P. 1
Soc Psycho 1

Soc Psycho 1

|Views: 158|Likes:
Published by shauni_oliviers

More info:

Published by: shauni_oliviers on Jun 12, 2012
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as TXT, PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

06/12/2012

pdf

text

original

Woordenlijst: Sociale Psychologie Hoofdstuk 1: Introductie

Sociale psychologie: De wetenschappelijke studie van hoe personen denken, voelen en zich gedragen met betrekking tot andere personen en hoe anderen de eigen gedachten, gevoelens en gedragingen beïnvloeden. Interactionistisch perspectief: Het beklemtonen van hoe zowel de individuele persoonlijkheid als de omgevingskarakteristieken gedrag beïnvloeden. Sociale cognitie: De studie van hoe we informatie over onszelf en anderen waarnemen, onthouden en interpreteren. Sociale neurowetenschap: De studie van de relatie tussen neurologische en sociale processen. Gedragsgenetica: Een subdiscipline van de psychologie die de relatieve invloed van genetische en omgevingsfactoren onderzoekt. Evolutionaire psychologie: Een subdiscipline van de psychologie die gebruik maakt van de principes van de evolutieleer voor het verklaren van het menselijk gedrag. Crosscultureel onderzoek: Onderzoek dat wordt opgezet met het oog op het analyseren van gelijkenissen en verschillen tussen mensen uit verschillende culturen. Multicultureel onderzoek: Onderzoek naar kenmerken van raciale en etnische groepen binnen eenzelfde cultuur.

Hoofdstuk 2: Onderzoeksmethoden

Hypothese: Een toetsbare voorspelling over de condities waaronder een gebeurtenis zal optreden. Theorie: Een georganiseerde verzameling principes die geobserveerde fenomenen verklaart.

Fundamenteel onderzoek: Onderzoek met het oog op een beter begrip van menselijk gedrag, voornamelijk door het toetsen van hypothesen die uit een theorie zijn afgeleid. Toegepast onderzoek: Onderzoek met het oog op het verbeteren van onze kennis omtrent natuurlijke gebeurtenissen en het oplossen van praktische problemen. Operationele definitie: De specifieke procedures voor het manipuleren of meten van conceptuele variabelen. Begripsvaliditeit: De mate waarin meetinstrumenten in een onderzoek die variabelen meten die ze bedoelen te meten en experimentele manipulaties die variabelen manipuleren die ze bedoelen te manipuleren. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: De mate waarin verschillende beoordelaars overeenstemmen in de waarnemingen die ze rapporteren. Toevallige steekproeftrekking: Een methode voor het selecteren van deelnemers aan een studie die garandeert dat elk lid van de populatie evenveel kans heeft om te worden geselecteerd. Correlationeel onderzoek: Onderzoek dat wordt opgezet om het verband te bepalen tussen variabelen die niet door de onderzoeker worden gemanipuleerd. Correlatiecoëfficiënt: Een statistische maat die de sterkte en richting van het verband tussen twee variabelen weergeeft. Experiment: Een vorm van onderzoek die het mogelijk maakt causale relaties aan te tonen omdat (1) de experimentator controle heeft over de gebeurtenissen en (2) deelnemers volkomen toevallig aan condities worden toegewezen. Volkomen toevallige toewijzing: Een methode om deelnemers toevallig toe te wijzen aan de condities van een experiment zodat elke deelnemer evenveel kans heeft om aan elk van de condities te worden toegewezen. Onafhankelijke variabelen: De factoren die door onderzoekers in een experiment worden gemanipuleerd om te zien welk effect ze hebben op de afhankelijke variabelen. Afhankelijke variabelen: De factoren in een experiment die door de onderzoekers worden gemeten om te zien of ze door de onafhankelijke variabelen worden beïnvloed.

Subjectvariabelen: Variabelen die bestaande verschillen (voorafgaand aan het onderzoek) tussen deelnemers aan een studie typeren. Hoofdeffect: Een statistische term die verwijst naar het globaal effect van de onafhankelijke variabele op de afhankelijke variabele, zonder rekening te houden met de andere onafhankelijke variabelen. Interactie: Een statistische term die aangeeft of het effect van een onafhankelijke variabele op de afhankelijke variabele afhankelijk is van de waarde van een andere onafhankelijke variabele. Interne validiteit: De mate waarin in een experiment verschillen in de afhankelijke variabelen met redelijke zekerheid aan het effect van de onafhankelijke variabelen kunnen worden toegeschreven. Verwachtingen van de proefleider: Effecten van de verwachtingen van de proefleider over de resultaten van een experiment op het gedrag van de proefleider ten aanzien van de deelnemer, die op hun beurt het gedrag van de deelnemer kunnen beïnvloeden. Externe validiteit: De mate waarin met redelijke zekerheid die resultaten van een studie veralgemeend kunnen worden naar andere personen en situaties. Werelds realisme: De mate waarin de experimentele situatie overeenkomt met plaatsen en gebeurtenissen uit de werkelijke wereld. Experimenteel realisme: De mate waarin experimentele procedures de deelnemers aangrijpen en hen tot spontaan en natuurlijk gedrag aanzetten. Deceptie: Het verstrekken van valse informatie aan deelnemers van een onderzoek. Handlanger: Een medewerker van de onderzoeker die zich voordoet als een gewone deelnemer aan het onderzoek. Meta-analyse: Een reeks statistische procedures die worden gebruikt om de gegevens van individuele studies te combineren, teneinde een beeld te krijgen van de algemene betrouwbaarheid en de sterkte van specifieke effecten. Geïnformeerde toestemming: De weloverwogen en vrijwillige beslissing van een persoon om deel te nemen aan een onderzoek, steunend op de beschrijving door de onderzoeker van de vereisten voor de deelname aan het onderzoek.

Debriefing: De onthulling van de bedoeling van het onderzoek aan de deelnemers na het beëindigen ervan, waarmee de onderzoeker de eventueel opgewekte negatieve gevoelens neutraliseert en het belang voor de wetenschap van de bijdrage van de deelnemers beklemtoont.

Hoofdstuk 4: Persoonsperceptie

Sociale perceptie: Een algemene term voor de processen die de basis vormen voor het begrijpen van anderen. Non-verbaal gedrag: Gedrag dat de gevoelens van een persoon zonder woorden signaleert door gelaatsuitdrukkingen, lichaamstaal en vocale expressie. Attributietheorie: Een algemene term voor een reeks theorieën die beschrijven hoe personen gedrag oorzakelijk verklaren. Persoonlijke attributie: Toeschrijven van het gedrag van een actor aan interne eigenschappen zoals aanleg, persoonlijkheid, humeur en inspanning. Situationele attributie: Toeschrijven van het gedrag van een actor aan externe factoren zoals de taakmoeilijkheid, andere personen en toeval. Corresponderende inferentietheorie: Theorie die stelt dat men inferenties maakt over een persoon wanneer zijn of haar gedrag vrij gekozen is, onverwacht en een beperkt aantal gunstige effecten heeft. Covariatieprincipe: Een attributioneel principe dat stelt dat personen gedrag toeschrijven aan die factoren die aanwezig zijn als het gedrag voorkomt en afwezig zijn als het gedrag niet optreedt. Beschikbaarheidsheuristiek: De neiging om de waarschijnlijkheid van gebeurtenissen af te leiden uit hoe gemakkelijk men voorbeelden ervan uit het geheugen kan oproepen. Valse consensuseffect: De neiging om de mate waarin anderen onze opvattingen, eigenschappen en gedrag delen, te overschatten. Basisfrequentievalstrik: De vaststelling dat men relatief ongevoelig is voor consensusinformatie in de vorm numerieke basisfrequenties. Tegenfeitelijk denken: De neiging om zich mogelijke alternatieve uitkomsten voor te stellen die zich niet voordeden.

Fundamentele attributionele fout: De neiging om de impact van situaties op het gedrag van anderen te onderschatten en de aandacht op persoonsgebonden oorzaken te richten. Actor-observator-effect: De tendens om het eigen gedrag toe te schrijven aan situationele oorzaken en dat van anderen aan persoonlijke factoren. Geloof in een rechtvaardige wereld: De opvatting dat men in het leven krijgt wat men verdient, wat verklaart waarom slachtoffers in diskrediet worden gebracht. Impressievorming: Het proces van integratie van informatie over een persoon tot een coherente impressie. Informatie-integratietheorie: De theorie die stelt dat impressies gebaseerd zijn op (1) disposities van de waarnemer en (2) een gewogen gemiddelde van de kenmerken van de doelpersoon. Primeren: De tendens van recentelijk gebruikte woorden of ideeën om gemakkelijk voor de geest te komen en de interpretatie van nieuwe informatie te beïnvloeden. Impliciete persoonlijkheidstheorie: Een netwerk van assumpties over relaties tussen trekken en gedragingen. Centrale trekken: Trekken die een sterke invloed uitoefenen op algemene impressies. Primauteitseffect: De bevinding dat informatie die het eerst in een reeks voorkomt, meer impact heeft op impressies dan later gepresenteerde informatie. Behoefte aan afsluiting: Het verlangen om de cognitieve onzekerheid te verminderen, waardoor het belang van eerste indrukken wordt verhoogd. Confirmatievertekening: De neiging om informatie te verzamelen, te interpreteren en te scheppen die in overeenstemming is met de gangbare opvattingen. Persistentie van de opvattingen: De tendens om opvattingen in stand te houden, zelfs wanneer ze door de feiten weerlegd zijn. Zelfvervullende voorspelling: Het proces waarbij de verwachtingen over een persoon hem of haar ertoe brengen zich conform die verwachtingen te gedragen.

Hoofdstuk 6: Attitudes

Attitude: Een positieve, negatieve of gemengde reactie op een persoon, een object of een idee. Attitudeschaal: Een vragenlijst met meerdere items, die ontworpen is om de attitude van een persoon tegenover een object te meten. Pseudo-leugendetector: Een vals leugendetectortoestel dat soms gebruikt wordt om respondenten ertoe te bewegen op gevoelige vragen waarheidsgetrouw te antwoorden. Gelaatselektromyograaf (EMG): Een elektronisch instrument dat de activiteit van de gelaatsspieren registreert en die met emoties en attitudes associeert. Impliciete attitude: Een attitude zoals een vooroordeel die we niet kunnen rapporteren omdat we er niet van bewust zijn. Impliciete Associatietest (IAT): Een verdoken maat van onbewuste attitudes die afgeleid worden uit de snelheid waarmee men goed of slecht associeert met elementen uit categorieën zoals zwarten en blanken. Theorie van beredeneerd gedrag: De theorie die stelt dat attitudes ten opzichte van een specifiek gedrag samen met subjectieve normen en waargenomen controle het gedrag bepalen. Overreding, overtuiging: Het proces van attitudeverandering. Centrale weg tot overreding: Het proces waarbij een persoon een boodschap zorgvuldig analyseert en door de sterkte van de argumenten beïnvloed wordt. Perifere weg tot overreding: Het overredingsproces waarbij een persoon niet zorgvuldig over een boodschap nadenkt, maar door oppervlakkige cues beïnvloed wordt. Elaboratie: Het proces van nadenken en kritisch analyseren van de argumenten die deel uitmaken van een overtuigende boodschap. Slapend effect: Een uitgestelde verhoging van de impact van een persuasieve boodschap van een ongeloofwaardige bron. Behoefte aan cognitie: Een persoonlijkheidskenmerk dat personen onderscheidt op grond van het genoegen dat ze ontlenen aan inspannende cognitieve activiteiten.

Vaccinatiehypothese: De idee dat blootstelling aan een zwakke variant van een overtuigend argument later de weerstand tegen dat argument verhoogt. Psychologische reactantie: De theorie die stelt dat personen reageren tegen bedreiging van hun vrijheid door zelfbevestiging en met een verhoogde waardering voor de bedreigde alternatieven. Cognitieve dissonantietheorie: De theorie die stelt dat tegengestelde cognities psychologische spanning opwekken die men wil reduceren. Onvoldoende justificatie: Een conditie waarbij personen uit vrije wil attitudediscrepant gedrag stellen en er geen grote beloning voor ontvangen. Onvoldoende afschrikking: Een conditie waarbij personen een aangenaam gedrag niet uitvoeren, zelfs wanneer slechts met een milde straf wordt gedreigd.

Hoofdstuk 7: Conformiteit

Conformiteit: De tendens tot aanpassing van percepties, opinies en gedrag in overeenstemming met de geldende groepsnormen. Informationele invloed: Invloed die leidt tot conformiteit indien men gelooft dat anderen een juist oordeel hebben. Normatieve invloed: Invloed die leidt tot conformiteit omdat men vreest voor de negatieve sociale gevolgen van afwijkend te lijken. Private conformiteit: De verandering van opvatting die optreedt als iemand voor zichzelf het standpunt van anderen inneemt. Publieke conformiteit: Een oppervlakkige verandering in openlijk gedrag, zonder een overeenkomstige meningsverandering, veroorzaakt door reële of vermeende groepsdruk. Individualisme: Een culturele oriëntatie, waarin onafhankelijkheid, autonomie en zelfredzaamheid belangrijker zijn dan groepsloyauteit. Collectivisme: Een culturele oriëntatie, waarin onderlinge afhankelijkheid, samenwerking en sociale harmonie belangrijker geacht worden dan persoonlijke doelstellingen.

Minderheidsinvloed: Het proces waardoor dissidenten in een groep veranderingen bewerkstelligen. Eigenzinnigheidskrediet: Interpersoonlijk krediet dat men verdient door de groepsnormen te volgen. Inwilliging: Gedragsverandering die het gevolg is van een direct verzoek. Voet-tussen-de-deur-techniek: Een tweestappen inwilligingstechniek, waarbij een beïnvloeder het echte verzoek laat voorafgaan door een vraag om met een veel beperkter verzoek in te stemmen. Als-de-bal-eenmaal-aan-het-rollen-is: Een tweestappen inwilligingstechniek, waarbij de beïnvloeder een overeenkomst sluit over een verzoek maar naderhand de omvang van het verzoek vergroot door verborgen kosten te onthullen. Deur-tegen-de-neus-techniek: Een tweestappen inwilligingstechniek, waarbij de beïnvloeder het echte verzoek laat voorafgaan door een verzoek dat zo groot is, dat het afgewezen wordt. Het-is-nog-niet-klaar-techniek: Een tweestappen inwilligingstechniek, waarbij de beïnvloeder begint met een overdreven verzoek, waarvan hij de schijnbare omvang vermindert door een korting of bonus aan te bieden. Gehoorzaamheid: Gedragsverandering als gevolg van een bevel van een autoriteit. Sociale impacttheorie: De theorie dat sociale invloed afhankelijk is van de sterkte, de nabijheid en de verhouding tussen het aantal bron- en doelpersonen. Hoofdstuk 11: Agressie Agressie: Gedrag bedoeld om iemand te kwetsen die niet gekwetst wenst te worden. Instrumentele agressie: Iemand schade berokkenen om iets waardevols te verkrijgen. Emotionele agressie: Iemand schade berokkenen om de schade. Sociale leertheorie: De theorie die stelt dat gedrag wordt aangeleerd door observatie van anderen en de directe ervaring van beloning en straffen.

Frustratie-agressiehypothese: De stelling dat (1) frustratie altijd leidt tot agressie en (2) dat agressief gedrag altijd het gevolg is van frustratie. Verplaatsing: Agressie tegenover een andere doelpersoon dan de bron van de frustratie, hetzij uit vrees voor de bron, hetzij door afwezigheid van de oorspronkelijke frustratiebron. Catharsis: Een afzwakking van agressiviteit als gevolg van het inbeelden, waarnemen of feitelijk stellen van agressief gedrag. Opwinding-affectmodel: De stelling dat agressie beïnvloed wordt door zowel de intensiteit van de opwinding als de aard van de emotie die een stimulus opwekt. Cognitieve neo-associanistische analyse: De opvatting dat onaangename ervaringen een negatief affect uitlokken. Dit lokt op zijn beurt automatische associaties uit met woede en angst. Emotionele en gedragsmatige uitkomsten hangen vervolgens ten dele af van cognitieve hogereordeverwerking. Wapeneffect: Het feit dat louter aanwezigheid van wapens agressief gedrag stimuleert. Matigende informatie: Informatie over de situatie van een persoon waaruit men kan opmaken dat hij/zij niet de volle verantwoordelijkheid draagt voor agressieve handelingen. Vijandigheidsattributievertekening: De neiging om bij andere personen vijandige bedoelingen te percipieren. Habituatie: Adaptatie aan iets waarmee men vertrouwd is, waardoor zowel de fysiologische als de psychologische reacties afnemen. Cultivering: Het proces waarbij de massamedia (in het bijzonder de televisie) voor hun publiek een eigen versie van de sociale realiteit construeren. Pornografie: Expliciet seksueel materiaal. Familiale geweldcyclus: De transmissie van huiselijk geweld van de ene generatie op de andere.

Hoofdstuk 12: Rechtspsychologie

Voir dire: De ondervraging, voorafgaand aan het proces, van kandidaatjuryleden door de rechter of de advocaten van de tegenpartij om tekenen van vooringenomenheid te ontdekken. Peremptoir wrakingsrecht: Het recht van Amerikaanse advocaten om zonder toestemming van de rechter een beperkt aantal juryleden te weren. Wetenschappelijke selectie van de jury: Een methode om de jury samen te stellen die gebaseerd is op onderzoek van de correlaties tussen demografische gegevens en attitudes die voor het proces relevant zijn. Death qualification: Een procedure om de jury samen te stellen voor rechtszaken waarin beslist wordt over het al dan niet toepassen van de doodstraf. De procedure verleent de rechter de mogelijkheid om kandidaatjuryleden te weren op grond van hun negatieve houding ten aanzien van de doodstraf. Polygraaf: Een instrument dat via diverse indicatoren fysiologische opwinding registreert. Dit apparaat wordt vaak als leugendetector gebruikt. Wapen-focuseffect: Het feit dat de aanwezigheid van een wapen de aandacht van de getuige dusdanig opeist dat het de identificatie van de dader bemoeilijkt. Vooringenomenheid bij crossraciale identificatie: Het feit dat men moeilijker leden van een ander ras kan identificeren. Verkeerde informatie-effect: Het feit dat informatie die na een gebeurtenis wordt verstrekt, in de herinnering van de gebeurtenis wordt geïntegreerd. Jury nullification: De bevoegdheid van de jury om de wet naast zich neer te leggen (nullify) als deze in strijd is met de eigen opvattingen over gerechtigheid. Neiging tot mildheid: De tendens tot grote mildheid die ontstaat naarmate de beraadslaging van een jury vordert. Ongelijkheid bij het toekennen van de strafmaat: Ongelijke behandeling van veroordeelden omdat rechters voor hetzelfde misdrijf een verschillende straf toekennen.

Accusatoire rechtspleging: Een systeem om een geschil te beslechten waarbij het openbaar ministerie (openbare aanklager) en de verdediging een van beide partijen vertegenwoordigen. Inquisitoire rechtspleging: Een systeem om een geschil te beslechten waarbij een neutrale onderzoeker of onderzoeksrechter voor beide partijen bewijsmateriaal verzamelt en de bevindingen in de rechtszaal presenteert.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->