Beperkende taal

In f ilos of ie e n d e b at

Filosofie van Media en Communicatie Peter Melis 3641872 Premaster NMDC Blok 4 Vakdocent: Imar de Vries Werkgroepdocent: Michiel de Lange 29-06-2011

Inhoudsopgave
Inleiding ................................................................................................................................................... 1 Taal .......................................................................................................................................................... 2 Semiotiek ............................................................................................................................................. 2 Het probleem van vertalen ................................................................................................................. 3 Heidegger in vertaling ............................................................................................................................. 4 Taal en de beperking van het discours .................................................................................................... 6 De beperking van het discours ............................................................................................................ 6 De invloed van metaforen ................................................................................................................... 7 De beperking van het discours rond het auteursrecht ....................................................................... 8 Conclusie ............................................................................................................................................... 11 Geciteerde bronnen .............................................................................................................................. 12

Inleiding
Iedereen die de Matrix trilogie heeft gezien, herkent de volgende woorden van Agent Smith: There's no escaping reason, no denying purpose, because as we both know, without purpose, we would not exist. It is purpose that created us, purpose that connects us, purpose that pulls us, that guides us, that drives us, it is purpose that defines, purpose that binds us (The Matrix Reloaded). Als we in dit citaat ´purpose´ vervangen door ´language´, ontstaat er een schijnbaar correcte claim over wat taal is en wat taal doet. Dat taal van grote invloed is op ons leven, kan niet ontkent worden. Taal is overal, zeker wanneer het breder wordt gedefinieerd dan alleen gesproken of geschreven taal. Taal vinden we ook terug in tekens, zoals verkeersborden, reclames en logo’s. Omdat taal zo alomtegenwoordig is, is het niet vreemd dat het in de filosofie een veel besproken onderwerp is. Nietzsche stelt dat taal dingen aan elkaar gelijk stelt die niet aan elkaar gelijk zijn, Heidegger stelt dat Plato’s werk, door het gebrek aan het juist vertalen vanuit het Grieks, de filosofie in de eeuwen daarna heeft verward (zie ‘Plato’s Doctrine of Truth’), en zo zijn er vele voorbeelden van de behandeling van (de invloed van) taal binnen de filosofie. In de praktijk is taal de manier voor de mens om met elkaar te communiceren. Alleen door taal kunnen we het eens worden over dingen, kunnen we dingen afspreken, kunnen we dingen laten gebeuren enzovoorts. Jurgen Habermas definieert het communicatieve handelen als “alle handelingen van mensen die gericht zijn op het bereiken van onderlinge overeenstemming met anderen op maatschappelijk gebied” (Kunneman, Munnichs en van Gelder 185). Het is deze overeenstemming waar ik in dit paper de aandacht op richt. Zoals we in ‘Plato’s Doctrine of Truth’ kunnen lezen, worden vertalingen van filosofische schriften of gedachten wel eens in twijfel getrokken. Heidegger stelt dat dit, in dit geval, van zeer grote invloed is geweest op de denkwijze van filosofen na Plato. Hij bekritiseert deze invloed door te twijfelen aan de juistheid van Plato’s idee van de essentie van waarheid (9). In dit geval is er geen overeenstemming tussen de vertaling van de Griekse filosofen door Plato en de interpretatie van de Griekse filosofen door Heidegger. Als we de definitie van communicatief handelen van Habermas volgen, is dit een (zeer gewichtig) voorbeeld van een mislukte taalhandeling. Het is dit voorbeeld van een twijfel aan het vertalen van de ene naar de andere taal, dat heeft geleid tot dit paper. Dit paper behandelt de wijze hoe wij kennis vergaren, verspreiden en uitbreiden en hoe taal hier een beperkende factor in kan zijn. In dit paper behandel ik een aantal ideeën over taal en vertalen, om vervolgens in te gaan op een discrepantie in een vertaling van een filosofisch concept van Heidegger, om de invloed van taal te illustreren. Vervolgens vertaal ik deze invloed van taal naar de invloed van taal op een discours rond nieuwe media. Ik behandel daarvoor de beperkingen van het discours, zoals beschreven door Foucault, om vervolgens het belang van metaforen in het debat rond het auteursrecht en het internet duidelijk te maken. De conclusie van dit paper zal geen oplossingen voor voorgestelde problemen geven, maar het zal eerder een argument zijn om meer bewust te worden van de invloed van taal op de filosofie en het discours.

1

Taal
Uiteraard zijn er in de taalfilosofie verschillende opvattingen te vinden over taal. De structuralistische analyse van taal houdt zich bezig met de vraag hoe de betekenis van een zin naar voren komt uit de onderdelen waarmee de zin is opgebouwd, namelijk zelfstandige naamwoorden, werkwoorden enzovoorts. Deze benadering wordt uitgebreid door ook waarde te hechten aan de betekenis van de woorden in een zin en hoe deze betekenissen samen inzicht geven in wat er daadwerkelijk geuit wordt. Anderen geven de voorkeur om bij de analyse van taal rekening te houden met de context. Zij nemen bijvoorbeeld in het geval van gesproken taal niet alleen de spreker en het gesprokene, maar ook de ontvanger en zijn of haar interpretatie mee in de analyse en de context waarin de uiting geuit is. Zonder ons te verliezen in de fundamentele vragen over wat taal precies is en wat de betekenis van ‘betekenis’ is, wil ik hier een kader schetsen waarbinnen ik de hieronder beschreven casussen kan behandelen. Semiotiek De mens geeft betekenis aan dingen door het creëren en interpreteren van tekens. Charles Sanders Peirce stelde al in zijn Collected Papers: “We think only in signs” (2.302). Tekens kunnen vele vormen aannemen, zoals woorden, geuren, geluiden en vormen. Deze tekens krijgen volgens Peirce pas een betekenis als ze geïnterpreteerd worden. Hier kom ik later op terug. Een andere belangrijke taalfilosoof die zijn filosofie ook op het teken baseert, is Ferdinand de Saussure. Voor hem wordt de betekenis van een teken geconstrueerd door ‘signifier’ en ‘signified’, ofwel, respectievelijk, de vorm die het teken heeft en het concept waaraan het refereert (67). Hierbij maakt De Saussure duidelijk dat het bij signified niet gaat om de fysieke vorm die bijvoorbeeld bedoeld wordt met het woord ‘boom’, maar voor De Saussure zijn signifier en signified beide psychologisch (12). Losse woorden hebben volgens zijn idee geen betekenis op zich, maar krijgen pas betekenis als ze een signified hebben; er bestaan geen signifiers zonder het concept waar ze aan refereren en er bestaan geen signified zonder een teken dat ernaar verwijst. Het gaat De Saussure om de relatie tussen deze twee elementen. De tekens die uit de relatie voortkomen hebben alleen maar betekenis doordat ze samen een systeem vormen. Tekens verwijzen naar tekens enzovoorts. “No sign makes sense on its own but only in relation to other signs. Both signifier and signified are purely relational entities” (118). Waar De Saussure de betekenis van tekens uit hun onderlinge relatie haalt, gaat Charles Sanders Peirce uit van een drievoudige relatie in plaats van De Saussures tweevoudige relatie. Peirce gaat uit van een representamen, dat gezien kan worden als de equivalent van signifier, een interpretant, dat enigszins lijkt op De Saussures signified en een object, waaraan het teken refereert (2.228). In tegenstelling tot de theorie van De Saussure, verwerkt Peirce wel een object waaraan het teken refereert. Een teken krijgt dus niet alleen vorm door de relatie die bestaat tussen de signifier en signified, maar ook door de relatie met het object waaraan gerefereerd wordt. De interpretant van Peirce is niet zoals signified het concept waarnaar de signifier verwijst, maar het is het resultaat van een representamen dat geïnterpreteerd wordt. De interpretant is niet de interpreet zelf, maar het beeld dat bij de interpreet ontstaat van het teken. Deze interpretant is niet

2

altijd betrouwbaar en kan leiden tot verwarringen over wat er in principe bedoelt werd met een bepaald teken of uiting (Gorlée 94). Een andere verandering ten opzichte van De Saussure is dat het meenemen van de interpretatie van een representamen, resulteert in taal als een proces. Peirce stelt namelijk dat de interpretatie weer kan dienen als representamen . Hierdoor kan betekenisgeving een eindeloos proces worden. Dit in tegenstelling tot de betekenisgeving van De Saussure die zich beperkt tot de tekens, zonder de interpretatie mee te nemen (5.488). Het moge duidelijk zijn dat de rol van interpretatie groot is. Verderop in dit paper zal ik dit verder illustreren. Het probleem van vertalen De rol van interpretatie bij het bepalen van betekenis wordt nog duidelijker wanneer we het hebben over vertalen. Ludwig Wittgenstein stelde al in 1922 in zijn Tractatus Logico-Philosophicus dat het vertalen van een zin van de ene taal naar een andere niet zomaar door middel van een woordenboek kan (4.025). Een woordenboek geeft slechts definities van losse woorden. Deze definities bij elkaar kunnen niet de betekenis van een zin vertalen (Gorlée 89). In later werk zegt Wittgenstein het volgende: ““two sentences of different languages" sharing "the same sense"; and "therefore the sense is not the same as the sentence", but one interpretation among others, "a shadowy being" capable of lying” (cit. in Gorlée 95). Waar eerder gesteld werd dat het letterlijk vertalen van woorden niet leidt tot een goede vertaling van een zin, stelt Wittgenstein hier dat een goede vertaling dezelfde betekenis met zich meedraagt, maar dat deze betekenis een van vele mogelijke interpretaties is en dat zo’n interpretatie niet zomaar als juist aangenomen kan worden. Hier is de theorie van Peirce te herkennen, in zoverre dat Wittgenstein hier de interpretatie van een zin meeneemt wanneer hij kijkt naar het proces van vertalen. Als we het hebben over vertalen is het echter zo dat er een vierde element bijkomt in het proces. Naast Peirces interpretant krijgt de interpreet een cruciale rol. De interpreet of vertaler interpreteert en vertaalt vervolgens zijn of haar eigen interpretatie van de te vertalen tekst (Gorlée 103). Deze interpretatie van een interpretatie kan leiden tot het verkeerd weergeven van de betekenis van de originele tekst, of zoals Wittgenstein het stelt: de interpretatie is een “shadowly being, capable of lying”. De Saussure herkent dit probleem ook. Hij neemt als voorbeeld de vertaling van het Franse woord ´mouton´ in het Engelse woord ´sheep´. Hij stelt dat het wel hetzelfde betekent (volgens het woordenboek), maar het heeft een geheel andere waarde. Dit komt doordat in het Engels schapenvlees, als het bereid is als maaltijd, niet ´sheep´, maar ´mutton´ heet. “The difference in value between sheep and mouton hinges on the fact that in English there is also another word mutton for the meat, whereas mouton in French covers both” (114). Ik wil graag stellen dat de manier waarop betekenis wordt gegeven aan taaluitingen en de rol van interpretatie bij dit proces, evenals in het proces, van vertalen kan leiden tot misverstanden en verwarringen in filosofie en in het discours rond een bepaald onderwerp. Ik zal eerst een casus behandelen over een mogelijk probleem van vertaling binnen de filosofie.

3

Heidegger in vertaling
Een van de meest behandelde concepten van Martin Heidegger is Dasein, voortkomende uit Martin Heideggers Sein und Zeit uit 1927. In dit gedeelte laat ik zien dat de vertaling (en dus interpretatie) van dit concept kan leiden tot verschillende betekenissen en vooral tot verschillende manieren om dit concept in te zetten bij het denken over bijvoorbeeld techniek. Christian Ciocan onderschrijft het belang van het goed vertalen van Heideggers werk, door te stellen dat de mate van verspreiding van Heideggers ideeën afhangt van de kennis en vaardigheden van de vertalers (9-10). Ik zal zelf echter geen waardeoordelen aan de vertalingen geven, maar puur de verschillen en de eventuele gevolgen van deze verschillen weergeven. In het artikel “Het wezen van de techniek bij Martin Heidegger” probeert Samuel IJsseling Heideggers gedachten te vertalen in iets wat beter leesbaar is voor niet-filosofen. Hij geeft in dit artikel een vrij uitgebreide uitleg van het concept Dasein in het Nederlands. IJsseling schrijft dat Heidegger vooral opzoek is naar de betekenis van het woord ‘zijn’ wanneer wij het gebruiken, in al zijn varianten. Dit resulteert uiteindelijk in de belangrijkste vraag voor Heidegger: “wat betekent het dat de mens ‘is’” (21). Een belangrijk punt dat hier door IJsseling genoemd wordt is dat ‘zijn’ een werkwoord is. Het is geen zelfstandig naamwoord en het is daarom verwarrend om over ‘het zijn’ te praten (22). Het zijn van de mens noemt Heidegger het Dasein. Het Dasein is een gebeuren: “Het Dasein is dat gebeuren dat plaatsvindt, dat geschiedt wanneer een mens zijn bestaan voltrekt, wanneer wij – u en ik – ‘er zijn’. (…) En mijn bestaan, mijn ‘zijn’ is een zich-verhouden-totde-wereld” (23). Hierbij is de wereld niet de aardbol, maar de wereld die rondom de mens: “de wereld van vrouw en kinderen, van mijn werk, van mijn collega’s, van het verkeer – mijn wereld waarin ik mijn bestaan voltrek” (23). In dat ‘zich verhouden tot’ of in dat ‘omgaan met’ verwerkelijkt de mens zichzelf, daarin wordt hij zichzelf, daarin bouwt hij zijn eigen bestaan uit in al zijn verscheidenheid aan vormen. Bovendien brengt hij daar ook een wereld tot stand, zijn wereld (24). Volgens IJsseling is techniek voor Heidegger “een heel specifieke vorm van ‘omgaan met’ onszelf, medemensen en dingen, dat tevens een ‘min of meer verstandig omgaan met’ is” (25). Met deze zin verbindt IJsseling het idee van techniek met Dasein en Verstehen. Tenslotte schrijft IJsseling dat we veel te danken hebben aan techniek: “Heel onze welvaart, ons concreet menselijk bestaan, de wijze waarop we omgaan met onszelf, onze medemensen en de dingen, en de vrijheid die wij genieten om ons bestaan die vorm te geven die het in feite heeft” (34). Hier verbindt IJsseling voor de tweede keer techniek met ons ‘omgaan met’, het Dasein. IJsselings vertaling van Heideggers concept van Dasein gaat uit van het werkwoord en het feit dat het een gebeuren is dat plaatsvindt: daar (plaats) zijn (werkwoord). Het is een lopend proces en het vindt altijd plaats. Lynette Khong gaat echter op een geheel andere manier op met het concept van Dasein. Ondanks dat zij in haar artikel niet een dergelijk uitgebreide beschrijving geeft van Heideggers Dasein, is er een fundamenteel verschil te vinden met de beschrijving van IJsseling: Khong ziet Dasein wel als een zelfstandig naamwoord. En lang citaat uit haar artikel illustreert dit uitstekend: The essence of technology is seen as a revealing of the world that is ‘granted’ to us by “Being”, and is beyond our immediate control. In turn, “Being” is neither to be understood as

4

a metaphysical ground, nor as a god nor as any entity, but instead as the realm of unconcealment in which ‘at any given time the real shows itself or withdraws’ (…). Being is to be differentiated from beings, which are entities in the world (…), and instead should be recognised as the condition for encountering such beings (696). Als eerste gaat Khong in op het concept van Dasein door uit te leggen dat het geen god of entiteit is. Deze neiging is te verklaren door het feit dat Dasein in het Engels vertaald wordt met Being. In het Engels is Being naast een werkwoord ook een zelfstandig naamwoord wat met het Nederlandse ‘zijn’ niet het geval is. Khong vervolgt haar beschrijving door te schrijven dat Being een “realm” en een “condition” is. Ook dit zijn zelfstandige naamwoorden. Het idee van Being als werkwoord, als proces, komt in haar beschrijving niet naar voren. Er zijn meerdere voorbeelden van de beschrijving van Being als zelfstandig naamwoord in haar artikel te vinden, maar de genoemde voorbeelden geven dit al voldoende aan. Wanneer Khong vervolgens Heideggers opvatting over de relatie van de mens tot de wereld behandelt, schrijft ze: “His central point here is that the world is not encountered by us in its totality as an object. Rather, human beings or “Dasein” encounter things in the world unreflectively (…)” (697). Door het woord “or” tussen “human beings” en “Dasein” te plaatsen, stelt ze deze twee termen aan elkaar gelijk. Ik heb hier nog even over getwijfeld, omdat je het eventueel ook kan lezen als een gewone of/of relatie, maar het gebruik van het woord “or” kan naar mijn mening niet anders gelezen worden als “ofwel”. Ook dit is een voorbeeld van een geheel andere beschrijving van het concept Dasein dan die van IJsseling. In het vervolg van haar artikel gaat Khong wel in op het idee van techniek, maar niet zo specifiek als IJsseling. Zij richt haar betoog meer op het doorbreken van het subject/object denken, waar IJsseling duidelijk Dasein verbindt met Heigeggers ideeën over techniek. Toch wil ik argumenteren dat de beschrijving van Being van Khong kan leiden tot hele andere ideeën over techniek. Door het vertalen van Dasein in een zelfstandig naamwoord, haalt Khong ‘het gebeuren’ en het procesmatige van Dasein weg, waar IJsseling deze elementen heel specifiek in zijn beschrijving verwerkt. IJsseling ziet techniek als een vorm van ‘omgaan met’ ofwel Dasein, en ziet daardoor techniek als iets alomtegenwoordigs waar wij veel aan te danken hebben, maar waar we ook altijd mee te maken hebben. We kunnen er niet aan ontsnappen. We staan altijd in relatie met techniek en het omringt ons (IJsseling 33,35). Khongs opvatting van Being als een condition impliceert juist dat het er soms wel is en soms niet. Het is een voorwaarde om andere mensen, dieren en dingen te kunnen tegenkomen (Khong 696). Ik wil graag stellen dat een dergelijke fundamentele verschuiving in de vertaling en/of interpretatie van een concept als Dasein grote gevolgen heeft voor de verdere ontwikkeling van het denken van, in dit geval, IJsseling en Khong, wanneer zij gebruik maken van dit concept. Het is een duidelijk voorbeeld van een “shadowly being, capable of lying”, zoals hierboven beschreven. Het is de invloed van de vertaling van de interpretatie van een concept door een vertaler. De optelsom van interpretaties/vertalingen zorgt ervoor dat de vertaalde tekst verder verwijderd raakt van de originele tekst. Ik wil daarbij wel aangeven dat mijn interpretatie van de beschrijvingen van IJsseling, en daarbij ook de vertaling van Khong naar het Nederlands, mijn tekst nog verder van het origineel verwijdert. Om deze reden heb ik, zoals hiervoor al aangegeven, niet gekozen om de beschrijvingen op juistheid te beoordelen, maar om de verschillen uit te lichten.

5

Taal en de beperking van het discours
In dit gedeelte van het paper laat ik zien hoe taal en in het bijzonder retorische figuren, zoals de metafoor, en de interpretatie daarvan een debat rond een bepaald onderwerp kan beperken. Het debat dat ik behandel is het debat rond het auteursrecht en het internet. Sinds Het Grote Downloaddebat van 27 mei 2010 is de kwestie van het auteursrecht zeer actueel in de media en staat het sterker op de politieke agenda dan voorheen. Het voorstel van staatssecretaris Fred Teeven van de VVD om downloaden in Nederland te verbieden, krijgt de meeste aandacht (De Vrieze, ‘Staatssecretaris Teeven’). Tot nu toe schrijft de wet in Nederland voor dat het uploaden van auteursrechtelijk materiaal zonder toestemming verboden is. Het downloaden van deze content is echter niet verboden. Binnen het debat zijn er een aantal partijen die ieder een andere visie op dit probleem hebben. Deze partijen beïnvloeden het debat bewust of onbewust door het gebruik van taal. Ik zal eerst aan de hand van Foucault laten zien hoe het discours beperkt wordt door taal om vervolgens te laten zien hoe in het verleden metaforen zijn gebruikt om de betrokken partijen in te delen in goed en kwaad. Tenslotte zal ik laten zien dat ook in het debat rond het auteursrecht op deze manier gebruikt wordt gemaakt van taal en wat de eventuele gevolgen daarvan zijn. De beperking van het discours Bernard Cohen erkende in 1963 al in zijn boek The press and foreign policy dat de (massa)media van grote invloed zijn op wat de lezers en kijkers belangrijk achten: “The press may not be successful much of the time in telling people what to think, but it is stunningly successful in telling its readers what to think about” (13). Het is dus belangrijk wat er in de media naar voren komt over een bepaald onderwerp. Even belangrijk is hoe het naar voren wordt gebracht. Lawrence Liang onderschrijft dit in zijn artikel “Copyright/copyleft”. It is our argument that an understanding of the insertion of the discourse of copyright into quotidian imagination is critical for an insight into the profound transformations that are taking place within the realm of the production and distribution of knowledge and cultural commodities. It is in these spaces that the myth of copyright is carefully constructed and constantly reinforced (Liang, “Copyright/copyleft”). Vanuit Michel Foucault kijk ik naar het discours rond het auteursrecht. In Foucaults De orde van het spreken wordt het discours gedefinieerd als “de talige weergave van een proces van redeneren”(28). Hij stelt dat in iedere maatschappij het discours wordt beperkt door drie groepen principes: uitsluitingprincipes, verspreidingsprincipes en toegangsprincipes. Voor dit paper is de eerste groep principes het meest van toepassing. De overige twee laat ik buiten beschouwing, omdat zij buiten het doel van dit paper vallen. De uitsluitingsprincipes die Foucault benoemt zijn het verbod, de verstoting van waanzin en de wil tot waarheid. Voor de operationalisering van deze principes gebruik ik de interpretatie uit het artikel ‘Will the revolution be open-sourced?’ van Marianne van den Boomen en Mirko Tobias Schäfer. Omdat zij ook een discours rond nieuwe media in kaart brengen, in een vorm die overeenkomt met de analyse in dit paper, zijn deze interpretaties zeer bruikbaar. In dit artikel worden deze uitsluitingspricipes geïnterpreteerd als het verbod dat reguleert waarover gesproken mag worden en

6

wie er mag spreken over een bepaald onderwerp, de scheiding tussen reden en waanzin wat onderscheid maakt tussen betrouwbare en onbetrouwbare sprekers en de wil tot waarheid, die vooral gerepresenteerd wordt door de wetenschap en onderzoeksinstituten (15). Van den Boomen en Schäfer herkennen in het discours rond open-source drie uitsluitingspatronen: a) criminalising the opponent, spreading doubt about intentions or reliability, constituting and maintaining taboos; b) proving that the antagonist’s claims are wrong and irrational, constructing the truth by new evidence and facts; c) the use of rituals, metaphors and symbols to reframe the discourse (16). Het gebruik van metaforen en symbolen kan bij deze leiden tot wat er in patroon a en b genoemd wordt: het criminaliseren van de tegenstander en de argumenten van de tegenstander als irrationeel bestempelen. Foucault stelt verder dat de wil tot waarheid wordt verdrukt wanneer er binnen het discours veel gebruik wordt gemaakt van criminaliserende uitingen en uitingen die andere partijen binnen het discour voor gek verklaren. Omgekeerd wordt het criminaliseren en het voor gek verklaren steeds zwakker naarmate de wil tot waarheid sterker wordt nagestreefd (43). De invloed van metaforen William Patry stelt in zijn boek Moral Panics and the Copyright Wars dat we uit moeten zoeken hoe we gekomen zijn waar we nu zijn, voordat we verder kunnen gaan met een zinvol debat over het auteursrecht. Een manier om dat te doen is door te kijken naar hoe taal is gebruikt en misbruikt, vooral door het gebruik van metaforen die het auteursrecht bestempelen als bezit en die degenen die auteursrechtelijk beschermd materiaal gebruiken zonder toestemming te bestempelen als dieven of parasieten (14-15). Dit is een gebruikelijke strategie binnen politiek debat: voor elkaar krijgen wat je wilt door jezelf in positief daglicht en je tegenstander in kwaad daglicht te stellen (15). Ook Mirko Tobias Schäfer herkent deze strategie binnen het debat rond het auteursrecht in zijn boek Bastard Culture!. Om de langdurige geldigheid van het auteursrecht te verdedigen, worden positieve associaties ingezet, zoals kunst, creativiteit, de vrije markt, geldelijke beloning voor ontwikkelen en creëren, het origineel is beter dan een kopie, een commercieel product is betrouwbaarder, beter onderhouden, veiliger dan producten die ontwikkeld zijn in losse samenwerkingsvormen. Aan de andere kant worden negatieve associaties gebruikt om de opkomende mediavormen te omschrijven. Er wordt vaak gesproken van communisme, piraterij, diefstal, onverantwoordelijkheid, destructiviteit, non-creativiteit, het dwarsbomen van creativiteit en ontwikkeling en het destabiliseren van een industrie en het veroorzaken van werkeloosheid (141). Door het debat op te delen in het goede (auteursrecht) tegen het kwade (immorele jeugd die steelt) verschuift het debat van het tekortschieten van de ‘copyright industry’ om economische vooruitgang te boeken, naar abstracte principes, zoals het belonen van auteurs en het straffen van piraten (Patry 29). Patry erkent het gevaar van misleidende uitingen binnen het debat rond het auteursrecht: The way we have come to talk about copyright is harmful to the way we think about copyright, harm that has led to bad business and bad policy decisions. (…) In place of

7

reasoned analysis, too often we encounter emotionally laden appeals using ancient, rhetorical devices designed to demonize opponents and to create the impression there is an existential threat to society (XV). Een van de belangrijkste retorische figuren, waarop Patry doelt, is de metafoor. Het gevaar van de metafoor schuilt in het feit dat in het debat rond het auteursrecht bijvoorbeeld niet wordt gezegd dat een persoon die zonder toestemming gebruik maakt van auteursrechtelijk beschermd materiaal, zich gedraagt als een piraat, maar dat hij of zij een piraat is (43). De verwijzing naar piraterij heeft voor de toehoorders een negatieve connotatie. Door de metafoor maar vaak genoeg te gebruiken, zullen de toehoorders deze negatieve connotatie permanent gaan verbinden met de personen die zonder toestemming gebruik maken van auteursrechtelijk beschermd materiaal. Op deze manier worden ze gecriminaliseerd, zonder dat dat per definitie terecht is. George Lakoff en Marc Johnson herkennen dezelfde werking van de metafoor. Zij stellen dat we sommige metaforen al zo lang en zo vaak gebruiken, dat ze transparant worden (Metaphors We Live By). Door veelvuldige blootstelling aan een bepaalde metafoor, bouwt er langzaam een beeld van hetgeen waar de metafoor aan refereert op, of dit beeld nu goed of kwaad is en klopt of niet. In semiotische termen is een metafoor een signified dat als signifier dient voor een andere signified, bijvoorbeeld de metafoor van de piraat in het debat rond het auteursrecht: piraat (signified) dient als signifier voor de personen die auteursrechtelijk beschermd materiaal zonder toestemming downloaden (signified). De beperking van het discours rond het auteursrecht Een aantal partijen komen het meest naar voren in de media, wanneer het gaat over het debat rond het auteursrecht en in het bijzonder rond het debat rond Fred Teevens voorstel voor het downloadverbod. In interviews en andere media-uitingen wordt er door de verschillende partijen op verschillende wijzen vorm gegeven aan het debat. De drie uitsluitingspatronen, zoals beschreven door Van den Boomen en Schäfer, komen duidelijk terug in het debat. Ik neem als voorbeelden de uitingen van de twee partijen met de meest uiteenlopende visies binnen het debat: de visies van Stichting BREIN en Bits of Freedom (Bof). Het gebruik van taal met als doel het criminaliseren van andere partijen wordt het vaakst geuit door Stichting BREIN. Zij zijn, als enige grote partij, voor een ondubbelzinnig verbod. In het voorstel voor het downloadverbod staat, dat kleinschalige downloaders niet zullen worden vervolgd. BREIN reageert hierop met: “in het voorstel staat dat er niet zal worden opgetreden tegen individuele consumenten die "beperkt" illegale kopieën up- en downloaden. Ik begrijp niet waarom mensen die bewust muziek en films stelen, zouden moeten worden uitgezonderd” (Noort, ‘Bewust stelen’). Hoewel Stichting BREIN in een eerder interview stelt dat het beter is internetgebruikers met legaal aanbod te bedienen, dan hen te demoniseren (Suurmond, ‘Kroes wil auteursrecht moderniseren’), wordt het duidelijk dat Stichting BREIN niet terugdeinst de consument te criminaliseren. De strafrechtelijke aanpak die Stichting BREIN aanhangt, vertaalt zich in meerdere criminaliserende uitingen en uitingen die een strenge handhaving uitdragen: “Als ze na nog een waarschuwing hardnekkig doorgaan, kan je ze in het uiterste geval tijdelijk afsluiten van internet. Pas als er sancties zijn, werkt zo’n verbod” (Keuning, ‘Wie maakt een einde’). In een reactie op de uitspraak van de Piratenpartij, dat ze voor The Pirate Bay optreden als ISP zegt Kuik: “Door de site te hosten maakt de Piratenpartij zich schuldig aan een strafbaar feit” (De Vrieze, ‘Case Closed’).

8

Bof maakt zijn criminaliserende claims meer richting het downloadverbod. Ze spreken van het schenden van een grondrecht. In een interview in de Volkskrant zegt Ot van Daalen, directeur van Bof: “internet is een grondrecht waarvan je niet lichtvaardig mag worden afgesloten. afsluiten is een inperking van het recht op vrije meningsuiting” (Ammelrooy, ‘Muziekindustrie volhardt’). Hij zet hier het principe van een vrij internet neer als een grondrecht. Door de blokkering van websites, zoals The Pirate Bay, als censuur neer te zetten, wordt het gevoel van een totalitair beleid opgewekt, wat als misdadig wordt gezien door de Nederlandse burgers. Bof houdt zich meer bezig met het ontkrachten van de argumenten van de andere partijen, wat in Foucaults termen gezien kan worden als de verstoting van de waanzin. In Het Grote Downloaddebat tracht Ot van Daalen in zijn openingsspeech de argumenten en standpunten van Stichting BREIN in vier tegenargumenten te ontkrachten: Miljoenen internetgebruikers over de hele wereld zijn woest over de onderhandelingen over het geheime Anti-Piraterijverdrag ACTA. (…) En wat doet BREIN? Die schrijft een brief aan het kabinet, en ze vraagt om het verdrag uit te breiden, naar internetpiraterij. Miljoenen internetgebruikers accepteren niet dat al hun internetverkeer wordt afgeluisterd om het auteursrecht te handhaven. (…) En wat doet BREIN? Die bepleit juist dat het internetverkeer van alle Nederlanders moet worden afgeluisterd. Miljoenen Nederlanders vinden het onacceptabel dat hun internetverbinding wordt afgeknepen of afgesloten. (…) En wat wil BREIN: die wil je internetverbinding afknijpen Ook de onderzoeken waar BREIN mee schermt zijn compleet onbetrouwbaar. Het BASCAPrapport, waarmee zij naar buiten treedt, is grondig kapotgeanalyseerd door een echt onafhankelijk onderzoeksorgaan, de Social Science Research Council. Ondertussen concluderen gerenommeerde onderzoeksinstituten SEO, TNO en IViR juist dat de economische effecten van file sharing op de Nederlandse welvaart op de korte en de lange termijn juist sterk positief zijn (Ot van Daalen in Het Grote Downloaddebat). Het voorstel van Fred Teeven wordt ‘voor gek verklaard’ door stellingen als: “internetproviders worden censuurmachines en internetgebruikers worden continu afgeluisterd. Het is dan ook een raadsel hoe de contentindustrie kan claimen dat zo een systeem “geen enkele” gevolgen heeft voor de privacy” (Van Daalen, ‘Copyrightindustrie’), en: “Nu maakt hij persoon A, de consument, strafbaar om persoon B, de tussenpersoon, aan te pakken. Het is juridische nonsens” (De Vrieze, ‘Downloadverbod’). BREIN richt zich met het voor gek verklaren vooral op de downloadende consument: “als filesharing ondergronds gaat, zal het vanzelf kleiner worden. Voor de ‘normale’ consument zal het minder aantrekkelijk worden” (De Vrieze, ‘Tim Kuik’). Het idee dat een consument niet normaal is wanneer hij of zij auteursrechtelijk materiaal download zonder toestemming is een vrij letterlijke voor-gekverklaring, terwijl een groot deel van de Nederlandse consumenten dit wel doen. Als we de al besproken metafoor van de piraat buiten beschouwing laten, omdat deze al behandeld is, zien we dat Bits of Freedom zich het vaakst bedient van metaforen. In Het Grote Downloaddebat noemt Ot van Daalen de muziekindustrie een “dinosaurus, die wild om zich heen slaat en dieren vertrapt”. Deze metafoor van de dinosauriër als uitgestorven soort zorgt voor kracht achter het vaak

9

gehoorde argument van Bits of Freedom dat de muziekindustrie ouderwetse bedrijfsmodellen probeert te handhaven en innovatie in de weg zit (‘Persbericht: Downloadverbod slecht’). Een tweede voorbeeld van een metafoor die Bits of Freedom gebruikt, is de metafoor van het vrije internet als de motor van de economie: “Je moet een belangrijke motor van de economie niet inzetten als een wapen voor repressie” (Ammelrooy, “Muziekindustrie volhardt”). Hierbij wordt het internet als primaire drijfkracht voor de economie gesteld. Een machine heeft over het algemeen namelijk één motor. Hierdoor zet Bof het internet op een voetstuk, dat het niet in deze vorm verdient.

10

Conclusie
In het eerste deel van dit paper heb ik de invloed van taal en vertalen op het denken met filosofische concepten al laten zien, met behulp van de twee interpretaties en vertalingen van Heideggers concept Dasein. Als gevolg hiervan kunnen er geheel andere vormen van het concept Dasein ontstaan. Dit kan aan de ene kant de bespreekbaarheid van het concept ten goede komen, omdat mensen het niet eens zijn met elkaars interpretatie op het concept. Aan de andere kant wordt taal graag gezien als datgene dat ons met elkaar verbindt en waardoor wij tot overeenkomst kunnen komen. Dit gaat in dit geval niet op. Doordat we makkelijker en sneller internationaal kunnen communiceren, kunnen ideeën sneller verspreid worden en dus ook sneller verder af komen te staan van het oorspronkelijke idee. Deze invloed van taal op het denken van mensen wordt verder duidelijk in het debat rond het auteursrecht. Foucault stelt dat het debat beperkt wordt door verschillende uitsluitingsprincipes. Deze principes zijn ook duidelijk te herkennen in het debat rond het auteursrecht. Doordat de betrokken partijen gebruik maken van criminaliserende uitingen en van het ‘voor gek verklaren’ van de andere partijen in het debat door middel van het gebruik van de taal en in het bijzonder metaforen, beperken zij zelf het debat. Het debat richt zich daardoor minder op het onderwerp waar de partijen overeenstemming over moeten proberen te vinden, maar het debat richt zich op de partijen zelf. Hierdoor raken de partijen betrokken en een spel van het zwartmaken van elkaar en het debat verschuift naar een discussie over goed en kwaad, zonder dat er oplossingen worden gecreëerd. Als we hierbij Foucault volgen, kunnen we stellen dat door het gebruik van criminaliserende uitingen en het ‘voor gek verklaren’ van de andere partijen, de wil tot waarheid in het gedrang komt. Het is van belang dat debatterende partijen zich bewust worden van dit principe en meer de wil tot waarheid laten gelden. Wanneer er echt naar waarheid of oplossingen wordt gezocht, zal beperkend taalgebruik minderen. Tenslotte is het aan de volgers van een debat als het auteursrechtdebat hun mening niet te laten vormen door beperkend taalgebruik, maar zelf opzoek te gaan naar de waarheid in het debat.

11

Geciteerde bronnen
Ammelrooy, P. van. “Muziekindustrie volhardt in achterhaalde bedrijfsmodellen; twistgesprek Peter van ammelrooy met ot van daalen, directeur van bits of freedom.” De Volkskrant – 16 april 2011. Boomen, M. van den, en M.T. Schäfer. “Will the revolution be open-sourced? How open source travels through society.” How open is the future? Economic, social and cultural scenarios inspired by Free and Open Source Sofware. Red. J. Cornelis en M. Wynants. Brussel: VUB University Press, 2005. 31-68. Ciocan, C. Translating Heidegger’s “Sein und Zeit”. Bucharest: Romanian Society for Phenomenology, 2005. Cohen, B. The press and foreign policy. New Jersey: Princeton University Press, 1963. Daalen, O. van. “Copyrightindustrie: doet u mij maar internetcontrole.” Bof.nl – Blog – 27 mei 2011. < https://www.bof.nl/2011/05/27/copyrightindustrie-doet-u-mij-maar-internetcontrole/> Foucault, M. De orde van het spreken. 1971. Vert. Thomas Widdershoven. Amsterdam: Boom Meppel, 1988. Gorlée, L.D. “Wittgenstein, translation and semiotics.” Approaches to Translation Studies 12 (2007): 87-114. Heidegger, M. “Plato’s Doctrine of Truth.” Vert. T. Sheehan. Martin Heidegger, Pathmarks. Red. William McNeill. Cambridge: Cambridge University Press, 1998. Het Grote Downloaddebat. De Balie, Amsterdam. 27 mei 2010. Keuning, W. “Wie maakt een einde aan de piraterij?” De Volkskrant – 13 november 2010. Khong, L. 2003. ‘Actants and enframing: Heidegger and Latour on technology’. In: Studies in History and Philosophy of Science, 693 - 704. Kunneman, H. et. al. “Jürgen Habermas.” Denkers van Nu. Red. H. Achterhuis et. al. Alphen aan den Rijn, 2005. Lakoff, G. en M. Johnson. Metaphors We Live By. Chicago: University of Chicago Press, 1980. Liang, L. et. al. “Copyright/copyleft: Myths about copyright.” Infochange – Trade & Development - 1 februari 2005. < http://infochangeindia.org/trade-development/intellectual-property-rights/copyright/copyleftmyths-about-copyright.html> Noort, W. van. “’Bewust stelen’.” Elsevier – 30 april 2011. Patry, W. Moral Panics and the Copyright Wars. New York: Oxford University Press, 2009. Peirce, C.S. Collected Papers of Charles Sanders Peirce. vol. 1–6, 1931–1935. Red. Charles Hartshorne en Paul Weiss, vol. 7–8, 1958 Red. Arthur W. Burks. Harvard University Press, Cambridge, MA.

12

Persbericht: “Downloadverbod slecht voor muzikanten, fans en internetvrijheid”.” Bof.nl – Pers – 17 mei 2011. < https://www.bof.nl/live/wp-content/uploads/Downloadverbod-slecht-voor-muzikanten-fans-eninternetvrijheid.pdf> Saussure, F. de. Course in General Linguistics. 1916. Vert. R. Harris. Londen: Duckworth, 1983. Schäfer, M.T. Bastard Culture! How User Participation Transforms Cultural Production. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2011. Suurmond, H. “Kroes wil auteursrecht moderniseren.” ANP – 9 november 2010. The Matrix Reloaded. Reg. Andy Wachowski en Lana Wachowski. Warner Bros, 2003. IJsseling, S. 1994. ‘Het wezen van de techniek bij Martin Heidegger’. In: Weiler, Raoul & Holemans, Dirk (red.), Gegrepen door Techniek, 21 - 41. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans. Vrieze, A. de. “Case Closed: Spookschip The Pirate Bay is symbool geworden.” 3voor12.nl – 20 december 2010. < http://3voor12.vpro.nl/artikelen/artikel/44305455> Vrieze, A. de. “Downloadverbod: “Teeven kan acties tegen consumenten niet uitsluiten”. “ 3voor12.nl – 11 april 2011. < http://3voor12.vpro.nl/artikelen/artikel/44631656> Vrieze, A. de. “Staatssecretaris Teeven: downloadverbod invoeren, thuiskopie afschaffen.” 3voor12.nl - 11 april 2011. < http://3voor12.vpro.nl/artikelen/artikel/44631138> Vrieze, A. de. “Tim Kuik (Brein): “Piraterij is niet helemaal uit te roeien”.” 3voor12.nl – 30 september 2009. < http://3voor12.vpro.nl/artikelen/artikel/42552742> Wittgenstein, L. Tractatus Logico-Philosophicus. 1822. Vert. C.K. Ogden. New York: Routledge, 1981.

13