You are on page 1of 4

De nimf De ommekeer, die ervoor zorgde dat het saaie leven van Karel Bruinsma nooit meer hetzelfde

zou zijn, diende zich aan op een alledaagse zaterdagochtend in juni. Zij kwam in de vorm van een waternimf, maar dan wel eentje op het droge, die plotsklaps onder zijn balkon verscheen. Karel stapte de avond ervoor nietsvermoedend zijn weekend in, op een manier zoals hij dat elke week doet. Hoe hij dat doet, daar valt niet veel over te vertellen, want echt opwindend is het niet. Tenzij je het aanschouwen van het journaal, onder het genot van een dungerold sigaartje, opwindend vindt. Zijn ochtendritueel op de zaterdag is evenmin opwindend, het wordt gekenmerkt door een drietal koppen zwarte koffie, een reeks filtersigaretten en het tot in detail doorspitten van de Volkskrant. Beide rituelen zijn ontstaan en gevolueerd gedurende de looptijd van een groot aantal jaren. Vijf, tien, misschien wel vijftien jaar. Grote veranderingen hebben er nauwelijks plaatsgevonden, want Karel deed nergens stof opwaaien, waardoor hij gedoemd leek tot een eenzaam doch vrijgevochten vrijgezellenbestaan. Totdat de nimf haar intrede in zijn leven deed, kort en krachtig, maar met het effect van een allesverwoestende wervelstorm. De kijk die Karel Bruinsma op de wereld had, zou nooit meer hetzelfde zijn. Voor even heeft hij gevoeld dat hij leeft. Terwijl Karel in de aangename -op dat moment van de dag was het buiten nog uit te houdenochtendzon las over de krimpende economie en het vallende kabinet, was de gewijzigde koers in zijn persoonlijke geschiedenis al een feit. De verandering hijgde met hete adem in zijn nek, al was hij zich daar zelf nog niet geheel bewust van. De oorzaak van zijn klotsende oksels en de bezwete plooien van zijn lichaam, zocht hij in de hittegolf die de stad al enige dagen teisterde. Het verlangen naar een vrouwfiguur, om zijn leven op te leuken, was heden ten dagen sterker dan ooit. Gillend gek werd hij van het grote aantal benen in rokjes dat langs zijn woning aan de rand van het centrum voorbij liep. Vanaf zijn balkon had hij een prima uitzicht op al het moois dat de zomer te bieden had. Lange benen, egaal gebruind en vrijgesteld van enige vorm van oneffenheid, dol was hij daarop. Maar ook korte benen, en zelfs benen die waren bezaaid met enorme plakkaten cellulitis, konden zijn goedkeuring dragen. Het maakte hem niet uit hoe die benen eruitzagen, want hij hunkerde naar contact met vrouwenhuid, al was het slechts voor een fractie van een seconde. Het was te lang geleden. Slechts een keer in zijn leven mocht hij voelen hoe het is om het bed met een vrouw te delen. Maar dat is alweer lang geleden, en de herinnering is wordt vager, naarmate de dagen, de weken, de jaren verstrijken. Hoop had hij op die zaterdagochtend in juni niet meer, want welke vrouw was er nu genteresseerd in een stoffige Historicus,met te weinig haar op zijn hoofd en teveel, stug en grijzend, haar op zijn lichaam? Het koffiezetapparaat, geen Nespresso en zelfs geen Senseo, pruttelde, en fleurde het huis en het balkon op met die vertrouwde, ouderwetse koffiegeur. Die geur bracht het gemoed van Karel enigszins tot bedaren, waardoor hij zich voor enkele minuten weer kon concentreren op de miljoenen letters in de krant. Maar na het nuttigen van twee bakken troost werd hij toch weer onrustig. Zweetdruppeltjes dropen langs zijn hoofd en hals, om te eindigen in een oerwoud van ondoordringbaar borsthaar. Karel krabde zich eens op zijn hoofd en stond op. Ging naar binnen, ijsbeerde door zijn appartement en vervloekte de zomer. Beelden van benen schoten door zijn hoofd en bleven daar pesterig hangen. Toch maar weer naar buiten. Daar stond hij weer op het balkon, ellebogen over de rand, voorovergebogen houding. Karakteristiek, maar tevens saai als iedere andere doorsnee vijftiger. Karel springt er niet uit, maar verdwijnt juist in

de massa, de grijze massa. De vergrijzing zorgt ervoor dat hij zich vergeten voelt. Vrouwen zien in hem geen ervaren academicus, maar enkel een oude man. Zij voelen zich niet aangetrokken tot zijn kennis, sterker nog, zij komen nog niet eens tot die kennis, want voordat zij daaraan toe kunnen komen, worden zij afgeschrikt door zijn stoffige verschijning, door het gebrek aan seksuele aantrekkingskracht. Vrouwen behandelen hem niet op een vervelende manier, dat niet, zij zijn altijd vriendelijk tegen hem, tot op het beleefde af. Maar juist dat steekt hem, dat beleefde. Nooit is er sprake van een flirt, laat staan van een avontuurtje, of een affaire. Stel je voor. En dus stond Karel op zaterdagochtend altijd in zijn eentje op het balkon, zijn leven tot in den treuren overpeinzend. Zo ook op die bewuste zaterdagochtend. Vrouwelijk schoon liet zich op dit tijdstip nog niet zien, dat lag prinsheerlijk een eerder opgedane roes uit te slapen. Het ontbreken van blote benen gaf Karel ademruimte, hield zijn seksuele frustratie even in toom. Geniet van het moment, droeg hij zichzelf op, Laat je gevoel niet de overhand krijgen, maar relativeer, plaats je gedachten in het juiste perspectief. Tijdens tientallen therapiesessies, had Karel in theorie geleerd om te gaan met zijn frustratie. Helaas ging het relativeren nog steeds niet vanzelf, keer op keer werd hij geplaagd door insluipende gedachten, die hem ervan overtuigden dat hij niks waard was, en dat vrouwen van hem walgden. Urenlang ijsbeerde hij door zijn appartement, zat hij op de bank, of hing hij, zoals nu, over de rand van zijn balkon. Rustig blijven, bewust ademhalen, laat je niet afleiden. De drukkende atmosfeer die er die morgen hing, maakte dat hij het moeilijk had. Hij probeerde zich te focussen op het groen van de bomen aan de overkant, op de aangelegde perkjes, beneden op straat. Dat lukte redelijk. Totdat zijn blik werd getrokken naar iets mintgroens. Iets dat fladderde. Wat was het? Een jurkje, waaruit welgevormde benen staken. Witte benen, mollig, dat dan weer wel. Maar daardoor niet minder mooi. Hij keek langs de benen omhoog, en zag toen het totaalplaatje. Een waternimf, maar dan wel eentje op het droge, dat leek zij te zijn. Verwarde rossige haren, enigszins verwilderd, schouderlang. Priemende tepels, zichtbaar door het ontbreken van een gedegen bustehouder. Grote angstige ogen, die op de zijne gericht waren. Haar mond hing halfopen. Karel slikte, zijn keel was gortdroog, en hij was totaal van zijn propos. Zijn handen trilden en zijn benen voelden slap. Hij voelde zich betoverd door deze verschijning. Minutenlang staarde hij naar haar, wie was zij, en waar kwam zij vandaan? Hij wilde roepen, maar uit zijn mond kwam geen geluid, hij was verstard, leek versteend. In tegenstelling tot wanneer hij zijn blik langs studentes in rokjes liet gaan, kwam er nu geen lichamelijke reactie, met zijn lichaam gebeurde er niks. Hij werd enkel overspoeld door een gevoel van liefde, als bij een confrontatie met het goddelijke. Hoelang hij zo gestaan heeft, dat weet niet niemand. Feit is wel dat het moment plots verbroken werd, doordat de nimf het op een rennen zette. Nog eenmaal keek zij om, om vervolgens zonder pardon uit zijn gezichtsveld te verdwijnen. Karel sprong op uit zijn voorovergebogen houding, en wist toen niet wat te doen, hoe te handelen. Zijn ochtendjas, die in alle commotie opengevallen was, hing als een vod om zijn schriele lichaam. Alles was te zien, maar wie Karel op dat moment aanschouwde zou niet naar beneden kijken, zijn geslacht hing er immers maar zielig bij. Nee, alle aandacht zou uitgaan naar de uitdrukking op het gezicht van de man. De ogen wijd opengesperd en de mond verwrongen tot een dunne streep. Totaal van de kaart. Wat te doen, dacht Karel, terwijl hij zijn appartement inliep. Wild trok hij zijn ochtendjas uit, en liep naar de slaapkamer. Daar aangekomen raapte hij, zo goed en zo kwaad als het kon, een outfit bij elkaar. Beige pantalon, lichtblauw overhemd, en een paar zwarte bordeelsluipers. Snel kleedde hij zich aan, daarbij hemd en onderbroek vergetend. Normaliter hing zijn leven, zijn week, zijn dag aan elkaar van rituelen, maar

ditmaal wist hij niet hoe snel hij de deur uit moest komen. Hij was bekomen tot een man met een missie. De binnenstad, een paar uur nadat Karel geconfronteerd werd met de nimf. Al enige tijd liep hij, verhit en bezweet, over pleinen en gazonnen, door winkelstraten en door steegjes. Menig mens moest uitkijken om niet omver gelopen te worden door die neurotische Karel. Doelgericht, maar ook kriskras, baande hij zich een weg door de gonzende massas mensen in de stad. Op zoek naar haar, zijn goddelijke verschijning. Soms meende hij een glimp van haar op te vangen, in de reflectie van een winkelruit, of hij zag haar rossige haardos boven een groepje mensen uitsteken. Als een malle rende hij er dan op af, om vervolgens teleurgesteld af te druipen. Steeds weer bleek het een ander meisje te zijn, vaak niet half zo mooi als zij. Woedend duwde hij het betreffende meisje dan opzij, machteloos als hij zich op die momenten voelde. Toch ging hij door, gedreven door een allesoverheersende obsessie. Een obsessie die was ontstaan uit het oogcontact met zijn nimf. Eindelijk een vrouw die hem, letterlijk, zag staan, die niet langs hem heenkeek, maar die haar blik in de zijne boorde. Die nota bene naar hem staarde. Hij wilde het er niet bij laten zitten, en dus vervolgde hij zijn weg door de stad, in een hitte die steeds meer zinderend werd. Zijn blauwe overhemd vertoonde afwisselend donkere kringen onder zijn oksels, rondom zijn navel en op zijn rug, en witte, korrelige plekken, ontstaan uit opgedroogd zweet. Zijn overhemd hing open, de bovenste vier knoopjes waren losgeraakt, en zijn natte borsthaar kroesde. De wanhoop was van zijn gezicht af te lezen. Hijzelf was zich daar in het geheel niet bewust van, nog steeds was hij ervan overtuigd dat zijn nimf een teken van boven was. Een verschijning die verandering aankondigde. De neurotische houding, die Karel zo kenmerkt, was die dag nog sterker aanwezig dan anders. Wie van een afstandje naar hem keek, kon een verbeten tred bemerken. Zijn blik op oneindig, en zijn lichaam erachteraan. Een clouchard, zou je denken, een dakloze. Vooral toen, later op de middag, de atmosfeer steeds drukkender werd, en de wolken op springen stonden, zag Karel eruit als een man aan het randje van de afgrond. Ondanks zijn goedbetaalde baan, het riante appartement aan de rand van het centrum en de kostbare therapiesessies, waren de geestelijke problemen van Karel niet te onderdrukken. Het ging lange tijd goed, maar zijn obsessies overheersten op die zaterdag, getriggerd door de aanblik van die nimfachtige verschijning. Zo rond een uur of zes, toen Karel er een speurtocht door de stad op had zitten, stond hij zich toe om bij een kiosk, aan de rand van een park, een koude cola te bestellen. Hij kon niet meer. Zijn ademhaling klonk rasperig en hij was duizelig, zijn lichaam voelde slap als een lappenpop. Hij streek neer in het dorre gras, en drukte het koele blikje tegen zijn gezicht. Hij bracht verkoeling aan op zijn wangen, zijn voorhoofd en zijn kind. Toen hij het blikje opentrok, en de zoete vloeistof in zijn keel liet glijden, verslikte hij zich. De cola kwam er via zijn neus weer uit, en baande zich schuimend een weg over zijn lichaam. Hijgend stond hij op, het blikje gooide hij als een vod op de grond. Daar, aan het eind van de heuvel, daar liep ze. Zij was het, onmiskenbaar. Hij zette het op een rennen, moest en zou haar bereiken. De nimf zag hem aankomen, en bleef staan, zij staakte het lopen. Haar mond hing wederom halfopen, en weer staarde ze naar Karel. Haar blik had iets bizars, iets dat niet te plaatsen was. Ook verder in het plaatje, klopte er een aantal details niet. Zo had het mintgroene jurkje een vaalbruine tint gekregen, en liep zij op blote voeten. Karel viel dat niet op, hij werd nog steeds gedreven door zijn obsessie, en rende als een bezetene op haar af. Omdat zij bleef staan, en hij zichzelf niet tot stoppen kon manen, botsten ze tegen en elkaar aan en vielen zij samen op de grond, waarbij hij boven op haar kwam te liggen. Hij, totaal bevangen door zijn eigen gevoel, waar hij helemaal in

opging, greep haar gezicht vast en drukte onhandige, natte kussen op haar hele gezicht. Zij bood geen weerstand, wat hij zag als een aanmoediging om door te gaan. Stoppen kon hij sowieso nog altijd niet. De kletterende regen, die er al de hele middag aan zat te komen, en die het landschap om hen heen veranderde in een grote modderpoel, bemerkte hij niet eens. Zijn zintuigen namen alleen haar waar. Zij liet het over zich heen komen, bleef hem met open mond aankijken. Eindelijk heb ik je gevonden, mijn nimf, mijn verschijning des Gods, prevelde hij. Jij bent het waar ik zo lang op heb moeten wachten, maar het is allemaal niet voor niks gebleken, het wachten was het waard. Al die jaren van eenzaamheid, van hunkering. De nimf reageerde niet op zijn woorden, het leek alsof de woorden, en zijn handen, niet tot haar doordrongen. Karel ging steeds verder, bedoelde het niet verkeerd, werd slechts overweldigd door zijn obsessie, maar kon daarin geen maat houden. Hij raakte de nimf overal aan, betastte rondingen die hij nooit eerder betast had, en voelde een nattigheid die hij slechts een keer eerder gevoeld had. Toen het over was, al vrij snel, werd hij zich bewust van de omstandigheden waarin hij verkeerde. Het regende nog steeds pijpenstelen, en zowel Karel als de nimf waren doorweekt. Zijn overhemd zat inmiddels nog maar met een enkel knoopje vast en zijn broek hing los om zijn lichaam. Hij kon weer helder zien, de obsessie, die hem zo even nog blind maakte, leek nu een verbroken betovering. Toen zag hij haar, de nimf. Het vale jurkje opgetrokken, de mollige bovenbenen zichtbaar, de mond openhangend, en de uitdrukking op haar gezicht stond nog steeds op neutraal. Opeens, zonder aankondiging en zonder iets te zeggen, stond zij op en zette zij het op een lopen. Karel, die zich schaamde voor zijn dwingende optreden, stond als aan de grond genageld. Hij kon, net zoals die ochtend, geen woord over zijn lippen krijgen. In tegenstelling tot de rijk bevochtigde grond, was zijn keel weer gortdroog. Thuis, in zijn vertrouwde appartement, vond Karel rust in het doorlopen van zijn avondritueel. Met zijn doorweekte kleding nog aan ging hij in zijn favoriete stoel zitten, voeten op de salontafel. Hij verkeerde in een roes. Met klamme vingers trachtte hij een sigaartje aan te steken, iets dat na enkele verwoede pogingen lukte. Terwijl de rook in zijn mond rondzweefde, zette hij de televisie aan, Nederland 1, het journaal. Het hervatten van zijn ritueel bracht hem tot rust, het was alsof er niks gebeurd was. Na enkele minuten, werd het journaal onderbroken door een bericht van de politie: Gezocht: Isabel, 45 jaar oud, verstandelijk gehandicapt. Weggelopen uit de instelling, gekleed in slechts een mintgroen jurkje. Is ontoerekeningsvatbaar, en gevoelig voor de aandacht van mannen. Mocht u haar gezien hebben, bel dan naar 0900-8844. En zo werd die zaterdag in juni een ommekeer in de geschiedenis van Karel, zijn leven zou nooit meer hetzelfde zijn.