Naam

:
Kaartlezen:
1. Kaart van België
Duid de 10 Belgische provincies aan op de kaart.
Duid Brussel aan op de kaart, schrijf een B.

. Kaart van Europa Ken je deze kaart? Welke landen herken je? Wijs ze aan. en geef de juiste naam.2.

b) Niemand (bieden) _____________ me zijn verontschuldigingen aan? c) ’s Avonds (baden) ______________ ik in het angstzweet. Ik heb mijn ouders verteld dat ik naar Zuid-Afrika ga. dat (beslissen) ________________ ik dan wel! a) De kok (bereiden) ______________ heerlijke gerechten. j) Hij (beweren) ______________ ons niet gezien te hebben. (2) en ik (worden) _____________ er niet goed van als ik me (3) (inbeelden) _____________________ dat ik zonder haar verder moet. 1. Vul het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd (VT) in of gebruik een voltooid deelwoord. . 2. g) Zijn gezicht (branden) ______________ in zijn herinnering. 3. Het beeld werd (1) (verplaatsen) _____________________ . Het grote beeld werd door de modder (3) (sleuren) ______________. i) Ik (worden) _______ door mijn klasgenoten gepest omdat ik te mager ben. f) Bevend (houden) ______________ hij haar hand vast. (4)Juliet (vinden) ______________ dat ik moet vragen of ik mee mag. (5) Nu. h) Pieter (herinneren) _____________________ het zich weer allemaal. Het beeld van het paard werd aan de teugels (2) (meeslepen) _____________________ . d) (Vinden) ______________ je dat niet vreemd? e) Zoiets (kunnen) ______________ je toch niet vergeten. Ze waren woedend en verboden me er ooit nog aan te denken.Taalvaardigheid Vul de werkwoorden aan in de OTT (onvoltooid tegenwoordige tijd) (1) Juliet (verhuizen) _______________ met haar ouders naar Zuid-Afrika.

.…………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………………………. de renaissance en de romantiek geleerd................................ d) Kelly(antwoorden) …………………………dat ze er niets van kende... . de stad.. h) Charel beweerde dat hij haar nooit had (kussen)………………….. Schrijf onderstaande zinnen over en zet een hoofdletter waar nodig.......... e) De directeur heeft (meedelen) …………………………… dat de minister op bezoek komt.......………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………..................... a) we hebben dit jaar in de les geschiedenis over de middeleeuwen............. ………………………………………………………………………………………........……………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………….. ………………………………………………………………………………………...........a) Johan (verwachten) …………………………… morgen mooi weer........... .......................... c) de duitstalige vriend van meneer de vries landde gisteren met een boeiing 747 op de luchthaven van zaventem.................... .... c) Mijn vriend heeft die avond alles (betalen) …………………………...... b) In De Standaard stond een heel artikel over de indianen in Zuid-Amerika................... ………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………......... f) Wie (ontvreemden) ………………………………… mijn fiets? g) De storm (verwoesten) ………………………………. b) Assepoester (poetsen) …………………………elke avond...

..............d) tijdens de kerstvakantie ga ik skiën in de alpen.................. ………………………………………………………………………………………. ............................ ...…………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………………………....................................

Schrijf onder elk mannetje welk systeem het uitbeeldt: ________________ __________________ _________________ ________________ .Thema: Het menselijk lichaam Je ziet hieronder 4 mannetjes die systemen uit het menselijk lichaam uitbeelden: de bloedsomloop – de spieren – het spijsverteringsstelsel – de ademhaling.

Deltas uitgeverij. _____________________ b. in de kleuren die er bij passen. p 12 en 13) Waarover gaat de tekst? ______________________________________________________________ In elk seizoen kan je tijdens wandelingen leuke dingen tegenkomen. Vragen vooraf: 1. _____________________ Lees de tekst (boek: “Mijn eerste natuurboek”. Noem deze seizoenen: a.Begrijpend lezen: tekst: seizoenswaarnemingen. In welk seizoen zitten we nu? Geef 3 dingen die horen bij dit seizoen: ______________________________________________________________ ______________________________________________________________ ______________________________________________________________ . _____________________ d. Wat past bij welk seizoen? Trek pijlen om te verbinden. _____________________ c. Hoeveel seizoenen zijn er? ___ 2. Zomer Paddenstoelen Herfst Strand Winter Voorjaarsbloeiers Lente Bomen tekenen Kleur nu de vakjes van elk seizoen.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful