P. 1
basisboek bedrijfseconomie

basisboek bedrijfseconomie

4.5

|Views: 10,452|Likes:
Published by ilrac

More info:

Published by: ilrac on Nov 25, 2008
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as DOC, PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

11/04/2015

pdf

text

original

Basisboek bedrijfseconomi e

Hoofdstuk 1: Ondernemingen en hun functie in de economie
§1.1 Consumenten en producenten Algemene economie = relaties tussen consumenten en producenten en tussen de producenten onderling. Onderscheidt in: -micro-economie = theorie van de marktvormen -macro-economie = economische problemen van de maatschappij in het geheel Bedrijfseconomie = economisch handelen binnen de productorganisaties Een onderneming is een productorganisatie: -productiemiddelen worden bij elkaar gebrachte en omgezet in producten -een productieorganisatie opereert tussen 2 markten: -de inkoopmarkt -de verkoopmarkt De productorganisatie is een samenwerkingsverband van de productiefactoren arbeid en kapitaal. Een onderneming streeft naar winst: De grootte van de winst is afhankelijk van: -de efficiency van het ondernemingsproces = de doelmatigheid -de effectiviteit van het ondernemingproces = de doelgerichtheid Het winstcijfer is een maatstaf voor de efficiency (kostprijs) en de effectiviteit (saldo omzet). De winst vormt het doel van de onderneming, de activiteiten het middel. -Continuïteit -Mission Statement: ondernemingen geven aan welke doelen ze zichzelf stellen -Soms wordt er gestreefd naar een zo groot mogelijke omzet. §1.2 Profit- en non-profitorganisaties Non-profitsector: -de overheidssector; levert collectieve goederen en diensten, hierbij wordt het budgetmechanisme ingeschakeld: de overheid heft gedwongen bijdragen (belasting) en stelt een budget beschikbaar waarmee de productie van collectieve goederen kan worden gefinancierd. De voorzieningen kunnen niet door ondernemingen worden voortgebracht, het marktmechanisme werkt in dit opzicht niet: consumenten kunnen niet alleen voor zichzelf een stukje bescherming tegen hoog water kopen. De laatste jaren zien we in de overheidssec tor privatisering. -de particuliere non-profitinstellingen; verenigingen, goede doelen ed. Organisaties in de non-profitsector verschillen in de volgende punten van ondernemingen: -Non-profitinstellingen hebben als doel om bepaalde (maatschappelijk van belang geachte) voorzieningen tot stand te brengen. -Non-profitorganisaties zijn niet economisch zelfstandig. -De beoordeling van de effectiviteit bij non-profitinstellingen is veel moeilijker dan bij ondernemingen. §1.3 Ondernemingsactiviteiten 2

Globale indeling naar de aard van het omzetingsproces: Landbouw en extractie Maken gebruik van de rijkdommen van de natuur. Industrie Creeeren een fysiek, tastbaar product, dat vóór de productie in die vorm nog niet bestond. -Stukproductie: elk product is afgestemd op de wensen van de klant. (maatwerk, bestemd voor één bepaalde klant, op bestelling) -Massaproductie: één soort product in grote hoeveelheden. (standaardproduct, bestemd voor de ‘markt’, op voorraad) -Serie-stukproductie: klant kan zijn individuele product krijgen, maar de kosten worden bespaard door de componenten van het product in grote aantallen te produceren (goedkoper). -Serie-massaproductie: varianten of modellen van het standaardproduct geproduceerd, waarbij de machines omgesteld moeten worden naar de verschillende varianten. Handel Handelsondernemingen ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat er geen gelijkheid is tussen productie en consumptie. Deze ongelijkheid kan betrekking hebben op: 1. De grote van de productie en consumptie (grootte) 2. De samenstelling van de productie en consumptie (assortiment) 3. Het tijdstip van de productie en consumptie (tijd) 4. De plaats van de productie en consumptie (plaats) Detailhandel; levert rechtstreeks aan de consument. Groothandel; kooptin bij de fabrikant en verdeelt de ingekochte partijen over de detailhandel. (business to business) Dienstverlening Belangrijke categorieën: -financiële dienstverlening (banken, verzekeraars) -horeca -transport -ICT-dienstverlening (softwarebureaus, computeradviesbureaus) -facilitaire dienstverlening (bewaking, catering, schoonmaak) Kenmerkend is dat er niet/nauwelijks gorndstoffen worden ingekocht bij leveranciers. De dienstverlening is people business. §1.4 Rechtsvormen van ondernemingen Rechtspersoonlijkheid = de onderneming wordt zelf als partij beschouwd in de juridische overeenkomsten. Geen rechtspersoonlijkheid bij: eenmanszaak, niet-openbare vennootschap of een openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. Wel rechtspersoonlijkheid bij: openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid, nv, bv of coöperatie. Belangrijke punten die bepaald worden voor de rechtsvorm zijn: 1. Wie heeft het in de onderneming uiteindelijk voor het zeggen? 2. Op welke manier kan de onderneming financieringsmiddelen aantrekken? 3. Welke waarborgen zijn er voor het gedurende langere tijd kunnen voortbestaan van de onderneming? 3

4. In hoeverre zijn de eigenaren van de onderneming juridisch aansprakelijk voor de schulden van de onderneming? 5. Wat is de fiscale positie van de onderneming? 6. In hoeverre dient de onderneming haar financiële cijfers openbaar te maken? In onderstaand schema worden die vragen beantwoord voor alle rechtsvormen:

4

Rechtspersoo n?

Scheiding leiding – eigendom ? Nee

Financiering met eigen vermogen Winstinhouding plus Storting privévermogen eigenaar Storting privévermogen door vennoten inkoop door nieuwe vennoot

Continuiteit

Aansprakelijkh eid

Fiscale positie

Publicatieplic ht?

Eenmanszaak Vennootschp:

Nee

-(niet-)openbaar zonder rechtspersoonlijkhei d -openbaar met rechtspersoonlijkhei d Commanditaire vennootschap

nee

nee

Staat of valt met persoon eigenaar Wegvallen vennoot kan worden opgevangen door andere vennoten, maar kans op conflicten

Volledig aansprakelijk Hoofdelijk aansprakelijk

Ondernemer: box 1 inkomsten belasting Vennoten: box 1 inkomsten belasting

nee nee

ja nee

nee ja Storting privévermogen door nieuwe beherende of commanditaire vennoot Minder kans op conflicten, omdat vermogen kan worden aangetrokken zonder dat er een leider bijkomt Als rechtspersoon in principe ‘eigen leven’ maar bij DGA toch sterke afhankelijkhei d van één persoon Als rechtspersoon ‘eigen leven’ Beherende vennoten: hoofdelijke aansprakelijk Commanditaire vennoten: tot bedrag inbreng Tot bedrag inbreng Vennoten: box 1 inkomsten belasting (commanditaire vennoten geen ondernemersfaciliteite n) nee

BV

Ja

Ja

Aandelenemissie bij huidige of nieuwe aandeelhouders (mits voldaan aan blokkeringsclausul e) Aandelenemissie (eventueel via effectenbeurs)

BV: vennootschapsbelastin g Grootaandeelhouders: box 2 inkomsten belasting

ja

NV

Ja

Ja

Tot bedrag inbreng

NV: vennootschapsbelastin g

Ja

5

Aandeelhouders: box 3 inkomsten belasting Coöperatie Ja Ja Ledencertificten Als rechtspersoon ‘eigen leven’ WA, UA, of BA Coöperatie: vennootschapsbelastin g (bijzondere regeling) Leden: box 1 inkomsten belasting Ja

6

Blokkeringsclausule = beperkingen bij de verkoop van aandelen WA = Wettelijke aansprakelijkheid; leden zij aansprakelijk voor schulden coöperatie. UA = Uitgesloten aansprakelijkheid; lenen niet verplicht om schulden coöperatie te betalen. BA = Beperkte aansprakelijkheid; leden zijn tot een maximumbedrag per lid aansprakelijk voor schulden coöperatie. §1.5 Samenwerkingsvormen tussen ondernemingen Fusie en overname Overname = als een onderneming de aandelen van een ander bedrijf opkoopt. Fusie = wanneer 2 gelijkwaardige partijen samensmelten. Volgende soorten overnames/fusies: 1. overnemer en overgenomene opereren in dezelfde bedrijfstak. 2. overnemer en overgenomene opereren in opvolgende schakels van dezelfde bedrijfskolom (integratie). 3. Overnemer en overgenomene opereren in dezelfde Sale van verschillende bedrijfskolommen (parallellisatie). 4. Overnemer en overgenomene opereren in verschillende schakels van verschillende bedrijfskolommen (conglomeraten). Franchising Een zelfstandige ondernemer sluit zich aan bij een keten en daardoor gebruikmaakt van bepaalde faciliteiten, zoals de inkoop, marketing en winkelinrichting (=franchising). Kartelvorming Zelfstandige producenten maken afspraken, die de vrije concurrentie beperken. De mogelijkheid om dit soort afspraken te maken ,is afhankelijk van de marktvorm waarin de ondernemingen opereren. -volledige mededinging; veel ondernemingen, veel concurrentie -monopolie; 1 aanbieder, geen concurrentie -oligopolie; gering aantal aanbieders, snel verleiding tot kartelvorming

7

Hoofdstuk 2: Bedrijfseconomische vakgebieden en functies
§2.1 Bedrijfseconomische vakgebieden Het vakgebied bedrijfseconomie kan onderverdeeld worden in: 1. Financiering: houdt zich bezig met de investeringen die door de onderneming verricht dienen te worden en met de manier waarop die investeringen het beste gefinancierd kunnen worden. 2. Management accounting (interne verslaggeving): betreft de (financiële) rapportage aan de bedrijfsleiding, zodat die verantwoordelijke beslissingen kan nemen. 3. Financial accounting (externe verslaggeving): gaat over de externe financiële rapportage aan aandeelhouders, werknemers, kredietverschaffers, financiële pers en andere belanghebbenden. Hiervoor wordt met name het jaarverslag gebruikt. Verschillen tussen management accounting en financial accounting: Management Financial accounting accounting Doelgroep Management Andere belanghebbenden Doel Beslissingsondersteuning Beslissingsondersteuning Verantwoording Gericht op Toekomst Verleden Regelgeving Nee Ja Neiging tot creatieve Nee Ja accounting Aard informatie Gedetailleerd Globaal Snelheid prioriteit? Ja Nee §2.2 Relaties met andere vakgebieden Met bedrijfseconomie gerelateerde vakgebieden zijn: • Boekhouden/Bedrijfsadministratie; houdt zich bezig met het vastleggen van de primaire gegevens, op basis waarvan management accounting en financial accounting verder kunnen. • Ondernemingsrecht; dit is van belang voor financiering (rechtsvorm van ondernemingen) en financial accounting (publicatieplicht). • Belastingrecht; de fiscale winst van een onderneming wordt in principe berekend volgens de uitgangspunten van financial accounting. • Organisatiekunde; management accounting is er onder andere op gericht om de onderneming beheersbaar te houden. • Commerciele economie; marketingspanningen moeten ervoor zorgen dat er geld in het laatje komt (apart vakgebied). §2.3 Bedrijfseconomische functies Er vindt een bepaalde mate van functiescheiding plaats op bedrijfseconomisch gebied: • Administrateur; houdt zich bezig met de boekhoudkundige verwerking van aan- en verkopen, salarissen, afschrijvingen e.d. • Interne accountant; controleert of het boekhoudkundig systeem naar behoren functioneert, dat wil zeggen dat de boekingen een juiste weergave zijn van wat zich daadwerkelijk in de organisatie afspeelt. 8

Controller; zorgt voor de financiële sturing van de organisatie; is verantwoordelijk voor het opzetten van kostprijsberekeningssystemen, voor de budgettering , voor de financiële onderbouwing van investeringsplannen en voor het opstellen van de jaarrekening. Treasurer; zorgt voor een optimaal verloop van de geldstromen binnen de onderneming; regelt de benodigde financiering en ook het beleggen van tijdelijk overtollige gelden.

Hoofdstuk 3: Financiële overzichten
§3.1 Investering en financiering De productiemiddelen worden in het bedrijfseconomische jargon activa genoemd: • Vaste activa; bewijzen gedurende lagere tijd (meer dan een jaar) hun diensten aan de onderneming. • Vlottende activa; ontstaan en gaan teniet binnen een jaar. De activa dienen gefinancierd te worden, dit kan gebeuren met: • Eigen vermogen/Risicodragend vermogen; is ter beschikking gesteld door de eigena(a)r(en) van de onderneming. • Vreemd vermogen/Risicomijdend vermogen; is ter beschikking gesteld door schuldeisers. Verschillen tussen eigen en vreemd vermogen: Eigen vermogen Vreemd vermogen Ter beschikking gesteld Eigenaren Schuldeisers door Duur Onbepaalde tijd Tijdelijk terbeschikkingstelling Vergoeding Afhankelijk van de winst Normaliter vast Karakter Risicodragend Risicomijdend §3.2 Balans en resultatenrekening De balans is een momentopname, waarop de waarde van de productiemiddelen waarin de onderneming geïnvesteerd heeft (activa) en de manier waarop deze investeringen gefinancierd zijn (passiva) naar voren komen., De winst kan nader geanalyseerd worden door te kijken naar de kosten en de opbrengsten die gemaakt zijn in een bepaalde periode = resultatenrekening. De opbrengsten in een periode hoeven niet samen te vallen met de ontvangsten. De kosten hoeven ook niet gelijk te zijn aan de uitgaven. Aflossingen op vreemd vermogen worden niet in de resultatenrekening opgenomen omdat ze niet leiden tot een verandering van het eigen vermogen. §3.3 Winst versus kasmutatie Voorzieningen; deze dienen gevormd te worden in geval van mogelijke toekomstige verplichtingen als gevolg van de bedrijfsuitoefening in het afgelopen jaar kunnen voordoen. Voorbeeld: Verschillen tussen opbrengsten/kosten en ontvangsten/uitgaven: Winst Mutatie Verschil geldmiddele n Verhuur 30.000 28.000 2000 Auto 3.000 3.000 Garage 6.000 5.500 500

Wordt in de balans geboekt op Debiteuren Auto Nog te betalen 9

huur Rentekosten Aflossing lening Overige bedrijfskosten 700 10.000 10.300 700 2.000 10.000 9.800 2.000 Banklening

10

§3.4 Rechtstreekse vermogensmutaties De winst over een periode hoeft niet altijd gelijk te zijn aan de toename van het eigen vermogen in die periode. Als er door de eigenaar van de onderneming geld ingebracht wordt of geld ontrokken, dan mogen deze privéstortingen en privéonttrekkingen geen invloed uitoefenen op de winst, omdat ze hun oorzaak niet vinden in de bedrijfsactiviteiten. De privéstortingen en privéonttrekkingen komen niet op de resultatenrekening voor, omdat ze niet voortvloeien uit de bedrijfsactiviteiten, maar het gevolg zijn van vermogensverschuivingen tussen het bedrijfsvermogen en het privévermogen van de eigenaar.

11

Hoofdstuk 4: Ondernemingsplan
§4.1 ondernemingen in Nederland: feiten en cijfers 99% van de Nederlandse ondernemingen valt in de categorie midden- en kleinbedrijf (MKB). Starters zijn voor het grootste deel mannen. Na 5 jaar is ongeveer 40% van de startende ondernemingen opgeheven, dit komt waarschijnlijk door het ontbreken van een goede voorbereiding. Het is dan ook verstandig om van tevoren een ondernemingsplan te maken. Hierin beschrijft de starter de commerciële, juridische, organisatorische en financiële aspecten van zijn onderneming. Als de onderneming eenmaal draait, is het zaak een adequate boekhouding te voeren. §4.2 functies van het ondernemingsplan Het schrijven van een ondernemingsplan is van belang voor de starter zelf, maar ook voor eventuele andere belanghebbenden bij de startende onderneming (potentiële financiers). De starter moet bij het opzetten van het ondernemingsplan denken aan: -realistische ideeën -welke activiteiten ontwikkelt worde en de toegevoegde waarde hiervan -ook de benodigde vergunningen en de investeringen die gedaan moeten worden komen in het ondernemingsplan voor De starter beschikt meestal niet over voldoende eigen geld om de benodigde investeringen te doen, hij is dan aangewezen op anderen die dit ‘financieringsgat’ dichten. Financiers kunnen eigen vermogen of vreemd vermogen ter beschikking stellen: -commanditaire vennoten -participatiemaatschappijen  als de startende onderneming volwassenheid heeft bereikt, stoot de participatiemaatschappij haar aandelen weer af. In dit verband wordt er vaak gesproken van venture capital of durfkapitaal. -lening, bij borgstellingskrediet is bepaald dat, indien de onderneming niet in staat is om de lening terug te betalen, de Nederlandse staat de bank schadeloos stelt. -achtergestelde leningen, interest en aflossing worden pas voldaan als de verplichtingen ten opzichte van de overige schuldeisers zijn nagekomen. §4.3 onderdelen van het ondernemingsplan • De kwalificaties van de ondernemer De starter geeft een beschrijving van zijn achtergrond, opleiding en werkervaring. Ook geeft hij aan wat de motivatie is om een onderneming te gaan drijven. • Markt - de activiteiten waarop de onderneming zich zal gaan richten - de manier waarop de onderneming zich zal onderscheiden van haar concurrenten (unique selling points) - resultaten van gehouden marktonderzoek • Marketingsmix - Product: de in het assortiment opgenomen producten vormen uiteraard de basis voor succesvol ondernemen. De mate waarin het product op de wensen van de klant aansluit is doorslaggevend. - Prijs: de prijsstelling bepaalt voor de meeste producten in belangrijke mate de hoogt van de afzet. 12

-

Promotie: de manieren waarop het product aan de man wordt gebracht. Plaats: dit betreft niet alleen de feitelijke plaats van de verkoop, maar ook de vraag via welk distributiekanaal het product wordt afgezet.

• •

Juridische aspecten De keuze van de rechtsvorm, maar ook welke diploma’s en vergunningen er nodig zijn voor de onderneming. Organisatie De organisatiestructuur is in de eerste plaats afhankelijk van de omvang. Veel starter zij ZZPers (zelfstandigen zonder personeel), hierbij komt taaken bevoegdheidsverdeling niet aan de orde. De aard van de activiteiten speelt ook een rol (losse structuur of juist vast). Financiën Het investeringsplan en het financieringsplan vormen samen de verwachte beginbalans van de onderneming. De volgende stap is het opstellen van de verwachte resultatenrekening, met eventuele prognose van het winstcijfer voor de volgende jaren. Liquiditeitsbegroting en de balans aan het eind van het eerste bedrijfsjaar.

13

Hoofdstuk 6: Werkkapitaalbeheer
§6.1 Voorraadbeheer Voorraden vergen investeringen en nemen kosten met zich mee. Het aanhouden van voorraden neemt opslagkosten met zich mee (magazijnkosten, financieringskosten en bederf). Tegenover deze nadelen moeten ook voordelen staan, het belangrijkste voordeel is de ontkoppelingsfunctie: heeft betrekking op de verschilende fasen van het productieproces. Door de voorraden bij te houden kan stagnatie in de productie worden voorkomen. Ook kunnen er kwantumkortingen en besparingen op de transportkosten zijn. Soorten kosten van een handelsonderneming: -Bestelkosten -Opslagkosten De ordergrote waarbij het totaal van de bestelkosten en opslagkosten minimaal is, wordt de optimale ordergrootte genoemd. De optimale ordergrootte kan worden berekend met de formule van Camp: Q* = √2×D×F c Q* = Optimale ordergrootte D = Totale afzet per periode F = Bestelkosten per order c = Opslagkosten per stuk per periode Het voorraadniveau waarbij een nieuwe order geplaatst moet geworden, rekening houdend met de levertijd, het bestelniveau. Bestelniveau (B) = Afzet per dag × Levertijd order In de praktijd is de afzet per dag en de levertijd nooit precies hetzelfde, er is dus sprake van onzekerheid. Door het bestaan van onzekerheid neemt de hoogte van het bestelniveau toe. Het verschil tussen het bestelniveau met onzekerheid en het bestelniveau zonder onzekerheid heet de veiligheidsvoorraad. Gemiddeld gezien is de veiligheidsvoorraad permanent aanwezig. De opslagkosten per periode nemen hierdoor toe met een bedrag gelijk aan: Toename opslagkosten = Veiligheidsvoorraad × Opslagkosten per stuk In een productiebedrijf hebben we ook te maken met voorraadproblematiek. Bestelkosten = instelkosten Levertijd = productietijd Optimale ordergrootte = optimale seriegrootte De moderne logistiek streeft naar het uitbannen van voorraden. Door samenwerking in de keten van oerproducent naar consument zijn er een aantal systemen bedacht. Een daarvan is de just-in-time (JIT) levering; grondstoffen worden pas geleverd als ze nodig zijn. De mate waarin een onderneming er in slaagt om een goed voorraadbeheer te voeren komt tot uitdrukking in een kengetal, de omzetsnelheid van de voorraad: Omzetsnelheid van de voorraad = Inkoopwaarde van de omzet Gemiddelde voorraad Geeft aan hoe vaak de gemiddelde aanwezige voorraad in een jaar wordt verkocht. §6.2 Debiteurenbeheer Debiteuren ontstaan doordat de onderneming aan haar afnemers leverancierskrediet verleent. Als een onderneming leverancierskrediet verleent, moeten er betalingsvoorwaarden worden vastgelegd. Er moet o.a. een krediettermijn worden vastgesteld; de periode waarbinnen er betaald moet zijn.

14

Bij betaling binnen een vastgesteld aantal dagen kan er korting worden verleend; de kortingstermijn. Als afnemers laat of helemaal niet betalen is er spreke van wanbetaling. Debiteurenbeheer; activiteiten om het debiteurensaldo in de hand te houden. Kredietwaardigheidsbeoordeling; doel: achterhalen of de afnemer de vordering zal betalen. Informatie bronnen hierbij kunnen zijn: -persoonlijke bezoeken aan de afnemer -vertegenwoordigers -jaarrekeningen van de afnemer -informatiebureaus Er kan ook een kredietlimiet worden gesteld: maximale bedrag aan vorderingen dat open mag staat op de afnemer. Debiteurenbewaking: bij overschrijding van de krediettermijn moet onmiddellijk worden gereageerd. Dit is onderdeel van de incassopolitiek; alle maatregelen en diensten die dienen om de inning van uitstaande vorderingen te bespoedigen of veilig te stellen. Door gebruik te maken van factoring kan een ondernemer het debiteurenbeheer uitbesteden. De debiteuren kunnen met een kengetal gemeten worden, de gemiddelde krediettermijn: Gemiddelde krediettermijn = Gemiddeld debiteurenbedrag × 365 dagen Verkopen op rekening §6.3 Liquiditeitsbeheer Liquide middelen (kasgeld, bank- en/of girosaldi) worden door de onderneming aangehouden om betalingen te kunnen doen. Nadelen voor het aanhouden van liquide middelen: -vermogensbehoefte die moet worden gefinancierd -levert niet of nauwelijks inkomsten op Motieven voor het aanhouden van liquide middelen: 1. Transactiemotief: men houdt een kasvoorraad aan om de voor de continuïteit van het productieproces benodigde uitgaven te kunnen doen. 2. Voorzorgsmotief: men houdt een extra kasvoorraad aan i.v.m. de onderzekerheid t.a.v. de grootte en het tijdstip van de uitgaven en ontvangsten. 3. Speculatiemotief: ment hut extra kasvoorraad aan om te kunnen profiteren van prijsveranderingen van productiemiddelen. Alternatieve manieren om snel aan liquide middelen te komen: -een rekening-courantkrediet, kan tot een bepaald maximum (het kredietplafond) vrij beschikken over dit krediet. -investeren in effecten (aandelen, obligaties). De liquiditeitsbegroting is een overzicht van de verwachte ontvangsten en uitgaven in de komende periode.

15

Hoofdstuk 7: Eigen vermogen
§7.1 eigen vermogen bij ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid Bij de eenmanszaak en de personenvennootschap bestaat het eigen vermogen uit het door de eigenaar/eigenaren ingebracht vermogen. Het eigen vermogen van de eenmanszaak bestaat uit: De oorspronkelijke inbreng van de eigenaar + privéstortingen + gemaakte winsten privéonttrekkingen geleden verliezen In de personenvennootschap wordt bij de oprichting vastgesteld hoeveel eigen vermogen elk van de vennoten inbrengt. Het is ook mogelijk dat het vastgestelde bedrag nog niet meteen volledig in de kas van de vennootschap wordt gestort  eigen vermogen nog te storten. Een balans van een personenvennootschap kan er zo uitzien: Balans Activa 115 Vermogen vennoot A 30 nog te storten 10 gestort 20 Vermogen vennoot B 30 Privé vennoot A 10 Privé vennoot B 15 Vreemd vermogen 40 115 115 Bij een commanditaire vennootscha wordt het eigen vermogen op dezelfde manier geregistreerd als bij de personenvennootschap. §7.2 eigen vermogen bij ondernemingen met rechtspersoonlijkheid Bij de nv en de bv bestaat het eigen vermogen uit aandelenkapitaal en reserves. Door de uitgifte van aandelen krijgt de onderneming beschikking over eigen vermogen. De aandeelhouders zijn samen eigenaar van de onderneming. Maatschappelijk kapitaal = het totale bedrag waarvoor aandelen voor kunnen worden uitgegeven. Geeft aan hoe hoog het nominale bedrag van de geplaatste aandelen maximaal kan zijn. Het is ook mogelijk dat het geplaatste kapitaal door de aandeelhouders nog niet volledig is gestort in de aandelenkas. In principe komt de winst toe aan de aandeelhouders. Een deel van de winst kan binnen de onderneming worden gehouden  reserves. De winstuitkering aan aandeelhouders heet dividend, hierbij wordt uitgegaan van het gestorte aandelenkapitaal. Functies van aandelen: -financiering van activiteiten -zeggenschap van aandeelhouders -dividenduitkering van aandeelhouders Bijzondere aandelen: -preferente aandelen: er zijn bepaalde voorrechten aan verbonden (beheer/uitkeringen onderneming) -prioriteitsaandelen: extra rechten op het gebied van zeggenschap 16

-uitkeringspreferente aandelen: voorrechten bij winstuitkering door de onderneming. §7.3 waarde van aandelen Intrinsieke waarde van de onderneming is het verschil tussen de bezittingen en de schulden van de onderneming (=eigen vermogen). De rentabiliteitswaarde wordt berekend als de contante waarde van de verwachte toekomstige winsten van de onderneming (winstpotentie). Om deze waarden per aandeel te berekenen moet er gedeeld worden door het aantal geplaatste aandelen. Beurswaarde: komt tot stand op basis van vraag en aanbod op de beurs. Motieven voor een onderneming om naar de beurs te gaan zijn: - incasseringsmotief: de aandeelhouders kunnen het in de onderneming geïnvesteerd vermogen geheel of gedeeltelijk vrijmaken en de opbrengst voor andere doelen aanwenden. - Financieringsmotief: de behoefte aan de additioneel eigen vermogen kan in de toekomst gemakkelijker via een uitbreiding van het geplaatst aandelenkapitaal worden gedekt. - Managementmotief: de afstand tussen eigendom en management wordt vergroot, waardoor aandeelhouders minder directe invloed hebben op de leiding. - PR-motief: via een beursintroductie wordt de naamsbekendheid van ondernemingen vergroot. - Prestigemotief: een beursnotering vergroot het aanzien van de onderneming, die dan werkelijk ‘meetelt’ in ondernemingsland. §7.4 reserves Aan de directie en de commissarissen kan een winstuitkering worden verstrekt = tantième. Een tantième is als (loon)kosten aftrekbaar voor vennootschapsbelasting. Wanneer we vergroting van het EV door winstinhouding (winstreserve) vergelijken met het aantrekken van EV d.m.v. aandelenemissie, dan zijn er een aantal voordelen. - Financiering met additioneel aangetrokken aandelenvermogen is duurder dan de financiering met ingehouden winst, omdat aandeelhouders een dividenduitkering eisen. - Bij winstinhouding is er geen sprake van emissiekosten en administratieve beslommeringen. - De groei van het EV vindt bij winstinhouding geleidelijk plaats, terwijl aandelenemissies grote bedragen ineens betreffen. - Bij winstinhouding vindt geen verwatering van de winst per aandeel plaats, waardoor de beurskoers van het aandeel niet daalt. Door dividendstabilisatie kan er in een jaar met lage winsten toch een redelijk bedrag aan dividend worden uitgekeerd (uit reserves). Agioreserve = indien een hogere prijs wordt betaald dan de nominale waarde (agio). Herwaarderingsreserve = waardestijging van de activa. Open reserves kunnen worden afgelezen op de gepubliceerde balans van de onderneming. Stille of geheime reserves staan niet op de gepubliceerde balans. §7.5 aandelenemissie Onderhandse plaatsing wil zeggen dat de aandelen rechtstreeks geplaatst worden bij al bestaande aandeelhouders, particuliere beleggers of participatiemaatschappijen. Het met een onderhandse plaatsing verkregen 17

aandelenvermogen wordt aangeduid met de term venture capital (risicokapitaal, durfkapitaal). Guichet-emissie: banken zijn slechts loketdiensten. Risico van emissie wordt door nv zelf gedragen. Overgenomen emissie: banken hebben risico van nv overgenomen. Bij een vrije emissie staat de inschrijving open voor iedere gegadigde. Bij een voorkeurenemissie wordt aan de oude aandeelhouders het recht toegekend om bij voorrang in te schrijven. Dit voorkeurrecht wordt veelal belichaamd in een dividendbewijs, dat is gehecht aan de uitstaande aandelen. Dit wordt een claim genoemd. Om een nieuw aandeel te kopen zijn meerdere claims nodig. Theoretische waarde van een claim: BWN = n × CL + EP CL = BWN – EP n BWN = beurswaarde na emissie n = het aantal claims per nieuw aandeel CL = theoretische waarde van een claim EP = emissieprijs Bonusaandelen: worden gratis aan de aandeelhouders van reeds uitstaande aandelen verstrekt ten laste van de reserves (meestal agioreserve). Het nominaal geplaatste aandelenkapitaal wordt groter, maar de reserves nemen met hetzelfde bedrag af  herkapitalisering. Het zelfde effect van herkapitalisering kan worden bereikt door aandelensplitsing: groter aantal aandelen met een lagere waarde (nominale waarde verlaagd). Het aandelenkapitaal kan ook worden vergroot door het uitkeren van een stockdividend: dividend wordt uitgekeerd in de vorm van aandelen (voordeel: voorraad liquide middelen wordt niet aangetast). Als de aandeelhouder keuze krijgt tussen uitkering in contanten of stockdividend is er sprake van keuzedividend.

18

Hoofdstuk 8: vreemd vermogen
§8.1 prijsvorming vreemd vermogen Schulden van de onderneming behoren tot het vreemde vermogen. De geldgever vraagt een vergoeding voor het beschikbaar stellen van het vermogen, de rente. De hoogte van de rentevergoeding is afhankelijk van: • Marktrente: Voor de bepaling van de marktrente wordt de rentemarkt opgedeeld in: o De geldmarkt  geldmarktrente, als maatstaf hiervoor gelden de Euribotariven. o De kapitaalmarkt  kapitaalmarktrente, als maatstaf gelden de staatsleningen. • Looptijd van de schuld: Normaal gesproken is de rente hoger bij een langere looptijd. • Risico voor de geldgever: Bovenop de marktrente wordt een renteopslag gehanteerd, afhankelijk van het risico. Het risico wordt o.a. bepaald door de omvang van het EV dat in de onderneming aanwezig is. Er wordt gekeken of de onderneming kredietwaardig is. • Rangorde van de geldgever(s): Vreemdvermogenverschaffers hebben altijd voorrang op eigenvermogenverschaffers bij uitkeringen door de onderneming in geval van liquidatie of faillissement. Als alternatief voor het eigen vermogen, kan de onderneming ook achtergesteld vreemd vermogen aantrekken. In geval van faillisemtent ontvangen zij slechts rente en aflossing nadat alle financiele verplichtingen aan overige schuldeisers zijn voldaan. Ze hebben een iets hogere rentevergoeding. Achtergesteld vermogen + EV = garantievermogen of aansprakelijk vermogen. Het omgekeerde van achtergestelde schuldeisers zijn preferente schuldeisers. • Verhandelbaarheid van de schuld: Wanneer het mogelijks is om de schuld te verkopen dan is de schuldeiser niet gebonden aan het uitzitten van de looptijd van de schuld. Dit is bijvoorbeeld het geval bij obligatieleningen. De houder van een obligatie is schuldeiser van de onderneming, maar kan de obligatie op elk moment verhandelen op de effectenbeurs. §8.2 bankleningen Voor elke lening die een bank uitgeeft, moet zij van de toezichthouder (DNB) een minimale buffer aan EV aanhouden, uitgedrukt in een percentage van het uitgeleende bedrag. Het aanhouden van een kapitaalbuffer kost een bank geld. Voor een risicovol bedrijf is meer reserve nodig, waardoor de kostprijs van het krediet stijgt. Na de aanvraag van een banklening volgt de zogenaamde fiatteringsprocedure. Bankiers beoordelen een kredietaanvraag op basis van de volgende criteria; a. De kredietnemer Wordt beoordeeld op zijn ondernemerschap en zijn moraliteit. b. Het marketingplan Bestaat uit de bekende P’s en de bijbehorende risico’s. c. Het investeringsplan Hierin wordt aangegeven waarin wordt geïnvesteerd en hoe dit wordt gefinancierd. d. De cijfermatige onderbouwing 19

Op basis van het marketingplan en het investeringsplan wordt een cijfermatige onderbouwing opgesteld = ondernemingsplan  fundament voor de aanvraag. e. De buffer in het bedrijf Als de plannen niet uitkomen, dan heeft de bankier behoefte aan zekerheden of EV om tijdelijke of structurele verliezen op te vangen. Een banklening is een vorm van een onderhandse lening op schuldbekentenis; één of enkele geldgevers verstrekken langdurig tijdelijk vreemd vermogen aan de onderneming. Meest voorkomende banklening is een hypothecaire geldlening. De geldnemer verstrekt aan de geldgever een zekerheid in de vorm van onroerend goed. §8.3 Obligatieleningen Een obligatielening is een door een organisatie uitgegeven geldlening, die verdeeld is in een groot aantal schuldbekentenissen, obligaties. Door uitgifte van een obligatielening trekt de organisatie langlopend vreemd vermogen aan. Obligaties uitgegeven door een hypotheekbank worden pandbrieven genoemd. Obligaties zijn meestaal aan toonder en vrij verhandelbaar. Er wordt een vaste rente betaald (couponrente) en de obligatie lening heeft een vooraf vastgestelde looptijd. Een obligatie heeft naast een nominale waarde, ook een marktwaarde. Obligaties worden verhandeld op de effectenbeurs. Vanwege het lage bedrag per obligatie kan door een groot aantal personen of instellingen door de aanschaf van een of meerdere obligaties geld aan de onderneming worden verstrekt. Deze vorm van beleggen is aantrekkelijk voor personen die niet al te veel risico willen lopen. De aflossing van een obligatielening kan in principe op 2 manieren worden geregeld. 1. Alle obligaties worden aan het eind van de looptijd afgelost. Obligatiehouders ontvangen de nominale waarde van de obligaties in contanten. Nadeel: onderneming moet op dat moment aan een zeer groot bedrag aan liquide middelen beschikken. 2. De aflossing geschiedt in gedeelten. In een vooraf vastgestelde periode wordt op geregelde tijdstippen telkens een bepaald deel van de obligaties afgelost. De aflosbaar gestelde obligaties worden aangewezen door loting, waarbij de kans op uitloting voor alle obligaties even groot is. Soms wordt er gekozen voor de uitgifte van hypothecaire obligaties, om meer zekerheid te hebben. Activa van de onderneming worden gebruikt als onderpand. Er bestaat bijna geen contact tussen geldgevers en geldnemer. Om dit probleem te ondervangen wordt een trustee (administratie- of trustkantoor) aangewezen. Nog meer bijzondere obligatievormen; - Achtergestelde obligatielening: de houders van de obligatie in geval van faillissement van de onderneming slechts rente en aflossing ontvangen nadat alle andere financiële verplichtingen zijn gedaan. - Zero bonds: zijn obligaties waarbij gedurende de looptijd geen rente wordt uitgekeerd, maar waarbij aan het einde van de looptijd een aflossingsbedrag wordt betaald da hoger is dan het emissiebedrag van de obligatie. - Discount bonds: zijn obligaties met lage couponrente, waarbij aan het einde van de looptijd ook weer een hoger aflossingsbedrag wordt uitbetaald. - Junk bonds: worden gebruikt voor risicovolle activiteiten (overname ander bedrijf). De obligaties hebben een zeer hoge couponrente. Aflossing en 20

rente worden betaald uit de middelen die bij de overgenomen onderneming vrijkomen uit de cashflow van de bedrijfsactiviteiten. - Converteerbare obligaties: geven de houder recht gedurende een bepaalde periode (conversieperiode) tegen vooraf vastgestelde voorwaarde de obligaties om te wisselen in aandelen. De marktwaarde van een converteerbare obligatie ligt hoger dan die van een gewone obligatie met dezelfde rentevergoeding en dezelfde resterende looptijd, het verschil hiertussen wordt de preimie boven obligatiewaarde genoemd. De conversieprijs is de prijs die houders van de converteerbare obligaties bij omwisseling voor aandelen moeten betalen. De conversiewaarde geeft de aandelenwaarde van de converteerbare obligatie weer, dus wat de obligatie bij conversie in aandelen opbrengt. Reverse convertible = het bedrijf bepaald of de obligaties worden ingewisseld in aandelen, vaak hogere rentevergoeding. Medium term notes lijken op obligaties. Het zijn verhandelbare schuldbewijzen aan toonder in grote coupures met een looptijd van 2 tot 5 jaar. Het totale leningbedrag is verdeel in een aantal afzonderlijk verhandelbare schuldbewijzen. De onderneming spreekt het maximaal aan te trekken bedrag af met de bank die de plaatsing verzorgt. Het totale bedrag wordt in gedeelten (tranches) uitgegeven. §8.4 vreemd vermogen op korte termijn Vormen van kort vreemd vermogen zijn: • Bankkrediet, dat meestal in de vorm van een rekening-courantkrediet wordt verstrekt • Leverancierskrediet, dat genoten wordt bij de inkoop van goederen • Afnemerskrediet, bij vooruitbetaling door de afnemer • Near banking, een vorm van onderlinge kredietverlening door bedrijven • Kasgeldlening, een kredietvorm alleen beschikbaar voor grote bedrijven die gedurende een korte periode grote sommen geld lenen • Commercial paper, verhandelbare schuldbewijzen van bedrijven in grote, ronde bedragen • Overlopende passiefposten, zoals te betalen salarissen, te betalen belastingen enz. • Overige kortlopende kredieten §8.5 voorzieningen Een voorziening is een toekomstige verplichting, die samenhangt met de bedrijfsuitoefening in de huidige periode, maar waarvan de exacte omvang en/of tijdstip waarop deze zich zal voordoen, nog niet bekend is. Een voorziening wordt ten laste van de winst gebracht, ze worden tot het vreemd vermogen gerekend. Er is sprake van substitutie van eigen in vreemd vermogen.

21

Hoofdstuk 9: Beoordeling van de financiële structuur
§9.1 Ratioanalyse Om een oordeel te vormen over de financiële structuur van de onderneming vergelijkt men vaak de verschillende posten van de balans en de resultatenrekening. De analyse d.m.v. het berekenen van kengetallen (ratio’s), wordt ratioanalyse genoemd. De berekende kengetallen worden als het volgt ingedeeld: • Rentabiliteitskengetallen • Solvabiliteitskengetallen • Liquiditeitskengetallen Er zijn een aantal bezwaren verbonden de beoordeling van de financiële structuur d.m.v. kengetallen: • Er zijn geen algemene normen aan gegeven waaraan de waarden van de kengetallen moeten voldoen. • De cijfers op de balans geven een momentopname weer. • De balans kan een geflatteerd beeld geven van de financiële structuur indien window dressing heeft plaatsgevonden. Window dressing = alle activiteiten voor het balansopmakingsmoment die leiden tot het beeld gunstiger voorstellen dan werkelijk het geval is. Historische analyse: verbetering/verslechtering van de onderneming aangeven, zonder daar een absoluut oordeel aan te binden. Bedrijfsvergelijkende analyse: kengetallen van de onderneming vergelijken met die van een soortgelijke onderneming. §9.2 Rentabiliteitskengetallen Winstgevendheid is belangrijk om de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Brutowinstmarge = Bedrijfsresultaat Omzet Bedrijfsresultaat = winst voor aftrek van intrest + belastingen De brutowinstmarge geeft het verschil aan tussen de verkoopprijs en de kostprijs van de verkochte goederen. Er kan uit worden afgeleid of de onderneming bestand is tegen prijsdalingen of kostenstijgingen. Rentabiliteit: de verhouding tussen een inkomen en het vermogen dat dit inkomen heeft verdiend. De rentabiliteit van het totale vermogen wordt berekend aan de hand van het bedrijfsresultaat. De rentabiliteit totaal vermogen (RTV) wordt als volgt berekend: RTV = Bedrijfsresultaat × 100% Gemiddeld totaal geïnvesteerd vermogen Berekening rentabiliteit van het EV na aftrek van de belasting (REVnb) is vooral van belang voor de verschaffers van EV (eigenaren): REVnb = Winst na aftrek van intrest en belasting × 100% Gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen Rentabiliteit EV voor aftrek van de belasting (REVvb): REVvb = Winst na aftrek van intrest × 100% Gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen Voor de verschaffers van vreemd vermogen is de rentabiliteit van het in de onderneming geïnvesteerde vermogen gelijk aan het afgesproken intrestpercentage. De gemiddelde rentabiliteit van het vreemd vermogen (RVV) 22

kan dan ook worden gezien als een gemiddelde kostenvoet van het vreemd vermogen. RVV = Betaalde intrest × 100% Gemiddeld geïnvesteerd vreemd vermogen Financieel hefboomeffect = winst op het gebruik van vreemd vermogen, waardoor de rentabiliteit van het eigen vermogen stijgt. Hefboomfactor = de vergelijking tussen het VV en het EV (VV/EV). Het verband tussen de REV, RTV en RVV kan als het volgt worden weergegeven: REVvb = RTV + (RTV – RVV) × VV EV Het financiële hefboom effect is deze formule is: (RTV – RVV) × VV EV Voor de rentabiliteit van het EV na aftrek van belastingen: REVnb = (1 – f) × REVvb REVnb = (1 – f) × RTV + (RTV – RVV) × VV EV f = belastingfractie In het belang van het de eigenvermogenverschaffers moet er zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van het hefboomeffect door zo veel mogelijk te financieren met vreemd vermogen. Bezwaren tegen deze redenering: • De hoogte van het bedrijfsresultaat staat niet van tevoren vast. De onzekerheid omtrent de hoogt van de RTV wordt ook wel het bedrijfsrisico of ondernemingsrisico genoemd. • Een daling van de RTV kan door het hefboomeffect nog versterkt worden doorgegeven aan de REV. Het financieel risico geeft deze extra onzekerheid t.o.v. de REV weer. Financieel risico = Bedrijfsrisico × Hefboomfactor • De vreemvermogenverschaffers zullen een hogere rentevergoeding eisen naarmate de ondernemingmeer gebruik maat van VV. De RVV zal hierdoor stijgen  risico RTV beneden RVV wordt groter. Voor een andere analyse van de RTV kan gebruik gemaakt worden van een Dupont Chart  de RTV wordt opgesplitst naar bepalende factoren op de balans en de resultatenrekening. Er wordt hierbij van het volgende verband gebruik gemaakt: RTV = Omloopsnelheid totaal vermogen × Brutowinstmarge De omloopsnelheid van het totale vermogen geeft de relatie tussen omzet en het totaal geïnvesteerde vermogen weer. §9.3 Solvabiliteitskengetallen De solvabiliteit van een onderneming is de mate waarin zijn in geval van liquidatie kan voldoen aan haar financiële verplichtingen aan de verschaffers van vreemd vermogen. Het EV fungeert hierbij als buffer. De debt ratio (DR) geeft aan welk gedeelte van de totale vermogensbehoefte (TV) met vreemd vermogen is gefinancierd. DR = Vreemd vermogen = VV Totaal vermogen TV De debt ratio geeft een indruk van de grootte van de buffer ten behoeft van de verschaffers van vreemd vermogen. Ook andere verhoudingsgetallen van de vermogenscomponenten kunnen worden berekend om de solvabiliteit te bepalen: EV of VV 23

TV EV Deze getallen worden ook wel de financiële hefboomratio’s genoemd. Weerstandsvermogen = het vermogen van de onderneming om ook in ongunstige tijden de activiteiten voort te kunnen zetten. Hiermee hangt samen het kengetal: rentedekkingsfactor. Deze geeft aan in welke mate het bedrijfsresultaat mag dalen zonder dat daarmee de betaling van de verschuldigde intrest aan vreemdvermogenverschaffers in gevaar komt Rentedekkingsfactor = Bedrijfsresultaat Intrestlasten vreemd vermogen .

Rentedekkingsfactor = Winst voor aftrek van intrest en belastingen Intrestlasten vreemd vermogen De elasticiteit van de vermogensstructuur geeft weer in welke mate de vermogensvoorziening kan worden aangepast aan een veranderde vermogensbehoefte. (kwantitatief en kwalitatief). §9.4 Liquiditeitskengetallen De liquiditeit van een onderneming geeft aan in welke mate zij aan de lopende betalingsverplichtingen kan voldoen. Dynamische liquiditeit geeft aan of gedurende een bepaalde periode de binnenkomende geldstroom de uitgaande geldstroom overtreft. De statische liquiditeit geeft aan of de onderneming, gezien de hoeveelheid en samenstelling van de vlottende activa, aan de op korte termijn opeisbare verplichtingen kan voldoen. De volgende kengetallen spelen een rol bij de statische liquiditeit: Het nettowerkkapitaal (NWK) is het deel van de vlottende activa (VA) dat met lang vermogen is gefinancierd. Het geeft aan met welk bedrag de vlottende activa (bruto werkkapitaal), het kortlopend vreemd vermogen (KVV) overtreft. NWK = VA – KVV De balans is altijd in evenwicht, dus kan het NWK ook nog op een andere manier worden berekend. Door het verschil te bepalen van de overige creditposten. NWK = EV + LVV – DA Waarbij: LVV = lang vreemd vermogen DA = duurzame activa Als het nettowerkkapitaal positief is, betekent dit dat de onderneming uit de vlottende activa voldoende middelen kan vrijmaken om aan de vreplichtingen op korte termijn te voldoen. De onderneming is dan liquide. De current ratio (CR) geeft de verhouding aan tussen de vlottende activa en het kort vreemd vermogen. CR = VA . KVV Tussen de current ratio en het nettowerkkapitaal bestaat een nauw verband, aangezien beide van dezelfde grootheden uitgaan. Voorraden hebben in het algemeen een geringere liquiditeit dan debiteuren en liquide middelen. De quick ratio (QR) of acid test ratio is een liquiditeitskengetal dat daarom de voorraden buiten beschouwing laat. QR = VA – voorraden KVV Oftewel: QR = Debiteuren + liquide middelen KVV 24

Hoofdstuk 10: Financiële markten
§10.1 Beleggen Financiële markten vormen de ontmoetingsplaats tussen vragers en aanbieders van vermogen. Vermogenvragers zijn o.a. bedrijven en de overheid. De effectenbeurs faciliteert de contacten tussen vermogensvragers en aanbieders bij de eerste overdracht van vermogen, maar zorgt ook voor de verhandelbaarheid van deze vermogenstitels na de eerste uitgifte. Naast noteringen voor aandelen biedt Euronext ook een markt voor handel in obligaties, opties en futures (termijncontracten). Als aanbieders van vermogen kunnen verschillende partijen optreden: • Banken: kredietverlening is een van de belangrijkste werkzaamheden van een bank. • Institutionele beleggers: zijn financiële instellingen die grote vermogens beheren en dze voor korte en lange termijn beleggen teneinde een acceptabel rendement te behalen in de vorm van waardestijgingen, dividenden en rente. • Particuliere beleggers: kunnen beleggen verkiezen boven sparen als ze bereid zijn het extra risico van beleggen voor lief te nemen. • Bedrijven: bedrijven die (tijdelijk) overtollige liquide middelen beschikbaar hebben, kunnen deze middelen rendabel maken door ze te beleggen of uit te lenen aan andere bedrijven. De onderlinge kredietverlening tussen bedrijven wordt ook wel near banking genoemd. De meest verhandelde effecten zijn aandelen, obligaties, opties op aandelen en futures. Opties = geven het recht om gedurende een bepaalde tijd aandelen tegen een vaste prijs te kopen of te verkopen. Voor een optie moet een bedrag worden betaald dat o.a. wordt bepaald door de beurskeurs van het onderliggende aandeel en de prijs die bij uitoefening van de optie moet worden betaald. Future = een overeenkomst tussen een koper en een verkoper om op een bepaalde dag in de toekomst een hoeveelheid van een onderliggende waarde te kopen tegen een afgesproken prijs. Een belegger zal zich bij de keuze tussen beleggingsalternatieven laten leiden door een tweetal factoren: rendement en risico. Het gerealiseerde rendement op een belegging kan pas achteraf worden bepaald, want dan zijn pas alle uitgaven en ontvangsten bekend. §10.2 Opties Een optie geeft de koper ervan het recht om gedurende een vastgestelde termijn een vaste hoeveelheid van een bepaalde onderliggende waarde tegen een overeengekomen prijs te kopen (calloptie) of te verkopen (putoptie). Elke optie kent een koper en een verkoper, zodat er voor een optiebelegger 4 mogelijkheden zijn: Koper Verkoper Callopt Recht om aandelen te kopen Plicht om aandelen desgevraagd te ie tegen uitoefenprijs. leveren tegen uitoefenprijs. Putopti Recht om aandelen te verkopen Plicht om aandelen desgevraagd af te e tegen uitoefenprijs. nemen tegen uitoefenprijs. Een aandelenopties betreft altijd 100 aandelen, waarvan de looptijd kan variëren.

25

De uitoefenprijs is de prijs waartegen de houder van een optie een aandeel kan kopen of verkopen. Per aandeel en per looptijd zijn verschillende uitoefenprijzen vastgesteld, zogenaamde, optieseries, waarvan opties worden verhandeld. De beurswaarde van een optie wordt bepaald door: de beurswaarde van het onderliggende aandeel en de lengte van de resterende looptijd van de optie. Het verschil tussen de beurswaarde en de uitoefenprijs bepaalt de intrinsieke waarde van de optie. De intrinsieke waarde van een optie is gelijk aan het financiële voordeel dat de optiehouder bij uitoefening van het optierecht direct behaalt. De intrinsieke waarde kan als het volgt worden berekend: IWO = n × (BWA – UOP) in geval van een calloptie IWO = n × (UOP – BWA) in geval van een putoptie Waarbij: IWO = intrinsieke waarde van de optie n = aantal aandelen waar de optie betrekking op heeft BWA = beurswaarde van een aandeel UOP = uitoefenprijs Het verschil tussen de beurswaarde en de intrinsieke waarde van de optie wordt de verwachtingswaarde genoemd, omdat dit de verwachtingen van de beleggers weerspiegelt over het verloop van de beurswaarde van de aandelen. Beleggers kunnen verschillende motieven hebben om in opties te beleggen. • Het behalen van (relatief hoge) koerswinst • Het verkrijgen van extra inkomen • Bescherming tegen koersdaling • Vastleggen van de aankoopprijs van aandelen §10.3 Futures Een future (termijncontract) is een overeenkomst tussen een koper en een verkoper om op een bepaalde dag in de toekomst een hoeveelheid van een onderliggende waarde te kopen tegen een afgesproken prijs. Er zijn twee soorten futurecontracten met betrekking tot de afloop: • Fysieke levering, er vindt daadwerkelijk een transactie plaats in het onderliggende product waarop het future contract betrekking heeft. • Cash settlement, hoedt in dat men het prijsverschil afrekent in geld. Voor futures op aandelen kan de prijs vrij eenvoudig worden berekend. Er zijn twee factoren die van invloed zijn op de prijs: Rente: omdat men minder geld nodig heeft om een future te kopen dan de onderliggende aandelen, spaart men rente uit. Dit uit te sparen bedrag wordt bij de waarde van de future opgeteld. Dividend: een future keert geen dividend uit, en het onderliggende aandeel in sommige gevallen wel. Hoe hoger het uit te keren dividend voordat de future afloopt, hoe groter de korting van de future ten opzichte van de aandelen. De futureprijs is gelijk aan de prijs van de onderliggende waarde plus de rente van de looptijd min de eventuele dividenden die uitgekeerd gaan worden. Bij het aangaan van het contract moet de koper niet het volledige bedrag van de onderliggende waarde betalen, maar slechts een initial margin ter grootte van ongeveer 10% van de onderliggende waarde. 26

Een belegger kan bij futures twee verschillende posities innemen. Als er een future gekocht wordt bij een opening spreken we van een long positie. Als er een future verkocht wordt, spreken we van een short positie. Bij een long positie stijgt de winst als de onderliggende waarde stijgt. Bij een short positie daalt de winst als de onderliggende waarde daalt. §10.4 Beleggingskengetallen De kengetallen die bij de afweging tussen beleggen in verschillende aandelenfondsen van belang kunnen zijn, kunnen worden ingedeeld in een tweetal categorieën: Dividendgerichte kengetallen: Rendement Pay-out ratio Koersgerichte kengetallen: Koers/winstverhouding Koers/cashflowverhouding Koers/intrinsieke-waardeverhouding Rendement: Hoe hoger het uitgekeerde dividend, des te aantrekkelijker is het betreffende aandelenfonds. Rendement = Uitgekeerd dividend × 100% Beurswaarde einde boekjaar Pay-out ratio: Deze geeft aan welk gedeelte van de winst wordt uitgekeerd als dividend. Pay-out ratio = dividend per aandeel × 100% Winst per aandeel Koers/winstverhouding: Om te kunnen beoordelen of een aandelenfonds aantrekkelijk is om in te beleggen, moet worden beoordeeld of het aandeel in de toekomst in waarde kan stijgen. Als de koers laag is in verhouding tot de gemaakte winst is het aantrekkelijk. Koers/winstverhouding = beurswaarde . Winst per aandeel Koers/cashflowverhouding: De cashflow kan ook worden beschouwd als indiactor voor een mogelijke stijging van het aandeel. De cashflow bestaat naast de winst uit de afschrijvingen. Koers/cashflowverhouding = beurswaarde . Cashflow per aandeel Koers/intrinsieke-waardeverhouding: Als de intrinsieke waarde van de onderneming hoog is in verhouding tot de beurswaarde, kan dit wijzen op de aanwezigheid van waardevolle activa. Dit kan de onderneming aantrekkelijk maken voor een overname of duiden op winstpotentie op de lange termijn. Koers/intrinsieke-waardeverhouding = beurswaarde . Intrinsieke waarde per aandeel

27

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->