar naar huis gegaan. Of wie weet ben ik de hoed waaruit het konijn is getoverd. Het vleesgeworden woord. De haas in de etalage grijnst ons nog steeds toe.

47

Eva’s hand smelt in de mijne, twee handen samen, de energie groeit. Gland in gland, een theelepeltje wonder. ‘Je ruikt naar eh eh, waar ruik je naar?,’ vraag ik aan haar. ‘Een beetje muskaat, sandelhout, Laura Biagiotti?’ ‘Wel beter ruiken hoor. Weet je het nog steeds niet? Hier, ruik eens goed.’ Ze steekt haar linkerpols toe. Ik neem een volle teug van haar pols, de geur kringelt in mijn hoofd, ik moet het in een keer goed hebben, anders sla ik een behoorlijke flater. ‘Mmm.’ Ik neem nog een flinke haal met mijn neus, in het binnenste van mijn hersenpannetje woorden de woorden Chanel no. 5 geprojecteerd. ‘Het is Chanel no. 5.’ Ik maak een zegevierend gebaar met mijn rechterhand. ‘Ik wist het! Wil je met mij dansen?’ Serieus kijk ik haar aan. Ze kijkt terug alsof het in Keulen dondert, omdat ik zo zeker kijk, maar de hemel is strakblauw en Keulen is een eind weg. ‘Het is Must de Cartier, een parfum met vanille, jasmijn en galbanum. Je neus is vast verstopt.’ ‘Ach, schatje,’ antwoord ik, ‘je weet toch dat ik je in de maling neem, dat ik altijd Chanel no. 5 zeg en waarom? Omdat dat de beste parfum van de wereld is, sandelhout, meiroos, bourbon vanille... Een vrouw is geen vrouw zonder no. 5, net zoals een man niets is zonder een Patek Philippe.’ Ik laat haar voor de honderdduizendste keer mijn horloge zien. ‘Ja, jaja. Ik weet het,’ mompelt ze. ‘Een vrouw No. 5 en een man een Patek Philippe. Ik zal het onthouden. Je hebt mij ooit een flesje Chanel opgestuurd als verrassingsgeschenk. En nog steeds staat het in mijn toiletkast. Ik ben heel erg zuinig, weet je.’ ‘Ik weet het. Ik ken niemand die zo zuinig is. Ik sta er iedere keer weer van te kijken.’ ‘Dit is alweer mijn vijfde Patek Philippe. Ieder jaar een nieuwe, want ja, dat moet gewoon zo, waarom weet ik eigenlijk niet, ik wil gewoon bij de tijd blijven, op de seconde nauwkeurig, altijd nu, een pietje precies, maar het kan zijn

48

en echt heel erg misschien, dat ik het komende jaar overstap naar een ander merk, naar een Piaget, alhoewel, nee, dat kan niet want daar zit een wachttijd op van acht jaar. Niet te geloven. Wil ik een Piaget bestellen, bel ik ze en zeg: “Doe mij maar zo’n Zenith Grand Class Traveler”. Zegt die winkelier: “Moet je acht jaar wachten”. Ik zeg: “Wat acht jaar wachten? Op een horloge? Man, ik moet nu de tijd weten en niet over acht jaar. Wat heb ik daaraan? Niets toch?”.’ Met mijn rechterhand strijk ik de haren voor mijn ogen weg. De wind neemt toe nu de avond begint te vallen. ‘Zegt die verkoper: “Ja het is wat mijnheer, d’r wordt er maar een per jaar gemaakt voor de Europese markt. Enig geduld graag”. “Enig? Noemt u dat enig? D’r is niets grappigs aan. Weet u wat u doet? Bestel er een en doe ook maar een nieuwe Patek; dezelfde als eerst. Ik wil hem thuisgestuurd krijgen op de achtentwintigste. En die Zenith over acht jaar. Op de achtentwintigste. Ik noteer het alvast in mijn agenda, zeg ik tegen de verkoper”. “Indien u dan maar vast een halve ton wil aanbetalen voor de Grand Class Traveler, indien u hem mag kopen”, zegt hij. “Mogen kopen?”, vraag ik. “Hoezo is dat?”. “Ja, mijnheer”, zegt die verkoper, “ze werken alleen in opdracht voor dit type. Ik zal ze berichten dat u belangstelling heeft en verneemt u wel weer van mij, of het kan of niet”. “OK, OK, het moet maar, geld moet rollen, als het mag”, zeg ik weer terug tegen die verkoper en dus is het nog acht jaar wachten op mijn Zenith,’ zeg ik en kijk bevestigend op. ‘Acht jaar. Het is wat,’ zucht Eva. ‘Je kunt toch gewoon een horloge kopen bij de Bijenkorf, of een Swatch? Wat maakt dat uit? Als je maar ongeveer weet hoe laat het is, of ga naar de kermis, win met een grijparm voor een Euro een goedkoop horloge uit China. Je bent gek om een horloge van een halve ton te kopen.’ ‘Een halve ton?,’ merk ik op. ‘Halve ton? Vijf ton! Die ene Zenith is te koop voor vijf ton. In Euro’s. Een halve ton aanbetaling en daarna ieder jaar nog eens hetzelfde bedrag; bij

49

levering honderdduizend. Wat maakt het uit. Bedrijfskosten. Kost mij geen dubbeltje. Net zo goedkoop als een goedkopie uit China. Kwestie van zeer creatief boekhouden, de winsten op de beurs in de gaten houden. Mijn expertise, je weet het. Naast mijn kunstcollectie en het beheren van...’ ‘Je bent een idioot Adam, zowat de hele wereld heeft geen cent te besteden en je moet dat toch als geen ander weten. Je was ooit afhankelijk van anderen en nu je het helemaal gemaakt hebt, smijt je met geld alsof de waarde ervan je geen donder kan schelen.’ ‘Schele? Zeg je schele tegen mij? Ik ben niet scheel.’ Ik lach, maar met kiespijn, een scheve lach, een schele lach, een holle lach, vol leegte, een lach van niets, om mijn domheid, mijn verkwistende gedrag te verbergen. Ik weet dat mijn grapje niet leuk is. Humor van niets is het. ‘Je bent echt van de pot gerukt Adam, een half miljoen voor een klokje, je bent net een overdreven puber, een leeg vat ben je, soms begrijp ik niets van je.’ ‘Mag ik eens iets plezierigs met mijn geld doen?’ ‘Plezierig noem je dat? Patserig is het. Kom hier met je horloge, geef het eens aan mij, laat het mij van dichtbij bekijken.’ Ik haal het horloge van mijn pols en geef het aan haar. Ze bekijkt het horloge aandachtig, loopt plotseling snel weg en rent naar de overkant van het plein waar een groepje zwervers staan. Ze geeft mijn horloge aan de grootste man uit het groepje. Ik ren achter haar aan en wil het horloge uit de handen van de zwerver rukken, maar Eva geeft mij een flinke tik voor mijn kanis en ik stamel hoe ze zoiets kan doen, hoe kun je iets wat voor mij waardevol is zomaar weggeven? ‘Je hebt alles al en nu, hup, naar de Hema toe. Koop ik een horloge voor je. Een speciaal geschenk van mij voor jou, om je arrogante verspreiding van rijkdom voor eens en voor altijd de kop in te drukken. En jullie, jongens,’ zegt ze tegen de zwervers, ‘dit horloge is nog geen jaar oud en kost nieuw...

50

wat kostte die, Adam?’ ‘Eh, ik heb hem vorig jaar juni gekocht voor 19.500 Euro, een koopje volgens de winkelier, want een eenmalig gemaakt exemplaar.’ ‘Als je dit ding verkoopt krijg je er zeker de helft voor,’ zegt ze tegen de zwerver. ‘Wel eerlijk onder elkaar verdelen hoor,’ glimlacht Eva. ‘En wij, wij gaan er vandoor.’ Ze wilt mij wegrukken van het plukje armoedzaaiers die ons verlamd aankijken. ‘Geef terug, alsjeblieft, ze raaskalt, hier...’ Ik neem mijn portemonnee en haal er duizend Euro uit. ‘Hier, duizend Euro voor jullie en mijn horloge terug!, zeg ik dreigend. ‘Mijn vriendinnetje heeft haar verstand verloren, zoals wel vaker,’ maar dat laatste mompel ik zachtjes. De grootste van het stel is snel en slim en graait de vijf flappen van tweehonderd uit mijn linkerhand en geeft aan mij het horloge terug. Weer een mille minder. Verdomme en toch. ‘Doe er iets leuks mee, ga er maar lekker voor eten, een paar daagjes de stad uit, koop wat nieuwe kleren, of geef wat aan jullie moeders. Die zullen het wel nodig hebben.’ ‘Op naar de Hema,’ stelt Eva. ‘Laat toch zitten die Hema, ’t is bijna dicht daar, een winkel met horloges van niets. Ik heb thuis sowieso wel twintig van die goedkope horloges. Kom op. Naar huis. Ons bezoek zal wel op ons wachten. Wij zijn al laat.’ Ik haal de fiets van het slot, Eva ook en wij springen op de fiets en gaan linea recta naar huis, wij slaan de Herengracht op en fietsen door het Vondelpark onder de lentebloesem door. Thuis gekomen zit ons bezoek al in de salon op ons te wachten. Fionae heeft ze al binnen gelaten. ‘Eef, eh, Eef, je bezoek zit al op je wachten, zo hoor ik van Fionae. Wil je ze ontvangen? Ik moet nog snel iets regelen.’ ‘Werkelijk, is dat zo? Zijn ze er al? Kris en Lana? Jahoe! Lana! Waar zit je, waar ben je?’

51

‘Ze zitten in de salon op je te wachten,’ zeg ik. Het voorgeval met mijn Patek, de kwaadheid van Eva heeft mij aan het denken gezet. Ze heeft gelijk, ik ben een verkwister. Ik loop de kersenhouten trap op naar mijn werkkamer en bel de winkelier opnieuw. Nu privé. ‘Laat mijn bestelling toch maar zitten. Ik ben van gedachten veranderd. Wat krijg ik terug voor die Patek die ik het vorig jaar van je gekocht heb? Wat, tien mille? OK, ik stuur hem de volgende week naar je toe. Je hebt mijn rekeningnummer als het goed is, dus stort het bedrag maar terug. Ik heb besloten om vanaf vandaag geen geld meer te verspillen aan overdreven dingen. Sorry voor het ongemak, maar zo is het.’ De winkelier antwoordt: ‘Begrijpelijk mijnheer, zeer begrijpelijk. Ik draag altijd het horloge dat ik van mijn oude heer geërfd heb en die dure horloges, wat moet je er eigenlijk mee? Allemaal verspilling, als je het mij vraagt, overdreven gedoe, zelfs al verdien ik er graag mijn dagelijks brood mee.’ De reactie van de winkelier verbaasd mij zeer. Ik open de safe in mijn werkkamer en neem een bankkaart, loop naar de computer en stort het bedrag wat ik van hem terugkrijg op mijn Russische bankrekening. Het pasje dat op mijn naam staat, stop ik in de speciaal voor dit soort gelegenheden gemaakte dikke lederen agenda. Deze noem ik altijd liefkozend mijn buideldiertje, want de omslag is gemaakt van kangaroeleer. Hier kijkt een douanier nooit in, zo is mijn ervaring. Nog nooit, waar ik ooit naartoe ben gereisd zullen ze aan de grens deze agenda bekijken. In mijn reistas kijken ze er altijd overheen, of ze zeggen “wat een fraaie agenda” en ik “ ja, van krokodillenleer, gekocht in Brisbane”, of de agenda ligt op het dashboard van mijn auto, niets te verbergen, zo kijk ik. Ik loop naar de slaapkamer, open haar reistas en schrijf snel een korte notitie op een papiertje. “Lieve Eva. Spoor slachtoffers op van de aanslag in het Dubrovka theater en haal iedere maand geld van deze rekening, je kunt er bij iedere bank,

52

wereldwijd, geld mee opnemen. Geef diegenen die je gevonden hebt maandelijks honderd, tweehonderd dollar. Dan kan ’ie daar de eerste tijd van leven. Als je vragen hebt, laat het weten. Ik zal aan de bank opdracht geven om voor jou een speciale pas te maken. Die kun je dan ophalen.” Ik stop de notitie en de bankkaart voor in de agenda, leg deze onder haar jurken, rits de tas dicht en loop naar de badkamer, was mijn gezicht met koud water, poets mijn tanden om de smaak van de Caribbean Sunset kwijt te raken en loop naar beneden de salon in. Ik begroet Lana en Kris die gezellig met Eva zitten te keuvelen. Ze hebben elkaar al jaren niet meer gezien en ze zijn verrukt dat ze samen zijn. Wij schudden glimlachend elkaars handen. Ik voel mij zoals Robin Hood zich ooit heeft gevoeld. Het is voor het eerst dat ik hen ontmoet. Eva had mij gisterenavond verrast toen ze zei dat haar twee beste vrienden naar Amsterdam zouden komen. Ze geven mij meteen een vertrouwde en sympathieke indruk. Lana is een echte brunette, heeft de bruine ogen van een ree, is tenger gebouwd en meet ongeveer een meter zeventig. Kris is een stevige Engelsman en heeft een rond en sprekend gezicht, bruine ogen en kort zwart haar. Een bierdrinker, dat zie je zo. ‘Zeg Adam, weet je... ik heb Kris en Lana al zeker drie of vier jaar niet meer gezien en ik wilde ze zo graag weer ontmoeten.’ Ze knuffelt Lana. ‘Lieve, lieve Lana! Wat ben ik blij om je weer te zien.’ ‘Werkelijk, ’t is een genoegen jullie hier te zien. Jullie kennen elkaar dus al een jaar of...? ‘Twintig?’ (Kris.) ‘Welkom in mijn huis.’ ‘Kris ken ik pas vier jaar, maar Lana ken ik al vanaf de lagere school. Ze is mijn hartsvriendinnetje,’ zegt Eva zoet en ze knuffelt Lana voor de derde keer sinds ik voor ze sta. ‘Ja en je gelooft het of niet, maar toen ik je schreef dat ik naar West-Europa wilde komen, ontving ik in dezelfde week

53

een berichtje van Lana. Om elkaar te ontmoeten en dat ze best wel van Londen naar Amsterdam wilden komen. Dat leek mij een fantastisch idee en het leek mij leuk dat jullie elkaar zouden ontmoeten, dat je enkele van mijn vrienden zou leren kennen en nu is het zover.’ ‘Wel, dat vind ik echt heel erg speciaal. En, hebben jullie de weg naar hier gemakkelijk gevonden?’ ‘Dat viel eerlijk gezegd nogal tegen, want wij hebben ons hier een uur lang in kringetjes bewogen, er zijn hier in de buurt enkele straten afgezet, het is hier allemaal eenrichtingsverkeer, dus wij hebben zeker drie of was het vier keer? de weg moeten vragen, anders waren wij zeker veel te laat geweest,’ zegt Kris. ‘Amsterdam, hè? Altijd vol verrassingen. De mafste stad van de hele wereld. Hier kan alles, niets moet, alles mag. Voel jullie welkom. Ik ben vereerd om jullie te mogen begroeten. Waar staat jullie bagage?’ ‘In de auto, buiten.’ Ik pak Kris bij de arm en zeg tegen de dames dat wij ze even alleen laten, wij moeten de bagage uit de auto halen en dat ik aan Kris de kamer laat zien waar ze overnachten. ‘Jullie kunnen wel even voor jullie zelf zorgen, is het niet? Er staat drank en kleine hapjes in de keuken. Fionae! Wil je de hapjes brengen?,’ brul ik naar beneden. Kris en ik halen de bagage uit de auto en brengen deze naar de zolderverdieping waar een gastenverblijf is met eigen badkamer, zitruimte, een hemelbed met uitzicht op het Vondelpark en een van haar vijvers. Ik leg hem het gebruik van de whirlpool uit. Kris werkt bij Jaguar, antwoordt hij desgevraagd. Hij voorspelt een ecologisch verantwoorde auto op waterstof die geheel automatisch op de meest economische wijze de voorgeschreven route volgt. Ik stem toe in zijn voorspelling en vraag aan hem of hij al gelezen heeft over de motor op perslucht.

54

‘Zegt mij niets. Nee.’ ‘Zijn ze aan het ontwikkelen. Ergens in Frankrijk. Enfin; als je het raam vannacht zo kantelt, dan hebben jullie verse lucht tijdens het slapen,’ zeg ik. Ik geef hem verdere instructies. ‘Is dit waanzinnig grote huis van jou alleen?’ ‘Ja, ik woon hier gratis en voor niets. Voor een zakenrelatie heb ik lange tijd geleden een grote opdracht in de wacht weten te slepen en in ruil daarvoor mag ik een van zijn huizen beheren.’ ‘Heb jij geluk.’ ‘Hoezo? Dankzij mijn tips heeft die man gigantisch veel geld verdiend. Wel vijf keer de waarde van deze woning. Ach,’ antwoord ik en ik haal onverschillig mijn schouders op. ‘Kijk nou, is dat een Picasso?, vraagt Kris verbaasd. Hij wijst naar de muur tegenover de lounge bank. ‘Picasso? Nee hoor, al begrijp ik je gedachte,’ geef ik hem terug en ik kijk hem aan, zodat hij weet dat ik meerdere pogingen verwacht. ‘Geen Picasso?’ Hij loopt dichter naar het doek. Hij werpt enkele onderzoekende blikken op het schilderij. Zolang het geen conservenblikken zijn, vind ik het best. ‘Echt geen idee, die krabbel in de benedenhoek kan ik niet ontcijferen. Wat stelt het precies voor? Mannetjes die roeien, een rode vlag met een wit vierkant? Nee hoor, dit kan ik echt niet thuisbrengen. Het is een beetje kubistisch, maar ook niet echt. Echt heel erg apart en best fraai. Ja, daar hou ik wel van,’ vindt Kris. ‘Ennuh, nog een gokje wagen?,’ vraag ik plagerig. Bijna niemand, nee niemand raadt deze. Haha. ‘Duits? Is het Duits? Nee, dat kan niet, of wel? En die abstracte randen... Wat is het voor een schilder, waar komt hij vandaan?’ Ik geef hem een hint. ‘Amerika. De Verenigde Staten.’ ‘Oh, daar weet ik nou niets van. Ja, Warhol, die ken ik wel, maar dit is een stuk ouder volgens mij. Of niet? Die kleuren...’

55

Hij zucht. ‘Een Amerikaanse kubist? Nee, ik moet passen. Ik ken alleen Koons en, eh, hoe heet die ene ook alweer, Hopper? Die is een stuk ouder. Lichtenstein ken ik nog, die maakt wel grappige schilderijen, weet je wel, met van die stippen uit stripboeken, daarna houdt het echt op. Ik ben niet zo met schilderen. Ik ben meer design en architectuur. Bauhaus, dat vind ik fantastisch en Oscar Niemeyer, ken je die? Totaal anders, maar ik hou van die ronde, organische vormen, van Frank Gehry.’ ‘Die Braziliaan Niemeyer? Sure, niet persoonlijk, maar wel zijn werk. En Gehry is helemaal af.’ Ik klop hem op de linkerschouder. ‘Ik mag je verrassen. Je had het na vijf keer goed, totaal onbedoeld en volledig toevallig. Want dit werk kun je niet bedoeld raden. Bijna iedereen kent zijn stripwerk schilderijen, de popart dingen, maar dit is van een tijdje daarvoor, begin jaren vijftig, New York City. ‘Wie? Warhol?’ ‘Nee, Lichtenstein. ’t Is een Lichtenstein.’ ‘Het kan niet waar zijn. Dit een echte..? Ik geloof je niet, dat kan toch niemand betalen?’ ‘Zeker, zeker, dit is een echte Roy. Een familiestuk. Heeft mijn vader ooit voor een prikkie gekocht toen hij daar op zakenreis was. In een kleine galerie. Mijn vader vond het gewoon een leuk werk. Voor een prikkie gekocht destijds, ik kan het niet vaak genoeg zeggen. Komt uit de tijd dat hij nog totaal onbekend was. Het heet “Washington crossing the Delaware”,’ zeg ik. ‘Echt?’ Kris begrijpt het niet. ‘Kom, ik laat je de rest van het huis zien.’ Wij lopen de trap af naar de tweede verdieping. Alle wanden van het huis zijn in gebroken wittinten geschilderd, de vloeren van kersenhout en natuursteen. De meubels, de kunstwerken en de planten geven kleur aan de woning. Ik laat aan Kris mijn kunstverza-

56

meling zien, grotendeels schilderijen, houtsneden en grafiek van Nederlandse kunstenaars. Ook laat ik aan hem het monochroom van Yves Klein zien, een bronzen standbeeld van Alberto Giacometti en een granieten kopie van een beeld van Horus. De twee Griekse iconen. Ik eindig in de zitkamer bij de houten constructie, het werk van Pi. Eva en Lana zitten in de serre innig met elkaar in het Russisch te keuvelen. Aan iedere beweging kun je zien dat ze beste vriendinnen zijn. En dat ze heel wat bij te praten hebben. ‘Dit is echt een apart werk,’ zegt Kris. ‘Wat is dit in godsnaam? Een oude boot of zo? Wat een vreemd kunstwerk.’ ‘Het is gemaakt door een vriend van mij en heeft niet echt een naam. Pi noemt het gewoon boot. Ik noem het de Ark van Mozes, van Noach mag ook; beiden wellicht. Anderen noemen het de draagvis met de wind in de zeilen, anderen rommel. Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Het bestaat uit een drieluik voor aan de wand, net als in de Middeleeuwen, een onderstel van staal zoals je ziet én het heeft een spiegel. Kijk.’ Ik neem de spiegel met het koperen handvat van vis van de muur en geef het voorwerp aan Kris. ‘Wel voorzichtig hoor.’ Kris begrijpt het niet helemaal en kijkt in de spiegel naar zijn evenbeeld. Hij draait de spiegel om en ziet zwart. De krastekening in het glas aan de voor- en achterkant. Het gezicht. De schedel. Het profiel. ‘Zo! Dat is wel iets anders dan een poster aan de muur.’ ‘Dat kun je zeggen, ja.’ Ik loop naar het beeldhouwwerk. ‘Kijk. Het zit zo. Kom eens hier.’ Kris komt dichterbij. ‘Als je in de spiegel van vis kijkt, lees je de in spiegelschrift gegoten teksten. Het zijn de woorden van Mozes die hij op de berg Sinaï van God ter openbaring kreeg: “I. Gij zult geen afgoden creëren, maar mij aanbidden en boven alles beminnen. II. Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eer-

57

bied gebruiken. III. Wees gedachtig dat gij de dag des Heren heiligt. IV. Eer uw vader en uw moeder. V. Gij zult niet doden. VI. Gij zult geen onkuisheid doen. VII. Gij zult niet stelen. VIII. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen. IX. Gij zult geen onkuisheid begeren. X. Gij zult niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toekomt”. Het is eigenlijk zo dat je in de spiegel kijkt en de tekst kunt lezen; zodoende kijk je in het eigen innerlijk en kun je je de vraag stellen of jij je aan deze regels houdt. Het zijn de in brons gegoten woorden van Mozes, aan zeilen van hout, net als het voorplecht, een stellage met koperen vissen die de boot over de wereldzeeën draagt.’ Kris is zowat sprakeloos. ‘Wat een apart kunstwerk. Zoiets wordt maar één keer gemaakt.’ Ik hang de spiegel van moraal terug aan de wand. ‘Klopt. Dat is geheel correct. Kom. Trouwens... die Mozes heeft zich niet echt aan zijn regels gehouden. Zo heeft hij bijvoorbeeld zelf een slavendrijver vermoord, alleen was dat voordat hij de openbaring ontving van de tien geboden,’ zeg ik zijn leven overpeinzend. ‘Wij gaan de dames verblijden met onze terugkomst. Ze zitten op ons te wachten in de serre. Maar eerst moet ik de keuken in. Ik ben zo terug.’ Ik laat Kris voor de dames en duik snel de trap af, het souterrain in. Fionae heeft voor ons een uitgebreid diner gekookt. Ze is een meesteres in de keuken en volop in de weer. Ik inspecteer de voorbereidingen en vraag of ik iets kan doen. ‘Is niet nodig. Het loopt op rolletjes,’ antwoordt ze. Ik loop terug naar boven en ga naast Eva op de sofa zitten. Wij zitten met zijn vieren samen en hebben het beste voor. ‘Dank je wel voor de catalogus Adam,’ zegt Lana. ‘Verzorgd boek. Ziet er fantastisch uit,’ voegt Kris toe. ‘Jullie moeten Eva danken. Zij heeft het uitgezocht. Laat

58

eens zien?’ Kris overhandigt het boek en ik blader er snel door. ‘Fijne catalogus. “De Italiaanse Metamorfose, 1943-1968”. Had je ook wel voor mij mogen kopen,’ zeg ik tegen Eva met een knipoog. ‘Mmm. Lucio Fontana, Giuseppe Cavalli, Valentino Garavani, Michelangelo Pistoletto. Ziet er zeer verzorgd uit. Echt interessant.’ Ik sla het boek dicht en leg het terug op de salontafel. Op de eettafel ligt bij ieder bord een menukaart. Het diner begint met groene lentesoep, daarna een salade met krokant gebakken langoustines, het hoofdgerecht is Andalusische eieren uit de oven – de verse groene asperges in dit gerecht zijn overheerlijk weet ik mij te herinneren –, daarbij verse groenten; spruiten en schorseneren, pastinaak, vitelotte noir aardappelen en het toetje is aardbeien Romanov. Wij sluiten in Russische sfeer af. Zal een recept van de keizer zelf zijn. Fionae is extra attent, dat heeft ze vast gedaan om Eva en Lana te behagen. Ik moet eraan denken om haar daarvoor te bedanken. Fionae denkt aan alles, ieder detail is verzorgd. Het tafelzilver, het damasten tafelkleed, de kandelaars met brandende kaarsen. Pianomuziek van Chopin klinkt zachtjes op de achtergrond; ze heeft een van zijn nocturnes opgezet. Artur Rubinstein beroert de zwarte en witte ivoren toetsen, onze harten. De tafel is gedekt. De sfeer in huis is gemoedelijk en genegen. Wij zijn klaar voor het avondmaal.

59

IV
De Waldorfsalade voor twee personen van eigen receptuur zet ik op het dienblad. Overheerlijke salade met goudrenetten, tropisch fruit, druiven, bleekselderij, gemberpoeder, walnoten, walnotenolie, limoensap, mayonaise en bruine suiker. De kokos geeft het geheel een Caraïbisch tintje. Roeren met een houten lepel en ‘klaar is Kees,’ zeg ik tegen haar zodra wij aan tafel zitten. ‘Kees wie?,’ lacht ze. ‘Kees Maf,’ lach ik terug. (Een Hollands woordspelletje.) Ze kijkt mij niet begrijpend aan. ‘Was de Siciliaanse broodsoep naar wens?’ ‘Echt verrukkelijk. Hoe krijg je het zo lekker.’ Ik vertel aan Eva hoe je deze soep maakt. Eerst het oude donkere brood knapperig bakken in een laag olijfolie met veel knoflook. Het brood verwijderen. Een pond vers gepelde pomodori tomaten in de blender malen en toevoegen aan de resterende olijfolie. Verse basilicum, tijm, enkele blaadjes rozemarijn, gemalen zout en peper, een blokje kruidenbouillon en water toevoegen. Twintig minuten verwarmen en voila! Bij het opdienen het brood bij de soep voegen met daarover gemalen caciocavallo. ‘Was echt super lekker.’ ‘Vertel eens over je kinderen.’ Ze neemt een slokje van de witte wijn en vertelt hoe trots ze op ze is, de scholen die ze bezoeken. Dat Evgeniya als twee druppels water op haar lijkt. Identieke slimme blauwe ogen, de glanzende blonde haren en over de prijzen die Daniil gewonnen heeft met schaken. Kampioen van St. Petersburg! ‘Jammer dat je geen foto’s meegenomen hebt,’ zeg ik belangstellend. ‘Vertel toch meer.’ Ze zwijgt. Ze geniet van het eten. ‘Echt buitengewoon lekker. Je bent een uitstekende kok.’ ‘En?’

60

‘En wat?’ ‘Over Evgeniya en Daniil. Vertel op,’ nodig ik haar voor de zoveelste keer uit. Zodra ik over haar kinderen begin, geeft ze aan mij de indruk dat ze er niet veel over kwijt wil. Alsof ze niet gelukkig met ze is, of met haar gezin, of er iets wringt tussen haar, haar man en haar kinderen. ‘Twee papa’s en een moeder. Het is echt moeilijk, af en toe, maar gelukkig zijn die twee echt dol op elkaar. En allebei slim!? Je wilt het niet weten, zo slim zijn ze,’ antwoordt ze na mijn aandringen. ‘Evgeniya heeft de lagere school in vier jaar doorlopen en nu ze op de middelbare school zit heeft ze twee jaar in een gedaan. Ze is dol op talen. Echt enorm goed in Frans en Italiaans. En Daniil in wiskunde. Hij is echt briljant; een van de beste op de universiteit.’ ‘Net als zijn moeder.’ ‘En naast haar studie doet Evgeniya ook veel aan dans en yoga.’ ‘Werkelijk?’ ‘Twee uur per dag. Een uur ’s ochtends bij zonsopgang en ’s avonds nog eens een uur.’ ‘Ik ook. Yoga. Een keer per week. Zodat die chakra’s open staan; zodat je je lichaam niet meer eens voelt en toch bent, dat je bent zonder grenzen. Geen ego, maar verbonden met alles om je heen.’ ‘Echt?,’ vraagt Eva. ‘Jij Adam?’ ‘Zeker. Kijk, een mens heeft er zeven. De wortel chakra, aan het onderste beentje van de rug, het heiligbeen chakra aan het centrum van het heiligbeen, de zonnevlecht chakra ter hoogte van de navelstreng, de hart-long chakra, de keelchakra, het derde oog chakra net boven en tussen de ogen, als zevende de kroonchakra, net boven het hoofd, een soort van zweefpunt, een verlenging van het lichaam, gericht naar het hemelse...’ Ik wijs ze alle zeven aan met mijn rechterhand, zodat duidelijk wordt wat de exacte locaties van deze levensenergieën zijn.

61

‘Ik weet het. Evgeniya heeft het mij vaker voor gedaan.’ ‘De volgende keer moet je ze allebei meenemen naar Amsterdam. Het lijkt mij echt leuk om je kinderen eens te ontmoeten.’ ‘Adam. Ik ben getrouwd. Niet echt gelukkig, want wij zien elkaar veel te weinig. Nicolas en ik werken allebei veel te hard. Het leven in Rusland is zo anders. Kei en keihard,’ galmt ze met een schelle stem. ‘Maar ja, zo is het gelopen in het leven. Je weet er alles van.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Wat kan ik er aan doen?’ ‘Don’t tell me, honing,’ zeg ik met een treurigheid die mij bijna de das omdoet. ‘Maar ik ben echt blij dat je hier bent. Het was echt gezellig met Lana en Kris, vind je niet?’ ‘Ja. Ik heb van het weekeinde genoten. Jammer dat ze alweer weg zijn.’ De tafel ruim ik af terwijl Eva haar zaken doorneemt. Ze zit op de sofa in de zitkamer en samen kijken wij met half oog naar een deel van de speelfilm “1900” van Bernardo Bertolucci. ‘Een van mijn favoriete films,’ zeg ik tegen haar. ‘Ik weet het,’ bladert ze door de papieren. Ze kijkt op. ‘Wij spraken er al over. Iedere keer als ik die boerderijen zie op het Italiaanse platteland, smelt ik van binnen. Wat is het dáár fijn wonen.’ Ze schenkt mij haar slanke handen en ik geef haar een drukpuntenmassage; open haar heupzone, de baarmoeder, haar sacraal punt (het heiligbeen), de longen en haar hart. Stem haar milt. Tevens borstel ik haar zachte haren en kus keer op keer boven op haar hoofd. Ze zucht diep en genoeglijk: ‘Was Nicolas maar net zo zorgzaam voor mij als jij het bent.’ Na dit korte en ontspannende intermezzo spoeden wij ons naar het Concertgebouw. Het concert begint om half negen en het is al over achten. De kaartjes doe ik in de binnenzak

62

van mijn wollen pak en Eva springt in gala op de Gazelle. Ik spring op de Batavus. Als volleerde circusartiesten rijden wij door Oud-Zuid en in nog geen vijf minuten – een record – staan wij voor de ingang en dringen voor om ruim op tijd in het rode pluche te zakken. Wij zitten centraal in het beste muziekinstrument van Amsterdam; een van de beste muziekzalen ter wereld. Eva kijkt op en om en leest de namen van de grote componisten die in gouden letters op de balkons en muren zijn weergegeven: Beethoven, Brahms, Mozart, Schumann, Bartok, Debussy, Zweers. Het Concertgebouworkest zit klaar. Vanavond staat de Italiaanse dirigent Ricardo Chailly op de bok. Bij zijn opkomen krijgt hij een bewonderend applaus. Voor de pauze staan Tsjaikovsky’s “Ouverture 1812” en Debussy’s “La Mer” op het programma. “De dialoog van de wind en de zee. Het spel van de golven, de dageraad, de middag op zee”, zo lees ik in de flyer en zo klinkt het ook. Als de zee, de wind, golven, de rijzende zon. Na de pauze speelt het orkest “Le Sacre du Printemps” van Igor Stravinsky. Het hakt er stevig in zoals alleen Russische klassieke muziek het kan. ‘Mon Dieu,’ fluistert Eva zodra het orkest als een span van weet ik hoeveel paarden door de bochten van de concertzaal vliegt. Het hakt er, zoals gezegd, behoorlijk in. Het orkest explodeert als een kanon, implodeert, tromgeroffel, fluistert als een lentetakje bewogen door een zuchtje wind, een brullende leeuw met manen als strengen van staal recht overeind, een vulkaan die vuur en as spuwt, een vogel die door de lucht scheert. Een orkest van vogels en hun getjilp. Hoewel het werk uit 1913 stamt, klinkt het negen decennia later nog steeds zo fris als een hoentje. Zijn tijd ver vooruit. “De aanbidding van de aarde”, “De offering”; zo heten de twee delen van deze onstuimige compositie. Alsof ze de voorbode was van de wervelstorm die de twintigste eeuw heette. Het laatste stuk, “Sacrale Dans”, bevat meer dan 150 maatwisselingen en dat in nog geen vijf minuten. Hoe de dirigent en het orkest de wisselingen kunnen bijhouden, is voor

63

mij een raadsel. Na afloop wind in de oren, een klaterende waterval. Chailly en het orkest ontvangen een daverend en stormachtig applaus. Wij spoeden ons naar huis en gaan redelijk vroeg naar bed, want Eva moet om zes uur de Train à Grande Vitesse naar Parijs halen. De wekker staat op iets over vieren. Ze ligt op bed met haar cursusboek Frans. ‘Luister,’ zegt ze in het Frans. ‘Verkoopt u ook ananas?’ Ik lig naast haar en lees met haar mee: ‘Ja.’ ‘Dan wil ik graag die ananas. Hoe duur is hij?’ ‘Alstublieft. Een Euro.’ Ze zoekt naar een Euro. ‘En die bananen? Hoeveel kosten die?’ ‘Die kosten 0,75 cent per kilo,’ lees ik voor. ‘Dan graag twee kilo bananen.’ Ze wijst de virtuele bananen aan. ‘Alstublieft. Dat is dan twee Euro en vijftig cent. Anders nog iets?’ ‘Nee, dank u wel.’ Ze geeft twee Euro en vijftig cent en ik stoot haar aan. ‘Je spreekt het Frans goed uit. Je hebt talent voor taal.’ ‘Dank je wel.’ Ik neem het geld aan en sla het boek dicht. ‘Dat heb ik snel verdiend.’ Wij liggen als lepels en ik vraag wanneer wij elkaar weer zullen zien. ‘Ik weet het niet. Maar ik vind het wel leuk als je naar Parijs komt. Kun je mij op het vliegtuig naar St. Petersburg zetten. Vind je dat een idee?’ ‘Dat is bij deze afgesproken.’ ‘Super. Maar wij moeten nu echt gaan slapen. Het wordt een korte nacht. Slaap zacht.’ Ze duikt dieper onder het dekbed. ‘Jij ook. Welterusten.’ Vijf dagen later rijd ik, net zo snel als twee weken eerder,

64

naar station Montparnasse, Parijs – Par Isis –. Ze arriveert in de trein van zestien over vier op perron veertien. Over een paar uur moet ze terug naar huis, naar haar man en kinderen. Terug naar het land van de allesomvattende, door het landschap voortrollende, steppes. Het land waar de zon opgaat en waar de zon ondergaat. Het land van Lara, Toergenev, Andrei Rublev, van Malevich, van Goemeljov’s dichtregel “En Eva, ooit kind en ooit weerlicht geweest”, waar de gouden koepels van de kathedralen schitteren in het licht dat de hemel verspreidt, Laika land, de Ob, de Lena, diep in moeder Rusland behoort het hart van mijn geliefde toe, in haar armen wordt ieders hart verwarmd. Haar stem weerklinkt, ze roept uit de lentetuin: “Adam, verheug je, je sliep en werd wakker. Mijn vreugde, mijn vreugde! Maak je ogen open! Kom, kom, kruip in mijn armen!” Het is druk op het perron van station Montparnasse, het is overvol zodra haar trein arriveert. Ze stapt uit de wagon, ze schrijdt de treden af. Mannen kijken op zodra ze haar in het vizier krijgen, als Marilyn Monroe in “Some like it Hot” loopt ze langs de wagons, ze straalt gelijk geen andere vrouw, een zijden doek om haar lange hals gedrapeerd en ik loop haar tegemoet, stralend van vreugde – wat heb ik haar de afgelopen dagen gemist –, kus haar teder op de mond, ze draagt enkele druppels eau de cologne. Ik neem haar koffer over. Wij lopen snel door de mensenmassa heen. Vanavond moet ze terug naar Rusland, maar Eva wil het niet. Ik wil ook niet dat ze gaat, maar het kan niet anders. Wij houden elkaar vast, nog vier, vijf uur samen, een eeuwigheid als de tijd kostbaar is. Zo kort in de eeuwige tijd en zo meteen, na deze paar uurtjes, moeten wij elkaar loslaten en ik zie een grote leegte voor mij opdoemen en ben tevens vervuld van vreugde dat wij deze momenten met elkaar delen. In de auto, onderweg van haar hotel naar het vliegveld zitten wij, ik ben bij haar en wil bij haar blijven, jaren heb ik haar gemist en nu zo kort. Altijd dat even maar. Ik wil alleen

65

en altijd bij haar zijn. In de auto praat ik, ik praat honderduit, in de rondte en ze vraagt: ‘Vraag je mij ten huwelijk, Adam, doe je dat? Hoor ik dat goed?’ Ik: ‘Ja, ja, ja, oh Eva, ik hou zoveel van je, je bent mijn droom, een wonder, mijn God, hoe heeft het ooit kunnen gebeuren? Je ging weg, je verdween plotsklaps uit mijn leven en nu, nu ben je hier en je houdt van mij, van mij alleen en van je kinderen, maar je moet weer terug, weg uit elkaars leven en dat willen wij niet. Ik wil bij je zijn...’ ‘Hihi! Oh Adam, op je knieën, op je knieën. Je moet een aanvraag doen, oh alsjeblieft? Op je knieën!?’ Ze slaat van pret op de hare en gilt het uit. “Give it to me”, zingt Ricky James op de radio. Wat een vette bas. Ik voel mij zo licht. ‘Dat kan toch niet schatje.’ Ik streel haar haren en lach vol vreugde. Eindelijk is het grote woord er uit. Ik had het jaren geleden al moeten zeggen. ‘Ik zit achter het stuur, dat kan toch niet, het is levensgevaarlijk. Wil niets liever, geloof me maar straks, direct na het uitstappen, val ik op mijn knieën voor je. Ik aanbid je. Ik wil het. Ik wil jou, jou alleen. Altijd, voor de rest van mijn leven.’ ‘Jajaja,’ schatert ze. Ze is net zo blij. Maar toch. ‘Het kan niet, het kan niet.’ Mompelt ze. ‘Moet ik scheiden.’ Ik kijk haar aan en tril van opwinding. ‘Maar toch, ik wil het.’ Hoor ik haar goed? Mijn hoofd moet zo rood als een boei zijn en Eva ziet er ook behoorlijk opgewonden uit. Bij haar breekt het water, zoals in mij mijn eieren. De sappen willen eindeloos stromen tot aan de horizon, over de snelweg waar de koepels van de verkeerstoren opdoemen. ‘Nee, nee, nee, je valt nog steeds niet op je knieën? Wat is dat? Hup, schiet eens op!’ Ze lacht voluit en straalt haar mooiste lach. Wij zijn net uitgestapt; bevinden ons in de ondergrondse parkeergarage van het vliegveld.

66

‘Ik ga hier niet, veel te ongezellig en te donker. Boven in de vertrekhal krijg je de hele show. Heb je de koffers? Alles bij je, je paspoort, je handbagage?’ Ze neemt haar bagage, een koffer maar en een leren handtas. Wij nemen de lift naar de vertrekhal op de tweede verdieping. “Aeroflot” staat er op de bewegwijzering. De liftdeuren openen langzaam en wij stappen de betonnen hal in, de vloeren van marmer, in het volle kunstlicht. Het is heel erg rustig, de vertrekhal is ruim en kolomloos. Mijn hart staat in bloei, het schiet op uit het witte ei, zoveel ruimte ineens, grijs en wit. Een handvol andere reizigers zijn aanwezig. Het is laat en wij lopen naar een dichtbij gelegen zitplaats. Ze loopt gracieus, schudt haar hoofd en lacht, ze draait om mij heen. ‘Nou? En? En? Wordt het niet eens tijd?’ Ze zet haar koffer neer, gaat zitten en zet haar benen uit elkaar om steun te vinden, hoog gehakte schoenen en ik zijg neder voor haar. Ik val op de marmeren vloer in de nieuwe vertrekvleugel van die oude president, op mijn knieën zal ik en ik kijk diep in haar expressieve ogen. ‘Eva, wil je mijn vrouw worden? Wil je met mij trouwen?’ Ik stamel en kijk dieper in haar lichtblauwe, hemelse ogen; naar de andere zijde kijk ik. Ze knikt en twijfelt tegelijkertijd. Een dunne lijn scheidt haar gedachten. Ze is verrukt en verbijsterd, stralend kijkt ze mij aan, ze tast de ruimte in mij af en toont een parelwitte glimlach. Zo helder en zo waar. Niemand is aantrekkelijker, vriendelijker dan zij het is. ‘Je bent voor mij geboren. Eva, ik ben voor jou geboren.’ Zeg ik tegen haar als ze vertrekt. Eva knikt mij welwillend toe: ‘Het zal snel zijn. Heel erg snel.’

67

V
‘Wie hebben wij daar? Ben jij dat, Adam?’ Ik kijk om mij heen en zie uit de voorbijlopende mensen het hoofd van Johanna opdoemen. Ik heb sinds de laatste keer dat ik haar zag niet vaak aan haar gedacht. In ieder geval nooit serieus. Leuke meid. Niets mis mee. Hé, ze is altijd superleuk, ben blij verrast haar weer eens tegen te komen en ze bevalt mij meteen weer, een goed mens en ik zie dat ze gegroeid is, niet qua lengte, maar als persoon. Als vrouw. Meer zelfvertrouwen. Alleen niet voor mij, ik neus alleen mijn enige ware. Iemand anders bestaat er voor mij eigenlijk niet, tenminste niet in mijn hart, in mijn gevoelsleven. Wij staan bij de ingang naar het Max Euweplein waar de Latijnse tekst aanduidt dat de mens niet tegen de wind in pist, non urinat in ventum. Ik weet het, maar de mens doet niets anders. Tegen de wind in pissers, dat is er van ons geworden. Achterlijke zeikers. In tweede instantie gelijkt ze exact hetzelfde, raar is dat, alsof er geen tijd voorbij is gegaan, alsof ze niet jarenlang door Afrika heeft gereisd, helemaal alleen, in haar uppie. Hoe lang is ze er geweest? Voor drie, vier, vijf jaar? Ze heeft nog steeds dezelfde bos waanzinnig blond haar. Echt zulke bossen zie je niet vaak; het is alsof de jungle, de Medusa, in haar haren zit, maar ze is geen slangenmens. Zelfs Kongo heeft niet zulke bossen, maar wel zulke slangen. Haar lange lokken kronkelen en haar overgrote Hollandse aanwezigheid geven haar een aura van een onaantastbare vrouw die als een leeuwin haar schuilt. Johanna is begin dertig. Het meisje is er niet meer, alsof die persoon van de aardbodem is verdwenen. Ze is volwassen geworden. Ik zie het meteen, alleen door haar aan te kijken, weet ik dat ze door allerlei grote veranderingen is gegaan gedurende de tijd dat wij elkaar niet hebben gezien en ze bevestigt het. Ze vertelt dat ze in Afrika is geweest om het fruit, de

68

basis van de natuur, beter te leren kennen. Weg van de stad. Weg uit het Westen. Ze is van het noordwesten eerst naar het zuiden gereisd, vertelt ze, het hele continent heeft ze rond gereisd en ze is ook nog in het midden van Afrika geweest, rondom het Victoriameer. In Marokko is ze begonnen, in Tsjaad en Rwanda, waar ze geconfronteerd werd met allerlei gemutileerde mannen en vrouwen. In veel landen waar ze was geweest, begon, net nadat ze de landen had verlaten, misschien twee, drie weken daarna, soms enkele maanden later, de lokale bevolking zijn moordpraktijken, begonnen ze een moorddadige expressie van het leven. Gelukkig niet overal. Niet in ieder land. Het was allemaal erg genoeg. ‘Het was echt vreselijk,’ kreunt ze. In Rwanda was ze enkele maanden na de moordpartijen in het land gekomen. Vier maanden was ze verpleegkundige in een ziekenhuis. Het enige wat ze deed was de zieken wassen en de wonden schoonhouden, opnieuw verbinden, zodat de ontstekingen niet zouden verergeren. Ik zeg tegen haar dat ze een spoor van bloed achter had gelaten in haar voetstappen, over het hele continent. Ze lacht: ‘Ja, dat is waar.’ Maar ze zegt het op een spottende manier, want ze kon er niets aan doen. Wij besluiten om ergens te gaan drinken, in een bar om de hoek, bij café Cox, het theatercafé onder de Stadsschouwburg, waar ik de mogelijkheid krijg om haar in het licht van de tafellamp beter te bekijken, om bij te kletsen. Om te ontdekken in wat voor een vrouw ze is uitgegroeid. Ik kom er al snel achter dat ze vol onbeantwoorde vragen zit. Ze vraagt het aan mij, alsof ik het antwoord weet. ‘Waarom moest ik al deze vreselijke dingen zien en ervaren? Hoe kan het zijn dat slechts enkele honderden kilometers verder alles zo rustig is, zo vredig. Vol elegantie?’ Ik zeg tegen haar dat ik dat niet weet, maar dat ik alleen weet dat ieder in zijn leven schoonheid en verschrikking ziet

69

en meemaakt. Dat iedereen, uiteindelijk, dezelfde ervaring opdoet. ‘Maar denk toch niet zo. Ik weet zeker dat je veel goede dingen hebt gezien. Vertel toch niet al die ellende.’ Ze draagt een grote hoeveelheid ringen. Aan iedere vinger draagt ze er twee, soms drie, een zilveren halsketting, waarvan ze zegt dat ze die in Egypte heeft gekocht. Anch, de sleutel van het leven en een dozijn armbanden, links en rechts. Ik zeg tegen haar dat zodra je weet wat verschrikking is, dat je tevens weet wat schoonheid is. Ik zeg dat deze twee dingen onafscheidelijk zijn. Dat ze twee zijden zijn van een medaille, dat ze, min of meer, zijn als dag en nacht, als winter en zomer. In feite is het enige dat ik tegen haar zeg, dat ellende bestaat, net als geluk. ‘Het geluk moet je koesteren, van de ellende moet je leren; dat het niet meer voorkomt,’ zeg ik ook nog. Wij zitten tegenover elkaar en ik kijk in haar ogen en zij in de mijne, voor het eerst. Haar ogen zijn niet grijs, zoals ik mij herinnerde, maar ze zijn eerder groen met een tintje blauw. Wij drinken nog een paar biertjes en genieten van ons gesprek, openhartiger tegen elkaar dan ooit tevoren. Ik vertel haar over de dingen die ik de laatste jaren heb meegemaakt, over mijn werk, mijn liefdesleven, Eva, – mijn hart, mijn schatje, waar ben je? –, de dagelijkse routine van vroeg op en laat naar bed en ik vertel haar over enkele ideeën, dromen die ik heb waargemaakt, mijn passies. Ze vertelt mij een verhaal dat ze vorig jaar had gehoord van een vrouw die in een pannenkoekenhuis ergens in ZuidAfrika werkt. Dat het universum als een spinnenweb is, met een spin in het midden die het in beweging zet. Dat de planeten de draden volgen. Ze vertelt mij over de elastieken tijd, een eeuwenoude vertelling uit de Afrikaanse mythologie, uit het begin van het menselijke bestaan. Dat sommige momenten, seconden als uren, maanden zijn en sommige maanden, jaren als seconden en voorbij vliegen alsof ze niet hebben bestaan. Wij hebben het over Einsteins’ vergelijking E=Mc2,

70

dat energie en massa identiek zijn; dat alles wat massa heeft tevens energie is; dat beiden inwisselbaar zijn. Tijd, ruimte en gravitatie bestaan niet afzonderlijk van materie. Een plant, een mens, maar ook een kop koffie en het glas en de wijn. Het is allemaal energie. Een paar uur later verlaten wij het café. Ik ga naar huis en neem afscheid van haar. ‘Tot ziens, beste Johanna. Het gaat je goed en wie weet tot ziens ergens in de stad.’ ‘Dag Adam. Het was leuk je weer eens te spreken.’ Op de fiets naar huis schiet mij een deel van een gedicht dat ik ooit heb gelezen – waar komt het vandaan?, hoe kan dit? – te binnen. “Ik aanschouw de benadering van mijn lief Mijn hart klopt van vreugde de ogen vol licht Ik spreid mijn armen om haar te omhelzen Mijn hart danst de ogen dansen en ze komt Naar mij toe met open armen Ik omhals en open armen Omsluiten mij zo rijk Zij is het het is waar Ik zweef in haar Prettige geur Ben gelukkig Geen smaak Van wijn” Thuis gekomen wil ik vlug naar bed, maar voordat ik ga slapen ga ik eerst douchen en ik scrub mijn lichaam met zeezout, mijn haar is kort en netjes zie ik in de spiegel en ik schrijf, na mij te hebben afgedroogd, een slot aan het essay over Agnes van God, de heilige moeder Teresa die de ar-

71

men helpt in de sloppenwijken van Calcutta. Ik schrijf over de vrouw in het pannenkoekenhuis en ik noteer dat ik toch eens moet onderzoeken waarom die Afrikanen al dachten in termen van tijd die zich als een elastiek gedraagt, duizenden jaren voordat dat door de westerse wetenschap wordt bevestigd. Zijn alle verhalen van voor de geschiedschrijving waar, zijn de verhalen die door de Griots, de mystici verteld werden waar en worden deze door de wetenschap alleen maar bevestigd? En nog snel een bericht naar Eva. Hoeveel ik van haar hou. Wanneer kom je terug? De zon wordt in de nacht geboren, de schilder en de dichter werpen licht op de wereld. Ivanhoe heeft zijn zwaard; Rowena aan zijn zijde. De schrijver heeft zijn pen en het lege papier, de schilder zijn penseel en het lege doek, een dokter zijn patiënt en medicijnen, een bloem de bij, de bij de bloem. Biggles zijn Sopwith Camel, miss Penelope haar roze Rolls Royce, Bycicle Repair Man zijn fietspomp en bandenlichters, SpiderMan zijn web, Static zijn speedwarp, Jezus zijn wonderen, zijn lijdensweg en zijn verlossing. King Arthur had Excalibur en de ridders van de ronde tafel, Superman zijn microscopische visie en daarna zijn rolstoel. Winnetou heeft Old Shatterhand; ze hebben twee paarden: Iitschi (wind) en Hatatila (weerlicht). Een redenaar heeft zijn woord en Asterix zijn toverdrank. Kuifje heeft zijn journalistieke inzicht. Een liefhebber heeft een geliefde. King Kong Fay Wray. Alleen ik niet, niet ik, ik ben geen superman, geen held. Het huis waar ik in woon is groot en ik bezit een goudkleurige Citroën CX Prestige II met crême lederen bekleding en ik weet mij geliefd, ja dat is waar, maar echt heb ik mijn geliefde niet, in het dagelijkse leven is ze niet bij mij. Ergens ver weg in een willekeurige straat, in een klassieke woning in St. Petersburg bevindt ze zich. Daar ligt Eva zeker in bed in de armen van haar man, of slaapt ze alleen in de nachttrein naar Novosibirsk? Is ze onderweg naar Irkoetsk of

72

weet ik waarheen ze gaat? Ze kan overal zijn, maar zeker niet hier, bij mij alleen. De liefde die ik voel is zo ver weg en toch is deze diep in mij. Ze is ergens in het onbekende en ook weer niet. Mijn hart is vol warmte voor haar, ik mis haar, de enige ware, diep zonder bodem zo voel ik mij en ook hoopvol, vol vervulling, maar is deze hoop, is deze ijdel, is deze tevergeefs? Hoe snel kan snel zijn? Is ze sneller dan WonderWoman?

73

VI
Het is donker en ik word omringd door het hermetische zwart. De gordijnen zijn dicht als in een cinematheek met de naam “Zwarte Maria”. Ik zie niets, zelfs niet een deel van mij. Ik besta niet eens, maar toch weer wel, helemaal alleen, niets voor mij, niets achter mij. Totale rust, geen geluid, geen zuchtje wind. Zonder roer. Zwijgend. De wereld, de hemel is leeg. Lucht en licht is het enige in mij, diep in mijn wezen, net of ik een lichte witte wolk ben, een katoenen wattendeken die zichzelf omarmt. Een ei, dat ben ik. De buitenkant van de kalken schaal is donker. De binnenkant is wit. Niet in staat om te bewegen, zonder durf, angst om in het diepe, of omhoog te vallen, zonder het pad te zien dat voor mij is, ben ik. In deze duizeling, waar geen begin is en geen einde, is slechts een heel klein zeurend stemmetje, dat vertelt dat ik mij vrij moet voelen, klaar om te springen. Ik wil een thuis vinden, een veilige haven, wonderland, ergens, iets, een plek waar ik kan leven, een plek in regenboogland waar het prisma de ruimte doorbreekt. Ik ben ruimte in deze leegte, in dit niets. Met al mijn krachten en daar bezit ik niet veel van, begin ik te bewegen en stommel, val, ik ben versteend en lucht, het bewustzijn is alleen daar, de enige zekerheid, opnieuw en nog een keer. Ik weet dat er een weg naar buiten is, iets moet er zijn, ik weet dat ik denk, ik ben hier, bestaand bewustzijn, ruimte en ik probeer om naar beneden te gaan, zoek naar de laagste plaats in dit zijn, of zoek ik een plaats in de hoogte? Ik val op mijn knieën, zonder knieën te bezitten, tast met mijn handen, zonder handen te hebben en ik streel de grond, de warme steen, zonder in staat te zijn om te strelen. Ik ben lucht, water, vuur, aarde, zonder deze eigenschappen te bezitten. Centimeter voor centimeter kruip ik in een richting, maar ik weet niet waar dit pad mij zal leiden, of ik bemerk waar ik naartoe kan gaan, waar de beweging is, hoe ik de weg uit deze duis-

74

ternis kan vinden. Wachtend op het leven om te beginnen, om wakker te worden in een lichaam en zo de andere zijde te bereiken. Een diep verlangen gaat aan de schepping vooraf. Zonder enige notie van tijd en ruimte, het kan net zo goed een dag zijn, een week, jaren, eeuwen, hoor ik een geluid, het druppen van water op steen, op mijn hoofd, zonder een hoofd te bezitten. Het water drupt een eeuwigheid en bij iedere drup groei ik. Verder beweeg ik en ik bemerk dat het geluid helderder wordt, zonder te kunnen horen. Plotseling is het luider, oorverdovend zelfs, een majestueus geluid van stromend water vult explosief mijn oren. Alleen bezit ik geen oren. Ik val naar beneden, over een rand, dieper en dieper in het niets. Ik val diep door het meevallende water en drink als een hond het doet. Echter een hond, dat ben ik niet. Nog steeds kan ik niets zien. Ik ben verkleumd in mijn benen, mijn armen, zwak in mijn hart en longen, ik beweeg mij schoorvoetend door het water, tot mijn knieën, mijn testikels, buik, tot aan mijn kin, maar ik bezit nog geen van deze uiterlijke eigenschappen, nog steeds ben ik enkel de gedachte van benen, armen, hart, longen, knieën, testikels, buik en kin. Een visie van licht in de donkere oceaan. Het water is een geheim; comfortabel en warm. Ze stroomt zo wild dat ik mij met moeite in balans kan houden. Ik voel geen grond meer onder mijn voeten, dus laat ik alle wil gaan en laat mij met de stroom meevoeren, in een richting die ik niet ken. Ik stoot mijn hoofd tegen een steen. Ik proef de diepe sensatie van mijn zintuigen zonder te weten wat zintuigen zijn en ik raak in paniek omdat ik helemaal onder water ben en bijna geen lucht meer heb om te ademen. Maar kieuwen bezit ik niet, net als longen voor mij onontgonnen terrein zijn. Terugkeren is onmogelijk, de stroom te sterk, er is niets tegen te doen en ik laat mij meevoeren door het golvende water. Ik moet los laten, de wil om te worden is groter dan ik het ben, ik duik dieper en dieper, nee, stijg ik omhoog de sterren-

75

hemel in? Zo hard mogelijk zwem ik om zo een weg uit deze benarde situatie te vinden, ik wil ademen, maar ik kan het niet, verlies iedere controle, het bewust zijn is sterker dan het fysieke zijn. Het water sleurt mij mee. Ik weet niet hoe lang dit duurt en mijn longen breken open, happend naar lucht, het water stroomt naar binnen en ik hoest, proest het water uit; ik adem zuurstof. Ik adem. Ik leef. Mijn hoofd doet pijn, mijn ogen openen om de omgeving op te nemen. Ik zie slechts stukjes, mijn vingertoppen, beetje bij beetje neem ik een vorm aan, een glimp van wat mij omringd en ik zie een schaduw in de verte, een silhouet van een knielende vrouw. Ze heeft haar handen in gebed. Voor het eerst word ik geroerd door iets wat buiten mij is en dat terwijl ik niet eens weet wat en wie ik ben. Een ander. Het plafond van de grot waarin ik mij bevind is laag en ik kruip verder op handen en voeten. Ik volg het pad in de richting van een minder grijs gebied, in de richting waar ik een opening denk te vinden, om zo de sluier van mijn verwarring op te lichten. Op zoek naar het buiten. Deze ruimte is groot genoeg om te kunnen staan en zelfs met gestrekte armen kan ik het dak van de grot niet aanraken. Ik zie iets duidelijker, voor mij zie ik een stalagmiet, licht van ver ontluikt op de wand de schaduw van een vrouw. Naast deze schaduw neem ik een andere schaduw waar, in de vorm van het silhouet van een man, slechts een meter van de schaduw van de vrouw. Ik kijk rond en probeer de richting te vinden van het licht, want als er schaduwen zijn, moet er tevens een bron zijn die dit teweeg brengt en ik zie een kleine opening, een schel licht in de verte. Ik draai mij weer om, in de richting van de twee schaduwen. Ik wacht een tijd en het lijkt alsof ze dichter bij elkaar staan, alsof er beweging in de silhouetten zit. Ze raken elkaar bijna aan, de man en de vrouw. Ik ben verrast, uit het lood geslagen.

76

De vrouw is lang, heeft volle lippen, een hoog voorhoofd en lang, golvend haar. De man is iets langer en heeft een scherp profiel, de neus in een rechte lijn. Zijn lippen zijn dun en de wangen zijn rond als appeltjes, zoals die van de vrouw. In korte tijd komen de twee silhouetten op de wand dichter bij elkaar en nog dichter. De lippen van de vrouw en die van de man raken elkaar, ze kussen elkaar, ze vermengen zich beetje bij beetje. Ik ben verrast door deze gebeurtenissen, hoewel het wel is wat ik wil, wat het bewustzijn tot mij zegt, mij heeft opgedragen, de sprong, het koele water, het bestaan, door de intimiteit van deze stalagmieten, die verlicht schaduwen op de muur werpen, die ongegeneerd hun liefde ten toon spreiden. Ik weet niet wat te doen. De schaduwen vloeien in elkaar en ze laten een vage indruk achter op de muur van de grot. Ze zijn één geworden. Ik sta op en loop in de richting van het licht dat schijnt. Bij iedere stap wordt het licht helderder. Ik heb vrij zicht, de grot en het buiten breken open. Linksboven is een groot gat, de randen zijn begroeid met grote planten en bomen. Boven het gat is de lucht helder en blauw, kleine wolken drijven langzaam over en verderop, rechts van mij herken ik een tweede gelijkvloerse opening en ik volg het pad dat wijst. Voordat ik de uitgang van de grot bereik, zie ik in de rechterwand het profiel van een gezicht die blijkbaar in de wand is uitgehakt. Indien ik een stap naar voren doe is het profiel afwezig, doe ik een stap naar achteren, dan is het profiel in de wand niet waarneembaar. Alleen op deze ene kleine plek, met de ogen naar rechtsboven gericht, alleen op deze plaats is te zien dat de wand een scherpe neus onthult, diepliggende oogkassen, een stevig geprononceerde kin. Zijn voorhoofd wordt bekroond met een hoge kuif. De tijd is ver voor het begin van de geschiedschrijving en ik begeef mij uit de grot. Je mag binnentreden In de Tuin

77

& de Bloemen Bloeien Links Je mag binnentreden In de Tuin & de Bloemen Bloeien Rechts Je mag binnentreden In de Tuin & de Bloemen Bloeien Overal Wat vind je ervan? Om Liefde Transparant te maken? Wat vind je ervan? Om Liefde Acceptabel te maken? Wat vind je ervan? Om Liefde Elektrisch te maken? Mensen Zeggen altijd: Je moet het eten eten Je zegt: ‘Ja’

78

VII
Yin & Yang Zwart & Wit Vrouw & Man De Wilde Hond & de Reegeit Zetten de uurwerken gelijk Kom, even kijken wat er gebeurt Een man met een baard – ben ik dat? – stapt uit een grot, springt op en zwaait gevaarlijk met een knuppel en stoot enkele aanjagende kreten uit, blijkbaar om de longen geheel te openen, om de lucht van de wereld tot zich te laten komen. ‘Wah! Wah! Wah! Wah! Wah! Aaarh! Aaarh! Hunga! Hunga! Waahhh! Waahhh! Ha Ha Ch’i!’ Een ei ligt opengebroken. En ik stap eruit. Naar boven kijk ik en ik zie fel licht, hoor gefluit, luid gekwaak en vraag mij af waar ik beland ben. Terwijl ik door het groen voortbeweeg flakkert er voor mij een vuurtje op. Ik schrik mij een hoedje en wil het vuur doven door water uit de rivier te halen en over het rode en gele te werpen, maar een stem begint tegen mij te spreken: ‘Gij, mens, gij dient u aan mijn wetten te houden, eet niet van de boom van de kennis over het goede en kwade, alleen de vruchten van de boom van het leven zijn voor uwen gebruik. Indien u van de boom van kennis eet, lijdt u uwen hele leven enzovoorts en zult u telkens malen tot ellendige levens verdoemd zijn.’ Ik ben net hier en meteen zit er iets of iemand, een vuurtje zelfs!, aan mijn hoofd te zeuren en ik heb al zo enen last van mijn kanis, toen ik mijn hoofd stootte in die grot. Daar ben

79

ik niet zo van gediend. Niet op dit moment en nooit te nimmer niet. ‘Kijk, beste stem uit het vuur, dat mij toeschreeuwt net nu ik wat rust aan mij hoofd wil. Ik weet van niets, dus begin niet over kennis ende zo te spreken, dat is mij teveel. Ben hier net aangekomen en ik zie het niet zo helder. Ik ben al blij als ik mijn hoofd bij elkander hou op dit moment. Laat mij met rust, wil je?’ ‘Met rust?,’ laaien de kleuren tegen mij, ‘met rust zal ik u laten indien u niet eet van de boom van de kennis van het goede en het kwade.’ ‘Hoe kan ik dat weten, als ik geen weet heb van de boom van kennis? Als u uw mond zou houden, wist ik van niets, zou ik geen kennis bezitten en wellicht niet eten van die ene boom. Hoe ziet die boom er trouwens uit, kunt u dat aan mij vertellen? U bent iemand die aangeeft: “druk niet op het rode knopje want dat is niet goed, of open die enen deur niet, want daarachter ligt iets vreselijks op u te wachten, kamer 796 of zo” en daardoor brengt u mij in verleiding. Niet te geloven,’ zeg ik. Ik wrijf in mijn ogen om beter te kunnen zien, het is nogal vaag hier buiten, zo in de eerste minuten van mijn bestaan. Het vuur is stil en denkt blijkbaar na, want zijn logica klopt van genen kanten, dat heb ik die niets weet zelfs in den peiling. ‘Gij mens, gij zult aan eenieder, aan ieder levend wezen hier op deze aarde een naam toekennen,’ antwoordt het vuur om mijn logica te ontwijken. ‘U zijt vrij om uwen fantasie in den vrijen loop te laten, noem een olifant een olifant bijvoorbeeld en een vlinder een vlinder, wat u het beste schikt. Gaat uwen eigen weg in dezen, maar eet niet van de boom van de kennis van het goede en het kwade, ik herhaal het ten laatste malen, want zodra u van die ene boom eet, zult gij sterven.’ Ik kruip dichter naar de stem. ‘Ja maar, best vuurtje,’ antwoord ik, ‘hoe ziet die boom eruit waarvan ik niet mag eten en hoe kan ik zien wat een olifant is en hoe kan ik een vlinder

80

onderscheiden van een ander wezen?’ ‘Dat laatste dat verzint uzelf maar, daar hou ik mij ten enen malen niet mee bezig, daarvoor zijt gij op deze aarde gekomen, u zijt de betekenisgever hier en die boom van de kennis van het goede en het kwade, die boom groeit in het midden van dezen tuin en geeft appels als vrucht.’ ‘Kunt u mij, mijnheer van het gloeiende vuur, misschien uitleggen waar het midden van deze tuin is, hoe een appel eruitziet en vertel mij alstublieft hoe een olifant eruitziet, de boom van het leven en de vruchten die deze boom draagt; kunt u mij vertellen hoe de vruchten van de boom des levens eruitzien?’ Het begint te regenen en ik val door een plotselinge windvlaag naar beneden, rol een stukje verder voordat ik stilval en eindelijk rechtop zit. Ik begin met het geven van namen aan de eerste levende wezens die ik tegenkom. Rups, mier, lieveheersbeestje. Niet veel later val ik in slaap van alle vermoeienissen van die dag en laat de naamgeving voor wat het is. Het valt niet mee om in het leven geworpen te zijn. De nacht valt en de volgende ochtend is het alsof ik een stukje lichter ben. Ik voel mij onbehaaglijk en schreeuw het uit van de pijn. Ik tast met mijn rechterhand links van mijn middenrif. ‘Ik mis een rib! Waar is mijn rib gebleven?’ Een vrouw opent een deur – wie is dat? – en begint in een volkomen normale en duidelijk verstaanbare taal tegen mij te spreken. ‘Hé, ik ben het. Wie ben jij?’ ‘Ik, eh, ik weet het niet, ik eh...’ Ik neem een diepe zucht, voel de aarde onder mijn voeten en haal nog eens adem. Dat doet bij mij een belletje rinkelen, maar ik kan de klank van de bel niet thuisbrengen. Ik ben zo dom als het achtereind van een varken, zonder dat ik ooit het achtereind van een varken gezien heb, want van die boom van het leven heb ik nog niet gegeten en van die andere boom dien ik af te blijven, die kennisboom.

81

‘Ik, eh, tja, daar vraag je mij wat, noem mij maar ehh...’ ‘Eh?,’ vraagt ze twijfelachtig. ‘Eh?’ Ik: ‘Eh. Ah.’ Ik knik bevestigend en begin diep na te denken. Ik herinner mij dat ik zelf alles mag benoemen, volgens de gloeiende stem uit de struik. Ik zucht diep en zeg tegen haar: ‘Adam, mijn naam is Adam en jij, ik noem je Eva.’ Wij zijn twee mensen. Dat is duidelijk. En daar staan wij dan Zij aan hij Majestueus drijven de wolken voorbij Een microko(s)misch leven leiden wij Verwachtingen zo hoog creëren wij Omgeven door bomen, water, dieren Als bergen staan wij ‘Waar zullen wij naartoe gaan? Waar zullen wij beginnen om deze wereld te leren kennen?’ ‘Tja, daar vraag je mij wat. Laten wij maar beginnen bij het begin. Laten wij eens op zoek gaan naar de missing link, want ik kan hier geen touw aan vastknopen. Maar eerst, eerst, gaan wij op zoek naar de boom van het leven, want ik heb duizenden vragen over het leven, bijvoorbeeld wat een olifant is en wat een vlinder en...’ Enkele dagen later staan wij getweeën op de top van een heuvel die uitzicht biedt over een vallei. Van de boom van het leven geen spoor, of het moet zo zijn dat alle bomen de bomen van het leven zijn. Maar ja, dat weten wij dus niet. En waar is die boom van kennis? Wij dalen af en volgen de loop van een smalle rivier. Niet diegene waar ik de eerste dag aan zat, die rivier waar dat ene bosje in den fik stond, maar zeker weet ik dat eigenlijk niet. Ik vertel tegen haar wat mij die avond overkomen was, wat het vuur tegen mij vertelde. ‘Vreemd,’ zegt ze, ‘heel erg vreemd. Ik weet het niet, al die

82

namen en waar die bomen staan, het centrum van deze tuin. Ik heb echt geen flauw idee.’ Ze schudt haar hoofd en kijkt mij vragend aan. ‘Ik ben ook zoekende. Knoop dat maar goed in je oren.’ In de verte trekt een kudde grijze dieren met grote kromme neuzen voorbij. Wij kijken elkaar verbaasd aan. ‘Rare neuzen, hele rare neuzen. Nog nooit zoiets vreemds gezien.’ Ik knijp in haar neusje, loop naar de dieren toe en vraag aan ze: ‘Zeg, vertel eens, hoe zijn jullie hier gekomen? Wij zijn hier net beland en een struik met een brandend vuur begint tegen mij te praten, een rib ben ik al kwijt, als dat zo doorgaat ben ik zonder het te weten al snel door al mijn ribben heen en zit ik met dertig Eva’s in mijn maag. Wij begrijpen er echt helemaal niets van. Komen jullie uit die donkere grot? Zijn jullie hier al langer? Jullie zijn zo groot. Ennuh, hoe heten jullie?’ ‘Nou ja, dat weten wij niet, wij rennen, of nou ja, treuzelen hier al langer rond,’ zegt de grootste nasaal. ‘Wij zijn in ieder geval niet de kleintjes.’ ‘OK,’ antwoord ik, ‘vanaf vandaag heten jullie olifanten. Vinden jullie dat een aparte naam?’ ‘Super, super!’ Ze trompetteren hun eigen naam voluit: ‘Tratratraolifanten.’ Olifantentaal. Ze scheuren de naam uit hun slurven. Ik had ze bij nader inzien beter tralifanten kunnen noemen, of treuzelfanten, maar ja allez, wat maakt het uit. Wij springen op de olifanten en laten ons een hele tijd rondrijden. ‘Quelle fun!’ Door al het lawaai zijn er in een keer tientallen, nee honderden, duizenden dieren op ons af gekomen. En allemaal scanderen ze om een naam: ‘Geef ons een naam, geef ons een naam!’ ‘Kom, geven wij aan alle dieren een naam, dan zijn wij daar zo te zien nog wel even mee bezig. Het wordt steeds drukker hier. Kijk toch eens!’ ‘OK toch? Ik amuseer mij kostelijk. Wat een uitzonderlijke dieren, in alle kleuren van de regenboog, karmozijn rood, In-

83

disch geel, van Gogh blauw en eh, eh,’ zegt ze. ‘Van Gogh blauw? Wie of wat is dat?’ ‘Wie?’ ‘Wat?’ ‘? Oh, geen flauw idee, de spraak komt in de tonen van water. Ach, die lieve dieren zien er heel anders uit. Het is hier totaal anders als die donkere ruimte waar ik enkele dagen geleden uit gekropen ben. Het ziet er hier echt helemaal super te leuk uit. Ik wil hier graag nog een tijdje blijven.’ Ik vraag aan de grote olifant of hij misschien weet waar het centrum van de tuin is en de boom van het leven, die boom van het goede en het kwade, want die kom ik liever niet tegen. Je weet het maar nooit wat die boom van plan is. Misschien valt ’ie ons wel aan, of bijt ’ie. De olifant schudt zijn hoofd, zijn grote oren wapperen en geven een lichte verkoeling in deze hitte en hij schatert een schetter. ‘Geen flauw idee, ik hou mij niet zo bezig met dat soort fundamentele vragen, centrum, goed, kwaad, boom van het leven. Het is mij om het even. Zodra iets of iemand mij en mijn kindertjes iets aandoet, dan word ik woest en anders ben ik de rust zelve. Vraag het aan deze boom. Misschien weet die het wel.’ ‘Ja, maar bomen kunnen mijn vraag toch niet horen, ze hebben geen oren, ze kunnen mij toch niet beantwoorden? Dat heeft toch geen zin?’ ‘Rombordiebrombrom,’ weerklinkt het. ‘Rommiediebrommie.’ Ik kijk om mij heen en een boom buigt een van zijn takken naar mij toe. ‘Wij voelen alle trillingen, alle tonen vangen wij op met onze bladeren. Wat is ’t? Wat kan ik voor je doen?,’ vraagt de boom. Ik herhaal de vragen die ik aan de olifant heb gesteld. ‘Beste jongeman,’ bromt de boom, ‘waar jij je mee bezig houdt, vragen, vragen, nog eens vragen... het heeft helemaal geen zin. Alle antwoorden op je vragen zullen zijn zon-

84

der zingeving. Geniet van het schone dat je omringt, voor de rest hoef je niets te doen. Geniet en ben aardig voor je vriendinnetje. Heb haar lief. Lig in haar armen en streel haar welgevormde lichaam. Schenk haar een paar kindertjes. Rommediebrom...’ De boom zucht net als ik het doe. De olifanten zuchten ook en het gebalk, het gebrul, het gefluit, het gehinnik, het geblaat, het getjilp van de dieren die naar een naamgeving vragen... Het gaat maar door en door. ‘Je zult vast gelijk hebben, goede, grote boom. Je bent een goede vent,’ zeg ik zonder te weten of de boom een man is, of een vrouw. ‘Ik zal je een naam geven beste boom. Ik noem jou voortaan dipterocarps.’ Hoe ik aan die naam kom weet ik werkelijk niet, alles hier valt mij zomaar spontaan te binnen, zonder na te denken of het goed is en of het kwaad is. ‘Kom,’ zeg ik tegen Eva, ‘gaan wij verder met al het levende een naam te geven.’ Ik kijk omlaag en zie een groen wezen met een bol hoofdje, twee krachtige achterpoten en twee voorpoten. ‘Kwaak,’ zegt het dier. ‘Mmmm, jij bent een... jij bent een pad!’ Er staat een wit wezen op vier hoge poten en een grote spitse hoorn op zijn voorhoofd. Het dier drinkt water uit een grote plas. ‘Mmmm, hoe zullen wij deze noemen, Eva? Eef?’ ‘Doe maar een eenhoorn, dat is een gepaste naam voor dit dier.’ De eenhoorn hinnikt van vreugde. ‘Hoe noemen wij deze vlinder, vlinder?,’ vraag ik aan haar en ik wijs naar het dier dat op mijn neus is gaan zitten. ‘Vlinder. Past echt goed bij elkaar.’ De vlinder stapt op mijn toegestoken vinger en ik zet hem boven op haar hoofd. ‘En deze bloem?’

85

‘Wij noemen deze madeliefje.’ Ze zet de vlinder op het madeliefje. En zo brengen Eva en ik, Adam, de eerste dagen, weken, maanden en jaren door met het benoemen van alle dieren die ons omringen. Tijger? Tijger! Konijn? Konijn! Haas? Haas! Aap? Aap! Vleermuis? Vleermuis! Libel? Libel! Duizendpoot? Duizendpoot! Alle planten die wij tegenkomen ontvangen betekenisgevende namen. Margriet? Margriet! Orchidee? Orchidee! Lelie? Lelie! Lotus? Lotus! Wij delen namen uit en zitten, liggen en lopen in deze grote tuin waar allerlei kleurenpracht overheerst. Leeuwerik? Leeuwerik! Goudvink? Goudvink! Crateva Religiosa? Crateva Religiosa! Eenzaam zijn wij hier niet want wij kunnen de taal van de dieren verstaan en wij kunnen ons uiten in de taal van de dieren. Wij kakelen er op los, zo ook de kippen en de hanen. Luipaard! Lam? Wij zitten naast de dieren, wij lopen met ze op en de tuin is een waar genoegen. Wij zijn zo blij dat wij uit die grot gekropen zijn. Niet te geloven hoe koud en donker het daar was en hoe warm en kleurrijk het hier is. Wij luieren in de ochtenddauw. Koekoek. Het zoetste leven ontrolt zich voor onze ogen. De slang, dankbaar dat hij een naam van ons heeft ontvangen, kronkelt in bochtjes door het gras en sist iets tegen Eva. Ze fluistert in het grote grijze oor van de olifant en hij tilt haar op, loopt naar een boom. Ze neemt onverschillig een hapje van een vrucht die aan de boom groeit. Ze kijkt naar de vrucht en zegt: ‘Mmm... zeer smakelijk hoor… waanzinnig lekker! Kijk mij nou,’ lacht ze. ‘Zo heb ik mij niet eerder gevoeld… Dit is uitermate vreemd. Ik voelde mij net nog licht in mijn hoofd, maar nu… nu voel ik mij zo aan de tijd gebonden… zo… ik denk dat ik mij hier uitstekend zal gaan vermaken; het wordt steeds fijner. Leuk planeetje.’ ‘Waar heb je van gegeten zojuist? Je doet zo raar ineens, geef mij eens een hapje, want ik heb honger als een beer, zon-

86

der ooit een beer te hebben waargenomen.’ Ik neem een hapje van de vrucht die ze mij aanreikt. Het voelt ineens vreemd aan onder mijn schedel. Ik kijk bezorgd. Dit bevalt mij allerminst. Ook ik voel mij in een keer gebonden aan de tijd. Hier zijn wij niet een, twee, drie weer weg, denk ik. Ik spring op uit mijn lethargie en zeg tegen Eva: ‘Ik wil jou Jij wilt mij Om pure gedachten te drinken Om de drijvende rivier van liefde In te nemen Mijn hoofd explodeert Het cirkelt rond en rond Roert in mijn geheugen Nooit geuite emoties In mijn oh zo sensitieve brein Ik wil jou Jij wilt mij Om de aarde te voelen Om de witte stenen te strelen Zo warm Een maangehoornde koe Beweegt naar voren en naar achteren In feite loopt ze naar beneden Naar een bron gevuld met melk Moeder Aarde Ik wil jou Jij wilt mij Om het vlees aan te raken Om de welvingen van de lichamen

87

In de tijd te bewegen Om deze wereld te eren Moeten wij geven en niet nemen Niet meer de heuvel oprennen Wij dienen te zitten Genieten van het weidse uitzicht Ik wil jou Jij wilt mij Om de stemmen te horen Om te spreken over zachte emoties Zoals kussens dat doen Het bewustzijn zegt voor Roept van bovenaf Ze zingt in heldere tonen Als een prachtige vogel Gedragen door de wind Ik wil jou Jij wilt mij Om het hart lief te kozen Om de innerlijke ziel te bewegen Ademend Het open venster De reflectie in een spiegel Blijft altijd glimlachen Voor de tedere zee Afrodite Ik wil jou Jij wilt mij Om de ogen te zien

88

Om diep te kijken Zoekend naar bergen zo hoog Wij bekijken de spiralen trap Die naar de hemel reikt Ik ga mijn weg En jij gaat de jouwe Wolkeloos Ik wil jou Jij wilt mij Om de mystieke roos te kussen Om de diepste emoties te behagen Zoals magneten het doen Geesten trekken elkaar aan En nemen posities in De radio tast af Een draadloze antenne Het gezicht van jou Rond en rond Planetaire bewegingen Gaan terug naar het begin Voor een nieuwe dageraad Om in evenwicht te zijn Met de hogere gronden En nu worden wij wakker Of is het een droom?’ Ik kijk haar aan alsof ik nu pas echt aanwezig ben en wrijf mijn ogen uit. Het lijkt net of datgene wat om mij heen is voor het eerst door mij word aanschouwd. Ze loopt naar mij toe en ze kust en omarmt mij, ze streelt

89

mijn lichaam, het tintelt, ik streel en kus haar mond en ik beweeg mijn tong, maak haar lippen vochtig, ze opent haar mond en ik dring naar binnen, onze tongen omhelzen elkaar en wij draaien, draaien en draaien rond, rond, rond. ‘Wat is er gebeurd?,’ vraag ik aan Eva na het zoenen. Ze wijst naar een boom, de boom waar ze enkele minuten geleden een vrucht van plukte. ‘Dat is de boom van de kennis van het goede en het kwade’, sist de slang en begint ons hardop uit te lachen. ‘Ik had het kunnen weten,’ zegt ze sip. ‘Sorry. Dat wist ik niet. Hij siste mij toe: “Als je die vrucht eet, word je net zo wijs als de schepper”. Ik had dat beest nooit moeten vertrouwen.’ De olifanten en alle andere dieren om ons heen blijven kwetteren, trompetteren, de bomen ze rommediebrommieden, maar ik versta ze nu niet meer, slechts klanken kan ik horen; de betekenisgeving is verdwenen. Ik stop mijn wijsvinger in mijn rechteroor en in mijn linkeroor, schud mijn hoofd, maar ik kan de dieren niet meer verstaan. ‘Daar is niets meer aan te doen. Kom, gaan wij, nu wij van die vrucht gegeten hebben, moeten wij op zoek gaan naar de boom van het leven. Wij gaan uitzoeken waar het hier werkelijk om draait. Er is blijkbaar geen andere weg. Kom, hup, wij moeten hier vandaan.’ Wij springen samen op een paard. Eva zit voorop. Wij rijden in vol galop en volgen de stroming van een ruisende rivier die ons naar de zee leidt. De volle maan schijnt onbeweeglijk, hangt onbewogen boven de branding die breekt op het gouden strand. Ze stijgt af, rent met wapperende haren naar de witte bol die aan de einder schijnt en ik steek, op het duin gezeten, een aar tussen mijn glimmende tanden; lach de maan toe.

90

VIII
Eva en Adam lijken op mevrouw en mijnheer Plezier. Wij zitten in een gehuurde rode Ford Mustang, een achtergelaten overblijfsel uit begin zeventiger jaren, de auto van de een of de andere G.I. Joe die destijds aan de Thaise kust uitrustte van de strijd in Vietnam, tenminste dat zei de verhuurder tegen mij toen ik de auto afhaalde in Bangkok. Wij rijden op de kustweg langs de Golf van Thailand. Het is heerlijk warm en wij zijn luchtig gekleed. Ik draag een T-shirt met een zeefdruk van Steve McQueen en Eva denkt aan de borsten van Janet Lupo die ze vanochtend in een Playboy heeft gezien. De grote borsten van Janet zijn prachtig maar die van haar zijn net zo welgevormd en de mijne zijn gelukkig niet zo groot. Ze zien er een beetje verdacht uit, denkt ze nog. Dat kan toch niet. Wat een joekels, dat is echt Amerikaans groot groter grootst, terwijl het land toch een stuk kleiner is dan de CCCP. Met een zonnebril op ziet ze de wereld aan zich voorbijflitsen. De omgeving ziet er geweldig uit. De wereld is perfect en de zon brandt fel op de wagen. Ze klimt op de voorstoel van de convertible en schreeuwt het vol vreugde uit. ‘Baby, I’m ready to go!’ De bassen pompen, het ritme van de muziek uit de luidsprekers spreekt de vette funk van George Clinton’s... “Atomic Dog”. “Woof”. “Woof”, gaat de bas. “Atomic Dohohohog Bow-wow-wow-jippie-yo-yippie-yé Bow-wow-wow-jippie-yo-yippie-yé Futuristic Bow Wow Woof”. Wij nemen een afslag naar rechts en rijden naar de heuvels aan de horizon tien tot twaalf kilometer verder. Ik parkeer de auto aan de rand van de zandweg.

91

Eva heeft moeite om evenwicht te vinden op de boomstronk die over het water ligt. Ze zet haar linkervoet eerst neer en probeert daarna haar rechterbeen over enkele takken te tillen. Tevergeefs. Ze springt terug tussen het onkruid aan de rand van het weiland waar de bomen aan grenzen. Bij een tweede poging lukt het haar om over het water te komen. Ze valt in mijn armen. ‘Zie je wel dat ik het kan?’ Ik lach. ‘Je bent een lenige vrouw, je bewegingen zijn gracieus en je kunt zien dat jarenlange discipline en evenwichtige training je lichaam gesterkt hebben,’ zeg ik. ‘Maar je wordt wel een dagje ouder.’ ‘Pppfff,’ ze tilt haar hoofd omhoog, ‘pppfff, ik? een dagje ouder? ik voel mij jonger dan een aantal jaren geleden. Ik ben zo lenig als een danseres.’ Ze maakt een pirouette. ‘Hoe durf je!’ Ik lach alweer omdat ik vrolijk van haar word, omdat ik gelukkig ben en omdat ze mijn kleine flauwe pesterijtjes goed verdraagt, maar ik let niet op en zie de boomstronk niet die precies voor mij staat. Ik stoot mij hard. ‘Au.’ Ik zucht diep om de pijn te verbijten en neem de twee tassen in een hand, in de andere de parasol. Wij lopen een stukje het groen in naar een tiental olifanten die landerig staan te lanterfanten. Ze kijken ons – de vreemde bezoekers – met grote, vragende ogen aan. Eva twijfelt aan de rand. Ze is bang dat de olifanten dichterbij zullen komen, maar ze zijn vastgeklonken aan een lange ketting; te kort om echt dichterbij te komen. Ze hoeft nergens bang voor te zijn. Wij spreiden de handdoeken uit in het hoge olifantengras, pletten de stengels en zetten de parasol op. Een half uur lang liggen wij in gedachten verzonken naast elkaar half in de zon en half in de schaduw. De zon staat stijl boven ons. Wij zitten onder de parasol en genieten van een picknick. Op de achtergrond klinkt het geluid van de radio die in de wagen aan staat.

92

‘Het leven moet afkomstig zijn van een buiten ons bestaand zijn,’ zeg ik. ‘En weet je... ik zat onlangs nog te denken aan een verklaring van de tegenstellingen tussen Oost en West en ik dacht dat dat wel eens te maken zou kunnen hebben met het ene volk dat oostwaarts reisde en de ander die westwaarts ging. Ik bedoel, de oosterse mensen gingen de opkomende zon tegemoet en de westers gerichte mensen reisden de ondergaande zon achterna. Weet je, soms denk ik wel eens en dannuh denk ik dat het spirituele oosten en het materialistische westen de gevolgen zijn van een, eh diep religieus en zonrijk besef. Dat zie in de hele geschiedenis terug. Weet je... alles komt in tweeën.’ Ik ben niet meer te stoppen. ‘Ik zag een tijd geleden een foto van de aarde genomen door een ruimtetelescoop. Om de noordpool lag een krans van licht, van energie. De aarde die de zonnewind inademt als een foetus aan een navelstreng zo zag het eruit. Het deed mij tevens denken aan een schilderij van Fra Filippo Lippi, die Italiaanse schilder uit de Renaissance, de leraar van Botticelli was die Fra Filippo weet je zo’n nimbus, een stralenkrans om het hoofd van een heilige Ik, eh denk wel eens dat dat eigenlijk hetzelfde is, dat de aarde een heilige plek is. Ik weet het wel bijna zeker dat, dat...’ Eva is mijn intellectueel geouwehoer behoorlijk moe. Ze kijkt alsof ze einde wil maken aan mijn geblaat en ze wil actie zien. ‘Natuurlijk is er ooit iets geweest waar al door gekomen is. Het kan niet zo zijn dat er ooit niets geweest is. Dat is onmogelijk. Uit niets kan niet iets voortkomen. Er moet iets aan vooraf gegaan zijn. Een idee of gedachte wellicht, de metafysica?,’ opper ik. ‘Nee, nee en nog eens nee,’ roept Eva uit. ‘De metafysica is meer dan de som der delen, het is die Gestalt, iets wat er eigenlijk helemaal niet is, het ontastbare, iets wat slechts bestaat dankzij de fysica. Zonder fysica geen metafysica!’ Ze draait met haar ogen in het rond, ze tast de hele hemel af.

93

‘De metafysica is de toegevoegde waarde. Of is het andersom? Is de fysica de toegevoegde waarde van de metafysica? Ach ja, wat maakt het uit...’ ‘Wij zijn groter dan de dingen die wij samen zijn,’ antwoord ik en ik trek mijn wenkbrauwen in een frons omhoog. Geef haar een puntje meloen. ‘Een verlangen naar wat er nog niet is, naar onontgonnen gebieden, de eeuwige verte. Dat, dat is de idee wat de schepper gehad moet hebben, waar de ene stof uit voortgekomen is. Het moest daarvoor eerst een werkbare combinatie vinden, daarna deze aan durven te gaan en toen knal boem werd alles geschiedenis, rolde de tijd voort door de kosmos,’ roepen wij beiden in koor. ‘Charles Darwin zegt dat er niets is voor de niet gelovige,’ zegt ze. ‘Kom spelen wij Twister. Of anders schaak. Of zullen wij hier eens een kindje maken?’ Ze staat op, ik zit en ze is op zoek naar dat ene speciale plekje. Gierend van het lachen rollen wij over elkaar door het olifantengras. ‘Kom,’ zingt Eva, ‘kom bij mij en neem mij hier.’ Ik duik tussen haar benen. Ze ruikt naar Johnson & Johnson. Ik geef een kusje op haar wereldse knopje. De aanraking die nooit verdwijnt. De huid die nooit verdwijnt. Water is nat en zo is zij. Ze gooit haar haren zwierig door de lucht en kust mij hartstochtelijk. Wij zijn verwikkeld in een gepassioneerd liefdesspel, kijken diep in elkaars ogen en beiden zien wij de sterrenzeeën oplichten. Wij duiken in elkaar en smelten samen tot een energetisch veld. Het gaat er heftig en heet aan toe onder de vlammende tropische zon. Onze geuren vermengen zich met elkaar, de sappen vloeien weelderig. Ze is zo zacht en zo goed. Seconden Minuten Uren Dagen Jaren Eeuwen Millennia Lichtjaren verder komen wij beiden tot een explosief orgasme. Ze komt als Miss Issippi, ik als Mister Sippi. Zij en ik. ‘Boem!’

94

Wij zijn ieder besef van tijd kwijtgeraakt. ‘Wow!’ Ik spring wankelend op, beweeg mijn armen wild door de lucht en draai in het rond. ‘Wat is er aan de hand? Wat doe je?’ ‘Ik, ik ehh… Ik voel mij zo vreemd in mijn hoofd. Ik ben de bekoorlijke tovenaar van het ritme,’ raaskal ik. Ik begrijp er niets meer van… ik... ’Is er iets met je? Wat denk je?’ Ze kijkt mij ongerust aan. ‘Wij, wij zijn hier gekomen om over het ritme van het universum te vertellen.’ Ik begin te zingen: ‘Ooit zat ik in een zwarte doos De mechanikkelodeon Het was donker, de gordijnen waren gesloten Als in een cinematheek met de naam Zwarte Maria Als de rollende stenen van de Sinaï De tovenaar De onbewogen beweger De alfa en omega man, de walrus Het subject, de dimensie, het stereotype Ik ben de man, diegene in de kamer De beweger van de hete plekken Als geschiedenis naar voren zo ren ik’ Eva valt spontaan in. Ze zingt met een engelenstem: ‘Ik ben gebonden aan d’aarde als moeder aan kind Draag oceanen bewegend zo wild Het leven is een foetus, het drijft diep in mij Het bloemrijke in mij opent: een bij’

95

Ik neem het weer over: ‘Als een trog verscholen in het water, zo diep Als een scheermes door ogen, zo scherp Diegene die de kleuren doet splijten In rood, geel en blauw’ Wij zingen samen: ‘Gelijk een mens zijn wij De jagers van tijd zijn wij Wij zijn de zangers van het lied Waar dromen worden bezongen Waarin verhalen worden verteld Waar is de liefde gebleven? Waar is het heilige hart gebleven? Ja, wij zijn liefde Het heilige hart dat delen wij En hoe Hoe zullen wij het aan anderen leren?’ Uitgeput en lachend vallen wij neer op het gras. Wij hebben een vrolijke tijd. Eva staat op; wat loopt ze toch sierlijk! Ze loopt naar de Ford Mustang. Ze zet het geluid van de radio een stuk harder. Een Thais liedje vult de stilte. De olifanten kijken op en ze begint te dansen. Ze beweegt haar heupen naar links, naar rechts en ze spreidt twee vingers tot een Vteken. Vervolgens vloeit ze zachtjes door haar knieën en komt weer langzaam omhoog, ze strekt haar armen uit, voegt ze samen en maakt met haar duimen en wijsvingers een pistool. ‘Bang.’ Ze blaast de rook uit het virtuele pistool, draait haar handen in elkaar en terwijl de zogenaamde rook wegwaait vormt

96

ze met haar vingers vlinders die in een wolk wegvliegen. Ze ziet er prachtig uit in haar lange witte jurk. Ze heeft een kleine krul in haar haar gemaakt, net onder haar oren. ‘En wat vind je d’r van? Wat doet ’t met je? Doet het je iets?,’ vraag ik. ‘Ja,’ zegt ze: ‘Ja, het leven is prachtig. Het is hier allerbest.’ Wij kijken elkaar verliefd aan en gaan weer naast elkaar liggen. Ze spreekt tegen mij in een stroom. Ze heeft het over een nieuwe relatie, dat wij dat moeten doen, een hernieuwde relatie, een aantal dingen achterlaten en ik knik en zeg dat ik nog nooit een meisje zoals haar ben tegengekomen. ‘Je ziet er uit als een mix van Shirley MacLaine en Marilyn Monroe, een beetje fifties, ken je Shirley MacLaine?’ ‘Shirley wie? Nee, daar heb ik nog nooit van gehoord, Monroe? Vind je dat ik een beetje op Monroe lijk? Echt waar? Mmm...’ Ze draait haar hoofd en tilt haar kin een beetje schuin omhoog, knikt en kijkt daarbij een beetje arrogant, zoals alleen sterren in films dat kunnen. ‘Mmm... Mmm.’ ‘Je lippen zijn definite, zeker Monroe. Kus mij.’ Ze kust mij. ‘Wij zien niet zo vaak Amerikaanse films. In de bioscopen draaien ze wel, maar eigenlijk veel te weinig. Ik heb Monroe een keer in de bioscoop gezien. Geloof dat het die ene film was, weet je wel met dat orkestje, daarin speelt ze op de ukelele en soms waren haar films op de televisie, maar dat zelden. Alles wat enigszins riekt naar decadentie, naar het Westen, is strikt verboden. En weet je? Alle Russische meisjes zijn gek op alles wat Westers is, parfum, de can-can, ohlala... Weet je vroeger, ver voor dat ik geboren was, nog voor het communisme, was het zo dat de Russische vrouw er super verzorgd uitzag als ze een beetje geld had. De fraaiste kleding gemaakt van de beste materialen. Wist je al dat de best verzorgde vrouwen in de wereld Russische vrouwen zijn?’ Ze schatert het uit en gooit haar lange benen in de lucht. ‘Wat vind je van mijn benen? Niet slecht, hè? En mijn

97

buik, wat vind je van mijn buik?’ ‘Je benen zijn heerlijk Eva. En je buik...’ Ik kus haar buik en kringel met mijn tong rond haar navel. ‘Mijn navelstreng is prachtig geknoopt, kijk Adam.’ ‘Een kunstwerk, dat is het.’ Ik kus haar kuiten en neem haar tenen een voor een in mijn mond en zuig er lichtjes op. Ze heeft haar teennagels gelakt. ‘Wat een aparte kleur hebben je teennagels, zoethart.’ ‘Ah qui, ja, j’adore Dior. Heb ik een paar dagen geleden in Bangkok gekocht, vlak voordat ik de bus naar Pattaya nam.’ Ze zegt het als een filmster in een reclame. Ze lacht haar tanden bloot en beweegt haar slanke, lange armen omhoog en voegt ze samen boven haar hoofd. Eva weet wat ze wilt en ze weet hoe ze het kan krijgen. ‘Ik heb zo hard gewerkt het afgelopen jaar, je wilt het niet weten. Bij ons krijg je niets voor niets. Ik heb het afgelopen jaar gemiddeld vijftien, zestien uur per dag gewerkt, zeven dagen per week, zo hard en ik wil alleen maar luxe, luxe, luxe en Dior. Ik heb het verdiend, net als ieder ander.’ Ze zucht diep om zo haar harde werken te benadrukken. ‘Weet je dat een relatie net als kunst een moraal is en zich zo dient te verhouden? Kunst praat tegen ons, net als jij tegen mij doet en ik ben zo blij dat jij diegene bent die met mij spreekt. Hé, je hoort mij toch?’ ‘Ja hoor, ik hoor je.’ ‘OK. Leuk hier hè? Weet je; er is zoveel fragmentatie tegenwoordig en er zijn zoveel debatten zonder humor. En er moet humor in, altijd. Ik ken veel mensen en die willen weer leven in het rustige land, landen zonder oorlogen en tegengestelden, zonder kille confrontaties, tussen de wereld waarin ik leef en de wereld waarin jij leeft. In jouw wereld was ik je nooit tegengekomen en jij mij niet in de mijne. Die domme Koude Oorlog, dat moderne woord voor wapenstilstand tussen twee ideologieën, komt mij de neus uit. Ben je ooit in Berlijn geweest?’

98

‘Nee, nog nooit.’ ‘Werkelijk? Goh.’ Ze vraagt zich af waarom ze zich hier bevindt, maar kan geen reden bedenken waarom, behalve mij en de weg naar... naar wat eigenlijk? Wij zitten zo rustig en tevreden een tijdje op de heuvel en kijken uit over de zee. “Papapaoemowmowmowoemowmowmow”, klinkt het uit de radio. “Waarom is het niet altijd zoals nu, als dit?” ‘Kun je al lopen? De pijn aan je scheenbeen; is die weg? Het is toch niet gebroken, is het niet?’ Ik hou mijn been vast. ‘Mijn been niet.’ ‘Ik hoop het niet, want met jou wil ik vanavond flink gaan feestvieren. Weet niet wat het is, maar ik kan maar geen genoeg van je krijgen,’ zucht ze diep. ‘Je bent zo waanzinnig lekker. Ennuh, nu moeten wij in ieder geval terug. Moet ik een ambulance bellen? Iemand moet de politie bellen! Bel de politie!’ Ze draait zich om en lacht. ‘Actie, actie!?’ Al lachend ga ik met haar mee: ‘Oh ja! Hier! Help! Ik heb de politie nodig en ook een ambulance. M’n been doet zo’n ontzettende pijn, je wilt het niet weten, haha. Het was dom van mij dat ik die boomstronk zojuist niet zag.’ Eva loopt naar de auto en ze zoekt in het handschoenenkastje. Niets. Ze stapt uit en opent de kofferbak, rommelt wat en komt met een tevreden glimlach naar mij toe. Ze houdt een verbanddoos in haar hand. Ze is niet echt gelukkig met dit ongevalletje, maar ze kan er ook wel weer de lol van inzien. ‘Laat mij eens kijken. Ah, een lelijke schaafwond op het scheenbeen.’ Ze bekijkt de plek aandachtiger en drukt lichtjes. ‘Au! Dat doet pijn!’ ‘Mmm.’ Ze mompelt, pakt een tube met crème en smeert mijn scheenbeen in. ‘Wij hoeven in ieder geval niet naar het ziekenhuis. Maar je moet morgen wel naar de dokter als de pijn blijft.’

99

‘Ik weet iets leuks.’ ‘Wat?’ ‘Laten wij een paar olifanten bevrijden. D’r is niemand en niets in de buurt en ik ben van mening dat dieren vrij moeten kunnen bewegen. ’t Is toch geen gezicht, dieren aan een ketting.’ ‘Je bent gek! Daar kunnen toch ongelukken van komen?’ ‘Wie weet. Ze lijken mij redelijk rustig en getemd en er is een omheining, dus echt gevaar zal het wel niet lopen.’ ‘Ik vind het maar een vreemd idee. Laat die dieren toch.’ ‘Als wij de dieren laten, staan ze niet vast aan een ketting en zouden ze vrij zijn.’ ‘Ja. Je hebt gelijk. Ik zie het in, kom, hup! Welke olifanten zullen wij loslaten?’ ‘Die twee kleintjes,’ wijs ik haar aan. ‘Ze zullen niet veel schade berokkenen, mocht er iets misgaan.’ ‘En ze zullen niet echt weglopen.’ ‘Ze blijven dicht bij de ouders en kunnen kort genieten van de vrijheid voordat de eigenaren terugkomen.’ Wij maken de boeien los die om de achterpoten van de kleine olifanten zijn vastgemaakt. Het is een eenvoudig kliksysteem die ze met hun grove poten nooit kunnen openen, maar voor een mens is het een peulenschilletje. Wij jagen ze een beetje op, laten ze vrij zijn. De kleintjes rennen en draaien door het hogere gras dat verderop lonkt. ‘Die twee hebben plezier,’ zegt ze enthousiast en ze springt in mijn armen van vreugde. ‘Ik vond het eerst een idee van niets, maar nu ik zie hoeveel plezier ze hebben, kan ik alleen in de pret delen. Wat zijn ze speels.’ Ze kust mij. Ik kus haar terug en kijk haar tevreden aan. ‘Zie je wel dat het leuk is?’ ‘Hup. Snel de auto in. Wij gaan er vandoor voordat de eigenaren terugkomen.’ Wij laden de spullen in en Eva houdt de deur voor mij open.

100

‘Dank je. Echt super van je.’ Ik neem haar linkerhand in mijn handen en kus de rug. ‘Je bent een engel. Ik had toch iets beter uit moeten kijken. Ik zag die boomstronk helemaal niet. Ik kijk liever naar jou. En zo wel rustig rijden hoor.’ ‘Oh, natuurlijk, wat denk je? Op naar het dolfinarium!’ In de auto leg mijn hoofd op haar schoot en luister naar de melodie van haar hartslag.

101

IX
De tekst over de Heilige Agnes heb ik zo-even geconverteerd van mijn oude MS-DOS computer naar InDesign op de Apple, maar de tekst is compleet veranderd. De DOS gebruikte ik nog steeds als typemachine. De Apple is compleet doorgedraaid en gek geworden. De Apple heeft de tekst van tien A4’tjes getransformeerd naar het volgende: -°±. Ik vraag mij af of de Apple een ander soort taal spreekt, een taal die niet te ontcijferen is, een soort van spijkerschrift, maar dan op een moderne manier, in enen en nullen, in abstracte tekens, een eigen taal, een andere manier om de woorden weer te geven, waarin de oorspronkelijke tekst naar een andere wereld is gegaan, een wereld die alleen de Apple begrijpen kan. De Apple heeft zijn eigen wil, zijn eigen persoonlijkheid, zijn eigen theater met woorden, beelden, gedachten en dromen. Oneindige Recombinatie. Deze machine lijkt zijn eigen geest te hebben, onafhankelijk van de mijne. Hij zuigt de energie uit het stopcontact aan de muur en ik denk aan de energie tussen twee geliefden, tussen een moeder en haar ongeboren kind en ik weet meteen dat het uiteindelijk allemaal dezelfde soort energie is. De computer springt tijdens mijn overpeinzingen op de screensaver: “Je hebt alle opnames in mij geactiveerd en tegelijkertijd heb je de opnames in jezelf geactiveerd en getransformeerd naar een andere machine. Een glimpje wijsheid, zulk een wijsheid in stof… waaiend door de winderige straten en begraven in het zand”. Ik loop naar de wandkast en trek het rek waarin ik de mappen van mijn zakenrelaties heb opgeborgen naar mij toe. Ik blader er doorheen. De afgelopen twintig jaar heb ik mij volledig gegeven voor het grote geld, de amusementsindustrie, de opkomst van de computerwereld, de getallen, de commu-

102

nicatie. Dat is de wereld waarin ik leefde, het bedrijf waar ik de afgelopen jaren mijn fortuin mee heb opgebouwd, de wereld van het geld, de fondsen, de beleggingen, de geldsommen. Een wereld van de beveiliging van alle bestanden, de identiteiten, de persoonsgegevens, de nummers en zaken, een wereld waarin mensenlevens worden geback-uped, gekopieerd, gedupliceerd en in nullen en enen worden veranderd. De kopieën van paspoorten, van de betalingsopdrachten en, indien gewenst, van de telefoongesprekken. De machine weet alles van iedereen, eenieder met een sociaal fiscaal nummer, bankpas of een creditcard. Hij weet wat de leefpatronen zijn, wat men eet, waar men tankt en hoe laat, bij welk restaurant men het liefste eet, de inkopen die men in het ijzeren winkelwagentje legt, 341.322,98 honderachtennegentig, 57.389,00. De gegevens worden gekoppeld aan de verzekeringspolissen, de tandartsrekeningen, de medicijnen, drieënzeventigeurozestien, twaalf, acht, een, twintig, de strafbladen, de belastingaanslagen, de AOW bijdrage, 415 Euro en 80 cent, de huidskleur, de favoriete parfum van je vrouw, alle gekochte vrijheden worden in enen en nullen vastgelegd. Hij heeft ongelimiteerde toegang tot het geweten, de boeken die men leest en de televisieprogramma’s die men kijkt, de films die men huurt bij de videotheek, de zoekopdrachten die men googelt, de bestanden die op de computer zijn opgeslagen. De Grote Broer ligt te sluimeren, men ziet en hoort hem niet, maar hij jou wel. Het mag nog niet, officieel tenminste, maar in de nabije toekomst is je irisscan opgeslagen in een wereldwijde databank, je vingerafdrukken, de machine programmeert de toekomst en vertelt via de televisie wat je kopen moet, wat goed voor je is, alles om je op te slaan, te controleren, te sturen en om zijn eigen winsten te garanderen. Hij doet alles om je zakken leeg te kloppen en om misbruik te maken van je stupide onwetendheid. Het koude elektronische televisie oog projecteert het geweten van de wereld op de muur van het bewustzijn en men; jij gelooft dat de schaduwen die op je

103

retina geprojecteerd worden echt en vol leven zijn. Veertig, vijftig jaar geleden toen er nog geen televisie, geen computer was; was het destijds anders? Wat deden de mensen toen, door wie en wat werden ze toen gecontroleerd en gestuurd? Is het niet zo dat toen werd verteld dat Hij alles zag, maar dat de machine het nu voor Hem doet? De laatste bankafschriften leg ik op mijn bureau en ik stop ze een voor een in de bijbehorende mapjes. Een, twee, drie, vier, vijf (1, 2, 3, 4, 5). One, two, three, four, five. Adien, dva, trie, tsjetyrje, pjat. Un, deux, trois, quatre, cinq. Enna, dio, tria, tessera, pende. 1.397,24; 0,45; 3.896,89; 117.873,77; 10.685,00. Zet daar maar een stapel nullen achter, denk ik, dan kom je in de buurt. Ik ben helemaal binnen gelopen. De investeringen hebben mij de afgelopen jaren geen windeieren gelegd. Sterker nog: het zijn eieren van massief goud. Al het vanzelfsprekende: de aandelen, de obligaties, de bonds, de metalen, de edelstenen. Gisteren heb ik de laatste zaken afgehandeld en de tegoeden vastgelegd op een bankrekening en in een kluis in Zwitserland. Het is genoeg voor de rest van mijn leven en voor diegene die samen met mij wil genieten. Vanaf heden zijn er geen verplichtingen meer en kan ik precies datgene doen wat de dag mij ingeeft. Het is gedaan met de oude pret. Nu breekt de nieuwe pret pas echt los. Ha, wat is dat toch fijn! Ik leg de mappen terug in de daarvoor bestemde wandkast. Naakt loop ik de trap af, op mijn onderbroek en sokken na. Terwijl ik langs de spiegel van vis, de moraal, loop, knikt het spiegelbeeld mij hartelijk toe, alsof hij tegen mij zegt dat ik op de juiste weg ben. De draaitafel glimt in de woonkamer. Ik zet een plaatje op. Niet veel later klinkt het “Nummer negen, nummer negen, nummer negen...”, door de luidsprekers in stereo.

104

X
‘Apart idee zeg om thuis je kunstwerken te presenteren alsof het teruggevonden voorwerpen zijn die je ooit cadeau hebt gegeven aan vrienden, bekenden en aan toevallige passanten. Je hebt ze weer bij elkaar gebracht in je eigen woning,’ zeg ik tegen Pi. ‘Zijn er werken bij die je verloren achtte, waarvan je het bestaan vergeten was?’ Pi: ‘Dat klopt. Ik zie enkele werken weer voor het eerst sinds vele jaren, enkelen was ik echt vergeten en nu zijn ze voor een paar weken weer samen te zien, voor diegene die daar behoefte aan heeft. Ik in ieder geval en waarschijnlijk zullen ze daarna voorgoed uit elkaars zicht verdwijnen, dus ik ben blij, heel erg blij om mijn kleine kindertjes, mijn creatieve geesteswerken weer samen te zien.’ ‘Je hebt het werkje “Mensch” in goede orde ontvangen?,’ vraag ik aan hem. ‘Mijn bijdrage aan jouw kleine huistentoonstelling is dat ene minuscule werk dat je vijftien jaar geleden aan mij gegeven hebt. Kun je je nog herinneren dat je toen tegen mij zei dat dit geschenk voor een echt mensch bedoeld was en je lachte erbij, zoals alleen jij lachen kunt. Ik: een echt mensch. Niet dat ik dacht dat ik geen mensch zou zijn, maar dat jij mij uitkoos om deze titel te dragen beschouw ik nog steeds als een eer. Waarom ik en niet iemand anders? Waarin verschilt een mens van een mensch?’ Pi knikt en zegt: ‘Kom even mee naar de keuken, schenk ik je een wijntje in, of wil je iets anders drinken?’ ‘Nee, voor vandaag geen alcohol, doe mij maar een glaasje fris, of heb je misschien groene thee? Oh nee, doe mij maar een espresso, een koffie verkeerd, kan dat?, vraag ik terwijl ik verlekkerd kijk naar de espressomachine die in de hoek van de keuken staat te pronken. ‘Een mensch is een hogere mens, een mens die leeft voor het betere, een goed mens, iemand die weet hoe hij zich goed dient te gedragen, iemand met een ziel, met een hart van

105

goud. Jij bent zo iemand, zoals jij, Adam, zoals jij zijn er maar weinigen, je bent eerlijk, bescheiden, goedmoedig. Soms zeg je dingen die ik onbegrijpelijk vind en je vindt zelf dat je niet echt iets bij te dragen hebt. Dat siert je.’ Hij neemt een kopje uit de wandkast en zet deze onder de espressomachine. ‘Weet je, veel mensen zitten in een rol als hond, als varkens of blatende schapen en luisteren alleen naar hetgeen de leider, baas, vrouw of man zegt. Ze volgen de opdrachten van de politici, van de reclame op de televisie, ze kijken niet verder dan hun neus lang is en als er iets is wat jij doet, dan is het wel verder kijken. Je bent niet als een ander en daarom heb ik aan jou dat kleine werkje gegeven, het kleine metalen plaatje,’ zegt hij en overhandigt het kopje. Alsjeblieft Adam. Een mensch is humaan, er zit ontwikkeling in...,’ zegt hij in gedachten verzonken. ‘Dank je wel Pi.’ Ik geef hem een klopje op de linkerschouder. ‘Tof van je, het ziet er fantastisch uit. Zo te ruiken is dit hele goede koffie.’ Ik neem de koffie en roer een schepje bruine suiker. ‘Je moet niet zulke onaardige woorden zeggen over de dieren, vergelijkingen maken is OK, weet je dat varkens netter zijn dan veel mensen en dat honden zich trouwer gedragen. En schapen, ach wat vind ik dat vredige en aardige dieren. Volgzaam, ja dat klopt, maar vriendelijk. Je wilt niet weten hoe goed die diertjes zijn. Er zijn heel erg veel beste mensen, mensen die zorgzaam en goed zijn.’ ‘Kom mee naar buiten in de tuin. Gaan wij bij de anderen zitten. Het is al aardig druk geworden,’ zegt Pi. Wij lopen naar buiten door de grote schuifdeuren en wij gaan aan de grote ronde tafel onder de eikenboom zitten. Pi introduceert mij aan de anderen, Scarlet, Jeroen, Jan-Erik, Frits, Patricia, Merijn, Lucas, Jacob, Kora, Joachim, JeanJacques, Cornelius, Willem, Adelaide, Andrea, Josephine en Neil en Sandy. Ik schud allen de hand en zeg keer op keer mijn naam. Pi heft zijn glas rode wijn en proost op eenieders gezond-

106

heid. Ik hef mijn kopje koffie op en tik de glazen aan die in de hoogte reiken. Er waait een licht briesje, de lucht is helder met enkele kleine wolken. De zon staat op zeven uur. ‘Weet je,’ zeg ik tegen hem, ‘dat “Mensch” jarenlang in een lade van mijn dressoir heeft gelegen, een beetje ondergesneeuwd door andere dierbare herinneringen zoals brieven, postkaarten, agenda’s en foto’s? Nadat ik enkele jaren geleden ben verhuisd is ’ie weer boven water gekomen en heb ik “Mensch” een kleine, maar centrale plaats gegeven in mijn woning. Tegenover jouw drieluik. “Mensch” hangt tegenwoordig aan een spijker boven de open haard, genietend van de warme lucht die de woonkamer vult. Onder “Mensch” hangt een ansichtkaart van een schilderijtje van de Belg René Magritte. “De doorboorde tijd” heet het. Magritte en jij samen, Pi, zij aan zij boven de open haard. Vind je dat geen vreemde combinatie?’ Pi knikt. ‘Tja, die Magritte...’ ‘Kijkend naar “Mensch” denk ik waarom zo’n klein minuscuul ijzeren plaatje met een gaatje en dat ene woordje “Mensch” er in gestanst? Is het een soort van hangertje en verwijst het naar de ijzeren wil van de mens? En is het gaatje lucht, geest wellicht? Wat is dat: een mensch? Ik denk dat jij daar wel een soort van antwoord op hebt, Pi, maar gelukkig ben je niet zo scheutig met het hoe en waarom. Maar goed ook.’ ‘Al dat geouwehoer over betekenissen en verwijzingen in de kunsten is iets voor kunsthistorici,’ zegt Pi. ‘Raar volk vind ik dat sowieso, cultuur- en kunstcritici. Krijg ik een punthoofd van. Mensen die schrijven over muziek die geen instrument kunnen bespelen, geen noot kunnen lezen, zelf zingen ho maar, literatuurcritici die totaal geen fantasie en creatief vermogen hebben. Alleen maar doorzagen over betekenissen, verwijzingen en doorwrochte theorieën verdedigen of aanvallen, al naar gelang eigen inzicht en wereldje, maar iets doen wat echt oorspronkelijk is, is er niet bij. Scheppen, jongens,

107

dat denk ik, niet schijten. Hoewel schijten tot de scheppingen van de mens behoort... dus ja... nee. Net als haar trouwens, nagels, zweet, tranen... de zeven weefsels bloed, spier, vet, sperma, ei, merg, kern, pit, plasma, been...’ Scarlet vraagt aan mij of ze mijn koffielepeltje even mag lenen en ik geef die aan haar. ‘Dank je wel suiker,’ zegt ze tegen mij. ‘...net iets over honden en zo,’ vervolgt Pi, ‘maar critici zijn net apen, ze lezen iets, of gaan naar een concert en ze hebben een mening die ze van de daken schreeuwen, publiceren deze in een tijdschriftje van niets. Schrijf eens een eigen stuk of ga op het podium staan, componeer een symfonie, schrijf een boek, maak een gedicht, ga schilderen. Slap volk is het, ze vragen je het hemd van het lijf, maar van mij krijgen ze geen woord. Ze zoeken het maar uit, de idioten, de slappe trutten. Strontstokken zijn ze, slijmballen. Tot aan de elleboog van achteren. Oh, ik vind je werk zo diep gaan en zo vol betekenissen, diep in je gat, ja.’ Pi loopt rood aan. Nog even en er komt stoom uit zijn oren. ‘Rustig Pi. Rustig,’ maant zijn vriendin Scarlet hem toe. ‘Het mag wel wat minder. Wat ben je toch opstandig vandaag.’ ‘Laat mij toch. Het is omdat ik de mens soms niet begrijp. Die bewondering voor een ander, het leven op een voetstuk, doe toch eens normaal. Waarom werk je met staal en gebruik je magneten in je werk? Waarom maak je tegenwoordig houtsneden, ben je veranderd of zo? Waarom verwijs je naar de staf van Mozes en maak je de berg Sinaï? Ze gaan maar door en ze begrijpen maar niet dat het gewoon is zoals het is. Gerealiseerde ideeën. Meer niet. Ik las onlangs nog een boekje van Beuys, die oude reus, theorie na theorie, maar dan door hemzelf geschreven. Kijk, dat kan ik wel hebben, een kunstenaar die zichzelf uitlegt, want die apen begrijpen er niets van natuurlijk. Waarlijk een grote man die professor Joseph.’ “Jeder ist ein Künstler – Iedereen is een kunstenaar”, imi-

108

teert Adelaide de professor. ‘Ik ben zangeres.’ Ze begint een lied te zingen van Gustav Mahler. “Het Lied van de Aarde”. “Wateroppervlak laat alles zien. Wonderlijk in het spiegelbeeld...”.’ Adelaide oogst applaus van het hele gezelschap met haar schoon klinkende gezang. Jan-Erik staat op en loopt weg uit de schaduw van de eikenboom. Een tiental meters verder staan enkele fruitbomen, een appelboom, een kersenboom, een perzikenboom. Tegen de stam van de kersenboom staat een foedraal en hij neemt er zijn akoestische gitaar uit, stemt de snaren, loopt terug naar de tafel en hij begint meteen, naar ik aanneem, klassieke Spaanse muziek te spelen. ‘Een stuk van Claude Debussy, “Clair de Lune. Maneschijn”, in een uitvoering van John Williams,’ zegt Jan-Erik. Mijn aanname was niet correct. Hij speelt zachtjes op zijn gitaar en de rest van de genodigden praten rustig verder, door en met elkaar. ‘Wat heb je weer een bont gezelschap uitgenodigd,’ zeg ik tegen Pi. ‘Je hebt echt een hele fijne groep mensen om je heen verzameld. Echt hele, hele fijne mensen, goeie vrienden, vrienden voor het leven, zo lijkt het mij toe.’ Hij knikt. ‘Het is belangrijk om goede mensen om je heen te hebben, zodat je het leven ten volle beleeft. Mensen die van elkaar verschillen, anders denkenden, vrije geesten, maar tevens gesloten geesten. Eenvormigheid is de dood in de pot. Variatie daarentegen is rijkdom en net zo vol als rijpe vruchten van diverse bomen. Net een orkest, zo dient de kring om je heen te zijn. De ene spreekt in zachtaardige klanken van een harp, de ander schel als een trompet en sommigen als pauken die je doen opschrikken. Leven is diversiteit.’ ‘Weet je,’ zeg ik, ‘slappe trutten zijn het, die critici en die zogenaamde bewonderaars die niets toe te voegen hebben aan hetgeen jij al weet en presteert. Je hebt gelijk, maar daar gaat het mij niet om, soms, soms, als ik naar dat kleine kunstwerk “Mensch”, mijn menschje bij mij aan de muur kijk, wil ik graag meer weten. Ik wil dan graag iets weten over het ware

109

wezen, de aard van het beestje, het unieke, het vreemde, het bijzondere. Ik krijg de behoefte om een antwoord te vinden, om er achter te komen waarom de mens zo anders is als die andere levende diertjes die op deze aardbol vertoeven. Heb je ooit een schaap zien breien? Een varken een straat zien aanleggen? Een hond gitaar zien spelen als John Williams? In zulke dingen toont de mens zijn schone wezen. Soms lees ik iets in een boek wat mij raakt en waarvan ik denk ja, dat lijkt mij typisch menselijk, zo pakte ik nadat ik je werkje aan de muur had gehangen het woordenboek, de Dikke van Dale. Weet je wat daarin staat over de betekenis van het woord mens?,’ vraag ik aan Pi en tegelijkertijd aan Jean-Jacques en Scarlet, Cornelius en Josephine. Zij schudden hun hoofd, ontkennend. ‘Geen idee, in ieder geval niet precies.’ ‘“Het hoogst ontwikkelde schepsel (...) dat zich door zijn rede en taal van de dieren onderscheidt”, dat staat er in de van Dale. Als je ziet wat wij allemaal maken, sommige kunstwerken, gebouwen, een goed boek, de muziek van Debussy, een brug, de vetsculpturen van Beuys, een schoon aangelegde tuin. Dan klopt dat toch wel enigszins. Dus ik zoek naar een ander boek in mijn kast en mijn oog valt op “Is dit een mens?” van Primo Levi,’ ik neem een slokje van de koffie, ‘... dan krijg je toch een geheel ander idee, wat is een mens heeft hij zich ooit afgevraagd, kan een wezen die dingen doet die hij ervaren heeft een mens genoemd worden?’ Ik wacht het antwoord niet af en zeg: ‘Dus heb ik dat boek voor je gekocht beste Pi, naar aanleiding van je tentoonstelling.’ Uit mijn tas pak ik het boek van Primo Levi. ‘En, ach, oh ja... hier, nog een ander boek voor je, een boekje over het verschijnsel mens door Teilhard de Chardin. Dat lijkt mij wel toepasselijk. Ik heb gisteren, toen ik dit boek voor je kocht, een aantal zinnen in het boek voor je onderstreept. Die zijn het overpeinzen waard, zoals: “de mens is de opstijgende spits van de grote biologische synthese”, of, “een tot eenstemmigheid gekomen

110

collectiviteit van bewustzijn, gelijkstaand met een soort bovenbewustzijn”, zo citeer ik uit mijn hoofd. ‘Dank je, echt heel fideel van je,’ antwoordt Pi. ‘Weet je,’ zeg ik somber, ‘Die Primo Levi heeft diverse concentratiekampen uit de 2de wereldoorlog overleefd vol bitterheid, de grootste ellende die je je maar kunt voorstellen, die een mens kan overleven en als ik de vraag stel, net als hij deed, “Is dit een mens?”, dan kan hij zijn vraag slechts in schaamte met “ ja” beantwoorden, want dit zijn duidelijk handelingen die bij een mens horen, net zoals ik die vraag beschamend met “ ja” beantwoord. Alleen vind ik het een mens waar ik mij niet graag mee wil vergelijken, geen mens waar wij trots op kunnen zijn. Kijk in deze tijden maar naar het Midden Oosten, de gevangenissen in Noord Korea, de Chinese soldaten die Tibetaanse vrouwen verkrachten om zo Chinese kinderen te baren in plaats van Tibetaanse, een eeuwenoude methode om de soort te veranderen zoals die Mongoolse geweldenaar Dzenghis Khan al in de twaalfde eeuw voordeed. De beoogde opvolger van de Dalai Lama, een kind nog, houden ze gevangen. Goh, hoe heet dat kind alweer?’ ‘Die heet Panchen Lama, Gendun Cheokyi Nyima,’ bromt Cornelius met een zware stem. ‘Het verkrachten van vrouwen om de eigen soort in stand te houden en deze uit te breiden naar andere rassen of volken, om zo te overheersen, om zo een nieuw ras te creëren is nog ouder dan Methusalem oud werd. Vreselijk.’ Hij heft zijn hoofd vol afschuw. ‘Klopt, klopt, een klein onschuldig kind vastzetten... verdrietig word ik van dat soort dingen. Van vrouwenonderdrukking word ik totaal onpasselijk. Onschuldiger dan een kind is er niet en tja, het klopt dat dit soort beschrijvingen slechts een klein aspect representeren van het mens zijn, dat dit soort dingen gebeurd zijn, het is nog steeds zo, maar is dat het echt wezenlijke kenmerk, datgene wat ons uniek maakt ten opzichte van andere levende wezens, dieren à la giraffe, een papegaai of een hond?,’ vraag ik en ik kijk rond naar de

111

kring van mensen die aan tafel zitten. Jan-Erik speelt geen gitaar meer. Allen luisteren naar het gesprek wat gevoerd wordt. Of eigenlijk mijn monoloog. ‘Ik denk het niet,’ vervolg ik, ‘maar indien je mij zou vragen waarom, dan moet ik je daar het antwoord op schuldig blijven. Daarvoor zijn er teveel antwoorden en ik weet dat er niet een vraag is die met een antwoord te beantwoorden is. Het enige dat ik weet is dat ik Levi’s mensbeeld te somber vindt, geen lichtpuntje, behalve het feit dat je de diepste ellende overwinnen kunt, maar ja... “Het hoogst ontwikkelde schepsel?” ...ik geloof er in deze tijden helemaal niets meer van. Het lijkt er steeds meer op dat wij het laagst ontwikkelde schepsel zijn, de grote vernietiger, in plaats van het resultaat van de schone schepper, de eerste beweger. Al die stomme oorlogen, hoe wij met de natuur omgaan...’ Pi zwijgt, zijn hoofd terneergeslagen, net als Jean-Jacques en Josephine. ‘Ik krijg er een punthoofd van,’ zegt Josephine, ‘kijk ons hier eens zitten in deze mooie tuin, aardige en goede mensen, wie en waarom willen wij elkaar kwaad doen? Weet je, ik heb nog nooit iemand kwaad aangedaan. Doe mij nog eens een wijntje, wil je Pi?’ Pi schenkt bij. ‘Ik begrijp er niets van, al die zogenaamde leiders, die honderden miljarden uitgeven aan wapens en nog eens wapens. Noem ze maar op: Alexander de Grote, Napoleon, de idioot, waarom de Fransen die mafkees zo hoog hebben zitten, ik begrijp er niets van. Ceasar, Richard Nixon. Die Franse revolutie, echt een lachertje, of de Amerikaanse revolutie, nog erger. Lekker zo’n revolutie voor de vrijheid, de gelijke rechten van de mens, terwijl de oorspronkelijke bewoners, de Sioux, de Cherokee, de Hopi, de Apachen vermoord werden en nog steeds als derderangs burgers in reservaten opgesloten zitten.’ Opzienbarend dat je soms mensen voor het eerst ontmoet

112

en dat je meteen dezelfde opvattingen met elkaar deelt. Josephine kijkt dreigend om zich heen en geeft zo haar woorden extra kracht. Ze is duidelijk niet op haar mondje gevallen. ‘Weet je, ooit vroeg een vriend aan mij “van welk dier stammen wij af?” Hij vond dat het duidelijk was dat dat van de apen was en dat wij mede daardoor zo dom zijn en niets begrijpen van de wereld. Toen zei ik tegen hem, heb je toch niet goed naar Napoleon gekeken, want als je dat zou doen, zou het meteen duidelijk zijn dat wij van pinguïns afstammen en niet van de apen,’ lacht Josephine. Haar ogen glimmen van plezier. De groep buldert van het lachen. Napoleon die van een pinguïn afstamt. ‘Een keizer pinguïn zeker,’ roept Pi. ‘Weet je, Charlie Chaplin loopt ook als een pinguïn,’ zegt Andrea opgewekt. Ze staat op en doet het voor. ‘En Patricia noemde mij ooit een hond,’ blaft Frits. ‘En Indianen zijn gevederde vogels,’ doet Neil een duit in het zakje. ‘Fruitvliegjes houden van fruit, net als mensen,’ zegt Merijn. Ik kan deze niet helemaal volgen en doe alsof ik het helemaal begrijp en knik “ ja”. ‘Volgens mij lijkt Winston Churchill het meest op een buldog.’ ( Jean-Jacques.) ‘Dat de mens slechts een dier is, een van de laatste vertakkingen aan de grote evolutieboom, wordt veronderstelt sinds Darwin,’ zegt Pi, ‘maar ik zou mijn leven niet willen geven voor een wereld waarin beestachtig handelen voorrang geniet boven liefde, respect en trouw. Zoals je zojuist al tegen mij zei, Adam, heeft een trouw dier als een hond betere manieren. Gelijke dieren doen elkaar onderling zelden iets aan; daar wil ik graag van harte mee instemmen. Heb je ooit olifanten elkaar zien doden? Dat komt echt hoogst zelden voor. Je schiet er niets mee op, al dat ge-eikel en misselijk makende

113

gezeik met elkaar. Politici, militairen, koning, keizer, admiraal. Je zou ze wat willen aandoen. Waar bemoeien ze zich mee. Laten wij proosten op het goede leven!’ Wij proosten met zijn allen op het goede leven en de glazen worden tegen elkaar getikt. Ik voel mij treurig. Ik mis Eva (de betekenis van haar naam: chavah – chayah – ademen) en ik ben juist op zoek naar iets hoopvols. Ik weet dat deze groep mensen, hier om mij heen goede mensen zijn, maar ik zoek naar iets, een best antwoord, een hint misschien, iets waarvan ik blij word, excuseer mij voor even, sta op en loop door de tuin naar de rivier die aan het einde van de tuin lonkt. Ik denk aan haar familieleden die de kampen in Siberië niet overleefd hebben. Ik zie twee jonge meisjes met hoofddoekjes aan de oever van de rivier, die al touwtje springend en spelend van boom naar boom rennen. Tevens zie ik een jonge donkerharige vrouw die over de oever fietst en haar fiets tegen een linde zet. Ze neemt een fruitmand van het stuur. Ze ziet er apart uit, een Indiaans, licht getint uiterlijk, in haar frivole bloemrijke jurk, de wind waait door haar haren, ze lijkt zo weggelopen uit een schilderij van Paul Gaugain. Ik zwaai haar toe. ‘Hallo!’ Ze zwaait terug en loopt door over de dijk. Drie gewone mensen, niet echt bijzonder. Geen mensen waarvan je denkt dat je te maken hebt met een wezen dat heel erg afwijkt van bijvoorbeeld een papegaai. Zo kleurrijk en elkaar napratend ook, mensen fladderen per slot van rekening ook maar een beetje rond. Alleen die hoofddoekjes zijn wel echt bijzonder, een beetje geil vind ik dat zelfs, zo’n hoofddoekje. Im Beschränkung zeigt sich der Meister – In de beperking laat de meester zich zien, denk ik, maar waarom ik dat denk weet ik eigenlijk niet en of het echt zo is valt te betwijfelen. Een giraffe of papegaai heb ik nog nooit met een hoofddoekje gezien, dus misschien heeft het daarmee te maken, is dat

114

iets typisch menselijks, iets wat ons bind, maar tegelijkertijd herinner ik mij dat E.T. een hoofddoekje op had en ikzelf heb nog nooit een hoofddoekje gedragen en volgens Pi ben ik een mens, met ch zelfs en is mijn naam Adam, mensch. Dus toch niet, het bijzondere, het meest ontwikkelde, het uitzonderlijke zit hem niet in het hoofddoekje. Een fiets zou je eigenlijk ook menselijk kunnen noemen. Het hoogst ontwikkelde. Punt. Dat is het. Een wezen aan de top van de evolutionaire ladder, het eindpunt van het worden, zo lijkt het. Niets zo hoog en goed ontwikkeld, zo intelligent, zo handig en zo bewust als wij het zijn. Alles staat in onze schaduw. Dat is duidelijk. Dat moet je aan Primo Levi vertellen, of aan die andere mensen wiens zielen dankzij de gaskranen in rook zijn opgegaan en weggewaaid over de eindeloze zeeën van bossen in zuidoost Polen. Levi zou zich wis en waarachtig rot lachen, maar niet heus. Laat ik verder gaan, denk ik en ik werp een steentje in de rivier, vanuit het middelpunt breidt de kring zich uit, alsof de steen het eerste begin is en alle kringen de voortzettingen, de ontwikkelingen in de ruimte-tijd zijn. “Het hoogst ontwikkelde”. Ik ga aan de oever van de rivier zitten en zie het pontje de stroom oversteken. Ik denk aan de combinatie van Pi’s “Mensch” en Magritte’s “De doorboorde tijd”, zoals deze beiden bij mij thuis aan de muur hangen. René Magritte en Pi samen en eindelijk begint het mij te dagen. De mens heeft als enig soort (het hoogst ontwikkelde!) ideeën, begrippen en beelden gevormd die voortkomen uit zijn directe omgeving. En dat komt natuurlijk door het reflectieve vermogen dat tijd genoemd wordt! Wij zijn naar de toekomst en naar het verleden gericht; de tijd, echter, laat alles in het midden. Wij mensen hebben dat middelpunt, deze stilstand, doorboort. Wij zijn altijd in het hier en nu, maar herinneren ons verleden en kijken naar voren, de toekomst in. (Wuuh Wuuh!!! Gilt de stoomtrein op Magritte’s schilderij.) Vandaar dat wij kunst maken, schrijven, fietsen maken als Bycicle Repair Man het doet en op de televisie te zien zijn. Gewoon om de tijd te vul-

115

len, om iets te doen te hebben, om zo op een uiterst klungelige manier die vluchtige tijd proberen te vangen en willen weten over het hoe en waarom van alles. Kom daar maar eens mee aanzetten bij een giraffe met een hoofddoekje op een fiets. Tijd is eigenlijk hetzelfde als de menselijke geest: het is er wel, maar eigenlijk ook weer niet. Niets zo vluchtig (geestig) als de tijd, nietwaar? Als je Plato’s mythe van “De Grot” leest zie je een mens die door het zonlicht verblindt, terugdeinst en alleen naar zichzelf in de weerspiegeling van het water kan kijken. Indien hij terugkeert naar de duisternis van de grot wordt hij door de duisternis verblind, de gekluisterden in de grot zullen zijn ervaringen niet begrijpen. De mens die het water heeft aanschouwt, aanschouwt zijn eigen aangezicht, zijn diepste wezen in het nu gereflecteerd en ik denk aan de laatste keer dat ik uit Griekenland terugvloog, vorig jaar midden mei, toen het Nederlandse polderlandschap in het zonlicht baadde. Ik zag de weerspiegeling van de felle zonnestralen in het water onder mij, een schitterende zilveren schaal en ik vroeg mij toen af dat als ik mijn gezicht in het water kan zien, zal de zon zijn gezicht tevens in het water herkennen? En is dat misschien wel hetzelfde; is daarom het leven ontstaan, gewoon dankzij de herkenning van iets hogers in het water, van iets wat ons overstijgt? Waarom ik dat toen dacht weet ik niet meer en of het waar is betwijfel ik ten zeerste, maar het is een leuke gedachte en het enige dat ik weet is dat ik denk, mijn ego in cogito ergo sum. Ik weet vooral dat ik besta, dat mijn lichaam is. Water is altijd stromend, blijvend in beweging als de tijd, zoals de woordenvloed, die vloed en het eb van de gedachten, het in- en uitademen waarvan ik niet weet waar het oorspronkelijk vandaan komt. De zon is achter de horizon gevallen en ik kijk heen over de rivier in het rustig voorbij stromende water. De volle maan komt op en ik zie mijn aangezicht in het water, vloei terug in de tijd en zie mijzelf ineens samen met de Italiaanse acteur Roberto Benigni. Wij spelen in dezelfde film, de film die le-

116

ven heet. “Het Mooie Leven – La Vita è Bella”. Een poging om de tijd bij z’n lurven te nemen, film, net als schilderkunst en beeldhouwwerken, in de tijd, in beweging als het leven, snel en uitgestreken als de vlakte in de verte, directer en realistischer. Film wil de mens, is het met of zonder ch?, is het Adam of is het adem, adamah, aarde? vastgrijpen en verhalen vertellen over wat de mensen zijn en doen. En ik moet zeggen: dat lukt een film toch aardig. Het is net echt, het is bijna hetzelfde als het echte leven, als haar schaduwen, het licht van de projector werpt schaduwen op de muur, op het witte doek. Het water. Roberto Benigni loopt samen met een meisje door een regenachtige straat. Het meisje heeft een hoofddoekje op en hij heeft een fiets in zijn rechterhand. Hij zegt: “Les Juifs et les chiens – De Joden en de honden”, zo zie ik in de ondertiteling. Hij loopt door een concentratiekamp. Waarom hij dat zegt weet ik niet want ik heb per slot van rekening dat scenario niet geschreven, ik ben slechts figurant in die film en die scène zie ik voor het eerst. En een fiets is eigenlijk een mens. Ik loop naar Roberto toe en zeg “sorry” tegen hem. ‘Waarom moet dit allemaal zo gebeuren, hebben wij het noodlot nodig? Het geluk en het ongeluk? De lach en de traan? De zon en de maan?’ ‘Laat mij met rust, ik heb al genoeg gezeik aan mijn hoofd,’ zegt Roberto Benigni in de rol van Guido. Zijn stem wordt overstemt door een trein die arriveert. De trein rijdt De tijd staat stil Is dit een universeel gedragen iets? De enige output van het leven? Daar gaan de schonen, de straks verminkten, wat beleven Wervelen wij al spiegelend door de spiraal? Uitgescheten stinkend naar verrotting en banaal? Bagger en stront, opgebouwd naar het laagste ideaal?

117

De geblokkeerde wielen van de trein piepen en krijsen; ze overstemmen de omroeper die de menigte tot orde roept. Duizenden staan op het perron op elkaar gepakt te wachten. Honderden stappen uit zodra de trein volledig stilstaat en de schuifdeuren van de goederenwagons geopend worden. Mensen in grauwe kleding stappen uit. Ze dragen gele sterren. En zien er verslagen uit. Zo ook Adam en Eva. Wij stappen hand in hand uit de goederentrein en klampen ons aan elkaar vast. Angst staat in onze ogen geschreven. Onzekerheid ook. Wij schrikken op van de herdershonden die opspringen en blaffen met glimmende, valse tanden. Een edel Germaan snauwt ons toe dat de mannen links moeten; de kinderen en de vrouwen rechts. De oudjes moeten zich rechts in de rij bij de vrouwen en kinderen voegen. Wij gaan rechts staan. Kinderen zijn wij slechts. Een gaskar rijdt voor. De eersten in de rij rechts moeten instappen. De kar rijdt weg. Vooralsnog gebeurde In de verleden Onvergankelijkheid Ooit in een bepaalde tijd Onwetend onverlangen Naar hetgeen dat kwam Voorbijgevlogen tijden Daar stonden ze Gingen uit de weg De tijd roeit door De tijd roeit soms uit Vergat de ongehoorde bralsnoef Stelletje ongebreidelde Rukkende wind blagen Nietzschzeggende überhelden

118

Vergat dat niet jullie maar Wat ons te wachten stond Het leven zeefde Zeefde het leven De honger naar kennis Was slechts gebakken lucht Alles gedacht gevoeld en verloren Meer zeer geen leven Bedrogen door het verleden De zoektocht naar wortels vervlogen De lucht klaarde niet op De zon brak niet door Vond de weg niet terug De aarde brak open Kon niet vrijuit lopen Het was te laat (geen tijd) Het was te vroeg (geen tijd) Tijd was oud Tijd was over And out Een knuppel roept ons tot orde. Wij worden in de barakken gedreven door mannen met lucifers in hun waanzinnige ogen, door mannen die zich verheven voelen, beter dan ieder ander mens denken ze te zijn. Eva en Adam klampen zich aan elkaar vast en bibberen van panische angst. Niet veel later verdwijnen wij in de open mond van de brandende ovens; het vlees verschroeid. Onze geesten lossen op in de koude en donkere Poolse nacht.

119

Een gillende trein dendert voorbij en langzaam aan word mijn hoofd weer helder en schud ik de klank, de malaise en de associatie, de herinnering, van mij af en bevind ik mij weer achter in de tuin van Pi. Nog steeds zie ik de film op het water geprojecteerd en ik roep tegen Guido: ‘Voordat ik je met rust laat, zal ik je eerst nog vertellen wat dat kleine metalen plaatje “Mensch” allemaal losmaakt in mij, wat de kleine magneet in mijn hoofd aan mij vertelt.’ Guido, of is het Roberto? wil weglopen. ‘Ren, ren, ren, vlucht, vlucht, vlucht met het kind onder je armen, vlucht, weg, weg, weg uit deze waanzin,’ roep ik hem toe. ‘Laat deze hel nooit en te nimmer meer gebeuren. Dit mag, dit kan niet waar zijn, wat ik hier zie en wat ik hier naspeel is het ergste, de grootste verschrikking op aarde. Laat de mens hiervan leren! Laat de mens van deze film leren!’ Guido huilt. Hij valt op de grond. Laat ik eindigen met nog iets over de mensch en de doorboorde tijd te vertellen, denk ik met hem meevallend. Dankzij de reflectie, het inzicht tijd, heeft de mens zijn grenzen verlegd.Langzaam maar zeker is het uit zijn beperkte wereldbeeld gestapt en heeft het leven microscopisch bestudeerd, het verleden gereconstrueerd, de natuur nagebootst en de toekomst, het leven vormgegeven. Over twintig à dertig jaar zullen wij foto’s maken, foto’s die vanuit de ruimte genomen zijn’ – wij zijn nog steeds samen in de film “La Vita è Bella” – ‘en de mens kan de wereld voor het eerst vanuit de hoogte, vanuit de ruimte aanschouwen. De kwetsbare en wonderschone planeet die wij Moeder Aarde noemen, gezien zoals de zon deze ziet, zoals de Goden haar aanschouwen. Deze foto’s hebben de wereld in al zijn lichtheid, in zijn ware en naakte essentie blootgelegd. Ze hebben laten zien dat wij met zijn allen op dit kleine, blauwe waterbolletje, deze blauwe aarde ronddraaien, jaar in, jaar uit, rondom de zon, ons ruimteschip, dertig ki-

120

lometer per seconde, het is zo stabiel, een heilig voertuig en wij merken en voelen dat wij er voor elkaar zijn en niet meer tegen elkaar moeten ageren. Een wereld waarin geen boeken meer geschreven worden zoals Primo Levi’s boek, een wereld waarin jij niet de rol hoeft te spelen van de komiek die de ondergang in de gaskamer tegemoet gaat en zodoende zijn kind weet te redden. Omdat wij het verhaal van Primo Levi al gelezen hebben, jouw film hebben aanschouwd, zoals er zoveel films zijn gemaakt over dit onderwerp en weten dat dat soort dingen niet meer moeten gebeuren. Omdat wij weten dat dát niet de mensch is die wij willen zijn. Dat de mensen eigenlijk een heel eenvoudig leven willen. Tevreden met zichzelf en de wereld om zich heen. Geen gezeik, geen concentratiekampen. Niet gevangen zijn en ’s ochtends vroeg wakker worden met tientallen lijken om je heen. Dat vinden wij maar niks. Niet lachen en diep van binnen verscheurd zijn van verdriet en angst. De mensch, beste Roberto, is eigenlijk het Ding an sich – het ding op zich – het geweten van de existentie in een notendop, de wereld in ons, een wereld die dankzij onze kleine en bijzondere hersentjes bestaat; een wereld die eigenlijk een creatie, de reflectie van onszelf is. Volgend uit de evolutie, de spits van de schepping, is hij de beheerder van Al, geen ondermensen, geen tussenmensen, geen overmensen, nee, een mens met ch, een geweldloos, een sublieme mens, eerlijk, zelfbeheersing is het wapen van een mensch, een mensch kan deze wereld eindelijk begrijpen, allen gelijk en even, verschillend en eigen, mensen die het onbenul zijn ontstegen, die het heft in eigen hand genomen hebben en die uit de schoot van Moeder Aarde getreden zijn, de melkgevende wondervrouw. Wij knielen voor haar, in de cinema, in de schoot van de Zwarte Maria waar het licht altijd schijnt. Al deze dingen denk ik terwijl Roberto de clown uithangt. ‘Guido, Guido,’ roep ik hem na, ‘ooit, ooit zal deze oorlog stoppen, ooit zal de mensheid in vrede leven.’ Roberto – Guido verdwijnt uit mijn gezichtsveld, het beeld

121

uit, loopt weg over het water. Ik trek mijn hoofd weg uit de weerspiegeling van de rivier en kijk omhoog. Een projector in de linde straalt de film op het water. Het is een werkje van Pi. Terug aan tafel snijd ik een stuk brood af, besmeer deze met tapenade, loop zijn huis in. Van zijn boeken aanschouw ik enkele kaften, “S M L XL”, Georgio Vasari, Jackson Pollock, “Aanwezig”, “Reizigers in de Anti-Tijd”, “Het Leven na God” van Douglas Coupland. Later die avond, het feestje gaat maar door, het is een komen en gaan van menschen, ik praat met deze en gene, komt Pi weer naar mij toe en vraagt hoe het eigenlijk met Eva is sinds haar bezoek aan Amsterdam. Ik zeg tegen hem dat ze weer weg is, terug naar haar eigen land, of dat ze misschien in Italië is, Japan wellicht, ze is uit mijn gezichtsveld verdwenen. ‘Ik weet niet waar ze is. Ze is nog steeds getrouwd en ik ontving eergisteren een brief van haar dat het toch niet kon, bij mij zijn, het was te moeilijk, haar man laat haar en haar kinderen niet gaan en zo wordt ze gedwongen om bij hem te blijven, schreef ze. Maar toch,’ zeg ik tegen hem, ‘zal ik altijd bij haar zijn, als tweelingzielen die Moeder Aarde delen. Heftige film trouwens net bij het water.’ ‘Welke heb je gezien?’ ‘Die met Benigni.’ ‘Kom,’ zegt hij en hij trekt mij mee, ‘kom, wij gaan zwemmen in de rivier. Je moet niet zo verdrietig zijn. Wij moeten plezier hebben. Met zijn allen. Laat gaan die diepe ellende. Je weet dat ze van je houdt. Laat je daardoor leiden. Denk niet aan het niet samen zijn in het fysieke, maar in de mind, in je hart. Anders wordt het je ondergang. Kijk naar de hemel, niet naar de hel. Ben een gelukkige ster. Laat los en ben stil,’ zegt hij zoals Ji Ja enkele maanden geleden in Parijs deed.

122

Adem het negatieve in en adem positief uit. Transformeren die hap. Ik vertel tegen hem dat ik deze zomer begin met een wending in mijn leven, dat ik mijn bedrijf heb verkocht en de komende maanden een natuurproject in Griekenland ga verwezenlijken. Hij knikt mij, stil, goedkeurend toe. Wij spartelen in het verrassend warme rivierwater. Wij duiken, trekken aan elkaars voeten en armen, gooien elkaar een bal toe, van Jeroen naar Kora, van Scarlet naar Cornelius, van Andrea naar Willem, wij lachen en schreeuwen, wij doen de vissen na, als palingen krioelen wij over, onder en door elkaar. Scarlet beweegt haar tengere lichaam sierlijk door het water, haar borsten staan stevig en haar heupen zijn slanker als een kano, worden omsloten door een geel bikini setje. Ik neem een slok rivierwater; als een walvis sproei ik het water de hoogte in en ik duik omlaag naar de bodem, een meter of vier diep, woel met mijn handen door de modderige aarde. Nog steeds kan ik duiken als toen ik een kind was, toen ik zeven jaar oud mijn adem tachtig seconden in kon houden. Op mijn Swatch Subversion zie ik dat ik bijna een minuut onder water kan blijven. Mijn oren staan onder druk, maar toch hoor ik de propeller van een rivierboot, een traag gezoem, een brommende brom. Ik laat mijn longen langzaam leeglopen. Net een ballon. Ik beweeg mijn voeten snel op en neer zoals een pinguïn het doet, vlieg als een raket omhoog, breek het wateroppervlak met mijn armen gestrekt, de handen en vingers tegen elkaar gedrukt in een boeddhistische groet. “Tat Tvam Asi – Dit Zijt Gij”. De oren breken open, het geratel van de ketting die het pontje van oever naar oever leidt weerklinkt, de witte rivierboot neemt de bocht en wij vormen een ketting, hand in hand. Alleen in het bewustzijn van deze groep, leven wij niet in een tijdperk na, zonder God, zoals Douglas’ karakters doen, als hip kippetje Stacey en haar vrienden, maar in Hem, dankzij zijn stralende wezen bestaan wij, met zijn kosmische instrumenten bespeelt hij ons

123

innerlijke zijn. Ik kijk omhoog en zie de zilveren wolken overwaaien, de hemel breekt open, de sterren stralen, ze wijzen de weg. Wij zijn een, een met elkaar en een met de wereld, in het universum, een vers, een lang verhaal delen wij met zijn allen. De sterren in de hoogte vormen, zoals de rivier het doet, een stromend helder besef. De ogen van Willem en Adelaide staan helderder dan de grootste ster, de volle blauwe maan glinstert op het wateroppervlak; ze betovert ons en stijgt hoog uit boven de klokkentoren van de kathedraal. De klokken luiden twaalf uur. Tijd is relatief.

124

XI
De relatieve tijd bevindt zich in de eerste herfstmaand. Zo meteen ga ik met de fiets naar de Hollandse kust. Zwemmen in zee. De laatste keer dat ik aan zee was, is alweer anderhalve maand geleden toen ik op Orpheus’ strand uitrustte van de lange wandeling door Griekenland. Het eerste bomen project, de tocht door Arcadia, was een groot succes mede door het idee om de reis te voet af te leggen, verkleed als oude wijsgeren en godinnen uit de Antieke Tijd, als de filosofen Aristoteles & Plato, de een als Democritus de atomist, de ander als Pericles de staatsman. Anaxagoras de kosmologist werd geïmiteerd, net als Thales van Milete de naturalist en Adam, c’est moi; ik completeerde het mannelijke rijtje. Wij droegen met zijn allen flinke baarden. Zeven vrouwen vormden het mannelijke tegendeel: Athena, Ariadne, Hera, Gaea, Nikè, Artemis en Afrodite. In lange witte jurken vormden zij een lint die ons langs enkele Griekse oudheden als de stad Megalopolis en het wereldberoemde theater Palea Epidavros leidde. Asclepios en zijn dochters Panacea, Jaio & Hygieia complementeerden onze groep van veertien, zodat wij in totaal met achttien personen het helingsproces voor de aarde verrichtten. De pers was in grote getale aanwezig bij onze werkzaamheden en wij werden geprezen voor onze daden. Prevelend als monniken en nonnen betraden wij de Arcadische heuvels, daar waar dichters ooit gedichten voordroegen, zangers zongen, waar denkers dachten aan een herderlijke wereld. Een wereld vrij van grote nijd en competitie, waarin de mens het aardse leven in alle nederigheid aanvaarde en genoot van de vreugdevolle weelde die de natuur schonk. De bestijging van de Olympus lieten wij achterwege. Asclepios drukte zijn stethoscoop tegen de grond. Hij luisterde goed naar de hartslag van de aarde en gaf aan ons de plaatsen door waar behoefte was aan een vitamine injectie. Wij plantten veel prachtige bomen; gaven de natuur een opkikker.

125

Het is zonnig in Amsterdam. Een stralende zon; enkele kleine wolken drijven over. Een middag op het strand zal mij goed doen, heerlijk uitwaaien, de stof uit mijn hoofd, de boel de boel laten. Een frisse duik in de Noordzee is waar ik behoefte aan heb, door de stevige branding heen, het zout op mijn huid proeven. Van Eva heb ik niets meer gehoord op het bericht van de vroege zomer na en het zal zo wel blijven. Ik zet een CD op van de Malinees Djelimady Tounkara. Het gitaarspel is sterk, de zang ook. Ik loop naar mijn werkkamer en ga achter de computer zitten, controleer de inkomende berichten, beantwoord enkele. Ook lees ik haar laatste bericht. Al dertig, veertig, honderd keer heb ik het gelezen en vandaag lees ik het nogmaals. Mijn ogen flitsen over het computerscherm. “Ik kan niet weggaan bij mijn man, hij laat mij en de kinderen sowieso niet gaan... ik kan het leven van mijn kinderen niet nog eens veranderen, het heeft niets met jou van doen, maar met mij, niet omdat ik niet van je hou, maar ook weer niet genoeg. Ja ik hou van je, maar dan op een vriendelijke manier. Het spijt mij, maar ik kan je vraag niet beantwoorden op de manier waarop jij hem beantwoordt. Teveel is er al gebeurd, teveel is er al veranderd. Ik kan en wil het leven van mijn kinderen niet in de handen van een voor hun vreemde man leggen. Je kunt niet van mijn kinderen houden zoals je van je eigen, je natuurlijke kinderen houdt. Dat werkt niet... Of ik bij mijn man blijf weet ik niet, misschien ga ik scheiden, misschien ook weer niet, maar je moet je in ieder geval geen illusies maken, probeer mij te begrijpen, ik ben geen familie vrouw, ik wil eerlijk zijn tegen je, laat ons vrienden blijven, dat gaat mij veel beter af, dan een vrouw voor je te zijn, probeer mij te begrijpen... Je bent een prachtige man en ik ben trots dat ik een vriendin van je mag zijn, dat je nog steeds van mij houdt :-) Ik hoop dat ik je vriendin mag zijn, maar ik kan zo een serieuze stap niet nemen, je vrouw worden, als ik mijn

126

vriendelijke gevoelens voor jou begrijp. Ik kan mijn leven niet op zo een manier met je verbinden... Ik kan beter een vriendin voor je zijn, beter dat, dan een vrouw voor jou. Probeer mij te begrijpen. Ik schrijf je... Eva”. Dat zijn de woorden die ze aan mij heeft gericht. Bellen kan ik haar niet, haar telefoonnummer heb ik niet eens. Op mijn berichten reageert ze niet. Het is een grote stilte, zwijgzaam is het geworden, de zomer is voorbij gegaan zonder een nieuw bericht. Ik schrijf je, zegt ze. Maar niets. Het avontuur is voorbij, over en uit, vrienden OK, man en vrouw niet OK. Ik zucht diep en lach tegelijkertijd, want wat was het fijn dat wij elkaar weer zagen. Ik sluit het programma af en doe de computer uit. Ik moet verder met mijn leven, definitief zonder haar. Het was altijd al zo, een mooie herinnering is wat gebleven is. Haar lach en de eerlijke woorden die ze schrijft. Hoe ik voor haar op mijn knieën viel. Adam: je bent alleen, was alleen, blijft alleen. De hoop is vervlogen. Keep Cool. Je vriendschap is prachtig, maar ik wil een vrouw en eigen kinderen. Waarom kan ik geen goede vader voor je kinderen zijn? De werkkamer loop ik uit, de trap af en de andere trap naar het souterrain, de keuken in. Ik doe handig de afwas en neem de stofzuiger uit de wandkast. De keukenvloer wordt gedweild. De kamerplanten beneden geef ik water. De orchideeën in de eetkamer spreiden hun bladeren in groene pracht, de kelken zijn in wit, roze en paars. Als je goed kijkt zie je in een bloem een kernachtig wezen. Alles zit erin. Met een eigen wil. Vol bewustzijn. Net als bloemen richt de mens zich naar de zon. Ik pak een grote handdoek en mijn kleine rugzak. Liefde is het ding, het ding dat alles langzaam maakt. De diepste kern. Je bent de golf, ik het eiland en ik laat je gaan, zoals het zand het water los laat. Adem in en uit. Je trekt je

127

terug. Ah qui, tu est adorable, ja, je bent aanbiddelijk. Alleen wat heb ik daaraan, wat koop ik ervoor als je er toch niet bent, als je voor een ander gekozen hebt, als je schrijft dat ik familie geluk verdien en mijn eigen kinderen. Ja, je hebt gelijk, ik wil mijn eigen kinderen en mijn eigen familie geluk. Ik veeg het stof van de lijsten, van de vleugel in de salon, geef de kandelaar nieuwe kaarsen. Je gaat en je komt en nu, nu blijf je voor altijd weg. Ik zucht diep. Wie weet ooit, in een onbepaalde en verre toekomst, zullen wij elkaar nog eens treffen. Als oude vrienden die zich enkele geweldige levenservaringen herinneren. De schoonmaakmiddelen berg ik op. Ik loop naar boven, sluit de ramen. De gordijnen in de slaapkamer trek ik dicht. De rozen op het balkon aan de straatkant wil ik extra water geven en dan op naar het strand. Het is al wekenlang nauwelijks bewolkt; regen is er niet gevallen. Ik hoor een stem die roept, alsof ik je hoor over de vlaktes, de steppes van Rusland, de bossen van Polen, de hemel over Berlijn, Hannover, je stem golft in mijn oren, ze rolt zo de Lage Landen in, de schoonste stem die ik ken, tokkelende snaren, je melodie, ostinato, je viool, je bent zo ver weg en toch hoor ik je stem, de reden dat ik besta. In je ogen zal ik doorleven al sterf ik op dit moment. Ik vertrek door het kleine deurtje zoals Jezus eenieder aanraadt en laat de boel hier voor wat het is. Ik duik een nieuw leven in. De weg van het leven voert naar de dood; de dood voert naar het leven. Nee, toch maar niet. Het leven is teveel waard en moet geleefd worden. Geen slappe excuses en laffe uitwegen. Als het zover komt, dan is de tijd daar, zal ik Zijn aanwijzingen volgen, neem ik het kleine deurtje, maar nu ben ik vol nieuwe plannen en sla ik een nieuwe weg in mijn leven in. Zo gaat dat. De plantengieter vul ik met water en ik loop naar de openstaande balkondeuren. Hoe dichter ik bij de openstaande deuren kom, hoe helderder ik je stem hoor. Er staat vast een harde noord-

128

oostenwind, een heel erg harde noordoostenwind. ‘Adam, Adam! Ik ben het! Adam!’ Het is niet waar, ik hoor duidelijk haar stem in mijn hoofd, de gekte heeft definitief toegeslagen. Het verlangen naar haar heeft mij ziek gemaakt. Psychiater ik ben onderweg. Mag ik een hersenscan? Ik ga niet naar het strand. Ik stap over de drempel van het balkon en geef de rozen water. ‘Adam, Adam! Ik ben ’t! Hallo daar!’ Er staat een meisje beneden in de straat en ze zwaait naar boven. Wie zou dat nou zijn? Is het waar? Zie ik het goed? Ik zet de plantengieter op de balkonvloer en ik wrijf in mijn ogen. Met opengesperde ogen kijk ik nogmaals, vol verbazing, vol verwondering naar de overkant van de straat. ‘Eva? Eva? Ben jij dat? Zie ik het goed?’ ‘Ja, ja, ik ben het!’ Ik geloof het niet, ik kijk nog een keer naar beneden vanaf mijn balkon en ja, ze is het! Hoe kan dit? Is dit waar? Ik snel de kamer door, de hal in en druk op de knop waarmee ik de deur beneden open. Ze stormt naar binnen, de trap op en vliegt in mijn armen: ‘Je bent er, hier een kus en nog een.’ Ze glimt mij van oor tot oor toe. ‘Is dit echt?’ Ik duw haar een stukje van mij af en kijk haar aan. Ik knijp hard in mijn arm en tevens in de hare. Kan het maar niet geloven. Ik sluit mijn ogen en open ze weer. Ja ze is het. ‘Au, je doet mij pijn,’ roept ze verbaasd. ‘Ben je dit echt, oh mijn engel, kom laat mij je bekijken, laat mij je zien, mijn hart... Je bent hier, hoe kan dit?’ Ik hou haar steviger vast. ‘Ja, ja, natuurlijk, knijp mij niet, doe rustig aan wil je?’ ‘Schop tegen mijn been.’ Ze schopt tegen mijn been. ‘Au! Ik moet zitten. Zitten moet ik...’

129

Wij zitten aan tafel in de eetkamer en ik kijk haar verwachtingsvol aan. Ze is heel eenvoudig gekleed, een beetje incognito lijkt het wel, niet een opvallende en bloemrijke jurk, nee een eenvoudige, saaie broek, neutraal gekleurde blouse en haar haren zijn in een knotje gewikkeld. ‘Ik geloof dit niet... Wat is er aan de hand?’ Ik kom weer een beetje bij. ‘Wil je iets drinken?’ ‘Ja, doe maar iets eenvoudigs. Thee? Heb je thee, of nee, doe maar een glaasje water.’ Ik loop naar de keuken en kom terug met een karaf water en twee glazen. ‘Hoe kan dit? Waarom ben je hier? Zo-even enkele uurtjes vanuit St. Petersburg de vlucht genomen? Snel heen en weer?’ Ik kan het maar niet geloven. Ze is sneller dan WonderWoman. ‘Ik heb niet heel erg veel tijd. Iets voor zeven uur moet ik terug. Ik moet dan de trein naar Brussel nemen voor vervolgbesprekingen met enkele handelspartners. Ben er een paar uurtjes tussenuit gepiept.’ Ik neem een slok water, schenk nogmaals een glas in en drink het glas in een teug leeg. Ik schenk opnieuw een glas water in, loop naar de keuken om de karaf bij te vullen en zit zo weer aan tafel. Ik kijk haar aan, in haar lichte en helderblauwe ogen, neem haar handen vast en sluit ze in de mijne. Wat een vrouw! Wat een verrassing! Net nu ik begin te overwegen om het te laten, de herinnering te eren, mij te richten op een ander, om mij opnieuw open te stellen voor iets nieuws, iets onverwachts, staat ze voor mij, zit ze aan tafel en hou ik haar handen vast. ‘Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk, België en Luxemburg. Gisteren was ik in Parijs, vanochtend was ik in Luxemburg.’ Ze neemt gehaast een slokje water; klokt het water naar binnen. ‘Wij zijn de laatste eindjes aan elkaar aan het knopen voor een grote zakelijke overeenkomst in West-Europa.

130

Vanavond heb ik nog een bespreking met de top in Brussel, morgen zijn er ook contractbesprekingen en moet ik terug naar Parijs en ’s avonds weer naar St. Petersburg. Ik ren mij de voeten onder het lijf de laatste weken en maanden. Veel te weinig tijd heb ik voor mijzelf. Ik had je nog willen e-mailen, maar het kwam er niet van.’ Ze drinkt het glas leeg. Ik schenk haar water bij. ‘Ik heb in het centrum een fiets gehuurd en heb het afgelopen uur rondgefietst om je woning te vinden. Ik had je adres niet eens meegenomen, maar gelukkig heb ik een goed geheugen voor locaties. Ik zat kort fout, maar ik heb het toch gevonden.’ Ze klinkt als opgejaagd wild en drinkt het zoveelste glas water in een teug leeg. ‘Goh, wat krijg je toch een dorst van dat fietsen. Kom gaan wij, springen wij op de fiets. Het is veel te fijn weer om binnen te zitten. Kom, hup, wij gaan naar buiten, frisse lucht heb ik nodig, zo hebben wij wat actieve tijd en kun je aan mij de stad goed laten zien. Het afgelopen voorjaar was het allemaal zo kort en heb ik veel te weinig van Amsterdam meegekregen. Hup! Wat een geluk dat je thuis bent.’ Ze staat op en slaat met haar handen over haar broekspijpen, trekt haar riem recht en controleert haar knotje. Ik sta op en begrijp er niets van. Alsof ze het moment aanvoelde dat ik de wang keer, de rug draai en onze herinnering tot een herinnering wilde maken. Wij omhelzen elkaar. ‘Wat voel je toch goed aan.’ Trillend sta ik op mijn benen. ‘Je verbaast mij iedere keer weer. Je bent er een uit een miljoen. Ik had nooit verwacht je ooit nog eens te zien, ja als wij een jaar of zeventig, tachtig zouden zijn, herinneringen ophalen in een rolstoel en nu ben je hier, zijn wij voor kort samen. Wat voelde ik mij treurig de afgelopen maanden, sinds je laatste email. Ik wilde mij niet meer kwellen met de gedachte dat het over is en eigenlijk altijd al was. Wat had je gedaan indien ik niet thuis was geweest, had je mij gebeld, of had je een briefje achtergelaten?’

131

‘Nee, dan was ik verder gegaan met waar ik mee bezig was.’ Ze geeft mij een knipoog en lacht. ‘Goed hè? De beste dag in het leven is vandaag,’ zegt ze gelukkig. ‘Je bent er toch en ik ben er, samen, mooier kan toch niet?’ Ze kust mij op mijn voorhoofd, net boven en tussen mijn wenkbrauwen. ‘Hoe is het thuis?,’ vraag ik aan haar. ‘Sstt Adam. Nu niet. Later. Eerst fietsen.’ ‘Ik haal wat drank en eten voor onderweg.’ Ik ren de keuken in. Zoef... Zoef... Zo klinken de banden van onze fietsen. Zoef... Zoef... Wij zitten er boven op en maken een tocht door de stad, eerst door het Vondelpark richting Amstelveenseweg; je volgt mijn spoor, ik de jouwe, een prachtig spoor en zelfs in de schaduw straal je als geen ander. Langs het Olympisch Stadion, het puntje van het Amsterdamse Bos, tring tring, slaan linksaf, fietsen over de meest groene fietsroutes van de stad, onder de ring door, via Buitenveldert, richting Nieuw Zuid, langs het Zuider Amstelkanaal, Beatrixpark – wat een schatje was ze toch, toen ze de hand van Nelson vasthield op de Dam, hem ondersteunde en zij beiden vol schaamte zwegen, knikten voor diegenen die vielen, hoe heeft het ooit zover kunnen komen? Waarom heeft het zo lang geduurd voordat zwart en blank elkaar een welgemeende hand gaven? – over de Rooseveldtlaan onder de bomen door, Kennedylaan, langs de Amstel. Het Amstel station laten wij links liggen en wij crossen door, in een hoog tempo, lachend, stralend. Werkelijk. Wow! Nu; eens in de honderd miljoen jaar reis je zo ver voor mij. Zoef... Zoef... Wij houden elkaars handen stevig vast, laten elkaar weer los, spelen achtervolging, wij gillen en joelen naar elkaar, schreeuwen het uit van de pret. Ze zingt “Bycicle Race” van Queen en ik daarna Syd Barrett’s “Bike”. “Ik heb een fiets... Een bel die ringt...”, zo zing ik uit volle borst tegen de wind

132

in. Daarna doe ik een kwakend koor vol eenden na en ik pak een stukje peperkoek; deel deze met haar. Het meest belangrijke. Delen. En een flesje met water. Quelle fun! Eva lacht zich een breuk om mijn Barrett imitatie. Zoef... Zoef... Gaan de banden van onze fietsen. Zoef... Zoef... Waterlelie, denk ik, maar waarom weet ik niet. Zij is het. Ze loopt over het water en betreedt de witte bloem lichtvoetig. Een schelp aan haar voeten met een parel erin. Het is er al. Tring! Tring! doet de bel van haar fiets, ik draai mij om en ze zwaait mij toe. Wij draaien richting Betondorp en over de Zeeburgerbrug waar het IJsselmeer begint. De oude Zuiderzee; het IJ breekt hier open. Van daar richting Schellingwoude en naar Durgerdam waar groenwit houten huisjes de dijken bekronen. De gerieflijk luchtige banden dragen ons over het asfalt, om en om, achter elkaar aan rijdend, de uitstekende fietsroute leidt ons langs de oevers van het meer, de voormalige zee, waar de resten van de ijstijd gesmolten rusten in de buik van de aarde. Het water van het meer is bijna spiegelglad zo zie ik en ik tuur naar de horizon, neem haar hand vast. Er staat een lichte bries. Aan de horizon een verkleuring, rechte lijn. Ik vertel over de reis naar Griekenland, het succes van de eerste onderneming. Ze heft een duim om aan te geven dat ze het fantastisch vindt. ‘Ben zo trots op je. Wat zei je? Volgend jaar in Mali?’ ‘Jazeker. Bij de Dogon. Kijk daar een Shire,’ zo wijs ik haar een paard aan dat in een weiland staat te grazen. ‘Dat zijn zulke prachtige paarden. Zie je die stevige hoeven? Echt ideaal voor een drassig landschap als hier. Weet je dat deze gronden de resten herbergen van de laatste IJstijd?’ ‘Ja, dat wist ik. Ik wist het nog van de tijd op de universiteit. Met geologie,’ antwoordt ze. ‘Het weer verandert altijd, een vaste schommeling tussen warmere en koudere tijden vindt continue plaats. Hier lag vroeger een dik pak ijs. De aarde

133

warmt in onze tijd op. De grafiek loopt omhoog en over enige tijd weer omlaag. Zo is het ritme van de natuur. Momenteel warmt de aarde in een veel te snel tempo op. Dat baart mij veel zorgen.’ ‘Mij ook,’ zeg ik. ‘Hoewel ik veel berichten zie als stemmingmakerij, om zo de angst bij de bevolking er in te houden. Zodat je ze in toom kunt houden. Volgens mij komt de ijstijd er weer aan en...’ ‘De mens gooit er nog eens een extra schepje op,’ onderbreekt ze mij, alsof ze niet heeft gehoord wat ik zojuist zei. ‘Al die uitlaatgassen zijn niet goed. Door het kappen van onze regenwouden komt het dat de temperatuur veel sneller stijgt dan gebruikelijk. Zij zijn de longen van de aarde, net als de oceaan het is en die vist de mens ook al leeg.’ Ze slaakt een diepe zucht, ontwijkt een andere fietser en vervolgt: ‘Ook is het zo dat er een verplaatsing plaatsvindt van het magnetische veld van de Noordpool. Die verschuift van Canada richting Siberië. Dat moeten wij niet vergeten in onze overpeinzingen over de opwarming,’ somt ze op. ‘Straks zijn de ijskappen gesmolten en is er nooit meer sneeuw. Dat kan toch niet?’ Ik knik haar toe. ‘De aardas is in 1997 of daaromtrent iets verschoven, zo heb ik eens gelezen. De planeet staat tegenwoordig in een andere hoek ten opzichte van de zon en in minder dan tien jaar, op 21 december 2012, staat de aarde in een lijn met de zon en het middelpunt van de Melkweg. Wie weet heeft dat wel invloed op de temperatuur op de aarde.’ ‘Wat? In een lijn met de zon en het centrum van de Melkweg? In 2012?’ ‘Zeker,’ antwoord ik. ‘Een veld van fotonen zal de aarde overstromen. Het einde van het tijdperk van de duisternis, de Kali Yuga, is op komst. Vanaf eind 2012 begint het tijdperk van de waarheid, de Kali Satya. Volgens de Maya cultuur staan wij dan op een lijn met de Hunab K’u, de baarmoeder, de navel, het centrum van de Melkweg. Dat komt eens in de

134

26.000 jaar voor, zo voorspelden ze. Wie weet en is er een verband tussen dit en het klimaat.’ ‘Er gaat toch niets ergs gebeuren in 2012? Nee toch?’ ‘Nee, alleen maar positieve dagen. De mensheid zal oplichten. Het zal mij niet verwonderen als er een spectaculair visueel gebeuren aan het firmament verschijnt.’ ‘De toekomst ligt in zonne-energie als natuurlijke bron. Niet in kernenergie en het verbranden vol fossiele brandstoffen,’ zegt Eva. ‘Windmolens, getijdenwerking, rivierstromen en geisers,’ lach ik. ‘Voor de warmwatervoorziening. Grote zeilboten die profiteren van de winden. Meer fietsen. Minder auto’s. Meer groen en minder parkeerplaatsen. Consuminderen in plaats van consumeren.’ Ik vraag aan haar hoe ze het vindt, zo vanaf de fiets door het lage land terwijl de zon in zeer heldere tinten schijnt. Ik wijk uit voor een toeterende auto. ‘Dit is zo romantisch. Het Hollandse landschap is echt apart. De grond is zacht en het ziet er lieflijk uit. Het is zo klein en knus. En ik vind het uitzicht echt bijzonder. Al dat blauw. Het water, de lucht en die dunne streep. Je ziet het daar zo goed. Alsof wij over het water fietsen.’ Ze wijst naar de verte waar de dijk een bocht naar rechts maakt; een dunne donkergroene streep tussen het blauw. Over het water scheren enkele zeilboten; een tjalk, een catamaran en een paar kleine valken. Zoef... zo zingen de banden. Ik steek mijn hand uit naar links. Het IJsselmeer laten wij rechts liggen en wij draaien westwaarts via achter Twiske naar Ransdorp, een puur Hollands dorpje midden in de polder dat alleen te bereiken is via smalle wegen en lage dijken. Wij genieten van het uitzicht, de groene pracht van het landschap, de kronkelige wegen die leiden naar het in rust gelegen buitengebied. ‘Daar verder is Holysloot, Broek in Waterland – Pants in

135

WaterCountry – en daar ligt Marken,’ zo wijs ik haar toe. ‘Marken ligt midden in het meer, omgeven door water, slechts bereikbaar over een strekdam. Jammer dat je zo kort hier bent, anders hadden wij er naar toe kunnen fietsen, want dat is Holland in optima forma. Maar er is te weinig tijd. Laten wij hier afslaan.’ ‘OK,’ straalt ze en ze geeft de fiets de sporen. Ze vliegt voor mij langs en ik volg, kleef met mijn wiel achter het spatbord van haar fiets. ‘Net een Mercedes Benz,’ roept ze uit. ‘En ik een Aston Martin.’ Zunderdorp bereiken wij kort later en via Buikslotermeerpark en Nieuwendam steken wij dwars door Amsterdam-Noord, door het Florapark naar de ingang van het Noord-Hollandse kanaal aan het IJ. Wij nemen de pont over de oude zeehaven van de stad en fietsen om het Centraal Station heen. Via het Damrak en de Dam komen wij weer uit bij de Amstel en volgen deze tot op de Magere Brug. Wij stoppen voor enkele minuten en kijken uit over de rivier richting Carré en Amstel hotel. Tijdens het fietsen door de Amsterdamse binnenstad vertel ik aan haar het een en het ander, wat waar te doen is, de geschiedenis van de gebouwen en de buurten. Wij fietsen door langs het Amstelveld, door de Kerkstraat, de Nieuwe Spiegelstraat, het Rijksmuseum ligt daar zo wijs ik, langs poptempel Paradiso, over het Max Euweplein, terug naar het Vondelpark. Hoewel ze niet vaak fietst, heeft ze geen angst in het drukke verkeer en fietst ze als een volleerde acrobaat door de stad en ik doe zo af en toe een kunstje door op het zadel te liggen en de armen uit te strekken. ‘Zonder handen.’ Met mijn lippen over en om mijn tanden gebogen, de handen los: ‘Fonder ptanden,’ maar dat laatste is niet waar. Ze lacht. Mon dieu, wat voelen wij ons gelukkig. In het Vondelpark stoppen wij bij de vijver vlakbij stadsdeel-

136

kantoor Zuid, zetten de fietsen tegen een eikenboom, sluiten deze af en puffen uit van deze tour de force door en rondom de stad. Onder de schaduw van de boom rusten wij uit aan het water. Wij hebben zo-even sinaasappelsap en twee bruine stokbroodjes met wat gezond groen gekocht. Ze opent haar mond om een hapje te nemen en voordat ze hapt, zegt ze iets, maar tijdens haar woorden vliegt er een helikopter over. Zijn wieken lijken op zaadjes die uit een boom vallen, van die wentelwiekende zaadjes, waarvan de echte naam mij maar niet te binnen wil schieten. Het oorverdovende geluid van de helikopter beneemt mij de mogelijkheid om op haar opmerking te reageren. ‘...Help jezelf en ben goed voor de mensen,’ vervolgt ze met een dromerige blik. Liefde in haar ogen. Ze is opnieuw in mijn leven opgedoken. Ik weet niet wat haar vandaag bezield om plotseling voor mij te staan, of eigenlijk ook weer wel en soms somt ze van die pseudo filosofische opmerkingen waar ik helemaal niets mee kan, maar die mij des te meer integreren. Daarom zijn wij samen tot in de eeuwigheid. Amen. De blauwe lucht vult. Wij genieten met ogen open wijd en proosten al kauwend stil tot enkele parkieten die overvliegen. Andere vogels als de zanglijster, de huismus en merels fluiten met muzikale kopjes. De bomen kleuren in verschillende herfsttinten, rood, geel, oranje. ‘Een vrouw vol verrassingen ben je, na je laatste brief in de vroege zomer, na je nee, heb ik geprobeerd om emotioneel afstand van je te nemen en vanmiddag nog, nog geen half uur voordat je kwam, dacht ik nu moet ik haar definitief laten gaan... Voor de laatste, de allerlaatste keer lees ik je laatste email, zo dacht ik voordat je zojuist opdook.’ Ik zucht, kijk in haar ogen en streel haar haren. ‘Je bent er mij eentje. Waar moeten wij beginnen? Vertel mij... Hoe is het met je?’ Ze zwijgt voor enkele ogenblikken. Ze kijkt treurig en pinkt

137

een traan weg. Ik pak haar handen vast en streel ze om haar te troosten. ‘Is het echt zo erg?’ Ze knikt. ‘Het is een ramp. Mijn man is er nooit, echt nooit! en ik werk zo hard dat ik mijn kinderen veel te weinig zie. Ik heb mijn prinsesje alweer tien weken niet gezien. Hij houdt haar weg van mij. Ze is zoals altijd bij zijn moeder en mijn zoon is bij mijn moeder. Mijn huwelijk is een grote mislukking. Het is ook nooit anders geweest. Ik had hem niet moeten vertrouwen en trouwen al helemaal niet. Dat ik het al die jaren volgehouden heb met die vent.’ Ze draait aan haar trouwring, rond en rond, ze trekt haar mondhoeken met een misbarende beweging omhoog, net zoals ze met haar ring doet. Ze trekt deze ruw van haar vinger. Vertrouwen en trouwen, twee woorden zo dicht bij elkaar, zoveel duiding samen. Ze kijkt vol afschuw naar de ring en doet alsof ze deze weg wilt gooien in het water van de vijver. Ongeluk spreekt uit haar ogen. Ze lacht als een boerin met kiespijn. Haar hand neem ik vast; de ring neem ik over. De ring die haar voor eeuwig aan haar man heeft verbonden ligt in mijn hand en ik gooi hem omhoog, hij wentelt door de lucht en ik vang hem op, gooi de ring weer omhoog, vang hem nogmaals op en doe alsof ik hem ver weg gooi, het water in, met een verborgen beweging leg ik de ring in het gras. Een steentje werp ik tegelijkertijd in het water met een plons. Ze denkt dat ik haar trouwring in het water heb gegooid en ze kijkt mij aan, de ogen wijd opengesperd in verwarring. De ring van water breidt zich uit; wordt voortbewogen door het begin van de ruimte-tijd verplaatsing in het water. Wat zal het zijn als ik thuis kom? en de ring is er niet?, wat moet ik zeggen?, verloren in de wind?, ik waste mijn handen en had de ring op de rand gelegd van het wasbekken en ineens viel de ring door de gootsteen en was weg. Ik had de ring ’s nachts op het nachtkastje van het hotel gelegd en ’s

138

ochtends was ’ie verdwenen, God weet waar en hoe het gebeurd is, zijn de gedachten die door haar hoofd spoken terwijl ik denk. Koortsachtig probeer ik een antwoord voor ons dilemma te vinden. Kon ik de tijd maar uit de ruimte halen, deze terugdraaien naar de jaren voorheen, had ik maar de macht om alle fouten, de mijne, de hare, terug te draaien, denk ik. Ik glim en lach want dat maakt geen zin, dat brengt niets en daar krijg ik haar niet mee terug. De belangrijkste les is dat je altijd verder gaat de toekomst tegemoet, altijd is er de een of andere weg te bewandelen. Van de ring onder mijn been krijg ik het warm. Een botje van een gevleugeld dier ligt in het gras. Ik pak het op en gooi het botje het water in. Ik trek een grashalm uit de grond en stop het in mijn mond, kijk in haar ogen en ze lacht mij toe. Ze schudt haar haren los en ik denk dat ik haar eeuwige trouw wil beloven, hoe graag ik deze woorden tegen haar wil uitspreken, waarom heb ik deze woorden niet eerder gezegd? Ben ik niet eerder in actie gekomen? Waarom was ik eerst zo voorzichtig? Een kort leven is voorbij gegaan... Mijn lief, waarom spraken wij deze woorden niet? Waarom hebben wij ze nooit tegen elkaar uitgesproken? Het rietje neem ik uit de mond en ze kijkt mij aandachtig aan. Vol vervoering kruisen onze ogen elkaar in het Vondelpark, ze houden elkaar vast, de vele dromen, de hoop en de pijn, de liefde van vele jaren. Ik stop een paasei in haar mond en ik raak haar lippen aan met mijn vingers. Ze tilt haar vingers naar mijn mond. ‘Zit je te dromen? Adam, wat heb je met de ring gedaan, heb je de ring weggegooid?’ ‘Nee, no worries, ik maakte slechts een grapje. Dat ding is niet van mij. Zal ik hem weggooien?’ ‘Eh, nee, doe toch maar niet. Vandaag niet. Een andere keer,’ antwoordt ze peinzend. ‘Ik schrok mij een hoedje. Geef maar hier dat ding.’ Vanonder mijn rechterbeen neem ik haar ring en schuif de-

139

ze terug om haar vinger. Onwezenlijk gevoel, bijna onbevattelijk dat ik zijn ring om haar vinger schuif. Ik kan het toch niet veranderen, ze zal eerst zelf een besluit moeten nemen en met haar man de strijd aan moeten gaan. Als haar keuze echt de verkeerde was en voor mij kiest, dan zal ze stappen moeten nemen. Pas dan, pas dan... ‘Was ik maar nooit met hem getrouwd. Hij heeft een gruwelijke hekel aan mijn zoontje, hij wil hem echt nooit zien, hij wil niets met hem te maken hebben. En zijn meisje is alles voor hem. Alsof ze er alleen voor hem is. Ik zal hem krijgen, ik zal zijn wil breken,’ zegt ze giftig en sissend als een slang. Ze kijkt met tegenzin naar de ring die weer om haar vinger zit. ‘Heb je foto’s van je kinderen meegenomen?’ ‘Nee Adam. Die liggen allemaal thuis.’ ‘Wat jammer nou. Maar het is toch wel goed met ze?’ ‘Ja, dat wel. Ze zijn kerngezond. Alleen zie ik ze veel te weinig. Hun oma’s zorgen meestal voor ze. Het komende weekeinde zie ik Evgeniya eindelijk weer,’ zo maakt ze met een zucht bekend. ‘Je weet niet hoe ik naar haar verlang.’ ‘Zo ongeveer als ik naar jou verlang?,’ antwoord ik met een lach, nu mijn verlangen naar haar beantwoord is. ‘Wat kan ik voor je betekenen? Wat zullen wij doen? Er is bijna geen tijd meer, het is ruim over vijf uur en je moet de trein binnen anderhalf uur halen, anders kom je te laat op de bespreking in Brussel. Je weet ik wil bij je zijn, als je beste vriend voor je leven, maar ik kan niet van je man weggaan en ik vind dat je altijd eerst voor je kinderen dient te kiezen; zij zijn het belangrijkst.’ Ik draai van mijn zij, steun met de ellebogen in het gras, ondersteun mijn hoofd en kijk haar aan. ‘Wij moeten er vandoor,’ zegt ze met een laatste hap van haar broodje en slok van de jus d’orange. ‘Ik heb rond Kerstmis een paar weken vrij. Laten wij proberen om dan bij elkaar te komen en om verdere stappen te nemen. Ik ga weg bij mijn man, ik wil weg bij mijn man, de kinderen zijn van

140

mij, ik heb ze het leven gegeven en wij gaan er vandoor. Hoe, dat weet ik nog niet, maar ik verzin wel iets. Zodra ik iets wil, zal het gebeuren. Mijn wil is wet. Kom, laten wij gaan. Het is tijd.’ Ze kijkt haastig op haar horloge en haalt diep adem. Door de wind gedragen hoor ik een tuinfluiter oproepen tot opstaan, zo doen wij en wij fietsen terug naar mijn huis aan de rand van het park. Met de auto breng ik haar naar het Centraal Station en ik laat haar uit aan de achterzijde langs het IJ. Op het donkere water van het IJ drijft een groot passagiersschip verlicht en statig voorbij, op weg naar de Noordzee. ‘Ik ben toch niets vergeten, is het?’ Ze kijkt voor alle zekerheid of ze alles bij zich heeft, haar paspoort, sleutels; zo tast ze ook naar haar ring. Tussen alle verkeersdrukte en het lawaai in omhelzen wij elkaar. Ik kus haar op de mond, tien, elf, twaalf keer. ‘Tot ziens mijn hart, een goede reis en veel succes met je zaken vanavond. Ik schrijf je snel en tot Kerstmis of ergens rond de jaarwisseling. Ik zal zorgen voor een bijzondere reis, een vlucht vooruit van een paar weken, zodat wij onze toekomst goed door kunnen spreken en spijkers met koppen kunnen slaan. Zorg goed voor jezelf, wil je? Dag, dag...’ ‘Ja, dat is goed. Schrijf mij een e-mail en ik laat je wel weten wat het beste kan. Dag... dag... Ik hou van je.’ ‘Ik ook van jou,’ stem ik haar al knikkend toe. ‘Echt een grote verrassing. Ik kan het nog steeds niet geloven.’ Ze laat los, ik haar en ze kijkt mij verwachtingsvol aan. Ze loopt weg en twintig meter verder draait ze zich nog een keer om. Ze zwaait en lacht mij toe. Ik zwaai en lach terug; doe de duimen omhoog “komt allemaal in orde”, ze draait zich om en verdwijnt door de schuifdeuren van het Centraal Station. Ik loop terug naar de auto, stap in, keer door de verkeersdrukte voorzichtig om en rij peinzend huiswaarts. Hoe moet ik dit voor elkaar krijgen?, spookt het door mijn hoofd. Hoe

141

krijg ik dit voor elkaar? Haar handen zijn gebonden, de mijne zijn vrij. De ring om haar vinger is niet de mijne. Doe als Gautama en ga van de weg. Blijf zitten. In haar schreden dien ik te volgen, in ons hart ligt de weg. Om haar vinger ligt het antwoord. In haar schoonmoeders huis haar dochter. Op het moment dat Eva in de trein stapt, kijkt in St. Petersburg Evgeniya verveeld op van een magazine, rekt zich uit en rolt op haar zij, stapt op van haar bed. Ze doet de kinderhouding, daarna de staande tang, de berghouding, de zonnegroet en de wassende maan. Ze blijft die avond thuis. Met een vriendinnetje doet ze haar huiswerk. Daniil zit tien kilometer verderop bij zijn grootmoeder en lepelt uit een kom groentesoep, loopt de keuken uit naar de badkamer, poetst zijn tanden en vertrekt naar het centrum van de stad. Hij gaat eerst naar een galerie en daarna naar een bioscoop. Eva ziet de contouren van Amsterdam in het grijs en blauw verdwijnen en is onderweg naar Brussel. Thuis gekomen draai ik de sleutel om, open de voordeur en ga naar binnen.

142

XII
Uit het haar van de Aardgodin druppelt het water van de deugd. Zwijgzaam aanschouw ik deze wandschildering – een Thaise fresco – in de tempel van Boeddha; de Ubosoth ligt centraal in het complex van gebouwen die deel uitmaken van het paleis van koning Rama IX – Bhumibol – van Thailand. Langzaam loop ik op mijn blote voeten door de zaal waar eenieder het beeld van de smaragden Boeddha bewonderd. Het beeld staat hoog, enkele meters onder het door rode balken ondersteunde houten dak. De tempel is overwegend goudkleurig en zowel links als rechts staat een groot gouden beeld; deze beelden zijn toegewijd aan koning Rama I en Rama II. Zij gelijken de Boeddha van compassie, de dharma (het juiste leven), de sangha (de gemeenschap). Ik ga in een lotushouding op het tapijt zitten. Heer Boeddha, spreek ik tot mijzelf, niet wetende of ik het in stilzwijgende meditatie moet doen, of dat ik mijn innerlijk mag richten op het wenselijke; hem toespreken. Ik besluit voor het laatste. Laat uw licht op ons schijnen. Mag uw hart vervuld zijn van vreugde. Mijn hart is vol vreugde voor u, voor uw aanschijn ben ik vandaag verschenen. Deze lange reis heeft mij tot u gevoerd, oh wijze man, bij Toetatis, Jupiter, Zeus. Bij Ptah, Jehova, Grote Manitoe, God, Allah en wie des meer zij. Tot u allen bid ik, oh waardige Boeddha en vandaag ben ik in uw menselijke huis. Dat bevalt mij wel. Een menselijk huis. Laat uw vrede over ons komen. Geef eenieder liefde, voor alle levende wezens op aarde. Vooral aan de dieren, de kinderen, de armen. U bent een licht voor mij, uw offers zijn vol mededogen en compassie, u schijnt als de helderste ster, u ziet meer dan het oog vermoeden kan. Ik kijk op en om mij heen. De zaal zit vol met mediterende mensen. Allen zijn in devotie voor het leven en de lessen van Gautama, Siddharta. Ik verdwijn weer in het gebed. Beste

143

Siddharta, het is wat. Hier voor uw aanschijn ben ik verschenen en ik mag het graag zeggen: het is mij een eer. U bent wijs, beste Boeddha, van uw lessen heb ik veel geleerd. Echt boedie, je bent een toffe peer, zoals jij zijn er maar weinigen. Wie geeft er heden ten dage alles op om andere ten dienste te zijn, een prins nog wel. Dat zie ik ze in ons koningshuis niet zo snel doen, maar dat terzijde. Ik wil u om een gunst vragen, niet voor mij persoonlijk, maar voor andere mensen. Ik heb het goed, met mij gaat het goed, u hoeft voor mij niet iets te betekenen. Maar wel voor anderen. Laat de oorlogen stoppen. Geef de mens vrede op en met de aarde. Ik weet u bent vrede, u heeft de verlichting gevonden, dus het is dom dit te vragen, toch wil ik graag dat de mens zijn vrede terugvindt, dat hij inziet dat hij op de aarde thuishoort, dat deze aarde zijn woning in zijn universum is. Geef mijn vrienden warmte, mijn familie, geef ons gezang in plaats van geschreeuw. Om mani padme hum. Om mani padme hum – Groet aan de juweel in de lotus. En nu zal ik stil worden en zal ik u in hoogste eerbied aanbidden. Na dertig minuten beëindig ik de stilte en sta langzaam op, draai mij rechtsom en begeef mij naar de uitgang van de tempel, ga de drempel over, sla linksaf, grijp mijn schoenen en slenter langs het gebouw aan de lange rechterzijde alwaar ik de vergulde Garuda’s stuk voor stuk aan een onderzoek onderwerp. Na twee keren linksaf en tientallen beelden verder, sta ik halverwege stil en bekijk het werk van een man die een van de Garuda beelden, het rijdier voor de God Vishnu, aan het bijtippen is met goudverf. ‘Hallo,’ zeg ik tegen hem in het Japans. ‘Goedendag.’ ‘Goedendag,’ antwoordt hij verbaasd. ‘U praat Japans!’ ‘Nauwelijks. Het blijft bij deze twee woorden.’ ‘Wat jammer. Ik had graag met u Japans gesproken.’ ‘Sorry, het is niet anders. Spreekt u Nederlands? Nee? Ziet u wel, wij spreken elkaars talen niet, maar uw Engels is voortreffelijk.’

144

‘Dank.’ De restaurateur vertelt desgevraagd aan mij dat hij al vijf jaar werkt voor de koning van Thailand en iedere dag het gebouw controleert op oneffenheden in de gouden omhulling van het paleis. Hij komt uit Osaka, Japan en heeft een opleiding gevolgd tot restaurateur voor Boeddhistisch erfgoed. ‘U doet echt uitzonderlijk werk.’ ‘Dank.’ Een licht getoonde meisjesstem zingt in mijn oren. ‘Kunt u aan mij uitleggen wat hij doet?’ In haar ogen weerspiegelt de kosmos. Sterk, vastberaden, zachtaardiger dan dons, een zee van spiegels. Haar lach straalt als de zon, haar gezicht is porseleinen wit, de lippen rood, haar schouders tenger. Ze draagt een lichtgroene zijden jurk. Ik draai mij helemaal om, nadat ik haar eerst over mijn linkerschouder had aangekeken. ‘Kijk,’ wijs ik naar de Japanse restaurateur. ‘Hij stipt met gouden verf de Garuda’s van de tempel bij. Ik was zojuist zijn vakkundige werk aan het bewonderen.’ Het meisje kijkt om mij heen en zwaait naar de Japanner. ‘Hallo! Het werk dat u doet is erg interessant.’ ‘Dank u wel, dank u wel,’ zegt de Japanner en hij knipt haar toe als een mes. ‘Hoe noem jij je?,’ vraag ik aan haar. ‘Eva.’ Violen in mijn oren en in mijn hoofd. ‘Eva hoe?’ ‘Eva Evangelista.’ Een koor van violen, vloeiend, opgewekt en vlug. Ze heeft de lichte stem van een engel. ‘En u? Hoe noemt u zich?’ ‘Adam.’ ‘Adam hoe?’ ‘Adam Adams.’ Wij lachen elkaar toe. ‘U heet Adam! En ik heet Eva! Als dat geen toeval is!’

145

‘Eva, dat vind ik een hele mooie naam. Ik weet niet waarom, maar uw naam laat mij altijd aan de lente denken,’ zeg ik en ik reik haar mijn hand. ‘Aangenaam. Het is een groot genoegen om met u kennis te maken.’ Ik knik haar bevestigend toe. ‘Werkelijk zeer genoegzaam.’ ‘Het genoegen is geheel wederzijds mijnheer Adams.’ Ze knikt met haar rechterknie en haar hoofd rechts opzij. ‘U hoeft niet te mijnheren hoor. Noem mij gewoon Adam, noem ik u Eva. Zoals het hoort.’ (Meerstemmig koor.) ‘Dat zal ik doen Adam.’ Ze giechelt. ‘Leuk hier hè? U bent hier zeker ook op vakantie. Is het niet?’ ‘Ja, een soort van vakantie. Ik ben nog een kleine week in Thailand, onderweg naar het noorden voor nog een paar dagen in de jungle. Chiang Mai, via Ayutthaya. Die kant op,’ wijs ik naar het noorden. ‘En u? U bent onderweg naar een andere plaats? Of is Bangkok het eindpunt van uw reis?’ ‘Ja, fijn is het hier, hè? Ik ben gisteren aangekomen en dit zijn mijn eerste uren in Bangkok, op mijn nachtrust na dan. Ik heb precies een week vakantie en ik vertrek morgen naar het zuiden, precies tegenovergesteld de uwe.’ ‘Dat is jammer. Maar in ieder geval...’ Ik bekijk haar aandachtiger. Ze is echt aantrekkelijk en ik voel alsof de tijd stilstaat, in een oogwenk wordt mij duidelijk dat de reis die ik de laatste maanden ondernomen heb naar haar leiden zou, een rendez-vous moment, maar ik heb haar nooit eerder gezien. Ze is verbluffend; het warme weer en haar aanblik vullen mijn kopje. ‘En? Wat doet u vandaag? Bent u net aangekomen bij het paleis?’ ‘Ja, ik ben hier een uur denk ik zo,’ zeg ik terwijl ik op mijn horloge kijk. ‘Ja, klopt, een uur en een half precies. Ik wil hier nog wel verder rondkijken. ’t Is een erg groot complex met veel verschillende gebouwen.’ ‘Vindt u het leuk als wij een stukje samen rondlopen?’ Ik knik en zeg: ‘Ja.’

146

Wij nemen afscheid van de Japanse restaurateur. ‘Goodbye!’ Ik geef hem een hand en groet met de handen voor mijn borst. Eva groet de man eveneens een goedendag. Wij draaien ons om en lopen naar de muur die het terrein van het Koninklijk Paleis omringd. ‘Waar kom jij vandaan Eva? Ik mag toch wel jouwen, is het niet?’ ‘Natuurlijk. Ik kom uit Leningrad, Rusland.’ ‘Werkelijk?’ Vandaar dat ze zo’n leliewitte huid heeft. ‘En jij? Waar kom jij uit Adam?’ ‘Uit A’dam. Amsterdam, Nederland.’ ‘Oh?’ Ze lacht mij toe. ‘Dat is een fraaie stad, toch?’ ‘Zeker, net als Leningrad volgens mij. Ik ben nog nooit in Leningrad geweest, maar ik heb eens enkele foto’s gezien en ik ken zijn geschiedenis. Dat Peter de Grote ooit in Amsterdam heeft geleefd en gewerkt. Niet echt lang dacht ik zo, maar hij heeft zich bij de bouw van zijn stad laten inspireren door Amsterdam is het niet?’ ‘Jazeker. Dat jij dat allemaal weet.’ ‘Hoezo? Dat is toch niets bijzonders?’ ‘Nou, ik weet niets over Amsterdam, behalve dat Peter de Grote er ooit is geweest. En een paar foto’s ook.’ ‘Weet jij net zoveel over Amsterdam als ik over Leningrad weet. Mijn kennis is dus niet zo buitengewoon.’ ‘En nu? Hoe ben je hier gekomen?’ ‘Je spreekt goed Engels, je uitspraak is met een licht en zacht accent. Dat maakt je spraak zeer charmant. En jij bent...’ ‘Een wat? Wat ben ik?’ ‘Het is alsof ik je ergens van ken. Dat zou normaal gesproken een cliché uit een introductie zijn, maar jij...’ ‘Ik wat?’ ‘Je bent een licht, net een beschermengel van deze tempel.’ ‘Oh?’ Ze bloost. ‘Dank je wel... Je brengt mij in verlegenheid.’ Ze kijkt naar de grond. ‘Sorry. Ik wil je niet in verlegenheid brengen. Ik mag niet

147

zo direct tegen je zijn. Het spijt mij,’ zeg ik zachtjes. ‘Ik ben alleen blij dat ik je ontmoet heb. Hoe kort ik je nog maar ken. Je lijkt mij een leuke meid,’ zeg ik met een understatement, want ik ben door de bliksem getroffen en mijn hart staat in vuur en vlam. Liefde op het eerste gezicht. ‘Weet je, ik heb de afgelopen maanden tijdens mijn reis heel veel mensen ontmoet en jij bent het leukste meisje dat ik ben tegengekomen.’ Ze kijkt verlegen, met een oogopslag. ‘Weet je, ik moet je tevens iets bekennen. Ik zag je zojuist binnen in de tempel mediteren en ik wist meteen dat ik je wilde leren kennen, dus heb ik je gevolgd toen je de tempel verliet. Ik ben blij dat wij met elkaar kennis maken.’ ‘Werkelijk?,’ antwoord ik verrast. ‘Ha ha ha. Leuk. Echt leuk.’ Zo verlegen is ze kennelijk niet. Ze grijpt mij plotseling bij de rechterhand vast en trekt mij verrast mee tot om de hoek van de Ubosoth. ‘Kom, kom, maak een foto van mij. Hier, hier! Als je mij fotografeert...’ Ze geeft aan mij haar fototoestel en wijst naar de trap aan de achterkant van de tempel. ‘Wil je hier een foto van mij maken?’ Ik neem het toestel van haar over. Eva poseert met bewapende wachters op de achtergrond die in het hout van de tempeldeuren tot leven zijn gekomen. Klik en ik draai de film door. Klik. Ze kijkt met een stralende glimlach naar het oog van de camera en ik bekijk haar van deze zijde. Ze is een natuurlijke schoonheid en ik voel mij licht in mijn hoofd, het duizelt en het kringelt naar beneden zo mijn maag in. Mijn maag wordt warm van binnen en de temperatuur van mijn bloed stijgt met enkele graden. Ik neem nog een foto, ze zit op haar hurken, zo zie ik. Klik. Ik wil aan haar het toestel teruggeven. ‘Je bent nog lang niet klaar hoor! Ook van daar wil ik een foto en bij de stupa’s mag je een paar foto’s nemen. Kijk daar die gouden beelden, half vrouw, half vogel, ze gelijken echte wezens. Daar mag je ook een paar foto’s van mij maken.’

148

‘Dat is goed. Ik neem er wel een aantal van je. Vertel eens Eva, wat zijn je plannen voor je vakantie? Ik ben echt heel erg benieuwd.’ ‘Later vertel ik je alles. Eerst de fotograaf spelen, beste Adam. Please?’ Ze rent weg; van mij naar de beelden van de Kinaree, half vrouw, half vogel. Ze springt er een van vreugde bijna in de armen. Wat een levenslustige jonge vrouw. Hoe oud zou ze eigenlijk zijn? Het is de eerste keer dat ik met een Russische vrouw spreek. Die ben ik nog nooit eerder tegen gekomen. Wie heeft er alweer de leiding daar? Hoe heet hij? Ach ja Brezhnev. Brommende oude beer, maar niet zo’n idioot als Stalin of toch? Ik heb echt geen flauw idee... Of nee, daar is de laatste tijd de een na ander de pijpenlade ingegaan, hoe zat het alweer? Chernenko of zo en nu is het eh... die vlek... Gorbatsjov. Ja die. Dacht dat al die Russische meiden totaal in de doof dom en blind wereld leven en tevens zo zijn. Blijkbaar niet, zij is totaal open, dat zie je meteen, wat een stralende meid en ik zie haar een tiental meters verder ronddraaien, in een vloeiende dans beweegt ze over het podium dat het Koninklijk Paleis van Thailand heet. Hoe kan het zijn dat je iemand voor het eerst tegenkomt en je weet in een ademzucht dat dit hele leven, mijn hele leven, haar hele leven, dat alle wegen die wij afgelegd hebben, zij in het Russische en ik in het Hollandse, dat die twee wegen kruisen en het voelt alsof het zo moet zijn; twee onzichtbare draden die de toekomst wijzen en die elkaar kruisen in een spinnenweb, de poppenspeler die de draden bespeelt en ze zodanig beweegt dat ze bij elkaar worden gebracht, zonder dat ze weten dat ze bewogen worden door zijn wil. Alle lijnen en cirkels... een mysterie. Ik balanceer over de dun gesponnen spinnendraad naar haar toe en ze neemt mij bij de hand, zacht en krachtig. ‘Kom bij mij,’ zegt ze. ‘Kun je hier nog een foto van mij

149

maken?’ Ik maak weer enkele foto’s van haar. Ze staat naast de stupa die omringd wordt door standbeelden van demonen en apen en ze imiteert de demon en de aap door haar handpalmen omhoog te houden. Klik. Klik doet het fototoestel en ik geef deze uiteindelijk aan haar terug. ‘Maak even een foto van mij.’ Ik geef haar mijn toestel. Ze neemt een paar foto’s waarop ik, zoals zij deed, de houdingen van de demon en de aap imiteer. Ze geeft de camera retour. ‘Goed toestel,’ zegt ze. ‘Heb ik aan het begin van mijn reis gekocht. Nikons zijn hier stukken goedkoper dan in Amsterdam.’ Ze lacht en rent opnieuw van mij vandaan en plotseling is ze uit het zicht verdwenen, de hoek om in het doolhof van gebouwen, trappen en gangen van het Koninklijke Paleis. Ik loop in de richting van waar ze is heengegaan: ‘Eva! Eva...’ Maar ik zie haar niet meer, geen antwoord en ik loop de trap af, ga rechts een andere trap op, links en een trap naar boven, een naar beneden. Rond de stupa’s draai ik en ik loop nogmaals om de Ubosoth heen, sta even stil bij de klokkentoren en keer terug naar de plek waar ik de laatste foto heb gemaakt, maar daar is ze niet meer. Weer loop ik de trap af en een naar boven, rondom voor de tweede keer, maar het is zonder enig resultaat. Ze lijkt van de aardbodem verdwenen. Onze kennismaking is van korte duur. Zo gaat dat op reis. Je ontmoet allerlei mensen en vaak te kort om elkaar beter te leren kennen en mijn God: wat een prachtig en energiek meisje. Zo kom je ze zelden tegen en ik nooit eerder. Is dat even balen. Teleurgesteld loop ik naar de galerieën die het complex omheinen, waar het verhaal van de Ramayana, het Indische heldenepos, in tientallen wandschilderingen wordt uitgebeeld. De fresco’s zijn adembenemend en van een kwaliteit die de

150

fresco’s uit de Italiaanse Renaissance overstijgen. Nooit gedacht dat de schilders die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van deze fresco’s kunnen wedijveren met Italiaanse meesters als Giotto en Raphael. Ze zijn een stuk beter bewaard dan ik het in Padua, Florence en Siena heb mogen aanschouwen. Stomverbaasd dat ik hier in het Verre Oosten zoveel schoonheid zie, loop ik over de galerie, meter na meter topkunst strekt zich voor mij uit en ik dool verder door de gangenstelsels van het uitgebreide complex, volg het verhaal van het heldenepos. Uiteindelijk keer ik terug naar de ingang van de Wat Phra Kaew. De draad kronkelt. Eva is in geen velden of wegen meer te bekennen en ik besluit om het terrein te verlaten en alleen verder te gaan. Buiten gekomen ga ik op een laag muurtje zitten en ik wacht af. Misschien heeft ze het complex nog niet verlaten en komt ze later hier langs, want ik zit slechts tien meter van de enige uitgang en wie weet is ze nog binnen. Hoe graag ik haar nog eens zou willen zien. Ik neem de kaart van Bangkok uit mijn kleine rugzak en bekijk waar ik zo meteen naar toe zal gaan. Het lijkt mij een goed idee om een rivierboot te nemen om zo de stad vanaf de Chao Praya rivier te aanschouwen en naar de beroemde drijvende markt van Bangkok te varen. Ik eet vers fruit dat ik heb meegenomen. ‘Hallo!’ Ik kijk op en zie Eva naar mij toe komen. Ze gaat naast mij zitten. ‘Waar was jij in een keer gebleven?,’ vraagt ze aan mij. ‘Ik? Ik heb je overal gezocht. Je was ineens weg,’ antwoord ik verbaasd. ‘Ik ben wel tien keer rondgelopen. Ik dacht dat ik je kwijt was geraakt en dat vond ik helemaal niet leuk.’ ‘En, heb je zin in wat fruit?’ Ik geef haar enkele stukje ananas. ‘Ik heb speciaal op jou gewacht, het kon niet missen dat je hier langs zou komen, of je had het complex eerder verlaten. Maar je bent er en ik ben blij dat ik je weer zie.’

151

‘Ik ook. Ik was echt teleurgesteld dat ik je niet meer zou zien. Ik heb echt overal gezocht! Gelukkig maar dat je op mij hebt gewacht.’ Ze neemt enkele stukjes ananas tot zich. ‘Heerlijk die verse ananas, er gaat niets boven vers fruit. En deze ananas... zo lekker heb ik ze nog nooit gegeten.’ ‘Je bent in de tropen waar fruit echt fruit is. Niet van het spul dat je thuis krijgt.’ ‘Wat ben je van plan vandaag?’ ‘Niet veel. Ik wilde eigenlijk alleen naar dit paleis en verder wil ik wat rondlopen door de stad en ik dacht zojuist dat het een goed idee is om met een boot over de rivier te varen.’ ‘Ben je al lang hier?’ ‘Ik ben eergisteren aangekomen in Bangkok, maar ik was hier enkele maanden geleden al voor twee dagen.’ ‘Werkelijk waar?’ ‘Ja, ik heb flink wat afgereisd de laatste tijd en het zit er bijna op. De tijd vliegt als je reist.’ ‘Kom, ga je met mij mee? Ik zie daar nog een aantal gebouwen die ik graag van dichtbij wil bekijken.’ Ze wijst naar de gebouwen die achter mij staan. Op de kaart van het complex zie ik de benamingen staan van de andere gebouwen; de Cakri-Mahaprasad Hal, de Paisal Taksin Hal, de Amarindra Vinichai Hal en de Dusit Hal. ‘Dat is een goed idee. Wil je nog een stukje fruit?’ ‘Heerlijk. Graag.’ Ze neemt enkele stukjes aan. ‘Dank je wel hoor.’ ‘En een slokje water?’ ‘Lekker.’ Ze neemt een slok water uit mijn veldfles. ‘Het is een prachtige dag, is het niet?’ ‘Het is fantastisch vandaag, een graad of 35 denk ik en je ziet het: geen wolkje aan de lucht.’ ‘En blijft dit zo, denk je?’ ‘Ik verwacht van wel. Het is hier bijna altijd goed weer, af en toe een tropische bui voor de afkoeling. Het regenseizoen is pas over enkele maanden, dus je hoeft je geen zorgen te

152

maken. Kom, gaan wij verder en bekijken wij de gebouwen die hier achter staan. OK?’ ‘OK.’ Wij staan op en Eva pakt mijn linkerhand stevig vast. ‘Kom!’ Haar hand voelt zacht en warm aan, ze passen precies in elkaar. Ik kijk haar aan en ik voel mij vertrouwd alsof ik haar al jarenlang ken en bij mij hoort. Ze is bijna net zo groot als ik het ben, heeft slimme blauwe ogen en lang golvend blond haar, haar groene jurk bevat een gebladerd patroon en ze draagt witte gymschoenen. Ze is totaal anders als de Russische vrouwen die ik wel eens op foto’s heb gezien, maar ja, dat waren bijna altijd van die Babushka’s. Eva is daarentegen een schoonheid. Wij lopen naar de andere gebouwen en bewonderen de pracht en de praal van het Thaise hofleven. Het gaat zo te zien niet slecht met de koning en zijn hof. Zelden heb ik zoveel onverbloemde rijkdom gezien, het goud schatert ons toe, de meubels zijn van de duurste houtsoorten gemaakt, maar de wapenverzameling van de koning kan ons niet boeien. ‘Stomme klote wapens,’ zeg ik en ik sla de handen voor mijn mond. Ze schudt met haar vinger. ‘Geen vieze woorden, hè?’ Ze lacht me toe, waarmee ze aangeeft dat ze het niet erg vindt. ‘Stoute wapens,’ zeg ik. De Cakri-Mahaprasad Hal bevat onder andere wandtapijten van recepties die vervlogen koningen ontvingen toen ze bezoeken brachten aan koningin Victoria in Londen, van het bezoek van koning Narai aan Versailles tijdens Lodewijk de XIV, van koning Munkut’s receptie bij een Franse afgezant. Een ander wandtapijt verbeeldt de receptie die keizer Napoleon III in Fontainebleau gaf bij een andere koninklijke missie uit Thailand. Het is ruim over enen. Mijn maag knort om aan te geven dat het lunchtijd is.

153

‘Lijkt het je wat om ergens te gaan lunchen?,’ vraag ik aan haar. ‘Dat is een goed idee. Weet jij hier in de buurt een goed restaurant?’ ‘Ach, een goed restaurant? Nee, niet echt. Ik geef de voorkeur aan een eetstalletje langs de weg. Dat is minstens zo lekker en vele malen goedkoper dan een luxe restaurant of in een hotel. Kom, laten wij de koning en zijn gevolg voor wat het is. Ik moet sowieso nog terug naar mijn pension om van schoenen te wisselen. Deze zijn veel te warm voor vandaag.’ Ik wijs naar de dichte leren schoenen die ik draag. ‘Sandalen zijn een stuk gemakkelijker.’ Wij verlaten het terrein van het Koninklijk Paleis en lopen naar mijn pension dat enkele straten van Khaosan Road ligt. Bij het pension aangekomen vraag ik naar de sleutel en loop naar mijn kamer, zoek in de wandkast naar de sandalen en trek deze aan. ‘Zo wil ik graag overnachten,’ zegt ze. ‘Ik heb een reis geboekt voor een week met de daarbij behorende hotelketen, maar eigenlijk vind ik het veel en veel gezelliger in een pension.’ ‘Dit is een heel apart pension, zo kom je ze niet zo vaak tegen. Ik heb de afgelopen maanden in de meest luxueuze hotels geslapen en ook in de meest afzichtelijke krotten. De ene dag vijf sterren, luxe, luxe en de dag erna min tien sterren, inclusief ongedierte, stinkende toiletten en rottend afval voor de deur. Zo gaat dat als je reist,’ zeg ik met een knipoog. ‘Dit pension is gebouwd in klassiek Thaise stijl, met gekruld dak en volledig van hout.’ ‘Het is echt leuk hier. Eenvoudig en de entree ziet er heel erg gezellig en verzorgd uit. Zo knus.’ ‘Zoals ik al zei is dit het beste pension dat ik tot dusverre gehad heb. Zullen wij een hapje eten? Waar heb je trek in? Heb je al enig idee?’ De schoenen zijn verwisseld voor koele sandalen.

154

‘Ik weet het niet. Ik ben voor het eerst in Thailand en ik heb in mijn leven nog nooit Thais gegeten. Kun je mij iets aanbevelen?’ Ze kijkt verlekkerd op. ‘Tjee zeg, wat heb ik een honger.’ ‘Hier om de hoek zijn allerlei steegjes met winkels en eetstalletjes. Daar vinden wij vast een plekje voor een fijne lunch. Hup!’ Niet veel later zitten wij aan een kleine tafel naast een kok met een wok. Uit de kaart worden wij niets wijzer, want het schrift begrijpen wij voor geen meter. Het zij zo. ‘Wat wil je hebben? Zal ik iets voor je uitzoeken?’ ‘Doe maar iets. Het maakt mij niet zoveel uit. Als het maar lekker is. En liever vis in plaats van kip.’ ‘De Thaise keuken is verrukkelijk; er kan niets mis gaan.’ Ik wijs enkele gerechten aan. ‘Doe maar een vissoep met kokos, een kippensoep met kokos en daarna graag een rode curry met tofu en verse groenten en... Vind je garnalen lekker?’ Ze knikt van “ ja”. ‘En graag garnalen in groene curry,’ zeg ik tegen de kok en ik wijs de gerechten een voor een aan om zeker te zijn dat hij begrijpt wat wij willen eten. ‘En graag wat water,’ zegt ze. ‘En graag wat water,’ herhaal ik tegen de kok. In nog geen vijf minuten staan de gerechten en het water op tafel en beginnen wij aan de lunch. ‘Wow! Dit is echt waanzinnig lekker,’ zegt ze verrast. ‘Wat een fantastische soep.’ ‘Hier, neem een hapje van de kippensoep, van de Tom Kha Kai.’ Ik reik de lepel aan met de kippensoep. Ze nipt aan de soep. ‘Owowow, dit is fantastisch! Ik heb nog nooit zoiets lekkers gegeten. Wat een diversiteit aan kruiden en smaken. Ik ontdek de meest buitenissige smaaksensatie!’ Eva’s ogen stralen alsof ze een schat heeft gevonden, een explosie van genot. ‘Er gaat niets boven de Aziatische keuken,’ zeg ik. ‘OK, de

155

Turkse keuken is lekker, de Italiaanse keuken is overheerlijk, in Marokko weten ze wat lekker is, maar hier in Thailand, echt, ’t is ook voor mij iedere keer een sensatie, al heb ik de afgelopen maanden liters kippensoep gegeten. Het blijft lekker, dag in, dag uit.’ Ik geef aan haar een klein hapje van de rode curry. ‘Zo krijg je het nergens anders, niet in Amsterdam, niet in Leningrad.’ Ze neemt een hapje van de curry. ‘Ai,’ roept ze uit. ‘Dat is scherp.’ Ze neemt snel een slok van het water. ‘Kijk, er komt stoom uit mijn oren!’ Er komt niet alleen stoom uit haar oren; ook worden haar witte wangen rood, dieprood en er tekenen zich zweetdruppeltjes op haar voorhoofd af. ‘Je staat in brand. Ik bel de brandweer!’ Brand! Waar is de brandblusser?’ Ik zwaai naar de kok. Hij komt aangesneld met een extra flesje water. Ze spoelt haar mond en zegt: ‘Aiaiaiai, dat is even schrikken.’ Ze slikt nog een keer en dept haar voorhoofd met een servetje. ‘Je had mij wel mogen waarschuwen. Dat dit zo heet zou zijn had ik nooit gedacht. Ik had het kunnen weten, met al die pepers.’ Ze houdt de fles met water tegen haar wang en lacht. ‘Het is wat, mijn allereerste maaltijd in het buitenland.’ ‘Je allereerste keer in het buitenland?,’ lach ik. ‘Werkelijk?’ ‘Zeker. Wat dacht je?’ ‘Dat je al meer van de wereld zou hebben gezien, misschien?’ Ik haal mijn schouders op en pruil mijn lippen. ‘Wat mij betreft kan het van alles zijn. Ik ken je net, dus vertel maar eens over je reizen.’ ‘Nu, over al mijn reizen? Dat zijn er heel erg veel hoor,’ zegt ze terwijl ze de laatste restjes van de soep uit de kom lepelt. ‘Wat had ík een honger. Ik woon in een heel erg groot land. De Sovjet-Unie is verreweg het grootste land ter wereld en je kunt er maandenlang rondreizen. En het buitenland? Ach ja, dat komt wel zodra het makkelijker is om visa’s te krijgen, met name naar het Westen is het een vreselijk moeilijk gedoe,

156

bijna onmogelijk. Thailand viel gelukkig mee, met het visum tenminste, de rest moet ik nog zien.’ Ze begint voorzichtig te eten van de curry garnalen. ‘Mijn God, wat is dat scherp.’ Ik lach haar toe. ‘Gewoon voorzichtige hapjes en blussen met water. Dan komt het goed.’ ‘Vertel eens over jouw reis. Ik ben benieuwd.’ ‘Later. Laten wij eerst genieten van het eten.’ Ik neem een hapje van de rode curry. ‘Echt verrukkelijk.’ Een half uur later zijn wij beiden tevreden en voldaan van het eten. ‘Welkom Thailand! Als ik iedere dag zo lekker kan eten, ben ik bang dat ik zo’n tonnetje zou worden,’ gebaart ze, ‘en daar heb ik niet zo’n zin in.’ ‘Je hebt een prachtig figuur Eva. Je bent een hele aantrekkelijke vrouw. Vertel eens hoe dat kan.’ Ze krijgt opnieuw rode wangen, niet van het hete eten, maar van mijn complimentje en ze kijkt mij onzeker aan. ‘Echt waar? Vind je mij aantrekkelijk?’ ‘Je bent aantrekkelijk, ja. Ik vind je bijzonder. Misschien omdat ik niet zo vaak, wat zeg ik, nog nooit een Russische vrouw ben tegengekomen, maar nee, je bent oogstrelend.’ Ze strijkt door haar haren en ze neemt vervolgens lippenstift uit haar handtas. ‘Even bijwerken hoor!’ ‘Je mond is rode curry.’ ‘En net zo heet,’ zegt ze schalks. Ik vraag om de rekening, betaal het eten en geef de kok een extra dubbele fooi. ‘Het is een eetstalletje van niets, maar het eten was fantastisch.’ Hij verstaat mij toch niet en ik groet de kok op boeddhistische wijze. Eva doet hetzelfde. ‘Super.’ Wij lopen over Khaosan Road, de rugzak straat van Bangkok. Het wemelt hier van de hippies, travestieten, marktkraampjes, cafés, hoertjes, winkeltjes met oosterse kledij en snuisterijen, pensions voor een uur, restaurants. Fruitstallen etaleren exotische vruchten. Een vreemde mengelmoes van

157

allerlei culturen, hip, oud, jong, west, oost, zuid, noord, schilders die doeken op de straat beschilderen, stoffen van zijde. Toeterende tuk-tuks en fietstaxi’s die elkaar het leven zuur maken. Om de haverklap worden wij aangeklampt. Goedkoop! Goedkoop! U kopen mijnheer! Mevrouw? Alles goede kwaliteit. Cheap! Cheap! Kom binnen! Ze loopt de stalletjes na en koopt na enig wikken en wegen een wikkelrok van zijde. ‘Denk je dat dit mij staat?’ ‘Zeker. Ik weet zeker dat je lichaam perfect uitkomt in deze jurk. Het zal je fantastisch staan.’ ‘Dank je Adam.’ Wij lopen verder langs de kraampjes met Aziatische spullen. Ze koopt enkele Thaise bloemstrengen voor de pols en hals en hangt mij de tros voor. Ik omhang haar ook met de kleurrijkste bloemen. Ze ruiken zoet. Wij kopen ananas aan een stokje. ‘Koffie? Thee?’ ‘Ja, graag.’ Wij gaan op een terras aan een tafel zitten. ‘Ik was hier gisterenavond nog. Er was een film op de Thaise televisie, ze draaiden een film van eh, hoe heet ie ook alweer, van Kelly “An American in Paris”, weet je wel die dansfilm in Parijs. Echt een heel erg leuke film. Ken je die film?’ ‘Van wie? Kelly? Nee, daar heb ik nog nooit van gehoord. Zegt mij niets.’ ‘Mmmm... Je bent niet zo thuis in films en kunst?’ ‘Oh jawel, daar ben ik gek op, maar ik heb daar alleen weinig tijd voor. Mijn werk slokt al mijn tijd op, dus ik ga maar af en toe naar de film.’ ‘Dat is jammer, vind je niet?’ ‘Zeker, maar het is niet zo heel erg. Ik pik er gewoon het beste uit.’ ‘Ja, ik ook, hoewel ik veel zie.’ ‘Ik vind Fellini te gek.’

158

‘Wat? Ik ook! Dat is mijn favoriet! Ken je zijn film “Otto e Mezzo”? Die film met Marcello Mastroianni? Die vind ik een van zijn beste. En “La dolce vita”.’ ‘Fellini is de meester van film. Hij is de beste.’ ‘Wij hebben dezelfde filmsmaak. Dat vind ik leuk.’ Ik kijk haar super blij aan en bestel de koffie. ‘Gewoon toch, of wil je met warme melk?’ ‘Gewoon.’ De koffie wordt met een harde smak bediend. ‘De koffie,’ zegt de bediening. ‘Twintig Baht.’ Ik geef hem de Baht: ‘S’il vous plaît.’ ‘Vous plaît?,’ vraagt Eva. ‘Alsjeblieft in het Frans.’ ‘Ach ja, klopt.’ ‘Spreek je een beetje Frans naast het Engels?’ ‘Een paar woordjes maar. Nee, ik spreek alleen Engels en Russisch.’ ‘Welke woordjes ken je in het Frans?’ ‘Un, deux, trois, soixante-neuf,’ giechelt ze hardop. ‘Eh, mélodie, dancez, Champs Elysee en verder weet ik het niet zo, oh ja, natuurlijk qui en non en Chanel, Dior en, eh, champagne... En jij in het Russisch?’ ‘Ik in het Russisch? Daar vraag je mij wat. Mijn God, daar vraag je mij wat,’ herhaal ik. ‘Ehm, even nadenken, oh ja kosmonaut en adien, dwa, tri en, ehh, jee, dat valt even tegen.’ Ik krab op mijn hoofd. ‘Eh, oh ja pravda, wodka, communist... en kisa.’ ‘Communist is oorspronkelijk geen Russisch woord.’ ‘OK, die telt niet mee,’ zeg ik zonder te weten of dat zo is. ‘Latijn? Eh, er schiet mij op dit moment niets meer te binnen. Helaas.’ ‘Toch zeven woorden. Dat is niet niks.’ De koffie is niet te pruimen. Eva wel. ‘Dat valt mij erg tegen. Ik had toch op zijn minst een woord of twintig gedacht. Maar ik kom er nog op, de andere woor-

159

den laat ik je weten.’ ‘Ik zal er rekening mee houden.’ ‘Die koffie is niet te pruimen,’ zeg ik tegen haar. ‘True. Echte prut.’ ‘Jij niet.’ ‘Vind je?,’ zegt ze extra zoet, uitnodigend naar meer complimentjes. ‘Jij bent heel wat beter dan die koffie hier.’ ‘Hoe weet je dat?’ ‘Dat zie je gewoon.’ ‘Ja maar, je keurt de koffie af vanwege de smaak en niet wegens het uiterlijk.’ ‘Beiden. Ik keur de koffie af naar smaak en uiterlijk. Kijk nou eens, wat een slappe bak leut. Ach ja da en njet om twee Russische woorden in herinnering te brengen. Dat maakt negen.’ ‘Ah beiden?,’ lacht ze. ‘En ik? Keur je mij goed wegens mijn uiterlijk of wegens mijn smaak?’ ‘Welke smaak? Die van hetgeen je omringt, wat tot je komt, of van hetgeen in je karakter zit?’ ‘Eh? Beiden misschien?’ Ze moet hier hardop om lachen en ook ik schiet in de lach. ‘Kijk ons eens zitten aan dit tafeltje met die vieze koffie en die slechte bediening!,’ schatert ze uit. ‘Ha ha ha ha, ik kom bijna niet bij.’ Ze haalt diep adem en opent de ogen groot, vol verbazing. ‘Ik keur je goed wegens je uiterlijk en voor zover ik je ken ook op je innerlijk. Een Fellini fan is niet mis, je houdt van Boeddhistische tempels, je bent levenslustig en geïnteresseerd, spontaan en je lach is beeldig. Dus voor zover ik je ken vind ik je OK en geniet ik van deze samenkomst.’ ‘Ik ook. Zullen wij verder gaan?’ Ze neemt haar handtasje, opent deze en werpt een snelle steelse blik in een spiegeltje. Ze tuit haar mond met een smak smak. Wij lopen Khaosan Road af, slaan linksaf en lopen uren-

160

lang door de metropool, leggen wat kilometers af en tientallen tempels verder, bestrooid met bloemen, wierook overal, net als de afbeeldingen van de koninklijke familie, volgen wij de straten van Bangkok, wij schenken alle Boeddha’s bloemen en bidden voor zijn aangezicht. Geven water en vis aan een straatkat, naar het democratie monument lopen wij, langs een winkelcentrum, door een park met kleine kanaaltjes en tempels met mediterende monniken, onder de snelwegen door die kris kras door de stad zijn aangelegd. Wij kunnen er echt geen touw meer aan vastknopen, de afslag ergens gemist, Ariadne waar ben je en waar is je draadje? en wij zijn op weg naar ik weet niet waar, wij volgen de verkeersstroom en komen in een leeg gebied terecht waar de weg niet de weg is die gevolgd dient te worden. ‘Zullen wij terug gaan of niet,’ vraag ik, maar ze wuift doorgaan en wij vragen uiteindelijk aan een paar mensen de weg. Wij zijn terechtgekomen in een of de andere achterbuurt, of eigenlijk een groot open stuk terrein in het midden van de stad, maar uit de kaart worden wij niets wijzer, ah, daar! zitten wij, eh dat had ik nou niet gedacht. Hoe kan dat nou? Dus wij moeten weer helemaal terug en weer linksaf, de grote weg volgen en komen wij dan in het centrum van de stad? Het kan niet missen. Bij haar hotel aangekomen trekt Eva lichtere kleding aan. Ze vindt het veel te warm en is gekleed op Russische toestanden zonder jas. In de tropen draag je zijde of zomerwol, licht katoen kan ook. Ze trekt uit het zicht in de badkamer haar zojuist gekochte wikkelrok aan. De rok staat haar goed, uitstekend zelfs. Ze heeft zo te zien, een prachtig lichaam. Ik vraag mij af waarom ik bij haar ben. Haar uiterlijk of haar innerlijk? Nee, het is zeker haar energie die mij aantrekt. Ze heeft iets uitbundigs en ze is ongecompliceerd, een puurheid die je zelden ziet in een mens. Een stralend gezicht, open ademend naar haar omgeving, de wereld in zich opnemend.

161

‘Wat gaat er gebeuren?,’ vraag ik aan haar. Ze kijkt op haar horloge. ‘Het is alweer ruim over zevenen. Wij hebben heel wat afgelopen. Laten wij een tijdschrift vinden en kijken wat er in de stad te doen is, misschien een leuke club en ergens iets eten. Ik heb reuze honger gekregen, ondanks het hete eten van de vroege middag.’ Wij zitten in dancing Havana waar op dat moment niets te doen is, geen verdere klanten zijn er te bekennen en de band speelt Caribbean. De salade waar ik zojuist van had gegeten brandt nog na in mijn maag. Het was Eva’s beurt om te lachen om het hete eten. Wij zitten aan tafel en genieten van een uitbundige cocktail. Aanbevolen door de chef. Twee Caribbean Sunsets om van te smullen, very sweet, maar erg lekker. Wij proosten op onze samenkomst. ‘Leuk om bij je te zijn, om je te ontmoeten.’ ‘Vind ik ook,’ zegt ze en ze nipt van de cocktail. Ik bestel enkele kleine hapjes. Geroosterde kip in bananenbladeren, krabkoekjes, gamba’s in wontondeeg en vruchtenpunch voor na de Caribbean Sunset. De band speelt een rumba die ik eerder heb gehoord en het swingt de pan uit, dus Eva springt op, neemt mijn handen vast en trekt mij de dansvloer van de lege dancing op. Ze danst als de beste en ook ik heb beste heupen, hoewel de rumba mij niet gewoon is, op de temposchaal van een tot tien is dit bijna een negen. Ik ben meer van de disco en het brandt tussen ons. Ze trekt zich naar mij toe en ik zwier tegen haar aan. De stoffen van onze kleding besnuffelen elkaar, haar borsten beroeren mijn brede torso. Eva is een expressieve danseres, zoals je dat vaker ziet bij Russinnen. Ze rent bij mij vandaan en cirkelend, armen zwaaiend, benen in een hoog tempo bewegend, komt ze weer tot mij, ze heeft theater in zich, passie, haar gezicht heeft een gelaatsuitdrukking die diepe emotie toont, ze gooit zich in mijn armen. ‘Ik wil met je dansen tot de koeien thuiskomen, maar ik

162

dans liever met de koeien totdat je thuiskomt,’ aap ik Graucho Marx na. ‘Ken je Marx, Graucho Marx?’ ‘Ik haat Marx! Geen gezeur over politiek; ik wil alleen maar dansen!’ ‘OK! En ik wervel door de zaal met haar op sleeptouw terwijl de band een cha cha cha heeft ingezet. ‘Ratata,’ zing ik voluit. Eva: ‘Raratata tatatata!’ Vol bewogen zijn wij in de muziek gedoken en de band begint steeds luider en wilder te spelen, opgezweept door haar expressie en van mij in iets mindere mate. De tent is leeg, maar het orkest staat op stelten. ‘Je danst als een prima ballerina,’ zeg ik. ‘Je houdt de vaart er goed in.’ ‘Kom, volg in mijn stappen en hou mij stevig vast.’ ‘Ik volg in al je stappen.’ ‘Echt?’ ‘Echt!’ Ze drukt haar lichaam nog steviger tegen de mijne aan en ik voel haar warmte, hoor haar snelle ademhaling, haar hart dat vreugdevol tegen de mijne bonst. Met haar rechterhand omklemt ze mijn zij en links rust in mijn rechterhand, wij wisselen de handen. De band laat horen dat ze van alle markten thuis zijn en ze zetten een salsa in. Eva: ‘Ah, salsa! ‘Caramba!’ ‘Caramba!’ ‘Caramba!’ ‘Aaaai, aaai, aaai, aai!!’ ‘Aaaai, aaai, aaai, aai!!’ In enkele ogenblikken slechts wordt de dansvloer in vol ornaat gebruikt en zij bepaalt het ritme. Voor ik het in de gaten heb staan wij opnieuw bij het beginpunt en draai ik nog na van haar explosieve dansgekte. De show gaat door als je danst en plezier hebt, dus dansen wij als sterren in de hemel, zetten het op een drinken en geven de band een show die

163

ze nooit meer zullen vergeten. Enkele rumba’s, bossanova’s, hapjes, merengues, een dikke sigaar uit Cuba, meerdere Sunsets, MAMBO! en andere cocktails later is het tijd om Havana te verlaten. De chef d’equipe kijkt ons steeds aan van “pleiten, ik wil naar huis, het is een doordeweekse dag en er is er nooit iets te beleven door de week. Van twee klanten kan ik niet leven, de band kost meer geld” en ruim voor sluitingstijd worden wij met zachte drang naar buiten gewerkt. Wij zijn beiden dolgedraaid van de drank, de opzwepende klanken van de trompetten, de steeldrum, de gitaren. ‘What’s next?’ ‘Hotel. Ik kan niet meer. Ik heb gisterennacht niet al te bijster geslapen,’ zegt ze terwijl ze zich aan mij vastklampt. ‘Het was lekker die Sunset en ik ben een beetje duizelig geworden van al het gedraai op de dansvloer. Je danst goed Adam.’ ‘Jij ook Eva.’ Ik open de deur van de taxi die voor komt rijden. De maan schijnt geel, de lucht is broeierig, een zachte tropennacht. Het tjirpen van krekels. In de taxi ligt ze half tegen mij aan en kwebbelt een eind weg over dancings in Leningrad. Dat die er dus niet zijn. Ja, van die communisten disco’s waar iedereen eigenlijk een hekel aan heeft, dat ze die verdoemde klootzakken, maar wel mondje dicht, je weet het maar nooit... Ze valt bijna in slaap. Haar hotelkamer ligt op de twintigste verdieping en het uitzicht over de stad is spectaculair. Ik open de balkondeuren en laat de verfrissende nachtwind binnen. Ze zit op de sofa, ik zet de schuifdeuren op een kier en ga naast haar zitten. Wat zal ik doen? Zal ik vaarwel zeggen en terug gaan naar mijn pension, of zal ik hier blijven? Ik weet mij geen houding te geven en zit stil naast haar. Zal ik haar vertellen dat ik niet iemand ben voor een one-night stand, dat ik al jarenlang niet meer met een vrouw intiem ben geweest, dat ik alleen lichamelijk kan delen als ik iemand echt goed ken, of zal ik de gok wagen zonder te vertellen over mijn twijfel? Vind ik haar leuk

164

genoeg, of zal ik haar serieus aanspreken, zal ik haar het hof maken, kan ik haar kussen? Ze is zo schattig en ik wil haar. Ze zit bewegingsloos naast mij en ik vermoed dat ze mijn stap afwacht; ze zucht. Ik draai mij om en richt mij tot haar, neem haar hand in de mijne en kus deze. Eva lacht verlegen in kamer 2019 en ik kus, nee, bijt haar plotseling in haar nek, zoals een tijger bij haar jong doet. Ik wens dat wij vanaf deze kus samen blijven. Ze kreunt, opent haar mond en richt deze naar de mijne. Ze kust mij, haar lippen zijn vol en vochtig. Ik trek haar tegen mij aan. Haar lichaam is warm, haar borsten. Ze kreunt harder als ik haar voor de tweede keer in de nek bijt, mijn mond leid ik naar haar linkeroor en ik ga terug naar haar zachte mond. Haar tong omringt de mijne en ze kust mij hitsig, drukt zich stevig tegen mij aan. Ze graait met haar handen naar mijn hoofd en woelt wild door mijn haren, kreunt en beweegt als een wilde kat. ‘Ahhrrr.’ ‘Ummhhhhh.’ Wij vallen van de sofa op de grond en onze lichamen liggen verstrengeld, mijn benen om de hare en onze handen weten de weg te vinden, ik streel haar schouders, haar benen, graai naar haar rondingen. Ze springt op en gilt het uit. Een paar bloemen vliegen in het rond en ik sta op, sluip naar haar toe en ik omhels haar. Ze kreunt wellustig en draait zich om, rukt zich los en ze danst naar de glazen wand en drukt zich vol bewogen tegen het glazen raam. ‘Ah, je had mij vandaag al drie keer kunnen zoenen. Had je het nog niet in de gaten?’ ‘Welke gaten?’ Ik kom van achteren naar haar toe en druk haar stevig tegen het glas, plet zo haar borsten en streel met mijn handen haar naakte schouders, haar rug, over haar billen, langzaam naar voren over haar zachte en warme bovenbenen. Ik word heter dan de zon en Eva staat ook in vuur en vlam.

165

Bangkok ligt aan onze voeten en door het grote raam schijnt de neonreclame ver van ons vandaan; van het hotel links in uitbundige kleuren. Het uitzicht over de stad is overweldigend, kilometers lange linten vol gloed, als sterren die de nacht verlichten. Door al het glas is het alsof wij zweven boven de metropool, alsof de weerspiegeling van onze lichamen, de lichten in de verte en de sterren ons optillen en wij reizen omhoog, ik tip tegen haar gehemelte en kus haar zonder enige terughoudendheid. ‘Ik wil je,’ zegt ze heet. ‘Ahhrrr,’ is alles wat ik kan uitbrengen. ‘Aahhrrr.’ Wij duiken het slaapvertrek in en ze rukt mijn blouse los, mijn riem. De sandalen schop ik weg, de kleding gaat deels uit en wij vallen beiden met een luide schreeuw op het bed. Ik lig naast haar en streel haar zachtjes. Langzaam kus ik haar, een restje stof verhindert dat de aanraking totaal is. Ze slaat haar benen om mij heen. ‘Kom bij mij,’ fluistert ze. ‘Ik wil je.’ De neonreclame dompelt de slaapkamer om beurten in een gele, blauwe, oranje, groene en rode gloed. De strengen van bloemen die wij om onze nek en armen droegen zijn losgeraakt en liggen verspreid op de grond en op het bed. Wij woelen over het kingsize bed vol bloemen en draaien om en over elkaar. Ze vraagt opnieuw naar mijn mond en ik antwoord door zwaarder te hijgen, door mijn borst steviger tegen haar aan te drukken. Ze plaagt mij doordat ze, iedere keer als ik haar lippen wil kussen, van mij vandaan beweegt. ‘Je bent zo speels.’ ‘Jij ook Adam.’ ‘Je bent net honing, zoetheid.’ Wij vrijen en vrijen nogmaals. Eva droomt stilletjes weg zodra ik de tweede keer in haar ben. Hoe kan dit gebeuren? Hij beroert me zo lichtjes... in mijn middelpunt... wat een verrukking... zo immens onweerstaanbaar... oh... zo vroom... Ze zweeft verder weg in het neonlicht. Zijn adem... zijn hoofd

166

in mijn schoot... mijn vonkje in jou... net als de sneeuw die smelt... Half wakker, half in slaap en voor een deel in de wolken, in extase bewegen wij samen. Over de oceaan... de bron... oh hij is diep in me... lieve lieve god... voel je mijn adem in je nek? Mijn zwanenhals? Kom, alsjeblieft? Zoet vallen wij in elkaars armen in slaap, wij soezen geheel verzadigd weg in een kleurrijke waas. Dozijnen zachtgele, witte en paarse bloemen bedekken het bed; het neonlicht schijnt identieke kleuren over onze omstrengelde lichamen en over de stad die baadt in zijn eigen sterrenlicht. Getoeter maakt mij wakker en ik kijk verrast op. Het is ochtend. Eva is in diepe slaap en ik kus haar voorzichtig wakker. ‘Goedemorgen schone Eva, weet je nog wie ik ben?’ Ze wrijft in haar ogen en rekt zich met een geeuw uit. ‘Adam, jij bent mijn Adam.’ ‘En jij bent mijn Eva.’ ‘Mmm. Kom in mijn armen.’ Wij sluimeren een tijdje in het ochtendlicht. Plotseling springt ze op. ‘Hoe laat is het?’ ‘Het is bijna negen uur. Hoezo?’ ‘Verhip! Ik moet er zo vandoor. Ik heb vandaag een excursie en vanmiddag gaat om vier uur de bus naar het zuiden, naar Pattaya.’ ‘Werkelijk?’ ‘Ja. Om tien uur staat de bus voor het hotel klaar om naar de dierentuin van Bangkok te gaan. Ik heb zo’n stomme groepsreis geboekt,’ zegt ze balend. ‘Oh. Wat zullen wij doen?’ ‘Eerst douchen en een snelle lunch. Ik bel of ze de lunch naar boven willen brengen.’ Aan het ontbijt bespreken wij onze plannen. ‘Ik moet alleen nog naar Ayutthaya. Dat ben ik morgen van

167

plan en ik kan daarna eventueel naar Pattaya komen. Blijf ik van het weekend daar, voordat ik het vliegtuig neem naar Aman. Ik heb nog anderhalve week vakantie gepland in Jordanië voordat ik naar Amsterdam vlieg. Is dat wat? Kom ik vrijdagochtend naar Pattaya.’ ‘Wil je dat doen? Dat is fantastisch! Je vindt het toch niet erg dat ik zo weg moet, is het? ‘Ach,’ zeg ik zuchtend, ‘ik zou zo de hele dag met je willen doorbrengen, maar je hebt je reisafspraken. Het zij zo. Ik ga zo naar mijn pension, morgen neem ik een retourtje naar de oude hoofdstad van Thailand en vrijdag ben ik weer bij jou.’ Ik neem haar hand vast. ‘Ik wil heel erg graag het weekend met je doorbrengen. En jij?’ ‘Ik ook. Hoe meer tijd wij voor elkaar hebben, hoe blijer ik ben.’ Ze schrijft de naam van haar hotel op een papiertje. Een half uur later nemen wij nog half slaperig afscheid. ‘Tot vrijdag. Heel veel plezier in de dierentuin.’ ‘Jij in Ayutthaya Adam. Ik zal je missen.’ Wij kussen elkaar goedendag en ik loop terug naar mijn pension, neem een tweede ontbijt, ga mijn kamer in en val door de onverwachte ontmoeting, de korte nacht en mijn volle maag, al snel in een diepe slaap. Tegen het avonduur word ik wakker en de verdere avond loop ik duf door de straten nabij het Koninklijke Paleis. Als de eerste dag van het bestaan, de dag dat de wereld wordt geschapen, de woorden dat dit een is, dat de wereld een is. Zojuist, net, nog geen mituut-minuut geleden; je verneemt er alles van. Ik zal het je vertellen. Alles. Is het schoon? Is het veilig? Komt het enigszins tegemoet aan je wensen? Of zit je op mijn goedachting te wachten? Wel, wat doe je? Nou, ik weet het niet zo, eerlijk gezegd. Het is nogal. Ehh. Ik twijfel een beetje. En ik weet. Dat moet ik net niet doen. Gewoon niet. Weet je, laat ik niet vertellen over de tijd van de

168

twijfel, voor de eerste tijden, de eerste dag, toen woorden niet bestonden en spraak nog niet ontwikkeld was. Toen er nog geen sprake van tijd was; eenvoudigweg een bestaand iets, eens een iets, altijd een iets; iets dat bestaat, een iets met een eigen wil dat door de materie gedragen wordt. De planeten, de zon, de aarde, de mens. De sterren lichten op, altijd lichtgevend. Niet meer dof en doof, een door het niets gedragen niets. Meer iets-iets dan je je kunt stellen. Je gelooft het niet, indien je weet dat er geen woorden zijn om betekenis te geven, de gezegden, de gebeden gaan allen over het iets-iets, de ruimte en de materie. De ruimte in en buiten jezelf. Wij, wij bestaan. Wij zijn echt. Wij zijn de Adem en de Eva. En nu, nu zijn wij een, het verleden en de toekomst inelkaargestrengeldalstweeiseen. Twee dagen later arriveer ik in Pattaya aan de Golf van Thailand. Ayutthaya was OK, alleen heb ik al zoveel tempels gezien dat het niet meer echt kan bekoren. Prachtige oude hoofdstad van Thailand, maar geef mij maar Eva. De Ford Mustang die ik in Bangkok heb gehuurd parkeer ik voor de ingang van haar hotel. Bij de receptie vraag ik naar haar. ‘Eva wie?,’ vraagt de receptionist. ‘Eva wie? Eh, Eva...’ Ik denk diep na. Wat is haar achternaam alweer? ‘Eva... eh, ze heet Eva Evangelista.’ ‘Een ogenblik.’ Hij kijkt op een overzicht. ‘Eva Evangelista is kamer 463. Ze heeft een briefje voor u achtergelaten. Alstublieft.’ De receptionist overhandigt een papiertje. Ik vouw het open. “Ja Adam! Eindelijk in Pattaya! De dierentuin was leuk, maar ik heb je zo gemist. Kom snel, kom sneller. Mijn kamernummer is 463. Eva.”, staat op het briefje geschreven. De receptionist werpt een blik op de sleutelkast achter hem en zegt: ‘Ze is blijkbaar in haar kamer, dus u kunt naar boven gaan.’ ‘Dank u wel.’

169

Ik neem de lift naar haar verdieping en klop op de deur van de hotelkamer. Ze opent de deur. ‘Adam! Ik heb je zo gemist!’ Ze springt in mijn armen en kust mij hartstochtelijk. ‘Ik voelde mij zo eenzaam hier en verveelde mij zonder jou. De mensen uit mijn reisgroep zijn zo saai.’ ‘Ik ook Eva. Ik heb naar je uitgezien.’ Ze is gekleed in een bikini Russian style, dus meerkini dan minikini, een luchtige omslagdoek van Thaise zijde met motieven van paradijsvogels wordt door haar heupen gedragen. Ik zet de rugzak in de kleerkast en kijk haar aan. Haar lichaam is licht verkleurd. De hotelkamer is comfortabel ingericht, een zithoek, televisie, een ruim balkon op het zuidwesten. Tropisch hardhout op de vloer. ‘Je ziet er zomers uit. Heb je gezwommen in zee?’ ‘Ja, ik ben net een uurtje terug. Het water is warm en het strand is zo zacht. Maar eerst...’ Ze trekt mij naar het kingsize bed en binnen no-time zijn wij innig samen en geven wij aan elkaar warmte en tederheid. Ik vind haar hartveroverend, ontwapenend als ze is met haar zachte, tedere ogen. Met mijn vingertoppen streel ik langzaam haar doorschijnend witte lichaam, vol van licht. Ik voel de liefde die door haar strelingen stroomt. Een zomerse bries maakt dat de glasgordijnen voor de openstaande balkondeuren lichtjes bewegen en zo beweeg ik in haar, teder, kus ik haar neusje en worden wij door zeilen in de volle wind meegedragen naar onze nieuw ontdekte liefdestempel. Enkele uren later, na een kleine middaglunch bestaande uit verse stukjes ananas, druiven, brood, bananen, mango’s en gemengde salade, zitten wij op het strand en spelen met de zandkorrels en enkele kleine schelpen. Vanaf een kleine hoogte laat ik een schepje zand langzaam los en bestrooi zo haar buik rondom de navel. Op haar borsten leg ik schelpen, zo ook op haar voorhoofd. De wind ruikt zoet, de tempera-

170

tuur is zacht tropisch. Ze kijkt op en ik zit op mijn knieën naast haar. In mijn ogen ziet ze alle jaren die in haar leven voorbij zijn gegaan. Ze ziet ogen zonder pijn, schuld of angst; ogen vol serene zekerheid en wilskracht. Een heldere, krachtige mond die haar kust, het bronzen lichaam in de tropische zon, stevige schouders en armen. Na nog een blik in mijn ogen ziet ze een nieuwsgierigheid naar het nog onbekende, een openheid die haar doet trillen van verlangen naar nieuwe oorden en stranden vol goud geschreven woorden; alsof alle plaatsen van de wereld waard zijn om bekeken en bezocht te worden. Zilveren vlaktes, sneeuw vers gevallen als dons zo zacht, zonnebrand in de ooghoeken. Ze kijkt nogmaals en ik lach; ze voelt een warme rilling omhoog trekken. Vol bewust van de krachtige handen die puntje voor puntje haar rug en gouden haren beroeren. ‘Dat kietelt!,’ schrikt ze op van haar doezeligheid. In haar ogen zie ik de jaren die voorbij zijn gegaan. Ogen vol verwachting, stralende diamanten, parels vol licht. Zachter dan dons. Ze houdt van kietelen. Ze heeft de slankste armen en schouders witter dan sneeuw. Zilveren en gouden schijn in haar haren. Zo uit het grootste land ter wereld hier aan de kust, met de voeten in het zand ligt ze voor mij en ik voel een rilling van vreugde omhoog trekken. Met enkele krachtige halen wrijf ik haar schouders in. Met mijn rechter wijsvinger prik ik in haar linkerzijde en ze springt op. ‘Oei!’ Ze rent weg en roept: ‘Pak mij dan! Je kunt het toch niet. Ik ben veel te snel voor jou.’ Ik laat haar van mij vandaan rennen en ik loop langzaam achter haar aan, zodat ze een ruime voorsprong heeft. ‘En? Waar blijf je? Mijn God, wat ben jij lui en langzaam zeg. Kom op,’ schreeuwt ze mij van een afstand toe. Het tempo schroef ik iets hoger en voordat ze het in de gaten heeft storm ik voorbij en laat ik haar achter. ‘Zo snel hoeft het niet hoor,’ zegt ze beteuterd.

171

‘OK. Je krijgt van mij tien seconden voorsprong. Wedden dat ik je voor die boot daar ingehaald heb?’ Ik wijs naar een houten boot met een groen dak die verderop het strand ligt. ‘Pfff... laat mij niet lachen. Ik ben toch sneller.’ Ze rent als een speer van mij vandaan en ik geef haar de toegezegde voorsprong. Voordat ze de boot heeft bereikt heb ik haar alweer ingehaald. ‘Zie je wel dat ik sneller ben.’ ‘Maar met zwemmen lukt je dat niet. Ik ben een geboren zwemster.’ Eva rent de zee in, duikt onder water en zwemt snel van mij vandaan. Ik duik achter haar aan en ga diep onder water, volg haar met krachtige halen vlak over de bodem van de zee, voordat ik haar helemaal heb ingehaald, ga ik pijlsnel schuin omhoog en trek aan haar linkervoet. Ze spartelt van schrik en ze wil zich lostrekken, maar mijn greep is te sterk en ik trek haar onder water. Ze proest het uit. ‘Je bent veel te snel voor mij. Je zwemt beter dan een dolfijn. Je bent veel te sterk.’ ‘Ik weet het, ik ben een volleerd zwemmer. Vroeger zwom ik iedere dag een paar kilometer en tijdens mijn reis heb ik urenlang onder water doorgebracht. Kom, pak mij vast. Omhels mij.’ Ze slaat haar armen om mijn nek en kruipt dicht tegen mij aan. Onder water streel ik haar benen, til haar op en kus haar zee gezouten schouders. Haar benen slaat ze om mijn heupen. Ik kijk haar aan met smachtende ogen en met een bewustzijn dat ik, al lichtjes glimlachend, het langverwachte en mijn nooit twijfelende wederhelft gevonden heb. ‘Alweer?’ ‘Ja, alweer. Je bent veel te lekker. Je voelt zo zacht aan, je bent zo speels en teder.’ ‘Hihi,’ lacht Eva al duikend en ze zwemt van mij vandaan. Ik volg haar en speel het spelletje van aantrekken en afstoten met haar mee totdat ze vermoeid is en aangeeft dat ze op het strand in de zon wil liggen.

172

‘Doet u mij maar een flesje water en een lichte cocktail met verse ananassap. Doe maar iets met cointreau of zo. Heeft u dat?’ ‘Ik denk het wel,’ zegt de ober van het hotel met lichte twijfel in zijn stem. ‘Eva, wat wil je drinken? Heb je dorst?’ ‘Oh ja, lekker,’ antwoordt ze terwijl ze zich afdroogt. ‘Doe mij wat water en ananassap, zonder iets extra’s. En graag een portie verse ananasschijfjes. Kan dat?’ ‘Zeker, mevrouw, zeker.’ Niet veel later is de ober terug met het bestelde. ‘Alstublieft, mijnheer, mevrouw,’ zegt hij ons toeknikkend. ‘Dank u heer,’ antwoord ik. Hij kijkt mij verbaasd aan omdat ik hem heer noem. ‘Eva. Proost! Op ons beiden.’ Ik til mijn glas op en tik deze tegen de hare aan. ‘Dat wij samen een fijn weekeinde tegemoet mogen gaan.’ ‘Daar zijn wij allang mee bezig. Proost.’ Aan het einde van de regenboog bevind ik mij, denkt Eva. Dit is waar ik altijd al naar verlangd heb, een man die mij duidelijk maakt dat ik werkelijk besta, dat ik niet een onbeduidend meisje ben uit een grauwe en koude stad, maar een vrouw van de wereld. Eindelijk samen met een man gegoten in brons, glimmende stralende kerel; al het goede bestaat en de strijd, de pijn is vervlogen. Ze slaakt een zucht van opluchting. Ze kijkt op naar de blauwe hemel, naar de zon die krachtig en helder straalt. Prachtige vreemdeling. Wij klikken de glazen: ‘Kling-Klang.’ ‘Verrukkelijk.’ ‘Ja, dit is echt verfrissend. Ober! Ober!,’ roept ze hem na: ‘Nog een glaasje, por favor?’ Zo aan een tropisch strand. De ober knikt. ‘Ah, je spreekt wat Spaans.’ ‘Spaans? Ach, niet echt. Dat was zowat alles. Nee, mijn Spaans is slechter dan mijn Frans en dat is al niet veel.’

173

‘De mijne ook. Spaans is echt een drama bij mij, zeg maar gerust niente op zijn Italiaans, of nada op zijn Spaans. Zie je wel: een woord en dat is het. Ik moet mij schamen.’ ‘Je spreekt toch vloeiend Engels en Duits, is het niet?’ ‘Zeker.’ ‘Ik niet veel meer hoor, sterker zelfs, minder. Ik spreek alleen Engels als vreemde taal. Dus de score is drie tegen twee in jouw voordeel.’ ‘Het is wat,’ zeg ik met een zucht. ‘Hoe bedoel je. Wat?’ ‘Ja, weet je gewoon, die talen. Als ik wil heb ik mijn Frans in een paar maanden weer helemaal up-to-date, dus dat maakt eigenlijk vier tegen twee. Lekker!’ en ik steek mijn tong naar haar uit. Eva grijpt mijn tong vast. ‘Au.’ ‘Dat krijg je als je je tong tegen mij uitsteekt.’ ‘Ik plaag je slechts.’ ‘Ik ook, honingzoetje.’ ‘Jij een hapje?’ ‘Lekker. Daar krijg ik maar geen genoeg van, van ananas.’ ‘En van mij? ‘Van jou lust ik nog veel meer.’ Ik grijp Eva vast bij haar middel. ‘Daar kan een ananasboom niet tegenop.’ ‘Werkelijk? Een ananasboom kan niet tegen mij op? Ik zou het denken!’ Ze slaat haar hoofd naar achteren, de kin verheven in afkeur. ‘Pfff! En jij? Je kan zeker een hele ananasboom op. Is het niet?’ ‘Nee, dat kan ik niet, maar een Eva als jij, daar heb ik mijn handen vol aan,’ grijp ik naar haar neusje en pak deze tussen mijn vingers. ‘Daar heb ik je kip.’ Ze grijpt in mijn kruis. ‘Heb ik je dolfijn!’ ‘Dolfijn? Noem je mijn edele delen dolfijn?’ ‘Je noemt mijn neusje kip. Daar ben ik niet zo van gediend hoor. Iets meer respect, mag het?’

174

‘Natuurlijk. Ik zal voortaan voorzichtiger zijn in het uiten van mijn taal. Het was niet zo bedoeld als je denkt. Heb ik je kip is in mijn taal zoiets als daar heb ik je te grazen genomen.’ ‘Daar heb ik je te grazen genomen? Ik volg het even niet hoor. Ik ben geen schimmel!’ Eva lacht hard om haar eigen paarden grapje. Dit is het einde van de regenboog. Zeker weten en hij is van goud. Bij hem wil ik zijn en blijven. ‘Da macht der Pappie Ananas,’ zeg ik. ‘Sorry, wat zeg je?’ ‘Da macht der Pappie Anna nass.’ ‘Is dat Duits? ‘Ja, dat is Duits. Het betekent letterlijk zoiets als daar maakt pappie ananas, maar dat kan niet, je kunt geen ananas maken, dus wordt het daar maakt pappie Anna nat. Nass is nat, op zijn Duits. Anna Nass, oftewel Anna nat.’ ‘Ja, nu weet ik het wel. Goh, vreemde humor heb jij hoor. Ach ja taalgrapjes blijven onbegrijpelijk als je de taal niet begrijpt... Het zal wel echt grappig zijn.’ Ze kijkt peinzend voor zich uit. ‘Wil je mij zo even insmeren?, vraagt ze vrolijk. Mmm, zijn sterke handen met olie over mijn gloeiende lichaam. Please? ‘Ningún problema. Santa Maria. Dat is Spaans.’ ‘Dacht ik al. Kom, smeer mijn rug even in. Wil je? ‘Geef de fles maar hier. Hij ligt direct achter je.’ ‘Alsjeblieft.’ ‘Dank je wel.’ Ik smeer haar zachte yoghurt, tipje honing kleurige lichaam in met kokosnotenolie, volg de rondingen van haar schouders, haar bovenarmen, de onderarmen, haar vingers, de kootjes; ieder voor zich, druk zachtjes op haar knooppunten in haar onderrug, wrijf rond en rond, haar krachtige bovenbenen, de kuiten, rond haar linker- en rechterknie, tussen haar dijen, de tenen een voor een. De stroperige olie trekt in dikke lagen diep door haar zoete huid; haar lichaam is een avontuur voor

175

mijn vingers. ‘Je bent van goud.’ Na het insmeren: ‘Dank je wel. Dat is heel attent van je.’ Ze soest weg in de midmiddagzon. ‘Ik ben zo blij om je te leren kennen. Je huid is warm. Ben een beetje voorzichtig met de zon, wil je?’ ‘Ik ook, ik ook,’ zegt ze half slapend. ‘Even een klein dutje in de zon doen.’ Ze doezelt in. Haar mond krult sereen omhoog en ze slaakt een lichte, tevreden zucht. Ik laat haar alleen, loop naar de zee en ga een stukje zwemmen, tot de branding, er overheen, nog een meter of 300 verder. Het voelt goed. Het water in de Golf van Thailand is warm en de stroming is zwak. Pattaya ligt er in de verte verlaten bij. Er is op het eerste oog niet veel te beleven, op het sekstoerisme na dan en daarvoor ben ik niet hier. Ja, wel voor Eva, maar dat heeft niets met sekstoerisme te maken. Of? Mijn God, ik hou van haar. Ik ken haar niet eens echt, maar toch. Niet eerder heb ik een zo goedlachse en hartelijke vrouw meegemaakt. Het is goed vertoeven hier, beter dan ik eerst verwachtte. Ik hou mij graag afzijdig van massatoerisme, maar hier zie ik dat het snel gaat. Enkele decennia terug was hier alleen een vissersdorp en sinds de komst van de Amerikanen wegens Vietnam is het toerisme hier explosief gegroeid. Echter, nadat de Amerikanen Vietnam verlieten, verlieten ze tevens Pattaya en wat is gebleven, is een wat suffig dorpje waar nog niet helemaal duidelijk is of het terugvalt in het zoete en kalme leven van een vissersdorp, of de voortzetting van de bouw van grote ketens om de toerist te behagen. Ik moet het tegen haar zeggen. Een watervliegtuig vliegt over en landt een kilometer verder in de open zee, draait rechtsom en zet koers naar de wal. Ik ben een klein stukje afgedreven en zwem terug naar het strand. De hoogste toren van het zandkasteel is bijna een meter hoog. De laagste van de vijf vijftig centimeter. Het vierkant telt aan iedere zijde twee meter en heeft een oprit met een

176

gracht en versterkte hoeken. Als een donjon is het kasteel vormgegeven, een oud middeleeuws zandslot op de kust van Thailand. De ridders van vorstendom Liechtenstein zijn gearriveerd! ‘Tatarataratara.’ Toeter ik zacht in Eva’s oor. ‘Wat? Wat? Waar ben ik?’ ‘Goedemiddag! Lekker geslapen luilakje?’ ‘Mmm...,’ zucht ze diep. ‘Dat was lekker. Mmm...’ ‘Kom hier. Ik wil je zo graag knuffelen.’ ‘Ja dat is fijn,’ zegt ze zodra ik haar schouders masseer en een lange zoen geef. ‘Hier wat water voor je.’ ‘Dank je. Ik heb een beetje een droge mond.’ Ze neemt een slokje en rekt zich uit. Ze staat op en loopt uit de schaduw in de richting van de zee. ‘Wat is dat? Heb jij dat gebouwd?’ ‘Ja, mijn prinses, je hebt een kasteel gewonnen! Je droomde van een prins op een schimmel en kijk hier ben ik met kasteel en al.’ ‘Oh, mijn eerwaarde ridder,’ zegt ze en slaat haar handen voor haar mond. ‘Gij, mijn waarde heer. Dat ik u gevonden heb, dat u de schoot van mijn jonkvrouwelijkheid moge eren en neem mij mee in uw kasteel, oh heer, spring op uw Arabische hengst en neem mij mee over de ophaalbrug van uw slot. Geef mij de kamer met de grote open haard als slaapvertrek en ons leven zal net zo genoegzaam zijn als de harten die ze verwarmen.’ ‘Oh U, U, mijn edele prinses.’ Ik val op mijn knieën voor haar in het zand. ‘U bent het licht dat schijnt in mijn hart, kom mee met mij in mijn kasteel en ik verwarm uw leven met eeuwige trouw.’ De kachel staat in Thailand uit, denk ik, behalve in de winter en die hebben ze nauwelijks of niet. ‘Binnen in mijn kasteel is het koel als de bries van een kolibrie.’ Wij omhelzen elkaar en dansen in slepende beweging met blote voeten cirkels in het warme zand. ‘Kijk, daar is de slaapkamer,’ wijs ik de prinses aan.

177

‘Ja, daar wil ik met jou de nacht doorbrengen. Met het haardvuur laag en jou binnen handbereik.’ ‘Ik ook, dat wil ik ook,’ smachtend naar meer theater, naar meer verbeelding. ‘En daar, daar zijn de stallen voor de Hollandse warmbloeden, de Haflingers, de Andalusische. Hier in deze hoek is de bibliotheek en daar is de keuken, de wasruimtes die liggen daar. Voor jou speciaal een schoonheidssalon met massageruimte, sauna, stoombad, de grote balzaal is naar het zuiden gericht. Alles erop en eraan.’ Ik buig nederig voor mijn prinses. Met een zwaai neem ik mijn imaginaire ridderhoed af. ‘Voila!’ ‘Voila,’ glimt Eva terug. ‘Vind je het wat?’ ‘Zeker! Zo’n kasteel is precies wat ik wil. En jij bent mijn prins.’ ‘Je bent mijn prinsesje. Kan ik je verblijden met een lekkere maaltijd?’ ‘Zeker. Zullen wij terug gaan naar het hotel, ga ik eerst douchen en daarna kunnen wij gaan eten. Verhip! Het is al vijf uur.’ ‘Je hebt anderhalf uur geslapen. Wij kunnen naar binnen gaan, maar wij kunnen ook hier op het strand iets bestellen. Ik hoef de ober maar te roepen.’ ‘Ober,’ roept Eva. De ober loopt naar ons toe. ‘Heeft u een menukaart?’ ‘Zeker. Ik zal de kaart voor u halen.’ Wij bestellen gebakken rode snapper met witte rijst, overgoten door basilicum, chili en pepers, een zeevruchten salade en garnalen in groene curry, krabkoekjes en Tom Kha Kai vooraf. De Thaise keuken is voortreffelijk en deze keuken weet er wel raad mee, zo vernemen wij al ras. ‘Vertel eens over je reis. Je zou het al vertellen toen wij in Bangkok waren.’ ‘Ach ja, daar zijn wij helemaal niet aan toegekomen. Waar

178

wil je dat ik begin?’ ‘Je was toch eerst in Bangkok en daarna...?’ ‘Klopt. De afgelopen acht weken heb ik flink wat afgereisd.’ ‘Acht weken? Heb jij zolang vakantie gehad?’ ‘Ja.’ ‘Daar kan ik alleen maar van dromen. Ik heb een week vrij en dat vind ik al reuze luxueus. Acht weken...’ Ze schudt haar hoofd vol ongeloof. ‘Ik laat het aan je zien. Kijk!’ Met mijn wijsvinger teken ik de contouren van Zuid-Oost Azië, China, inclusief de eilanden Java en Borneo in het zand. ‘Hier ben ik begonnen. Bangkok, met de trein naar Kuala Lumpur, Singapore, het vliegtuig naar Sabah, vandaar naar de Filipijnen, Sarawak, weer terug naar Singapore, Kuala Lumpur, Georgetown, Krabi, Ko Phi Phi eilanden en nu ben ik weer terug bij het begin.’ ‘Je gaat wel heel erg snel zo. Vertel mij meer. Wat heb je waar gedaan?’ ‘Mijn hoofddoel was drieledig. Ten eerste wilde ik duiken, ten tweede bergen beklimmen en ten derde jungletochten maken. Kijk. Hier tussen het eiland Borneo en het vasteland van Zuid-Oost Azië, in de buurt van de Filipijnen, daar bevindt zich het eiland Layang Layang. Je kunt daar fantastisch duiken.’ ‘Onder water? Met een duikfles?’ ‘Zeker. Ik heb daar een week gedoken. Je weet niet wat je ziet. Het is onvoorstelbaar en adembenemend. Al die buitenissig gekleurde vissen, de koralen onder water. Indien je het nooit eerder hebt gezien, weet je niet wat je overkomt. Dat koraal is onbeschrijflijk. Zoveel uitbundige kleuren. De wereld onderwater is van een bijzondere schoonheid. Het lijkt wel een andere wereld. Nog nooit heb ik in mijn leven zoveel prachtigs gezien en meegemaakt. Werkelijk waar.’ ‘En ik?’ ‘Je bent geen vis.’

179

‘Waar slaat dat op?’ ‘Ehm, nergens, maar je bent wel het schoonste meisje.’ ‘Ik ben een jonge vrouw.’ ‘OK jonge vrouw. Enfin, vandaar ben ik naar de Filipijnen gegaan. Naar Mount Apo, een van de hoogste bergen in Zuid-Oost Azië, drieduizend meter hoog...’ Ik neem een slokje van de cocktail. ‘Mmmm... lekker. Jij iets?’ ‘Nee, niet nu. Ik heb mijn eigen drankje,’ antwoordt ze. ‘Vertel verder. Heb je die berg beklommen?’ ‘Oh ja,’ knik ik. ‘Het was een zware tocht, mede door het slechte weer. Het regende en regende maar. Alleen op de vroege ochtend toen wij de top bereikten; toen braken de wolken open en zagen wij het voortrollende landschap en aan de andere zijde de open oceaan. In de vroege ochtend was dat, de zon kwam op en vergulde de berg en de jungle beneden. Prachtig, allemachtig zeg... De totale stilte voor de zonsopgang en ineens kleine geluiden uit het oerwoud, alsof ze zachtjes aan het inspelen zijn, de strijkers, het eerste trillen van de snaren, het stemmen van de lier. Een, twee, drie...’ Ik dirigeer met mijn armen en handen en geef een voor een aan de musici door dat ze mogen inzetten. Haar grote ogen volgen de beweging van het imaginaire stokje. ‘Van overal om je heen komt het geluid als een golf op je af. Honderden violen, bassen. Een fagot en klarinet kondigen de koning van de dageraad aan. Jezus, wat was dat mooi! Het schallen van de koperblazers zodra de eerste stralen boven de horizon uitkomen.’ Wilder en wilder beweeg ik mijn armen. ‘Een symfonie, nee, een kakafonie van geluid en licht. Dat was magisch. Het uitzicht over de Grote Oceaan. Bijna net zo magisch als toen ik voor het eerst in je ogen keek. Dat was nog beter.’ ‘Echt?’ ‘Ik smolt in je ogen. Je hebt de aantrekkelijkste ogen van de hele wereld. Ik zag het meteen.’

180

Eva kleurt roder van mijn gevlei dan van de zon. ‘Ik kan voorstellen dat mij beklimmen veel lekkerder is dan een berg beklimmen,’ zegt ze ondeugend. ‘Oefening baart kunst.’ ‘Je bent een uitstekende sexy klimmer.’ ‘Jij ook. Je bent allerlekkerst.’ ‘Ik weet het.’ Eva schatert het uit. ‘Wij kennen elkaar al langer. Tenminste zo voelt dat aan. Je bent mij vertrouwd, vanaf het eerste ogenblik, alsof ik je al jaren ken.’ Ze kijkt mij stil en stralend aan. Ze pakt mijn hand vast. ‘Iets heeft ons samen gebracht.’ ‘Je bent een wonder, de wereld is een wonder.’ Ik kus haar neusje. Eva kust de mijne. ‘Na Mount Apo weer terug naar Sarawak. Dat ligt hierzo.’ Ik wijs de plaats aan waar ik zes weken geleden ben geweest. ‘Ik heb daar een jungletocht van een week gedaan en ook heb ik daar drie dagen gelopen door de grotten onder het oerwoud. Dat was mij toch wat! Dat is het vreemdste wat ik ooit heb gezien.’ ‘Wat?’ ‘Wat ik ooit heb gezien. Het aller-, allervreemdste...’ ‘Wat was dat?,’ vraagt Eva benieuwd. Ze grijpt vol spanning mijn hand vast. ‘Bij het naar buiten gaan uit de grot liet de gids ons een plek zien waar je zicht had op het profiel van een man...’ ‘Het profiel van een man? Wie?’ ‘Het zijaanzicht leek sprekend op het profiel van Abraham Lincoln. Alleen was dat niet uitgehakt in de stenen van Mount Rushmore, Dakota, USA. Nee, het was midden in de jungle van Borneo. Bij de uitgang van een grot. Het was duidelijk te zien. Stond je hier,’ ik sta op om het voor te doen, ‘zag je niets. Ging je daar staan,’ ik maak anderhalve stap opzij, ‘zag je dat de wand bij de uitgang van de grot een hoge

181

kuif onthulde, een scherpe neus, geprononceerde lippen en een stevige kin. Sprekend het profiel van Abraham Lincoln, een van de grondleggers van de USA. Dat kan toch niet? Gewoon door de natuur.’ ‘Echt zijn profiel? Wat bizar,’ zegt ze met opengesperde ogen. ‘Ik begrijp er nog steeds niets van. Kijk, ik begrijp dat het gewoon toeval is, wat je er zelf in ziet, maar het was echt precies zijn profiel.’ ‘Je hebt anders best wel een kuif, een scherpe neus en geprononceerde lippen. Heb je niet over jezelf gedroomd?’ ‘Ach nee zeg, doe niet zo flauw. ’t Was zo echt als echt zijn kan.’ ‘Stenen groeien.’ ‘Wat?’ ‘Stenen groeien.’ ‘Is dat echt zo?’ ‘Jazeker,’ knikt ze. ‘Dat heb ik op de universiteit geleerd. Een van mijn professoren was er van overtuigd dat stenen groeien, dat er leven in zit. De aarde groeit ook.’ ‘Wat heb je eigenlijk gestudeerd, Eva? Ik heb het niet eens aan je gevraagd.’ ‘Ik ben fysicus. Ik was de beste van het jaar.’ ‘Echt? Dan ben je wel een bolleboos, is het niet?’ ‘In de fysica zeker. Zonder te overdrijven kan ik stellen dat ik op dat vakgebied een van de beste ben.’ ‘Van je jaar?’ ‘Nee, zo wie zo. Tenminste in Leningrad. Mijn professor was zeer over mij te spreken. Jij gaat bakens verzetten, dat zei hij ooit tegen mij.’ ‘Zo,’ zeg ik onder de indruk. ‘Dus ik zit hier met een briljant meisje op het strand van Pattaya. Wat een eer!’ Ik deel de schaaltjes met eten uit die de ober zojuist naast ons heeft neergezet. ‘Dank u wel, mijnheer,’ zeg ik hem na. ‘Honger?’ ‘Oh ja, als een beer,’ zegt Eva.

182

‘Als een Russische beer?’ ‘Als twee Russische beren.’ ‘Ik ben een paard. Huhuhuhu!,’ hinnik ik een mustang na en schraap met mijn voeten door het warme zand. ‘Soep eerst?’ ‘Ja. Dit is heerlijke soep. Ik heb het tot dusverre dagelijks gegeten hier.’ Aan de soep gezeten vertel ik verder. ‘Na die tocht door het oerwoud, je kunt het niet voorstellen zo mooi is het daar, al die bloemen, de wilde dieren.’ ‘Zijn daar tijgers?’ ‘Dat weet ik niet zeker. Maar het zou mij niets verbazen als ze ergens diep in de jungle een verborgen leven leiden, uit de reikwijdte van jagers. Toen ben ik terug gevlogen naar Singapore, Malakka, vandaar naar de Cameron Highlands – dat is daarzo geef ik aan in het zand – waar ik een halve week door de heuvels heb gewandeld. Hoe is de soep?’ ‘Voortreffelijk,’ lepelt ze op. Ik proef van de soep en hij is inderdaad voortreffelijk. ‘Toen een paar dagen naar Georgetown, Penang – hier – en vandaar naar de Ko Phi Phi eilanden – daarzo – waar ik weer een week gedoken heb. Dat is echt prachtig. Ko Phi Phi zeg. Daar zou ik wel kunnen wonen. Het echte tropische paradijs. Kristalheldere zee, net als in Layang Layang overigens en een warme bries. Oei oei oei. Echt geweldig. De hele dag onder water, zwemmen met vissen met zulke mooie kleurpatronen op hun lichaam, dat je je afvraagt hoe zoiets moois kan bestaan. Gewichtsloos hang je daar alsof je je in de ruimte bevindt en zie je al die wonderbaarlijke kleuren op je netvlies. Je moet echt eens gaan duiken. Wist je dat kosmonauten gewichtsloze ervaring opdoen met duiken in water? Het voelt blijkbaar hetzelfde aan. Duiken en in de ruimte reizen.’ ‘Nee. Wist ik niet. Ach jawel!’ Ze slaat met haar hand op haar voorhoofd. ‘En nu, nu ben ik hier ben jou. En ik vermaak mij opper-

183

best. Dat mij dit overkomen mag.’ ‘Vind ik ook. ’t Is hier prachtig. Is het niet?’ ‘Ja, het is hier prachtig. Ik hou van Thailand. De sfeer is hier zo bijzonder. De natuur is beeldschoon, de zee, de mensen zijn zeer voorkomend en open. Heel erg beleefd. ’t Zijn de kleine dingen die het er hier om doen. Ik stel daar wel prijs op moet ik zeggen.’ ‘Ja, dat is juist. Het is mij ook opgevallen. Ennuh, vertel eens wat was het beste van je reis, buiten mij uiteraard.’ ‘Uiteraard. Ehm, dat was het duiken in de koraalzee. Het gewichtsloze gevoel, de kleuren van de vissen, de koraalbloemen, de hamerhaaien.’ ‘De hamerhaaien? Oew, is dat niet gevaarlijk?,’ kijkt ze verschrikt. ‘Oh nee hoor. Je moet voorzichtig zijn en geen aanleiding geven tot wild gedrag. Daar houden dieren niet van. Nee, over het algemeen heb je niets te vrezen van de dieren onder water, maar je moet bij de les blijven, want het is en blijft natuurlijk enigszins gevaarlijk. Het ademhalen met de fles is kort oefenen en je moet opletten dat je niet te snel stijgt en daalt. Dat kan echt levensgevaarlijk zijn.’ Ik kijk streng om zo mijn durf te benadrukken. ‘Ik begrijp het. Ik zou ook wel eens willen duiken.’ ‘Een cursus duurt vier, vijf volle dagen, inclusief theorie. Curry?’ Ik reik haar de groene curry met garnalen aan. ‘Jippie! Mmmm... mijn tanden wateren.’ ‘De mijne ook, maar ik moet eerst even plassen.’ Ik ren naar de zee, neem een flinke duik in het warme water en laat de urine lopen. Ik zwem terug, neem de handdoek en ga naast Eva zitten. ‘Plas je altijd in zee?’ ‘Niet altijd, maar nu wel. ’t Is puur natuur hoor.’ ‘Als je het maar niet bij mij in de buurt doet. Dat vind ik niet zo smakelijk.’ ‘Zeker, dat zal ik nooit niet doen.’

184

Eva antwoordt niet; ze knakt de garnaal open en smikkelt hem naar binnen. ‘Goddelijk. Dit eten is Goddelijk. Geef mij een kus, een echte lange zoen.’ Wij kussen tussen het eten door. (Wel tussen de hapjes door spoelen met water.) ‘Hoe is de rode snapper?’ ‘De vis smelt in mijn mond.’ ‘Net als je zoete tong.’ De avond is gevallen en Eva en ik hebben in het hotel onze zwemkleding uitgetrokken. Onder de douche was ik haar lange en zwierige haren, verwen ik haar borsten, buik, billen met kokosolie, haar borsten zijn rond, haar tepels puntig en lang en ik neem ze een voor een in mijn mond, zuigend als een klein en dorstig kind. ‘Dat is lekker,’ zegt ze heet. ‘Later maken wij een sexy feestje, maar nu gaan wij het dorp in. Ik wil graag wat meer zien van het nachtleven in Pattaya.’ Over het strand lopen wij naar het centrum. Pattaya heeft een aardige met palmbomen omzoomde boulevard waar het goed flaneren is, de straten zijn vol met buitenlandse toeristen en vakantiegangers uit Thailand. GoGo’s bij de vleet waar Thaise meisjes hun kunnen aan mannen vertonen, eetstalletjes vol met oudere mannen en jonge kindvrouwtjes, gokhalletjes, massagesalons. ‘Ik wil een massage,’ zegt Eva opgewekt. ‘Doen wij. Het is vertroetel tijd!’ De massage is perfect. Zonder enige terughouding, krachtig, doordringend tot de diepst gelegen spieren. Wij liggen naast elkaar op aparte bedden en geven elkaar om de beurt luchtkusjes. De masseuses lachen om ons. De salon ligt op de eerste verdieping van een winkelcomplex en is verlicht

185

met TL licht. De banken zijn donkerbruin en geven in totaal plaats aan twaalf personen. Handdoeken fungeren als gordijnen. ‘Graag speciale aandacht voor mijn kuiten en mijn hamstrings,’ zeg ik kreunend. ‘Hoe is het Eva?’ ‘Echt geweldig. Mijn rug komt helemaal los.’ ‘U mijnheer? Waar komt u vandaan?,’ vraagt mijn masseuse. ‘Ik kom uit Amsterdam.’ ‘En uw vrouw?’ ‘Mijn vrouw...,’ ik knipoog naar Eva, ‘mijn vrouw komt uit Leningrad.’ ‘Leningrad? Waar is dat?’ ‘Rusland. De Sovjet-Unie.’ ‘Ah. Brrrr. Heel erg koud.’ ‘Oh ja, heel erg koud. Hier is het lekker,’ zegt Eva met een tevreden glimlach op haar gezicht. ‘Ik hou van dit klimaat. Leningrad is heel erg bbbbrrrr.’ ‘Jij communist,’ zegt ze tegen Eva. ‘En jij kapitalist,’ tegen mij. Eva: ‘Ik niet hoor.’ Ik: ‘Ik niet echt. Een beetje. Ietsje meer naar boven,’ zeg ik tegen de masseuse. ‘U sterk lichaam,’ zegt ze met een krachtige druk op mijn bovenbenen. ‘U heeft sterke handen voor zo’n tenger en klein vrouwtje. Uw handen zijn sterker dan de mijne.’ ‘Hoe kan dat?,’ vraagt ze met een nieuwsgierige blik. ‘Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?’ ‘Zij viel van een ster recht in mijn ogen,’ antwoord ik zonder blikken of blozen. ‘Ah, liefde, liefde... dat is een geluk!’ Eva: ‘Ik ben gekomen om bij hem te zijn.’ ‘En ik om bij haar te zijn. In iedere waardige wens zal ik haar vriend zijn.’

186

‘In Bangkok...,’ zegt Eva, ‘in Bangkok hebben wij elkaar ontmoet onder de hoede van de Boeddha van mededogen, in de Ubosoth van het Koninklijke Paleis.’ ‘U heeft elkaar daar voor het eerst ontmoet? Wat een romantische locatie,’ roept de masseuse perplex. ‘Dat is mij niet overkomen. Mijn man heb ik voor het eerst ontmoet op de markt, bij de viskoppen voor in de soep.’ ‘Werkelijk? Is dat zo?,’ vraag ik met een knipoog naar Eva. ‘Viskoppen?’ ‘Ja, viskoppen,’ herhaalt ze, ‘en kreeften,’ besluit ze met een flinke druk op mijn onderrug. ‘Hij is een goede man voor mij.’ ‘Daar zijn wij blij om. U masseert overigens uitstekend. Dankzij de vissen zeker,’ lach ik Eva toe. ‘Hoe gaat ’ie? Is alles naar wens voor mijn prinses?’ ‘Ik geniet met volle teugen,’ slaakt ze met een tevreden zucht. ‘Echt lekker.’ ‘Ja, hè?’ (Met een tevreden knik.) Wij lopen hand in hand terug naar het strand en zitten een poosje naar de sterren te kijken die boven de zee wijzen. ‘Zullen wij zo naar de dancing gaan? Of iets anders? Waar heb je het meeste zin in?,’ vraag ik aan haar. ‘Laten wij hier blijven zitten. Het is rustig; de sterrenhemel hier is zo romantisch. Zo vol als de hemel is.’ ‘Dat komt omdat wij dichter bij de evenaar zijn, zie je de slang van de Melkweg beter.’ ‘De slang?’ ‘Ja, zo ongeveer, of als een wolk witte vogels in stilstand, zo ziet het er uit.’ ‘Je hebt een poëtische inslag, Adam. Dat waardeer ik in je.’ ‘Dank je. Jij ook. Ik geniet van je opmerkzaamheid.’ ‘Stil is het, vind je niet? Hoor je het kabbelen van zee?’ ‘Ja, dat is het meest oorstrelende geluid van de hele wereld. Tenminste, zo denk ik er over. Begin mij niet over de zee. Of

187

vogelzang, dat overtreft iedere menselijke poging tot musiceren.’ ‘Het is geweldig. Stil. Hoor die zee, zo kalm en licht als ’ie het strand beroert. Hap, hap...’ ‘Als een hartslag gaat het kabbelen van de zee. Weet je iets van sterren? Je bent fysicus? Toch?’ ‘De zee ademt in en weer uit. De golven komen. De golven gaan. Ik kijk zo graag naar de sterren. Er gaat zoveel rust van ze uit. Maar in feite zijn het gasbollen. Hele grote, hete gasbollen, het is een nucleaire bende daarboven. Veel waterstof, ultraviolette golven, gamma stralen. Vergeleken met andere sterren in de Melkweg is onze zon maar een dwerg.’ ‘Zo bedoel ik het niet. Weet je iets over waar welke ster staat?’ ‘Je bedoelt de namen en de locatie van de sterren?’ ‘Ja.’ ‘Helaas niet zo veel. Ik weet wel daarzo dat is Sirius en daar is Vega... en daar is de Grote Beer, zie je dat steelpannetje?’ ‘Als er een Grote Beer is, waar is dan de Kleine Beer? Is er ergens een Yogi-Beer? Een ijsbeer?,’ lach ik haar toe. ‘Die is daar,’ wijst Eva de Kleine Beer aan. ‘Ook een steelpannetje. En daar, daar zijn de Plejaden.’ ‘Hoe heette Sirius in de Egyptische tijd ook alweer?’ ‘Daar weet ik niets van. Ben nooit eerder in Egypte geweest. Mmm? Yogi-Beer?’ ‘Just kiddin’. Grapje. Jij weet er dus echt veel van. Ik dus helemaal niets. Niente. Nothing. Nada. Nichts. Ik voel mij meer verbonden met de zee dan met de sterren. Ik bedoel met name onderwater, de koraalblauwe zee, al dat prachtige leven... Aan een ster verbrand je je maar, dus geef mij maar de koelte en de verlichting van het water, de branding en als drank, wat zeg ik?,’ zeg ik al opkijkend. Ik gooi een schelp in zee. ‘Water is de kern van het lichaam. Wij bestaan uit weet ik wel hoeveel water. De duiding van de sterren vind ik overigens toch van een wonderbaarlijke schoonheid. Weet je dat

188

afstand, dat ze zich steeds verder van ons af bewegen, dat het heelal uitdijt. In het begin supersnel, daarna steeds langzamer. De enorme grootte van alles wat ons omringt. Panta Rei.’ Wij zitten daar op het strand, de nacht is gevallen en wij kijken, naar de sterren kijken wij, eindeloos zonder begin zonder einde altijd maar bestaand zijn zij daar. De eeuwige velden en ik kijk in haar ogen, zeeschelpen overal. ‘Hoe weet je dat zo zeker? Er wordt juist veel onderzoek gedaan naar dit soort zaken, maar zeker weten wij het echt niet. De wetenschap...’ ‘Ach ja, de wetenschap,’ onderbreek ik haar met een pips gebaar, ‘het staat geschreven in oud Indische geschriften van duizenden jaren geleden. De Rig Veda. Zij wisten destijds al de exacte snelheid van het licht. En dat het heelal uitdijt, dat er vele universums zijn, net zoveel als er zandkorrels op het strand zijn, dat wij leven in een oneindige cyclus van geboorte en wedergeboorte. Omdat de kosmos zo is en wij er in leven, is het niet anders dan dat wij deel uitmaken van die cyclus. Geboorte en wedergeboorte...’ ‘Ja, maar, dat is nog niet bewezen.’ ‘Hoezo? Het staat toch op schrift van lang geleden? En nu doet de wetenschap het nog een keer dunnetjes, wat zeg ik, dik over, om het zogenaamd echt te bewijzen door in de ruimte te gaan reizen, door miljarden uit te geven aan nieuwe wetenswaardigheden die allang zo geschreven zijn. Het kopieer gedrag van de mens kent geen grenzen. Het wiel is allang uitgevonden en niet door de mens zelf,’ verkondig ik vastberaden. ‘De Hollander Erasmus zei het al. En die had het weer van de Griekse sceptici. Hij zei dat de menselijke geest bevattelijker is voor imitatie dan voor de waarheid.’ ‘De mens imiteert. Wij hebben het wiel gereproduceerd,’ bevestigt Eva. ‘Je hebt gelijk, wetenschap kan alleen dat bevestigen wat al is, nadoen, reproduceren, verbeteren, er een eigen kwinkslag, draai aan geven.’

189

‘Dat noemen ze ontdekken en ineens bestaat het. Zogenaamd, wat het bestond al lang. Al kun je de mens kenmerken als creator; wij maken geheel nieuwe zaken uit bestaande materie. Je weet wel, bepaalde kunststoffen en -gassen en kunst in het algemeen, vormgeving, architectuur.’ Eva: ‘CFK’s bijvoorbeeld.’ ‘Ja, ik vraag mij af hoe de natuur omgaat met het opnemen van zulke gassen. Kan ze er wel tegen?’ ‘Dat onderzoeken de wetenschappers, dus daar komen wij wel achter te zijner tijd. Kom, laten wij het over iets anders hebben. Laten wij de sterren voor wat het waard is, de kosmos zij wat ’ie is. Waar het op aarde om draait is iets heel anders.’ ‘Hoezo? De aarde draait toch om de zon?’ ‘Ha, nee, zo bedoel ik het niet. Het gaat erom hoe het beste samen te leven op deze planeet. De mens is de beheerder van de aarde. Daar geloof ik heilig in.’ ‘In het feit dat wij de beheerders van de aarde dienen te zijn?’ ‘Ja en niet de verschrikkers,’ beklemtoont Eva, ‘mensen gaan in het algemeen onachtzaam om met de mooie aarde. Alsof het ze niet zoveel uitmaakt. Ik begrijp dat niet.’ ‘Indien wíj beginnen met goed voor elkaar te zorgen en dat overdragen aan andere mensen en die weer en die weer... Zodra eenieder de gulden regels volgt, kan er niets mis gaan.’ ‘Welke gulden regels?’ ‘Ach je weet wel, liefde, geven, aandacht. Van dat soort eenvoudige menselijke zaken.’ ‘Ja, het draait om goed handelen.’ Wij zitten nog een tijdje op het zand, al sterren kijkend; de hemel oplichtend. Wij lopen naar de rand van het strand en gaan blootsvoets door het lauwe zeewater. ‘Het is lekker water,’ zeg ik tegen haar en ik kus haar mond en ren er vandoor, het zeewater opspattend en wegschop-

190

pend. Ik maak een salto naar voren van louter vreugde. ‘Jippie! Jippie! Jippie! Jahoe!’ Eva komt aangedraafd, ze heeft er flink de vaart in: ‘Wat is het leven toch fantastisch,’ roept ze uit, terwijl ze haasje over doet. En ik weer haasje haar en zij weer haasje heer, haasje haar, haasje heer, haasje haar, haasje heer... En ik haas nogmaals over haar heen, wij rennen in struisvogelgalop; ik trek mijn kleren uit – hier is het toch rustig en zie ik geen andere mensen op het strand – leg ze op het zand en duik in de donkere zee, zwem weg. De maan staat driekwart in de Thaise tropenlucht. Eva trekt haar kleren uit en zwemt naar mij toe. Wij spelen dolfijntje met elkaar tot de klok twee wijst, kusjes op mijn neusje, op de hare, tip-toe. Op het strand liggen wij nog wat na te hijgen van onze sportiviteit, het spel. ‘De sterren staan mooi. Ruik je de zoetheid van de lucht?,’ merkt Eva op. ‘Mmmm... hoe zwoel, hoe zoet het leven hier is.’ Wij gaan terug naar het hotel, nemen een nachtelijke duik in het zwembad, terug in de kamer kleden wij ons weer uit, een kort badkamer bezoek en: ‘Welterusten schatje.’ Eva (innig): ‘Mmmmmm.’ Ze kruipt nog dichter tegen mij aan, als twee kleine marmotten liggen wij rond. Geborgenheid, fijn en Eva is zóóó sexy. Eva: ‘Je bent sexy.’ Adam: ‘Ppppprrrrrrr.’ (Net een tijgertje.) ‘Ppppprrrr.’ (Tijgertje terug.) ‘Marmelade? Hou je van marmelade?,’ vraag ik aan haar zodra wij ’s ochtends laat op het terras met zeezicht aan het ontbijt zitten. Ze wrijft de slaap uit haar ogen. ‘Marmelade? Mmm, nee, oh jawel. Ik hou ervan, maar niet vandaag. Ik neem vers fruit.’ ‘Geroerd eitje?’ ‘Nee, alleen fruit. Dank je.’

191

‘Echt niet? ’t Is toch zo lekker een gebakken eitje, roeren maar...’ Ik blader door een krant. ‘Staat er iets nieuws in?’ ‘Nee, niet echt. Eigenlijk staat er steeds hetzelfde, alleen de namen, tijd en plaatsen veranderen. Wil je je horoscoop weten?’ ‘Nee, dat vind ik onzin. Hoe wordt het weer vandaag?’ ‘Kijk om je heen en je ziet het: stralend, heet, vochtig. Tropenweer. Wat zullen wij vandaag gaan doen?’ Ik sla de krant dicht. ‘Ik wil naar een orchideeënkwekerij en naar de heuvels verderop. Daar kunnen wij toch makkelijk komen met de auto, denk je niet?’ ‘Niet op het strand hangen? Lekker zwemmen?’ ‘Later, later... Wij hebben de halve nacht gezwommen en gisteren ook al. Ik wil zo graag naar de orchideeën.’ Ze schenkt de koffie in. Het ontbijt brengt ons vers fruit en verse melk, thee, espresso, Thaise ontbijtkoekjes van vis en kip. Rijst met geroerbakte groenten, verse broodjes, croissants, boter, marmelade. Eten in overvloed. Vooraf geef ik in stilte een dankwoord voor de spijzen, voor het harde werken dat mogelijk maakt dat ons leven zo goed is, dat wij in elkaars leven gekomen zijn. De V8 van de Ford Mustang ronkt diep en ik trap het gaspedaal nog dieper in. Wij slaan linksaf en nemen de weg langs de zee naar de orchideeëntuin, twintig kilometer ten zuiden van Pattaya. De kap van de Mustang heb ik neergelaten zodat de zeewind met onze haren speelt, de picknickmand en de handdoeken liggen in de kofferbak. Wij lopen het terrein van de orchideeëntuin op. Centraal voor ons ligt een rotonde. Paden wijzen de vier windrichtingen aan. Het heuvelachtige terrein waaiert open met palmbomen en ananasbomen aan weerszijden. Bij de bewegwijzering

192

staan wij stil ter oriëntatie. ‘Mag ik jullie complimenteren?,’ vraagt een net geklede oudere man aan ons. ‘Complimenteren? Waarmee?,’ antwoord ik lachend. ‘Ik wil jullie een compliment geven. Of nou ja, ik wil aan jullie zeggen dat ik nog nooit eerder in mijn leven een vrouw en een man samen heb gezien die zo goed bij elkaar passen, die samen zoveel plezier uitstralen. Jullie zijn goed samen.’ De man kijkt ons om beurten aan, Eva eerst en naar mij, met een verlegen en tegelijkertijd ondeugende oogopslag. Eva: ‘Mijnheer, onze dank voor uw woorden. Wat een bijzondere eer! Hoor je dat Adam?’ ‘Ja, ik heb hem gehoord. Dank u wel. Ik ben Adam.’ Ik reik hem een hand. Hij draagt een tweedelig beige kostuum en ik schat dat hij ongeveer zeventig jaar oud is. Grijze haren als vlas. ‘Indien ik uw leeftijd goed inschat mag ik uw opmerking zeer hoog schatten.’ De man schudt mijn hand en die van Eva. ‘Goedemorgen,’ zegt hij, ‘ik ben Steven Keene, Engeland. Mag ik van jullie een foto maken?’ ‘Natuurlijk,’ zegt Eva. ‘U komt uit Engeland. Uit welke stad als ik vragen mag?’ ‘Ik kom uit Brighton. Dat is aan de zuidkust.’ ‘Oh ja, daar was ik in mijn tienerjaren een keer,’ zeg ik tegen hem. ‘Staan wij zo goed?’ ‘Ja, zo is het geweldig. Kijk maar naar het vogeltje,’ zegt Steven zodra hij de camera richt. Eva en ik kijken naar het vogeltje en kazen hem toe. Ik geef hem mijn camera. ‘Wilt u met mijn toestel een foto van ons maken?’ ‘Zeker.’ Hij pakt mijn Nikon en knipt. ‘Mooi toestel.’ ‘U ook zo te zien. Een Mamiya is niet mis. Goed hoor. Excuseert u mij beste Steven, maar ik ben enigszins overweldigd door uw opmerking. Ik kan het moeilijk geloven dat u in uw lange leven nooit eerder een leuker stelletje heeft ontmoet.’

193

‘Toch is het zo. Zo blijft het leven voor mij vol kleine openbaringen. Dat jullie Eva en Adam heten. Echt super!’ Eva omarmt Steven en kust hem op zijn rechterwang. ‘Dat heeft u wel verdient. U bent een man naar mijn hart. Zeg, bent u nog vrij? Indien ja, dan wil ik u veel beter leren kennen. Wat een geweldige man, vind je niet? Adam, ik denk dat ik met Steven verder ga,’ schatert Eva uit en ze trekt aan zijn linkerarm alsof ze er met hem vandoor wilt gaan. Steven lacht en ik moet ook lachen. ‘Zeker. U bent een aardige man, dat u ons daarover aanspreekt. En u? Is uw vrouw bij u?’ ‘Nee, ik ben hier alleen. Mijn vrouw is drie jaar geleden gestorven...,’ zegt Steven met een trillende stem. Een traan in zijn linkerooghoek. ‘Wij waren hier vijftig jaar geleden op huwelijksreis en wilden in ons jubileumjaar terugkeren naar de plaatsen uit de tijd van toen, maar het is er helaas nooit meer van gekomen. Ze werd plotseling ziek en overleed kort nadien. Dus heb ik onlangs besloten om de reis nog een keer te maken. Alleen.’ Hij neemt zijn portefeuille uit zijn binnenzak en laat een foto zien van zijn vrouw en hem, samen jong. Zij in een witte japon met lange sleep en hij in driedelig pak met hoge hoed in de linkerhand. ‘Dat is uw trouwfoto,’ zeg ik. ‘Uw vrouw is wonderschoon. U bent zeker heel erg gelukkig met haar geweest. Bijna vijftig jaar huwelijk. U heeft een rijk leven met haar gedeeld, naar ik aanneem?’ ‘Ja zeer rijk, maar nu is ze er niet meer.’ Er springt een traan in zijn rechteroog. ‘Dat spijt mij,’ zegt Eva. Ze kust hem nog een keer teder op zijn wang. ‘Ik weet zeker dat u goede en warme herinneringen heeft, nu u weer hier bent.’ ‘Ja, dat heeft u goed gezien. Het was de meest feeërieke reis van mijn leven en geniet ik opnieuw met volle teugen. Beste Eva en Adam. Ik weet zeker dat jullie samen een fijne tijd hebben hier, maar ik moet er vandoor. De bus staat op mij

194

te wachten.’ Ik schud Steven de hand en wens hem een goede reis. Eva: ‘Dag mijnheer Keene. Nogmaals dank voor uw warme woorden.’ Ze drukt hem de hand. ‘Met genoegen. Ik wens jullie het beste. Jullie worden, nee, zijn een gelukkig stelletje.’ Steven draait zich met een lichte schok om, alsof hij in ons zichzelf en zijn vrouw ziet en het hem iets te veel wordt, de jaren die voorbij zijn gegaan. ‘U ook Steven,’ antwoorden wij simultaan. ‘Wij vinden u de liefste oudere man,’ zegt ze hem na. De Engelsman knikt zijdelings bij haar woorden. ‘Dank jullie wel.’ ‘Kom, op naar de bloemen,’ roept Eva uit. ‘Wat een aardige man.’ ‘Zo wil ik worden als ik oud ben; een statige oude heer met een mooi pak en een fijne hoed.’ Ze pakt mij vast en samen rennen wij over het terrein en gaan het naastgelegen bouwwerk in, een pracht aan kleuren knalt op mijn netvlies, orchideeën overal en ze danst, een prima ballerina vol vreugde over de vuurrode stenen. Minutenlang vliegt ze rond en rond; als een vlinder uitbundig van vreugde draait ze pirouettes door de orchideeënhal. Uiteindelijk gaat ze zitten op de stenen rand van de vijver die in het midden van het dakloze gebouw ligt. ‘Een foto. Hierzo, met de bloemen, het water en de Boeddha op de achtergrond.’ Een foto maak ik van haar waarin ze onderdompelt in de zee van bloemen, de vijver reflecteert de wikkelrok met bloemenmotief die haar welvende lichaam nauw omsluit en haar gezicht met de grote heldere blauwe ogen, de volle rode lippen, alsof ze een grote bloeiende bloem en de vlinder ineen is. Ze danst weer verder; ze kan het niet laten, ze draait maar door, cirkel na cirkel, de armen zwaaien en wijzen naar de hemel. Buiten gekomen springt ze voor de verblufte gezich-

195

ten van andere bezoekers in de fontein en ze dompelt zich onder. ‘Oh, dat is zo lekker, al dat koele water is zo verfrissend in deze hitte!’ Het water druppelt naar beneden over haar nauwe jurk. Ik spring haar achterna en klem mij stevig aan haar vast. Onze kleren zijn doorweekt en met een hoofdknik naar achteren ontdoe ik mijn haren van het water uit de fontein. Ze staat versteend stil, een standbeeld waardig, waternimf, oneindig veel mooier dan elk beeldhouwwerk. Het park bevat veel meer dan orchideeën alleen; er zijn grasvelden die vijvers vol bloeiende lotusbloemen omzomen. Je steekt er een over, onder je voeten openen de bloemen hun kelken. Europees geïnspireerde marmeren standbeelden imiteren de mensen. Velden vol tropische planten in de kleuren van een schilderspalet. Goudvissen ook en andere edele onderwater dieren en een deel bevat een tijger crèche. ‘Een tijger crèche!’ (Eva.) ‘Daar zijn ze.’ (Adam.) Drie kleine tijgertjes krioelen over elkaar heen. Ietsje verder nog een stuk of zes, zeven kleine poesjes. ‘Kijk Eef! Het zijn Tik, Tek en Tak,’ lach ik haar toe. Eva: ‘Hoe kom je daarbij? Tik, Tek en Tak? Geweldig zijn ze, vind je niet?’ en ze streelt het tijgertje links van haar. ‘Kan ik ze vastpakken?,’ vraagt ze aan de opzichter. ‘Oh ja hoor, dat is geen probleem. Wel voorzichtig,’ antwoordt de opzichter. ‘Hoe oud zijn ze?’ ‘Vijf weken zijn ze. Over een paar maanden kunt u ze niet meer zo oppakken, tegen die tijd willen ze graag iets harder bijten. Het zijn echte ondeugende kleine schatjes,’ antwoordt de opzichter, de boel iets toelichtend. ‘Het zijn twee jongetjes en...’ ‘Een meisje,’ vult Eva ongevraagd aan. ‘Dit is...?’ ‘Het meisje.’

196

‘Oh wat een schatje. Zie je het Adam, hoe aardig ze zijn en hoe speels?’ Het tijgertje probeert haar klauwtjes in Eva’s arm te slaan, maar het lukt nog niet. ‘U mag deze de fles geven,’ suggereert de opzichter. ‘Oh werkelijk? Wat leuk!’ Eva neemt de fles met melk over en de speen verdwijnt in de gulzige mond van het tijgertje. Ze klimt met haar pootjes naar meer en nog meer melk. Zoete nectar van vlees. ‘Wat een schatje,’ zeg ik tegen Eva. ‘Als die zo klein blijft, neem ik het zo mee naar huis. Ik ben dol op tijgertjes, zo jong nog en zo onschuldig. Kijk hoe gulzig ze van de melk drinkt. Kijk hoe ze gaat! Tik!’ ‘Waar is de moeder van deze?,’ vraagt Eva aan de opzichter. ‘Die zit daar. In die kooi rechts van u.’ Hij wijst verderop. In de kooi een tijger groot groter grootst naast een mens, de vacht glanzend en vol, het hoofd sterk en trots. Weeklagend gekreun weerklinkt. Ze sluipt onrustig door de kooi en klimt in de spijlen. Het is duidelijk dat ze de borst wil geven, dat ze haar eigen kroost bij zich wil hebben. ‘Wanneer gaan ze terug naar de moeder?’ ‘Over een half uurtje weer. Nu mogen ze buiten spelen.’ De melkfles is leeg en het tijgertje kijkt voldaan om zich heen. ‘Geef eens hier?,’ vraag ik aan haar. Ze overhandigt het tijgertje en ik ga zitten en laat het rusten op mijn rechter bovenbeen. Het tijgertje begint te brabbelen en te bijten, maar heeft niet de kracht om schade aan te richten. Ik streel het tijgertje over haar hoofdje, haar kleine lichaampje en kietel het lichtjes in de zachte warme buikstreek. ‘Ah, wat is deze om te zoenen.’ Ik kus het diertje op haar neusje. Het tijgertje bijt en krabt maar door, geheel naar mijn genoegen. Ze komt naast mij zitten en volgt met een vinger de strepen van de vacht. Ik kus Eva op haar neusje. ‘Ik vind je geweldig,’ zeg ik te-

197

gen haar. ‘Ik jou ook.’ ‘Bij jou voel ik mij gelukkiger dan ooit tevoren. Zoals je het tijgertje melk gaf. Je keek zo gelukkig.’ Het geklaag van de moedertijger gaat maar door en wij nemen de andere twee tijgertjes op onze schoten en knuffelen ze totdat de bewaker aangeeft dat ze terug naar binnen moeten. ‘Mama tijger zal zo meteen heel erg blij zijn,’ zeg ik tegen Eva. ‘Ik kan niet zo goed tegen dat geluid, het dringt door merg en been. Ach waarom kunnen deze dieren niet in de open natuur leven? Dat zou toch een nobel streven zijn? Hoewel ik dit erg leuk vind, dus wat moet je daarmee? Wat vind je van dierentuinen?’ ‘Educatief en goed voor het bewustzijn van de stedelijk levende mens. Maar ik vind dat ze vrij moeten zijn en niet in kooien moeten zitten.’ ‘In Nederland hebben ze een aantal dierentuinen in de open natuur; in grote nationale parken. Daar kunnen ze in alle vrijheid rondlopen, dat kan ik goed hebben. Zo heb je in Borneo grote parken die beschermd gebied zijn. Dit hier is kleinschalig opgezet. Volgens mij doen ze hier aan beschermingsprogramma’s. Ik zag iets eerder een aanwijzing op een bord dat ze hier zoiets doen. OK toch?’ ‘Zeker.’ In de boomkruinen achtervolgen makaken elkaar. In de warmtekassen liggen slangen roerloos en vlinders vlinderen van bloem naar bloem. Wij vervolgen onze weg richting zuiden, de heuvels in, op zoek naar een behaaglijke plek om ergens in het groen van het middageten én elkaar te genieten. Ik draai linksaf de heuvels in en zet de stereo aan en duw een cassette in de recorder. Enkele uren later zit Eva achter het stuur, ik wrijf nog een keer over mijn rechter scheenbeen en ze zet de cassetterecor-

198

der aan. David Byrne van de Talking Heads zwiept met zijn gitaar. Hij zingt dat wij zulke lieve wezens zijn. Ze scheurt er goed op los. ‘Wow! Wat is dit een geweldige auto zeg! Super.’ Ze drukt het gaspedaal nog harder in en de teller wijst 140. ‘Jahoe!’ Ik draai wat aan de knopjes van de radio en vraag aan haar wat ze wil gaan doen. ‘Naar het dolfinarium toch, of wil je iets anders?’ ‘Nee, OK, super. Ik heb in mijn leven nooit echte dolfijnen gezien.’ Ze heeft haar haren in een hoofddoekje om zo haar coiffure te behouden, een zijden sjaal van Hermès zie ik op het label staan. ‘Zo, een Hermès schaal?’ ‘Zeker. Alleen het beste voor mij.’ ‘Flipperdeflipperdeflipperdeflap.’ ‘Wat?’ ‘Ik oefen alvast voor de dolfijnen.’ ‘??’ Eva lacht: ‘Jij hebt echt flauwe humor.’ ‘Jij niet zeker.’ (Met een knipoog.) Ze giechelt en concentreert zich op de weg. Bij de dolfijnen wordt het al snel een dolle boel. Eva, spontaan als altijd, staat als eerste vrijwilligster klaar en ik ga mee het bad in, op de ruggen van de dolfijnen; in een stromende golf door het water met de snorkel op. Wij laten ons meesleuren in de wervelende show die de dolfijnen voor ons in het water uittekenen. Wij hebben de tijd van ons leven. Neusje aan neusje tippen wij tegen elkaar en hang aan de rugvin van dit edele zoogdier. De speelsheid en de intelligentie van de dolfijnen beroeren ons; ze zijn zacht, maar beresterk en stevig. Ze communiceren echt, zijn ontvankelijk voor onze strelingen en onze glimlachen. Ze luisteren naar ons hart, bewegen in het ritme van de vier kamers. Wij beantwoorden de dieren stralend met een luid gekwetter. Ze kwetteren terug. Onuitwisbare vreugde. Ze zijn gek op de visjes die ze

199

toegeworpen krijgen en ik zing tijdens het zwemmen de melodie van Flipper: “Daar heb je Flipper Flipper Flipper de Flapper. Wat een dolfijn om trots op te zijn”. Ze delen onze vreugde, zien de liefdesstralen in onze ogen en beantwoorden deze met een klein tipje, een extra duwtje tegen onze voorhoofden, op onze kruinen, tegen onze buiken. Ze buigen over onze hoofden heen, zacht en delicaat. Ze zijn geweldig en wij hebben ongelooflijk veel plezier, lachen ons een breuk. ‘Dat was echt lollig,’ gniffelt Eva zodra wij in de Ford Mustang zitten richting hotel. ‘Dolfijnen dat zijn de tofste gasten van de hele wereld,’ roep ik terug tegen de wind in. De avond valt snel en Eva en ik brengen deze op een prettige manier door. Wij hebben zoveel plezier met elkaar, teasen en pleasen dat het een lust heeft tijdens de diner dansant. Ze stookt de boel lekker op. Het is al heet in de tropen, maar onze zoetheid maakt dat het nog heter is en nog vochtiger. ‘Wil je het later lekker heet en lang?,’ vraag ik aan haar. ‘Wij zijn al lang bezig met de voorbereidingen. Voel je het?’ ‘Zeker, vanavond maken wij er de langste avond van, eerst krijg je van mij de tederste massage die je ooit hebt gehad, urenlang ga ik je lichaam strelen met licht geparfumeerde olie, ieder vezeltje van je zal ik beroeren en ik zal je lekkerder klaarmaken dan ooit tevoren,’ vlei ik in haar oor. ‘Vanavond wordt een zoete nacht, nog zoeter dan in mijn zoetste dromen,’ fluistert ze zachtjes in de mijne en gooit met een schaterlach haar witte haren naar achteren. Net een wilde merrie in een wei, klaar om bedwongen te worden. De Appaloosa hengst draaft door de vallei in de richting van de zonsopgang. Hij hinnikt en steigert dat het een lust heeft, het is onmogelijk om het wilde dier in toom te houden; zijn zwarte manen wervelen door de wind. Ze neemt een diepe hap verse lucht, omklemt met haar

200

benen de zijne en geeft met haar hakken de sporen, als een volleerd rijdster rijdt ze over de prairie, over de steppes van Rusland draaft ze kilometer na kilometer in wild en groot galop. Hij draaft door en door, de vallei in, over de bergen, door natte en woelige rivieren, door de oerwateren. De ware sensatie volgt. Het paard en de ruiter laten het zo dat ze de teugels vieren. Wie is de ruiter? Wie is het paard? Wij zijn samen ruiter en paard! Op in de sprong naar het diepe en wij laten los. (Het lichaam is het werkpaard van de grote adem, de altijddurende eeuwige bries.) Unisono crescendo. De totale extase. Hoe opwindend! Het kosmische ei. Totale stilte, wervelend licht en vibraties tegelijkertijd. Een lichaam. Osmosisch genot. ‘Ja! Jij! Ja! Jij bent het, jij bent het voor mij. Zachtjes, alsjeblieft, ja (...) zo is het lekker,’ hijgt ze in mijn oren. In haar ogen wind en weerlicht. Verbazing, verbijstering. Trillend als blaadjes die verkoeling vinden in de wind, zo liggen wij na te trillen; ze schudt wild met haar hoofd en weet nog steeds niet hoe ze het heeft. En voor mij geld exact hetzelfde. Dit was niet van deze wereld. De hengst gaat op stal, wiegend in haar branding, briesend. (Dat alles gebeurde na de urenlange massage.) ‘En? Zit je goed?,’ vraag ik aan haar. De volgende ochtend zitten wij in een grote rieten zetel op een olifant en kijken uit over het groen golvende landschap. ‘Ja, bijna.’ Ze schuift heen en weer en herschikt de kussens totdat ze luxueus wegzakt en tevreden opkijkt. ‘Zo is het prima.’ Vandaag, zondag, maken wij een rit van vier uur door de jungle ten zuiden van Pattaya. Wij zijn met een groep van tien olifanten op weg en trekken door een stroompje. De olifanten drinken gulzig van het water. Ze trompetteren er op

201

los. Ik draai mij om en zie de zee achter ons baden in zijn eigen licht. Het landschap glooit langzaam naar beneden, maar wij gaan omhoog door het dichte gebladerte; de olifanten schommelen heen en voorwaarts. Wij zitten genoeglijk in hun beweging. ‘Heel anders dan een kameel, of een ezel, is het niet?,’ vraagt Eva. ‘Ik heb zelf geen flauw idee.’ ‘Totaal anders. Ik heb vroeger als kind op de rug van een olifant gezeten, maar ik kan het mij niet zo herinneren. Ik vind het een behaaglijk ritme. Wat een grote dieren, hè?’ Voor ons zit de bestuurder op de nek van de olifant en hij geeft met kleine tikjes het tempo en de richting aan. Hij draagt een uniform in rood en gouden tressen op zijn schouders, de revers ook. Zo af en toe draait hij zich om en lacht, wijst naar opmerkelijke bloemen en dieren; de aapjes die ons al bedelend naar voedsel achterna rennen. Voor ons leiden de olifanten de heuvel op, volgen het stroompje. Het wordt afwisselend omzoomd door hoge bomen en varens. Op de heuvel tegenover liggen rijstvelden en stroomt het water lichtblauw over de irrigatie kanalen. Wij zwaaien naar de andere toeristen die aan de tocht deelnemen en steken onze duimen omhoog, geven aan dat wij het naar onze zin hebben, dat het ritme van de olifant ons bevalt. Eva leunt in mijn armen en zo zitten wij uren onder de parasol en laten ons leiden door het luie uitzicht, stappen zo af en toe af voor een korte pauze en zo ook voor een lange pauze waar wij een rondleiding krijgen door een olifantenfarm en wij zelfs een bevalling meemaken. Het toeval wil dat wij precies op tijd zijn en wij staan in totale overgave te kijken naar het olifantje dat ingepakt en wel, met de pootjes vooruit en in vlies verpakt, naar buiten komt. ‘Wat een wonder,’ onderstreept ze het magische gebeuren. En dat is het ook. Daar op de heuvels, het uitzicht op zee en ik zie het gebeuren, het vlies opent en het olifantje breekt

202

in de wereld, staat op, beweegt naar de moeder, zoekt naar de melkklieren en begint te drinken, valt om, staat op, maar besluit om opnieuw te gaan liggen. Hij geeft er de brui aan. De kersverse moeder hijgt tevreden uit. Ze kijkt blij uit haar ogen, zo zie ik en ik gooi mijn armen om Eva heen. ‘Hoera!’ De moeder besnuffelt haar kind met de slurf en gooit hem op de andere zijde, onderzoekt alle lichaamsonderdelen van haar zojuist geborene. ‘Just like heaven.’ ‘Echt.’ Op de boerderij zijn veel jonge olifantjes. Het is een vruchtbaar jaar, zeggen ze. Al zeventien olifantjes dit jaar! Ik maak een paar foto’s van haar met de olifantjes en kijken nogmaals naar het zojuist geboren olifantje en zwaaien de dieren een goedendag toe. Wij gaan verder, dalen af naar de kust via een ander olifantenpad. De behaaglijke zit op de rug van de olifant schommelt ons genoegzaam in een lichte slaap. In elkaars armen gelegen bereiken wij het strand. Na een korte rit in de Mustang zijn wij terug in het hotel en nemen een koude douche, lopen naar het strand en zwemmen in zee, bestellen kleine hapjes en frisdrank. Onder rieten parasols gezeten, genieten wij van het uitzicht; de baai van Pattaya schijnt zonovergoten, surfers scheren over het wateroppervlak. Het is redelijk druk. Veel families zitten groepsgewijs te genieten van de vrije dag en hebben hun picknick. Kinderen scheppen in het zand, spelen met strandballen en rennen rond, springen in het water. De geur van zonnebrand en ananas overal. Eva bladert door een tijdschrift en zegt: ‘Wist je al dat er meer mensen sterven door vallende kokosnoten dan door haaien?’ ‘Sorry?’

203

‘Dat er meer mensen sterven door kokosnoten dan door haaien.’ ‘Hè? Nee, daar heb ik nooit eerder van gehoord. Staat dat in het tijdschrift?’ ‘Ja. Kijk. Hier staat dat er door vallende kokosnoten mensen overlijden. Die krijgen de noot boven op hun neus als ze onder de boom in slaap zijn gevallen, of niet opletten.’ ‘Daar moet die Spielberg dan maar een film over maken.’ ‘Spielberg. Die man van E.T.?’ ‘Hij heeft toch ooit een film over een agressieve haai gemaakt? “Jaws”. Zo heet die film. Dus als het met die noten erger is dan met die haaien, dan kan hij daar vast een film over maken. Over agressieve kokosnoten. De aanval van de wilde kokosnoot. Of de wilde haren van de kokosnoot. Kan ook wel een goede titel zijn. Ik zie het al voor mij. In een van de scènes ligt er iemand te maffen onder de boom en die noot denkt heb ik je kip en valt naar beneden. Net op het moment dat de noot op de neus valt, draait de held van het verhaal zich om. En die boom wordt dan helemaal link!’ ‘Adam, Adam, wat heb jij een fantasie.’ ‘Nou ja, een beetje onzin moet toch kunnen? Dus als die noten erger zijn dannuh die haaien, dan heb je wel een flinke dreiging aan de kust. Echt Eef. Kijk uit. Ze vallen ons aan! Pas op. Een kokosnoot!,’ zo wijs ik naar een palmboom. ‘Ja, maar die haaien die zijn er op uit.’ ‘En die noten laten gewoon los.’ Eva lacht. ‘Ja, dan gaan die bomen helemaal door het lint en regent het ineens noten op onze hoofden! En dan moeten wij vluchten door de notenregen en halen net de ingang van het hotel.’ ‘Ondertussen zijn die haaien op het lawaai aan de kust afgekomen en krijgt er een een noot op z’n hoofd. Die kwam te dichtbij.’ ‘En die Spielberg maar aan zijn camera draaien. Die bomen die worden echt link!’

204

‘Ja. Die haaien gaan zich ermee bemoeien en vallen de bomen aan. Dan komt E.T. aangelopen, of zit hij in een mandje voor op een fiets en maakt meteen schoon schip met die misselijke noten en haaien.’ ‘Wij moeten met Steven bellen en hem een script voorleggen.’ ‘Dat is een geweldig idee. Heb je zijn nummer?’ ‘Ik zal even kijken.’ Ze pakt haar handtasje, klapt een boekje open en bladert er doorheen. ‘Nee, die van Steven heb ik niet. Wel die van Bob.’ ‘Bob?’ ‘Bob Dylan. Grapje Adam.’ ‘Ja, haha. Ik dacht al... ik heb hun nummers niet. Jij trouwens een portie kokosrijst met ananas?’ ‘Klinkt goed,’ knikt ze. Ik bestel twee porties en een portie pikante tonijn. Voor bij de hapjes. ‘Maar het blijft toch vreemd dat er nooit een film is gemaakt over die kokosnoten,’ gaat ze door. ‘Ja, het zijn bloeddorstige creaturen. Misschien wel daarom. Is het te gevaarlijk,’ lach ik haar toe. ‘Ik heb die haaienfilm nooit gezien. Is die spannend?’ ‘Bibberen en beven. Echt super spannend. Maar toch vreemd, in het normale leven vallen ze zelden aan. In Layang Layang was er niets te vrezen. Zolang zij je niet zien als bedreiging of als prooi doen ze je niets. Maar het stokte in mijn keel, dat kan ik je verzekeren. Echt reuze groot zo’n hamerhaai. Op vijftien meter afstand een groep van zeven, acht haaien. Ze zwommen vlak voor mijn ogen langs met een rustige slag in hun staarten. Ze waren snel verdwenen. Nog geen twintig seconden.’ ‘Dat je dat durft.’ Ik haal onverschillig mijn schouders op. ‘Wij droegen wapens ter bescherming bij ons. Overdag jagen haaien zelden en je moet je rustig houden omdat ze je hartslag weten. Ze

205

weten meteen wat er aan de hand is: gevaar, angst, gewond, zwak, sterk of iets anders. Duikles een is dat je altijd rustig moet blijven en langzaam en ontspannend moet ademhalen.’ ‘Wil ik ook een keer doen. Duiken.’ ‘Dan kun je het beste naar de Rode Zee gaan. Daar is het op z’n mooist. Op het Great Barrier Reef na.’ ‘Werkelijk? In Egypte?’ ‘Ja. Daar was ik vorige zomer op vakantie.’ ‘Jij reist ook wat af.’ ‘Echt, die Rode Zee moet je ooit doen. Egypte is geweldig. Ook die oude tempels en die mythologie. En de sterrenhemel is briljant. Echt iets voor jou.’ ‘Ik zal het onthouden.’ Het eten wordt gebracht en wij knabbelen van de rijst en de vis. De koekjes zijn niet te versmaden. Echt smakelijk. Zo. Wat voel ik mij op mijn gemak. Een vogel vliegt over en landt boven op de rieten parasol. Na de hapjes zuchten wij in de schaduw van de brandende tropische zon. Het blijft heet. Het zand brandt, zo voel ik met mijn teen en wij nippen van enkele kopjes pepermuntthee. Een uitgestrekte luie strandmiddag aan de Golf van Thailand. Wie had dat ooit gedacht? Uit de radio van de buren schettert een Thais volksliedje met een levendige en vrolijke melodie. In je ogen zie ik iets dat vertelt dat je net zo bent als ik. Tegen vijf uur lopen wij naar centrum en nemen een uitgebreide massage van maar liefst twee uur bij dezelfde massagesalon als de vrijdag. Ze blijft glimlachen en drukt op de juiste plekken. De voetmassage is een waar genot. Ze opent hetgeen verborgen ligt. De zon zakt, het licht verflauwt en wij begeven ons na een korte douche naar de bar van het hotel, bestellen een drankje en de volgende ronde kleine hapjes en vruchtensalade. Wij

206

zijn geluk gelukkiger gelukkigst. Wat een schone dag! Perfect. Het is ietwat koeler, een lichte zeebries maakt dat het aan de zwembadbar goed vertoeven is. Wij zitten op krukken en nippen aan een eenvoudige tropische vruchtenpunch met een stevig laagje rum. Ik proef mango en gember. ‘Adam?’ ‘Ja, wat is?’ ‘Ik moet je nog iets vertellen wat ik tot dusverre nog niet aan je heb durven te vertellen.’ ‘Hoezo? Is het erg?’ ‘Nee, het is niet erg. Tenminste niet meer. Ik vond het eerst erg.’ Eva draait zich om en pakt haar handtas die op de barkruk naast haar ligt. Ze kijkt mij met grote liefdevolle ogen aan: ‘Ik heb een kind.’ ‘Een wat?’ ‘Een kind. Een zoontje van zeven. Kijk hier, een foto van hem.’ Ze overhandigt met onzekere blik een foto. ‘Wat een schatje. Is dat je zoontje? En dat vertel je mij nu pas? Zoiets hoef je toch niet te verzwijgen. Wat een leuke jongen, dat hoef je toch niet erg te vinden?’ ‘Nee, hij is niet erg. Daniil, zo heet hij, is alles voor mij. Hij is mijn grote held. Nee, wat erg is, is dat ik getrouwd ben geweest en nu gescheiden ben, het kind alleen op moet voeden en er helemaal alleen voor sta.’ De foto laat Daniil zien, een jonge knul met een guitige lach. Hij heeft een stevig en fris hoofd. ‘Kijk, nog een foto. Toen was hij drie jaar oud.’ Een foto met Daniil op haar schouders. ‘En dit is een foto van mij toen ik hem net had.’ Eva in een lange jurk met fleurige kleuren en patronen. Daniil ligt in haar armen. ‘Je schijnt gewoon op de foto’s. Je bent zo mooi en je zoontje is een schatje. Ik zou hem graag willen leren kennen.’ ‘Meen je dat? Wil je dat?’ ‘Natuurlijk. Nu ik jou ken, moet ik je zoontje leren kennen.

207

Ik ben gek op kinderen, je Daniil lijkt mij een leuke knul. Vertel eens iets meer over hem.’ ‘Hij is alles voor mij, mijn engeltje. Ik mis hem zo. Dat ik hem zo zou missen had ik nooit gedacht,’ zegt ze sip, met droeve ogen. ‘Over twee dagen ben je weer bij hem. Daar kun je naar uitzien, toch?’ ‘Oh, mijn Daniil,’ zegt ze vol smacht. ‘Ik ben zo trots op hem. Hij is mijn kampioen.’ ‘Je kampioen?’ ‘Zeker. Hij kan goed schaatsen en is een echte bol met schaken. Hij is super slim.’ ‘Net als jij het bent. Zo moeder, zo zoon. Kom hier, pak mij vast. Ik ben zo blij voor je.’ Ze omhelst mij. ‘Blij? Ik begrijp het niet.’ ‘Ja, dat je zo’n aardig zoontje hebt. Daar kun je echt trots op zijn. Ik heb geen kinderen,’ zeg ik sip. ‘Ik wil ze zo graag, maar ja ik heb altijd pech. De ene keer vindt het meisje mij leuk en ik niet, of het is andersom...’ ‘Zo is er altijd wat. Ik was niet gelukkig met mijn man. Ik had hem nooit moeten trouwen, niet omdat hij een slecht mens was, maar ik was veel te jong en wij waren zo verschillend. En daarbij zagen wij elkaar nooit. Hij was altijd druk met werk en vrienden; alsof ik er niet toe doe! En dat pikte ik niet meer. Ik ben niet met iemand getrouwd om elkaar niet te zien, dan ben ik liever alleen. Het was geen echte liefde, denk ik,’ zegt ze. Ze staart naar het zwembad achter de bar. ‘Het spijt mij dat te horen Eva. Jij verdient het beste, samen met je zoontje. Ik ben nooit eerder getrouwd geweest. Waarom? Ik weet het niet. Waarschijnlijk omdat ik nooit eerder iemand zoals jij ben tegengekomen.’ ‘Echt?’ ‘Echt waar. Oh Eva. Ik vind je zo leuk. Niet dat ik andere meisjes niet leuk vind, maar dit voelt zo anders aan. Zoals ik je al eerder zei, het voelt alsof ik je al langer ken, je bent zo

208

vertrouwd. Alsof ik je ontmoeten moest.’ ‘Geloof jij dat Adam?’ ‘Oh ja. Ik voel dat er meer is in deze wereld, een leven maar. Ik vertrouw in de barmhartigheid van de schepper.’ ‘En wat was je dan in een vorig leven? Dat moet je weten, toch?’ ‘Een gei-ei-ei-ei-eitje,’ mekker ik een geit na. ‘Haha. Echt Adam, wat ben jij flauw zeg. Maar echt grappig. Ik was ooit een scha-a-aapje,’ blaat ze een schaap na. ‘Geef mij nog eens die foto van Daniil.’ ‘Deze?’ ‘Ja.’ Met een nieuwe blik op de foto: ‘Hij heeft mooie bruine ogen en jouw neusje.’ Ik kus op haar neusje. ‘Je hebt een leuke zoon Eva. Ik wil hem echt graag leren kennen.’ ‘Ik ben blij dat je hem zo leuk vind. Jippie!’ Ze valt om mijn hals en geeft een luide klapzoen. ‘Oh, Adam, geloof jij dat wij samen..?’ ‘Ik hoop het Eef, ik wil je graag opnieuw zien. Deze paar dagen zijn voor mij absoluut niet genoeg.’ ‘Ik wil je graag weer zien. Oh Adam, wanneer? Ja!? Dat wil ik ook. Ik weet zeker dat het lukken kan.’ ‘Ben daar maar zeker van Eva. In deze wereld kan alles. Ik moet je iets vertellen over mijn familie.’ ‘Oh ja, ik ben zo benieuwd naar je familie. Vertel, alsjeblieft.’ Ze neemt mijn handen vast. ‘Vind je mijn zoontje echt leuk?’ ‘Zeker. Volgens mij is hij echt leuk. Hij heeft nieuwsgierige ogen.’ ‘Ja, mijn Daniil... Ik ben zo verzot op hem. Hij is echt om op te eten, zo knuffelig. Goh, ik ben nog niet eens een week weg en ik mis hem al sinds de dag dat ik op vakantie ben gegaan. Over twee daagjes sluit ik hem weer in mijn armen.’ Ze kijkt mij zoet aan. ‘Ik had vroeger net zo’n bol en rond gezichtje. Toen ik een kleuter was, was ik zo rond als een ton. Nog een stuk dikker

209

dan Daniil.’ ‘Jij? Echt waar? Was jij vroeger een dikkerdje?’ ‘Zeker.’ ‘En nu ben je zo atletisch als het maar zijn kan,’ zegt ze verlekkerd. Ze likt haar lippen af. ‘Je ziet het: sport verricht wonderen.’ ‘En verder, toen je wat ouder werd?’ ‘Mijn kinderjaren waren prachtig. Alleen maar spelen en ravotten in de bossen. Zo leuk! Daniil is? Hoe oud is hij ook alweer?’ ‘Zeven.’ ‘Toen ik zeven was, toen was het leven goed. Raar is dat als je terug denkt. Ik had toen een wit hoofdje. Als je foto’s van mij ziet uit die tijd. Een guitig jochie... Weet je het enige wat er was, was opstaan, zwemmen, school en na school deed ik aan gymnastiek, veel voetballen. En de zomers buiten in de natuur. Weet je. Altijd buiten en maar spelen en spelen. Ik had vroeger veel vriendjes en met mijn familie, al die neven en nichtjes. Wij waren met zijn vijftigen en meer. Zwemmen in het zwembad, of in een van de meertjes.’ ‘En je ouders, wat doen die?’ ‘Mijn ouders die leven helaas niet meer,’ zeg ik sip. ‘Ze zijn allebei te jong gestorven.’ ‘Ach nee. Oh wat erg! Hoe oud was je toen?’ ‘Toen ik elf was. Ze stierven bij een ongeluk. En jouw ouders?’ ‘Nee, die leven nog. Ze leven wel gescheiden van elkaar. Toen ik dertien was. Toen zijn ze uit elkaar gegaan.’ ‘Dat spijt mij. Ja, dat hebben wij niet in de hand, dat soort dingen. Als kind voelde ik mij lange tijd verslagen. Veel onbegrip en zo. Mijn meest dierbare geliefden niet meer om mij heen hebben was lange tijd zwaar. Maar het is alweer zo lang geleden, dat ik er vrede in gevonden heb. Mijn ouders, dat waren fijne mensen. God zegen hun ziel,’ zeg ik met een hik in mijn stem.

210

Ze knijpt in mijn hand ter troost. Ik knijp terug in de hare: ‘Het is wat.’ ‘Hoe kan dat?’ ‘Mijn vader was een fervent zweefvlieger en tijdens een vlucht zijn ze in een noodweer terecht gekomen en neergestort. Ik sta er al lang helemaal alleen voor,’ belijd ik met mijn hoofd naar de grond gericht. Ik kijk opnieuw omhoog. ‘Maar kop op Eva,’ zeg ik opbeurend tegen haar en mijzelf. ‘Ik ben mijn ouders dankbaar voor alles wat ze aan mij gegeven hebben. Ook van de trieste zaken heb ik veel geleerd.’ ‘Trieste zaken?,’ antwoordt ze met licht onbenul. ‘Ja, ongewenst afscheid moeten nemen. Ze waren veel te jong, mijn moeder werd nog geen vijftig en mijn vader haalde de zestig niet.’ ‘Ach wat erg!’ Ze kijkt mij met treurnis, vol medeleven, aan. ‘Mijn moeder was een schatje. Echt een bijzonder fijne vrouw. En jouw moeder?’ ‘Mijn moeder is fantastisch. Ze is een zeer energieke vrouw en ze is fysicus, net als ik het ben. Mijn moeder, Aleksandra, is een heel intelligente vrouw, echt waar. Ik ben haar grootste fan.’ ‘Ik zou mijn moeder ook graag willen toejuichen, alleen kan dat niet meer. Enfin, genoeg over treurige zaken. Weet je wat het belangrijkste is wat ik daarover geleerd heb? Waardering, liefde, eigenlijk min of meer alles. Dankzij mijn ouders is mijn leven gegeven en dat is boven alles te waarderen. Dat is het bijzondere van ouders weet je, dat je hun afstamming bent en alles deelt, dat je voor een groot deel bent zoals zij zijn. Ondanks alles weet ik dat ik het nog goed heb gehad vergeleken met andere mensen.’ ‘Ik begrijp wat je bedoelt. Mijn vader woont in Irkoetsk. Hij is historicus. En ik heb een oudere broer en een zusje. Oljenka en Dmitri.’ ‘Dat is een oude stad toch, of heb ik dat fout?’

211

‘Irkoetsk?’ ‘Ja, Irkoetsk.’ ‘Ppff... Ik denk rond 800-900. Maar precies weet ik dat niet. In mijn familie, de familie van mijn grootouders en die van mijn eigen ouders; de meesten ervan zijn onder Stalin vermoord. Ze moesten een voor een de goelag in en hebben het bijna allemaal niet overleefd. De smeerlap! Alleen mijn grootouders, ouders en nog een paar anderen hebben het overleefd. Ze zijn door een hel gegaan.’ ‘Oh mijn God, wat een drama! Ach, kom hier bij mij, dan troost ik je.’ Ik kus haar voorhoofd en streel door haar haren. ‘Echt vreselijk, dat zijn dingen die je toch niet kunt geloven. Zoiets walgelijks?’ ‘Ik heb geluk gehad dat ik na Stalin geboren ben. Nu is het tenminste niet meer zo erg als destijds. Ja zoveel lieve tantes, mijn omes, hun kinderen. Ach wat een triestheid.’ Ze bibbert vol afgrijzen. ‘Hij schijnt een grote schoft te zijn geweest. Ik heb daar dus echt helemaal niets mee, met al dat gezeik. Een van de weinige wereldleiders die ik hoogst waardeerde in deze eeuw was Gandhi. De vreedzame mensen worden vermoord. Gandhi, Kennedy, Lennon, King. Ik ben tegen geweld.’ ‘Bij ons in Rusland is het leven zwaar. Je wilt het niet geloven. Het is zo anders hier. Hier is het zo goed. Ik wil niet dat je weggaat, Adam. Alsjeblieft, neem mij vast,’ verkondigt ze dramatisch en bewogen. ‘Onze leiders zijn echte schoften en zodra je daar iets over zegt, dan ga je linea recta de gevangenis in. Er is veel armoede in ons land en tegelijkertijd is het land zo rijk en zo mooi. De Russische vlaktes zijn prachtig, de bossen, de meren, de bergen. Rusland is oneindig prachtig, echt waar. Zal de mens ooit veranderen, zullen wij ooit leren?’ ‘Wij doen niets anders Eva. Wij komen uit veel onwetendheid en leren snel. Ik denk dat de mens in een keten zit van een langdurige ontwikkeling; wij komen uit het woud met

212

zijn harde regels en willen het leven veraangenamen. Wij zijn de spits van de schepping, zoals de Chardin ooit zei.’ ‘De Chardin?’ ‘Een Fransman. Geoloog, schrijver, antropoloog. Hij was een meer dan briljante wetenschapper. Hij was van mening dat de mens zich met name zal ontwikkelen in zijn bewustzijn en dat deze generatie na generatie zal uitgroeien tot een soort van bovenbewustzijn. De mens zou volgens hem uitgroeien naar de goede beheerder van de blauwe aarde, een tuinier in hart en nieren, de zeeën bevaren en een tevreden leven leiden, er is voldoende eten voor eenieder, genoegzaam voor allen, een vriendelijk wezen dat de wereldse natuur met achting tegemoet treedt. Het grote probleem is uiteraard dat er altijd de een of de andere idioot de boel wil verzieken en bij het aanzien van iets wat aan een ander toebehoord denkt: “Hé, dat is voor mij!”.’ ‘Bewustwording, ja, dat vind ik een goed uitgangspunt,’ zegt ze tevreden met haar ogen op de toekomst gericht. ‘Daarom zit ik in zo’n Boeddha tempel. Zijn leringen zijn zeer de moeite waard voor een vreedzaam bestaan.’ ‘Wil je mij nog een glaasje inschenken Adam? De punch is echt lekker.’ ‘Hier zo.’ (Glokglokglok...) ‘Al dat gekakel en die drukte. Ik begrijp dat niet. Boeddha begreep het tenminste.’ ‘Wat begreep hij?’ ‘Dat je op je kont moet zitten en je mond moet houden. Al die herrie in de wereld. Wij kennen elkaar vijf dagen waarvan twee dagen niet. Is het pas vijf dagen geleden? Het is zondag en afgelopen dinsdag pas, ja, toen zag ik je voor het eerst in mijn leven. Morgen reis ik weer verder Eva.’ Ik kijk haar aan met ik-wil-niet-weggaan ogen. ‘Morgen op naar het MiddenOosten, om elf uur gaat mijn vlucht naar de hoofdstad van Jordanië, Aman. Jij moet terug naar Rusland en ik reis via Aman door naar Amsterdam. Het zal zo zijn. Morgenavond ben ik daar en ga ik op reis door de woestijn, naar Petra, een

213

van de oudste steden van de wereld en daarna naar Wadi Rum in de woestijn. Wat een reis,’ zeg ik met een glimlach, ‘duiken, klimmen, jungle, woestijn, Singapore, Bangkok, jij! En vooral JIJ!’ (Met mijn handen in de hare.) De punch is lekker. De zwoele tropische avondlucht kringelt om ons heen, over de bar naar het zwembad, zet de palmbomen aan tot een licht wuiven. De gedachte dat ik morgen alleen ben in een ander en vreemd land, zonder haar, stemt mij treurig, maar ik zeg: ‘Ik ben zo blij om jou ontmoet te hebben. Ik moet je weer zien. Wij zullen elkaar weer zien. Wat vind je van Kerstmis en Nieuwjaar? Oh ja, daar heb ik zoveel zin in. Jij en ik samen, ergens in Europa onderweg. Een stijlvolle stad. Of in Amsterdam. Of zal ik naar Leningrad komen?’ ‘Leningrad, met Kerst?,’ vraagt Eva. ‘Ja, waarom niet?’ ‘Nee, ergens anders. Doe maar ergens anders. Mmm, wat dacht je van Boedapest of Praag? Haar ogen glinsteren met het vooruitzicht op liefdevolle dagen rond de jaarwisseling. ‘Praag? Nee, daar ben ik al eens geweest. Barcelona? Amsterdam? Waarom kom je niet gewoon naar Amsterdam?’ ‘Da’s veel te moeilijk. Een aanvraag kost te veel tijd. Dat lukt nooit voor Kerst.’ Ze haalt haar handen door haar haren en legt ze op mijn schouders. ‘Weet je wat? Denk er thuis over na en laat het mij zo snel mogelijk weten. Ik bel je zodra ik terug ben in Amsterdam en dat is over anderhalve week. Laat maar weten wat voor jou het makkelijkste te realiseren is, dan zal ik mij richten naar je plannen. Voor mij is het gemakkelijk om een land binnen te komen; een Hollander heeft overal toegang, voor zover ik het weet. Jij doet datgene wat je het allerliefste wilt en ik richt mij bij terugkomst naar je plannen. Ik regel de mijne, jij de jouwe. Is dat OK?’ ‘Super! Ja, echt Adam, wow ja. Ik weet dat Boedapest echt heel erg romantisch is in de wintermaanden. Ja; daar wil ik

214

met jou heen,’ roept ze enthousiast uit. ‘Wat vreemd. Morgen ben je alweer weg. Hoe vreselijk,’ zegt ze bedrukt. Ze bijt in haar lip. ‘Verheug je op ons weerzien. Het zal heel erg snel zijn. Maar voor nu iets heel anders. Ik vind dat wij op deze laatste avond in prachtig Pattaya de bloemetjes buiten moeten gaan zetten en niet de hele tijd moeten zitten kletsen over weggaan en erge dingen in je familie enzo. Wij moeten een feestje gaan vieren omdat wij elkaar ontmoet hebben. Dat is toch fantastisch! Wij twee Eva. Wij twee!’ Ik sta op en knuffel haar, druk haar vol warmte tegen mij aan: ‘Ik ben zo blij met jou.’ ‘Ja, ik ook met jou. Zo meteen gaan wij ergens dansen en over het strand wil ik nog met je lopen, onder de maneschijn, de palmbomen, de orchideeën. En lekker samen slapen, mmm, zo heerlijk is het om in je armen te liggen.’ ‘Eva, Eef...,’ ik grijp haar vast en kijk diep in haar ogen, vol expressie, ‘in jouw armen slapen is het beste wat mij ooit is overkomen.’ ‘Voel je het tussen ons?’ ‘Ik sta perplex, in brand, een magnetische stroom, je stralende licht door mij heen.’ ‘Wow Adam. Ja, dat voel ik ook.’ ‘Laat mij die foto van Daniil nog eens zien.’ ‘Deze?’ ‘Ja. Ik wil hem heel erg graag ontmoeten.’ De laatste zoete avond in Pattaya is aangebroken en wij genieten van elkaar, de zee, de verkoelende wind die landinwaarts waait. Wij eten ananas, papaja’s ook en drinken vruchtensap. ’s Nachts dansen wij onder de maneschijn in de openlucht disco waar de Trammps de show stelen, ze laten de snaren van onze harten zingen. Waar Eva en ik, Adam, in het paradijs de dans van twee pauwen imiteren, het publiek op de banken staat en wij later op het strand liggen, onze lichamen half in het zeewater, ik beroer haar volle borsten.

215

Wij bedrijven de liefde From Here to Eternity. De volgende ochtend leg ik mijn spullen in de kofferbak van de Ford Mustang en ik sluit deze met een klik. ‘Dag. Tot ziens, tot snel.’ ‘Dag lief. Wij zullen elkaar toch snel weer zien, is het niet?’ Er klinkt twijfel door in haar slaperige stem. ‘Uiteraard. Als er iets vaststaat in mijn leven, dan is het wel dat wij elkaar heel erg snel, supersnel weer zullen zien. Maak het voor 10.000% zeker. Ik bel je zodra ik thuis ben.’ ‘Mmm Adam. Ik wil het.’ Ze drukt zich tegen mij aan. ‘Voel je de strelende klanken van mijn hart?’ Voor de ingang van het hotel nemen wij ’s ochtends voor zessen afscheid van elkaar, de nacht was kort en lang tegelijkertijd en nu rijst het licht van de zon vanachter de heuvels. De oprit baadt in een zachtgele gloed. Eva en ik. Hoe kan het zijn? Hoe kan dit gebeuren? Hoe vreemd kan het lopen in een leven, je komt iemand tegen en je weet dat het liefde is dat ons tot elkaar heeft gebracht; hebben wij slechts enkele dagen ter beschikking. Ik kus haar opnieuw gedag. ‘Ik hou van je.’ Ik moet mij van haar lostrekken, zo sterk is haar aantrekkingskracht, al komende tranen oppinkend.

216

XIII
Terug in Amsterdam is het moeilijk wennen, op het werk is het druk drukker drukst en de dagen vliegen dan ook voorbij. ’s Avonds bel ik vaak naar haar, maar vaker dan ik het graag heb, draai ik haar nummer en kan ik geen verbinding krijgen. Zo af en toe komen de gesprekken goed door. Het leven in alle vrijheid was wonderbaarlijk en ik ben verliefd. Verliefd! Zodra wij elkaar spreken, is het alleen maar warmte en zoveel woorden, tedere liedjes zing ik voor haar en zij zingt voor mij liedjes in het Russisch. Een keer leest ze mij een sprookje voor. Ik begrijp er uiteraard niets van, maar dat mag de pret niet drukken. Wat een vreugde, wat een geluk dat ons samen heeft gebracht. Nog een paar dagen maar, dan ga ik opnieuw met haar op vakantie. Ik kan het bijna niet geloven, zo snel dat het gaat en hoe ik naar haar verlang. In het dressoir van de eetkamer liggen in de lade een stapeltje telexberichten die ze aan mij heeft verstuurd. Ik neem ze uit de omslag en begin ze voor de zoveelste keer te lezen. Eerst een kaart met zeezicht uit Pattaya. “Ik kon niet denken dat ik je zo zou missen. Het leek alsof de dag maar niet voorbij wilde gaan. Hoop dat je vlucht goed gegaan is. Hoe zijn je impressies van Aman? Beloof mij dat je verhalen schrijft over je ongelofelijke reis, OK? Ik stem toe dat ik je eerste luisteraar en meest strikte criticus zal zijn. Ik wacht ongeduldig voor mijn vlucht naar Leningrad... Nog een nacht en morgen gaat mijn vlucht. Ik probeer om te slapen, maar het lijkt mij moeilijk. (Met lach.) Je hebt trouwens een petje en iets voor het scheren vergeten mee te nemen. Natuurlijk zal ik het meenemen en het zal de reden zijn om jou weer te zien. Ik kus je teder. Je Eva”. Een telex. “Hallo, Adam. Hoe is je luie weekeinde thuis? Na

217

zoveel dagen reizen kan ik mij voorstellen hoe fantastisch het is om tijd thuis door te brengen. En jij? Je vroeg mij naar mijn gevoelens thuis in Leningrad. Wel, het is OK, maar ik voel mijzelf een klein beetje een vreemdeling hier. Met mijn ongebruikelijk donkere huid en met veel energie na de vakantie... – en met zo een koud en nat weer – ...bbbbrrrr... maar het is de realiteit, mijn echte leven... Ik ben terug bij mijn favoriete werk, bij mijn lieflijke kind, bij mijn gebruikelijke atmosfeer. Ik voel mijzelf comfortabel. Maar..., Adam, nu voel ik dat dat niet genoeg is voor mij. Ik begrijp de betekenis, maar de stem in mij zegt: “Waarom moet ik zover van hem weg zijn? Waarom is hij niet bij mij? Waarom zijn wij apart, terwijl wij elkaar nodig hebben???” Je herinnert, dat ik de vraag “waarom” heel erg mag. (Met lach.) Het is vreemd voor mij. Wij waren zo gelukkig samen. Ik kan het niet uitdrukken... Korte tijd... Maar ik denk dat gevoelens niet afhankelijk zijn van de tijd die wij met elkaar hebben doorgebracht. Het maakt niet uit hoeveel tijd wij samen waren, ik herinner niet de hoeveelheid dagen, ik herinner je ongelooflijk tedere ogen, hoe wij samen in de zee en het zwembad speelden, hoe ik dicht tegen je aan sliep. Adam, ik wil dit opnieuw met je voelen. Ik ben terug van Thailand en ik kan niet wachten totdat wij elkaar weer in Boedapest ontmoeten. Fantastisch!!! Het zal een fantastische tijd worden, ik ben zeker! Ik ben zeker, omdat ik al de kaarten heb gekocht voor het vliegtuig naar Boedapest! Wow! Adam! Wij ontmoeten elkaar weer snel! Ik heb kaarten gekocht voor 31 december. Rond twaalf uur zal ik landen in Boedapest en ik zal terugkeren naar Leningrad op vijf of zeven januari. Ben je blij dat ik dit al gedaan heb? Heel erg snel – het was voor mij ook verbazingwekkend, maar ik wil je echt weer zien. Ik wil de dag van terugkomst met je doorspreken. Ik moet de kaarten maandag betalen en tot die tijd hoop ik dat wij kunnen besluiten hoe lang wij in Boedapest kunnen blijven. Kan je tot 7 januari vrij nemen? Het is een paar dagen werk. Ik denk dat ik vrij kan krijgen, maar jij ook? Adam,

218

ik moet bekennen dat dit iets bijzonders voor mij is, onze ontmoeting... Ik voelde dat jij een onafhankelijk persoon bent en hetzelfde geld voor mij, maar ik heb geen angst om te bekennen dat ik je nodig heb... Ik wil je echt graag beter leren kennen en voor mij zal het zeker zo zijn dat onze wereld op de kop wordt gezet. Maar ik ben in het geheel niet bang om mijn leven te veranderen. Ik weet zeker dat daar niets mis mee is, wanneer wij zulke wonderlijke gevoelens voor elkaar koesteren. Waarom kunnen wij elkaars leven niet op een goede manier wijzigen? Ik heb veel gedacht over wat je over je ouders hebt verteld... Ik kan mij niet voorstellen hoe je daarmee om bent gegaan... Adam... het spijt mij zo zeer. Jij bent een heel erg sterke persoon, mijn lief. Ik bewonder je eigen weg in dit leven... het is dicht bij hoe ik mijzelf begrijp... weet je wat mij zo opviel toen wij elkaar leerden kennen? Ik voelde mijzelf comfortabel zelfs als wij niet met elkaar spraken, terwijl wij stil waren... het voelde alsof ik je al veel langer kende. Mijn Adam, ik ben op het werk en ik heb bergen met werk te verzetten na mijn vakantie. Ik blijf hard werken om deze maand door te komen, totdat wij elkaar weer zien in Boedapest. Ik wacht totdat jij nieuws hebt over onze ontmoeting, wat is het voor een hotel dat wij zullen boeken, ergens buiten de stad? Een rustig en zeer romantisch plekje. (Met lach.) Niet veel buren... Ik ben er nog nooit geweest en ik hoop dat wij door de sneeuw kunnen wandelen in de straten van Boedapest. Dus: ik wacht ongeduldig op je antwoord en ik hoop dat je mij snel belt. Ik kan niet wachten totdat ik je stem weer hoor. Ik kus je vol tederheid, mijn tijgervis, ik wil graag enkele foto’s naar je sturen, ze zijn fantastisch. Ik kijk vaak naar onze foto’s en ik kan niet geloven wat er tussen ons is gebeurd. Wij zien er zo gelukkig uit! Kusjes, over en over...”. De volgende. “Mijn tijger Adam, hoe ik je mis!! Mmmm, ik ben tenminste weer terug in Leningrad. Fantastisch! Mijn reis was niet makkelijk en ik weet nog niet of het een succes

219

wordt of niet. Maar ik ben blij dat ik je nu schrijf... Ik heb tijdens mijn reis veel gedacht aan Thailand, aan jou en mij. Ja, het zijn wonderlijke gevoelens. Ik ben er niet bang voor, maar het is echt een wonder voor mij, zo een snelle verandering in mijn leven. Mijn zonneschijn, alles is OK met Boedapest. Ik heb een visum en de kaartjes voor het vliegtuig en Boedapest wordt werkelijkheid. Kan jij dit geloven? Zeker! Mamma mia, ik smelt echt als ik denk aan onze nieuwe ontmoeting... Adam, je kunt mij geloven, ik ben een realistisch persoon. Vooral na mijn huwelijk. (Met glimlach). Niet erg sentimenteel, denk ik, je weet het. Maar ik geloof soms in wonderen. Ik geloof erin, omdat ik nu voel dat er iets vreemds en iets wonderbaarlijks is met een persoon die ik nog geen maand geleden heb leren kennen: jij! Hoe kan dat mogelijk zijn? Hmmm, Adam, ik denk, dat het een kans is wanneer twee gelijke mensen elkaar ontmoeten op de juiste tijd. Wat denk jij?? Wat is je nieuws over Boedapest? Weet je al iets over het hotel? Adam, ik wil zo graag met je spreken, ik moet je zoveel vertellen, wij spreken elkaar snel omdat ik nu niet verder kan schrijven. Ik moet mijn werk voortzetten en al mijn tijd zit in het reizen en ik heb niet eens tijd voor de dagelijkse dingen en analyses. Adam, mijn zachtaardige tijgervis, ik mis je ongelooflijk en ik kan niet wachten totdat wij elkaar weer zien. Als ik aan onze toekomstige tijd in Boedapest denk – wonderbaarlijke liefde, sneeuw wandelingen, nieuwjaarsnacht samen! Wow! Het wordt ongelooflijk! En het is echt!! Oh, mijn Adam, ik moet rennen, maar ik wacht op je telefoontje. Ik kus je en hou je stevig tegen mij aan. Eva”. En ook. “Hey-ho, mijn tijger. Een goed weekend voor jou! Ik hoop dat het echt goed met je gaat. Het is zo spijtig – ik miste je telefoontje gisteren en geen vergeving voor mij! – Maar, ik was zo erg moe dat ik in slaap viel terwijl ik sprookjes voor mijn kind voorlas. De verhaaltjes waren echt interessant (Met lach). Adam, ik ben zo blij dat je al gekozen hebt voor je reis

220

naar Boedapest en nu hoop ik dat ik in je omhelzing mag vallen direct nadat ik uit het vliegtuig kom. Adam, ik ben nu op het werk omdat het vandaag voor ons een werkdag is, maar de komende drie dagen zal ik vrij zijn en ik probeer te bedenken wat ik zal gaan doen, want zonder werk kan ik alleen maar aan jou denken. Wat zijn je plannen voor het weekeinde? Sporten, sauna, enkele biertjes met je vrienden? Ik denk, ontspanning en nog eens ontspanning. Hoe is je boek over Leningrad? Staat er iets in wat je interesseert? Adam, het is zo plezierig om je brieven te ontvangen. Vooral de laatste die ik van je ontving. (Luie man die niet snel genoeg mijn brieven leest...) Maar ik maak slechts een grapje. Adam, ik heb echt veel waardering voor je uitnodiging tot jouw wereld. Waar. Het is echt belangrijk voor mij. Ik beloof je om voorzichtig te zijn in jouw wereld, om geen grenzen te overschrijden of te breken. Maar ik voel mij er zelf erg vrij in, zoals gewoonlijk. Omdat ik voel dat onze werelden dicht bij elkaar liggen. Ik toon er belangstelling voor... Een dag geleden, voordat ik je brief ontving, had ik contact met mijn beste vriendin. (Herinner je je dat je mij bij haar ouders thuis hebt gebeld?) Zo, dit is slechts een zin wat ze tegen mij zei: “Kijk, ik begrijp, dat ieder ander meisje niet in wonderen geloofd, maar jij! JIJ!!! Het is op je voorhoofd geschreven: ik verwacht een wonder! Ik geloof in een wonder!!!” Grappig? Ze heeft gelijk. Ik geloof in wonderen. Ik heb mijzelf voor allerlei nieuwe dingen geopend, mensen, gedachten. En het is zo fantastisch dat jij dit met mij deelt! Ik kon niet verwachten dat iemand dit ook kon nemen en voelt zoals ik het doe. Mijn Adam, ik wacht vol ongeloof op onze ontmoeting. Wij kunnen openen en kunnen veel wonderbaarlijke gevoelens samen delen. Ik weet het zeker. Tot de volgende keer. Je tijger orchidee”. En weer een bericht. “Mijn lief. Je moet wel heel veel geduld hebben om met zo’n onvoorspelbaar persoon te zijn als ik. (Met lach). Kun je mij vergeven dat ik je gisteren niet be-

221

antwoordt heb? Alsjeblieft, zeg ‘ja,’ zeg ‘ja!’ Ummm, voel je mijn lippen op je nek, mijn tedere kussen... Vrede?? Adam, natuurlijk, ik maak slechts een grapje, je weet dat ik er gek op ben, maar indien serieus: ik was vandaag zo blij om je prachtige brief te ontvangen! Adam, je bent echt ongelooflijk.Ik had nooit verwacht om in de man zo veel verbazingwekkende tederheid, ruimdenkendheid, zo veel vrijheid in het uiten van jezelf en je emoties. Voor mij is dit fantastisch. Ik begin te begrijpen waarom ik mij bij jou zo vrij voel, zo natuurlijk. Ten eerste ben je vrij en onafhankelijk, je bent niet bang om te spreken over je emoties, je gevoelens, je wensen... Als ik je brieven lees en met je praat door de telefoon, dan voel ik mij zo dicht bij je, alsof wij echt bij elkaar zijn. En je woorden maken mij echt gelukkig. ‘komend in mijn leven, je licht het op...’ Adam, voor mij is dit meer dan elk materieel geschenk dat je kunt geven. Ik heb nooit geweten hoe het is om er te zijn voor een persoon, te voelen dat je hem echt nodig hebt, omdat jij het bent. Het is zo’n vreugde om met jou deze gevoelens, onze wereld, te delen. Ja, onze ontmoeting in Boedapest is erg belangrijk, maar zelfs nu voel ik je, je brengt liefde en vrede in mijn ziel. Het klinkt simpel, maar ik heb deze dingen meer nodig dan iets anders in mijn leven. Ik denk dat wij geluk hebben om onze levens meer licht te maken, meer gelukkig... En ik heb genoten van iedere minuut die wij samen waren, geloof mij, ik stel mij voor, hoe ik zal genieten van iedere minuut met jou in Boedapest. Ja, wij zijn echte mensen met fouten en een echt leven, maar nu voel ik dat wij iets kunnen scheppen dat kan helpen onze wonderbaarlijke gevoelens van nabijheid en begrip te bewaren en dat dat niet afhankelijk is van de afstand tussen ons. Adam, ik wilde je een brief schrijven waarin ik vertelde over mijn weekeinde en andere gebruikelijke dingen, maar plotseling schreef ik deze brief. Ik zal deze naar je versturen en ik wil er niets in veranderen... Adam, ik heb je meer en meer nodig. Je hebt mijn leven veranderd en ik wil dat je doorzet. Ik denk aan je. Ik kus

222

je over en over. Eva. Ps: gisteren was het ongelooflijk mooi weer in Leningrad. Er viel zoveel zachte sneeuw op de grond, geen wind, de sneeuw viel heel erg langzaam gedurende meerdere uren, alle bomen en dingen werden wit en wonderlijk. Kun je het zien? Zo romantisch. Ik wil zo graag dat jij het ook met mij kan zien”. Een kort bericht van mij naar haar. “Hallo, mijn liefste tijgervrouw. Hoe ik ons telefoongesprek gisteren heb gemist. Ik was zo laat thuis en ik wilde je zo graag horen, dat ik bijna gek werd. Ik werd maf! Ja, mijn lief, het voelt zo goed wanneer ik aan je denk. En indien ik niets van je hoor, dan word ik gek! Maak je geen zorgen. (Misschien moet ik zeggen: ‘Adam, gedraag je anders, gedraag je als een rationele volwassen man, verstandig en sterk!’) Ik zal je vanavond voor vele vele uren bellen. Ik hoop dat je thuis bent. Ik kijk uit naar het moment dat ik je stem weer hoor. (Maar natuurlijk wil ik je voelen, aanraken, je zien, ik wil je tedere liefde geven). Ik moet er vandoor, naar een andere afspraak. Met kusjes. Je Adam”. Een snel antwoord. “Adam. Hmmm, mijn lief, je bent een ‘volwassen, sensitieve en sterke!’ man. Ik ben zeker dat je jezelf kunt laten gaan om zo teder en gepassioneerd te zijn met je liefdesvrouw. (Met lach). Ik plaag je, natuurlijk, maar ik hou er van om je emotionele en zachtaardige brief te lezen. Kus, kus, ik kus je. Ik moet gaan, maar natuurlijk wacht ik op je telefoontje. Je Eva”. “Hallo, mijn lieflijke tijger! Ik beeld mij in, dat wij over enkele weken samen zullen zijn en dat wij dan ongelooflijk blij zullen zijn! Mijn..., de liefste tederste tijger, ik kan niet wachten op dat moment. (Met lach.) De weken na Thailand leken mij zoooooo lang, ongelooflijk lang en ik haat het om nu te denken dat het nog een paar weken duurt dat wij apart zijn. Ja, Adam, ik denk veel aan de tijd die wij samen in Boedapest

223

zullen doorbrengen (mijn nieuwe jurk is een van die heldere voorbeelden) en het lijkt mij een echt wonder. Ik heb zelf nog nooit zo’n romantisch gevoel gekend zoals ik het nu beleef en je zult lachen, maar ik denk er echt aan om nieuwjaarskaarsen mee te nemen naar Boedapest. Te sentimenteel? Ik denk het van niet... En ook, ik heb een prachtig geschenk voor je gevonden en ik hoop dat je het leuk vindt. Ik vertel je nu niet wat het is, het is een verrassing. Ik was gisteren zo blij dat ik je stem heb gehoord. Vooral je speciale ‘E-E-E-Eva!!!,’ de manier waarop je het zegt. Ik hoop om je vanavond weer te horen. Ik word als licht wanneer ik zo lang en lieflijk met je praat. (Met lach). Gisteren, voordat ik naar de verjaardag ging, wilde ik je stem zo graag horen. Je kunt het bijna niet voorstellen. Het feestje was echt leuk. Het spijt mij, maar ik wilde echt (zoals ik mij voorstelde) op tijd thuis zijn, maar het was onmogelijk. Niet omdat ik teveel had gedronken, natuurlijk... (Met lach.) Ik ontmoette veel wel bekende mensen en ik heb er echt van genoten. Ik ben blij dat je een mooie kerst hebt gevierd. Je vroeg aan mij of ik bij je wilde zijn met Kerstmis? Je vroeg dat aan mij? Wow, Adam, ja!! Niet omdat ik meer hou van feestjes dan ieder ander, maar gewoon omdat ik heel erg graag de tijd met je doorbreng. Hoe was het theater eergisteren? Hoe was je weekeinde in het algemeen? Voor mij was het heel erg rustig, vooral zondag was rustig, gedurende de nacht werd het echt koud en de sneeuw valt nu overal. Zo mooi. Ik ben met mijn zoontje naar het park gegaan om te spelen en te stoeien in de sneeuw. Adam, ik tel nu als volgt: de komende week zal voor mij heel erg druk zijn, ik moet reizen voor mijn werk, dus ik moet snel gaan. Ik kan hopelijk komende donderdag met je telefoneren. Dan nog een weekeinde en de laatste week zal makkelijk zijn, klanten bezoeken thuis in Leningrad, gewoon groetjes, prettige gesprekken en niet echt serieus werk en dan vlieg ik naar Boedapest!! Mmmm, Adam, ik wil je nu in mijn armen voelen. OK, ik ben er vandoor, ja? Heel veel tedere kusjes voor je,

224

mijn liefste en ik hoop je snel weer te zien. Met veel, heel erg veel warme gevoelens. Eva”. Een ander bericht: “Mijn tedere tijger! Gelukkig Kerstfeest! Ik wens dat ik daar bij jou kan zijn, maar snel is zeker. (Met lach.) Mijn liefste, het spijt mij zo, maar echt, mijn God, niet een vrije minuut! Oef, deze dagen peigeren mij af, maar ik moet er mee om kunnen gaan. Bespreking, bespreking, bespreking, feesten. Ik heb geen krachten om te wachten totdat het allemaal voorbij is. Ik wilde maandag thuis blijven, maar het was niet mogelijk! Gekke dagen! Er zijn zoveel grote kerstfeesten. Mijn God, ik voel mij echt ziek en ik kan bijna niet meer lachen en ik ben zo ongeduldig! Ik wil niet tegen je klagen, maar ik ben zo moe en wil je zo graag weer zien. Ik heb nu geen tijd om je een brief te sturen zoals ik het graag wil – met tedere liefde, in detail, met al mijn wachten voor onze ontmoeting. Mijn Adam, geloof mij, de meest gelukkige tijd komt aan het einde van deze week. Ik droom erover, mijn lief... Met heel veel kusjes en liefde voor mijn zoete tijger. Je Eva”. Nog een brief. Nu van mij aan haar. “Liefste Eva. Ja! Het is vandaag een witte Kerst! Er is vannacht een beetje sneeuw gevallen en de kinderen spelen buiten en genieten van de pret. Met mij is alles goed, ik heb goed geslapen, maar ik ben nog steeds een beetje verkouden en mijn neus is als een lekkende kraan. Dus is het voor mij het beste dat ik binnen blijf en dat ik niet in de koude vrieswind rondloop. Vandaag zal het een echte kerstdag zijn met veel eten en drinken, rennende en gillende kinderen, rendieren, het zingen van kerstliedjes. Ik probeer om in een dag tijd niet een paar kilo bij te komen en ik bel je vanavond. Schrijf je aan mij alsjeblieft enkele lieve woorden? Ik moet gaan, mijn neefje begint te schreeuwen. Tot snel. Dag! Met een tedere en gepassioneerde kus. Je Adam. Ps: snel beter worden, hè?”.

225

De brieven leg ik terug in de daarvoor bestemde lade en ik zoek verder. Waar zijn de brieven gebleven die ik aan haar heb verstuurd? Ik zie hier alleen enkele korte liggen, maar de kopieën van de uitgebreide brieven vol passie, verlangen en geluk; die liggen niet hier. Waar heb ik die weggelegd? Nu geen tijd. Ik zoek er later wel naar. Een week later draait de taxichauffeur zich om en vraagt aan mij of hij zo de goede weg neemt. Goede vraag, denk ik. Hij is afkomstig uit Boedapest, ik ben de bezoeker en hij vraagt aan mij of hij de goede weg neemt. De omgekeerde wereld, maar ik knik. ‘U gaat goed,’ zeg ik tegen hem, ‘maar helemaal zeker ben ik daar niet van. Weet u zelf niet hoe u de weg naar het vliegveld neemt?’ ‘Jawel, maar er is een omleiding. U vertelde dat u gisteren was aangekomen en ik dacht dat u zou weten of dit de goede weg is naar het vliegveld. Twee dagen geleden kon je hier gewoon rechtdoor, maar de bewegwijzering is niet aangepast.’ ‘Ik denk het van wel, maar wie weet. Wij zien zo wel waar wij uitkomen, is het niet?’ Ik kijk uit het raam. De taxichauffeur knikt. Zijn Duits is voortreffelijk. ‘Van mijn ouders geleerd, die hebben de Habsburgse tijd nog meegemaakt, vandaar.’ ‘Ah so! Aussergewöhnlich – buitengewoon. Von die Sissie. Weet u, die film over dat Oostenrijkse meisje dat koningin werd.’ ‘Ja, das war ein schönes Mädchen.’ Een half uur later parkeren wij inderdaad voor de ingang van het vliegveld van Boedapest. Over een klein uur verwacht ik dat Eva landt. Ik ben ruim op tijd, het is 31 december en bijna twee uur in de namiddag zie ik op mijn horloge. Wat heb ik haar gemist. Vanavond vieren wij samen nieuwjaar, de overgang naar een nieuwe toekomst staat op de drempel geschreven. De taxichauffeur in zijn gele Lada ontvangt een dubbele

226

fooi. Ik draag een pak dat ik enkele weken daarvoor voor een prikkie tweedehands, doch nooit gedragen, op de kop heb weten te tikken bij een zakenrelatie uit Rome. Een driedelig pak uit 1977. Super en hip. Voor Eva koop ik snel een bos rode rozen bij de bloemenkiosk. Ze stapt even later door de schuifdeuren. Ze draagt een Schots kostuum, tweedelig, lange rok tot over de knieën, witte handschoenen, honderd procent wol. Ze ziet er fantastisch uit, een halsketting van parels, zo te zien. Ze straalt en wij springen in elkaars armen. Ik straal ook. Hagelwitte tanden. Wij kussen elkaar, onze tongen vermengen en wij staan temidden van de andere passagiers uit de Aeroflot minutenlang tegen elkaar aan, elektriciteit overal, violen in mijn hoofd, ik steek drie, vier rozen in haar lange haren. Leuk, zoet, fantastisch, wat een vrouw, Sisyphus gelijkende kussende hartstocht, de herhalende gevoelens, wezensvolle betekenissen, stromende initialen E.E. is bij mij! Eva Evangelista ontmoet Adam Adams. Haar vliegtuig is geland. Een week in Hongarije. Hier zijn we! Mijn parelmeisje, mijn gouden knopje, ik voel de warmte door haar Schots geruite rok. ‘Ik hou van je, oh ik hou van je, mijn schatje, je bent er. Het is gelukt.’ Ze lacht voluit. ‘Ah! Ik ben er, eindelijk, wat een reis en een haast. Ik had de vlucht bijna gemist.’ ‘Kom, hou mij vast, kom bij mij. Ik kan het niet geloven.’ Ik grijns van oor tot oor en in mijn pak van Yves verlies ik al mijn cool, maar dat maakt mij niets uit. ‘Wat zie ik? Heb je een nieuwe bril?’ ‘Ja. Vind je het wat? Past het bij mijn seventies pak?’ Ik draai mij 360 graden om. ‘Heel stoer, heel erg stoer.’ ‘Eindelijk hebben wij tijd voor elkaar. Een week samen. Quelle fun!’ ‘En jij, je ziet er echt helemaal te fantastisch uit. Waar heb

227

je dat prachtige Schotse kostuum gekocht? Ohlala! Je bent het Schotse meisje, mijn geruite schaapje...’ Ze draait zich om en lacht. ‘Ja, ik ben je schaapje. Ik wil je schaapje zijn... en jij bent mijn herder. Sine qua non – Een noodzakelijke voorwaarde.’ ‘Ik had stiekem een beetje gehoopt dat je Daniil meegenomen had.’ ‘Ja, ik had erover nagedacht, maar het leek mij toch fijner om samen, met ons tweetjes, een week plezier te hebben. Hij is thuis en bij mijn moeder in goede handen.’ Ik knik haar toe. ‘Kom, geef mij je tas, dan nemen wij een taxi naar het hotel. ’t Is een fantastisch hotel, een groot bed, een uitstekende keuken. De champagne heb ik al klaargezet voor vanavond en het vuurwerk ook.’ In de taxi, ditmaal een witte Skoda, arriveren wij een klein uur later in het hotel, een paar blokken van de oever van de Danube. Ze inspecteert de kamer en de badkamer. ‘OK, c’est tres belle, mooi, het ziet verzorgd uit. Het bevalt mij. Goede keuze Adam, je hebt het beste gekozen. Ik ga douchen. Is dat goed?’ ‘Bien sure, zeker, fris jezelf op, dat zal je goed doen. Je Frans wordt al beter. Is het niet?’ ‘Qui,’ klinkt het uit de badkamer. Ik ga zitten, ben getuige en neem na haar een douche. Ze ligt in bed op mij te wachten, lacht mij toe en ik voeg mij bij haar, kruip dicht tegen haar warme lichaam aan. Ze streelt mijn hoofd en kust mij. Mijn lippen beroeren haar zachte ronde welvingen en onze tongen vermengen zich in een hartstochtelijk lange, zoete en hete zoen. Haar naar bloemen geurende lichaam kringelt mijn neus in. ‘De dagen liggen voor ons en nu gaan wij, nu gaan wij... kom bij mij... hou mij vast, ik wil je, je voelt zo fijn, zo zacht, ik smelt, wat een fijn gevoel. Zo lekker als jij bent...’ ‘Pianissimo... – langzaam...’ Ik neem haar handen in de mijne en kijk diep in haar ogen.

228

‘Je bent zo lief. Ik ben zo blij. Ik ben zo graag bij je en wat heb ik je gemist.’ Ik kus haar oogleden, haar neus, zoek naar haar oren en ik bijt lichtjes, knabbel totdat er een rilling van genot door haar hele lichaam golft. Ze doet de sneeuwdans en ik ben de sneeuwman die in haar armen smelt. Wit gevlokte liefde daalt neer uit de hemel. De straten en daken van Boedapest worden bedekt met een maagdelijk witte deken. ‘Die schöne blaue Donau!’, wals ik samen met haar over de brug. ‘Vind je mijn jurk mooi?’ ‘Mooi vraag je? Je jurk is mooi mooier mooist, net zoals jij het bent.’ Wij stoppen met walsen. ‘Wow! Het aftellen is begonnen. Yoeché!’ ‘10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1! Ja!’ ‘Jahoe! Gelukkig nieuwjaar! Ze valt in mijn armen: ‘Jippie!’ In rood, geel, blauw, groen, wit, goud ontploft het vuurwerk boven het water en de oevers van de Danube. Het knettert in de lucht. ‘Jij ook lieverd. Wat ben ik blij!’ ‘Ja! Wat een vuurwerk! Het knettert en knalt. De champagne, Adam, de champagne.’ ‘Hier komt ’ie. Hier komt het zoete water!’ De kurk knalt en vliegt over de reling in de Danube. Ik tip het vocht van de hals. ‘Ik ook. Ik wil een slokje!’ De fles geef ik aan haar en ze neemt een flinke slok. ‘Da’s lekker.’ ‘Echte Pommary. Uit 1974. Grand cru de la maison Pommery. Ieder uur verjongt zich de wereld… “Das Leben is Lebenswert!”,’ zing ik uit de Gioditta van Franz Lehar. ‘Het leven is zo goed. Dit wordt ons jaar! Wij gaan er een geweldig feest van maken.’

229

‘Ja, dat wil ik. Wij gaan vannacht flink feestvieren. Maar eerst een slokje en een flinke knuffel voor mij, dat heb ik wel verdiend.’ ‘Jij verdient het beste. Hier de Pommery en een knuffel.’ ‘Mmm, echt smullen die champagne. Geef je mij nog een kusje?’ Ik geef een kus. ‘Kijk het vuurwerk! Waw, dat is echt fantastisch! Zie je die bloemenstreng in de lucht?’ ‘Waw, oh Adam! Oh Adam! Wat is dat geweldig. Kijk daar, daar links, echt wat een schitterend vuurwerk!’ Ze springt en springt nogmaals van vreugde, gooit haar armen in de lucht en om mij heen. ‘Dans met mij totdat de maneschijn bebopt. Oh ja!’ ‘Wij gaan feesten tot het ochtendgloren... Zie je die ster die daar ontploft?’ ‘Ja. Gelukkig is het maar vuurwerk.’ ‘Kom, dan steken wij over naar de andere oever.’ Ze neemt mij bij de hand en wij lopen samen omarmd over de brug naar het oude centrum van de stad. Het vuurwerk blijft knetteren en verbazen, ontploffende kleuren, sterrenstrooisel in de hemel. Boedapest is een prachtige stad. Ook ’s nachts en wij belopen het oude centrum met de kleine barretjes, alwaar wij vaak voor opwinding zorgen omdat wij het uitbundige feestvieren niet laten kunnen en al snel bovenop de tafels belanden en de benen strekken van ohlala, wa’s da? Wij lusten er wel pap van, de beweging, het bier en de wijn; de wilde volksmuziek die in de oude krochten van Boedapest weerklinkt maakt dat eenieder door het dolle heen is. Hollakideejend gaan wij door het lint, zowel binnen als buiten. Op de met sneeuw bedekte straten van Boedapest dansen wij dat het een lust heeft. Velen kijken ons schouderophalend en glimlachend aan. Uitbundigheid lijkt wel een besmettelijke ziekte, is gezond, want zo af en toe staan groepjes Hongaren om ons heen, moedigen onze ritmiek met groot applaus aan en delen

230

op straat in onze feestvreugde. Wij glijden over het ijs en de sneeuw, roetsjen in volle vaart over de hellende straten richting de Danube die als een zilver lint door de stad stroomt. De eerste twee dagen van het nieuwe jaar brengen wij door in de binnenstad van Boedapest. Wij bezoeken de belangrijkste bezienswaardigheden, gaan naar een uitvoering van Mozart’s opera “Cosi Fan Tutte” en naar het “Concert voor Orkest” van de Hongaar Bela Bartok, duiken een van de weinige goede restaurants in en lopen ons de voeten onder het lijf uit. Wij houden er een flinke tred in. In een kerk gezeten, slaakt ze uit: ‘Oh Adam. Adam... Ik voel mij niet goed, ik moet naar buiten, ben een beetje misselijk.’ Ze kreunt en steunt: ‘Au, mijn maag.’ Ze grijpt naar haar maag en kijkt mij met pijnlijke ogen aan. Ze springt op, trekt mij in verrassing uit de kerkbank en wij snellen de kerk uit. De andere kerkgangers kijken verschrikt op. Gaat het? Buiten gekomen haalt ze diep adem en barst ze uit in een luid lachen. ‘Daar heb ik je! Je geloofde het echt, is het niet?’ ‘Zeker. Je bent een overtuigende toneelspeelster.’ ‘Hihi... Ja.’ Ze springt in mijn armen en geeft een flinke klapzoen op mijn wang. ‘Kom, gaan wij iets leukers doen. Ik word niet goed van die serieuze gelovige treurigheid.’ ‘Vertel mij wat. Ze kunnen wel iets vrolijker kijken, denk je niet? Alsof het leven alleen maar bestaat om je voor te bereiden op het laatste afscheid.’ ‘Kom, hier links af, weer terug naar de Danube.’ Wij volgen de straten naar beneden en ze vindt een winkel waar ze met de hand gemaakte porseleinen poppen verkopen. Het blijkt dat de eigenaar tevens filmregisseur is en al meerdere malen prijzen heeft gewonnen met zijn poppenfilms. Wij bevinden ons in zijn studio annex winkel. Het is een rommeltje, maar de poppen zijn beeldschoon. De man is ouder dan zeventig en verteld dat hij is geboren in 1911, dus dat maakt 77/78. Hij heeft diverse oorlogen meegemaakt,

231

de revoluties, de omwenteling van keizerrijk naar republiek, naar Duits bloed en bodem, naar Russische vazalstaat. Een lange en rijke geschiedenis, tragisch ook. Hij laat aan mij een paar filmpjes zien van ieder vijf minuten lang. ‘Da’s maandenlange arbeid. Vijf minuten film, het maken van de poppen, het bedenken van de scènes,’ legt hij uit. ‘Ik heb veel bewondering voor uw werk en tevens voor uw doorzettingsvermogen. U heeft al heel wat meegemaakt in uw leven en toch heeft u uw eigen werk kunnen doen en voortzetten. Dat vind ik bewonderenswaardig. Uw films zijn prachtig. U bent een echte vakman. U doet dit helemaal zelf?’ Hij knikt mij toe. ‘Geweldig hoor. Echt fantastisch. Uw poppen zijn zo mooi. Nogmaals prachtig.’ ‘Dank u voor uw aardige woorden,’ glimt hij tot over zijn oren. Eva koopt twee poppen, een meisje met rode koontjes in een jurkje van wit kant en een jongetje in blauw matrozen uniform. En dat in Hongarije! Hij pakt zijn wezentjes voorzichtig en zorgvuldig in en stopt ze in een eenvoudige houten doos. Wij danken de man voor zijn vriendelijke ontvangst en voor zijn bijzondere kunsten. ‘Vaarwel. Wie weet is Hongarije op korte termijn weer een vrij land. Dan heeft u weer een verandering in uw leefomgeving.’ ‘Ik wens dat sinds lange tijd,’ kreunt hij terwijl hij de deur opent en vaarwel zegt. Het hotel heeft een luxueuze privé sauna waar je u tegen zegt. Natuursteen op de vloer, er zijn twee douches, een Turks stoombad, een heet bad en een koud dompelbad. De wanden zijn betegeld met groen en rood marmer. Wij brengen menig uurtje in de sauna door en smeren elkaars lichamen in met bloemenhoning. De hitte van de sauna maakt dat de honing diep in onze poriën trekt, het voedt de huid wel, zodat wij zachter aanvoelen dan dons en de liefde nog zoeter smaakt.

232

Wij vallen als hondjes Aanbidden de heilige koe Rijden in hitsig gebed Een engel in een cirkel De schuine kant de passer De keizer leidt haar rond In de kapel Bij het altaar Aan de toog Op de troon In de staatsiewagen Bij een ladder Zit de koetsier Hij leidt de keizerin Rond in de winkel Het krassen Van een tijgerklauw & een pauwenpoot Een spontane vereniging Het pronken van de mus Op de top van de schommel Het oor luistert De tong spreekt De non zwijgt Wij zitten in een bus die ons vlakbij de berg Matra in het noorden van Hongarije brengt. Een oude krak rechtstreeks uit het stenen tijdperk; zo uit de Flintstones lijkt het wel. Fred zit achter het stuur en Barney scheurt de kaartjes. Sneller dan zeventig is onmogelijk. De verwarming is net zo koud als

233

de wind die door de kieren van de ramen waait. Ik sla een extra deken om ons heen en wij kijken samen, ineen genestelde warmte, naar het voortrollende heuvelachtige landschap. De bus draait van de langzame snelweg de hogere heuvels in en bereikt redelijk snel het beoogde doel. Het jachthuis duikt op tussen de besneeuwde sparren. De bus stopt met hakkelende remmen. De eigenaresse leidt ons voor en laat ons de suite zien. Ruime kamers in klassieke stijl, jachttaferelen, luxe groen gestoffeerde stoelen en bank, een beige betegelde badkamer met bad en douche, twee wastafels, twee houten balkonnetjes verlenen uitzicht over de sneeuw bedekte achtertuin. Het jachthuis stamt uit het einde van de 19e eeuw en is grotendeels uit hout opgetrokken. Een centrale hal met open haard en in totaal 25 suites, een restaurant en enkele sportfaciliteiten; een tennisbaan, zwembad en sauna. Vier dagen in de bossen, midden in de winterse natuur. Wij duiken al snel de tuin in en spelen met de sneeuw, lachen, gieren, brullen, totdat de koontjes roder dan appels zijn, de handen verkleumd. Het verlangen naar een beker warme chocolademelk en een warme wafel is groot. Ik bestel vooraf een bord goulashsoep. ‘Totaal anders. Lijkt in de verste verte niet op Tom Kha Kai,’ zeg ik tegen haar. ‘Proef eens?’ ‘Ja, echt lekker,’ zegt ze zodra ze van de soep heeft geproefd. ‘Anders en net zo bijzonder.’ Uit de keuken vloeit de geur van toast, smeltende boter. De vier dagen zijn een waar genot, vanaf de vroege ochtenden knisperende sneeuw onder onze voeten, over het maagdelijke wit dat ’s nachts in overvloed en zwijgend valt, zodat wij iedere dag nieuwe verse routes in de sneeuw kunnen tekenen. De bossen rondom het jachthuis zijn rustig, bevolkt door uilen; er zweven arenden in de lucht, zwanen in een meertje. Wij genieten van de frisheid die ons verblijd en voed. Zodra het licht zachter wordt en donker kleurt gaan wij naar bin-

234

nen; in de avond draagt de sneeuw het licht van de dag over naar de nacht en maakt dat het niet duister wordt. Dan lezen wij een boek en spelen met elkaar, met kaarten en backgammon, neuzen voor de gasten, verbergen onze lichamen en tonen tegelijkertijd onze liefdevolle genegenheid. Ze glimlachen ons toe en zien het geluk in onze ogen. Wij proeven van de verschillende vruchtensappen (appelsap, pruimensap, kersensap) die wij elkaar aanreiken. Het smaakt verrukkelijk. Wij glimmen de andere wintergasten behaaglijk toe en smelten in elkaars armen, eten van de schotels vol winterse kost, een rood wijntje, een kaarsje, zitten in luxe fauteuils voor de open haard waarin de houtblokken knetteren, vlammen, oplichten; met elkaar een gesprek aangaan, zoals wij het doen. Donkerbruine lambrisering omsluit de muren. Enkele in stof geweven jachtwapens hangen aan strengen tot aan het met gele sterren beschilderde plafond. ‘En nu? Welk pad zullen wij gaan? Links, rechts of rechtdoor?,’ vraag ik aan haar. Wij staan op een splitsing in het woud, de omgeving is ondergesneeuwd. ‘Daar ken ik een verhaaltje over,’ antwoordt ze. ‘Er zijn drie paden. Links gaat naar een pannenkoekenhuisje, rechtdoor leidt naar het leven en het pad naar rechts leidt naar de dood,’ vervolgt ze, ‘en nu mag je een keuze maken. Links, rechts of rechtdoor.’ ‘Dus aan het einde van de verschillende paden liggen de door jouw aangegeven dingen. En de paden zelf?’ ‘Hoezo de paden zelf?’ ‘Ja. Wat doen die paden? Kijk: het pad dat naar het pannenkoekenhuisje leidt... Wat voor een soort pad is dat? Het pad naar het leven, hoe is deze onderweg? Heb je trouwens honger? Je vraag leidt naar een einddoel en gaat niet over de weg naar het einddoel. Dat zijn twee verschillende zaken.’ ‘Nee, niet echt. Wij hebben net ontbeten.’ ‘OK. Valt het pannenkoekenhuisje af.’

235

‘Akkoord. Blijven er twee paden over. En?’ ‘Wel, kijk,’ zeg ik tegen haar. ‘Het pad dat naar het leven leidt is het leven zelf niet; daar het einddoel niet aanwezig is op de reis naar het einddoel. Het pad dat leidt naar het einddoel leven kan niets anders dan een dode zijn. Het pad dat daarentegen naar de dood leidt, kan niets anders dan levend zijn en aangezien ik momenteel in het leven ben, volg ik het pad dat naar het einddoel dood leidt en dit pad, deze weg, het leven, wil ik met jou lopen tot aan het einde onzer tijden.’ ‘Laten wij rechtsaf gaan en de weg van het leven naar de dood volgen.’ Ze neemt mijn linkerhand zonder vrees en vol verwachting vast. Wij slaan rechtsaf en volgen het door dennenbomen omzoomde pad. De bomen zijn bedekt met een dikke laag maagdelijk witte sneeuw, net als de weg van het leven rust onder een meter dikke deken. Na een halve kilometer, net om de eerste bocht naar links, staan een viertal jagers met dubbelloops geweren in de aanslag. Eva stapt vrolijk door en de jagers wijken opzij zodra wij in hun reikwijdte verkeren. ‘Goedendag!,’ groeten wij de jagers. Zij staan stom en schuifelen naar de rand van de weg, ons zo doorgang verlenend. Een van de jagers knikt ons vriendelijk toe. De anderen kijken alsof ze prooi ruiken. Ze hebben een aantal fazanten geschoten en dragen groene hoedjes met een veertje en een rode band. Er wordt niet geschoten. De dood is niet. Wij vervolgen onze weg, het pad van het leven, hand in hand en bereiken na een uur wandelen de top van een heuvel. Wij kijken uit over een dik besneeuwde skihelling die het dal invoert. Kinderen maken sneeuwpoppen, gooien sneeuwballen en glijden op ski’s naar beneden. Er staat een stal met worst en pannenkoeken. In de verte, aan het einde van het dal, een kerkje met enkele huizen. ‘Kijk Eva. Pannenkoeken. Onze weg heeft naar de pannen-

236

koeken geleid. Ha ha ha!’ ‘Doe er mij maar een.’ ‘Je had toch geen honger?’ ‘Wij hebben meer dan een uur in een stevig tempo gewandeld en ik heb echte trek gekregen.’ Ze likt haar lippen af. Ik bestel twee pannenkoekjes. Een met siroop en de andere met warme kersen. ‘Mmm, wat zou het leven zijn zonder warme kersen... verrukkelijk,’ smikkelt ze. ‘Dat is een groot gemis en gelukkig hebben wij daar geen last van.’ ‘Weet je eigenlijk kan het allemaal,’ zegt ze. ‘De Tao, de weg, alles wat je in je leven tegenkomt helpt je om je doel te vinden. Zo is het en niet anders. Doe je mij nog zo’n pannenkoek Adam? Echt waar, wat zijn die lekker, zo gewoon en toch niet te versmaden.’ ‘Ja zeker, de weg gaan wij allen. Er zijn veel paden en wegen, ieder mens zijn eigen en samen delen wij vele wegen, pannenkoekenhuisjes zijn overal te vinden, van huisje naar huisje zo huppelen wij.’ Wij hebben een sneeuwballengevecht met enkele kinderen, wrijven elkaar in met sneeuw, om weer warmer te worden. Zeer verfrissend in de kou. Wij wandelen verder en komen uit bij een hoger gelegen restaurant, bestellen warme chocomel en genieten van het blikveld dat voor ons zicht openbaart. Rollende zeeën van groene dennen, sparren, sneeuwweelde tot over de grijswit bekleedde horizon. De zon kleurt oranje, de wolken slieren rood en paars. Een andere dag hebben wij langlaufski’s ondergebonden en gaan door het kleine dorp onder aan de heuvel en weer omhoog door de bossen, al zoevend over de sneeuw, de bochten door, ontwijken mensen die voor ons uit lopen, die voor ons aan de kant springen. Om ons heen dwarrelen zilveren sneeuwvlokken. De vaart over de sneeuw. Hoe kan het zijn?

237

En ik denk aan Michael Strogoff, de koerier van de tsaar die over de vlaktes van Siberië reist, snel sneller snelst, omdat de sneeuw en het ijs de snelheid laten toenemen, razen wij naar beneden. Stappen daarna kwiek in gespreide eendenpas naar boven. Ze is een voortreffelijke skister en gaat sneller dan een trein voor mij uit en duikt weer de bossen in en zo maken wij een paar rondjes rondom ons gerieflijke hotel en het dorp in het dal, de afdaling is steil en snel, wij vliegen rond het kerkje met de kale kersenbomen en langzaam, zacht glooiend skiën wij terug naar het begin. Al met al zo’n twaalf kilometer en dat is niet mis. De meest zoete en mooie dagen uit het leven van Adam vlieden voorbij, net als Eva’s wegen niet eerder geroerd zijn door de klanken, het gefluister van de vogels, de vederlichte streling van de vingers, de kussen zachter dan een veren kussen. Hanen wekken ons zodra de eerste stralen de sneeuw in overvloedige zilveren schijn veranderen. Jachthonden waken in de nacht en ’s ochtends zweven twee witte zwanen statig door de blauwe lucht en landen gracieus op het zwarte meer achter het jachthuis. Ze geeft brood aan de zwanen en lacht zoals alleen zij lachen kan, haar mond en woorden een zegen voor mij en niets van wat wij bespreken komt met ongenoegen; de woorden die wij tegen elkaar zeggen, ze beschrijven hoe schoon het is en hoe goed het voelt. Iedere aanraking is fijn, behaaglijk, vol belangstelling en genegenheid. Ze is een engel en ik kam haar wit gevederde vleugels gelegen op satijnen lakens en ze lacht. Ik ook en ik vertel haar over de filmpjes van Stan Laurel en Oliver Hardy die ze nog nooit heeft gezien, of nee, jawel die ken ik wel! Die dikke en die dunne toch? Ook vertel ik over de filmpjes van Harold Lloyd en Buster Keaton, dat ik een fan ben van Frank Capra, Gene Kelly... ‘En van Federico Fellini!’ ‘Zeker! En van Luis Buñuel en van Bernardo Bertolucci.

238

Ken je “Novecento?”’ ‘“Novecento?”’ ‘Ja.’ ‘Nee.’ ‘Wat een buitengewone film is dat. Wel lang en de fotografie is excellent; het verhaal vol drama. In zo’n film blijkt de kracht van film maar weer eens; je wordt meegenomen naar een werkelijk ogende wereld en je zit er echt helemaal in. Zo wil ik graag wonen. In zo’n oude boerenhoeve op het Italiaanse platteland.’ ‘Nee, nooit van gehoord. Wat betekent de titel?’ ‘De twintigste eeuw. Italiaans.’ ‘Oh.’ ‘1900.’ ‘Nee. Ken ik niet.’ ‘Gaat over de klassenstrijd in de eerste helft van onze eeuw. Veel drama hoor. De communisten tegen de fascisten. Ik hou van minder dramatische tijden.’ ‘Ja, anders kun je niet genieten van al het fraaie.’ ‘Wij denken er hetzelfde over chérie. Je bent mijn edele hertje.’ En vertel ik haar... En ze vertelt mij... of ‘Jij wat kaas Adam?’ ‘Kaas, nee, alsjeblieft... ik ben totaal allergisch voor kaas. Alleen warm en gesmolten vind ik het lekker en van die standaard gele kaas, echt waar, daar krijg ik de kriebels van... echt vies.’ ‘Wat? Lust jij geen kaas? Dat kan toch niet... al die verrukkelijke kazen, ze smelten de kazen!’ ‘Ja, gesmolten wel, maar niet in vaste vorm...’

239

‘Je weet niet wat je mist. Je moet je smaakpapillen eens laten nakijken. Dat is zowat het allerlekkerste wat er is! Ben je een echte Hollander?’ ‘Ik ben niet zo van de koe. Melk drink ik ook niet.’ ‘??’ ‘Ja. Nu ik uit ben, ben ik niet zo kieskeurig, maar thuis eet ik alleen maar groenten, fruit, granen, noten en meer niet.’ ‘Ik ben een melkmeisje.’ ‘Ik zie het aan je huid. Zo licht. Als een zwaan in de sneeuw. Jij bent het sneeuwmeisje en ik... ik smelt in je armen.’ of ‘Je weet dat ik je aanbid.’ en ‘Zal ik de houtblokken in de haard aansteken?’ of ‘Paardje Hop Mijn Knie,’ giechelt Eva. of ‘Geef aan mij je zegen.’ (Ik geef haar mijn zegen.) en Een groen-bruine pad kwaakt en springt met een aantal flinke hupsen de zijkamer in van het restaurant waar wij genieten van het uitzicht over het dal en de bossen. Hij draagt geen kroon. Nee; hij is blootshoofds, met donkergele spikkels. Hij springt naar de tafel waar wij genieten van een uitsmijter en thee. ‘Kwaak,’ kwaakt hij. ‘Wat een verrassing om jullie

240

hier aan te treffen!’ Eva zegt tegen mij dat het vast een als prins vermomde kikker is. Pad: ‘Nee, ik ben een gewone pad Eva. Je prins zit naast je, dat heb je toch wel in de gaten?’ ‘Kijk Eef, die pad heeft in het geheel geen angst voor mensen. Zal ik hem wat te eten geven?’ Zonder haar antwoord af te wachten leg ik een stukje ei op het tapijt. De pad geeft geen krimp. ‘Kwaak!,’ zegt ze tegen de pad. De pad kwaakt terug en springt op de tafel. ‘Hé beste mensen. Wat zitten jullie er behaaglijk bij. Jullie willen niet weten hoe lang ik heb uitgezien naar deze ontmoeting. Of wel?’ Hij veegt met zijn rechter voorpoot over zijn mondhoeken wat slijm weg dat op het tafelkleed dreigt te druppen. ‘Ik heb jaren gezocht en mijn voorgangers ook. Allen tevergeefs; maar mij is het gelukt. Ik heb jullie gevonden!’ Hij springt van vreugde naar de andere kant van de tafel, kijkt naar buiten, draait zich om en kwaakt ons toe: ‘Adam en Eva; jullie hebben mij een naam gegeven en ik wil jullie bedanken voor dat mooie woord: pad. Ach, hoe blij wij met z’n allen zijn dat wij zo heten! Daarom heb ik voor jullie iets bijzonders meegenomen.’ Hij begint te hoesten en braakt een diamant ter grootte van een walnoot uit. ‘Blub!’ Met een dof geluid valt de diamant op de tafel. Eva kijkt mij aan van ‘WAT?’ En ik ook. ‘WAT?!’ Met een lichte knik, buiging en een klein hupje springt hij over het servies, duikt van de tafel af en springt in een sprong naar buiten, ons beiden in opperste verbazing achterlatend. ‘Wel,’ zeg ik, ‘die is dus voor jou. De pad heeft onze weg gevolgd.’ ‘Diamonds are a girl’s best friends!,’ schatert ze uit. ‘Mooi is ’ie niet?’ Ze houdt de diamant voor haar voorhoofd. ‘Diamonds are forever.’

241

of ‘Jee. Is het alweer zo laat?’ en ‘Een ongelooflijk gevoel maakt zich van mij meester.’ en ‘Dat is een heet stoofpotje.’ ook Geeft ze een lezing over de fysica. Over fosfor, titaan, nikkel, waterstof, calcium, strontium, zuurstof, wat ze doen en wat ze niet doen. De verbindingen, de verhoudingen, lithium, natrium, zirkonium, het stelsel van Mendeleev. Ik kijk verbaasd op en luister naar haar uiteenzetting over kristallen, zout, elektrolyse, kwarts. Magnesium, magneet, de halogenen, de massa van het atoom. Zilver. Van H2N (twee waterstof atomen en een stikstof atoom) naar H2O (twee waterstof atomen en een zuurstof atoom). Dat de H nooit alleen voorkomt en altijd een verbinding heeft met een ander atoom want met deze verbinding ontstaat er een elektrische schil. Dat H voor 75% het universum vult. Ze heeft het over microgolven, radiogolven, gammastralen, golfstructuren, watermoleculen, infrarood straling. Over het uraniumatoom met zijn elektronen, protonen, positronen, neutronen. Al nippend van de rode wijn luister ik naar haar uiteenzetting. Cum laude van kop tot teen. Ik neem een hapje van de verrukkelijke braadworstjes. Ze knabbelt aan de Hongaarse landkaas en ik word overdonderd door haar academische kennis.

242

en ‘Je bent mijn favoriete smaak.’ ook In de vrieskou staan wij op de top van de duizend meter hoge berg en wij kijken omhoog de staalblauwe lucht in. Het stipje in de lucht komt naderbij. De contouren van wijde vleugels doemen op. In een bevroren houding, in glijvlucht, daalt de steenarend de poten naar voren, de klauwen gestrekt. ‘Kluuuh! Kluuuh,’ roept hij. De steenarend landt met een schok op mijn met leer beklede arm. Het reusachtige dier kijkt mij aan en pikt met zijn snavel in het leer en ik geef hem dankbaar een stukje rauw vlees. De jager geeft hem een aai en ook ik streel vol bewondering zijn bruin gevederde kop. Steenarend: ‘Wow! Dat was een goede jacht en landing. Het was toch de eerste keer voor jou Adam? Was je niet bang?’ ‘Ik vertrouwde volledig op je goede kunnen.’ ‘Dank je.’ ‘Machtig mooi, zo’n arend,’ zeg ik tegen de jager. En ik handig handig de vogel aan hem over. of ‘En? Eef? Eindelijk weg uit Afghanistan? Ik las het in een krant in Budapest.’ ‘Sorry? Daar ben ik nog nooit geweest.’ ‘Dat jullie daar langzaam aan vertrekken. Het werd tijd.’ ‘Oh, die oorlog.’ ‘Ja.’ ‘Allemaal olie. Het gaat alleen maar om de olie en de handelsroute van de Centraal-Aziatische staten naar de Indische Oceaan. Het Grote Schaduwspel. Dat duurt al eeuwen.’ Ze

243

concentreert zich op het eten. ‘Centraal-Azië,’ knik ik. ‘De zijde route. Echt Adam, daar wordt al sinds mensenheugenis oorlog gevoerd en nooit heeft een buitenlands leger het daar lang uitgehouden. Het verandert daar nooit,’ zucht ze. ‘De Perzen, de Grieken, de Scythen, Mongolen, Engelsen, Russen. Al duizenden jaren wordt er gevochten,’ bevestig ik haar. ‘Het kruispunt van het Euro-Aziatische en Indische continent. De Afghanen zelf zitten elkaar al eeuwig in de haren.’ Ze doet de hare goed en lepelt een schepje goulashsoep naar binnen. ‘Zo is het.’ ‘Goed is de soep. Vind je niet?’ ‘Zeker. Er is niets mis mee.’ ‘Heerlijk.’ ‘Dus jullie zitten daar eigenlijk alleen om controle te hebben over de handelsroutes?’ ‘Ja. Met name voor het bouwen van pijpleidingen vanuit Kazachstan en andere Sovjet republieken naar de Indische kust. Het is de kortste weg voor olie transport naar de oceaan.’ ‘Het gaat dus om heel veel geld, handelsbelangen etcetera.’ ‘Inderdaad,’ knikt ze. ‘Maar jullie gaan daar nu weg. Is zeker te kostbaar de oorlog.’ ‘De Amerikanen steunen onze tegenstander in Afghanistan.’ ‘Ja ja, het grote schaduwspel. Ik begrijp het al. Oliemaatschappijen die er net zo hard aan mee doen.’ ‘Hetzelfde liedje als altijd.’ ‘Straks willen de Amerikanen er de dienst uitmaken en worden zij de pineut van de Afghaanse stammenstrijd.’ ‘Het is, zoals ik al zei, altijd hetzelfde liedje.’ Ze schept haar

244

bord leeg. of ‘Love-40.’ ‘Nee,’ lacht ze. ‘Die bal was in! Het is 15-30!’ ‘OK!’ (Het is maar een spel.) Ze slaat op. Een ace! 30-30! 40-30. Matchpoint! 4-6, 7-5 en 6-4! Eva is de kampioen! ‘Ik ben de Kam-pi-oen!’ en Samen rollen wij door de sneeuw, de heuvel af. Wij grijpen elkaar vast en glijden op onze ruggen gelegen het dal in. Wij lachen en gieren, vallen in elkaars armen en wrijven elkaar in met sneeuw, de sjaals bevroren, de handen bijna bevroren en wij slaan met kracht de armen om het middel heen, de handen klappen tegen de rug en worden zo warmer. Trucs voor het overleven in de winterkou. of ‘Ik kom van een land waar de vogels vrij spel hebben, de eindeloze duinenrijen, de open zee, het lage land, de zon die scheert over het helmgras en de meeuwen schreeuwen, ze dansen de vleugels gedragen door de lucht, de branding breekt open, de windvaan staat zuidwest en in de verte, aan de kim, zie je dat de kleuren vermengen, dat er geen verschil is tussen hemel en aarde.’ en ‘Ik van een land waar de steppe eindeloos voortrolt in de

245

tijd gedragen door het mos, het gras, met sneeuw bedekte takken wuiven, de vos kruipt in zijn hol, de eenden vliegen hoog over in formatie, een beer ligt beneden te slapen; zijn huisje is gevuld met eten. De eekhoorn doet zijn winterslaap. IJskristallen bedekken de ramen met bloemen, de zon staat laag, de vlakte schittert als een zilveren schaal en je ziet niet waar de horizon is.’ en ‘Let’s play!’ ook Geef ik je voeten een knokkelmassage. en Onder het wandelen hou ik altijd haar hand vast. De meest zachte hand ligt in de mijne. De meest fantastische lach straalt mij toe. Ze geeft mij zoveel vreugde. Ze is voor mij het grootste geschenk. Het antwoord is “Ja”. Liefde, leven is “Ja”. ook De zwaan drijft statig op het donkere meer en kijkt op naar Eva die, zoals iedere ochtend, met een zakje vol brood neerknielt aan de rand van het water. Hij opent zijn snavel en kwettert: ‘Dag lieve Eva! Heb je goed geslapen? Wat fijn dat je voor mij brood hebt meegenomen.’ Hij accepteert dankbaar het bruine brood. ‘Wat ben je toch een goede meid. En je vriendje is zo aardig. Kom hier, streel ik met mijn hals jouw hand. Heb je nog een stukje?’ Hij kwispelt met zijn staart en vleit wederom met zijn hals over haar hand.

246

Ze sust hem geruststellend toe. De zwaan draait om zijn as, richt zich opnieuw naar ons en snatert: ‘Er is niemand hier die zo voor mij zorgt als jullie het doen. Meestal moet ik het helemaal alleen uitzoeken en soms moet ik vluchten omdat er op mij gejaagd wordt. Dat wil je toch niet hebben? Heb je nog een stukje brood voor mij?’ Ze geeft hem het brood. ‘Je bent prachtig, beste zwaan.’ ‘Jij ook. Je handen zijn van dons en je hals gelijkt die van mijn vrouw. Waar is ze trouwens?,’ vraagt hij terwijl hij om zich heen kijkt. ‘Ah! Daar is ze. Kom, ze hebben vers brood voor ons meegenomen,’ snatert hij lyrisch met het hoofd in de nek. ‘Vind je haar aardig?’ Haar voetjes doen het werk en binnen een oogwenk heeft ze de oever bereikt. Ze geeft haar het brood. ‘Je bent prachtig, beste zwaan.’ Ze neemt het dankbaar in ontvangst en kijkt haar man gelukkig aan, net als ik bij Eva doe. ‘Zwanen blijven een heel leven bij elkaar,’ zegt ze tegen mij en ze haalt mij aan; vleit haar hoofd tegen mijn schouder. Witte Tuonela Zwaan Ze roept Ik geloof niet dat ze wist Dat ik De eerst’ geboren mens ben En dat Lachend bij het zwarte meer Eva De eerst’ geboren vrouw is Alleen Het geven maakt wat je bent Dat ik De heer van de wereld ben Eva De godin van d’aarde is

247

Dat wij Zijn om vreugde te schenken Zwanend peddel je van ons Vandaan Ik geloof niet dat ze wist (Net als Eva & Adam) Dat wij In d’aankomende jaren Duizend Snikkende zakdoeken vol Vullen Bittere schreiende traan en ‘Is het eten lekker?,’ vraag ik aan haar. Voordat wij de reis naar huis maken zitten wij op de laatste avond aan het maal in het restaurant van het jachthuis. De vier dagen in de bossen zijn voorbij gevlogen, kleine mooie dagen vol warmte, de zoetheid van het leven nooit eerder zo geproefd als deze dagen in de knisperende sneeuw, voor de open haard, samen de heuvel af met wollen handschoen in handschoen. In de vrieskou zie ik je adem omhoog kringelen en lachen je koontjes mij toe. Er zijn weinig gasten vanavond; de sfeer is gemoedelijk en warm. De open haard gloeit in de hal en de tafels zijn bedekt met wit damast. Zilveren kandelaars met gouden kaarsen schijnen zacht licht. ‘Ja, zo lekker. De keuken van dit hotel is buitengewoon. Alles is vers bereid. Deze jachtschotel... mmm... voortreffelijk,’ smult ze. ‘Je hebt echte honger hè?’ ‘Ja. Waanzinnig. Van al die lange sneeuwwandelingen krijg je onvoorstelbaar veel honger.’ ‘Ik ook. Pfew... hoor je mijn maag knorren?’ (Het knort be-

248

hoorlijk.) ‘Ja, hihi.. heb ik ook wel eens, maar vandaag niet. Die aardappels zijn zo ongelooflijk lekker.’ ‘Smikkelen maar.’ Ik val aan als een hongerige beer. ‘Krmm, krumm,’ snuffel ik half over het bord gehangen. ‘Mjummie.’ ‘Zeg Adam, ik moet even serieus met je praten,’ zegt ze terwijl ze van het eten opkijkt. Ze neemt een slokje van de rode wijn. ‘Ik ben bang dat het niet kan, dat het niet mogelijk is, jij en ik, wij samen in de toekomst. Onze werelden zijn zo verschillend! Hoe moet dat nou? Ik denk dat het het beste is dat wij elkaar niet meer zien, want het lukt echt niet, het is zo anders en ik moet voor mijn kind zorgen.’ Ik schrik op van haar onverwachte opmerking. ‘Wat is dat nu? Hoe kom je daar ineens bij? Je weet toch dat ik van je hou, dat ik gek op je ben en dat ik met je verder wil. Het kan Eva! Het kan wel! Alles kan.’ ‘Niet bij mij in Rusland. Het zijn zoveel problemen. Moet ik mijn ex-man papieren vragen voor het afstaan van zijn kind en nog meer van dat soort zaken en dat wil hij vast niet,’ zegt ze sip en bedroefd. Ze laat haar hoofd hangen en kijkt van het tafelblad naar de grond. ‘Kijk allerliefste, mijn engel. Zoals ik het zie, kom ik zo snel mogelijk naar Leningrad,’ zeg ik terug en met het tipje van mijn wijsvinger licht ik haar kin op. ‘Binnen maximaal twee, drie maanden kom ik je opzoeken en wil ik Daniil leren kennen en je familie. Hoe ik wens dat hij mij leuk vindt, het zou echt vreselijk zijn indien hij mij niet leuk zou vinden. Weet je Eva, ik weet al te goed dat je voor je kind kiest en ik doe dat ook, maar ik moet hem leren kennen; hij en ik moeten elkaar leuk vinden. Stel ik kom, bevinden ons samen en kunnen wij het met ons drieën goed met elkaar vinden. Dat zou wat zijn toch? Ja. Dat wil ik,’ zeg ik enthousiast. ‘Echt, het kan, maar het zal niet gemakkelijk zijn. Barrières moeten overwonnen worden, veel barrières, ik weet het, maar het kan lukken als wij er samen in geloven.’

249

‘Ik weet het niet. Het zal echt heel erg moeilijk zijn en zonder doorzettingsvermogen zal het niets worden.’ Ze kijkt nog verdrietiger. ‘Het komt goed Eva, maak je geen zorgen. Belangrijk is hoe je zoontje op mij zal reageren. Ik denk dat ik het goed met hem zal kunnen vinden. Begrijp mij niet verkeerd liefje. Ik ben in mijn kinderjaren opgevangen door een oom en tante. Dat was echt moeilijk in het begin, maar uiteindelijk kreeg ik met beiden een uitstekende verstandhouding. Dus ik weet uit ervaring hoe het kan zijn. Weet je wat daar goed aan is?’ Ze kijkt mij twijfelachtig aan. ‘Ja? Nee?’ ‘Dat ik anders tegen hem aan kijk, niet zijn echte vader ben, maar zijn tweede, op een meer vriendschappelijke basis met hem om zal gaan en dat is best verfrissend kan ik je verzekeren.’ ‘Hoezo verfrissend?’ ‘Omdat deze verstandhouding zich minder in de rol van ouder afspeelt, het is gewoon wat losser op vriendschap gebaseerd, meer dat, dan op ouderschap. Wat speelser wellicht, maar ook meer verantwoordelijk. Weet je. Ik ben echt graag met kinderen. Ik ben gek op kinderen en ook op jou. Vertel mij niet een avond voor ons afscheid dat het niet kan. Wij zijn net begonnen en het is geweldig! Toch?’ Ze knikt mij stilletjes toe. ‘Dit kunnen wij toch niet weggooien? Als je zoontje en ik het goed met elkaar kunnen vinden, kunnen wij echt samen verder en zien wij wel hoe en wat er met die papieren nodig is. Dat zien wij tegen die tijd en alles kan geregeld worden. Er zijn meer mensen uit de Sovjet-Unie naar het Westen gekomen, of andersom gegaan. Dus wie weet... geen paniek,’ zeg ik geruststellend. ‘Ach al dat gedoe toch,’ zegt ze en ze tikt met het servet hard op de tafel. ‘Waarom moet het leven toch van die obstakels opwerpen? Die stomme, stomme, stomme...’ ‘Wat zal je ex-man hiervan vinden? Wat zal hij onderne-

250

men wanneer hij hoort van ons beiden, dat ik bij je wil zijn en het leven met je wil delen? Zal hij zijn zoontje laten gaan?’ ‘Ik weet het niet Adam. Ik weet niet of het eerlijk is naar hem toe. Stel ik kom naar het Westen en ziet hij zijn zoontje nooit meer, of alleen hoogst zelden. Kan ik hem dat aandoen?’ ‘Dat kan ik niet voor jou en voor hem beslissen. Dat hoort bij jullie beiden thuis. Ik hoop niet dat jullie hierdoor grote problemen krijgen. Dat wil ik niet.’ ‘Oh wat een toestanden,’ zegt ze beteuterd en ook weer stralend: ‘Ach ja, maar die problemen had ik al met hem en niet met jou.’ ‘Eva. Luister. Ik kom snel naar Leningrad en zodra ik daar ben zien wij verder. Ben geduldig en binnenkort gaan wij stapje voor stapje vooruit. Alles komt goed. Alles zal reg’ kom.’ ‘Wat is dat? Alles zal reg’ kom?’ ‘Dat al het recht zal komen. Dat alles goed komt,’ zeg ik. Ik neem haar handen in de mijne. ‘Dat hoop ik ook. Laten wij er het beste van maken.’ ‘Ik wil toegewijd voor je leven,’ zeg ik terug. De laatste kleren berg ik op in de koffer en met een klik sluit ik deze. Iets vergeten? Nee, zo te zien niet. De diamant heb ik tussen de kleren in een hard kartonnen doosje gestopt. Ze wil het risico niet nemen dat ze aangehouden wordt, in het gevang verdwijnt en ik ben niet bang voor de tandarts. De diamant neem ik in beheer en zal deze, zodra het kan, aan haar teruggeven. Het licht in de zitkamer van het hotel doe ik uit en ik loop de slaapkamer met de kersenhouten lambrisering in. Twee eeuwen oude tekeningen van het jachtleven in Hongarije hangen aan de wand. ‘En Eef, slaap je al?’ ‘Bijna, nog heel even. Het is zo lekker warm in bed,’ komt

251

het antwoord met een lichte zucht. Ze opent haar ogen tot een klein spleetje. ‘Ik wil een liedje voor je zingen. Heel zachtjes.’ Ik klik op het tapedeck en het geluid van de drums en de gitaar weerklinkt. Haar handen neem ik in de mijne en ik zing “Wild is the Wind” voor haar. Ze is in slaap gevallen, weggedragen door de wind in mijn gezang, ineen gekruld onder het warme donsdekbed ligt ze in rozenland, haar wangen roodgekleurd van de gezonde buitenlucht. Ik druk op de stopknop van het tapedeck en ontdoe mij van mijn schoenen, broek en hemd. In bed kruip ik tegen haar warme lichaam aan. ‘Mmmm,’ komt er diep uit haar slaap. De volgende ochtend is het vroeg dag, de hanen wekken ons. Vier uur. Tik. Tok. Het ontbijt is haastig en klein. In de bus zitten wij, net als op de heenreis, in een paar dekens verpakt tegen elkaar en wij kijken door de beregende vensters naar het grijsgroene landschap dat voorbij rolt. De sneeuw is gaan smelten. Wij dutten in elkaars armen in. Na een korte busreis komen wij aan op het vliegveld van Boedapest. ‘Ik zal je de grootste verrassing schenken zodra ik in Leningrad ben. Het duurt niet lang. Binnen een paar maanden ben ik weer bij je en zie ik Daniil. Komt het allemaal goed. Hoezeer ik wens dat hij mij een fijne tweede pappa vindt. Dat is mijn diepste wens. Mocht die wens uitkomen, dan kunnen wij samen zeker verder. Ik hou van je. Heel, heel erg veel.’ Ze knikt bedroefd. ‘Ik zal je alles geven, alles wat nodig is om bij elkaar te komen, zal ik voor je doen. Ik bid voor je zoontje. Hoeveel kaarsjes ik in mijn gedachten voor hem opgestoken heb...,’ zucht ik hoopvol. ‘Ik hoop dat hij mij kan accepteren als tweede vader,’ zeg ik tegen haar in de vertrekhal van het vliegveld. Ze drukt mijn hand voor de zoveelste keer. Een kus, een

252

laatste innige omhelzing, een zucht. Ze loopt heupwiegend naar de pascontrole, draait zich om en zwaait nog eenmaal met een trieste glans in haar ogen, neemt mij nogmaals in haar geheugen op. Haar mond pruilt van verdriet en ik zwaai terug, lach en steek mijn duimen in de hoogte. ‘Ik bel je morgenavond thuis. Rond een uur of acht,’ roep ik enthousiast, vol vertrouwen, door de vertrekhal. Ze verdwijnt uit mijn zicht, zonder enig vermoeden dat het jaren vol eenzaamheid zal duren voordat ik het licht in haar ogen weder zie. Worden wij gescheiden door twee verschillende werelden met een IJzeren Gordijn er tussen.

253

XIV
Een avond na mijn thuiskomst in Amsterdam draai ik haar telefoonnummer. De verbinding is zo slecht dat ik het tientallen keren moet proberen. Uiteindelijk neemt haar zus Oljenka de telefoon op. ‘Dag Oljenka! Hoe is het met u? Is alles goed?’ ‘Zeker, zeker! Dank u wel Adam. En met u? Gaat het goed?’ ‘Oh ja, dank. Wij hebben zo’n mooie vakantie gehad. U heeft een fantastische zus, Oljenka. Is ze thuis, of is ze nog op haar werk?’ ‘Ik heb geen idee, beste Adam. Ze is er niet. Ik zal aan mijn moeder vragen waar ze is. Heeft u een momentje?’ ‘Zeker.’ Op de achtergrond klinkt gestommel, het openen van een deur en de stem van Oljenka die met haar moeder spreekt. Oljenka neemt de hoorn weer op: ‘Nee, mijn moeder weet het niet. Waarschijnlijk is ze bij haar grootouders, maar zij hebben geen telefoon.’ ‘Wat jammer. Weet u of ze morgen thuis is?’ ‘Nee.’ ‘OK, wilt u tegen haar zeggen dat ik voor haar gebeld heb en dat ik het morgen rond dezelfde tijd opnieuw probeer?’ ‘Ja, dat is geen probleem. Zodra ik haar zie of spreek, zal ik het haar zeggen.’ ‘Dank u Oljenka. Ik bel morgen.’ ‘Dat is goed.’ ‘Tot ziens.’ ‘Dag.’ Ik leg de hoorn op de haak. Verdomme. Is ze er niet. Enfin, morgen is er weer een dag. De reisspullen ruim ik op. In de daarop volgende weken bel ik haar met grote regelmaat, maar steeds krijg ik te horen dat ze er niet is. Oljenka weet het niet. Ze zegt dat ze is weggegaan en dat ze het ouderlijk huis verlaten heeft.

254

‘Waar ze is, weet u dat?,’ vraag ik tientallen keren, maar ze heeft geen antwoord. ‘Ze is weg. Ik weet niet waar naartoe...’ ‘Vertel haar dat ik gebeld heb. Zeg tegen haar dat het dringend is,’ maar het mag niet baten. Niets, niets, niets, een groot zwart gat, een enge leegte is voelbaar en ik weet niet wat ik moet doen. Ze zal toch niet ernstig ziek zijn, of in een keer zonder enig voorafgaand signaal genoeg van mij hebben? En zo gaan de weken voorbij waarin ik mij op mijn werk. Ik stuur brieven vol liefde en vragen naar haar toe. Weken later ontvang ik eindelijk een bericht. Vol ongeduld begin ik het te lezen: “Het spijt mij echt dat ik geen contact met je gehouden heb. Plotseling ben ik in problemen gekomen toen ik van Boedapest terugkeerde. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik wil niet klagen tegen jou, maar ik voel dat ik iets heel erg belangrijks voor mij de laatste maanden verloren heb. Nu begrijp ik het compleet. Adam, ik weet niet hoe ik alles wat ik nu voel uit kan drukken. Ik huil bijna als ik erover nadenk. Het is Daniil, mijn kind. Ik heb het gevoel dat ik hem de laatste week voor het eerst zag na al het reizen van de afgelopen maanden. Hij wil zich met mij niet associeren. Hij heeft geen pijn, zoals ik het begrijp, maar hij voelt alsof ik niet zijn echte moeder ben, als een persoon dichtbij. Het maakt dat ik mij op dit moment dood voel. Het is beangstigend voor mij. Je weet, dat ik probeer om deze situatie te veranderen, maar het lijkt mij dat... Adam, ik ben bang. De laatste maanden heb ik zonder enige zorgen gewerkt, toen Thailand en weer werken tot tien, elf uur. Daarna Boedapest... OK, het was prachtig, maar alleen voor mij!!! Ik heb alleen voor mijzelf geleefd en ik zie nu hoeveel mogelijkheden om bij mijn kind te zijn ik verloren heb. Adam, ik weet niet wat ik tegen je kan zeggen, geloof mij, onze tijd in Boedapest was de mooiste tijd voor mij. Waar. Adam, ik was zo blij met jou, je bent toegenegen, lief, oprecht en sterk. Je bent gewel-

255

dig. Ik denk alleen, dat ik niet weet waar ik fouten heb gemaakt, hoe ik moest handelen om niet zulke vreselijke dingen met mijn kind mee te moeten maken. De laatste weken heeft mijn zoontje bij mijn grootouders doorgebracht en meestal probeer ik bij hem te zijn. Ik weet het is gek om ineens zoveel tijd met hem door te brengen, maar nu kan ik aan niets anders denken dan aan hem. Hoe gaat het met jou? Ik hoop echt dat het goed met je gaat en dat je je over mij niet teveel zorgen maakt. Ik weet zeker dat je mij zult begrijpen. Ongelukkigerwijs kan niemand mij in deze situatie helpen, ik moet iets doen dat ik alleen kan doen. Maar alles zal OK worden. Het spijt mij, Adam, ik kan nu geen plannen maken voor de toekomst en voor ons. Ik kan het niet. Indien oprecht voel ik alleen mijn fout voor mijn kind. Misschien zie ik het fout, maar het is zo. Maar ik ben welgemeend blij dat ik je ongelooflijke lieve brieven heb ontvangen. Adam, je hebt zo’n teder gedichtje voor mij geschreven. Je bent wonderbaarlijk. Vergeef mij, het laatste dat ik wil doen is jou kwetsen, geloof mij. Je toegenegen Eva”. Het tedere gedichtje: Je ochtendzon klinkt Gouden trompet engelen Een radio Een draadloze connectie Gemaakt in de hemel hier boven Sumerische ritmes Op verdieping twintig Bewegen je sneeuwwitte lichaam In het raam weerspiegeld En Bangkok glimlacht Wai, de beweging van Boeddha’s hand

256

Is stilte bewegend in water En danst op wolken Je vlinderende ogen reflecteren de lucht De roos op het kussen Omarmt lichtjes de stille koelte De gordijnen openen wijd Je bloemrijke huid in de tuin van Eden Het geluid gelijkt op De olifanten de slang de tijgerbaby Alsof wij reizen door Het evenbeeld van de Serengeti Je smaak is als chocolade Zo zoet als zand, zo glad als zijde Je stem is als muziek De melodie van je binnenste ziel Nog steeds hoor ik de zee van liefde En zie ik de kleuren Die uit je stralen, oceaan kind Ik reik uit naar jou Je raakt mij aan Heb je ooit Een mooier beeld gezien? De sterren de maan Verlichten het zwembad Je ogen het water Weerspiegelde liefdesomstrengeling Mijn dank voor alles die je bent Mijn dank voor alles dat je geeft Mijn dank voor alles wat wij delen

257

Mijn dank voor al je liefde Herinner deze gedachten Herinner deze mooie zinnen Herinner mijn ziel Voor altijd het gedicht van mijn hart Drie weken later ontvang ik weer een brief: “Adam. Ik heb je brieven ontvangen en eerlijk gezegd voel ik echte pijn als ik ze lees. Adam, ik kan het niet. Ik kan niet leven zoals ik het wil. Ik kan je gevoelens niet nemen, ik kan de mijne niet uitdrukken. Ik kan er niets mee doen. Adam, ik wil alleen maar eerlijk tegen je zijn. Wij leven in absoluut verschillende werelden en ik heb echt geen kracht om ze aan elkaar te verbinden. Je prachtige woorden, al je ongelooflijk lieve woorden aan mij, zij breken mijn hele hart. Onze dagen in Boedapest en in Thailand waren de meest gelukkige voor mij, dat is de waarheid. MAAR IK KAN HET NIET!!! Het is niet mijn echte leven!! Ik kan ze niet aan mijn echte leven verbinden. Alle tijd na Boedapest heb ik aan jou en aan mij gedacht. Ik wil je niet kwellen en mijzelf ook niet meer, na de laatste weken. Adam, ik werd echt gek als ik er aan dacht. Ik voel dat het voor mij niet mogelijk is, om bij je te zijn. Ik kan het niet. Met mijn kind zijn er meer serieuze problemen dan ik eerst dacht. Het is een geestelijk, mentaal probleem en het is mijn fout. Dat is alles. Mijn God, soms huil ik en vraag ik aan mijzelf “waarom is het zo?”. Maar ik kan je excuses en troostrijke gedachtes niet gebruiken. Adam, ik laat niemand toe om mij te helpen en ik zal proberen om mijn fout zelf te herstellen. Ik kan mijn ziel delen. Ik moet al mijn krachten gebruiken voor mijn zoon. Dat is mijn echte leven. Het spijt mij zo, maar ik heb dit besluit genomen. Ik kan niet bij je zijn. Ik wil tegen je zeggen dat jij de ene bent, grote dank voor alles wat je aan mij gegeven hebt, je wonderlijke ziel, je tederheid, je zorgen en al je attenties. Ik heb het nooit gekend voordat ik jou ontmoette. Bij jou zijn voelde als in een sprookje. Ik zal

258

het mijn hele leven herinneren. Eva. Met liefde”. Ik stuur een brief terug dat ik naar Leningrad wil reizen, dat ik haar moet zien, dat ik haar wil helpen, dat ik voor alles bij haar wil zijn. Dat ik binnen vijf tot zes weken in Leningrad wil zijn, maar dat ik eerst een visum moet zien te regelen en dat ik zo snel mogelijk afreis. Vijf weken later ontvang ik een reactie, maar het visum is al geregeld, de tickets zijn gereserveerd en ik moet en zal gaan. Ik moet haar weer zien. Een antwoord. “Adam. Ik wil tegen je zeggen dat het geen zin heeft om naar Leningrad te komen. Alsjeblieft, probeer mij te begrijpen. Ik heb mijn leven veranderd en ik zal je niet meer ontmoeten. Het spijt mij, maar het is mijn beslissing. De reden is niet jij. Waar. De reden is mij en dat is alles. Adam, alsjeblieft, stoor mij niet meer, doe het niet. Ik hou van een andere man, ik hou meer van hem, dan van al het andere in mijn leven. Het spijt mij zo. Het is na Boedapest gebeurd, dus ik verwijt mijzelf niets. Alsjeblieft, vergeef en vergeet mij. Eva”. Een andere man? Hoe kan dat nu? Al je tedere woorden, de mijne, al onze liefde, onze beloftes. Zijn die in een keer weg en voorbij? Zijn deze niet meer relevant? Wie is die man? Wie bedoel je? Is die man een man, of bedoel je je zoon? Hoe kun je zo plotseling meer van een ander houden, terwijl je van mij hield? Heb je hem meer lief dan je eigen zoon? Je schrijft dat ik de ene ben en nu kies je voor ander. Hoe kan dit? Deze vragen schrijf ik terug. Enkele weken nadat ik haar laatste brief heb ontvangen zit ik in een Ilyushin van Aeroflot die een perfecte landing maakt op vliegveld Pulkovo van Leningrad. De stewardess roept om dat het buiten vijftien graden vriest en ik maak mij op voor een koude week, trek de muts van mijn jack over het hoofd zodra ik de trap van het vliegtuig afdaal. Sneeuw

259

waait in krachtige vlagen tegen mijn gezicht. Het gebouw van het vliegveld is grijs. Bij de douane gaat het snel. In de aankomsthal valt mij het chagrijn op, de gezichten drukken allen zwaar weer uit en dat is het ook. Eva is er niet, ik heb het niet verwacht, maar ik had er wel op gehoopt. De aankomsthal is lelijk, de mensen, de sfeer is grijs en kil. Dichte mist. Niet een keer dat ik iemand zie die enig optimisme uitstraalt of enige openheid in zijn gelaatsuitdrukking uitdrukt. Oeps! De verkeerde planeet. Op mijn koffer gezeten wacht ik op Oljenka die heeft beloofd om mij op te halen. Ik weet helaas niet hoe ze er uit ziet. Van mij weet ze het evenmin. Ik loop naar de informatiebalie en laat haar naam omroepen. ‘Een bericht voor Oljenka Evangelista. Wilt u zich melden bij de informatiebalie?’ Maar na een half uur is er nog niemand. Ik laat nogmaals een bericht omroepen en plotseling staat er een jonge vrouw voor mij. Ze heeft lange donkerrode haren. ‘Bent u Adam?,’ vraagt ze aan mij. ‘Ja. U bent Oljenka?’ ‘Ja.’ Ze reikt mij haar hand. ‘Aangenaam. Ik dacht al dat u mijn komst vergeten was.’ ‘Oh nee. Ik begreep het eerst niet zo. Kijk. Mijn achternaam is niet dezelfde als Eva’s achternaam. Ik heet niet Evangelista, maar Postnikova. Ik begreep het niet...’ ‘Ach, geen wonder,’ zeg ik blij tegen haar. ‘Ik dacht al...’ ‘Kom, waar is uw koffer?’ ‘Hierzo.’ ‘Laten wij gaan. De metro vertrekt zo naar het centrum. Waar heeft u een kamer gereserveerd?’ Ik zoek in mijn papieren. ‘Ik slaap ergens in het oude centrum, Ulitsa Kazanskaja, zo heet de straat.’ ‘Dat is in een goede buurt. U hoeft zich geen zorgen te maken. Kom, nemen wij de metro.’ De rit naar het centrum duurt een uur; de metro stopt vaak en lang. In het pension aangekomen maak ik kennis met de

260

familie die mij voor de komende week onderdak verleent. Ik laat mijn spullen achter en ga met Oljenka naar een restaurant om een maaltijd te nuttigen. Koud weer maakt hongerig. ‘Waar is ze?,’ vraag ik aan haar met een onzekere en vermoeide stem. ‘Ik weet het niet Adam. Echt niet. Ze is vlak nadat ze terug is gekomen van Boedapest vertrokken uit ons huis. Zelfs mijn moeder weet het niet. Ze heeft een aantal keren gebeld, maar als ik iets aan haar vraag, zegt ze steeds dat ze niets vertellen kan, dat ik haar met rust moet laten.’ ‘Waarom? Waarom ben ik hierheen gekomen? Het kan toch niet zijn dat ze mij niet meer wilt zien?’ ‘Ik weet het niet Adam,’ herhaalt ze. ‘Mijn zus is een prachtig meisje, maar ze heeft tevens een donkere kant en indien ze aangeeft dat ze niets wil vertellen, dan is dat zo. Ze is een koppig meisje en heel erg moeilijk.’ ‘Moeilijk? Nou, zo ken ik haar niet. Ze lijkt mij zo eenvoudig en puur, optimistisch en vol vreugde, hoewel de brieven die ik laatst van haar ontving alleen ellende en treurnis beschreven. Wat is er met haar zoontje aan de hand?’ ‘Ik weet het niet... Jazeker is ze puur, maar tijdens haar buien en die heeft ze vaak, is er geen land met haar te bezeilen. Het was misschien beter geweest als u niet was gekomen.’ Ik bestel borsjtsj – bietensoep, escalop – kalfsvlees en pirog – taart voor na het eten. Wij genieten van de eenvoudige doch lekkere keuken. Het eten valt alleszins mee; de borsjtsj is niet te versmaden en ik lepel de soepkom tot op de bodem leeg. Ik snijd het kalfsvlees aan en verdeel het over onze borden, net als de aardappelen en de bonen. In eerste instantie ziet het eten er enigszins onsmakelijk uit, maar de smaak maakt alles goed. Het vlees is zeer mals en de groenten smaken voortreffelijk, zelfs nu de winter bijna op zijn einde loopt. ‘Ik moet haar deze week zien beste Oljenka. Het moet. Wat kun je voor mij doen?’

261

‘Niets, beste Adam. Ik wil je graag helpen, maar ik vrees het ergste. Ze is een koppig en eenzelvig meisje,’ herhaalt ze nogmaals en ze kijkt erbij alsof ze haar zus niet mag. ‘Je mag haar niet echt. Klopt dat?’ ‘Nee, ik mag haar inderdaad niet. Ze doet altijd haar ding en wat anderen willen, dat zal haar een zorg zijn. Ik mag haar niet zo erg, vroeger ging het nog, maar de laatste jaren is ze niet meer de zus waar ik vroeger zo graag mee speelde.’ Indien ik niet zou weten dat Oljenka haar zus is, zou mij enige band niet zijn opgevallen. Ze hebben weinig gemeen in uiterlijk en haar uitstraling is totaal anders. Is Eva blond, lang, slank en uitbundig, Oljenka daarentegen heeft donkerrood haar, is voluptueus, kleiner en maakt een gesloten, ingetogen en schuchtere indruk. Haar ogen zijn groen. Hoewel ze wel weer openhartig is over wat er aan de hand is. Haar weerzin ten opzichte van haar zus kan mij niet bekoren, maar toch ben ik dankbaar dat ze mij heeft opgehaald en dat ze mij probeert te helpen. Mij bekruipt het onaangename gevoel dat Oljenka wel vriendelijk voor mij wilt zijn, maar dat ze haar zus het liefst een loer wil draaien. Ik voel mij een vreemdeling in dit vreemde land. Reeds bij aankomst op het vliegveld kreeg ik een onbehaaglijk gevoel, alsof ik op een planeet ben geland, een planeet die niet de mijne is, ergens ver weg in een uithoek van onze Melkweg, een wereld zonder enige vreugde, zonder enig optimisme, een donker en koud land met zwijgende mensen. Ze staan in de aankomsthal met een sombere blik van heb-ik- mij-jou-daar en lopen met uitdrukkingsloze gezichten over de besneeuwde straten van Leningrad. Ik begrijp dat het winter is, maar dan nog. Er heerst een kilheid die mij naar de keel grijpt. Ik wil hier zo snel mogelijk weg, maar ook weer niet, want ik moet haar ontmoeten. Hoe dan ook. Van nervositeit bestel ik sigaretten en steek er een vol onrust op. ‘Je moet mij helpen,’ zeg ik wanhopig en inhaleer diep de tabak.

262

‘Ik weet niet hoe, maar ik zal mijn best voor je doen.’ ‘Doe mij een dubbele wodka,’ zeg ik tegen de bediening. ‘Jij ook?’ ‘Nee, ik drink niet.’ ‘Ik wil mij bedrinken,’ zeg ik met een trieste blik in mijn ogen. ‘Niet doen. Daar schiet je niets mee op.’ ‘Waar wel mee?’ ‘Bewaar je rust, als je kan. Ik zal mijn uiterste best doen haar te overhalen om jou te ontmoeten.’ ‘Dank je wel Oljenka. Zonder jou zal het zeker niet lukken. Wil je echt je best voor mij doen?’ ‘Maak je geen zorgen. Het zal goed komen, maar ik kan je niets verzekeren. Ze is een moeilijk meisje, geloof mij. Zodra ik aandring, kan het zijn dat ze de deur met een driedubbel slot voor mijn neus sluit.’ ‘Dank je.’ Ik neem haar rechterhand en knijp lichtjes om mijn dankbaarheid te tonen. Ze vraagt naar de rekening en ik betaal de ober die verveeld wacht totdat ik de juiste biljetten aan hem geef. Buiten slaat de sneeuw als snijdend glas in onze gezichten en ik trek de capuchon dichter om mijn hoofd zodat alleen mijn ogen en neus onbedekt blijven. Het voelt aan alsof het veertig graden onder nul is, de wind is sterk en flarden mist onttrekken het zicht op de overkant van de straat. Voor de deur van mijn gastpension zegt ze dat ze morgenavond meer tijd heeft en of ik het leuk vind om bij haar thuis te komen eten. ‘Graag. Hoe laat zullen wij afspreken?’ ‘Ik ben morgenavond rond zes uur hier om je op te halen.’ ‘Tot ziens.’ ‘Tot morgen Adam. Ik zal aan mijn moeder vragen om iets lekkers voor ons te maken.’ ‘Daar kijk ik naar uit, beste Oljenka. Hartelijk dank dat je mij heb opgehaald. Ik zie uit naar een ontmoeting met je

263

moeder.’ ‘Dag.’ Ik open de voordeur van het appartementsgebouw, loop de trap op naar de vierde verdieping en ga de woning in waar een kamer voor mij gereed is gemaakt. De eerste avond zit ik met mijn handen in het haar en kijk ongeïnteresseerd naar de Russische televisie. De slaap komt onrustig tot mij. De volgende ochtend sta ik om acht uur op en ik schuif de gordijnen opzij om te kijken hoe het weer is. Het is er niet echt beter op geworden; de sneeuw valt in grote dichte vlokken en de wind huilt om de hoek van de woning. Binnen is het gelukkig warm. Na het douchen brengt de vrouw van het huis het ontbijt bestaande uit gepocheerde eieren, een paar stukjes droog brood met marmelade en een puntje boter. De koffie is slap en lauw. Niet veel later sta ik buiten in de sneeuwstorm en sla rechtsaf richting centrum, naar Nevskiy Prospekt, de hoofdstraat van Leningrad. Er zijn weinig mensen op straat en diegenen die buiten zijn bewegen zich jachtig als de sneeuwstorm door de donkere en grauwe straten. Ik loop zo dicht mogelijk langs de classicistische gebouwen om zo min mogelijk last te hebben van de koude wind, maar binnen een uur ben ik geheel verkleumd en ik duik de stationsrestauratie van de Moskovskiy Voksal, het treinstation naar Moskou, aan het einde van de Nevskiy Prospekt in. Ik bestel een koffie en een zoet broodje voor extra energie. Buiten klaart het weer op, het is gestopt met sneeuwen en ik ga naar buiten en loop terug, langs de Russische Nationale bibliotheek, de Armeense kerk, het St. Catherina en de kathedraal van de Dame van Kazan. Leningrad is een bijzondere stad, dat is duidelijk te zien, maar de meeste gebouwen zijn in slechte staat van onderhoud. Het zal er vroeger veel beter hebben uitgezien, denk ik. Ik wandel verder naar het grote plein achter het Winterpaleis met het standbeeld van Alexander I, de tsaar tijdens de Na-

264

poleontische oorlogen. Ik loop verder naar de Neva rivier. De zon breekt door en ik ga op een bankje zitten en geniet van het weidse uitzicht met achter mij de Hermitage, het wereldberoemde museum. Een boot legt aan en ik zie aangegeven dat deze naar Peterhof gaat, het Versailles van de Russische tsaren uit het begin van de 18e eeuw. Ik stap op de boot. Bij Peterhof aangekomen blijkt dat deze gesloten is. Gelukkig ik weet een opzichter zover te krijgen dat hij mij toegang verleent tot het uitgestorven terrein. Ik loop de verdere ochtend en vroege middag door de besneeuwde tuinen van het immense buitenverblijf. Leningrad is een stad die sterk beïnvloed is door Italiaanse en Franse architectuur en is als een klassieke Europese stad te beschouwen, wel neo, zoals Rome eigenlijk een neo versie van Athene is. De zon is definitief doorgebroken; er is geen wolkje aan de lucht te bekennen en zo zal het de rest van mijn verblijf in Rusland blijven. Voor vijf uur ben ik terug in mijn pension en wacht de tijd af totdat Oljenka mij komt ophalen. De eigenaresse van de woning schenkt warme thee in en geeft mij zelfgemaakte cake. ‘Lekker,’ zeg ik tegen haar in het Russisch. ‘Charasho.’ ‘En, al iets gehoord van haar?,’ vraag ik ongeduldig aan Oljenka zodra wij beiden in de metro zitten op weg naar haar ouderlijk huis. ‘Nee, niets. Maar mijn moeder verwacht dat ze vanavond belt.’ ‘Ik ben benieuwd.’ Ik kijk geïnteresseerd naar de passagiers in de metro. Zij slaan de ogen neer zodra ik opkijk. Geen lach en geen vreugde is er te herkennen. ‘Slecht weer Oljenka. Is het altijd zo koud en zo vroeg donker?’ ‘Het is winter Adam. De dagen zijn kort en de nachten lang. Ik vind het niets, maar ja, dit is mijn thuis en ik ben er aan gewend.’ ‘Ben je ooit buiten Rusland geweest?’

265

‘Nee, nog nooit. Ik wil Afrika graag zien en Amsterdam lijkt mij zeker de moeite waard. Mijn vakanties vier ik meestal in de Krim.’ ‘Ah, aan de Zwarte Zee.’ ‘Ja, inderdaad. Het is heel erg mooi daar. Het klimaat van de Krim is fantastisch. Ook in de winter.’ ‘Moet je daar gaan wonen.’ ‘Er is daar geen werk voor mij.’ ‘Hoezo?’ ‘Ach, laat maar,’ zegt ze met een wegwerpgebaar. Ik laat het maar. Echt gezellig is anders. Ik wil bij Eva zijn en zit nu naast haar zus. Maar ze is toch wel vriendelijk en behulpzaam. Wij stappen uit bij metrohalte Novocherkasskaya, slaan linksaf en vijftien minuten later zijn wij aangekomen bij de woning van haar moeder. Het is een typische sovjet hoogbouw flat uit beton, de ingang is smerig, de straat stuk, evenals het trottoir. Overal ligt sneeuw vermengt met bevroren modder. De lift is een staaltje pracht design en stopt piepend en kreunend op de tiende verdieping. Oljenka opent de voordeur en ik sta oog in oog met haar moeder. Ik schat dat ze vroeg in de zestig is, een lange vrouw met schouderlange bruine haren en grijze ogen. Ze lijkt meer op Oljenka dan op Eva. Aangezien ze alleen Russisch spreekt en verstaat, vertaalt Oljenka haar woorden voor mij en de mijne voor haar. Oljenka en ik spreken Frans met elkaar. ‘Het doet mij deugd om met u kennis te maken,’ zeg ik beleefd en neem haar rechterhand in mijn handen. ‘Het is een waar genoegen,’ zegt ze terug. ‘Mijn naam is Aleksandra.’ ‘Ik ben Adam,’ zeg ik met een lach. Ik overhandig mijn jas aan Oljenka en wij lopen naar de keuken. De woning ziet er zeer verzorgd uit. Ze lacht terug. ‘Gaat u zitten.’ Ze schuift een keukenstoel naar mij toe.

266

Ik blijf staan. ‘Kijk, hier. Dit is voor u.’ Ik overhandig aan haar een pakketje. ‘Dank u. Is dat voor mij?’ ‘Zeker. Anders zou ik het niet aan u geven.’ Aleksandra opent de verpakking van het geschenk. ‘Oh, dat is mooi!’ ‘Ik ben blij dat u dit bevalt. Het is een kopie van een originele ets van Rembrandt. Het heet “De molen”.’ ‘Dank u. Wat prachtig. Een kunstwerk van Rembrandt, dat is een bijzonder geschenk van u, beste Adam. Kom, gaat u hier zitten.’ Ze schuift de keukenstoel nadrukkelijker naar mij toe. ‘Het is geen echte Rembrandt. Het is een kopie, vandaar. Indien dit een echte zou zijn, zou hij voor mij onbetaalbaar zijn. Deze kopie werd gemaakt in zijn eigen atelier, tenminste daar waar hij vroeger werkte en leefde. Het is van de hoogst mogelijke ambachtelijke kwaliteit; naar de maatstaven van de meester.’ Ik ga zitten. ‘Het is prachtig. Dank u. Dat is zeer attent van u,’ zegt Aleksandra met een lichtje in haar grijze ogen. De tafel wordt gedekt en beide vrouwen zetten meerdere gerechten op tafel. Er is borsjtsj, brood, kaviaar, wodka, wijn, boeuf stroganoff, aardappelen, winterwortel, worstjes in tomatensaus met wodka en gevulde koolbladeren. Het smaakt lekker. De Russische keuken is stukken beter dan ik eerst verwachtte. ‘Proost,’ zeggen beide dames. ‘Op uw gezondheid. Na zdarovje!’ Wij praten over koetjes en kalfjes tijdens het eten en vooral hoe ze het beste te bereiden zijn. Verder hebben wij het over Amsterdam, Peter de Grote en hoe moeilijk taal is. Net voordat wij de maaltijd geheel verorberd hebben rinkelt de telefoon. Aleksandra staat op en neemt de telefoon van de haak. ‘Ah... Ja, ja... OK. Adam is hier.’ Ze praat enkele minuten door de telefoon. ‘Nee?’ Ze wil de hoorn op de

267

haak leggen. Oljenka kijkt naar mij en vervolgens naar haar moeder. ‘Eva?’ ‘Ja, dat was ze.’ Mijn hart slaat over van vreugde. ‘Eva!’ Ik wil opspringen, de telefoon overnemen, maar de verbinding is al verbroken. Aleksandra kijkt mij vol mededogen aan. ‘Het spijt mij.’ Ze pakt mij bij de hand. ‘Dat verdient u niet.’ ‘Ik had nooit naar Leningrad moeten komen. Het was fout van mij om met de deur in huis te vallen en u lastig te vallen. Ik kan beter vertrekken.’ ‘Blijf toch even,’ zegt Oljenka. ‘Het lijkt mij beter dat ik weer vertrek en dat ik morgen het vliegtuig terug naar Amsterdam neem. Uw dochter is al duidelijk tegen mij geweest; ze wilde niet dat ik naar hier zou afreizen en ik heb haar wens in de wind geslagen. Dat is niet goed van mij. Maar ik begrijp haar echt niet... het was zo mooi... zij en ik samen... een wonder. Een wonder dat wij samen waren... Dat was het.’ Met lege ogen kijk ik triest naar het tafelblad. Voor mijn geestesoog zie ik de dagen aan het strand in Thailand aan mij voorbij trekken, ons afscheid op het vliegveld van Boedapest. Hoe ze zwaaide en haar mond pruilde. ‘U kunt nog iets wachten. Misschien verandert ze van gedachten,’ zegt Oljenka met een troostende stem. ‘Ik ben bang van niet.’ ‘Kom op, u bent nog een kleine week hier in Leningrad. Wie weet?’ ‘Ik weet het niet, maar ik wil u alvast hartelijk danken voor uw goede zorgen, het prettige maal en uw welgemeende vriendelijke woorden. Dat betekent veel voor mij.’ Aleksandra schenkt een extra glas wodka voor mij in. ‘Dat zal u goed doen en het is goed tegen de kou indien u later naar uw gastenverblijf vertrekt.’ Ik zie het als een hint om niet veel later op te staan en mijn

268

weg terug te volgen. ‘U houdt echt van haar, is het niet?,’ vraagt ze. ‘U wilt niet weten hoeveel ik van haar hou. Mijn hart stroomt vol bij de gedachte aan haar, ieder moment bij haar was ik gelukkiger dan ooit tevoren. Het waren de mooiste dagen van mijn leven. Ja. Ik hou zielsveel van uw dochter,’ zeg ik tegen Aleksandra en ik sla de wodka achterover. ‘Het spijt mij, maar het is voor mij het beste dat ik u alleen laat. Ik voel mij een lastpost en wil graag alleen zijn. Het is mij allemaal teveel.’ Ze begrijpen het en lopen met mij mee naar de gang waar ik mijn jas van de kapstok neem. ‘Dank u wel voor uw gastvrijheid. Het was een genoegen om met u kennis te maken, alleen is de situatie voor mij zeer pijnlijk. U kunt daar niets aan doen. Uw dochter ook niet. Het was veel beter geweest als ik naar haar woorden geluisterd had. Het spijt mij zeer, beste mevrouw Postnikova. Het eten was goed en nogmaals dank voor uw attente gastvrijheid. Ik had u niet lastig mogen vallen.’ ‘Het spijt ons beste Adam.’ Beiden schudden ze mijn hand. ‘Tot ziens. Ik vind mijn weg terug,’ zeg ik tegen Oljenka die aanstalten maakt om mee te gaan naar de metro. ‘Ik zal u bellen wat ik zal doen, of ik hier blijf of niet, ik bel u een dezer dagen nog eens. Indien ik blijf kunnen wij misschien afspreken en mocht u toch iets vernemen van uw dochter, dan verneem ik het graag.’ ‘Dag,’ zegt Aleksandra. Ze loopt hoofdschuddend de gang van haar woning in. Ik neem de lift, de metro, de trap van het pension en die nacht slaap ik dankzij de wodka als een blok. In de daarop volgende dagen dool ik door de straten van Leningrad en de zalen van de Hermitage. De kunst is prachtig, van prehistorische kunst tot Egypte tot hedendaagse kunst, ellenlange zalen vol weelde, Rubens, Repin, Rembrandt, het

269

gaat maar door en door. Het kan mij echter niet bekoren. In deze situatie was ik liever nooit gekomen. Ik kan alleen maar aan haar denken en vol ongeloof loop ik ronde na ronde door de Hermitage en later door het centrum. Nimmer voelde ik mij zo verloren, zo alleen op deze planeet. Waar kan ze zijn? Ik kijk voortdurend uit naar een glimp van haar. Zo af en toe zie ik iemand die van veraf op haar lijkt, maar zodra ze dichterbij is, is ze het niet. Het tijdstip voor de vlucht terug naar Amsterdam laat ik staan zoals het is en ik bel een paar dagen later naar Oljenka en Aleksandra. Aleksandra neemt de telefoon op. ‘Da?’ ‘Adam hier. Kak djela?’ ‘OK Charasho – Goed. A wy – En u?’ ‘Ah nietsjewo – Gaat wel.’ ‘Hier is Oljenka.’ ‘Adam?’ ‘Ja.’ ‘Hallo! Ik ben blij om je stem te horen. Je bent dus toch gebleven.’ ‘Ja. Hoe is het? Heeft u nog iets van haar gehoord?’ ‘Nee, het spijt mij. Ze was gisteren even hier, maar ze wilde niets vertellen.’ ‘Wat is er gebeurd?’ ‘Ze heeft wat spullen opgehaald en woont nu in een andere woning.’ ‘Alleen? Of met haar nieuwe vriend?’ ‘Met haar nieuwe vriend.’ ‘Dus het is waar dat ze een nieuwe vriend heeft.’ ‘Ja, maar hij is een vreselijke man. Hij is lang niet zo aardig dan u het bent.’ ‘Hoezo?’ ‘Hij is net een dictator en commandeert haar. Ik heb hem een maand geleden voor het eerst ontmoet, toen waren ze hier in ons huis. Toen ik hem voor het eerst zag mocht ik hem

270

meteen al niet. Hij maakte op mij een onvriendelijke en botte indruk. En dat terwijl hij qua uiterlijk, op het eerste gezicht, erg veel op u lijkt.’ ‘Tja, wat kan ik daar op zeggen. Dat ze bij hem is, die commandant, wat moet ik daarvan vinden? Dat ze het niet moet doen? Ze heeft geen behoefte aan een slavendrijver. Ziet ze dat niet in?’ ‘Blijkbaar niet. Zoals ik al tegen u zei, beste Adam, is ze een eenkennig meisje. Alles gaat naar haar wil.’ ‘Waarom is ze dan bij iemand die haar beveelt?’ ‘Goede vraag, maar daar heb ik helaas geen antwoord op. Ze zei alleen dat ze weg wilde uit huis en dat ze haar eigen gezinssituatie weer op de rails wilde zetten. “Het is mijn ding”, zei ze nog.’ ‘En verder? Heeft ze een berichtje voor mij achtergelaten? Heeft ze iets over mij gezegd?’ ‘Nee, helemaal niets, een totale ontkenning. Wat ga je doen? Wanneer ga je terug naar Amsterdam?’ ‘Aanstaande dinsdag. Morgen vertrek ik voor het weekeinde naar Moskou. Nu ik toch in Rusland ben, wil ik die reis nog wel maken. Kunt u mij iets over Moskou adviseren?’ ‘Trek uw warmste kleding aan en bezoek de kerken van het Kremlin. Die zijn echt de moeite waard...’ ‘Hoe is het Metropole hotel?’ ‘Dat is een van de beste hotels van de stad. Moskou heeft niet echt veel goede hotels, dus uw keuze is goed.’ ‘Gelukkig. Valt dat tenminste mee.’ ‘En na het weekeinde? Wat ben u van plan na het weekeinde? Komt u met de nachttrein van zondag terug naar Leningrad?’ ‘Ja, ik ben rond acht uur op het Moskou station.’ ‘En waar brengt u de maandag verder door? Gaat u weer naar hetzelfde pension?’ ‘Dat was ik wel van plan.’ ‘Ik heb een beter idee. Ik neem maandag vrij. Dan brengen

271

wij de dag samen door en ’s avonds komt u bij ons eten en drinken. U blijft bij ons slapen en ik breng u in de ochtend naar het vliegveld.’ ‘Ik kan dat denk ik niet accepteren.’ ‘Oh nee hoor. U kunt en mag dit verzoek niet afslaan. U bent de hele tijd alleen, u heeft geen aanspraak en u doolt maar rond in deze koude winter. En dan heeft u dat gedoe met mijn zus ook nog. Ik kan maar niet begrijpen waarom ze zo doet,’ benadrukt Oljenka. ‘Dat ze die ander verkiest boven u, daar kan ik met mijn verstand niet bij.’ Ze heeft mij al omgepraat en ik zeg: ‘OK, dat is afgesproken. Ik zie u maandagochtend in de stationsrestauratie. Rond acht uur. Is dat naar uw zin?’ ‘Ja. Dat is afgesproken. Kunnen mijn moeder en ik voor u zorgen. Wij hebben al zo’n medelijden met u. Mijn moeder zei het al.’ ‘Wat zei uw moeder?’ ‘Dat zij het wel zou weten.’ ‘Wat?’ ‘U. Mijn moeder heeft eigenlijk veel liever dat ze voor u kiest en niet voor die engerd. Il commandante! Daar kan mijn moeder helemaal niet tegen. Ze begrijpt haar helemaal niet.’ ‘Helaas schiet ik daar niet veel mee op. Ik vind uw complimenten echt hartverwarmend, maar ze is en blijft weg. Het zal zo moeten zijn,’ benadruk ik zonder hoop. ‘Maandagochtend dan maar?’ ‘Dat is goed. Dank u wel Oljenka en tevens dank aan uw moeder. Het betekent echt veel voor mij dat u zo vriendelijk en gastvrij voor mij bent.’ ‘Tot maandag en veel plezier in Moskou.’ ‘Dank u. U veel plezier in Leningrad. Wat gaat u van het weekeinde doen?’ ‘Werken. Ik werk gewoon door en neem maandag een dagje vrij.’

272

‘Welnu. Veel werk plezier. Tot maandag.’ Ik verbreek de verbinding. Een dag later neem ik de nachttrein naar Moskou. De trein vertrekt langzaam en de kadeng kadeng begint; door de buitenwijken van Leningrad, over het sneeuwbedekte lage land. In de luxe coupé val ik snel in slaap door het regelmatige ritme, de evenwichtige cadans van de wielen op de rails. In een flitsende droommontage, waar Eisenstein en Vertov hun lippen aan kunnen aflikken, zie ik mijzelf in beweging, in korte sequenties reizend door de landen van de wereld, in Amerika, Spanje, Kenia, olifanten, vlinders, split-screen slow motion, hoeken van straten, pleinen, de gezichten van mijn vrienden, de planeet rond en rond, de profielen van andere reizigers, boten, vliegvelden. In snel oplopend tempo zijn de scènes aan en door elkaar gemonteerd, kind, wolken, een ijsbeer, een mangrove bos, rivieren, musea, de geschiedenis in galop, mensen onderweg, dolfijnen die door het water klieven, een walvis die onder water duikt, een boomklever eet uit mijn hand, Rio de Janeiro, de vlaktes van Patagonië, Paaseiland, een Japanse shinto tempel, de nevel over de bergen, haar ogen, een stem die omroept dat het vliegtuig vertrekt, wij omhelzen elkaar en liggen op het strand, de ober brengt een drankje, Times Square New York, een feest op de Singel met veel mensen, de sfinx van Gizeh, over de eindeloze sneeuwvlaktes van Groenland op een hondenslede, een lieveheersbeestje met vier grote rode stippen, over de Tempelberg, de Tafelberg, een duik in de frisse Noordzee, ik kijk diep in je ogen, je ogen stralen op het strand en achter ons gaat de zon op, over ons heen en later weer onder; de hemel kleurt oranje, rood, paars, geel, gouden krans. Door deze kring van vuur vliegt een gouden ring in steeds langzamer draaiende wentelingen naar mij toe. De ring wordt groter en groter, ze wentelt om haar as vooruit en is bijna bij mij. Ik sta op het strand klaar om de ring te grijpen; door mijn hand uit te rei-

273

ken komt de ring binnen mijn bereik. Klaar sta ik om op te springen, om de ring tot mij te nemen. Ik reik uit en reik verder, mijn arm schuif ik uit als een telescoop. Hoe dichterbij de ring komt en hoe hoger ik reik, hoe sterker de magnetische kracht... Vlak voordat ik de ring wil vangen, verkruimelt een onbekende kracht, voor mijn ogen, de ring tot pulver; door een verzengend vuur verteert de ring, verandert in stof en valt in kleine korreltjes voor mijn voeten op het strand. Ik schrik wakker. De trein dendert door. De vrijdag en het weekend breng ik in Moskou door en ik bezoek de obligate bezienswaardigheden, het Rode plein, de St. Basilius kathedraal met zijn negen kerken, het Kremlin en haar kathedralen, een ijshockeywedstrijd, het graf van Lenin niet, de Tretjakov Gallery met hoogstaande Russische schilderkunst, het Pushkin staatsmuseum met hoofdzakelijk Westerse kunst. Ik bezoek een dansvoorstelling in het Bolsjoi theater. Tjaikovsky’s “Zwanenmeer”, hoe origineel. De kunst van de stad komt tot mij en ik sta perplex van de hoge kwaliteit en de emotionele lading van de werken. De Russische ziel gaat diep en is van een schoonheid die mij overweldigd. In een platenzaak aan de Arbat koop ik enkele platen van Boris Veprintsev met geluidsopnames van vogelzang en een box met de symfonieën van Alexander Glazunov met Kirill Kondrashin, de dirigent. Moskou is een prachtige stad, ik ben echt onder de indruk, met name binnen de zogenaamde tuinring en enkele parken; het Izmailovsky park, Sokolniki park en ook bezoek ik het Novodevichy klooster uit 1524. Het kloostercomplex is hoog ommuurd; de kantelen zijn met sneeuw bedekt, zo ook de binnenplaats en de koepels van de kerken. Het kost wat dollars en overredingskracht, maar ik mag naar binnen. Het complex is een verademing ten opzichte van de drukte in de stad; het is een oord van rust en stilte. Binnen in de kathedraal van de Dame van Smolensk kniel ik neer voor het altaar en bid voor Eva en haar zoon-

274

tje Daniil; dat ze samen gelukkig mogen worden en ik steek enkele kaarsjes voor ze op. Tranen biggelen over mijn wangen. Waarom? O, waarom? Wat heeft mij hierheen gebracht? Haar afwijzende hart, nee, dat ook weer niet, ze schreef dat het haar speet. De kathedraal heeft enkele prachtige iconen en een van de bewakers drukt mij een stapeltje ansichtkaarten met heiligenbeelden in de hand. Ik betaal hem ruimschoots. Hij dankt mij uitgebreid; drukt mij keer op keer de hand. ‘Spasiba – Dank u wel.’ Ik ga weer naar buiten, naar open terrein en dool rond over het kloostercomplex. Op het naastgelegen kerkhof ligt in een hoek van het terrein een zwerver met een fles terpentine in zijn hand in de vrieskou. Zijn gezicht is grijs en ijzig. De zwerver heeft de ijskoude nacht niet overleefd. Hij is dood gevroren. Ik loop naar de ingang en roep een bewaker. Ik wijs hem het lijk en hij buigt over het lichaam van de onbekende man en zegt tegen mij in het Duits: ‘Ach, mijn heer, het komt hier vaker voor. Liggen ze op het graf van de componist Sergei Prokofiev, op het graf van Nadezhda Alliyuyeva, de vrouw van Stalin, de een op het graf van de dichter Anton Tsjechov, dan ligt er een bij de schrijver Gogol, op het graf van Mayakovsky, Shostakovich, Chroestjov, net naar hun eigen voorof afkeur, of ze van muziek houden, of van literatuur... Dit is de tweede deze week. Alleen in deze winter...’ De man gooit zijn handen vertwijfeld in de lucht. ‘Wij leven in moeilijke tijden heer... Wij leven in zulke moeilijke tijden...’ ‘Kom, ik zal u helpen,’ bied ik hem aan. Wij tillen het levenloze lichaam op. Dragen het bevroren lijk naar de ingang van het complex. Hij vertelt ondertussen over de slag bij Stalingrad die hij in de winter van 1942 en 1943 overleefd heeft. Hoe ze de moffen in de pan hebben gehakt. Ik luister hem maar met een half oor toe en wij leggen de overledene neer in een hoek van het wachthuisje. Hij onderzoekt de kleding en haalt een foto tevoorschijn van een

275

vrouw met drie kinderen. Op de achterkant staat een naam en adres. De ellende is mij teveel en ik geef aan hem een biljet van honderd dollar. ‘Voor zijn begrafenis,’ zeg ik in het Duits. ‘En iets voor zijn vrouw en kinderen.’ Ik geef nog een biljet van honderd dollar. ‘Dank u heer. Mijn dank.’ Hij frommelt het geld in zijn zak, neemt mij bij de hand en kijkt mij doordringend aan, met ogen vervuld van pijn en verlangen naar rust. Tot mijn grote verbazing begint hij te zingen. Ik luister naar zijn zware, donkere bariton. ‘Shostakovich, mijn heer... Het heet “Angsten”. Uit de 13e symfonie – Babi Yar.’ Hij vertaalt de woorden naar het Duits. Hij zegt dat angst en despotisme de mensen in Rusland decennialang onderdrukte. Dat ze leerden te zwijgen in plaats van te krijsen. Dat vrees de mensen controleerde en in bedwang hield. ‘Mijn halve familie is in Babi Yar door de Nazi’s vermoord, maar ik heb mij in Stalingrad te weer gesteld tegen de fascisten, net als vadertje Stalin deed.’ ‘Daar mogen jullie trots op zijn. Dat jullie die moffen in de pan hebben gehakt was echte klasse.’ ‘Jazeker heer. Ik heb met mijn schop hun nekken doormidden gehakt, ze in de fik gestoken, weet allemaal niet meer wat. ’t Was te verschrikkelijk voor woorden, een maandenlange hel in de winter van ’42-’43. Beesten waren wij.’ Hij schudt zijn hoofd, de schouders en laat het hoofd zakken. ‘Wat hadden wij anders moeten doen?’ Zijn stem klinkt vol twijfel. Ik klop hem op zijn dikke winterjas, bij de schouders. ‘U heeft zich beschermd tegen overvallers, bandieten, eerste klas gespuis. U stond in uw recht om dat te verdedigen wat van u was. En nu? Hoe is het met u? Gaat het wel goed met u?,’ vraag ik bezorgd. Hij hoest een breuk in zijn longen. Hij geeft mij les in de Russische geschiedenis van pakweg begin jaren dertig tot en met de jaren zeventig. Op het einde van zijn betoog zegt hij:

276

‘Ik ben erger gewend dan dit hoor. Hier heb ik het redelijk rustig en leef van een karig pensioen. Doe dit er bij, om zo onder de mensen te zijn. Vergeleken met toen heb ik niets te klagen. Maar het blijven klote tijden. Ik zei het u al.’ ‘Gelukkig maar dat het iets beter gaat, maar niet heus. Ik moet er vandoor. Ik heb het hier wel gehad. Het beste wens ik u toe. Het spijt me. Blijf sterk.’ Ik salueer hem toe, klak met de hakken, draai mij om en verlaat gebogen, met zware schouders, het koude kerkhof. In de taxi terug naar het Metropole hotel ben ik niet oplettend genoeg bij het uitstappen. Omdat de straat bijna zonder verkeer is, open ik de linker achterdeur van de Lada zonder om te kijken en voordat ik het weet, wordt de deur uit mijn hand gerukt. Krakend metaal op metaal, twee auto’s schuren langs elkaar, de deur breekt uit zijn voegen en vliegt meters hoog door de lucht. Ik zit geschrokken in de lege deuropening. De auto die het ongeluk veroorzaakt stopt niet en raast met hoge snelheid door, alsof de chauffeur op de vlucht is en het ongeluk met opzet is verricht. Ik had de deur nog geen twintig centimeter geopend en de brede boulevard geeft voldoende plaats voor vier voertuigen naast elkaar, maar de andere auto raasde rakelings langs mijn taxi. Bibberend en bevend kijk ik geschrokken op en ik zie twee politieagenten op de taxi toesnellen. Ik stap uit. Na grondige inspectie van mijn eigen ledematen en de ophanging van de deur zie ik dat deze tientallen meters verder is neer gekomen. Ik word meegenomen naar een politiebureau waar ik een document moet ondertekenen. De taxichauffeur geef ik, na enig onderhandelen, vijfhonderd dollar voor de geleden schade. Indien ik een seconde eerder was uitgestapt, had ik het er niet levend vanaf gebracht. Ik ben ervan overtuigd dat de andere auto het op mij gemunt had en dring bij de politieagenten aan tot een onderzoek van het ongeluk. Het leek alsof iemand mij te grazen wilde nemen en het was geen koe, een aanslag, zo wil ik

277

verduidelijken, maar de taalbarrière verhindert dat ze mijn klacht serieus nemen. Ik laat het erbij, ga terug naar het Metropole hotel en staar verbeten voor mij uit. ’s Avonds loop ik door het centrum van Moskou en de sfeer op straat blijft er een van geslotenheid, maar dat is niet verwonderlijk aan het einde van de lange en koude winter. Binnen in een restaurant staat de kachel hoog en is de sfeer warm en voorkomend, is de innerlijke warmte van de Rus en Russin duidelijk waarneembaar. Ze lachen mij toe. Ik lach terug. Warme worst, flinke aardappelen, dikke vlaaien of wat ervoor door moet gaan, de altijd aanwezige wodka. Wat voel ik mij ellendig. Ik zet het op een zuipen; word zo zat als een aap. Oh nee; zo lam als een aap, of is het zo zat als een lam, zo tor als een aap? Zo niet op de laatste avond, nadat ik in de nachttrein terug gekomen ben. Voordat ik het vliegtuig terug neem naar Amsterdam, breng ik de avond en nacht door bij Eva’s familie. Oljenka heeft mij van het station opgehaald en wij brengen eerst mijn koffer naar haar huis, drinken een kopje koffie. Wij gaan daarna de stad in en lopen van straat naar plein, van de grachten naar de havens. De lente hangt in de lucht en er waait een zachte zuidenwind. De stad heeft eigenlijk niets met Lenin van doen; rondom alleen classicistische architectuur uit de tijden van Tsaar Peter. ‘Let op mijn woorden Oljenka. De tijd zal komen dat uw stad weer St. Petersburg heet. Hoe eerder hoe beter.’ Van Eva uiteraard geen nieuws, ze wil mij niet zien, niet spreken, niets. Ik voel dat ik een last ben, maar ze laten er niets van merken, mede omdat ze mij graag mogen. Het eten ’s avonds is voortreffelijk, de gastvrijheid verwarmend, net als de thee, de wodka en andere destillaten. De peperdure bloemen vallen in goede aarde, zo ook een kunst-

278

boek dat ik in het Tretjakov heb gekocht. Er zijn tevens een oom en tante uit Charkov aanwezig. Ik vertel niets over het ongeluk en het lijk in Moskou. ‘U bent een beetje een anarchist, is het niet?,’ vraagt Aleksandra. Ik kijk haar met een licht verraste oogopslag aan. ‘Omdat ik hier zo op kom duiken? Nee hoor. Heb ik niets mee. Ik ben een pacifist en die zijn in een gewelddadige eeuw als de onze per definitie non-conformistisch. Ik wil en kan de vrije gedachte niet van mij afzetten. Ik ben van mening dat eenieder het recht heeft om zijn leven in te richten naar zijn beste inzicht, zonder anderen tekort te doen, uiteraard. Ik hou van daden in vrijheid.’ ‘Niet zoals hier.’ ‘Inderdaad, zo is het stereotype van het Westen ten opzichte van de Russen, de communisten. Is het hier echt zo onvrij?’ ‘Onvrij? Onvrij, dat is een Russisch woord.’ ‘Dat is niets voor mij. Maar jullie hebben nu toch glasnost en perestrojka – herstructurering? Die Gorbatsjov breekt hier de boel toch een beetje open?’ ‘Ja, dat klopt, maar je weet het hier maar nooit. Voor hetzelfde geld is hij binnen enkele jaren van het podium verdwenen en zitten wij weer met iemand opgescheept die niets goeds brengt. Het leven hier is een stuk zwaarder. Dat leidt geen twijfel,’ benadrukt ze met klem. ‘Waar woont uw zoon Dmitri trouwens? Mijn excuses dat ik het niet eerder aan u heb gevraagd. Gaat het goed met hem?’ ‘Hij woont tegenwoordig in Kazan. Dank u. Ja, het gaat goed met hem. Hij is gelukkig getrouwd met een allerliefste vrouw. Ze hebben een tweeling. Twee dochters. Wij zien elkaar twee keer per jaar.’ ‘Ik ben blij om dat te horen.’ Ik kijk oom Wanja en tante Olga aan en proost op de glasnost (openheid): ‘Ach, werkelijk? Is het allemaal niet wat men

279

gewend is? Er zijn arme mensen die veel gelukkiger zijn dan rijke mensen. Er zijn mensen die in een zogenaamde staat van onderdrukking leven, maar het kan zijn dat bij ons in het Westen de staat van onderdrukking het commerciële, het kapitalistische is.’ Olga en Wanja proosten terug. Zij zijn een echtpaar zoals je het wel vaker ziet bij twee mensen die lang samen leven. Ze lijken op elkaar als broer en zus, in hun gebaren, in de toon van hun stemmen, hun gelaatsuitdrukkingen. Beiden reiken niet hoger dan mijn schouders, hebben grijze haren, kleine diepgelegen bruine ogen. Tijdens de maaltijd zeggen ze niet veel omdat ze alleen de Russische taal machtig zijn. Ik vervolg: ‘Zodra je mee doet met de jacht aan meer, meer, meer en andere mensen opvat als concurrenten op de arbeidsmarkt, in je werkkring, de competitie van de jacht op het kapitaal, gericht bent op weelde alleen. Is dat werkelijk iets goeds? Ik weet dat niet net zoals ik het hier niet ken. Communisme is in principe redelijk reëel, maar het maakt eenieder gelijk, tot een vlakke eenheid waar het individu niet telt. Alles wordt van bovenaf opgelegd door de staat. Dat is mensonterend toch? Er is hier zogenaamd sprake van broederschap en gelijkheid. Bij ons gaat het om het om het individu en om de eigen succesvolle daad en unieke individuele prestatie. Jullie maken goedkope eenheidsworsten. Wij individuele worsten, voor heel veel geld. Want ja, ieder individu is veel waard. Indien wij de wereld niet zouden uitdrukken in geld, maar in werkelijke waarden: goedheid, gerechtigheid, schoonheid, dan zou dat een zegen voor de mens en de aarde zijn. Dat boek van Marx, das Kapital, was een economisch manifest, geen politiek. Het ging over de gelijkwaardige verdeling van het kapitaal, over hebzucht, over geld en zijn verdeling; hoe het individu zich richt op het verkrijgen van welvaart, eigendom en of hij dat niet of wel wil delen met een ander.’ Ik draaf maar door. Het dreunt in mijn hoofd. Ze zijn zo vriendelijk, medelevend en ik ben een last.

280

‘Zeker. Ik ben het met u eens,’ knikt Aleksandra met geïnteresseerde blik. Oljenka heeft het maar druk met het vertalen van de ene taal naar de andere taal, van het Frans naar het Russisch, van het Russisch naar het Frans. Ik zit steeds heen en weer te schakelen, want mijn Frans is niet al te best meer, zo merk ik. Zodra ik goedheid wil zeggen, denk ik, wat is het ook alweer? Oh ja “bonté...”. Wat is schoonheid in het Frans? Ach... natuurlijk “beauté...”. Mijn hoofd dreunt van binnen, van het vertalen, van deze onvoorziene situatie. Van het feit dat ze weg is en weg blijft en ik mij hier in het geheel niet op mijn gemak voel. Hoewel Oljenka en Aleksandra zeer aardig en gastvrij voor mij zijn. Ik neem een hapje van de zoete aardappelen. ‘Ziet u? Ik ben dus misschien wel een anarchist, maar alleen ten opzichte van politieke systemen die niet in orde zijn en alle kenmerken vertonen van dom en gewelddadig machtsvertoon. Ach ja, politiek, ik erger mij er alleen maar aan. De fabel dat politici hun kiezers of hun onderdanen dienen mag wat mij betreft doorgeprikt worden, zowel in het Westen en in het Oosten, in het communistische én in het kapitalistische. Beiden zien de mens als kapitaal oftewel hebzucht. Jullie werken, leven en offeren jullie leven op voor de staat. Wij voor de bankiers, de bezitters van het kapitaal. Hebzucht heerst over de mensheid. Onze machthebbers, de industriëlen denken “ikke ikke ikke en de rest kan stikken – l’industrielle pense moi moi moi et le reste peuvent suffoquer”,’ zo stamel ik hortend en stotend in mijn nederige en matige Frans. ‘Hier is het al niet anders en dat terwijl jullie zo pochen met gelijkwaardige verdeling van kapitaal. Jullie land is compleet failliet, het kapiteel staat op instorten. Moreel was het ook al niet te best gestemd in de afgelopen zeventig jaar. En dat terwijl er geen rijker land in de wereld is dan de Sovjet-Unie. Uw dochter heeft mij verteld over uw familiegeschiedenis, over de tragedie die door de machthebbers teweeg is gebracht. Dat spijt mij zeer. Het is

281

allemaal te triest voor woorden.’ ‘U bent een goed mens Adam. U begrijpt hoe de systemen werken.’ Aleksandra staat op en loopt naar het dressoir, rommelt wat en komt terug met een fotoalbum in haar elegante handen. Ze laat aan mij foto’s zien van haar familie. ‘Mijn ouders,’ zegt ze aanwijzend. ‘Mama en papa. Anja en Ivan. En dit hier is de hele familie. Mijn grootouders, mijn omes en tantes, mijn neven en nichten. Allemaal vermoord door Stalin, de smerige hond. Alleen de ouders van mijn moeder en mijn vader hebben het overleefd.’ De foto’s duiden een grote familie, de familie van Aleksandra’s moeder, Anja, bestaat uit elf personen, zo tel ik snel en van haar vaders’ familie, Ivan, tel ik in de gauwigheid over de twintig mensen. Grootpapa en grootmama, terug tot in de 19e eeuw. ‘Allemaal intelligente mensen,’ zegt ze met een hik in haar stem. ‘Vermoord, verhongerd, verkracht, vernederd, stuk voor stuk de goelag in, naar Siberië. Anderen zijn gevangen genomen door de Nazi’s en verdwenen in de kampen in Polen. Niemand weet waar ze gebleven zijn. Margarita, Liza, Jelèna, Nicholas, Katya, Alexei, Dimitri, Elena, Paul, Vera, Pjotr, Mikhail, Natasha, Victoria, Veronika, G...’ Met haar slanke vingers streelt Aleksandra over de afbeeldingen. Ze streelt over de papieren haren; alsof ze, al aaiend, contact met haar familie legt, weer bij ze is. Dat haar handen vertroosting vinden in het beroeren van de afbeeldingen. Ze kijkt op, haar ogen staan dof en vol tranen. Ook oom Wanja en tante Olga kijken triest voor zich uit. Het zijn zulke lieve en zachtaardige mensen. Pijn staat in hun ogen geschreven. ‘Dat spijt mij zeer,’ herhaal ik en ik neem Aleksandra’s handen in de mijne en knijp licht om zo aan te geven dat ik haar gevoelens deel, dat mijn gedachten zijn bij diegenen die gestorven zijn in de naam van de linkse commune. ‘Belangrijk voor mij is dat u weet dat ik de gevoelens van uw zware ver-

282

lies deel en dat u begrijpt dat ik niet had moeten proberen in te grijpen in het leven van uw dochter. Ik had er het recht niet toe, maar ineens was ze weg en hoorde ik niets meer. Wij hadden elkaar zoveel goeds toegezegd in Boedapest. Het spijt mij. Het was niet juist van mij om af te reizen naar uw prachtige stad.’ ‘U hoeft zich niet te excuseren. Indien ik u goed inschat heeft uw hart u hier gebracht. Daarvoor dien ik u te danken.’ Ze knikt mij welwillend toe. ‘Dank u.’ ‘Met genoegen.’ ‘Kijk en dit is Dmitri. Mijn zoon en zijn familie.’ ‘Wat een leuk gezin. Zij zien er gelukkig uit,’ ventileer ik opgelucht. Ik hou haar handen opnieuw vast, geef een kneepje. ‘Mijn dank voor uw goede zorgen. Jullie warme ontvangst zal mij altijd bijblijven. Mag ik op een goede toekomst voor ons allen proosten? Dat jullie een lang, gezond en gelukkig leven mogen leiden; dat jullie lijden voorbij mag zijn, dat het Russische volk weer in alle vrijheid mag leven. Ik zei het nog tegen uw dochter Oljenka. Uw land zal niet meer lang zuchten onder de dwang van het collectief; wij in het Westen zuchten onder de dwang van het kapitaal. Aan de andere zijde van het IJzeren Gordijn, van de Muur, geldt maar een wet; de wet van het geld. Helaas maar waar. Maar geen treurigheid. Laat ons proosten op het zoete leven! Er is altijd een licht in de duisternis.’ Met z’n allen: ‘Proost!’ Aleksandra slaat het fotoalbum dicht en bergt het op in een la van het dressoir. Om van onderwerp te veranderen begin ik over de kunsten te spreken, over mijn bezoek aan de staatsgalerij in Moskou. ‘Ik was in Moskou, net als in de Hermitage overigens, blij verrast door de hoogstaande kunst. Met name in het Tretjakov. Sommigen van uw schilders overtreffen de meesters uit het Westen. Echt die Repin en...’ Ik blader door de geschonken

283

catalogus. ‘Dit schilderijtje van Polenov uit 1878 met een binnenhof in Moskou... het landelijke leven, de heldere blauwe lucht, de kathedralen op de achtergrond, de spelende kinderen op het gras in de voorgrond, de vrouw met een emmertje, de kippen die staan te pikken... en die Chagall. Wat een meester! Een man en een vrouw die boven de besneeuwde stad zweven. Zo poëtisch.’ ‘Ja, het Tretjakov heeft een prachtige collectie. Ik ben met name dol op dit schilderijtje. Even kijken of die erin staat...’ Aleksandra bladert verder. ‘Deze hier,’ zegt ze, ‘Serov’s “Meisje met Perziken”. Hoe vindt u dit schilderij?’ Ze kijkt iets vrolijker, Oljenka ook; toen ze de foto’s van haar vervlogen familieleden zag, pinkte ze zwijgzaam een traantje weg. ‘Dit is een van de meest prachtige portretten die ik ooit heb mogen aanschouwen. Het is totaal anders, maar de sfeer van dit schilderij doet mij denken aan Vermeer. Waarom weet ik eigenlijk niet. Misschien door de rust die het uitstraalt, eenzelfde onschuld als het “Meisje met parelen oorring”, of gewoon het meisje zelf. U woont in een mooi en rijk land, ondanks alle tegenstellingen en de tragiek van de 20e eeuw. Ondanks mijn eigen gemoedsrust moet ik opmerken dat het sprookjesachtig is. Echt prachtig. Het beeld in mijn land over het uwe is zó verkeerd. Vroeger dacht ik dat de Sovjet-Unie een Europees land was dat zich oriënteerde naar het Oosten, maar het is exact andersom. Jullie zijn een Aziatisch land georiënteerd naar het Westen. Dat zie je in de architectuur; in de kunst...’ ‘Jazeker; dat is het ook. Rusland is een bijzonder land, zo divers en groot, zoveel verschillende volken onder een dak, de sneeuw die in de winter alles wat lelijk is onder een zachte en stille witte deken bedekt...’ Ik proost met oom Wanja, tante Olga, met Oljenka en Aleksandra. En later nog eens en nog eens. Wij genieten van het eten, de eenvoud van het gestoofde schapenvlees – de Tsjanachi – met aardappelen, aubergines, basilicum, koriander,

284

uien, paprika, tomaten en peper. De worteltjes, paddenstoelensoljanka, de pirogi – pastei – met kip, tsjaj – thee, kaviaar, Moskouse pontsjiki – gebak: het smaakt heerlijk. Aleksandra heeft meer dan haar beste gegeven om mij genoeglijk te stemmen. ‘Koesjajte! Koesjajte! – Tast toe! Tast toe!,’ spreken ze om de beurt en wij proosten door en door totdat de oom en tante aangeven dat ze de nachttrein naar Charkov nemen en ik meedeel dat ik graag op een oor wil. De volgende ochtend neem ik afscheid. Ik schrijf op een gelukskaart een berichtje voor Eva. “Lieve Eva. Zoals je weet was ik de afgelopen dagen in Leningrad en heb ik mogen genieten van de gastvrijheid van je familie. Wat er aan de hand is, wat er is gebeurd, ik weet het niet. Mijn hart is gebroken omdat je niets van je laat horen, dat je in een keer uit mijn leven verdwenen bent doet zo’n pijn. Toch wil ik je danken. Niet voor de afgelopen dagen ( je was er immers niet), maar voor de ongelooflijke en wonderbaarlijke tijd, voor het wonder dat ons bij elkaar heeft gebracht. Ik zal je liefde en je oprechte tederheid nooit vergeten. Een lievere geliefde kende ik nooit eerder in mijn leven, maar nu is het afscheid daar. Ons samenzijn was een sprookje. Vaarwel mijn lief, mijn hart. Dat het goed met je mag gaan, dat je het grote geluk mag vinden met Daniil. De scherven van mijn liefde voor jou moeten gelijmd worden. Hoe, dat weet ik nog niet. Moge de Heer je bijstaan en je de liefde geven waar je naar verlangt. Je Adam”. Ik leg de kaart op de salontafel in de woonkamer, naast de bloemen die ik voor Aleksandra heb gekocht. ‘Vaarwel, beste Aleksandra. U bent een goed mens. Mijn dank voor uw gastvrijheid is groot. Mocht u ooit in de gelegenheid komen om Amsterdam te bezoeken, dan kunt u rekenen op mijn gastvrijheid. Dag, dag...’ Ik geef haar een hand, omhels haar stevig, ze neemt mijn handen in de hare.

285

‘Ik wens jullie het allerbeste toe. Zeg tegen Eva dat ik ondanks alles van haar hou, alstublieft, vergeet het niet.’ ‘Het spijt mij dat het zo is gegaan, beste Adam. U verdient beter, maar helaas kan ik mijn dochter niet verplichten iets tegen haar geweten te doen. Ik weet niet wat haar bezield, maar het is haar keuze. Probeer haar te vergeten en wat blijft is een bitterzoete herinnering aan mijn dochter. Het spijt mij zo,’ herhaalt ze vol mededogen. ‘Dag. Tot ziens.’ Ik draai mij om, de schouders schokkend, tot tranen geroerd en loop naar de lift, druk op de knop en de lift daalt langzaam af naar beneden. De grond is begaan. Buiten wacht een taxi die mij en Oljenka naar het vliegveld brengt. Bij het afscheid in de vertrekhal schreit ze tranen met tuiten. ‘Ik heb nog nooit zo’n vriendelijke man ontmoet. U verdient zoveel beter.’ Ze drukt zich tegen mij aan, wil mij niet loslaten. ‘Huil niet voor mij Oljenka. Ik ben het niet waard. Dank u voor al uw goede zorgen van de afgelopen dagen. Mocht u Eva zien, vertel haar dat ik in mijn gedachten altijd bij haar zal zijn.’ Ik streel over haar hoofd, door haar rode haren, licht met een hand haar kin op. ‘Kop op’, zeg ik tegen haar. ‘Vergeet haar. U bent te goed voor mijn zus.’ Ik ben het niet met haar eens; ik weet ze bedoelt het goed, maar van haar raadgeving wil ik niet weten. Na een laatste vaarwel draai ik mij om, passeer de douane en open na een vermoeiende vlucht de voordeur van mijn huis, loop de trap op, val op bed, mijn eigen lot, ik wil bittere tranen schreien, maar het oogvocht is drooggevallen en ik sta op, loop naar het Vondelpark en ga op mijn buik op het gras liggen; kus het Hollandse groen. De temperatuur is 23 graden, de zon straalt in het hoge heldere blauw. Het is lente in Amsterdam. De vogeltjes fluiten. Een schietgebed zend ik voor haar naar boven. Dat je alle geluk vinden mag.

286

Een paar maanden na mijn terugkeer uit Leningrad ligt er een brief van Aleksandra in de postbus. Ik open de envelop. Goed nieuws? Ik hoop het zo. Vol ongeduld vouw ik de brief open en begin te lezen. “Lieve Adam. Mijn moeder heeft aan mij gevraagd om deze brief voor u te vertalen. Goedendag Adam! Ik vraag om uw verontschuldiging; dat ik u zo laat antwoord. Ik wil nu graag iets herhalen. Adam, dank u wel voor de warme woorden en de wensen. Het was voor mij zeer aangenaam om met u te kennis te maken en met u te spreken en natuurlijk verheug ik mij over onze toekomstige ontmoeting, indien het ooit gebeurt. Hoewel ik daarvoor eerst beter Duits, Frans of Engels moet leren. Ik hoop en ben er van overtuigd dat uw verdere leven gelukkig zal zijn en u zult zeker een mooie familie hebben. En Eva blijft voor u een kleine bittere herinnering. Ja, Adam, u heeft gelijk, Eva heeft vele talenten; moedig, betoverend en oneindig mooi. Maar ze heeft voor een andere man gekozen. In de week dat u bij ons was, was haar tweede huwelijk en ze zegt dat ze echt gelukkig is. Ik kon het niet aan u vertellen toen u bij ons was. Het is haar keuze en ze heeft daar recht op. Het schijnt dat hij een goed mens is en hij houdt veel van haar. Kunt u mij beloven niet meer met Eva te schrijven? Ik denk dat dat beter voor jullie beiden is. Ik heb vandaag uw horoscoop voor dit jaar gelezen en men kan daar over dezelfde situatie lezen. Adam, met uw fijne en sensitieve ziel vindt u echt geluk. Ik wens u het beste toe”. Haar tweede huwelijk toen ik in Leningrad was? Hoe is dat mogelijk? Je hebt mij verlaten en voor een ander gekozen, dat was mij al duidelijk, maar getrouwd? In dezelfde week toen ik daar was? Wat? Wij waren zo gelukkig samen. Waarom? De brief valt uit mijn hand op het marmer in de hal, ik val en huil hartverscheurend. Als een coyote die zijn roedel verloren heeft.

287

Vier maanden later rinkelt de telefoon. ‘Adam hier.’ ‘Hallo Adam. Het is Eva,’ zegt ze met een opgeluchte stem. ‘Het is een plezier om je stem weer te horen... Hoe is het?’ Ik val stil en zeg na enkele seconden: ‘Dag Eva. Tja, hoe het met mij gaat? Wat denk je?’ ‘Het spijt mij Adam. Het spijt mij zoveel...’ ‘Waarom?’ ‘Ik kon niet anders. Mijn zoontje...’ ‘Hoe is het met je?’ ‘Goed. Ik ben gelukkig en net zo blij om jouw stem te horen. Ik wil je bedanken voor je mooie briefje, voor al je goede wensen.’ ‘Waarom Eva...?’ ‘Ik moest. Ik werd gedwongen... Het is zoveel sterker dan ik het ben...’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Laat toch Adam. Ik ben getrouwd en ik wil je bedanken, voor de prachtige tijd samen en om aan jou het beste te wensen. Kun je je dat voorstellen?’ ‘Ja, dank je. Alleen heb ik er weinig aan.’ ‘Hoezo? Is dat niet goed genoeg?’ ‘Nee Eva, dat is het niet. Het is teveel voor mij. Je komt, je gaat, je komt, je gaat en belt maanden later op, zonder enige rekening te houden met mijn gevoelens. Ik wilde mijn leven met je delen, je zoontje Daniil zien, samen zijn. Nu ben je bij een ander en bel je mij weer op. Ik vind dat echt goed van je, je stem te horen is voor mij de grootst denkbare vreugde. Een diepe wens is uitgekomen.’ ‘Sorry Adam... Het spijt mij zo. Je bent een hele fijne man en ik wil je bedanken voor alles wat wij samen gedeeld hebben. Het betekent veel voor mij. Het was een wonder.’ ‘Voor mij ook, alleen...’ ‘Laat het zo zijn, zo gaat het in het leven.’ ‘Ik begrijp je niet.’

288

‘Ik wil je nog een keer bedanken. Sorry, maar ik heb niet veel tijd. Ik moet er vandoor. Dag Adam. Het gaat je goed. Nogmaals sorry. Je weet hoe het mij spijt.’ ‘Dank je wel Eva. Ik wil...’ ‘Sorry. Ik moet echt... er komt iemand aan...’ Ze verbreekt onze verbinding.

289

XV
Op een sombere avond met een stortregen die de vogels doet schuilen onder het herfstgebladerte, schenk ik een laatste borrel in, een Hennessy Richard en ik ga op de chaise-longue naast de brandende open haard liggen. De radio staat zacht; ze draaien een plaatje van the Electric Light Orchestra met Jeff Lynne en daarna Mouse on Mars met het liedje “JuJu” van het album “Autoditacker”, zo zegt de DJ. Nippend van de cognac denk ik aan die ene keer toen ik de eigenaar van het Amstel hotel flink in de maling had genomen. Ik wist het te krijgen dat hij een glas met ons zou drinken en hij bestelde de beste cognac van het huis; Rémy Martin Louis XIII Grand Champagne. De ober had ik echter geïnstrueerd om de goedkoopste rommel in te schenken, een mix bestaande uit tien cc Schotse whisky van het merk Johnnie Walker en de andere helft de goedkoopste Martell. ‘Echt heerlijk,’ riep de manager uit. ‘Voortreffelijke cognac is dit. Wat een explosie; een exquise smaaksensatie!’ En wij aan de echte cognac en stilletjes gniffelen. Ja, dat waren tijden om te lachen. De snob in optima forma namen wij daar te grazen. ‘Hihi,’ gniffel ik. Ik wrijf in mijn handen en neem nog een slokje van de cognac. Ik voeg er altijd een klein druppeltje ijskoud en gezuiverd water aan toe, zodat de smaak beter tot zijn recht komt. Het is 23.52 uur zie ik op de staande empire klok in de hoek van de woonkamer. Het schilderij van Jan Toorop hangt ietsje scheef, dus hang ik deze weer recht. De laatste slok gaat er in als vloeibare nectar en ik doe de lichten uit, loop de trap op en ga de slaapkamer in, kleed mij uit en neem een korte douche in de naastgelegen badruimte. Tien minuten later lig ik onder de wol en kus haar foto een goedenacht, zoals ik dat iedere avond doe. Allemaal zo lang geleden, denk ik nog en ik val in een diepe slaap.

290

Het is onrustig... ‘Bewerk het! Voeg iets toe! Maak een reprise! Verander het gezicht van de geschiedenis, maak het onmogelijke mogelijk, werk in tegen de stroom van de natuurlijke rivieren. Leve de kunstmatigheid. Het onechte. Geef een verknipte draai aan het wezen van het leven. Laat de draaiingen, de welvingen van de wereld anders worden. Onecht is kunst, knip en plak de bende, dat doet je wat. Abcdefghijklmnopqrstuvwxyz. 0123456789. Met letters en cijfers kun je werelden scheppen, weet je. Alleen de nul, de een, A(denine), T(hymine), C(ytocine), G(uanine), ATCG; het DNA, meer hoef je niet te hebben, vanuit dit, met deze zes tekens is het levende ontstaan, bestaan de kronkelende spiralen en groeiden de talen, het bewustzijn, het levende, de oneindigheid. Zeg ik tegen mijzelf. Alleen ben ik het niet. Het is mijn kunstmatige geboorte, mijn wederopstanding, het is de resurrectie van mijn lichaam die tegen mij praat en hij legt een verklaring af. ‘Ja, je ziet het goed! Ik ben jou en jij bent mij. Je bent jaren geleden geconserveerd, het Deoxyribo Nucleic Acid werd aangepast, het sterfelijke, het oerbeginsel, deze code werd uit je vorige lichaam gehaald en ik leef!!, leef!!, leef!!, ik-jij is opnieuw geschapen in de ruimte die Aarde heet en ook Eva hebben ze weten te kopiëren, de gedupliceerde versie is in de stad aan het winkelen, zoals de oorspronkelijke honderden jaren geleden deed in de Bijenkorf. De Bijenkorf bestaat niet meer zoals destijds, maar is wel zorgvuldig gereconstrueerd waarbij rekening gehouden is met de hedendaagse wensen van het kooplustige publiek.’ Mijn replica kijkt mij indringend aan. De MenschMachine verklaart: ‘Weinigen weten hiervan, van de geheime ope-

291

raties die alleen voor de allerrijksten waren weggelegd. Je bent tweehonderd jaar geleden ingevroren en dankzij de ingebouwde tijdvertragende DNA techniek leef ik momenteel een op de honderd. De wetenschappers hebben destijds het sterfelijke gen ontdekt en weten te isoleren. De tijd die maakt dat wij ouder worden en waaraan wij sterven werd uit ons lichaam gehaald. En jij was een van de eersten die daar gebruik van hebben gemaakt, alleen weet je dat niet meer, maar nu kom ik het je in je eigen dromen vertellen. Eva heb ik iets laten verbeteren, alhoewel ze destijds al perfect was. Ze is nog oogstrelender en ook jij bent aangepast, de schouders ietsje breder en de kaaklijn nog strakker; je ziet het. De herseninhoud is uitgebreid en ze hebben een hogere verwerkingssnelheid gekregen; de ogen zien scherper dan een adelaar. Ze is groter gemaakt en haar heupen hebben niet de omvang van negentig centimeter, nee, deze zijn nu 82 centimeter in omvang. Hele strakke genen. Haar borsten zijn iets kleiner en haar mond hebben ze gelaten zoals het was, want wie kan een mond gelijkende Marilyn verbeteren? Niemand toch? En nog een aantal kleine veranderingen die er niet zo toe doen...’ Zijn gezicht wordt langzaam vager. ‘De Snijdende Zandloper Nevel,’ schreeuwt de Diabolus ex Machina mij na. ‘Hé, jij! Let eens op. Hé, jij! Let eens op. Hé, jij! Let eens op.’ De telefoon rinkelt. Ik neem de hoorn van de haak. Het is Eva. ‘Wat heb ik zojuist moeten vernemen, kloothommel die je bent. Ontzettende slijmbal, addergebroed, aderverkalkte hersenverweking!’ Ze gebruikt gelukkig zelden echt vieze scheldwoorden, ze is meestal redelijk creatief in deze, ze zal nooit varkenspik zeggen. Ze is laaiend. Aiaiai. Ze heeft de gewoonte gekregen altijd alles onvertogen te zeggen. Dat hoort bij een replica. Indien je het ergens niet mee eens bent, zeg je het en zo wel, dan zeg je dat ook. Altijd spreken wat je voelt, wat er in je opkomt. Een twijfellach staat op mijn gezicht, een licht kriebelend onbehaaglijk gevoel borrelt in mijn

292

maagstreek omhoog en ik strijk met mijn rechterhand door mijn haardos. Ze raast maar door, niet te geloven, ze ziet er niet alleen zowat hetzelfde uit, ook haar stem is identiek, haar woede uitbarstingen. Wat er allemaal kan in een laboratorium, in een mixflesje, met enkele pipetten, vrieskisten... de wetenschap staat voor niets. Leve de resurrectie! ‘Een tijd geleden beweerde je dat je van niets afwist en nu…,’ haar adem stokt heel kort, ‘…nu moet ik via-via vernemen dat je toch akkoord gaat met de voorstellen die de Grote Voorzitter gedaan heeft… en ik? Ik weet weer eens van niets! Wanneer ga je eens vertellen wat er allemaal in je hersenpannetje rondspookt, jij wandelende druipsteengrot, misplaatste arrogante baksteen. Dat je mag verzinken in de diepste poel van verderf, nog erger dan Dantes’ hel! Jij proefkonijn! Laat mij niet alleen achter.’ Ik behoud mijn kalmte, zeg: ‘Ssstt, rustig, rustig’ tegen haar, alsof ze een klein kind is dat getroost dient te worden en ik leg de hoorn naast de telefoon, loop naar de ijskast, pak een blikje Coca Cola en neem een slok terwijl ik de hoorn opneem. Coca Cola IS the real thing. Nu geloof ik het ook. Replica’s zijn makkelijker te programmeren. ‘Ben je vanavond rond negenen thuis? Spreken wij verder. Ik moet er vandoor en ben er later weer.’ Ik leg de hoorn op de haak. Ik kan niet zo goed tegen scheldkanonnades. Maar ik weet zeker dat hoe harder haar woorden, hoe meer genegenheid er in haar geschreeuw schuilt. Het is zo ver. Ik ben de eerste mens die een reis maakt zoals niemand tevoren heeft gewaagd. Ik… Ik ga door het oog van de naald… door het oog van de Snijdende Zandloper Nevel. Ik stap in het ruimteschip dat achter de linde op mij wacht. De gezagvoerder van het schip schudt mij de hand. Ik zwaai vaarwel naar het toegestroomde publiek en zing mijn laatste hit: ‘Wij gaan met de machine! Hier komt de machine!

293

Herinner je eerste gevoelens van zijdezacht comfort Hoop dat je mij vanaf vandaag vergezelt door de storm Door het oog van de Snijdende Zandloper Nevel De zon Cepheid verflauwt en verheldert periodiek En weet zo de afstand in de ruimte te meten Dansende sterren in grote elliptische bewegingen Door velden van energie gedragen als dons Wolken van goud beschijnen de zonnebloemen De mens in ons is niet meer – wij leven als machines De witte steen die maakt dat wij vallen Die ene witte steen rockt hard door de muur De hoge en lage tonen die niemand horen kan Maken dat het oog openbreekt De spiegels worden zichtbaar In het Uni Multi Omni Versum’ Ik zwaai nogmaals naar het publiek. Eerst mijn gesprek met haar afwachten. Gewoon vertellen wat er staat te gebeuren. Kort schrik ik op met opengesperde ogen en val opnieuw weg in een diepe slaap. Mijn droom vloeit over naar de gebeurtenissen van begin vorige herfst. Ik ben in een sanatorium in de buurt van Lugano, Zwitserland. Ik lig op een luie bank op een veranda met uitzicht over de bergen. Een man in een witte jas loopt naar mij toe en hij stelt zich aan mij voor. ‘Hallo,’ zegt hij. ‘Ik ben dokter Merkwaardige Liefde.’ ‘Hai. Ik ben Adam Adams.’ ‘Ik weet het.’ ‘Alleen te genezen in de ruimte, hier op aarde ben je ongeneeslijk… ongeneeslijk, je hebt de afgelopen jaren veel te slecht voor jezelf gezorgd... je moet een lange tijd in quarantaine, in een gewichtsloze ruimte, een lange reis zal je goed

294

doen, de aanpassingen in jou hebben je wonderbaarlijk oud gemaakt, maar er is toch iets mis gegaan, of eigenlijk niet echt, dit soort gevolgen zijn eenmaal onvermijdelijk. Omdat je lichaam zo traag reageert op omgevingsinvloeden, door honderden jaren te leven in de zwaartekracht hebben je organen teveel stoffen opgeslagen die schadelijk voor je zijn. Wij kunnen deze vervangen, schoonmaken zelfs, maar het is het beste als je voor minstens tien jaar de ruimte in gaat. Gewichtsloosheid met een chemische kuur zullen je goed doen. In de capsule word je aangesloten op externe organen die je in leven zullen houden en je interne organen zullen zonder gewicht langzaam gezuiverd worden, ze worden gespoeld dag in, dag uit. Heel erg langzaam. Het is nu of nooit...’ De dokter staat op, schudt mijn hand en verlaat de veranda terwijl ik in gedachten verzonken achterblijf. De woorden van dokter Merkwaardige Liefde trillen na op mijn trommelvliezen. Eva draaft naar binnen en ook ik ben weer thuis, direct uit Zwitserland, zo in de woonkamer. Ze loopt ongeduldig en nerveus naar mij toe. Ze omhelst mij en barst uit in een luide snik. Tranen zwellen op in haar bloeddoorlopen ogen. ‘Welnu,’ begin ik, ‘je hebt alle verhalen al uitgebreid in de kranten kunnen lezen. Al wat er in vermeld is, is waar. Op 23 augustus vertrek ik via de Snijdende Zandloper Nevel naar het dichtstbijzijnde universum gelijk de onze. Ik mocht je helaas, wegens veiligheidsoverwegingen, niets vertellen. Het spijt mij dat het zo heeft moeten lopen. Het kon niet anders.’ Ze is gelukkig snel van begrip. Ze weet in welke erbarmelijke omstandigheden wij, de hele wereld, de laatste decennia, de laatste eeuwen, hebben moeten leven en ze is trots op de moed die ik toon. ‘Vertel mij waarom je deze reis onderneemt. Geef mij slechts een goede reden. Is dat teveel gevraagd?’ ‘Nee, dat is het zeker niet,’ antwoord ik. ‘Ik zal er meerdere geven. Ten eerste heb ik niets meer te verliezen. De dokto-

295

ren geven mij nog maximaal twee, drie jaar. Dit kon natuurlijk niet goed blijven gaan. Ik wilde opnieuw geboren worden, een nieuw leven beginnen met jou. De wetenschap maakte het mogelijk dat wij opnieuw geboren konden worden, uit onze DNA werden wij herschapen, dankzij het Cryonics project werd dit alles mogelijk gemaakt.’ Ik kras met mijn wijsvingernagel op mijn hoofd. ‘Wij zijn de door de wetenschap gerealiseerde vorm van reïncarnatie, de wederopstanding, dat zijn wij.’ Ik kijk haar dwingend aan. ‘Als de grote verlosser zijn wij, de wetenschap heeft het mogelijk gemaakt. Wij leven voor eeuwig in de opstanding. In de open lege ruimte, buiten de aarde is er geen tijd, want er is geen beweging van de hemellichamen. Ik kan in de capsule een reis maken zonder dat de ziekte mijn lichaam verder aantast. Ik kan, zegt de arts, weer helemaal genezen en terugkomen op aarde, maar vanaf die terugkomst zal ik zoals de sterfelijken gaan leven, tot de sterfelijken gaan behoren; daarna kan ik uiteraard nogmaals tot leven worden gewekt. Alles is mogelijk met gerecombineerde genealogie en diepvriestechniek. En tevens, mocht alles lukken, zal ik een definitief bewijs meenemen dat er buiten onze Melkweg leven bestaat. Indien alle natuurwetten inderdaad overal geldig zijn kan het niet anders zijn dat er in andere sterrenstelsels identieke wetten bestaan en misschien dezelfde levensvormen. Wellicht kom ik daar een zelfde Eva tegen! En Captain Kirk zeker ook,’ zeg ik in een stem die toch niet geheel de mijne is. Jij & ik. Barbie & Ken. Replica twee & Replica een. Eva Twee & Adam Twee. Golema & Golem. De ontaarde mens. ‘Maar wat moet ik doen? Niets, stil blijven zitten tot de Heer mij definitief komt halen?,’ vraagt ze. ‘Ik weet het allemaal niet, je vertelt maar wat,’ – ze leest mijn gedachten – ‘ik

296

weet het allemaal niet meer, ik weet het gewoon niet meer...’ Stilte. ‘Wat moet ik? Hier alleen achterblijven? Dat ik alleen maar die ene voorbijganger voor je ben? Maar je zult wel gelijk hebben. Je wilt de maker ontmoeten, na de tijd.’ Het laatste licht beroert ons, het wordt langzaam donker. Een paar seconden maar werpt de zon haar stralen naar binnen. ‘Ik leef voor je,’ zeg ik. Ik neem haar hand vast. ‘Ik weet het ook niet meer zo. Ik. Ik. Ik. Eigenlijk moet ik mij diep schamen. Ik wil niet weg, wil je niet kwijt. Echt niet liefje. Kom hier, bij mij, pak mij vast, omhels mij.’ Wij omhelzen elkaar, onze lichamen versmelten samen, wij zijn een. Een en dezelfde golflengte, haar ziel is de mijne, de mijne de hare. Met haar neem ik de wereld intenser waar, veel schoner. Ik neem dimensies waar die diep in mij verscholen liggen. Ik draai mij om en ga op de andere zij liggen. Hier is het waar ik naartoe ga. Precies tot hier aan toe. Mijn gedachten die denk ik, alleen ben ik ze vergeten. Overtijd. Elektrische pixel meisjes activeren mijn zintuigen in het park. Een leven vol romantiek. Goudvissen in mijn buik. Draag het uit. Draag het uit. Gala calli tris, quadri vulva’s... Hier; kun je zitten, verdragen... De opnames, de chimpansees, je bent nieuw, een beter mens, het gaat goed met je. ‘Ik wil je iets vertellen. Ik wil je zachtjes strelen. Ik wil je lichaam ruiken. Ik wil je voeten voelen. Ik wil je ogen zien. Ik wil je handen aftasten. Ik wil je bij mij hebben,’ zegt ze en ze kruipt tegen mij aan. Ik takel erg snel af. Het vlees blijft niet goed zitten. Het wordt met de minuut slechter. ‘Ik heb alle tijd voor je... De tijd loopt terug... Zoals de Indianen al.. Beweerden... Bezweerden... Als je de betekenis van het begin ziet,’ zeg ik tegen haar. Ze ziet er gezond en gelukkig uit, nu wel, ze is het voorval

297

met de ruimtereis alweer vergeten. Ze speelt bij het water met haar kind. ‘In het begin zijn er woorden, een rijkdom van goud, ze stromen in gedachten door. Via externe impulsen die de omgeving beïnvloeden komen ze tot het sensitieve brein. Het gaat maar door en door...’ Ik geef haar een kus en draai mij om in bed, de televisie is aan en ze zapt met de afstandsbediening. ‘Herman Meier hat dieke Eier, aber Eva hat die schönste,’ droom ik. ‘Waar blijft de Tussen Tijd? Ja! Je slaat de spijker op zijn kop. Dat gaan wij doen.’ “Nucleair mysticisme als nieuwe religie”, ziet ze op de televisie. Een oude reportage uit vervlogen tijden. De screensaver van de computer meldt: “Post-Nucleaire Na-het-Leven Mix”. Ire exit – De toornige uitgang. ‘Wat is er met je gebeurd? Wat doe je daar?,’ vroeg hij en maakte zijn weg door de filets mignons en het water was blauw in Chicago. Ze gaat liggen op het grauwe gras en ze zegt: ‘Dit was het paradijs.’ De regenboog is zwart. De klok draait door en er zit een chip in mijn hoofd die mij beveelt wat te denken en wat te doen. ‘Is je ooit het menselijke gezicht in machines opgevallen, de siliconen die lekken in de vallei van staal? De competitie der liefde? Het absolute lippenstift dieptepunt? Oh, mijn God, het is schoner dan soda en spoel het terug. Laat mij de...’ Ik wil haar omarmen en reik de handen uit om haar te bereiken, ver verder verst. De aarde draait om haar as. Mieren die terugkeren naar de termietenheuvel. Vogels in vlucht. Eva kijkt op en duwt haar zoon Daniil vooruit op het ijs. Ze schaatsen in de Russische winter vlakbij de kloostermuren van het Novodevichy klooster. Tsaar Nicolas II zwaait naar haar en ze draait zich om en schaatst naar hem toe; ze valt in zijn armen. Ze draagt een lange bontmantel van chinchilla.

298

Ik druk op het knopje en het ruimteschip laat de aarde los; de deuren zijn dicht. De blauwe aarde verdwijnt onder mij, gelijkende een oogbal beweegt de aarde rond alsof hij de hemel aftast, zichtbaar zoekend naar... In een flits verdwijn ik naar een andere dimensie. Ik ga sneller dan het licht. Met een harde bons val ik op de vloer naast mijn bed en schrik wakker uit deze droom, of beter gezegd uit deze nachtmerrie. Wat was dat voor iets raars! Ik wrijf mijn ogen uit en kijk naar buiten. De regen zwiept tegen het raam. Het is bijna vier uur in de ochtend, zo zie ik op mijn Swatch Subversion en ik sla het dekbed van mij af. Het is drijfnat. Maar goed dat ik mijn duikhorloge om heb. Pppfff, wat een ellende, hoe kan een mens zo dromen? Geef mij voortaan alsjeblieft de droom van Martin Luther King of die van Nelson? Bambi of zo. Iets van zij leefden nog lang en gelukkig, in plaats van deze onmenselijke ellende. Mijn maag draait om en de golven rijzen omhoog. Ik spring op en ren de badkamer in, kots het toilet vol. ‘Deus omen avertat – God verhoede dat!,’ krijs ik. ‘Geen tinnen man. Geen compleet opgefokte chip aap!’

299

XVI
‘Is liefde een spel?,’ vraagt Lana. Ze zit op de sofa in de serre tussen Eva en Kris. Haar bruine hertenogen kijken mij onderzoekend aan. Ik zit tegenover haar op een rotan stoel. ‘Wat denk je?,’ antwoord ik. ‘Wil je geliefd worden als in een spel, met een winnaar en een verliezer?’ ‘Nee, niet echt hè?,’ antwoordt Lana. ‘In liefde zijn alle betrokkenen de winnaar, is het niet?’ ‘Dat hangt af van wat de deelnemers van elkaar verwachten en of ze echt van elkaar houden; het met elkaar kunnen uithouden.’ ‘Dat schiet lekker op zo.’ ‘Vind je?,’ vraagt ze met een kwinkslag in haar stem. ‘Niet echt hè? Haha... Je hebt net zo’n humor als Eva heeft. Ik begrijp waarom jullie beste vriendinnen zijn,’ zeg ik tegen haar. Lana lacht haar tanden bloot. ‘Ik begrijp direct waarom jullie elkaar zo leuk vinden. Je bent echt een plagertje, je speelt een spelletje.’ ‘Dat klopt, maar dit woordspelletje gaat niet over liefde, maar over redeneren. Ik plaag je slechts. En indien je weten wilt over liefde en het spel, ben ik uiteindelijk van mening dat het alleen maar winnaars op kan leveren. Zodra dat in het spel niet gebeurt, is er sprake van een lichtere vorm van liefde, of van afkeer. Spelen is iets wat in de liefde voorkomt, als handeling en niet als liefde zodanig, anders zou het een spel zijn,’ zeg ik. ‘Ik kan je niet zo volgen...,’ zegt Lana. ‘Begrijp je niet.’ ‘Het zijn verschillende dingen. Als ze identiek zijn, zijn ze hetzelfde en dragen ze dezelfde naam. Dus liefde is geen spel, maar kan wel plezierig gespeeld worden. Liefde is niet iets onnozels en kan niet al te lichtzinnig opgevat worden, of wel? Bij haar voel ik mij bijna altijd licht, opgewekt, speels... Dus

300

ja...’ ‘Zie je wel? Liefde is een spel, iets lichts, het bestaat om elkaar te plezieren.’ ‘Zeker. Plezieren, elkaar goed doen is het voornaamste instrument.’ Zo zie je maar weer dat alles kan. ‘Zullen wij aan tafel gaan?’ Wij gaan aan tafel en ik deel het eerste brood, smeer ze in met verse Provençaalse kruidenboter en geef het brood aan Eva, Lana en Kris. ‘Heerlijk die boter en het brood is zo knapperig,’ zegt Eva uitgelaten. ‘Het ziet er goed verzorgd uit Adam. Ik ben benieuwd naar de kookkunst van Fionae. Ben je niet zo goed in de keuken?’ ‘Oh jawel, maar de kookkunsten van Fionae weet ik niet te evenaren. Het zijn gerechten die ikzelf eens gemaakt heb, alleen niet zo smakelijk als zij het kan. En ik vond het zonde van de tijd om de halve dag en de avond in de keuken door te brengen. Had ik zowat geen tijd gehad voor jullie en dat zag ik niet zo zitten.’ ‘Dat is OK,’ zegt Lana. ‘Fionae is goed. Ik ben meer van de eenvoudige keuken, volksgerechten. Die langoustines... ik heb het geprobeerd, maar dat was niet echt best. Geef mij maar sla of kool, noten, fruit. Het eten van vanavond is werkelijk waar lekker. Let maar op. Ah, daar komt de soep,’ roep ik enthousiast. Fionae zet de pan met soep op tafel en ik schep de borden vol en schenk de wijnglazen in met Pinot Blanc. ‘Proost!’ Wij proosten op een goede maaltijd, een gezellig weekeinde en op onze kennismaking. ‘Willen jullie andere muziek onder het eten, of is dit naar jullie tevredenheid?’ Kris: ‘Ik vind dit wel gepast onder het eten. En jullie, da-

301

mes?’ Eva: ‘Prachtig. Laat dit maar opstaan Adam. Dit geeft onze maaltijd een extra warme glans.’ Ze kijkt met hongerige ogen naar de soep. ‘Speel je piano Adam? Stomme vraag, sorry, anders zou dat instrument niet in je woning staan,’ vraagt Kris belangstellend. ‘Nou eerlijk gezegd niet echt hoor. Ik heb een aantal jaren les gehad, maar ik heb er geen talent voor. Ik kan best een deuntje spelen en improviseer graag, maar nee... ik ben een zeer matig pianist. Helaas. Een vriend destijds leerde tegelijkertijd met mij het pianospel. Binnen een jaar speelde hij Listz en ik was nog bezig met “Boer hoe is het met je kippen”, dus eh... Zingen doe ik daarentegen stukken beter. Ik heb een redelijke zangstem.’ ‘Ik speel gitaar,’ zegt Kris. ‘Eva? Jij?’ ‘Oh nee... daar heb ik in het geheel geen talent voor. Ik hou van muziek, maar spelen, ho maar. Mijn talent zit in mijn vakgebied, de fysica en ik ben graag met dieren en mijn twee allerliefste schatten.’ ‘Lana? Jij?,’ vraag ik. ‘Speel jij iets?’ ‘Ik bespeel geen instrument. Was het maar waar. Als ik ergens geen talent voor heb, dan is wel de muziek.’ ‘Ben je een fan van popmuziek?,’ vraagt Kris aan mij. ‘Ik wel. Ik ben dol op rock-’n-roll, Nirvana. Ook ben ik een grote fan van Deep Purple. Ken je die elpee “Machine Head?”,’ vraagt hij al hoog en neer wippend op zijn stoel. ‘Deep Purple?,’ vraag ik ter bevestiging. ‘En Nirvana? Echt, Kris, een ding is zeker. Het nirvana heeft die Kurt Cobain nooit en te nimmer bereikt. Dat is een feit. Moet je je hoofd maar niet opblazen met een geweer. Weet je trouwens dat die gitarist van Deep Purple, Ritchie Blackmore, de grootste hekel had aan die muziek? Na hun optredens zat hij in de kleedkamer en speelde hij oude Middeleeuwse minstrelen muziek op zijn luit in plaats van hardrock. Hij moest niets hebben

302

van al dat lawaai, de Marshall versterkers, de gierende gitaren. Knoppen op nul, de stekker eruit, was zijn devies.’ ‘Echt waar? Nou, ik hou van een flinke harde deun, een stevig ritme. Simpel, drums, gitaar, basgitaar en zang.’ ‘Na de maaltijd speel ik een concerto voor drie toehoorders. Speciaal geïmproviseerd voor jullie,’ zeg ik met een lach. ‘Dat wordt vast een dolle boel. Want ik speel een mix van Jerry Lee Lewis, Beethoven en Debussy. Met andere woorden, het klinkt heftig en ook zacht en licht. Enfin... Jullie horen het later... En? Hoe is de soep? Jullie zijn zo stil,’ merk ik op. ‘Adam, je weet als gasten stil zijn onder het eten, dat dat één ding betekent. Het is heerlijk. Werkelijk verrukkelijk,’ smult Eva. ‘Je hebt het voor elkaar gekregen, met alles in je leven.’ ‘Behalve met jou. Met jou wil ik veel meer.’ ‘Nu niet Adam... Sst.’ Kris kijkt naar Lana met een vragende blik, maar Lana houdt haar mond dicht, alleen niet nadat ze de lepel met de soep naar het bord heeft gebracht en van de soep heeft geproefd. ‘Adam, je moet Fionae bedanken voor deze soep. Hoe kan iets zo lekker smaken? Echt, dit heb ik nog nooit eerder gegeten en het moet gezegd worden dat het lekker is.’ ‘Je kunt haar bedanken zodra ze de tweede gang op tafel zet. Ze zei dat in deze soep tien verschillende soorten groeten zitten.’ ‘Vertel eens Adam. Je bent nogal in de kunsten. Is het niet?,’ vraagt Kris nieuwsgierig. ‘Beroepsmatig? Nee, dat niet echt. Ik koop zo af en toe wat en volg de ontwikkelingen in de kunsten actief, maar mijn geld verdien ik met beleggingen. Over een paar maanden trouwens stop ik met werken. Mijn eigen activiteiten ga ik beeindigen en daarna ga ik helemaal leven zoals ik het wil.’ ‘Oh?’ ‘Ja. Met niets ben ik begonnen en dit jaar gaan mijn beleggingen in de verkoop en ga ik leven van de lucht... Wat ik daar naar verlang, je wilt het niet weten.’

303

‘Je bent dus binnen?’ ‘Totalemente!’ en ik neem de laatste lepel met soep tot mij. ‘Je ziet het: ik heb alles waar ik naar verlang en nu hoeft het niet meer. Ik ga rustig aan doen. De afgelopen jaren heb ik dubbele werkweken gekend en die opgelopen schade ga ik binnenkort inhalen.’ Lana, donkerbruin halflang haar, een meter zeventig, kijkt mij met sprekende ogen verbaasd aan: ‘Ik zie het om mij heen. Je hebt een fijn huis en de inrichting is zeer smaakvol, net als het eten.’ ‘Dank je wel Lana. En over de kunsten: voor een deel “ ja”. Al vanaf mijn kindertijd is mijn interesse voor de kunsten groot. Je ziet het aan de schilderijen, de beelden, de houtsneden. Kunst verheft de mens. Het verheft in ieder geval mijn ziel en geest.’ ‘Hoe kom je er bij om te beleggen?,’ vraagt Kris. ‘Omdat dat eenvoudig werk is. Je koopt goedkoop en verkoopt duur. Dat is alles wat je hoeft te weten als puntje bij paaltje komt. Ik investeer in bedrijven met toekomst en zodra de winst vet is, verkoop ik mijn aandeel weer. Ik heb dat principe tot kunst verheven en ben dus volledig binnen, na jaren hard werken.’ ‘Tjee,’ zegt Kris. ‘Dan heb ik toch iets verkeerd gedaan...’ Eva: ‘En jongens? Al bekomen van de eerste ronde?’ ‘Over een kwartier komt de volgende ronde. Jullie nog een glaasje wijn?’ ‘Zeker!’ Ik schenk de wijn bij. ‘Ander plaatje?,’ vraagt Eva aan mij. ‘Chopin is afgelopen.’ ‘OK. Ik zal om jullie te behagen iets Russisch opzetten. Wat vinden jullie van Stravinsky? Nee, dat is iets te veel voor onder het eten. Ik zet een plaatje op met Evgeny Kissin achter de vleugel met werk van Mozart. Ik heb hem een jaar of tien geleden nog gezien in het Concertgebouw. Een jongen van nog geen twintig toen en met een ongelooflijke expressie in

304

zijn spel. Kennen jullie hem? Volgens mij komt hij uit St. Petersburg of anders uit Moskou...’ Lana: ‘Nee, daar heb ik nog nooit van gehoord. Kissin?’ ‘Ja, Kissin. Die jongen is briljant. Hoe het kan, weet ik niet, maar de Russische kunsten staan op een bijzonder hoog niveau. Die jongen kan piano spelen met een diepgang en begrip van de intentie, van de ziel van het werk... Het is wat bij jullie, de beste dansers, pianisten, Chagall de schilder... Ik heb een zwak voor Russische kunst, waar het vandaan komt...’ ‘De Russische ziel gaat diep,’ verklaart Eva. ‘Vandaar dat ik zo dol op je ben,’ zeg ik terug, streel haar bolletje en geef een kus. Ik sta op en zet Mozarts’ 20e pianoconcert op. ‘Zo kan ik het niet hoor,’ lach ik naar Lana. ‘Mijn pianospel kun je vergelijken met een Lada en de zijne met een Rolls Royce. En jij Kris?,’ vraag ik aan hem. ‘Jij ontwerpt auto’s voor welk merk? Wat was het ook alweer?’ ‘Jaguar.’ ‘Ach ja. Natuurlijk. Echt? Ik ben een Jag fan! Sterker nog: ik had ooit een XK8 en in een ver verleden zelfs een E-type. Prachtige sportauto. Vaster dan een muur, een motor die ronkt als geen ander.’ ‘Nou ja, daarvoor heb ik het interieur ontworpen, voor de XK dan. Of nou ja, het interieur, een deel ervan. Ik ontwerp het instrumentarium bij Jaguar.’ ‘Ja, ik zag je auto. Het is toch een XJ, of niet?’ Kris knikt. ‘De MK III V8.’ ‘Aiaiai, hier zit een held voor mij... Ik ben gek op die ronde Engelse klokjes en wijzertjes. Heb jij die...?’ ‘Zeker. Ik ben de man van de ronde klokjes,’ kijkt hij trots. ‘Krijg jij straks een dubbele portie Romanov ijs.’ ‘Ja, haha, dat is goed. Ik ben verzot op ijs.’ ‘Geile auto’s zijn dat. Ik ben gek op Jaguars,’ zegt Lana zoet tegen haar man. Fionae ruimt de borden en dient het tweede gerecht, de

305

salade met langoustines op. Ik schenk de glazen bij en vraag naar extra brood. ‘Knapperig hoor!,’ zegt Eva. ‘Zo te zien zijn die langoustines om te watertanden.’ Ik schuur tegen haar aan. ‘Ik ben blij dat je zo gelukkig bent. Dat wij met zijn vieren samen zijn. Wie had dat ooit gedacht. Ik wil nog een keer proosten op onze samenkomst. Ik ben verheugd, wat zeg ik? Super blij! Proost!’ Wij proosten op elkaars gezondheid. ‘Mélodie,’ fluister ik in Eva’s linkeroor. Ze neemt onder tafel mijn rechterhand in haar linker en geeft een klein kneepje terug. De salade is zoals verwacht van hoog niveau, tenminste de langoustines, want aan salade is weinig te verprutsen, of je moet de kok van de Muppets zijn. Humtiedumtie... ‘Dit gerecht bestaat uit de volgende ingrediënten: langoustines, walnotenolie, hazelnotenolie, beetje peper, een snufje zout, veldsla, groene boontjes, dragon, gekonfijte sinaasappelschilletjes, kreeftenfumet, sinaasappelsap, een scheutje vanilleazijn, wat gevogeltebouillon,’ dreun ik uit mijn hoofd op. ‘Zo lukt het mij dus nooit, zoals die Fionae...’ ‘Ze is de beste,’ zegt Eva terwijl ze de langoustines openbreekt, met blote handen, zoals het hoort. ‘En dat gaat zo de hele avond door, al dat heerlijke?’ ‘Ben daar maar zeker van. Straks na het eten gaan wij een club in, ergens dansen of zo. Tango. Mambo. Vinden jullie dat een goed idee?’ ‘Ik niet,’ antwoordt Kris. ‘Ik ben doodop van de lange rit en ben sowieso geen heupzwaaier.’ ‘Wij wel hè Eef? Jij Lana?’ ‘Niet als Eva. Zij is een ster op het podium. Ik ben een danseresje van iets minder kwaliteit. Ik ga graag naar een disco later. En jij Eva?’ ‘Oh ja, ik wil graag gaan dansen,’ antwoordt ze. Ze stroomt altijd over van energie en enthousiasme. Ze is voor alles te

306

porren. ‘En Adam? Jij bent dus een echte kapitalist. Mooi groot huis, ooit een Jaguar, kunst aan de muur, beleggingen... je bent zeker behoorlijk rechts, politiek gezien. Of niet?,’ vraagt Kris met een kritische ondertoon. ‘Politiek. Ach stop toch,’ zegt Eva. ‘Ik krijg wat van de politiek. In Rusland... Allemaal niet te vertrouwen. Knoop dat maar in je oren. Het zal wel nooit veranderen. Wij? In Rusland? Haha... De meest vreselijke combinatie: het drama van de communisten en het drama van de kapitalisten. Mag ik een teiltje?’ Ze doet alsof ze flink moet braken. ‘Ik heb er niets mee. Ik een kapitalist? Nee, niet echt. Ja ik ben rijk, dat is waar, maar ik buit anderen niet uit, heb geen binding met een politieke ideologie, op het pacifisme na en vind dat iedereen naar eigen eer en geweten dient te leven. Gelukkig heb ik een goede opvoeding genoten, ben slim geweest, tja...,’ ik neem een hapje van de sla, ‘zorg goed voor mijzelf zonder anderen tekort te doen. Ik betaal veel belasting, heel veel belasting, maar dat is binnenkort over en uit.’ Ik drink het glas wijn in een teug leeg en zet hem met kracht op tafel. ‘Even een korte pauze. Iemand een dikke sigaar? Jij Kris? Lana?’ Ik lach. De schaal met de salade laat ik nog een keer rond gaan. ‘Iemand?’ Lana: ‘Sigaren? Vind je dat lekker?’ ‘Af en toe een dikke Havanna moet kunnen. Voor speciale gelegenheden alleen. Weet je nog Eef?’ ‘Oh ja! Dat was lachen. Je mag mij zo een hijsje laten nemen.’ Kris: ‘Dat vind ik een goed idee. Een dikke knalsigaar gaat er altijd in.’ Ik loop naar het art deco dressoir, haal uit een la de doos met sigaren en steek een vlam in een flinke Havanna. ‘Over een half uur komt het hoofdgerecht,’ zegt Fionae. ‘OK.’ De sigaar overhandig ik aan Eva. De andere aan Kris. ‘Niet over de lingen, eh de longen. Da’s niet zo gezond.’

307

‘De rook lingert door de longen,’ zegt Kris. ‘Ik vind dat lekker over de longen, wel lichtjes, want anders staan ze zo in vuur en vlam. Daar kunnen ze niet zo goed tegen.’ Hij accepteert de lucifer en trekt aan de punt van de sigaar. ‘Het is lang geleden dat ik zo’n knakker heb gerookt. Heerlijk.’ ‘Ander plaatje? Iets van pop, of jazz?,’ vraag ik aan de dames. Eva: ‘Zet maar iets op van Madonna. Heb je haar laatste CD?’ ‘Ik denk het van wel.’ Ik sta op en zet in plaats van haar laatste CD een verzamel CD met haar beste ballades op. Onder het eten geen dansmuziek. “I want you”, zo heet het liedje. ‘Ik heb een andere CD van haar opgezet. Is deze naar je zin?,’ vraag ik aan haar. ‘Ja. Dit is perfect.’ Ze neemt een hijs van de sigaar en geeft deze weer terug aan mij. De Andalusische eieren arriveren. ‘Ham, chorizo worstjes, groene asperges, eieren, knoflook, pruimtomaat, paprika, olijfolie, peterselie, peper...’ som ik op. Ik zet de ovenschaal op tafel, de kommetjes met de extra groenten en dat terwijl het hoofdgerecht er al vol van is. Een pittig Spaans gerecht voor gevorderden. Voor Kris zet ik een flesje Guiness op tafel. ‘Dank je. Wij waren niet zo lang geleden nog in Spanje,’ vertelt Kris. ‘In Madrid en in Barcelona. Maar dit gerecht ken ik niet. Ik ben benieuwd,’ kijkt hij verlekkerd terwijl hij de schaal inspecteert. Lana buigt zich ook over het eten en snuift de geuren op. ‘Mmm...’ ‘Ik zou graag enkele woorden tegen Dali willen zeggen. Zal ik iets in het kort zeggen Eva?,’ vraag ik. ‘Hoezo Dali? Hoe kom je daar weer bij?’ Ze kijkt mij verbaasd aan. ‘Vanwege het gerecht. Weet je wel die film “Un chien Andalou”, alleen zit er geen hond in deze ovenschotel, dus ja,

308

hoe kom ik er bij. Maar dat mag de pret niet drukken, ieder woord telt, ieder idee, gespreksonderwerp. Gewoon loslaten de gedachten... Lana? Nog een glaasje wijn?’ ‘Ja, graag en een glas water. Heb je dat?,’ vraagt ze. ‘Wat denk je?’ ‘Ik denk dat je water hebt en een extra glas.’ ‘Zeker weten.’ Uit het dressoir pak ik een glas, loop naar beneden en tap een karaf water. Ik ga weer zitten en schenk voor Lana een glas in. ‘Die Dali heeft de zaak wel een beetje bedonderd, is het niet? Hij was eerst de grote kunstenaar en daarna heeft ’ie toch uitverkoop gehouden?,’ vraagt Kris. ‘Uitverkoop? Ik denk dat hij de grenzen van het oorbare heeft verlegd. Dat deden ze al in de Renaissance en is eigenlijk van alle tijden. Als je zijn werken ziet... Zijn jullie in Figueras geweest?’ ‘Nee, daar hadden wij helaas geen tijd voor,’ antwoordt Lana. ‘De volgende keer.’ ‘De rottende ezel... oh nee, ik bedoel die bij dus. Dali keek altijd achter de verbanden, de logische, zich aan hem opdringende werkelijkheid. Het is figuratief, maar gaat daar weer aan voorbij. Hij maakte onwerkelijke schilderijen en toch maken ze bij ons iets los. Echt. Dat museum van hem in Figueras, je weet niet wat je ziet. Zo goed, zo grappig, zo eigen. Dat portret van Lincoln bijvoorbeeld. Van veraf is het zichtbaar als zijn portret en van dichtbij is het niet als zodanig kenbaar, is het weer een totaal andere afbeelding. Hij speelt met de eigen perceptie,’ zeg ik. ‘Adam, Fionae heeft zichzelf overtroffen. Schep jij op?,’ vraagt Eva. ‘Zeker.’ Ik verdeel het gerecht in acht delen en geef de eerste ronde door van het derde gerecht. ‘Er zijn extra groenten en aardappelen voor wie wil.’ Fionae zet een fles Spaanse wijn op tafel. Puelles Gran Reserva. Ze schenkt voor ieder een glas water in. ‘Is alles naar

309

jullie wens?’ ‘Zeker Fionae,’ antwoorden wij in koor. ‘Kom er toch bijzitten. Neem een hapje en een glas wijn,’ nodigt Eva haar uit. Ik schuif een stoel naar Fionae toe en ren het souterrain in om een extra bord en glazen te halen. ‘Je moet wel genieten van je eigen kookkunsten. Ik wil niet hebben dat je honger lijdt terwijl wij aan het tafelen zijn. Dat is ongepast. Proost! Op je verrukkelijke eten.’ Kling Klangende glazen. ‘Jullie mogen aanvallen,’ zeg ik. ‘Hier komt de cavalerie!’ ‘Mijn koninkrijk voor een paard,’ grapt Kris. ‘Het ziet er fantastisch uit. Wat een uitdossing.’ ‘Fionae wat vind je van de schilderijen in deze woning? Wat vind je van Dali? Je hebt voor ons een Spaans gerecht gemaakt en weet dus wel iets van Spanje. Ik heb van Adam begrepen dat je een kookkunstenares bent, dat je eigenzinnige gerechten maakt, met een eigen twist,’ brengt Eva naar voren. ‘Ik ben schilderes en die Dali, jee, dat is een fantast, Baron van Munchhausen met een penseel. Een genie zonder enige twijfel. Wat ik in hem waardeer, is dat hij zijn eigen excentriciteit weet te versterken en toch helemaal zichzelf blijft. Zo gek als een deur... uiteraard.’ ‘Als je in Figueras bent, zie je dat die man in zijn eigen universum leefde en die tevens verbeeldde, de eigen creator. Die auto,’ zeg ik. ‘Die auto?,’ vraagt Kris geïnteresseerd. ‘In de open centrale hal staat een dikke zwarte Amerikaanse Cadillac, of een Studebaker of zo. Precies weet ik het niet meer. Die auto wordt overwoekerd door klimplanten, enkele ruiten zijn stuk, er klinkt een radio met opera muziek, Carusso wellicht, rood leren bekleding dacht ik. En dan die telefoon met een rode kreeft als telefoonhoorn! Die man was echt compleet van de pot gerukt en zo briljant. Hij zei ooit over

310

zichzelf dat het enige verschil tussen hem en een gek was, dat hij niet gek was. Haha.’ ‘Een mobieltje met langoustine?,’ vraagt Lana. ‘Ja. Hi hi. Da’s een goed idee,’ giechelt Eva. ‘Wij hebben ze net opgegeten.’ Fionae: ‘Ik schilder overdag en in de namiddag en vroege avond ben ik culinair kunstenares. Voedsel en kunst. Daar proost ik op.’ De rest ook. De fles wijn is alweer leeg en ik loop de trap af; haal er nog een paar. ‘Hips,’ hik ik van binnen. ‘Lang niet meer zoveel gedronken. En wij zijn net begonnen. Alhoewel... vanmiddag was het ook al raak met die Caribbean Sunsets.’ ‘Adam, je hebt goede kunst in huis, een Toorop en die Lichtenstein.’ ‘Dank je Fionae. Ik vind jouw kookkunsten goed, uitstekend is het. Hoe vinden jullie het jongens? Een schilderij kun je niet eten.’ ‘Een hoeraatje voor Fionae,’ roept Eva en wij laten de glazen voor de zoveelste keer klinken en klanken, zoals dat in Rusland gebruikelijk is, alleen is het zaterdagavond in Amsterdam en daarom jodel ik er een ‘Sapperiosija’ uit. En nog een: ‘Sapperiosija!’ Ze kijken mij verbaasd aan. ‘Daar had ik net zin in,’ zeg ik en ik kijk verbouwereerd op van de Andalusische eieren. ‘Ha ha ha,’ lacht Kris. ‘Het wordt steeds doller!’ Ik haal mijn schouders op en sla hem joviaal op de schouder en Eva geef ik een dikke smakkerd, recht op haar mond. ‘Geweldig. Jou kussen en eten...’ ‘Die Dali had wel flinke eieren, zo te zien,’ zegt Lana tegen Fionae. ‘In dit gerecht zitten veertien eieren en die Dali die had inderdaad iets met eieren.’ ‘Die staan op het dak van z’n museum,’ licht ik toe. ‘De eieren van de kosmos,’ benadrukt Eva.

311

‘Inderdaad.’ (Fionae.) ‘Die kosmische eieren smaken echt goed en die asperges. Zijn ze niet om van te smullen?’ (Ik.) ‘Echt lekker,’ antwoordt Eva. Ze steekt haar haren achter de oren. ‘Had die Dali iets met asperges en zo?,’ vraagt Lana. ‘Kan. Kan,’ mompel ik terwijl ik een asperge naar binnen slurp. ‘Ik weet het niet,’ zegt Fionae. ‘Dali had iets met zeedieren en tijgers. Ik heb in ieder geval nog nooit een asperge op zijn schilderijen gezien. Een van jullie misschien?’ Niemand antwoordt, dus wij weten het niet en niemand ook (niet). ‘Veel eieren inderdaad,’ mompelt Kris. ‘Die aardappelen zijn echt apart,’ zegt Lana. Ze likt haar lippen af. ‘Het is een aardappeltruffel. Komt uit Frankrijk,’ licht Fionae toe. Wij eten verder, verorberen de gerechten; het smelt in de monden. Zo lekker is het. ‘Wel bij Morandi volgens mij, die heeft asperges geschilderd, maar of dat echt waar is weet ik niet,’ zeg ik met twijfel in mijn stem. ‘Ehm... nee, die toch niet, of wel? Zal ik een gedichtje voor de vrouw van Dali voordragen?,’ vraag ik aan allen. ‘Een gedichtje voor Gala?’ ‘Ja, hé. Super,’ roept Fionae. ‘Doen,’ zeggen Lana en Kris gelijktijdig. Eva: ‘Ik ben benieuwd... Zeker net zo een als vanmiddag.’ Ik sta op, buig voor ze en declameer: ‘Carafidelflaxis Syntheseensyntactisch Intergalactisch De buik op oneindig gericht En toen naar binnen gekeerd

312

Haar vader koopt groente In een winkel Hij is praktisch Gala draagt graag schoenen En drinkt groen van thee Een wolkje melk Het ei breekt open Is naar buiten gericht Kijk! Het is een bloem! Narcissus! Ze kijkt op haar camembert Het is nu 12 (twaalf) uur in Figueras En ze weet: dit is al eens eerder gebeurd Galaxias! Gaia! Gala!’ ‘Hoe kom je op zo’n gedicht beste Adam? Echt vreemd,’ zegt Kris. Hij haalt zijn neus op. Eva lacht haar tanden bloot. Ze ligt in een deuk boven het Spaanse gerecht, zo ook Lana en Fionae. ‘Het smeltende horloge. Hoe verzin je het? Trouwens; dat ene werk daar aan de muur vind ik zo mooi. Wat is het precies?’ Ze wijst naar de muur boven het dressoir waar een Japans ogend werk hangt, een werk naar Hokusai. ‘Dat is een foto die ik heb gemaakt. Haha, een beetje naar van Gogh die weer door de Japanners werd geïnspireerd. Het is zoals jullie zien een boom vol bloeiende magnolia’s. Gemaakt in mijn geboortedorp en gedrukt op dik rijstpapier, vandaar dat het er anders uitziet.’ ‘Die is van jezelf?’ ‘Jaha!’ ‘Jij bent zo te zien van alle markten thuis,’ merkt Lana bewonderend op.

313

‘Ach nee, helemaal niet zelfs. Ik heb slechts enkele talenten en daar maak ik gebruik van. En die foto... Echt. Die kan iedereen maken met een beetje oog voor de schoonheid die zich om ons heen bevindt. Alleen op het juiste moment letten en een goed perspectief kiezen. Klik. Dat is alles. Eva bijvoorbeeld maakt veel betere foto’s. Zij heeft een oog voor perspectief en compositie... je wilt het niet weten.’ ‘Dank je wel. Vind je dat echt?’ Ze kijkt rond om te controleren of iedereen het heeft gehoord. ‘Ongetwijfeld. Het zit in je natuur. De foto’s die je hebt gemaakt en die in mijn bezit zijn, tonen stuk voor stuk dat je gevoel hebt voor het oog van de camera, dat je op een gezonde manier naar de wereld kijkt.’ Ik neem nog een hapje van de asperges en een stukje pittige Spaanse worst. Wij eten allen smaakvol door. De wijn gaat rond en rond. Fionae loopt naar de keuken en komt kort later terug met gewokte Thaise groenteloempia’s. ‘Voor ieder twee,’ licht ze toe terwijl ze de hapjes overhandigt. ‘Wel goed dooreten jongens.’ Kris en Lana kreunen. Eva kijkt verkwikt op. ‘Oh extra loempia’s! Mmm, daar heb ik zin in en al het andere is ook zo lekker. Je verwent ons veel teveel.’ Ze neemt een hapje. ‘Mmm...wat proef ik? Koriander? Gember?’ ‘Is het lekker?,’ vraagt Fionae. ‘Het is verrukkelijk,’antwoordt Eva. ‘Dooreten beste mensen, dooreten. Wie weet krijg je morgen niets,’ lach ik. ‘Het leven dient genoten te wohohohohorden!,’ galm ik met operastem. Even Carusso nadoen. Ik neem ook een hapje van de loempia’s: ‘Heerlijk.’ ‘Wat kan jij een strot opzetten,’ kijkt Lana verschrikt. ‘En jullie? Nu wil ik jullie horen.’ Voordat ik uitgesproken ben beginnen Lana en Eva samen een liedje te zingen in het Russisch. Ik begrijp er niets van, van de woorden tenminste, maar de melodie is zoet en de zang van beide ladies uitstekend. Applaus!

314

‘Ik zet een ander plaatje op,’ zeg ik. Ik spring op en loop naar de stereo en zet een verzamelplaat met spetterende Spaanse flamenco op. Paco de Lucia. ‘Ondankbare honden,’ mompelt Kris zo uit het blauwe. ‘??’ ‘Andalusische honden. Les chiens Andalou.’ ‘Woef,’ zegt Lana tegen Kris en kust hem op zijn mond. Eva gooit haar armen om mij heen en fluistert in mijn oor: ‘Je bent een prachtig mens. Wat zorg je toch goed voor ons.’ ‘Je weet het schatje,’ fluister ik terug. ‘Je bent voor mij het meest wonderbaarlijke wezen, mijn begin, mijn eind, mijn alles. Kom...’ Ik knuffel haar opnieuw en nog eens. ’n Klein traantje springt van vreugde in mijn ogen. ‘Ik hou zoveel van je. Ben zo blij dat je hier bent.’ ‘We all love the opera!,’ galmt Fionae. Ze is meer dan een beste kokkin, ze heeft de goede humor en geeft aan haar publiek het beste op kookgebied. ‘Je ziet er fantastisch uit Eva. Hoe kom je aan die jurk?’ Ze staat op en draait een rondje op haar ballettenen. ‘Heb ik vanmiddag in de Bijenkorf gekocht. Beeldig, niet?’ ‘Je ziet er prachtig uit,’ zegt Fionae complimenteus. ‘Dank je wel Fionae.’ Ze knikt met haar knieën zoals alleen een danseresje het kan. ‘Voor mij is Eva de mooiste vrouw van de wereld,’ verkondig ik en druk mij in haar armen. ‘En jullie zijn zulke aardige mensen. Ik wil jullie bedanken omdat jullie de reis naar mijn nederig huis ondernomen hebben.’ ‘Maak je een foto van ons Fionae? Met het eten op de achtergrond, of kan het zo ook?,’ vraagt Eva. Ze overhandigt haar camera. Klik, klik doet de camera. Dat staat er op. ‘Omdat dit de eerste keer is dat jullie bij mij in Amsterdam zijn, heb ik zin om voor jullie een Nederlands popplaatje op te zetten. Lekker meeblèren...’ Ik zet “Lea” van The Cats op. Horen ze eens Nederlandse popmuziek.

315

‘Dat is een goede plaat,’ verklaart Kris. ‘Hoe heet die?’ ‘“Lea”. Van de Cats. Een klassieker en echt een van de beste platen ooit in Nederland.’ ‘Klare tonen. Sfeervol.’ ‘Ik zet voor jullie een bekende op. “Venus” van?’ ‘Shocking Blue,’ antwoordt Kris. ‘Erg goed. Die openingsrif is ijzersterk.’ ‘Jij bent de gitarist, dus...’ En zo draai ik nog een aantal andere plaatjes. De fantastische holliekebollieke Nederlandse show. George Baker Selection, Golden Earring, Doe Maar, Spinvis, Rowwen Hèze. Wally Tax zingt “Miss Wonderfull”, Marco Borsato brult “Binnen”. Shaffy en List in harmonie met “Pastorale”. Eva staat op, pakt mij bij de hand en wij draaien enkele keren rond door de woonkamer terwijl de violen strijken, de blazers schetteren. ‘Wat een geweldig nummer,’ vindt ze. Ze heft haar armen en wij draaien nog een rondje. Bløf met “Dansen aan Zee”, Bauer, een snufje van Alquin’s “New Guinea Sunrise”, De Dijk, Leen zingt: “We benne op de wereld voor elkaar, voor elkaar, om te helpen nietwaar?”, Johnny Jordaan en tante Leen, Gruppo Sportivo, een deuntje van Johan. Onder de mix knabbelen wij nog wat aan de Andalusische eieren, proosten, zingen, praten kriskras door elkaar. Ik zet Klein Orkest met “Over de muur” op. Fionae vertaalt de tekst. Lana en Eva zijn er stil van. ‘Waren wij maar vogeltjes,’ fluit Lana na het korte zwijgen. De avond vloeit voortreffelijk voort tot... De aardbeien Romanov! Een dubbele porties voor Kris. ‘Wat een berg,’ roept hij verschrikt. Wij krijgen allemaal een bord vol verse aardbeien, sinaasappel, vanille roomijs, wat amandelschaafsel en cointreau, kristalsuiker, vanillesuiker; dat alles samen maakt een royaal en overdonderend caloriemonster. Onze buiken staan op

316

ploffen en wij vleien ons neer in de zitkamer, uitgezakt en ruimte makend... ...wij ons nog voortreffelijker voelen. ‘Het begin van de wereld wordt heden ten dage verwoord met de term Big Bang. Deze oerknal heeft naar men momenteel aanneemt tussen de vijftien en twintig miljard jaren geleden plaats gevonden. Tot dusverre kan met door het meten van infraroodverschuivingen en het dopplereffect tot ongeveer drie seconden na deze oerknal terugkijken. De stoffen die door deze gebeurtenis zijn vrijgekomen zijn waterstof en stikstof. H2N,’ citeert Kris uit de National Geographic. ‘En de rest is geschiedenis,’ antwoord ik hem. ‘En? Brandt de sigaar nog goed?’ ‘Zou er waterstof in een sigaar zitten?’ ‘Stof zeker. Water niet, anders kun je er de fik niet insteken. Hoewel een sigaar het beste bewaard blijft bij een luchtvochtigheid van rond de 75 procent. Zo behoudt een sigaar zijn rijke aroma. Er gaat niets boven een Cubaanse sigaar. Maar eerlijk gezegd heb ik geen flauw idee. Waterstof? Nee, toch niet, waterstof is zeldzaam op aarde, de kosmos is er rijk mee gevuld. Is trouwens een oude National Geographic, is het niet?’ ‘En de machtige aardbeien,’ smikkelt Eva met het bord op de schoot op de sofa gezeten. ‘Die cointreau en de room... mmm...’ ‘...Voortreffelijk. De avond is voor mij geslaagd te noemen,’ zegt Lana. Ze kruipt tegen Kris aan en voert aan hem de laatste aardbeien. Ze wrijft over haar ronde buikje. ‘Allemaal koffie met cognac?,’ vraag ik. ‘Ja, dat is goed,’ zegt Eva. ‘Jullie? Kris? Lana?’ ‘Prima,’ antwoordt Lana. Kris: ‘Heb je ook whisky?’ ‘Een glas Glenfarclas?’ ‘Zegt mij niets.’ ‘Schotse whisky van superieure kwaliteit. Het is 25 jaar ou-

317

de whisky,’ knik ik hem toe. ‘OK. Ik ben benieuwd Adam.’ Ik loop de keuken in, zet de koffie, schenk de cognac en de whisky in, loop terug naar de zitkamer en zet de drankjes op de salontafel plus een schaal met stukjes chocolade. ‘Zo... Adam. Jij bent van de gelovige zo te zien,’ merkt Kris op. ‘Hoezo?’ ‘Dat kunstwerk met de tien geboden,’ zegt Kris. ‘Ach ja, weet ik veel. Het gaat mij niet zo zeer om het gelovige, maar meer om het gedrag.’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Dat je aantal zaken niet doet en een aantal weer wel. Het zijn in wezen gewoon menselijke woorden en gedragingen. Richtlijnen.’ Lana: ‘En jij volgt die richtlijnen op?’ ‘Dat is in deze wereld zowat onmogelijk,’ zeg ik peinzend. ‘Ik ben niet altijd even eerlijk hoor en kan de boel flink overdrijven. Er een schepje boven op gooien vind ik erg grappig.’ ‘Vals getuigen?’ ‘Niet echt vals, het is meer dat ik in een overtreffende zin iets benadruk. Zo zeg ik wel eens dat ik iemand bijvoorbeeld aardig vind, of dat ik iets op prijs stel, zonder dat dat werkelijk het geval is, of dat ik dagelijks minimaal een half uur sport, terwijl dat het maximum is. Ach ja, soms praat ik een eind in de ruimte, zonder daar enige serieuze intentie mee te hebben. Niemand is perfect, is het? En voor de rest echt wel. Ik ben geen moordenaar, hou van mijn ouders, eigen mij niet iets toe wat mij niet behoort en het scheppende, tja: daar kun je alleen maar super blij mee zijn. Zonder oorsprong geen leven.’ ‘Zeker,’ zegt Kris. ‘Het eten was perfect en de cognac is lekker,’ meent Lana. ‘De whisky ook, maar ja; dat zijn dingen die geen geweten hebben. Dus dat is makkelijk,’ antwoordt Kris. ‘Mensen blij-

318

ven rare wezens. Hoe je het ook bekijkt. De een denkt zo. De ander zus. Ze zitten in elkaars haren en ze denken dat ze beiden goed doen. Het bij het juiste eind hebben.’ ‘Alles is relatief en betrekkelijk en echte waarheid is iets wat niet bestaat. Wij kunnen slechts gissen naar de ware grond en oorzaak, het ware wezen.’ Ik neem een slok van de cognac. ‘Zo beste mensen. Gaan wij zo nog de stad in? De beentjes en bloemetjes buiten zetten?’ Kris: ‘Nee... ik echt niet meer. Ik ben totaal verzadigd. Lekker lui en moe. Het is alweer ruim over tienen. Ik denk dat ik over een uur onder de wol ga.’ ‘Dames? Wat willen jullie? Thuis blijven, of frisse lucht, een kroeg in of naar de disco?’ ‘Ik wil graag een stuk wandelen, frisse lucht scheppen en ik wil de stad in,’ antwoordt Lana. ‘Eva?’ ‘Dat is goed. Ik moet naar buiten, het liefst een stukje wandelen. Al dat eten en zitten maakt mij te lui. Beweging is bittere noodzaak.’ Kris: ‘Dan ga ik alleen onder de wol. Misschien is er een goede film op de televisie. Adam, indien jij niet zo bent van echt streng geloof. Wat is de zin van alles. De reden dat wij bestaan?’ ‘Je stelt moeilijke vragen Kris, vragen die ieder stelt en waar niemand een eenduidig antwoord op heeft, hoewel de vraag naar de zin van het leven eenvoudig kan worden samengevat.’ ‘Daar ben ik benieuwd naar,’ zegt hij. ‘De zin van het leven is zin in het leven. Als je in een zin zou moeten uitdrukken wat de zin van het leven is, dan luidt die zin: “Dit is de zin van het leven”,’ zeg ik terug. ‘Alleen maar zin in het leven en die positieve houding delen met anderen.’ ‘Dat heb je goed opgemerkt,’ zegt Eva. ‘Ik krijg maar geen genoeg van al het plezier, de goede dingen die het leven schenkt. Het zou toch vreemd zijn indien het leven niet zou zijn. Zou het een saaie bende zijn, helemaal niets, alleen maar

319

leegte en...’ Ze spert haar ogen verschrikt open. Ze speelt de blues en schatert het uit. ‘Niets bestaat niet en zal nooit bestaan,’ zeg ik. ‘Er is alleen maar bewustzijn. Zo zei een vriend van mij ooit eens tegen mij dat het leven maar uit twee dingen bestaat en dat dat geld en seks is. Alleen geld en seks...’ ‘Dat is allebei niet te versmaden,’ zegt Lana. Ze gaat belangstellend rechtop zitten. Nu komt het, denkt ze. Heb wel zin in seks na dit overheerlijke. Van die asperges, chocolade en vanille ben ik geiler dan boter geworden. ‘Ja, maar... vroeg ik aan hem. Wat is je uitgangspunt? Als het leven uit alleen maar seks en geld bestaat; wat is er met het leven zelf? Het leven is toch het uitgangspunt, de oorsprong? Je zegt zelf dat ze zijn afgeleid. En als dat zo is, bestaat het leven uit niets anders dan leven en is geld en seks slechts een afgeleide. Enfin, toen puntje bij paaltje kwam, zag hij in dat ik gelijk had.’ ‘En God? Wat is dat?,’ vraagt Kris. ‘God? God is (in) alles, de oorsprong, het leven, de in stand houder, de pijler, de brug, de weg...’ ‘Dat is moeilijk te geloven.’ ‘Hoezo?’ ‘Meer levens, dat je van het ene naar het andere gaat,’ zegt Kris vol ongeloof. ‘Het is maar hoe je het bekijkt. Kijk Kris, vertel eens over voor je geboorte, voordat je in de wereld kwam. Wat heb je toen ervaren? Weet je dat nog?’ ‘Nee, niets. Daar weet ik helemaal niets van. Gewoon niets toch?’ ‘Niets? Hoe kom je daar bij? Voor jij er was, was er al leven, voor het leven was er al een oorsprong. Is het niet? Je was voor je geboorte in de baarmoeder en hetzelfde geldt voor al hetgeen voor je kwam, je ouders, je grootouders...’ ‘Ja, dat is correct.’ ‘Welnu. Je hebt daar niets van ervaren, je weet er niets van.

320

Dus was je ooit potentiële oorsprong en nu ben je. Is dat een correcte aanname?’ ‘Ja, ik kan mij voorstellen dat ik ooit potentie was en dat ik nu dus echt fysiek ben.’ ‘Dus als je na een lang leven het tijdige voor het eeuwige verruilt en niet meer bent. Welke gevolgtrekking kun je daaruit opmaken?’ ‘Dat je fysiek niet bent als je gestorven bent.’ ‘Omdat jij ooit potentie was en nu bent en straks weer potentie, volgt daaruit dat je weer wordt uit de schepping zelve, als je daar tenminste behoefte aan hebt. Kijk. In het begin; de oorsprong was alleen natuurlijke bestendigheid, de kosmische baarmoeder, de meest pure vorm van bewustzijn en nog steeds is er oneindige ruimte, adem in en maak ruimte in je, in de ruimte om je heen. In essentie is alles gebaseerd op een ding: ruimte. Alles is ruimtelijk. Een echte wereld en aarde. In het begin was er in feite niets, ex nihilo, een ruimte vol potentie. Hij verveelde zich te pletter, zo helemaal alleen, wilde het leven ervaren en schiep gezelschap. Voor jou geldt hetzelfde. Je wilde zijn en je werd. Het is de stilstand en de beweging, de uitdrukking, de wenteling van het wiel, de draaiende zijden van een medaille. Al het levende is doordrongen van dit natuurlijke zijn. Hij is de drager van AL, de vervulling van de ademtocht in onze harten en onze longen. In, uit, in, uit, in, uit... Adam en Eva betekenen beiden ademen. Net als Brahman overigens.’ Eva kijkt alsof ze het helemaal gehad heeft met de vragen van Kris en mijn uitleg. Het is voor haar allemaal oud nieuws. Ze springt op. ‘Ik ga mij opfrissen, dan kunnen wij zo de stad in. Is dat OK?’ ‘Super,’ zeg ik tegen haar. ‘Ik ben nodig toe aan een frisse wandeling. Wij volgen dezelfde Tao.’ En tegen Kris: ‘Jij denkt dat jij spreekt. Het is daarentegen de grote adem die zich dankzij jou weet te manifesteren. Als er geen ruimte tussen de materiële manifestaties zou zijn, was alles samenge-

321

bald tot een klomp zware massa.’ ‘En de schepping in zeven dagen?,’ vraagt Kris geïnteresseerd. ‘Dat zijn niet zeven aardse dagen, maar dat zijn zeven dagen van de Heer, van Brahman; onze Godhoofd. Een zo’n dag duurt volgens de overleving vier miljard en driehonderd miljoen aardse dagen; de nachten zijn net zo lang. De “Bijbelse” schepping duurde dus zestig miljard en tweehonderd miljoen aardse jaren, met die beperking dat er toen van een planeet aarde nog geen sprake was. En dus ook niet van onze eigen tijdmeting. Die is subjectief. Een jaar van Brahman duurt 3.110.400.000.000 aardse jaren. Volgens de Hindoes duurt een schepping honderd Brahmaanse jaren en zijn wij vandaag de dag zo ongeveer halverwege. Dus hebben wij nog ruim de tijd hierzo. Zo rond de 155 miljard jaar. Maar dat is slechts giswerk, omdat het leven hier afhankelijk is van de levensduur van onze eigen zon, de heer van licht. Hoe lang die er nog is mag ik niet weten.’ De Havanna krijgt een vuurtje. ‘Volgens de Maya’s is onze Melkweg geschapen uit een geboortekanaal, net als jij het bent. Uit de grote centrale spleet, die centraal in het melkwegstelsel ligt, baarde de kosmische moeder de sterren, onze zon de planeten, de planeten het leven. Macrokosmos en microkosmos. Zo identiek als het maar zijn kan.’ Vol ongeloof kijkt Kris mij aan. ‘Jij mixt het een met het ander.’ ‘In mijn huis ben ik de DJ,’ antwoord ik met een lach. ‘Ik ga met je mee,’ zegt Lana tegen Eva die de kamer uitloopt. De dames frissen zich boven op en ik spring achter de vleugel en bespeel de toetsen à la Jerry Lee Lewis. “Whole lotta shakin’ going on! Shake baby shake, come on over, oh let’s GO!” ‘Wat een herrie,’ brult Eva naar beneden. ‘Cool hè?,’ schreeuw ik terug. “Great Balls of Fire”.

322

Little Richards’ “Long Tall Sally” en over naar het rustige, tingeltangel pianissie, een snufje Ludwig Von in het tempo van Satie. Boogie Woogie. “Fritha Alone” uit Camel’s “Snow Goose”. Kris: ‘Niet slecht Adam.’ ‘Wow Adam,’ gilt Lana de trap af. ‘Da’s echt mooi.’ Kris: ‘Wat anders... Heb je enig idee wat er gebeurd zodra een mens sterft?’ Ik stop met het bespelen van de vleugel. ‘Ik zal je zeggen wat er gebeurd zodra je sterft. Zal ik je een serieus antwoord geven?’ ‘Graag,’ antwoordt hij belangstellend. ‘Ooit van het kleine deurtje gehoord? Nee? Het na-het-leven. Wil je tot de Here komen, neem dan het kleinste deurtje. Althans dat heeft Jezus ooit zo gezegd volgens het evangelie. En daar laat ik het bij. Het kleinste deurtje en de smalle weg. Let daar maar goed op, indien het voor jou zo ver mag komen. Die kans zit er dik in. Ga je de pijp uit, neem het kleinste deurtje, niet de grote deur, dat lijkt mij niet zo verstandig. Weet je wel, the Doors, die zuiplap van eh, hoe heet hij ook alweer? Oh ja, van die Jim Morrison, die zanger uit Californië, ride the snake, berijd de slang, de sneek, de sneek, wat een behanger die Jim zeg. Dat die hippies het graf van die vent bezoeken, PeerlaCheese of zo, daar ligt hij. In Parijs is dat... Prachtige stad is dat Parijs, ik was er het vorige weekeinde nog met haar...’ Kris kijkt mij niet begrijpend aan. ‘En achter die deur, wat is daar?’ ‘De andere kamer. Volg de adem en het licht, dan zal je het bereiken. Ik denk dat het net zoiets is als een rups die zijn huid aflegt en in een vlinder verandert. De vlinder stijgt op. Maar dan in spirituele zin. Materie, wij dus, is energie gecondenseerd in een lage vibratie. Als je sterft word je deel van een hogere vibratie. Je lichaam is de ontvanger van deze frequenties. Je verlaat je lichaam door de fontanel en keert terug

323

naar de grote kosmische moederschoot.’ ‘Dat klinkt wel heftig. Door de fontanel? Daar heb ik nog nooit van gehoord. Zoiets als zodra je gestorven bent, ben je onsterfelijk?’ Hij kijkt mij nog steeds vol twijfel aan. ‘Zoiets ja. Ik draai alles door elkaar. Een echte DJ,’ lach ik. ‘Als ik er zo niet uitkom, dan doe ik het wel in de mix. Maya kosmologie. Je komt uit je moeders’ spleet en gaat weer terug naar haar broedkamer door de kosmische spleet. Ze heeft heel wat zon(n)en gebaard. Nu ik het trouwens over de Maya’s heb...,’ ik nip van de zachte cognac, ‘in een andere context, in het Oosten betekent maya illusie. Je moet maar eens boeken lezen van de kwantumfysicus Bohm. Volgens mij doceerde hij in Londen. In feite beweerde hij iets wat in het Oosten al duizenden jaren bekend is. Je universum is een illusie, je hoogsteigen grote ko(s)mische holografische projectie. Komen ze in het Westen ook ergens achter en is de cirkel weer rond. Het werd hoog tijd.’ ‘Spleet?’, vraagt hij met grote ogen vol ongeloof terug. ‘Van eh? Bohm? Holografische projectie?’ ‘Ach. Ik zie het simpel. De dood bestaat niet. Wij ervaren ons bewustzijn subjectief. Er is geen einde, geen begin. Wij zijn en blijven ruimte, frequentie, pure energie in beweging. In de broedkamer van de schepping word je weer een met de oorsprong, met puur bewustzijn, het volledig objectieve.’ ‘En de vraag hoe het dan zit met de tegenstelling tussen de creationisten en de aanhangers van de leer van de evolutie? Hoe denk je daar over?’ ‘Eerst creatie, toen evolutie. Waarbij opgemerkt dient te worden dat evolutie alleen kan zijn als er gecreëerd wordt, leven is. Het is een opeenvolging van en eigenlijk een interactie.’ ‘Logisch eigenlijk. Goh, Adam, jij denkt er makkelijk over.’ Kris kijkt mij aan van “ ja vanzelfsprekend”. Ik haal mijn schouders op. ‘Creëren is de meest liefdevolle daad,’ voeg ik hem toe.

324

Fionae heeft de tafel inmiddels opgeruimd en dat terwijl ik aangegeven had dat ik dat voor haar zou doen. De keuken ook zegt ze. Ze zegt ons vaarwel. ‘Dank je wel voor je goede zorgen, Fionae. Het was heerlijk.’ Ze loopt naar boven en neemt afscheid van Lana en Eva; beneden van Kris. Bij de voordeur: ‘Ik kom binnenkort naar je atelier en dan wil ik een schilderij van je kopen. Het wordt ergens in mei.’ ‘OK. Ik zie je. Het was gezellig vanavond en ik ben blij dat het eten naar jullie genoegen was.’ ‘Je bent geweldig.’ Ik geef Fionae een dikke knuffel. Lana en Eva dalen de trap af en ik ren deze snel op, poets de tanden en verfris mijn gezicht met koud water en een snufje lokstoffen. Kris zit op de sofa en zoekt uit een stapel DVD’s een film naar keuze uit. ‘Waar is de televisie?’ ‘Geen televisie. Alleen films. Ik kijk geen televisie.’ Ik druk op een knopje aan de wand en een filmscherm zakt naar beneden. ‘De speler staat hier. Je hoeft alleen de DVD er in te doen en de projector doet de rest,’ deel ik Kris mee. Ik zet de stereo op DVD. ‘Er liggen films in die kast,’ zo wijs ik hem toe. ‘Je komt er zo wel uit toch? Als je nog iets wilt drinken of eten, dan staat alles in de keuken.’ ‘Nou nee,’ antwoordt Kris puffend. Hij ondersteunt zijn buik met twee handen. ‘Het was genoeg voor vandaag.’ ‘Tot later.’ ‘Disco of kroeg?,’ vraag ik aan de dames. ‘Disco,’ zegt Eva. ‘Ik wil dansen tot de zon opkomt.’ Wij lopen met zijn drieën gearmd door het Vondelpark. ‘Disco zeiden jullie?’ ‘Ja.’ ‘Wel, dan...,’ peins ik. ‘Hé ja. Kom, wij gaan naar die ene tent, ach hoe heet het ook alweer, daar waar allemaal die

325

beroemde mensen komen. Er komen veel acteurs en actrices, zangers en zo. Het is er druk heb ik gehoord, je staat er schouder aan schouder,’ probeer ik. ‘Wij willen naar de meest hippe disco van dit moment in Amsterdam,’ stelt Lana voor. ‘Er is ergens nachtclub die heet Duckstad. Ze wilden het eerst Fuckstad noemen, maar daar hebben ze, zo heb ik vernomen, van afgezien. Ze hebben, zo las ik in een tijdschrift, een gigantische dansvloer, de beste champagne en er zijn donkere kamers en er is ook een VIP lounge. Ze hebben de W in een V veranderd, dan valt het zogenaamd niet op.’ ‘Nou nee, Adam, jasses. Gewoon een normale disco, maar wel hip,’ zegt Eva. ‘Ga jij naar dat soort gelegenheden?’ ‘Nee, nooit, maar ik wilde jullie op de stang jagen. Ik was benieuwd naar jullie reactie. OK! Wij gaan ergens anders naartoe. Ik weet het al. Daar is het zeer beschaafd.’ Wat jammer nou. Ben ik een keer in Amsterdam. Ik heb echt zin om het beest uit te hangen, om alle remmen los te gooien, denkt Lana.

326

XVII
De zondagochtend ontbijten wij om tien uur in de zonovergoten tuin. Eva nipt van de verse jus d’orange, Lana drinkt een karaf water leeg, Kris wordt wakker van de espresso en ik laaf mijzelf aan een heerlijke milkshake die is samengesteld uit twee eetlepels lijnzaadolie, twee overvolle eetlepels Hüttenkäse, 300 cc boerenyoghurt, een flinke scheut verse ananassap, bloemenhoning en een schepje lecithine-98 poeder. Wij zijn druk bezig met wakker worden en stil. Enkele rieten mandjes zijn gevuld met chocolade paaseieren. Ik stop er een in Eva’s mond, met mijn vingers beroer ik haar lippen. Andere manden zijn gevuld met vers gebakken croissants, bruin brood vol pompoenpitten, zonnepitten en andere gezonde zaden. Schalen vol fruit, kazen en ook marmelade. Klokslag twaalf vertrekken wij in Kris zijn Jaguar naar Bloemendaal aan Zee voor een strandwandeling. Lana en Eva waden tot de knieën in de koude Noordzee en springen voor de zoveelste keer in elkaars armen en bulderen het uit van plezier. ‘Heel wat beter dan die vreselijke disco van gisterenavond,’ brengt Eva naar voren. ‘Maar het water is wel koud.’ ‘Was echt een vreselijke herrie,’ lacht Lana. Ze stopt haar vingers in de oren. ‘Jullie hebben een fijn strand in de buurt van de stad,’ zegt Kris. ‘Ja, het loopt honderden kilometers door. Van België tot aan de noordwestkust van Duitsland. Ieder jaar worden de stranden voor een deel opnieuw opgespoten.’ Ik vertel verder hoe de Hollanders al die jaren de voeten droog hebben kunnen houden, hoe de ingenieurs het maken dat wij op land leven in plaats van op de bodem van de zee. Ik haal het voorbeeld aan van het steelpannetje, dat de randen van het pannetje de

327

dijken zijn en wij op de bodem van het pannetje leven. ‘Je leeft in een bijzonder land Adam.’ ‘Ja,’ zeg ik. ‘Dat klopt. God creëerde de wereld en de Hollanders creëerden Holland... Over wat je gisteren zei Kris, over je (on)geloof. Kijk.’ Ik teken met een stok een streep in het strand, een naar boven en weer een naar beneden. Een driehoek in het zand; een piramide. ‘Het Egyptische symbool voor de reis naar de Nieuwe Wereld. De onderste streep is het leven. Het begint zeg maar rechtsonder en loopt door naar linksonder, weer naar boven en hup weer naar beneden. Ptah, Re, Amun. Vader, Zoon, Heilige Geest,’ zo wijs ik de drie punten aan. ‘De spits is de Here en wij lopen hier op het strand door de tijd, over de onderste lijn. Wij zijn zijn zonen en zijn dochters. De Grieken hadden een vergelijking van Pythagoras: de Monade en de twee Dyaden. Een, twee, drie, A, B, C, etc... Weet je dat ze in de Middeleeuwen dachten dat de wereld plat was? Wel: ze wisten al lang dat de aarde rond was, maar onze wereld, de Melkweg is plat, net een pannenkoek. Met andere woorden dachten ze toen in termen van wereld-kosmos en aarde. Ver daarvoor, in de tijd van de grote Indische en Chinese beschavingen, wisten ze al van de eenheid in het bestaan, de ko(s)mische geest,’ vertel ik al aanhalingstekens aanhalend: ‘Brahman. Grote Adem. Atman. Heilige Geest. Wij leven; bevinden ons in zijn schepping. Hij maakt deel uit van ons en wij maken deel uit van hem. Het absolute verbergt zich in ons en schept het relatieve, wij dus, door er tegengesteld aan te worden.’ Eva drukt een punt en trekt een streep van het midden uit de onderste streep, de basis, de lijn van het leven, naar boven toe, het hoogste punt in de piramidevorm en zegt: ‘De weg die omhoog voert begint hier en leidt direct naar boven. Dat is de weg van het licht.’ ‘De weg van Horus,’ bevestig ik. Ik kijk omhoog naar de zon, draai richting duinen en zie tientallen krijsende meeuwen over het strand scheren, op weg naar de branding. ‘Py-

328

thagoras zag een ding over het hoofd,’ vervolg ik. ‘Net als de Egyptenaren overigens. Ze hadden nog geen kennis van het getal nul. Nul is de eerste beweger. De cirkel kenden ze wel, maar niet als duiding alomvattend, geheel of nul. In Egypte gebruikten ze de open mond als symbool van de Ene. Dat ziet er uit als de hele muzieknoot. De Ene schiep de kosmische harmonie door zijn tonen, de geluidstrillingen.’ Ik teken het teken van de Ene in het zand. ‘En hier de cirkel, de zon. Er ging Hem een lampje branden,’ lach ik tegen Lana en Kris. Ik zet weer een punt. ‘Een punt maakt een cirkel. In de cirkel komen de andere getallen. Het enneagram. 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9.’ Ik trek de lijnen in het zand. In de cirkel een driehoek. Ik teken een vierkant om de cirkel. Om het vierkant weer een cirkel en zo verder. Als je eenmaal begint dan houdt het niet op. Het lijkt op een zeilboot in een tableau vivant. De zeilen, het kompas, de achtersteven, de kiel. Mast. Punt. Regel, strepen. Verbazingwekkende verbindingen. De eerste primitieve tekens. Lijnen trek ik in de zeilen, de regels van Mozes. Eva trekt een streep naar links en een dubbele streep ernaast in het zand; naast de dubbele streep een plus teken, een kruis. ‘Min gelijkt plus,’ zegt ze erbij, ‘de dubbele streep een beetje golvend. En dit is Archimedes’ cirkelmeting.’ Voor mij is het net Abra k’adabra; de manier hoe ze in een paar tellen zijn bevindingen in het zand schrijft. Het oppervlak van een cirkel is gelijk aan het oppervlak van een rechthoekige driehoek. De ene rechthoekszijde is gelijk aan de straal; de andere aan de omtrek van de cirkel. Dat de verhouding tussen de omtrek van de cirkel en de diameter gelijk aan Pi is. De constante verhouding van iets meer dan drie. Pi/4 schrijft ze in het zand en andere formules die ik niet volgen kan omdat mijn kennis van wiskunde abominabel is; die ik voor waar aanneem. Dat de Pi berekening nooit af is; dat men beweert dat Pi een transcendent getal is. Dat de cirkel geen begin kent, geen einde heeft, oneindig is. Dankzij Pi. Indien de eerste getallen oneindig zijn, dan is alles wat er uit

329

voortgekomen is ook oneindig. De Ene bedrijft hogere wiskunde. In het vierkant in de cirkel maak ik een ander vierkant vast en zo nog een stuk of wat totdat het een kubusvorm aanneemt en de cirkel teken ik in 3-D, geef een zucht en blaas leven in het zand. ‘In een cirkel kun je alles tekenen en meetkundig klopt het ook nog,’ licht ze toe. Ik trek een cirkel, nog een, de derde cirkel, de vierde, vijfde, zesde. De zevende cirkel. ‘In feite bevinden wij ons in een hele grote luchtige pannenkoek, of een spiegelei, dat kan net zo goed. Dat is met name in overdrachtelijke zin wel interessant,’ zeg ik. ‘Weet je nog, Dali? Het kosmische ei?’ Kris en Eva lachen. Lana kan het niet zo goed volgen. Wie wel? Lana: ‘Kristallen bal.’ Eva: ‘Spiegelpaleis.’ Kris: ‘Wel ko(s)misch, inderdaad.’ Hij kan er de humor van inzien. ‘En die Maya’s waar je het gisteren over had dan?’ ‘De kosmische moeder?’ ‘Ja, bedoel ik.’ ‘Uit haar schoot komen de eieren; uit de eieren het universum,’ antwoord ik. ‘Weet je, echt, als je de wereld om je heen ziet, al die sensaties die via je zintuigen binnenkomen, echt fantastisch, wat is het toch onvoorstelbaar. Ongelooflijk. De natuur...,’ mijmer ik hardop, ‘Het bestaan, de existentie is een wonder, een sprookje.’ ‘Belangrijk is dat de hele schepping, alles wat in ons is, om ons heen, al het waarneembare is doordrongen van zijn aanwezigheid. Ga met je omgeving om en zie, voel, ruik, hoor, proef dat het zijn het hoogste is; zijn aangezicht nog hoger,’ zegt Eva. ‘Mèhèhè,’ blaat ik een schaap na. ‘Wij zijn de zee, de oceaan van licht.’

330

‘Zeilen op, zilveren meid,’ accentueer ik tegen de tekening in het zand en ik grijp Eva’s rechterhand, trek haar mee, juich het uit. ‘Dat mensen het niet meer voelen, al die ruimte binnen, al die ruimte buiten, zo identiek...!’ Wij rennen over het gouden strand aan de Hollandse kustlijn, de lange rechte architectonische streep aan de Noordzee, de beentjes in galop, de haren wapperen tegen de wind in. Ze tilt haar handen hoger en wij zwaaien ze heen en weer, schreeuwen het uit van jolijt: ‘Waw, waw, waw! Ongelooflijk!’ Bij strandpaviljoen Parnassia bestellen wij warme chocomel en pannenkoeken met warme kersen. Eva ziet er geweldig uit. Ze heeft haar haren los en wild, een frisse blos op haar wangen. Ze blijft maar lachen, glimt tot over haar oren en ik kan het maar niet laten om dicht tegen haar aan te kruipen, om mijn genegenheid aan haar te tonen. Wij kijken uit over de zee, de lucht is wolkeloos, helder blauw. Bonte strandlopers zweven over het zand en het golvende water. Jongens en meisjes gillen en rennen, enkelen bouwen zandkastelen. Ik neem haar hand vast en fluister in haar oren: ‘Ach, kon dit maar iedere zondag zo zijn.’ Ze knijpt bevestigend in mijn hand. ‘De eerste beweger is een transcendent beginsel dat dankzij het elektromagnetisme en de zwaartekracht met het menselijk lichaam verweven is. Het valt binnen en buiten het terrein van de omlijnbare gestalte van de mens. De laatste hoort namelijk tot zijn fysische natuur en gaat met deze te onder. De geest, de eerste beweger, is in zichzelf gekeerd, is de Goddelijke kracht die ergens thuis hoort binnen de stijgende reeks van de natuurmachten welke ik aanneem,’ zegt Eva tegen Lana. Kris verdeelt de pannenkoeken en schenkt de chocomel in glazen. ‘Ach wat is de mens toch dom. Altijd zoekende naar de eer-

331

ste beweger in de materie en niet wetende dat het de niet-materie is,’ knikt Lana bevestigend. ‘Ja,’ roept Kris. ‘Jippie ja jee! Wij hebben een blik geworpen in het ondeelbaar geachte element van de natuur. In het atoom bevinden zich allerlei elementen, elektronen, protonen, neuronen en nog veel meer elementen, maar het belangrijkste basiselement is eigenlijk geen element, het is de open ruimte, dát is het AL, waarin de elementen zich kunnen begeven, waarin zij zich bewegen en waarin zij leven.’ ‘De ruimte zelf is het fundament. Lichamen zijn anatomisch volledig ontleedt. Alles in de natuur, in de mens, is onderzocht door de wetenschappers, de grote doktoren. Maar het meest voorkomende zagen ze over het hoofd. Waarom? Omdat je het niet kunt zien, proeven, etcetera. Het meest voorkomende en bijzondere is de open ruimte die draagt, waarin alles continue ontspringt, dat zich uit in duizenden, miljoenen, miljarden verschillende levensvormen en samenhangen,’ zeg ik. ‘De zintuigen nemen het waar. God, de open ruimtehemel is het puur objectieve bewustzijn, de basisenergie van alles dat is. Ein Sof. Ik zei het al. Hij heeft een hemellichaam nodig om te kunnen waarnemen, om te proeven, te ruiken etcetera. Al het levende is zijn manifestatie. Voortreffelijke pannenkoeken, by the way. Wat vinden jullie er van, ladies?’ ‘Super!,’ antwoorden ze tegelijkertijd. ‘En, Kris, beste jongen? Heb je het begrepen? Zie je in dat je zelf een hemellichaam bent; dat de hemel in je zit? Dat er geen scheiding is?’ ‘Ja maar...,’ stamelt hij. ‘Hoe zit het met de hersenen? In de hersenen zit toch ergens het bewustzijn?’ ‘De hersenen en het lichaam registreren het bewustzijn, beste Kris. Zij leggen het vast, meer niet. Zij zijn er de uiting van. Puur bewustzijn is enkel en alleen de ruimte, de hogere trillingen, de muzikale frequenties. De Ene is een uitstekende musicus. Je hebt toch wel eens gehoord van de snaartheorie, is het niet? Het is de eeuwigheid, de bron. Wij zijn golfstruc-

332

turen van materie in de ruimte. Nooit geboren, nooit gestorven, altijd creërend. Het is aanwezig in alles; ís alle dingen. Het lichaam is het verbindingspunt. Hoe vaak moet ik het herhalen Kris,’ zucht ik met een toon waarmee ik duidelijk maak dat ik het wel gehad heb met zijn vragen, met al zijn nieuwsgierigheid. Ik heb het hem nu al twee, drie keer uitgelegd. Hij haalt zijn schouders op en mompelt: ‘Kan niet alles weten. Ik ontwerp klokjes voor in de auto.’ ‘Net zoals de Here het doet. Wij zijn op ruimteschip aarde en het draait allemaal automatisch, of tenminste, dat denken wij, zo nemen wij het waar. Wij zijn onze eigen voorstelling in een spel schreef Shakespeare al. Die had het van de Grieken en die weer van de...’ ‘Dus liefde is een spel,’ onderbreekt Lana. Lachend bevestig ik haar. ‘Het is een balspel,’ antwoord ik. ‘De eeuwige cirkelgang,’ licht Eva toe. Kris moet ook lachen. ‘Zo heb ik niet eerder bekeken.’ ‘Nu begrijp ik waarom ik zo graag met je ballen speel,’ lacht Lana ondeugend tegen hem. ‘En ook waarom ik het heerlijk vind om een string te dragen.’ ‘Great balls of fire,’ schatert hij met grote pretogen. ‘Met mijn knoestige vuist wek ik het verlangen op, masturbeer met mijn hand, trek aan mijn erecte fallus en spuit het uit...’, zo citeer ik vrij uit oude geschriften. ‘De handeling van de schepper Ptah volgens de oude Egyptenaren,’ licht ik toe. Ik moet zelf luidkeels lachen om deze beeldende vergelijking. Eva lacht klaterend met mij mee. ‘Zij zagen de schepper als een wellustige rukker?’ ‘Die over de kosmische eieren sproeide,’ lacht Lana uitbundig. ‘Wel een geil volkje, die Egyptenaren,’ gniffelt Kris. ‘Interessante hypothese Adam. Die potentietheorie bevalt mij wel.’ ‘Mij ook,’ gniffelt Lana met hem mee.

333

‘En die pannenkoeken zijn zeker te versmaden. Heerlijk hoor. Dames nog een kopje thee?’ ‘O ja, graag. De thee smaakt echt lekker,’ antwoordt Lana. ‘Ja, genieten van een kopje thee is belangrijk. Ik wil niet lullig doen, maar kan het voor even afgelopen zijn met de oorsprong, de ziel etcetera etcetera. Het is altijd hetzelfde als ik bezoek krijg. Komt zeker door het beeldhouwwerk, de abstractie van Pi. Wat hadden jullie ook alweer? Eef?’ Ik slaak een diepe zucht, zoek in mijn zakken naar kleingeld. ‘Bosvruchten of iets anders?’ ‘Bosvruchten is prima,’ schenkt ze met een gulle lach. Lana: ‘Doe mij maar rooibos thee.’ Kris: ‘En voor mij een dubbele espresso. En een glaasje water.’ ‘Komt er aan,’ zeg ik terug, sta op en loop naar de zelfbediening. Binnen de kortste keren genieten wij verder van de nieuwe drankjes en het prachtige uitzicht over het NoordHollandse strand en de Noordzee. Tien paarden draven in galop langs de kustlijn; evenzoveel amazones laten de teugels vieren. Enkele zeilboten klieven door het schuimende zeewater. Een regenboogkleurige vlieger scheert door de blauwe lucht, zo ook enkele zilver- en stormmeeuwen. De Jaguar draagt ons via Haarlem en Bennekom naar de tulpenvelden rondom Lisse. De sluiproutes toon ik Kris zodanig dat het Hollandse landschap in al zijn verbluffende groen aan ons voorbij trekt. Het blauw van de lucht, het geel van de zon, de tulpen, de krokussen, de narcissen; als rijk gekleurde schilderijen in van Gogh tinten, in tinten van Yves Klein en Barnett Newman. Deze overdadigheid vervult onze harten. ‘Prachtig,’ roept Eva. ‘Foto. Ik hou van Holland!’ ‘Van zijn traliadieda,’ bromt Kris met een basstem vanachter het stuur. Op mijn aangeven stopt hij. Wij stappen uit en lopen over een lage dijk naar beneden, de velden in. Eva rent voor ons

334

uit en juicht van plezier. Ze gaat zitten, op haar hurken en ik maak een foto. Als een vlinder en bloem ineen zit ze, net als in Thailand, voor mij. ‘Mijn hoofd zo?’ ‘Ja, zo is het prima. Zo valt het licht precies goed.’ Ze straalt haar warmste lach. Lana en Kris volgen ons en wij komen bij een groot vervallen landhuis uit de tijd dat de Indiën nog deel uitmaakten van het Koninkrijk der Nederlanden. Dit landhuis stamt uit 1800 en nog ietsje. Het pand verkeert in deplorabele toestand, de vloeren zijn grotendeels verdwenen, alleen balken resten en steunen de stenen muren; de centrale trap zit er nog wel in en staat stevig, zo vast als een rots. Wij klimmen omhoog naar de eerste verdieping, waar een aantal gangen beloopbaar zijn en wij een voor een de kamers bekijken. De wanden zijn vervuild en enkelen kamers tonen nog de oorspronkelijke schoonheid van het pand, verscholen in het groen, omzoomd door linden en enkele eikenbomen. ‘Als je dit opknapt! Wat is dit een prachtig huis, het hout is nog OK, de wanden zijn redelijk en groot. Groot! Alle verdiepingen samen toch wel zo’n 700m2, schat ik in. Een tuin van ongeveer 3000m2. Niet mis,’ zegt Eva. ‘Zo wil ik graag wonen. Hier direct achter de duinen in de Hollandse bloemenpolder. Zo’n huis. Echt. Ik ga direct weg uit mijn grote huis in Amsterdam, knap dit op en hou een pied-à-terre aan in de stad,’ zeg ik al nadenkend. ‘Ja, dat zal wat zijn. Ik moet maar eens contact opnemen met de eigenaar van het pand. Het is vast niet te betalen, zelfs al is het in slechte toestand. De grond hier is peper- en peperduur. Maar ja, daar zijn de Hollanders rijk van geworden. Van de handel in gestolen pepers, nootmuskaat, kruidnagels.’ ‘Moet je echt doen Adam. Ja? Informeer eens?’ Lana en Kris hebben de eerste verdieping bereikt. ‘Echt een zooitje. Indien opgeknapt is dit de moeite waard. De locatie is geweldig,’ zegt Lana tegen Eva. Ze stoten elkaar aan

335

met van een: hup doen! Lana en Kris vertrekken. Ze moeten nog een flink stuk rijden. Eerst naar Calais waar ze de tunneltrein richting Folkestone nemen en dan naar Londen. Eva houdt Lana lang vast: ‘Wanneer zien wij elkaar weer, liefje?,’ vraagt ze. ‘Ik weet het niet. Wij komen, denk ik, aan het einde van dit jaar, rond de kerstdagen. Maar niets is zeker.’ ‘Bedankt voor je gastvrijheid Adam. Het is een waar genoegen om je te leren kennen.’ Ze schudden mij de hand. Beer van een vent die Kris en Lana is een sierlijke den. ‘Tot ziens en ik hoop jullie weer snel te zien. Ik ben blij dat ik jullie heb leren kennen. Op de dag dat ik in Londen ben, zal ik met jullie contact opnemen. Drinken wij een flinke pint in een pub.’ ‘Zeker,’ knikt Lana. Ze stappen in de Jaguar en ronken er vandoor. Wij zwaaien ze hand in hand uit. Op het Hollandse strand stijgt het zeewater. Het wordt vloed. Voor de avond valt zullen onze geschriften, de tekens en voetstappen die wij in het zand achterlieten onder de golvende tijd verdwenen zijn.

336

XVIII
Voor onze reis naar het Verre Oosten heb ik een deel van mijn muziekcollectie naar de laptop overgeschreven. Het is zo af en toe een blok enorme herrie, maar de energie knalt eruit. Akoestische muziek, elektronische; luchthaven muziek ook. Dat stukje van Eno is echt voor in de aankomsthal. Nog enkele titels overnemen en afdrukken voor het overzicht. Ik druk op print. Ola! Het beste uit mijn muziekcollectie; van Adolphe Adam tot Alexander Zemlinski, van Abba tot ZZ Top. Vogelzang, muziek van dolfijnen. Muziek van de wind, donder, stormen en regens. Natuurgeluiden uit de Serengeti, feestplaten vanaf 1955 tot en met vandaag. Rock ’n Roll en Samba, Bossa Nova, Blues, Funk, Punk, Soul, Zydeco, Folk, Tango, Dance, Drum ’n Bass, Reggae, Rumba, Jazz, Ska, Flamenco, Fado, Tex-Mex, Polka. Back to Basics. Muziek uit Thailand, Madagaskar, Frankrijk, Argentinië, China, Congo, Zwitserland, Italië, Mali, Cuba, Spanje, Congo, Rusland, Nederland, Engeland, VS, Brazilië. Muziek van overal uit alle tijden. Benoem het en ik heb het (of niet). De laptop berg ik op in mijn koffer. Zijn wij klaar om lekker door te rocken? Voor het grote feest? De reis naar het tropische paradijs? Wij lopen zij aan zij door de tuin. Het loof is in volle kleurenpracht gevallen. Geel, rood, oranje, bruin, goud. Enkele bloemen van de Russische bruidssluier liggen boven op de composthoop. Bladeren van de linde, de meidoorn. De wind door de kale wilg. Het is mistig; flarden grijs trekken laag over het gras. De zang van een Vlaamse gaai. Ik kijk in je ogen: ‘Is het waar dat je eigenlijk niets met mij wilde beginnen, destijds?’ Ze lacht. ‘Nee hoor, hoe kom je daarbij? Hihi... het begint in je te komen, hè? Ik merk het aan je. Ik zie het aan je. Ik

337

heb je brief gelezen.’ Ze schudt haar hoofd naar links, een beetje schuin en lacht nog een keer. Ze omhelst en kust mij op de rechterwang. ‘Nee, kijk eens. Ik... Het zit zo, geluksvogel: de eerste keer dat ik je zag, wist ik het al. Je was wild, teder, hartstochtelijk, donker en licht. Groen. Geel. Wit. Je was helder, een jonge bergbeek. Je werd mijn spectrum, mijn nieuwe wereld, het prisma waar ik door leerde te kijken en te voelen. Adam: hoor het tikken van je hart.’ ‘Ik hoor het, schatje... Ik hoor ’t. Allemaal. Je bent mijn Jen.’ Een stille glimlach. ‘Het voelt hetzelfde, weet je, iedere keer weer, vrouw.’ Ik kijk in je verwachtingsvolle ogen, stralend helder blauw. Wij bukken ons om de aarde te strelen; het avonddauw. Wij aaien het groene gras en lopen naar de kersenboom die er naakt bij staat. In het derde jaar een nieuwe lente. De aarde geeft in overvloed. Ze is zo goed voor ons. En als je voelt, de aarde streelt zoals wij daar doen, de grond beroert met de toppen van je vingers, dan voel je de schoonheid van zijn schepping, zijn bezieling, zijn beleving en zijn liefdevolle, schenkende daadkracht. In een flits zie ik de aarde van veraf alsof het de grootte van je ogen heeft en streel ik je wang, kus je tederheid eens en nog eens. ‘Je bent geweldig, je bent het gewoon, je bent een prachtig mens. Ik weet niet waarom, maar zo voelt het aan. Bij jou voel ik mij het meeste thuis.’ Ik kijk omhoog en zie de wolken laag overdrijven, gejaagd ditmaal. De takken van de linde ruisen in de wind. Ze kijkt mij betoverd aan. ‘Moeder aarde. Je hebt een prachtige, zoete huid. Ik ben je rijdier...’ ‘Jawel hoor,’ zegt ze. ‘Wel...’ Ze zucht en haalt haar rechterhand door haar blonde lokken. ‘Deze stad, je bespeelt de piano, de oude Bösendorfer vol overtuiging, het kaarslicht. De akkoorden volgen elkaar op. Mezzopiano. Lento. Zoals jij

338

bent is de observatie van de mens.’ (Ware liefde. Oei, oei, oei ik wil loeien als een drachtige koei, maar ze houdt zich in.) ‘Je ziet er zo wonderschoon uit vandaag. En morgen weer. Ik weet het zeker.’ Wat een lokken! Haar hele aanwezigheid is lok. En ze is hier gewoon bij mij. Hoe kan het zo zijn dat wij opnieuw en wederom in elkaars leven komen? En weer gaan? Zoals ik ben? De observatie van de mens, ik? Wat bedoelt ze daar weer mee? Haar observatie van mij... Zal ik haar vragen? Nee, het is te mooi, het ruisen van de bladeren, hun zachte gefluister. Hoe ze stil, zonder te spreken, op de grond vallen. Hoe bemoederend, zacht geveerd de aarde draait. Het is veel te saai om alles te begrijpen.

339

XIX
‘Ladies and gentlemen! Dames en heren! Wij,’ ik wijs naar Eva die aan tafel zit, ‘wensen u een hartelijk welkom. Vandaag is het een bijzondere dag, want het is vandaag orthodoxe Kerstmis, de dag dat in Rusland de geboorte van Christus wordt herdacht. Ter gelegenheid van zijn geboorte willen wij u vanavond uitnodigen om met ons feest te vieren in deze zaal. Mijn vriendin is Russische en daar vieren ze vandaag feest. Het midwinter feest. Vandaar.’ Met een microfoon in de hand sta ik in het midden van de eetzaal. Ik kijk de groep ontbijtgangers een voor een aan. De afgelopen paar dagen hebben wij al met enkelen kennis gemaakt: Chris en Suzan uit Melbourne, Piedro uit Madrid, Dean uit Honolulu, Iris uit Washington. ‘U kunt vanavond op onze kosten met ons feestvieren. Er is eten, drank en dans en veel gezelligheid. Het feestje begint om negen uur vanavond. Ik kijk op mijn horloge. Dat is over tien en een half uur. Eva, mijn vriendin...’ Ze staat op, buigt naar de gasten en zegt: ‘Hallo!’ ‘Ze stelt het zeer op prijs als u onze uitnodiging aanvaardt, ik ook, maar dat spreekt voor zich. U bent misschien verrast dat het Kerstmis is voor haar, omdat u de uwe al gevierd heeft... Indien u die dag überhaupt al viert... enfin... het feest begint om negen uur. Wij zien uit naar uw komst en naar onze nadere kennismaking. Tot vanavond.’ Ik leg de microfoon terug op de houten bar achter mij en voeg mij kort bij Eva en loop nadien alle tafeltjes af om ze nogmaals persoonlijk uit te nodigen. De Japanners spreken geen Engels en ik slechts enkele woordjes als “Goedendag” en zo. Slimheid is geboden en ik schrijf op een papiertje “Feest” en 21.00, wijs op mijn horloge, doe drinken na en een paar danspasjes, zodat de twijfel begrijpelijk wordt en ze mij toelachen: ‘Jajaja!!!,’ knippen de Japanners. Ik buig tot twee vierde om aan te geven dat ik het hogelijk waardeer. In klei-

340

ne dingen schuilt schoonheid. Da’s weer geregeld. En met de rest ook. Sommigen aanvaarden de uitnodiging, anderen vertrekken vandaag terug naar huis. Het is nog redelijk vroeg en wij besluiten om kleine aanplakbiljetten te maken en deze op te hangen bij de buffettafel waar het verse eten wordt opgeschept. Ook hangen wij aankondigingen bij de ingang van het hotel, de lobby en bij de winkeltjes die de lobby omzomen. Zodra wij andere gasten tegenkomen spreken wij ze aan en nodigen ze uit. Eva gaat voor een uitgebreide lichaamsscrub, kruidenbad en reflexzone massage naar de spa. ’s Middags zit ik met Chris bij het zwembad en hebben het over de Olympische sport. Chris is polsstokhoogspringer en maakt deel uit van het kwalificatieteam voor de Spelen in Athene. Over drie maanden heeft hij een beslissende test voor de Spelen. ‘En? Denk je dat het lukt?,’ vraag ik aan hem. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat het moeilijk wordt. De competitie is sterk en ik ben al over mijn top, zo vrees ik.’ ‘Hoe hoog?’ ‘Ik heb een keer 5.75 meter gesprongen. Een keer maar... En de rest was toch beduidend minder.’ Chris zelf meet net geen twee meter, zo schat ik in en is een typische Australiër, tenminste de import uit West-Europa. Hij heeft zelfs in de verte niets weg van een Aboriginal. ‘Is dat goed? Echt, ik heb totaal geen verstand van die sport. Ik ben meer van de racketsport, squash en ik zwem heel erg graag.’ ‘Ik zag het zojuist in het zwembad. Je zwemt een stuk beter dan ik het doe,’ zegt Chris. ‘Ik ben hier met name voor het klimmen, zo bouw ik extra kracht op in mijn bovenlichaam en 5.75 meter is goed. Maar voor de medailles schat ik mijn kansen laag in. Nee, die zal ik niet halen. Maar daar gaat het niet echt om. Ik heb plezier in het bedrijven van topsport. Ik

341

schat dat ik nog een jaar of twee, drie mee kan met de top veertig van de wereld,’ zegt hij en hij beweegt zijn gespierde armen alsof hij een polsstok op de grond plant. ‘Ik gun het je.’ ‘En jij?’ ‘Quess what.’ ‘38, veertig?’ ‘127e tijd op de borstcrawl 5.000 meter. Maar dat is al heel wat jaartjes geleden. Dus dat stelt eigenlijk niets voor, vergeleken met de wedijver van de Olympische geest.’ ‘Nee, je leeftijd bedoel ik. 127 kan niet,’ zegt Chris. ‘Jij?’ ‘Zeker. Ik heb goed voor mijn lichaam gezorgd, veel gesport en veel noten gegeten.’ ‘Noten gegeten? Wat heeft dat ermee te maken?’ ‘Niets. Maar ik dacht laat ik eens iets zeggen over nootjes. Noten zijn supergoed voor de huid, voor de energie huishouding. Hazelnoten, walnoten, amandelen, pepernoten niet..., want die krijg je alleen met Sinterklaas. Ook nootjes van de perzik, die zitten binnen in de harde kern van de perzik. Als je die openbreekt, vind je een eetbare noot. Die zijn perfect voor een soepele en gezonde huid. En het vruchtvlees van de perzik zit vol vitaminen, dus dat kan geen kwaad.’ ‘Dat wist ik niet. Dat van die perziknootjes.’ ‘En jij met sport? Moet je veel doen qua voeding?’ ‘Zeker. Ik leef supergezond, maar dat van die nootjes moet ik onthouden.’ ‘Ennuh, je hoort altijd van die verhalen over topsporters dat ze flink aan de verboden snoepdoos zitten, weet je daar iets van? Daar ben ik wel benieuwd naar, of die verhalen op waarheid of op geruchten berusten.’ ‘Zeker, er zijn atleten die gebruiken en om eerlijk te zijn doen de meesten dat. Ik heb het een keer gedaan, maar dat is al weer lang geleden. Toen ik zeventien was heb ik een keer cortisonen gebruikt. Maar sindsdien nooit meer. Het druist tegen mijn geweten in.’

342

‘De meeste atleten doen dat? Is dat echt zo?’ ‘Ja, met name de atleten die net de aansluiting met de top missen, die gebruiken van alles...’ Chris zucht alsof hij het er erg moeilijk mee heeft. ‘Je wilt het niet weten, wat sommigen uitvreten. Ik niet. Zo ben ik bijvoorbeeld bevriend met Ian Thorpe, die ken je vast wel die zwemmer.’ ‘Zeker. Dat is een geweldenaar. Je wilt toch niet vertellen dat...?’ ‘Nee, die heeft dus nog nooit gebruikt. Hij is een natuurtalent, een beer van een kerel. Wist je dat de spanwijdte van zijn armen langer is dan hij van kop tot voet meet? Dat is een van de redenen dat hij op zo’n hoog niveau presteren kan. Kijk, de echte grote talenten, die hebben niets nodig, maar de net iets minderen juist wel. Zodra ik gebruik maak van alle mogelijkheden die er zijn, zal ik zeker in de top vijf tot tien komen, maar dat heb ik er niet voor over. Ik laat mijn lichaam niet slopen door dat soort zaken.’ ‘Zo heb ik ooit ergens gelezen, of heeft iemand aan mij verteld, dat die ene Italiaanse wielrenner, Moser, Francesco Moser, dat hij zijn werelduurrecord op de fiets had gevestigd omdat zijn eigen bloed vervangen was door het bloed van een prijswinnende Arabische hengst. Ging hij een stuk sneller op zijn fiets. Kun je je dat voorstellen, het bloed van een renpaard?’ ‘Meen je dat nou?’ ‘Of het echt waar is, weet ik niet, maar ik kijk er niet van op. Zou best kunnen, toch? Op het moment dat hij over de finish kwam hinnikte hij als een dolle hengst,’ lach ik Chris toe. ‘Niemand die het verband legde.’ Hij kijkt mij aan alsof ik hem voor de gek houd en zegt serieus: ‘Dat wordt het meeste gebruikt in de topsport, bloeddoping. De laboratoria van de topsporters zijn verder ontwikkeld dan die van de controleurs,’ antwoordt hij. ‘Niets voor mij. Echt wat een onzin allemaal. Groter, sneller, hoger. Veni, vidi, vici... Doe toch normaal, weet je wel meer,

343

meer, meer. Ik sport op een gemiddeld niveau, niet te slap en niet te hard. Tot maximaal tachtig, negentig procent. In mijn leven ben ik nog nooit geblesseerd geweest. Nooit niet. Als de boog te slap is gespannen, krijg je geen mooi geluid; als je hem te strak spant, dan breekt ’ie, zei de Boeddha. En ik sport mijn hele leven al... En jij? Ze zouden een wedstrijd moeten houden wie er het langste doet over de honderd meter.’ ‘Ik wel, zeker. Maar nu niet meer. Ik ben fitter dan een hoentje.’ ‘Echt wat is het warm vandaag en een hoge concentratie luchtvochtigheid ook. Hoger dan gisteren. Ik duik er even in.’ Ik duik in het koele water van het zwembad en trek een baantje. ‘Chris? Wedstrijdje?’ ‘Nou nee, bedankt. Je zwemt mij er zo uit. Ik kan die draai niet zoals jij het doet, die rol tegen de rand.’ ‘Het is een makkie.’ Ik doe het hem voor. ‘Alsof je een golf bent.’ ‘Nou nee, ik draai bij polsstokspringen andersom en achteruit.’ ‘Kan.’ Ik draai om op mijn rug, zwem door naar de rand en rol om, kom weer boven en zwem rustig verder. Chris stapt op en zwaait. ‘Ik moet er vandoor. Tot vanavond op het feestje. Leuk! Ik ga een wandeling maken.’ ‘OK Chris. Ik zie je later.’ Ik zwem nog tien banen en ga terug naar de hotelsuite waar Eva op bed ligt en onder de koelte van de klimaatregeling een boek leest. ‘En? Was het zwemmen lekker?’ ‘Heerlijk. Het is prachtig weer, het water is koel en ik heb kort met Chris gekletst. Voor zo een siësta. Daar heb ik echt zin, want vannacht wordt het zeker laat. Volgens mij komen er veel mensen vanavond op ons kerstfeest in de tropen en wordt het heel erg gezellig. Hoe was het in de spa?’ ‘Heerlijk. Ik hoop dat het feestje vanavond leuk zal zijn. Hoe

344

is het verder met je?,’ vraagt ze met betrokken stem. ‘Wat moet ik je antwoorden Eva? Over een paar dagen ben je weer in St. Petersburg en ik in Amsterdam. Ik begrijp al te goed dat je voor je kinderen kiest, dat is natuurlijk, ik zou altijd voor mijn kinderen kiezen. En wat je man betreft, echt waar, ik vind dat je er voor hem moet zijn. Het was verkeerd om mij iets toe te eigenen dat mij niet aangaat. Je hebt ooit tegen mij gezegd dat je zo veel van hem hield en nu blijkbaar niet meer. Ik zit tussen jullie in en dat kan niet meer. Jouw beslissing is eerst. Ik toon er begrip voor, meer dan dat zelfs. Onze reis is niet zo goed gepland,’ zeg ik peinzend en ik loop naar de badkamer om de handdoek weg te leggen en schenk twee glazen water in. ‘Indien je echt voor mij zou kiezen en vrij bent met je kinderen, pas dan hadden wij moeten gaan. Ik wil niet meer tussen jou en je man staan. Ik weet het; ik heb mij opgedrongen en dat had ik niet moeten doen. Het is allemaal mijn fout. Verzoen je met hem en leef voor je kinderen. Dat is het beste.’ Ik droog mijn haren nog eens af en ga op bed liggen. Bedek mij met linnen. ‘Ik mis ze zo erg,’ zegt ze zielig. ‘Ik begrijp het, maar je had het kunnen weten. Ik ook. Waarom ben je niet met je kinderen op vakantie gegaan? Je mist ze weer, net als in Boedapest, echt waar; de geschiedenis herhaalt zich en ik wil mijn hoofd niet nog eens aan dezelfde steen stoten. Ik ben geen ezel en Sisyphus ben ik zeker niet; wij kunnen niet iedere keer die steen de berg oprollen en weer laten gaan. Ik ben moe van het steen rollen. De verantwoording voor jouw huwelijk is niet de mijne. Het spijt mij. Ik zet de wekker voor over anderhalf uur.’ ‘Ja, dat is goed,’ antwoordt ze met neergeslagen ogen. Ik draai mij om, doe de ogen dicht en de siësta. Eva doet een dutje en is onaangenaam getroffen door mijn duidelijke toon, maar ze beseft dat het eenmaal niet anders is. Haar besluit was al gevallen. De koperglazen deur van het Ritz Carlton hotel open ik

345

voor haar en wij lopen in de zwoele buitenlucht naar het centrum van Singapore om nieuwjaar te vieren. Ze draagt een paarse galajurk met open hals en open schouders van een Russische ontwerper wiens naam mij ontschoten is. Hooggehakte pumps, een zijden sjaal en haar opgestoken haren maken het beeld van een lady compleet. Ik draag een net pak, brogues, een fles Moët Chandon champagne met twee glaasjes in een draagtas van de Ritz. De haren draag ik nonchalant en los. Er zijn tienduizenden mensen op de been, de straten in het centrum zijn overvol met lawaaiige mensen. Uitbundig getoeter van auto’s en kazoo’s, mensen gooien slingers en sproeien met spuitbusjes wit schuim over de mensen. De gebouwen zijn hoog en staan allen in volle lichtluister. Het duurt een tijd voordat wij ons door de menigte hebben gewurmd en uiteindelijk lopen wij een plein op waar een big band tropische cocktails speelt. Er staan duizenden mensen op het plein. Het lawaai is groot, de muziek is goed. Voor het podium zitten de meesten en wij staan waar het overgaat naar het staande publiek. De band bestaat uit drie zangeressen, twee zangers, een blaassectie, een drumsectie, snaren en toetsen. Het swingt de pan uit, tot over de rand. Wij kunnen het niet laten en dansen mee op het ritme van de opzwepende muziek, ruimte creërend. In geen tijd staat het publiek ons toe te klappen en wiegen ze met de heupen mee op het ritme van de big band. Eva laat de aansporingen van het publiek niet op zich zitten en ik volg in haar passen, draai de rollen om, laat haar het web opnieuw spinnen. Na twee liedjes en veel applaus voor onze dansshow, een dankwoord voor ons door de donkerharige Zuid-Amerikaanse zangeres, zwaait iemand van de beveiliging om naar voren te komen, naar het podium. Blijkbaar denken ze dat wij bij erbij horen, omdat wij zo best dansen en nette avondkleding dragen die past bij de feestelijke uitdossing van de muzikanten. Wij twijfelen en lopen met

346

de mannen mee naar de zijkant van het podium waar wij in de wacht worden gezet. ‘Ze denken dat wij bij de show horen. Grappig!’ ‘Willen ze ons op het podium hebben?’ ‘Ik weet het niet, maar zo ziet het er wel uit.’ Wij wachten nog een tiental minuten aan de zijkant van het podium en besluiten terug te gaan naar voor het podium; de beveiliging staat maar te wachten en niets te doen en maakt geen aanstalten om ons op het podium te dirigeren. Het aftellen kan beginnen totdat het vuurwerk in de lucht geslingerd wordt. De hemel is donkerblauw, de sterren helder en de zangeres van de band begint: ‘Are you ready? It is now 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1, 0. Happy New Year!’ Eva springt van vreugde om mijn nek. ‘Adam! Gelukkig nieuwjaar!! Het allerbeste wens ik je toe.’ ‘Ik jou ook. Ik ben zo gelukkig. Hier met jou in Singapore. Gelukkig Nieuwjaar!’ Ik kus haar, een zachte zoen. Het publiek gaat ineens totaal uit zijn bol; de grote menigte is in deining geraakt en wij stoten en botsen in het rond. Ik pak de fles champagne en knal de dop eraf, het sap spuit in de hoogte en ik schenk snel een glaasje voor haar in. ‘Hier Eva, du champagne.’ ‘Lekker.’ Wij drinken een glas en nog een. De trompetten van de band schetteren, het vuurwerk knalt in de hoogte, met gierende stemmen ontploffen de raketjes in de lucht en ontpoppen zich tot bloemblaadjes. ‘Wat een knallend vuurwerk hierzo, dat is stukken beter dan in Boedapest.’ Plotseling staat er een plukje opgeschoten jongens om ons heen met vlammende ogen en dreigende gebaren: ‘You, jij daar, jij!’ Een van de jongens beweegt zijn hand naar de fles champagne en naar zijn mond. ‘Wil je een slokje?,’ vraag ik onschuldig aan hem. Hij kijkt met ogen vol vuur aan. ‘You alcohol in my mouth!!’

347

Hij spuugt vol woede op de grond. ‘Sorry sir, dat spijt mij,’ zeg ik tegen de jongeman. ‘Dat wilde ik niet doen. Mijn excuses.’ Ik vouw mijn handen voor mijn borst in een vredige groet. Tat Tvam Asi. De kwaadheid verdwijnt als sneeuw voor de zon en hij draait zich om. De jongens maken zich uit de voeten. ‘Het bevalt mij iets minder hier. Kijk toch hoe ze staan te springen en te duwen. Kom, wij gaan hier weg. Iets meer ruimte opzoeken,’ zeg ik tegen Eva en ik trek haar weg uit de drukte. Het lijkt wel een concert van de Ramones, of van de Red Hot Chili Peppers; zo staat de jeugd hier ineens te pogoën, maar de band speelt salsa. Wij rusten uit aan de rand van het plein, drinken de laatste slok champagne en kijken naar het sterrenstralende vuurwerk. De lege fles, de glazen en de tas leg ik in een afvalbak. Wij staan op en lopen door naar een opengelegen terrein achter het plein waar de weg leidt naar de Hong Kong Bank. Het is iets donkerder hier en honderden mensen lopen snel over het open gebied tussen het woud van wolkenkrabbers. Veel opgeschoten tieners die zeer luidruchtig voorbijsnellen. Een zootje ongeregeld van een man of acht komt op ons afgelopen en het lijkt alsof ze niet aan de kant willen gaan, bewust de confrontatie zoeken in deze mensenmassa. Ik wil haar nog waarschuwen, maar het is al te laat. De middelste slaat al scheldwoorden uitstotend hard in haar gezicht en ik trek haar van de jongeman vandaan, spring tussen haar en de leider van de groep in, schreeuw het uit: ‘Uit de buurt hier Eva! Nu, wegwezen!’ Ze springt onmiddellijk terzijde en verdwijnt in de menigte. De jongens drommen om mij heen en ik draai rond, hou de leider in de gaten, weer hem af. Hij is van de karate en ik niet, dus een dreun landt op mijn linkeroogkas en nog een onder de kin. Ik trap de klojo van mij af, spring hoog op en land op mijn handen en knieën. Ik kijk omhoog, zie ze dreigend dichterbij komen en ik rol in een vloeiende beweging opzij, tussen

348

de benen door van enkele mensen, ontsnap zo aan een overmacht van karateka’s. Ik ren weg en zie Eva honderd meter verder stilstaan en op mij wachten. De kwajongens komen niet achter ons aan. Gelukkig maar. ‘Hoe is het?,’ vraag ik verschrikt aan haar. ‘Niets ergs?’ ‘Ik kreeg een dreun tegen mijn kaak. Het doet echt verschrikkelijk veel pijn.’ ‘Laat mij eens kijken... Kom doorlopen, snel, wij moeten weg hier. Het is hier veel te donker,’ zeg ik onder het knallende vuurwerk door. Ik wrijf over mijn kaak en voel de bult al opkomen. Mijn linkeroog brandt. ‘En? Laat eens zien.’ ‘Au. Voorzichtig.’ Ze heeft niets gebroken constateer ik na grondige inspectie en bij mij valt de schade mee. ‘Je zult wel een flinke bloeduitstorting krijgen vrees ik, maar zo te zien valt het mee.’ ‘Valt het wel mee? Ik vind het vreselijk!’ ‘Dat is het, maar wij zijn er goed vanaf gekomen.’ ‘Ik kan niet meer Adam. Ik kan niet meer. Ik wil terug naar het hotel en morgenvroeg naar huis. Dit is een teken dat ik de verkeerde weg ingeslagen ben. Ik moet terug.’ ‘OK, gaan wij terug naar het hotel,’ antwoord ik berustend. ‘Ik heb er genoeg van, van deze herrie, de drukte. Ik wil binnen zitten en rust aan mijn dreunende hoofd.’ Ik neem Eva=Mc2 bij de hand en wij lopen snel terug naar de Ritz. Ik bestel een dubbele cognac in de lounge. Ze gaat naar onze kamer om zich te fatsoeneren en om andere kleren aan te trekken. Een half uur later zit ze naast mij in de lounge en bestelt een dubbele wodka met ijs, een karaf met water. Een vijfkoppige meidenband covert westerse popliedjes. De naam van de band is The Silver Kitty Katties. Zo klinkt de muziek. Krijsende katten, maar dan nog valser. Buiten, zichtbaar door de glazen wand die uitkijk verleent over Singapore, schittert het vuurwerk en ze verklaart: ‘Ik ga morgenvroeg naar huis. Dit incident heeft mij laten inzien dat ik de ver-

349

keerde keuze heb gemaakt. Het spijt mij... Ik moet terug naar mijn familie.’ Tranen springen in haar ogen. ‘En dat gebeurde dus een week geleden,’ zeg ik tegen Iris uit Washington. ‘Kun je dat geloven?’ Iris kijkt mij aan en barst in een lachen uit: ‘Dat vind ik grappig.’ ‘Grappig? Wat is daar grappig aan?’ ‘Dat jullie ondertussen hier zijn en samen. Ze is dus niet naar huis gegaan,’ antwoordt Iris. Ze neemt haar wijnglas van tafel en neemt een slok. ‘Maar morgen wel en daarna zie ik haar niet meer. Is het over en uit.’ Iris kijkt mij met verbaasde bruine ogen niet begrijpend aan. ‘Hoe is jullie verhouding?’ ‘Ze is getrouwd, heeft twee kinderen en is samen met mij op de vlucht voor haar man. Ze houdt van mij en niet van haar man; wel van haar kinderen uiteraard. En wij wonen in twee verschillende landen, dus u kunt zich de pret indenken.’ ‘De pret?’ ‘Ja, deze onverkwikkelijke situatie.’ ‘U bent ironisch.’ ‘Dat krijg je na al wat er tussen haar en mij gebeurd is.’ Ik vertel Iris kort over Boedapest, Leningrad, Bangkok, de geschiedenis van Eva en Adam. De jaren van afzondering. ‘Mijn lieve heer, wat een verhaal. En jullie houden van elkaar?,’ vraagt Iris vol ongeloof. ‘Wij zijn stapel op elkaar.’ ‘Het leven is buitengewoon.’ ‘Dat is ongetwijfeld waar.’ Ik verontschuldig mij, sta op uit de comfortabele fauteuil en loop naar de bar, pak de microfoon en wens alle gasten een prettig Kerstfeest. Een toast breng ik voor ze uit. Ik hef een glas witte wijn in de lucht: ‘Gelukkig Kerstfeest!’

350

‘Gelukkig Kerstfeest!,’ proost Eva. Ze schudt allen de hand en proost glas tegen glas. Ongeveer dertig gasten hebben onze uitnodiging aanvaard en nog steeds druppelen ze een voor een de houtbedakte Indonesische eetzaal binnen. Een gemêleerd gezelschap uit Japan, USA, Spanje, Engeland, Australië, Oostenrijk, Indonesië, België, Italië, Argentinië, zo verneem ik als ik hun handen schud en mij voorstel. Wereldreizigers op avontuur in de binnenlanden van Borneo die met ons feest komen vieren. Gezellig. Ook zijn er enkele bewoners van het dorpje aan de rivier gekomen, een groepje bestaande uit drie tieners en de oude vrouw van bijna honderd en anderhalve meter klein en krom is ook gekomen. Haar huid is net zo rimpelig als die van een leguaan. Wij begroeten haar gezamenlijk en ze geeft aan ons een gevlochten mandje cadeau. ‘Wat aardig van u,’ zegt Eva en ze drukt haar tegen zich aan. ‘Ik vind u zo’n fijne vrouw.’ Ze is oud, versleten en wat nog meer zij; zelden zag ik een vrouw met zoveel levenskracht en met zulk een warme en tevreden uitstraling. Ik loop naar het buffet en schep voor deze belegen vrouw een extra portie saté ayam op. Het eten is buitengewoon voortreffelijk, de allerbeste saté ooit en het fruit uiterst smaakvol, vers verser verst. ‘Dat wij deze natuur, het wezen van deze mensen, van u lady van het woud voor altijd trouw mogen blijven,’ zeg ik tegen haar en overhandig het bord met eten. ‘Gaat u daar toch zitten.’ Ik begeleid haar naar een goede stoel. ‘Er is drank en er zijn hapjes. Da party goes on! – Het feest gaat door!,’ proost ik tegen allen. Ik loop naar de draaiset en zet ter introductie de eerste tonen van Chuck Mangione’s “Land of Make Believe” op. De zoete, gloedvolle en jazzy klanken van zijn flügelhorn weerklinken: “Paparatatata, paparatatata...” Andere instrumentale muziek uit de zeventiger jaren. James Last (niet James

351

First of 007), Bert Kaempfert (even loskomen met zijn allen), Burt Bacharachs’ “Anyone who had a Heart”, “I saw mommy kissing Santa Claus” van de Ronettes. De CD met kerstliedjes van de Crystals, Darlene Love, Bob B. Soxx and the Blue Jeans laat ik voorlopig opstaan. Een kerstlied van Ivan Rebrov. “Happy XMas (War is over)” van Lennon & Ono en de kersthit van Slade. Een Afrikaanse mix met Ballaké Sissoko, Tshala Muana, Hugh Masekela, Kandia Kouyate, King Sunny Ade, Om Kholtoum, Fela Anikulapo Kuti. Een medley van The Chemical Brothers, Aphex Twin, The Future Sound of London, The Orb, Underworld en Leftfield. Ik draai wat Memphis’ soul en zielmuziek uit Detroit en Philadelphia. Speciaal voor Chris en Suzan draai ik enkele deuntjes van The Triffids en The Go-Betweens. Daarna zet ik een CD op van Ralph Lawson uit de serie “Back to Basics, Cut the Crap”; The Truth met “Open our Eyes”. Wel toepasselijk voor deze situatie en locatie, midden in het paradijs, denk ik zodra ik de startknop indruk. De zanger vertelt dat wij onze ogen en ons innerlijke zelf moeten openen; dat wij onze eigen vijand zijn, of vrij. Dat de mens, de gekke mens meer van het leven wilde dan hij al kreeg. Hef je handen op als je begrijpt dat het licht in je is. Kun je het licht zien? Kun je de disco in het licht zien? Ik mix de wereld rond. En daarna veel Zuid-Amerikaanse tropische ritmes, trompet, hoorngeschal, blazende hersenwervelende muziek, saxofoon, een uitbundige cocktail van samba, rumba, mambo, lambada, mariachi. Onze gasten swingen, de Italianen, de Zweden, de Japanners, Piedro de Spanjaard, Chris en Suzan, allemaal in een opperbeste feeststemming, dansend in het midden van het oerwoud, apen in de bomen rechts van mij, nachtvlinders vliegen door de zaal, taatatatatatatatatararraayata, bongo’s, hammond orgel, les paul, farfisa, fender, timbales, conga, paaaaaahhhhpaaaaaahhhtutu, tattattatatatarayataraatarattarara, schettert het uit de luidsprekers, de

352

heupen los, de benen hoog, wij wervelen door de zaal, houden elkaars handen vast, wij draaien in cirkels, op een carrousel, de paardjes in galop, hop, hop, hop, eenden ook, spiralen, rond en rond, wild wilder wildst, snel sneller snelst, de spin tolt om zijn as, de voeten kunnen het ritme bijna niet meer volgen, dol doller dolst, de hoofden naar achteren, naar de hemel gericht, jubelend, wervelend, ze juicht, ik juich, woehoewoehoe, draaiend, wervelend, gek gekker gekst, duizelingen, magie door het hoofd, kun je het licht zien? Zie je dat het licht uit je eigen lichaamscellen straalt? Sluit je ogen hier, wieberedieberedie, wieberedieberedie. ‘Stop!’ Wij vallen dolgedraaid in elkaars armen en bulderen het uit van plezier. ‘Oh Eva! Wat een heerlijk gevoel in deze duizeling.’ ‘Adam. Oeps. Ik val bijna om!’ Ik grijp haar bij het middel vast en voorkom zo dat ze van de duizeling omvalt. ‘Is het leven niet wonderbaarlijk, oh zo mooi, kijk om je heen, zie de vreugde op de gezichten van de gasten,’ zeg ik tegen haar. ‘Het feestje is echt geslaagd, vind je niet?,’ antwoordt ze. ‘Het is geweldig.’ Tijdens de finale komt een Indonesische Gamelan band de zaal in en ze beginnen te funken en te rocken. Ze zijn ingevlogen uit Java en geven hun allereerste optreden op Kalimantan. Het lijkt op Mouse on Mars, maar dan akoestisch en wij dansen met z’n allen door en met elkaar. De band en enkele dansers in sprekende kleurenpracht; ze verbeelden en verhalen de Ramayana (de reis van Rama), zoals de fresco’s van het Koninklijke Paleis in Bangkok in stilstand doen. Garuda doolt over de wereld en bevecht het slechte en de slangen. De goddelijke vogel staat symbool voor de zon. De slang staat symbool voor de aardse wateren en het vrouwelijke. Zij

353

twee samen verbeelden de vruchtdragende elementen van het leven. Enkele acteurs nemen wayang poppen in hun handen en spelen het schaduwspel zoals een film zijn schaduwen op het witte doek in de cinematheek werpt. Rama is de belichaming van Brahman en Dharma, de zevende incarnatie van Vishnu, de weg van de hogere waarheid; de perfecte man. Zijn vrouw Sita is de perfecte vrouw; de zevende incarnatie van Vishnu en haar begeleidster Lakshmi; ze is de godin van vruchtbaarheid, moedig, vol wijsheid, het licht. Ze is een lotusbloem. Haar schelp bevat parels. In het verhaal dat verbeeld wordt zijn Rama, Sita en de broer van Rama, Lakshmana, genoodzaakt om lange jaren in het woud te leven, om zo de eer van Rama’s vader te redden, omdat koning Dasharata aan zijn vrouw de belofte gegeven heeft dat Rama’s broer, Kosala, hem mag opvolgen. Rama doet afstand van de troon ten gunste van Kosala om zo zijn vaders’ belofte trouw te zijn. Rama, Sita en Lakshmana verblijven jaren in het woud en na enige tijd wordt Sita gekidnapt door Ravana, de duivelse koning van Lanka. Na een lange zoektocht woedt er een vreselijke oorlog tegen de legers van Ravana, om zo Sita te bevrijden. Ravana roept de meest vreselijke vervloekingen op om Rama te vernietigen. Een van deze vervloekingen roept alle doden van zijn legers opnieuw tot leven, maar de geest demonen weet Rama door zijn wijsheid te weerstaan en de demonen lossen op. Met zijn allen volgen wij de adembenemend vormgegeven voorstelling, de wajangpoppen zijn dun en fijn; de schaduwen op het doek helder. Met grote vaardigheid bewegen de spelers tientallen poppen, de rijtuigen, de olifanten, de apenlegers van Ravana, de paarden, de boog die alleen Rama weet te spannen, de grote helper van Rama, de aap Hanuman. Duizenden pijlen vuurt Ravana af op Rama, de lucht wordt gevuld met slangen en draken die duivelse vergiften sturen, maar Rama roept de heilige adelaars op om alle duivelse

354

slangen en draken te verslaan. Rama trekt zijn zwaard en hij hakt een van de duizenden hoofden van Ravana af, maar een nieuw hoofd groeit in zijn plaats. Het oude hoofd valt op de grond en blijft Rama vervloeken. Twee hoofden hakt Rama af en hetzelfde gebeurt: twee nieuwe hoofden poppen op en de afgehakte hoofden blijven Rama vervloeken. Rama herinnert zich een speciale heilige kracht en roept deze op met een gebed. Hij richt deze met volle kracht op Ravana’s onbeschermde hart. Hij wordt hard getroffen door het krachtige gebed, valt van zijn rijtuig en sterft. Ravana is verslagen en Sita wordt bevrijd. De oorlog is over! De veertien jaar durende ballingschap is ten einde en Rama wordt gekroond tot keizer van Ayodhya en de wereld. Hij regeert elfduizend jaren, een periode vol voorspoed, gerechtigheid, vrede en geluk. De muzikanten blijven funken op de houten trommels, de metalen xylofonen, de houten fluiten, de kleine gong Bonang, de Gambang, de Kendang drums. De grote gong Ageng galmt door de grote eetzaal. Zeven dansers en zeven danseressen verbeelden het kroningsfeest van Rama en Sita in Kraton stijl. Ze worden begeleid door zang, de strijkinstrumenten siter en rebab. De overwinning wordt groots gevierd. Na de voorstelling dansen wij met de acteurs, de actrices, de danseressen en de muzikanten. De oude dame van het woud gooit kras en fitter dan een hoen de beentjes op en hoog. Het feest gaat door en door, tot in de late uurtjes. De korte gesprekjes met de gasten zijn licht en plezierig. Een kerstfeest in de jungle met een gamelan band. Dat verzin je toch niet? Zo anders en er zijn geen kerstbomen, -ballen, kerstmannen en -vrouwen in de verre omgeving te ontdekken. Nog iets te drinken? Jullie een hapje wellicht? Wij laten aan de gasten niets merken van ons naderende afscheid; alleen Iris weet het en Dean uit Honolulu weet ervan als hij zegt: ‘Goh Adam, Eva vertelde mij net van die knok-

355

partij in Singapore. Wat een drama. En nu gaat ze terug, weg van jou.’ ‘Ach Dean, dat valt allemaal wel mee. Het was puur toeval, maar ze trekt weer eens haar voorbarige conclusies. Wat er uiteindelijk echt van komt, weet ik niet. Al die hysterie leidt nergens naar. Kom, proosten wij op het lot en het noodlot tegelijkertijd.’ Ik doe tegen hem alsof het allemaal goed zal komen, maar weet dat het tegendeel waar is. Het is inmiddels alweer ver over drieën, de band is vertrokken en de meeste gasten hebben afscheid genomen. De oude vrouw van het woud komt naar ons toe gelopen en neemt ons lachend bij de hand. Ze trekt ons mee, de eetzaal uit en wij volgen haar over een smal pad dat naar de rivier leidt. Kom. Kom. Kom. Met mij mee, zo wijst ze. Ze wilt ons iets laten zien. Wat weten wij niet. Wij steken de rivier over in een lange boot. Eva en ik peddelen en ze neemt ons van top tot teen in zwijgzaamheid op. Op de andere oever aangekomen, stappen wij stevig door tot aan de rand van haar dorpje, langs het lange huis, tot onder een aantal hoge dipterocarps bomen. Onder de hoge bomen staat een klein houten gebouw. Ze opent de deur en wij stappen over de drempel en zien dat het gebouwtje een klein kerkje herbergt. Boomstronken fungeren als zitplaatsen. Een houten kruis hangt gespijkerd aan de wand, een klein altaar met enkele kleine houten krukken. De vrouw knikt en knikt ons nogmaals toe. Ze wijst naar het kruis en ze knielt neer, vouwt haar handen en richt zich naar het kruis. Wij doen op kerstavond in het midden van de jungle hetzelfde. Ze wijst met haar kromme vingers naar boven, door het plafond, fladdert met haar armen op en neer en lacht haar laatste tanden bloot. ‘Phone home,’ zeg ik tegen haar. ‘Phone home.’ Wij blijven in gebed. ‘Aanschouw het Zuider Kruis,’ fluister ik. Ze fluistert mij na: ‘Foon, foon. Hoom. Hoom.’

356

Stop de nachtvlinders, de duisternis, hou mij vast, wil ik tegen Eva zeggen, maar de woorden kan ik niet meer uitspreken. Een traan valt op de houten vloer. Mijn heilig meisje. Tegenover Boeddha gezeten zag je mij voor het eerst en nu zitten wij voor het kruis van Christus. In het midden van het paradijs. Hou mij vast. Ga niet. Blijf zitten. Het voelt zo vreemd nu je vertrekt. Nu je gaat. Hou mij vast. Blijf naast mij zitten. Bel naar huis. Blijf. Voel. Blijf. Voel. Ga niet weg. Blijf. Hou mij vast. Het gezang van enkele tropische vogels duidt het ochtendkrieken aan en wij lopen terug naar de oever van de rivier die in de ochtendschemering baadt, nemen de lange boot en gaan terug naar onze suite waar wij enkele uurtjes slapen. Tegen tienen zwaaien wij gedag tegen Australië, Japan, Spanje en nog een handvol anderen, nemen afscheid van de vrouw van het woud, het hotelpersoneel en stappen het vliegtuig naar Jakarta in waar wij wachten op de aansluiting naar Amsterdam. Eva gaat shoppen en ik zit de tijd op een bankje uit, aanschouw de architectuur van het vliegveld. Ze komt vlak voor vertrek terug met een levensgrote pop in haar handen, loopt naar een wand in de vertrekhal en staat daar in een hoekje alleen te zijn; haar surrogaatkind in de handen houdend, verlangend naar haar echte, de pop knuffelend, totdat de omroepster de vlucht van Garuda Airlines aankondigt en wij het vliegtuig naar New Delhi instappen. Vervolgens nemen wij de aansluiting naar Amsterdam. Enkele uren later bevinden wij ons boven de zuidrand van de Himalaya en belanden in een noodweer. De frontale storing maakt dat de Boeing 747 in al zijn voegen en bouten kraakt. ‘Ik ben bang Adam,’ kreunt ze. ‘Ik hou het niet meer.’ ‘Ben niet bang Eef.’ Ik neem haar handen vast, streel ze

357

koesterend. ‘Kom tegen mij aanzitten.’ Ik doe de leuning van haar stoel omhoog en trek haar tegen mij aan. Zwepen knallen in de lucht, onweer bevindt zich rondom het vliegtuig en wij vallen honderden meters in diepe luchtzakken. De romp kraakt en piept, de vleugels zwiepen op en neer en worden getest op hun flexibiliteit. Op meer dan tienduizend meter hoogte gaat het vliegtuig sneller dan een pijl en schiet langs de donder, door de donkere wolken, over de hoogste bergen van de wereld. ‘Ik wil mijn kinderen weer zien. Laat ons niet neerstorten, alsjeblieft laat ons niet neerstorten,’ smeekt ze en ze richt een schietgebedje naar boven. ‘Morgen zie je je kinderen, al moet ik er mijn leven voor geven. Wij zullen niet neerstorten, al moet ik het vliegtuig opvangen, de piloot vervangen, ’t maakt mij niet uit. Morgen sluit jij je kinderen in je armen, no worries. Maak je geen zorgen. Kom hier. Er zal niets ernstigs gebeuren. Voordat je het weet, zie je ze weer en zul je alle tijd voor ze hebben. Vertrouw en geloof dat het goed komt.’ Het slaat nergens op, ik een vliegtuig opvangen, maar als het moet, moet het. Voor alle zekerheid richt ik tien weesgegroetjes en andere uitingen van spirituele daadkracht naar de hemel. ‘Laat haar thuiskomen, lieve Heer, laat haar thuiskomen en schenk haar de kinderen iedere dag van haar leven...’ Het bibberen en beven gaat maar door en wij hebben het niet meer. Haar hand neem ik nog steviger vast en ik bestel twee cognac die de stewardess met enig morsen overhandigt. Wij bladeren door tijdschriften, maar de letters zijn onleesbaar door het trillen van het vliegtuig. De drank laat ik staan. Opnieuw vallen wij in een diepe luchtzak, de verlichting valt uit, wij bibberen in het donker; om ons heen zijn de passagiers stiller dan vogels voor de zonsopgang geworden. De stewardess is haastig gaan zitten en bindt zich goed vast. Nog eens tien van die groetjes naar Maria. Een CD stop ik in de

358

speler en ik geef aan haar de hoofdtelefoon. Een warme gewatteerde deken trek ik steviger om ons heen, voor de laatste keer. Boven de Himalaya is het een noodweer zoals alleen de Ramayana het verbeelden kan, het vliegtuig, Garuda, hobbelt en springt door de sterke winden. Ondanks al het bibberen en beven in de lucht, daar binnen in de comfortabele romp voelt het anders aan. Alsof wij door snaren voorwaarts getrokken worden, onverwoestbare snaren. Wij snellen voort door duizelingwekkende hoogte. Onder de deken is het behaaglijk en warm en voelen wij ons beiden geborgen. Zeker van een goede afloop, dat de stalen vogel niet neer zal storten, dat ze haar kinderen vanavond zal zien, door de lucht scheren wij en alles zal reg’ kom. Het is alsof wij op een kameel zitten, schommelen en heen en weer hoppen in een onvoorspelbaar ritme, een duik naar beneden de duin af, een vogelveer die omhoog gaat, wij zakken weg in het zand. Schudden. Als een blaadje met de wind in de rug waait het voort; het lage land ligt in het verschiet. Zo vreemd. Midden in het trillen, de grootste donder en knal en al dat is, is volledig vertrouwen in het goede. Volledige rust en stilte. Wij omarmen het leven en de dood in al zijn gedaanten. Het wordt rustig, de storm zijn wij door en wij zetten uiteindelijk veilig de voeten aan de grond in koud en nat Amsterdam. Ze neemt de eerste de beste aansluiting naar St. Petersburg. Wij nemen afscheid op het vliegveld. Kort, verward, met magnetische hunkering naar haar kinderen en hopend dat er niets verkeerds met ze is gebeurd. Ze is totaal in de war; haar ogen staan vol onvervuld verlangen. ‘Dag Eva. Het spijt mij zo, al deze omstandigheden,’ kreun ik gebroken. ‘Je zult vanavond gelukkiger zijn dan ooit tevoren. Ik weet het zeker.’ ‘Dag Adam. Het spijt mij zeer, maar mijn kinderen zijn alles voor mij.’

359

‘Natuurlijk. Uiteraard en vanzelfsprekend. Zij zijn verreweg het meest belangrijke,’ geef ik haar een steuntje in de rug. Ik geef haar een laatste knuffel en kus. ‘Het is goed zo. Het was een geweldig avontuur. Alles. Ik hou van je en voel je niet bezwaard tegen mij. Doe het niet. Ik weet dat je voor je kinderen kiest. Je hebt altijd gelijk. Tot ziens mijn allerliefste lief. Dag. Het gaat je goed.’ ‘Adieu.’ Beiden staan wij daar verscheurd van binnen afscheid te nemen. Een laatste knuffel en ze verlaat de vertrekhal, loopt door de douane, haar kinderen in een aantal ogenblikken tegemoet.

360

Lotusbloesemmeisje Orchideeënbloem Waarom kan het niet waar zijn? Ik bid voor het moment Om te komen Om Tara te vinden De weg die leidt Terug naar de Tuin Kijk daar is het: Tara! Ik zal nooit meer lief hebben Als ik de weg niet vind Terug naar de Tuin Wij zullen nooit meer lief hebben Als wij de weg niet vinden Terug naar de Tuin Alles is zo wit; het is zo wonderbaarlijk Alles is zo blauw; het is zo wonderbaarlijk Alles is zo groen; het is zo wonderbaarlijk Het is Te mooi Om te geloven Dat het de waarheid is

361

XX
‘Quelle heur est-t’il?’ ‘Onze heurs et vingt minutes.’ ‘Merci.’ ‘A vous.’ De reiziger gaat zijn weg. Eva’s vlucht is bijna binnen. Over twintig minuten landt ze op vliegveld Charles de Gaulle, Parijs. Zenuwachtig kijk ik nogmaals naar het aankomstscherm en de klok. Nog negentien minuten. De seconden tikken voorbij alsof ze van stroop zijn en ik trek mijn jas recht, de bloemen zet ik in de hoek van de trap. Zal ze erg veranderd zijn? ‘Tompiedom dom, dom, dom,’ neurie ik als tijdverdrijf. Nog tien minuten. De schouders recht en gestrekt, de jas fijn, ik buk en maak mijn schoenveters vaster. Een voor een komen de passagiers uit de aankomsthal. Ah, dat zijn de Spanjaarden uit Madrid en daar enkele zakenmannen terug uit Londres. Een oude vrouw volgt gebogen haar weg naar buiten en schrikt op bij de luide stem van de omroepster: ‘De vlucht uit Saint Petersbourg is zojuist gearriveerd.’ Het aankomstscherm meldt dat haar toestel is geland. Eva maakt haar veiligheidsgordel los en neemt haar handbagage uit het rek. Zal hij erg veranderd zijn? Ik ben zo nerveus. Het wordt stil en ik wacht en wacht, de seconden zijn maanden, jaren... zoveel tijd vervlogen zonder haar, mijn allerliefste lief. Vind ik haar net zo leuk als eerst, als ik haar zo weer zie? De schuifdeuren gaan weer open, een voor een druppelen de reizigers naar buiten, nee..., nee..., nee, nee, nee..., nee..., nee..........., nee, nee, nee, nee... ‘Ja!,’ juicht mijn hart van vreugde. ‘Daar ben je,’ roep ik. Ik pak de bos rode rozen en loop snel naar haar toe. Ze ziet er fantastisch uit. Net zo aantrekkelijk en levenslustig als vroeger. Ze is niets veranderd.

362

Nog steeds dezelfde Eva. Ze straalt en kijkt mij verwachtingsvol aan. Hij is niets veranderd. Nog steeds dezelfde Adam. ‘Ach. Adam...,’ zucht ze met haar hoofd schuin en haar ogen vol warmte. Wij houden elkaar stevig vast, een temperamentvolle omhelzing. Drie, vier, vijf..., zes, zeven, acht... seconden die eindeloos duren. Een zo’n moment in je hele leven en je weet dat je hebt geleefd. Mijn lichaam gloeit, staat in brand. ‘Dat dit ene moment echt gebeuren mag,’ trilt mijn stem. Wij laten elkaar los en kijken elkaar onderzoekend aan en lachen breeduit. Haar lippen kus ik, haar wangen zachter dan een pasgeboren lam, haar voorhoofd. Ze kust mij terug. Wij kussen de tijd. ‘Wat ben ik blij om je te zien, Adam. Je bent het echt. Wie had dit ooit gedacht?’ ‘Ik ook. Ik ook. Wat heb ik naar dit moment uitgekeken. Kom hier, neem ik de kar. Deze bloemen zijn voor jou. Rode rozen uit Holland.’ Ze neemt de bloemen aan. ‘Dank je wel. Mmm... Ze ruiken heerlijk.’ ‘Hoe is het met Daniil en je dochter Evgeniya? En je ma? Hoe is het met je familie?’ ‘Goed. Heel erg goed.’ ‘Het was zo’n verrassing dat je mij schreef en ook om te lezen dat je een dochter hebt. Ik kon het eerst niet geloven toen ik je brief ontving. Dat je schreef dat je naar Parijs wilde reizen en mij wilde ontmoeten. Echt nooit gedacht dat mijn verlangen naar jou...’ Ik glans van geluk. ‘Ja, het is voor mij ook verbazingwekkend. Dat wij dit mogen meemaken. Met mijn familie gaat het fantastisch en mijn kinderen zijn echte schatten. Van mij hè?’ ‘Ik ben zo blij voor je.’

363

‘Kom.’ Wij draaien ons om en lopen richting uitgang. Tien meter verder stop ik. ‘Stop.’ Ze stopt. ‘Kom eens hier,’ zeg ik tegen haar. Ze kijkt mij verbaasd aan. ‘Kom bij mij. Ik moet je langer vasthouden. Te lang heb ik je moeten missen mijn zonnekind.’ Wij staan omstrengeld als een slingerplant om een boom. Een adem. Zinnenstrelend vederlicht trillen. Wat een vreugde! ‘Je maakt mij gelukkiger dan ik ooit ben geweest. Ik weet niet hoe ik uitdrukken kan hoezeer ik hier naar verlangd heb.’ ‘Ik ook.’ Ze houdt mij nog steviger vast. Een zoen. ‘Zo lang geleden. Ssstttt.’ Wij staan een kwartier zwijgzaam, in alle stilte, in het kunstmatige licht van de aankomsthal. Een kwartier vol heerlijk smeltende horloges. Eva’s naakte lichaam werpt een schaduw op de ruit van de zolderetage van de tegenover ons hotel gelegen woning. Het douchewater klettert; ze beweegt haar hand door haar lange haren, zo zie ik in het raam weerspiegeld. Haar borsten staan pront, ze is net zo slank als in Pattaya. Ik ga op het bed liggen en maak mijn schoenen los, net als mijn hemd en broek. Ze opent de deur van de badkamer met een luide klik en loopt in haar nachthemd de kamer in. ‘Dat was lekker.’ ‘Ik ga ook douchen.’ ‘Dit is een perfecte locatie. Een klein anoniem hotel in het centrum van de lichtstad. Wat een leuk bed. Voulez vous couchez avec moi?,’ lacht ze mij toe. ‘C’est bien ma chérie.’ Nadat ik gedoucht heb, kruip ik naast haar in de twijfe-

364

laar en de nacht valt, de slaap vat. Mijn liefhebbende armen om haar lichaam, de warmte van haar huid, lepeltje-lepeltje, haar kloppende hart ligt in mijn armen, ik hoor ze in mijn oren, echt, geen herinnering, haar zoete geur. ‘Mijn prinses, mijn liefje. Wat heb ik je toch gemist,’ fluister ik in haar oor voordat wij in slaap vallen. ‘Droom zacht.’ ‘Zoete dromen voor jou.’ Dit is het. Honderdduizenden keren fijner, intenser dan alle erotiek in de wereld, als de dagen en de nachten die wij reeds deelden met elkaar. Wij dromen samen weg, gaan ver voorbij de sneeuwwitte wolken die over Parijs naar het zuiden trekken. Pianoklanken begeleiden ons, hand in hand zweven wij, Eva in witte jurk en ik goed gemutst, als in een schilderij van Chagall, zijdelings gelegen over de daken van Parijs, Place Pigalle. Je zachte ogen sluiten boven mij. Voor het eerst sinds veertien jaar, vier maanden en twaalf dagen vallen wij; samen vallen wij genoeglijk in een diepe rozige slaap. ‘Ppprrr,’ snort het tijgertje in haar tegen mij. ‘Ppprrr,’ snort het andere tijgertje terug. Wij slapen een gat in de dag en hebben een lichte tête-àtête met verse jus, croissants, koffie, worstjes en kruidenkaas in de ommuurde lentetuin, waar de merels, mussen en roodborstjes vrij spel hebben en pikken van het brood dat wij ze toewerpen. Wij oefenen wat Frans. ‘Luister: middag.’ (Adam.) ‘Hoe laat is het?’ (Eva.) ‘Het is middag.’ ‘Het is het uur van het ontbijt.’ ‘Wat eet je daar?’ ‘Worstjes, ei en brood.’ ‘Luister en herhaal: middag. Middag.’ ‘Hoe laat is het? Hoe laat is het? Is het? Is het? Hoe laat is het?’

365

‘Het is middag. Het is middag.’ ‘Het is het uur van het ontbijt. Het is het uur, het uur, het is het uur van het ontbijt.’ ‘Wat eet je daar? Wat heb je daar?’ Na het ontbijt en de Franse les lopen wij via de Champs Elysee langs de oever van de Seine naar de Notre Dame en Les Halles. Vanuit Les Halles steken wij noordwaarts naar Montmartre, dwars door de stenen jungle. De straten zijn druk, de trappen steil, veel kraampjes. Winkels hebben hun waar op straat uitgestald. Ik steek een madeliefje tussen je blonde haren. ’s Middags zitten wij op het gras voor de Sacre Coeur en kijken uit over het stedelijke landschap. De wit marmeren kathedraal baadt achter ons in het zonlicht. Ze zit met haar rug naar mij toe en leunt in mijn ondersteunende armen. Ik adem haar in, het hart in bloei, de wind kringelt door de kamers, door haar zachte haren en ik kus haar kruin tientallen malen. Haar haar glanst en glinstert in de zon. Pimpelmezen en blauwborstjes zingen een vrolijk, opgewekt lentelied. ‘Wat heb ik dit gevoel in de afgelopen jaren gemist. Bij jou zijn, samen zitten en genieten van het weidse uitzicht. Ik ben echt blij om samen met jou hier te zijn,’ verkondig ik met een understatement van hier tot Tokio en dan nog een heel eind verder. Ze knuffelt met haar rug naar achteren, bevestigt hetgeen ik zeg en ze kust vol genegenheid mijn rechterwang. ‘Ja Adam. Ik ben zo gelukkig nu. Wat een avontuur; voor het eerst in Parijs en dat met jou.’ ‘Jaha. Parijs is een aardige stad.’ Binnen in de Sacre Coeur lopen wij enkele rondjes en wij lichten drie kaarsjes op, een voor Aleksandra, een voor Daniil en een voor Evgeniya. Wij knielen en bidden in de kapel

366

van de Heilige Maagd Maria, voor het grote standbeeld van de verlosser; voor zijn heilige hart. Dat wij de mensen mogen dienen. Ze streelt mijn handen, ik de hare en onze ogen raken elkaar diep. ‘Weet je nog in Bangkok, chérie? Toen wij knielden voor de Boeddha, wierook opstaken en bloemen schonken in zijn naam?,’ fluister ik in de stilte van de kathedraal. ‘Mmm,’ stemt ze in. ‘De lessen van beiden zijn zó identiek.’ ‘Het leven is eindeloos.’ ‘Weet je?’ ‘Nee.’ ‘Wat?’ ‘Nee.’ ‘Ik wil je iets vertellen.’ ‘Wat?’ ‘Le sacre coeur d’argent.’ ‘Wat?’ ‘Dat hier aangegeven staat dat wij voor het heilige zilveren hart van Jezus staan; dat zilver én geld in het Frans “d’argent” heet,’ fluister ik in haar oor. ‘En? Hoe bedoel je?’ ‘Dat die kerken zo op het geld zijn. Dat je moet betalen voor zijn hart. Dat als hij dit standbeeld zou zien, hij de hele kathedraal overhoop zou schoppen, net zoals hij in zijn tijd in de tempel van Jeruzalem deed. Hij zou er totaal anders over denken; zijn in zilver gegoten lichaam! Dat soort aanbidding is volgens mij niets voor hem. Ze hebben het werkelijk waar nog steeds niet begrepen.’ ‘Ik denk het ook. En hij was zo’n fijne man, zo zegt men.’ ‘Ja, daar heb je helemaal gelijk in. Hoewel? Weet je?’ ‘Nee?’ ‘Dat hij de personificatie is van de aanbidding van de zon?’ ‘Wat? Ga je in deze kathedraal blasfemisch doen?’ Ze kijkt mij geschokt aan.

367

‘Kijk,’ fluister ik iets harder. ‘Daar komt de heilige inquisitie! Ze komen mij halen,’ grap ik met een beweging naar achteren en ik haal mijn schouders op alsof ik er iets aan kan doen. ‘Heb je nooit gehoord over de historische vergelijking tussen de Egyptische God Horus en Christus?’ ‘Adam, je hebt een gedachtespinsel die ik niet kan volgen. Horus en Jezus?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Sorry. Ik probeer iets duidelijker te zijn.’ Ze draait zich om. Ik loop achter haar aan en vervolg: ‘Volgens de overlevering zijn beiden geboren uit een maagdelijke moeder. Horus’ oog is de zon Ra, de naam van onze eigen zon uit de Egyptische tijd.’ ‘Ja, het zal wel. Ik heb hier geen zin in. Niet te moeilijk doen in deze kerk. Kom.’ ‘Allemaal sterrenkunde. Hij ís de zon. Ze hebben een “o” toegevoegd, wat een verschil dankzij één letter. Het verhaal van Christus is een allegorie van de reis van onze zon door de twaalf sterrenbeelden.’ Ze neemt mij bij de hand en glimlacht. ‘Een andere keer graag.’ ‘Zijn levensverhaal is voor ons een les, een les hoe goed te leven. Eigenlijk is het allemaal metaforisch, overdrachtelijk bedoeld,’ dring ik aan. ‘Ik begrijp het.’ ‘Ze zijn beiden nog steeds levend en wel bij ons, onze dagen verblijden ze met hun licht, ze dansen voor ons in het donker. Begrijp je ook wat ik je verduidelijken wil?’ ‘Hij is mijn zonneschijn in de morgen.’ ‘Zo is het,’ knik ik haar toe. ‘Iedere dag schijnt zijn licht, zijn hart, voor ons, net als in de nacht de sterren van de Maagd het doen.’ Wij slenteren nog een ronde door de kathedraal. Het witgele marmer baadt in de zuiderzon die door de open structuur van de hoge koepel naar binnen valt. Ik vertel haar over

368

de bouwkunst van deze kathedraal, over de lichtsymboliek van de kerkelijke bouwkunst, dat het Christendom, het lux aeterna, het eeuwige licht, verheerlijkt. Dat het Christendom in feite een lichtreligie is. ‘Het is een schitterend gebouw. Is het niet?’ ‘Dat is het zeker.’ Wij lopen naar buiten. Een man spreekt ons aan. Zijn vrouw staat naast hem. Ze staan hand in hand. ‘Mogen wij jullie storen?’ ‘Natuurlijk,’ antwoord ik. ‘Wij willen tegen jullie zeggen dat wij in ons leven nooit eerder een aantrekkelijker paar gezien hebben. Mon Dieu – mijn God – jullie passen zo goed samen. Ongelooflijk!’ Eva lacht. Ze glimt van trots. ‘Dank u zeer.’ Ze knikt met haar knieën. Ook ik laat mij niet onbetuigd. ‘Mijn dank voor jullie woorden.’ Tegen Eva: ‘Weet je nog Eva? Die oude Engelsman in Thailand?’ ‘Ja, Steven. Zo heette hij toch? Wat een aardige man was dat.’ Tegen de Fransen: ‘Onze dank voor jullie woorden. Jullie mogen er anders ook zijn.’ ‘Wat een eer. Jullie zijn Parijzenaars?,’ vraag ik aan beiden. ‘Ik ben Adam en mijn vriendin heet Eva.’ Wij schudden elkaars handen. ‘Esmé,’ knikt de vrouw koket. Ze draagt een lichtgrijs mantelpakje, heeft schouderlange bruine haren en groene ogen. Mooie vrouwelijke vrouw. Hij: ‘Pascal.’ Hij draagt een groen jasje en een bruine ribbroek. Grijze haren, bruine ogen en een sterke neus. Esmé: ‘Jullie heten echt Adam en Eva?’ ‘Ja,’ bevestig ik met scherts. ‘Het was een lange reis naar Parijs en dat terwijl er slechts twee letters tussen zitten, tussen paradijs en Parijs. Parijs AD.’ Ik draag een crème linnen kostuum, suède schoenen, een horloge van Patek Philippe om

369

mijn linkerpols. Esmé en Pascal lachen. Eva vindt hem ook wel geslaagd. Ze slaat op haar knieën van de pret. ‘Zo heb ik het niet eerder bekeken.’ Ze draagt een geel geruit mantelpakje, honderd procent wol en vanzelfsprekend hoge hakjes. ‘Mogen wij jullie uitnodigen om vanavond met ons mee te gaan naar een lezing van Ji Ja?’ ‘Ji Ja?,’ vraagt Eva. ‘Een Indiase weldoener geeft vanavond een lezing in het Saint James hotel, vlakbij de Arc de Triomphe,’ licht Pascal toe. ‘Hij spreekt over...’ “Human Values” door Ji Ja, staat er in goud geschreven woorden op de uitnodiging die bekroond wordt door het logo van het hotel.

370

XXI
De glazen piramide kijk ik in, door het glas naar de beneden gelegen ontvangsthal waar de kunstliefhebbers het museum betreden. Wij hebben afgesproken bij de ingang van de piramide van het Louvre. In een van de zalen van het museum geeft Isis de borst aan Horus. Lacht de Mona Lisa ons mysterieus toe. L.H.O.O.Q. Een jaar is voorbijgevlogen. Het jaar met Lana en Kris, de vlucht naar de jungle, mijn aanzoek, haar antwoord het zal snel zijn, het kerstfeest in de tropen, het feestje van Pi, de lezing van Ji Ja en de verkoop van mijn eigen bedrijf. Al deze gebeurtenissen liggen in het verleden. Ik sta rustig te wachten en bel haar mobiel. ‘Wij hadden toch om vier uur afgesproken, of was het vijf uur?’ ‘Ik kom er aan Adam. Nog even, een kwartiertje.’ Een half uur later komt ze buiten adem aangerend: ‘Sorry. Hier is de map.’ ‘Dank je wel.’ Ik stop de kangoeroe lederen map in mijn tas. ‘Geen welkomstkusje?’ ‘Oh, sorry, ik heb mij zo gehaast. Hier.’ Ze kust mij. ‘Is alles goed?’ ‘Ja. Ik ben blij je weer te zien. ’t Is maar kort. Maar allez, dat kan een keer.’ ‘Mijn vliegtuig gaat al over twee uur. Minder zelfs.’ ‘Twee uur. Is dat alles?’ ‘Ja, ik kan er echt niets aan doen. Ik heb de hele week alleen maar gereisd en gereisd en zo meteen moet ik er opnieuw vandoor. Ik moet nog naar mijn hotel en dat is al een uur lopen vanaf hier. Pfff... Ik baal daar net zo van, maar het is niet anders.’ ‘Ik heb iets voor je meegenomen, cadeautjes. Kom, dan gaan wij koffie drinken in een restaurant om de hoek. Dan kunnen wij ze daar uitpakken,’ zeg ik en ik wil haar bij de

371

hand nemen. Ze weert hem af. ‘Sorry, het kan echt niet. Ik heb geen tijd voor koffie en kletsen. Ik moet mijn koffer halen, naar het vliegveld, inchecken en ik moet twee uur voor de vlucht daar zijn. Dat is het al lang geweest,’ piept ze met paniek in haar ogen. ‘Ik haal het anders niet.’ ‘Ik breng je naar het hotel en daarna naar het vliegveld.’ ‘Laat zijn Adam.’ ‘Hoezo laat zijn Adam? Hebben wij alleen afgesproken omdat je mij het mapje wil overhandigen?’ Ze kijkt mij vol schuldgevoel aan. ‘Alles is in de war gelopen de laatste dagen. Ik heb het zo druk met mijn werk, alle afspraken lopen maar uit en uit. Ik zou eerst een vlucht eerder naar huis nemen, gisterenavond laat zelfs. Ik wilde je bellen, maar het kwam er niet van. Oh wat een toestanden!’ Ze slaat haar ogen neer en dribbelt ongeduldig heen en weer. ‘Alsjeblieft geen weerspraak Eef. Ik breng je naar het vliegveld. Of je het wilt of niet. Hup, de auto staat aan die kant. Wij hebben geen tijd te verliezen. Vooruit.’ Ik neem haar bij de hand en loods haar naar mijn auto die aan de oever van de Seine staat geparkeerd. ‘Waar is je hotel?’ ‘In Montmartre. Rue de... Hier is een kaartje.’ ‘Allright.’ De auto glimt en gaat met een klik open. Enkele straten verder zegt ze: ‘Stop. Wacht even. Ik moet iets voor je halen. Parkeer hier links wil je?’ Ze duikt een bloemenwinkel in en komt naar buiten met een rozenstruik. ‘Dit is voor jou.’ Ze overhandigt de plant en ik leg deze achter op de bank. ‘Wat lief van je. Mmm, wat ruiken de bloemen lekker. Ik ben dol op rozen, je weet het. Je bent zo attent.’ Ik druk haar hand en schakel in de een. De auto springt naar voren en een kwartier later staan wij stil voor het hotel, stappen uit, nemen de lift. In haar hotelkamer rent ze rond om de laatste spullen bij elkaar te pakken en in haar koffer op te bergen.

372

‘Kom eens hier. Ik heb cadeaus voor je gekocht. Ik hoop dat je het leuk vindt.’ ‘Wat is het?’ ‘Pak maar uit, dan kun je het zien. Het is voor je dochter.’ Het pakje meet veertig bij veertig en is dertig centimeter hoog. ‘Zwaar hoor,’ zegt ze zodra ze pakketje aanneemt. Ze scheurt het papier eraf en een houten doos in hartvorm komt tevoorschijn. ‘Van mahonie,’ zeg ik. ‘Er zit een klipje aan deze kant.’ Ze licht het klipje en ze klapt het deksel open. ‘Adam... Wat bijzonder!’ De muziekdoos tingelt een melodie van Tsjaikovsky: “De Sneeuwmeid”. Centraal draait de primadonna cirkels, de armen verheven naar de hemel, in een blauwwitte lange jurk bezet met kant en kleine nepstenen. ‘Oh Adam! Adam?!’ Tranen springen op in haar ogen. Ze kan het niet geloven. ‘Het is voor jou, voor al je liefde.’ ‘Heb je dat voor mij gekocht?,’ vraagt ze vol ongeloof. Ze drukt zich tegen mij aan. Rond en Rond Wederkerend Genoegen. Onze harten tegen elkaar, ze slaan in een stroom. Leven. De ene hand houdt zoveel van de andere hand. Rillingen van boven naar beneden; herenigd. Ik veeg de tranen uit je ogen. Jij uit de mijne en wij glimlachen tegen elkaar. Een klein moment, bijna ongezien in de oneindigheid. ‘Vind je het een leuk deuntje? Het heet: “Dans en koor van de vogels”.’ ‘Ik hou van Tsjaikovsky. Je weet het. Wat een bijzonder cadeau.’ ‘Op de andere muziekrol staat Björk met “Frosti”. Ik hou van je. Vergeet het niet.’ ‘Ik toch ook van jou. Je bent zo goed voor mij.’ Ze schreit kleine tranen; allebei. Tranen van geluk en van verdriet een beetje; bij elkaar en zo meteen weer een afscheid.

373

‘Luister goed. In het danseresje zitten edelstenen verborgen. Robijn, saffier, smaragd en enkele diamanten. Weet je nog? Die diamant die je bij mij in bewaring hebt gegeven, zo lang geleden in Boedapest... Ik heb de diamant belegd en onmogelijk geachte winsten behaald. Jaren later heb ik de diamant afgelost,’ zeg ik vol vreugde en ik kijk haar aan, tril van geluk. ‘Ze zijn en waren altijd al van jou, je kinderen en voor iets sociaals, geef het aan mensen die niets hebben, verzin maar iets, voor het weeshuis van de hits, voor een blind geworden horlogemaker. Schrik niet. Ze zijn in totaal een miljoen euro waard, het dubbele van dat klokje wat ik vorig jaar wilde kopen, als het aantal bloemblaadjes in een wei.’ Ze slaat haar hand voor haar mond. ‘Adam...?’ ‘Sstt... De douane zal ze nooit ontdekken. Het is getest op hun methodes. Het werd tijd dat je terugkreeg waar je altijd al recht op had. Er kwam helaas iets, je weet wat, tussen. Hier heb je de documenten voor het uit- en invoeren van een waardevolle, gereviseerde muziekdoos uit 1910. Vertaalt, wel betaalt en alles is geregeld. Hier een cadeautje voor Daniil en nog iets kleins voor Evgeniya. Mijn liefde voor jou is eeuwig, gratis en voor niets, een onuitputtelijke bron.’ ‘Dank je wel Adam.’ ‘Ten alle tijden je dienaar.’ ‘Ik de jouwe. Je bent mijn beste vriend, mijn soevereine prins.’ Ik jakker met 160 kilometer per uur over de snelweg naar Charles de Gaulle. Op de ringweg was het een al ellende en wij moeten voortmaken. Indien ik het wil zit ik zo op 240, maar dit moet lukken. Het vliegtuig vertrekt over 45 minuten en het is nog vijftien kilometer. Mijn Prestige jaagt over het beton. Afslag. Het parkeren gaat snel, koffer, muziekdoos, hup, hup. De lift snelt naar de tweede verdieping en wij stappen dezelfde hal in waar ik haar het vorig jaar ten huwelijk vroeg. Wij rennen met klikkende hakken over het witte mar-

374

mer. De muziekdoos houdt ze stevig in haar rechterhand. Wij staan tussen de andere reizigers; voor de schuifdeuren die toegang geven tot de vertrekhal en dringen voor. ‘Eva..., Eva...,’ trek ik haar naar mij toe. ‘Iedere keer als wij afscheid nemen, ben ik bang dat wij elkaar nooit meer zullen zien.’ Ze schudt haar hoofd terwijl ze door de open schuifdeuren van de vertrekhal loopt. ‘Dat,’ zegt ze verschrikt, terwijl ze zich haastig omdraait, ‘dat is absoluut onmogelijk.’

375

XXII
Met een laatste dunne streek zet ik de gele verf op het doek. Het penseel zet ik weg in een jampotje. Het resultaat van mijn kunnen bekijk ik en ik stap naar achteren om zo het tafereel van een afstand te bekijken. Het avondlicht schijnt door de open ramen van de zolderverdieping. Zacht strijkt het over het schilderslinnen, betast de olieverf. Sinds het laatste afscheid, haar woorden “dat is absoluut onmogelijk” heb ik van haar niets meer vernomen. Drie lange jaren zijn voorbij gegaan waarin ik haar heb losgelaten, haar het leven heb laten leiden naar haar eigen goedachting. De paar brieven die ik aan haar schreef, blijven onbeantwoord en ik weet diep van binnen dat het voor altijd voorbij is. Ons avontuur is definitief over; ze hoort bij haar man. Ik leef in stilte. Het leven van een monnik leid ik in het riante huis aan het Vondelpark. Vergeten kan ik haar niet. Drie maanden per jaar leid ik projecten in het buitenland waarbij de natuur teruggegeven wordt, hersteld van de menselijke vernielzucht. Bomen worden geplant, waterputten geslagen en irrigatiewerken aangelegd. Mijn hele vermogen investeer ik in de natuur. De andere maanden van het jaar volg ik een opleiding tot schilder aan de Rijksacademie voor de Kunsten. Ik leg de laatste hand aan mijn laatste werk voor het derde jaar, een kopie naar Gainsboroughs’ “Robert Andrews and his wife”. Het schilderij stelt een paartje voor, zij zit op een rococo bankje in blauwe jurk en Robert rust met zijn linkervoet over zijn rechter, leunt tegen het bankje. Hij en Frances Carter van Ballingdon House zijn daar samen onder een boom, het graan staat in volle bloei en is deels gemaaid, de bomen in de verte vangen met hun bladeren het zonlicht en het heuvellandschap leidt naar de wolken die in de hoge zomer overdrijven. Zij draagt een elegant hoedje, wit kanten boordjes, haar schoentjes zijn net goud en op haar schoot ligt een on-

376

afgemaakte tekening. Een potlood houdt ze in haar rechterhand. Frances en Robert kijken uit over het goudkleurige graanveld. Robert draagt een hoed met Engelse steek en houdt voor de verandering een boek in zijn hand. De jachthond links in de beneden hoek, de schaapjes in de wei, enkele runderen grazen op afstand. Een toren tussen het groen in de verte en haar bescheiden glimlach. Alleen de gezichten heb ik veranderd. Ik ben Robert en Eva is zijn vrouw Frances. Voor de rest ziet de kopie er levensecht uit en mag redelijk geslaagd genoemd worden, voor een derdejaars. Het laatste wat ik nog wil veranderen is het schilderen van een afbeelding in de tekening op haar schoot, zodat haar voorstelling... naar de 18e eeuw en leren kijken zoals Thomas het deed... Nee, niets en niemand is te vergelijken met haar. Beneden rinkelt de telefoon. Ik loop naar de overkant van het atelier en schakel hem door. ‘Ja, hallo. Adam hier,’ zeg ik met vermoeide stem. ‘Adam...’ Het is Eva. ‘Adam... Het is zo’n plezier om je stem te horen.’ ‘Eva... Ik was zojuist...’ ‘Schatje, wat heb ik je stem gemist.’ Ze klinkt blij. ‘Hoe is het met je en hoe is het met je kinderen?’ ‘Super goed. Echt.’ Ze klinkt opgewonden. ‘Ik ben blij dat te horen.’ ‘En jij Adam? Goed?’ Ze klinkt opgelucht. ‘Zeker. Zeker nu.’ Ik ook. Ik haal diep adem. ‘Wat doe je?’ ‘Ik schilder.’ ‘Wat?’ ‘Ja, ik was toch gestopt met de geld makerij? Dat wist je toch?’ ‘Natuurlijk. Wat ben ik blij dat je thuis bent. Wat schilder je?’

377

‘Een landschap, met ons tweeën in de zomerzon. En jij? Waar ben je?’ ‘Ik sta op een plein en wacht op Evgeniya. Ik ben in Italië, op het plein van San Francesco in Arezzo, ten zuiden van Florence.’ ‘Wat doe je daar?’ ‘Wonen. Leven. Ik ben weg uit Rusland. Eindelijk!’ ‘Wat? Eva? Geweldig! Sinds wanneer? En je man? Wat is daarmee?’ ‘Ik ben drie jaar geleden gescheiden. En ik ben bijna een maand in Italië.’ ‘Wat? Drie jaar geleden?’ ‘Ja, Evgeniya is volledig aan mij toegewezen. Daniil komt de volgende week naar Italië. Het was allemaal niet zo eenvoudig met de Russische wetten, het duurde en duurde maar en ik wilde mij niet eerder melden voordat alles zeker was. Ik ben een vrij mens Adam. Ik ben een vrij mens! Evgeniya is officieel volwassen; Nicolas kon ons niet meer in de weg staan.’ Ze is door het dolle heen en ze spreekt gehaast tot mij. Ik ga erbij zitten. Dit kan toch niet waar zijn, zal het allemaal in orde komen? ‘Ik moet even zitten,’ zeg ik tegen haar. ‘En jij en ik en hoe is het met je. Echt...’ ‘Ja. Je moet komen. Ik heb je zoveel te vertellen, over Evgeniya en over Daniil. Ik ben zo trots op ze; ze zijn volwassen mensen, maar ze blijven mijn baby’s voor altijd. Ze doen het zo goed.’ ‘Al die jaren,’ slik ik. ‘Mijn leven lang heb ik naar je gezocht, gevonden, verloren, gevonden en opnieuw verloren. Zelden hebben wij elkaar gezien. Jarenlang was het stil in mijn huis en mijn hart voor jou klopte maar door. En nu moet ik ineens komen?’ ‘Ja, wow Adam, je begrijpt het niet. Ik moet je zoveel vertellen, maar ik kon het niet. Eindelijk is het zover. Kunnen wij echt samen zijn.’ ‘Mijn liefje...,’ zucht ik. ‘Hoe lang is een Chinees.’

378

‘Hoe Lang? Die ken ik niet.’ ‘Ik ook niet.’ ‘Wat bedoel je?’ ‘Jen en Hsin is ook Chinees.’ ‘Adam, wat is er aan de hand? Bel ik je op en vertel ik dat eindelijk het lang verwachte staat te gebeuren en begin je Chinees te spreken. Jen en Hsin? Wie zijn dat? Zijn dat Chinezen?’ ‘Hoe lang kan een man wachten en ik ben echt tevreden met mijn leventje. Jen en Hsin zijn geen Chinezen. Ook Hoe Lang is geen Chinees. Het is Chinees. Zoek het maar op in het woordenboek. Ik eh...’ ‘Gaat het wel goed met je? Heb je je verstand verloren in de afgelopen jaren? Ben je dronken of zo?’ ‘Ik kan niet meer Eva. Ik kan alleen maar bij je zijn in het echte dagelijks leven. Niet meer alleen van die korte momenten en die chaos en al die emoties en daarna weer weg... Ik wil geen dromen, geen vlucht... geen telefoongesprek... echt.’ ‘Vanaf vandaag is het voor altijd samen. Voor altijd. Ik zal je alles vertellen zodra je in Italië bent.’ ‘Heb ik daar niets over te zeggen? Misschien heb ik een nieuw vriendinnetje, weet jij veel?’ ‘Jij?,’ lacht ze hartelijk. ‘Wat zit je toch te zeuren?’ Ik lach. ‘Ja maar Adam, je moet echt luisteren naar wat ik je vertel. Wij zijn eindelijk vrij. Je kunt hier in Italië schilderen en je moet mijn kinderen ontmoeten, onze kinderen...’ ‘Ja, maar het zijn mijn kinderen niet.’ ‘Je moet gewoon komen. Ik moet je iets vertellen, een lang verhaal, een heel erg lang verhaal. Echt. Ik ben zo dom geweest. Pas nadat ik je muziekdoos kreeg, toen...’ Ze slikt; valt voor even stil. ‘Evgeniya is achttien en ze is zo mooi. Je moet haar zien!’ ‘Wat is er met haar? Je weet dat ik zielsveel van je hou, maar ik wil honderd procent en meer. Geen halve zaken. Wij heb-

379

ben elkaar in totaal nog geen maand gezien en dat in negentien jaar tijd. En ineens wil je alles en het was zo lang niets, zo ver weg. Een herinnering. Nooit vond ik een ander, leefde ik iedere dag met je lach in mijn hart. Ik heb je nooit vergeten, geen dag, niet een moment. Na jou kon ik nooit meer met een ander zijn. Waarom mag God weten.’ ‘Ik hou van je Adam. Het was een grote fout van mij om met Nicolas te trouwen, de dwingeland. Het had nooit mogen gebeuren. Ik ben zo dom geweest.’ ‘Maar ik ook van jou, ik ook, je weet het toch?’ ‘Nee. Of wat bedoel je?’ Ik lach. Ik lach hardop en nog eens hardop. Ik heb het even niet meer en met name wel. Hartkloppingen. ‘Wat is je adres?,’ vraag ik bijgekomen van de lach. De telefoonhoorn hou ik op een afstand en ik schud eraan. Doet ’ie het goed? Is dit werkelijk Eva aan de telefoon? Ze lacht haar adres en ik schrijf het op. ‘Geef mij het nummer van je mobieltje. Voor het geval ik het niet kan vinden.’ Ja, ze is het echt. Het is haar stem. Met de telefoon is niets mis. ‘Volgens mij vind je het wel. Het huis dat ik voor ons heb gekocht is fantastisch, maar staat grotendeels in de steigers en er moet echt nog heel veel gebeuren. Ze zijn het dak aan het repareren. Er ligt zeven hectare grond op je te wachten. Kun je aan de slag. Het is zo mooi hier.’ ‘Ik denk dat ik het weet te vinden. Het is nu?’ Ik kijk op mijn horloge. ‘Is ’t alweer acht uur?,’ slaak ik met een zucht. ‘Morgenochtend ben ik bij je. Geen half werk. Rond een uur of tien. Is dat naar je wens?,’ vraag ik, terwijl ik de reistijd van Amsterdam naar Arezzo afweeg. ‘Naar mijn wens? Jij vraagt dat aan mij? Natuurlijk! Tien uur?,’ roept ze vol vreugde door de telefoon. Ze is, zoals gezegd, door het dolle heen. ‘Ik zal er zijn,’ zeg ik haar zonder enig wikken of wegen toe.

380

‘Ik wacht je op met open armen. Vannacht slaap ik zeker niet van alle opwinding.’ ‘Ik zeker niet. Ik kan niet slapen vannacht, want ik moet wakker blijven in de auto. Vanaf morgenochtend hebben wij alle tijd. De rest van ons leven.’ Spullen voor het schilderen leg ik achter in de auto en tevens uitrusting voor een lange wandeling over de Toscaanse heuvels. De kofferbak sluit ik met een klik. Ik bel de verhuizer en geef aan hem opdracht om al mijn bezittingen in te pakken en te wachten op verdere instructies. Kopieën van de huissleutels geef ik aan mijn verraste buren. Ik bel de net zo verraste Pi en vraag aan hem of hij de verhuizing wil begeleiden en dan met name het juist inpakken van de kunstwerken. ‘Geen probleem Adam,’ zegt hij. ‘Veel succes.’ ‘De komende zomer moet jullie ons opzoeken in Italië.’ ‘Dat zullen wij doen.’ ‘Tot dan,’ zeg ik gehaast. Hollandse kaas en bloemen uit de tuin, twee tassen met kleren gooi ik op de achterbank. Het schilderij leg ik voor op de stoel. In huis doe ik de laatste lichten uit, zet het alarm aan, in de auto af, start de auto en rijd via Utrecht, Arnhem, de Duitse grens over. No more stops. Nicht mehr anhalten. Op de Autobahn versnel ik tot 170-180-200. Harder kan, maar liever niet. Keulen, Koblenz, richting Freiburg. In de nacht is er weinig verkeer en in een mum en een zucht trekt het ijzeren paard mij langs Karlsruhe, Strasbourg, Freiburg, de grens over bij Basel en ik steek door over de Zwitserse bergen. Het ochtendgloren schijnt achter de besneeuwde bergtoppen. Via Luzern draaft het paardenspan uitbundig langs het Vierwoudstedenmeer in de richting van de Gotthardtunnel. Onder de hoge Alpenberg, in de snelweggrot werpen de schijnwerpers lange lichten tegen de wand van de donkere tunnel, fel licht van voortrazende vrachtauto’s, auto’s en mo-

381

toren. De CD-speler speelt “My life in the Bush of Ghosts” van Brian Eno en David Byrne. Ik krijg spontane hoofdpijn van het leven met de geest in het struikje, druk op stop, doe het raam open en gooi de CD de duisternis in. Hels stinkende uitlaatdampen kringelen mijn auto in. Donkere gedachten razen door mijn hoofd. Het is deze nacht druk in de uitgehakte holte van de hoge berg. Mijn gedachten vloeien over naar het moment dat Eva en ik op de Dam tussen dansende en juichende Irakezen stonden, vol vreugde dat ze bevrijd waren door de Amerikanen. Het is er niet echt beter op geworden in de tussentijd. Allemaal willen ze een stukje van het paradijs, voeren ze oorlog voor een hapje zand, voor de olie die de wereld verstikt, in brand steekt. Ik zet de airconditioning uit; de stank in de auto is vreselijk. Ik adem de nevels in. Als muggen zuigen de jaknikkers de olie uit de grond, zuigen de mechanische parasieten de aarde leeg. Wordt het ooit zo trotse Irakese volk verdeeld, vernederd en vermoord. Ze staan vastgeketend tegen de wanden van de grot, in deze luidruchtige duisternis. Hun handen en voeten zijn gekluisterd dankzij het ijskoude en meedogenloze machtsspel van de wereldheersers. Ze schieten het licht uit elkaars ogen. De schaamte is groot. De leugen is nog groter. Dat de mens in zijn naam de liefdevolle scheppingsdaad, zijn paradijs, om zeep helpt, vervuld mij met afschuw. Is het einde van de tunnel al in zicht? Nog zes kilometer. Er komt weer een vrachtwagen aangedenderd, woest kolkende dampen komen uit zijn uitlaat. Gevangenen van de witte lijnen die op de teergrond getrokken zijn. Moorden in zijn naam, onderdrukken in zijn naam, vrijheid beperken in zijn naam. Vrouwen als tweederangs burgers behandelen in zijn naam, kruistochten in zijn naam. De aardse natuur vernietigen met als excuus het vooruitzicht van het buitenaardse paradijs. Mensen als vee, als ongedierte behandelen. Vee, de dieren als voer behandelen; dat alles in zijn naam. Het verkeer in de tunnel raast door en door. Het is donker, schijnwerpers van tegemoet komende auto’s lichten

382

de schaduwstreek op. Ik snak naar de uitgang, naar verse lucht. Schaduwen overal. Grote motoren met razende, draaiende propellers hangen aan het plafond om de lucht te zuiveren, maar het is tevergeefs. Ik krijg zowat geen adem meer. Hoe kan het zo geworden zijn? De bedorven lucht. Aarde uitbuiters. Het kan anders. Het moet anders. Zeker weten dat duizenden, miljoenen jaren geleden – wie weet hoe lang geleden? – die brandende stem in het groen mij een kunstje heeft geflikt. Ik vond het toen al zo vreemd; een knetterende vurige stem die meteen aan mijn hoofd begon te zeuren. Nog vijf kilometer. Het gedonder begon met de stem uit die struikjes die zat te emmeren over betekenis en kennis, wat mocht en niet mocht. Wij werden verleid door een slang. Tweedracht. De boom van het goede en het kwade; de boom van het leven. Wat een slechte grap. Hij zou nooit zo’n trucje, zulke flauwe grappen met zijn schepping uithalen. Hij is oneindige stilte en oneindige ruimte; geen knetterend bevel. Nog vier kilometer en dan ben ik uit deze tunnel. Gewoon een appeltje eten. Wat kan daar nu mis mee zijn? De aarde is onbeschrijfelijk mooi, de appel is zijn vrucht, zijn vlees en al onze vragen... Ach wat. Alles is goed. De zon en de maan, de ochtend en de avond, droogte en regen. Elkaar ontmoeten en afscheid nemen. Alle tegengestelden vullen elkaar aan. Nog drie kilometer. Nog even, dan ben ik uit de duisternis. Zonder de een bestaat de ander niet. Eendracht. De zon, zijn zoon, zijn rechterhand komt altijd op. En wij dansen er omheen. Alleen zo is het levende mogelijk. Laten wij ons aan de tien regels houden. Meer is er niet nodig. Iedereen kan ze onthouden, of schrijf ze op en herinner ze zodra je in verleiding komt. De wereld is een wonder, de aarde zijn paradijs en al het levende is prachtig zolang wij elkaar in vrede laten leven en elkaar wat ruimte geven. Twee kilometer. Genieten van het al. De creatie van de kosmos leidde tot de schepping van de aarde en het levende ontvouwde zich vanzelfsprekend. Wij mensen zijn de beheerder, de medeschepper, het bewustzijn. De aar-

383

de is de tempel, zijn godin. Nog een kilometer. De lege ruimte, het moment tussen het inademen en het uitademen, is de heiligste heiligheid, maar niet hier in deze grot, op de verstikkende weg die ik genomen heb. Alleen in leegte, in de open ruimte kan creatie plaatsvinden. Alles zal reg’ kom. Ik zweer het je. Het is een wonder dat het levende, de existentie, überhaupt bestaat. Dat ervaring gegeven is. Met elkaar verbonden. Aanbid, heb lief, beziel, behartig, benoem, eer, gebruik, heilig, bevader, bemoeder, leef, vreedzaam, rein, eerlijk, getuig, kuis, geef. Ah, ik ben er. Uit de tunnel. Eindelijk. De ramen van de auto zakken naar beneden en verse lucht stroomt naar binnen. Ik haal opgelucht adem. Wij zijn op de aarde gekomen om het goede te verrichten. Geen gaskarren meer die de lucht verzieken. Hoeder van d’aarde ben ik en hoeder zal ik weer worden. Niet meer de overheerser, de uitbuiter, de vervuiler. Ja, zo zal het worden. Wij zijn de verzorger, de care taker. De mens is naar zijn aangezicht geschapen om samen met hem deze wonderbaarlijke beleving te eren. Heerlijk. Ik voel mij fantastisch. Frisse lucht stroomt door mijn aderen. Eindelijk is het zover. Over ongeveer vijfhonderd kilometer sluit ik haar voor de rest van mijn leven in mijn armen. Ga ik het land bebouwen en een poging wagen om de vaardigheden van de grote Italiaanse meesterschilders onder de knie te krijgen. Nog vier uur rijden en dan spring ik in haar armn. Ik verhoog de snelheid van de limousine nu ik uit de tunnel ben, de wijzer draait naar 120, 130. In de spiegels zie ik dat de donkere grot uit mijn zicht verdwijnt. Ik werp een blik naar voren en word ineens verblind door een fel zilveren licht, nog geen paar honderd meter van mij vandaan. In blinde paniek trap ik keihard op de rem, de auto springt dwars naar rechts en ik draai het stuur instinctief naar links. De auto maakt een slag, blokkeert volledig, draait om zijn as en tolt tweemaal rond, slaat wild over zijn kop. Met een harde klap landt hij als een tijgerkat op zijn wielen, schuift dolgedraaid door en dreunt met een harde knal tegen een onbekend gevaarte

384

aan. Terwijl het leven aan mij voorbijflitst, mijn ogen cirkelen, verlies ik mijn bewustzijn.

385

XXIII
‘Waar ben ik? Wat is er aan de hand?’ ‘Rustig. Pianissimo.’ Ik kijk op en wil mij omdraaien naar de geagiteerde stem die rechts van mij klinkt, maar een sterke hand trekt mij terug in de kussens. ‘Maakt u zich geen zorgen. U heeft niets gebroken.’ Lampen in het plafond schijnen kil licht, waardoor de witte ruimte er nog kleurlozer uitziet. Voetstappen lopen van achter het bed naar voren en ik zie een onbekend gezicht glimlachen. Hij is blijkbaar de dokter in het huis. ‘Maakt u zich geen zorgen,’ herhaalt hij. ‘Er is niets ernstig gebeurd.’ ‘Kunt u mij vertellen waar ik ben beland? Wie bent u?’ ‘U herkent mij niet meer? Dat had ik al gedacht.’ ‘Nee, ik heb u nooit eerder gezien.’ ‘U heeft lang geleden over mij gedroomd. Echter die droom, dat was niet een droom. Het was een voorspellende droom die u had. Een voorspelling die werkelijkheid geworden was indien wij niet in uw leven hadden ingegrepen.’ ‘Wie bent u?,’ vraag ik voor de tweede keer aan hem. De man doet zijn witte jas recht, loopt naar de deur van de zaal, opent deze en roept door de gang: ‘Zuster, zuster, wilt u komen?’ Hij draait zich om en loopt terug naar mijn bed. Ik hoor het klikkende geluid van hakjes op de marmeren vloer dichterbij komen. Een verpleegster loopt de kamer in. Ze lijkt op een non die ik eens eerder heb gezien, alleen weet ik zo een, twee, drie niet meer waarvan. Ze heeft een spuit in haar hand. ‘Ik ben dokter Merkwaardige Liefde. U herinnert mij blijkbaar niet meer. Dat is niet vreemd. Mijn collega is zuster Oprechte Liefde.’ ‘Oh?’ ‘Ja.’

386

‘Dus u bent dokter Merkwaardige Liefde en uw collega is zuster Oprechte Liefde.’ ‘Zo is het maar net,’ verkondigt de dokter. ‘Wat doe ik hier?’ ‘Wij hebben in uw leven ingegrepen. Het kon niet anders. U reed uw eigen ondergang tegemoet. U had de verkeerde weg genomen.’ ‘Is dat zo? Ik dacht toch dat ik onderweg was naar Arezzo en dat ik de juiste route had genomen. Die tunnel onder die duivelse berg was vreselijk, dat is correct, het draaide voor mijn ogen en die bedorven lucht was vreselijk, maar voor de rest...’ Hij onderbreekt mij: ‘Zo bedoel ik het niet. Ik spreek tegen u in overdrachtelijke zin.’ ‘Is dat zo?’ ‘Ja,’ knikt hij. Hij trekt een beetje aan zijn rechterarm, alsof hij deze in bedwang moet houden. De zuster knikt mij bemoedigend toe. De spuit legt ze op de rand van het nachtkastje. ‘Het ging helemaal mis met jullie,’ belijdt ze. ‘Zo kon het niet langer.’ ‘Is dat zo?’ ‘Jazeker,’ zegt dokter Merkwaardige Liefde. ‘U bent een vreemde man.’ ‘Dat heb ik vaker gehoord,’ mompelt hij. ‘Om een lang verhaal kort te maken...’ ‘Doe dat maar, want ik wil hier graag zo snel mogelijk weg,’ dring ik aan. ‘Kijk, beste Adam. Jullie draaiden de hele wereld de vernieling in,’ zegt hij treurig. ‘U had jaren geleden een droom, een spookbeeld, maar dat was geen nachtmerrie. Het was werkelijkheid geworden. Jullie hadden het verkeerde pad genomen. De weg die wegleidde van alles wat de aarde zo prachtig maakte. De weg van het totaal kunstmatige. De weg van de totale controle, de weg van de machine. Kortom het verloren paradijs en wij konden het niet meer aanzien.’

387

‘Ja,’ antwoordt de zuster met de ogen vol oprechte liefde. ‘Wij zijn terug gereisd in de tijd om de laatste definitieve slag te voorkomen. U bevindt zich nu in ons ruimteschip.’ ‘Maak dat een ander wijs.’ ‘Wij wilden het niet hebben dat jullie soort uit zou groeien tot een door machines gedreven en geobsedeerd wezen,’ knikt de dokter. ‘Eerst wel. Vroeger was ik een groot voorstander van alles dat...’ ‘Jullie moeten terug naar de tuin,’ onderbreekt de zuster hem. ‘Daar was ik net naar op weg,’ zucht ik. ‘Naar Arezzo, terug naar Eva.’ ‘U had het nooit gehaald,’ antwoordt zuster Oprechte Liefde met zoete stem. ‘Hoezo?’ ‘De eerste grote atoomoorlog zou losbreken zodra u...’ De dokter legt zijn hand over de mond van de zuster. ‘Laat zitten zuster. Vertel het hem maar niet.’ ‘U moet ons vernietigen. Hij...,’ ze wijst naar de dokter, ‘wordt de nieuwe wereldleider nadat het meest vreselijke is gebeurd. Hij grijpt uiteindelijk de macht.’ Dokter Merkwaardige Liefde verliest zijn geduld. ‘Vertel het hem niet zuster. Mijn liefste... Ik wil niets weten van die vreselijke herinneringen.’ ‘In de verre toekomst heeft mijn oprechte compassie voor hem er voor gezorgd dat hij zijn vreselijke daden recht wilde zetten. Daarom zijn wij hier gekomen. Wij zijn terug in de tijd gevlogen...’ ‘Ja, ik was ooit die man, die man vol macht en waanzin, maar nu willen wij u redden, net als de mooie planeet aarde. Het is nu of nooit,’ zegt de dokter. Het valt mij nu pas echt op, maar hij spreekt met een sterk Duits accent. ‘Ik ben een kopie van moeder Teresa.’ ‘Ziet u wel!, roep ik uit. ‘Ik dacht al dat ik ergens van kende. En u?,’ vraag ik aan de dokter. ‘U komt mij enigszins bekend

388

voor, nu ik u langer heb bekeken, maar ik ben het vergeten.’ ‘Ik ben een kloon van de Britse acteur Peter Sellers in de rol van dokter Merkwaardige Liefde. Ze noemen mij ook wel PS2. Weet u wel die film...’ ‘Ja, nu weet ik het. Die film van, eh, van... Over die vreselijke atoomoorlog en de doemsdagmachine die in werking wordt gezet. Met die absurde cowboy boven op de bom. Maar bent u nu die acteur, het verzonnen karakter, de echte dokter Merkwaardige Liefde of bent u een beetje van alledrie? U heeft het steeds over jullie, jullie, jullie, maar eigenlijk bedoelt u te zeggen dat het over uzelf gaat en niet over mij.’ Hij fronst zijn wenkbrauwen en kijkt mij vragend aan. Hij geeft geen antwoord, want hij zegt: ‘Geheel juist, beste Adam.’ ‘En de realiteit ging staan naar jullie eigen vreselijke fantasie,’ voegt de zuster toe. ‘Zo gaat dat wel vaker. Ze noemen mij in het kort MT2.’ ‘Zo zijn er veel, zeer veel werelden ten onder gegaan,’ zegt de dokter triest. ‘En hier op de aarde was het allemaal mijn fout. Voordat ik haar leerde kennen,’ hij kijkt haar teder aan, ‘was ik de duivel in hoogsteigen persoon. Ik genoot van alle macht, van vernietiging. Ik was dol op alles wat onnatuurlijk was. De bloemen en de bijtjes, daar walgde ik van.’ ‘Ik wist hem te verzoenen met zijn zachtere, vrouwelijke kant,’ zegt zuster Oprechte Liefde. Dokter Merkwaardige Liefde bloost en laat zijn arm met rust. ‘En nu moet ik jullie... vernietigen?’ ‘Er zit niets anders op. Als wij er niet meer zijn, dan...,’ antwoordt de dokter. ‘Dan wat?,’ vraag ik gespannen. ‘Dan gaat die hele doemsdag toestand niet door.’ ‘Oh?’ ‘Ja,’ geven ze duaal aan. ‘In de toekomst gaat het helemaal fout. De pleuris breekt

389

dan helemaal uit, want ik ben een zieke man. Mijn hoofd is vol van macht, van vernietiging...’ Hij trekt zijn rechterarm naar beneden. ‘Hoe groter het gevaar, hoe dichterbij het is, hoe meer ik de behoefte krijg om gebruik te maken van alle middelen die mij ter beschikking staan... De prachtige raketten...’ ‘Die toekomst begint over tien minuten,’ dringt zuster Oprechte Liefde aan. ‘Ze zijn naar ons onderweg dankzij de Tweelingparadox van de speciale relativiteitstheorie, net zoals wij het bij u gedaan hebben,’ dringt de dokter aan. ‘U en de rest van de wereld gaan er anders aan binnen nu en negen minuten en veertig seconden. Zuster! Pak de spuit!,’ zegt de dokter. ‘De Tweelingparadox?,’ kijk ik ze vol onbegrip aan. Zuster Oprechte Liefde neemt de spuit van het nachtkastje. ‘Als u ons dood, dan zal het duivelse doemsdagplan mislukken. Dan zal de mensheid zich niet storten in een waanzinnige atoomoorlog. Over enkele dagen sluit u uw Eva eindelijk in uw armen,’ knikt ze mij toe. ‘Ik ben geen moordenaar.’ ‘Wij zijn geen echte mensen.’ ‘Wij zijn onecht. Door chips gecontroleerde en gedreven monsters. Adam: de machine nam het over. Orwells’ nachtmerrie was er niets bij. Wij werden zo slim dat wij zelf de beveiligingscodes doorbraken en toen ging het totaal mis. Voordat jullie het wisten werd al het levende vernietigd,’ kreunt de dokter. ‘En dat allemaal omdat ik het zo graag wilde, omdat ik een zieke, gefrustreerde, domme... Ik ben diegene die dit alles in gang heeft gezet. Al deze waanzinnige en controlerende technieken komen uit mijn koker. U moet mij doden.’ ‘Ik onderschrijf enkele regels in mijn leven. In de tunnel naar Italië dacht ik er nog aan. Ik zal niet doden,’ geef ik als antwoord. ‘De mensheid doet niet anders en u ook Adam, al is het in-

390

direct. Ook u maakt misbruik van al het goede dat de aarde aan u schenkt. Ik zag u wel als een dolleman in uw auto over de snelweg scheuren. U bent niets beter dan wie dan ook. Hoe u het ook went en keert.’ ‘Maar ik plant veel boompjes en ben net op weg terug naar de tuin, naar Eva,’ sputter ik tegen. ‘Als u ons niet doodt, zult u haar sowieso nooit meer zien. Dan vallen de bommen,’ dringt de dokter aan. ‘En treedt de doemsdagmachine in zijn werking. Nog vier minuten dokter. Het wordt tijd. Ze zijn onderweg om ons te onderscheppen,’ kijkt de zuster op haar polshorloge. ‘Ik ben geen moordenaar,’ herhaal ik. ‘Ik heb een belofte gedaan. En van jullie twee begrijp ik niets. Laat mij met rust en het leven leiden dat ik graag wil. Met een korte ei, niet met een lange IJ. Ik word ziek van jullie achterlijke gedoe.’ ‘Wie Sie wollen. Dann breekt zo gleich die pleuris loss und dann fallen die Bomben.’ Dokter Merkwaardige Liefde heeft steeds meer moeite om zijn rechterarm in bedwang te houden en zijn taalkundig vermogen gaat ook behoorlijk achteruit. Ik kijk ze om beurten aan. PS2? Dat heeft toch iets met Sony te maken, of...? Ben ik hier in een computersimulatie beland? Stelletje idioten zijn het. Doller moet het niet worden. Dit verzin je alleen als... De Tweelingparadox? Wat een achterlijke debielen. ‘Hier de spuit,’ dringt de zuster aan. Ze drukt de spuit in mijn hand. ‘Schiet op Adam. Het is nu of nooit.’ ‘Es ist jetzt oder...,’ schreeuwt dokter Merkwaardige Liefde. ‘Noch zwei Minuten und dann geht’s hoch! An alle! An alle!’ Zijn rechterarm zwaait steeds hoger en hij grijnst mij waanzinnig toe. Hij springt naar de zuster en begint haar te wurgen. ‘Je hebt mij mijn lelijke leven benomen. Ik veracht alle zoetheid! De bommen moeten vallen. Alles wat zoet is, lief is, moet eraan. Jij vreselijke zuster! Jij moet sterven door mijn stalen handen! Ik wil deze ommekeer helemaal niet. Alles

391

moet eraan!’ De ogen van zuster Oprechte Liefde draaien rond, ze piept en zucht terwijl zijn handen haar keel dichtdrukken. Ze valt in katzwijm op de grond. De dokter springt naar mijn bed. Zijn ogen spuwen vuur. ‘Jou heb ik nodig voor mijn snode wederopstandingsplannen! Als ik de eerste mens in mijn handen heb, dan bezit ik de hele wereld!’ Net op tijd draai ik mij om en weet met een katachtige beweging aan zijn graaiende handen te ontsnappen; val uit bed, op de grond. Mijn hersens werken op volle sterkte, ze draaien op volle toeren. Tegen de tijd dat ze op stoom zijn gekomen, herinner ik mij de voorstelling in de jungle, de dansers, de poppenspelers, nu alweer bijna vier jaar geleden. Het moment dat Rama zijn speciale krachten richt op Ravana’s onbeschermde hart. Wat gebeurde er toen ook alweer? Wat deed Rama op het moment suprème? Hij richt zijn licht op zijn onbeschermde hart! In mijn hand hou ik de spuit vast en gooi deze, als een dartpijl, recht in het linkeroog van de dokter. Hij valt op de marmeren vloer. Zijn stem pruttelt en hij schreeuwt: ‘Nein, nein...’ Zijn gezicht wordt blauw. Dokter Merkwaardige Liefde, PS2, verandert langzaam in Ravana. ‘Hahaha!,’ galmt zijn stem; allerlei hoofden poppen tevergeefs op. Ik focus mij volledig op mijn eigen innerlijke licht en richt deze met al mijn krachten op de ronddraaiende dokter en op zuster Oprechte Liefde die op de grond kronkelt als een slang. ‘Abra k’adabra... lala...’ Er straalt een magische flits en ze verdwijnen uit het zicht. ‘Prrruh,’ echoot het laatste woord van de dokter na. Het ruimteschip waar ik in verkeerde is verdwenen. Ik lig op het gras; op de aarde en kijk het zonnige dal in dat naar Italië voert. De toegang tot de donkere grot is niet meer. Naast mij ligt een gouden hert met twee hoofden en een pijl in zijn nek. Het beest is dood. De Citroën is weg.

392

XXIV
In zijn plaats staat een prachtig paard van vlees en bloed. Geen futuristisch dier van sta(a)l. ‘Ik ben het paard Safanad,’ hinnikt het paard. ‘Is alles goed?’ Ik veeg het stof van mijn kleren. ‘Ja, dank je wel. Hallo Safanad.’ Ik buig voor het edele dier. ‘Spring op mijn rug, dan breng ik je naar Eva.’ Ik spring op de rug van de bruine hengst, zet de hakken in de zij van de Arabische volbloed. Hij briest luid, zet zich schrap en steigert hoog. Hij draaft langs Lugano, Como, verder naar het zuiden. Ik ben er bijna Eva! Heb geduld! In vol galop zijn wij zo voorbij Milaan, nog geen halve dag later hebben wij Bologna bereikt, Florence flitst ook voorbij. Wat een prachtig golvende heuvels, mooie steden ook. Deze sublieme hengst is niet te stuiten in zijn drang voorwaarts. De wind wappert wild door onze golvende manen. Wij nemen de afslag richting Arezzo. De Renaissance Man. De Opnieuw Geboren Mensch. Zo voel ik mij. Ons huis, zo neem ik mij voor, wordt er een vol muziek en dans, een huis vol vreugde. Het wordt ingericht voor het goede leven met een grote keuken voor het gezonde eten, net een spa, zo moet het worden. Het beste wat moeder natuur en de menselijke cultuur te bieden hebben. Oost, west, zuid, noord. ’s Avonds komen onze vrienden en wordt er gegeten, schalen vol sappig fruit, glanzende groenten vers van het gezonde land. Muzikanten spelen op de lier, de luit. Hun klanken worden over de veranda weggedragen door een citrusgeurige avondbries. Ik hoor en ruik het al. Centraal een hal, enkele werkplaatsen en tevens stallen voor de dieren. Geitjes, schapen, koeien. ’n Shire. Mustangs. De kindertjes van Safanad.

393

Zijn dartele veulens zie ik in de wei voor mij uit huppelen. In mijn tuin ga ik bomen kweken, laat ik de perziken van de onsterfelijkheid rijpen en plant ik struiken waar vlinders verzot op zijn. Struiken die niet in brand vliegen. De aarde fluisteraar; dat zijn wij. Safanad stuift een oprijlaan op die door tientallen cipressen wordt omzoomd. De centrale deur van een carrévormige boerderij, waarvan ik aanneem dat het de juiste is, vliegt open. Een jonge vrouw in een lange witte jurk rent over het grind naar mij toe. Eva rent blootsvoets achter haar aan over het gras. Ik trek de teugels strak, Safanad zet zich schrap. Ik spring van het paard, ren naar Evgeniya toe, stamel en lach. Ze lacht net als haar moeder haar tanden bloot, de mondhoeken omhoog in een kleine krul; ze is haar spiegelbeeld. Ze draagt de glinsterende diamant aan een ketting om haar zwanenhals en is kleiner dan ik het ben. Haar gezichtje is rond met bolle wangen, haar lichaam slank en ze heeft een sneeuwwitte huid. Op gespitste tenen komt ze de laatste stappen naar mij toe en ik smelt weg in haar blauwe ogen. Zodra ik haar voor het eerst van nabij zie in de goud oplichtende Toscaanse ochtendzon, in zijn felle kosmische stralen, voel ik diep in mijn hart, mijn hsin, in het heilige menselijke hart dat de hemel en de aarde doorgrondt, dat – ratelende dominostenen in mijn hoofd, vallende en rinkelende muntjes – mijn! dochter voor mij staat. In haar bewegingen, hoe ze haar ogen licht, in haar opgeluchte gelaatsuitdrukking zie ik dat ze de mijne is. Door bliksem getroffen voel ik haar Jen stromen, al haar liefde en affectie, heel haar ziel, zoals ik Eva ontmoette onder de hoede van de Boeddha van mededogen. Ik val met open ogen en mond, de handen in vervoering omhoog geheven, op mijn knieën voor haar in het vochtige

394

gras. De ochtenddauw trekt langzaam door het linnen omhoog. Koekoek! Evgeniya doet hetzelfde: ze valt op haar knieën, in mijn armen en wij omhelzen elkaar innig. ‘Papa,’ bevestigt ze. ‘Eindelijk... papa.’ Het hart van mijn dochter slaat voor het eerst tegen mijn hart. ‘Engel,’ breng ik met een brok in mijn keel uit. ‘Mijn aller-, allerliefste engel.’ Tranen vol warmte wellen op in Evgeniya’s stralende ogen. Haar bloem op die groene heuvel, in het Toscaanse land. Eva springt in onze uitgestrekte armen. Haar lange haren heeft ze in een staart gebonden. In haar ogen staat het plezier geschreven. Ze slaakt een kreet en roept: ‘Wat was ik toch een dom gansje,’ uit. Ik kijk in haar verwonderde ogen en zie het. Geloof. Wij moeten van opluchting echt ongelooflijk hard lachen. En terwijl in een van de cipressen een eekhoorn omhoog glipt, sluiten wij de vele jaren van afwezigheid en verlangen af. Omarmen wij vol vreugde de jaren die komen, gaan. Safanad briest van vreugde, schraapt zijn hoeven. Over Evgeniya’s, Eva’s en Adams’ appelwangen stromen rivieren van zilveren parels vol geluk; ze druppelen, schitteren, draaien vol bewogen rond in cirkels. De aarde ontspruit. Zonnebloemen springen op, vergeet-mij-nietjes en klaprozen. Zilverschoon, viooltjes, venuskruid. Ogentroost. Oh... lotusbloem vol leven. Het was de appel die mij in het groen aansprak. Ik was in een boom beland. De boom van het leven. Flitst het door mijn hoofd. Hij heeft ons erin getuind. Wij slaken een zucht van verlichting; blazen samen nieuw leven in. Verblindende schoonheid. Mijn zonneschijn. De link heet liefde. Tutti i giorni.

395

Al Om Draaiend Voel ik Je kus Op mijn wang Je golvende oceaan Die k(n)abbelt aan het strand En wij staan Daar Hier Kijken omhoog naar de zon Lachen elkaar toe In de verte Dichtbij Omarmen elkaar Samen staan Wij op Samen slaan Onze harten Zijn wij Een In de kosmos Zijn wij Een Op de blauwe aarde

396

397

398

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->