P. 1
Leefbaarheidsmonitor

Leefbaarheidsmonitor

3.0

|Views: 6,895|Likes:
Published by Volkskrant Newsroom

More info:

Published by: Volkskrant Newsroom on Jul 31, 2011
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

12/01/2014

pdf

text

original

Uit de beschreven convergerende trends zou – ten onrechte - de conclusie kunnen worden ge-
trokken dat de leefbaarheid in Nederland steeds meer ‘gemiddeld’ wordt. Dat is niet het geval.
Het geschetste beeld is namelijk gebaseerd op slechts één van de factoren die de uiteindelijke
omvang van de klassen bepalen: de ontwikkeling van gebieden (in positieve of negatieve zin),
gegeven de klasse die ze daarvoor hadden. Het is vanzelfsprekend noodzakelijk om hier de ge-
bieden tegenover te stellen die in de nieuwe meting juist in een bepaalde klasse terechtkomen.
Alleen dan kan de per saldo ontwikkeling van de klassen in beeld worden gebracht. Als we dat
bijvoorbeeld doen voor de klasse ‘zeer negatief’ dan ontwikkelt 70% van de gebieden zich zo-
danig positief dat ze niet meer tot die klasse behoren. Een aandeel van 50% (als percentage van
de klasse ‘zeer negatief’) valt echter weer terug uit matig of negatief naar zeer negatief. Daar-
mee is de omvang van de klasse ‘zeer negatief’ dus per saldo (70%-50%=) 20% afgenomen.
Er is ook nog een derde factor die bijdraagt aan de ontwikkeling van de omvang van de klassen.
Dat is de verandering van het aantal bewoners van de gebieden die qua leefbaarheid niet zijn
veranderd. We benoemen deze factor als ‘demografisch’. Tussen 2008 en 2010 is er in de zeer
negatieve gebieden een afname van de bevolking geweest van circa 8%. Die ontwikkeling hangt
vermoedelijk samen met herstructurering, waarbij als gevolg van sloop in deze gebieden de
omvang van de bevolking ook afneemt. Het kan ook komen door individualisering (kleinere
huishoudens, bijvoorbeeld samenhangend met vergrijzing) in deze gebieden. De per saldo ont-
wikkeling van de omvang van de zeer negatieve gebieden tussen 2008 en 2010 komt daarmee
op -70% + 50% - 8% = -28%. Van de andere gebieden is de omvang tussen 2008 en 2010 per
saldo toegenomen. Soms in zeer geringe mate zoals in de negatieve gebieden en soms vrij fors
(10%) in de ‘matige’ gebieden (figuur 5-2).

figuur 5-2 Ontwikkeling van het aantal inwoners per klasse tussen 2008 en 2010

Bij eenzelfde bewerking voor de langjarige ontwikkeling tussen 1998 en 2010 (figuur 5-3) wordt
zichtbaar dat de recente per saldo ontwikkeling van de omvang van de klassen een nadrukkelijk
ander beeld laat zien dan de langjarige ontwikkeling.

-100%

-50%

0%

50%

100%

zeer negatief

negatief

matig

matig positief

positief

zeer positief

uiterst positief

verandering tussen 2008 en 2010

verdwenen uit de klasse
nieuw in de klasse
demografisch
per saldo

56

Leefbaarheid in balans

figuur 5-3 Ontwikkeling van het aantal inwoners per klasse tussen 1998 en 2010

De langjarige ontwikkeling pakt overwegend gunstig uit voor alle leefbaarheidsklassen vanaf
‘positief’. Met andere woorden: er wonen anno 2010 aanzienlijk meer mensen in de gebieden
met een positieve leefbaarheid dan in 1998. Een niet onbelangrijk deel van deze ontwikkeling is
‘demografisch’ bepaald. In het bijzonder door nieuwbouw zijn in deze periode nieuwe woonge-
bieden gecreëerd die overwegend positief scoren qua leefbaarheid. Daarmee is de voorraad
aan gebieden met een gunstige leefbaarheid dus per saldo toegenomen. Het omgekeerde is het
geval voor de gebieden met leefbaarheidsproblemen. De overwegende langjarige trend is dus
niet zozeer een beweging naar het gemiddelde maar een positieve ontwikkeling waarbij het
kantelpunt zich tussen de klasse ‘matig positief’ en ‘positief’ bevindt.
Dit nuanceert in het bijzonder de convergerende trend aan de positieve zijde van de schaal. De
toename van gebieden met een zeer positief of uiterst positieve leefbaarheid is uiteindelijk
groter geweest dan de afname zodat – naar klassen bezien – het niet zo is dat er minder men-
sen wonen in de zeer positieve en uiterst positieve gebieden. Deze gebieden zijn zelfs in om-
vang toegenomen. Dat neemt echter niet weg dat er – bezien vanuit de leefbaarheid die speci-
fieke gebieden op enig moment in de tijd hebben - wel sprake is van convergentie. Dat geldt in
ieder geval aan de negatieve kant: gebieden met leefbaarheidsproblemen gaan er per saldo op
vooruit. En het geldt ook voor de uiterst positieve gebieden. Voor vrij veel gebieden met een
uiterst positieve leefbaarheid lijkt het moeilijk om die status vast te houden. Een deel valt te-
rug naar ‘zeer positief’ of ‘positief’. Dit wordt per saldo echter gecompenseerd door de nieuwe
uiterst positieve gebieden en de verbetering in gebieden die nog geen uiterst positieve leef-
baarheid hadden.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->