P. 1
Samenvatting psychologie

Samenvatting psychologie

|Views: 6,769|Likes:
Published by kelo86

More info:

Published by: kelo86 on Feb 05, 2011
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as DOC, PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

05/28/2013

pdf

text

original

Sections

  • Neurotransmitters
  • Hoe belangrijk zijn gliacellen
  • Centrale zenuwstelsel
  • Perfifere zenuwstelsel
  • De hersenstam
  • De kleine hersenen
  • De thalamus en de hypothalamus
  • Het limbische systeem
  • De grote hersenen
  • Technieken om werking van hersenen te bestuderen
  • Hersenlateralisatie
  • Hypofyse
  • Bijnieren
  • Geslachtsklieren
  • Pijnappelklier
  • Erfelijkheidsleer van erwten tot genoom
  • Gedragsgenetica
  • De fysica van het licht
  • Het oog en de gezichtsbanen
  • Helderheid en lichtperceptie
  • Kleurperceptie
  • Complementaire kleuren en opponente processen
  • Kleurconstantie en- contrast
  • Additieve en subtractieve kleurenmenging
  • Verzadiging
  • Kleurendeficiëntie
  • De fysica van het geluid
  • Het oor
  • Toonsterkte, toonhoogte en klankkleur gewaarworden
  • Auditieve lokatie
  • Gehoorverlies en de behandeling ervan
  • Geuren detecteren en identificeren
  • Fermonen
  • Smaakvoorkeuren
  • Druk en temperatuur
  • Pijn
  • De absolute drempel
  • De differentiële drempel en de wet van Weber
  • Waarneming is een actief proces
  • Illusies als venster op de onderliggende mechanismen
  • Primaire schets
  • Perceptuele organisatie
  • Patroon- en objectherkenning
  • Evidentie voor top-down processen
  • De waarneming van diepte
  • De waarneming van beweging
  • Spiegelneuronen
  • Impliciete activering van responsen
  • De grijpbeweging
  • Als een blinde voor het eerst kan zien
  • De gevolgen van visuele vervorming
  • Perceptuele capaciteiten bij pasgeborenen
  • Perceptueel leren bij volwassenen
  • Modellen voor selectieve aandacht
  • Wat doet selectieve aandacht?
  • Discussiepunten
  • Aandacht en inhibitie
  • Beperkingen ten gevolge van selectieve aandacht
  • Hoeveel aandacht heeft een taak nodig?
  • Aandachtsdefinciëntie bij kinderen (ADHD)
  • Aandachtsproblemen na een hersenaandoening
  • Wat is het bewustzijn?
  • Wat is het onbewuste?
  • Evidentie voor onbewuste processen
  • De huidige kijk op bewuste en onbewuste processen
  • Lichaamsritmen
  • Kenmerken van de slaap
  • Functies van de slaap
  • Dromen
  • Hypnose definiëren
  • Kan iedereen gehypnotiseerd worden?
  • Kan hypnose pijn verminderen?
  • Kan hypnose het geheugen verbeteren?
  • Kalmerende middelen, opwekkende middelen en hallucinogenen
  • Kenmerken van klassieke conditionering
  • Problemen met behavioristische interpretatie
  • Het cognitieve alternatief
  • Klassieke conditionering bij mensen
  • Thorndike en Skinner
  • Bekrachtiging
  • Straf
  • Waarom is straf dikwijls niet effectief?
  • Verwerving en extinctie
  • Het belang van de context
  • Wat wordt geleerd bij operante conditionering?
  • Angst en Agressie
  • Culturele verschillen
  • Het geheugen bestaat uit verschillende geheugentypes
  • De drie stappen in het herinneringensproces
  • De sensorische geheugens
  • Het kortetermijngeheugen (KTG)
  • Het langetermijngeheugen (LTG)
  • Van KTG naar werkgeheugen
  • Het werkgeheugen als een onderdeel van het LTG?
  • Een realistischer kijk op de informatieoverdracht van KTG naar LTG
  • Het belang van hercodering en organisatie
  • Verwerkingsniveaus
  • Gedistribueerde representaties
  • Inhoudgebaseerde in plaats van adresgebaseerde organisatie
  • Oproepaanwijzingen
  • Interferentie bij het oproepen
  • Hypothese van codeerspecificiteit
  • Distinctie als hulp bij het herinneren
  • Organisatieschema’s
  • Ooggetuigenverklaringen
  • Reconstructie en verdrongen herinneringen
  • Types van amnesie
  • De ontdekking van het impliciete geheugen
  • Algoritmen
  • Heuristieken
  • Zoeken naar een analogie
  • Instelling en functionele gefixeerdheid
  • Inzicht
  • Mentale modellen
  • Deductief redeneren
  • Verklaringen voor deductief redeneren
  • Inductief redeneren
  • De confirmatieneiging
  • 9.3 Beslissingen nemen
  • Het signaaldetectiemodel
  • Factoren die de perceptie van het signaal beïnvloeden
  • Factoren die een rol spelen bij het antwoordcriterium
  • Emotionele vertekening
  • Beslissingen evalueren; “Ik heb het altijd geweten”
  • Taal en kleurperceptie
  • Taal, tijd en ruimte
  • Taal en sociale cognitie
  • Motivatie en behoeften
  • Motivatie en doelen
  • Biologische signalen voor honger en verzadiging
  • Cognitieve en sociaal-culturele invloeden
  • Hormonen en seksueel gedrag
  • Sociaal-culturele factoren
  • Homoseksualiteit en biseksualiteit
  • De verschillende componenten van prestatiemotivatie
  • De gezichtsuitdrukking van emoties
  • De rol van het sympathische zenuwstelsel
  • Drie verschillende theorieën
  • Onbewuste processen bij de stimulusbeoordeling
  • Cognities beïnvloeden de subjectieve ervaring
  • Invloed van emoties op cognities
  • Gebieden in de cortex
  • De theorie van Piaget
  • Continue veranderingen
  • Naar school gaan
  • Cognitieve ontwikkeling na de pubertijd
  • Ontwikkeling van het zelfconcept
  • De theorie van Erikson (1950)
  • Gehechtheidsontwikkeling bij kinderen
  • Geslachtstypering
  • Het zoeken naar autonomie bij adolescenten
  • Opkomende volwassenheid
  • Het vinden van een juiste balans tussen gezin en werk
  • Tevreden oud worden
  • De ontwikkeling van intelligentietests
  • Kenmerken van intelligentietests
  • De structuur van analytische intelligentie
  • Hoe stabiel zijn IQ-scores?
  • Evidentie voor een erfelijke component in IQ-scores
  • Evidentie voor een milieucomponent in IQ-scores
  • Schattingen van de nature-nurture bijdragen in de huidige maatschappij
  • Zijn vrouwen intelligenter dan mannen?
  • Waarom is iemand intelligent?
  • De theorieën van Gardner en Sternberg
  • Evidentie voor het belang van praktische intelligentie
  • Tests voor praktische intelligentie
  • Componenten van de sociaal-emotionele intelligentie
  • Tests voor sociaal-emotionele intelligentie
  • Het leren van sociale vaardigheden
  • Zwakkzinnigheid
  • Hoogbegaafde kinderen
  • Psychoanalyse
  • Humanistische psychologie
  • Behaviorisme en cognitieve psychologie
  • Een voorloper: theorieën over persoonlijkheidstypes
  • De Grote Vijf (Big Five)
  • Hoe kunnen we persoonlijkheidstrekken het best meten?
  • Welke rol speelt de biologie bij persoonlijkheidstrekken?
  • Hoe stabiel zijn persoonlijkheidstrekken?
  • Wat is het relatieve belang van trekken en als-dan-relaties?
  • Persoonlijkheidsstoornissen diagnosticeren
  • De antisociale persoonlijkheidsstoornis
  • De borderline persoonlijkheidsstoornis
  • Drie criteria om mentale stoornissen te definiëren
  • Factoren die een rol spelen bij mentale stoornissen
  • Mentale stoornissen classficeren; De DSM
  • Autisme
  • Het syndroom van Asperger
  • Alcoholmisbruik en –afhankelijkheid
  • Schizofrenie
  • Types van schizofrenie
  • Oorzaken van schizofrenie
  • Bipolaire stoornis
  • Depressieve stoornis
  • Oorzaken depressie
  • 14.6 Angststoornissen
  • Fobieën
  • Veralgemeende angststoornis
  • Paniekstoornis
  • Obsessieve-compulsieve stoornis
  • Conversiestoornis
  • Hypochondrie en de ongedifferentieerde somatoforme stoornis
  • Dissociatieve amnesie, fugue en identiteitsstoornis
  • Wat betekenen de cijfers?
  • Prevalentie en comorbiditeit
  • De aanvangsleeftijd
  • Het ontstaan van gespecialiseerde diensten
  • Therapeutische benaderingen
  • Types van therapeuten
  • Geneesmiddelentherapie
  • Elektroconvulsieve therapie
  • Psychochirurgie
  • Lichttherapie en psychomotorische therapie
  • De doeltreffendheid van de biologische therapieën
  • Gemeenschappelijke kenmerken van psychotherapieën
  • Ethische kwesties bij psychotherapie
  • Vrije associatie, droomanalyse en interpretatie van afweermechanismen
  • Weerstand, overdracht en catharsis
  • Psychoanalyse sinds Freud
  • Cliëntgerichte therapie
  • Focussen
  • Technieken op basis van klassieke conditionering
  • Technieken op basis van operante conditionering
  • Technieken op basis van observerend leren
  • De rationeel-emotieve therapie
  • Cognitieve therapieën van Beck
  • Andere cognitieve therapieën
  • Huwelijks-en gezinstherapie
  • Groepstherapie
  • Gemeenschapsvoorzieningen
  • Werkt psychotherapie?
  • Welke factoren bepalen het succes?
  • Bronnen van stress
  • Gevolgen van stress
  • Omgaan met stress
  • Zwaarlijvigheid
  • Eetstoornissen
  • Roken
  • Hart- en vaatziekten
  • Seksueel overdraagbare aandoeningen
  • Het ontstaan van de gezondheidspsychologie
  • Optimaliseren van de behandeling
  • Preventie
  • De psychologie van arbeid en gezondheid
  • Het subjectieve welzijn
  • Welke factoren bepalen het subjectieve welzijn?
  • Kan men het subjectieve welzijn verhogen?
  • Conformisme
  • Gehoorzaamheid
  • Deïndividuatie
  • Helpen
  • Inschikkelijkheid
  • Sociale facilitatie en sociaal lijntrekken
  • Vriendschap
  • Liefde
  • Wanneer overtuigt een boodschap?
  • Wanneer komen attituden tot uiting in het gedrag?
  • De kracht van cognitieve dissonantie
  • De eerste indruk
  • Gedrag verklaren: attributies
  • Vertekeningen bij attributies
  • Stereotypering
  • Stereotypen en vooroordelen ontkrachten
  • Wat weten we over onszelf?
  • Onze zelfwaardering hoog houden te midden van anderen

Hoofdstuk 2 – De biologie van het gedrag

2.1 De bouwstenen van het zenuwstelsel
Neuronen
= zenuwstelsel functie = communiceren met andere neuronen zodat wij allerlei handelingen kunnen uitvoeren. Types; 1. Sensorische neuronen: Informatie over de buitenwereld naar hersenen of ruggenmerg 2. Motorneuronen: Uitvoering bevelen van hersenen naar spieren, organen en klieren. 3. Interneuronen: Informatie tussen neuronen Neuron Dendrieten; ontvangst informatie Cellichaam Axon; geven informatie door Indien myelineschede dan springt signaal van knoop tot koop van Ranvier. Myelinisatie pas voltooid op volwassen leeftijd en brokkelt later weer af. Ook diameter axon bepaalt informatiesnelheid. Rustpotentiaal: -70 V, door Na+ -ionen buiten cel en negatieve eiwitmoleculen en Cl- in cel. Actiepotentiaal: Er zit zoveel Na in de de cel dat de polariteit positief is. Dit komt door dat drempelwaarde = -55 V door excitatorische signalen. Natriumpoorten in de membraan gaan open en een massale toevloed van Na+ in axonheuvel. Na het doorlopen van het neuron (als dominostenen), open de K+-poorten en wordt rustpotentiaal hersteld. Nu worden Na uit de cel en K weer in de cel gepompt, door na-K pompen in membraan. Gedurende korte tijd kan geen actiepotentiaal worden uitgelokt, dit heet refractaire periode. Verdovingsmiddelen blokkeren instroom Na in axon en vermijden zo dat pijnsignaal doorgestuurd kan worden naar hersenen. Inhibrirende signalen Neuronen vuren volgens alles-niets wet. Stimulus-intensiteit wordt bepaald door aantal neuronen dat vuurt en snelheid van opeenvolging actiepotentialen. Of een neuron vuurt hangt af van een optelsom van inhibitorische en exitatorische signalen.

Communicatie tussen neuronen
= info-overdracht is chemisch. Stof is neurotransmitter wordt vrijgegeven in synaps = opening tussen twee neuronen. Deactivatie neurotransmitter op drie manieren; 1. ontvangende neuron neemt ‘m weer op 2. verzende neuron absorbeert ‘m 3. afgebroken in de synaptische spleet door enzym.

1

Neurotransmitters
Effect afhankelijk van soort neurotransmitter en plaats in de hersenen. Belangrijkste soorten 1. Dopamine; a. Route van mesencefalon. betrokken bij beweging. Tekort veroorzaakt bevingen, spierstijfheid, traagheid, Parkinson. b. Route van mesencefalon naar frontale lob, betrokken bij denken. Overgevoeligheid = schizofrenie. c. Ook samen met noradrenaline en serotonine betrokken bij regelen van emoties en motivaties. Teveel dopamine = agressie, kalmeringsmiddelen onderukken activiteit. 2. Noradrenaline en serotonine; gemoedsgesteldheid. Veel = positief, laag = depressief. Antidepressiva onderdrukken de heropname van serotonine in synaps. 3. Acetylcholine; a. Beweging; samentrekking spieren. Vergiftiging door botulisme (bedorven voedsel) verhindert vrijlating acetylcholine = verlamming en zwarte weduwe = spierspasmen door massale afzetting acetylcholine 4. Gaba; inhibitorische neurotransmitter. Betrokken bij slaap. Kalmerings- en slaapmiddelen verhogen effect van GABA = benzodiapines. Ook tegen epilepsie (neuronen vuren ongecontroleerd). 5. Endorfines; pijnreducerend effect; vechten of vluchten. Morfine werkt hetzelfde. Ook bij voelen van verzadiging en versterken van de smaak van voedsel.

Hoe belangrijk zijn gliacellen
10x zoveel als neuronen, 10x zo klein, dus gelijk volume. Lijm tussen neuronen. Waarschijnlijk ook beïnvloeding werking neurotransmitters, betrokken bij vormen nieuwe synaptische connecties en myelinisatie van neuronen. Neurovasculaire-eenheid = neuronen, gliacellen en belendende bloedvaten.

2.2 Overzicht van zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel
Hersenen (gecompliceerde functies) en ruggenmerg (eenvoudige reflexen)

Perfifere zenuwstelsel
Sensorische neuronen en motorneuronen. Twee delen 1. Somatische zenuwstelsel = activatie skeletspieren 2. autonome zenuwstelsel = controle inwendige organen; a. sympatisch zenuwstelsel = actie = energieverbruik b. parasympatisch zenuwstelsel = energieherstel

2.3 De hersenen
De hersenstam
Medulla oblongata; verlengde ruggenmerg. Controle harslag en ademhaling Pons; verbinding hersens met lichaam. Linkerdeel met rechts en vise versa.

2

Mesencefalon = middenhersenen. Coördinatie bewegingen. Degeneratie neuronen = Parkinson.

De kleine hersenen
Cerebellum; a. coördinatie van bewegingen (snelheid en nauwkeurigheid). Schade leidt tot schokkerige bewegingen en evenwichtsproblemen. Ook beïnvloed door alcohol (bewegingsproblemen dronkenschap). b. Hulp bij regelen van denk, taal en geheugentaken.

De thalamus en de hypothalamus
Thalamus; twee uitstulpingen aan de bovenkant van de hersenstam. Verbindingsstation tussen perifere zenuwstelsel en hogere lagen van hersenen. Bijv. overbrengen info van ogen naar hersenen. Tevens rol bij informatie-integratie verschillende delen van hersenen (bijv. cerebellum en motorische cortex). Hypothalamus; onder (hypo) thalamus. Controle autonome zenuwstelsel (overleving als eten, vluchten, paren) en endocriene systeem (via hypofyse). Ook temperatuurregeling. Tevens een gebied als genotscentrum.

Het limbische systeem
Regelen van emoties en opslaan van geheugensporen. Amygdala; rol bij schrikreacties. Bijv. activatie bij zien van bange gezichten. Leren vrezen van stimuli en gewaarworden van gevaar in omgeving. Septum; Verbindingsstation tussen cognitieve en emotionele processen. Ook deel van genotcentrum. Betrokken bij drugsverslaving. Hippocampus; Geheugen. Lobtomie hippocampus; geen info meer op kunnen slaan.

De grote hersenen
Cerebrum = grote hersenen liggen aan de bovenkant van hersenen, bestaan uit twee helften = hemisferen. Oppervlak elke hemisfeer wordt onderverdeelt in 4 lobben = kwabben. Frontale lob; plannen en controleren van gedrag en spraak Pariëtale lob; integreren en lokaliseren van informatie Occipitale lob; zicht Temporale lob; herkennen van voorwerpen, geluiden, geheugen, taal Sensorische gebieden in de cortex Somatosensorische cortex; in Pariëtale lob. ontvangt gewaarwordingen van aanraking, pijn, druk en temperatuur. Somatopisch georganiseerd = elk specifieke regio in cortex is verantwoordelijk voor specifieke plaats in lichaam. Primair visuele cortex; in Occipitale lob. Ontvangst signalen van receptoren ogen. Worden verder doorgestuurd voor verwerking tot betekenisvolle waarnemingen. Primair auditieve cortex; in Temporale lob. Hier komen gehoorsignalen aan.

3

komt na verloop van tijd in hersenen terecht = PET = Positron emissie tomografie. Somatosensorisch georganiseerd. Tegenwoordig meer fMRI = functional magnetic resonance imaging. Alexie = bijna niet meer kunnen lezen. d. aculculie = rekenproblemen. Via magnetisch veld heet MEG = Magnetische encefalograaf. Rol bij regelen van emoties. Associatiezones. Associatiezone in occipitale lob verwerking stimuli die binnen komen via primaire visuele cortex. Linker hemisfeer rechterkant lichaam en vice versa. Schade kan leiden tot amnesie = geheugenproblemen. Beschadigingen kunnen leiden tot vingeragnosie = niet meer herkennen vingers. maar niet meer kunnen benoemen. Associatiezone in frontale lob zorgt voor plannen. Ook figuren niet meer kopiëren. Hemiglect = links en rechts niet meer kunnen onderscheiden of linkerkant van lichaam en wereld geen aandacht meer besteden (beschadiging rechtse pariëtale cortex. Transcraniale magnetische stimulatie (TMS). maar niet meer samenvoegen tot een waarneming. waardoor zuurstofafzet in hersenen bepaald kan worden. Technieken om werking van hersenen te bestuderen. in Frontale lob. Grootste gedeelte van cortex. organiseren en evalueren van gedrag. Schade kan leiden tot auditieve agnosie = wel geluiden horen. Beschadigingen leidt tot afname coördinatie en doelgerichtheid activiteiten. rondom hippocampus. Associatiezone in pariëtele lob integratie van verschillende soorten informatie. Elektrische stimulatie bij open liggen hersenen. Schade kan leiden tot associatieve agnosie = wel waarnemen. linkerkant hersenen resulteren vaker in taalproblemen dan rechterkant. verwerking van auditieve informatie (gebied rondom primaire auditieve cortex). rol bij geheugen en integreren geheugensporen (herinneringen liggen op diverse plaatsen in cortex opgeslagen). nabijheid amygdala en septum. c. Schade kan leiden tot apperceptieve agnosie = wel lijnen en kleuren kunnen zien. Hersenscans via hoeveelheid bloed in de hersenen. Letselstudies bijv. 4 . Hersenlateralisatie Diverse functies zijn duidelijker in ene kant dan in andere kant aanwezig. Vernietiging = hemiplegie (verlamming tegenovergestelde deel lichaam).Motorische cortex. Controle bewegingen. Elektrische activiteit registreren van elektrische activiteit dmv elektroden die op de schedel worden geplaatst. b. Meten via licht radioactieve stof in bloed. maar niet meer herkennen. dit meet kernspinresonantie van rode bloedcellen. Associatiezone in temportale lob a. De elektrische activiteit van de hersenen als reactie op specifieke prikkel heet ERP = event-related potential. EEG = Elektro-encefalogram geeft activiteit weer. verwerken en herkennen van stimuli.

vioolspelers groter deel van rechtse somatosensorische cortex 2. Letsel levert spraak op met zinloze inhoud = Afasie van Wernicke. Hierdoor meer energietoename.4 Endocriene systeem bestaat uit een aantal klieren die hormonen afscheiden = chemische boodschappers die door het bloed naar andere lichaamsorganen gebracht worden. rechterkant verwaarlozen wordt zelden waargenomen). gezichtsherkenning. Rechterhemisfeer is dominant voor het richten van aandacht en voor gezichtswaarneming. Wel na blinddoeken weer kunnen aanwijzen of bij het horen van bijv. Bijv. zodat deze op haar beurt hormonen afscheidt in de bloedbaan. vork het juiste voorwerp aanwijzen.en taalcentra in de hersenen Gebied in frontale lob van linkerhemisfeer is cruciaal voor spreken = Gebied van Broca. bij letsel wanner arm niet meer wordt gebruikt kan dit voor aanrakingen gezicht worden ingezet. Geboorte blind zijn. Uitbreiding gebied dat aan een functie gewijd is bij veelvuldig gebruik bijv. Bijv. Doorsnijden corpus callosum (epilepsie-patiënten omdat aanval naar andere hersenhelft overging) levert dat voorwerpen niet benoemt kunnen worden als ze in de linkerhand gegeven worden. linker-hemineglect (verwaarlozen linkerkant. activiteit in visuele cortex bij uitvoeren van klankdiscriminatietaken 3. Hypothalamus scheidt stoffen af die hypofyse bereiken. Split-brain experimenten Corpus Callosum = grootste verbinding tussen twee hemisferen bestaande uit een massieve bundel van zenuwwevels aan onderkant van grote hersenen. 1. Spontaan herstel door afsterven en opruimen gewonde heuronen en overname functies door overblijvend weefsel 2. Hypofyse Structuur vlak onder hypothalamus. Hersenplasticiteit Herschikken organisatie en functies afhankelijk van veranderende omstandigheden. rechterhemisfeer actiever. Bijnieren Liggen boven de nieren. Hormonen werken soms direct maar vaak indirect doordat ze aanmaak en secretie van hormonen in andere klieren stimuleren of onderdrukken. Bij stress scheidt zij hormonen adrenaline en noradrenaline af in bloedbaan. Overname van ongebruikt hersenweefsel door andere functies bijv. Letsel levert spraakstoornis = Afasie van Broca Grensgebied tussen pariëtale. omdat meer glucose in het bloed terechtkomt en het hart sneller gaat kloppen.Spraak. temporale en occipitale lob van linkerhersenhelft is cruciaal voor samenhang spraak = Gebied van Wernicke. 5 .

Bij mannen teelballen testosteron. Kan met licht worden behandelt omdat licht aanmaak melatonine onderdrukt.5 Evolutie. Overeenkomst wordt uitgedrukt in concordantiegraad. borstontwikkeling bij mannen. meetbare kenmerken en trekken van een individu (kan dus veranderen door invloeden uit omgeving. Thymine). Biotechnologie genen veranderen in het DNA van een dier. bijv. Bestaat uit iets meer dan 3 miljard basenparen dat samen het menselijk genoom vormt. Kleurenblindheid komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen omdat dit maar één keer voor hoeft te komen op X. Pijnappelklier Teveel aan melatonine kan seizoensgebonden stoornis veroorzaken. Genen uitschakelen en effecten hiervan bestuderen = knock-out experimenten Mensenonderzoek eeneiige en twee-eiige tweelingen. Ieder mens heeft 46 chromosomen. linkerbijnierschors of haargroei vrouwen bij rechterbijnierschors. verdeeld over 23 paren (één van de vader en één van de moeder). T-A. Chromosomen bestaan uit DNA = desoxyribonucleïnezuur. G-C (Adenine. Toediening melatonine vlak voor bedtijd kan slapeloosheid behandelen. Genotype genetische samenstelling van een individu Fenotype zichtbare. erfelijkheid en gedrag Erfelijkheidsleer van erwten tot genoom Dominant gen gen dat tot uitdrukking komt zodra het aanwezig is Recessief gen gen dat alleen tot uitdrukking zal komen als het aanwezig is in erfelijk materiaal van zowel vader als moeder Chromosomen erfelijke informatie die voorkomen in nagenoeg alle cellen van ons lichaam (behalve rode bloedlichaampjes). Adoptiestudies maken mogelijk om genetische invloed te bestuderen los van de omgevingsinvloed 6 . Tweeëntwintig paren zijn autosomen (geordend naar grootte). Dit bestaat uit een dubbele helix met lange sequentie van 4 basenparen. Geslachtsklieren Eierstokken scheiden progestron en oestrogeen die vrouwelijke cyclus regelen. bij de man één groot X en klein Y. Prestaties worden beter. Bij de vrouw twee grote X. bijv. trainen ontwikkeld spieren). Cytosine Guanine. Onderzoeksgebied dat onderzoekt hoe het genoom en het milieu interageren heet gedragsgenetica Gedragsgenetica Selectieve teelt op eigenschap laten voortplanten. bij verarmde omgeving nagenoeg geen effect. A-T.Buitenste deel heet bijnierschors produceert mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen. C-G. Onevenwichtigheden kunnen door tumoren veroorzaakt worden. 2. Laatste paar geslachtschromosomen. mits de omgeving verijkt is.

2. televisie). smaken. receptoren in retina bevatten fotopigmenten die chemisch reageren wanneer er fotonen op 7 . Route stimulus naar de retina. Lichtintensiteit aantal fotonen die per tijdseenheid een oppervlak bereiken. Zon is belangrijkste bron van elektromagnetische straling. door heen gaan (transparant. Deze varieert van een duizendste nanometer (gammastralen) tot meer dan duizend kilometer (radiogolven). Het oog en de gezichtsbanen Lichtstralen focussen op de retina = lichtgevoelige structuur aan de achterkant van het oog. Andere bronnen zijn sterren en lampen.2 Het gezichtsvermogen De fysica van het licht Licht bestaat uit elektromagnetische stralingen.Hoofdstuk 3 – Gewaarwording 3.1 Gewaarwording en waarneming Gewaarwording of sensatie is de opname van stimulatie uit de omgeving en het vertalen van deze stimulatie in elktrochemische neuronale signalen die naar de hersenen gestuurd kunnen worden en daar omgezet in beelden. lichtgolf gaat door de cornea = hoornvlies. interpreteren en begrijpen van de gewaarwordingen (bijv. veranderen dikwijls van richting = refractie) of geabsorbeerd. 3. Lens is elastisch en kan boller of platter worden = accommodatie Kegeltjes en staafjes activeren in de retina Transductie = proces waarbij een receptorcel fysische energie omzet in elektrische signalen. Hier vindt de grootste breking van de golf plaats door sterk verschil in dichtheid tussen lucht buiten ogen en vocht binnenin ogen. Zichtbaar spectrum tussen 400 – 700 nm. Waarneming is het organiseren. uitgedrukt in nanometer (miljardste van een meter). klanken. Afstand tussen twee pieken is golflengte. Gevoeligheid voor deze golven is van belang voor overleven. gezicht herkennen) 3. Meeste licht komt binnen via reflectie. Lens hier buigt het verder af en wordt via glasachtig lichaam (vloeistof in oog) op retina gefocust. Op het oppervlak kunnen de fotonen worden gereflecteerd. Komt voort uit snelle trillingen (oscillaties) van elektrisch geladen materiaal en beweegt zich voort in golven. geuren. Daarna door kamervocht en pupil = opening in iris die door spieren in iris groter (in donker zodat er meer licht doorheen kan) en kleiner (licht) kan worden. 1.

blauw. midden en lange) gevoelig zijn. 120 miljoen receptoren zijn staafjes. Wij hebben ook drie soorten kegeltjes die voor verschillende golflengten (korte. Kan lens niet bol genoeg maken. Omringende voorwerpen bepaalt lichtheid van het voorwerp = gelijktijdig contrast (bijv. Staafjes worden actief bij zwak licht en kegeltjes bij sterk licht. Relatieve helderheid = helderheid voorwerp tov een ander voorwerp. zodat brandpunt in het oog ligt Hypermetropie of verziendheid. die de oogbol verlaten door één enkel gat zo dik als een potlood. Presbyopie. Op deze plaats bevinden zich geen receptorcellen = blinde vlek 4. Kan lens niet plat genoeg maken. Concentratie kegeltjes is grootst in fovea = centrale gedeelte van de retina. 8 . Trichromatische theorie elke kleurtint kan verkregen worden door rood. Astigmatisme cornea is niet perfect bolvormig. info wordt doorgestuurd naar horizontale. 7 miljoen receptoren hebben de vorm van een kegeltje. Axonen van de ganglioncellen vormen de oogzenuw. gaat verder naar corpus geniculatum laterale en vervolgens naar primaire visuele cortex Problemen om scherp te zien Myopie of bijziendheid. Onderaan kegeltjes en staafjes 2. vooral verantwoordelijk voor kleur. uit een tunnel komen. Hierdoor duurt het even voordat we weer iets kunnen zien als we bijv. lage lichtintensiteiten (nachtzicht) en bewegingen. Dan naar hersenen. Lichtheid van een voorwerp blijft gelijk bij verschillende belichtingen (bijv. lichtgrijs lijkt lichter achter zwart dan achter wit achtergrond). bipolaire en amacriene cellen 3. zodat brandpunt achter het oog lig. De reacties in de receptoren leiden tot neuronale signalen die naar de hersenen gestuurd worden.vallen. Helderheid en lichtperceptie Helderheid = intensiteit van het licht Licht. overdag en ’s avonds) = lichtheidsconstantie Kleurperceptie Tint wordt door golflengte bepaalt. Vereisen sterk licht om geactiveerd te worden. problemen om voorwerp van veraf te zien. Sommige oriëntaties in retina zijn dan onscherp. 1802). problemen om voorwerp van dichtbij te zien. Concentratie grootst rond de fovea. groen met verschillende intensiteit op elkaar te schijnen (Young. info van twee ogen komt bijeen in chiasma opticum. Daarna naar ganglioncellen. 1. door ouderdom (verharding binnenste lens) voorwerpen van dichtbij niet meer goed kunnen zien.en duisternisadaptie = aanpassingen van de ogen aan het licht en duisternis. Van de ogen naar de hersenen De retina bestaat uit drie lagen.

Kleurconstantie en. Kleurendeficiëntie Meest voorkomende vorm is het niet goed kunnen onderscheiden van rood en groen. wat staat je wel en wat niet). opponente kleur verschijnt. Daarna gele verf. zwart.3 Het gehoor 9 . Nu worden alleen nog golflengen onder 560 nm gereflecteerd. (rood en groen geeft geel) Bij subtractieve kleurmenging bereiken hoe langer hoe minder golflengten het oog. Bijv. vandaar meer mannen dan vrouwen). De verzadiging hangt af van de hoeveelheid achromatisch licht (wit. vandaar dat je een rood nabeeld krijgt. maar ook door ziekte of ouderdorm. wit blad. Additieve en subtractieve kleurenmenging Bij additieve kleurenmenging worden golflengten van twee lichten bij elkaar gevoegd en stimuleren samen op dezelfde plek de retina. reflecteert vooral tussen 490 en 700 nm. Blauw – groen – rood 33 . De ene component (bijv.Complementaire kleuren en opponente processen rood – groen geel – blauw zwart – wit kleurnabeelden tijd lang kijken naar kleur en daarna naar wit vel. Verzadiging Naast tint en helderheid heeft kleur nog een derde eigenschap. grijs) die bij het chromatische licht gemengd is. Als je nu naar wit kijkt (stimuleert alle componenten). Dit komt doordat signalen van drie type kegeltjes gehercodeerd worden in drie kanalen met opponente processen. dan is groene systeem afgemat en kan niet even sterk reageren als rode systeem. Kleurcontrast houdt in dat kleuren er verschillend uitzien bij verschillende achtergronden (kleurenkaart. blauwe verf aanbrengen. Veelal genetisch (recessief gen op X-chromosoom. Ishihara-test = stippentest met getallen. oftewel meer achromatisch licht wordt gereflecteerd. 3.33 – 33 = wit Blauw – groen – rood 100 – 0 – 0 = felblauw Blauw – groen – rood 60 – 20 – 20 = vaal blauw (grijzig) Bijv. blauw katoen wordt steeds valer en lichter doordat de verffilter wordt afgebroken en het witte katoen erdoor komt. Dus blauw en groen reflecteert alleen nog 490 – 560 nm = donkergroen. verzadiging of puurheid (levendig versus vaal). groen) wordt uitgeput als je langdurig naar een kleur kijkt.contrast De hersenen verwerken binnenkomende signalen zodat kleuren hetzelfde eruit zien bij verschillen in belichting.

Deze bereikt haar maximum en vermindert daarna snel. Zuivere toon is een sinusgolf. De amplitude bepaalt de toonsterkte. Voorwerp die trilt veroorzaakt herhaaldelijk verschil in luchtdruk. Zonder salvoprincipe kunnen we geen geluid boven 1000 Hz vernemen. waardoor meer haarcellen vuren en ook sneller vuren. De frequentie bepaalt de toonhoogte. Klankkeur wordt bepaald door de grondtoon en bijkomende frequenties boventonen. gehoorgang. geeft grotere verplaatsing vloeistof slakkenhuis. stapes in verbinding met drie gehoorbeentjes (stijgbeugel) = MIS die als een versterker werken Ovale venster. Aantal + snelheid geeft een berekening in hersenen van de toonsterkte. nl wegens refractaire periode kunnen zenuwcellen niet sneller vuren dan 1000x per seconde. Het oor Deel Buitenoor Middenoor Functie Oorschep. slakkenhuis De voet van de stijgbeugel vibreert tegen ovale venster. Cellen reageren in groepen op geluid en wisselen elkaar af. waar de golven tegen het trommelvlies botsen Gehoorbeentjes malleus (hamer). Dit wordt omgezet in een neuronale impuls die langs de gehoorzenuw naar de primaire auditieve cortex gestuurd wordt. De haarcellen op de basilaire primaire auditieve cortex membraan worden platgedrukt als er druk op de vloeistof in het slakkenhuis staat. 10 . Binnenoor Toonsterkte.000 Hz. De gewaarwording van toonhoogte wordt berekend op basis van de vloeistofbeweging in het slakkenhuis. toonhoogte en klankkleur gewaarworden De gewaarwording van de toonsterkte wordt bepaalt doordat er bij een golf met een grote amplitude geeft grotere doorbuiging trommelvlies. gehoorzenuw.De fysica van het geluid Geluid is het gevolg van trillingen. Het vlies van de ovale venster veroorzaakt drukgolven in vloeistof binnen in slakkenhuis Basilaire membraan. Achterkant van het trommelvlies staat incus (aambeeld). dit heet het salvoprincipe. trommelvlies De oorschelp vangt geluiden op en leidt ze naar de gehoorgang. wordt de toonhoogte berekend. 300 haarcellen per seconde). Op basis van de opeenvolging van maxima (hoe hoger de toon. hoe sneller opeenvolging) en op basis van de snelheid van het vuren van de haarcellen (300 Hz is ca. het aantal cycli dat de golf doorloopt per seconde (Hertz). De mens hoort tussen 20 – 20. gemeten in Decibel. Pure tonen met één amplitude komen immers zelden voor in de natuur.

Het middenoor functioneert dan niet meer goed of schade aan de haarcellen. zoet. Receptoren worden geactiveerd als moleculen hoog in neusholte oplossen. zout. de geluidsgolven worden dan omgezet in elektrische signalen die via een elektrode door het slakkenhuis naar de gehoorzenuw kronkelt. staan in verband met 5 smaakreceptoren die zich bevinden in totaal 2000 tot 10. Dit heet conductiedoofheid. Geuren ruiken we niet meer als we er een tijd aan blootgesteld zijn = geuradaptie. Mensen en dieren kiezen geur die zoveel mogelijk verschilt van eigen lichaamsgeur. 3. umami. Een cochleaire implantaat kan het verhelpen. Elk soort molecuul past op een bepaalde receptor. Geuren detecteren en identificeren Vrouwen kunnen beter dan mannen en jongeren beter dan ouderen en ’s ochtends beter dan ’s avonds geuren detecteren. De meeste smaak hangt samen met de reuk (bij het opzetten van een knijper proef je niet wat het is).5 De smaakzin Bij de mens ook minder goed ontwikkeld dan bij veel andere diersoorten. De hersenen houden rekening met het feit dat ons hoofd groeit als we ouder worden. 5 smaakeigenschappen. Tijdelijke drempelverschuiving treedt op bij het horen van tijdelijk harde geluiden. Gehoorverlies en de behandeling ervan Bij het verouderen worden de gehoorbeentjes iets stugger en kunnen ze het geluid niet meer zo goed doorgeven.000 smaakknoppen. 11 . Van daaruit naar hogere corticale centra. Ook blijvende oorsuizingen of tinnitus is mogelijk. Blinden zijn iets beter in geuren identificeren maar niet in detecteren. vlak onder de frontale lobben. waarschijnlijk door verband met immuniteitssysteem. Fermonen Paargedrag wordt beïnvloed door lichaamsgeuren.4 De reukzin Minder goed ontwikkeld dan bij dieren. Gevoeligheid verschilt ook van geur tot geur. doordat we weinig reukreceptoren (ca. bitter. Sensorineurale doofheid kan optreden bij blootstelling aan harde geluiden op lange termijn of bij het horen van één enkel hard geluid. Dit herstelt van een paar uur tot een paar dagen. de eerste pinda smaakt zouter dan erna. Ook treedt smaakadaptie op. 10 miljoen) hebben en een klein deel van de cortex aan reuk gewijd is. 3. Boodschappen worden doorgestuurd naar bulbus olfactorius gelegen aan de voorkant van het hoofd.Auditieve lokatie Lokalisatie van geluid wordt berekend op basis van verschillen in aankomsttijd en intensiteit tussen onze oren. Ook worden smaakvoorkeuren aangeleerd door associaties met aangename en onaangename ervaringen. zuur.

zonder dat het breekt. 4. 1. Trager type. bier leren drinken). temperatuur en pijn. als men denkt ervoor behandeld te zijn. illusie. 3. Poortcontroletheorie in staat zijn om pijnervaring te ondrukken. Zoet wordt boven bitter gekozen. Kinderen zijn op 2-jarige leeftijd neofobisch (geen nieuwe dingen willen eten). pijnervaring wordt verminderd door aangename stimuli (bijv. vecht en vlucht situaties. Bitter kan giftig zijn en zoeter heeft hogere voedingswaarde. voorwerpen manipuleren (hoeveel druk kun je uitoefenen op een ei. individuen verschillen per pijnervaring. Pijn Informeert ons over beschadigingen in ons lichaam en waarschuwt ons als we schade dreigen op te lopen. muziek) 3.6 De zintuigen van de huid De menselijke huid bevat receptoren voor druk. snelle drukveranderingen over grote oppervlakten (bijv. Morfine heeft dezelfde werking en kan worden toegediend om pijn te verminderen. Meer of minder toelaten afhankelijk van omstandigheden (bijv. vooral door kinderen. 3. Vier receptoren. in sommige omstandigheden wordt geen pijn gevoeld (bijv.Smaakvoorkeuren Smaakvoorkeuren veranderen met ouder worden. voorwerpen herkennen. Kan overwonnen worden door sociaal leerproces (bijv. De receptoren worden vrije zenuwuiteinden (bestaan uit dendrieten van neuronen) genoemd. 12 . plek in lichaam waar ooit pijn is opgetreden zal makkelijker nieuwe pijnervaring hebben. verkeersongeval) 2. Smaak leer je waarderen na het 10x gegeten te hebben. langdurige drukveranderingen op specifieke plaats (iets lang vasthouden) 3. Druk en temperatuur Tastzin reageert op drukveranderingen op de huid. ook na amputatie. Er bestaan 2 types van zenuwbundels die informatie over weefselbeschadiging (=nociceptie) door sturen naar ruggenmerg 1. Snel type voor goede lokalisatie van de pijnplek (bijv. diffuser signaal (zeurend pijn) Pijnervaringen verschillen per situatie 1. als eigen leven in gevaar is of placebo. snelle veranderingen op zeer precieze plaats 2. sociale relaties. hand op schouder) 4. het lijkt of we de druk van de pen op het papier kunnen voelen). reflex na scherpe pijn) 2. 2. langdurige drukveranderingen over grotere oppervlakte (bewegingen die we uitvoeren) Temperatuur voelen we door afzonderlijke receptoren voor te warm en te koud. 1. Pijnvermindering wordt geregeld door endorfines. vlak onder de huid.

prik van de dokter voelt pijnlijker als je naar de naald kijkt). Bij gewicht is dit 1/50.8 Psychofysica Tak binnen psychologie die de gevoeligheid van zintuigen bestudeert heet psychofysica. De differentiële drempel en de wet van Weber De differentiële drempel of kleinst merkbare verschil is het kleinste waardeverschil dat er moet zijn tussen twee prikkels opdat dit verschil waargenomen kan worden. 13 . De absolute drempel voor de tast ligt lager wanneer men naar een lichaamsdeel kijkt. gewicht = 50 gr. Wet van Weber = de differentiële drempel is niet voor alle intensiteiten van eenzelfde stimulus hetzelfde. maar niet kunnen interpreteren en organiseren tot een zinvolle waarneming. pezen en gewrichten. De absolute drempel De intensiteit die een stimulus moet hebben om waargenomen te worden heet de absolute drempel. 500 gr. lezen in rijdende auto). Hoofdstuk 4 Waarneming 4. De verhouding tussen de differentiële drempel en de beginintensiteit (=percentage dat bij een intensiteit gevoegd moet worden om een kleinst merkbaar verschil te verkrijgen) wordt de Weberfractie genoemd. Evenwichtsgevoel stelt ons in staat om in balans te blijven. struikelen of uitglijden. 3. 4. Evenwichtsorganen bevinden zich in het binnenoor.3. dan kleinst merkbare verschil = 1 gr.1 Van gewaarwording naar waarneming Waarneming is een actief proces Redenen waarom waarneming meer omvat dan enkel registreren van gewaarwordingen. 10 gr. waardoor we kunnen reageren bij bijv. vooral wanneer informatie uit het evenwichtszintuig niet overeenstemt met visuele info (bijv.7 Kinesthesie en het evenwichtsgevoel Kinesthesie informeert ons over de positie en de bewegingen van onze ledematen via receptoren in spieren.1 Van gewaarwording naar waarneming Visuele agnosie wel kunnen gewaarworden. Duiziligheid ontstaat bij extreme beweging hiervan. Bijv. dan wanneer men er niet naar kijkt (bijv.

symmetrie.en objectherkenning Primaire schets Sterk vereenvoudigd beeld. helderheidsovergangen. oriëntatie van de randen en belangrijke helderheidsovergangen versus toevalligheden. Top-down processen = interpretaties van hersenen 4. 3. Dit fenomeen heet perceptuele constantie Distale stimulus = het voorwerp in de buitenwereld dat fysische energie produceert. Primaire schets 2. oogbewegingen en knipperen van de ogen. Dit komt door laterale inhibitie. vorm. Wanneer dit niet klopt hebben we verkeerde percepties die we visuele illusies noemen. waardoor het grijs lijkt. Het binnenkomende signaal verandert voortdurend. Perceptuele organisatie. een opengaande duur wordt een steeds smaller wordend trapezium. Het lijkt alsof je grijze vlekjes ziet op de intersecties. We moeten hier een 3-D voorstelling van maken. Bijv. Bottum-up processen = informatiestroom van receptoren naar hersenen. Geslotenheid. vertrouwdheid 14 .1. De kruisingen worden omgeven met meer wit en worden dus onderdrukt. Patroon. Waarneming is een heuristisch interpretatieproces dat op basis van de proximale stimuli de meest waarschijnlijke distale stimulus berekent. Nabijheid. Figuur-achtergrondscheiding Omsingeling. Goede voortzetting 2. Proximale stimulus = het geheel aan fysische energie dat onze receptoren stimuleert. het feit dat ganglioncellen die zelf heel actief zijn omringende ganglioncellen onderdrukken. 2. 1. als onderdeel van eenzelfde perceptuele ervaring. Perceptuele orgnisatie 3. Perceptuele organisatie Het proces waarbij de verschillende randen samengevoegd worden tot onderdelen. waarbij vooral randen van de vormen belangrijk zijn. Illusies als venster op de onderliggende mechanismen Raster van Hermann = zwart vlak met witten horizontale en verticale lijnen. grootte.2 Van de retina naar de hersenen: Bottom-up processen Structureren van receptorsignalen tot betekenisvolle voorwerpen verloopt in drie grote stadia. verwijst naar de processen die ervoor zorgen dat elementen uit de primaire schets waargenomen worden als bij elkaar horend. Gelijkheid. alleen centraal deel van de retina = fovea geeft scherp beeld). Dit zorgt voor contrastvergroting. Het signaal dat in de hersenen aankomt is onvolledig (blinde vlek. Principes: 1. Beelden op de retina zijn plat. textuur. Gebaseerd op.

Afhankelijk van de context kunnen figuren anders worden waargenomen. 2. Grootte van het beeld op de retina. Bewegingsparallax dichtbij gelegen voorwerpen gaan sneller over visuele veld 3. Subjectieve contouren. wij zien diepte door gebruik te maken van het feit dat onze ogen een aantal centimeter uit elkaar staan. Onderdelen en context moeten zodanig worden aangeboden dat we er vertrouwd mee zijn.en objectherkenning Van een kijker-gericht beeld (2 D) wordt een voorwerp-gericht beeld (3D) gemaakt. Woordsuperioriteitseffect. Het binnenkomende beeld wordt gekoppeld aan het opgeslagen patroon van dat voorwerp. Bijv. Verderaf is kleiner en dichter op elkaar c. Principes: 1. Ponzo-illusie even grootte cilinders die groter lijken te worden naar achteren door lineair perspectief 15 . Elke retina ontvangt enigszins andere informatie over dezelfde voorwerpen in de buitenwereld = binoculaire dispariteit. 4. A 13 C. Textuurgradiënt = dichtheid van het weefselstructuur. Moneculaire diepteaanwijzing a. 13 als dertien of als een B. als een figuur voldoende overeenstemt met een template.4 Waarneming van diepte en beweging De waarneming van diepte 1. jonge vrouw 3. Illusies op basis van dieptezicht a. oude vrouw. Voorste voorwerp lijkt dichterbij e. 12 13 14. 2.Patroon. Template-matching . Dit wordt patroonherkenning genoemd. Kenmerkenherkenning. driehoek) 4. Hoe staan deze tov elkaar? 4. Lineaire perspectief lijnen die lijken samen te komen achter de horizon lijken sterk op diepte d. Omkeerbare figuren. door geons (Biederman). Wanneer de ogen niet goed convergeren spreekt men over strabisme = scheelzien 2. retinale grootte neemt af als het voorwerp verder weg is b. dan wordt het voorwerp herkend. De mate waarin de ogen moeten convergeren om een voorwerp te fixeren. Probleem is dat men soms maar een klein deel van de figuur ziet en dat het uiterlijk van een voorwerp grote variatie kan vertonen. zodat we de wereld vanuit twee verschillende perspectieven zien. Informatie die niet wordt waargenomen wordt aangevuld (bijv. een woord helpt bij het herkennen van letters 5. Binoculaire diepteaanwijzing a.3 De perceptie verbeteren door de informatieopname te sturen: top-down processen Evidentie voor top-down processen 1. Interpositie = overlapping. b. bijv. Bijv.

b. Informatie over waar. Rotsen lijken een opwaartse beweging te maken. Müller-Lyer-illusie de lijn met vinnen naar buiten lijkt langer dan de lijn met vinnen naar binnen c. Informatie over wat. Volgens de theorie van gebeurteniscodering zitten in ons geheugen geen aparte herinneringen voor waarnemingen en acties. Gaat naar boven naar pariëtale lob waar een mentale kaart bijgehouden wordt van de 3-D ruimte waarin de waarnemer zich bevindt. Apparente beweging waarnemen van beweging bij opeenvolging van statische beelden (film. 4. Impliciete activering van responsen Een proef om aan te tonen dat waarnemingen automatisch reacties uitlokken is het aanbieden van primewoorden in cijfers (bijv. Bijv. Geïnduceerde beweging beweging van een voorwerp wordt verkeerd gepercipieerd door een beweging in de achtergrond. Voorwerpen lokaliseren en sturen van bewegingen. Watervalillusie Achtergrond lijkt te bewegen. Als er 6 werd getoond kon dit beter en sneller worden aangegeven als de prime negen was dan twee. waarin waarneming en bijbehorende actie gezamenlijk opgeslagen 16 . Maanillusie de maan boven de horizon wordt als verder gepercipieerd dan de maan hoog in de lucht. 1. maar bestaat het menselijke geheugen uit gebeurtenisherinneringen. Kamer van Ames afhankelijk van in welke hoek je van de kamer staat lijk je groter of kleiner d. reclamepaneel met lampen die één voor één aan en uitgaan) 2. Dit worden spiegelneuronen genoemd. Bewegingsillusies Gevolg van het feit dat kenmerkdetectors voor beweging in het visuele systeem na veelvuldig vuren uitgeput raken. 1. Voorwerp herkenning. Spiegelneuronen Neuronen in frontale lob vlak voor primaire motorische cortex vuren zowel bij het uitvoeren van een actie als bij het kijken naar andermans actie. 2.5 Waarneming en actie Waarneming en actie zijn nauw met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaar voortdurend. Bewegingen worden zo herkend. door voorwerpen aan de horizon waarmee de maan vergeleken kan worden en op aarde is een vliegend voorwerp dichtbij de horizon verder van ons dan een vliegend voorwerp boven ons. Gaat naar onderste deel temporale lob. De waarneming van beweging Twee informatiestromen in het visuele systeem die vanuit de visuele cortex in de occipitale lob achteraan in de hersenen vertrekken. stilstaande trein zitten en het gevoel hebben achteruit te gaan toen de trein naast ons vertrok 3. twee of negen) en daarna een cijfer laten zien die groter of kleiner is dan vijf.

maar dat complexere vaardigheden. Perceptuele capaciteiten bij pasgeborenen. Nabootsen van gedrag is aangeboren eigenschap. Dus niet alle aanpassingen aan visuele vervormingen zijn visueel. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Ebbinghaus-illusie. Randen en stimulusconfiguraties detecteren. De gevolgen van visuele vervorming Omgekeerde lenzen. Daarom is het interessanter om perceptie te bestuderen in samenhang met bijbehorende acties. zoals het herkennen van en snel reageren op voorwerpen. Later bleek dat in de beginfase wanneer duim en wijsvinger uit elkaar gaan er verschil is. wel ernstig verstoord worden. Diepte zien. In conditie a lijkt de stip groter. 4.6 Hoe belangrijk is leren bij de waarneming Als een blinde voor het eerst kan zien Uit onderzoek is gebleken dat visuele dprivatie relatief weinig effect heeft op simpele perceptuele taken zoals het zien van verschillen in kleur. In eerste instantie leek de grijpbeweging hier niet aan onderhevig. proefpersonen die actief de omgeving kunnen exploreren kunnen zich beter en sneller aanpassen. grootte en helderheid. Mechanismen: 1. Dus onafhankelijke processen. gezichten) 3. maar dat dit in het verloop van de beweging gecorrigeerd wordt = planning-controle model. Verklaring is mogelijk spiegelneuronen. Twee even grote stippen omgeven door a. Bij 2 maanden gaf dit juist afname in hartslag (diepe kant werd aantrekkelijker gevonden)! Bij 6 maanden durfden ze niet meer. 2. Door ervaring meer aandacht besteden aan de belangrijke kenmerken en minder aan de onbelangrijke kenmerken 17 . Kind moet eerst rondkruipen alvorens bang te worden voor gevaarlijke diepten. Gelaatsuitdrukkingen imiteren kan al bij 12 tot 21 dagen. Het leerproces speelt ook een belangrijke rol. Habituatietechniek bij herhaaldelijk aanbieden van dezelfde stimulus raken kinderen (al vanaf 1. grotere stippen. De grijpbeweging Veel onderzoek over de interacties tussen perceptie en actie vindt plaats op basis van de grijpbeweging. 1. 4. Zodoende werd de perceptie-actie theorie geformuleerd.zijn en met elkaar interageren. Perceptueel leren bij volwassenen Volwassenen nemen meer waar naarmate ze meer ervaring hebben met een bepaald soort stimuli. Pasgeborenen hebben de mogelijkheid om randen te detecteren en zijn ook meer geïnteresseerd in bepaalde stimulusconfiguraties (bijv. Visuele klip glasplaat waarin diepte is gecreëerd. kleinere of juist b.5 dag) er aan gewend en verliezen ze de aandacht.

Een zoektocht naar één kenmerk gebeurt zeer snel en nagenoeg niet wordt beïnvloed door het aantal items in het display. Hoofdstuk 5 Aandacht en bewustzijn 5. Test met koptelefoon. Modellen voor selectieve aandacht Cocktailpartyfenomeen mensen kunnen een gesprek volgen zonder in de war te raken door andere gesprekken op de achtergrond. KTG selecteert signalen uit het sensorische geheugen voor verdere verwerking op basis van de informatiebehoefte op dat moment. Theorie met late selectie Alle stimuli die in het sensorische geheugen komen worden verwerkt in het KTG maar slechts één krijgt aandacht en wordt gebruikt voor een bewuste respons. de boodschap in het oor die genegeerd moest worden wordt niet inhoudelijk waargenomen. 18 . De zoektocht naar een conjunctie van kenmerken kost meer inspanning en duurt langer. wel toonveranderingen. Men begint een groter verschil te zien tussen stimuli die onderscheiden moeten worden. geslacht van de spreker en intensiteit van het geluid. maar de signalen uit de verschillende kanalen worden in meerdere of mindere mate afgezwakt (geattenueerd). 3. zoals bij de filtertheorie. Attenuatietheorie van Treisman (1960).2. Rode letters S tussen zwarte S gaat snel.1 Selectieve aandacht: Hoe goed kunnen we ons concentreren? Selectieve aandacht verwijst naar het proces waarbij één boodschap uit de omgeving geselecteerd wordt voor bewuste verwerking en de andere boodschappen onderdrukt worden. Wat doet selectieve aandacht? Feature-integration theory (kenmerkintegratie-theorie) gaat uit van het feit dat selectieve aandacht nodig is verschillende kenmerken van voorwerpen samen te voegen tot een kenmerkenlijst die gebruikt kan worden voor patroonherkenning. Rode S tussen zwarte S en rode T duurt langer. Filtertheorie van Broadbent (1958) Er is een filter tussen het sensorische geheugen (draagt zorg voor gewaarwording van de stimuli) en korte termijn geheugen (verantwoordelijk voor bewuste waarneming en manipulatie van stimuli). Verklaringen voor dit fenomeen. meeste bewijs voor De menselijke capaciteit is te beperkt voor een volledige verwerking van alle stimuli. De uitzuivering is echter geen alles of niets proces. Men ontwikkelt specifieke receptoren voor verschillende stimuli.

Geautomatiseerde processen geen tot weinig aandacht (bijv. Exogene prikkels trekken onwillekeurig de aandacht wanneer dit in overeenstemming is met de doelen die de persoon op dat moment nastreeft. Terugkeerinhibitie mechanisme wat bijhoudt waar wel al geweest zijn. beginnend lezen). 1. 19 . de gelijkheid van twee taken (meer gelijk meer interferentie) 2.Discussiepunten Metaforen voor selectieve aandacht zijn de zaklantaarn en de zoomlens. Tot vijf plaatsen terug kunnen we onthouden. gevorderd lezen). Strooptaak kleuren zeggen van balkjes. Beperkingen ten gevolge van selectieve aandacht Veranderingsblindheid bij knipperen met ogen of met het beeld kunnen veel zaken verandert worden zonder dat we het door hebben. 2 – 8 is makkelijker dan 2 – 8. dokter sneller herkent met verpleegster dan stoel Negatieve priming een stimulus wordt moeilijker herkent wanneer hij voorafgegaan wordt aan een gerelateerde stimulus ipv een ongeralateerde stiumulus.a. alleen groene plaatje (groene paddestoel) benoemen wordt lastiger als in de voorgaande beurt een rode zelfde plaatje (rode paddestoel) aangeboden werd. Omschakelingskosten wanneer we met meerdere taken tegelijkertijd bezig zijn schakelen we vliegensvlug van de één naar de andere taak. We richten onze aandacht altijd op voorwerpen (voorwerpgebonden) en het is moeilijk om op de ruimte er tussen te focussen (plaatsgebonden) Aandacht en inhibitie Positieve priming een stimulus wordt gemakkelijker verwerkt wanneer hij voorafgegaan wordt door een gerelateerde stimulus dan wanneer hij voorafgegaan wordt door een ongeralateerde stimulus. Hoeveel aandacht vergt de eerste taak Hoeveel aandacht heeft een taak nodig? Gecontroleerde processen staan onder bewuste controle (bijv. neutrale woorden en kleurwoorden bijv.2 Verdeelde aandacht: Hoe goed kunnen we twee taken tegelijk uitvoeren? Interferentie van de tweede taak op de eerste taak hangt af van o. Anders zouden we telkens naar de meest aantrekkelijke plaatsen toegetrokken worden. kan gemakkelijker gecombineerd worden met andere taken. Dit kost tijd. Bijv. Aandacht kan bottum-up of exogene controle (aandacht gevangen door gebeurtenis van buitenaf) of top-down of endogene controle (door hersenen gestuurd). Rood Ook zeggen welk cijfer het grootst is bijv. 5. het feit of de tweede taak een beroep doet op hetzelfde of andere zintuig (beter verschillend dan twee dezelfde) 3. Bijv.

zouden de personen selectiever kunnen worden in de stimuli waarop ze reageren. bloedsomloop. maagsecreties. boter bij herkennen van brood) zonder dat deze bewust wordt aangeboden heeft effect op het reactievermogen. 20 . Blindsight stimuli buiten het bewuste deel van visuele veld worden onbewust toch waargenomen. Bijv. Wanneer een deel van de thalamus beschadigd is.4 Bewuste en onbewuste processen Wat is het bewustzijn? We moeten ons bewust zijn van stimuli om ons heen. helpt om de impulsiviteit en de hyperactiviteit onder controle te krijgen. Ze hebben een tekort aan controle over de signalen die op hen af komen. Doordat hun energieniveau verhoogt. Voorbewuste processen gedachten en herinneringen waar we op een bepaald moment niet aan denken. verliezen mensen hun bewustzijn (coma). maar die we gemakkelijk uit langetermijngeheugen in het bewustzijn kunnen oproepen (waar was ik gisterenavond.5. kort aanbieden van een positieve prime (bijv. maar beïnvloeden wel de werking ervan. een opwekkend middel. Evidentie voor onbewuste processen Subliminale perceptie stimuli beïnvloeden het gedrag zonder dat ze bewust waargenomen worden. vuren van neuronen). naakte personen laten zien in linkerkant. Dit is te toetsen doordat patiënten zeer goed zijn in gissen waar ze de stimulus hebben waargenomen. Patiënten zijn niet in staat om te zeggen wat ze zien. Split-brain bijv. aandachtstekort en impulsiviteit. maar moeten wel giechelen. Ritalin. Wat is het onbewuste? Niet-bewuste processen fysiologische processen waar we ons helemaal niet bewust van kunnen worden (bijv.3 Aandachtsstoornissen Aandachtsdefinciëntie bij kinderen (ADHD) ADHD (attention-deficit hyperactivity disorder) is een ernstige ontwikkelingsstoornis die gekenmerkt wordt door hyperactiviteit. Hemineglect de patiënt besteedt geen aandacht aan de linkerhelft van zijn lichaam of linkerstimuli uit de omgeving door schade aan pariëtale lob in de rechterhemisfeer. 5. Aandachtsproblemen na een hersenaandoening Na hersenaandoening kan het zijn dat aandachtsvermogen is aangetast. hoeveel is 3x9) Onbewuste processen zijn moeilijk in het bewustzijn te brengen.

EEG wordt onregelmatiger. minder dan 3 Hz). 11 dagen aan één stuk wakker). Dieper in slaap. terwijl hersenen heel actief zijn. prestaties en aandacht. spierspanning en temperatuur verlagen. Stuurt signalen naar de pijnappelklier (melatonine vlak voor slapen). 4. die een interne. ogen vallen toe. Verklaring kan wel zijn dat biologische eigenschappen van somminge mensen hen dwingt om meer te slapen en hen vatbaarder maakt voor een voortijdige dood. Na ca. 5. Mechanisme om de persoon in slaap te houden. geen activiteit in de lichaamsspieren. tot volwassen 6 uur) en per individu. Ogen bewegen snel. Bij bewuste stimuli is er meer hersenactiviteit. Mensen kunnen zich snel herstellen van langdurige slaapderivatie (bijv. Slaapstoornissen: Insomnia of slapeloosheid tekort krijgen aan slaap. lichaamstemperatuur. De ritmen staan onder controle van de nucleus suprachiasmaticus. concentratieproblemen. alfa en bètagolven. een kern uit de hypothalamus. Heeft gevolgen voor psychisch functioneren. Mensen hebben ca. onregelmatig + deltagolven (grote amplitude. Functies van de slaap Opnieuw aanvullen stoffen Consolidatie en verdere verwerking van informatie Evolutionair bepaald (prooidieren kunnen het zich niet permitteren om gedurende langere tijd te slapen en graseters moeten veel eten om nodige voedingsstoffen binnen te krijgen). Na ca.5 uur slaap dan meer kans op vroegtijdig sterven. Overlevingskansen hoogst bij 7 uur per nacht slaap. 5. Sterk verhoogde activiteit met thèta. Aantal uren slaap dat we nodig hebben verschilt per leeftijd (van baby’s 16 uur per dag met bijna helft in REM-slaap. 1.5 uur REM-slaap. 45 min. EEG bestaat uit Alfagolven waarin thètagolven (3-7Hz) voorkomen.3 Slapen en dromen Lichaamsritmen Circadiaanse ritmen een groot deel van de lichaamsritmen volgt een cyclus van 24 uur (dagnacht ritmen). 3.5 of meer dan 8. 4 à 5 REM-periodes per nacht. hart gaat trager slaan. Kenmerken van de slaap Elektro-oculogram (EOG) registreert oogbol bewegingen en geeft samen met EEG inzicht in slaapstadia: 1. Minder dan 4. 2. Narcolepsie onbedwingbare slaapaanvallen 21 . Beperkt aantal uren per nacht geeft gevoel van vermoeidheid. biologische klok vormt en beïnvloed wordt door het licht (jetlag = aanpassing). Bijv. Doezelig. geïrriteerdheid en spanningshoofdpijn. Deltagolven = diepe slaap of slow-wave sleep.De huidige kijk op bewuste en onbewuste processen De hersenactiviteit bij laten zien van subliminale visuele stimuli kan een beetje activiteit bij occipitale en temporale lob worden vastgesteld.

2000) Oefenen van vaardigheden tijdens de nacht die van belang zijn om te overleven. Hypnose definiëren Twee tegenstrijdige visies: 1. er worden gewoon meer herinneringen gegeven. Probleem met deze theorie is het feit dat dromen ook in andere stadia dan REM stadium voor komen. waar perceptuel en motorische circutis ongecontroleerd gaan vuren. maar vaak gewoon. tijd nemen. 22 . Oftewel maken gebruik van dezelfde geheugenoproepingsstrategiëen. maar staan onder sociale druk om zich op een bepaalde manier te gedragen. Kan iedereen gehypnotiseerd worden? Mensen met een hoge score voor hypnotiseerbaarheid vermelden dat ze levendige fantasieën hebben en scoren hoog op de bereidheid om op suggesties in te gaan.6 Hypnose Toestand tussen slapen en waken. Neodissociatieve theorie handelingen staan niet meer onder controle van het bewust toegankelijke executieve ego 2. Ook zijn onze dromen niet zo onsamenhangend en ongecontroleerd. Evolutietheorie (Revonsuo. Kan hypnose het geheugen verbeteren? Onder hypnose worden niet zozeer meer juiste herinneringen gegeven. Bij politieonderzoek blijkt dat er geen significant verschil is tussen cognitief interview en interview onder hypnose. Kan hypnose pijn verminderen? Kan pijn verminderen in accute pijnsituaties als brandwonden en operaties (minder anesthesie nodig als ze eerst gehypnotiseerd worden). 5. Probleem hiermee is dat we dit gevoel niet hebben. omdat ze gebruik maken van dezelfde technieken (inbeelden in situatie. Sociaal-cognitieve theorie gehypnotiseerde bevinden zich niet in een andere bewustzijnstoestand. open vragen. Dromen Activatiesynthesetheorie (Hobson en McCarley. waarvan de meeste verkeerd zijn. minder duidelijk effect bij chronische pijn (bijv. permissie geven). Verhoogde activatie in de pons resulteert in activatie in de cortex. 1977) Dromen zijn een bijproduct van de behoefte aan REM-slaap. Waarschijnlijk bevatten beide theorieën een stukje van de waarheid. vaag bewust van de buitenwereld.Slaapwandelen in stadium 4. migraine en gewrichtspijn).

lokken waanbeelden en hallucinaties uit en kunnen psychotische symptomen veroorzaken. Gaan vaak gepaard met gewenning.7 Psychoactieve middelen Stoffen die directe invloed hebben op de werking van de hersenen (neurotransmissie) en een verandering in de psychische toestand teweeg brengen. maar bij bijv. Na conditionering: Geconditioneerde stimulus lokt geconditioneerde respons uit Kenmerken van klassieke conditionering Verwerving het proces waardoor een geconditioneerde stimulus een geconditioneerde reactie gaat uitlokken. Extinctie of uitdoving is de verzwakking van de CR als deze herhaaldelijk zonder de OS aangeboden wordt. 23 . Conditionering: Geconditioneerde stimulus (CS) (bijv. opwekkende middelen en hallucinogenen 1. speekselafscheiding) veroorzaakt. LSD. een ongeluk te hebben meegemaakt kan eenmalig voldoende zijn om niet meer in de auto te durven stappen. slaappillen. cocaïne. paddenstoelen. Alcohol verhoogt GABA en dopamine in hersenen. cafeïne. amfetamine. Hoofdstuk 6 Conditionering en leren 6. wordt gecombineerd met ongeconditioneerde stimulus (bijv. Vaak is er een langere verwervingsfase (bijv. crack.1 Klassieke conditionering Pavlov (1904) Voor conditionering: Ongeconditioneerde respons (OR) (bijv. Kalmerende middelen. maar ook soms apart wegens de roes die ze teweegbrengen. hoewel ze na de proef al weer vergeten waren wat ze hadden gedaan). Opiumderivaten (morfine. Langdurig effect is dat communicatie tussen neuronen en binnen neuronen verslechteren. opium. voedsel) die een ongeconditioneerde respons (OR) (bijv. ging overigens bij patiënten met anterograde amnesie = extreem geheugenverlies even snel.5. wekken toestand van alertheid op en geven groter zelfvertrouwen 3. alcohol. heroïne) worden soms tot kalmerende middelen gerekend. nicotine. bel) een aanvankelijk neutrale stimulus. Dit doordat receptoren voor endorfine (pijnstillend) geactiveerd wordt. luchtpuf in ogen met toon combineren. reflexmatig kwijlen). geven gevoelens van ontspanning en doezeligheid = sedatief effect 2. cannabis. een reactie die zonder voorafgaand leerproces uitgelokt wordt door een ongeconditioneerde stimulus (OS) (voedsel).

). Blokkering de aanwezigheid van een CS die de OS voorspelt verhindert (blokkeert) de aanwezigheid) van een CS. Het cognitieve alternatief Klassieke conditionering is dus een actiever proces dan de behavioristen beweerden. Bijv. Stimulusdiscriminatie beschermt tegen overgeneralisatie. vliegangst overwonnen. leggen van associaties 6. 3. leren lezen door eerst een plaatje aan te bieden. werd als voorwaarde gesteld voor effect condtionering. Als OR pijn (en angst) was. Echter als men een paar uur na het eten misselijk wordt. Kan ook aangeleerd worden door bijv. Angst voor ongevaarlijk neemt af. Hoogstwaarschijnlijk wordt er geen verband gelegd tussen de CS en CR (S-R-relatie) maar lokt de CS een beeld uit van de OS die weer de CR uitlokt (S-S-relatie) = S-S-theorie van klassieke conditionering. alleen beide aanbieden. maar toch weer krijgen als men een tijd niet gevlogen heeft). 1. 2. dan wordt er geleerd bepaalde visuele prikkels en geluiden te vermijden. etc. Ook niet alle stimuli zijn even conditioneerbaar. gelijksoortige stimuli (bijv.Spontaan herstel betekent dat na enige tijd de extinctie weer teniet gedaan wordt (bijv. ook voor herder. Stimulusgeneralisatie respons die op een bepaalde stimulus geconditioneerd wordt komt ook voor bij andere. Ander voorbeeld. Bezwaren. foto’s van gevaarlijke spinnen laten volgen door hard geluid en ongevaarlijk door niks.2 Operante conditionering Operante conditionering of instrumentele conditionering gedragingen worden verandert op basis van de gevolgen dit ze hebben. maar onderdrukt en is gemakkelijk te herstellen als men opnieuw conditioneert (gaat sneller dan oorspronkelijke conditionering). Er zijn vaak meerdere extinctiesessies nodig voordat er geen spontaan herstel meer optreedt (een hond kan een dag later weer kwijlen). Als OR een ziekte is. Dit heeft een biologische oorsprong = biologische predispositie. dan wel angst voor het licht). Overigens wordt de conditionering niet teniet gedaan. dan kan het zijn dat men nooit meer dit eten wilt eten. Klassieke conditionering bij mensen Reclame. (bijv. Het gaat om meer dan een mechanisch proces waarbij één stimulus geassocieerd wordt met een andere op basis van contiguïteit. 24 . verhindert het lezen. Problemen met behavioristische interpretatie Contiguïteit = het kort op elkaar volgen van de CS en OS. geen angst voor poedel. geluid laten volgen door een schok en daarna geluid + licht laten volgen door een schok -> geen angst voor licht. angst voor de Deense dog. dan wordt er geleerd een bepaalde smaak te ontlopen.

2. maar als de minuut nadert dan steeds meer op de hendel drukken = SFI-schelp (vorm grafiek). Intervalschema’s (tijd) a. Bijv. een snoepje nemen bij 10 bladzijden gestudeerd te hebben). geld). Vast (fixed) interval (SFI) de eerste reactie wordt na een vaste tijdsperiode bekrachtigd. Er wordt geleerd dat continu op de hendel drukken geen zin heeft. telkens na 1 minuut een voedselpil. Na de bekrachtiging volgt een post-bekrachtigingspauze (bijv. Vaste (fixed) ratio (SFR) bekrachtiger wordt toegediend per vast aantal responsen (bijv. rooster met elektrische schoks Operante respons is een gedrag dat gevolgd wordt door een bepaald effect in de omgeving. Bekrachtiging is een verandering in de omgeving die ervoor zorgt dat het voorafgaande gedrag meer kans heeft om opnieuw op te treden (geen schok meer of voedsel krijgen). Straf is een verandering in de omgeving die ervoor zorgt dat het voorafgaande gedrag minder kans heeft om opnieuw op te treden. (schok of geen voedsel meer toedienen). b. gokautomaaat). kat moet op de hendel drukken om voedsel te krijgen. Bijv. (bijv. Denk ook aan kijken op de stationsklok als de trein bijna komt. Variable ratio (SVR) aantal responsen varieert voordat een bekrachtiger ontvangen wordt. sociale gebeurtenissen) Secundaire of geconditioneerde bekrachtigers hebben bekrachtende waarde gekregen door associatie met primaire bekrachtigers (bijv. 25 . Hendel waarop de rat kan duwen 2. responsen die onbevredigende gevolgen teweegbrengen zullen niet herhaald worden. Ratioschema’s (aantal) a. 1.Thorndike en Skinner Thorndike (1874 – 1949) wet van effect responsen die voldoening gevende gevolgen teweegbrengen zullen herhaald worden en steeds sneller en efficiënter uitgevoerd worden. voedselbak met voedselpillen 3. na behalen examen even rust nemen voor weer studeren). Continue bekrachtiging elke operante respons wordt gevolgd door een bekrachtiging Partiële of intermitterende bekrachtiging niet elk gedrag wordt gevolgd door een bekrachtiger Bekrachtigingsschema’s 1. Skinner (1904 – 1990) Skinnerbox 3 elementen. puzzelkooi van Thorndike. Bekrachtiging Positieve bekrachtiger verhoogt de kans op de respons die aan de bekrachtiger voorafgaat doordat hij toegediend wordt.(voedsel) Negatieve bekrachtiger verhoogt de waarschijnlijkheid van de voorafgaande respons doordat hij weggenomen wordt (schok) Primaire of ongeconditioneerde bekrachtigers voldoen aan de basisbehoeften van een dier of mens (voedsel.

Op basis van negatieve bekrachtiging (geen schok = stoppen van pijn en angst) leren aan de angst te ontsnappen door naar de andere kant te springen. 1947) bij vermijdingsleren 1. Hierdoor kan gedrag lange tijd worden voortgezet nadat het gevaar geweken is. in opvoeding blijft straf ook vaak uit = negatieve bekrachtiging d. e.b. 2. Associatie van straf met positieve bekrachtiging. wanneer een kind een snoepje krijgt. Positieve straf het toedienen van een onaangename stimulus (bijv. niet tv kijken. Bijv. Straf Veranderingen die het gedrag doen afnemen. wekker uitzetten. pendelkooi. gevolg is dat in negatieve spiraal terecht gekomen wordt = steeds hardere straffen b. Consistentie van straf. verschilt van beurt tot beurt. CS = geluid. 3. Waarschuwingssignaal leren vrezen door middel van klassieke conditionering. Uitgestelde straf is minder effectief dan straf die direct wordt toegediend (rechtssysteem) c. OS = schok 2. 26 . Tweefactorentheorie (Mowrer. vlak voor de wekker wakker worden om deze uit te zetten. Als goed gedrag niet bekrachtigd wordt. in de kamer eten. Het leren van ontsnappingsgedrag = gedrag dat aversieve stimulus doet stoppen (bijv. bij obsessievecompulsieve stoornissen wordt denkbeeldig gevaar (bijv. Altijd gepaard met bekrachtiging van het gewenste gedrag. pendelkooi. eerst boos worden en daarna goed praten. Negatieve straf beter dan positieve straf omdat deze minder snel escaleert. 2 compartimenten naar de ander springen om aan de schokken te ontsnappen) en vermijdingsgedrag = gedrag dat aversieve stimulus doet stoppen (bijv. Gedrag meest effectief bij 1. schokken) Negatieve straf het wegnemen van een aangename stimulus (bijv. Op tijd bekrachtiging. Bijv. als de toon gaat naar het andere compartiment springen om de schok te vermijden) . ziekte) uit de weg gegaan (door handen te wassen) en ervaren ze nooit dat de mate van rëel gevaar niet in verhouding staat tot de angst die ze ervoor hebben. heeft het minder kans om in de toekomst uitgevoerd te worden wegens extinctie. afkeurend gezicht. Variabel interval (SVI) tijdsinterval dat moet verstrijken voordat een bekrachtiger toegediend wordt. Waarom is straf dikwijls niet effectief? a. niet meedoen aan sociale gebeuren = time-out Dreiging met straf is vaak doeltreffender dan werkelijke straf. Intensiteit is niet sterk genoeg. Bijv.

Wat wordt geleerd bij operante conditionering? 3 relaties zijn hierbij betrokken: 1. relatie tussen stimuluscontext en gevolg (bekrachtiger/ straf). Biologische predisposities en operante conditionering natuurlijk gedrag wordt sneller aangelerd. (weinig studenten studeren omdat de schoolomgeving studeergedrag uitlokt = S-R-relatie of schoolomgeving automatische gevoelens van beloning uitlokt = S-G-relatie. relatie tussen stimuluscontext en gedrag. een hond leren fietsen). kapot snoepautomaat) Het belang van de context Stimuluscontrole het feit dat gedrag bekrachtigd/ gestraft wordt in aanwezigheid van één stimulus maar niet in de aanwezigheid van een andere stimulus (bijv. kan overgeschakeld worden op partiële bekrachtigingsschema’s. Doelen die men met het gedrag wil bereiken. 27 . studeren gaat het beste in de studeerkamer.Verwerving en extinctie Temporele contiguïteit hoe vlugger de bekrachtiging volgt op het gedrag hoe sneller leerproces. het stellen van de respons wordt beïnvloed door het gevolg wat gaat komen. keuken). relatie tussen gedrag en gevolg. Weerstand tegen extinctie bij partiële bekrachtiging gaat men langer door met het gedrag als er geen respons meer volgt (duurt langer voordat je het door hebt) bij continue bekrachtiging sneller afgelopen (bijv. bijv. Bekrachtigers doen kans op gedrag toenemen en straffen afnemen hoewel ze er op dat moment nog niet zijn. Bijv. Discriminatietraining responsen in de aanwezigheid van een bepaalde stimulus worden gevolgd door een bekrachtiging. terwijl responsen in de aanwezigheid van een andere stimulus niet door bekrachtiging gevolg worden. studeren om een diploma te halen. Zo kan getoetst worden of bijv. ratten gaan graag een kooi in als ze daar eten verwachten. wasbeer kun je niet een muntje in een spaarpot laten doen. 3. Bijv. maar moeilijker op een plaats die controle heeft over ander gedrag. 2. Bijv. Differentiële bekrachtiging gedrag onderdrukken doordat men niet alleen stopt met het gedrag te bekrachtigen (extinctie) maar tegelijkertijd een ander. zeker als het gedrag niet spontaan voorkomt (bijv. Blijft wrijven met het muntje = voedsel-gerelateerde gedragingen. Stimulusgeneralisatie welke gedragingen die gewenst zijn in een bepaalde situatie zijn ook gewenst in een andere soortgelijke situaties. Vorming via successieve benadering leerproces in stapjes laten verlopen. Eenmaal aangeleerde conditionering. meer gewenst gedrag bekrachtigt. een duif onderscheid kan maken tussen horizontale en verticale lijnen.

In een groep meer eten en drinken als de groep meer eet en drinkt.1 Achtergrond De bevindingen van Ebbinghaus in de 19e eeuw Ebbinghaus (19e eeuw) ontdekte met onderzoek naar het onthouden van zinloze lettergrepen de vergeetcurve. Hoofdstuk 7 Onthouden en vergeten Wetenswaardigheden herinneringen’ 1. 6. Reminiscentiebult. onwil om te solliciteren na een aantal mislukte pogingen). onvermijdbare stimulus blootgesteld werd. Doelversterking verwijst naar een verhoogde motivatie bij de observeerder om hetzelfde doel te bereiken als het model (verlangen om te eten). (verwachting geen controle meer te hebben.Aangeleerde hulpeloosheid = het onvermogen om te leren hoe aan een aversieve stimulus ontsnapt kan worden of hoe die vermeden kan worden nadat het organisme aan een onontkoombare. Zien van geweld op tv verhoogt de kans op agressie bij de kijker. Angst en Agressie Bijv. insecten. Er worden meer gebeurtenissen onthouden uit de leeftijdsperiode van 10 tot 30 jaar dan uit de periode van 30 tot 60 jaar 7. de meeste herinneringen zijn recente herinneringen 2. Cognitieve kaart = interne representatie van een gebied. belangrijker en aantrekkelijker wordt voor diegene die het observeert (op pedaal drukken). bijv.3 Observerend leren leren door naar anderen (een model) te kijken en te imiteren. in het eerste uur wordt er veel vergeten en later minder en de besparingsmethode. nagenoeg geen herinneringen van voor de leeftijd van 3 jaar 3. Daardoor hebben ouders met hoogtevrees dikwijls kinderen met hoogtevrees. Rolbevestigende patronen. Stimulusversterking verwijst naar het feit dat een stimulus waar het model mee omgaat. ‘vergeten’ informatie wordt sneller weer geleerd. Ook geweld in gezinnen wordt herhaald. 28 . Culturele verschillen Smaakvoorkeuren (bijv. kinderen worden bang van situaties omdat ze hun ouders of verzorgers bang zien worden. associaties met gezellige momenten).

er wordt een geheugenspoor gevormd. Vergeten gebeurd traag. Volgens Atkinson en Shiffrin twee kenmerken. hoofsteden De drie stappen in het herinneringensproces 1. Echoïsch geheugen voor auditieve stimuli 3. bewaren (tijdelijk) veranderingen in het zenuwstelsel die het mogelijk maken dat de informatie wordt vastgelegd. 7 zinloze lettergrepen onthouden) 2. Beperkte capaciteit (7 items. oproepen terughalen van informatie 7. 3. Fragiliteit (na een aantal seconden is de informatie verloren gegaan) Het langetermijngeheugen (LTG) Kenmerken 1. voor overbrenging van KTG naar LTG is herhaling nodig Seriele positiecurve 29 . 1. bijv. 1.Het geheugen bestaat uit verschillende geheugentypes Geheugen Primair geheugen/ KTG Stroom van gedachten in bewustzijn Secundaire geheugen/ LTG geheugen voor het verleden Niet-declaratief/ impliciet geheugen Declaratief/ expliciet geheugen Onbewuste herinneringen bewuste herinneringen die men kan verwoorden Procedureel geheugen vaardigheden (bijv. Haptisch geheugen voor kinesthetische stimuli Het kortetermijngeheugen (KTG) Om informatie vast te houden waar we ons op elk moment bewust van zijn. verwerving of het coderen is het initiële leren van informatie 2. Onbeperkte capaciteit 2. Iconische geheugen voor visuele stimuli 2. zwemmen) Andere expliciete vaardigheden conditionering perceptueel leren Episodisch geheugen Zelf meegemaakte gebeurtenissen Semantisch geheugen Feitenkennis bijv.2 Het geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin 1968 De sensorische geheugens De sensorische geheugens houden gedurende zeer korte tijd de informatie bij die de zintuigorganen bereikt heeft.

ook aan verval onderhevig en dient ververst te worden Belang van de verschillende componenten kan onderzocht worden adhv dubbeltaken. vervalt zeer snel 3. 1. info uit LTG op kunnen roepen 2. controle over aandacht. Alternatief is werkgeheugen met drie componenten. Het werkgeheugen als een onderdeel van het LTG? Capactiteit van het KTG is beperkt tot 4 betekenisvolle gehelen (chunks). visiospatiaal schetsblad tijdelijk opslagsysteem voor visuele informatie. Neuraal netwerk is een computermodel dat de werking van de hersenen nabootst door een grote hoeveelheid eenvoudige knopen (neuronen) met elkaar te laten communiceren. Sensorische geheugens kunnen rechtstreeks representaties in het LTG activeren (bijv. Recentheidseffect (recency effect) laatste items zijn ook beter te herinneren indien de proefpersonen direct mochten beginnen met opsomming van de items. Wetmatigheden. Verschillende hersendelen zijn actief bij verschillende taken/ componenten. fonologische lus tijdelijk opslagsysteem voor woorden in gesproken vorm (lijkt op KTG). Wellicht is het werkgeheugen niets anders dan het deel van het LTG dat in het bewuste terechtgekomen is. Een realistischer kijk op de informatieoverdracht van KTG naar LTG Herhaling is niet de enige en zelfs niet de meest efficiënte manier om nieuwe informatie in het LTG op te slaan.Geeft aan hoe goed een item onthouden wordt afhankelijk van zijn plaats in de stimulusreeks. Overgang van onbewuste naar bewuste toestand gaat gepaard met een explosie van hersenactiviteit in gebieden die een heel grote overlap vertonen met de gebieden waarop het werkgeheugen geënt is. Dit zijn taken die meerdere componenten van het werkgeheugen belasten. stimuli kunnen selecteren of negeren. (Ruchkin). 7. zodat we aandacht kunnen verdelen. centrale verwerker. Dit effect is waarschijnlijk te danken aan het feit dat ze nog in het KTG zitten tijdens de test. 30 . Voorrangseffect (primary effect) de eerste 3 – 4 items in de lijst worden het best onthouden (waarschijnlijk doordat deze een paar keer herhaald kunnen worden) 2. Als dit gebeurd spreekt men van catastrofale interferentie (bijv. visuele stimuli kunnen representaties en bijbehorende betekenissen activeren zonder dat wij ons er bewust van zijn).3 Verdere ontwikkelingen in de geheugentheorieën door gebruik van hersenscans en neurale netwerken is er een alternatief beeld ontstaan over geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin. Van KTG naar werkgeheugen Baddeley en Hitch vonden KTG met 7 geheugenslots te simpel om alledaagse cognitieve taken uit te voeren. Anderen duiden weer op het feit dat het manipuleren van acties niet mogelijk is in het LTG. Het leren van nieuwe informatie in een neuraal netwerk kan bestaande informatie overschrijven. 1. makkelijke sommen niet meer kunnen leren als de moeilijke sommen daarna volgden).

Organiseren van informatie verbetert verwerving. samenvatten. 7. Informatie is verdeeld over een groep (ipv individuele) van neuronen en hun verbindingen.4 Informatie verwerven Omzetten van informatie naar een andere vorm is later beter te herinneren dan puur van buiten leren.Dit is echter niet hoe onze hersenen werken. schaakmeester die gedurende 5 sec zien van een schaakspel al veel stukken konden onthouden tegenover bijna niets van een leek. zij hercoderen het nl naar een patroon. 1. fietsen) opslaan. onthouden en uitvoeren. verbale code opslaan dmv woorden en bijbehorende betekenis 2. 1 4 9 1 6 2 5 3 6  1 4 9 16 25 36 Het belang van hercodering en organisatie Informatie kan op drie manieren in het LTG worden opgeslagen 1. oefeningen doen) en geheugensteuntjes. 3. Bijv. Overbrenging van informatie van KTG naar LTG verloopt in twee stappen. motorische code lichamelijke vaardigheden (bijv. Twee-voudige codeertheorie (dual coding theory) (Paivo 1969) informatie die door twee codes voorgesteld wordt kan beter worden onthouden dan informatie die slechts door één code wordt voorgesteld (bijv. Zo is het beter bestand tegen schade en zijn de hersenen in staat om aanvaardbare output te genereren ondanks schade aan individuele eenheden = gracieuze degradatie. Verwerkingsniveaus Herinneringen worden beter opgeslagen als het op meerdere manieren verwerkt is (bijv. Bijv. vervolgens behoedzaam geïntegreerd binnen de bestaande kennis die opgeslagen ligt in de verschillende gebieden van de cortex (duurt verschillende dagen en gebeurd vooral tijdens momenten van rust en slaap). Informatie wordt tijdelijk opgeslagen in de hippocampus Schade aan hippocampus kan voor amnesie zorgen. 2. 31 . belangrijkste is beeldcode (dezelfde hersengebieden als oorspronkelijke waarnemingen). vragen over stellen.5 Informatie opslaan en bewaren Gedistribueerde representaties Herinneringen zijn opgeslagen in verschillende delen van de hersenen die waarschijnlijk met elkaar verbonden zijn via connecties met de hippocampus en rond hippocampus. woord en een beeld). 7. sensorische code zintuiglijke aspecten van een gebeurtenis.

gelijktijdige gebeurtenissen (bijv. titel. probeer een het feestje van 7 keer terug te herinneren. een lijst met woorden uit de categorie groente en 1 woord uit categorie gereedschap kan gemakkelijk onthouden worden). als je dit vooraf ook met rijm hebt geleerd. Interferentie bij het oproepen Verval verwijst naar de fysiologische veranderingen in het neurale spoor van de ervaring. hoe makkelijker de informatie terug te halen is. Inhoudsgebaseerd model van McClelland. Transfer-aangepaste verwerking verwerkingstypes van het bestudeerde materiaal zijn goed. Flitslichtherinneringen levendige herinneringen aan onverwachte. kun je het beter terughalen). laatste gesprek met je moeder. die het geheugenspoor onherroepelijk uitwissen. er zijn veel soortgelijke voor geweest) 2. bijv. emotioneel geladen momenten. (bijv. Distinctie als hulp bij het herinneren Isolatie-effect een gebeurtenis die distinctief is ten opzichte van andere.6 Informatie oproepen Oproepaanwijzingen Hoe meer en beter de oproepaanwijzingen. Dit is nodig omdat geheugencapaciteit vrijgemaakt moet worden voor nieuwe binnenkomende informatie. Alternatief is interferentie de obstructie die een herinnering uitvoert bij het ophalen van een andere herinnering. zolang ze getransfereerd kunnen worden naar de oproepsituatie (bijv. er zijn aparte knopen voor aparte kenmerken die samengevoegd kunnen worden. Vergeten in het LTG lijkt weinig verband te houden met verval in het LTG. 32 . Bijv. woorden leren die op iets rijmen. (bijv. Deze verschillen echter verder niet met andere herinneringen (dus niet nauwkeuriger en zelfs minder details). nu zijn er nog veel na geweest). 1. Hypothese van codeerspecificiteit Hypothese van codeerspecificiteit Het geheugen voor een gebeurtenis zal enkel door een aanwijzing verbeterd worden als de informatie in de aanwijzing overeenstemt met de informatie in het geheugenspoor.Inhoudgebaseerde in plaats van adresgebaseerde organisatie Bibliotheekmetafoor zou inhouden dat er maar een paar ingangen zijn tot de juiste informatie. trefwoord. Proactieve interferentie moeilijkheid om een gebeurtenis op te roepen ten gevolge van activiteiten die aan de opslag van de gebeurtenis voorafgingen. Retroactieve interferentie moeilijkheid om een gebeurtenis op te roepen ten gevolge van activiteiten die na de opslag van de gebeurtenis plaatsgevonden hebben. 7. Twee vormen. Zo kan vanuit elke oproepaanwijzing informatie een geheugenspoor geactiveerd worden. terugkeren naar dezelfde plek als de herinnering kan een herinnering verlevendigen.

Retrograde amnesie toegang tot opgeslagen herinneringen is onmogelijk. Bijv. 84% zegt naald gehoord te hebben). Mensen die verdrongen herinneringen teruggevonden hebben scoren vaak hoog op de schaal voor fantasierijkheid. permanente hersenbeschadiging. Ten gevolge van een ongeval vaak korte periode (bijv. Valse herinneringen herinneringen aan gebeurtenissen die nooit gebeurd zijn of heel anders gebeurd zijn. verkeerde attributies (bijv. Specifieke vorm = syndroom van Korsakoff (langdurige alcoholici). kunnen nog goed kaarten. Geheugenstructuren zijn dan nog niet volgroeid om episodische herinneringen vast te leggen. 1. Bij veel vormen van dementie langdurige perioden. persistentie (sommige herinneringen zouden we liever vergeten) 7. Ooggetuigenverklaringen Worden beïnvloed door suggestieve vragen. we hebben geen herinneringen voor derde tot vierde jaar. Daan is basketballer. hoe hard reden de wagens toen ze tegen elkaar smakten resp. maar steeds zelfde verhalen vertellen. pijn.7. daarna of je naald hebt gehoord. tot een week voor het ongeval). vatbaar voor suggesties 6. de mensen. punt. waardoor weinig details). Reconstructie en verdrongen herinneringen Weinig evidentie voor de mogelijkheid dat mensen traumatische ervaringen volledig kunnen verdringen (wel verarmd. Bijv. verstrooidheid 3.8 Amnesie en het impliciete geheugen Amnesie geheel of gedeeltelijk geheugenverlies Types van amnesie Organische amnesie geheugenverlies ten gevolge van specifieke schade aan hersenen. Soorten.7 Herinnering is reconstructie Organisatieschema’s Mensen onthouden gebeurtenissen in termen van schema’s algemene. 2. Specifieke vorm = Kinderamnesie of infantiele amnesie zijn we allemaal aan onderhevig. blokkering 4. 7 zonden van geheugen (Schacter 1999). 1. gebeurtenissen en acties. je denkt nu dat hij heel groot is of lijst woorden scherp. toekennen aan ander tijdstip) 5. Ook nog geen schema’s ontwikkeld om ervaringen te kaderen. Veroorzaakt door schade aan hippocampus. georganiseerde voorstellingen over de structuur van de wereld. accupunctuur. vertekening 7. Door informatie te koppelen aan schema’s kunnen valse herinneringen ontstaan (bijv. Anterograde amnesie het opslaan van nieuwe geheugensporen (na het ongeval) in het LTG is verstoord. toen ze elkaar raakten (eerste conditie geven mensen harder aan dan tweede conditie). vluchtigheid 2. 33 .

maar mensen zoeken vaak binnenwegen). maar niet bewust. Bijv. intuïtieve en speculatieve oplossingsstrategieën. 9. Bij een ondergestructureerd probleem weet men niet zeker of er een oplossingspad bestaat. Algemeen toepasbaar zijn. Bijv. Metafoor is probleemruimte het oplossen van een probleem wordt vergeleken met het zoeken van een pad in een doolhof. Middel-doelanalyse Strategie waarbij een reeks van kleine stapjes gemaakt worden (tussendoelen gesteld worden) en telkens nagegaan wordt wat er gedaan moet worden om de afstand tot het einddoel verder te verkleinen. Hier wordt informatie wel onthouden. Stelling van Pythagoras. Lekkende wc. overzichtelijker vragen opgedeeld wordt. Algoritmen Een algoritme is een reeks van operaties die in theorie een oplossing van het probleem garanderen. Algoritme is kan omslachtig zijn en veel repetitief werk inhouden (voor computer geen probleem. negen-stippen-probleem. Meeste heuristieken zijn taakspecifiek. wie moet ik bellen. Heuristieken Heuristieken zijn informele. Bijv. ook al kunnen de patiënten dit zich niet meer herinneren. Bijv. Zoeken naar een analogie Analogie is een soortgelijk probleem in een andere context (metafoor) of een vereenvoudigde versie van het probleem. Hoofdstuk 9 Denken Denken is een cognitief proces waarbij cognitieve representaties gemanipuleerd worden om de wereld te begrijpen en problemen op te lossen. Een algoritme is vooral toepasbaar op een volledig gestructureerd probleem een probleem waarvan de oplossing vastligt en waarvan met zekerheid bekend is dat een oplossingspad bestaat. Bijv. optimaliseren van afzonderlijke vliegtuigcomponenten ipv snel een prototype in elkaar zetten. wat heb ik nodig. Subdoelanalyse het proces waarbij een complex prolbeem in een reeks van kleinere. kan ik die zelf herstellen. een taak wordt beter uitgevoerd als deze de dag ervoor ook gedaan is.1 Problemen oplossen We lossen een probleem op wanneer we hindernissen moeten overwinnen om een vraag te beantwoorden of een doel te bereiken.Geheugenstoornissen veroorzaakt door stresserende omstandigheden waarin de persoon zich bevindt heet functionele amnesie De ontdekking van het impliciete geheugen Onderzoek bij amnesiepatiënten heeft geleid tot de ontdekking van het impliciete geheugen. 34 . die mensen ontwikkelen om bepaalde problemen aan te pakken.

2. Gewoonlijk giet men een deductief probleem in de vorm van een syllogisme een uitspraak van drie regels. (bijv. 9. Bijv. waarvan de eerste twee premissen zijn en de derde een besluit. Instelling kan men doorbreken door het probleem een tijdje aan de kant te leggen dit heet incubatie-effect. de straat is nat want de brandweer heeft geblust lijkt aannemelijk). Bijv. sommigen leiden tot meer juiste antwoorden dan andere. Dus. 1. Bijv. zijn Fransen zelfingenomen en chauvinistisch?) 3. Inzicht Aha-erlebnis is een inzicht waarbij het probleem in zijn geheel wordt gevat. 3. Functionele gefixeerdheid instelling die zich voordoet als je te zeer vastzit aan het conventionele gebruik van een voorwerp. 2. veel mensen stoppen zodra de symptomen verdwijnen. Vormen van syllogismen. Categorisch redeneren (bijv. Deductief redeneren Bij deductief redeneren trekt men vanuit een reeks van algemene premissen een conclusie over een specifieke gebeurtenis. Mentale modellen Naïeve theorieën over hoe dingen werken (intuïties. 1. de straat is nat.2 Redeneren Redeneren is nauw verwant met probleemoplossend gedrag en heeft betrekking op het evalueren van de waarheid of de waarschijnlijkheid van verklaringen. 2. Voorwaardelijk redeneren (bovenstaand voorbeeld). (bijv. (dit is een geldig syllogisme). Het heeft geregend. 35 . Andere manier is door middel van brainstormen is ideeën spuien zonder te evalueren.. dan is de straat nat. type syllogisme. Als het geregend heeft. kennis en overtuigingen die we hebben over onderwerpen en die ons helpen om dat onderwerp te begrijpen = schema’s) worden mentale modellen genoemd. luciferdoosje moet als standaard worden gebruikt. verhouden tov elkaar (is Jan groter dan Wim?) Drie factoren beïnvloeden of de geldigheid van een syllogisme juist beoordeeld wordt of niet. Dit is vooral effectief wanneer men een probleem volledig moet herstructureren. Lineair redeneren. er bestaan verkeerde modellen over antibiotica. komt de geldigheid overeen met de geloofwaardigheid van het besluit. terwijl dan nog niet alle bacteriën gedood zijn.Instelling en functionele gefixeerdheid Instelling rigide verwachtingspatroon over de oplossing van soort problemen die de juiste oplossing van het probleem bemoeilijkt. 1. Wat staat hier? Je moet naar vingers kijken ipv luciferhoutjes).

Of men iets juist oplost of niet heeft te maken of men alle toegelaten toestanden (mentale modellen) vindt of niet. MMR vaccin doet autisme ontwikkelen). classificatie (bijv. 3 probleemtypes 1. op basis van individuele observaties formuleren onderzoekers ideeën over algemeen geldende processen die een goede kans maken om de observaties te verklaren. Gevoeligheid de mogelijkheid om een stimulus van de achtergrondruis te onderscheiden (hoe harder het geluid. Antwoordcriterium bereidheid van de proefpersoon om ja te zeggen (hoe sterk moet de evidentie zijn voordat de proefpersoon ja durft te zeggen) 36 . 1992) gaat uit van het feit dat deductief redeneren te maken heeft met het feit dat men mentale modellen maakt op basis van de premissen ipv het simpel toepassen van regels. Mentale modellentheorie (Jonson-Laird. vinden van analogieën De confirmatieneiging Confirmatieneiging houdt in dat mensen meer belang hechten aan evidentie die hun overtuigingen bevestigt dan aan evidentie die hun overtuigingen in twijfel trekt. Verklaringen voor deductief redeneren Mensen redeneren niet spontaan volgens de regels van de logica. 3. personen die hoog scoren op intelligentietest scoren beter dan personen die minder intelligent zijn en personen in culturen waar het niet verplicht is om naar school te gaan.3. Illusoire correlatie een verband dat op basis van inductief redeneren gevonden wordt maar niet juist blijkt te zijn (bijv. hoe groter de kans op ja) 2. Inductief redeneren Inductief redeneren is een redeneerproces waarbij men vanuit specifieke gevallen tot algemene conclusies komt. stoel bed tafel eten) 2. Dit vormt de basis van wetenschappelijke ontdekkingen. 2. aanvullen van reeksen 3.3 Beslissingen nemen Het signaaldetectiemodel Welke signalen kunnen proefpersonen waarnemen en welke niet? 1. De regels van de logica stemmen niet altijd overeen met de betekenis die mensen spontaan aan de gebruikte woorden geven. Hier zijn drie redenen voor: 1. Geloofwaardigheid van besluit mensen baseren hier grotendeels hun antwoord op. 9.

van de 600 mensen zullen 400 mensen sterven of 200 mensen worden gered. Subjectief verwachte nut berekenen 1. Bijv. Beschikbaarheidsheuristiek hoe toegankelijker een geheugenspoor is. hier worden door medici naar verloop van tijd ook weer heuristieken gebruikt ipv slaafs volgen van het programma Factoren die een rol spelen bij het antwoordcriterium Het anwoordcriterium wordt vooral bepaald door de gevolgen van de beslissingen. de waarde hiervan bepalen (wat vind ik erger) 3. Dwaling van de gokker men heeft het idee dat hoe vaker hij verloren heeft. Hier kunnen fouten in ontstaan. 1981) beslissingen worden eveneens beïnvloed door het feit of de gevolgen verwoord worden in termen van winst of verlies. 7 jongens geboren. de verwachte kans van elk kenmerk berekenen (wat is de kans dat ik mijn tentamen niet haal als ik nu niet studeer) Meestal maken mensen echter gebruik van heuristieken om een beslissing te nemen.en nadelen van een keuze afwegen 2. diagnosticeren van ziektes). bovendien moet je de voor. keuze voor vakantie waar zelf voor betaald is). huidige gedrag kan voortgezet worden. 1. Hindsight bias verwijst naar de neiging van mensen om de voorspelbaarheid van een gevolg van een beslissing te overschatten zodra het gevolg bekend is. zullen op basis van minder sterke evidentie genomen worden dan beslissingen die tot een negatief gevolg leiden. informatie uit de media beïnvloed ons. Technologische ondersteuning wordt gebruikt om mensen te helpen bij het nemen van beslissingen (bijv. geld en energie is ingestoken wordt soms voor gekozen. Representativiteitsheuristiek neiging om de homogeniteit binnen een categorie/ concept te overschatten (bijv. Het formuleringseffect (the framing effect) (Tversky en Kahneman. 2. hoe meer invloed het zal hebben op de uiteindelijke beslissing (bijv. Dagelijkse situaties vaak alternatieven uit meerdere dimensies (studeren of bioscoop zitten meerdere positieve en negatieve kanten).en nadelen zelf bedenken. Beslissingen evalueren. 3. hoe groter de kans is dat hij gaat winnen 4. alle voor. Beslissingen die tot een positief gevolg leiden. terwijl een ander alternatief beter is (bijv. als men onmiddellijke verlichting van het probleem kan verkrijgen is men geneigd hiervoor te kiezen. Emotionele vertekening Beslissingen gaan gepaard met emotionele vertekening. Bijv. Effect van gemaakte kosten hetgeen waar tijd. kan geen toeval zijn). beslissingen kunnen vermeden worden of verantwoordelijkheid wordt afgeschoven.Factoren die de perceptie van het signaal beïnvloeden Werkelijkheid is ingewikkelder dan bovenstaande proeven. “Ik heb het altijd geweten”. 37 .

4 In hoeverre wordt het denken beïnvloed door de taal? Linguïstische determinisme hetgeen mensen denken en de manier waarop ze dit doen. 1. Als een taal slechts twee termen heeft voor deze ruimte. wordt volledig door de taal bepaald. Taal en sociale cognitie De taal die men spreekt kan invloed hebben op de manier waarop men andere mensen percipieert. motivaties kunnen het gedrag in een bepaalde richting trekken door doelen die aantrekken of afstoten Motivatie en behoeften Omgang met lichamelijke basisbehoeften. Verschillende theorieën. Dit is evidentie voor linguïstische relativiteit. Bij het roteren van een tafel waarin aangegeven moet worden hoe het één tov het andere verhoudt verschilt dit per groep of dit relatief of absoluut wordt bekeken. tijd en ruimte Taal heeft invloed op de ruimtelijke perceptie. 1. motivaties kunnen het gedrag in een bepaalde richting duwen als gevolg van behoeften 2. Taal. typische Engelsman). de intensiteit (hoeveelheid inspanning) en de volharding (hoe lang houd je het vol) van het gedrag. Linguïstische relativiteit taal van de mensen heeft invloed op hun denken is niet de enige bepalende factor. maar niet voor determinisme. 10. Hoofdstuk 10 Motivatie en emotie Motivatie verwijst naar de factoren die ertoe leiden dat een individu zich op een bepaald moment op een bepaalde manier gedraagt. werd wel of niet een stereoptype geactiveerd (bijv. honger = eten). dan wordt het groene gedeelte verdeeld over de twee termen. vogel. Bijv. Streven naar homeostase een lichamelijke evenwichtstoestand die door individuen in stand wordt gehouden (bijv.9. Motivatie beïnvloed de richting (welke doelen). tweetalige personen. Onderzoek heeft hier evidentie voor gevonden. 38 . Taal en kleurperceptie Kinderen leren de kleurnamen veel moeizamer dan categorische woorden als bijv.1 Soorten motivatie Er zijn twee manieren waarop de richting van het gedrag beïnvloed kan worden. afhankelijk van de taal waarin de personen iets lazen.

angst voor slangen. Goal-setting theory van Locke (1981) 1. behoefte aan zelfactualisatie. behoefte om erbij te horen en liefde te krijgen 4. Extrinsieke motivatie is motivatie die om bepaalde activiteiten te vertonen omdat deze activiteiten leiden tot het bereiken van een ander doel (bijv. Als deze niet bevredigd werd dan resulteert dit in een drift. teveel spanning. behoefte aan kinderen). 2 behoefte aan veiligheid. fysiologische deficits geven aanleiding tot een lichamelijke behoefte. die het gedrag stuurt. Sommige mensen worden vooral gemotiveerd door doelen op korte termijn anderen hebben een lang toekomstperspectief. motivaties worden verondersteld voort te komen uit huidig functioneren.2. 4. De prestatie hangt ook af van het engagement dat men aangaat om het doel te bereiken 10. sensatiezoekers of thrill seekers). Problemen met deze theorie is dat soms hoe groter de voldoening een persoon vindt in de vervulling van een bepaalde behoefte (bijv.2 Honger Biologische signalen voor honger en verzadiging Kortetermijnsignalen 39 . vooral op stabiele situatie gericht en niet op ontwikkeling 2. geld. Drifttheorie van Hull (1943) is hierop gebaseerd. moeilijk om motivaties te begrijpen die afhankelijk zijn van toekomstverwachtingen Daarom denkkader vanuit doelstellingen. negatieve visie. 5. Hoe hoger het doel gesteld wordt. 1. eten) hoe belangrijker die behoefte wordt en de volgorde lijkt niet voor iedereen hetzelfde. 3. waarderingsbehoefte 5. De motivatie hangt af van de waarde die aan het doel gehecht wordt en de verwachting die een persoon heeft over de kans om het doel te kunnen bereiken. dit zijn onvrijwillige gedragingen die uitgelokt worden door een stimulus en een genetische basis hebben (bijv. Verschillen in individuen is verschillen in opwindingsniveaus (bijv. Opwindingstheorie (arousal theory) mensen en dieren streven naar een optimaal opwindingsniveau. moeilijkheden om zelfdestructief gedrag te verklaren 3. Motivatie ontstaat doordat een doel een aantrekkingskracht heeft 2. Een doel is een cognitieve representatie van een gewenste of ongewenste eindtoestand. iemand een plezier doen). Instincttheorie gedragingen worden bepaald door instincten. Te weinig opwinding is te saai. fysiologische behoeften. zuigreflex. Toekomstperspectief verwijst naar de tijdsafstand van de doelen die men nastreeft. zekerheid 3. hoe beter de prestatie zal zijn 3. Motivatie en doelen Kritieken op motivatietheorieën op basis van behoeften. Motivatietheorie van Maslow Onderscheid tussen vijf soorten behoeften in hiërarchische volgorde 1. Intrinsieke motivatie is motivatie gericht op het uitvoeren van een activiteit wegens het plezier dat men vindt in de activiteit zelf en de voldoening die men haalt uit het voltooien van de activiteit.

1. veel tijd en energie in het vinden van een juiste sekspartner 2. suikergehalte in het bloed. 2. Hormonen hebben invloed op seksueel gedrag. 40 . kauwen en proeven geeft bevrediging 4. Gevuldheid maag 3. 3. CCK = cholecystokinine geeft verzadigingsgevoel 5. Cellen die vet opslaan hebben genen die leptine produceren afhankelijk van de hoeveelheid vet die aanwezig is. iets zoets na het eten gaat nog (lichaam heeft ook variatie nodig) Gewichtsregeling op lange termijn 1.3 Seks nadelen seksueel gedrag. Streefgewicht het stabiele gewicht dat een lichaam op lange termijn probeert te handhaven. Maagspecifieke verzadiging. eten mensen ook veel. Leptine in bloed doet honger afnemen. Gewoonte om dubbele porties te nemen 10. Coolidge-effect mannen worden opgewonden door de aanwezigheid van een nieuwe partner. Ook presteren mannen beter op ruimtelijke kennis en vrouwen op verbale vlotheid. frustratie en agressie wegens ontbreken van partner voordelen 1. Na gemeenschap met een partner brengt de introductie van een nieuwe partner meestal snellere hernieuwde activiteit teweeg. Indien honger dan is er een verlaging van het glucosegehalte in het bloed. bijv. 2. genetische diversiteit door samensmelten van 2 individuen Hormonen en seksueel gedrag De belangrijkste geslachtshormonen zijn ‘vrouwelijke’ hormonen oestrogeen en progesteron en het ‘mannelijke’ hormoon testosteron. verspreiding van levensbedreigende bacteriën en virussen 4. Als hormoonspiegel testosteron en bij vrouwen ook oestrogeen het hoogst is (tussen twee menstruaties) meer behoefte aan seks. Hoeveelheid vet.1. moment van geslachtsgemeenschap is een moment van verhoogde kwetsbaarheid 3. maar op de weegschaal Vast ritme zorgt dat we altijd eten. eerder vermijden van honger dan aanvullen van een tekort aan voedsel Eten kan ook gevoelens van angst of depressie ontvluchten In een groep die veel eet. Hypothalamus speelt een cruciale rol bij honger en verzadiging Cognitieve en sociaal-culturele invloeden Er is een overvloed aan voedsel Diëten zorgt ervoor dat we niet meer op signalen in ons lichaam letten.

daarom gaan mensen deze situaties vermijden waarvan ze verwachten dat die zal mislukken.4 Prestatiemotivatie Prestatiemotivatie is de motivatie om iets te verwezenlijken en dit goed te doen. zoals blijkt uit onderzoek naar eeneiige tweelingen. Biologisch -Waarschijnlijk gen op X-chromosoom -Hormoonspiegel in de baarmoeder. zodat het niet erg is als je niet slaagt. Negatieve egodoelen vermijden uit angst negatief beoordeeld te worden. 3. taakmotivatie men wil de activiteit tot een goed einde brengen (komt overeen met prestatiedrang) 2. teveel/ te weinig testosteron verhoogde kans op lesbisch/ homo -anatomische verschillen in de kern en omgeving van hypothalamus -meer zonen. Een manier om aan faalangst te ontsnappen is zelfhandicappen. Mannen die zeggen dat ze biseksueel zijn. niet volop kunnen studeren. meer antistoffen in de baarmoeder tegen zonen Biseksualiteit komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Elliot (1999) = doelgerichte prestatiemotivatie wordt bepaald door drie componenten 1. egodoelen zijn gericht op het prestatieniveau en op de positie ten opzichte van anderen. geven toch voorkeur voor eerder heteroseksueel of homoseksueel (filmfragmenten).Sociaal-culturele factoren Problemen met vragenlijsten over seksualiteit is dat mensen sociaalwenselijke antwoorden geven. mocht je onverhoopt toch slagen dan ben je erg slim. het beter willen doen dan anderen en zo bekwaamheid tonen. 10. Faalangst een angst die voorkomt uit de schaamte die men voelt bij een mislukking. Deze factoren kunnen een rol hebben gespeeld bij het Kinseyrapport (1950). Komt overeen met faalangst. De verschillende componenten van prestatiemotivatie McCelland (1953) = beperkt tot intrinsieke motivatie voor doelen die een individu zichzelf stelt. Positieve egodoelen lokken toenadering uit. de steekproef niet representatief is en overschatting van de ondervraagden over het aantal keer seks dat ze hebben. Prestatiemotivatie wordt geleerd 41 . bijv. Prestatiedrang is de behoefte om iets te verwezenlijken en dit goed te doen. Homoseksualiteit en biseksualiteit De oorsprong van seksuele geaardheid is deels biologisch en deels cognitief en sociaal.

Evidentie dat prestatiemotivatie wordt geleerd; Onderzoek naar invloed van ouders op prestatiemotivatie; a. De mate van stimulatie thuis b. Autonome opvoedingsstijl versus controlerende c. Geloof van ouders in de vaardigheden (bijv. meisjes kunnen minder goed wiskunde) d. Bekrachtiging van uitdagende activiteiten via successieve benadering e. Zelfregulatie jezelf belonen als je iets doet (bijv. studeren) door tastbare beloning (film kijken), expliciete korte termijn doelen (vanavond 1 uur studeren) en realistische doelen (10 bladzijden); rekening houdend met omstandigheden. Perceptie van mislukking - een mislukking volgens een egodoel wordt geïnterpreteerd als men ervan overtuigd is dat de mislukking te wijten is aan iets wat niet te veranderen is. Bijv. zij zullen mij toch nooit mogen vanwege mijn persoonlijkheid - een mislukking die te wijten is aan een veranderbare eigenschap wordt geïnterpreteerd volgens een taakdoel. Bijv. zij moeten aan mij wennen en daar kan ik mijn best voor doen. Dus je bent minder kwetsbaar als je je concentreert op taakdoelen. - Perceptie van mislukking kan ook verschillen per individu. Sommigen koppelen catastrofale gevolgen aan een mislukking.

10.5 Wat is emotie?
Wisselwerking tussen motivatie en emoties verhoogt onze overlevingskansen (anders waren emoties wel uit het gedragspatroon geëvolueerd. Immers negatieve emoties geven aanzet tot vermijding, positieve gevoelens tot herhaling. Emotie is een reactie op een stimulus die bestaat uit; 1. een fysiologische opwinding die gepaard gaat met gezichtsuitdrukking en bepaalde gedragingen 2. evaluatie van de stimulus 3. een subjectieve ervaring

10.6 De lichamelijke component van emoties
De gezichtsuitdrukking van emoties
Primaire emoties (Exkman 1999) vond zes emoties die door de meerderheid van de mensen herkend werden; droefheid, blijheid, angst, woede, verrassing en walging/ minachting. Culturele uitingsregels wat mag je wel en wat niet tonen in een bepaalde cultuur (bijv. Japanners blijven glimlachen bij het zien van een zeer stresserende film). Hypothese over gezichtsfeedback de emotionele ervaring van een persoon versterkt of verzwakt door de bijbehorende gezichtsuitdrukking (bijv. pen in je mond met mond open = blij of mond dicht = droevig). Iemand die door verlamming niet meer kan glimlachen heeft een vergrote kans op depressie.

42

De rol van het sympathische zenuwstelsel
Leugendetector meet activiteit van sympathische zenuwstelsel. Daarom controlevragen van Waar was je gisteren en Heb je ooit gereden terwijl je dronken was. Iemand die niet liegt ondervindt van beiden stress. Guilty of knowledge dia’s laten zien van diverse voorwerpen inclusief het moordwapen. Dit geeft hogere betrouwbaarheid. Fysiologische opwinding verhoogt de ervaring van emoties (bijv. 2 minuten hardlopen versterkt aantrekkingsgevoel tov 15 seconden hardlopen). Mensen kunnen zo emoties toeschrijven aan de verkeerde bron. Fysiologische opwinding is niet noodzakelijk. Bijv. bij patiënten met een letsel aan ruggengraat die niet meer in staat waren informatie uit sympathische zenuwstelsel te halen, voelden nog steeds emoties maar niet meer bij alle stimuli en ook in mindere mate.

10.7 Staan emoties onder cognitieve controle?
Drie verschillende theorieën
James-Lange-theorie Door het zien van een angstaanjagende stimulus (bijv. slang) krijg je een reflexmatige lichamelijke reactie waardoor er een adrenalinestoot in je bloed komt die zorgt voor een specifiek patroon van lichamelijke opwinding (bijv. hartkloppingen), daardoor voel je angst. Deze theorie is niet volledig houdbaar, bijv. als je adrenaline ingespoten krijgt, voel je wel lichamelijke opwinding, maar geen emoties. Cannon-Bard-theorie Activatie sympathische zenuwstel en ervaren van de emotie gebeurd gelijktijdig. Theorie van de cognitieve beoordeling (cognitieve appraisal) Voordat fysiologische opwinding en emotie ervaren wordt, heeft deze eerst een cognitieve beoordeling van de situatie ondergaan. Je moet immers weten of je bang moet zijn voor de slang. Alle theorieën bevatten een kern van waarheid.

Onbewuste processen bij de stimulusbeoordeling
Heel wat cognitieve processen gebeuren onbewust. Ook emotionele processen kunnen zonder bewustzijn tot stand komen, bijv. Amygdala reageert wel direct bij bijv. kwaad kijkende gezichten. Maar ook op woorden als bijv. doden (dit kan niet van evolutionair perspectief, dus is er eerst een cognitie aan voor gegaan). Ook mensen met prosopagnosie (geen gezichten meer kunnen herkennen), toch lichamelijke reactie als ze foto’s zijn van een bekende. Capgraswaan iemand kan wel mensen uit zijn omgeving herkennen, maar deze geven niet langer een vertrouwd gevoel (dubbelgangstergevoel). De bewuste route is wel bewaard, maar de onbewuste is beschadigd. 43

Cognities beïnvloeden de subjectieve ervaring
Ingewikkelde emoties kunnen niet zonder cognitie tot stand komen, bijv. spijt waarbij de acties die ondernomen zijn geresulteerd hebben in gevolgen die minder aangenaam zijn dan de gevolgen die ze hadden kunnen ervaren door andere acties te ondernemen. Ook bijv. opluchting en ontgoocheling. Nadenken over gevolgen die niet gebeurd zijn vergt cognitie. Gross (2002); cognities kunnen automatisch uitgelokte emoties regelen, door; 1. Onderdrukken van emoties (door veranderen van gedrag) 2. Herbeoordeling van emoties (door andere betekenis geven aan stimuli) Cognities kunnen emoties ook versterken en andersom. Bijv. hoe langer hoe meer ik over de situatie nadenk, hoe kwader ik word.

Invloed van emoties op cognities
Geneigdheid herinneringen op te halen die in overeenstemming zijn met onze emoties. Bijv. depressie, meer aan negatieve dingen denken, ernstigere depressie. Geneigdheid meer aandacht te besteden aan stimuli die in overeenstemming zijn met onze emoties. Ook dubbelzinnige stimuli worden meer geïnterpreteerd o een manier die in overeenstemming is met hun gevoelens.

10.8 De neurowetenschap van emoties
Het limbische systeem
Amygdala, hippocampus, gyrus cinguli. Geen of beschadigde amygdala meer moeite met toenaderingsgevoelens, geen automatische schrikreacties. 2 belangrijke routes; 1. van thalamus (tussenstation zintuigen en primaire sensorische gebieden) naar amygdala; snelle emotionele toenaderings- of vermijdingsreacties op biologisch belangrijke stimuli (zowel aangeboren = instinctief als via klassieke conditionering) 2. vanuit primaire sensorische gebieden in cortex naar amygdala , maakt cognitieve beoordeling mogelijk. Informatie uit amygdala wordt doorgestuurd naar de hypothalamus, die zorgt voor initiatie van de reactie in het sympathische zenuwstelsel. Het leggen van verbanden tussen emoties en contexten gebeurd grotendeels in de hippocampus (bijv. angst voor skinnerbox). Letsels aan de voorkant van de gyrus cinguli kunnen apathie, emotionele labiliteit en persoonlijkheidsveranderingen tot gevolg hebben. Gyrus cinguli ook betrokken bij voelen van pijn en detecteren van fouten (samen met frontale lobben).

44

zelfs als dit ongepast is. rechterkant (verwerking negatieve stimuli) constant opgewekt. imitatieleren (2 weken oud tong uitsteken als volwassene dit doet) 4.Gebieden in de cortex Cortex voor gecompliceerdere emotionele gedragingen. De Stadiatheorie 1. 11. Ook leert het kind objectpermanentie het besef dat een voorwerp blijft bestaan als je het niet meer kunt zien. Dorsolaterale prefrontale cortex gevoelens integreren binnen de doelstellingen die men nastreeft = controlecentrum voor doelgericht gedrag. wat betekent wenkbrauw fronsen. statistisch leren. sensorimotorische stadium 0 – 2 jaar vooral bezig met waarnemingen (sensorisch) en acties (motorisch) en interacties tussen deze twee. Bijv. daardoor snel verveeld door telkens eenzelfde stimulus 3.1 Cognitieve ontwikkeling 4 bekwaamheden baby’s: 1. selectieve aandacht 2. Ook wel levenslooppsychologie. Schade gaat gepaard met problemen om gevolgen van gedrag op lange termijn in te schatten = verkeerde besluiten. Schema’s zullen steeds complexer worden op basis van. Hoofdstuk 11 Veranderingen in de loop van het leven Ontwikkelingspsychologie De taak van psychologie die onderzoek doet naar veranderingen in vaardigheden en gedragingen tijdens de levensloop en die probeert te achterhalen welke factoren deze veranderingen teweegbrengen of beïnvloeden. Pariëtale cortex gevoelens verstaan. 45 . Orbitofrontale cortex adequaat reageren op complexe beloningen en straffen. 1. Aanvankelijk alleen reflexen. patronen kunnen ontdekken in bijvoorbeeld taal De theorie van Piaget Cognitieve ontwikkeling ontstaat vanuit de acties die het kind uitvoert. combinatie tussen zicht en lopen). Leert de gevolgen tussen deze twee (bijv. emotionele toon waarop we iets zeggen. stimuli kunnen onthouden in semantisch geheugen. Lestel aan linkerkant geeft voortdurend huilerig gedrag (verwerking positieve stimuli). accommodatie aanpassen van schema’s aan afwijkende informatie Belangrijke veranderingen zullen sprongsgewijs gebeuren. In samenwerking met andere gebieden ook correct gedragen. gaandeweg controle over de reflexen doordat ze interne mentale representaties = schema’s van de acties en de bijbehorende voorwerpen vormen. assimilatie nieuwe informatie in een bestaand schema onderbrengen 2.

Bijv. 4. 3. onderzoek wijst echter uit dat baby’s al veel meer kunnen dan Piaget deed vermoeden (poppenkastproef) 2. lettergrepen bestaan uit klanken. b. binnen een stadium zijn de denkprocessen gelijk voor mogelijke problemen waar een kind mee geconfronteerd wordt a. conservatietaken worden naar 5 tot 6 keer oefenen wel goed uitgevoerd Onderschatting van de theorie zit eveneens in het feit dat kennis afhankelijk is van de omgeving en niet slechts van leeftijd. je krijgt weer dezelfde homp klei). Bijv. woorden bestaan uit lettergrepen. 3. omdat ze zich verkijken op het uiterlijk van de dingen. gesproken taal bestaat uit woorden. klei oprollen en daarna samendrukken. kinderen zijn pas in staat om de denkprocessen van een bepaald stadium te leren als ze de kritische leeftijd daarvoor bereikt hebben a. 1. door feedback kun je een kind sneller iets leren. 46 . Continue veranderingen Problemen met theorie van Piaget gaat vooral uit naar wat kinderen nog niet kunnen 3 assumpties van de theorie 1. behoud van aantal hangt samen met het feit in hoeverre het kind al kan tellen (bijv.2. Van belang is wel dat de kinderen begrijpen wat de bedoeling is bij proeven. klanken kunnen worden weergegeven door letters. een eng masker dragen kan angst oproepen als hij in de spiegel kijkt. 3. onderwijs). stadia gaat gepaard met kwalitatieve verschillen in het denken a. overgang van de ene manier van denken naar de andere gebeurt niet voor alle problemen op dezelfde leeftijd. 2. 4. Deze kunnen geoefend worden op school. preoperationele stadium 2 – 7 jaar worsteling met het onderscheid tussen schijn en realiteit. Conservatie is besef dat onderliggende fysische dimensie gelijk blijft ondanks oppervlakkige veranderingen (proef met glazen doen deze kinderen wel goed). Voorbeelden a. Ook proef met twee glazen. een analyse maken van de processen die nodig zijn om een bepaalde taak uit te voeren en in welke mate de kinderen over de nodige capaciteiten beschikken om die processen adequaat uit te voeren. Spanne kortetermijngeheugen verschilt per leeftijd (bijv. 5 jaar moeite om reeks van 4 letters te onthouden en 15 jaar gemakkelijk 6 letters). Alternatief op theorie van Piaget in plaats van uit te gaan welke operaties kinderen van verschillende leeftijden nog niet kunnen uitvoeren. Processen lezen. concreet-operationele stadium 7 – 11 jaar Inzicht in operaties = omkeerbare acties (bijv. Bijv. Echter wel operaties op concrete tastbare problemen. daarom worden in sommige culturen taken sneller opgelost dan in andere culturen. formeel-operationele stadium vanaf 11 jaar inzicht in abstracte hypothetische situaties.

intellectuele baan. Onvoltooide myelinisatie tijdens de adolescentie kan reden zijn waarom jongeren impulsiever en minder doordacht reageren. etc. studie verbeteren resultaten). Gebeurt in 2 fasen.2 Persoonlijke en sociale ontwikkeling Ontwikkeling van het zelfconcept Zelfconcept een accepterende en betrekkelijk objectieve inschatting van eigen persoonlijke aard. Ouderen hebben vooral last met taken waarbij snelheid van belang is. Bijv een proef waarbij een gevraagd wordt om op een punt te fixeren terwijl er links of rechts van dat punt een wit vierkant oplicht. Ontwikkelen subjectieve zelf het besef dat je bestaat. Bijv. Dit wordt geleidelijk ontwikkeld (baby’s zien zich aanvankelijk nog niet los van andere mensen en dingen). reizen. karaktertrekken. herkennen in een spiegel (veegt rode verf af of nog niet). Afname van cognitieve capaciteiten hangt af van de mate waarin hersenen gebruikt werden tijdens de volwassenheid (bijv. 47 . Ontwikkelen objectieve zelf beself dat het zelf stabiele kwaliteiten heeft (geslacht.Naar school gaan Kinderen kunnen meer intellectueel en verwerven tot op een zekere leeftijd allemaal dezelfde kennis. Meer last bij meerdere taken tegelijkertijd uitvoeren (door capaciteit werkgeheugen). Door hormonen een verhoogde emotionele opwinding en verhoogde drang naar nieuwe Cognitieve ontwikkelingen bij het ouder worden Processen worden trager. Voltooid rond eerste levensjaar met objectpermanentie. naam. Inclusief onderwijs alle kinderen samen hetzelfde onderwijs aanbieden Exclusief of gestratificeerd onderwijs kinderen van verschillende niveaus verschillend onderwijs aanbieden Cognitieve ontwikkeling na de pubertijd Cognitieve ontwikkelingen tijdens de adolescentie Onderzoeken Longitudinaal onderzoek dezelfde personen gedurende meerdere jaren volgen Cross-sectioneel onderzoek onderzoek waarbij mensen van een verschillende leeftijd op hetzelfde moment gestest worden Antisaccadetaak onderdrukken van een oogbeweging (saccade).). Deze taak doet een beroep op controlecentrum in de frontale lobben van de hersenen. Presteren echter vaak beter op testen die beroep doen op hoeveelheid opgeslagen kennis. Myelinisatie van axonen gaat door tot op de leeftijd van 18-20 jaar. Deze taak is nog niet volledig ontwikkeld bij adolescenten (blijkt ook uit hersenscans). b. 11. a.

zonder kinderen. Goede oplossing = voldoening.De theorie van Erikson (1950) Het leven bestaat uit 8 sociale en emotionele stadia waarin een psychosociaal conflict moet worden opgelost. Vermijdende kinderen. Kinderen laten zich troosten. Soms agressie. 1978) Onderzoek dmv vreemde situaties (bijv. Vertrouwen versus wantrouwen (eerste levensjaar). 3. Fase van beginnende hechting (6 weken – 7 maanden). (20%) 3. Gehechtheidspatronen (Ainwworth. Vastklampen. zonder kinderen of koppel van 25 met jonge kinderen. naspelen van rollen. Zorgzame ouders versus verwaarlozende ouders. Baby’s bekrachtigen toenaderingsgedrag. Blijvende manier bij te dragen aan de maatschappij. 4. Gedesorganiseerde en gedesoriënteerde kinderen. Autonomie versus schaamte (peutertijd). Op bekende wordt ongeveer hetzelfde gereageerd als onbekende. twee jaar). glimlachen. 2. 7. koppel van 45 met jonge kinderen. wenen. wie vergelijk je met elkaar). kijken houden volwassenen in nauw contact met pasgeborene. Fase voorafgaand aan eigenlijke hechting (0-6 weken). Vlijt versus minderwaardigheid (schoolleeftijd). slechte oplossing = psychische problemen. Samenwerken. Aangeboren signalen als grijpen. 2. ouder gaat weg in speelkamer). Integriteit versus wanhoop. Intimiteit versus isolatie (vroege volwassenheid 18-30) Uitbouwen liefdevolle en intieme relatie. Echter individuele verschillen kunnen groot zijn (bijv. Verward en tegengestelde gedragingen. Begint na de geboorte en ontwikkeld zich gedurende de eerste 2 tot 3 jaar. Initiatief versus schuld (vroege kinderjaren 6-11). 2. Doelgerichtheid. Verwerven van vaardigheden op een positieve manier. Gehechtheidsontwikkeling bij kinderen Gehechtheid is een sterke emotionele binding die we hebben met een beperkt aantal belangrijke personen in ons leven. Angstige/ weerbarstige kinderen. 3. moeilijk te troosten. Biedt een kader voor verschillende uitdagingen in een mensenleven. 1. (Late volwassenheid 60+) Terugkijken op het leven dat er geleid is. 5. Meer positieve reacties op bekenden.(1015%) 4. Bij knuffelen wegkijken. 48 . Begrip waarom ouders soms wel en soms niet aanwezig zijn. 4. 6. Fase van scherp omlijnde gehechtheid (7 maanden – anderhalf. Vorming van een wederkerige relatie (vanaf anderhalf. Identiteit versus rolverwarring (adolescentie12-20). Volwassene wordt als veilige basis gezien. 5-10 procent van de kinderen. twee jaar). Gehechtheidsstadia (Bowlby 1969) 1. Weinig reactie op volwassenen. 8. (60-70%). Generativiteit versus stagnatie (Midden volwassenheid 30-60). 4 types hechtingsrelaties. Antwoorden op wie ben ik. Vlak affect. 1. wat doe ik. Scheidingsangst en vreemdelingenangst valt samen met gevoel van objectpermanentie. Veilig gehechte kinderen.

weinig controle. meisjes poppen). Biologische functioneren. Toegeeflijk. Temperament van het kind Factoren die nagenoeg geen rol spelen bij de hechting. verhoogde kans op delinquentie. nieuwsgierig. Balans tussen discipline en autonomie. 3. Kinderen zijn dikwijls impulsief. gehoorzaamheid. vriendelijk. wordt geslachtstypering genoemd. meisjes die te hoog testosteron aan worden blootgesteld vertonen meer masculien gedrag. Het zoeken naar autonomie bij adolescenten Adolescentie periode tussen de kindertijd en de volwassenheid. ongehoorzaam en opstandig. Factoren die een rol spelen bij de hechting. Gezaghebbende ouders. Gevalsstudie besnijdenis bewijst dat omgevingsfactoren in ieder geval niet altijd overheersen bij geslachtstypering. Autoritaire ouders. Menstruatie. 4. consistentie. Vermijden bestraffing. Lage aanvaarding. Primaire geslachtskenmerken. zelfbewust. Geslachtstypering wordt beïnvloed door biologische en sociale factoren. cognitief en sociaal vlak. Periode van vlugge veranderingen op biologisch. Hoge aanvaarding en betrokkenheid. Permissieve ouders. Minder doorzettingsvermogen. Kenmerken die rechtstreeks verbonden zijn met voortplanting. onzeker. weinig tijd. bezorgdheid) 2. verschaffen van voeding (ijzeren en stoffen aapjes-proef) 2. Kinderen zijn ongehoorzaam. Peuters van 18 maanden vertonen al geslachtsspecifieke voorkeuren (bijv. 1. weinig controle. Adolescentie begint bij pubertijd = periode van lichamelijke ontwikkeling waarin jonge mensen seksueel rijp worden en zich kunnen voortplanten.Tegenwoordig meer onderzoek door gebruik te maken van AQS (Attachment Q-sort). jongens auto’s. Regels. Kinderen worden humeurig. In kinderprogramma’s is vaak geslachtsstereotiepe rolverdeling aanwezig (observerend leren). onverschilligheid. een lijst van 90 gedragingen die onderzoeker meeneemt naar het huis van het kind en gebruikt tijdens een observatiesessie. Opvoeding door ouders (intimiteit. Ejaculatie. Geslachtshormonen. 1. teruggetrokken. 2. Kinderen spelen liever met kinderen van eigen geslacht. Geslachtstypering Het proces waarbij een kind een geslachtsidentiteit aanneemt – het besef een jongen of een meisje te zijn – en sociaal aangepaste mannelijke of vrouwelijke gedragingen vertoont. Verwerpende-verwaarlozende ouders. 49 . culturele verschillen Opvoedingsstijlen (Baumrind 1971) 1. 1. Onafhankelijk.

relaties en jobs. Het idee hebben speciaal en uniek te zijn en dat niets hun kan overkomen. Verhoogde interesse voor het andere geslacht. 30 jaar. Na een aantal jaren begint het weer te klimmen. Begrijpen metaforen. 1-3% streeft een homoseksuele relatie na. Sociale relaties. Systematisch probleemoplossen. Secundaire geslachtskenmerken. 4. Sociaal functioneren 1. Bijv.2. opeisen rechten. verzwaren stem. Dit kan te maken hebben met verhoogde motivatie aan het begin en daarna ervaren van stagnatie. Cognitieve functioneren 1. Zelfaanvaarding 2. 5. Meer paren wonen ongehuwd samen en het aantal huwelijken dat vroegtijdig eindigt ligt tussen een kwart en een derde. Het idee hebben continu bekeken en beoordeeld te worden. Deductief redeneren. Keyes. Grenzen van adolescentie zijn vervroegd en er is een gewrongen situatie ontstaan voor jongeren. Tijdens deze periode veel geëxperimenteerd met verschillende rollen. bij weinigen is financiële onafhankelijkheid aanwezig. het einde is in zicht. Partnerrelaties zijn losser geworden. 1. ontluikende seksualiteit. Dit is wel van belang bij volwassenheid. 3. Masturbatie. 2. Nadenken over hypothetische situaties. (Arnett. Meer mannen (vooral gescheiden) dan vrouwen van middelbare leeftijd wonen alleen. Het krijgen van kinderen correleert met een daling in de relatietevredenheid bij man en vrouw. Gaat gepaard met conflicten. Opkomende volwassenheid Opkomende volwassenheid is de periode tussen 18 jaar en de doorbraak naar de ‘echte’ volwassenheid. fysicaproblemen onderzoeken op systematische wijze ipv lukraak aan het werk te gaan. 2000). Zoektocht naar autonomie. 6. Dit gevoel lijkt bij velen pas rond 30 jaar te komen (gezin stichten). etc. ze worden verondersteld de overgang van adolescentie naar volwassenheid te maken op een leeftijd waarop ze zichzelf nog niet als een volwassene beschouwen. 1995) 1. Het vinden van een juiste balans tussen gezin en werk 2 belangrijke factoren die het welzijn van een volwassene bepalen. 1. Tevredenheid over het werk vertoont een knik met een dieptepunt rond ca. 2. Observeren gedrag en oordeel over de gevolgen. Haargroei. borstontwikkeling. Intieme relatie met een partner en het stichten van een gezin staat centraal. 2. Een deel heeft een LAT-relatie. Moreel besef. Dimensies van arbeidsvreugde (Ryff. Carrière maken. Persoonlijke fabel. Zeggenschap 50 . Veranderingen in het uiterlijk die niet direct met seksuele voortplanting te maken hebben. 2. breder worden heupen. Imaginair publiek. Op hogere leeftijd meer vrouwen dan mannen alleenwonend doordat kinderen van alleenstaande moeders het huis verlaten en dat vrouwen een langere levensverwachting hebben.

2. Trainen van cruciale vaardigheden. Sociale en emotionele intelligentie. Praktische intelligentie. Compensatie. Ook meer bij mensen die vroegtijdig sterven wegens ziekte. 5. Autonomie Positieve relaties Persoonlijke groei Doelgerichtheid Midlife crisis is geen evidentie voor. Selectie Bereik van activiteiten vernauwen. 1990). Goede oplossingen voor dagelijkse problemen en op het werk. Als mensen ouder worden maken ze een levensoverzicht. Tevreden oud worden Succesvol oud worden drie kerndimensies (Rowe. Onderhandelen (ik doe dit. 1996) 1. Aanvaarden Onderzoek toont aan dat deze reactie herkenbaar zijn. Vooral activiteiten uitvoeren die goed gaan. Vooral nodig om goed op school te presteren. 6. Goede lichamelijke gezondheid 2. Naarmate mensen ouder worden. Opstandigheid (waarom ik) 3. 5 stadia als reactie op de dood (Kübler-Ross. Optimalisatie. 51 . Analytische intelligentie. Kahn. Behoud van cognitieve mogelijkheden 3. Manieren zoeken om zwaktes te ondervangen (bijv. hebben ze minder angst voor de dood en aanvaarden ze het gemakkelijker. Ontkenning 2. 4. Blijvend engagement in sociale en productieve activiteiten Ouderen kunnen op een hoog niveau blijven functioneren door een beroep te doen op selectieve optimalisatie met compensatie (echtpaar Baltes. dan komt het wel goed) 4. Hierin wordt de balans opgemaakt van hun leven als het einde nadert. echter zelden in vaste volgorde voorkomen. Hoofdstuk 12 Intelligentie 12. 1997) 1. vaak worden ze afgewisseld. Depressie 5. Hoe goed kan een persoon omgaan met andere mensen in uiteenlopende sociale situaties. geheugensteuntjes). 1. 3. 2. 3.3.1 Wat verstaan mensen onder intelligentie? Intelligentie wordt gewoonlijk verdeeld in drie componenten: 1. Veel steun in geloof.

Binet en Simon (1905) maakten empirisch onderbouwde test waarin mentale leeftijd (ML) kon worden bepaald. Bijv. 6 tot 17 jaar). bestaat volledig uit niet verbaal materiaal en kan in korte tijd groepsgewijs afgenomen worden. Intelligentie staat niet los van de inspanningen die een persoon geleverd heeft om de aanleg tot uiting te brengen. neef van Darwin (1884). WISC III (Wechsler Intelligence Scale for Children. Figuur waarvan een deel ontbreekt. 2. Later ook voor kinderen. Groter aantal items die geen beroep deden op taalkennis.5-7 jaar) en één voor oudere kinderen (5.2 Analytische intelligentie De ontwikkeling van intelligentietests De eerste tests ontwikkeld door sir Francis Galton. 12. Vooral tests die aangeboren potentieel meten (het kan er in zitten. Effectief tot uiting komend. Goed op tests presteren. gevoeligheid voor stimuli en lichaamsproporties. performatie-IQ en totaal-IQ. zodat een aparte score per taak berekend kon worden. oorspronkelijk ontwikkeld voor het leger. Binnen elke subtest oplopende moeilijkheidsgraad. Belangrijkste verschillen met Stanford-Binet test. Stanford-Binet test (1908) door Stanford University aangepast aan Amerikaanse cultuur. maar niet uit komen). Hierbij werden relaties gemeten tussen intelligentie en vaardigheden als reactiesnelheid. 2 versies. 4. IQ werd op andere manier berekend. 1. Veel in Nederland gebruikt. Aanvankelijk voor volwassenen. per taak gemakkelijke en moeilijke items. Oorspronkelijk gemaakt voor dove kinderen en bestaat evenals RPM volledig uit niet-verbaal materiaal. 52 . Aangeboren potentieel tot intelligent gedrag. Stern stelde intelligentiequotiënt of IQ-score voor. Echter hiertussen is geen correlatie. IQ = ML/CL * 100 CL = chronologische leeftijd = echte leeftijd.5-17 jaar). Raven Progressive Matrices test zeer bekende intelligentietest. Dit verwijst naar soort vragen dat een kind kan oplossen. Komt vooral op school tot uiting. Extreme visie zegt dat iedereen zelfde potentieel heeft en dat verschillen volledig verklaard kunnen worden door verschillen in leeromgeving. 3. Wechslertests (1940). zo kon hij onderscheid maken tussen verbale en niet-verbale intelligentie. SON-R (Snijders Oomen Niet-verbale Intelligentietest-Revisie). 1985. 3. ML = 8 jr voor een 6-jr. Werd herzien in 1937. 60 opgaven van verschillende moeilijkheidsgraad. omdat Stanford-Binet test geen duidelijke differentiëring toeliet voor volwassenen (meeste voor kinderen bedoeld). 1960. Onderscheid tussen verbaal-IQ. 2003. Opgaven niet per leeftijd maar per taak 2. Voor kleine kinderen (2.Drie visies over intelligentie 1.

Gesplitste-testbetrouwbaarheid correlatie berekenen tussen de ene helft van de items en de andere helft van de items c. Controle dmv congruente validiteit = proefpersonen een aantal tests laten afnemen en de correlaties tussen de verschillende scores te bereken. Betrouwbaarheid. Predictieve validiteit voorspellen van toekomstig gedrag. 95% tussen 70 en 130. Toetsing betrouwbaarheid dmv a.5 en een goede betrouwbaarheid verondersteld standaardisatie bij testafname en objectiviteit bij het scoren van de resultaten. meet deze intelligentie of een ander kenmerk waarop mensen verschillen maar wat niets met intelligentie van doen heeft. Begripsvaliditeit accuraatheid waarmee een test de psychologische processen meet die binnen een theorie gespecificeerd worden. 68% tussen 85 en 115. Bijv. correleert scores op intelligentiest met schoolprestaties. Als de eerste keer goed wordt gescoord. Hieruit kon een nieuwe IQ berekening worden gemaakt op basis van normaalverdeling. Vormen van testvaliditeit. Inhoudsvaliditeit de mate waarin de gestelde vragen representatief zijn voor het kennisdomein dat men wil meten. Gemiddeld is 100. Test-hertestbetrouwbaarheid tweemaal aanbieden met tussentijd van enkele weken b. GIT = Groninger Intelligentietest Kaufman test Alle tests worden in Nederland beoordeeld door COTAN = Commissie Testaangelegenheden Nederland Kenmerken van intelligentietests Psychometrische test ontwikkeling van objectieve meetinstrumenten of tests voor psychische kwaliteiten zoals intelligentie en persoonlijkheid. a. 2. Bijv. veronderstelling dat oudere kinderen meer opgaven kunnen oplossen. wordt uitgedrukt in correlatiecoëfficiënt (tussen -1 en +1). goede consistentie moet dichtbij +1 zijn . Moeten voldoen aan drie vereisten. 3. Bijv. dan geen opgaven erin die jongere kinderen beter kunnen oplossen. d. c. Validiteit Wat meet de test.Andere tests. = consistentie in resultaten. Factoranalyse stelt psychologen in staat om in een patroon van intercorrelaties tussen verschillende tests taken te identificeren die op een zelfde 53 . De structuur van analytische intelligentie Factoranalyse = een statische techniek die de correlaties tussen testscores onderzoekt en aangeeft welke scores samen veranderen. Criteriumvaliditeit hoe goed correleren testscores met een andere maat voor de vaardigheid die men wil meten (het criterium). Goede normsteekproef moet representatief zijn voor de populatie = totale groep waaruit een steekproef getrokken wordt. b. moet dit ook de tweede keer goed scoren. Paralleltestbetrouwbaarheid vergelijk met andere tests Goede betrouwbaarheid zit nog altijd onzekerheidsmarge in van IQ-score +. hoe goed gaat iemand het in zijn nieuwe job doen. 1.

meet het rijgen van kraaltjes de intelligentie).38). Carrol (1993). 54 . woordenschat) Als twee testen beide een beroep doen op dezelfde soort intelligentie zullen ze hoog met elkaar correleren. Daarna 7 brede intelligentievormen (ook vloeiende en gekristalliseerde intelligentie) 3. Ook voor broer-zus. Het blijkt dat alle onderdelen op subtests van intelligentietests positief en tamelijk hoog met elkaar correleren. ouder-kind correleert het positief. Ofwel vloeiende intelligentie neemt meer af dan gekristalliseerde intelligentie. 1. Catell (student Spearman) stelde 2 algemene intelligentievormen voor. maar een stuk lager dan die van biologische ouders. Intelligentie vermindert pas na 65 jr wijst longitudinaal onderzoek uit. dus mensen zijn intelligent gedeeltelijk omdat zij goede genen van hun biologische ouders hebben meegekregen. Dit verklaart waarom altijd positieve correlaties gevonden worden tussen subtests en intelligentietests. getalrekenen. maar niet waarom correlaties tussen subtests verschillen. Cohort = groep van mensen die in eenzelfde periode opgroeien. Dit vooral voor perfomantietaken en minder voor verbale taken.…) Hoe stabiel zijn IQ-scores? Correlatie loopt terug naarmate de leeftijd van het kind bij vroegere testafname lager was. Dit komt doordat verwerkingssnelheid en capaciteit van het werkgeheugen meer afneemt dan het vermogen om informatie uit het langetermijngeheugen te halen. Vloeiende intelligentie vaardigheid om relaties waar te nemen bij stimuli waar men nog geen of heel weinig ervaring mee heeft (werkgeheugen) 2. Foto’s voorhouden.45).60. 3 lagen intelligentie die samen een hiërarchie vormen. 1992).manier opgelost worden en dus samen een groep vormen (bijv. Spearman (1900) algemene intelligentie = g-factor (general intelligence) speelt een rol bij het oplossen van alle intelligentietaken. Evidentie voor een erfelijke component in IQ-scores Correlaties intelligentie voor zowel samen als apart levende eeneiige tweelingen hoog. Derde laag veelheid aan specifieke factoren (woordvlotheid. 1. Hiervoor introduceerde spearman specifieke mentale vaardigheden = sfactoren. taalbegrip. Echter test-hertestbetrouwbaarheid is laag (+0. factor = verbale vaardigheid die ervoor zorgt dat twee subtests dezelfde resultaten opleveren). Bovenaan algemene intelligentie die alles beïnvloedt. Gekristalliseerde intelligentie mentale vaardigheid om reeds aanwezige informatie uit het lange termijngeheugen op te roepen (bijv. 7 jaar een correlatie van +0. Cross-sectioneel onderzoek geeft een cohort-effect = tijd en omstandigheden waarin een groep opgroeit kunnen invloed hebben op de resultaten van een studie. vaardigheid van jonge kinderen om iets nieuws te detecteren en te coderen. Pas vanaf 6. intelligentere kinderen tonen duidelijkere voorkeur voor nieuwe foto’s (+0. Vernon stelde hiërarchische theorie voor. 2. Beide theorieën niet geheel bevredigend. Kan ook zijn dat validiteit bij tests voor jonge kinderen laag is (bijv. kennisvragen. Ook correlatie tussen adoptieouders is positief. Fagan Test of Infant Intelligence (Fagan. Wanneer twee tests door dezelfde s-factor beinvloedt worden dan hogere correlatie.

hoe meer het zal lijken alsof het milieu er niet toedoet en alle intelligentieverschillen tussen mensen aan erfelijkheid toe te schrijven zij.Evidentie voor een milieucomponent in IQ-scores Uit adoptiestudies blijkt dat kinderen ook positief correleren met de intelligentie van hun adoptieouders. Positieve correlatie tussen volume van hersenen en IQ (+0. 55 . Kinderen die enkel hoogintelligent erfelijk materiaal hadden of enkel in een hoogintelligent milieu geplaatst worden kwamen halverwege het niveau van de hoge en lage groep uit. beter voeding. Waarom is iemand intelligent? 1. Schattingen van de nature-nurture bijdragen in de huidige maatschappij Paradox. Vrouwen iets beter op verbale taken en mannen beter op visuospatiale taken. Neuronale signaal gaat vlugger door goed gemyeliniseerd axon. 3. meer ervaring met getest worden. krijgt men extra informatie over de intelligentie als potentieel om een nieuwe taak te leren. Kinderen behalen lagere IQ-score na vakantie dan ervoor. Het effect van een jaar extra school genoten te hebben is groter op intelligentie dan leeftijdsverschil. Door chemische stof in te spuiten kan long-term potentiation voorkomen worden. Long-term potentiation verbetert geheugen en speelt dus vooral rol bij gekristalliseerde intelligentie. 1997) door te kijken hoeveel training de persoon nodig heeft om een taak juist te leren uitvoeren. Inspuiting in hippocampus verhindert ratten doolhof te leren. Goed werkgeheugen intelligentere mensen hebben een beter werkgeheugen. evidentie dat milieu en erfelijk materiaal ongeveer dezelfde invloed hebben. Potentieeltheorie (De Groot. Ook evidentie voor milieucomponent is Flynn-effect menselijke intelligentie verhoogt met de jaren (3 IQ-punten per 10 jaar). Vloeiende intelligentie neemt af op het moment dat de witte materie in de hersenen afbrokkelt. Inspuiting amygdala verhindert ratten bang te worden voor geluid met schokken (conditionering). Wet van Hebb excitatorische connecties tussen twee neuronen versterken als zij herhaaldelijk samen vuren op een stimulus. naarmate een maatschappij meer inspanningen levert om voor iedereen een zo goed en stimulerend mogelijk milieu te creëren. Testwijsheid training voor intelligentietests heeft positief effect. 2. Synaptische connecties tussen neuronen maken of sterkte van bestaande connecties veranderen. Dit door beter onderwijs. Zijn vrouwen intelligenter dan mannen? Scores op IQ-tests nagenoeg gelijk.20-+0. Deze toestand kan uren tot weken duren = long-term potentiation. Mensen met een hoog IQ hebben minder training nodig dan mensen met een laag IQ. Myelinisatie van axonen.40). Overigens Einsteins hersenvolume was klein. kunnen meer dingen onthouden tijdens het uitvoeren van een taak.

Idiot savant-syndroom lage algemene intelligentie. Intrapersoonlijke intelligentie kennis over zichzelf en haalbare doelen stellen. probleemoplossen. Conventionele intelligentietests 1. Acht vormen van intelligentie. 12. Spatiale intelligentie mogelijkheid om visuele wereld accuraat waar te nemen en percepties te transformeren op basis van verbeelding. Logisch-wiskundige intelligentie vaardigheid in rekenen. belangrijke rol binnen westers onderwijs. Metacognitie intelligentere mensen hebben meer inzicht in welke strategieën ze moeten toepassen (dus niet alleen een berekening kunnen uitvoeren. Daarom beter situatietests.3 Praktische intelligentie De theorieën van Gardner en Sternberg Gardner (1999) mensen hebben soms speciale talenten zonder dat dit gepaard gaat met hoge g-score. muzikaal talent. maar ook zien welke berekening ze moeten toepassen voor welk probleem). Linguïstische intelligentie taalvlotheid.4. taxichauffeurs Specifieke talenten 1. Naturalistische intelligentie levende en natuurlijke organismen herkennen en begrijpen. Architecten. Evidentie voor het belang van praktische intelligentie Mensen redeneren anders in informele settings dan op school. atleten. Interpersoonlijke intelligentie goed met anderen om kunnen gaan 2. journalisten 2. Muzikale intelligentie 2. Andere vorm van specifieke intelligentie bijv. bij het koken gebruiken mensen berekeningen bij het afwegen die ze op school in de vorm van een rekenopgave nooit zouden kunnen oplossen. Theorie van meervoudige intelligenties (Gardner) verklaart buitengewone talenten op een beperkt gebied. Lichaamskinesthetische intelligentie chirurgen. beeldhouwers 3. Aanwezig bij landbouwers en natuurwetenschappers Sociaal-emotionele intelligenties 1. logisch redeneren. emotioneel adequaat reageren Sternberg traditionele intelligentietests en westers onderwijs hechten teveel belang aan problemen die volledig gestructureerd zijn en slechts 1 oplossing(smethode) hebben. dansers. De meeste problemen in het dagelijkse leven zijn echter ondergestructureerd en vereisen dat mensen het probleem zelf herkennen. onthouden van kalenderdagen). wiskundigen 3. Bijv. maar uitblinken in een specfieke vaardigheid (bijv. 56 . dichters.

Andere bekende testen Mayer-Salovey-Caruso Emotional Intelligence Test (MSCEIT) hier worden opgaven aangeboden waar proefpersonen het juiste antwoord moeten geven. scores testuitslag vergelijken met sociale beoordelingen huisgenoten). 1. Assessment center verwijst naar een reeks van technieken waarbij potentiële kandidaten in een gesimuleerde werksituatie geplaatst worden om te zien hoe zijn onder ietwat stresserende omstandigheden presteren. een goede jobanalyse en goede beoordelaars van belang. Emotional Quotient Inventory (EQ-i) Bar-On (1997) 57 . Judgement in social situations (hoe reageer je in bepaalde situaties?) 2. 1849) bestaat uit 5 onderdelen. Emoties percipiëren 2. vergeleken met experts. vaardigheden (bijv. Twee bekendste. Komt meer overeen met persoonlijkheidsvragenlijsten. Memory for names and faces (namen en gezichten onthouden op basis van foto’s) 4. Recognition of the mental state of the speaker (welke emotie wordt uitgedrukt?) 3. Emoties regelen om de persoonlijke groei te bevorderen Tweede werkwijze. emoties percipiëren en beïnvloeden) 2. 12. In-basket test = postbakoefening is een populaire oefening. Emoties begrijpen 4.Tests voor praktische intelligentie Sternberg (2004) een praktische test over het studentenfunctioneren moet ook deel uitmaken van een toegangsexamen voor het hoger onderwijs. 1. Een persoon wordt met hypothetische situaties geconfronteerd en moet aangeven hoe hij hierop zou reageren.) Tests voor sociaal-emotionele intelligentie Eerste test George Washington Social Intelligence Test (1926. tevreden. Correlatie is +0. Emoties gebruiken om het denken te bevorderen 3.4 Sociale en emotionele intelligentie Componenten van de sociaal-emotionele intelligentie Verschillende visies die slechts gedeeltelijk overlappen (Gardner. opstellen van een lijst met uitspraken waarvan proefpersonen moeten aangeven in hoeverre die op hen van toepassing zijn. Voor goede validatie en betrouwbaarheid is o.37. Dit staat bij arbeidspsychologen bekend onder situationele vragenlijst of situationeel interview. stabiele persoonlijkheidseigenschappen (impulsief. Fouten hebben grote negatieve invloed. 1. Observation of human behavior (zijn psychologische uitspraken waar of onwaar) 5.etc. Bar-On). 1.85) maar slechte validiteit (bijv. Goleman. Sense of humor (grappige aanvulling op situatie kiezen) Test had goede betrouwbaarheid (+0. Petrides (2004) destilleerde vijftien kerenelementen die te verdelen zijn in twee grote groepen uit de verschillende modellen.a.

Hoogbegaafde kinderen Mensen met een hoge IQ-score > 137 is 1% of uitzonderlijke talenten op een van de intelligenties van Gardner. grote overeenkomst met praktische intelligentie. weinig initiatief. Syndroom van Down. Emotional Intelligence Scale (EIS) Schutte (1998) Er bestaat onderling weinig congruente validiteit tussen de verschillende testen. moeizaam. niet kunnen plannen) 3. 35 – 49 matig zwakzinnig 3. bij man 1 Xchromosoom (komt dus vaker voor bij mannen). Longitudinale studie toont aan dat mensen met een hoog IQ op 11-jarige leeftijd. 1. < 20 diep zwakzinnig Zwakzinnigheid kan zich uiten op verschillende ontwikkelingsgebieden. moeite te voldoen aan normale sociale eisen) Chromosomale oorzaken 1. Daarnaast ook omgevingsfactoren.5 Abnormale intelligentie Zwakkzinnigheid IQ < 70 en een slecht aanpassingsvermogen wordt zwakzinnigheid genoemd. fragiele X-syndroom. 3 chromosomen van het 21ste paar ipv 2 2. 20-34 ernstig zwakzinnig 4. 50 – 69 licht zwakzinnig 2. COTAN adviseert groep als volgt in te delen. De vraag is dus wat de toegevoegde waarde van deze testen is. belangrijkste. 12. Communicatie (oppervlakkig. verwonding. Motorische ontwikkeling (laat lopen. vaak ook hoog scoort op de sociaalemotionele testen. alcoholgebruik. Leermogelijkheden (traag. Wel is het zo dat iemand die hoog scoort op IQ-testen. Ook ongunstige omgevingsfactoren kunnen een kind met minder aanleg omlaag duwen. onbekende oorzaak (46%). 1. recessieve geslachtschromosoomgebonden aandoening.2.  leven langer  hebben een grotere levenskwaliteit  hebben meer kans om een beroep met een hoge status uit te oefenen 58 . Mensen kunnen daardoor beter omgaan met bepaalde situaties. allebei de X-chromosomen van een vrouw moet de afwijking hebben. slechte coördinatie) 2. Het leren van sociale vaardigheden Situatiespecifiek trainen heeft effect. infectie.

maar toch niet zoveel als men aanvankelijk gehoopt had). Moet het gaan over wat mensen gemeenschappelijk hebben of wat hen van elkaar onderscheidt. Deze driften moeten een uitweg vinden. minder als ze vrouw zijn  niet meer tevreden over hun leven dan mensen met een laag IQ Convergent denken treedt op bij vragen die slechts één juist antwoord hebben Divergent denken treedt op bij vragen waarop veel antwoorden mogelijk zijn (creativiteit en hoogbegaafdheid houdt wel enig verband hiermee. Hoofdstuk 13 De persoonlijkheid Persoonlijkheid de verzameling van stabiele kenmerken (in de tijd en per situatie) die het gedrag. Volledig in het onbewuste. 2. Ich. Es. Datgene waar we niet aan denken. Hier zitten seksuele en agressieve driften die een biologische oorsprong hebben. Grondgedachte was dat mensen zich meestal niet bewust zijn van de echte redenen van hun gedrag. Interactie volgen voort uit drie persoonlijkheden. Eros. Datgene waar we aan denken. Datgene wat niet zondermeer toegankelijk is voor de mens. doodsdrift. Biologisch (dan meer geloof in medicijnen) of verworven op basis van een leerproces 13. 1. Het bewuste. maar wat wel makkelijk herinnerd kan worden. 2. Zorgt ervoor dat er op een doeltreffende manier met de realiteit en lust wordt omgegaan = realiteitsprincipe. Gedragingen bepaald door stabiele kenmerken of door omstandigheden waarin de persoon zich bevindt 4. Freud (1856-1939) is grondlegger van de psychoanalyse. 1. een deel komt voor bij een bepaalde groep en een deel per individu. 2. Persoonlijkheidspsychologie studie van persoonlijkheidskenmerken.1 Drie klassieke visies op de persoonlijkheid Psychoanalyse Zowel persoonlijkheidstheorie als persoonlijkheidstherapie. 59 . 1. 3. Visies persoonlijkheidstheorieën verschillen op vier fundamentele punten van elkaar. de gedachten en gevoelens van een individu bepalen. Lustprincipe spanning verminderd als aan de drift is voldaan. Onderhandelaar tussen realiteit. Thantanos. Deel is menselijk. Es en Über-ich. Mentale activiteiten van de mens bevatten 3 niveaus. Onbewuste. Voorbewuste. Concentreren op huidige functioneren of verleden 3. levensdrift. komen minder in de psychiatrie terecht  hebben meer kans om getrouwd te zijn als ze man zijn. gericht op onmiddellijke voldoening van behoeften.

Kanttekeningen bij humanistische benadering. Humanistische psychologie Rogers (1902-1987). Über-ich. meer culturele en filosofische waarde. zich te actualiseren en te verbeteren. Als er een kloof ontstaat tussen actuele zelf en ideale zelf dan lijdt de persoon. 6 jaar. Verstrengeling van lust en affectie. Mensen hebben ook zelfwaardering nodig = een positief beeld over zichzelf. 5. Latentiefase. Hij ging uit van een positieve kracht = zelfactualisatie = neiging van een organisme om zichzelf in stand te houden. op alles willen zuigen. 1. 2 types anale persoonlijkheid. Persoonlijkheidsvragenlijsten en interviews leveren volgens de psychoanalyse weinig op. roken. De persoonlijkheid maakt een aantal psychoseksuele ontwikkelingen door waarbij elke fase zich op een bepaald lichaamszone richt die de sterkste sensaties produceert. nagelbijten. Fixatie veroorzaakt eetgedrag. Zindelijkheidstraining. 3. Mensen leven in een subjectieve wereld die enkel door henzelf volledig gekend kan worden = fenomenologische realiteit. Orale fase. Verliezen interesse van seksualiteit. 4 jaar. Had moeite met Freuds negatieve kijk op menselijk bestaan. welgestelde. 2. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor de psychoanalyse. onafhankelijker en sociaal verantwoordelijker worden naarmate ze groeien. Houd zich bezig met idealen (ich-ideaal) en goed en fout (het geweten).. Fallische fase. 1. Hij las veel en studeerde af als klinische en ontwikkelingspsycholoog. Mensen hebben positieve aanvaarding nodig = warmte. orthodox-protestantse en hardwerkende ouders. Wel droomanalyse. Genitale fase. Eerste 18 maanden. Zelfactualisatie leidt ertoe dat mensen gedifferentieerder. vrije associatie en projectieve persoonlijkheidstests (inkstvlekken van Rorschach en the Thematic Apperception Test = verhalen vertellen bij ambigue platen). Als alles goed gaat in staat om rol van volwassene op zich te nemen. Anale fase. zorg en liefde van mensen die belangrijk zijn in hun leven. In de opvoeding krijgen kinderen waarderingscondities mee = regels over wat wel en wat niet gedaan kan worden. Het zelf ontstaat bij kinderen. Destructieve acties zijn gevolg van een incongruentie tussen het ware zelf en het zelf dat geconstrueerd werd onder invloed van ongunstige condities. Pubertijd. omdat de krachten die de persoonlijkheid bepalen niet toegankelijk zijn voor het bewuste. Ernstige frustratie kan regressie naar de vorige fase bewerkstelligen. gericht op controle van impulsen. overmatig praten. Omgang met kinderen uit de buurt werd ontmoedigd. Masturbatie. overdreven netjes of juist rebellerend. Fixatie geeft oedipuscomplex of elektracomplex 4. om te groeien naar een volledige realisatie van de aangeboren capaciteiten. Indien het hierbij gefrustreerd raakt volgt fixatie op dat lichaamsdeel. Onderschatting van biologische bijdrage tot de persoonlijkheid 60 . Opgaan in kinderen van hetzelfde geslacht.3.

Pyknisch = kort en dik = vriendelijk. melancholiek = zwarte gal = snel gedeprimeerd. Kelly wees op het belang waarop mensen de werkelijkheid percipiëren. b. sensitief. Veel menselijke cognities komen tot stand via klassieke conditionering. Mensen zijn geen tabula rasa. cholerisch = warm bloed = opgewekt. gedragingen van de persoon. cognities en eigenschappen van de persoon en c. atletisch = gespierd = verlegen. afhankelijk van de vraag of ze bepaalde kenmerken wel of niet bezitten. omgeving. Persoonlijkheidsproblemen dienen behandeld te worden door verkeerde gedragingen te vervangen door betere. categoriseer je de mensen hoofdzakelijk via intelligent/ dom. 2. Bijv. Rotter wees op het belang waarop mensen tegen bepaalde situaties aankijken. Bovendien ervaren cliënten gedachten en gevoelens juist als oorzaak en niet als bijkomstig probleem. Deze theorieën hebben persoonlijkheidspsychologen toch laten vallen (gebeurd wel voor persoonlijkheidsstoornissen). Interne versus Externe Locus of Control = zelf invloed hebben op de situatie of het gevoel hebben dat dingen je overkomen. manisch depressief. Deze gedachte stemt overeen met ons dagelijks taalgebruik. (Kretschmer 1921). verliefd op boeken = schizofrenie. er bestaan persoonlijkheidsverschillen. vier temperamenten (Hippocrates en Galenus). sluit beter aan bij individualistische cultuur dan groepscultuur. In de praktijk blijken deze technieken slechts te werken voor eenvoudige en geïsoleerde fobieën. We bekijken onszelf via dichotome persoonlijke constructies = bijv. dat is een vriendelijk persoon. Chinese mensen bepalen hun zelfbeeld aan de hand van relaties die ze met andere mensen hebben Behaviorisme en cognitieve psychologie Mensen ontstaan vanuit een tabula rasa = onbeschreven blad en zijn het resultaat van een unieke conditioneringgeschiedenis. opgewekt. Bandura en Mischel sociaal cognitieve theorie er bestaan voortdurende interacties tussen a. dan zal de manier waarop je naar iemand kijkt hierdoor bepaalt worden. bijv.2. Persoonlijkheidstypes gebaseerd op lichaamsbouw verband tussen lichaamsbouw en persoonlijkheid is biologisch bepaald. Drie typologieën. operante conditionering en observerend leren. 1. flegmatiek = slijm = koel en afstandelijk. astenisch = tenger = meest normaal (bij onderzoek 61 . sanguinisch = gele gal = snel woedend. 13.2 Het meten van persoonlijkheidsverschillen en de trekbenadering Een voorloper: theorieën over persoonlijkheidstypes Theorie over persoonlijkheidstypes gaat uit van de gedachte dat mensen in een aantal categorieën verdeeld kunnen worden volgens een alles-of-niets principe. Visies van behaviorisme en cognitieve benadering is te simplistisch gebleken.

misdadigers meer atletisch. Hij kwam tot 16 centrale bipolaire trekken. dan 500 woorden. asthenisch meer kleine diefstallen. consciëntieusheid. denken. Betrouwbaarheid met tussentijd van 5 weken is ca. 1 helemaal niet van toepassing – 10 helemaal van toepassing) door proefpersonen beoordelen in hoeverre adjectieven met elkaar correleren.3 Huidig onderzoek naar persoonlijkheidsverschillen 62 . altruïsme. (Sheldon 1941) Endomorf = ingewanden = rond = laconiek. 13. stabiele persoonseigenschap die het gedrag. moet je compenseren met vriendelijkheid). 8 persoonlijkheidstypes van Jung Combinatie van 2 oriëntaties van de psyche = intravert of extravert en 4 manieren van informatieverwerking = gewaarworden. Om deze te meten ontwikkelde hij Eysenck Personality Questionnaire (EPQ). Woordenboek bevat 18. Eén van de eerste persoonlijkheidstests is hierop gebaseerd = Myers-Briggs Type Indicator (MTBI). de gedachten en de gevoelens van een persoon in uiteenlopende situaties beïnvloedt. emotionele stabiliteit en openheid voor ervaringen. oordelen vs percipiëren. dmv onderliggende structuur in adjectieven te vinden wilde hij komen tot een beperkt aantal centrale trekken. Cattell. intuïtie vs waarnemen. voelen. Allport. extraversie. Impliciete persoonlijkheidstheorie baseert zich vooral op uiterlijk van een persoon. mesomorf = spieren = gespierd = avontuurlijk. denken vs voelen. IDWP. De Grote Vijf (Big Five) Door meer factoranalyses op persoonlijkheidstests kwamen onderzoekers tot 5 centrale trekken. Catell (1905-1998). Aan het eind van de test krijg je een lettercode die hiernaar verwijst bijv. Synoniemen en zeldzame woorden weglatend. Eysenck (1916 – 1997). Eysenck een minimum aantal trekken. zonder tegenpool. intuïtief aanvoelen. Gaat uit van 16 persoonlijkheidstypes gebaseerd op 4 dichotomieën = extravert vs introvert. Het ene uiterlijk maakt een betere indruk dan het andere.000 woorden die gebruikt kunnen worden om mensen te beschrijven. Catell probeerde een zo volledig mogelijke beschrijving te geven. Op basis van factoranalyse en beoordelingen van adjectieven dmv cijfers (bijv. 50% (dus de helft van de personen zou elke maand veranderen van persoonlijkheidstype). dik zijn. daardoor gedragen mensen zich anders (bijv. Allport (1887 – 1967). 3. Om deze te meten ontwierp hij Sixteen Personality Factor Questionnaire (16PF). Later ook nog psychotisme. pyknisch meer oplichterij). Meest gebruikte vragenlijksten zijn NEO-PI-R en Five-Factor Personality Inventory (FFPI). Eysenck Persoonlijkheidstrek is een hypothetische. Hij kwam tot introvert – extravert en neurotisch – emotioneel stabiel. ectomorf = botten = knokig = interne gevoelens. Een trek bestaat in de meeste theorieën uit een continuüm tussen twee tegenovergestelde eigenschappen. sociaal en lichamelijk geïnhibreerd.

Bijv. bijv. Objectieve tests. 2. rustig’. Goede normering bij vragenlijsten is belangrijk omdat mensen veranderen of dat ze meer openheid durven te geven (bijv. als je denkt dat iemand die vriendelijk is ook ontspannen is. 3.Hoe kunnen we persoonlijkheidstrekken het best meten? 1. Wat is het relatieve belang van trekken en als-dan-relaties? Sociaal-cognitieve theorie verschillen tussen personen worden vooral bepaald door verschillen in hun leergeschiedenis. onderdanig. mij.5 uur en minder (lijkt weinig). Vragenlijsten en beoordelingsschalen. emotionele en gedragsmatige reacties op stimuli = als-dan-relaties (overtuigingen). Impliciete tests. die tot uiting komen in hun cognitieve. Hoeveel kijk je tv? Hoogste antwoord is 2. mij. hypothese. angst is bespreekbaar). Onduidelijk is of de omstandigheden zorgen voor een andere persoonlijkheid (bijv. impulsievere mensen reageren sneller (ook als ze zich inbeelden dit te zijn. Mensen worden consciëntieuzer en vriendelijker en bij vrouwen neemt neuroticisme af. Een voorbeeld van een goede test is het invullen van EPQ (Eysink Personality Questionnaire) en meten hoe snel dit gaat. dan hogere scores op deze alternatieven bij een extraverte persoon dan introverte persoon. 40-50% van de interindividuele verschillen kunnen worden toegeschreven aan genetische factoren. beurshandelaar). Om dit te ondervangen bevatten veel persoonlijkheidsvragenlijsten een leugenschaal. (groot voorstander was Catell). Hypothese. Omgeving heeft nagenoeg geen invloed. mijn’ en ‘teruggetrokken. Zowel trekbenadering 63 . Het uitvoeren van een taak waarvan verwacht wordt dat individuen met een uiteenlopende persoonlijkheid er anders op zullen reageren. Goede betrouwbaarheid (behalve MBTI). Antwoorden zijn tevens afhankelijk van hoe de vraag wordt gesteld. houd jij je altijd aan je gemaakte beloften? Eerlijke mensen zullen eerder nee antwoorden. maar lage validiteit ivm sociaal wenselijke antwoorden. actief. Meet automatische niet-bewuste cognities van proefpersonen. Bijv. Welke rol speelt de biologie bij persoonlijkheidstrekken? Persoonlijkheidstrekken vooral genetisch bepaald. voor een extraverte persoon is het gemakkelijker om met dezelfde hand te reageren bij ik. Hoe stabiel zijn persoonlijkheidstrekken? Tussen leeftijd en persoonlijkheidsveranderingen bestaat een correlatieverband. Persoonlijkheidstrekken vormen echter slechts een deel van de persoonlijkheidsverschillen.5 uur (lijkt veel) en meer of laagste antwoord is 2. Ook door een groep mensen die graag de baan zou willen hebben een test laten invullen. mijn en zelfverzekerd. Opvoeding heeft in het overig deel wel een groot aandeel. Extraversie blijft gelijk. Meest onderzochte is impliciete associatietest (IAT). de wil om een gezin te stichten). een gezin) of dat de veranderende persoonlijkheid (biologisch) ervoor zorgt dat je een andere omgeving creëert (bijv. zo kun je testen hoe sterk de antwoorden beïnvloed worden door oneerlijkheid. Vragenlijsten worden beïnvloed door impliciete persoonlijkheidstheorie. optimistisch terwijl bij een introverte persoon gemakkelijker is om met dezelfde hand te drukken bij ‘ik. Openheid voor ervaringen neemt bij zowel mannen als vrouwen af (dit is de enige waarop mannen hoger scoren). Moeilijk om betrouwbare en valide tests te ontwerpen.

Andere vragenlijsten. Niet conformeren aan maatschappelijke norm b. c. Prevalentie en oorzaken  2 tot 3 keer zovaak bij mannen als vrouwen 64 .  VPK (Kenmerken van de Persoonlijkheid)  MMPI-2 (Minnesota Multiphasic Personality Inventory-2nd edition) 556 vragen met waar of niet waar antwoorden De antisociale persoonlijkheidsstoornis Diagnosecriteria.30. die gegroepeerd zijn in 3 clusters (a. Onverschilligheid of roekeloosheid f. Aanwijzingen van een gedragsstoornis beginnend voor het 15e jaar 4. 1. angstig en bezorgd gedrag. zonderlinge en excentrieke gedragingen. + niet anders omschreven). Huidige leeftijd tenminste 18 jaar 3. Geen spijtgevoelens hebben 2.als deze benadering bevat een deel van de waarheid. Niet nakomen van verplichtingen g. Correlatie tussen persoonlijkheidstrekken en het gedrag dat men wil voorspellen is zelden hoger dan +0. 13. theatrale en emotionele gedragingen. Voorbeeld als-dan relaties. Antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor tijdens episodes van schizofrenie of manie Een aantal van deze mensen kunnen aanvankelijk een innemende indruk maken. Prikkelbaarheid of agressiviteit e. Geen mentale stoornis (kan wel samengaan). Dit leidt toch nog tot een successcore van 65% ipv 50% (toeval). Impulsiviteit of onvermogen vooruit te plannen d. Oneerlijkheid c. likken naar boven en trappen naar beneden = slijmbaleffect. Persoonlijkheidsstoornissen diagnosticeren Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM IV) 10 beschreven persoonlijkheidsstoornissen. Diepgaand patroon van gebrek en achting voor en schending van rechten van anderen sinds het 15e jaar blijkend uit tenminste 3 van de 7 kenmerken. b. a.4 Persoonlijkheidsstoornissen Persoonlijkheidsstoornis duurzaam patroon (start vanaf vroege leeftijd) van innerlijke ervaringen en gedragingen die binnen de cultuur van de betrokkene afwijken van de verwachtingen en daardoor interfereren met het functioneren van die persoon. Onderzoek vooral binnen psychiatrie. waardoor slachtoffers zich aanvankelijk van geen kwaad bewust zijn.

afwezigheid van schuldgevoelens. noradrenaline. (15% van de gevangenispopulatie). Voorbijgaande. wisselend zelfbeeld of zelfgevoel 4. Krampachtig voorkomen in de steek gelaten te worden. stof die teveel aan neurotransmitters.7-1% van de bevolking.  Andere categorie van anti-sociale persoonlijkheden zijn psychopaten. 1. verminderd vermogen tot waarnemen van angst en schrik disfunctie van amygdala) aan te tonen door schokparadigma = startle paradigm meten ogen knipperen door sterk lawaai te horen. Identiteitsstoornis. beginnend in vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties. maar niet voelen door laag reactiviteitgehalte in het autonome zenuwstelsel). Diagnosecriteria DSM IV Diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties.  Erfelijk (50%) en ongunstige opvoedingsomstandigheden (bijv. overmatig idealiseren en kleineren (zwartwit denken) 3. manipulatie van anderen voor eigen gewin en een sterk opgeblazen gevoel van eigenwaarde = emotioneel kleurenblind (wel begrijpen. Chronisch gevoel van leegte 8. serotonine en dopamine wegwerkt. De borderline persoonlijkheidsstoornis Naam verwijst naar grensgeval (border) tussen neurose (angst. zelfbeeld en emoties en duidelijke impulsiviteit. Prevalentie en oorzaken van de stoornis  0. 75-80% is vrouw (onduidelijkheid oorzaak.  Meer dan 60% van de gevangenisbevolking voldoet aan de criteria van DSM IV. Nederland. Agressief narcisme. voorkomt agressiviteit. Sterk wisselende stemmingen als reactie op gebeurtenissen 7. intense woede of moeite boosheid te beheersen 9. 65 . Impulsiviteit met negatieve gevolgen voor zichzelf op tenminste 2 gebieden (geldverspilling. Slecht functionerend gen en opgroeien in goed milieu wekt nagenoeg geen antisociaal gedrag in de hand. geslachtsverschil of zoeken vrouwen eerder om hulp)  frequent tegen in klinische praktijk met name spoeddiensten door zelfverwonding en zelfmoordpogingen en geestelijke gezondheidscentra. maar nog altijd realiteitsgevoel) en psychose (ernstige wanen en verwarring). komt meer voor in moderne samenlevingen zonder duidelijk sociale normen (Japan 1%.  Meer kans om alcohol of andere middelen te misbruiken. seksueel misbruik). middelengebruik. aan stress gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve verschijnselen Gaat vaak samen met andere mentale stoornis en verzwaart dus problematiek. 2. roekeloos gedrag) 5. Inadequate. Instabiele en intense relaties met anderen. seksualiteit. VS 3 tot 4%)  symptomen lijken milder te worden na de leeftijd van 45 jaar  resultaat van genetische kwetsbaarheid in combinatie met ongunstige milieu-invloeden  slecht functionerend gen op X-chromosoom dat nodig is om monoamine oxidase A (MAOA) aan te maken.Voldoen aan tenminste 5 van de 9 criteria. vreetbuien. Terugkerend patroon tot zelfdoding of zelfverwonding 6.

2. Volgens persoonlijk criterium staat abnormaliteit gelijk met wanneer een persoon chronisch lijdt of wanneer een gedrag door de persoon zelf als nutteloos of schadelijk ervaren wordt. Abnormaal gedrag is niets anders dan gedrag dat zich niet houdt aan de regels en de criteria van de maatschappij. Hoofdstuk 14 Psychopathologie 14. 35-40 jaar 75% normaal bestaan. 2. De kans dat iemand een mentale stoornis vertoont wordt bepaald door de kwetsbaarheid (diathese) van de persoon en de mate van stress in de omgeving. meestal door geslaagde zelfdoding. Symptomen verzachten met de tijd. gedachte dat hysterie resultaat was van een aangeboren zwak neurologisch systeem. Bijv. Volgens sociaal criterium staat abnormaal gedrag gelijk met gedrag dat afwijkt van een maatschappelijke norm. Biologisch perspectief. Sociaal perspectief wijst erop dat de definitie van abnormaliteit cultuurafhankelijk is en dus kan veranderen. Psychopathologie dat deel van de wetenschap dat zich bezighoudt met de aard. Mensen reageren anders op mensen als ze weten dat deze aan een mentale stoornis leidt. homoseksualiteit werd tot 1970 als stoornis beschouwd. 3. 66 . Wordt behandeld met medicijnen en uitzonderingen met hersenchirurgie. de totstandkoming en de mogelijke behandeling en preventie van mentale stoornissen. gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk lijden en een significante daling in het sociale en arbeidsgerelateerde functioneren. sommige soldaten vertonen post-traumatische stressstoornis en anderen niet. 3. 50 jaar 90% normaal bestaan.1 Wat zijn mentale stoornissen? Mentale stoornis = mental disorder betreft een patroon van gedachten. Sociaal perspectief. 10% is vroegtijdig overleden. Bijv. experiment Rosenhan. Bijv. Factoren die een rol spelen bij mentale stoornissen 1. Drie criteria om mentale stoornissen te definiëren Drie criteria om een mentale stoornis te definiëren (niet waterdicht). epilepsie is het gevolg van neuronen in de hersenen die ongecontroleerd beginnen te vuren en hierdoor andere neuronen aanzetten om eveneens te vuren. Persoonlijk lijden. Charcot ontdekte dat dmv hypnose een verlamming teweeg kon worden gebracht of juist opgeheven. On being sane in insane places. Psychologisch perspectief. Diathese-stress-model. Bijv. gedachte dat hysterie te wijten was aan een losgeslagen baarmoeder (hustera = baarmoeder in Grieks) Lichamelijke disfuncties zijn de oorsprong van mentale stoornissen. Bijv. 4. Een grote afwijking van het gemiddelde volgens statisch criterium wordt iemand als abnormaal beschouwd wanneer hij/ zij lager/ hoger scoort dan twee standaarddeviaties onder/ boven het gemiddelde. Het overtreden van een sociale norm. Bijv. 1.

Het syndroom van Asperger Onderscheid met autisme door ontbreken van een klinisch significante beperking in taal en het cognitieve vermogen. 3. taalbegrip)  Ontbreken van symbolisch spel  Behoefte aan structuur. Geen ruimte voor grensgevallen. Mentale stoornissen classficeren. 0. 0. fobieën als overmatige angst voor de tandarts vallen hieronder). Geeft aan om welke klinische stoornis het gaat 2. moeite met theorie of mind. rigide interactiepatronen die het leven en de sociale interacties van een persoon belasten. 1.2 Stoornissen in de kinderleeftijd Als men alle symptomen van de DSM afloopt.05% van de bevolking. motorische 67 .2% van de bevolking. De DSM De DSM-IV gebruikt vijf assen of dimensies om een diagnose te stellen. verklaard kunnen worden vanuit psychische processen. De psychologie volgt dit perspectief niet omdat men ervan overtuigd is dat de effecten die aan geesten toegeschreven worden. Autisme Vast te stellen op de leeftijd van anderhalf jaar. onzekerheid wetenschappelijke status van de stoornis  Gaat om typologieën.2% van de bevolking.  Enkel beschrijvend zonder theoretische basis voor de categorieën. Beschrijft stabiele. 14. 0. Opvallend kenmerk is houterigheid. Bij 3. wordt de categorie pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven gebruikt.  Problemen in de sociale interactie. dan blijkt één op de drie kinderen tussn 4 en 18 jaar een stoornis te vertonen (ook bijv. 5. Kritieken op de DSM  Benadert vanuit medisch model. ziekte die in principe medisch-biologisch behandeld moet worden. maar wel voldoende vertonen om van een stoornis te spreken. Bezetenheid van de geest.5% is het wel problematisch genoeg om professionele hulp te zoeken. Psychosociale en omgevingsgerelateerde stressfactoren. Lichamelijke symptomen en klachten. Diagnose aan normaal tot hoogbegaafde kinderen met autistische symptomen. 4. Een algemene beoordeling van het functioneren van het individu op het moment van afname en gedurende het voorbije jaar (van 1 = volledig disfunctioneren – 100 = superieur functioneren). Demonologische perspectief.5. ca. de gedachten van anderen niet of onvoldoende kunnen lezen  Problemen met communicatie in taal (spreken.  Onderscheid tussen As 1 en 2 niet altijd duidelijk. Grotendeels erfelijk bepaald. herhaling en vaste ritmen Als kinderen niet voldoen aan alle kenmerken. Vier kenmerken vormen de kern van het syndroom volgens de DSM-IV.

6. langer gebruik van het middel dan men van plan was 4. verkeerde identificatie of verkeerde interpretatie van sociale situaties (73%). voorzetten van het gebruik ondanks de wetenschap dat het leidt tot problemen Alcoholmisbruik en –afhankelijkheid  4% van de volwassen bevolking ontwikkelt alcoholafhankelijkheid. tolerantie voor het middel 2. in bepaalde omgeving meer zin krijgen. leerprocessen (stoer zijn). wanen een overtuiging die wordt gehandhaafd ondanks argumenten en evidentie die normalerwijze voldoende zou moeten zijn om haar te weerleggen.4 Psychotische stoornissen Schizofrenie  1% van de bevolking.3)  bij vrouwen ontstaat tussen 25-35 jaar en bij mannen tussen 15 – 25 jaar DSM IV.3 Aan een middel gebonden stoornissen Wanneer een persoon een psychoactief middel gebruikt waaronder de eigen gezondheid. Moeite met figuurlijke taal en moppen. bijv. die elk gedurende 1 maand voor een belangrijk deel van de tijd moeten aanwezig zijn. conditionering. 1. 14. De overtuiging dat normale voorwerpen of gedragingen van andere personen een bijzondere betekenis hebben en relevant zijn voor de patiënt (meestal in negatieve zin). 14. Voortgezet drinken veroorzaakt traagheid. geheime boodschappen in een boek 68 . capgraswaan. Betrekkingswaan (63%). de sociale relaties en/ of het werk beginnen te lijden. hoe minder reactie op alcohol hoe groter kans op afhankelijkheid 1/3  Omstandigheden waarin iemand opgroeit 1/3  Psychologisch. Afhankelijkheid wordt gedefinieerd als misbruik dat gepaard gaat met minstens drie van de volgende kenmerken. besteden van een groot deel van de tijd om aan het middel te komen 6. anderzijds onderdrukt inhibitorische centra waardoor de vitaliteit toeneemt. Alcoholisme is laag bij groepen waar het verboden is alcohol te gebruiken. a. uiteindelijk de dood  Evidentie voor erfelijkheid. slaap. verlies van bewustzijn.ontwikkeling is trager en blijft bijna altijd stuntelig.7% van de mannen en 1.  Alcohol werkt enerzijds als kalmeringsmiddel. 40% van de psychiatriepatiënten  iets meer mannen dan vrouwen (1. Soms extreme feitenkennis. 1. weinig succesvolle pogingen om het gebruik in de hand te houden 5. Vaak voorkeur voor wetenschapsjargon die niet bij hun leeftijd past. een persoon is in werkelijkheid iemand anders b.3% van de vrouwen. dan heeft die persoon een aan een middel geboden stoornis. ontwenningsverschijnselen bij afwezigheid van het middel 3. 2 of meer symptomen. Hierdoor problemen om netjes te eten en zich verzorgd te kleden.

De overtuiging dat men niet meer uit vrije wil denkt. ongewone houding. patiënt is ervan overtuigd iemand belangrijks te zijn. Gaan gepaard met abnormale activiteit in het limbische systeem en reageren doorgaans goed op antipsychotische middelen. Grootheidswaan. vooral abnormale activiteit in frontale lobben. emotieloos Positieve symptomen iets wordt aan het normale functioneren toegevoegd (bijv. obscene en bizarre gebaren 5. Soms gepaard met wanen. hallucinaties. ernstig chaotisch of katatoon (bewegingsloos. e. lange tijd zwijgen) gedrag vervlakking van affect. reageert minder goed op antipsychotische middelen. emotionele verwarring en afvlakking. Bijv. 2. handelt of voelt. Dopaminebanen actief bij limbische systeem (emoties). De overtuiging dat gedachten uitgezonden worden (22%). wat er gezegd wordt heeft geen betekenis en sluit niet aan op het gesprek.2. Bovenstaande vaak onderdeel van algemenere achtervolgingswaan. Gedesorganiseerde type vaak op jonge leeftijd. Resttype lichtere indicaties van schizofrenie Oorzaken van schizofrenie Biologische factoren  erfelijkheid (50% als beide ouders het hebben)  geneesmiddelen werken  klassieke dopaminehypothese schizofreniepatiënten lijden ofwel aan te hoge concentraties dopamine ofwel extreem hoge gevoeligheid voor dopamine. Problemen met gevoelsuiting (bijv. bewegingsarmoede. Negatieve symptomen ontbreekt iets aan normaal functioneren. c. Paranoïde type wanen en hallucinaties 4. hallucinaties perceptuele ervaringen zonder bijbehorende fysische stimulus. Dit lijkt vooral op te gaan voor positieve symptomen. apathie. vreemd wezen in hersenen) d. armoede van spraak en gedachten. overtuiging dat eigen gedachten duidelijk te horen en te volgen zijn. Ongedifferentieerde type snel veranderende mix van belangrijkste symptomen van schizofrenie 3. frontale cortex (controleren van gedragingen) en subcorticale systemen (vlotte uitvoering van bewegingen). 1. onnozelheid. 69 . samenzwering. negatieve symptomen eerder te weinig gevoeligheid voor dopamine. wanen en geagiteerde bewegingen). doelloos geagiteerd bewegen. overtuiging dat andere mensen deel kunnen nemen aan gedachten van patiënt. 2. ongepast gelach. Katatone type afwisseling van extreme agitatie en verregaande teruggetrokkenheid. Types van schizofrenie In DSM IV vijf subtypes. Beïnvloedingswaan (50%). horen van stemmen. 5. maar gecontroleerd wordt door een instantie van buitenaf (bijv. 1. 3. f. onsamenhangende spraak. Psychische factoren Psychologisch onderzoek richt zich op de manier waarop men de patiënt en de familie kan helpen hiermee om te gaan. affectvervlakking). 4.

Dus wanen per cultuur verschillend. depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag 2. 1 of 2 moet aanwezig zijn. onvermogen tot concentratie of besluiteloosheid 9. DSM IV. transculturele psychiatrie 14. moeheid of verlies aan energie 7.. verandering in slaappatroon 5. vijf of meer van de symptomen zijn binnen een periode van 2 weken aanwezig geweest.Sociale factoren  Stressfactoren vergroten de kans op ontwikkelen of weer terugkomen van schizofrenie. psychomotorische agitatie of remming 6. 1. meetal minder intens is dan een emotie en niet gericht op een bepaalde stimulus. gewichtsverandering 4. anderzijds hyperkritisch en wrokkig (denken dat patiënten zelf een behoorlijke mate van controle hebben over de symptomen). studenten Oorzaken depressie Biologische factoren  Erfelijk  Activiteit van neuronen die via serotonine met elkaar communiceren is verlaagd (medicatie kan serotonine-heropname inhibitoren wordt ook voorschreven bij bijv. werklozen 3. 1. Bipolaire stoornis Een opeenvolging van een of meerdere manische (toestand van intense en onrealistische gevoelens van opwinding en euforie) en depressieve episodes. zich isolerende mannen 2.5 Stemmingsstoornissen Een stemming is een emotionele toestand die tamelijk lang duurt (uren tot maanden).  Expressed emotion omgangsvorm waarbij enerzijds de leden van het gezin sterk begaan zijn met de betrokkene en overbezorgd. uit de echt gescheiden moeders 4. Depressieve stoornis Ervaring van somberheid en neerslachtigheid. Stemmingsstoornissen ernstige verstoringen in de stemming die leiden tot buitensporige neerslachtigheid of opgetogenheid. terugkerende gedachten aan de dood of suïcide Grote risicogroepen. 70 . duidelijke vermindering van interesse of plezier grootste deel van de dag 3. gevoelens van waardeloosheid 8. komt meer voor in prestatiegerichte culturen (Westerse culturen)  Nu minder religieuze wanen dan 50 jaar geleden.

bekrachtiging (negatief = vermijding en positief = aandacht)  Sociale fobie algemene angst om negatief beoordeeld te worden en in verlegenheid gebracht te worden in een veelheid van sociale situaties. Psychische factoren  Freud. depressie is gevolg van negatieve gedachten. depressieve mensen hebben zichzelf geleerd om zichzelf te beschouwen als iemand die geen controle of invloed meer heeft op de gebeurtenissen om zich heen. Interne/ globale/ stabiele attributie verhoogde kans op depressie  Neiging tot piekeren verhoogd de kans op depressie (met name vrouwen). ongeval). Ook verlaagde noradrenaline activiteit (vertraagde bewegingen. waarbij de agressie zich naar binnen richt  Lewinshohn. toekomst. Fobieën  Specifieke fobieën zijn intense angstreacties op voorwerpen of activiteiten waarvan het gevaar niet in verhouding staat tot de hevigheid van de reactie. ongezond = bijv. hoogtes). eetstoornissen). Gedeelte irritatie is de manier waarop een persoon situaties percipieert en op reageert (psychisch). globaal/ specifiek (situatie). intern/ extern. aangeboren hulpeloosheid. leerpsychologie. Mannen vertonen eerder ontsnappingsgedrag. vooral meer jongeren 14.angststoornissen. Zorgen over zichzelf. geen zeggenschap)  Al dan niet hebben van een ondersteunende partner. sporten. waardoor men zich nog meer gaat terugtrekken  Beck.  Vrouwen vaker slachtoffer van geweld (seksueel. spinnen. stabiel/ veranderbaar (altijd?). familieleden. die voortkomen uit negatieve schema’s opgedaan door negatieve ervaringen  Seligman.6 Angststoornissen Angststoornis is een ernstige en aanhoudende vorm van angst zonder een realistische aanleiding. etc. observerend leren vooral bij biologische predispositie (bijv. gevolg van ervaren van gebrek aan bekrachtiging. Veralgemeende angststoornis Overmatige chronische bezorgdheid over een reeks van gebeurtenissen en activiteiten (dus niet op specifiek voorwerp als bij fobieën). ook objectieve verschillen van mate van stress. Door het verklaren van een situatie dmv attributies. Sociale factoren  Depressie ontstaat meestal als reactie op stresserende gebeurtenis (65% heeft ingrijpende levensverandering meegemaakt)  Ook veel personen door alledaagse irritaties. drinken. gezond = bijv. verminderd vermogen om plezier te hebben). dmv conditionering (bijv. Oorzaken. depressie is gevolg van een ingebeeld of symbolisch verlies. geen relatie of relatieproblemen verhoogt de kans op depressie  Al dan niet hebben van werk (vooral bij jongeren)  Depressieve klachten nemen toe in de tweede helft van de 20e eeuw. 71 . cognities. Vaak groot verantwoordelijkheidsgevoel en neiging tot catastrofaal denken.

8 Dissociatieve stoornissen Aandoeningen waarbij er een verstoring voorkomt in het identiteitsgevoel van de persoon. duizeligheid. Hebben verhoogde kans om voor te komen in stress verhogende situaties (bijv. zonder dat er een lichamelijke toestand is die de ernst van de symptomen kan verklaren. hysterische verlamming. fugue en identiteitsstoornis Dissociatieve amnesie is het psychisch (dus niet lichamelijk) onvermogen om belangrijke persoonlijke informatie te herinneren als gevolg van een traumatische of stresserende ervaring. hierdoor ontwikkelt de betrokkene vaak anticipatorische angst = angst voor deze plaatsen/ situaties en agorafobie thuis blijven omdat ze bang zijn Obsessieve-compulsieve stoornis Terugkerende. Bijv. verlies van eetlust of maagdarmproblemen. Vaak moeten handelingen een aantal keren in een bepaalde volgorde herhaald worden. zweten. Lijkt op CVS = Chronisch Vermoeidheids Syndroom. Ontstaan. 0.7 Somatoforme stoornissen lichamelijke klachten en handicaps worden ervaren zonder aanwijsbare lichamelijke oorzaak. 72 . gebaseerd op een misinterpretatie van lichamelijke symptomen. ongewilde en opdringerige dwanggedachten of dwangbeelden (obsessies).Paniekstoornis Onverwachte paniekaanvallen zonder een aanwijsbare oorzaak. Deze gaan gepaard met dwanghandelingen (compulsies) die de betrokkene meent te moeten uitvoeren om de dwanggedachten te neutraliseren en de gevreesde situatie te voorkomen. hysterische blindheid). (episodisch geheugen). Vaak beperkt in de tijd en herstelt nagenoeg volledig. 2. tellen. autorijden. duizeligheid. Ongedifferentieerde somatoforme stoornis lichamelijke klachten die vooral gaan over vermoeidheid. Door negatieve bekrachtiging wordt de dwanghandeling in stand gehouden (het onheil blijft uit als de dwanghandeling vertoont is). uitspreken van een gebed. twijfel of men alles wel juist gedaan heeft. net als bij somatoforme stoornissen. Belangrijkste categorieën zijn poetsen en controleren. Conversiestoornis Plots niet meer in staat zijn om een bepaald lichaamsdeel te gebruiken (bijv. smetvrees.1% van de bevolking. Uiting van psychische problemen via lichamelijke klachten wordt somatisering genoemd.5% van de bevolking. Hypochondrie en de ongedifferentieerde somatoforme stoornis Hypochondrie langdurige vrees (minstens 6 maanden) om een ernstige ziekte te hebben. 14. Dissociatieve amnesie. Vrij zeldzaam. menigte). Vaak worden er meerdere uren per dag aan de dwanghandelingen besteed. 14. in een poging om angst en stress te ontlopen en om levensproblemen het hoofd te bieden die de capaciteiten van de persoon overstijgen.

Behandeling bleef echter beperkt. zich niets meer herinneren tot een bepaald punt in het verleden Dissociatieve fugue vergeet (een deel van) de eigen identiteit en trekt weg uit de vertrouwde omgeving en neemt een nieuwe identiteit aan. continu. in een enkel geval een heel nieuw leven opgebouwd. zonder bewust te zijn van vroegere leven. 14. helft van de personen voor het eerst op leeftijd jonger dan 15 jaar  Stemmingsstoornissen op 26 jaar  Aan een middel geboden zijn op 21 jaar Hoofdstuk 15 Therapieën 15. Over welke periode werd de prevalentie/ incidentie berekend? Hoe langer de periode.9 De prevalentie van mentale stoornissen Wat betekenen de cijfers? Interpretatie van cijfers. ze zijn wel onderhevig aan proactieve interferentie. 2. Levensprevalentie van mentale stoornissen wordt geschat tussen 25% en 41%. 1. hoe hoger de prevalentie/ incidentie. Prevalentie en comorbiditeit Cormobiditeit is het feit dat mensen aan meer dan 1 stoornis tegelijk kunnen lijden. Gaat het om incidentie (hoeveel nieuwe gevallen) of prevalentie (hoeveel procent van de bevolking? 3. die op belangrijke trekken van elkaar verschillen en elkaar afwisselen. Proef. De situatie veranderde in de jaren 1950 door geneesmiddelen 73 .4 types. volledige levensgeschiedenis vergeten 4. niets meer herinneren uit een bepaalde periode (meestal eerste uren na traumatische gebeurtenis) 2. De aanvangsleeftijd  Angststoornis. dwangbuizen. Pinel voerde humaner beleid in.1 De behandeling van mentale stoornissen Het ontstaan van gespecialiseerde diensten Tot aan Franse Revolutie werden geesteszieken in gestichten vastgebonden met ketens. Dit is echter ook zo voor patiënten met lichamelijke amnesie. Welke definitie van de stoornis werd gehanteerd? Hoe strenger de definitie. hoe minder gevallen. selectief 3. Vaak van korte duur. gelokaliseerd. Dissociatieve identiteitsstoornis dissociatie tussen twee of meer persoonlijkheden. 1. veralgemeend. afzondering en straffen waren dagelijkse kost.

Receptoren gevoeliger maken/ blokkeren Angstdempende middelen onderdrukken activiteit van centrale zenuwstelsel en hebben een kalmerend effect. 74 . gedachten en gedragingen van een cliënt probeert men te veranderen door middel van gesprekken. Vier groepen. vermindert ook hartkloppingen. 1. verhogen aanwezigheid van serotonine in synaptische spleet. Selectieve serotonine (5-HT) heropname inhibitoren bijv. Klinische psychologen universitair master diploma psychologie + vaak postuniversitaire opleiding 3. Barbituraten worden nog zelden voorgeschreven. Onderdrukken angst. Bètablokkers hoge bloeddruk. Therapeutische benaderingen Biologische behandelingen gaan uit van een fysiologische of biochemische visie op mentale problemen. tegen vliegangst en plankenkoorts 4. spierzwakte. minder ontwenningsverschijnselen. Drie groepen. Psychiater medicus met aanvullende opleiding psychiatrie 2.2 Biologische therapiebenaderingen Geneesmiddelentherapie Grijpen in op chemische component van neurale activiteit en verhogen/ verlagen zo effect van neurotransmitter op drie mogelijke manieren. Verpleger psychiatrie HBO verpleegkunde met specialisatie psychiatrie 15. sterke ontwenningsverschijnselen 2. moeten lichamelijke processen veranderd worden. prozac. Antidepressiva mensen met angststoornissen reageren hier ook goed op.ontdekkingen en samenleving begon op een andere manier met patiënten om te gaan. hebben minste bijwerkingen. Benzodiazepines bijv. Psychotherapeutische behandelingen de gevoelens. Aanmaak verhogen of belemmeren 2. Types van therapeuten 1. meer initiatieven om patiënten beter te integreren. Vaak worden bovenstaande behandelingen gecombineerd. het toepassen van leerprincipes en het gebruik van emotionele expressies of het aanbrengen van veranderingen in de sociale omgeving. voornamelijk door geneesmiddelen. Ook sociale voorzieningen voor preventie en rehabilitatie en revalidatie worden geboden. valium. Verslavend. seroxat. 1. Antidepressiva verlichten de symptomen van een depressieve stoornis. 3. maatschappelijk werker of sociaal pedagogisch hulpverlener HBO opleiding psychologie of maatschappelijk werk 4. Heropname te belemmeren/ bevorderen 3. 1. psychologisch assistent. veroorzaakt sufheid. zweten en beven. om gevoelens en gedragingen van een patiënt te veranderen.

Frankrijk 1940. kauwen. Bijwerkingen symptomen van Parkinson. Elektrische stroom shock wekt een massale activiteit op in de hersenen. Chloorpromazine Duitsland ontdekt bij zoektocht naar blauwe verfstof waarvan men hoopte dat deze zou helpen bij de behandeling allergieën. Haloperidol (haldol. Ook kan tardieve dyskinesie optreden.2. Antipsychotica 1. placebogecontroleerde (behandelingen volledig aan elkaar gelijk. In 1950 ontdekten ze dat het middel wanen en hallucinaties verminderde. smakken). Tricyclische verbindingen Zwitserse arts (1950) probeerde deze uit om slapeloosheid bij psychiatrische patiënten te behandelen. Transcraniale magnetische stimulatie (TMS) magnetisch veld door deel van de hersenen. minder effectief dan ECT. Lithium Australië werd werking hiervan vastgesteld bij mogelijkheid om lithiumzouten te gebruiken als alternatief voor keukenzout. vooral in mond en kaken (bijv. Juiste dosis is belangrijk. Psychochirurgie Chirurgische ingreep om cognitieve en emotionele stoornissen te behandelen. patiënten werden minder suf dan bovenstaand middel. Hinderlijke bijwerkingen. patiënten werden echter energieker en opgewekter. belg Paul Jansen 1950). tics. Onderzoek door middel van dubbelblinde (zowel patiënt als arts niet op de hoogte). Worden weinig gebruikt vanwege bijwerkingen 4. Psychomotorische therapie te weinig beweging kan een negatief effect hebben op gemoed van persoon. Patiënten worden eerst verdoofd en krijgen een spierontspannend middel. Elektroconvulsieve therapie (ECT) bestaat uit het toedienen van elektrische stroomstoten in de hersenen. Effectief maar zwaar. Monoamine oxidase inhibitoren Ontdekt in Frankrijk (1950) als middel voor tuberculose. behalve werkzame stof) studie 75 . gebruikten dit middel bij operaties omdat het de spierspanning en misselijkheid leek te verminderen en patiënten in betere stemming bracht. 2. 3. Gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen vanwege risico’s en neveneffecten. Remmen heropname van serotonine en noradrenaline. gerandomiseerde (patiënten op toeval over twee condities verdelen). De doeltreffendheid van de biologische therapieën Placebo-effect is een fysiologische of psychologische respons op een substantie of procedure die geen farmacologische of therapeutische componenten bevat. depressie. Belangrijkste neveneffect is geheugenproblemen. Werking bovenstaande middelen door vermindering van dopaminegerelateerde activiteit in hersenen. dorst. behandeling voor bipolaire stoornissen. Lichttherapie en psychomotorische therapie Seizoensgebonden stoornis kan worden verholpen door lichttherapie. vandaar aangepast bewegingsprogramma. traagheid van denken. Licht onderdrukt de productie van melatonine.

effectief vanaf +1. ruzie met man krijgen omdat je op het werk wordt lastig gevallen) b. de hersenen lokken een vergelijkbare activiteit uit als bij de werkzame stof (afscheiding endorfine en dopamine. Cognities van positieve verwachtingen creëren 3. Verplaatsing een onaanvaardbare impuls wordt op een veilige manier tot uiting gebracht (bijv. therapeut mag vertrouwelijkheid schenden als kans groot is dat patiënt tot gewelddadige acties overgaat (bijv. Vrije associatie wanneer patiënt vrijuit praat is de kans groter dat elementen van het onopgeloste conflict in het Es naar buiten komen. positieve gevoelens doordat men verwacht geholpen te gaan worden. Bruikbaar bij +0. 15.5 bij angst.3 Psychologische therapiebenaderingen Gemeenschappelijke kenmerken van psychotherapieën  Mensen lossen vaak problemen op door ze met anderen op een constructieve manier te bespreken  Vertrouwen dat cliënten hun problemen overwinnen  Bruikbare voorbeelden werken. vooral voor degene die in een ziekmakende omgeving verkeren Ethische kwesties bij psychotherapie Tarasoff-beslissing.Therapie-effectgrootte maat voor effect van de therapie of placebo. mensen zoeken hulp op het moment dat hun stoornis het ergst is. Een groot deel is placebo-effect. Klassieke conditionering van emoties. 1. droomanalyse en interpretatie van afweermechanismen Freud. 2. Droomanalyse manifeste inhoud (herinnering) en latente inhoud 3. 15. pijn en beloning). Motivatie iemand die weinig gemotiveerd is zal zowel weinig placebo als therapie effect hebben. Ontkenning en projectie negatievere vormen Zolang een persoon contact behoudt met de werkelijkheid sprak Freud van een neurose als dit weg was van een psychose. Placebo-effect zou ook gevolg kunnen zijn van spontaan herstel. Interpretatie van afweermechanismen a. klassieke psychoanalyse 1. 2.5. Sublimatie Gefrustreerde seksuele energie wordt in een andere activiteit omgezet (gewelddadige sport beoefenen. maar niet zelfmoord). schilderen van erotische taferelen) c. 76 .en stemmingsstoornissen.4 Psychoanalytische therapieën Vrije associatie. Factoren placebo-effect. Therapie-effecten zijn over het algemeen niet groter dan 0.0. moord.

therapie is ontmoeting tussen gelijken 2.5 Humanistische therapieën Uitgangspunten humanistische therapieën.Weerstand. 1. Drie processen spelen een rol. verlangens en herinneringen. Voorbeeld is focustherapie gericht op lichaamssignalen. 1. Overdracht huidige en vroegere emoties tov ouders en andere belangrijke personen worden geprojecteerd op therapeut 3. 77 . 1. 1. Psychoanalyse sinds Freud  Kritiek op Freud. cliënt staat centraal versus alwetende therapeut 2. Authenticiteit Focussen Cliëntgerichte therapie heeft evolutie doorgemaakt van niet-directief (ongestuurd) naar belevingswereld van de cliënt die gestuurd mag worden vanwege leerproces. ->). Empathie 3. geïsoleerd behandelen van fobieën). wensen. Vaak een langdurig proces met vele catharsis-momenten. Catharsis het wegvallen van spanningen en angsten nadat men zich bewust geworden is van onderdrukte ideeën. bewuste subjectieve ervaringen versus onbewuste conflicten 3. Weerstand tegen therapeut 2. hier en nu versus trauma’s uit kindertijd 4. volledige blootlegging van persoonlijkheidsstructuur is niet altijd nodig voor herstel (bijv.  Interpersoonlijke psychotherapie verlegde focus van onbewuste conflicten naar het patroon van relaties dat de patiënt heeft (en gehad heeft) met belangrijke andere personen 15. Onvoorwaardelijke positieve aanvaarding 2. overdracht en catharsis Cliënt zal samen met therapeut trachten het onbewuste conflict in het bewustzijn proberen te brengen en van zijn energie te ontdoen. gedrag wordt bepaald door aangeboren behoeften om te groeien versus seksuele of agressieve impulsen Therapeut heeft drie kwaliteiten nodig. cliënten kunnen uit zichzelf verbeteren 3. Grootste verschillen met psycho-analyse. welke situaties geven ons een ontspannen gevoel en welke niet. cliënten moeten zich als persoon aanvaard voelen 4. cliënten blijven verantwoordelijk voor hun denken en hun gedrag Cliëntgerichte therapie Ontwikkeld door Rogers (1950.

1950) een vorm van psychotherapie die het gedrag van een cliënt probeert te veranderen door de wetten en principes van de leertheorie toe te passen. (mensen met mentale stoornissen hebben verkeerde gedragingen geleerd).15. 15. Aversietherapie wordt toegepast bij cliënten die een ongepaste stimulus of activiteit als attractief ervaren. telefoonhijgers laten bellen en telkens als het telefoongesprek seksuele opwinding veroorzaakt braakgeluiden laten horen. overtuiging het altijd goed moeten doen. Skinner. Bijv. veel mensen hebben onrealistische overtuigingen die hen ertoe aanzetten om irrationeel gedrag te stellen en hen een gevoel van mislukking te geven. De therapeut leert de cliënt beter om te gaan met situaties in vijf abc-stappen. Relaxatietechniek (Wolpe. Wordt vooral aangewend bij angststoornissen. seksuele therapie met juiste technieken). 1958) snoep vervangen door ontspanningsoefeningen. De rationeel-emotieve therapie RET (Ellis. Bijv. bij vliegangst is het niet mogelijk of erg duur om de situatie telkens mee te maken (exposure in vivo). De kat komt steeds dichterbij. Implosietherapie inbeelden van de situatie. Therapie start met functionele analyse waarbij de problematische gedragingen van de cliënt in kaart worden gebracht samen met de situaties die ze uitlokken. Telkens een stapje verder denken aan de situatie en blijven ontspannen.6 Gedragstherapieën Gedragstherapie (Eysenck. Technieken op basis van klassieke conditionering Systematische desensitisatie individu leert een positieve respons te geven bij een stimulus die angst uitlokt. 78 . elke kritiek voelt als kaakslag (ook opbouwende).7 Cognitieve therapieën Cognitieve therapieën concentreren zich op het ter discussie stellen en vervangen van slecht aangepaste overtuigingen die cliënten hebben. Op die manier verliest de stimulus zijn kracht om angst op te wekken. Bijv. Technieken op basis van operante conditionering Token economy punten verdienen voor goed gedrag. videoband assertiviteit. 1950). Bijv. De punten kunnen worden ingeruild voor privileges en hebbedingen. lekker voedsel eten in de buurt van een kat bij angst voor katten. Technieken op basis van observerend leren Modelling naar anderen kijken die het juiste gedrag vertonen (bijv. Flooding cliënt een aantal keer confronteren met de situatie die voor hen beangstigend is en laten ervaren dat de angst niet beantwoordt aan de daadwerkelijke gevolgen. Bij flooding en implosie implodeert de angst doordat er niets ergs of schrikwekkends gebeurd.

2. deelproblemen  Attributieveranderingen het toeschrijven van andere oorzaken aan gedragingen die mensen vertonen.  Huwelijkstherapie man en vrouw samen behandeld  Gezinstherapie 79 . negatieve gebeurtenissen op zichzelf betrekken 5. Sociaal afhankelijk type leven wordt afgemeten aan goede relaties met anderen 2.1. rood licht inbeelden of hardop stop zeggen bij negatieve gedachten  Rationele herstructurering inzicht in het feit dat negatieve gedachten een constructieve manier van omgang met tegenslagen belemmeren  Positief denken mensen die positief denken voelen zich minder snel wanhopig  Leren probleemoplossen door bijv. vooral werk rondom depressies die mensen ontwikkelen door ziekmakende cognities. zwart-wit denken 2 types extra kwetsbaar voor ontwikkelen van depressie. 4. daarom belangrijk om de gehele context te bekijken. bijv. gebaseerd op feiten? effect welke effecten kunnen worden bereikt met verandering van overtuigingen? Cognitieve therapieën van Beck Beck 1967. overgeneralisatie 4. Huwelijks-en gezinstherapie  Systeemtherapie problemen ontstaan en worden onderhouden binnen de context van relaties waarin de betrokkene zich bevindt. 15. 3. activating event welke situatie lokt emotie uit beliefs welke overtuigingen en interpretaties heeft de cliënt consequences wat zijn deze gevolgen hiervan dispute zijn de overtuigingen rationeel. Andere cognitieve therapieën  Stop zeggen bijv. groepstherapie en gemeenschapsvoorzieningen Gaat uit van het feit dat gedrag altijd voor komt in een bepaalde context en deze context kan het gedrag uitlokken of in staat houden. onrealistische uitvergroten van een negatief detail 3.8 Huwelijks. 1. Prestatiegerichte type overkritisch op eigen werk Bij de cognitieve therapie van Beck worden de cliënten dmv huiswerkopdrachten zelf aangemoedigd om informatie over hun overtuigingen in te winnen ipv dmv een debat met de therapeut (RET). 5. 1. conclusies op basis van gevoelens ipv objectieve informatie 2.en gezinstherapie.

 Primaire preventie Oorzaken weg nemen. bijv.9 De doeltreffendheid van psychotherapieën Werkt psychotherapie? Succes van psychotherapieën bij behandeling van specifieke fobieën en obsessievecompulsieve stoornissen is groot.0 (volledig symptoomvrij). Tegenwoordig ook nadat mensen zijn opgenomen geweest aandacht voor rehabilitatie en intergratie in de samenleving. Bij kinderen zelf +3. Werkzaamheid behandelingen depressiviteit  Cognitieve therapie = 69% bleef na een jaar nog goed functioneren  Antidepressivum en later placebopil = 24% aanvaardbaar niveau  Hele jaar door geneesmiddelen = 53% goed Welke factoren bepalen het succes? Een psychotherapie die specifiek op een bepaald probleem is toegespitst is op lange termijn niet effectiever dan een therapie die zo weinig mogelijk op het probleem gericht is. 80 . begeleid of beschut wonen of tussenhuis = huis in gewone buurt met minder intensieve begeleiding. Lambert 1992 (literatuurstudie) vooruitgang bij een cliënt.Groepstherapie Meerdere cliënten aanwezig onder leiding van één of meerdere therapeuten vaak met soortgelijke problemen. Gemeenschapsvoorzieningen Preventie verhinderen dat iemand in een inrichting opgenomen moet worden. Bijv. afhankelijk van het probleem dat zich voordoet. crisisinterventie per telefoon en beschikbaarheid van ambulante gezondheidscentra (bijv.  15% verklaard door therapiespecifieke technieken  40% te danken aan cliënt en factoren buiten therapie (bijv.  Tertiaire preventie zelfredzaam maken en houden van mensen bij wie een chronische aandoening vastgesteld is. Bijv.  Alle therapieën bieden hoop. 15.  Therapiesessies verlopen grotendeels hetzelfde  Therapeuten hebben kennis van basistechnieken en van verschillende benaderingen en veranderen hun aanpak spontaan. Ook zelfhulpgroepen zonder professionele hulp. straathoekwerk  Secundaire preventie getroffenen in een zo vroeg mogelijk stadium opsporen en helpen om erger te verkomen. reïntegratieprogramma’s. Bijv. RIAGG). behalve misschien voor specifieke fobieën en obsessieve compulsieve stoornissen. creëren orde in problemen en geven mogelijkheid om te praten en initiatief te nemen. spontaan herstel)  30% therapeutische relatie  15% aan verwachting van cliënt dat de situatie zal verbeteren effect van 5 therapierichtingen bonafide therapieën voor meeste stoornissen is nagenoeg gelijk.

belang van appraisal = beoordeling alleen als een situatie potentieel bedreigend voor eigen welzijn gezien wordt. Life Experiences Survey = aanvulling van de Social Readjustment Rating Scale door Sarason (1979) om ervaren impact van elke gebeurtenis te meten. Ingrijpende levensveranderingen. b. Bronnen van stress 1. Dagelijkse irritaties. Hoe ingrijpendere levensverandering iemand heeft meegemaakt hoe groter dagelijkse irritaties zijn. Fysiologische veranderingen ten gevolge van stress. Perceptie van de persoon. kinderen die weggebracht moeten worden. zal ze stress uitlokken. Bijv. waaronder cortisol. cliënten praten makkelijker bij een lichamelijk aantrekkelijk persoon  Therapiebenadering moet aansluiten bij de cliënt Hoofdstuk 16 Gedrag en Gezondheid 16. tegenreactie. Aanpassing op lange termijn. Intelligent en Social)  Enkelvoudig gemakkelijker dan cormobiditeit  Sommige therapeuten beter dan anderen  ‘Klik’ tussen therapeut en cliënt  Eerste indruk therapeut. Lazarus. stimuleert bijnierschors die meer corticosteroïden gaat afscheiden.  Persoonskenmerken van de cliënt. Verbal. Onmiddellijke schokreactie.Factoren die wel een verschil maken  Wel een verschil in soorten stoornissen. apparaat dat stuk is. nieuwe baan) als negatief. Hierdoor bijniermerg extra noradrenaline en adrenaline in bloedbaan loslaten. Mate van objectief belastende omstandigheden lokken stress uit. Attractive. meer glucose.1 Stress en gezondheid Stress is een emotionele en lichamelijke reactie die optreedt wanneer iemand zich probeert aan te passen aan veranderingen die het normale dagelijkse leven verstoren of dreigen te verstoren en die een persoon dwingen om zich aan te passen. 3. 2 echtscheiding 4 gevangenisstraf). 2. Hypothalamus stimuleert hypofyse om adrenocorticotrope hormoon (ACTH) in bloedbaan los te laten. zijn moeilijkheden te wijten aan voorbijgaande stressfactoren in de omgeving. Social Readjustment Rating Scale (Holmes&Rahe 1967) meet de belangrijkste 43 levensgebeurtenissen (1 dood van een partner. activering van sympathische zenuwstelsel doordat hypothalamus en kern in hersenstam noradrenaline beginnen af te scheiden. a. Gevolgen van stress 1. ook al heeft de persoon de indruk de situatie volledig onder controle te hebben (te rooskleurig beeld). YAVIS-cliënten makkelijkst (Young. zowel positief (bijv. 81 . Stoornissen die relatief gemakkelijk te behandelen zijn. file.

herstel van beschadigd weefsel vertraagt en de vorming van afweerstoffen vermindert. virussen en bacteriën). Gevoel controle te hebben over de situatie is hierbij van essentieel belang. 82 . 1. Chronsiche vermoeidheidssyndroom is een stoornis waarbij mensen aanhoudend vermoeid zijn en niet meer herstellen als gewoonlijk. gebeurtenis negeren en het belang ervan minimaliseren. rationalisatie of ontkenning)  Optimistische houding  Lichaamsbeweging. Een beetje stress bevordert het prestatieniveau. Zorgen er ook voor dat we niet teveel water en zou verliezen = homeostase.2 Veel voorkomende gezondheidsproblemen Zwaarlijvigheid Body Mass Index = Lichaamsmassa-index (LM-index) = gewicht / lengte^2 LM < 18. 2. Vermijding. Door  Herinterpreteren van stress-situaties (bijv. van belang om lichaamsvreemde stoffen te weren (bijv. Toenadering. Cognitief gevolg. ontspanningsmomenten.  Uitputtingsfase = lethargie = sterk verlaagd activiteitsniveau. c. Lazarus). Psychisch gevolg van stress is negatieve stemming. probleem oplossen. Ontsnappende manier door alcohol of kalmeringsmiddelen  Progressieve relaxatietherapie.Deze regelen de glucosevoorraad door vetzuren en eiwitten in glucose om te zetten en door lever te stimuleren om opgeslagen glucose vrij te geven.5 is te licht. Er vindt nl soort erosie plaats. Dood kan er op volgen. Omgaan met stress De gevolgen van stress zullen gedeeltelijk afhangen van hoe we met stress omgaan (coping. Ander fysiologisch gevolg is verminderde werking van immuniteitssysteem. 3 stadia  Alarmreactie = schokreactie en tegenschokreactie  Weerstandsfase = schijnbaar evenwicht bereikt door tegenschokreactie. Stressfactoren aanpakken. spieren om en om aanspannen en ontspannen 16. Yerkes en Dodson-wet voor elke taak is er een optimaal niveau van motivatie. zodat er energie beschikbaar blijft. Kan gevolg zijn van algemene aanpassingssyndroom. gezonde voeding. LM > 25 is te zwaar. maar een te hoog niveau vermindert de presentaties. Gevolgen van stress binnen de perken houden. Te lang aan stressfactoren blootgesteld = algemene aanpassingssyndroom = general adaption syndroom (GAS).

Maaltijden op school moeten voorbeeld zijn. 83 . Uitwendigheidstheorie mensen eten teveel omdat ze sterk onderhevig zijn aan aantrekkelijke voedselprikkels in de omgeving. Ingehouden eetgedrag mensen eten te veel omdat hun eetgedrag onder cognitieve controle is komen te staan (bijv.10% zwaarlijvigen jonger dan 50 jaar en 17% ouder dan 50 jaar. ze zijn onderhevig aan alle drie de theorieën. warme maaltijd ’s middags hebben positief effect. Zwaarlijvige mensen eten te veel omdat ze op andere signalen letten dan op de inwendige signalen van honger en verzadiging. Speelplaatsen in de buurt. Kunnen zich letterlijk dood eten. Milieucomponent 1. ziekelijke eetlust.  Anorexia nervosa persoon streeft lichaamsgewicht na dat lager ligt dan LM-index 18 door middel van zelfuithongering.  Onderzoeksmatige evidentie over effectieve opvoedingsstrategieën. a. Teveel aan gemakkelijk bereikbaar. maar met meer vet toename in zwaarlijvigheid. 3. 1. geïnduceerd braken en gebruik van laxeermiddelen. Zwaarlijvigen hebben een sterkere behoefte aan vet. tv) en zwaarlijvigheid. individueel scoren ze vaak op 1 theorie hoger. met piek tijdens adolescentie. lichte verstandelijke handicap en gedragsstoornissen. Koolhydraten gaan namelijk gemakkelijker verloren als warmte. 60 – 90 minuten voor lager gewichtsniveau. cognitieve en sociale factoren. Ook bij minder calorie inname. 1986. Genen bepalen verschillen in metabolisme of energieverbruik (bijv. Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (Strien. maar niet minder 3. Eetstoornissen Ernstige verstoring in de eetgewoonten. smakelijk voedsel is eveneens een risicofactor voor zwaarlijvigheid 2. Bekendste ziektebeeld met dit symptoom is Prader-Willi-Syndroom (PWS) zeldzame erfelijke aandoening (1/20.  Hyperfagie extreme vraatzucht. Genetische component voor zwaarlijvigheid. Mensen met aanleg tot zwaarlijvigheid hebben meer vetcellen. ontbijten. 30 minuten activiteit is nodig om gewicht te behouden.000) gekenmerkt door lage spierspanning. Oorzaak mix van biologische. Veel bij vrouwen. vetcalorieën worden in hoge mate als vet opgeslagen. herzien in 2005). Preventie  Binnen lage klasse komt zwaarlijvigheid meer voor dan hoge klasse  Beleidsmatig. Psychosomatische theorie mensen eten teveel als reactie op emotionele toestand b. 150 calorieën verbranden in rusttoestand of 450 calorieën) 2. Genen hebben invloed op regeling van honger en verzadiging. dieet maakt cellen leger. Duidelijke correlatie tussen bewegen (auto. Roken geen invloed op behoud of verlies. deze controle wordt keer op keer doorbroken en dan eten mensen meer dan goed voor hen is. zwaarlijvigheid komt minder voor in landen waar men oog gehad heeft voor mobiliteit van voetgangers en fietsers dan in landen waar dit niet gebeurd is. waarbij een persoon geen gevoel van verzadiging meer ervaart (wellicht ten gevolge van stoornis in hypothalamus). bijv. c. calorieën tellen). Ook eetpatroon dient te worden aangepast.

Strikt onderscheid tussen ziekte en gezondheid. Hart. van binnenuit chemisch onevenwicht of genetische predispositie. Toch nog 25 – 33% rookt. Ziektes hebben niet te controleren biologische oorzaak (buitenaf bacteriën en virussen). Op tijd stoppen voorkomt gezondheidsproblemen. Seksueel overdraagbare aandoeningen HIV = Human immunodeficiency virus virus dat immuniteitssysteem van een persoon verzwakt door vernietiging witte bloedcellen CD4. slachtoffer van de ziekte. Type-D mensen (distressed pesonality) negatieve gevoelens en sociale inhibitie (negatieve gevoelens verborgen houden). Aantal gevallen tuberculose nam niet af doordat tuberculose basil en penicilline werd ontdekt (anders knik in de grafiek bij deze gevallen) maar door verbeterde leefomstandigheden sinds 1850 (voeding. chirurgie. hartinfarct. Individuen hebben geen verantwoordelijkheid. sereen en ontspannen o Geen evidentie voor correlatie met hart. 4. verhoogt kans op hervatten initiële hartaanval. 2. Rokers sterven 10 jaar eerder. vooral adolescentie (1-3%). vooral bij mannen. Risicofactoren  Roken  Eetgedrag. agressief.en vaatziekten. veel verzadigde vetten. Verantwoordelijkheid voor behandeling ligt bij geneeskundigen. hardwerkend o Type-B mensen kalm.3 Gezondheidspsychologie Het ontstaan van de gezondheidspsychologie Biomedisch model (19e eeuw) 1. etc. 16. Aidspatiënten minder dan 200 CD4 cellen. Te behandelen met antibiotica. weinig bewegen. Slaagpercentage is 10 – 40% afhankelijk van stopprogramma. Geen genetische basis. meer kans op hoog cholesterolgehalte  Hoge bloeddruk. Chlamydia 2-5% van personen tussen 15 en 40 jaar in A’dam hebben Chlamydia (gehad).en vaatziekten Belangrijkste doodsoorzaak in West-Europa hartziekten 25% en beroerten 8%. gevolg van westerse cultuur. hygiëne). Behandeling herstel van lichamelijke toestand. 5. verhoogde bloeddruk en beroerte  Persoonlijkheidsfactoren o Type-A mensen actief. Roken Rookgedrag. 84 . geneesmiddelen. HIV-positief -> wel het virus maar nog geen aids. Ontstekingen van geslachtsorganen en baarmoeder. 3. laatste decennia afgenomen. Ook bij vrouwen. huisvesting. zwaarlijvigheid en te veel zout of alcohol  Stress. Bulimia nervosa bang om dik te worden en probeert dit te voorkomen door na het eten te braken of sterke laxeermiddelen te nemen.

 Gemakkelijker bij hoger opgeleiden (vooral mannen) dan lager opgeleiden  Mensen hebben onrealistisch optimisme dat ze weinig risico lopen en ook negatieve overtuigingen bij verandering levensstijl (bijv. Belloc) 1. weinig eten tussen maaltijden 5. leeft gemiddeld langer dan iemand die dit niet doet. Preventie Pijlers van een gezonde levensstijl (1973. Individuen hebben tot op zekere hoogte invloed 3. Gedeelde verantwoordelijkheid patiënt en arts 5. niet roken 4. geen of beperkt gebruik van alcohol 7. stoppen met antibiotica als er geen symptomen meer zijn.Daling hart. Voeding heeft invloed op de gezondheid. vis. 85 . Dus belangrijk om mensen aan te moedigen gezonder te leven. daarna zijn attitudes aan passen (bijv. idee van zelfcontrole. Bijv. groenten en weinig verzadigde vetten zorgen voor minder hartaandoeningen (minder hartziektes in China dan in Amerika). Ook melkproducten met verzadigde vetten verlaagt levensverwachting. dichtbij ideale gewicht blijven 6. idee van geen controle beter arts laten doen. zinvol of graag doen). Biopsychosociale of holistische ziektemodel (1970-1980) 1. Preventieve maatregelen zijn effectief Optimaliseren van de behandeling Attributie overtuiging over de oorzaak van een gebeurtenis of activiteit (in dit geval ziekte) die de patiënt meemaakt. Bijv. maar doen het niet). 7-8 uur slapen per dag 2. en voornemens stellen en deze omzetten in daden. Verschillende mensen hebben verschillende attributies en sluiten soms ook beter aan bij een andere behandeling. bijv. Ziekte is wisselwerking van biologische.  Moeilijkheid in gedragsverandering bewerkstelligen. elke dag ontbijt 3. wat zou mijn partner ervan vinden). Doeltreffendheid van een behandeling kan gemeten worden door vragenlijsten over de levenskwaliteit. behandeling lichamelijk en gedragsmatig 4. Hoe kunnen we mensen motiveren tot een gezonde levensstijl (mensen weten het vaak wel. Als patiënten het gevoel hebben controle over de situatie te hebben voelen ze zich meer aangesproken tot de behandeling ipv een slaaf van de behandeling. psychologische en sociale factoren 2. regelmatige lichamelijke activiteit Wie deze gedragingen in acht neemt. Attributies zijn gevaarlijk als ze in strijd met de waarheid zijn. Patiënt moet overtuigd zijn van het advies van de arts. beter zelf injecties spuiten. gebruik van condoom.en vaatziekten medische behandeling = 40% en levensstijl = 60%.

Arme landen kunnen zich echter vergelijken met rijke landen. liefde. Seligman 1998. aangeleerd optimisme. voedsel. Het welzijnsgevoel stijgt of daalt flink voor een relatief korte tijd en gaat daarna weer naar het basisniveau terug.De psychologie van arbeid en gezondheid Gaat over bevorderen van kwaliteit van werkomgeving. loterij winnen of ongeluk). welzijn. Kan men het subjectieve welzijn verhogen? Seligman. 86 . opgetogenheid. Algemeen welzijnsgevoel wordt weinig beïnvloed door gunstige of ongunstige omstandigheden (bijv. Mensen vergelijken zich met anderen.4 Positieve psychologie De studie van condities en processen die bijdragen tot het bloeien of optimaal functioneren van mensen en groepen (bijv. Twee factoren. gedurende een week elke avond drie goede dingen op schrijven die op die dag gebeurd zijn + eigen rol daarin. gehechtheid. Effect was na 6 maanden nog merkbaar. Het subjectieve welzijn Subjectieve welzijn verklaard waarom dezelfde objectieve omstandigheden niet bij iedereen tot een even groot welzijnsgevoel zal leiden. Negatieve affect geheel aan negatieve emoties en gemoedstoestanden die een persoon ervaart (schuldgevoel en schaamte. Tussen landen (arm en rijk) wel een groot verschil. 2. Stress op werk kan ontstaan doordat mensen een te hoge of te lage verantwoordelijkheid krijgen. Onder een bepaald niveau speelt welvaart een rol bij subjectieve welzijn. Ook 50 jaar geleden voelden mensen zich niet ongelukkiger of gelukkiger dan nu. mensen die in hun opvoeding geleerd hebben om op een optimistische manier met gebeurtenissen om te gaan hebben een beter algemeen welzijnsgevoel. 16. 1. Positieve affect omvat het geheel aan positieve emoties en gemoedstoestanden die een persoon heeft (vreugde. verbittering en onvrede. onder minimum inkomen. Sluit aan bij uitgangspunten humanistische psychologie. Opvoeding. Welvaart binnen een land neemt voor bijna iedereen toe. hoop. hoofd van American Psychological Association. (bijv. tevredenheid. vertrouwen). stress. optimisme. angst en bezorgdheid) Welke factoren bepalen het subjectieve welzijn? De mate van subjectieve welzijn wordt voor een groot deel bepaald door genetische factoren. verdriet. hoewel het welzijnsniveau flink gestegen is. lachen). wooncomfort).

positieve blik is slechts één van de copingmechanismen die mensen kunnen gebruiken bij uitdagingen in hun leven en niet eens het beste. 2003). 1. 2. school) en therapeuten zijn Hoofdstuk 17 Sociale psychologie Sociale psychologie is wetenschappelijke studie van de invloed van anderen op onze gedragingen. maar voelt zich niet zeker of het antwoord wel juist is  Aanvaarding door de groep Gehoorzaamheid Gehoorzaamheid reactie op een bevel Studie Milgram (schokken toedienen onder bevel). Factoren waardoor personen zich meer gaan conformeren zijn. lichtstip zien bewegen na een tijdje. Proefpersonen bewegen hun hoofd in dezelfde richting als medeplichtige proefleider of lijnen die dezelfde lengte hadden. autokinestetisch effect. Balansgericht leven zinvol en voldoeninggevend te maken door harmonie te vinden tussen verschillende levensdoelen (werk. Conformisme Conformisme gedrag voegen naar dat van een de groep waartoe we behoren (of willen behoren) zonder dat er sprake is van een directe oproep om dit te doen. Bacon (2005) analyseerde verschillende stellingen die binnen de positieve psychologie verdedigd worden over hoe men subjectieve welzijn kan verhogen. beter is om uitdagingen rechtstreeks aan te pakken. sociale relaties) Bacon stelde vast dat om sommige domeinen men meer focusgericht is (bijv. Bijv.Kritiek (Lazarus. Focusgericht een persoon kan een bevredigend en zinvol leven hebben door zijn of haar persoonlijke sterktes zo goed mogelijk uit te bouwen.  Grootte van de groep  Ambiguïteit van de situatie  Expertise die aan de groep toegeschreven werd  Conformisme daalt bij aanwezigheid van dissident in de groep (iemand die weerstand bood) Redenen voor conformisme  Accuraatheid. 17.1 Sociale beïnvloeding Stanfordexperiment was belangrijk experiment dat aan toont dat iedereen zich gedraagt zoals vanuit de sociale rol verwacht wordt (parallel met nazi’s). En kwam tot 2 niet volledig verenigbare visies. 87 . zelf. terwijl dit in werkelijkheid niet zo is. gezin. men wil juist zijn.

Factoren van opstand (geen volledige gehoorzaamheid);  Verhuizing van universiteit naar anoniem regeringsgebouw (52% opstand)  Leraar moest naast leerling zitten en de hand van de leerling op schokplaat leggen (70% opstand)  De proefleider verliet ruimte en gaf instructies door telefoon (78% opstand)  Aanwezigheid andere pseudoproefpersoon die instructies gaf (80%)  Aanwezigheid van pseudoproefpersoon als dissident (80%)  Proefpersoon is man of vrouw maakt geen verschil Agentic shift eigen verantwoordelijkheid opgeven en uitvoerders van de proefleider worden = verklaring voor gehoorzaamheid. Dit is geen blinde gehoorzaamheid van het individu, maar komt door sociale omstandigheden. Ook gradueel toename van de ernst van de marteling zorgt ervoor dat mensen wreedheden begaan (in één keer schok toedienen van 300V doen maar heel weinig mensen). Overigens voelde iedereen zich rottig en wilde de plek verlaten.

Deïndividuatie
Deïndividuatie individuele mensen verliezen hun persoonlijke identiteit doordat ze een onderdeel zijn van een massa. 3 factoren; 1. Verhoogde opwinding 2. Anonimiteit (bijv. tenue Ku-Klux-Klan; grotere schoks) 3. Verminderde individuele verantwoordelijkheid Deïndividuatie kan ook positieve en waardevolle ervaring zijn. Bijv. gevoel hebben bij een groep te behoren. Echter als de groep gewelddadiger wordt, dan wordt de persoon ook gewelddadiger.

Helpen
Omstandereffect hoe meer mensen getuige zijn van een noodgeval, hoe kleiner de kans wordt dat elke persoon afzonderlijk zal helpen. (Darley&Latané, 1968) Er moet aan drie voorwaarden voldaan zijn voordat mensen helpen; 1. men moet het incident opmerken 2. men moet het interpreteren als een noodgeval 3. men moet zichzelf verantwoordelijk voelen om hulp te bieden

Inschikkelijkheid
Inschikkelijkheid is de vraag of we zullen ingaan op een verzoek van iemand anders. Mensen gaan sneller in op een klein verzoek dan een groot verzoek. Technieken 1. Voet tussen de deur techniek eerst vragen in te gaan op een klein verzoek en dan op een groter, moeilijker verzoek.

88

2. Zodra de bal aan het rollen is techniek eerst vragen in te gaan op een verzoek met schappelijke voorwaarden en later vertellen dat de voorwaarden toch minder schappelijk zijn (bijv. onderzoek eerst om 10.00 uur en later om 7.00 uur) 3. Deur tegen de neus techniek eerst groot onredelijk verzoek en daarna vragen in te gaan op klein redelijk verzoek. De persoon heeft wroeging dat hij niet ingaat op het grote verzoek en zal daarom sneller ingaan om ander verzoek.

Sociale facilitatie en sociaal lijntrekken
Sociale facilitatie aanwezigheid van anderen hebben een positieve invloed op onze prestaties. Dit is zo bij gemakkelijke en goed geleerde taken, omdat het een hogere opwinding tot gevolg heeft. Bij moeilijke taken belemmert een verhoogde opwinding. Dus alleen oefenen en optreden voor toeschouwers muziekstuk. Sociaal lijntrekken een persoon presteert minder goed in de groep dan alleen. 1. free-rider effect geloof dat iemand anders in de groep zal het probleem wel oplossen. 2. Sucker-effect geloof dat ieder ander in de groep zich als een free-rider gedraagt; dus waarom zouden zij zich inspannen.

17.2 Aantrekking en hechte relaties
Lichamelijke aantrekkelijkheid belangrijkste factor die bepaalt in welke mate we ons voor een onbekende persoon zullen interesseren. Lichamelijke aantrekkelijkheid is cultuuronafhankelijk en hangt samen met een goede gezondheid. Aantrekkelijke mensen verdienen meer, worden meer geloofd, worden als intelligenter aangezien. Nabijheid de kans om veel contact met iemand te hebben is de nabijheid van die persoon tot ons (bijv. studenten gaan meer om met studiegenoten die wat betreft alfabetische volgorde bij elkaar staan, als de groepsindeling op alfabet is gebeurd). Twee redenen; 1. Beschikbaarheid als de meeste mensen aangenaam genoeg zijn om mee om te gaan als je ze beter kent, dan volgt daaruit dat nabijheid zal bepalen wie je beter leert kennen en wie je dus graag zult hebben. 2. Effect van loutere blootstelling loutere blootstelling aan een persoon of voorwerp verhoogt de positieve gevoelens tov de persoon of voorwerp. Dit effect is beperkt bij stimuli die initieel een neutrale of positieve reactie uitlokken. Negatieve stimuli leren we door herhaald contact juist te vermijden. Het kan dus ook zijn dat personen die we een aantal keren gezien hebben aantrekkelijker gaan vinden. Gelijkheid mensen trekken het meest op met mensen die op hen lijken. Complementariteitshypothese gedachte dat uitersten elkaar aantrekken. Blijkt niet waar te zijn, behalve bij dominantie en negatieve eigenschappen.

89

Vriendschap
Fasen in een relatie; 1. Ontwikkeling van vriendschap a. De wil om zichzelf bloot te geven (delen van gevoelens, opinies, geheimen) b. Engagement; verbondenheid tussen partners om de relatie voort te zetten Bij vrouwen is de relatie meer gericht op praten = face tot face relatie (bij voorkeur of relatie) bij mannen op activiteiten = side by side relatie 2. Vriendschappen onderhouden omgang met conflicten (vrouwen willen uitpraten, mannen liever ontwijken). Eerlijke balans tussen geven en krijgen. 3. Vriendschappen beëindigen de meeste eindigen omdat er een verandering optreedt in de factoren die de vriendschap bijeenhielden; nabijheid, gedeelde activiteiten en interesses. Relaties worden vaak niet afgebroken, maar bloeden eerder dood. Eenzaamheid negatieve emotie die we ervaren wanneer onze sociale relaties tekortschieten.  Sociale eenzaamheid te weinig vrienden, geen integratie in een sociaal netwerk  Emotionele eenzaamheid geen goede vrienden; intieme relatie missen Genetische bijdrage tot eenzaamheid is ca. 50%. Eenzaamheid komt het vaakst voor bij tieners en jonge volwassenen.

Liefde
Triangulaire theorie (Sternberg, 1986) = complete liefde bestaat uit intimiteit, passie en engagement. Bijv. enkel engagement = lege liefde, enkel passie = bevlieging. Langdurige relatie bestaat over het algemeen uit liefde tussen compagnons (intimiteit en engagement). Hechtingsstijlen (zowel bij kinderen als liefdesrelaties volwassenen te gebruiken) a. Veilige hechting b. Vermijdende hechting c. Angstige/ambivalente hechting (aantrekking en afstoting)

17.3 Het gedrag van anderen beïnvloeden
Attitude een gevoelsgeladen evaluatie van een persoon, een voorwerp of een idee. Een attitude bepaald hoe je reageert in een bepaalde situatie.

Wanneer overtuigt een boodschap?
Kenmerken van de boodschapper 1. Geloofwaardigheid a. Competentie b. Belang dat de boodschapper bij de boodschap heeft (bijv. eigenbelang = neg) 2. Gelijkheid tussen boodschapper en ontvanger 3. Aantrekkelijkheid Kenmerken van de boodschap 1. Vorm; bijv. complexe materie beter geschreven, reclame moet opvallen; visueel 2. Emoties; conditioneringstechnieken, bijv. product koppelen aan positieve gevoelens

90

Perifere verwerking. Discrepantie tussen boodschap en bestaande attitude. Factoren die overeenkomst tussen attituden en gedrag bepalen. positief beeld als we het een aantal keer gezien hebben b. 4. Herhaling a. Persoonlijkheid van het doelwit. Directe ervaring (bijv. 1. Centrale verwerking. Volgens zijn theorie van de cognitieve dissonantie willen mensen hun overtuigingen en acties met elkaar in overeenstemming brengen en voelen ze zich op hun ongemak wanneer ze publieke handelingen vertoond hebben die in strijd zijn met hun waarden. pestcontract). bijv. Ingewikkeld. Oftewel men kan attituden veranderen door personen een duidelijk zichtbare handeling te laten uitvoeren die niet strookt met hun overtuigingen. Loutere blootstelling. Hoe concreter de situatie. mensen die dit hebben willen voor alles een duidelijke en vaste attitude hebben. (bijv. Wanneer komen attituden tot uiting in het gedrag? Mensen doen soms dingen onder sociale beïnvloeding die niet in overeenstemming zijn met hun attituden. impulsieve beslissing. Autoritaire persoonlijkheid makkelijker te overtuigen op basis van gezagsargumenten. hoe meer afwijking hoe moeilijker 3. Need for closure = behoefte aan afsluiting. 3. maar als ze nog geen attitude hebben kunnen ze er soms snel één aannemen op basis van onvolledige informatie. proef video-opname aidspreventie. Zijn moeilijk te overtuigen. Mensen met lage behoefte aan afsluiting gemakkelijker te overtuigen op basis van perifere verwerking. Nog geen duidelijke attitude is makkelijker te overtuigen dan attitude te veranderen 2. Expliciet verband leggen tussen attituden en gedrag. sommige mensen hechten meer waarden aan overeenstemming tussen gedrag en attituden dan anderen De kracht van cognitieve dissonantie Festinger (1957) heeft een andere manier voorgesteld om attituden te veranderen. 91 . kanker en roken) a. Betrokkenheid bij het doelwit. kennis over biologische producten dan stemt koopgedrag meer overeen met attituden dan zonder kennis) 2. Eigenbelang. omdat attituden en gedrag niet altijd overeenstemmen. donatie door condooms te kopen. als de persoon zelf in aanraking is geweest met de boodschap is het makkelijker te overtuigen (bijv. alle voor-en-tegens op een rij zetten (vaak bij belangrijke beslissing. attituden kunnen gemakkelijk veranderd worden 4. dan na een aantal keer beter begrijpen Kenmerken van het doelwit 1. aankopen huis) b. Individuele verschillen.3. hoe meer overeenstemming 5. Specifieke attituden en gedragingen.

onthouden en interpreteren. uiterlijk baby roept automatisch gevoelens van hulp en bescherming op. dominant en competent meer kans voor managementfunctie en we richten ons tot hen in een noodsituatie. liever geholpen worden door een dokter in een witte jas dan in een kostuum. Gebaseerd op 1. Aangeboren associaties. vaak ziet iemand er in het echt heel anders uit. Voorrangseffect woorden die vooraan staan worden beter onthouden 92 . grotere kans aangenomen te worden voor dienstverlenende functie. negatieve houding tov Duitsers terwijl je nog nooit iemand van dichtbij ontmoet hebt 3. bijv. bril dragend.17. beschrijvingen over Edith maken haar positief of negatief) 7. volwassen. Illusoire correlaties overtuigingen van een sterk verband tussen twee eigenschappen. studente. Leergeschiedenis (Alle Wilma’s zijn dik) 2. Dit ontstaat door denkfouten die veroorzaakt worden door impliciete persoonlijkheidstheorie. Conflicterende kenmerken oplossen door. Mooie namen en aantrekkelijk uiterlijk worden eerder als intelligent. sociaal en moreel hoogstaand gezien. terwijl er in werkelijkheid slechts een heel klein verband of helemaal geen verband bestaat. lachen = vriendelijk persoon 5. gaat graag naar de kroeg. bijv. boeken) bijv. bril = intelligent 3. eerlijk en onderdanige persoon. babygezicht wordt geïnterpreteerd als vriendelijk. Het gezicht beïnvloedt eveneens onze indruk. Stem. Associatie op basis van overeenkomst in betekenis bijv. Generalisatie Alle Belgen zijn dom 6. 3. rijpe trekken wordt geïnterpreteerd als sterk. bijv. emotioneel stabiel. Er vanuit gaan dat wat er getoond wordt tijdens een korte ontmoeting een stabiele trek is van de persoon bijv. Observerend leren (tv. overgewicht. Beschikbaarheidsheuristiek gebeurtenis koppelen aan informatie die gemakkelijk uit het geheugen te halen is (recentelijke ervaringen of ervaringen met grote indruk. Ongefundeerde functionele associaties bijv. sportief a. Uiterlijkheden roepen echter wel overtuigingen bij mensen op aangaande persoonlijkheidstrekken. Ervaringen. Impliciete persoonlijkheidstheorie = het geheel van geheugenschema’s dat we hebben over verbanden tussen waarneembare persoonseigenschappen en persoonlijkheidstrekken en tussen persoonlijkheidstrekken onderling.4 Persoonsperceptie Sociale cognitie de studie van hoe mensen informatie over zichzelf en anderen waarnemen. 2. we richten ons tot hen voor informatie in een onbekende omgeving. De eerste indruk Persoonlijkheidsonderzoek heeft geen objectieve verbanden kunnen aantonen tussen uiterlijke kenmerken en persoonlijkheidseigenschappen. lichamelijke aantrekkelijkheid hangt immers samen met gezondheid en dus hogere voortplantingskansen. we verwachten dat die persoon ook dezelfde trekken en attituden heeft. 1. 1. rood haar = wild karakter 4. 4. Positieve indruk over mooie personen kan eveneens aangeboren zijn. 2. Gelijkenis met onszelf.

Dispositionele oorzaken verklaringen voor gedrag die voortkomen uit het karakter. dan trekt deze persoon de grootste aandacht. telefoongesprek met aantrekkelijke vrouw. bijv. China) 93 . (in culturen waarin individu minder centraal staat kan fundamentele attributiefout afwezig zijn.  Opvallend kenmerk wordt eerder als oorzaak geselecteerd dan onopvallend kenmerk (bijv. 2. denken dat je met een probleemkind te maken hebt. kenmerken en gedragingen hebben als wijzelf.  Zichzelf vervullende voorspelling mensen gedragen zich op een manier die hun verwachtingen doen uitkomen (bijv. 1. Gedrag verklaren: attributies Causale attributie het proces waardoor wij proberen de oorzaken van gedrag bloot te leggen. Verschil in invloed koud/ warm intelligent vakkundig. maar gebruiken eerder heuristieken wat leidt tot allerhande vertekeningen. 3. dan stellen mannen zich positiever op. na negatieve indruk (daarom weinig evidentie dat onze indruk verkeerd was)  Confirmatieneiging mensen hebben de neiging meer waarde te hechten aan evidentie die overeenstemt met hun overtuigingen dan aan evidentie die hun overtuigingen in twijfel trekt. Distinctie doet hij het alleen hier of overal 2. Fundamentele attributiefout fouten bij andere toekennen aan dispositionele oorzaken Twee factoren dragen hiertoe bij  Als iemand iets doet. Vertekeningen bij attributies 1. Representativiteitsheuristiek is de neiging die mensen hebben om de homogeniteit binnen een categorie te overschatten. Consistentie doet hij het altijd of alleen in specifieke gevallen Een combinatie van de drie informatiebronnen geeft de causale attributie. Mensen gaan echter zelden zo te werk. bemoeilijkt de samenwerking). Beschikbaarheidsheuristiek beïnvloed attributies  Effect van de valse consensus neiging die wij hebben om te denken dat andere mensen dezelfde opinies. Dus beter om de persoon te vragen over omstandigheden  Sterkte van situationele factoren worden onderschat. Consensus doet iedereen het of alleen hij 3. 2 types van oorzaken van gedrag. 2. Drie kenmerken.b. 1. waaronder de aanwezigheid van andere mensen. de motieven en de vaardigheden van de persoon die het gedrag vertoont. een vrouw in een mannenwereld die een procedurevraag stelt of een man in dezelfde situatie geeft een ander beeld). Situationele oorzaken verklaringen voor het gedrag die voortkomen uit externe of omgevingsfactoren. vlijtig Na de eerste indruk  Minder kans om verder contact met iemand aan te gaan. Covariatieprincipe Mensen zoeken de oorzaak van een gedraging door te kijken welke factor aanwezig is wanneer het gedrag vertoond wordt en afwezig is wanneer het gedrag niet voorkomt.

5 Groepsperceptie Stereotypering Mensen gaan ervan uit dat een groep relatief homogeen is en op een aantal kenmerken duidelijk verschilt van andere groepen. hoe homogener de groep lijkt te zijn (bijv.  Zelfdienende attributies het feit dat we geneigd zijn om attributies te maken die ons zelfbeeld ten goede komen. bijv. 1. werk. weinig geslapen/ gestudeerd).  Concurrentie voor schaarse goederen (land. Ingroep de groep waarmee men zich identificeert. Emotionele (vijandige gevoelens) 3. Hoe minder we over een groep weten. (bijv. Dit doen mensen in hun hang naar eenvoud. zij is dom. ik ben slim) Mensen proberen bedreiging aan het zelfbeeld te minimaliseren. intelligent. 17. door. Theorie van de sociale identiteit.  Geloof in een rechtvaardige wereld we krijgen wat we verdienen (hierdoor kunnen slachtoffers van een ziekte of verkrachting verwijten krijgen). (een aanval op iemand uit eigen groep bijv. rijkdom. studenten. wij evalueren onszelf door te kijken naar de groepen waartoe we behoren (sociale identiteit). iemand zakt. Cognitieve (negatieve percepties) 2. op positieve situaties juist omgekeerd (zij had geluk. Een individu heeft een positief beeld van zichzelf als de groep waartoe hij/ zij behoort het goed doet tov andere groepen. We hebben meer oog voor heterogeniteit binnen de eigen groep. Vooroordeel de emotioneel geladen houding tegenover personen op grond van hun lidmaatschap van een groep. Dit is van toepassing op negatieve situaties. Stereotypering is een verzameling van vaststaande. Daarom de neiging om te zoeken naar kenmerken waarop de eigen groep het goed doet (bijv. maar hebben toch het idee dat we meer lijken op iemand van onze eigen groep (ik lijk meer op een andere Nederlander dan op een Belg). Dennis. 94 . simplistische en sterk veralgemeende opvattingen over een groep van mensen. situationele oorzaken. ik zak. alle Afrikanen lijken op elkaar. maar Nederlanders verschillen per provincie). eer)  Menselijke natuur om op andere groepen neer te kijken. eigen successen worden toegeschreven aan stabiele persoonseigenschappen en eigen mislukkingen aan externe. drie componenten. Onderdeel van actor-observator-discrepantie anderen fundamentele attributiefout en eigen fouten schrijven we toe aan situationele oorzaken. Aziz) Oorsprong van vooroordelen. nieuwe kennis opdoen). Gedragsmatige (discriminerend gedrag) Vaak werken vooroordelen negatief en hebben mensen de neiging om hun eigen groep als superieur te beschouwen = ingroepfavoritisme. wordt als zinlozer beschouwd dan iemand van een andere groep.

dan een stapje hoger gaan).0 is dan de ene groep (bijv. homoseksuelen. ben je vrijgevig). dit blijkt ondermeer uit  Proeven. piekeren). bijv.8). mannen) in alle gevallen groter dan de andere groep. Stereotypen en vooroordelen ontkrachten Geslachtsstereotypering andere verwachtingen hebben tov een individu wanneer ze vernemen dat die persoon een man of een vrouw is. onze gevoelens. mentale rotatie en bereidheid tot seks zonder verdere verplichtingen (hoogste +0. meer sympathische activiteit bij persoon uit ander ras. 95 . het enige wat we kunnen doen is deze reactie onderdrukken en bijv. een meer gepaste reactie te geven. In twee componenten. Contacthypothese (Sherif. werken aan projecten) en niet door slechts bijeenbrengen in sociale activiteiten. negers. onbevooroordeelde mensen weten dit echter goed te onderdrukken. Gestandaardiseerde effectgrootte d tussen -5. Theorie van sociale vergelijking we vergelijken onszelf met de groep die het dichtst bij ons staat (bijv.6 Zelfperceptie Zelfperceptie verwijst naar de manier waarop we onszelf zien en evalueren.  Introspectie is niet altijd een aangename activiteit. attituden en opinies leiden we af aan onze gedragingen = zelfperceptietheorie. We hebben slechts in beperkte mate toegang tot onszelf. sporten. katholieken). 17. Intuïtie geeft vaak een beter beeld dan een volledig beredeneert verhaal.  Veel processen van onszelf automatisch verlopen zonder dat we hier controle over hebben. vaak als je nadenkt over je gevoel is dit een negatief gevoel (bijv. (wellicht door observerend leren). Iedereen is aan racisme onderhevig. Nederlands/ positief is makkelijker te combineren dan Turks/ positief  Fysiologisch. Dit geeft echter niet altijd een duidelijk beeld van onszelf omdat soms ons gedrag wordt bepaald door de situatie. Mannen scoren iets hoger in agressief gedrag.0 en + 5.Stigma is een schandvlek van een ‘ongewenst verschil’ die door een sociaal dominante groep opgelegd wordt aan groepen die niet aan de idealen van die dominante groep beantwoorden (joden. Als deze 5. Vrouwen op glimlachen. Iedereen is onderhevig aan associaties over eigen groep = goed en andere groep = minder goed. als je de beste bent. Bij 0 is dit gelijk. doordat. Mensen hebben geen rechtstreekse toegang tot hun zelf.0. zelfconcept en zelfwaardering Wat weten we over onszelf? Zelfconcept geheel van overtuigingen dat we hebben over onze eigen kenmerken (bijv. 1961) barrière tussen groepen vermindert/ verdwijnt alleen bij intensieve samenwerking (bijv. Activiteit van amygdala en meer activiteit frontale cortex (verantwoordelijk voor cognitieve controle over emoties).

96 . rollen en sociale relaties. o onrealistisch optimisme het onderschatten van de eigen kans op een negatieve gebeurtenis (bijv. een naam die meer op onze eigen lijkt. Door juiste zelf te kiezen om te vergelijken krijg je een betere zelfwaardering. Sandra vindt Sanya-thee lekkerder dan Larin-thee). klinkt aangenamer (bijv.Onze zelfwaardering hoog houden te midden van anderen Zelfwaardering is een emotionele beoordeling van onze waarde als persoon. juiste groep kiezen voor goed gevoel  Zelfcomplexiteit het hebben van meerdere zelven. door bijv. het aantal en de diversiteit van de zelfaspecten die we ontwikkeld hebben voor verschillende situaties. kans op een ongeluk) o Controle-illusie we denken controle over een situatie te hebben terwijl dit niet het geval is (bijv. door. loterij) o Liefde voor zichzelf bijv.  Te genieten van wat we aan het doen zijn  Goed te presteren in vergelijking met anderen.  Zelfvermeerdering een beter beeld creëren van onszelf dan gegrond is.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->