Hoofdstuk 2 – De biologie van het gedrag

2.1 De bouwstenen van het zenuwstelsel
Neuronen
= zenuwstelsel functie = communiceren met andere neuronen zodat wij allerlei handelingen kunnen uitvoeren. Types; 1. Sensorische neuronen: Informatie over de buitenwereld naar hersenen of ruggenmerg 2. Motorneuronen: Uitvoering bevelen van hersenen naar spieren, organen en klieren. 3. Interneuronen: Informatie tussen neuronen Neuron Dendrieten; ontvangst informatie Cellichaam Axon; geven informatie door Indien myelineschede dan springt signaal van knoop tot koop van Ranvier. Myelinisatie pas voltooid op volwassen leeftijd en brokkelt later weer af. Ook diameter axon bepaalt informatiesnelheid. Rustpotentiaal: -70 V, door Na+ -ionen buiten cel en negatieve eiwitmoleculen en Cl- in cel. Actiepotentiaal: Er zit zoveel Na in de de cel dat de polariteit positief is. Dit komt door dat drempelwaarde = -55 V door excitatorische signalen. Natriumpoorten in de membraan gaan open en een massale toevloed van Na+ in axonheuvel. Na het doorlopen van het neuron (als dominostenen), open de K+-poorten en wordt rustpotentiaal hersteld. Nu worden Na uit de cel en K weer in de cel gepompt, door na-K pompen in membraan. Gedurende korte tijd kan geen actiepotentiaal worden uitgelokt, dit heet refractaire periode. Verdovingsmiddelen blokkeren instroom Na in axon en vermijden zo dat pijnsignaal doorgestuurd kan worden naar hersenen. Inhibrirende signalen Neuronen vuren volgens alles-niets wet. Stimulus-intensiteit wordt bepaald door aantal neuronen dat vuurt en snelheid van opeenvolging actiepotentialen. Of een neuron vuurt hangt af van een optelsom van inhibitorische en exitatorische signalen.

Communicatie tussen neuronen
= info-overdracht is chemisch. Stof is neurotransmitter wordt vrijgegeven in synaps = opening tussen twee neuronen. Deactivatie neurotransmitter op drie manieren; 1. ontvangende neuron neemt ‘m weer op 2. verzende neuron absorbeert ‘m 3. afgebroken in de synaptische spleet door enzym.

1

Neurotransmitters
Effect afhankelijk van soort neurotransmitter en plaats in de hersenen. Belangrijkste soorten 1. Dopamine; a. Route van mesencefalon. betrokken bij beweging. Tekort veroorzaakt bevingen, spierstijfheid, traagheid, Parkinson. b. Route van mesencefalon naar frontale lob, betrokken bij denken. Overgevoeligheid = schizofrenie. c. Ook samen met noradrenaline en serotonine betrokken bij regelen van emoties en motivaties. Teveel dopamine = agressie, kalmeringsmiddelen onderukken activiteit. 2. Noradrenaline en serotonine; gemoedsgesteldheid. Veel = positief, laag = depressief. Antidepressiva onderdrukken de heropname van serotonine in synaps. 3. Acetylcholine; a. Beweging; samentrekking spieren. Vergiftiging door botulisme (bedorven voedsel) verhindert vrijlating acetylcholine = verlamming en zwarte weduwe = spierspasmen door massale afzetting acetylcholine 4. Gaba; inhibitorische neurotransmitter. Betrokken bij slaap. Kalmerings- en slaapmiddelen verhogen effect van GABA = benzodiapines. Ook tegen epilepsie (neuronen vuren ongecontroleerd). 5. Endorfines; pijnreducerend effect; vechten of vluchten. Morfine werkt hetzelfde. Ook bij voelen van verzadiging en versterken van de smaak van voedsel.

Hoe belangrijk zijn gliacellen
10x zoveel als neuronen, 10x zo klein, dus gelijk volume. Lijm tussen neuronen. Waarschijnlijk ook beïnvloeding werking neurotransmitters, betrokken bij vormen nieuwe synaptische connecties en myelinisatie van neuronen. Neurovasculaire-eenheid = neuronen, gliacellen en belendende bloedvaten.

2.2 Overzicht van zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel
Hersenen (gecompliceerde functies) en ruggenmerg (eenvoudige reflexen)

Perfifere zenuwstelsel
Sensorische neuronen en motorneuronen. Twee delen 1. Somatische zenuwstelsel = activatie skeletspieren 2. autonome zenuwstelsel = controle inwendige organen; a. sympatisch zenuwstelsel = actie = energieverbruik b. parasympatisch zenuwstelsel = energieherstel

2.3 De hersenen
De hersenstam
Medulla oblongata; verlengde ruggenmerg. Controle harslag en ademhaling Pons; verbinding hersens met lichaam. Linkerdeel met rechts en vise versa.

2

Mesencefalon = middenhersenen. Coördinatie bewegingen. Degeneratie neuronen = Parkinson.

De kleine hersenen
Cerebellum; a. coördinatie van bewegingen (snelheid en nauwkeurigheid). Schade leidt tot schokkerige bewegingen en evenwichtsproblemen. Ook beïnvloed door alcohol (bewegingsproblemen dronkenschap). b. Hulp bij regelen van denk, taal en geheugentaken.

De thalamus en de hypothalamus
Thalamus; twee uitstulpingen aan de bovenkant van de hersenstam. Verbindingsstation tussen perifere zenuwstelsel en hogere lagen van hersenen. Bijv. overbrengen info van ogen naar hersenen. Tevens rol bij informatie-integratie verschillende delen van hersenen (bijv. cerebellum en motorische cortex). Hypothalamus; onder (hypo) thalamus. Controle autonome zenuwstelsel (overleving als eten, vluchten, paren) en endocriene systeem (via hypofyse). Ook temperatuurregeling. Tevens een gebied als genotscentrum.

Het limbische systeem
Regelen van emoties en opslaan van geheugensporen. Amygdala; rol bij schrikreacties. Bijv. activatie bij zien van bange gezichten. Leren vrezen van stimuli en gewaarworden van gevaar in omgeving. Septum; Verbindingsstation tussen cognitieve en emotionele processen. Ook deel van genotcentrum. Betrokken bij drugsverslaving. Hippocampus; Geheugen. Lobtomie hippocampus; geen info meer op kunnen slaan.

De grote hersenen
Cerebrum = grote hersenen liggen aan de bovenkant van hersenen, bestaan uit twee helften = hemisferen. Oppervlak elke hemisfeer wordt onderverdeelt in 4 lobben = kwabben. Frontale lob; plannen en controleren van gedrag en spraak Pariëtale lob; integreren en lokaliseren van informatie Occipitale lob; zicht Temporale lob; herkennen van voorwerpen, geluiden, geheugen, taal Sensorische gebieden in de cortex Somatosensorische cortex; in Pariëtale lob. ontvangt gewaarwordingen van aanraking, pijn, druk en temperatuur. Somatopisch georganiseerd = elk specifieke regio in cortex is verantwoordelijk voor specifieke plaats in lichaam. Primair visuele cortex; in Occipitale lob. Ontvangst signalen van receptoren ogen. Worden verder doorgestuurd voor verwerking tot betekenisvolle waarnemingen. Primair auditieve cortex; in Temporale lob. Hier komen gehoorsignalen aan.

3

aculculie = rekenproblemen. Associatiezone in pariëtele lob integratie van verschillende soorten informatie. Vernietiging = hemiplegie (verlamming tegenovergestelde deel lichaam). nabijheid amygdala en septum. Somatosensorisch georganiseerd. 4 . Elektrische activiteit registreren van elektrische activiteit dmv elektroden die op de schedel worden geplaatst. Hersenscans via hoeveelheid bloed in de hersenen. Controle bewegingen. Associatiezone in frontale lob zorgt voor plannen. Rol bij regelen van emoties. dit meet kernspinresonantie van rode bloedcellen. Associatiezones. waardoor zuurstofafzet in hersenen bepaald kan worden. linkerkant hersenen resulteren vaker in taalproblemen dan rechterkant. c. Transcraniale magnetische stimulatie (TMS). Alexie = bijna niet meer kunnen lezen. Elektrische stimulatie bij open liggen hersenen. De elektrische activiteit van de hersenen als reactie op specifieke prikkel heet ERP = event-related potential. Ook figuren niet meer kopiëren. Letselstudies bijv. Linker hemisfeer rechterkant lichaam en vice versa. Schade kan leiden tot amnesie = geheugenproblemen. b.Motorische cortex. Meten via licht radioactieve stof in bloed. Technieken om werking van hersenen te bestuderen. komt na verloop van tijd in hersenen terecht = PET = Positron emissie tomografie. Hemiglect = links en rechts niet meer kunnen onderscheiden of linkerkant van lichaam en wereld geen aandacht meer besteden (beschadiging rechtse pariëtale cortex. Schade kan leiden tot auditieve agnosie = wel geluiden horen. verwerken en herkennen van stimuli. Via magnetisch veld heet MEG = Magnetische encefalograaf. Hersenlateralisatie Diverse functies zijn duidelijker in ene kant dan in andere kant aanwezig. rol bij geheugen en integreren geheugensporen (herinneringen liggen op diverse plaatsen in cortex opgeslagen). Beschadigingen kunnen leiden tot vingeragnosie = niet meer herkennen vingers. d. maar niet meer kunnen benoemen. Schade kan leiden tot apperceptieve agnosie = wel lijnen en kleuren kunnen zien. Schade kan leiden tot associatieve agnosie = wel waarnemen. Grootste gedeelte van cortex. maar niet meer herkennen. rondom hippocampus. Beschadigingen leidt tot afname coördinatie en doelgerichtheid activiteiten. Associatiezone in occipitale lob verwerking stimuli die binnen komen via primaire visuele cortex. EEG = Elektro-encefalogram geeft activiteit weer. Tegenwoordig meer fMRI = functional magnetic resonance imaging. verwerking van auditieve informatie (gebied rondom primaire auditieve cortex). maar niet meer samenvoegen tot een waarneming. organiseren en evalueren van gedrag. in Frontale lob. Associatiezone in temportale lob a.

Bij stress scheidt zij hormonen adrenaline en noradrenaline af in bloedbaan. Bijv. Overname van ongebruikt hersenweefsel door andere functies bijv. bij letsel wanner arm niet meer wordt gebruikt kan dit voor aanrakingen gezicht worden ingezet. activiteit in visuele cortex bij uitvoeren van klankdiscriminatietaken 3. rechterkant verwaarlozen wordt zelden waargenomen). Letsel levert spraak op met zinloze inhoud = Afasie van Wernicke. Hypothalamus scheidt stoffen af die hypofyse bereiken. Uitbreiding gebied dat aan een functie gewijd is bij veelvuldig gebruik bijv. Bijv. Split-brain experimenten Corpus Callosum = grootste verbinding tussen twee hemisferen bestaande uit een massieve bundel van zenuwwevels aan onderkant van grote hersenen. Doorsnijden corpus callosum (epilepsie-patiënten omdat aanval naar andere hersenhelft overging) levert dat voorwerpen niet benoemt kunnen worden als ze in de linkerhand gegeven worden.Spraak.4 Endocriene systeem bestaat uit een aantal klieren die hormonen afscheiden = chemische boodschappers die door het bloed naar andere lichaamsorganen gebracht worden. Hierdoor meer energietoename. vioolspelers groter deel van rechtse somatosensorische cortex 2. 5 . linker-hemineglect (verwaarlozen linkerkant.en taalcentra in de hersenen Gebied in frontale lob van linkerhemisfeer is cruciaal voor spreken = Gebied van Broca. Hypofyse Structuur vlak onder hypothalamus. Geboorte blind zijn. Hersenplasticiteit Herschikken organisatie en functies afhankelijk van veranderende omstandigheden. zodat deze op haar beurt hormonen afscheidt in de bloedbaan. 1. rechterhemisfeer actiever. Bijnieren Liggen boven de nieren. vork het juiste voorwerp aanwijzen. Letsel levert spraakstoornis = Afasie van Broca Grensgebied tussen pariëtale. temporale en occipitale lob van linkerhersenhelft is cruciaal voor samenhang spraak = Gebied van Wernicke. Spontaan herstel door afsterven en opruimen gewonde heuronen en overname functies door overblijvend weefsel 2. Rechterhemisfeer is dominant voor het richten van aandacht en voor gezichtswaarneming. Hormonen werken soms direct maar vaak indirect doordat ze aanmaak en secretie van hormonen in andere klieren stimuleren of onderdrukken. Wel na blinddoeken weer kunnen aanwijzen of bij het horen van bijv. omdat meer glucose in het bloed terechtkomt en het hart sneller gaat kloppen. gezichtsherkenning.

verdeeld over 23 paren (één van de vader en één van de moeder). 2. Onderzoeksgebied dat onderzoekt hoe het genoom en het milieu interageren heet gedragsgenetica Gedragsgenetica Selectieve teelt op eigenschap laten voortplanten. Dit bestaat uit een dubbele helix met lange sequentie van 4 basenparen. Bestaat uit iets meer dan 3 miljard basenparen dat samen het menselijk genoom vormt. Tweeëntwintig paren zijn autosomen (geordend naar grootte). A-T. Overeenkomst wordt uitgedrukt in concordantiegraad. G-C (Adenine. bijv. Cytosine Guanine. T-A. bij verarmde omgeving nagenoeg geen effect. mits de omgeving verijkt is. Geslachtsklieren Eierstokken scheiden progestron en oestrogeen die vrouwelijke cyclus regelen.Buitenste deel heet bijnierschors produceert mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen. Bij mannen teelballen testosteron. Kan met licht worden behandelt omdat licht aanmaak melatonine onderdrukt. Genotype genetische samenstelling van een individu Fenotype zichtbare. Kleurenblindheid komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen omdat dit maar één keer voor hoeft te komen op X. Biotechnologie genen veranderen in het DNA van een dier. Prestaties worden beter. borstontwikkeling bij mannen. bij de man één groot X en klein Y. Genen uitschakelen en effecten hiervan bestuderen = knock-out experimenten Mensenonderzoek eeneiige en twee-eiige tweelingen. Toediening melatonine vlak voor bedtijd kan slapeloosheid behandelen. Adoptiestudies maken mogelijk om genetische invloed te bestuderen los van de omgevingsinvloed 6 . erfelijkheid en gedrag Erfelijkheidsleer van erwten tot genoom Dominant gen gen dat tot uitdrukking komt zodra het aanwezig is Recessief gen gen dat alleen tot uitdrukking zal komen als het aanwezig is in erfelijk materiaal van zowel vader als moeder Chromosomen erfelijke informatie die voorkomen in nagenoeg alle cellen van ons lichaam (behalve rode bloedlichaampjes). trainen ontwikkeld spieren). bijv. C-G. Pijnappelklier Teveel aan melatonine kan seizoensgebonden stoornis veroorzaken. linkerbijnierschors of haargroei vrouwen bij rechterbijnierschors. Thymine). Laatste paar geslachtschromosomen. Ieder mens heeft 46 chromosomen. Bij de vrouw twee grote X.5 Evolutie. meetbare kenmerken en trekken van een individu (kan dus veranderen door invloeden uit omgeving. Onevenwichtigheden kunnen door tumoren veroorzaakt worden. Chromosomen bestaan uit DNA = desoxyribonucleïnezuur.

interpreteren en begrijpen van de gewaarwordingen (bijv. Zichtbaar spectrum tussen 400 – 700 nm. geuren. 3. veranderen dikwijls van richting = refractie) of geabsorbeerd. Gevoeligheid voor deze golven is van belang voor overleven. klanken. receptoren in retina bevatten fotopigmenten die chemisch reageren wanneer er fotonen op 7 . smaken. Lens hier buigt het verder af en wordt via glasachtig lichaam (vloeistof in oog) op retina gefocust.1 Gewaarwording en waarneming Gewaarwording of sensatie is de opname van stimulatie uit de omgeving en het vertalen van deze stimulatie in elktrochemische neuronale signalen die naar de hersenen gestuurd kunnen worden en daar omgezet in beelden. Lens is elastisch en kan boller of platter worden = accommodatie Kegeltjes en staafjes activeren in de retina Transductie = proces waarbij een receptorcel fysische energie omzet in elektrische signalen. Waarneming is het organiseren. televisie). door heen gaan (transparant. lichtgolf gaat door de cornea = hoornvlies. Komt voort uit snelle trillingen (oscillaties) van elektrisch geladen materiaal en beweegt zich voort in golven.2 Het gezichtsvermogen De fysica van het licht Licht bestaat uit elektromagnetische stralingen. Andere bronnen zijn sterren en lampen. Hier vindt de grootste breking van de golf plaats door sterk verschil in dichtheid tussen lucht buiten ogen en vocht binnenin ogen. Daarna door kamervocht en pupil = opening in iris die door spieren in iris groter (in donker zodat er meer licht doorheen kan) en kleiner (licht) kan worden. uitgedrukt in nanometer (miljardste van een meter). 2. Op het oppervlak kunnen de fotonen worden gereflecteerd. Route stimulus naar de retina.Hoofdstuk 3 – Gewaarwording 3. Lichtintensiteit aantal fotonen die per tijdseenheid een oppervlak bereiken. Meeste licht komt binnen via reflectie. Zon is belangrijkste bron van elektromagnetische straling. 1. gezicht herkennen) 3. Afstand tussen twee pieken is golflengte. Het oog en de gezichtsbanen Lichtstralen focussen op de retina = lichtgevoelige structuur aan de achterkant van het oog. Deze varieert van een duizendste nanometer (gammastralen) tot meer dan duizend kilometer (radiogolven).

8 . Axonen van de ganglioncellen vormen de oogzenuw. lage lichtintensiteiten (nachtzicht) en bewegingen. Van de ogen naar de hersenen De retina bestaat uit drie lagen. zodat brandpunt in het oog ligt Hypermetropie of verziendheid. Hierdoor duurt het even voordat we weer iets kunnen zien als we bijv. Kan lens niet bol genoeg maken. blauw. 120 miljoen receptoren zijn staafjes. Kan lens niet plat genoeg maken. Concentratie kegeltjes is grootst in fovea = centrale gedeelte van de retina. vooral verantwoordelijk voor kleur. 1. De reacties in de receptoren leiden tot neuronale signalen die naar de hersenen gestuurd worden. Helderheid en lichtperceptie Helderheid = intensiteit van het licht Licht. Onderaan kegeltjes en staafjes 2. Vereisen sterk licht om geactiveerd te worden. Relatieve helderheid = helderheid voorwerp tov een ander voorwerp. gaat verder naar corpus geniculatum laterale en vervolgens naar primaire visuele cortex Problemen om scherp te zien Myopie of bijziendheid. Wij hebben ook drie soorten kegeltjes die voor verschillende golflengten (korte. Astigmatisme cornea is niet perfect bolvormig. info wordt doorgestuurd naar horizontale. problemen om voorwerp van veraf te zien. 1802). Daarna naar ganglioncellen.vallen. Lichtheid van een voorwerp blijft gelijk bij verschillende belichtingen (bijv. groen met verschillende intensiteit op elkaar te schijnen (Young. bipolaire en amacriene cellen 3. Concentratie grootst rond de fovea. 7 miljoen receptoren hebben de vorm van een kegeltje. Dan naar hersenen. midden en lange) gevoelig zijn. die de oogbol verlaten door één enkel gat zo dik als een potlood. Omringende voorwerpen bepaalt lichtheid van het voorwerp = gelijktijdig contrast (bijv. Trichromatische theorie elke kleurtint kan verkregen worden door rood. problemen om voorwerp van dichtbij te zien. zodat brandpunt achter het oog lig. overdag en ’s avonds) = lichtheidsconstantie Kleurperceptie Tint wordt door golflengte bepaalt.en duisternisadaptie = aanpassingen van de ogen aan het licht en duisternis. Op deze plaats bevinden zich geen receptorcellen = blinde vlek 4. lichtgrijs lijkt lichter achter zwart dan achter wit achtergrond). info van twee ogen komt bijeen in chiasma opticum. door ouderdom (verharding binnenste lens) voorwerpen van dichtbij niet meer goed kunnen zien. Presbyopie. Staafjes worden actief bij zwak licht en kegeltjes bij sterk licht. uit een tunnel komen. Sommige oriëntaties in retina zijn dan onscherp.

verzadiging of puurheid (levendig versus vaal).contrast De hersenen verwerken binnenkomende signalen zodat kleuren hetzelfde eruit zien bij verschillen in belichting. vandaar dat je een rood nabeeld krijgt. Blauw – groen – rood 33 . Verzadiging Naast tint en helderheid heeft kleur nog een derde eigenschap. De verzadiging hangt af van de hoeveelheid achromatisch licht (wit.33 – 33 = wit Blauw – groen – rood 100 – 0 – 0 = felblauw Blauw – groen – rood 60 – 20 – 20 = vaal blauw (grijzig) Bijv. reflecteert vooral tussen 490 en 700 nm. vandaar meer mannen dan vrouwen). opponente kleur verschijnt. blauwe verf aanbrengen. maar ook door ziekte of ouderdorm. Daarna gele verf. dan is groene systeem afgemat en kan niet even sterk reageren als rode systeem. oftewel meer achromatisch licht wordt gereflecteerd. Dus blauw en groen reflecteert alleen nog 490 – 560 nm = donkergroen.3 Het gehoor 9 .Complementaire kleuren en opponente processen rood – groen geel – blauw zwart – wit kleurnabeelden tijd lang kijken naar kleur en daarna naar wit vel. Nu worden alleen nog golflengen onder 560 nm gereflecteerd. Veelal genetisch (recessief gen op X-chromosoom. zwart. wat staat je wel en wat niet). Additieve en subtractieve kleurenmenging Bij additieve kleurenmenging worden golflengten van twee lichten bij elkaar gevoegd en stimuleren samen op dezelfde plek de retina. groen) wordt uitgeput als je langdurig naar een kleur kijkt. Bijv. Kleurcontrast houdt in dat kleuren er verschillend uitzien bij verschillende achtergronden (kleurenkaart. Dit komt doordat signalen van drie type kegeltjes gehercodeerd worden in drie kanalen met opponente processen. blauw katoen wordt steeds valer en lichter doordat de verffilter wordt afgebroken en het witte katoen erdoor komt. Als je nu naar wit kijkt (stimuleert alle componenten). Kleurendeficiëntie Meest voorkomende vorm is het niet goed kunnen onderscheiden van rood en groen. (rood en groen geeft geel) Bij subtractieve kleurmenging bereiken hoe langer hoe minder golflengten het oog. wit blad. grijs) die bij het chromatische licht gemengd is. De ene component (bijv. 3. Ishihara-test = stippentest met getallen. Kleurconstantie en.

slakkenhuis De voet van de stijgbeugel vibreert tegen ovale venster. Zuivere toon is een sinusgolf. De haarcellen op de basilaire primaire auditieve cortex membraan worden platgedrukt als er druk op de vloeistof in het slakkenhuis staat. trommelvlies De oorschelp vangt geluiden op en leidt ze naar de gehoorgang. Achterkant van het trommelvlies staat incus (aambeeld). De gewaarwording van toonhoogte wordt berekend op basis van de vloeistofbeweging in het slakkenhuis. waardoor meer haarcellen vuren en ook sneller vuren. wordt de toonhoogte berekend. Zonder salvoprincipe kunnen we geen geluid boven 1000 Hz vernemen. Dit wordt omgezet in een neuronale impuls die langs de gehoorzenuw naar de primaire auditieve cortex gestuurd wordt. Aantal + snelheid geeft een berekening in hersenen van de toonsterkte. 300 haarcellen per seconde). Voorwerp die trilt veroorzaakt herhaaldelijk verschil in luchtdruk. toonhoogte en klankkleur gewaarworden De gewaarwording van de toonsterkte wordt bepaalt doordat er bij een golf met een grote amplitude geeft grotere doorbuiging trommelvlies. geeft grotere verplaatsing vloeistof slakkenhuis. 10 . De amplitude bepaalt de toonsterkte. gemeten in Decibel. De mens hoort tussen 20 – 20. dit heet het salvoprincipe.000 Hz. Deze bereikt haar maximum en vermindert daarna snel. Binnenoor Toonsterkte. gehoorgang. gehoorzenuw. nl wegens refractaire periode kunnen zenuwcellen niet sneller vuren dan 1000x per seconde. hoe sneller opeenvolging) en op basis van de snelheid van het vuren van de haarcellen (300 Hz is ca. Op basis van de opeenvolging van maxima (hoe hoger de toon. Cellen reageren in groepen op geluid en wisselen elkaar af. Klankkeur wordt bepaald door de grondtoon en bijkomende frequenties boventonen. het aantal cycli dat de golf doorloopt per seconde (Hertz). stapes in verbinding met drie gehoorbeentjes (stijgbeugel) = MIS die als een versterker werken Ovale venster. Het vlies van de ovale venster veroorzaakt drukgolven in vloeistof binnen in slakkenhuis Basilaire membraan.De fysica van het geluid Geluid is het gevolg van trillingen. De frequentie bepaalt de toonhoogte. Het oor Deel Buitenoor Middenoor Functie Oorschep. Pure tonen met één amplitude komen immers zelden voor in de natuur. waar de golven tegen het trommelvlies botsen Gehoorbeentjes malleus (hamer).

De hersenen houden rekening met het feit dat ons hoofd groeit als we ouder worden. Tijdelijke drempelverschuiving treedt op bij het horen van tijdelijk harde geluiden. Receptoren worden geactiveerd als moleculen hoog in neusholte oplossen. Fermonen Paargedrag wordt beïnvloed door lichaamsgeuren.4 De reukzin Minder goed ontwikkeld dan bij dieren. 11 . Van daaruit naar hogere corticale centra. 10 miljoen) hebben en een klein deel van de cortex aan reuk gewijd is. Boodschappen worden doorgestuurd naar bulbus olfactorius gelegen aan de voorkant van het hoofd. Geuren detecteren en identificeren Vrouwen kunnen beter dan mannen en jongeren beter dan ouderen en ’s ochtends beter dan ’s avonds geuren detecteren. Ook worden smaakvoorkeuren aangeleerd door associaties met aangename en onaangename ervaringen. De meeste smaak hangt samen met de reuk (bij het opzetten van een knijper proef je niet wat het is). Gevoeligheid verschilt ook van geur tot geur. 3. bitter. Mensen en dieren kiezen geur die zoveel mogelijk verschilt van eigen lichaamsgeur. Een cochleaire implantaat kan het verhelpen. waarschijnlijk door verband met immuniteitssysteem. Dit heet conductiedoofheid. zout. Gehoorverlies en de behandeling ervan Bij het verouderen worden de gehoorbeentjes iets stugger en kunnen ze het geluid niet meer zo goed doorgeven. de geluidsgolven worden dan omgezet in elektrische signalen die via een elektrode door het slakkenhuis naar de gehoorzenuw kronkelt. umami. Dit herstelt van een paar uur tot een paar dagen.Auditieve lokatie Lokalisatie van geluid wordt berekend op basis van verschillen in aankomsttijd en intensiteit tussen onze oren. Elk soort molecuul past op een bepaalde receptor. zoet. de eerste pinda smaakt zouter dan erna. Ook treedt smaakadaptie op. zuur. Blinden zijn iets beter in geuren identificeren maar niet in detecteren. Ook blijvende oorsuizingen of tinnitus is mogelijk. 3.000 smaakknoppen. staan in verband met 5 smaakreceptoren die zich bevinden in totaal 2000 tot 10. Het middenoor functioneert dan niet meer goed of schade aan de haarcellen.5 De smaakzin Bij de mens ook minder goed ontwikkeld dan bij veel andere diersoorten. Geuren ruiken we niet meer als we er een tijd aan blootgesteld zijn = geuradaptie. Sensorineurale doofheid kan optreden bij blootstelling aan harde geluiden op lange termijn of bij het horen van één enkel hard geluid. doordat we weinig reukreceptoren (ca. vlak onder de frontale lobben. 5 smaakeigenschappen.

diffuser signaal (zeurend pijn) Pijnervaringen verschillen per situatie 1. Bitter kan giftig zijn en zoeter heeft hogere voedingswaarde. Snel type voor goede lokalisatie van de pijnplek (bijv. illusie. het lijkt of we de druk van de pen op het papier kunnen voelen). Pijn Informeert ons over beschadigingen in ons lichaam en waarschuwt ons als we schade dreigen op te lopen. Kan overwonnen worden door sociaal leerproces (bijv. Morfine heeft dezelfde werking en kan worden toegediend om pijn te verminderen. temperatuur en pijn. hand op schouder) 4. snelle veranderingen op zeer precieze plaats 2. in sommige omstandigheden wordt geen pijn gevoeld (bijv. vlak onder de huid. vooral door kinderen. reflex na scherpe pijn) 2. Vier receptoren. 3. Kinderen zijn op 2-jarige leeftijd neofobisch (geen nieuwe dingen willen eten). snelle drukveranderingen over grote oppervlakten (bijv. Pijnvermindering wordt geregeld door endorfines. sociale relaties. Smaak leer je waarderen na het 10x gegeten te hebben. Poortcontroletheorie in staat zijn om pijnervaring te ondrukken. bier leren drinken). zonder dat het breekt. individuen verschillen per pijnervaring. Er bestaan 2 types van zenuwbundels die informatie over weefselbeschadiging (=nociceptie) door sturen naar ruggenmerg 1. ook na amputatie. muziek) 3. langdurige drukveranderingen over grotere oppervlakte (bewegingen die we uitvoeren) Temperatuur voelen we door afzonderlijke receptoren voor te warm en te koud. als eigen leven in gevaar is of placebo. 4. 1. 2. 12 . Zoet wordt boven bitter gekozen.Smaakvoorkeuren Smaakvoorkeuren veranderen met ouder worden.6 De zintuigen van de huid De menselijke huid bevat receptoren voor druk. De receptoren worden vrije zenuwuiteinden (bestaan uit dendrieten van neuronen) genoemd. Druk en temperatuur Tastzin reageert op drukveranderingen op de huid. voorwerpen manipuleren (hoeveel druk kun je uitoefenen op een ei. langdurige drukveranderingen op specifieke plaats (iets lang vasthouden) 3. Trager type. 1. voorwerpen herkennen. plek in lichaam waar ooit pijn is opgetreden zal makkelijker nieuwe pijnervaring hebben. pijnervaring wordt verminderd door aangename stimuli (bijv. Meer of minder toelaten afhankelijk van omstandigheden (bijv. vecht en vlucht situaties. als men denkt ervoor behandeld te zijn. verkeersongeval) 2. 3.

prik van de dokter voelt pijnlijker als je naar de naald kijkt). 10 gr. De differentiële drempel en de wet van Weber De differentiële drempel of kleinst merkbare verschil is het kleinste waardeverschil dat er moet zijn tussen twee prikkels opdat dit verschil waargenomen kan worden. lezen in rijdende auto). De absolute drempel voor de tast ligt lager wanneer men naar een lichaamsdeel kijkt. dan wanneer men er niet naar kijkt (bijv. struikelen of uitglijden. De absolute drempel De intensiteit die een stimulus moet hebben om waargenomen te worden heet de absolute drempel. Bijv. gewicht = 50 gr.1 Van gewaarwording naar waarneming Visuele agnosie wel kunnen gewaarworden. waardoor we kunnen reageren bij bijv. Duiziligheid ontstaat bij extreme beweging hiervan. 500 gr. 13 . pezen en gewrichten. Evenwichtsorganen bevinden zich in het binnenoor.8 Psychofysica Tak binnen psychologie die de gevoeligheid van zintuigen bestudeert heet psychofysica.1 Van gewaarwording naar waarneming Waarneming is een actief proces Redenen waarom waarneming meer omvat dan enkel registreren van gewaarwordingen. Hoofdstuk 4 Waarneming 4.3.7 Kinesthesie en het evenwichtsgevoel Kinesthesie informeert ons over de positie en de bewegingen van onze ledematen via receptoren in spieren. Evenwichtsgevoel stelt ons in staat om in balans te blijven. De verhouding tussen de differentiële drempel en de beginintensiteit (=percentage dat bij een intensiteit gevoegd moet worden om een kleinst merkbaar verschil te verkrijgen) wordt de Weberfractie genoemd. Bij gewicht is dit 1/50. Wet van Weber = de differentiële drempel is niet voor alle intensiteiten van eenzelfde stimulus hetzelfde. dan kleinst merkbare verschil = 1 gr. 3. vooral wanneer informatie uit het evenwichtszintuig niet overeenstemt met visuele info (bijv. maar niet kunnen interpreteren en organiseren tot een zinvolle waarneming. 4.

Principes: 1.2 Van de retina naar de hersenen: Bottom-up processen Structureren van receptorsignalen tot betekenisvolle voorwerpen verloopt in drie grote stadia. symmetrie. Gebaseerd op. De kruisingen worden omgeven met meer wit en worden dus onderdrukt. Perceptuele orgnisatie 3. Beelden op de retina zijn plat.en objectherkenning Primaire schets Sterk vereenvoudigd beeld. Perceptuele organisatie Het proces waarbij de verschillende randen samengevoegd worden tot onderdelen.1. een opengaande duur wordt een steeds smaller wordend trapezium. verwijst naar de processen die ervoor zorgen dat elementen uit de primaire schets waargenomen worden als bij elkaar horend. Primaire schets 2. We moeten hier een 3-D voorstelling van maken. Geslotenheid. waardoor het grijs lijkt. helderheidsovergangen. Proximale stimulus = het geheel aan fysische energie dat onze receptoren stimuleert. Bottum-up processen = informatiestroom van receptoren naar hersenen. Dit zorgt voor contrastvergroting. Het binnenkomende signaal verandert voortdurend. Goede voortzetting 2. Nabijheid. Figuur-achtergrondscheiding Omsingeling. Wanneer dit niet klopt hebben we verkeerde percepties die we visuele illusies noemen. 2. Bijv. textuur. 3. als onderdeel van eenzelfde perceptuele ervaring. waarbij vooral randen van de vormen belangrijk zijn. vorm. Patroon. oogbewegingen en knipperen van de ogen. Het lijkt alsof je grijze vlekjes ziet op de intersecties. Illusies als venster op de onderliggende mechanismen Raster van Hermann = zwart vlak met witten horizontale en verticale lijnen. Gelijkheid. alleen centraal deel van de retina = fovea geeft scherp beeld). het feit dat ganglioncellen die zelf heel actief zijn omringende ganglioncellen onderdrukken. Dit komt door laterale inhibitie. Waarneming is een heuristisch interpretatieproces dat op basis van de proximale stimuli de meest waarschijnlijke distale stimulus berekent. oriëntatie van de randen en belangrijke helderheidsovergangen versus toevalligheden. grootte. Top-down processen = interpretaties van hersenen 4. Perceptuele organisatie. vertrouwdheid 14 . 1. Het signaal dat in de hersenen aankomt is onvolledig (blinde vlek. Dit fenomeen heet perceptuele constantie Distale stimulus = het voorwerp in de buitenwereld dat fysische energie produceert.

als een figuur voldoende overeenstemt met een template. b. dan wordt het voorwerp herkend. 12 13 14. Dit wordt patroonherkenning genoemd. Template-matching .en objectherkenning Van een kijker-gericht beeld (2 D) wordt een voorwerp-gericht beeld (3D) gemaakt. Binoculaire diepteaanwijzing a. Probleem is dat men soms maar een klein deel van de figuur ziet en dat het uiterlijk van een voorwerp grote variatie kan vertonen. 4. Woordsuperioriteitseffect.3 De perceptie verbeteren door de informatieopname te sturen: top-down processen Evidentie voor top-down processen 1. Elke retina ontvangt enigszins andere informatie over dezelfde voorwerpen in de buitenwereld = binoculaire dispariteit. Omkeerbare figuren. Informatie die niet wordt waargenomen wordt aangevuld (bijv. Bewegingsparallax dichtbij gelegen voorwerpen gaan sneller over visuele veld 3. Interpositie = overlapping. Textuurgradiënt = dichtheid van het weefselstructuur. Wanneer de ogen niet goed convergeren spreekt men over strabisme = scheelzien 2. driehoek) 4. Onderdelen en context moeten zodanig worden aangeboden dat we er vertrouwd mee zijn. retinale grootte neemt af als het voorwerp verder weg is b. door geons (Biederman). Grootte van het beeld op de retina.Patroon. bijv. 13 als dertien of als een B. 2. Moneculaire diepteaanwijzing a. 2. Verderaf is kleiner en dichter op elkaar c. Voorste voorwerp lijkt dichterbij e. jonge vrouw 3. Bijv. A 13 C. wij zien diepte door gebruik te maken van het feit dat onze ogen een aantal centimeter uit elkaar staan. Subjectieve contouren. Kenmerkenherkenning. zodat we de wereld vanuit twee verschillende perspectieven zien. Ponzo-illusie even grootte cilinders die groter lijken te worden naar achteren door lineair perspectief 15 . Lineaire perspectief lijnen die lijken samen te komen achter de horizon lijken sterk op diepte d. Bijv. Afhankelijk van de context kunnen figuren anders worden waargenomen. Principes: 1. Hoe staan deze tov elkaar? 4. Illusies op basis van dieptezicht a. De mate waarin de ogen moeten convergeren om een voorwerp te fixeren. een woord helpt bij het herkennen van letters 5. Het binnenkomende beeld wordt gekoppeld aan het opgeslagen patroon van dat voorwerp.4 Waarneming van diepte en beweging De waarneming van diepte 1. oude vrouw.

Apparente beweging waarnemen van beweging bij opeenvolging van statische beelden (film. Maanillusie de maan boven de horizon wordt als verder gepercipieerd dan de maan hoog in de lucht. reclamepaneel met lampen die één voor één aan en uitgaan) 2. Bewegingen worden zo herkend. 2. Impliciete activering van responsen Een proef om aan te tonen dat waarnemingen automatisch reacties uitlokken is het aanbieden van primewoorden in cijfers (bijv. Dit worden spiegelneuronen genoemd. Als er 6 werd getoond kon dit beter en sneller worden aangegeven als de prime negen was dan twee. 1. Informatie over waar. Voorwerpen lokaliseren en sturen van bewegingen. Rotsen lijken een opwaartse beweging te maken.5 Waarneming en actie Waarneming en actie zijn nauw met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaar voortdurend. twee of negen) en daarna een cijfer laten zien die groter of kleiner is dan vijf. Gaat naar onderste deel temporale lob. Watervalillusie Achtergrond lijkt te bewegen. Spiegelneuronen Neuronen in frontale lob vlak voor primaire motorische cortex vuren zowel bij het uitvoeren van een actie als bij het kijken naar andermans actie. Müller-Lyer-illusie de lijn met vinnen naar buiten lijkt langer dan de lijn met vinnen naar binnen c. waarin waarneming en bijbehorende actie gezamenlijk opgeslagen 16 . De waarneming van beweging Twee informatiestromen in het visuele systeem die vanuit de visuele cortex in de occipitale lob achteraan in de hersenen vertrekken. door voorwerpen aan de horizon waarmee de maan vergeleken kan worden en op aarde is een vliegend voorwerp dichtbij de horizon verder van ons dan een vliegend voorwerp boven ons. Kamer van Ames afhankelijk van in welke hoek je van de kamer staat lijk je groter of kleiner d. Gaat naar boven naar pariëtale lob waar een mentale kaart bijgehouden wordt van de 3-D ruimte waarin de waarnemer zich bevindt. Bewegingsillusies Gevolg van het feit dat kenmerkdetectors voor beweging in het visuele systeem na veelvuldig vuren uitgeput raken. maar bestaat het menselijke geheugen uit gebeurtenisherinneringen.b. stilstaande trein zitten en het gevoel hebben achteruit te gaan toen de trein naast ons vertrok 3. Volgens de theorie van gebeurteniscodering zitten in ons geheugen geen aparte herinneringen voor waarnemingen en acties. Geïnduceerde beweging beweging van een voorwerp wordt verkeerd gepercipieerd door een beweging in de achtergrond. 1. Bijv. Voorwerp herkenning. Informatie over wat. 4.

Verklaring is mogelijk spiegelneuronen. Kind moet eerst rondkruipen alvorens bang te worden voor gevaarlijke diepten. Perceptuele capaciteiten bij pasgeborenen. 2. Later bleek dat in de beginfase wanneer duim en wijsvinger uit elkaar gaan er verschil is. Perceptueel leren bij volwassenen Volwassenen nemen meer waar naarmate ze meer ervaring hebben met een bepaald soort stimuli. Dus niet alle aanpassingen aan visuele vervormingen zijn visueel. Twee even grote stippen omgeven door a. Pasgeborenen hebben de mogelijkheid om randen te detecteren en zijn ook meer geïnteresseerd in bepaalde stimulusconfiguraties (bijv. grootte en helderheid. Dus onafhankelijke processen. proefpersonen die actief de omgeving kunnen exploreren kunnen zich beter en sneller aanpassen. Gelaatsuitdrukkingen imiteren kan al bij 12 tot 21 dagen. 1. In eerste instantie leek de grijpbeweging hier niet aan onderhevig. Nabootsen van gedrag is aangeboren eigenschap. Habituatietechniek bij herhaaldelijk aanbieden van dezelfde stimulus raken kinderen (al vanaf 1. Het leerproces speelt ook een belangrijke rol. 4. maar dat dit in het verloop van de beweging gecorrigeerd wordt = planning-controle model. kleinere of juist b. gezichten) 3. grotere stippen. In conditie a lijkt de stip groter. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Ebbinghaus-illusie. Bij 2 maanden gaf dit juist afname in hartslag (diepe kant werd aantrekkelijker gevonden)! Bij 6 maanden durfden ze niet meer.5 dag) er aan gewend en verliezen ze de aandacht. De grijpbeweging Veel onderzoek over de interacties tussen perceptie en actie vindt plaats op basis van de grijpbeweging.6 Hoe belangrijk is leren bij de waarneming Als een blinde voor het eerst kan zien Uit onderzoek is gebleken dat visuele dprivatie relatief weinig effect heeft op simpele perceptuele taken zoals het zien van verschillen in kleur. De gevolgen van visuele vervorming Omgekeerde lenzen. 4. Randen en stimulusconfiguraties detecteren. Door ervaring meer aandacht besteden aan de belangrijke kenmerken en minder aan de onbelangrijke kenmerken 17 . wel ernstig verstoord worden. Diepte zien. Visuele klip glasplaat waarin diepte is gecreëerd. Mechanismen: 1. Zodoende werd de perceptie-actie theorie geformuleerd. zoals het herkennen van en snel reageren op voorwerpen. Daarom is het interessanter om perceptie te bestuderen in samenhang met bijbehorende acties. maar dat complexere vaardigheden.zijn en met elkaar interageren.

zoals bij de filtertheorie. 18 . Men begint een groter verschil te zien tussen stimuli die onderscheiden moeten worden. Hoofdstuk 5 Aandacht en bewustzijn 5. KTG selecteert signalen uit het sensorische geheugen voor verdere verwerking op basis van de informatiebehoefte op dat moment. Een zoektocht naar één kenmerk gebeurt zeer snel en nagenoeg niet wordt beïnvloed door het aantal items in het display. Rode letters S tussen zwarte S gaat snel. De zoektocht naar een conjunctie van kenmerken kost meer inspanning en duurt langer. maar de signalen uit de verschillende kanalen worden in meerdere of mindere mate afgezwakt (geattenueerd). geslacht van de spreker en intensiteit van het geluid. Filtertheorie van Broadbent (1958) Er is een filter tussen het sensorische geheugen (draagt zorg voor gewaarwording van de stimuli) en korte termijn geheugen (verantwoordelijk voor bewuste waarneming en manipulatie van stimuli). Test met koptelefoon. de boodschap in het oor die genegeerd moest worden wordt niet inhoudelijk waargenomen.1 Selectieve aandacht: Hoe goed kunnen we ons concentreren? Selectieve aandacht verwijst naar het proces waarbij één boodschap uit de omgeving geselecteerd wordt voor bewuste verwerking en de andere boodschappen onderdrukt worden. Theorie met late selectie Alle stimuli die in het sensorische geheugen komen worden verwerkt in het KTG maar slechts één krijgt aandacht en wordt gebruikt voor een bewuste respons. 3. Wat doet selectieve aandacht? Feature-integration theory (kenmerkintegratie-theorie) gaat uit van het feit dat selectieve aandacht nodig is verschillende kenmerken van voorwerpen samen te voegen tot een kenmerkenlijst die gebruikt kan worden voor patroonherkenning. De uitzuivering is echter geen alles of niets proces. Attenuatietheorie van Treisman (1960). meeste bewijs voor De menselijke capaciteit is te beperkt voor een volledige verwerking van alle stimuli. Men ontwikkelt specifieke receptoren voor verschillende stimuli. Verklaringen voor dit fenomeen.2. Modellen voor selectieve aandacht Cocktailpartyfenomeen mensen kunnen een gesprek volgen zonder in de war te raken door andere gesprekken op de achtergrond. wel toonveranderingen. Rode S tussen zwarte S en rode T duurt langer.

We richten onze aandacht altijd op voorwerpen (voorwerpgebonden) en het is moeilijk om op de ruimte er tussen te focussen (plaatsgebonden) Aandacht en inhibitie Positieve priming een stimulus wordt gemakkelijker verwerkt wanneer hij voorafgegaan wordt door een gerelateerde stimulus dan wanneer hij voorafgegaan wordt door een ongeralateerde stimulus. Hoeveel aandacht vergt de eerste taak Hoeveel aandacht heeft een taak nodig? Gecontroleerde processen staan onder bewuste controle (bijv. 1. Beperkingen ten gevolge van selectieve aandacht Veranderingsblindheid bij knipperen met ogen of met het beeld kunnen veel zaken verandert worden zonder dat we het door hebben.Discussiepunten Metaforen voor selectieve aandacht zijn de zaklantaarn en de zoomlens. Terugkeerinhibitie mechanisme wat bijhoudt waar wel al geweest zijn. Aandacht kan bottum-up of exogene controle (aandacht gevangen door gebeurtenis van buitenaf) of top-down of endogene controle (door hersenen gestuurd). 19 . gevorderd lezen). Exogene prikkels trekken onwillekeurig de aandacht wanneer dit in overeenstemming is met de doelen die de persoon op dat moment nastreeft. beginnend lezen). Bijv. Dit kost tijd. 5. Geautomatiseerde processen geen tot weinig aandacht (bijv. de gelijkheid van twee taken (meer gelijk meer interferentie) 2. neutrale woorden en kleurwoorden bijv. alleen groene plaatje (groene paddestoel) benoemen wordt lastiger als in de voorgaande beurt een rode zelfde plaatje (rode paddestoel) aangeboden werd. Anders zouden we telkens naar de meest aantrekkelijke plaatsen toegetrokken worden. 2 – 8 is makkelijker dan 2 – 8. het feit of de tweede taak een beroep doet op hetzelfde of andere zintuig (beter verschillend dan twee dezelfde) 3.a. Rood Ook zeggen welk cijfer het grootst is bijv. Bijv. Omschakelingskosten wanneer we met meerdere taken tegelijkertijd bezig zijn schakelen we vliegensvlug van de één naar de andere taak. dokter sneller herkent met verpleegster dan stoel Negatieve priming een stimulus wordt moeilijker herkent wanneer hij voorafgegaan wordt aan een gerelateerde stimulus ipv een ongeralateerde stiumulus. Tot vijf plaatsen terug kunnen we onthouden. Strooptaak kleuren zeggen van balkjes.2 Verdeelde aandacht: Hoe goed kunnen we twee taken tegelijk uitvoeren? Interferentie van de tweede taak op de eerste taak hangt af van o. kan gemakkelijker gecombineerd worden met andere taken.

bloedsomloop. Bijv. Aandachtsproblemen na een hersenaandoening Na hersenaandoening kan het zijn dat aandachtsvermogen is aangetast.5. boter bij herkennen van brood) zonder dat deze bewust wordt aangeboden heeft effect op het reactievermogen. Wanneer een deel van de thalamus beschadigd is. Voorbewuste processen gedachten en herinneringen waar we op een bepaald moment niet aan denken. Ze hebben een tekort aan controle over de signalen die op hen af komen. Split-brain bijv. Blindsight stimuli buiten het bewuste deel van visuele veld worden onbewust toch waargenomen. hoeveel is 3x9) Onbewuste processen zijn moeilijk in het bewustzijn te brengen.4 Bewuste en onbewuste processen Wat is het bewustzijn? We moeten ons bewust zijn van stimuli om ons heen. vuren van neuronen). verliezen mensen hun bewustzijn (coma). maar die we gemakkelijk uit langetermijngeheugen in het bewustzijn kunnen oproepen (waar was ik gisterenavond. Patiënten zijn niet in staat om te zeggen wat ze zien. 5. 20 . naakte personen laten zien in linkerkant. Dit is te toetsen doordat patiënten zeer goed zijn in gissen waar ze de stimulus hebben waargenomen. Evidentie voor onbewuste processen Subliminale perceptie stimuli beïnvloeden het gedrag zonder dat ze bewust waargenomen worden. een opwekkend middel. Ritalin. kort aanbieden van een positieve prime (bijv. maar beïnvloeden wel de werking ervan. zouden de personen selectiever kunnen worden in de stimuli waarop ze reageren.3 Aandachtsstoornissen Aandachtsdefinciëntie bij kinderen (ADHD) ADHD (attention-deficit hyperactivity disorder) is een ernstige ontwikkelingsstoornis die gekenmerkt wordt door hyperactiviteit. Doordat hun energieniveau verhoogt. maar moeten wel giechelen. aandachtstekort en impulsiviteit. helpt om de impulsiviteit en de hyperactiviteit onder controle te krijgen. Wat is het onbewuste? Niet-bewuste processen fysiologische processen waar we ons helemaal niet bewust van kunnen worden (bijv. maagsecreties. Hemineglect de patiënt besteedt geen aandacht aan de linkerhelft van zijn lichaam of linkerstimuli uit de omgeving door schade aan pariëtale lob in de rechterhemisfeer.

Bij bewuste stimuli is er meer hersenactiviteit. 11 dagen aan één stuk wakker). 4. onregelmatig + deltagolven (grote amplitude. een kern uit de hypothalamus. EEG wordt onregelmatiger. 45 min. Mensen kunnen zich snel herstellen van langdurige slaapderivatie (bijv.5 of meer dan 8. 4 à 5 REM-periodes per nacht. De ritmen staan onder controle van de nucleus suprachiasmaticus. hart gaat trager slaan. Doezelig.De huidige kijk op bewuste en onbewuste processen De hersenactiviteit bij laten zien van subliminale visuele stimuli kan een beetje activiteit bij occipitale en temporale lob worden vastgesteld. Minder dan 4. tot volwassen 6 uur) en per individu. alfa en bètagolven. Overlevingskansen hoogst bij 7 uur per nacht slaap. Slaapstoornissen: Insomnia of slapeloosheid tekort krijgen aan slaap. Narcolepsie onbedwingbare slaapaanvallen 21 . Kenmerken van de slaap Elektro-oculogram (EOG) registreert oogbol bewegingen en geeft samen met EEG inzicht in slaapstadia: 1. Functies van de slaap Opnieuw aanvullen stoffen Consolidatie en verdere verwerking van informatie Evolutionair bepaald (prooidieren kunnen het zich niet permitteren om gedurende langere tijd te slapen en graseters moeten veel eten om nodige voedingsstoffen binnen te krijgen). die een interne. Stuurt signalen naar de pijnappelklier (melatonine vlak voor slapen). ogen vallen toe. spierspanning en temperatuur verlagen. prestaties en aandacht. Na ca. 1.5 uur slaap dan meer kans op vroegtijdig sterven. 3. Mensen hebben ca. Aantal uren slaap dat we nodig hebben verschilt per leeftijd (van baby’s 16 uur per dag met bijna helft in REM-slaap. Heeft gevolgen voor psychisch functioneren. geen activiteit in de lichaamsspieren. 2. EEG bestaat uit Alfagolven waarin thètagolven (3-7Hz) voorkomen. minder dan 3 Hz). Deltagolven = diepe slaap of slow-wave sleep. lichaamstemperatuur. Beperkt aantal uren per nacht geeft gevoel van vermoeidheid. 5. 5. biologische klok vormt en beïnvloed wordt door het licht (jetlag = aanpassing). Na ca. Dieper in slaap. Mechanisme om de persoon in slaap te houden.3 Slapen en dromen Lichaamsritmen Circadiaanse ritmen een groot deel van de lichaamsritmen volgt een cyclus van 24 uur (dagnacht ritmen). geïrriteerdheid en spanningshoofdpijn.5 uur REM-slaap. Verklaring kan wel zijn dat biologische eigenschappen van somminge mensen hen dwingt om meer te slapen en hen vatbaarder maakt voor een voortijdige dood. Bijv. terwijl hersenen heel actief zijn. concentratieproblemen. Sterk verhoogde activiteit met thèta. Ogen bewegen snel.

waar perceptuel en motorische circutis ongecontroleerd gaan vuren. vaag bewust van de buitenwereld. er worden gewoon meer herinneringen gegeven.Slaapwandelen in stadium 4. maar vaak gewoon. minder duidelijk effect bij chronische pijn (bijv. Kan iedereen gehypnotiseerd worden? Mensen met een hoge score voor hypnotiseerbaarheid vermelden dat ze levendige fantasieën hebben en scoren hoog op de bereidheid om op suggesties in te gaan. Dromen Activatiesynthesetheorie (Hobson en McCarley. 5. waarvan de meeste verkeerd zijn. maar staan onder sociale druk om zich op een bepaalde manier te gedragen. omdat ze gebruik maken van dezelfde technieken (inbeelden in situatie.6 Hypnose Toestand tussen slapen en waken. permissie geven). 2000) Oefenen van vaardigheden tijdens de nacht die van belang zijn om te overleven. Probleem met deze theorie is het feit dat dromen ook in andere stadia dan REM stadium voor komen. Evolutietheorie (Revonsuo. 1977) Dromen zijn een bijproduct van de behoefte aan REM-slaap. open vragen. Oftewel maken gebruik van dezelfde geheugenoproepingsstrategiëen. Hypnose definiëren Twee tegenstrijdige visies: 1. Kan hypnose pijn verminderen? Kan pijn verminderen in accute pijnsituaties als brandwonden en operaties (minder anesthesie nodig als ze eerst gehypnotiseerd worden). tijd nemen. Ook zijn onze dromen niet zo onsamenhangend en ongecontroleerd. Verhoogde activatie in de pons resulteert in activatie in de cortex. Bij politieonderzoek blijkt dat er geen significant verschil is tussen cognitief interview en interview onder hypnose. Probleem hiermee is dat we dit gevoel niet hebben. Sociaal-cognitieve theorie gehypnotiseerde bevinden zich niet in een andere bewustzijnstoestand. Neodissociatieve theorie handelingen staan niet meer onder controle van het bewust toegankelijke executieve ego 2. migraine en gewrichtspijn). 22 . Waarschijnlijk bevatten beide theorieën een stukje van de waarheid. Kan hypnose het geheugen verbeteren? Onder hypnose worden niet zozeer meer juiste herinneringen gegeven.

Dit doordat receptoren voor endorfine (pijnstillend) geactiveerd wordt. cafeïne. Vaak is er een langere verwervingsfase (bijv.7 Psychoactieve middelen Stoffen die directe invloed hebben op de werking van de hersenen (neurotransmissie) en een verandering in de psychische toestand teweeg brengen. een reactie die zonder voorafgaand leerproces uitgelokt wordt door een ongeconditioneerde stimulus (OS) (voedsel). maar bij bijv. speekselafscheiding) veroorzaakt. Langdurig effect is dat communicatie tussen neuronen en binnen neuronen verslechteren. opium. Conditionering: Geconditioneerde stimulus (CS) (bijv. een ongeluk te hebben meegemaakt kan eenmalig voldoende zijn om niet meer in de auto te durven stappen. 23 . Alcohol verhoogt GABA en dopamine in hersenen. opwekkende middelen en hallucinogenen 1. alcohol. cocaïne. paddenstoelen. amfetamine.5. Kalmerende middelen. Gaan vaak gepaard met gewenning. geven gevoelens van ontspanning en doezeligheid = sedatief effect 2. hoewel ze na de proef al weer vergeten waren wat ze hadden gedaan). wordt gecombineerd met ongeconditioneerde stimulus (bijv. Opiumderivaten (morfine. bel) een aanvankelijk neutrale stimulus. Na conditionering: Geconditioneerde stimulus lokt geconditioneerde respons uit Kenmerken van klassieke conditionering Verwerving het proces waardoor een geconditioneerde stimulus een geconditioneerde reactie gaat uitlokken. voedsel) die een ongeconditioneerde respons (OR) (bijv. heroïne) worden soms tot kalmerende middelen gerekend. wekken toestand van alertheid op en geven groter zelfvertrouwen 3. lokken waanbeelden en hallucinaties uit en kunnen psychotische symptomen veroorzaken. ging overigens bij patiënten met anterograde amnesie = extreem geheugenverlies even snel. LSD. maar ook soms apart wegens de roes die ze teweegbrengen. nicotine. slaappillen.1 Klassieke conditionering Pavlov (1904) Voor conditionering: Ongeconditioneerde respons (OR) (bijv. cannabis. Hoofdstuk 6 Conditionering en leren 6. reflexmatig kwijlen). luchtpuf in ogen met toon combineren. crack. Extinctie of uitdoving is de verzwakking van de CR als deze herhaaldelijk zonder de OS aangeboden wordt.

Hoogstwaarschijnlijk wordt er geen verband gelegd tussen de CS en CR (S-R-relatie) maar lokt de CS een beeld uit van de OS die weer de CR uitlokt (S-S-relatie) = S-S-theorie van klassieke conditionering. Angst voor ongevaarlijk neemt af. alleen beide aanbieden.2 Operante conditionering Operante conditionering of instrumentele conditionering gedragingen worden verandert op basis van de gevolgen dit ze hebben. Ook niet alle stimuli zijn even conditioneerbaar. foto’s van gevaarlijke spinnen laten volgen door hard geluid en ongevaarlijk door niks. Dit heeft een biologische oorsprong = biologische predispositie. Klassieke conditionering bij mensen Reclame. werd als voorwaarde gesteld voor effect condtionering. dan kan het zijn dat men nooit meer dit eten wilt eten. Overigens wordt de conditionering niet teniet gedaan. maar toch weer krijgen als men een tijd niet gevlogen heeft). Ander voorbeeld. dan wordt er geleerd een bepaalde smaak te ontlopen. vliegangst overwonnen. angst voor de Deense dog. maar onderdrukt en is gemakkelijk te herstellen als men opnieuw conditioneert (gaat sneller dan oorspronkelijke conditionering). Er zijn vaak meerdere extinctiesessies nodig voordat er geen spontaan herstel meer optreedt (een hond kan een dag later weer kwijlen). Problemen met behavioristische interpretatie Contiguïteit = het kort op elkaar volgen van de CS en OS. gelijksoortige stimuli (bijv. Het gaat om meer dan een mechanisch proces waarbij één stimulus geassocieerd wordt met een andere op basis van contiguïteit. Echter als men een paar uur na het eten misselijk wordt. 24 . Bijv. 2.). (bijv. 3. Stimulusdiscriminatie beschermt tegen overgeneralisatie. etc.Spontaan herstel betekent dat na enige tijd de extinctie weer teniet gedaan wordt (bijv. Stimulusgeneralisatie respons die op een bepaalde stimulus geconditioneerd wordt komt ook voor bij andere. geluid laten volgen door een schok en daarna geluid + licht laten volgen door een schok -> geen angst voor licht. geen angst voor poedel. Het cognitieve alternatief Klassieke conditionering is dus een actiever proces dan de behavioristen beweerden. dan wordt er geleerd bepaalde visuele prikkels en geluiden te vermijden. verhindert het lezen. Kan ook aangeleerd worden door bijv. Bezwaren. 1. leren lezen door eerst een plaatje aan te bieden. Als OR een ziekte is. Als OR pijn (en angst) was. ook voor herder. dan wel angst voor het licht). leggen van associaties 6. Blokkering de aanwezigheid van een CS die de OS voorspelt verhindert (blokkeert) de aanwezigheid) van een CS.

responsen die onbevredigende gevolgen teweegbrengen zullen niet herhaald worden. puzzelkooi van Thorndike. Na de bekrachtiging volgt een post-bekrachtigingspauze (bijv. geld). 25 . Ratioschema’s (aantal) a. Hendel waarop de rat kan duwen 2. 2. Bijv. Variable ratio (SVR) aantal responsen varieert voordat een bekrachtiger ontvangen wordt. Skinner (1904 – 1990) Skinnerbox 3 elementen. Continue bekrachtiging elke operante respons wordt gevolgd door een bekrachtiging Partiële of intermitterende bekrachtiging niet elk gedrag wordt gevolgd door een bekrachtiger Bekrachtigingsschema’s 1.Thorndike en Skinner Thorndike (1874 – 1949) wet van effect responsen die voldoening gevende gevolgen teweegbrengen zullen herhaald worden en steeds sneller en efficiënter uitgevoerd worden. (bijv. Bijv. Straf is een verandering in de omgeving die ervoor zorgt dat het voorafgaande gedrag minder kans heeft om opnieuw op te treden. Denk ook aan kijken op de stationsklok als de trein bijna komt. b. 1. Er wordt geleerd dat continu op de hendel drukken geen zin heeft. Bekrachtiging Positieve bekrachtiger verhoogt de kans op de respons die aan de bekrachtiger voorafgaat doordat hij toegediend wordt. maar als de minuut nadert dan steeds meer op de hendel drukken = SFI-schelp (vorm grafiek). telkens na 1 minuut een voedselpil. (schok of geen voedsel meer toedienen). Vast (fixed) interval (SFI) de eerste reactie wordt na een vaste tijdsperiode bekrachtigd. Vaste (fixed) ratio (SFR) bekrachtiger wordt toegediend per vast aantal responsen (bijv. kat moet op de hendel drukken om voedsel te krijgen.(voedsel) Negatieve bekrachtiger verhoogt de waarschijnlijkheid van de voorafgaande respons doordat hij weggenomen wordt (schok) Primaire of ongeconditioneerde bekrachtigers voldoen aan de basisbehoeften van een dier of mens (voedsel. sociale gebeurtenissen) Secundaire of geconditioneerde bekrachtigers hebben bekrachtende waarde gekregen door associatie met primaire bekrachtigers (bijv. na behalen examen even rust nemen voor weer studeren). voedselbak met voedselpillen 3. Intervalschema’s (tijd) a. een snoepje nemen bij 10 bladzijden gestudeerd te hebben). rooster met elektrische schoks Operante respons is een gedrag dat gevolgd wordt door een bepaald effect in de omgeving. Bekrachtiging is een verandering in de omgeving die ervoor zorgt dat het voorafgaande gedrag meer kans heeft om opnieuw op te treden (geen schok meer of voedsel krijgen). gokautomaaat).

e. Negatieve straf beter dan positieve straf omdat deze minder snel escaleert. niet meedoen aan sociale gebeuren = time-out Dreiging met straf is vaak doeltreffender dan werkelijke straf. Gedrag meest effectief bij 1. Uitgestelde straf is minder effectief dan straf die direct wordt toegediend (rechtssysteem) c. Straf Veranderingen die het gedrag doen afnemen. wekker uitzetten. Hierdoor kan gedrag lange tijd worden voortgezet nadat het gevaar geweken is. Als goed gedrag niet bekrachtigd wordt. heeft het minder kans om in de toekomst uitgevoerd te worden wegens extinctie. schokken) Negatieve straf het wegnemen van een aangename stimulus (bijv. Op basis van negatieve bekrachtiging (geen schok = stoppen van pijn en angst) leren aan de angst te ontsnappen door naar de andere kant te springen. 3. niet tv kijken. Positieve straf het toedienen van een onaangename stimulus (bijv. 26 . Associatie van straf met positieve bekrachtiging. als de toon gaat naar het andere compartiment springen om de schok te vermijden) . Het leren van ontsnappingsgedrag = gedrag dat aversieve stimulus doet stoppen (bijv. pendelkooi. Bijv. wanneer een kind een snoepje krijgt. pendelkooi. Waarom is straf dikwijls niet effectief? a.b. Altijd gepaard met bekrachtiging van het gewenste gedrag. CS = geluid. Bijv. bij obsessievecompulsieve stoornissen wordt denkbeeldig gevaar (bijv. Op tijd bekrachtiging. Bijv. 2 compartimenten naar de ander springen om aan de schokken te ontsnappen) en vermijdingsgedrag = gedrag dat aversieve stimulus doet stoppen (bijv. in de kamer eten. Variabel interval (SVI) tijdsinterval dat moet verstrijken voordat een bekrachtiger toegediend wordt. OS = schok 2. vlak voor de wekker wakker worden om deze uit te zetten. ziekte) uit de weg gegaan (door handen te wassen) en ervaren ze nooit dat de mate van rëel gevaar niet in verhouding staat tot de angst die ze ervoor hebben. afkeurend gezicht. eerst boos worden en daarna goed praten. 1947) bij vermijdingsleren 1. Consistentie van straf. verschilt van beurt tot beurt. in opvoeding blijft straf ook vaak uit = negatieve bekrachtiging d. 2. Intensiteit is niet sterk genoeg. Tweefactorentheorie (Mowrer. Waarschuwingssignaal leren vrezen door middel van klassieke conditionering. gevolg is dat in negatieve spiraal terecht gekomen wordt = steeds hardere straffen b.

Differentiële bekrachtiging gedrag onderdrukken doordat men niet alleen stopt met het gedrag te bekrachtigen (extinctie) maar tegelijkertijd een ander. wasbeer kun je niet een muntje in een spaarpot laten doen. bijv. Eenmaal aangeleerde conditionering. relatie tussen stimuluscontext en gevolg (bekrachtiger/ straf). een duif onderscheid kan maken tussen horizontale en verticale lijnen. Bijv. 2. studeren om een diploma te halen. Weerstand tegen extinctie bij partiële bekrachtiging gaat men langer door met het gedrag als er geen respons meer volgt (duurt langer voordat je het door hebt) bij continue bekrachtiging sneller afgelopen (bijv. Zo kan getoetst worden of bijv.Verwerving en extinctie Temporele contiguïteit hoe vlugger de bekrachtiging volgt op het gedrag hoe sneller leerproces. kan overgeschakeld worden op partiële bekrachtigingsschema’s. terwijl responsen in de aanwezigheid van een andere stimulus niet door bekrachtiging gevolg worden. keuken). 3. Bijv. het stellen van de respons wordt beïnvloed door het gevolg wat gaat komen. Stimulusgeneralisatie welke gedragingen die gewenst zijn in een bepaalde situatie zijn ook gewenst in een andere soortgelijke situaties. relatie tussen gedrag en gevolg. Blijft wrijven met het muntje = voedsel-gerelateerde gedragingen. Biologische predisposities en operante conditionering natuurlijk gedrag wordt sneller aangelerd. Bijv. zeker als het gedrag niet spontaan voorkomt (bijv. 27 . ratten gaan graag een kooi in als ze daar eten verwachten. Vorming via successieve benadering leerproces in stapjes laten verlopen. (weinig studenten studeren omdat de schoolomgeving studeergedrag uitlokt = S-R-relatie of schoolomgeving automatische gevoelens van beloning uitlokt = S-G-relatie. maar moeilijker op een plaats die controle heeft over ander gedrag. Discriminatietraining responsen in de aanwezigheid van een bepaalde stimulus worden gevolgd door een bekrachtiging. Doelen die men met het gedrag wil bereiken. een hond leren fietsen). meer gewenst gedrag bekrachtigt. Wat wordt geleerd bij operante conditionering? 3 relaties zijn hierbij betrokken: 1. studeren gaat het beste in de studeerkamer. relatie tussen stimuluscontext en gedrag. kapot snoepautomaat) Het belang van de context Stimuluscontrole het feit dat gedrag bekrachtigd/ gestraft wordt in aanwezigheid van één stimulus maar niet in de aanwezigheid van een andere stimulus (bijv. Bekrachtigers doen kans op gedrag toenemen en straffen afnemen hoewel ze er op dat moment nog niet zijn.

Aangeleerde hulpeloosheid = het onvermogen om te leren hoe aan een aversieve stimulus ontsnapt kan worden of hoe die vermeden kan worden nadat het organisme aan een onontkoombare. Hoofdstuk 7 Onthouden en vergeten Wetenswaardigheden herinneringen’ 1. Er worden meer gebeurtenissen onthouden uit de leeftijdsperiode van 10 tot 30 jaar dan uit de periode van 30 tot 60 jaar 7. insecten.3 Observerend leren leren door naar anderen (een model) te kijken en te imiteren. de meeste herinneringen zijn recente herinneringen 2.1 Achtergrond De bevindingen van Ebbinghaus in de 19e eeuw Ebbinghaus (19e eeuw) ontdekte met onderzoek naar het onthouden van zinloze lettergrepen de vergeetcurve. (verwachting geen controle meer te hebben. Culturele verschillen Smaakvoorkeuren (bijv. bijv. associaties met gezellige momenten). ‘vergeten’ informatie wordt sneller weer geleerd. 6. nagenoeg geen herinneringen van voor de leeftijd van 3 jaar 3. kinderen worden bang van situaties omdat ze hun ouders of verzorgers bang zien worden. belangrijker en aantrekkelijker wordt voor diegene die het observeert (op pedaal drukken). 28 . in het eerste uur wordt er veel vergeten en later minder en de besparingsmethode. Zien van geweld op tv verhoogt de kans op agressie bij de kijker. Daardoor hebben ouders met hoogtevrees dikwijls kinderen met hoogtevrees. Ook geweld in gezinnen wordt herhaald. onvermijdbare stimulus blootgesteld werd. Cognitieve kaart = interne representatie van een gebied. In een groep meer eten en drinken als de groep meer eet en drinkt. Rolbevestigende patronen. Doelversterking verwijst naar een verhoogde motivatie bij de observeerder om hetzelfde doel te bereiken als het model (verlangen om te eten). Stimulusversterking verwijst naar het feit dat een stimulus waar het model mee omgaat. Reminiscentiebult. onwil om te solliciteren na een aantal mislukte pogingen). Angst en Agressie Bijv.

bijv.Het geheugen bestaat uit verschillende geheugentypes Geheugen Primair geheugen/ KTG Stroom van gedachten in bewustzijn Secundaire geheugen/ LTG geheugen voor het verleden Niet-declaratief/ impliciet geheugen Declaratief/ expliciet geheugen Onbewuste herinneringen bewuste herinneringen die men kan verwoorden Procedureel geheugen vaardigheden (bijv. Echoïsch geheugen voor auditieve stimuli 3. bewaren (tijdelijk) veranderingen in het zenuwstelsel die het mogelijk maken dat de informatie wordt vastgelegd. Iconische geheugen voor visuele stimuli 2. voor overbrenging van KTG naar LTG is herhaling nodig Seriele positiecurve 29 . oproepen terughalen van informatie 7. Volgens Atkinson en Shiffrin twee kenmerken. Onbeperkte capaciteit 2. Fragiliteit (na een aantal seconden is de informatie verloren gegaan) Het langetermijngeheugen (LTG) Kenmerken 1. er wordt een geheugenspoor gevormd. hoofsteden De drie stappen in het herinneringensproces 1. verwerving of het coderen is het initiële leren van informatie 2. 7 zinloze lettergrepen onthouden) 2. Vergeten gebeurd traag. 1. 3. Beperkte capaciteit (7 items. 1.2 Het geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin 1968 De sensorische geheugens De sensorische geheugens houden gedurende zeer korte tijd de informatie bij die de zintuigorganen bereikt heeft. zwemmen) Andere expliciete vaardigheden conditionering perceptueel leren Episodisch geheugen Zelf meegemaakte gebeurtenissen Semantisch geheugen Feitenkennis bijv. Haptisch geheugen voor kinesthetische stimuli Het kortetermijngeheugen (KTG) Om informatie vast te houden waar we ons op elk moment bewust van zijn.

Sensorische geheugens kunnen rechtstreeks representaties in het LTG activeren (bijv. Wetmatigheden. Overgang van onbewuste naar bewuste toestand gaat gepaard met een explosie van hersenactiviteit in gebieden die een heel grote overlap vertonen met de gebieden waarop het werkgeheugen geënt is. Recentheidseffect (recency effect) laatste items zijn ook beter te herinneren indien de proefpersonen direct mochten beginnen met opsomming van de items. stimuli kunnen selecteren of negeren.3 Verdere ontwikkelingen in de geheugentheorieën door gebruik van hersenscans en neurale netwerken is er een alternatief beeld ontstaan over geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin. Als dit gebeurd spreekt men van catastrofale interferentie (bijv. 1. Verschillende hersendelen zijn actief bij verschillende taken/ componenten. makkelijke sommen niet meer kunnen leren als de moeilijke sommen daarna volgden). centrale verwerker. 30 . Het leren van nieuwe informatie in een neuraal netwerk kan bestaande informatie overschrijven. vervalt zeer snel 3. visiospatiaal schetsblad tijdelijk opslagsysteem voor visuele informatie. ook aan verval onderhevig en dient ververst te worden Belang van de verschillende componenten kan onderzocht worden adhv dubbeltaken. Anderen duiden weer op het feit dat het manipuleren van acties niet mogelijk is in het LTG. (Ruchkin). Neuraal netwerk is een computermodel dat de werking van de hersenen nabootst door een grote hoeveelheid eenvoudige knopen (neuronen) met elkaar te laten communiceren. controle over aandacht. Dit zijn taken die meerdere componenten van het werkgeheugen belasten. zodat we aandacht kunnen verdelen. Alternatief is werkgeheugen met drie componenten. Dit effect is waarschijnlijk te danken aan het feit dat ze nog in het KTG zitten tijdens de test. Een realistischer kijk op de informatieoverdracht van KTG naar LTG Herhaling is niet de enige en zelfs niet de meest efficiënte manier om nieuwe informatie in het LTG op te slaan. Wellicht is het werkgeheugen niets anders dan het deel van het LTG dat in het bewuste terechtgekomen is. info uit LTG op kunnen roepen 2. Voorrangseffect (primary effect) de eerste 3 – 4 items in de lijst worden het best onthouden (waarschijnlijk doordat deze een paar keer herhaald kunnen worden) 2. 1. Het werkgeheugen als een onderdeel van het LTG? Capactiteit van het KTG is beperkt tot 4 betekenisvolle gehelen (chunks). 7. fonologische lus tijdelijk opslagsysteem voor woorden in gesproken vorm (lijkt op KTG).Geeft aan hoe goed een item onthouden wordt afhankelijk van zijn plaats in de stimulusreeks. visuele stimuli kunnen representaties en bijbehorende betekenissen activeren zonder dat wij ons er bewust van zijn). Van KTG naar werkgeheugen Baddeley en Hitch vonden KTG met 7 geheugenslots te simpel om alledaagse cognitieve taken uit te voeren.

1 4 9 1 6 2 5 3 6  1 4 9 16 25 36 Het belang van hercodering en organisatie Informatie kan op drie manieren in het LTG worden opgeslagen 1. 3. Zo is het beter bestand tegen schade en zijn de hersenen in staat om aanvaardbare output te genereren ondanks schade aan individuele eenheden = gracieuze degradatie. Organiseren van informatie verbetert verwerving. 7. schaakmeester die gedurende 5 sec zien van een schaakspel al veel stukken konden onthouden tegenover bijna niets van een leek. 7. Bijv. vragen over stellen. vervolgens behoedzaam geïntegreerd binnen de bestaande kennis die opgeslagen ligt in de verschillende gebieden van de cortex (duurt verschillende dagen en gebeurd vooral tijdens momenten van rust en slaap). Bijv. motorische code lichamelijke vaardigheden (bijv. 31 . zij hercoderen het nl naar een patroon. 2. verbale code opslaan dmv woorden en bijbehorende betekenis 2. belangrijkste is beeldcode (dezelfde hersengebieden als oorspronkelijke waarnemingen). woord en een beeld). 1.Dit is echter niet hoe onze hersenen werken. onthouden en uitvoeren. fietsen) opslaan. sensorische code zintuiglijke aspecten van een gebeurtenis. Twee-voudige codeertheorie (dual coding theory) (Paivo 1969) informatie die door twee codes voorgesteld wordt kan beter worden onthouden dan informatie die slechts door één code wordt voorgesteld (bijv.5 Informatie opslaan en bewaren Gedistribueerde representaties Herinneringen zijn opgeslagen in verschillende delen van de hersenen die waarschijnlijk met elkaar verbonden zijn via connecties met de hippocampus en rond hippocampus. Informatie wordt tijdelijk opgeslagen in de hippocampus Schade aan hippocampus kan voor amnesie zorgen. Informatie is verdeeld over een groep (ipv individuele) van neuronen en hun verbindingen. samenvatten. Overbrenging van informatie van KTG naar LTG verloopt in twee stappen. Verwerkingsniveaus Herinneringen worden beter opgeslagen als het op meerdere manieren verwerkt is (bijv. oefeningen doen) en geheugensteuntjes.4 Informatie verwerven Omzetten van informatie naar een andere vorm is later beter te herinneren dan puur van buiten leren.

kun je het beter terughalen). trefwoord. 7. (bijv. Zo kan vanuit elke oproepaanwijzing informatie een geheugenspoor geactiveerd worden. Retroactieve interferentie moeilijkheid om een gebeurtenis op te roepen ten gevolge van activiteiten die na de opslag van de gebeurtenis plaatsgevonden hebben. laatste gesprek met je moeder.6 Informatie oproepen Oproepaanwijzingen Hoe meer en beter de oproepaanwijzingen. Bijv. (bijv. zolang ze getransfereerd kunnen worden naar de oproepsituatie (bijv. bijv. Proactieve interferentie moeilijkheid om een gebeurtenis op te roepen ten gevolge van activiteiten die aan de opslag van de gebeurtenis voorafgingen. Distinctie als hulp bij het herinneren Isolatie-effect een gebeurtenis die distinctief is ten opzichte van andere. Flitslichtherinneringen levendige herinneringen aan onverwachte. er zijn aparte knopen voor aparte kenmerken die samengevoegd kunnen worden. hoe makkelijker de informatie terug te halen is. probeer een het feestje van 7 keer terug te herinneren. 32 . Deze verschillen echter verder niet met andere herinneringen (dus niet nauwkeuriger en zelfs minder details). gelijktijdige gebeurtenissen (bijv. Twee vormen. terugkeren naar dezelfde plek als de herinnering kan een herinnering verlevendigen. Vergeten in het LTG lijkt weinig verband te houden met verval in het LTG. 1. titel. Dit is nodig omdat geheugencapaciteit vrijgemaakt moet worden voor nieuwe binnenkomende informatie.Inhoudgebaseerde in plaats van adresgebaseerde organisatie Bibliotheekmetafoor zou inhouden dat er maar een paar ingangen zijn tot de juiste informatie. nu zijn er nog veel na geweest). Alternatief is interferentie de obstructie die een herinnering uitvoert bij het ophalen van een andere herinnering. Transfer-aangepaste verwerking verwerkingstypes van het bestudeerde materiaal zijn goed. woorden leren die op iets rijmen. als je dit vooraf ook met rijm hebt geleerd. Hypothese van codeerspecificiteit Hypothese van codeerspecificiteit Het geheugen voor een gebeurtenis zal enkel door een aanwijzing verbeterd worden als de informatie in de aanwijzing overeenstemt met de informatie in het geheugenspoor. een lijst met woorden uit de categorie groente en 1 woord uit categorie gereedschap kan gemakkelijk onthouden worden). Inhoudsgebaseerd model van McClelland. die het geheugenspoor onherroepelijk uitwissen. Interferentie bij het oproepen Verval verwijst naar de fysiologische veranderingen in het neurale spoor van de ervaring. er zijn veel soortgelijke voor geweest) 2. emotioneel geladen momenten.

Valse herinneringen herinneringen aan gebeurtenissen die nooit gebeurd zijn of heel anders gebeurd zijn. Bijv. waardoor weinig details). accupunctuur. tot een week voor het ongeval). maar steeds zelfde verhalen vertellen. hoe hard reden de wagens toen ze tegen elkaar smakten resp. 33 . persistentie (sommige herinneringen zouden we liever vergeten) 7. Door informatie te koppelen aan schema’s kunnen valse herinneringen ontstaan (bijv. verkeerde attributies (bijv. Geheugenstructuren zijn dan nog niet volgroeid om episodische herinneringen vast te leggen. Specifieke vorm = syndroom van Korsakoff (langdurige alcoholici). 1. vertekening 7. kunnen nog goed kaarten. toen ze elkaar raakten (eerste conditie geven mensen harder aan dan tweede conditie). georganiseerde voorstellingen over de structuur van de wereld. 84% zegt naald gehoord te hebben). permanente hersenbeschadiging.8 Amnesie en het impliciete geheugen Amnesie geheel of gedeeltelijk geheugenverlies Types van amnesie Organische amnesie geheugenverlies ten gevolge van specifieke schade aan hersenen.7. Daan is basketballer. Bijv. we hebben geen herinneringen voor derde tot vierde jaar. de mensen. vluchtigheid 2. pijn. 2. Ook nog geen schema’s ontwikkeld om ervaringen te kaderen. blokkering 4. Reconstructie en verdrongen herinneringen Weinig evidentie voor de mogelijkheid dat mensen traumatische ervaringen volledig kunnen verdringen (wel verarmd. gebeurtenissen en acties. Retrograde amnesie toegang tot opgeslagen herinneringen is onmogelijk. 1. 7 zonden van geheugen (Schacter 1999). verstrooidheid 3. Anterograde amnesie het opslaan van nieuwe geheugensporen (na het ongeval) in het LTG is verstoord. daarna of je naald hebt gehoord. Soorten. Ten gevolge van een ongeval vaak korte periode (bijv. Ooggetuigenverklaringen Worden beïnvloed door suggestieve vragen. Veroorzaakt door schade aan hippocampus. Mensen die verdrongen herinneringen teruggevonden hebben scoren vaak hoog op de schaal voor fantasierijkheid. toekennen aan ander tijdstip) 5.7 Herinnering is reconstructie Organisatieschema’s Mensen onthouden gebeurtenissen in termen van schema’s algemene. Specifieke vorm = Kinderamnesie of infantiele amnesie zijn we allemaal aan onderhevig. punt. vatbaar voor suggesties 6. je denkt nu dat hij heel groot is of lijst woorden scherp. Bij veel vormen van dementie langdurige perioden.

Subdoelanalyse het proces waarbij een complex prolbeem in een reeks van kleinere. wie moet ik bellen. intuïtieve en speculatieve oplossingsstrategieën. Algoritmen Een algoritme is een reeks van operaties die in theorie een oplossing van het probleem garanderen. Bijv. Bijv. maar mensen zoeken vaak binnenwegen).Geheugenstoornissen veroorzaakt door stresserende omstandigheden waarin de persoon zich bevindt heet functionele amnesie De ontdekking van het impliciete geheugen Onderzoek bij amnesiepatiënten heeft geleid tot de ontdekking van het impliciete geheugen. kan ik die zelf herstellen. 9. Stelling van Pythagoras. Bijv. ook al kunnen de patiënten dit zich niet meer herinneren. Een algoritme is vooral toepasbaar op een volledig gestructureerd probleem een probleem waarvan de oplossing vastligt en waarvan met zekerheid bekend is dat een oplossingspad bestaat. Algoritme is kan omslachtig zijn en veel repetitief werk inhouden (voor computer geen probleem. Bijv. Hier wordt informatie wel onthouden. Meeste heuristieken zijn taakspecifiek. 34 . Lekkende wc. Metafoor is probleemruimte het oplossen van een probleem wordt vergeleken met het zoeken van een pad in een doolhof. Algemeen toepasbaar zijn. Zoeken naar een analogie Analogie is een soortgelijk probleem in een andere context (metafoor) of een vereenvoudigde versie van het probleem. een taak wordt beter uitgevoerd als deze de dag ervoor ook gedaan is. maar niet bewust. Middel-doelanalyse Strategie waarbij een reeks van kleine stapjes gemaakt worden (tussendoelen gesteld worden) en telkens nagegaan wordt wat er gedaan moet worden om de afstand tot het einddoel verder te verkleinen. negen-stippen-probleem. Hoofdstuk 9 Denken Denken is een cognitief proces waarbij cognitieve representaties gemanipuleerd worden om de wereld te begrijpen en problemen op te lossen.1 Problemen oplossen We lossen een probleem op wanneer we hindernissen moeten overwinnen om een vraag te beantwoorden of een doel te bereiken. Bij een ondergestructureerd probleem weet men niet zeker of er een oplossingspad bestaat. optimaliseren van afzonderlijke vliegtuigcomponenten ipv snel een prototype in elkaar zetten. wat heb ik nodig. die mensen ontwikkelen om bepaalde problemen aan te pakken. overzichtelijker vragen opgedeeld wordt. Bijv. Heuristieken Heuristieken zijn informele.

Categorisch redeneren (bijv. (bijv. 2. 3. er bestaan verkeerde modellen over antibiotica. 9. verhouden tov elkaar (is Jan groter dan Wim?) Drie factoren beïnvloeden of de geldigheid van een syllogisme juist beoordeeld wordt of niet.. Wat staat hier? Je moet naar vingers kijken ipv luciferhoutjes). de straat is nat. komt de geldigheid overeen met de geloofwaardigheid van het besluit. Inzicht Aha-erlebnis is een inzicht waarbij het probleem in zijn geheel wordt gevat. 2. Dit is vooral effectief wanneer men een probleem volledig moet herstructureren. 1. de straat is nat want de brandweer heeft geblust lijkt aannemelijk). terwijl dan nog niet alle bacteriën gedood zijn. Gewoonlijk giet men een deductief probleem in de vorm van een syllogisme een uitspraak van drie regels. Het heeft geregend. dan is de straat nat. type syllogisme. Functionele gefixeerdheid instelling die zich voordoet als je te zeer vastzit aan het conventionele gebruik van een voorwerp. veel mensen stoppen zodra de symptomen verdwijnen. Instelling kan men doorbreken door het probleem een tijdje aan de kant te leggen dit heet incubatie-effect. sommigen leiden tot meer juiste antwoorden dan andere. luciferdoosje moet als standaard worden gebruikt. Voorwaardelijk redeneren (bovenstaand voorbeeld). Bijv. Bijv. Deductief redeneren Bij deductief redeneren trekt men vanuit een reeks van algemene premissen een conclusie over een specifieke gebeurtenis. waarvan de eerste twee premissen zijn en de derde een besluit. Lineair redeneren. (dit is een geldig syllogisme). Bijv. Mentale modellen Naïeve theorieën over hoe dingen werken (intuïties. 2. kennis en overtuigingen die we hebben over onderwerpen en die ons helpen om dat onderwerp te begrijpen = schema’s) worden mentale modellen genoemd. zijn Fransen zelfingenomen en chauvinistisch?) 3.2 Redeneren Redeneren is nauw verwant met probleemoplossend gedrag en heeft betrekking op het evalueren van de waarheid of de waarschijnlijkheid van verklaringen. Als het geregend heeft. Vormen van syllogismen. 1.Instelling en functionele gefixeerdheid Instelling rigide verwachtingspatroon over de oplossing van soort problemen die de juiste oplossing van het probleem bemoeilijkt. Dus. Andere manier is door middel van brainstormen is ideeën spuien zonder te evalueren. 35 . (bijv. 1.

Illusoire correlatie een verband dat op basis van inductief redeneren gevonden wordt maar niet juist blijkt te zijn (bijv. stoel bed tafel eten) 2. vinden van analogieën De confirmatieneiging Confirmatieneiging houdt in dat mensen meer belang hechten aan evidentie die hun overtuigingen bevestigt dan aan evidentie die hun overtuigingen in twijfel trekt. hoe groter de kans op ja) 2. Of men iets juist oplost of niet heeft te maken of men alle toegelaten toestanden (mentale modellen) vindt of niet. 2. 3 probleemtypes 1. Hier zijn drie redenen voor: 1. aanvullen van reeksen 3. De regels van de logica stemmen niet altijd overeen met de betekenis die mensen spontaan aan de gebruikte woorden geven. MMR vaccin doet autisme ontwikkelen). Dit vormt de basis van wetenschappelijke ontdekkingen. 3. Inductief redeneren Inductief redeneren is een redeneerproces waarbij men vanuit specifieke gevallen tot algemene conclusies komt. op basis van individuele observaties formuleren onderzoekers ideeën over algemeen geldende processen die een goede kans maken om de observaties te verklaren.3. Mentale modellentheorie (Jonson-Laird. Geloofwaardigheid van besluit mensen baseren hier grotendeels hun antwoord op.3 Beslissingen nemen Het signaaldetectiemodel Welke signalen kunnen proefpersonen waarnemen en welke niet? 1. personen die hoog scoren op intelligentietest scoren beter dan personen die minder intelligent zijn en personen in culturen waar het niet verplicht is om naar school te gaan. 9. classificatie (bijv. Gevoeligheid de mogelijkheid om een stimulus van de achtergrondruis te onderscheiden (hoe harder het geluid. Antwoordcriterium bereidheid van de proefpersoon om ja te zeggen (hoe sterk moet de evidentie zijn voordat de proefpersoon ja durft te zeggen) 36 . Verklaringen voor deductief redeneren Mensen redeneren niet spontaan volgens de regels van de logica. 1992) gaat uit van het feit dat deductief redeneren te maken heeft met het feit dat men mentale modellen maakt op basis van de premissen ipv het simpel toepassen van regels.

Technologische ondersteuning wordt gebruikt om mensen te helpen bij het nemen van beslissingen (bijv. kan geen toeval zijn). Beschikbaarheidsheuristiek hoe toegankelijker een geheugenspoor is. diagnosticeren van ziektes). Emotionele vertekening Beslissingen gaan gepaard met emotionele vertekening. de waarde hiervan bepalen (wat vind ik erger) 3. bovendien moet je de voor. geld en energie is ingestoken wordt soms voor gekozen. informatie uit de media beïnvloed ons. 3.Factoren die de perceptie van het signaal beïnvloeden Werkelijkheid is ingewikkelder dan bovenstaande proeven. Effect van gemaakte kosten hetgeen waar tijd.en nadelen zelf bedenken. 1981) beslissingen worden eveneens beïnvloed door het feit of de gevolgen verwoord worden in termen van winst of verlies. Het formuleringseffect (the framing effect) (Tversky en Kahneman. Beslissingen evalueren. Beslissingen die tot een positief gevolg leiden. 7 jongens geboren. keuze voor vakantie waar zelf voor betaald is). hoe meer invloed het zal hebben op de uiteindelijke beslissing (bijv. van de 600 mensen zullen 400 mensen sterven of 200 mensen worden gered. alle voor. de verwachte kans van elk kenmerk berekenen (wat is de kans dat ik mijn tentamen niet haal als ik nu niet studeer) Meestal maken mensen echter gebruik van heuristieken om een beslissing te nemen. hoe groter de kans is dat hij gaat winnen 4. 2.en nadelen van een keuze afwegen 2. Dagelijkse situaties vaak alternatieven uit meerdere dimensies (studeren of bioscoop zitten meerdere positieve en negatieve kanten). 37 . 1. “Ik heb het altijd geweten”. Subjectief verwachte nut berekenen 1. zullen op basis van minder sterke evidentie genomen worden dan beslissingen die tot een negatief gevolg leiden. Dwaling van de gokker men heeft het idee dat hoe vaker hij verloren heeft. huidige gedrag kan voortgezet worden. beslissingen kunnen vermeden worden of verantwoordelijkheid wordt afgeschoven. hier worden door medici naar verloop van tijd ook weer heuristieken gebruikt ipv slaafs volgen van het programma Factoren die een rol spelen bij het antwoordcriterium Het anwoordcriterium wordt vooral bepaald door de gevolgen van de beslissingen. Hier kunnen fouten in ontstaan. als men onmiddellijke verlichting van het probleem kan verkrijgen is men geneigd hiervoor te kiezen. Bijv. Representativiteitsheuristiek neiging om de homogeniteit binnen een categorie/ concept te overschatten (bijv. Bijv. terwijl een ander alternatief beter is (bijv. Hindsight bias verwijst naar de neiging van mensen om de voorspelbaarheid van een gevolg van een beslissing te overschatten zodra het gevolg bekend is.

1. 10. motivaties kunnen het gedrag in een bepaalde richting duwen als gevolg van behoeften 2. tijd en ruimte Taal heeft invloed op de ruimtelijke perceptie. 38 . Hoofdstuk 10 Motivatie en emotie Motivatie verwijst naar de factoren die ertoe leiden dat een individu zich op een bepaald moment op een bepaalde manier gedraagt. Onderzoek heeft hier evidentie voor gevonden. Motivatie beïnvloed de richting (welke doelen).9. Bijv. Als een taal slechts twee termen heeft voor deze ruimte. dan wordt het groene gedeelte verdeeld over de twee termen. wordt volledig door de taal bepaald. de intensiteit (hoeveelheid inspanning) en de volharding (hoe lang houd je het vol) van het gedrag.1 Soorten motivatie Er zijn twee manieren waarop de richting van het gedrag beïnvloed kan worden. typische Engelsman). Bij het roteren van een tafel waarin aangegeven moet worden hoe het één tov het andere verhoudt verschilt dit per groep of dit relatief of absoluut wordt bekeken. Taal. Taal en sociale cognitie De taal die men spreekt kan invloed hebben op de manier waarop men andere mensen percipieert. tweetalige personen. afhankelijk van de taal waarin de personen iets lazen. maar niet voor determinisme. werd wel of niet een stereoptype geactiveerd (bijv. motivaties kunnen het gedrag in een bepaalde richting trekken door doelen die aantrekken of afstoten Motivatie en behoeften Omgang met lichamelijke basisbehoeften. honger = eten). Linguïstische relativiteit taal van de mensen heeft invloed op hun denken is niet de enige bepalende factor. vogel.4 In hoeverre wordt het denken beïnvloed door de taal? Linguïstische determinisme hetgeen mensen denken en de manier waarop ze dit doen. Dit is evidentie voor linguïstische relativiteit. Verschillende theorieën. Streven naar homeostase een lichamelijke evenwichtstoestand die door individuen in stand wordt gehouden (bijv. Taal en kleurperceptie Kinderen leren de kleurnamen veel moeizamer dan categorische woorden als bijv. 1.

zuigreflex. die het gedrag stuurt. De motivatie hangt af van de waarde die aan het doel gehecht wordt en de verwachting die een persoon heeft over de kans om het doel te kunnen bereiken. Intrinsieke motivatie is motivatie gericht op het uitvoeren van een activiteit wegens het plezier dat men vindt in de activiteit zelf en de voldoening die men haalt uit het voltooien van de activiteit. Goal-setting theory van Locke (1981) 1. teveel spanning. Problemen met deze theorie is dat soms hoe groter de voldoening een persoon vindt in de vervulling van een bepaalde behoefte (bijv. hoe beter de prestatie zal zijn 3. Te weinig opwinding is te saai. motivaties worden verondersteld voort te komen uit huidig functioneren. Sommige mensen worden vooral gemotiveerd door doelen op korte termijn anderen hebben een lang toekomstperspectief. angst voor slangen. Drifttheorie van Hull (1943) is hierop gebaseerd. Hoe hoger het doel gesteld wordt. Motivatietheorie van Maslow Onderscheid tussen vijf soorten behoeften in hiërarchische volgorde 1.2. Toekomstperspectief verwijst naar de tijdsafstand van de doelen die men nastreeft. vooral op stabiele situatie gericht en niet op ontwikkeling 2. negatieve visie. eten) hoe belangrijker die behoefte wordt en de volgorde lijkt niet voor iedereen hetzelfde. 2 behoefte aan veiligheid. Verschillen in individuen is verschillen in opwindingsniveaus (bijv. Als deze niet bevredigd werd dan resulteert dit in een drift. behoefte om erbij te horen en liefde te krijgen 4. behoefte aan zelfactualisatie. behoefte aan kinderen). sensatiezoekers of thrill seekers). Motivatie ontstaat doordat een doel een aantrekkingskracht heeft 2. Opwindingstheorie (arousal theory) mensen en dieren streven naar een optimaal opwindingsniveau. fysiologische behoeften. 1. Instincttheorie gedragingen worden bepaald door instincten. Een doel is een cognitieve representatie van een gewenste of ongewenste eindtoestand. Motivatie en doelen Kritieken op motivatietheorieën op basis van behoeften. De prestatie hangt ook af van het engagement dat men aangaat om het doel te bereiken 10. dit zijn onvrijwillige gedragingen die uitgelokt worden door een stimulus en een genetische basis hebben (bijv. iemand een plezier doen). 4. fysiologische deficits geven aanleiding tot een lichamelijke behoefte. geld. 3. moeilijk om motivaties te begrijpen die afhankelijk zijn van toekomstverwachtingen Daarom denkkader vanuit doelstellingen. waarderingsbehoefte 5. moeilijkheden om zelfdestructief gedrag te verklaren 3.2 Honger Biologische signalen voor honger en verzadiging Kortetermijnsignalen 39 . Extrinsieke motivatie is motivatie die om bepaalde activiteiten te vertonen omdat deze activiteiten leiden tot het bereiken van een ander doel (bijv. 5. zekerheid 3.

40 . Coolidge-effect mannen worden opgewonden door de aanwezigheid van een nieuwe partner. frustratie en agressie wegens ontbreken van partner voordelen 1. CCK = cholecystokinine geeft verzadigingsgevoel 5. eerder vermijden van honger dan aanvullen van een tekort aan voedsel Eten kan ook gevoelens van angst of depressie ontvluchten In een groep die veel eet. Gewoonte om dubbele porties te nemen 10. veel tijd en energie in het vinden van een juiste sekspartner 2. Cellen die vet opslaan hebben genen die leptine produceren afhankelijk van de hoeveelheid vet die aanwezig is. kauwen en proeven geeft bevrediging 4. Gevuldheid maag 3. Hormonen hebben invloed op seksueel gedrag. iets zoets na het eten gaat nog (lichaam heeft ook variatie nodig) Gewichtsregeling op lange termijn 1.1. Indien honger dan is er een verlaging van het glucosegehalte in het bloed. 2. suikergehalte in het bloed. Hypothalamus speelt een cruciale rol bij honger en verzadiging Cognitieve en sociaal-culturele invloeden Er is een overvloed aan voedsel Diëten zorgt ervoor dat we niet meer op signalen in ons lichaam letten. maar op de weegschaal Vast ritme zorgt dat we altijd eten. 2. genetische diversiteit door samensmelten van 2 individuen Hormonen en seksueel gedrag De belangrijkste geslachtshormonen zijn ‘vrouwelijke’ hormonen oestrogeen en progesteron en het ‘mannelijke’ hormoon testosteron. moment van geslachtsgemeenschap is een moment van verhoogde kwetsbaarheid 3. 1.3 Seks nadelen seksueel gedrag. verspreiding van levensbedreigende bacteriën en virussen 4. Na gemeenschap met een partner brengt de introductie van een nieuwe partner meestal snellere hernieuwde activiteit teweeg. Streefgewicht het stabiele gewicht dat een lichaam op lange termijn probeert te handhaven. 3. eten mensen ook veel. Leptine in bloed doet honger afnemen. Hoeveelheid vet. Maagspecifieke verzadiging. Ook presteren mannen beter op ruimtelijke kennis en vrouwen op verbale vlotheid. Als hormoonspiegel testosteron en bij vrouwen ook oestrogeen het hoogst is (tussen twee menstruaties) meer behoefte aan seks. bijv.

10. teveel/ te weinig testosteron verhoogde kans op lesbisch/ homo -anatomische verschillen in de kern en omgeving van hypothalamus -meer zonen. egodoelen zijn gericht op het prestatieniveau en op de positie ten opzichte van anderen.Sociaal-culturele factoren Problemen met vragenlijsten over seksualiteit is dat mensen sociaalwenselijke antwoorden geven. Faalangst een angst die voorkomt uit de schaamte die men voelt bij een mislukking. Mannen die zeggen dat ze biseksueel zijn. het beter willen doen dan anderen en zo bekwaamheid tonen. 3. Deze factoren kunnen een rol hebben gespeeld bij het Kinseyrapport (1950). zoals blijkt uit onderzoek naar eeneiige tweelingen. geven toch voorkeur voor eerder heteroseksueel of homoseksueel (filmfragmenten). Prestatiedrang is de behoefte om iets te verwezenlijken en dit goed te doen. Biologisch -Waarschijnlijk gen op X-chromosoom -Hormoonspiegel in de baarmoeder. niet volop kunnen studeren. de steekproef niet representatief is en overschatting van de ondervraagden over het aantal keer seks dat ze hebben. Elliot (1999) = doelgerichte prestatiemotivatie wordt bepaald door drie componenten 1. Prestatiemotivatie wordt geleerd 41 . zodat het niet erg is als je niet slaagt. mocht je onverhoopt toch slagen dan ben je erg slim. taakmotivatie men wil de activiteit tot een goed einde brengen (komt overeen met prestatiedrang) 2. Komt overeen met faalangst. Negatieve egodoelen vermijden uit angst negatief beoordeeld te worden. Een manier om aan faalangst te ontsnappen is zelfhandicappen. De verschillende componenten van prestatiemotivatie McCelland (1953) = beperkt tot intrinsieke motivatie voor doelen die een individu zichzelf stelt. Homoseksualiteit en biseksualiteit De oorsprong van seksuele geaardheid is deels biologisch en deels cognitief en sociaal. Positieve egodoelen lokken toenadering uit. bijv. meer antistoffen in de baarmoeder tegen zonen Biseksualiteit komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.4 Prestatiemotivatie Prestatiemotivatie is de motivatie om iets te verwezenlijken en dit goed te doen. daarom gaan mensen deze situaties vermijden waarvan ze verwachten dat die zal mislukken.

Evidentie dat prestatiemotivatie wordt geleerd; Onderzoek naar invloed van ouders op prestatiemotivatie; a. De mate van stimulatie thuis b. Autonome opvoedingsstijl versus controlerende c. Geloof van ouders in de vaardigheden (bijv. meisjes kunnen minder goed wiskunde) d. Bekrachtiging van uitdagende activiteiten via successieve benadering e. Zelfregulatie jezelf belonen als je iets doet (bijv. studeren) door tastbare beloning (film kijken), expliciete korte termijn doelen (vanavond 1 uur studeren) en realistische doelen (10 bladzijden); rekening houdend met omstandigheden. Perceptie van mislukking - een mislukking volgens een egodoel wordt geïnterpreteerd als men ervan overtuigd is dat de mislukking te wijten is aan iets wat niet te veranderen is. Bijv. zij zullen mij toch nooit mogen vanwege mijn persoonlijkheid - een mislukking die te wijten is aan een veranderbare eigenschap wordt geïnterpreteerd volgens een taakdoel. Bijv. zij moeten aan mij wennen en daar kan ik mijn best voor doen. Dus je bent minder kwetsbaar als je je concentreert op taakdoelen. - Perceptie van mislukking kan ook verschillen per individu. Sommigen koppelen catastrofale gevolgen aan een mislukking.

10.5 Wat is emotie?
Wisselwerking tussen motivatie en emoties verhoogt onze overlevingskansen (anders waren emoties wel uit het gedragspatroon geëvolueerd. Immers negatieve emoties geven aanzet tot vermijding, positieve gevoelens tot herhaling. Emotie is een reactie op een stimulus die bestaat uit; 1. een fysiologische opwinding die gepaard gaat met gezichtsuitdrukking en bepaalde gedragingen 2. evaluatie van de stimulus 3. een subjectieve ervaring

10.6 De lichamelijke component van emoties
De gezichtsuitdrukking van emoties
Primaire emoties (Exkman 1999) vond zes emoties die door de meerderheid van de mensen herkend werden; droefheid, blijheid, angst, woede, verrassing en walging/ minachting. Culturele uitingsregels wat mag je wel en wat niet tonen in een bepaalde cultuur (bijv. Japanners blijven glimlachen bij het zien van een zeer stresserende film). Hypothese over gezichtsfeedback de emotionele ervaring van een persoon versterkt of verzwakt door de bijbehorende gezichtsuitdrukking (bijv. pen in je mond met mond open = blij of mond dicht = droevig). Iemand die door verlamming niet meer kan glimlachen heeft een vergrote kans op depressie.

42

De rol van het sympathische zenuwstelsel
Leugendetector meet activiteit van sympathische zenuwstelsel. Daarom controlevragen van Waar was je gisteren en Heb je ooit gereden terwijl je dronken was. Iemand die niet liegt ondervindt van beiden stress. Guilty of knowledge dia’s laten zien van diverse voorwerpen inclusief het moordwapen. Dit geeft hogere betrouwbaarheid. Fysiologische opwinding verhoogt de ervaring van emoties (bijv. 2 minuten hardlopen versterkt aantrekkingsgevoel tov 15 seconden hardlopen). Mensen kunnen zo emoties toeschrijven aan de verkeerde bron. Fysiologische opwinding is niet noodzakelijk. Bijv. bij patiënten met een letsel aan ruggengraat die niet meer in staat waren informatie uit sympathische zenuwstelsel te halen, voelden nog steeds emoties maar niet meer bij alle stimuli en ook in mindere mate.

10.7 Staan emoties onder cognitieve controle?
Drie verschillende theorieën
James-Lange-theorie Door het zien van een angstaanjagende stimulus (bijv. slang) krijg je een reflexmatige lichamelijke reactie waardoor er een adrenalinestoot in je bloed komt die zorgt voor een specifiek patroon van lichamelijke opwinding (bijv. hartkloppingen), daardoor voel je angst. Deze theorie is niet volledig houdbaar, bijv. als je adrenaline ingespoten krijgt, voel je wel lichamelijke opwinding, maar geen emoties. Cannon-Bard-theorie Activatie sympathische zenuwstel en ervaren van de emotie gebeurd gelijktijdig. Theorie van de cognitieve beoordeling (cognitieve appraisal) Voordat fysiologische opwinding en emotie ervaren wordt, heeft deze eerst een cognitieve beoordeling van de situatie ondergaan. Je moet immers weten of je bang moet zijn voor de slang. Alle theorieën bevatten een kern van waarheid.

Onbewuste processen bij de stimulusbeoordeling
Heel wat cognitieve processen gebeuren onbewust. Ook emotionele processen kunnen zonder bewustzijn tot stand komen, bijv. Amygdala reageert wel direct bij bijv. kwaad kijkende gezichten. Maar ook op woorden als bijv. doden (dit kan niet van evolutionair perspectief, dus is er eerst een cognitie aan voor gegaan). Ook mensen met prosopagnosie (geen gezichten meer kunnen herkennen), toch lichamelijke reactie als ze foto’s zijn van een bekende. Capgraswaan iemand kan wel mensen uit zijn omgeving herkennen, maar deze geven niet langer een vertrouwd gevoel (dubbelgangstergevoel). De bewuste route is wel bewaard, maar de onbewuste is beschadigd. 43

Cognities beïnvloeden de subjectieve ervaring
Ingewikkelde emoties kunnen niet zonder cognitie tot stand komen, bijv. spijt waarbij de acties die ondernomen zijn geresulteerd hebben in gevolgen die minder aangenaam zijn dan de gevolgen die ze hadden kunnen ervaren door andere acties te ondernemen. Ook bijv. opluchting en ontgoocheling. Nadenken over gevolgen die niet gebeurd zijn vergt cognitie. Gross (2002); cognities kunnen automatisch uitgelokte emoties regelen, door; 1. Onderdrukken van emoties (door veranderen van gedrag) 2. Herbeoordeling van emoties (door andere betekenis geven aan stimuli) Cognities kunnen emoties ook versterken en andersom. Bijv. hoe langer hoe meer ik over de situatie nadenk, hoe kwader ik word.

Invloed van emoties op cognities
Geneigdheid herinneringen op te halen die in overeenstemming zijn met onze emoties. Bijv. depressie, meer aan negatieve dingen denken, ernstigere depressie. Geneigdheid meer aandacht te besteden aan stimuli die in overeenstemming zijn met onze emoties. Ook dubbelzinnige stimuli worden meer geïnterpreteerd o een manier die in overeenstemming is met hun gevoelens.

10.8 De neurowetenschap van emoties
Het limbische systeem
Amygdala, hippocampus, gyrus cinguli. Geen of beschadigde amygdala meer moeite met toenaderingsgevoelens, geen automatische schrikreacties. 2 belangrijke routes; 1. van thalamus (tussenstation zintuigen en primaire sensorische gebieden) naar amygdala; snelle emotionele toenaderings- of vermijdingsreacties op biologisch belangrijke stimuli (zowel aangeboren = instinctief als via klassieke conditionering) 2. vanuit primaire sensorische gebieden in cortex naar amygdala , maakt cognitieve beoordeling mogelijk. Informatie uit amygdala wordt doorgestuurd naar de hypothalamus, die zorgt voor initiatie van de reactie in het sympathische zenuwstelsel. Het leggen van verbanden tussen emoties en contexten gebeurd grotendeels in de hippocampus (bijv. angst voor skinnerbox). Letsels aan de voorkant van de gyrus cinguli kunnen apathie, emotionele labiliteit en persoonlijkheidsveranderingen tot gevolg hebben. Gyrus cinguli ook betrokken bij voelen van pijn en detecteren van fouten (samen met frontale lobben).

44

1 Cognitieve ontwikkeling 4 bekwaamheden baby’s: 1. In samenwerking met andere gebieden ook correct gedragen. Ook wel levenslooppsychologie. statistisch leren. gaandeweg controle over de reflexen doordat ze interne mentale representaties = schema’s van de acties en de bijbehorende voorwerpen vormen. emotionele toon waarop we iets zeggen. stimuli kunnen onthouden in semantisch geheugen. sensorimotorische stadium 0 – 2 jaar vooral bezig met waarnemingen (sensorisch) en acties (motorisch) en interacties tussen deze twee. Schema’s zullen steeds complexer worden op basis van. selectieve aandacht 2. rechterkant (verwerking negatieve stimuli) constant opgewekt. Hoofdstuk 11 Veranderingen in de loop van het leven Ontwikkelingspsychologie De taak van psychologie die onderzoek doet naar veranderingen in vaardigheden en gedragingen tijdens de levensloop en die probeert te achterhalen welke factoren deze veranderingen teweegbrengen of beïnvloeden. Bijv. zelfs als dit ongepast is. Pariëtale cortex gevoelens verstaan. Ook leert het kind objectpermanentie het besef dat een voorwerp blijft bestaan als je het niet meer kunt zien. Dorsolaterale prefrontale cortex gevoelens integreren binnen de doelstellingen die men nastreeft = controlecentrum voor doelgericht gedrag. Lestel aan linkerkant geeft voortdurend huilerig gedrag (verwerking positieve stimuli). 1. imitatieleren (2 weken oud tong uitsteken als volwassene dit doet) 4. accommodatie aanpassen van schema’s aan afwijkende informatie Belangrijke veranderingen zullen sprongsgewijs gebeuren. patronen kunnen ontdekken in bijvoorbeeld taal De theorie van Piaget Cognitieve ontwikkeling ontstaat vanuit de acties die het kind uitvoert. Leert de gevolgen tussen deze twee (bijv. wat betekent wenkbrauw fronsen. Schade gaat gepaard met problemen om gevolgen van gedrag op lange termijn in te schatten = verkeerde besluiten. Aanvankelijk alleen reflexen. 45 . daardoor snel verveeld door telkens eenzelfde stimulus 3. De Stadiatheorie 1. 11.Gebieden in de cortex Cortex voor gecompliceerdere emotionele gedragingen. Orbitofrontale cortex adequaat reageren op complexe beloningen en straffen. combinatie tussen zicht en lopen). assimilatie nieuwe informatie in een bestaand schema onderbrengen 2.

Processen lezen. 4. lettergrepen bestaan uit klanken. een eng masker dragen kan angst oproepen als hij in de spiegel kijkt. omdat ze zich verkijken op het uiterlijk van de dingen. 5 jaar moeite om reeks van 4 letters te onthouden en 15 jaar gemakkelijk 6 letters). klei oprollen en daarna samendrukken. Bijv. 3. 1. Ook proef met twee glazen. een analyse maken van de processen die nodig zijn om een bepaalde taak uit te voeren en in welke mate de kinderen over de nodige capaciteiten beschikken om die processen adequaat uit te voeren. Deze kunnen geoefend worden op school. 2. onderzoek wijst echter uit dat baby’s al veel meer kunnen dan Piaget deed vermoeden (poppenkastproef) 2. preoperationele stadium 2 – 7 jaar worsteling met het onderscheid tussen schijn en realiteit. overgang van de ene manier van denken naar de andere gebeurt niet voor alle problemen op dezelfde leeftijd. Spanne kortetermijngeheugen verschilt per leeftijd (bijv. 3. 46 . Bijv. klanken kunnen worden weergegeven door letters. b. Conservatie is besef dat onderliggende fysische dimensie gelijk blijft ondanks oppervlakkige veranderingen (proef met glazen doen deze kinderen wel goed). daarom worden in sommige culturen taken sneller opgelost dan in andere culturen. door feedback kun je een kind sneller iets leren. Continue veranderingen Problemen met theorie van Piaget gaat vooral uit naar wat kinderen nog niet kunnen 3 assumpties van de theorie 1. gesproken taal bestaat uit woorden. onderwijs). Echter wel operaties op concrete tastbare problemen. behoud van aantal hangt samen met het feit in hoeverre het kind al kan tellen (bijv. formeel-operationele stadium vanaf 11 jaar inzicht in abstracte hypothetische situaties. conservatietaken worden naar 5 tot 6 keer oefenen wel goed uitgevoerd Onderschatting van de theorie zit eveneens in het feit dat kennis afhankelijk is van de omgeving en niet slechts van leeftijd. 3. Bijv. binnen een stadium zijn de denkprocessen gelijk voor mogelijke problemen waar een kind mee geconfronteerd wordt a. Alternatief op theorie van Piaget in plaats van uit te gaan welke operaties kinderen van verschillende leeftijden nog niet kunnen uitvoeren. kinderen zijn pas in staat om de denkprocessen van een bepaald stadium te leren als ze de kritische leeftijd daarvoor bereikt hebben a. stadia gaat gepaard met kwalitatieve verschillen in het denken a. Voorbeelden a. concreet-operationele stadium 7 – 11 jaar Inzicht in operaties = omkeerbare acties (bijv. 4. je krijgt weer dezelfde homp klei). Van belang is wel dat de kinderen begrijpen wat de bedoeling is bij proeven. woorden bestaan uit lettergrepen.2.

Door hormonen een verhoogde emotionele opwinding en verhoogde drang naar nieuwe Cognitieve ontwikkelingen bij het ouder worden Processen worden trager. Ontwikkelen objectieve zelf beself dat het zelf stabiele kwaliteiten heeft (geslacht. etc. Ouderen hebben vooral last met taken waarbij snelheid van belang is. studie verbeteren resultaten). Gebeurt in 2 fasen. Myelinisatie van axonen gaat door tot op de leeftijd van 18-20 jaar. Presteren echter vaak beter op testen die beroep doen op hoeveelheid opgeslagen kennis. Inclusief onderwijs alle kinderen samen hetzelfde onderwijs aanbieden Exclusief of gestratificeerd onderwijs kinderen van verschillende niveaus verschillend onderwijs aanbieden Cognitieve ontwikkeling na de pubertijd Cognitieve ontwikkelingen tijdens de adolescentie Onderzoeken Longitudinaal onderzoek dezelfde personen gedurende meerdere jaren volgen Cross-sectioneel onderzoek onderzoek waarbij mensen van een verschillende leeftijd op hetzelfde moment gestest worden Antisaccadetaak onderdrukken van een oogbeweging (saccade). b. Deze taak is nog niet volledig ontwikkeld bij adolescenten (blijkt ook uit hersenscans). 11. Bijv. Bijv een proef waarbij een gevraagd wordt om op een punt te fixeren terwijl er links of rechts van dat punt een wit vierkant oplicht. 47 . Voltooid rond eerste levensjaar met objectpermanentie. karaktertrekken.). reizen. a. Dit wordt geleidelijk ontwikkeld (baby’s zien zich aanvankelijk nog niet los van andere mensen en dingen). Onvoltooide myelinisatie tijdens de adolescentie kan reden zijn waarom jongeren impulsiever en minder doordacht reageren. Meer last bij meerdere taken tegelijkertijd uitvoeren (door capaciteit werkgeheugen). Afname van cognitieve capaciteiten hangt af van de mate waarin hersenen gebruikt werden tijdens de volwassenheid (bijv. herkennen in een spiegel (veegt rode verf af of nog niet). intellectuele baan. naam. Ontwikkelen subjectieve zelf het besef dat je bestaat. Deze taak doet een beroep op controlecentrum in de frontale lobben van de hersenen.2 Persoonlijke en sociale ontwikkeling Ontwikkeling van het zelfconcept Zelfconcept een accepterende en betrekkelijk objectieve inschatting van eigen persoonlijke aard.Naar school gaan Kinderen kunnen meer intellectueel en verwerven tot op een zekere leeftijd allemaal dezelfde kennis.

glimlachen. Gehechtheidsontwikkeling bij kinderen Gehechtheid is een sterke emotionele binding die we hebben met een beperkt aantal belangrijke personen in ons leven. Vlak affect. 1. Soms agressie. Fase van beginnende hechting (6 weken – 7 maanden). ouder gaat weg in speelkamer). kijken houden volwassenen in nauw contact met pasgeborene.(1015%) 4. zonder kinderen of koppel van 25 met jonge kinderen. Zorgzame ouders versus verwaarlozende ouders. naspelen van rollen. (Late volwassenheid 60+) Terugkijken op het leven dat er geleid is. Fase voorafgaand aan eigenlijke hechting (0-6 weken). Bij knuffelen wegkijken. Kinderen laten zich troosten. twee jaar). Veilig gehechte kinderen. (20%) 3. wenen. Gehechtheidspatronen (Ainwworth. wat doe ik. Blijvende manier bij te dragen aan de maatschappij. Vastklampen. Autonomie versus schaamte (peutertijd). Vertrouwen versus wantrouwen (eerste levensjaar). Initiatief versus schuld (vroege kinderjaren 6-11). zonder kinderen. Op bekende wordt ongeveer hetzelfde gereageerd als onbekende. 5-10 procent van de kinderen. Baby’s bekrachtigen toenaderingsgedrag. Biedt een kader voor verschillende uitdagingen in een mensenleven. 5. koppel van 45 met jonge kinderen. Intimiteit versus isolatie (vroege volwassenheid 18-30) Uitbouwen liefdevolle en intieme relatie. wie vergelijk je met elkaar). 2. Aangeboren signalen als grijpen. (60-70%). 4. Angstige/ weerbarstige kinderen. 4. Echter individuele verschillen kunnen groot zijn (bijv. 8. Integriteit versus wanhoop. Generativiteit versus stagnatie (Midden volwassenheid 30-60). Verwerven van vaardigheden op een positieve manier. Begrip waarom ouders soms wel en soms niet aanwezig zijn. 6. Scheidingsangst en vreemdelingenangst valt samen met gevoel van objectpermanentie. 2. twee jaar). Doelgerichtheid. 2. Begint na de geboorte en ontwikkeld zich gedurende de eerste 2 tot 3 jaar. Gehechtheidsstadia (Bowlby 1969) 1. Vlijt versus minderwaardigheid (schoolleeftijd). Vorming van een wederkerige relatie (vanaf anderhalf. Volwassene wordt als veilige basis gezien. 3. Samenwerken. Goede oplossing = voldoening. 3. Weinig reactie op volwassenen. Meer positieve reacties op bekenden. 1978) Onderzoek dmv vreemde situaties (bijv. 7. Gedesorganiseerde en gedesoriënteerde kinderen.De theorie van Erikson (1950) Het leven bestaat uit 8 sociale en emotionele stadia waarin een psychosociaal conflict moet worden opgelost. Fase van scherp omlijnde gehechtheid (7 maanden – anderhalf. moeilijk te troosten. slechte oplossing = psychische problemen. Identiteit versus rolverwarring (adolescentie12-20). Vermijdende kinderen. Verward en tegengestelde gedragingen. 48 . 1. Antwoorden op wie ben ik. 4 types hechtingsrelaties.

Kinderen zijn ongehoorzaam. weinig tijd. Menstruatie. Onafhankelijk. teruggetrokken. Hoge aanvaarding en betrokkenheid. onverschilligheid. 2. Balans tussen discipline en autonomie. In kinderprogramma’s is vaak geslachtsstereotiepe rolverdeling aanwezig (observerend leren). Autoritaire ouders. Verwerpende-verwaarlozende ouders. nieuwsgierig. Periode van vlugge veranderingen op biologisch. culturele verschillen Opvoedingsstijlen (Baumrind 1971) 1. 1. Kinderen zijn dikwijls impulsief. Geslachtshormonen. een lijst van 90 gedragingen die onderzoeker meeneemt naar het huis van het kind en gebruikt tijdens een observatiesessie. verhoogde kans op delinquentie. Permissieve ouders. wordt geslachtstypering genoemd. 49 . zelfbewust. cognitief en sociaal vlak. weinig controle. onzeker. weinig controle. Geslachtstypering Het proces waarbij een kind een geslachtsidentiteit aanneemt – het besef een jongen of een meisje te zijn – en sociaal aangepaste mannelijke of vrouwelijke gedragingen vertoont. 1. Temperament van het kind Factoren die nagenoeg geen rol spelen bij de hechting. meisjes poppen). vriendelijk. meisjes die te hoog testosteron aan worden blootgesteld vertonen meer masculien gedrag. Gezaghebbende ouders. Kinderen worden humeurig. Peuters van 18 maanden vertonen al geslachtsspecifieke voorkeuren (bijv. Lage aanvaarding. Opvoeding door ouders (intimiteit. Geslachtstypering wordt beïnvloed door biologische en sociale factoren. 1. bezorgdheid) 2. Regels. verschaffen van voeding (ijzeren en stoffen aapjes-proef) 2. Toegeeflijk. Factoren die een rol spelen bij de hechting. Het zoeken naar autonomie bij adolescenten Adolescentie periode tussen de kindertijd en de volwassenheid.Tegenwoordig meer onderzoek door gebruik te maken van AQS (Attachment Q-sort). Ejaculatie. Minder doorzettingsvermogen. jongens auto’s. Kenmerken die rechtstreeks verbonden zijn met voortplanting. Kinderen spelen liever met kinderen van eigen geslacht. Vermijden bestraffing. 3. Gevalsstudie besnijdenis bewijst dat omgevingsfactoren in ieder geval niet altijd overheersen bij geslachtstypering. consistentie. ongehoorzaam en opstandig. 4. Primaire geslachtskenmerken. Biologische functioneren. Adolescentie begint bij pubertijd = periode van lichamelijke ontwikkeling waarin jonge mensen seksueel rijp worden en zich kunnen voortplanten. gehoorzaamheid.

Moreel besef. Observeren gedrag en oordeel over de gevolgen. verzwaren stem. Sociale relaties. 5. 1. Een deel heeft een LAT-relatie. Dit is wel van belang bij volwassenheid. Secundaire geslachtskenmerken. ontluikende seksualiteit. 2. Carrière maken. Haargroei. het einde is in zicht. Grenzen van adolescentie zijn vervroegd en er is een gewrongen situatie ontstaan voor jongeren. Zelfaanvaarding 2. Meer mannen (vooral gescheiden) dan vrouwen van middelbare leeftijd wonen alleen. 1995) 1. opeisen rechten. 4. 2000). Systematisch probleemoplossen. (Arnett. Cognitieve functioneren 1. Imaginair publiek. Gaat gepaard met conflicten. Persoonlijke fabel. fysicaproblemen onderzoeken op systematische wijze ipv lukraak aan het werk te gaan. Dimensies van arbeidsvreugde (Ryff. 30 jaar. 2. Partnerrelaties zijn losser geworden. Sociaal functioneren 1. Het krijgen van kinderen correleert met een daling in de relatietevredenheid bij man en vrouw. Opkomende volwassenheid Opkomende volwassenheid is de periode tussen 18 jaar en de doorbraak naar de ‘echte’ volwassenheid. Meer paren wonen ongehuwd samen en het aantal huwelijken dat vroegtijdig eindigt ligt tussen een kwart en een derde. breder worden heupen. Veranderingen in het uiterlijk die niet direct met seksuele voortplanting te maken hebben. Deductief redeneren. borstontwikkeling. 3. Zoektocht naar autonomie. Bijv. ze worden verondersteld de overgang van adolescentie naar volwassenheid te maken op een leeftijd waarop ze zichzelf nog niet als een volwassene beschouwen. Het vinden van een juiste balans tussen gezin en werk 2 belangrijke factoren die het welzijn van een volwassene bepalen. Masturbatie. Nadenken over hypothetische situaties.2. Dit gevoel lijkt bij velen pas rond 30 jaar te komen (gezin stichten). etc. Na een aantal jaren begint het weer te klimmen. Begrijpen metaforen. Zeggenschap 50 . 1-3% streeft een homoseksuele relatie na. Keyes. 6. 1. Tijdens deze periode veel geëxperimenteerd met verschillende rollen. Intieme relatie met een partner en het stichten van een gezin staat centraal. Het idee hebben speciaal en uniek te zijn en dat niets hun kan overkomen. Tevredenheid over het werk vertoont een knik met een dieptepunt rond ca. Verhoogde interesse voor het andere geslacht. 2. Op hogere leeftijd meer vrouwen dan mannen alleenwonend doordat kinderen van alleenstaande moeders het huis verlaten en dat vrouwen een langere levensverwachting hebben. Het idee hebben continu bekeken en beoordeeld te worden. 2. bij weinigen is financiële onafhankelijkheid aanwezig. Dit kan te maken hebben met verhoogde motivatie aan het begin en daarna ervaren van stagnatie. relaties en jobs.

Selectie Bereik van activiteiten vernauwen. 1997) 1. Autonomie Positieve relaties Persoonlijke groei Doelgerichtheid Midlife crisis is geen evidentie voor. vaak worden ze afgewisseld. echter zelden in vaste volgorde voorkomen. Blijvend engagement in sociale en productieve activiteiten Ouderen kunnen op een hoog niveau blijven functioneren door een beroep te doen op selectieve optimalisatie met compensatie (echtpaar Baltes. Tevreden oud worden Succesvol oud worden drie kerndimensies (Rowe. Hoe goed kan een persoon omgaan met andere mensen in uiteenlopende sociale situaties. Depressie 5. Kahn. Hoofdstuk 12 Intelligentie 12.1 Wat verstaan mensen onder intelligentie? Intelligentie wordt gewoonlijk verdeeld in drie componenten: 1. Opstandigheid (waarom ik) 3. Optimalisatie. Compensatie. Goede lichamelijke gezondheid 2.3. Vooral nodig om goed op school te presteren. 2. 1996) 1. geheugensteuntjes). 3. 5 stadia als reactie op de dood (Kübler-Ross. Hierin wordt de balans opgemaakt van hun leven als het einde nadert. dan komt het wel goed) 4. Veel steun in geloof. Vooral activiteiten uitvoeren die goed gaan. 5. Analytische intelligentie. Ook meer bij mensen die vroegtijdig sterven wegens ziekte. 4. Behoud van cognitieve mogelijkheden 3. Goede oplossingen voor dagelijkse problemen en op het werk. Aanvaarden Onderzoek toont aan dat deze reactie herkenbaar zijn. hebben ze minder angst voor de dood en aanvaarden ze het gemakkelijker. Naarmate mensen ouder worden. Manieren zoeken om zwaktes te ondervangen (bijv. Ontkenning 2. 1. Praktische intelligentie. 2. Als mensen ouder worden maken ze een levensoverzicht. 3. Onderhandelen (ik doe dit. 1990). 51 . Trainen van cruciale vaardigheden. 6. Sociale en emotionele intelligentie.

Binet en Simon (1905) maakten empirisch onderbouwde test waarin mentale leeftijd (ML) kon worden bepaald. 1. Goed op tests presteren. Hierbij werden relaties gemeten tussen intelligentie en vaardigheden als reactiesnelheid. IQ werd op andere manier berekend. zodat een aparte score per taak berekend kon worden. 2 versies. zo kon hij onderscheid maken tussen verbale en niet-verbale intelligentie.2 Analytische intelligentie De ontwikkeling van intelligentietests De eerste tests ontwikkeld door sir Francis Galton. 3. 1960. gevoeligheid voor stimuli en lichaamsproporties. Intelligentie staat niet los van de inspanningen die een persoon geleverd heeft om de aanleg tot uiting te brengen. 2. SON-R (Snijders Oomen Niet-verbale Intelligentietest-Revisie). 52 . Vooral tests die aangeboren potentieel meten (het kan er in zitten. ML = 8 jr voor een 6-jr. Voor kleine kinderen (2. omdat Stanford-Binet test geen duidelijke differentiëring toeliet voor volwassenen (meeste voor kinderen bedoeld). performatie-IQ en totaal-IQ. Later ook voor kinderen.Drie visies over intelligentie 1. 12. 60 opgaven van verschillende moeilijkheidsgraad. maar niet uit komen). Aanvankelijk voor volwassenen. 2003. Opgaven niet per leeftijd maar per taak 2. Aangeboren potentieel tot intelligent gedrag. Dit verwijst naar soort vragen dat een kind kan oplossen. Bijv. 1985. Belangrijkste verschillen met Stanford-Binet test. 6 tot 17 jaar). Echter hiertussen is geen correlatie. Oorspronkelijk gemaakt voor dove kinderen en bestaat evenals RPM volledig uit niet-verbaal materiaal.5-17 jaar). Binnen elke subtest oplopende moeilijkheidsgraad. 4. per taak gemakkelijke en moeilijke items. Figuur waarvan een deel ontbreekt. Effectief tot uiting komend. bestaat volledig uit niet verbaal materiaal en kan in korte tijd groepsgewijs afgenomen worden. neef van Darwin (1884). Veel in Nederland gebruikt. Wechslertests (1940). WISC III (Wechsler Intelligence Scale for Children. IQ = ML/CL * 100 CL = chronologische leeftijd = echte leeftijd. oorspronkelijk ontwikkeld voor het leger. Groter aantal items die geen beroep deden op taalkennis. Komt vooral op school tot uiting. 3. Stanford-Binet test (1908) door Stanford University aangepast aan Amerikaanse cultuur. Onderscheid tussen verbaal-IQ. Stern stelde intelligentiequotiënt of IQ-score voor. Extreme visie zegt dat iedereen zelfde potentieel heeft en dat verschillen volledig verklaard kunnen worden door verschillen in leeromgeving.5-7 jaar) en één voor oudere kinderen (5. Raven Progressive Matrices test zeer bekende intelligentietest. Werd herzien in 1937.

Bijv. Moeten voldoen aan drie vereisten. 1. Toetsing betrouwbaarheid dmv a.Andere tests. 68% tussen 85 en 115. Predictieve validiteit voorspellen van toekomstig gedrag.5 en een goede betrouwbaarheid verondersteld standaardisatie bij testafname en objectiviteit bij het scoren van de resultaten. wordt uitgedrukt in correlatiecoëfficiënt (tussen -1 en +1). correleert scores op intelligentiest met schoolprestaties. d. Criteriumvaliditeit hoe goed correleren testscores met een andere maat voor de vaardigheid die men wil meten (het criterium). 95% tussen 70 en 130. goede consistentie moet dichtbij +1 zijn . Goede normsteekproef moet representatief zijn voor de populatie = totale groep waaruit een steekproef getrokken wordt. Gesplitste-testbetrouwbaarheid correlatie berekenen tussen de ene helft van de items en de andere helft van de items c. veronderstelling dat oudere kinderen meer opgaven kunnen oplossen. 2. Paralleltestbetrouwbaarheid vergelijk met andere tests Goede betrouwbaarheid zit nog altijd onzekerheidsmarge in van IQ-score +. Als de eerste keer goed wordt gescoord. GIT = Groninger Intelligentietest Kaufman test Alle tests worden in Nederland beoordeeld door COTAN = Commissie Testaangelegenheden Nederland Kenmerken van intelligentietests Psychometrische test ontwikkeling van objectieve meetinstrumenten of tests voor psychische kwaliteiten zoals intelligentie en persoonlijkheid. De structuur van analytische intelligentie Factoranalyse = een statische techniek die de correlaties tussen testscores onderzoekt en aangeeft welke scores samen veranderen. moet dit ook de tweede keer goed scoren. = consistentie in resultaten. Vormen van testvaliditeit. Betrouwbaarheid. Bijv. Validiteit Wat meet de test. Bijv. 3. Factoranalyse stelt psychologen in staat om in een patroon van intercorrelaties tussen verschillende tests taken te identificeren die op een zelfde 53 . a. Test-hertestbetrouwbaarheid tweemaal aanbieden met tussentijd van enkele weken b. c. meet deze intelligentie of een ander kenmerk waarop mensen verschillen maar wat niets met intelligentie van doen heeft. Begripsvaliditeit accuraatheid waarmee een test de psychologische processen meet die binnen een theorie gespecificeerd worden. Controle dmv congruente validiteit = proefpersonen een aantal tests laten afnemen en de correlaties tussen de verschillende scores te bereken. b. hoe goed gaat iemand het in zijn nieuwe job doen. Gemiddeld is 100. dan geen opgaven erin die jongere kinderen beter kunnen oplossen. Inhoudsvaliditeit de mate waarin de gestelde vragen representatief zijn voor het kennisdomein dat men wil meten. Hieruit kon een nieuwe IQ berekening worden gemaakt op basis van normaalverdeling.

getalrekenen. Echter test-hertestbetrouwbaarheid is laag (+0. 3 lagen intelligentie die samen een hiërarchie vormen. intelligentere kinderen tonen duidelijkere voorkeur voor nieuwe foto’s (+0. Pas vanaf 6. woordenschat) Als twee testen beide een beroep doen op dezelfde soort intelligentie zullen ze hoog met elkaar correleren. Ook correlatie tussen adoptieouders is positief. Catell (student Spearman) stelde 2 algemene intelligentievormen voor. Spearman (1900) algemene intelligentie = g-factor (general intelligence) speelt een rol bij het oplossen van alle intelligentietaken. Ook voor broer-zus. Vernon stelde hiërarchische theorie voor. ouder-kind correleert het positief. Vloeiende intelligentie vaardigheid om relaties waar te nemen bij stimuli waar men nog geen of heel weinig ervaring mee heeft (werkgeheugen) 2. taalbegrip. Foto’s voorhouden.manier opgelost worden en dus samen een groep vormen (bijv. Het blijkt dat alle onderdelen op subtests van intelligentietests positief en tamelijk hoog met elkaar correleren. kennisvragen. Ofwel vloeiende intelligentie neemt meer af dan gekristalliseerde intelligentie. Hiervoor introduceerde spearman specifieke mentale vaardigheden = sfactoren. Dit vooral voor perfomantietaken en minder voor verbale taken. Evidentie voor een erfelijke component in IQ-scores Correlaties intelligentie voor zowel samen als apart levende eeneiige tweelingen hoog. 1. dus mensen zijn intelligent gedeeltelijk omdat zij goede genen van hun biologische ouders hebben meegekregen. maar niet waarom correlaties tussen subtests verschillen.…) Hoe stabiel zijn IQ-scores? Correlatie loopt terug naarmate de leeftijd van het kind bij vroegere testafname lager was. 2.38). Cohort = groep van mensen die in eenzelfde periode opgroeien. 54 . meet het rijgen van kraaltjes de intelligentie).45). Derde laag veelheid aan specifieke factoren (woordvlotheid. 7 jaar een correlatie van +0. Daarna 7 brede intelligentievormen (ook vloeiende en gekristalliseerde intelligentie) 3. maar een stuk lager dan die van biologische ouders. Intelligentie vermindert pas na 65 jr wijst longitudinaal onderzoek uit. Dit verklaart waarom altijd positieve correlaties gevonden worden tussen subtests en intelligentietests. Fagan Test of Infant Intelligence (Fagan.60. 1. Bovenaan algemene intelligentie die alles beïnvloedt. vaardigheid van jonge kinderen om iets nieuws te detecteren en te coderen. Wanneer twee tests door dezelfde s-factor beinvloedt worden dan hogere correlatie. factor = verbale vaardigheid die ervoor zorgt dat twee subtests dezelfde resultaten opleveren). Carrol (1993). 1992). Kan ook zijn dat validiteit bij tests voor jonge kinderen laag is (bijv. Gekristalliseerde intelligentie mentale vaardigheid om reeds aanwezige informatie uit het lange termijngeheugen op te roepen (bijv. Beide theorieën niet geheel bevredigend. Dit komt doordat verwerkingssnelheid en capaciteit van het werkgeheugen meer afneemt dan het vermogen om informatie uit het langetermijngeheugen te halen. Cross-sectioneel onderzoek geeft een cohort-effect = tijd en omstandigheden waarin een groep opgroeit kunnen invloed hebben op de resultaten van een studie.

Vloeiende intelligentie neemt af op het moment dat de witte materie in de hersenen afbrokkelt. Wet van Hebb excitatorische connecties tussen twee neuronen versterken als zij herhaaldelijk samen vuren op een stimulus. Mensen met een hoog IQ hebben minder training nodig dan mensen met een laag IQ. Kinderen behalen lagere IQ-score na vakantie dan ervoor. Door chemische stof in te spuiten kan long-term potentiation voorkomen worden. Kinderen die enkel hoogintelligent erfelijk materiaal hadden of enkel in een hoogintelligent milieu geplaatst worden kwamen halverwege het niveau van de hoge en lage groep uit. Neuronale signaal gaat vlugger door goed gemyeliniseerd axon.40). hoe meer het zal lijken alsof het milieu er niet toedoet en alle intelligentieverschillen tussen mensen aan erfelijkheid toe te schrijven zij. Waarom is iemand intelligent? 1. Testwijsheid training voor intelligentietests heeft positief effect. meer ervaring met getest worden. Potentieeltheorie (De Groot. Positieve correlatie tussen volume van hersenen en IQ (+0. Dit door beter onderwijs. evidentie dat milieu en erfelijk materiaal ongeveer dezelfde invloed hebben.Evidentie voor een milieucomponent in IQ-scores Uit adoptiestudies blijkt dat kinderen ook positief correleren met de intelligentie van hun adoptieouders. Overigens Einsteins hersenvolume was klein. krijgt men extra informatie over de intelligentie als potentieel om een nieuwe taak te leren. kunnen meer dingen onthouden tijdens het uitvoeren van een taak. 3. Inspuiting amygdala verhindert ratten bang te worden voor geluid met schokken (conditionering). Vrouwen iets beter op verbale taken en mannen beter op visuospatiale taken. Inspuiting in hippocampus verhindert ratten doolhof te leren. Ook evidentie voor milieucomponent is Flynn-effect menselijke intelligentie verhoogt met de jaren (3 IQ-punten per 10 jaar). Het effect van een jaar extra school genoten te hebben is groter op intelligentie dan leeftijdsverschil.20-+0. 1997) door te kijken hoeveel training de persoon nodig heeft om een taak juist te leren uitvoeren. 55 . Deze toestand kan uren tot weken duren = long-term potentiation. 2. Zijn vrouwen intelligenter dan mannen? Scores op IQ-tests nagenoeg gelijk. Synaptische connecties tussen neuronen maken of sterkte van bestaande connecties veranderen. Goed werkgeheugen intelligentere mensen hebben een beter werkgeheugen. Myelinisatie van axonen. Schattingen van de nature-nurture bijdragen in de huidige maatschappij Paradox. naarmate een maatschappij meer inspanningen levert om voor iedereen een zo goed en stimulerend mogelijk milieu te creëren. Long-term potentiation verbetert geheugen en speelt dus vooral rol bij gekristalliseerde intelligentie. beter voeding.

atleten. beeldhouwers 3. Conventionele intelligentietests 1. Daarom beter situatietests. muzikaal talent. Theorie van meervoudige intelligenties (Gardner) verklaart buitengewone talenten op een beperkt gebied. maar ook zien welke berekening ze moeten toepassen voor welk probleem). 56 . taxichauffeurs Specifieke talenten 1. De meeste problemen in het dagelijkse leven zijn echter ondergestructureerd en vereisen dat mensen het probleem zelf herkennen. Interpersoonlijke intelligentie goed met anderen om kunnen gaan 2. dichters. bij het koken gebruiken mensen berekeningen bij het afwegen die ze op school in de vorm van een rekenopgave nooit zouden kunnen oplossen.4. journalisten 2. onthouden van kalenderdagen). dansers. logisch redeneren. Aanwezig bij landbouwers en natuurwetenschappers Sociaal-emotionele intelligenties 1. Architecten.3 Praktische intelligentie De theorieën van Gardner en Sternberg Gardner (1999) mensen hebben soms speciale talenten zonder dat dit gepaard gaat met hoge g-score. probleemoplossen. emotioneel adequaat reageren Sternberg traditionele intelligentietests en westers onderwijs hechten teveel belang aan problemen die volledig gestructureerd zijn en slechts 1 oplossing(smethode) hebben. Idiot savant-syndroom lage algemene intelligentie. maar uitblinken in een specfieke vaardigheid (bijv. Linguïstische intelligentie taalvlotheid. Logisch-wiskundige intelligentie vaardigheid in rekenen. Bijv. wiskundigen 3. Spatiale intelligentie mogelijkheid om visuele wereld accuraat waar te nemen en percepties te transformeren op basis van verbeelding. Andere vorm van specifieke intelligentie bijv. Metacognitie intelligentere mensen hebben meer inzicht in welke strategieën ze moeten toepassen (dus niet alleen een berekening kunnen uitvoeren. Evidentie voor het belang van praktische intelligentie Mensen redeneren anders in informele settings dan op school. Naturalistische intelligentie levende en natuurlijke organismen herkennen en begrijpen. Lichaamskinesthetische intelligentie chirurgen. 12. Acht vormen van intelligentie. Intrapersoonlijke intelligentie kennis over zichzelf en haalbare doelen stellen. belangrijke rol binnen westers onderwijs. Muzikale intelligentie 2.

tevreden. Observation of human behavior (zijn psychologische uitspraken waar of onwaar) 5.Tests voor praktische intelligentie Sternberg (2004) een praktische test over het studentenfunctioneren moet ook deel uitmaken van een toegangsexamen voor het hoger onderwijs.etc. Emoties begrijpen 4. In-basket test = postbakoefening is een populaire oefening. Een persoon wordt met hypothetische situaties geconfronteerd en moet aangeven hoe hij hierop zou reageren. 1. Dit staat bij arbeidspsychologen bekend onder situationele vragenlijst of situationeel interview. emoties percipiëren en beïnvloeden) 2. Fouten hebben grote negatieve invloed. 1. Correlatie is +0. stabiele persoonlijkheidseigenschappen (impulsief. opstellen van een lijst met uitspraken waarvan proefpersonen moeten aangeven in hoeverre die op hen van toepassing zijn. een goede jobanalyse en goede beoordelaars van belang. 1. 1849) bestaat uit 5 onderdelen. Andere bekende testen Mayer-Salovey-Caruso Emotional Intelligence Test (MSCEIT) hier worden opgaven aangeboden waar proefpersonen het juiste antwoord moeten geven.) Tests voor sociaal-emotionele intelligentie Eerste test George Washington Social Intelligence Test (1926. vergeleken met experts. 1. Twee bekendste. Bar-On).85) maar slechte validiteit (bijv. vaardigheden (bijv. 12. Judgement in social situations (hoe reageer je in bepaalde situaties?) 2. Memory for names and faces (namen en gezichten onthouden op basis van foto’s) 4. Petrides (2004) destilleerde vijftien kerenelementen die te verdelen zijn in twee grote groepen uit de verschillende modellen. Voor goede validatie en betrouwbaarheid is o. scores testuitslag vergelijken met sociale beoordelingen huisgenoten). Goleman. Emoties gebruiken om het denken te bevorderen 3. Emoties percipiëren 2. Emotional Quotient Inventory (EQ-i) Bar-On (1997) 57 .a. Assessment center verwijst naar een reeks van technieken waarbij potentiële kandidaten in een gesimuleerde werksituatie geplaatst worden om te zien hoe zijn onder ietwat stresserende omstandigheden presteren. Sense of humor (grappige aanvulling op situatie kiezen) Test had goede betrouwbaarheid (+0. Recognition of the mental state of the speaker (welke emotie wordt uitgedrukt?) 3. Komt meer overeen met persoonlijkheidsvragenlijsten. Emoties regelen om de persoonlijke groei te bevorderen Tweede werkwijze.37.4 Sociale en emotionele intelligentie Componenten van de sociaal-emotionele intelligentie Verschillende visies die slechts gedeeltelijk overlappen (Gardner.

fragiele X-syndroom. Leermogelijkheden (traag. belangrijkste. 50 – 69 licht zwakzinnig 2. Longitudinale studie toont aan dat mensen met een hoog IQ op 11-jarige leeftijd. 12. weinig initiatief. onbekende oorzaak (46%). Hoogbegaafde kinderen Mensen met een hoge IQ-score > 137 is 1% of uitzonderlijke talenten op een van de intelligenties van Gardner.2. De vraag is dus wat de toegevoegde waarde van deze testen is. Ook ongunstige omgevingsfactoren kunnen een kind met minder aanleg omlaag duwen. alcoholgebruik. Wel is het zo dat iemand die hoog scoort op IQ-testen. 20-34 ernstig zwakzinnig 4.5 Abnormale intelligentie Zwakkzinnigheid IQ < 70 en een slecht aanpassingsvermogen wordt zwakzinnigheid genoemd. recessieve geslachtschromosoomgebonden aandoening. bij man 1 Xchromosoom (komt dus vaker voor bij mannen). 1. Daarnaast ook omgevingsfactoren. Syndroom van Down. vaak ook hoog scoort op de sociaalemotionele testen. 35 – 49 matig zwakzinnig 3. niet kunnen plannen) 3. slechte coördinatie) 2. moeizaam. infectie. verwonding. 1. Motorische ontwikkeling (laat lopen. Mensen kunnen daardoor beter omgaan met bepaalde situaties. 3 chromosomen van het 21ste paar ipv 2 2. Emotional Intelligence Scale (EIS) Schutte (1998) Er bestaat onderling weinig congruente validiteit tussen de verschillende testen. < 20 diep zwakzinnig Zwakzinnigheid kan zich uiten op verschillende ontwikkelingsgebieden. grote overeenkomst met praktische intelligentie.  leven langer  hebben een grotere levenskwaliteit  hebben meer kans om een beroep met een hoge status uit te oefenen 58 . Communicatie (oppervlakkig. COTAN adviseert groep als volgt in te delen. Het leren van sociale vaardigheden Situatiespecifiek trainen heeft effect. allebei de X-chromosomen van een vrouw moet de afwijking hebben. moeite te voldoen aan normale sociale eisen) Chromosomale oorzaken 1.

Biologisch (dan meer geloof in medicijnen) of verworven op basis van een leerproces 13. Freud (1856-1939) is grondlegger van de psychoanalyse. 3. Datgene waar we aan denken. Datgene wat niet zondermeer toegankelijk is voor de mens. Mentale activiteiten van de mens bevatten 3 niveaus. een deel komt voor bij een bepaalde groep en een deel per individu. minder als ze vrouw zijn  niet meer tevreden over hun leven dan mensen met een laag IQ Convergent denken treedt op bij vragen die slechts één juist antwoord hebben Divergent denken treedt op bij vragen waarop veel antwoorden mogelijk zijn (creativiteit en hoogbegaafdheid houdt wel enig verband hiermee. 2. Deel is menselijk. Concentreren op huidige functioneren of verleden 3. Persoonlijkheidspsychologie studie van persoonlijkheidskenmerken. Hoofdstuk 13 De persoonlijkheid Persoonlijkheid de verzameling van stabiele kenmerken (in de tijd en per situatie) die het gedrag. 1. levensdrift. Interactie volgen voort uit drie persoonlijkheden. 2. komen minder in de psychiatrie terecht  hebben meer kans om getrouwd te zijn als ze man zijn. maar toch niet zoveel als men aanvankelijk gehoopt had). Moet het gaan over wat mensen gemeenschappelijk hebben of wat hen van elkaar onderscheidt. Es en Über-ich. Gedragingen bepaald door stabiele kenmerken of door omstandigheden waarin de persoon zich bevindt 4. de gedachten en gevoelens van een individu bepalen. 2. 1. Ich. doodsdrift. Visies persoonlijkheidstheorieën verschillen op vier fundamentele punten van elkaar. Lustprincipe spanning verminderd als aan de drift is voldaan. Voorbewuste. Eros. 1. maar wat wel makkelijk herinnerd kan worden. Volledig in het onbewuste. gericht op onmiddellijke voldoening van behoeften. Het bewuste. Es. 59 . Zorgt ervoor dat er op een doeltreffende manier met de realiteit en lust wordt omgegaan = realiteitsprincipe. Thantanos. Onbewuste. Grondgedachte was dat mensen zich meestal niet bewust zijn van de echte redenen van hun gedrag.1 Drie klassieke visies op de persoonlijkheid Psychoanalyse Zowel persoonlijkheidstheorie als persoonlijkheidstherapie. Datgene waar we niet aan denken. Hier zitten seksuele en agressieve driften die een biologische oorsprong hebben. Onderhandelaar tussen realiteit. Deze driften moeten een uitweg vinden.

4 jaar. meer culturele en filosofische waarde. Fixatie veroorzaakt eetgedrag. Zelfactualisatie leidt ertoe dat mensen gedifferentieerder. overdreven netjes of juist rebellerend. orthodox-protestantse en hardwerkende ouders. Omgang met kinderen uit de buurt werd ontmoedigd. omdat de krachten die de persoonlijkheid bepalen niet toegankelijk zijn voor het bewuste. Wel droomanalyse. Orale fase. Eerste 18 maanden. Het zelf ontstaat bij kinderen. Masturbatie. op alles willen zuigen. Ernstige frustratie kan regressie naar de vorige fase bewerkstelligen. Mensen leven in een subjectieve wereld die enkel door henzelf volledig gekend kan worden = fenomenologische realiteit. Genitale fase. Indien het hierbij gefrustreerd raakt volgt fixatie op dat lichaamsdeel. Onderschatting van biologische bijdrage tot de persoonlijkheid 60 . Mensen hebben ook zelfwaardering nodig = een positief beeld over zichzelf. Hij las veel en studeerde af als klinische en ontwikkelingspsycholoog. Fixatie geeft oedipuscomplex of elektracomplex 4. Als er een kloof ontstaat tussen actuele zelf en ideale zelf dan lijdt de persoon. Houd zich bezig met idealen (ich-ideaal) en goed en fout (het geweten). 2 types anale persoonlijkheid. Humanistische psychologie Rogers (1902-1987). Verstrengeling van lust en affectie. Persoonlijkheidsvragenlijsten en interviews leveren volgens de psychoanalyse weinig op. Mensen hebben positieve aanvaarding nodig = warmte. om te groeien naar een volledige realisatie van de aangeboren capaciteiten. Latentiefase. Verliezen interesse van seksualiteit. 3. Kanttekeningen bij humanistische benadering. 1. Opgaan in kinderen van hetzelfde geslacht. roken. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor de psychoanalyse. In de opvoeding krijgen kinderen waarderingscondities mee = regels over wat wel en wat niet gedaan kan worden. De persoonlijkheid maakt een aantal psychoseksuele ontwikkelingen door waarbij elke fase zich op een bepaald lichaamszone richt die de sterkste sensaties produceert. welgestelde. zorg en liefde van mensen die belangrijk zijn in hun leven. zich te actualiseren en te verbeteren. Destructieve acties zijn gevolg van een incongruentie tussen het ware zelf en het zelf dat geconstrueerd werd onder invloed van ongunstige condities.. gericht op controle van impulsen. 2. Als alles goed gaat in staat om rol van volwassene op zich te nemen. 6 jaar.3. nagelbijten. 1. Had moeite met Freuds negatieve kijk op menselijk bestaan. Fallische fase. Über-ich. onafhankelijker en sociaal verantwoordelijker worden naarmate ze groeien. Pubertijd. 5. Anale fase. Zindelijkheidstraining. overmatig praten. vrije associatie en projectieve persoonlijkheidstests (inkstvlekken van Rorschach en the Thematic Apperception Test = verhalen vertellen bij ambigue platen). Hij ging uit van een positieve kracht = zelfactualisatie = neiging van een organisme om zichzelf in stand te houden.

1. omgeving.2 Het meten van persoonlijkheidsverschillen en de trekbenadering Een voorloper: theorieën over persoonlijkheidstypes Theorie over persoonlijkheidstypes gaat uit van de gedachte dat mensen in een aantal categorieën verdeeld kunnen worden volgens een alles-of-niets principe. gedragingen van de persoon. Deze theorieën hebben persoonlijkheidspsychologen toch laten vallen (gebeurd wel voor persoonlijkheidsstoornissen). Interne versus Externe Locus of Control = zelf invloed hebben op de situatie of het gevoel hebben dat dingen je overkomen. Visies van behaviorisme en cognitieve benadering is te simplistisch gebleken. 13. dan zal de manier waarop je naar iemand kijkt hierdoor bepaalt worden. flegmatiek = slijm = koel en afstandelijk. astenisch = tenger = meest normaal (bij onderzoek 61 . sanguinisch = gele gal = snel woedend. verliefd op boeken = schizofrenie. sensitief. Bandura en Mischel sociaal cognitieve theorie er bestaan voortdurende interacties tussen a. Pyknisch = kort en dik = vriendelijk. opgewekt. Rotter wees op het belang waarop mensen tegen bepaalde situaties aankijken. Deze gedachte stemt overeen met ons dagelijks taalgebruik. (Kretschmer 1921). Bijv. cholerisch = warm bloed = opgewekt. Drie typologieën. Mensen zijn geen tabula rasa. Veel menselijke cognities komen tot stand via klassieke conditionering. operante conditionering en observerend leren. Kelly wees op het belang waarop mensen de werkelijkheid percipiëren. sluit beter aan bij individualistische cultuur dan groepscultuur.2. bijv. categoriseer je de mensen hoofdzakelijk via intelligent/ dom. Chinese mensen bepalen hun zelfbeeld aan de hand van relaties die ze met andere mensen hebben Behaviorisme en cognitieve psychologie Mensen ontstaan vanuit een tabula rasa = onbeschreven blad en zijn het resultaat van een unieke conditioneringgeschiedenis. er bestaan persoonlijkheidsverschillen. vier temperamenten (Hippocrates en Galenus). dat is een vriendelijk persoon. atletisch = gespierd = verlegen. b. cognities en eigenschappen van de persoon en c. afhankelijk van de vraag of ze bepaalde kenmerken wel of niet bezitten. In de praktijk blijken deze technieken slechts te werken voor eenvoudige en geïsoleerde fobieën. manisch depressief. Bovendien ervaren cliënten gedachten en gevoelens juist als oorzaak en niet als bijkomstig probleem. Persoonlijkheidsproblemen dienen behandeld te worden door verkeerde gedragingen te vervangen door betere. melancholiek = zwarte gal = snel gedeprimeerd. 2. We bekijken onszelf via dichotome persoonlijke constructies = bijv. Persoonlijkheidstypes gebaseerd op lichaamsbouw verband tussen lichaamsbouw en persoonlijkheid is biologisch bepaald.

altruïsme. Op basis van factoranalyse en beoordelingen van adjectieven dmv cijfers (bijv. extraversie. Een trek bestaat in de meeste theorieën uit een continuüm tussen twee tegenovergestelde eigenschappen. dan 500 woorden. IDWP. zonder tegenpool. pyknisch meer oplichterij). 1 helemaal niet van toepassing – 10 helemaal van toepassing) door proefpersonen beoordelen in hoeverre adjectieven met elkaar correleren. Allport (1887 – 1967). Impliciete persoonlijkheidstheorie baseert zich vooral op uiterlijk van een persoon. dik zijn. 8 persoonlijkheidstypes van Jung Combinatie van 2 oriëntaties van de psyche = intravert of extravert en 4 manieren van informatieverwerking = gewaarworden. stabiele persoonseigenschap die het gedrag. de gedachten en de gevoelens van een persoon in uiteenlopende situaties beïnvloedt. Synoniemen en zeldzame woorden weglatend. sociaal en lichamelijk geïnhibreerd. voelen. Allport. denken. Eén van de eerste persoonlijkheidstests is hierop gebaseerd = Myers-Briggs Type Indicator (MTBI). Hij kwam tot introvert – extravert en neurotisch – emotioneel stabiel. 13. Eysenck (1916 – 1997).misdadigers meer atletisch. Eysenck Persoonlijkheidstrek is een hypothetische. intuïtie vs waarnemen. ectomorf = botten = knokig = interne gevoelens. dmv onderliggende structuur in adjectieven te vinden wilde hij komen tot een beperkt aantal centrale trekken. (Sheldon 1941) Endomorf = ingewanden = rond = laconiek. Cattell. intuïtief aanvoelen. Woordenboek bevat 18. Hij kwam tot 16 centrale bipolaire trekken. asthenisch meer kleine diefstallen. denken vs voelen. Om deze te meten ontwikkelde hij Eysenck Personality Questionnaire (EPQ).3 Huidig onderzoek naar persoonlijkheidsverschillen 62 . De Grote Vijf (Big Five) Door meer factoranalyses op persoonlijkheidstests kwamen onderzoekers tot 5 centrale trekken. 3.000 woorden die gebruikt kunnen worden om mensen te beschrijven. Meest gebruikte vragenlijksten zijn NEO-PI-R en Five-Factor Personality Inventory (FFPI). oordelen vs percipiëren. moet je compenseren met vriendelijkheid). Eysenck een minimum aantal trekken. Catell (1905-1998). daardoor gedragen mensen zich anders (bijv. Aan het eind van de test krijg je een lettercode die hiernaar verwijst bijv. 50% (dus de helft van de personen zou elke maand veranderen van persoonlijkheidstype). Gaat uit van 16 persoonlijkheidstypes gebaseerd op 4 dichotomieën = extravert vs introvert. Het ene uiterlijk maakt een betere indruk dan het andere. consciëntieusheid. Om deze te meten ontwierp hij Sixteen Personality Factor Questionnaire (16PF). mesomorf = spieren = gespierd = avontuurlijk. Catell probeerde een zo volledig mogelijke beschrijving te geven. Betrouwbaarheid met tussentijd van 5 weken is ca. Later ook nog psychotisme. emotionele stabiliteit en openheid voor ervaringen.

Een voorbeeld van een goede test is het invullen van EPQ (Eysink Personality Questionnaire) en meten hoe snel dit gaat. Hoeveel kijk je tv? Hoogste antwoord is 2. onderdanig.Hoe kunnen we persoonlijkheidstrekken het best meten? 1. als je denkt dat iemand die vriendelijk is ook ontspannen is. impulsievere mensen reageren sneller (ook als ze zich inbeelden dit te zijn. hypothese. Openheid voor ervaringen neemt bij zowel mannen als vrouwen af (dit is de enige waarop mannen hoger scoren). een gezin) of dat de veranderende persoonlijkheid (biologisch) ervoor zorgt dat je een andere omgeving creëert (bijv. Omgeving heeft nagenoeg geen invloed. Welke rol speelt de biologie bij persoonlijkheidstrekken? Persoonlijkheidstrekken vooral genetisch bepaald. actief. voor een extraverte persoon is het gemakkelijker om met dezelfde hand te reageren bij ik. Bijv. Goede normering bij vragenlijsten is belangrijk omdat mensen veranderen of dat ze meer openheid durven te geven (bijv. beurshandelaar).5 uur (lijkt veel) en meer of laagste antwoord is 2. Moeilijk om betrouwbare en valide tests te ontwerpen. Bijv. zo kun je testen hoe sterk de antwoorden beïnvloed worden door oneerlijkheid. Hoe stabiel zijn persoonlijkheidstrekken? Tussen leeftijd en persoonlijkheidsveranderingen bestaat een correlatieverband. (groot voorstander was Catell). Antwoorden zijn tevens afhankelijk van hoe de vraag wordt gesteld. Meet automatische niet-bewuste cognities van proefpersonen. 2. Onduidelijk is of de omstandigheden zorgen voor een andere persoonlijkheid (bijv. Het uitvoeren van een taak waarvan verwacht wordt dat individuen met een uiteenlopende persoonlijkheid er anders op zullen reageren. emotionele en gedragsmatige reacties op stimuli = als-dan-relaties (overtuigingen). Opvoeding heeft in het overig deel wel een groot aandeel.5 uur en minder (lijkt weinig). optimistisch terwijl bij een introverte persoon gemakkelijker is om met dezelfde hand te drukken bij ‘ik. 3. Persoonlijkheidstrekken vormen echter slechts een deel van de persoonlijkheidsverschillen. Om dit te ondervangen bevatten veel persoonlijkheidsvragenlijsten een leugenschaal. Goede betrouwbaarheid (behalve MBTI). Extraversie blijft gelijk. Hypothese. houd jij je altijd aan je gemaakte beloften? Eerlijke mensen zullen eerder nee antwoorden. dan hogere scores op deze alternatieven bij een extraverte persoon dan introverte persoon. bijv. Zowel trekbenadering 63 . maar lage validiteit ivm sociaal wenselijke antwoorden. mijn’ en ‘teruggetrokken. mijn en zelfverzekerd. rustig’. die tot uiting komen in hun cognitieve. mij. Ook door een groep mensen die graag de baan zou willen hebben een test laten invullen. angst is bespreekbaar). 40-50% van de interindividuele verschillen kunnen worden toegeschreven aan genetische factoren. Vragenlijsten en beoordelingsschalen. Impliciete tests. Vragenlijsten worden beïnvloed door impliciete persoonlijkheidstheorie. Objectieve tests. mij. Mensen worden consciëntieuzer en vriendelijker en bij vrouwen neemt neuroticisme af. de wil om een gezin te stichten). Wat is het relatieve belang van trekken en als-dan-relaties? Sociaal-cognitieve theorie verschillen tussen personen worden vooral bepaald door verschillen in hun leergeschiedenis. Meest onderzochte is impliciete associatietest (IAT).

zonderlinge en excentrieke gedragingen. die gegroepeerd zijn in 3 clusters (a. Andere vragenlijsten. Voorbeeld als-dan relaties. Niet conformeren aan maatschappelijke norm b. Geen mentale stoornis (kan wel samengaan). theatrale en emotionele gedragingen. Aanwijzingen van een gedragsstoornis beginnend voor het 15e jaar 4.als deze benadering bevat een deel van de waarheid. Niet nakomen van verplichtingen g. likken naar boven en trappen naar beneden = slijmbaleffect. a.  VPK (Kenmerken van de Persoonlijkheid)  MMPI-2 (Minnesota Multiphasic Personality Inventory-2nd edition) 556 vragen met waar of niet waar antwoorden De antisociale persoonlijkheidsstoornis Diagnosecriteria. Onverschilligheid of roekeloosheid f. Dit leidt toch nog tot een successcore van 65% ipv 50% (toeval).30. Diepgaand patroon van gebrek en achting voor en schending van rechten van anderen sinds het 15e jaar blijkend uit tenminste 3 van de 7 kenmerken. Correlatie tussen persoonlijkheidstrekken en het gedrag dat men wil voorspellen is zelden hoger dan +0. angstig en bezorgd gedrag. Impulsiviteit of onvermogen vooruit te plannen d. Huidige leeftijd tenminste 18 jaar 3. b. + niet anders omschreven). Geen spijtgevoelens hebben 2. 13.4 Persoonlijkheidsstoornissen Persoonlijkheidsstoornis duurzaam patroon (start vanaf vroege leeftijd) van innerlijke ervaringen en gedragingen die binnen de cultuur van de betrokkene afwijken van de verwachtingen en daardoor interfereren met het functioneren van die persoon. Onderzoek vooral binnen psychiatrie. Persoonlijkheidsstoornissen diagnosticeren Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM IV) 10 beschreven persoonlijkheidsstoornissen. Prikkelbaarheid of agressiviteit e. Prevalentie en oorzaken  2 tot 3 keer zovaak bij mannen als vrouwen 64 . c. waardoor slachtoffers zich aanvankelijk van geen kwaad bewust zijn. Oneerlijkheid c. 1. Antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor tijdens episodes van schizofrenie of manie Een aantal van deze mensen kunnen aanvankelijk een innemende indruk maken.

Chronisch gevoel van leegte 8. Slecht functionerend gen en opgroeien in goed milieu wekt nagenoeg geen antisociaal gedrag in de hand. seksualiteit. VS 3 tot 4%)  symptomen lijken milder te worden na de leeftijd van 45 jaar  resultaat van genetische kwetsbaarheid in combinatie met ongunstige milieu-invloeden  slecht functionerend gen op X-chromosoom dat nodig is om monoamine oxidase A (MAOA) aan te maken. Inadequate. beginnend in vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties.  Andere categorie van anti-sociale persoonlijkheden zijn psychopaten. Voorbijgaande. De borderline persoonlijkheidsstoornis Naam verwijst naar grensgeval (border) tussen neurose (angst. zelfbeeld en emoties en duidelijke impulsiviteit. geslachtsverschil of zoeken vrouwen eerder om hulp)  frequent tegen in klinische praktijk met name spoeddiensten door zelfverwonding en zelfmoordpogingen en geestelijke gezondheidscentra. maar niet voelen door laag reactiviteitgehalte in het autonome zenuwstelsel). afwezigheid van schuldgevoelens. 75-80% is vrouw (onduidelijkheid oorzaak. Sterk wisselende stemmingen als reactie op gebeurtenissen 7. (15% van de gevangenispopulatie). roekeloos gedrag) 5. aan stress gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve verschijnselen Gaat vaak samen met andere mentale stoornis en verzwaart dus problematiek. Prevalentie en oorzaken van de stoornis  0. overmatig idealiseren en kleineren (zwartwit denken) 3. serotonine en dopamine wegwerkt. Impulsiviteit met negatieve gevolgen voor zichzelf op tenminste 2 gebieden (geldverspilling. wisselend zelfbeeld of zelfgevoel 4. maar nog altijd realiteitsgevoel) en psychose (ernstige wanen en verwarring). komt meer voor in moderne samenlevingen zonder duidelijk sociale normen (Japan 1%. noradrenaline.  Meer dan 60% van de gevangenisbevolking voldoet aan de criteria van DSM IV. voorkomt agressiviteit. intense woede of moeite boosheid te beheersen 9. Nederland. Instabiele en intense relaties met anderen. seksueel misbruik). manipulatie van anderen voor eigen gewin en een sterk opgeblazen gevoel van eigenwaarde = emotioneel kleurenblind (wel begrijpen. vreetbuien. Terugkerend patroon tot zelfdoding of zelfverwonding 6.  Meer kans om alcohol of andere middelen te misbruiken. verminderd vermogen tot waarnemen van angst en schrik disfunctie van amygdala) aan te tonen door schokparadigma = startle paradigm meten ogen knipperen door sterk lawaai te horen. Krampachtig voorkomen in de steek gelaten te worden. 65 . Identiteitsstoornis. stof die teveel aan neurotransmitters.  Erfelijk (50%) en ongunstige opvoedingsomstandigheden (bijv. 2.7-1% van de bevolking. Agressief narcisme. 1. Diagnosecriteria DSM IV Diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties. middelengebruik.Voldoen aan tenminste 5 van de 9 criteria.

Sociaal perspectief wijst erop dat de definitie van abnormaliteit cultuurafhankelijk is en dus kan veranderen. Een grote afwijking van het gemiddelde volgens statisch criterium wordt iemand als abnormaal beschouwd wanneer hij/ zij lager/ hoger scoort dan twee standaarddeviaties onder/ boven het gemiddelde. Bijv. Biologisch perspectief. 4. Hoofdstuk 14 Psychopathologie 14. 3. Bijv. Het overtreden van een sociale norm. sommige soldaten vertonen post-traumatische stressstoornis en anderen niet. Wordt behandeld met medicijnen en uitzonderingen met hersenchirurgie. 50 jaar 90% normaal bestaan. Bijv. de totstandkoming en de mogelijke behandeling en preventie van mentale stoornissen. 66 . 2. Sociaal perspectief.1 Wat zijn mentale stoornissen? Mentale stoornis = mental disorder betreft een patroon van gedachten. Charcot ontdekte dat dmv hypnose een verlamming teweeg kon worden gebracht of juist opgeheven. Psychologisch perspectief. Drie criteria om mentale stoornissen te definiëren Drie criteria om een mentale stoornis te definiëren (niet waterdicht). Bijv. experiment Rosenhan. Persoonlijk lijden. homoseksualiteit werd tot 1970 als stoornis beschouwd. Psychopathologie dat deel van de wetenschap dat zich bezighoudt met de aard. 10% is vroegtijdig overleden. 1. 2. Mensen reageren anders op mensen als ze weten dat deze aan een mentale stoornis leidt. 35-40 jaar 75% normaal bestaan. Diathese-stress-model. Volgens persoonlijk criterium staat abnormaliteit gelijk met wanneer een persoon chronisch lijdt of wanneer een gedrag door de persoon zelf als nutteloos of schadelijk ervaren wordt. On being sane in insane places. Abnormaal gedrag is niets anders dan gedrag dat zich niet houdt aan de regels en de criteria van de maatschappij. Symptomen verzachten met de tijd. Volgens sociaal criterium staat abnormaal gedrag gelijk met gedrag dat afwijkt van een maatschappelijke norm. gedachte dat hysterie resultaat was van een aangeboren zwak neurologisch systeem. gedachte dat hysterie te wijten was aan een losgeslagen baarmoeder (hustera = baarmoeder in Grieks) Lichamelijke disfuncties zijn de oorsprong van mentale stoornissen. Factoren die een rol spelen bij mentale stoornissen 1. meestal door geslaagde zelfdoding. De kans dat iemand een mentale stoornis vertoont wordt bepaald door de kwetsbaarheid (diathese) van de persoon en de mate van stress in de omgeving. 3. Bijv. gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk lijden en een significante daling in het sociale en arbeidsgerelateerde functioneren. epilepsie is het gevolg van neuronen in de hersenen die ongecontroleerd beginnen te vuren en hierdoor andere neuronen aanzetten om eveneens te vuren. Bijv.

taalbegrip)  Ontbreken van symbolisch spel  Behoefte aan structuur. Kritieken op de DSM  Benadert vanuit medisch model. Een algemene beoordeling van het functioneren van het individu op het moment van afname en gedurende het voorbije jaar (van 1 = volledig disfunctioneren – 100 = superieur functioneren). motorische 67 .2 Stoornissen in de kinderleeftijd Als men alle symptomen van de DSM afloopt. de gedachten van anderen niet of onvoldoende kunnen lezen  Problemen met communicatie in taal (spreken. Geeft aan om welke klinische stoornis het gaat 2. wordt de categorie pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven gebruikt. Grotendeels erfelijk bepaald. Lichamelijke symptomen en klachten. Het syndroom van Asperger Onderscheid met autisme door ontbreken van een klinisch significante beperking in taal en het cognitieve vermogen. onzekerheid wetenschappelijke status van de stoornis  Gaat om typologieën. Diagnose aan normaal tot hoogbegaafde kinderen met autistische symptomen. 5.  Enkel beschrijvend zonder theoretische basis voor de categorieën. 3. Opvallend kenmerk is houterigheid.  Problemen in de sociale interactie. 0. 4.2% van de bevolking.2% van de bevolking. Geen ruimte voor grensgevallen.5. Bezetenheid van de geest. fobieën als overmatige angst voor de tandarts vallen hieronder). 1. maar wel voldoende vertonen om van een stoornis te spreken. dan blijkt één op de drie kinderen tussn 4 en 18 jaar een stoornis te vertonen (ook bijv.5% is het wel problematisch genoeg om professionele hulp te zoeken. verklaard kunnen worden vanuit psychische processen. Vier kenmerken vormen de kern van het syndroom volgens de DSM-IV. moeite met theorie of mind. ziekte die in principe medisch-biologisch behandeld moet worden. rigide interactiepatronen die het leven en de sociale interacties van een persoon belasten. De DSM De DSM-IV gebruikt vijf assen of dimensies om een diagnose te stellen. Bij 3. Mentale stoornissen classficeren. Psychosociale en omgevingsgerelateerde stressfactoren. 0. 14. Autisme Vast te stellen op de leeftijd van anderhalf jaar.  Onderscheid tussen As 1 en 2 niet altijd duidelijk. ca. Beschrijft stabiele. Demonologische perspectief. 0. herhaling en vaste ritmen Als kinderen niet voldoen aan alle kenmerken.05% van de bevolking. De psychologie volgt dit perspectief niet omdat men ervan overtuigd is dat de effecten die aan geesten toegeschreven worden.

die elk gedurende 1 maand voor een belangrijk deel van de tijd moeten aanwezig zijn. Afhankelijkheid wordt gedefinieerd als misbruik dat gepaard gaat met minstens drie van de volgende kenmerken. Soms extreme feitenkennis. een persoon is in werkelijkheid iemand anders b. 40% van de psychiatriepatiënten  iets meer mannen dan vrouwen (1. wanen een overtuiging die wordt gehandhaafd ondanks argumenten en evidentie die normalerwijze voldoende zou moeten zijn om haar te weerleggen. 14.3)  bij vrouwen ontstaat tussen 25-35 jaar en bij mannen tussen 15 – 25 jaar DSM IV. Hierdoor problemen om netjes te eten en zich verzorgd te kleden. hoe minder reactie op alcohol hoe groter kans op afhankelijkheid 1/3  Omstandigheden waarin iemand opgroeit 1/3  Psychologisch. bijv. Voortgezet drinken veroorzaakt traagheid. Vaak voorkeur voor wetenschapsjargon die niet bij hun leeftijd past.  Alcohol werkt enerzijds als kalmeringsmiddel. capgraswaan. 1. anderzijds onderdrukt inhibitorische centra waardoor de vitaliteit toeneemt.4 Psychotische stoornissen Schizofrenie  1% van de bevolking.7% van de mannen en 1. verlies van bewustzijn. langer gebruik van het middel dan men van plan was 4. in bepaalde omgeving meer zin krijgen. leerprocessen (stoer zijn). Alcoholisme is laag bij groepen waar het verboden is alcohol te gebruiken. De overtuiging dat normale voorwerpen of gedragingen van andere personen een bijzondere betekenis hebben en relevant zijn voor de patiënt (meestal in negatieve zin).3 Aan een middel gebonden stoornissen Wanneer een persoon een psychoactief middel gebruikt waaronder de eigen gezondheid.ontwikkeling is trager en blijft bijna altijd stuntelig. besteden van een groot deel van de tijd om aan het middel te komen 6. 14. weinig succesvolle pogingen om het gebruik in de hand te houden 5. verkeerde identificatie of verkeerde interpretatie van sociale situaties (73%). Betrekkingswaan (63%). tolerantie voor het middel 2. 6. dan heeft die persoon een aan een middel geboden stoornis. a. 1. de sociale relaties en/ of het werk beginnen te lijden. ontwenningsverschijnselen bij afwezigheid van het middel 3. uiteindelijk de dood  Evidentie voor erfelijkheid. conditionering. geheime boodschappen in een boek 68 .3% van de vrouwen. 2 of meer symptomen. slaap. Moeite met figuurlijke taal en moppen. voorzetten van het gebruik ondanks de wetenschap dat het leidt tot problemen Alcoholmisbruik en –afhankelijkheid  4% van de volwassen bevolking ontwikkelt alcoholafhankelijkheid.

handelt of voelt. onsamenhangende spraak. Beïnvloedingswaan (50%). Psychische factoren Psychologisch onderzoek richt zich op de manier waarop men de patiënt en de familie kan helpen hiermee om te gaan. reageert minder goed op antipsychotische middelen. overtuiging dat eigen gedachten duidelijk te horen en te volgen zijn. onnozelheid. affectvervlakking).2. Ongedifferentieerde type snel veranderende mix van belangrijkste symptomen van schizofrenie 3. ongewone houding. horen van stemmen. De overtuiging dat gedachten uitgezonden worden (22%). maar gecontroleerd wordt door een instantie van buitenaf (bijv. Katatone type afwisseling van extreme agitatie en verregaande teruggetrokkenheid. Gaan gepaard met abnormale activiteit in het limbische systeem en reageren doorgaans goed op antipsychotische middelen. e. 2. Bijv. c. hallucinaties perceptuele ervaringen zonder bijbehorende fysische stimulus. 1. negatieve symptomen eerder te weinig gevoeligheid voor dopamine. Bovenstaande vaak onderdeel van algemenere achtervolgingswaan. ongepast gelach. wat er gezegd wordt heeft geen betekenis en sluit niet aan op het gesprek. Problemen met gevoelsuiting (bijv. patiënt is ervan overtuigd iemand belangrijks te zijn. overtuiging dat andere mensen deel kunnen nemen aan gedachten van patiënt. 1. samenzwering. Dopaminebanen actief bij limbische systeem (emoties). Gedesorganiseerde type vaak op jonge leeftijd. Grootheidswaan. 2. obscene en bizarre gebaren 5. hallucinaties. bewegingsarmoede. lange tijd zwijgen) gedrag vervlakking van affect. 69 . vooral abnormale activiteit in frontale lobben. Resttype lichtere indicaties van schizofrenie Oorzaken van schizofrenie Biologische factoren  erfelijkheid (50% als beide ouders het hebben)  geneesmiddelen werken  klassieke dopaminehypothese schizofreniepatiënten lijden ofwel aan te hoge concentraties dopamine ofwel extreem hoge gevoeligheid voor dopamine. De overtuiging dat men niet meer uit vrije wil denkt. armoede van spraak en gedachten. 4. doelloos geagiteerd bewegen. 3. ernstig chaotisch of katatoon (bewegingsloos. vreemd wezen in hersenen) d. f. apathie. 5. Paranoïde type wanen en hallucinaties 4. Negatieve symptomen ontbreekt iets aan normaal functioneren. Soms gepaard met wanen. emotionele verwarring en afvlakking. Types van schizofrenie In DSM IV vijf subtypes. frontale cortex (controleren van gedragingen) en subcorticale systemen (vlotte uitvoering van bewegingen). emotieloos Positieve symptomen iets wordt aan het normale functioneren toegevoegd (bijv. wanen en geagiteerde bewegingen). Dit lijkt vooral op te gaan voor positieve symptomen.

vijf of meer van de symptomen zijn binnen een periode van 2 weken aanwezig geweest. komt meer voor in prestatiegerichte culturen (Westerse culturen)  Nu minder religieuze wanen dan 50 jaar geleden.  Expressed emotion omgangsvorm waarbij enerzijds de leden van het gezin sterk begaan zijn met de betrokkene en overbezorgd. gevoelens van waardeloosheid 8.5 Stemmingsstoornissen Een stemming is een emotionele toestand die tamelijk lang duurt (uren tot maanden). 1 of 2 moet aanwezig zijn. studenten Oorzaken depressie Biologische factoren  Erfelijk  Activiteit van neuronen die via serotonine met elkaar communiceren is verlaagd (medicatie kan serotonine-heropname inhibitoren wordt ook voorschreven bij bijv. 1. onvermogen tot concentratie of besluiteloosheid 9. transculturele psychiatrie 14. duidelijke vermindering van interesse of plezier grootste deel van de dag 3. Bipolaire stoornis Een opeenvolging van een of meerdere manische (toestand van intense en onrealistische gevoelens van opwinding en euforie) en depressieve episodes. uit de echt gescheiden moeders 4. 1. anderzijds hyperkritisch en wrokkig (denken dat patiënten zelf een behoorlijke mate van controle hebben over de symptomen). depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag 2. psychomotorische agitatie of remming 6. DSM IV.Sociale factoren  Stressfactoren vergroten de kans op ontwikkelen of weer terugkomen van schizofrenie.. Stemmingsstoornissen ernstige verstoringen in de stemming die leiden tot buitensporige neerslachtigheid of opgetogenheid. gewichtsverandering 4. meetal minder intens is dan een emotie en niet gericht op een bepaalde stimulus. zich isolerende mannen 2. terugkerende gedachten aan de dood of suïcide Grote risicogroepen. verandering in slaappatroon 5. Depressieve stoornis Ervaring van somberheid en neerslachtigheid. 70 . werklozen 3. Dus wanen per cultuur verschillend. moeheid of verlies aan energie 7.

Door het verklaren van een situatie dmv attributies. eetstoornissen). verminderd vermogen om plezier te hebben). Mannen vertonen eerder ontsnappingsgedrag. spinnen. Vaak groot verantwoordelijkheidsgevoel en neiging tot catastrofaal denken. leerpsychologie. geen zeggenschap)  Al dan niet hebben van een ondersteunende partner.6 Angststoornissen Angststoornis is een ernstige en aanhoudende vorm van angst zonder een realistische aanleiding. intern/ extern. vooral meer jongeren 14. ook objectieve verschillen van mate van stress. Psychische factoren  Freud. globaal/ specifiek (situatie). depressie is gevolg van negatieve gedachten. Sociale factoren  Depressie ontstaat meestal als reactie op stresserende gebeurtenis (65% heeft ingrijpende levensverandering meegemaakt)  Ook veel personen door alledaagse irritaties. gevolg van ervaren van gebrek aan bekrachtiging. hoogtes). familieleden. Ook verlaagde noradrenaline activiteit (vertraagde bewegingen. ongeval). stabiel/ veranderbaar (altijd?). aangeboren hulpeloosheid. bekrachtiging (negatief = vermijding en positief = aandacht)  Sociale fobie algemene angst om negatief beoordeeld te worden en in verlegenheid gebracht te worden in een veelheid van sociale situaties. waarbij de agressie zich naar binnen richt  Lewinshohn. Fobieën  Specifieke fobieën zijn intense angstreacties op voorwerpen of activiteiten waarvan het gevaar niet in verhouding staat tot de hevigheid van de reactie. ongezond = bijv. depressieve mensen hebben zichzelf geleerd om zichzelf te beschouwen als iemand die geen controle of invloed meer heeft op de gebeurtenissen om zich heen. Veralgemeende angststoornis Overmatige chronische bezorgdheid over een reeks van gebeurtenissen en activiteiten (dus niet op specifiek voorwerp als bij fobieën). 71 . Zorgen over zichzelf. Oorzaken. dmv conditionering (bijv. Interne/ globale/ stabiele attributie verhoogde kans op depressie  Neiging tot piekeren verhoogd de kans op depressie (met name vrouwen). sporten. gezond = bijv. die voortkomen uit negatieve schema’s opgedaan door negatieve ervaringen  Seligman. drinken. geen relatie of relatieproblemen verhoogt de kans op depressie  Al dan niet hebben van werk (vooral bij jongeren)  Depressieve klachten nemen toe in de tweede helft van de 20e eeuw. waardoor men zich nog meer gaat terugtrekken  Beck. cognities.angststoornissen. depressie is gevolg van een ingebeeld of symbolisch verlies. toekomst. Gedeelte irritatie is de manier waarop een persoon situaties percipieert en op reageert (psychisch). etc. observerend leren vooral bij biologische predispositie (bijv.  Vrouwen vaker slachtoffer van geweld (seksueel.

Belangrijkste categorieën zijn poetsen en controleren. Conversiestoornis Plots niet meer in staat zijn om een bepaald lichaamsdeel te gebruiken (bijv.Paniekstoornis Onverwachte paniekaanvallen zonder een aanwijsbare oorzaak. Hypochondrie en de ongedifferentieerde somatoforme stoornis Hypochondrie langdurige vrees (minstens 6 maanden) om een ernstige ziekte te hebben. 14. tellen. uitspreken van een gebed. verlies van eetlust of maagdarmproblemen. autorijden. Vrij zeldzaam. smetvrees. in een poging om angst en stress te ontlopen en om levensproblemen het hoofd te bieden die de capaciteiten van de persoon overstijgen. Lijkt op CVS = Chronisch Vermoeidheids Syndroom. 14. gebaseerd op een misinterpretatie van lichamelijke symptomen. Hebben verhoogde kans om voor te komen in stress verhogende situaties (bijv. 2. menigte). Dissociatieve amnesie. Vaak beperkt in de tijd en herstelt nagenoeg volledig. duizeligheid. zonder dat er een lichamelijke toestand is die de ernst van de symptomen kan verklaren. Deze gaan gepaard met dwanghandelingen (compulsies) die de betrokkene meent te moeten uitvoeren om de dwanggedachten te neutraliseren en de gevreesde situatie te voorkomen. Ontstaan. hysterische verlamming. hysterische blindheid). 0. net als bij somatoforme stoornissen. Vaak moeten handelingen een aantal keren in een bepaalde volgorde herhaald worden. Door negatieve bekrachtiging wordt de dwanghandeling in stand gehouden (het onheil blijft uit als de dwanghandeling vertoont is). twijfel of men alles wel juist gedaan heeft. Ongedifferentieerde somatoforme stoornis lichamelijke klachten die vooral gaan over vermoeidheid. fugue en identiteitsstoornis Dissociatieve amnesie is het psychisch (dus niet lichamelijk) onvermogen om belangrijke persoonlijke informatie te herinneren als gevolg van een traumatische of stresserende ervaring. (episodisch geheugen). Bijv. 72 . ongewilde en opdringerige dwanggedachten of dwangbeelden (obsessies). duizeligheid.8 Dissociatieve stoornissen Aandoeningen waarbij er een verstoring voorkomt in het identiteitsgevoel van de persoon. zweten. Uiting van psychische problemen via lichamelijke klachten wordt somatisering genoemd. hierdoor ontwikkelt de betrokkene vaak anticipatorische angst = angst voor deze plaatsen/ situaties en agorafobie thuis blijven omdat ze bang zijn Obsessieve-compulsieve stoornis Terugkerende.7 Somatoforme stoornissen lichamelijke klachten en handicaps worden ervaren zonder aanwijsbare lichamelijke oorzaak. Vaak worden er meerdere uren per dag aan de dwanghandelingen besteed.1% van de bevolking.5% van de bevolking.

hoe hoger de prevalentie/ incidentie. zich niets meer herinneren tot een bepaald punt in het verleden Dissociatieve fugue vergeet (een deel van) de eigen identiteit en trekt weg uit de vertrouwde omgeving en neemt een nieuwe identiteit aan. 1. afzondering en straffen waren dagelijkse kost. continu. gelokaliseerd. Prevalentie en comorbiditeit Cormobiditeit is het feit dat mensen aan meer dan 1 stoornis tegelijk kunnen lijden. Pinel voerde humaner beleid in. Vaak van korte duur. Dit is echter ook zo voor patiënten met lichamelijke amnesie. Gaat het om incidentie (hoeveel nieuwe gevallen) of prevalentie (hoeveel procent van de bevolking? 3. Dissociatieve identiteitsstoornis dissociatie tussen twee of meer persoonlijkheden. De situatie veranderde in de jaren 1950 door geneesmiddelen 73 . 2. helft van de personen voor het eerst op leeftijd jonger dan 15 jaar  Stemmingsstoornissen op 26 jaar  Aan een middel geboden zijn op 21 jaar Hoofdstuk 15 Therapieën 15. 1. selectief 3.1 De behandeling van mentale stoornissen Het ontstaan van gespecialiseerde diensten Tot aan Franse Revolutie werden geesteszieken in gestichten vastgebonden met ketens. zonder bewust te zijn van vroegere leven. volledige levensgeschiedenis vergeten 4.4 types. die op belangrijke trekken van elkaar verschillen en elkaar afwisselen. veralgemeend. Proef. 14. Behandeling bleef echter beperkt. niets meer herinneren uit een bepaalde periode (meestal eerste uren na traumatische gebeurtenis) 2. Over welke periode werd de prevalentie/ incidentie berekend? Hoe langer de periode. Welke definitie van de stoornis werd gehanteerd? Hoe strenger de definitie. Levensprevalentie van mentale stoornissen wordt geschat tussen 25% en 41%. dwangbuizen. De aanvangsleeftijd  Angststoornis.9 De prevalentie van mentale stoornissen Wat betekenen de cijfers? Interpretatie van cijfers. ze zijn wel onderhevig aan proactieve interferentie. in een enkel geval een heel nieuw leven opgebouwd. hoe minder gevallen.

74 . het toepassen van leerprincipes en het gebruik van emotionele expressies of het aanbrengen van veranderingen in de sociale omgeving. 1. spierzwakte. Types van therapeuten 1. Drie groepen. Verslavend. Ook sociale voorzieningen voor preventie en rehabilitatie en revalidatie worden geboden. Selectieve serotonine (5-HT) heropname inhibitoren bijv.ontdekkingen en samenleving begon op een andere manier met patiënten om te gaan. moeten lichamelijke processen veranderd worden. 1. gedachten en gedragingen van een cliënt probeert men te veranderen door middel van gesprekken. hebben minste bijwerkingen. Therapeutische benaderingen Biologische behandelingen gaan uit van een fysiologische of biochemische visie op mentale problemen. 3. Benzodiazepines bijv. Heropname te belemmeren/ bevorderen 3. om gevoelens en gedragingen van een patiënt te veranderen. verhogen aanwezigheid van serotonine in synaptische spleet. zweten en beven.2 Biologische therapiebenaderingen Geneesmiddelentherapie Grijpen in op chemische component van neurale activiteit en verhogen/ verlagen zo effect van neurotransmitter op drie mogelijke manieren. Vaak worden bovenstaande behandelingen gecombineerd. meer initiatieven om patiënten beter te integreren. minder ontwenningsverschijnselen. 1. Psychiater medicus met aanvullende opleiding psychiatrie 2. Aanmaak verhogen of belemmeren 2. Barbituraten worden nog zelden voorgeschreven. vermindert ook hartkloppingen. maatschappelijk werker of sociaal pedagogisch hulpverlener HBO opleiding psychologie of maatschappelijk werk 4. Receptoren gevoeliger maken/ blokkeren Angstdempende middelen onderdrukken activiteit van centrale zenuwstelsel en hebben een kalmerend effect. Vier groepen. sterke ontwenningsverschijnselen 2. Antidepressiva verlichten de symptomen van een depressieve stoornis. Bètablokkers hoge bloeddruk. tegen vliegangst en plankenkoorts 4. voornamelijk door geneesmiddelen. Psychotherapeutische behandelingen de gevoelens. Antidepressiva mensen met angststoornissen reageren hier ook goed op. prozac. seroxat. Onderdrukken angst. veroorzaakt sufheid. Klinische psychologen universitair master diploma psychologie + vaak postuniversitaire opleiding 3. Verpleger psychiatrie HBO verpleegkunde met specialisatie psychiatrie 15. psychologisch assistent. valium.

patiënten werden echter energieker en opgewekter. Gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen vanwege risico’s en neveneffecten. gebruikten dit middel bij operaties omdat het de spierspanning en misselijkheid leek te verminderen en patiënten in betere stemming bracht. belg Paul Jansen 1950). Tricyclische verbindingen Zwitserse arts (1950) probeerde deze uit om slapeloosheid bij psychiatrische patiënten te behandelen. Effectief maar zwaar. 3. Psychochirurgie Chirurgische ingreep om cognitieve en emotionele stoornissen te behandelen. Lichttherapie en psychomotorische therapie Seizoensgebonden stoornis kan worden verholpen door lichttherapie. De doeltreffendheid van de biologische therapieën Placebo-effect is een fysiologische of psychologische respons op een substantie of procedure die geen farmacologische of therapeutische componenten bevat. Bijwerkingen symptomen van Parkinson. Juiste dosis is belangrijk. behandeling voor bipolaire stoornissen. Remmen heropname van serotonine en noradrenaline. dorst. tics. placebogecontroleerde (behandelingen volledig aan elkaar gelijk. vandaar aangepast bewegingsprogramma. kauwen. Psychomotorische therapie te weinig beweging kan een negatief effect hebben op gemoed van persoon. Frankrijk 1940. Elektroconvulsieve therapie (ECT) bestaat uit het toedienen van elektrische stroomstoten in de hersenen. behalve werkzame stof) studie 75 . Monoamine oxidase inhibitoren Ontdekt in Frankrijk (1950) als middel voor tuberculose. Worden weinig gebruikt vanwege bijwerkingen 4. Ook kan tardieve dyskinesie optreden. minder effectief dan ECT. traagheid van denken. depressie. Patiënten worden eerst verdoofd en krijgen een spierontspannend middel. Transcraniale magnetische stimulatie (TMS) magnetisch veld door deel van de hersenen. patiënten werden minder suf dan bovenstaand middel. Chloorpromazine Duitsland ontdekt bij zoektocht naar blauwe verfstof waarvan men hoopte dat deze zou helpen bij de behandeling allergieën. 2. In 1950 ontdekten ze dat het middel wanen en hallucinaties verminderde.2. Haloperidol (haldol. smakken). Lithium Australië werd werking hiervan vastgesteld bij mogelijkheid om lithiumzouten te gebruiken als alternatief voor keukenzout. vooral in mond en kaken (bijv. Elektrische stroom shock wekt een massale activiteit op in de hersenen. Licht onderdrukt de productie van melatonine. Hinderlijke bijwerkingen. Belangrijkste neveneffect is geheugenproblemen. Antipsychotica 1. Onderzoek door middel van dubbelblinde (zowel patiënt als arts niet op de hoogte). gerandomiseerde (patiënten op toeval over twee condities verdelen). Werking bovenstaande middelen door vermindering van dopaminegerelateerde activiteit in hersenen.

Interpretatie van afweermechanismen a. Factoren placebo-effect. therapeut mag vertrouwelijkheid schenden als kans groot is dat patiënt tot gewelddadige acties overgaat (bijv. mensen zoeken hulp op het moment dat hun stoornis het ergst is.en stemmingsstoornissen. Droomanalyse manifeste inhoud (herinnering) en latente inhoud 3.5. 2. de hersenen lokken een vergelijkbare activiteit uit als bij de werkzame stof (afscheiding endorfine en dopamine.0. 2.3 Psychologische therapiebenaderingen Gemeenschappelijke kenmerken van psychotherapieën  Mensen lossen vaak problemen op door ze met anderen op een constructieve manier te bespreken  Vertrouwen dat cliënten hun problemen overwinnen  Bruikbare voorbeelden werken. moord. effectief vanaf +1. Therapie-effecten zijn over het algemeen niet groter dan 0.5 bij angst. Sublimatie Gefrustreerde seksuele energie wordt in een andere activiteit omgezet (gewelddadige sport beoefenen. Motivatie iemand die weinig gemotiveerd is zal zowel weinig placebo als therapie effect hebben. Cognities van positieve verwachtingen creëren 3. Verplaatsing een onaanvaardbare impuls wordt op een veilige manier tot uiting gebracht (bijv. Bruikbaar bij +0. 1. maar niet zelfmoord). Klassieke conditionering van emoties. Ontkenning en projectie negatievere vormen Zolang een persoon contact behoudt met de werkelijkheid sprak Freud van een neurose als dit weg was van een psychose. droomanalyse en interpretatie van afweermechanismen Freud. vooral voor degene die in een ziekmakende omgeving verkeren Ethische kwesties bij psychotherapie Tarasoff-beslissing. ruzie met man krijgen omdat je op het werk wordt lastig gevallen) b. Vrije associatie wanneer patiënt vrijuit praat is de kans groter dat elementen van het onopgeloste conflict in het Es naar buiten komen. 15. 76 . Placebo-effect zou ook gevolg kunnen zijn van spontaan herstel. 15. pijn en beloning).4 Psychoanalytische therapieën Vrije associatie. klassieke psychoanalyse 1. Een groot deel is placebo-effect.Therapie-effectgrootte maat voor effect van de therapie of placebo. positieve gevoelens doordat men verwacht geholpen te gaan worden. schilderen van erotische taferelen) c.

1. cliënt staat centraal versus alwetende therapeut 2. cliënten moeten zich als persoon aanvaard voelen 4. Onvoorwaardelijke positieve aanvaarding 2. 1. Catharsis het wegvallen van spanningen en angsten nadat men zich bewust geworden is van onderdrukte ideeën. Authenticiteit Focussen Cliëntgerichte therapie heeft evolutie doorgemaakt van niet-directief (ongestuurd) naar belevingswereld van de cliënt die gestuurd mag worden vanwege leerproces. Psychoanalyse sinds Freud  Kritiek op Freud. Overdracht huidige en vroegere emoties tov ouders en andere belangrijke personen worden geprojecteerd op therapeut 3. wensen. therapie is ontmoeting tussen gelijken 2.5 Humanistische therapieën Uitgangspunten humanistische therapieën. 1. Drie processen spelen een rol. hier en nu versus trauma’s uit kindertijd 4. Empathie 3. geïsoleerd behandelen van fobieën). gedrag wordt bepaald door aangeboren behoeften om te groeien versus seksuele of agressieve impulsen Therapeut heeft drie kwaliteiten nodig. cliënten kunnen uit zichzelf verbeteren 3. welke situaties geven ons een ontspannen gevoel en welke niet. Voorbeeld is focustherapie gericht op lichaamssignalen. cliënten blijven verantwoordelijk voor hun denken en hun gedrag Cliëntgerichte therapie Ontwikkeld door Rogers (1950.Weerstand. 1. bewuste subjectieve ervaringen versus onbewuste conflicten 3.  Interpersoonlijke psychotherapie verlegde focus van onbewuste conflicten naar het patroon van relaties dat de patiënt heeft (en gehad heeft) met belangrijke andere personen 15. Weerstand tegen therapeut 2. ->). overdracht en catharsis Cliënt zal samen met therapeut trachten het onbewuste conflict in het bewustzijn proberen te brengen en van zijn energie te ontdoen. Grootste verschillen met psycho-analyse. Vaak een langdurig proces met vele catharsis-momenten. 77 . verlangens en herinneringen. volledige blootlegging van persoonlijkheidsstructuur is niet altijd nodig voor herstel (bijv.

(mensen met mentale stoornissen hebben verkeerde gedragingen geleerd). Skinner. Flooding cliënt een aantal keer confronteren met de situatie die voor hen beangstigend is en laten ervaren dat de angst niet beantwoordt aan de daadwerkelijke gevolgen. De rationeel-emotieve therapie RET (Ellis. 1950). 1958) snoep vervangen door ontspanningsoefeningen. Bijv. Bijv.6 Gedragstherapieën Gedragstherapie (Eysenck. 78 . Technieken op basis van observerend leren Modelling naar anderen kijken die het juiste gedrag vertonen (bijv. telefoonhijgers laten bellen en telkens als het telefoongesprek seksuele opwinding veroorzaakt braakgeluiden laten horen. veel mensen hebben onrealistische overtuigingen die hen ertoe aanzetten om irrationeel gedrag te stellen en hen een gevoel van mislukking te geven. Technieken op basis van operante conditionering Token economy punten verdienen voor goed gedrag. elke kritiek voelt als kaakslag (ook opbouwende). overtuiging het altijd goed moeten doen. Bij flooding en implosie implodeert de angst doordat er niets ergs of schrikwekkends gebeurd.15. 1950) een vorm van psychotherapie die het gedrag van een cliënt probeert te veranderen door de wetten en principes van de leertheorie toe te passen. lekker voedsel eten in de buurt van een kat bij angst voor katten. Bijv. Therapie start met functionele analyse waarbij de problematische gedragingen van de cliënt in kaart worden gebracht samen met de situaties die ze uitlokken. Op die manier verliest de stimulus zijn kracht om angst op te wekken. Aversietherapie wordt toegepast bij cliënten die een ongepaste stimulus of activiteit als attractief ervaren. Wordt vooral aangewend bij angststoornissen. Relaxatietechniek (Wolpe. Telkens een stapje verder denken aan de situatie en blijven ontspannen.7 Cognitieve therapieën Cognitieve therapieën concentreren zich op het ter discussie stellen en vervangen van slecht aangepaste overtuigingen die cliënten hebben. 15. De therapeut leert de cliënt beter om te gaan met situaties in vijf abc-stappen. De punten kunnen worden ingeruild voor privileges en hebbedingen. Technieken op basis van klassieke conditionering Systematische desensitisatie individu leert een positieve respons te geven bij een stimulus die angst uitlokt. videoband assertiviteit. seksuele therapie met juiste technieken). bij vliegangst is het niet mogelijk of erg duur om de situatie telkens mee te maken (exposure in vivo). De kat komt steeds dichterbij. Bijv. Implosietherapie inbeelden van de situatie.

1. overgeneralisatie 4. activating event welke situatie lokt emotie uit beliefs welke overtuigingen en interpretaties heeft de cliënt consequences wat zijn deze gevolgen hiervan dispute zijn de overtuigingen rationeel. vooral werk rondom depressies die mensen ontwikkelen door ziekmakende cognities. onrealistische uitvergroten van een negatief detail 3. rood licht inbeelden of hardop stop zeggen bij negatieve gedachten  Rationele herstructurering inzicht in het feit dat negatieve gedachten een constructieve manier van omgang met tegenslagen belemmeren  Positief denken mensen die positief denken voelen zich minder snel wanhopig  Leren probleemoplossen door bijv. 5. 4. 1. Andere cognitieve therapieën  Stop zeggen bijv.  Huwelijkstherapie man en vrouw samen behandeld  Gezinstherapie 79 . groepstherapie en gemeenschapsvoorzieningen Gaat uit van het feit dat gedrag altijd voor komt in een bepaalde context en deze context kan het gedrag uitlokken of in staat houden. Sociaal afhankelijk type leven wordt afgemeten aan goede relaties met anderen 2. Huwelijks-en gezinstherapie  Systeemtherapie problemen ontstaan en worden onderhouden binnen de context van relaties waarin de betrokkene zich bevindt. 15. deelproblemen  Attributieveranderingen het toeschrijven van andere oorzaken aan gedragingen die mensen vertonen. negatieve gebeurtenissen op zichzelf betrekken 5. zwart-wit denken 2 types extra kwetsbaar voor ontwikkelen van depressie. 2. conclusies op basis van gevoelens ipv objectieve informatie 2. Prestatiegerichte type overkritisch op eigen werk Bij de cognitieve therapie van Beck worden de cliënten dmv huiswerkopdrachten zelf aangemoedigd om informatie over hun overtuigingen in te winnen ipv dmv een debat met de therapeut (RET).en gezinstherapie.1.8 Huwelijks. daarom belangrijk om de gehele context te bekijken. 3. gebaseerd op feiten? effect welke effecten kunnen worden bereikt met verandering van overtuigingen? Cognitieve therapieën van Beck Beck 1967. bijv.

afhankelijk van het probleem dat zich voordoet. bijv. spontaan herstel)  30% therapeutische relatie  15% aan verwachting van cliënt dat de situatie zal verbeteren effect van 5 therapierichtingen bonafide therapieën voor meeste stoornissen is nagenoeg gelijk. Ook zelfhulpgroepen zonder professionele hulp. creëren orde in problemen en geven mogelijkheid om te praten en initiatief te nemen. Werkzaamheid behandelingen depressiviteit  Cognitieve therapie = 69% bleef na een jaar nog goed functioneren  Antidepressivum en later placebopil = 24% aanvaardbaar niveau  Hele jaar door geneesmiddelen = 53% goed Welke factoren bepalen het succes? Een psychotherapie die specifiek op een bepaald probleem is toegespitst is op lange termijn niet effectiever dan een therapie die zo weinig mogelijk op het probleem gericht is. reïntegratieprogramma’s.9 De doeltreffendheid van psychotherapieën Werkt psychotherapie? Succes van psychotherapieën bij behandeling van specifieke fobieën en obsessievecompulsieve stoornissen is groot. Gemeenschapsvoorzieningen Preventie verhinderen dat iemand in een inrichting opgenomen moet worden. Bijv. Bijv.  Tertiaire preventie zelfredzaam maken en houden van mensen bij wie een chronische aandoening vastgesteld is. behalve misschien voor specifieke fobieën en obsessieve compulsieve stoornissen. Tegenwoordig ook nadat mensen zijn opgenomen geweest aandacht voor rehabilitatie en intergratie in de samenleving. Lambert 1992 (literatuurstudie) vooruitgang bij een cliënt. 15. RIAGG).  Alle therapieën bieden hoop.  Therapiesessies verlopen grotendeels hetzelfde  Therapeuten hebben kennis van basistechnieken en van verschillende benaderingen en veranderen hun aanpak spontaan. begeleid of beschut wonen of tussenhuis = huis in gewone buurt met minder intensieve begeleiding.  15% verklaard door therapiespecifieke technieken  40% te danken aan cliënt en factoren buiten therapie (bijv.0 (volledig symptoomvrij). 80 .Groepstherapie Meerdere cliënten aanwezig onder leiding van één of meerdere therapeuten vaak met soortgelijke problemen. Bijv. Bij kinderen zelf +3. straathoekwerk  Secundaire preventie getroffenen in een zo vroeg mogelijk stadium opsporen en helpen om erger te verkomen. crisisinterventie per telefoon en beschikbaarheid van ambulante gezondheidscentra (bijv.  Primaire preventie Oorzaken weg nemen.

81 . Bronnen van stress 1. b. Intelligent en Social)  Enkelvoudig gemakkelijker dan cormobiditeit  Sommige therapeuten beter dan anderen  ‘Klik’ tussen therapeut en cliënt  Eerste indruk therapeut. Lazarus. stimuleert bijnierschors die meer corticosteroïden gaat afscheiden. zowel positief (bijv.  Persoonskenmerken van de cliënt. zijn moeilijkheden te wijten aan voorbijgaande stressfactoren in de omgeving. 3. Verbal.1 Stress en gezondheid Stress is een emotionele en lichamelijke reactie die optreedt wanneer iemand zich probeert aan te passen aan veranderingen die het normale dagelijkse leven verstoren of dreigen te verstoren en die een persoon dwingen om zich aan te passen. Perceptie van de persoon. Hierdoor bijniermerg extra noradrenaline en adrenaline in bloedbaan loslaten. Bijv. activering van sympathische zenuwstelsel doordat hypothalamus en kern in hersenstam noradrenaline beginnen af te scheiden. Aanpassing op lange termijn. waaronder cortisol. Attractive. file. zal ze stress uitlokken. Ingrijpende levensveranderingen.Factoren die wel een verschil maken  Wel een verschil in soorten stoornissen. 2 echtscheiding 4 gevangenisstraf). Fysiologische veranderingen ten gevolge van stress. belang van appraisal = beoordeling alleen als een situatie potentieel bedreigend voor eigen welzijn gezien wordt. a. kinderen die weggebracht moeten worden. Hypothalamus stimuleert hypofyse om adrenocorticotrope hormoon (ACTH) in bloedbaan los te laten. Hoe ingrijpendere levensverandering iemand heeft meegemaakt hoe groter dagelijkse irritaties zijn. ook al heeft de persoon de indruk de situatie volledig onder controle te hebben (te rooskleurig beeld). Dagelijkse irritaties. Mate van objectief belastende omstandigheden lokken stress uit. tegenreactie. nieuwe baan) als negatief. cliënten praten makkelijker bij een lichamelijk aantrekkelijk persoon  Therapiebenadering moet aansluiten bij de cliënt Hoofdstuk 16 Gedrag en Gezondheid 16. 2. apparaat dat stuk is. meer glucose. YAVIS-cliënten makkelijkst (Young. Social Readjustment Rating Scale (Holmes&Rahe 1967) meet de belangrijkste 43 levensgebeurtenissen (1 dood van een partner. Gevolgen van stress 1. Life Experiences Survey = aanvulling van de Social Readjustment Rating Scale door Sarason (1979) om ervaren impact van elke gebeurtenis te meten. Onmiddellijke schokreactie. Stoornissen die relatief gemakkelijk te behandelen zijn.

Een beetje stress bevordert het prestatieniveau. Stressfactoren aanpakken. LM > 25 is te zwaar.Deze regelen de glucosevoorraad door vetzuren en eiwitten in glucose om te zetten en door lever te stimuleren om opgeslagen glucose vrij te geven. spieren om en om aanspannen en ontspannen 16.2 Veel voorkomende gezondheidsproblemen Zwaarlijvigheid Body Mass Index = Lichaamsmassa-index (LM-index) = gewicht / lengte^2 LM < 18. Psychisch gevolg van stress is negatieve stemming.5 is te licht. zodat er energie beschikbaar blijft. Zorgen er ook voor dat we niet teveel water en zou verliezen = homeostase. 2. 1. Toenadering. Dood kan er op volgen. maar een te hoog niveau vermindert de presentaties. virussen en bacteriën). herstel van beschadigd weefsel vertraagt en de vorming van afweerstoffen vermindert. Omgaan met stress De gevolgen van stress zullen gedeeltelijk afhangen van hoe we met stress omgaan (coping. probleem oplossen. gebeurtenis negeren en het belang ervan minimaliseren.  Uitputtingsfase = lethargie = sterk verlaagd activiteitsniveau. gezonde voeding. Ontsnappende manier door alcohol of kalmeringsmiddelen  Progressieve relaxatietherapie. Kan gevolg zijn van algemene aanpassingssyndroom. rationalisatie of ontkenning)  Optimistische houding  Lichaamsbeweging. Ander fysiologisch gevolg is verminderde werking van immuniteitssysteem. Gevolgen van stress binnen de perken houden. van belang om lichaamsvreemde stoffen te weren (bijv. 82 . ontspanningsmomenten. Te lang aan stressfactoren blootgesteld = algemene aanpassingssyndroom = general adaption syndroom (GAS). Yerkes en Dodson-wet voor elke taak is er een optimaal niveau van motivatie. Lazarus). Chronsiche vermoeidheidssyndroom is een stoornis waarbij mensen aanhoudend vermoeid zijn en niet meer herstellen als gewoonlijk. Er vindt nl soort erosie plaats. c. Gevoel controle te hebben over de situatie is hierbij van essentieel belang. Cognitief gevolg. 3 stadia  Alarmreactie = schokreactie en tegenschokreactie  Weerstandsfase = schijnbaar evenwicht bereikt door tegenschokreactie. Vermijding. Door  Herinterpreteren van stress-situaties (bijv.

vetcalorieën worden in hoge mate als vet opgeslagen. calorieën tellen). a. met piek tijdens adolescentie. ziekelijke eetlust. Mensen met aanleg tot zwaarlijvigheid hebben meer vetcellen. Koolhydraten gaan namelijk gemakkelijker verloren als warmte.  Onderzoeksmatige evidentie over effectieve opvoedingsstrategieën. waarbij een persoon geen gevoel van verzadiging meer ervaart (wellicht ten gevolge van stoornis in hypothalamus). Oorzaak mix van biologische. Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (Strien. Zwaarlijvige mensen eten te veel omdat ze op andere signalen letten dan op de inwendige signalen van honger en verzadiging. ontbijten. deze controle wordt keer op keer doorbroken en dan eten mensen meer dan goed voor hen is. 83 . lichte verstandelijke handicap en gedragsstoornissen. 3. Genetische component voor zwaarlijvigheid. warme maaltijd ’s middags hebben positief effect. tv) en zwaarlijvigheid. Bekendste ziektebeeld met dit symptoom is Prader-Willi-Syndroom (PWS) zeldzame erfelijke aandoening (1/20. bijv. geïnduceerd braken en gebruik van laxeermiddelen. Psychosomatische theorie mensen eten teveel als reactie op emotionele toestand b. maar met meer vet toename in zwaarlijvigheid. Preventie  Binnen lage klasse komt zwaarlijvigheid meer voor dan hoge klasse  Beleidsmatig. Veel bij vrouwen. smakelijk voedsel is eveneens een risicofactor voor zwaarlijvigheid 2. 1986. dieet maakt cellen leger. Roken geen invloed op behoud of verlies. Maaltijden op school moeten voorbeeld zijn. Duidelijke correlatie tussen bewegen (auto. Kunnen zich letterlijk dood eten. herzien in 2005).10% zwaarlijvigen jonger dan 50 jaar en 17% ouder dan 50 jaar. zwaarlijvigheid komt minder voor in landen waar men oog gehad heeft voor mobiliteit van voetgangers en fietsers dan in landen waar dit niet gebeurd is. Eetstoornissen Ernstige verstoring in de eetgewoonten. maar niet minder 3. 1. 30 minuten activiteit is nodig om gewicht te behouden. 60 – 90 minuten voor lager gewichtsniveau. Zwaarlijvigen hebben een sterkere behoefte aan vet.  Hyperfagie extreme vraatzucht. c. Ook bij minder calorie inname. Ook eetpatroon dient te worden aangepast. Uitwendigheidstheorie mensen eten teveel omdat ze sterk onderhevig zijn aan aantrekkelijke voedselprikkels in de omgeving. Genen bepalen verschillen in metabolisme of energieverbruik (bijv.000) gekenmerkt door lage spierspanning. ze zijn onderhevig aan alle drie de theorieën. Milieucomponent 1. Teveel aan gemakkelijk bereikbaar.  Anorexia nervosa persoon streeft lichaamsgewicht na dat lager ligt dan LM-index 18 door middel van zelfuithongering. cognitieve en sociale factoren. Speelplaatsen in de buurt. Genen hebben invloed op regeling van honger en verzadiging. individueel scoren ze vaak op 1 theorie hoger. 150 calorieën verbranden in rusttoestand of 450 calorieën) 2. Ingehouden eetgedrag mensen eten te veel omdat hun eetgedrag onder cognitieve controle is komen te staan (bijv.

Toch nog 25 – 33% rookt. 16. Ziektes hebben niet te controleren biologische oorzaak (buitenaf bacteriën en virussen). Roken Rookgedrag. geneesmiddelen. sereen en ontspannen o Geen evidentie voor correlatie met hart. Seksueel overdraagbare aandoeningen HIV = Human immunodeficiency virus virus dat immuniteitssysteem van een persoon verzwakt door vernietiging witte bloedcellen CD4. chirurgie. Te behandelen met antibiotica. Aantal gevallen tuberculose nam niet af doordat tuberculose basil en penicilline werd ontdekt (anders knik in de grafiek bij deze gevallen) maar door verbeterde leefomstandigheden sinds 1850 (voeding. verhoogde bloeddruk en beroerte  Persoonlijkheidsfactoren o Type-A mensen actief. Behandeling herstel van lichamelijke toestand. Ook bij vrouwen. slachtoffer van de ziekte. Rokers sterven 10 jaar eerder. hartinfarct. huisvesting. Bulimia nervosa bang om dik te worden en probeert dit te voorkomen door na het eten te braken of sterke laxeermiddelen te nemen. Geen genetische basis. Op tijd stoppen voorkomt gezondheidsproblemen. hygiëne). vooral adolescentie (1-3%). laatste decennia afgenomen. van binnenuit chemisch onevenwicht of genetische predispositie.3 Gezondheidspsychologie Het ontstaan van de gezondheidspsychologie Biomedisch model (19e eeuw) 1. meer kans op hoog cholesterolgehalte  Hoge bloeddruk. veel verzadigde vetten.en vaatziekten Belangrijkste doodsoorzaak in West-Europa hartziekten 25% en beroerten 8%. zwaarlijvigheid en te veel zout of alcohol  Stress. 84 . Chlamydia 2-5% van personen tussen 15 en 40 jaar in A’dam hebben Chlamydia (gehad). weinig bewegen. Strikt onderscheid tussen ziekte en gezondheid. verhoogt kans op hervatten initiële hartaanval. etc. 5. Aidspatiënten minder dan 200 CD4 cellen. gevolg van westerse cultuur. hardwerkend o Type-B mensen kalm. Slaagpercentage is 10 – 40% afhankelijk van stopprogramma. 3. Verantwoordelijkheid voor behandeling ligt bij geneeskundigen. vooral bij mannen. 2. agressief. Ontstekingen van geslachtsorganen en baarmoeder. Hart. Type-D mensen (distressed pesonality) negatieve gevoelens en sociale inhibitie (negatieve gevoelens verborgen houden). 4. Individuen hebben geen verantwoordelijkheid.en vaatziekten. HIV-positief -> wel het virus maar nog geen aids. Risicofactoren  Roken  Eetgedrag.

 Gemakkelijker bij hoger opgeleiden (vooral mannen) dan lager opgeleiden  Mensen hebben onrealistisch optimisme dat ze weinig risico lopen en ook negatieve overtuigingen bij verandering levensstijl (bijv. weinig eten tussen maaltijden 5. 7-8 uur slapen per dag 2. Ziekte is wisselwerking van biologische. dichtbij ideale gewicht blijven 6.Daling hart. zinvol of graag doen). Als patiënten het gevoel hebben controle over de situatie te hebben voelen ze zich meer aangesproken tot de behandeling ipv een slaaf van de behandeling. Preventie Pijlers van een gezonde levensstijl (1973. Bijv. Biopsychosociale of holistische ziektemodel (1970-1980) 1. Voeding heeft invloed op de gezondheid. daarna zijn attitudes aan passen (bijv. niet roken 4.en vaatziekten medische behandeling = 40% en levensstijl = 60%.  Moeilijkheid in gedragsverandering bewerkstelligen. gebruik van condoom. Patiënt moet overtuigd zijn van het advies van de arts. groenten en weinig verzadigde vetten zorgen voor minder hartaandoeningen (minder hartziektes in China dan in Amerika). Bijv. beter zelf injecties spuiten. vis. wat zou mijn partner ervan vinden). Ook melkproducten met verzadigde vetten verlaagt levensverwachting. Dus belangrijk om mensen aan te moedigen gezonder te leven. Gedeelde verantwoordelijkheid patiënt en arts 5. Individuen hebben tot op zekere hoogte invloed 3. idee van zelfcontrole. regelmatige lichamelijke activiteit Wie deze gedragingen in acht neemt. Belloc) 1. psychologische en sociale factoren 2. Preventieve maatregelen zijn effectief Optimaliseren van de behandeling Attributie overtuiging over de oorzaak van een gebeurtenis of activiteit (in dit geval ziekte) die de patiënt meemaakt. bijv. leeft gemiddeld langer dan iemand die dit niet doet. geen of beperkt gebruik van alcohol 7. Verschillende mensen hebben verschillende attributies en sluiten soms ook beter aan bij een andere behandeling. idee van geen controle beter arts laten doen. elke dag ontbijt 3. en voornemens stellen en deze omzetten in daden. Hoe kunnen we mensen motiveren tot een gezonde levensstijl (mensen weten het vaak wel. Doeltreffendheid van een behandeling kan gemeten worden door vragenlijsten over de levenskwaliteit. 85 . maar doen het niet). behandeling lichamelijk en gedragsmatig 4. Attributies zijn gevaarlijk als ze in strijd met de waarheid zijn. stoppen met antibiotica als er geen symptomen meer zijn.

Stress op werk kan ontstaan doordat mensen een te hoge of te lage verantwoordelijkheid krijgen. verbittering en onvrede. hoofd van American Psychological Association. Sluit aan bij uitgangspunten humanistische psychologie. Onder een bepaald niveau speelt welvaart een rol bij subjectieve welzijn. hoewel het welzijnsniveau flink gestegen is. hoop. Welvaart binnen een land neemt voor bijna iedereen toe. Twee factoren.4 Positieve psychologie De studie van condities en processen die bijdragen tot het bloeien of optimaal functioneren van mensen en groepen (bijv. aangeleerd optimisme. Algemeen welzijnsgevoel wordt weinig beïnvloed door gunstige of ongunstige omstandigheden (bijv. stress. 2. Opvoeding. Mensen vergelijken zich met anderen. tevredenheid. Het subjectieve welzijn Subjectieve welzijn verklaard waarom dezelfde objectieve omstandigheden niet bij iedereen tot een even groot welzijnsgevoel zal leiden. verdriet. Het welzijnsgevoel stijgt of daalt flink voor een relatief korte tijd en gaat daarna weer naar het basisniveau terug. Negatieve affect geheel aan negatieve emoties en gemoedstoestanden die een persoon ervaart (schuldgevoel en schaamte. liefde. loterij winnen of ongeluk). Seligman 1998. Effect was na 6 maanden nog merkbaar. vertrouwen). 1. voedsel. wooncomfort). Ook 50 jaar geleden voelden mensen zich niet ongelukkiger of gelukkiger dan nu.De psychologie van arbeid en gezondheid Gaat over bevorderen van kwaliteit van werkomgeving. opgetogenheid. mensen die in hun opvoeding geleerd hebben om op een optimistische manier met gebeurtenissen om te gaan hebben een beter algemeen welzijnsgevoel. (bijv. lachen). Kan men het subjectieve welzijn verhogen? Seligman. 86 . gehechtheid. welzijn. optimisme. onder minimum inkomen. 16. Arme landen kunnen zich echter vergelijken met rijke landen. gedurende een week elke avond drie goede dingen op schrijven die op die dag gebeurd zijn + eigen rol daarin. angst en bezorgdheid) Welke factoren bepalen het subjectieve welzijn? De mate van subjectieve welzijn wordt voor een groot deel bepaald door genetische factoren. Tussen landen (arm en rijk) wel een groot verschil. Positieve affect omvat het geheel aan positieve emoties en gemoedstoestanden die een persoon heeft (vreugde.

Conformisme Conformisme gedrag voegen naar dat van een de groep waartoe we behoren (of willen behoren) zonder dat er sprake is van een directe oproep om dit te doen. 17. Proefpersonen bewegen hun hoofd in dezelfde richting als medeplichtige proefleider of lijnen die dezelfde lengte hadden. Bacon (2005) analyseerde verschillende stellingen die binnen de positieve psychologie verdedigd worden over hoe men subjectieve welzijn kan verhogen. autokinestetisch effect. gezin. positieve blik is slechts één van de copingmechanismen die mensen kunnen gebruiken bij uitdagingen in hun leven en niet eens het beste.Kritiek (Lazarus. Balansgericht leven zinvol en voldoeninggevend te maken door harmonie te vinden tussen verschillende levensdoelen (werk.1 Sociale beïnvloeding Stanfordexperiment was belangrijk experiment dat aan toont dat iedereen zich gedraagt zoals vanuit de sociale rol verwacht wordt (parallel met nazi’s). Bijv. 87 . 1. En kwam tot 2 niet volledig verenigbare visies. school) en therapeuten zijn Hoofdstuk 17 Sociale psychologie Sociale psychologie is wetenschappelijke studie van de invloed van anderen op onze gedragingen. Factoren waardoor personen zich meer gaan conformeren zijn. sociale relaties) Bacon stelde vast dat om sommige domeinen men meer focusgericht is (bijv. beter is om uitdagingen rechtstreeks aan te pakken.  Grootte van de groep  Ambiguïteit van de situatie  Expertise die aan de groep toegeschreven werd  Conformisme daalt bij aanwezigheid van dissident in de groep (iemand die weerstand bood) Redenen voor conformisme  Accuraatheid. 2003). men wil juist zijn. Focusgericht een persoon kan een bevredigend en zinvol leven hebben door zijn of haar persoonlijke sterktes zo goed mogelijk uit te bouwen. terwijl dit in werkelijkheid niet zo is. 2. lichtstip zien bewegen na een tijdje. zelf. maar voelt zich niet zeker of het antwoord wel juist is  Aanvaarding door de groep Gehoorzaamheid Gehoorzaamheid reactie op een bevel Studie Milgram (schokken toedienen onder bevel).

Factoren van opstand (geen volledige gehoorzaamheid);  Verhuizing van universiteit naar anoniem regeringsgebouw (52% opstand)  Leraar moest naast leerling zitten en de hand van de leerling op schokplaat leggen (70% opstand)  De proefleider verliet ruimte en gaf instructies door telefoon (78% opstand)  Aanwezigheid andere pseudoproefpersoon die instructies gaf (80%)  Aanwezigheid van pseudoproefpersoon als dissident (80%)  Proefpersoon is man of vrouw maakt geen verschil Agentic shift eigen verantwoordelijkheid opgeven en uitvoerders van de proefleider worden = verklaring voor gehoorzaamheid. Dit is geen blinde gehoorzaamheid van het individu, maar komt door sociale omstandigheden. Ook gradueel toename van de ernst van de marteling zorgt ervoor dat mensen wreedheden begaan (in één keer schok toedienen van 300V doen maar heel weinig mensen). Overigens voelde iedereen zich rottig en wilde de plek verlaten.

Deïndividuatie
Deïndividuatie individuele mensen verliezen hun persoonlijke identiteit doordat ze een onderdeel zijn van een massa. 3 factoren; 1. Verhoogde opwinding 2. Anonimiteit (bijv. tenue Ku-Klux-Klan; grotere schoks) 3. Verminderde individuele verantwoordelijkheid Deïndividuatie kan ook positieve en waardevolle ervaring zijn. Bijv. gevoel hebben bij een groep te behoren. Echter als de groep gewelddadiger wordt, dan wordt de persoon ook gewelddadiger.

Helpen
Omstandereffect hoe meer mensen getuige zijn van een noodgeval, hoe kleiner de kans wordt dat elke persoon afzonderlijk zal helpen. (Darley&Latané, 1968) Er moet aan drie voorwaarden voldaan zijn voordat mensen helpen; 1. men moet het incident opmerken 2. men moet het interpreteren als een noodgeval 3. men moet zichzelf verantwoordelijk voelen om hulp te bieden

Inschikkelijkheid
Inschikkelijkheid is de vraag of we zullen ingaan op een verzoek van iemand anders. Mensen gaan sneller in op een klein verzoek dan een groot verzoek. Technieken 1. Voet tussen de deur techniek eerst vragen in te gaan op een klein verzoek en dan op een groter, moeilijker verzoek.

88

2. Zodra de bal aan het rollen is techniek eerst vragen in te gaan op een verzoek met schappelijke voorwaarden en later vertellen dat de voorwaarden toch minder schappelijk zijn (bijv. onderzoek eerst om 10.00 uur en later om 7.00 uur) 3. Deur tegen de neus techniek eerst groot onredelijk verzoek en daarna vragen in te gaan op klein redelijk verzoek. De persoon heeft wroeging dat hij niet ingaat op het grote verzoek en zal daarom sneller ingaan om ander verzoek.

Sociale facilitatie en sociaal lijntrekken
Sociale facilitatie aanwezigheid van anderen hebben een positieve invloed op onze prestaties. Dit is zo bij gemakkelijke en goed geleerde taken, omdat het een hogere opwinding tot gevolg heeft. Bij moeilijke taken belemmert een verhoogde opwinding. Dus alleen oefenen en optreden voor toeschouwers muziekstuk. Sociaal lijntrekken een persoon presteert minder goed in de groep dan alleen. 1. free-rider effect geloof dat iemand anders in de groep zal het probleem wel oplossen. 2. Sucker-effect geloof dat ieder ander in de groep zich als een free-rider gedraagt; dus waarom zouden zij zich inspannen.

17.2 Aantrekking en hechte relaties
Lichamelijke aantrekkelijkheid belangrijkste factor die bepaalt in welke mate we ons voor een onbekende persoon zullen interesseren. Lichamelijke aantrekkelijkheid is cultuuronafhankelijk en hangt samen met een goede gezondheid. Aantrekkelijke mensen verdienen meer, worden meer geloofd, worden als intelligenter aangezien. Nabijheid de kans om veel contact met iemand te hebben is de nabijheid van die persoon tot ons (bijv. studenten gaan meer om met studiegenoten die wat betreft alfabetische volgorde bij elkaar staan, als de groepsindeling op alfabet is gebeurd). Twee redenen; 1. Beschikbaarheid als de meeste mensen aangenaam genoeg zijn om mee om te gaan als je ze beter kent, dan volgt daaruit dat nabijheid zal bepalen wie je beter leert kennen en wie je dus graag zult hebben. 2. Effect van loutere blootstelling loutere blootstelling aan een persoon of voorwerp verhoogt de positieve gevoelens tov de persoon of voorwerp. Dit effect is beperkt bij stimuli die initieel een neutrale of positieve reactie uitlokken. Negatieve stimuli leren we door herhaald contact juist te vermijden. Het kan dus ook zijn dat personen die we een aantal keren gezien hebben aantrekkelijker gaan vinden. Gelijkheid mensen trekken het meest op met mensen die op hen lijken. Complementariteitshypothese gedachte dat uitersten elkaar aantrekken. Blijkt niet waar te zijn, behalve bij dominantie en negatieve eigenschappen.

89

Vriendschap
Fasen in een relatie; 1. Ontwikkeling van vriendschap a. De wil om zichzelf bloot te geven (delen van gevoelens, opinies, geheimen) b. Engagement; verbondenheid tussen partners om de relatie voort te zetten Bij vrouwen is de relatie meer gericht op praten = face tot face relatie (bij voorkeur of relatie) bij mannen op activiteiten = side by side relatie 2. Vriendschappen onderhouden omgang met conflicten (vrouwen willen uitpraten, mannen liever ontwijken). Eerlijke balans tussen geven en krijgen. 3. Vriendschappen beëindigen de meeste eindigen omdat er een verandering optreedt in de factoren die de vriendschap bijeenhielden; nabijheid, gedeelde activiteiten en interesses. Relaties worden vaak niet afgebroken, maar bloeden eerder dood. Eenzaamheid negatieve emotie die we ervaren wanneer onze sociale relaties tekortschieten.  Sociale eenzaamheid te weinig vrienden, geen integratie in een sociaal netwerk  Emotionele eenzaamheid geen goede vrienden; intieme relatie missen Genetische bijdrage tot eenzaamheid is ca. 50%. Eenzaamheid komt het vaakst voor bij tieners en jonge volwassenen.

Liefde
Triangulaire theorie (Sternberg, 1986) = complete liefde bestaat uit intimiteit, passie en engagement. Bijv. enkel engagement = lege liefde, enkel passie = bevlieging. Langdurige relatie bestaat over het algemeen uit liefde tussen compagnons (intimiteit en engagement). Hechtingsstijlen (zowel bij kinderen als liefdesrelaties volwassenen te gebruiken) a. Veilige hechting b. Vermijdende hechting c. Angstige/ambivalente hechting (aantrekking en afstoting)

17.3 Het gedrag van anderen beïnvloeden
Attitude een gevoelsgeladen evaluatie van een persoon, een voorwerp of een idee. Een attitude bepaald hoe je reageert in een bepaalde situatie.

Wanneer overtuigt een boodschap?
Kenmerken van de boodschapper 1. Geloofwaardigheid a. Competentie b. Belang dat de boodschapper bij de boodschap heeft (bijv. eigenbelang = neg) 2. Gelijkheid tussen boodschapper en ontvanger 3. Aantrekkelijkheid Kenmerken van de boodschap 1. Vorm; bijv. complexe materie beter geschreven, reclame moet opvallen; visueel 2. Emoties; conditioneringstechnieken, bijv. product koppelen aan positieve gevoelens

90

omdat attituden en gedrag niet altijd overeenstemmen. kennis over biologische producten dan stemt koopgedrag meer overeen met attituden dan zonder kennis) 2. Centrale verwerking. Individuele verschillen. Directe ervaring (bijv.3. Discrepantie tussen boodschap en bestaande attitude. pestcontract). 4. alle voor-en-tegens op een rij zetten (vaak bij belangrijke beslissing. proef video-opname aidspreventie. Hoe concreter de situatie. hoe meer afwijking hoe moeilijker 3. positief beeld als we het een aantal keer gezien hebben b. 3. Herhaling a. Betrokkenheid bij het doelwit. bijv. maar als ze nog geen attitude hebben kunnen ze er soms snel één aannemen op basis van onvolledige informatie. Expliciet verband leggen tussen attituden en gedrag. donatie door condooms te kopen. Perifere verwerking. Persoonlijkheid van het doelwit. 91 . Nog geen duidelijke attitude is makkelijker te overtuigen dan attitude te veranderen 2. Oftewel men kan attituden veranderen door personen een duidelijk zichtbare handeling te laten uitvoeren die niet strookt met hun overtuigingen. mensen die dit hebben willen voor alles een duidelijke en vaste attitude hebben. aankopen huis) b. (bijv. Eigenbelang. Volgens zijn theorie van de cognitieve dissonantie willen mensen hun overtuigingen en acties met elkaar in overeenstemming brengen en voelen ze zich op hun ongemak wanneer ze publieke handelingen vertoond hebben die in strijd zijn met hun waarden. impulsieve beslissing. Specifieke attituden en gedragingen. Autoritaire persoonlijkheid makkelijker te overtuigen op basis van gezagsargumenten. Wanneer komen attituden tot uiting in het gedrag? Mensen doen soms dingen onder sociale beïnvloeding die niet in overeenstemming zijn met hun attituden. als de persoon zelf in aanraking is geweest met de boodschap is het makkelijker te overtuigen (bijv. 1. Zijn moeilijk te overtuigen. kanker en roken) a. Need for closure = behoefte aan afsluiting. dan na een aantal keer beter begrijpen Kenmerken van het doelwit 1. Factoren die overeenkomst tussen attituden en gedrag bepalen. Ingewikkeld. sommige mensen hechten meer waarden aan overeenstemming tussen gedrag en attituden dan anderen De kracht van cognitieve dissonantie Festinger (1957) heeft een andere manier voorgesteld om attituden te veranderen. attituden kunnen gemakkelijk veranderd worden 4. Loutere blootstelling. hoe meer overeenstemming 5. Mensen met lage behoefte aan afsluiting gemakkelijker te overtuigen op basis van perifere verwerking.

eerlijk en onderdanige persoon. 2. volwassen. boeken) bijv. De eerste indruk Persoonlijkheidsonderzoek heeft geen objectieve verbanden kunnen aantonen tussen uiterlijke kenmerken en persoonlijkheidseigenschappen. Gebaseerd op 1. terwijl er in werkelijkheid slechts een heel klein verband of helemaal geen verband bestaat. Generalisatie Alle Belgen zijn dom 6. Gelijkenis met onszelf. overgewicht. Voorrangseffect woorden die vooraan staan worden beter onthouden 92 . rijpe trekken wordt geïnterpreteerd als sterk. we verwachten dat die persoon ook dezelfde trekken en attituden heeft. lachen = vriendelijk persoon 5. bijv. lichamelijke aantrekkelijkheid hangt immers samen met gezondheid en dus hogere voortplantingskansen. bril = intelligent 3. Het gezicht beïnvloedt eveneens onze indruk. 1. Positieve indruk over mooie personen kan eveneens aangeboren zijn. Beschikbaarheidsheuristiek gebeurtenis koppelen aan informatie die gemakkelijk uit het geheugen te halen is (recentelijke ervaringen of ervaringen met grote indruk. babygezicht wordt geïnterpreteerd als vriendelijk. 4. bijv. Dit ontstaat door denkfouten die veroorzaakt worden door impliciete persoonlijkheidstheorie. grotere kans aangenomen te worden voor dienstverlenende functie. 3. Illusoire correlaties overtuigingen van een sterk verband tussen twee eigenschappen. we richten ons tot hen voor informatie in een onbekende omgeving. Ongefundeerde functionele associaties bijv. studente. Ervaringen. Aangeboren associaties. Impliciete persoonlijkheidstheorie = het geheel van geheugenschema’s dat we hebben over verbanden tussen waarneembare persoonseigenschappen en persoonlijkheidstrekken en tussen persoonlijkheidstrekken onderling. emotioneel stabiel.17. onthouden en interpreteren. 1. sportief a. Uiterlijkheden roepen echter wel overtuigingen bij mensen op aangaande persoonlijkheidstrekken. Stem.4 Persoonsperceptie Sociale cognitie de studie van hoe mensen informatie over zichzelf en anderen waarnemen. sociaal en moreel hoogstaand gezien. vaak ziet iemand er in het echt heel anders uit. negatieve houding tov Duitsers terwijl je nog nooit iemand van dichtbij ontmoet hebt 3. gaat graag naar de kroeg. bijv. bril dragend. rood haar = wild karakter 4. Er vanuit gaan dat wat er getoond wordt tijdens een korte ontmoeting een stabiele trek is van de persoon bijv. liever geholpen worden door een dokter in een witte jas dan in een kostuum. Observerend leren (tv. Conflicterende kenmerken oplossen door. Associatie op basis van overeenkomst in betekenis bijv. uiterlijk baby roept automatisch gevoelens van hulp en bescherming op. beschrijvingen over Edith maken haar positief of negatief) 7. 2. Leergeschiedenis (Alle Wilma’s zijn dik) 2. dominant en competent meer kans voor managementfunctie en we richten ons tot hen in een noodsituatie. Mooie namen en aantrekkelijk uiterlijk worden eerder als intelligent.

Mensen gaan echter zelden zo te werk. 1. China) 93 . dan stellen mannen zich positiever op. Consistentie doet hij het altijd of alleen in specifieke gevallen Een combinatie van de drie informatiebronnen geeft de causale attributie. 2. Fundamentele attributiefout fouten bij andere toekennen aan dispositionele oorzaken Twee factoren dragen hiertoe bij  Als iemand iets doet. 1.  Zichzelf vervullende voorspelling mensen gedragen zich op een manier die hun verwachtingen doen uitkomen (bijv. vlijtig Na de eerste indruk  Minder kans om verder contact met iemand aan te gaan. kenmerken en gedragingen hebben als wijzelf. de motieven en de vaardigheden van de persoon die het gedrag vertoont. dan trekt deze persoon de grootste aandacht. telefoongesprek met aantrekkelijke vrouw.b. Dus beter om de persoon te vragen over omstandigheden  Sterkte van situationele factoren worden onderschat. denken dat je met een probleemkind te maken hebt. Representativiteitsheuristiek is de neiging die mensen hebben om de homogeniteit binnen een categorie te overschatten. waaronder de aanwezigheid van andere mensen. Drie kenmerken.  Opvallend kenmerk wordt eerder als oorzaak geselecteerd dan onopvallend kenmerk (bijv. Verschil in invloed koud/ warm intelligent vakkundig. na negatieve indruk (daarom weinig evidentie dat onze indruk verkeerd was)  Confirmatieneiging mensen hebben de neiging meer waarde te hechten aan evidentie die overeenstemt met hun overtuigingen dan aan evidentie die hun overtuigingen in twijfel trekt. Covariatieprincipe Mensen zoeken de oorzaak van een gedraging door te kijken welke factor aanwezig is wanneer het gedrag vertoond wordt en afwezig is wanneer het gedrag niet voorkomt. Situationele oorzaken verklaringen voor het gedrag die voortkomen uit externe of omgevingsfactoren. Distinctie doet hij het alleen hier of overal 2. Beschikbaarheidsheuristiek beïnvloed attributies  Effect van de valse consensus neiging die wij hebben om te denken dat andere mensen dezelfde opinies. een vrouw in een mannenwereld die een procedurevraag stelt of een man in dezelfde situatie geeft een ander beeld). bijv. maar gebruiken eerder heuristieken wat leidt tot allerhande vertekeningen. 2 types van oorzaken van gedrag. 2. Vertekeningen bij attributies 1. Dispositionele oorzaken verklaringen voor gedrag die voortkomen uit het karakter. Consensus doet iedereen het of alleen hij 3. 3. (in culturen waarin individu minder centraal staat kan fundamentele attributiefout afwezig zijn. bemoeilijkt de samenwerking). Gedrag verklaren: attributies Causale attributie het proces waardoor wij proberen de oorzaken van gedrag bloot te leggen.

op positieve situaties juist omgekeerd (zij had geluk. Dit is van toepassing op negatieve situaties. ik ben slim) Mensen proberen bedreiging aan het zelfbeeld te minimaliseren. Cognitieve (negatieve percepties) 2. Dit doen mensen in hun hang naar eenvoud. nieuwe kennis opdoen). Daarom de neiging om te zoeken naar kenmerken waarop de eigen groep het goed doet (bijv. bijv. Aziz) Oorsprong van vooroordelen. Onderdeel van actor-observator-discrepantie anderen fundamentele attributiefout en eigen fouten schrijven we toe aan situationele oorzaken. 1. drie componenten. simplistische en sterk veralgemeende opvattingen over een groep van mensen. Hoe minder we over een groep weten. studenten. ik zak. 17. wij evalueren onszelf door te kijken naar de groepen waartoe we behoren (sociale identiteit). Emotionele (vijandige gevoelens) 3. Theorie van de sociale identiteit. zij is dom. Een individu heeft een positief beeld van zichzelf als de groep waartoe hij/ zij behoort het goed doet tov andere groepen. We hebben meer oog voor heterogeniteit binnen de eigen groep. werk.  Geloof in een rechtvaardige wereld we krijgen wat we verdienen (hierdoor kunnen slachtoffers van een ziekte of verkrachting verwijten krijgen). Ingroep de groep waarmee men zich identificeert. intelligent. door. eigen successen worden toegeschreven aan stabiele persoonseigenschappen en eigen mislukkingen aan externe. rijkdom.  Concurrentie voor schaarse goederen (land. eer)  Menselijke natuur om op andere groepen neer te kijken. (bijv. alle Afrikanen lijken op elkaar. situationele oorzaken. Stereotypering is een verzameling van vaststaande. maar hebben toch het idee dat we meer lijken op iemand van onze eigen groep (ik lijk meer op een andere Nederlander dan op een Belg). (een aanval op iemand uit eigen groep bijv. weinig geslapen/ gestudeerd). 94 . hoe homogener de groep lijkt te zijn (bijv. Vooroordeel de emotioneel geladen houding tegenover personen op grond van hun lidmaatschap van een groep. maar Nederlanders verschillen per provincie). Dennis. iemand zakt.5 Groepsperceptie Stereotypering Mensen gaan ervan uit dat een groep relatief homogeen is en op een aantal kenmerken duidelijk verschilt van andere groepen.  Zelfdienende attributies het feit dat we geneigd zijn om attributies te maken die ons zelfbeeld ten goede komen. wordt als zinlozer beschouwd dan iemand van een andere groep. Gedragsmatige (discriminerend gedrag) Vaak werken vooroordelen negatief en hebben mensen de neiging om hun eigen groep als superieur te beschouwen = ingroepfavoritisme.

 Veel processen van onszelf automatisch verlopen zonder dat we hier controle over hebben. Gestandaardiseerde effectgrootte d tussen -5. doordat. 1961) barrière tussen groepen vermindert/ verdwijnt alleen bij intensieve samenwerking (bijv. homoseksuelen.Stigma is een schandvlek van een ‘ongewenst verschil’ die door een sociaal dominante groep opgelegd wordt aan groepen die niet aan de idealen van die dominante groep beantwoorden (joden. (wellicht door observerend leren). Als deze 5.8). Contacthypothese (Sherif. ben je vrijgevig). vaak als je nadenkt over je gevoel is dit een negatief gevoel (bijv. attituden en opinies leiden we af aan onze gedragingen = zelfperceptietheorie. een meer gepaste reactie te geven. Intuïtie geeft vaak een beter beeld dan een volledig beredeneert verhaal. katholieken). Iedereen is onderhevig aan associaties over eigen groep = goed en andere groep = minder goed. Mannen scoren iets hoger in agressief gedrag. als je de beste bent. Iedereen is aan racisme onderhevig. 95 . Vrouwen op glimlachen. Dit geeft echter niet altijd een duidelijk beeld van onszelf omdat soms ons gedrag wordt bepaald door de situatie. werken aan projecten) en niet door slechts bijeenbrengen in sociale activiteiten. onze gevoelens. Theorie van sociale vergelijking we vergelijken onszelf met de groep die het dichtst bij ons staat (bijv. Mensen hebben geen rechtstreekse toegang tot hun zelf. We hebben slechts in beperkte mate toegang tot onszelf. dan een stapje hoger gaan). zelfconcept en zelfwaardering Wat weten we over onszelf? Zelfconcept geheel van overtuigingen dat we hebben over onze eigen kenmerken (bijv. 17. sporten. Bij 0 is dit gelijk. onbevooroordeelde mensen weten dit echter goed te onderdrukken. Stereotypen en vooroordelen ontkrachten Geslachtsstereotypering andere verwachtingen hebben tov een individu wanneer ze vernemen dat die persoon een man of een vrouw is. het enige wat we kunnen doen is deze reactie onderdrukken en bijv. Nederlands/ positief is makkelijker te combineren dan Turks/ positief  Fysiologisch. negers.6 Zelfperceptie Zelfperceptie verwijst naar de manier waarop we onszelf zien en evalueren. In twee componenten.0.0 is dan de ene groep (bijv. mentale rotatie en bereidheid tot seks zonder verdere verplichtingen (hoogste +0. piekeren). mannen) in alle gevallen groter dan de andere groep. meer sympathische activiteit bij persoon uit ander ras. bijv.  Introspectie is niet altijd een aangename activiteit.0 en + 5. Activiteit van amygdala en meer activiteit frontale cortex (verantwoordelijk voor cognitieve controle over emoties). dit blijkt ondermeer uit  Proeven.

een naam die meer op onze eigen lijkt. loterij) o Liefde voor zichzelf bijv. 96 . o onrealistisch optimisme het onderschatten van de eigen kans op een negatieve gebeurtenis (bijv. klinkt aangenamer (bijv. door. het aantal en de diversiteit van de zelfaspecten die we ontwikkeld hebben voor verschillende situaties. rollen en sociale relaties.  Zelfvermeerdering een beter beeld creëren van onszelf dan gegrond is. kans op een ongeluk) o Controle-illusie we denken controle over een situatie te hebben terwijl dit niet het geval is (bijv. door bijv. Door juiste zelf te kiezen om te vergelijken krijg je een betere zelfwaardering.Onze zelfwaardering hoog houden te midden van anderen Zelfwaardering is een emotionele beoordeling van onze waarde als persoon. juiste groep kiezen voor goed gevoel  Zelfcomplexiteit het hebben van meerdere zelven. Sandra vindt Sanya-thee lekkerder dan Larin-thee).  Te genieten van wat we aan het doen zijn  Goed te presteren in vergelijking met anderen.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful