Terug naar de bron: Over de gevaren van integratie.

door

A.J. Secrève

1

Noot van de schrijver: Op dit werk berust auteursrecht. Aangezien dit voor publicatie gewegerd is, is besloten om dit beschikbaar te stellen voor gratis verspreiding. Verspreiden van dit stuk mag onbeperkt plaatsvinden, hoewel onder geen omstandigheden mag de inhoud worden gewijzigd. Opmerkingen of vragen dienen zich te richten aan de schrijver. A.J.S Juli 2012

2

Opoffering was een middenpunt tussen de schepping en mezelf – nu ging ik niet langer meer terug naar bronnen maar naar De Bron. – Frantz Fanon

3

Inhoudsopgave
Ten geleide………………………………………………………………p. 5 Intrapersoonlijk………………………………………………………….p. 14 Interpersoonlijk………………………………………………………….p. 30 Het Westen en de anderen…………………………………………….…p. 38 De Amerikaanse aanpak? ……………………………………………….p. 87 Apartheid……………….………………………………………………..p. 91 Afrikanernationalisme…………………………………………………...p. 167 Een evaluatie…………………………………………………………….p. 185 De bewegingen tegen de apartheid: diverse verklaringen……………….p. 195 Het geval van Wit-Rusland……………………………………………...p. 211 Internationaal……………………………………………………………p. 218 Bijlage…………….……………………………………………….…….p.242 Bronvermelding…………………………………………………………p. 243

4

Ten geleide
Dit stuk gaat over een onderwerp dat veel aandacht heeft genoten de laatste paar jaren namelijk culturele integratie. Het is uiteraard niet bepaald een nieuw onderwerp en heeft ondertussen voor honderden debatten, artikelen en discussies gezorgd. Dit is ook niet alleen van de recente tijd. Over de eeuwen heen kwamen mensen van verre landen om zich elders te vestigen, vooral in tijden van voorspoed of tegenspoed waardoor grote verschuivingen in bevolkingsgroepen plaatsvonden. Vanwege behoefte aan expansie, en vooral in de latere eeuwen ook om het stamland van financieel voordeel of macht te voorzien gingen mensen steeds vaker naar vreemde oorden. Enerzijds kwamen veel mensen naar deze stamlanden toe en anderzijds gingen veel weg uit deze stamlanden om te helpen bouwen aan hun koloniën of om hun bondgenoten te assisteren. In ieder geval is bekend dat contact tussen vreemde culturen aan de orde van de dag was. Het grote voordeel dat hieruit was voortgekomen is dat men ging inzien dat zijn eigen culturele waardesysteem niet universeel of een absoluut verklaringsmodel was, en vanwege dit besef gingen mensen verder op zoek naar hogere, universeel geldende waarden. Helaas is ook gebleken dat men uit overmoed veronderstelde dat zijn eigen waardesysteem beter was dan de ander omdat hij een ander wist te overmeesteren met technieken en opvattingen die de vreemdeling onbekend was en dacht op grond hiervan dat zijn eigen cultuur van een beter soort was. De Engelse filosoof John Locke (1632 – 1704), stichter van de moderne Amerikaanse liberale democratie was hier een bekend proponent van en geloofde dat de minst ontwikkelde arbeider in Engeland met een hogere culturele inborst beschoren was dan een nomadische inboorling elders op de wereld. Desniettegenstaande waren er diegenen geweest die naar de ware oorsprong van de mens en zijn denken op zoek waren gegaan om te begrijpen waarom mensen onder bepaalde omstandigheden optraden en over een ander systeem van geloof en taboe beschikten. Hierdoor resulteerde een mentaliteit die steeds kritischer ingesteld was en aangenomen kan worden dat veel wijsgerige kwesties hier hun ontstaan hadden. Dit culmineerde in een hoogtepunt bij de oude Grieken in ongeveer 400 voor Christus, en zelfs heden ten dage worden de bekendste wijsgeren van die tijd, Plato en Aristoteles, beschouwd als de meest formidabele filosofen die het mensdom ooit heeft voortgebracht. Een vraag die af en toe wordt gesteld is waarom uitgerekend Griekenland het land was waarin deze denkers profileerden. Waarom bijvoorbeeld niet het oude Sumerië, Mesopotamië, Babylonië of Assyrië met hun hoog ontwikkelde beschaving? Of waarom niet in onze tijd met de hoge

5

wolkenkrabbers, technocratische politiek, en immense ondergrondse kernlaboratoria? Zulke vraagstukken zijn altijd tentatief en moeilijk om een strak afgebakend antwoord op te geven, aangezien de geschiedenis eerder uit rimpeleffecten dan epicentra bestaat. De ene cultuur beïnvloedt de andere en bestuift haar met nieuwe ideeën, en vanuit deze nieuwe ideeën en overgenomen producten kwamen nieuwe gedachten, gebruiken en opvattingen naar voren. Op deze wijze groeiden en veranderden culturen gestaag over de tijd heen, net als sikkelduinen in een woestijn zich langzaam laten voortstuwen door de wind. Een cultuur bestaat niet in een vacuüm en fungeert als moderator tussen de mens en zijn omgeving. Vanuit dit perspectief genomen lijkt het meest voor de hand liggend antwoord voor het succes van de oude Grieken dat vanwege de centrale positie die dit land in de Middellandse zee innam hadden zij het voordeel gehad in contact te komen met veel andere volkeren die aan wal kwamen om zich te bevoorraden en hun reis naar hun bestemmingen voort te zetten. Dit contact met de vreemdelingen confronteerde de verschillende volkeren met de beperkingen van hun eigen vooroordelen, en teneinde beter begrip voor de mens te ontwikkelen waren zij op zoek gegaan naar verklaringen die op een abstracter en hoger metafysisch niveau lagen. Het is niet altijd aangenaam met je eigen beperkingen geconfronteerd te worden, en om gevoelens van bedreiging of tekortkoming over je eigen talenten te overwinnen is onderzoek naar zowel de inhoud van de eigen gedachtegang als die van de ander de meest gebruikelijke weg om in te slaan. Het zelfonderzoek dat hieruit ontstaat is een vrijwel onuitputtelijke bron van grootse kennis en begrip gebleken. Psycholoog Carl Jung stelde ooit dat wie naar buiten kijkt droomt, en wie naar binnen kijkt ontwaakt. Jung wist als geen ander dat inzicht in het eigen denken tot beter begrip van de ander leidt, en door zich te wenden tot introspectieve denken is in de loop der eeuwen klassieke literaire werken verschenen die altijd actueel zullen blijven zolang de aard van de mens niet verandert. Vandaar dat wij na meer dan een duizend jaar ongeacht onze culturele erfenis nog steeds kunnen genieten van de werken van Homerus, Euripides, Vergilius en anderen, en het zal menig lezer verbazen dat deze werken van weleer aanzienlijk eerlijker en diepzinniger geschreven waren dan de meeste literatuur van tegenwoordig. Het dilemma waarmee men vandaag zit is dat hij zich erg bewust is geworden van het contact met anderen, en vooral sinds de jaren ’60 zit menig Europees land met een groot deel van de eigen bevolking die een andere cultuur of waardesysteem kent. In sommige gevallen is hieruit een positieve samenwerkingsverband ontstaan, maar ook is een situatie van wrijving ontstaan. Het sleutelbegrip, of liever mantra dat aangehangen wordt om verschillende culturen nauwer te doen samenwerken heet ‘integratie’ en diverse politici, intellectuelen en sociaalwetenschappers kunnen ellenlange betogen en bewijzen leveren over de voordelen en 6

natuurlijke ontwikkeling die uit integratie voortkomen. Achterliggend aan hun benadering ligt de contacthypothese, welke stelt dat vooroordelen jegens andere etnische groepen zullen verdwijnen zodra contact met andere culturen gelegd wordt. Als men eenmaal inziet waarom mensen van andere culturen zich op andere manieren opstellen zal vooroordeel vervangen worden door achting en kan op deze wijze een goede samenwerking ontstaan. Het begrip integratie leent zich echter niet tot een enkele definitie en is hooguit een vrij abstract begrip gebleven. Met iedere poging om dit begrip nader te definiëren is een tekortkoming geconstateerd en doet ons denken aan de anekdote van de drie blinde wetenschappers die een olifant ontleden. De een voelt de tand en maakt een constatering, en de anderen ontleden de buik, slurf of poten en achteraf kunnen zij het niet eens worden over de precieze aard van het beest. De enige uitweg is dat zij gezamenlijk verder op zoek moeten gaan totdat alles in een min of meer logisch geheel samen te voegen is, maar dat is niet makkelijk gebleken. Er zal namelijk altijd iets zijn om hun voorlopige inbeelding van de olifant te wijzigen. Het beeld dat men over integratie heeft komt op hetzelfde neer. Sommigen vinden dat integratie een wederzijdse samenwerking is en dat vanuit allebei culturen, zowel de gastcultuur als de nieuwkomer een compromis bereikt dient te worden en ieder een deel van zijn eigen waardes moet prijsgeven om een hypothetisch middenpunt tussen beiden te bereiken. Anderen menen dat integratie een psychologische verzuiling betekent. Dit houdt in dat binnen het eigen gezinsverband kan de nieuwkomer naar hartenlust zijn cultuur en gewoontes uitleven, maar in het openbaar dient de taal en gewoontes van het gastland gehandhaafd te worden. Ergens tussen deze uitersten komt ook naar voren dat integratie hetzelfde als assimilatie betekent, namelijk dat binnen een generatie of drie slechts enkele minuscule sporen van de cultuur van de nieuwkomer over zal blijven en iedereen zich grotendeels zal scharen achter de cultuur van het gastland. Ook wordt begrepen dat vanuit de menigte een nieuwe mens naar voren zal komen met de eigenschappen van allebei culturen. Dit laatste geval kan vooral gevonden worden bij de van oorsprong Mediterrane volkeren. Deze volkeren staan bekend om hun hechte gezinsverbanden, hun jovialiteit, gastvrijheid en warmte, maar ook om hun vurige temperamenten en dat zij zich makkelijk op hun tenen getrapt voelen. Ofschoon zij dit in alle toonaarden zullen ontkennen of er niet bepaald trots om zullen zijn toe te geven, hebben zij deze eigenschappen overgenomen van de tijd toen de Arabieren het Mediterrane gebied bezet hadden. Deze eigenschappen zijn heel typerend van de Arabieren en is met verloop van tijd ingeburgerd geworden bij de Moren, Iberiërs, Italianen, Grieken, Turken, Serviërs, Argentijnen, Brazilianen en anderen tot zoverre mate dat deze karaktertrekken een eigen leven gingen leiden bij deze volkeren, terwijl de oorspronkelijke personages die dit bewerkstelligd 7

hadden nauwelijks hiermee in verband worden gebracht. Van al de genoemde variaties rond integratie zijn er een aantal thema’s dat voortdurend terugkeert. De meest opmerkelijk terugkerende thema is een afstanddoening in mindere of meerdere mate van bepaalde eigenschappen van de eigen cultuur ten gunste van de andere cultuur. Een groep mensen moet ruimte maken in zijn cultuur en leefwijze voor anderen. Integratie betekent allereerst accommodatie en van daaruit zullen de codes van iedere cultuur onderzocht worden om de aard van de samenwerking te bepalen tussen de groepen. Het nadeel van deze benadering is dat niet iedereen bereid is om aspecten van de eigen cultuur prijs te geven. Een cultuur bestaat immers niet uit losse gewoontes en handelingen maar vormt een coherent en betekenisvol geheel. Sommige dingen worden als heilig beschouwd en valt niet over te marchanderen, terwijl deze eigenschappen juist haaks op de dynamica van de andere cultuur staan. Andere gewoontes zijn niet bepaald heilig maar wel eeuwenoud en moeilijk te veranderen, en dikwijls wordt de moeite om deze handelingen om te schakelen onderschat waardoor mensen algauw terugkeren naar de oude gewoontes zodra de integratiedrift afzwakt, en op een bepaald moment niet meer weten welke gedragingen en codes aangehangen moeten worden. Een situatie ontstaat dat noch de ouderen noch de jongeren weten hoe om de cultuur succesvol over te dragen in een omgeving waar een andere cultuur heerst. De ouderen vinden dat zij hun traditionele gezag moeten matigen om de kinderen de kans te geven de waardes van de nieuwe cultuur op zich te nemen, maar omdat de jongeren geen adequate leiding ontvangen van de ouderen kan dit weer leiden tot aanpassingsproblemen. Dit zijn vaak moeilijke problemen waarmee men geconfronteerd wordt, vooral bij culturen die betrekkelijk min met elkaar in gemeen hebben. Aangezien integratie al over duizenden jaren in mindere of meerdere mate voorkomt bij verschillende groepen wordt er over het algemeen niet al te analytisch naar gekeken. De veronderstelling is optimistisch (‘het komt wel goed’) en om hier overmatig op te focussen werkt liever remmend dan bevorderlijk. Er zijn immers talloze gevallen bekend van emigranten die zich binnen een generatie of twee succesvol hebben aangepast aan de waardes van hun nieuwe land, met de Verenigde Staten, Canada, NieuwZeeland, Australië enzovoorts als belangrijkste voorbeelden. Het succesverhaal van deze landen hebben echter twee factoren gehad die meehielpen om de integratie te bevorderen, te weten tijd en aantal. Hiermee wordt bedoeld dat emigratie naar deze gebieden niet in één keer plaatsvond, maar geleidelijk over een lange tijd heen. Dit bood het gastland genoeg ruimte om de nieuwkomers te accommoderen en geleidelijk op te nemen in de dominante cultuur. Ook had het proces bekend als de ‘clean break’ meegeholpen. Dit betekent dat emigranten alle banden met hun land van oorsprong verbroken hadden en compleet opnieuw moesten 8

beginnen. Zij hadden weinig keus en moesten ter wille van hun persoonlijke vooruitgang zich aanpassen aan de wetten en cultuur van het nieuwe land. In Europa heden ten dage ligt de situatie anders. Het lijkt alsof het niet goed gaat met de integratie van vreemdelingen, met menig staatshoofden die menen dat integratie mislukt is. Een voorname reden kan gevonden worden in de geglobaliseerde wereld van tegenwoordig. Met internet en satellietverbindingen, goedkope vluchten en vergemakkelijkt contact met het land van oorsprong is het gevoel ontstaan dat de nieuwkomers niet hun spreekwoordelijke schepen verbrand hebben en per se op dezelfde manier door het assimilatieproces hoeven te gaan, aangezien zij zich met weinig moeite kunnen blootstellen aan hun eigen cultuur, ook al zitten zij duizenden kilometers verder. Het idee van een ‘clean break’ is achterhaald en in plaats van een nieuw begin ontstaat er een situatie waarin mensen van verschillende culturen naast elkaar in hetzelfde gebied leven, met het land van oorsprong dat nog steeds als baken van identiteit fungeert. Een andere belangrijke oorzaak van de somberheid rond integratie in Europa kan gevonden worden als er ook in termen van tijd en aantal gekeken wordt. De Europeaan heeft in zeer korte tijd een groot aantal buitenlanders binnengehaald, waarvan de cultuur niet geschoeid is op de westerse leest. Dit betekent dat de omschakeling naar de nieuwe cultuur een stuk moeizamer verloopt, tezamen met het feit dat er genoeg leden van de eigen groep zijn om op terug te vallen, waardoor het belang van integratie minder belangrijk wordt. Vanuit een gezins of vriendschapsoogpunt bekeken hebben zij genoeg steun aan elkaar, ook omdat zij dezelfde taal, codes en gewoontes handhaven waardoor het minder nodig wordt de zware last van integratie op zich te nemen, maar daar houdt het echter niet op. Juist omdat deze groep een vreemd waardesysteem gewend is kan verwacht worden dat pogingen tot integratie kunnen leiden tot psychisch ongemak, verwarring, angst, demoralisatie en andere maatschappelijke euvels die juist door pogingen tot integratie veroorzaakt worden. Om psychisch in evenwicht te blijven zoeken degenen van dezelfde cultuur elkaar juist op om deze vreemde dominante cultuur dragelijk te maken, en dit blijkt een heilzaam effect te hebben. Wie bijvoorbeeld denkt aan het lot van de Afro-Amerikanen haalt dikwijls de stereotype voor de geest van mensen die gekweld worden door racisme, aanpassingsproblemen en maatschappelijk verval zoals wij gewend zijn uit beelden van de New Yorkse Bronx of Los Angeles South Central. Toch heeft onderzoek aangetoond dat Afro-Amerikanen geen lage zelfwaardering hebben,ook al is hun status in de maatschappij niet hoog. Zij scoorden op zelfwaardering zelfs hoger dan blanke Amerikanen (Twenge & Crocker, 2002). Gebleken is dat deze groep geneigd is positief over zichzelf te spreken waardoor hun zelfwaardering beter wordt. Dit verklaart goed waarom volkeren van dezelfde 9

komaf en stand in de maatschappij elkaar opzoeken. Om bij de eigen mensen te zitten versterkt het gevoel dat zij ergens behoren. Zij kunnen op deze maner zin vinden en geven op een manier die hen gemakkelijk ligt. Het is de bedoeling van dit stuk om te argumenteren dat de traditionele opvattingen over integratie achterhaald en aan vernieuwing toe zijn. Het is verleidelijk te geloven dat meer integratie nodig is om maatschappelijke achterstand weg te werken en een betere harmonie te bereiken, maar deze veronderstelling geeft geen antwoord of inzicht in de werkelijke kwellingen die integratie meent op te lossen. Dit doet denken aan de Amerikanen die vroeger hun maatschappelijke sores verklaard hadden in termen van ‘te weinig markteconomie’ terwijl de Sovjet Unie meende haar maatschappelijke ellende aan ‘te weinig socialisme’ lag. Dit zijn argumenten die vanuit één zijde genomen worden en houden geen rekening met de tegenpartij, of vergelijkt zich ongenuanceerd en overmatig sentimenteel met de meest negatieve manifestatie van de andere partij. In het geval van integratie wordt voetstoots aangenomen dat om te integreren het ultieme hoogste doel is terwijl alles wat een schijn van segregatie heeft fanatiek gecorrigeerd of verketterd moet worden. Iedereen moet samen door één deur en daar bestaat geen twijfel over, en dan wordt er gedebatteerd over de beste plan van actie. De veronderstelling dat integratie zelf misschien het probleem kan zijn doemt bij niemand op. Het zou een goed idee zijn om integratie af te wegen tegen diens aartsvijand, namelijk segregatie. Om weer Jung te citeren bestaat verlichting niet zozeer uit het inbeelden van verlichte figuren, maar juist om de duisternis aan het bewustzijn te brengen. Segregatie is jarenlang taboe verklaard, aan het zicht onttrokken en verborgen in de spelonken van onze dappere nieuwe wereld. In een zekere zin zeer terecht vanwege de opvallende vernederende werking, maar heeft dat ook niet wellicht geleid tot een nieuwe, meer subtiele vorm van discriminatie? Zou een situatie kunnen ontstaan waarin iemand van een vreemde cultuur zich niet begrepen voelt omdat iedereen gelijk behandeld wordt volgens de (vreemde) standaarden van het gastland? Zijn werkelijk alle verschillen tussen culturen uit de weg geruimd tezamen met de laatste segregatiewet of heeft het nauwere contact dat sindsdien tussen culturen is ontstaan geleid tot een nieuw stel onzichtbare vormen van discriminatie of vervreemding? Welke voor –en nadelen biedt segregatie waar integratie geen antwoord op heeft? Bestaat de mogelijkheid om elementen van zowel integratie en segregatie te gebruiken om tot een nieuwe schikking te komen? Wegens gebrek aan andere inzichten of ervaringen wordt klakkeloos gepraat van integratie maar ondanks alle pogingen om te integreren ontstaan er overal ter wereld wijken die min of meer etnisch homogeen zijn, segregatie dus. De Amsterdamse Bijlmer heeft voornamelijk Surinaamse en Antilliaanse inwoners, Amsterdam 10

West kenmerkt zich door Marokkaanse en Turkse inwoners en Amsterdam Zuid is grotendeels Joods. In andere steden als New York zien we hetzelfde verschijnsel: de Bronx is hoofdzakelijk zwart en was vroeger Italiaans, Brooklyn bestaat uit een groot percentage Chassidische Joden, Morris Park in Queens telt een groot aantal Albanezen en Ridgewood heeft veel inwoners van Slavische oorsprong. Zelfs in Johannesburg die zeer ingrijpende transities heeft ondergaan is er in korte tijd een nieuwe slag migrantenvolkeren in verschillende wijken gaan wonen. Waar Hillbrow vroeger een wijk voor opkomende blanke mensen was is deze ondertussen bevolkt door Nigerianen. De wijk Yeoville was vroeger Joods en trok veel Boheemse jongeren in de vorm van hippies, kunstschilders en musici aan. Deze wijk is tegenwoordig grotendeels bewoond door Congolezen en de oorspronkelijke Joodse inwoners zijn verhuisd naar het noorden van Johannesburg of anders naar Israël. De toenmalige blanke middenklassenwijk Triomf - inmiddels weer herdoopt tot zijn oorspronkelijke naam Sophiatown – wordt tegenwoordig bewoond meestal door kleurlingen (mensen van gemengd afkomst, niet helemaal zwart of blank. De term ‘kleurling’ is een classificatie die uit de apartheidtijd dateert. Tegenwoordig is het politiek correcter naar deze groep als de ‘bruine’ mensen te verwijzen alhoewel veel nog steeds zichzelf kleurling noemen). Zelfs in de Johannesburg van de jaren ’50 - ’60 streken de Nederlandse migranten zich massaal neer in wijken als Bezuidenhout Valley ten oosten van het centrum en de Portugezen uit Portugal, Mozambique en Madeira vestigden zich rond Wemmer Pan ten zuiden van de stadskern. Interessant is dat in geen van deze gevallen, behalve destijds tussen de toegewezen blanke en zwarte wijken in Zuid-Afrika, was er een wetgeving die stelde dat deze groepen verplicht samen geplaatst moesten worden. Het gebeurde vanzelf en had een aanzuigende werking voor andere soortgelijken, en sommige groepen zijn hechter gebleven dan anderen. In Johannesburg vormen de Joden in het noorden en de Portugezen in het zuiden nog vrij hechte gemeenschappen terwijl de Nederlanders veel minder gehechtheid hebben overgehouden, met vrijwel als enige aanknopingspunt het seniorenwooncomplex ‘Oranjehof’ ten oosten van Johannesburg. De Grieken, Duitsers en Italianen hebben ook geen hechte gemeenschap meer, hoewel de Duitsers een eigen school hebben en onder de Grieken zijn er enkele verspreide basisscholen die een keuzevak Grieks aanbieden en staat er nog een Grieks Orthodoxe kerk in het stadcentrum. Deze groepen, inclusief de Nederlanders en Italianen hebben nog wel hun stichtingen waar hun culturele evenementen geregeld worden. Wij concluderen hieruit dat in steden waar integratie de dominerende stroming is, ontstaan uit zichzelf informele vormen van segregatie, maar het tegenovergestelde is ook waar. In Zuid11

Afrika dat jarenlang segregatie als dominant beleid heeft gekend ontstond in de schaduw een behoefte aan integratie, aangezien mensen op elkaar toegewezen waren om de economie draaiende te houden. Het was niet ongewoon te zien dat blanke carpoolers hun zwarte collegae ophaalden en wegbrachten naar en van werk naar hun woongebieden. Veel zwarten werkten en woonden clandestien in blanke gebieden zoals de genoemde Hillbrow en Yeoville, en vooral tegen de laat jaren ’70 tot aan het einde van blank bewind was het verwijderen van zwarte mensen uit blanke gebieden eerder een uitzondering dan een norm geworden. Het kan ook gekomen zijn dat veel blanken apartheidmoe waren en weinig animo hadden om in te grijpen. Toch waren niet veel blanken te vinden voor een regering geleid door een organisatie die op steun van de communisten konden rekenen. Zij hingen ergens in het midden en wilden enerzijds van het stigma van apartheid af maar om overheerst te worden door een internationaal erkende terroristenorganisatie was nog een brug te ver. Tegen de begin jaren ’90 begon de stemming onder hen te veranderen en men wist dat een dergelijke transitie onafwendbaar was. Zoals in dit stuk zal blijken verloopt integratie in postapartheid ZuidAfrika ook niet naar wens en ontstaat er wederom behoefte aan een schikking die federalistisch (wijzend op segregatie) van aard is van zowel blanke als zwarte groepen. In dit stuk zal aandacht besteed worden aan de krachten die achter integratie en segregatie liggen, en het zal duidelijk worden dat allebei bepaalde voordelen en nadelen hebben. Het is niet de bedoeling om te pleiten voor een nieuwe politieke richting, en zeker niet om voor segregatie te pleiten, maar probeert rekening te houden met allebei stromingen en misschien te helpen tot nieuwe inzichten en afspraken te komen. Aangezien integratie de dominerende stroming is zal deze meer kritiek ontvangen terwijl de positieve zijden van segregatie ook nader besproken zullen worden om zo eerlijk mogelijk een middenpunt te bereiken. Vanwege de ervaring van de schrijver zal een groot deel van dit werk het apartheidbeleid van ZuidAfrika onder de loep nemen. Het Afrikanernationalisme dat een belangrijke (hoewel niet de oorspronkelijke) motor achter de apartheid was zal nader toegelicht worden en geargumenteerd zal worden dat de aanvankelijke bedoeling van deze vorm van nationalisme ook uit dynamische eigenschappen en verlichte principes bestond voor alle bevolkingsgroepen. Op eerste aanblik lijkt het omstreden om hier melding van te maken, maar voor jarenlang werd een bepaald beeld over Zuid-Afrika verkondigd dat de dagelijkse realiteit geen eer aan deed. Er gingen immers ruim vijftigduizend Nederlanders en ook tientallen duizenden Joden naar Zuid-Afrika in de jaren ’50 waarvan velen een trauma van de oorlog overgehouden hadden. Om aan te nemen dat zij opeens allemaal genadeloos begonnen te discrimineren toen zij eenmaal voet aan Zuid-Afrikaans wal zetten tart alle verbeelding. 12

Ook zal blijken dat de grootste voorstanders van een fanatiek integratiebeleid niet zozeer uit vreemdelingen aan de zelfkant van de maatschappij bestaan, maar uit hele elitaire en invloedrijke beleidsbepalers die zich in de topstructuren van de wereldpolitiek bevinden. Door gebruik te maken van denktanks die zij zelf opgericht hebben zijn allerlei rechtvaardigingen voor integratie als een onafwendbaarheid voorgehouden, onderschreven door geleerde doctoren en professoren. In werkelijkheid zijn de overgrote meerderheid volkeren over de wereld niet bereid hun soevereiniteit op te offeren en vormt het Europees integratiebeleid eigenlijk een zeer uitzonderlijke gebeurtenis waar weinig landen op zitten te wachten. Om een breed en globaal perspectief te krijgen zal allereerst de focus liggen op dieptepsychologische processen die verklarend kunnen zijn voor gevoelens van vervreemding die integratie met zich meebrengt. Ook wordt besproken de mijlpalen van vooruitgang die het westen en diens gedachten rond integratie zijn huidige gestalte gaf. Het systeem van segregatie passeert de revue en als laatst zullen de wilsbesluiten van de machtigen der aarde besproken worden als reden voor de huidige politieke trend in het westen.

13

Intrapersoonlijk
In 1959 publiceerde de Schotse psychiater Ronald D Laing zijn baanbrekende theorie over de aard en ontwikkeling van de angstwekkende geestesziekte schizofrenie. Deze theorie ontstond omdat hij constateerde dat de manier waarop de psychiatrie indertijd omging met deze stoornis op een fundamentele manier tekortschoot. Bij de psychiaters lag de nadruk op het handhaven van het ziekenhuisprotocol, met de arts als geneesheer en de schizofrenielijder als patiënt. Een strikt medisch regime gold, waardoor de subjectieve belevenissen van de patiënten niet de nodige erkenning kreeg. Laings voornaamste werk, getiteld The Divided Self, begint met de zin: “Het begrip schizoïde verwijst naar een individu wiens totaliteit aan ervaringen op twee manieren zijn gesplitst: ten eerste is er een splitsing in zijn verhouding tot de wereld en ten tweede is er een breuk in zijn verhouding met zichzelf.” Iemand met deze aandoening is niet in staat zich ‘samen met’ anderen of ‘thuis in de wereld’ te voelen, verkeert vaak in een wereld van isolatie en voelt zich niet begrepen. Eveneens voelt deze persoon zich op een of andere manier gespleten, hetzij tussen lichaam en geest, hetzij tussen de binnen -en buitenwereld. Wie gebukt gaat onder deze ziektetoestand zal bijvoorbeeld lachen bij een tragische gebeurtenis of huilen tijdens een grappige vertoning. De argeloze buitenstander kijkt met onbegrip en reageert door op het voorhoofd te tikken of met sympathie voor hem die duidelijk gekweld wordt door drogbeelden en muizenissen. Deze vreemde reacties zijn echter niet alleen irrationele reacties van een aangeslagen geest, maar kunnen wel degelijk voor de geesteszieke persoon een beschermende werking hebben. Door zich zo veel mogelijk te richten op de ervaringen van patiënten die onder deze ziekte gebukt gingen, wist Laing een ingang te vinden waardoor de wereld van de schizofreen beter begrepen kon worden. Hij beriep zich puur op de subjectieve ervaringen van de patiënten en verwerkte deze in een fenomenologisch verklaringsmodel, met begrippen die hij uit de wijsbegeerte van grootse filosofen zoals Sartre, Heidegger, Boss en anderen had overgenomen. Zijn verklaringmodel vormde een breuk met de strikte medische benadering van de psychiatrie van zijn tijd, en trachtte de mens achter de ziekte te herontdekken. Iets dat de psychiaters van toen en gewoon publiek die met dit ziektebeeld geconfronteerd wordt niet altijd doorheeft is dat ondanks deze ziekte, beschikt een geesteszieke persoon over een heel uitgebreid en fijn afgestemd web van opvattingen, nuances, uitvluchten en verdedigingsmechanismen om zijn innerlijke wezen te beschermen tegen zowel de waanbeelden die hem van tijd tot tijd kwelt, als de verscheidene invloeden in de maatschappij

14

die veroorzaken dat deze persoon belemmerd wordt om zijn authentieke persoonlijkheid tot uiting te brengen. Dit kan leiden tot situaties waar iemand ongepaste reacties toont bij bepaalde gebeurtenissen. Iemand die bijvoorbeeld lacht tijdens een tragisch moment zou zich niet willen openstellen aan pijnlijke gedachten uit vrees dat hij erdoor verzwolgen zal worden. Door te lachen is een manier om de pijn van zich af te houden. Eveneens kan het zijn dat hij zich in een cultuur bevindt waarin de gedragsvoorschriften dicteren dat hij niet zijn gevoelige zijde kan laten zien, en daarom zijn ware gevoelens verbergt achter een masker van ‘gewenst’ gedrag. Een belangrijke bron van angst bij een schizofrenielijder kan ook ontstaan omdat hij vreest dat hij tot extreme vergrijpen kan overgaan tijdens een psychotische episode. Wanneer een schizofrene persoon in een staat van extreme angst verkeert, kan het inderdaad zijn als gevolg van een vrees die hij heeft voor zichzelf en waartoe hij in staat is, en niet zozeer puur een resultaat is van een verwarde gedachtegang. Laing wist zeer goed schizofreen gedrag te ontcijferen omdat hij naar eigen zeggen zwaar psychisch gekweld werd in zijn kindertijd door zijn dominerende moeder en vader, die hem voortdurend belaagden met verwarrende signalen van minachting gemaskeerd als liefde. Laings hele wijk in Glasgow waar hij opgroeide, wist naar zeggen dat zijn moeder ‘gek’ was. Om psychisch te overleven in deze situatie moest hij tactieken verzinnen om door de verschillende charades heen te kijken. Dit veroorzaakte dat hij een goed ontwikkeld gevoel kreeg voor de subtiele dilemma’s waarmee een schizofrenie patiënt te maken heeft. Zijn observaties van de psychiatrische inrichting waar hij werkzaam was overtuigde hem nog verder hiervan aangezien het personeel vrij weinig begrip had voor de patiënten en nauwelijks met hen in interactie trad. Het personeel was gewend de patiënten te benaderen via het rigide medische model dat weinig rekening hield met de persoonlijke ervaringen van de patiënten zelf. Juist door naar de belevenissen van de patiënten te luisteren over hun wanhoop en angsten, wist hij een klimaat te creëren waarin deze patiënten de ruimte kregen hun ware gedachten en gevoelens boven water te krijgen. Laing heeft al doende een weg gevonden in de mysterieuze roerselen van de patiënten, waardoor zij zich veilig en begrepen voelden. Uiteindelijk konden zijn patiënten met een dokter spreken die zich niet afstandelijk hield en alle afwijkende gedragingen als symptoom van een ziekte beschouwde, maar dat er een mens onder dit ziektebeeld in een opgesloten wanhoop verkeert. Veel uitingen die als ‘krankzinnig’ worden gezien zijn wel degelijk rationeel als er goed naar geluisterd wordt, en Laing kon goed aanvoelen waar de scheiding lag tussen het normale ‘zijn’ van de patiënt en diens ziekte. Zo kreeg hij het voor elkaar een schizofrene patiënte die al maandenlang in een zwijgzame catatonie verkeerde binnen enkele minuten aan het praten te krijgen. De constatering was in 15

zijn ogen duidelijk: de inrichting hielp argeloos mee om deze ziekte in stand te houden. De klinische setting, de grote afstand tussen hulpverlener en patiënt, de strikte medische benadering en het onvermogen zich in te leven in de realiteit van de patiënt belemmerden de genezing. Het etiket van de patiënt als ‘ziek’ ten opzichte van het ‘gezonde’ personeel plaatste deze patiënten in een onderdanige positie waarin het beheer over hun eigen lot uit handen genomen werd, en dat alles afhing van de bekwame doktoren en verpleegsters met hun objectieve en afstandelijke benadering. De persoon zelf, zijn gedachten, wensen, behoeften, ambities, voorkeur en waardes waren onbelangrijk als eenmaal een diagnose van ‘schizofreen’ werd gesteld. Zijn totaliteit aan handelingen en optreden werd puur als uitingen van een verwarde geest beschouwd, en op deze wijze werd de diagnose een absoluut verklaringsmodel. Niets dat de patiënt deed kon gezien worden binnen een kader van een normale gedraging. Een patiënt kon zelf niets op eigen houtje doen om zich hieraan te ontworstelen. De opstelling tegen hem was ‘jij bent schizofreen’ en niet ‘jij bent een mens die gebukt gaat onder schizofrene storingen’. Het beleid van de inrichting hield het genezingsproces op deze manier tegen door tegelijkertijd twee verwarrende signalen aan de patiënten te communiceren: enerzijds door de patiënten te vertellen dat zij zich dienen te houden aan de regels van de inrichting, want zo wordt hun genezing bevorderd, maar anderzijds hadden deze regels tegelijkertijd de patiënten juist weerhouden om werkelijk contact te leggen met de hulpverleners. Hun spontane, authentieke zelfexpressie werd door het regime juist ingehokt, welke veroorzaakte dat zij wederom in een situatie verkeerden waarin communicatie onderworpen werd aan een verwarrend web van regels. Werkelijk contact leggen is juist waar ze het meest behoefte aan hadden. Door zo degelijk mogelijk de positie van deze patiënten te begrijpen en de verwarrende (en dikwijls vernederende) interactie tussen hen en het personeel van de inrichting te achterhalen wist Laing een groot deel van deze ziekte te ontkrachten en de patiënten tot een goede mate van genezing te brengen, tot zoverre mate dat sommigen ontslagen konden worden uit de inrichting.

Het duurde echter niet lang of de ontslagen patiënten begonnen weer één voor één terug te keren naar de inrichting. Het bleek dat het gezinsleven niet bevorderlijk was voor het genezingsproces, en zelfs medeoorzakelijk was van dit ziektebeeld. Daar begon de ziekte immers. De nadruk kwam hiermee te liggen op de context waarin deze patiënten zich bevonden. Dat noopte Laing een gedetailleerd onderzoek te verrichten naar de interactiepatronen in de gezinnen van deze gekwelde patiënten. Zijn vermoeden was dat de verhouding tussen macht en controle in de gezinnen de patiënt in een pathologische klem 16

hield. Middels een vragenlijst wist hij de machtspelletjes in de gezinnen te kwantificeren en grondig te ontleden, waardoor hij tot de conclusie kwam dat vele ogenschijnlijke ‘liefdevolle’ interactiepatronen eigenlijk wapens waren om macht en beheer te vestigen over het schizofrene gezinslid. Laings collega psychiater, Clancy Sigal stelde ooit dat ‘liefde’ in dit geval een strategie was waarbij één persoon over een ander wilde domineren. De boodschap luidt: ‘Ik houd van je’, maar de voorwaarde verbonden aan deze liefde is onmogelijk te bereiken. Niets dat het gekwelde gezinslid doet, kan de voorwaardelijke liefde bereiken, ook al wordt gezegd dat de liefde binnen bereik ligt. Degene die de voorwaarden voor de liefde en aanvaarding stelt, heeft uiteraard de touwtjes in handen en versterkt zijn machtspositie door zijn onderdanen te verwarren met vernedering en incoherente verhalen. Laing vergeleek deze gezinsstructuur met een koolmonoxide gaskamer, waarbij gezegd wordt dat je in leven bent, maar zodanig vergiftigd bent dat je niet echt leeft, maar alleen bestaat. Deze machtspelletjes zijn van zo een aard dat om ertegen in opstand te komen tot het nadeel van het schizofrene gezinslid zou strekken. Enige uiting van spontaniteit of protest wordt zwaar gestraft op een vooral psychisch vernederende manier. Teneinde zichzelf tegen de verwarrende en dikwijls vernederende interactiepatronen te beschermen in de gezinscontext is het bijna onmogelijk een authentieke identiteit te ontwikkelen, vandaar dat het betreffende gezinslid zich genoodzaakt vindt zijn spontane, natuurlijke karakter te versluieren achter een gefingeerde voorstelling van wie hij/zij werkelijk is. Ter illustratie gebruikte Laing een patiënte die zich af en toe ‘Mevrouw Taylor’ noemde, ook al was dit niet haar echte naam. Voor de behandelaars was dit een typische uiting van een verwarde geest, die niet rationeel te verklaren viel. Laing ving dit signaal anders op: Zijn inzicht in haar persoonlijke geschiedenis overtuigde hem dat zij zich voortdurend naar de wil van haar ouders’ verwachtingen schaarde. Zij dorste zichzelf niet te zijn, maar probeerde zich zoveel mogelijk in een gekunsteld karakter te begeven van hun verwachtingen van haar. Met haar zelfgeadopteerde achternaam ‘Taylor’ zinspeelde zij op het Engelse woord ‘tailor’ oftewel kleermaker, bedoelende ‘op maat gemaakt’. Hiermee wilde zij aangeven zich geen authentieke mens te voelen, maar een onecht, gemaakte mens zonder inhoud, spontaniteit, wensen of verlangens, die voortdurend gemaakt (Eng. ‘tailored’) wordt door de aan haar opgelegde verwachtingen. Vanwege haar onvermogen in opstand te komen tegen deze psychologische wurggreep van haar gezin, was de enige veilige uiting van haar bestaanscrisis in de vorm van symbolen en metaforen. Deze uiting van opstand was ook de meest haalbare vorm voor iemand die zich in een dergelijke web van vernedering en illusoire verwachtingen bevond, aangezien een daadwerkelijke uiting van tegenstand jegens het gezin, zoals die van een opstandige puber, alleen verder tot haar nadeel zou strekken, 17

omdat zij de tactieken zoals onbegrip of misplaatsing van haar motieven door haar ouders en omgeving al te goed kent. Deze zelfgeadopteerde naam “Taylor” verbloemt echter ook in potentie een veel gevaarlijker en dieperliggend probleem: Het is geen excentrieke kwajongensstreek bedoeld om sympathie te winnen. Ook is het geen spel van Ik-zwakte waarin zij zich als zwak voordoet om de mensen in haar omgeving te manipuleren. Het is een uiting van een existentieel leemte, een manier om te zeggen: “ik heb geen karakter, geen verlangen, geen begeerte. Ik ben alleen datgene dat mij is opgelegd door anderen. Ik draag alleen maskers en heb geen waar gezicht. Ik ben een levende lappen pop.” Het is een uiting van een diepgezetelde wanhoop. Van jongs af aan heeft zij geleerd dat haar authentieke, spontane karakter ongewenst is. Teneinde haar ware zelf te beschermen was haar enige toevlucht ‘naar binnen’, achter een web van extern opgelegde attitudes die niet de hare waren. Net als de vlam van een lucifer die tegen de wind met de hand afgedekt wordt, wordt de vlam van een authentiek karakter afgedekt met een uitgebreid systeem van maskers en acteerwerk om te keren dat het niet ‘uitgewaaid’ wordt door vernietigende krachten in de omgeving. Het kost vaak veel energie om deze gefingeerde persoonlijkheid in stand te houden, waardoor deze persoon zich uiteindelijk in een situatie bevindt waarin zij niet meer weet wat haar werkelijke behoeften, aspiraties en wensen meer zijn. Alleen een gevoel dat zij een vreemdeling in haar eigen boezem is blijft nog over. Net als in het geval van de afgedekte vlam, geldt in dit geval dat zodra deze vlam van haar authentieke natuur die achter deze maskers schuilgaat te veel wordt afgedekt dreigt deze te versmoren en langzaam uit te doven. Hierdoor gaat deze persoon zich meer begeven in de wereld van haar maskers omdat zij niet meer in voeling is met haar ware natuur en denkt dat deze maskers haar ware natuur zijn. Dit veroorzaakt wederom een verdere vervreemding en verhoogt het gevoel dat zij leeg is van binnen. Dit lege gevoel stuurt haar weer op zijn beurt verder in de richting van dit opgelegde karakter, uit angst om niet met haar ‘lege’ zelf geconfronteerd te worden. Zij denkt dat haar masker haar echte zelf is, maar kan zich niet aan het gevoel van de leegte binnenin onttrekken. Het gevoel van wanhoop dat hieruit ontstaat wordt begrijpelijk, en het onvermogen om dit proces van vervreemding onder woorden te brengen maakt het er niet makkelijker op. Vandaar dat Laing ooit stelde dat schizofrenie niet begrepen kan worden zonder te weten wat wanhoop is. De Deense filosoof Søren Kierkegaard heeft een meer uitgebreid perspectief op deze wanhoop gegeven door te verwijzen naar drie verschillende toestanden die hiertoe kunnen leiden. Eerstens is er een wanhoop die ontstaat door het niet weten dat men over een zelf 18

beschikt. Kierkegaard verstaat het ‘zelf’ als een relatie tussen lichaam en geest, tussen eindig en oneindig, wat iemand is en wil zijn, en hoe iemand zich relateert in deze relatie. Door niet te weten dat men over hetzij een fysieke hetzij geestelijke dimensie bestaat geeft aldus Kierkegaard aanleiding tot wanhoop, aangezien de volledige facetten van het bestaan niet worden erkend, en de huidige werkelijkheid de enige is die deze persoon kent. Ten tweede ontstaat wanhoop omdat iemand niet zichzelf wil zijn. Deze persoon leeft in het onmiddellijke, waarvan de enige bestaanswereld zich hier en nu bevindt, en weigert te aanvaarden dat het menselijke zelf veel groter is en tot veel meer in staat is. Ofschoon deze persoon bewust is dat hij over een veel omvattender zelf beschikt, ruimt hij zijn leven in op een manier om niet ermee geconfronteerd te worden. Het is hem een pijnlijke gedachte te weten dat het zelf groter is dan zijn huidige werkelijkheid. Ten derde ontstaat wanhoop omdat iemand juist zichzelf wil zijn. Iemand die uit wanhoop zichzelf wil zijn erkent de hogere, oneindige aspecten van het bestaan, maar weigert aan de hand van zijn ingevingen te leven. Hij is niet trouw aan zijn fundamentele, authentieke zelf. In het geval van “mevrouw Taylor” zou haar bron van wanhoop haar ontstaan gevonden hebben in mogelijk de eerste of de derde manifestaties. Zij is ofwel onwetend dat zij over een zelf beschikt, ofwel bestaat de mogelijkheid dat deze toestand ontstaan is door haar onvermogen zichzelf te kunnen zijn. De tweede manifestatie (niet zichzelf willen zijn) zou ook erbij kunnen passen, maar dan niet als oorzaak van haar toestand, maar als resultaat van haar jarenlange strijd zich ‘verborgen’ te houden. Het is ook mogelijk te concluderen dat de eerste manifestatie (onbewust dat zij over een zelf beschikt) de finale fase is in haar evolutie haar zelf te ontkennen. Laing gebruikte voor deze vorm van wanhoop de term ‘ontologische onzekerheid’. Het woord ontologie is ontleend aan een tak van de metafysica die zich bezighoudt met de studie van het zijn, oftewel de bouwstenen van de psyche. Aangezien het zijn dieper ligt dan de psychologie en zich beroept op een meer fundamentele basis van bestaan-in-de-wereld, is deze benaming meer gepast gebleken. Daar lag immers de aandoening. In het geval van iemand die ontologisch onzeker is, is het bestaan in de wereld geen voor de hand liggende gegeven, en daarom worden mensen onzeker over hoe zij zich moeten vinden in de wereld. Een waargenomen bedreiging tegen het zelf ligt bij hen altijd op de loer en zij moeten daarom beschermende maatregelen nemen. Een psychisch gezonde mens daarentegen die wel ontologisch zeker is, voelt zich deel van de wereld en handhaaft een eigen identiteit. Deze gezonde persoon vindt dat zijn omgeving, gezin en vriendenkring hem een gevoel van zekerheid en waardigheid geven. Er is sprake van een congruentie tussen zijn persoonlijke 19

waardesysteem en het waardesysteem van zijn omgeving, en de wisselwerking tussen beide is voordelig voor zowel het individu als voor de groep. Deze persoon vindt zijn groep een bron van creativiteit en vernieuwing op een manier die voor hem en zijn groepsgenoten begrijpelijk en bindend zijn. Om ontologische onzekerheid nader te verklaren verhaalde Laing een incident van twee schizofrene patiënten die in een argument betrokken waren, waarin een tegen de andere vertelde: “Jij zegt het omdat jij wil winnen. Ik zeg het omdat mijn bestaan op het spel is”. Het woord “bestaan” lijkt onder de omstandigheden niet echt gepast. Hier was geen sprake van een daadwerkelijke doodsbedreiging jegens deze patiënt, maar er is sprake van een ontologische bedreiging. Om het argument te verliezen zou betekenen dat hij vernietigd zou worden op de manier waarop hij zich in de wereld bevindt en terug zou vallen op het voor hem al te bekende patroon van “ik ben helemaal niks en mag ook niet echt zijn”. Hij zou dus vervallen in de wanhoop dat hij zichzelf niet kan zijn. In het existentialisme wordt het begrip negatie (Frans: négation) dikwijls gebruikt om te verwijzen naar deze daad van het tot niets reduceren. Dat houdt in dat de vrije, subjectieve gedachtewereld van iemand wordt opgeschort en deze persoon zich gereduceerd voelt tot een object van de ander. De filosoof Jean-Paul Sartre beschreef deze negatie door als voorbeeld te verwijzen naar iemand die op een bank in een park zit, verzonken in zijn eigen gedachten, tot er een passant voorbijloopt en hem stipt aankijkt. Het gevoel van ongemak dat bij de persoon op de bank opkomt bestaat eruit dat zijn vrije gedachtegang opeens verstokt bij de blik van de passant. Zo voelt hij zich geen vrije mens meer, maar op een manier in het nauw gedreven. Deze blik lijkt hem van zijn gedachten te ontnemen en al wat hij van zichzelf merkt is dat hij een object is van de passant. Het is bijna alsof de blik van de passant zijn blik op zichzelf wordt, en hij ziet hemzelf als object, als een ding. Zijn gedachtewereld lijkt verdampt en al wat er van hem resteert is een onaangenaam gevoel dat hij een ding is. Dit gevoel is beklemmend en hij wil graag hieraan ontsnappen om zich weer als een vrije mens te voelen. De meeste mensen zullen onder zulke omstandigheden reageren met: ”Wat kijk je me aan?” of “Heb ik iets van je aan of zo?” als een manier om de macht van de blik van de ander te doorbreken en zijn eigen subjectieve bestaan weer te doen gelden. Ook is dit een manier om degene die toekijkt erop te attenderen dat hij eveneens vatbaar is om gereduceerd te worden tot een object. Dit is overigens wat Sartre bedoelde toen hij stelde dat de hel de anderen zijn. Het gevoel dat je een object van een ander bent, en jezelf een object voelt, is een angstige gewaarwording. Ofschoon iedereen zich dit scenario kan voorstellen, verkeert niet iedereen in een staat van ontologische onzekerheid. Bij de meeste mensen is een dergelijk geval een incidentele 20

ontneming van de subjectieve gedachtewereld. In geval van iemand die ontologisch onzeker is, komt dit gevoel sterker naar voren aangezien deze persoon in een mate van weerloosheid verkeert. Hij beschikt niet over de mechanismen om deze beklemming af te weren, uit angst dat het hem verder in de richting van de pijnlijke negatie zal duwen. Om Laing te citeren:”Er is veel pijn in het leven, en waarschijnlijk is de enige pijn die vermeden kan worden de pijn die ontstaat wanneer de pijn vermeden wordt.” Zijn gevoel van zelf is voor hem geen bron van vertrouwen of betrouwbaarheid, en ook geen bron van vitaliteit en waarde. Het gevoel van zekerheid vereist het bestaan van een ander met wie men bekend is; en een combinatie van zijn erkenning met de erkenning van zichzelf, aldus Laing. Dit is de weg naar ontologische zekerheid.

Ondanks zijn sublieme inzichten werd Laing door veel van zijn conservatiever vakgenoten voor charlatan verklaard aangezien hij zich bezig hield met omstreden praktijken, zoals het slikken van hallucinogenen middelen, ritualistische ‘wedergeboren’ praktijken en heeft zelfs geprobeerd met patiëntes naar bed te gaan. Depressie en alcoholisme kenmerkten een groot deel van zijn volwassen leven. Hij was een tijdgenoot van de jaren zestig geweest. De Tweede Wereldoorlog was achter de rug, de wereldwijde economie was hersteld, de babyboomer generatie kwam tot wasdom en luidde de seksuele revolutie in, en het paranoïde tijdperk van de Koude Oorlog begon. Het kerkelijke gezag, vooral het strenge Calvinistische juk begon terrein te verliezen tegen de “alles mag” generatie, met invloedrijke figuren zoals dr. Benjamin Spock die de toon aangaf met zijn radicale toegeeflijkheid tegenover kinderen. Vanwege deze invloeden begon Laing zich steeds verder te radicaliseren tegen de gezinstructuur en de maatschappij als geheel. Voor hem was het gezin niets meer dan een naargeestig socialiseringsproject geweest om te zorgen dat de machtshebbers hun machtsposities konden bevorderen en de gewone mens gereduceerd bleef tot een slachtoffer dat zijn eigen lot niet in handen heeft. Voor veel patiënten en anderen die zijn boek gelezen hadden werd hij echter als een held beschouwd: iemand die uiteindelijk wist dat vele verbale uitingen die tekenend zijn van een verwrongen geest en semantisch niet kloppen, op existentieel niveau wel degelijk goed te begrijpen viel. Er was een nieuwe invalshoek nodig om het gedrag van schizofrene patiënten beter te begrijpen, en Laing wist als geen ander deze invalshoek op te sporen en te benutten. Ondanks zijn omstreden reputatie bij de gevestigde orde was hij een sleutelfiguur geworden in de antipsychiatrie beweging van de jaren ‘60 tezamen met grootse denkers als Michel

21

Foucault, D.L. Rosenhahn, Thomas Szasz en anderen die geholpen hebben een meer humane vorm van psychiatrie te ontwikkelen.

Onder aansporing van de ontdekkingen van Laing en zijn collega antipsychiaters hebben de geleerden gedurende de laat jaren ’50 tot in de jaren ’80 geprobeerd duidelijkheid te krijgen over deze verwarrende interactiestijlen en hoe deze ziekte hieruit kan ontstaan. Eén van de bekendste theorieën van verwarrende communicatie is de ‘double bind’ theorie uit 1956 van Gregory Bateson. Deze theorie houdt in dat er op verschillende niveaus van communicatie contradictoire signalen afgegeven worden. Een voorbeeld dat Bateson noemt is een moeder die haar kind vraagt haar een kus te geven, maar zodra het kind toe nadert wendt moeder haar blik af en trekt een walgelijk gezicht. De verwarring die dit signaal bij het kind veroorzaakt is makkelijk te begrijpen: Een liefdevol gebaar als een kus wordt gevraagd maar niet liefdevol aanvaard. Met herhaaldelijke blootstelling aan dergelijke signalen zal het kind moeten leren omgaan met dit interactiepatroon om zijn natuurlijke zelf zoveel mogelijk te beschermen tegen de subtiele vernedering die hierin schuilgaat. Een kind is afhankelijk van zijn ouders en kan dus niet wegbreken uit deze onzichtbare gevangenis van verwarrende signalen. Patiënten die aan een variant van schizofrenie lijden die “gedesorganiseerde type schizofrenie” heet, tonen kenmerkend onjuiste reacties op bepaalde situaties, zoals lachen tijdens een tragisch moment of afkeur tonen van iets dat zij eigenlijk aangenaam vinden. Dit zijn allemaal doorgeschoten uitingen die zij ontwikkeld hebben om zich aan te passen in hun verwarrende sociale milieus. Onderzoek op dit gebied is uiteindelijk op een dood spoor beland, aangezien het erg moeilijk is gebleken om een goed gefundeerd onderzoeksmethode te ontwikkelen en onomstotelijke resultaten te behalen. Sindsdien is de ‘double bind’ theorie op een laag pitje gezet en ontvangt tegenwoordig weinig aandacht. De resultaten die wel behaald waren in de jaren ’50 tot ’80 hebben desondanks aangegeven dat er toch iets aan de hand is in gezinscontexten waarin ‘double bind’ communicatie vaak voorkomt, alleen niet overtuigend genoeg om met zekerheid te stellen dat schizofrenie een resultaat is hiervan. Het kan zelfs andersom zijn, dat double bind communicatie een resultaat is van schizofrenie, menen enkele critici. Wel werd gevonden dat er meer dubbelzinnige interactiepatronen bestonden in gezinnen met een schizofreen kind - vooral tussen moeder en kind - dan in gezinnen zonder een schizofreen kind. In dit onderzoek werden kleine ‘interactiestukjes’ bestudeerd. Onduidelijk is hoe generaliseerbaar deze gegevens zijn. Er dient naar een breder spectrum aan interactiepatronen

22

gekeken te worden om meer uitsluitsel te geven, alleen valt dit moeilijk vast te leggen in een meetbaar onderzoeksresultaat (Watzlawick, 1963). Andere onderzoekers hebben zich indertijd ook gestort op het proces waarmee schizofrenie zich voltrekt, en zij hebben twee varianten geïdentificeerd, te weten acute schizofrenie en processchizofrenie (Kantor, R., Wallner, J.M. & Winder, C.L., 1953). Bij acute schizofrenie functioneerde het individu goed vóór de ziekte begon. Een traumatische gebeurtenis heeft deze ziekte op gang gezet en dikwijls kan deze variant van de ziekte goed genezen worden. Bij processchizofrenie kent deze ziekte een langer aanloop. Het individu is sociaal niet goed aangepast, verkeert in isolement, en heeft niet de nodige vaardigheden aangeleerd zich goed in de maatschappij op te stellen. Deze variant is om die reden ook moeilijker te genezen aangezien de oorzaak ervan dieper in de persoonlijkheid geworteld ligt en over een lange tijd is ontwikkeld.

Vanwege recente bevindingen dat etnische minderheden een verhoogde kans hebben schizofrenie te ontwikkelen, kunnen wederom de omgevingsfactoren als belangrijke (mede-) oorzaak in de ontwikkeling van schizofrenie meegerekend worden. In Engeland is gebleken dat Caribische allochtonen een verhoogde kans hebben op deze stoornis (Hickling, F.W. (2005). Het is uiteraard niet alleen de communicatiepatronen in de omgeving die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor deze ziekte. Volgens onderzoek is de belangrijkste oorzaak genetisch, en is de kans op de ontwikkeling ervan het grootst wanneer allebei de ouders ooit te maken hebben gehad met een schizofrenie-gerelateerde ziekte (www.schizophreniaforum.org). Medische oorzaken zoals drugsgebruik spelen eveneens een voorname rol en het is bekend dat het gebruik van cannabis een aanzet kan geven tot schizofrenie. Bij zowel de Caribische volkeren als sommige stromingen in de islam is het gebruik van cannabis deel van de cultuur en wordt gebruikt voor religieuze doeleinden. Echter wordt aangenomen dat schizofrenie slechts manifesteert zodra er een genetisch aanleg voor bestaat en de omgeving meespeelt om de doorslag te geven. Als de omgeving gunstig is, is de kans gering dat deze ziekte zou ontstaan ook al is er een genetische aanleg voor. Zodra de omgeving ongunstig is en er een genetisch aanleg voor bestaat is de kans groter dat schizofrenie naar voren zal treden. Het is niet de bedoeling van dit betoog om schizofrenie te identificeren en vroegtijdig op te lossen. Dat is helaas niet zo makkelijk gebleken. Deze ziekte heeft zich bewezen als erg ontwijkend en verraderlijk en kan beter aangesproken worden door neurowetenschappers en psychiaters die zich intens bezighouden met de ontwikkeling van een gepast medicijn of 23

psychotherapie. De manier waarop Laing de ontwikkeling heeft beschreven als een extern aangebrachte druk die zorgt voor een diepliggende persoonlijke ontwrichting, en dat deze diverse identiteitsstoornissen teweegbrengt, vormt de portee van dit stuk. Het is de mening van de schrijver dat een basisoverzicht van de genoemde existentiële invalshoek van belang kan zijn om een breder perspectief te ontwikkelen waarin het ontstaan van identiteitsverwarring beter begrepen kan worden. Aangezien de moderne tijd in vele opzichten verworden is tot een tijd van onverklaarbare angst en desorganisatie waarin meerdere botsende waarheden tegelijk kunnen gelden, lijkt een terugkeer naar een fenomenologisch verklaringsmodel van subjectieve belevenissen een goed verklaringsmodel te zijn om orde in de chaos te creëren. Dit doet de volgende vraag verrijzen: Kan een gevoel van vervreemding verklaard worden aan de hand van iemand die zich probeert te integreren in een cultuur die niet van zichzelf is? Voor volkeren om te groeien en ontwikkelen is het uitwisselen van gedachtegoed tussen culturen een belangrijke manier om kennis en inzicht te verkrijgen, zowel in de eigen cultuur als de cultuur van de ander. Zodoende komt men tot inzicht waarom verschillende culturen op verschillende wijzen denken, handelen, praten en produceren en kan bevorderlijk werken op de eigen cultuur. Het herinnert ons ook dat er geen enkel universeel geldend waardesysteem is. Deze uitwisseling van kennis zou echter niet de kernwaardes van een bepaalde groep onder druk mogen zetten. De kernwaardes vormen de hoeksteen waarop een bepaalde gemeenschap zich gevestigd heeft en is de bron van zijn moraal, identiteit en waardigheid. Dit verklaart waarom culturen die veel op elkaar lijken zich makkelijker kunnen vinden en een betere samenwerkingsverband kunnen smeden dan culturen waarin de waardes te veel van elkaar afwijken. Echter, zelfs wanneer culturen veel op elkaar lijken, kunnen de fijnere nuanceverschillen alsnog zorgen voor onbegrip. Als een bepaalde cultuur echter te veel vanuit zijn kernbeginsels verschilt met een gastcultuur zal integratie niet of nauwelijks plaatsvinden, dan wel op een heel bizarre manier. Dit zou aanleiding kunnen geven tot vormen van vervreemding die soortgelijk zijn aan de manier waarop schizofrenie zich volgens Laing ontwikkelt. In het verloop dat Laing beschrijft vormt schizofrenie een soort eindstation van vervreemding. De vervreemding is dusdanig gevorderd dat er sprake is van een psychische desintegratie. Ofschoon er duizenden mensen in de maatschappij zijn die zich in één of ander vorm van vervreemding bevinden gaat het in de meeste gevallen niet over tot schizofrenie. Het gevoel van niet jezelf kunnen zijn is waar het meestal bij blijft. Vrijwel iedereen kan zich voorstellen wat er bedoeld wordt als er lang bij stilgestaan wordt, aangezien vervreemding een universeel verschijnsel is bij de mens. Laing en Kierkegaard 24

omschrijven het gevoel van vervreemding heel accuraat, en het is mogelijk te concluderen dat culturele breuklijnen tot op het diepste niveau van het menselijke bestaan hun repercussies hebben. Er zijn talloze subtiele krachten in de vorm van ongeschreven regels die inwerken op de gedachtewereld van iemand die belast is met de waardes van een vreemde cultuur, en deze persoon is dikwijls zelf niet bewust van de precieze aard van deze krachten. De vreemdeling kan niet beter dan om deze onzichtbare regels proberen te ontleden door een optiek die niet is aangepast bij deze dominante cultuur. De uitwerking hiervan is een gevoel van zich niet thuis voelen, waarvan de juiste oorzaken alleen achterhaald kunnen worden met de hulp van een scherpe observeerder of om grondig en objectief zelfonderzoekend te werk te gaan. Ook al begint de vreemdeling de fijnere nuances van de dominante cultuur te begrijpen is nog geen voorwaarde dat hij zich hierin kan vinden. Zodra zijn persoonlijke opvattingen te veel botst met de waardes van de dominante cultuur is het vanzelfsprekend dat er gevoelens van vervreemding kunnen toetreden. In Nederland is inmiddels bekend dat jongeren van Marokkaanse afkomst een grotere kans hebben schizofrenie te ontwikkelen dan autochtone Nederlanders. Eerste generatie Marokkanen hebben een vier keer groter kans en de tweede generatie een zes keer groter kans om deze ziekte op te lopen (Veling, Selten, Veen, Laan, Blom & Hoek). Onderzoekers die zich gestort hebben op dit verschijnsel hebben gevonden dat er inderdaad sprake is van twee werelden waarin deze jongeren leven, hetgeen aanleiding geeft tot een dubbele identiteit. In het huiselijke milieu is er een aantal verwachtingen en traditionele rollen dat gevuld dient te worden, terwijl in de grotere Nederlandse maatschappij een ander stel verwachtingen en waardes gelden, welke dikwijls onverzoenbaar zijn met het huiselijke. Ook is gebleken dat in gebieden waar Marokkanen géén eigen gemeenschap hebben deze ziekte vaker voorkomt dan in gebieden waar er veel Marokkanen wonen en een hechte gemeenschap vormen (Veling, Susser, Van Os, Mackenbach, Selten, Hoek, 2008). Duidelijk is dat lidmaatschap van een groep van de eigen cultuur een belangrijke werking heeft om een gezonde identiteit te ontwikkelen. Eveneens werd aangetoond dat allochtonen met een sterke identiteit voor hun eigen etnische groep een kleinere kans hebben schizofrenie te ontwikkelen dan allochtonen die zich negatief opstellen jegens hun eigen groep. Degenen die zich niet Turks, Marokkaans of Surinaams achten, ook al is dat hun komaf, kunnen tot vijf keer groter kans hebben deze ziekte te ontwikkelen. Allochtonen die aangaven zich volledig geassimileerd te voelen in de Nederlandse identiteit toonden het grootste risico voor het verkrijgen van schizofrenie, terwijl degenen die zich gesepareerd voelden van de Nederlandse identiteit het minste risico liepen van deze ziekte (Veling, 2008). Vanuit een fenomenologische optiek bekeken zou deze op een tweeërlei manier verklaard kunnen 25

worden. Enerzijds kan gesteld worden dat in gevallen waar er meer ruimte bestaat de eigen identiteit te ontwikkelen binnen het kader van de eigen cultuur, men een authentieke en bindende stijl van zelfexpressie ontwikkelt. Er is minder sprake van het adopteren van een andere identiteit met andere ongeschreven regels en nuances in de omgangsvormen. Anderzijds lijken gevoelens van gediscrimineerd te zijn een belangrijke medefactor te zijn voor het ontwikkelen van schizofrenie (Veling, Selten, Susser, Laan, Mackenbach & Hoek, 2007). Ondanks een voorbeeldige integratie kunnen allochtonen alsnog op subtiele wijze aanvoelen dat er tegen hen gediscrimineerd worden. In zijn radicale vorm zouden deze mensen volgens de benadering van Kierkegaard in wanhoop verkeren omdat zij niet werkelijk zichzelf kunnen zijn, of erger nog, niet zichzelf willen zijn. Zij houden hun authentieke zelf afgedekt achter een netwerk van maskers omdat zij aanvoelen dat hun authentieke zelf tot een negatie kan leiden. Hun goede integratie beperkt zich in werkelijkheid tot een goed ontwikkeld acteerwerk waarachter het ware zelf schuilgaat. In ieder geval heeft onderzoek aangetoond dat gevoelens van discriminatie belangrijke medeoorzaken zijn van deze ziekte, soortgelijk aan de bevindingen van Laing en Bateson, die vernedering als hoofdmotief identificeerden. Discriminatie is immers de negatieve zijde van voorkeur en vernederend van aard. Het is makkelijk voor te stellen dat iemand die met dergelijke vernederende signalen te maken heeft over moet gaan tot tactieken om de zelfwaardering tegen verdere aanslagen te verdedigen. Immers, in de psychologie is de korte definitie van psychopathologie juist het overmatig toepassen van verdedigingsmechanismen om het zelf te beschermen.

Ofschoon schizofrenie een serieuze vorm van psychopathologie is, ligt het in het verlengde dat vervreemding een belangrijke medepathologie is voor personen in eenzelfde maatschappelijk milieu. Een ware zelfexpressie dat zich niet goed kan ontwikkelen tussen twee culturen zou het beste weer tot zijn recht komen als de omgeving een ondersteunende rol speelt om een gezond zelf te ontwikkelen. Vergelijk de goede resultaten die Laing heeft behaald door met schizofrene patiënten te praten en hen tot hun recht liet komen. Er schijnt een uitweg te zijn, misschien niet zozeer een genezing van schizofrenie, maar een manier om iemand zijn ware zelf te laten herontdekken.

In de tijd van Laing is er een andere belangrijke stroming in de psychologie ontstaan die zich tegen de afstandelijke benadering van de psychiatrie heeft verzet. Waar vroeger de patiënt een passieve ontvanger van medicijn en psychotherapie was, is hij door de nieuwe ingreep een actieve deelnemer in zijn eigen genezing geworden. De rol van de behandelaar werd op een 26

tweede plaats gezet en de cliënt werd kapitein van zijn eigen lot. De therapeut zou voortaan goed naar de cliënt luisteren en hem helpen tot zijn eigen inzicht te komen. Deze stroming werd later bekend als de derde belangrijke stroming in de psychologie. De psychoanalyse van Freud was het eerst, gevolgd door het behaviorisme van Skinner, en nu is de tijd aangebroken van de humanistische psychologie. De aanvoerder van deze stroming was de Amerikaanse klinisch psycholoog Carl Rogers (1902 – 1987) die een therapievorm genaamd cliëntgecentreerde psychotherapie ontwikkelde. Door zich uitsluitend te beroepen op de gevoelswereld van de cliënt en diens emoties en gedachten samen te vatten en terug te koppelen kon hij zijn cliënt helpen zijn authentieke zelf te restaureren. Op deze manier kon hij de cliënt wijzen op zijn kwellingen en hoe deze overwonnen kunnen worden op een manier die voor de cliënt gewenst is. Zo kon de duidelijkheid naar voren gebracht worden dat de cliënt de oplossing in eigen hand heeft als zijn kwellingen en roerselen kaart gebracht zijn. In een grote breuk met Freud stelde Rogers dat het niet de behandelaar is die de kwellingen van een cliënt dient te achterhalen, maar de cliënt zelf. Het is de cliënt die weet wat pijn doet, welke richting om in te slaan, welke problemen cruciaal zijn en welke ervaringen diep weggeborgen zijn, aldus Rogers (1961). De behandelmethode van Rogers sloeg zeer goed aan. Zo goed zelfs dat hij uitgroeide tot één der grootste psychologen van de twintigste eeuw. Rogers, die zich eveneens beriep op een fenomenologische benadering, benadrukte het actualiseren van de eigen behoeften en positieve bejegening van anderen en van zichzelf als het ‘ware zelf’. Deze ware persoon heeft zijn potentiaal goed ontwikkeld en is in staat deze goed te ontwikkelen. Hij zal naar alle waarschijnlijkheid datgene worden wat hij wil worden. Het is aldus Rogers in de natuur van de mens zich zo goed mogelijk te ontwikkelen en zoveel mogelijk het beste te maken van wat hij is. Zou iemand zich in een situatie bevinden waarin deze mogelijkheden niet geactualiseerd kunnen worden kan een waar zelf niet kan ontwikkelen kunnen er psychische afwijkingen ontstaan. Er bevinden zich diverse belemmeringen of bedreigingen in de maatschappij die tegen de zelfactualiserende tendensen van de mens indruisen, bijvoorbeeld de aard van iemands werk, ziekte in het gezinsverband, liefde gebonden aan strikte voorwaarden, ontberende omstandigheden tijdens recessie, of om de toegang geweigerd te worden aan een opleidingsinstituut dat iemands talent kan bevorderen. In het geval waar iemand niet zijn ware zelf kan actualiseren ontstaat een ideaal zelf. De behoefte om de eigen talenten te ontwikkelen verplaatsen zich naar een soort virtueel, geïdealiseerd beeld; een beeld van het zelf dat niet ontwikkeld kan worden en buiten het bereik van de betreffende persoon ligt. In dit geval ontstaat er een incongruentie tussen waar iemand zich bevindt en waar hij wil zijn. Deze breuk tussen waar iemand is en waar hij graag 27

wil zijn geeft aanleiding tot angst, en angst noopt een toepassing van verdedigingsmechanismen, welke veroorzaakt dat de incongruentie tussen het ware zelf en ideale zelf groter wordt. Hierdoor komt het ware zelf minder tot zijn recht en het individu glijdt verder weg in een staat van vervreemding. Deze lijkt sterk op de ontledingen van Laing en Kierkegaard waarin de nadruk ligt op een waar zelf dat niet naar buiten kan treden en gezond kan ontwikkelen. Om deze cyclus te doorbreken stelde Rogers dat de therapeut dient congruent, met empathie en respect naar de cliënt te luisteren, het gevoel van de cliënt zo echt mogelijk terug te spiegelen, samen te vatten en de cliënt vraagt zelf oplossingen te vinden. De rol van de therapeut is dus puur ondersteunend geworden. Hij helpt het individu een manier te vinden uiting te geven aan diens talenten, opvattingen en waardes. Zijn werk is in feite tweeërlei; door eerstens te fungeren als een opticien die zijn cliënt helpt in te zien waar zijn tekortkomingen liggen, verruimt hij het blikveld van de cliënt over zijn eigen roerselen. Pas als de cliënt een goed zicht heeft op zijn bevinden in de wereld kan hij zich geleidelijk bijsturen om zijn opgesloten ‘ik’ een plaats in de wereld te geven. Ten tweede fungeert de therapeut als mediator. Hij helpt hiermee zijn cliënt een weg te vinden om uiting aan zichzelf te geven op een manier die wederzijds aanvaardbaar is voor zowel de cliënt als zijn omgeving. De factoren die veroorzaakten dat de cliënt niet tot zichzelf kan komen worden onderzocht en gekeken in hoeverre mate oplossingen gevonden kunnen worden. In sommige gevallen waarin sprake is van waardes die te veel met elkaar botsen, en waarin verzoening niet mogelijk blijkt te zijn wordt aanbevolen dat de cliënt zich beter kan verwijderen uit de omstandigheden die hem tegenhouden, indien mogelijk. Zou het niet mogelijk zijn hieraan te onttrekken zonder zeer nadelige gevolgen, zoals in omstandigheden van ernstige ontberingen is de laatste uitweg een heroverweging van iemands zijn-in-de-wereld. In dit geval komen existentiële kwesties aan bod zoals zingeving en een herindeling van de prioriteiten die spreken tot iemands hoogste waardigheid. Zo bijvoorbeeld ontdekte de existentialist en psychiater Viktor Frankl dat zelfs in de Nazi concentratiekampen, waar hij drie jaar lang gevangen was geweest dat zijn medegevangenen met de sterkste overlevingsdrang degenen waren die zich konden veroorloven hun laatste rantsoen te overhandigen aan iemand die er nog erger aan toe was dan zichzelf. Hierdoor bewees Frankl dat de geest van de mens sterker is dan meestal wordt aangenomen, en vanuit de vrijheden die haar beschoren zijn kan zij de mens tot nieuwe hoogtes van principe en deugd sturen. Ter wille van overleving van de gemeenschap is de mens door deze vrijheid zelfs in staat gesteld om de doodsangst te trotseren en het lot van de aangewezen groep boven de eigen overleving te stellen. Dit zal vooral gebeuren wanneer een realistische bedreiging op de loer ligt en als de 28

betreffende groep een belangrijke betekenis heeft voor deze persoon. Onder deze omstandigheden wordt gezegd dat deze persoon de hoogste prijs heeft betaald en wordt zijn naam in eer gehouden.

Het is interessant om deze dynamica te ontdekken tussen het individu en de groep waar het lid van is, en zal er naar gekeken worden hoe groepen zich verhouden tot hun individuele leden in dit volgende stuk. Om kennis hiervan te nemen zal een belangrijk onderdeel vormen om te begrijpen hoe groepen tegen de eigen leden en tegenover elkaar staan.

29

Interpersoonlijk

Wanneer men de spanning tussen binnen en buiten als grondmotief van alle culturele topologie beschouwt, wordt men zich pas echt bewust van het verbazingwekkende van de voortdurende terugkeer van het ‘binnen’. – Peter Sloterdijk, Sferen.

Een gezonde identiteitsvorming wordt het beste gegarandeerd in een milieu waarin de waardes en normen van het kerngezin of het individu min of meer congruent zijn met de waardes en normen van de heersende cultuur. De sociaalpsychologen Henri Tajfel en John Turner (1979) hebben de vorming van groepsidentiteit uitgelegd door te verwijzen naar de vier samenstellende componenten waaruit groepsvorming bestaan, te weten: 1.) Categorisatie: mensen zijn geneigd zichzelf en anderen te categoriseren. Het is een snelle manier om informatie te winnen over deze mensen zodat een oriëntatie gecreëerd kan worden hoe met deze groep of mensen omgegaan dient te worden. 2.) Identificatie: mensen zijn geneigd te associëren met bepaalde groepen om hun zelfwaardering te verhogen. 3.) Vergelijking: Mensen zijn geneigd hun eigen groep met andere groepen te vergelijken om zodoende een bevooroordeeld gunstig beeld van de eigen groep te creëren. 4.) Psychologische gedistingeerdheid: Mensen willen een identiteit aanmeten die gedistingeerder is dan anderen. Het is evenwel mogelijk meerdere ‘identiteiten’ aan te nemen binnen verschillende contexten. Zo kan men een bepaalde identiteit hebben die relevant is voor interpersoonlijke handelingen en slechts bij een beperkt aantal mensen een precieze betekenis hebben. Wij beschikken ook over een sociale identiteit die een betekenis heeft op acties tussen verschillende sociale groepen. Zodra deze waardes en normen tussen het kerngezin en de dominante cultuur te veel met elkaar in botsing staan, kunnen deze de vorming van de persoonlijke identiteit onder druk zetten. Een verschijnsel dat in de sociologische leer bekend staat als ‘intrarolconflict’ kan hierdoor ontstaan. Met intrarolconflict wordt bedoeld dat de verschillende rollen die een individu dagelijks vertolkt (bijvoorbeeld jongste zoon, scholier, dichter, voetballer, dealer; of moeder, verpleegster, huishoudster, kunstschilder) onderling onverzoenbaar zijn, waardoor

30

tegengestelde verwachtingen het individu voor moeilijke keuzes stelt, bijvoorbeeld iemand die hoog opgeleid, allochtoon en werkloos is. Hierdoor wordt extra psychische energie vereist om zoveel mogelijk deze botsende rollen en verwachtingen met elkaar te verzoenen, en in ernstige gevallen kan een authentieke identiteit zich niet binnen het kader van de heersende cultuur ontwikkelen. Dit zou wellicht kunnen verklaren waarom allochtonen die zich als geassimileerde Nederlanders voelen een verhoogde kans op schizofrenie hebben zoals uit onderzoek blijkt. Waarschijnlijk ontbreekt hen een zinvol sociaal netwerk waardoor zij meer met discriminatie geconfronteerd worden. In zulke gevallen zullen deze mensen dikwijls op zoek gaan naar iemand die in eenzelfde situatie verkeert zodat zij meer inzicht kunnen krijgen over hun onzekerheden, en tegelijk gedachten uitwisselen waardoor zij sterker en zekerder in hun schoenen kunnen staan. Zo krijgen zij niet alleen meer inzicht in hun eigen ongelukkige situatie, maar ook in de werking van de maatschappij en opvattingen van de heersende cultuur. Omwille een goede identiteitsvorming zijn mensen van nature geneigd zich aan te sluiten bij een groep die het dichtst bij de eigen identiteit ligt. Niet alleen werkt dit angst en onzekerheid tegen die ontstaat vanwege de vreemde opvattingen van een onbekende groep, maar de eigen groep biedt het individu de beste gelegenheid aan om zin te maken van de wereld op een manier die binnen het kader van de eigen cultuur begrepen wordt. Onze opvattingen kunnen dermate hardnekkig zijn dat zelfs logische contradicties geen afbreuk kunnen doen aan deze beschouwingen. Logica op zichzelf is ook niet altijd universeel, maar wel logisch binnen het kader van een bepaald context. Het experiment van psycholoog Solomon Asch heeft dit goed geïllustreerd met zijn conformiteitexperiment. In dit experiment kreeg een proefpersoon een lijn te zien van een zekere lengte. Op een andere kaart werd er een lijst van drie andere lijnen gegeven met variërende lengtes, waarvan één dezelfde lengte had als de vooraf gepresenteerde lijn. De proefpersoon moest ten overstaan van andere “proefpersonen” (die eigenlijk deel uitmaakten van het experiment) de lijn uitkiezen van dezelfde lengte als de eerstgenoemde lijn. Alhoewel het duidelijk te zien was welke lijn het meeste overeenstemde met de eerstgenoemde lijn, deelden de andere proefpersonen een andere mening. Zij waren van mening dat een andere lijn dezelfde lengte had, welke duidelijk niet het geval was. De argeloze proefpersoon paste vervolgens zijn mening aan bij de verkeerde mening van de groep om zodoende te conformeren aan hun mening. De ene logica werd verdrongen door een andere logica. De logica van het ratio, de logica van het meetkundige moest wijken voor de logica van conformiteit aan de betreffende groep. Om te behoren tot de groep, hun goedkeuring na te streven en de opvatting te koesteren dat de groep het naar alle waarschijnlijkheid beter weet dan het individu zijn te 31

factoren die meespeelde een aanzienlijk deel van de proefpersonen over te halen om hun eigen mening te verloochenen. Teneinde deze vormen van logica de ontcijferen dient men kennis te hebben over de onderliggende zienswijzen die deze logische systemen ten grondslag liggen. Om bijvoorbeeld morgen af te spreken met iemand om een bepaald tijdstip leidt in Westers gezinde culturen tot een akkoord en een verwachting dat de betreffende partij zich eraan zal houden. In de Islamitische wereld wordt eveneens een afspraak en akkoord afgesproken, maar met de uitroep “Insjallah”, oftewel “als God het wil”. Aangezien het niet volledig uit te sluiten is dat een persoon zich aan de afspraak kan houden vanwege factoren zoals ziekte of een samenloop van omstandigheden die de betreffende persoon zou kunnen belemmeren, wordt een beroep gedaan op de wil van de allerhoogste. Het individu zal wel zijn best doen de afspraak na te komen, maar sluit niet uit dat dit absoluut zal lukken. In andere culturen zoals de Afrikaanse is het traditie dat tijdens een feestelijke gelegenheid een scheut bier op de graften van de voorvaderen wordt uitgegooid. Doet men dit niet zal enige vorm van ongeluk zoals het per ongeluk laten vallen van een bord of breken van een glas als een wraakactie van de voorvadergeesten worden opgevat. In een Westers cultuur zou een dergelijk ongeluk gewoon als toeval worden afgemaakt. De manier waarop omgegaan wordt met kennis is cultureel vastgesteld, en het causale verband tussen oorzaak en gevolg is verklaarbaar vanuit het epistemische kennisnetwerk van de verschillende culturen. De waardes in een groep is inderdaad zo invloedrijk op de realiteitszin van zijn leden dat zelfs in samenlevingen die op de voorgrond staan van wetenschappelijke ontwikkelingen hier niet aan kunnen ontkomen. In Zuid-Afrika bijvoorbeeld wenden zwarte artsen, die geschoold zijn in Westerse geneeskunde, zich als eerst naar toverdokters zodra zij iets mankeren teneinde vast te stellen wat de oorzaak is van de kwelling (Rudnick, 2002). Als deze ziekte door de toverdokter in de context van de eigen opvattingen geplaatst wordt, zoals de voorvaderengeesten die boos zijn en tevreden gesteld dienen te worden, heeft deze ritualistische ‘reiniging’ voorkeur boven de Westerse behandelmethoden. Pas als de voorvaderen weer gelukkig zijn, kunnen deze artsen hun Westerse kennis en gereedschap op zichzelf toepassen. In hun optiek is de oorzaak van een ziekte eerst terug te herleiden naar het spirituele domein, en zodra dat is opgelost kunnen zij verder gaan met hun seculiere behandelmethodes. Ook al zijn er behoorlijk veel overeenkomsten in de kernwaardes tussen verschillende groepen kunnen er alsnog cruciale verschillen naar voren komen in de manier waarop deze groepen omgaan met de expressie van deze kernwaardes. Een Europese katholiek die op 32

bedevaart naar de plaats Lourdes gaat kan achteraf getuigen van een gevoel van innerlijke zuivering. Deze persoon zal echter huiveren zodra martelpraktijken als zelfkastijding en kruisiging voorgesteld worden om de geest te zuiveren. Echter, katholieken in de Filippijnen denken er anders over na. Jaarlijks tijdens het Pasen vormen zelfkastijding en kruisiging het belangrijkste onderdeel van deze heilige dag en wordt eveneens als ritueel gezien de ziel te zuiveren van zonden. Deze praktijken stemmen de katholieke kerk echter niet gerust en de paters zouden graag een einde hieraan willen maken, maar uit traditionele overwegingen worden de kastijdingen getolereerd. Hiermee wordt aangeduid dat met de integratie van nieuwe middelen, opvattingen, geloven of praktijken, de oude praktijken of opvattingen niet compleet verdrongen kunnen worden. De achterliggende opvattingen blijven nog altijd toonaangevend en de nieuwe opvattingen worden geïntegreerd op een manier die aansluit bij de traditionele waardestructuur. Dat verklaart eveneens dat er in landen zoals Hongarije, Roemenië en de Druïdes in Engeland na meer dan anderhalf duizend jaar van kerstening nog steeds oude heidense geloven en opvattingen beoefend worden. Het integreren van nieuwe opvattingen, cultuuritems of gedachtegoed vindt perfect plaats op een tempo die geaccommodeerd kan worden in de structuur van de dominante cultuur. Deze voorbeelden geven aan dat er verschillende dimensies van mens en identiteit kunnen bestaan binnen één cultuur en zelfs binnen één mens, en dat zij niet per se onderling uitsluitend zijn. Culturen kunnen wel met verloop van tijd nieuwe opvattingen of diverse gereedschappen uit andere culturen assimileren, maar dan op een manier die begrijpelijk is binnen het kader van de eigen cultuur. Door de geschiedenis zijn er talloze pogingen geweest de eigen opvattingen, die superieur geacht werden door de eigen leden, aan anderen over te brengen, hetzij in de vorm van zendelingenwerk, hetzij in de vorm van politieke ideologieën. Ook al wordt een bepaalde opvatting zuiver overgebracht, gaat deze toch een eigen leven leiden die bindend is voor de cultuur van de onderdanen. Zelfs het communisme, dat wereldwijd gelijkheid en broederschap tracht te bewerkstelligen, kon niet aan dit fenomeen ontkomen. Het communisme in China was niet hetzelfde als dat in de Sovjet Unie, en Stalin was niet te vinden voor het communistisch beleid van Josip Broz Tito in Joegoslavië. Eveneens hadden de Viëtnamezen een enorme haat tegen de Chinezen en zochten hun eigen soort communisme, maar weigerde te enenmale het Chinese model te aanvaarden. De cognitieve psycholoog Stephen Pinker beschreef zijn boek in The Blank Slate dat zelfs ‘objectieve’ maatstaven van gedragsmetingen niet boven cultuur staat. Zuid-Europeanen die naar de Verenigde Staten waren verhuisd, die immers ook een Westers achtergrond hebben, scoorden lager op intelligentietests dan Angelsaksische Amerikanen. Echter, zoals zij zich 33

meer thuis gingen voelen in de Verenigde Staten en meer veramerikaniseerden, begonnen de intelligentiescores te verbeteren totdat zij op hetzelfde niveau kwamen als het Angelsaksische gemiddelde. Om vanuit één cultuur de waardes van een vreemde cultuur over te nemen is een assimilatieproces dat tijd nodig heeft. De eigen waardes muteren langzamerhand in een nieuw stel waardes, maar alleen als er géén grote onverzoenbare verschillen ten grondslag liggen. Zodra de verschillen te groot zijn wordt een teelaarde voor conflict gecreëerd. Een van bovenaf opgelegd stel waardes op een vreemdeling wordt meestal in één richting toegepast waarin de nieuwkomer bijna onvoorwaardelijk de dominante cultuur dient aan te nemen. Samuel Huntington heeft hierover geschreven in The Clash of Civilizations dat de waarden die in het Westen als universeel gehouden worden bij andere culturen kunnen overkomen als kwaadwillig Westers imperialisme. De westerse mogendheden hebben dikwijls geen kwade bedoelingen hiermee en willen juist de helpende hand toereiken, maar begrijpen de subtiele verschillen tussen culturen niet, waardoor gevoelens van overheersing kunnen ontstaan bij de onderdanen. In werkelijkheid is deze vorm van integratie beperkt in omvang. Integratie is een dynamisch en interactief proces tussen de beleveniswereld van het individu in de wereld om zich heen. In de komende tijd met veranderende demografieën wereldwijd is het verstandig om hiermee rekening te houden. De Zuid-Afrikaanse dichter en cultuurfilosoof NP van Wyk Louw (1906 – 1970) stelde ooit dat de grotere Europese landen ook over een zwakheid beschikken, namelijk dat zij dikwijls niet beseffen dat zij verdrukkers van minderheden zijn. Zonder rekening te houden met de belevenissen en cultuur van vreemdelingen kan integratie overkomen als een soort imperialisme op eigen bodem, waarin een persoon van allochtone afkomst verder kan wegzakken in onbegrip met pijnlijke gevolgen zoals vervreemding, opstandigheid, drugsgebruik, apathie, antipathie en geestesziekten. Deze nieuwe cultuur waarin aangepast dient te worden impliceert dat de eigen waardes niet geldig zijn en alleen de waardes van het gastland de regel geworden zijn. De culturele basis waarop deze nieuwkomer zijn waardigheid heeft gebaseerd is niet meer geldig binnen de nieuwe cultuur en hij dient opnieuw te werk te gaan om ten eerste zijn gevoel van waardigheid en thuishoren in de wereld te vinden. Hier ontstaat een mogelijkheid dat zodra het waardesysteem van het individu te veel afwijkt van de waardes van zijn nieuwe geadopteerde land, de waardes van het gastland niet geadopteerd worden. Het individu zal in veel gevallen kiezen voor het behoud van de eigen culturele thuisbasis aangezien zijn gehele identiteit en zingeving van de wereld bestaat uit het naleven van zijn eigen culturele voorschriften. De vreemdheid van het waardesysteem van het gastland heeft nog geen kans gekregen een bindende werking op de nieuwkomer uit te 34

oefenen, en in gevallen waarin de nieuwe omgangsvormen aanstootgevend zijn zullen deze met weerstand begroet worden, hetgeen integratie juist kan belemmeren. In het geval van een gezinscontext van een nieuwkomer is de kans eveneens groter dat de eigen gezinsstructuur een veel directer invloed heeft op de gezinsleden dan de dominante, externe cultuur van het gastland, en zorgt ervoor dat weerstand tegen integratie – dan wel gebrekkige integratie – zich naar de volgende generatie voortzet. Het gevaar dat hierin opgesloten ligt is dat een gezond nationaal bewustzijn van de nieuwkomer kan verworden tot een identiteit gebaseerd op een wij/zij deling, en dat vervolgens de identiteit van de nieuwkomer zijn betekenis gaat vinden in het verschil tussen de eigen cultuur en de dominante cultuur van het gastland. Een subcultuur met als motto “wij willen niet als jullie zijn” wordt een bron waarop deze nieuwe identiteit gebaseerd wordt, met frustratie en uiteindelijk haat tegen de dominante cultuur als ongewenst resultaat. Een gevoel van verwerping van de dominante cultuur wordt onder zulke omstandigheden een reële mogelijkheid. Waar een gezond nationaal bewustzijn zich uit in een respect jegens anderen, een gebalanceerd moreel besef en het geloven in basisbeginsels voor menselijk zingeving, vervalt deze in een ongezonde identiteit gebaseerd op antipathie. Zo bestaat de kans dat de hogere cultuurfuncties van de nieuwkomers, namelijk hun geloof, moraal en omgangsvormen niet meer ingegeven wordt door de oorspronkelijke intentie, maar als een middel om afkeur te communiceren aan het gastland. Van Dijk (2001) geeft een goed voorbeeld hoe de traditionele ‘voodoo’ praktijk van Afrika niet meer bedreven wordt volgens de oorspronkelijke religieuze intentie maar vervormd is tot een middel om de dominerende rationele wereldbeschouwing uit te dagen met de eigen Afrikaanse spirituele belevenis. ‘Voodoo’ is met andere woorden een ritueel geworden om antipathie te communiceren en het eigen waardesysteem te bevestigen, maar dit ‘waardesysteem’ dat hiermee geëtaleerd wordt is niet ontstaan uit een innerlijke noodzaak om de ziel te reinigen maar uit een behoefte zich te verzetten tegen een externe bedreiging. Het is daarom geen authentieke expressie van de eigen cultuur, maar hoogstens een karikatuur ervan. Een erosie van kernwaardes vindt plaats en heeft als bijwerking een verder gevoel van vervreemding, waardoor de teelaarde gecreëerd wordt voor radicale geloofsopvattingen om het bestaansvacuüm te vullen.

Dit proces van vervreemding en radicalisering is goed omschreven door historicus Oswald Spengler. In zijn befaamd werk Der Untergang des Abendlandes noemde hij dit verschijnsel ‘pseudomorfose’, verwijzend naar een begrip dat hij overgenomen had uit de geologie om aan te geven hoe diverse gesteentes kristalliseren. Hij definieert dit verschijnsel als volgt: “Met de term pseudomorfose probeer ik die gevallen aan te wijzen waarin een oudere, vreemde 35

cultuur zo weids over het land ligt dat een jongere cultuur deze niet kan behappen en niet alleen faalt in het bereiken van pure en specifieke uitdrukkingsvormen, maar ook in het vormen van een eigen zelfbewustzijn. Alle opwellingen uit de diepte van de jonge ziel worden in oude mallen gegoten, jonge gevoelens verstijven in verouderde praktijken, en in plaats van de eigen creatieve kracht uit te breiden, kan deze alleen de afgelegen kracht haten met een haat die tot monsterachtige proporties uitgroeit.” Spengler onderbouwt dit verschijnsel met voorbeelden uit de pre-islamitische Arabische cultuur en naar de Russische cultuur tot en met de roerige negentiende eeuw. De Arabieren moesten hun eigen groeiende cultuur inperken ten gunste van de gevestigde Romeinse cultuur en zou een verklaring kunnen bieden voor de behoefte aan expansie en afkeur jegens het westen waarmee de Arabische cultuur zich kenmerkt. In het geval van Rusland beschrijft Spengler hoe de naar het westen gerichte tsaar Alexander I de cultuur van het westen omarmde ten koste van de jonge Russische cultuur met de nodige gevoelens van afkeur die eruit ontstond. Eerst moesten de Russen ervaren hoe hun opbloeiende cultuur ingeperkt werd door het Baroktijdperk, gevolgd door de Verlichting en uiteindelijk de negentiende eeuw. Spengler verwees naar twee bekende Russische literatoren, Lev Tolstoj en Fjodor Dostojevski om de existentiële crisis van de Russische geest aan te duiden. Tolstoj is het verleden van Rusland en Dostojevski de toekomst. Tolstoj is de revolutionair die leunt naar het westen, maar omdat hij de gevaren van het westen kent (zoals de guillotine tijdens de Franse Revolutie) is hij gevuld met haat en zelfhaat. Zijn gedachten liggen aan de wortel van de Bolsjewistische Revolutie die het westen omver wilde werpen en de Russen hun eigen cultuur, gewoontes en geschiedenis wilde teruggeven. Dostojevski daarentegen gelooft niet dat de heil van de menselijke ziel in politieke actie ligt. Hij is vrij onverschillig over de culturele verschillen tussen oost en west en voelt zich even thuis in allebei cultuurzones. Dostojevski kijkt voorbij de wereld van verschijnselen en feiten en ziet de mens in een hogere metafysische bestaansvorm vergelijkbaar met een apostel uit de vroegere christendom. Vandaar dat Iwan Karamazov – een personage uit Dostojevskis werk De gebroeders Karamazov – tegen zijn moeder stelde dat hij graag het westen wil zien, ook al weet hij dat West-Europa een kerkhof is. Het is een kerkhof dat hem na aan het hart ligt. Het is een kerkhof waarvan iedere steen kan getuigen van een geloof in de eigen kunnen en een leven dat vurig geleefd was, overtuigd van zijn eigen goedheid en zijn eigen kennis. Iwan weet dat als hij het westen ziet zal hij de stenen kussen en erover wenen. Het voornaamste verschil tussen Tolstoj en Dostojevski is dat Tolstoj, met zijn westerse metafysische impotentie, grotendeels in termen van sociaal belang denkt. Voor hem was Jezus 36

Christus een hervormer en kan het christendom alleen in termen van maatschappelijke revolutie beschouwd worden. Bij Dostojevski had de christelijke leerstelling geen sociale waarde maar legt de nadruk op de ziel van de mens. Zoals hij zich afvroeg, wat voor profijt zit er in voor de menselijke ziel om persoonlijk eigendom af te schaffen? Het zou menig nieuwkomer naar Europa sieren kennis te nemen van deze grootse figuren uit de wereldliteratuur. Zij hebben meesterlijk de persoonlijke conflicten beschreven die ontstaan wanneer twee culturen wedijveren om het goede voortbestaan van de mens. Er schuilt een Tolstoj en Dostojevski in iedereen die met deze culturele kwesties worstelen, en de vragen en antwoorden die zij voortgebracht hebben spreken ons allen aan. Dit sluit aan bij de Amerikaanse literator Richard Weaver die meende dat het een goed idee is je te begeven in een vreemde cultuur om inzicht in de eigen cultuur te verkrijgen. Op deze wijze wordt de ware betekenis van de eigen cultuur duidelijk en standvastiger. Weaver beschreef uiteraard niet zozeer dit bovenvermelde verschijnsel van pseudomorfose maar sprak in termen van verkenning van andere culturen. Bij pseudomorfose en vervreemding is er sprake van een onvermogen om gemakkelijk terug te keren naar de eigen roots. Om een idee te schetsen over belangrijke structurele verschillen tussen verschillende culturen zal in dit volgende deel ingegaan worden op de belangrijkste onderscheidende kenmerken van de westerse cultuur. Hiermee wordt getracht een idee te geven waar nieuwkomers tegenaan lopen wanneer zij met het westen in aanraking komen.

37

Het Westen en de anderen.
Alvorens er sprake kan zijn van begrippen en opvattingen over de cultuur van anderen, dient men een grondig overzicht te hebben van de eigen cultuur. Vanwege gewenning, blootstelling aan ons cultuurgoed en algemeen aanvaarde opvattingen zijn wij dikwijls niet bewust van de subtiliteiten die ons dagelijkse wereldbeschouwingen beïnvloeden. Wij onderschatten de mate waarin onze realiteitszin is ingegeven door onze omgang met de maatschappelijke werkelijkheid, juist omdat wij ons in het midden van deze werkelijkheid bevinden. Belangrijk is te achterhalen hoe de Europese beschaving is ontwikkeld in de loop der eeuwen en de uitwerking die deze ontwikkeling heeft gehad op de psyche van de Europeaan. Drie belangrijke criteria zullen besproken worden om de Europese beschaving te onderscheiden van andere vormen van maatschappelijk bewustzijn, te weten, rationalisatie, inclusieve diversiteit en solidariteit. Dit zijn ook belangrijke criteria die een verklaring biedt waarom het westen vertrouwen begon te krijgen in het integratieproces.

1) Rationalisatie Een van de belangrijkste kenmerken van de westerse samenleving is de manier waarop alles gecodificeerd, gekwantificeerd en logisch geordend is. Voor alles bestaat er een regel, een fijn uitgewerkte structuur, een regelmaat en wordt er voortdurend nagedacht om de algemene efficiëntie van diensten en productie in de maatschappij te verbeteren, teneinde de groter wordende bevolking te dienen. Deze logische ordening, oftewel rationalisatie, is de meest opvallende eigenschap van de westerse samenleving, en werd voor het eerst grondig geanalyseerd door de socioloog Max Weber (1864 – 1920). De rationalisatie heeft tezamen met de efficiëntie een verhoging van de persoonlijke welvaart teweeggebracht en veroorzaakte dat producten en diensten steeds sneller, goedkoper en uiteindelijk van betere kwaliteit gemaakt konden worden. Vanwege dit succesformule heeft het westen zich steeds meer ingericht om de rationalisatie – en daaruit ontstane technologie – gestaag verder te ontwikkelen, en is ook de wijze waarop de mens op geestelijk niveau gedacht en gehandeld heeft ingrijpend veranderd. In zijn werk Ideas have Consequences (1948) beschrijft Richard Weaver deze impact op de psyche van de moderne mens. Hij zondert de Franciscaanse monnik Willem van Ockham (1288 – 1347) uit als belangrijkste denker die de tijdsgeest van de rationalisatie in werking had gezet. Willem van Ockham was een pionier van de stroming die als nominalisme bekendstaat. Een nominalist gelooft dat er geen realiteit buiten het somtotaal van de zintuiglijke ervaring bestaat. Alle vormen van kennis worden vanuit de 38

fysieke wereld opgenomen. De universele waarheden, waaronder kracht, menselijkheid, schoonheid, deugd enz. behoren niet tot het domein van de rede, maar tot andere domeinen zoals het metafysieke of theologische. De door de zintuigen ingegeven ervaring van de mens is de enige waarmee de nominalist zich bezighoudt. Deze benadering impliceert dat de metafysieke belevenis overbodig of zelfs misleidend is, en sluit deze per definitie uit. Het enige dat resteert in de wereld van de nominalist is de kortste weg naar de meest logische verklaring. Om dit standpunt te illustreren gebruikte Ockham de uitdrukking Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda oftewel ‘Men moet de [gepostuleerde objecten] niet zonder noodzaak verveelvoudigen’. Deze uitdrukking staat beter bekend als Ockhams scheermes. Alle variabelen die een verklaring onnodig ingewikkeld maken dienen ‘weggeschoren’ te worden zodat slechts de meest directe verklaring overblijft. Hierdoor werden de traditionele opvattingen van oorzaak en gevolg dramatisch verfijnd of veranderd, en begon de wetenschappelijke methode hard aan haar opmars. Andere denkers zoals Newton en Spinoza werkten mee de rationele maatschappij tot volle bloei te brengen.

Echter, net als met enige tijdsgeest of eigenschap kende de groeiende rationalisatie ook een schaduwzijde. Ofschoon deze benadering de wetenschap groots succes heeft geboekt, zijn er ook traditionele opvattingen die niet meer tot hun recht kwamen door de verdringende wetenschappelijke methode. Omdat er geen universele waarheden meer zijn waar de mens zijn metafysieke bestaansrecht en zingeving aan kan ontlenen, is hij de maat van alle dingen geworden, met alle gevolgen van dien. Het nominalisme van Ockham verviel tot een perversiteit van de oorspronkelijke bedoeling. Als Franciscaan was Ockham zeker geen atheïst, en hield vol te geloven dat er een theologische waarheid bestond die slechts met geloof en openbaring benaderd kon worden. Waar hij het nominalisme slechts als ingang gebruikte om de natuur te begrijpen, begon dit model later een allesomvattende verklaring te worden die geen ruimte meer toeliet voor de meer gevestigde, traditionele levensbeschouwingen. Hieruit ontstonden er twee gevolgen: i) De natuur werd niet meer beschouwd als een imperfecte afspiegeling van een hogere werkelijkheid, met het gevolg dat de aard van de natuur in de natuur zelf gevonden moest worden. De natuurwetenschap in haar huidige vorm is op deze wijze ontstaan, en allerlei instrumenten werden vervolgens ontwikkeld om de werkingen van de natuur nader te onderzoeken. De veronderstelling was dat door de acties in de natuur te onderzoeken zou zich de essentie ervan verraden. Er zit een logische verklaring achter alle natuurlijke processen en alle afwijkingen en onbekendheden kunnen uiteindelijk helemaal logisch worden uitgelegd. ii) Het andere gevolg van het 39

rationalisme is de opvatting dat aangezien de mens vanuit de natuur is ontstaan, zijn alle vormen van tekortkomingen bij hem het resultaat van onkunde of deprivatie. Vandaar is het beeld ontstaan dat de mens van nature goed is en het concept van de erfzonde in het domein van de onwaarheid is beland. Dit gaf aanleiding dat de gevestigde morele beginsels van goed en kwaad in het gedrang kwam. De wetenschap, die de aard van de dingen om ons heeft ontleed – en nog dagelijks ermee bezig is – heeft gezorgd dat de mens meer beheer kan uitoefenen over de natuur, en zijn beperkingen van oudsher worden door de techniek overwonnen. De wetenschappelijke benadering in zichzelf begon beschouwd te worden als een universeel verklaringsmodel en de enige werkelijkheid waar de mens mee te maken heeft. Vanuit dit optiek wordt het duidelijk hoe de opvatting van de universele mens tot stand kwam, en door het wetenschappelijk bijsturen van de maatschappij kan de menselijke cultuur verbeterd worden. Het is om deze reden dat gedachten rond culturele integratie begonnen te behoren tot een reële mogelijkheid. Het is inderdaad zeer verraderlijk deze wetenschappelijk gefundeerde realiteit als enige voor te houden, maar zonder een uitgebreid structuur van universele waardes en principes raakt de mens uiteindelijk afgekoppeld van een hogere realiteit. Zoals Weaver beschrijft is hierdoor de gruwel der verwoesting begonnen, met als manifestatie een diepliggend gevoel van vervreemd zijn van alle niet-onderhandelbare waarheden. Aangezien de mens niet meer is geschapen in de beeltenis Gods, is de weg gebaand voor het westerse nihilisme waar denkers zoals Nietzsche uitvoerig over heeft geschreven. Het Griekse woord ‘hybris’ kan als belangrijkste pathos worden uitgezonderd van deze tijdsgeest. Het verval van het geestelijke gezag ten gunste van de rede heeft de mens tot nieuwe vormen van zelfoverschatting geleid, en ironisch is dat juist de twintigste eeuw, met beloften van humanisme, welvaart en idealen de eeuw geworden is waarin zich de meest intense en uitgebreide vormen van gruwel hebben afgespeeld. Vertellingen uit de oudheid zoals Antigone van Sofokoles en John Miltons Het verloren paradijs hebben eeuwen geleden gewaarschuwd voor deze gevaren van zelfoverschatting. Vooral in het geval van Het verloren paradijs kenmerkte de Satan zich als fundamenteel arrogant en heerzuchtig, een wezen dat het liefst in de hel regeert dan in de hemel dient. Interessant wordt in dit werk vermeld dat de Satan de engelen ophitsten tegen God, en indoctrineerden hen dat zij geen schepsels van God waren, maar zichzelf geschapen hebben – een schitterende allegorie op de wetenschappelijke benadering die stelt dat de werking van de natuur in de natuur zelf gevonden moet worden. De opvatting dat er een hogere essentie is van waaruit de natuur is ontstaan werd als onwaar afgemaakt, en de schepper werd als vijand en tiran neergezet.

40

Een andere goede toespeling op de gevaren van deze tijdsgeest is het werk van de schrijfster Mary Shelley, die bekendheid verwierf voor haar in 1818 verschenen horrorroman Frankenstein of De moderne Prometheus. Dit verhaal vertelt van de jonge arts dr. Victor Frankenstein die een vurige ambitie had om een betere mens te creëren, conform de technocratische en optimistische tijdsgeest van de negentiende eeuw. Het schepsel dat dr. Frankenstein uiteindelijk tot leven wekte was uitgerust met een grotere fysieke spierkracht en intellect, maar was tegelijkertijd een groteske aan elkaar gelapte monster. Omdat dit monster onzeker was of het over hetzelfde gevoel van esthetica beschikte als een gewone mens en deze niet kon verzoenen met zijn gekunstelde lichaam, tezamen met de maatschappelijke afkeur die anderen van hem hadden, koos hij uiteindelijk in complete afzondering van de mens te leven. De oorspronkelijke subtitel van de roman De moderne Prometheus zinspeelt op de Griekse Titaan Prometheus die als gewiekste sterveling het vuur van de goden gestolen had om aan de mens te geven, waardoor de goden hem strafte door hem aan een rotswand te ketenen met een adelaar die iedere ochtend tot in de eeuwigheid een stuk uit zijn lever hapte. In allebei deze literaire gevallen komt naar voren dat de mens, ondanks zijn technologie, te onvolwassen of onkundig is gebleven om op de fijne werkingen van de natuur te verbeteren en uiteindelijk zijn groots project ziet vervallen in een uiterst grimmig en dystopische vorm ervan.

Omdat deze schrijvers in tijden van verandering leefden en aan het begin stonden van een nieuwe, seculiere tijdsgeest konden zij een goed beeld schetsen van de gevaren die kunnen ontstaan wanneer traditionele normen ten onder gaan. Dit geldt ook meer recentelijk voor intellectuelen die in de laat negentiende en begin twintigste eeuw leefden wier kritiek op de veranderende maatschappij vandaag nog verbazend actueel is gebleven.

Sinds de Verlichting is het proces van rationalisatie in een stroomversnelling geraakt, met als opvallend eigenschap dat er een toename in het verval van religieus gezag en een heruitvinden van de eigen identiteit te bespeuren valt. De nieuwe waarheid van de wetenschap stond nog in haar kinderschoenen, maar vanwege diens succes begonnen de traditionele religieuze benaderingen terrein te verliezen en werden algauw als onwaarheden afgemaakt. Het grote belofte van de natuurwetenschap heeft veroorzaakt dat deze methode naar de sociaalwetenschap overwaaide waar deze werd toegepast op de gedragingen van de mens, en heeft op zeker niveau ook veel succes geboekt. Sociaaldenkers zoals Auguste Comte, Herbert Spencer, GWF Hegel en Karl Marx hebben allen hun steentje bijgedragen om het succesvolle 41

wetenschappelijke benadering op de maatschappij toe te passen. Het resultaat was dat de aard van de mens in de samenleving ook verandering onderging, en het socialisme kwam naar voren als nieuwe ideologie die een einde beloofde te maken aan de misère en beperkingen van de vorige eeuwen. Teneinde het vacuüm te vullen waar vroeger het geloof was, kwam het socialistische motto van vrijheid en gelijkheid naar voren als nieuwe religieuze leerstelling, met als voordeel dat deze ideologie begrijpelijk en praktisch toepasselijk was. Het was een geloof waar men iets mee kon bereiken. Het welbevinden van de mens en de voortzetting van de wetenschap lag ten grondslag aan dit nieuwe, wetenschappelijke geloof. De socialistische intellectuelen en wetenschappers zouden voortaan zorgen dat de mens langs wetenschappelijke en technologische weg zijn heil zou vinden, en aangezien de mens zijn eigen natuur in zichzelf dient te vinden, spreekt voor zich dat de maakbaarheid van de mens ook ter berde kwam. Niet alleen zou de omgeving naar de wil van de mens aangepast worden, maar de mens zou ook afgestemd kunnen worden om zich bij het ideaal van de maatschappij aan te passen. Dit geluid werd als eerst in de opvoedkunde geopperd door psycholoog Edward Thorndike (1874 – 1949). In zijn werk The Principles of Teaching Based on Psychology (1906) nam hij de gewaagde stap om een nieuwe definitie voor opvoeding te geven. Voor Thorndike was opvoeding: “…interested primarily in the general interrelation of man and his environment, in all the changes which make possible a better adjustment of human nature to its surroundings.” (primair geïnteresseerd in de algemene verwevenheid van de mens en zijn omgeving, in al de veranderingen die een betere aanpassing van de menselijke natuur en diens omgeving mogelijk maken). Hieruit blijkt dat Thorndike opvoeding beschouwde als een ervaringsleer in plaats van kinderen te stimuleren om vaardigheden te ontwikkelen. De wetenschap heeft de mens in staat gesteld om meer controle over de omgeving uit te oefenen, en het verraderlijke van de sociaalwetenschap ligt erin dat de mens met moderne middelen ook onder nieuwe vormen van controle gebracht kan worden. Steeds meer begon de opvatting te vormen dat de mens door gebruik te maken van leermethoden zijn waardes en prioriteiten kan bijstellen, en dit zou op den duur de maatschappij ten goede uitkomen, mits goed wordt toegepast. Omdat het beeld van de mens als schepsel van een hogere godheid niet meer geldig is moet hij op zoek gaan naar zijn eigen natuurlijke aard, en de bekende Franse existentialist Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) heeft een invloedrijk argument geleverd waarin de maakbaarheid van mens centraal staat. In zijn werk Het zijn en het niet stelde hij dat bij de mens gaat de existentie de essentie vooraf. Hiermee wordt bedoeld dat de mens geen inherente natuur heeft, maar bepaalt zelf door zijn vrije keuze zijn eigen natuur. Een dier heeft geen andere keus dan naar de drijfveren van zijn instincten te handelen, terwijl de mens een 42

keerpunt in zijn evolutie bereikt heeft en zelf kiest hoe hij zich in de wereld wil bevinden. Zoals Sartre stelde wordt de mens geboren, leert hij uit zijn omgeving, vormt hij zijn karakter en identiteit, en definieert hij zichzelf dan achteraf. Hoe hij zichzelf definieert beschouwt hij dan als zijn ‘natuur’. Voor Sartre geldt dat de mens volkomen vrij is, oftewel verdoemd is tot vrijheid, en is dagelijks geconfronteerd met een eindeloze mogelijkheden aan keuzes. Het bewustzijn, aldus Sartre, is een duizeling van mogelijkheden. Als voorbeeld stelt hij iemand die over een berghang in een kloof kijkt en angst beleeft. Deze hoogtevrees bestaat niet zozeer uit een vrees voor de hoogte zelf, maar uit het besef dat men zich uit vrije keuze erin kan werpen. De reden waarom de mens angst beleeft kom voort uit zijn vrijheid, en zonder vrijheid bestaat angst niet. Zelfs de psychoanalyse zou volgens het existentialisme eruit moeten bestaan de mens te bevrijden van de ketenen die hij zichzelf heeft opgelegd. In de dagelijkse roulatie is de mens zich niet altijd bewust hoe zijn keuzes hem in bepaalde vormen van pathologisch gedrag heeft gestuurd, en door hem erop attent te maken dat zijn eigen keuzes dit ongelukkig gedrag in de hand heeft gewerkt kan de mens zijn weg vinden naar een andere schikking binnen zichzelf waardoor hij weer gelukkiger kan functioneren. Deze beschouwing heeft binnen het kader van de psychotherapie veel waarde, maar de verleiding bestaat om deze op de abstracte maatschappij toe te passen, waardoor andere sluimerende gevaren kunnen ontstaan. Een belangrijk gevaar is dat een verdere vervreemding van principes kunnen resulteren. Omdat belangrijke eigenschappen als integriteit en deugd weg gerelativeerd zijn tot het punt dat deze geen inherente waarde meer hebben, kunnen een verwarring van de regels en codes ontstaan waardoor gedrag en opvattingen niet tot hun authentieke expressie kunnen komen. De mens heeft geen natuur en staat dus volledig open voor nieuwe waardes, principes en expressie aangezien hij zelf geen innerlijke of natuurlijke varianten ervan heeft. Hij is niet verankerd in een goed gefundeerd waardesysteem maar is vrijwel oneindig aanpasbaar bij zijn tijd en omgeving. Dit opent het gevaar dat hij zonder vastigheid onzeker is en graag zekerheid opzoekt om zichzelf weer richting en zin te geven. Het is eigenlijk niet verwonderlijk dat Sartre tegen het einde van zijn leven zich distantieerde van zijn existentiële en marxistische idealen, en tot grote verbazing van zijn volgelingen zich ten gunste van het messiaanse Judaïsme had uitgesproken. De veilige haven van een verlossingsleer bood hem meer soelaas dan de radicale vrijheid waar hij zijn beroemdheid aan de danken had. Ook heeft psycholoog Carl Jung met zijn theorie van het collectief onbewuste aangetoond dat er bepaalde overeenstemmingen gevonden zijn in alle menselijke culturen, ook van mensen die nooit met elkaar in contact zijn geweest. Iedereen gelooft in een superieur wezen waartegenover eerbied getoond wordt. Iedereen heeft een gevoel dat er een boosheid 43

bestaat. Iedereen kent helden, slachtoffers, vruchtbaarheidsrites, afscheidsrites en een leven na de dood. Dit heeft veroorzaakt dat binnen iedere cultuur een bepaalde orde heerst en mensen vinden een zingeving in opgebouwde tradities en willen deze graag aan hun kinderen overdragen. De wijsgeer Plato schreef eveneens hierover in Wetten dat volgens zijn ontleding is de voornaamste reden waarom beschavingen ten onder gaan te wijten aan het feit dat men het zicht kwijtraakt over wat werkelijk belangrijk is voor zijn medemens. Deze eeuwenoude opvattingen zijn door de tijdsgeest van de moderniteit grotendeels teloorgegaan en hebben weinig waarde en bindingskracht meer. De mens moet zichzelf opnieuw ontdekken te midden van een kunstmatige wereld die hem boven zijn traditionele beperkingen heeft verheven. Omdat de mens geen natuur meer heeft kan een klimaat gecreëerd worden waarin hij niet alleen de omgeving naar zijn hand zet, maar dat de mens ook gemaakt kan worden naar de wil van de omgeving, aangezien hij eindeloos ‘maakbaar’ is. De zekerheid en richting waar de mens naar verlangt kan vanuit de omgeving ‘geprogrammeerd’ worden, en verdere ontwikkelingen in de psychologie – met name van het behaviorisme – heeft hier veel steun aan verleend. Het behaviorisme, dat algemeen geldt als de tweede belangrijkste stroming in de psychologie, legt de nadruk op het aanleren en afleren van soorten gedrag middels beloning en straf. Mensen die bepaalde fobieën hebben kunnen door blootstelling en gewenning zich van hun vrezen verlossen, maar ook vrees ontwikkelen voor voorwerpen die vroeger geen invloed op hen hadden. De reikwijdte van het behaviorisme werd uitvoerig op proefpersonen en dieren getest en, net als alles in de moderne tijd, gaf het aanleiding tot een verhoogd zelfvertrouwen in de eigen kunnen. Een gevoel van verhoogde controle over de omgeving gaf aanleiding tot een nieuwgevonden overmoed en gespeculeerd werd of een utopische maatschappij op deze wijze gecreëerd kon worden door ongewenste gedrag eruit te ‘programmeren’. Het ideaal om mensen te programmeren om uiteindelijk een wetenschappelijk gefundeerde utopie te creëren culmineerde met het werk van de Amerikaanse behaviorist BF Skinner (1904 – 1990), die dermate onder de indruk van de wetenschappelijke methode was dat hij alle vormen van moraal, intellect, passie, principe en spiritualiteit beschouwde als reacties op beloning en straf. Door mensen middels beloning te ‘herprogrammeren’, waarvan in sommige gevallen het succes goed te zien was, was voor hem het bewijs dat moraal en religie hun ontstaan hadden in onwetendheid. Als dit model goed doorgevoerd zou worden, zou volgens Skinner een eind komen aan alle vormen van maatschappelijke ellende en frustratie, met een utopische maatschappij als eindresultaat. Voor hem zou de psychologie voortaan alleen bestaan uit gedrag en hypothesen die observeerbaar en meetbaar zijn, en niet-meetbare verklaringen behoren daarom ook niet meer 44

tot dit vakgebied. Zijn behavioristische benadering had veel vooruitgang geboekt en veroorzaakt dat een groot aantal therapeuten zijn theorie overgenomen had en verder ontwikkelde, en zelfs in de tegenwoordige tijd wordt het behaviorisme als meest succesvolle therapie beschouwd. Skinner was echter verblind geraakt door het succes van zijn benadering en dacht dat de gehele complexiteit van maatschappelijk samenzijn op deze manier opnieuw gecreëerd kon worden. Dit is de merkwaardige overeenkomst tussen Freud en Skinner. Zij hadden hun theorie ontwikkeld om de mens te verlossen van zijn directe angsten, en als deze eenmaal verholpen was, stelde Freud althans, kon de mens opnieuw zijn vrijheid beleven. Dit zou ook de portee van Skinners theorie moeten zijn. Door overmoed begonnen zij zich te wenden naar de maatschappij als geheel en probeerde hetzelfde theoretische model toe te passen op miljoenen mensen. Hun afkeur voor religieuze leerstellingen veroorzaakte dikwijls dat zij een bepaalde handeling of interactiestijl niet naar waarde kon schatten en makkelijk begonnen te verklaren in termen van ‘maatschappelijke pathologie’. Skinner vond kennelijk begrippen als integriteit, dapperheid, ethiek, verlokking of deugd geen belangrijke drijfveren om menselijke acties te verklaren. Het oud-Nederlandse woord voor psychologie, te weten ‘zielkunde’ is door Skinner volledig ontzield geraakt en het belangrijkste motief dat de mens kent om zich in menselijk gedrag te verdiepen werd tot een systeem van stimuli en respons gereduceerd. Ofschoon het succes van Skinners psychologie niet ontkend kan worden, lokte zijn theorie veel kritiek uit vanwege de onmenselijke positie waarin hij de moderne mens heeft geplaatst. Vanuit de populaire media werd zijn theorie afgebeeld als aberrant en onethisch wanneer deze tot op het uiterst werd toegepast. De roman A Clockwork Orange (1962) van Anthony Burgess schetst een onheimelijk beeld waarin een gewetenloze moordenaar en bendeleider streng heropgevoed wordt met typische Skinneriaanse leermethoden, met als gevolg dat hij slachtoffer is geworden van de zogeheten ‘goede’ burgers die zich niet lieten weerhouden om hem zwaar te vernederen terwijl hij niet meer in staat was zich te verdedigen. Het is weliswaar niet bekend of Burgess zich liet inspireren door Skinner om dit verhaal te publiceren, maar de boodschap en precaire ethische vraagstukken die de grondslag vormen van zijn betoog zijn even geldig gebleven. Utopische idealen kunnen in de werkelijkheid algauw vervallen in uiterst grimmige toestanden. De befaamde historicus Carroll Quigley (1910 – 1977) schreef een artikel in 1967 in de universiteitskrant van Georgetown Universiteit waarin hij kenbaar maakte zich bewust te zijn van een ontluikende crisis in het onderwijs; een voorbode voor wat er komen gaat als te veel op deze manier van denken voortgeborduurd wordt. Deze katholieke hoger 45

onderwijsinstelling begon zich van zijn religieus karakter te vervreemden door te trachten een tweede Harvard Universiteit te worden, en leidde tot een ontkenning van de eigen uniekheid. De ‘progressieve’ intellectuelen aan Harvard – waaronder Skinner – hadden verleden eeuw allerlei nieuwe invalshoeken, theorieën en modellen aan het publiek gebracht om de maatschappij op diverse terreinen te verbeteren, maar het gros van deze benaderingen was al te vaak kortzichtig, naïef en boekte uiteindelijk een ramp of een bescheiden mate van succes. Rijke scholen als Harvard en Princeton maakten zich schuldig aan de nummer één vloek in de wereld van de academie, te weten hooggespecialiseerde maar modieuze opleidingen die niet geankerd zijn in een historische traditie, en het kon bijna niet anders dat deze instellingen tekortschoot om de gehele menselijke belevenis in een werkbaar geheel samen te binden. Aan de rijke scholen wordt specialisatie dikwijls gegeven zonder een degelijke vooropleiding en heeft al geleid tot situaties waarin studenten van minder welvarende scholen een beter kennisbasis ontwikkeld hebben van het betreffende onderwerp dan hun medestudenten aan de rijke scholen. Vooral het geval van Georgetown Universiteit – met haar toegang tot de enorm rijke katholieke geschiedenis – had zich veel beter kunnen verdiepen in de eigen religieuze erfenis om mensen van een opleiding te garanderen die wel op een gedegen basis berustte dan een vijfderangs Harvard te worden. Als voorbeeld kan genoemd worden het inclusieve diversiteitbeginsel, waarin meerdere waarheden tegelijk samen kunnen bestaan, conform de katholieke traditie, welke straks nader uitgelegd zal worden. Met dit beginsel in ogenschouw kan het onderwerp van de sociaalwetenschapper met meer eerbied en inzicht benaderd worden, rekening houdend met de complexiteiten ervan in plaats van de nieuwgevonden eendimensionale en bloedarmoedige theorieën van Skinner en zijn soortgenoten aan Harvard.

Toch gaat de obsessie van de sluwe intellectuelen aan de top om het mensdom onder hun beheer te brengen onverpoosd voort. Hierover schreef de Zwitserse Amerikaan Paolo Lionni (1938 - ) in zijn in 1980 verschenen werk The Leipzig Connection. Lionni maakte melding dat deze streven naar technologische utopie haar oorsprong had in de psychologielaboratoria van de Duitse filosoof Wilhelm Wundt (1832 – 1920) en vandaar waaiden deze nieuwe benadering over naar de Verenigde Staten en andere landen. Voor Wundt gold hetzelfde als menig denker van zijn tijd, namelijk dat de mens geen ziel heeft en in feite programmeerbaar is met dezelfde middelen als een proefdier. Het succes van zijn psychologie bracht mensen van over de hele wereld om deze benadering te leren en algauw werd het onderwijssysteem middels riante schenkingen van de Carnegie Endowment stichting en van John D Rockefeller Foundation ingeburgerd in het algemene schoolsysteem. Het gevaar dat hieruit ontstond kan 46

gezien worden aan de opmerking van Edward Thorndike dat de hoeksteen van modern onderwijs namelijk lezen, schrijven en rekenen niet belangrijk was voor opvoeding. Thorndike meende zelfs dat vakken als geschiedenis, rekenen en taal weinig intrinsieke waarde hebben. Voor hem en zijn soortgenoten was het belangrijker dat kinderen zich moesten aanpassen aan hun omgeving naar gelang van hun inherente vermogen, in plaats van een volk van vaardige en bekwame individuen te creëren. Het resultaat van deze ambities kan aldus Lionni gezien worden in hoe scholen in de Verenigde Staten broedplaatsen van drugs geworden zijn, met leerlingen die het eindexamen behalen die nauwelijks kunnen lezen of schrijven en waarvan ruim 40% niet hun eigen land op een wereldkaart kan vinden. Dit is in groot contrast met de scholen in de negentiende eeuw die hoofdzakelijk door de Quakers werden opgericht waar de bevolking op hoog niveau taal en rekenvaardigheden geleerd werd zonder drugsproblemen of tienerzwangerschappen zoals tegenwoordig.

Het is noodzakelijk te melden dat de aanval op de traditionele opvattingen, bestaande uit religie en kernwaarden zoals deugd, wijsheid en integriteit niet zozeer vanuit de natuurwetenschap kwam, als wel vanuit de sociaalwetenschap. De bekende evolutiebioloog Charles Darwin was bijvoorbeeld niet gekant tegen kerkelijke leerstellingen, maar sociaaldenkers zoals Herbert Spencer waren dat wel. Spencer geloofde dat de maatschappij, net als het evolutieproces naar de wil van het sterkst streeft. Andere sociale denkers zoals GWF Hegel, Friedrich Nietzsche en Karl Marx verzetten zich ook tegen een godheid, met Marx die in zijn bekende motto stelde dat religie het opium van de massa was. Een geloof is aldus Marx het resultaat van een verdrukte geest die op zoek gaat naar een weg uit zijn verdrukking. De mens zou zich pas werkelijk gelukkig voelen als hij zich van dit illusoire geluk van het geloof zou bevrijden. Marx geloofde dat de omgeving de geest van de mens bepaalt, en zodra de omgeving verandering ondergaat, zal de menselijke geest ook veranderen. Marx ging verder met zijn aanval op religie door te stellen dat om te bidden tot een onzichtbare god een afleidingsmanoeuvre is van de bestaande ellende zodat een machtshebber zich kan verrijken op het harde werk van de arbeider. Door mensen met religie te voeden worden zij in een staat van passiviteit gesust en worden enige gedachten die op protest duiden ontkracht, waardoor de machtshebber ongeremd zijn gang kon gaan de arbeider in een staat van verdrukking te houden. De socialisten, en later de socialistische wetenschappers stelden ten doel de nieuwgevonden techniek te ontwikkelen die een einde zou maken aan de historische verdrukking en onheil die de mens door zijn bestaan heeft gekweld. Het belangrijkste wapenfeit van de socialistische wetenschappers was om opheldering te 47

vinden voor onverklaarbaarheden, en om technologie te ontwikkelen om de mens te vrijwaren van schreiende ongelijkheid. Dit verklaart waarom in socialistische landen het rationalisme uitermate fanatiek werd toegepast, en alles dat meetbaar was werd gemeten en gedocumenteerd, hetgeen tot veel angst en verbazing in het westen leidde. De wetenschappers in communistische landen streefden naar een maatschappij die voldoende geautomatiseerd was zodat de mens geen fysiek zware arbeid meer hoefde te verrichten, aangezien machines hiervoor gebruikt zouden worden; een benadering die als wetenschappelijk communisme bekendstaat. Het is een geautomatiseerde utopie waarin uitbuiting overbodig is gemaakt en de mens zich kan bezighouden met leukere, creatieve taken. Omdat de mens de maat van alle dingen is geworden, draaiden de rationalisatie en het streven naar een wetenschappelijke utopie op volle toeren. De vertroebeling van de traditionele zedenleer en vervolgens een gevoel van ontmenselijking waarin iedereen tegelijk slaaf en meester is, tegelijk vrij en gekluisterd, tegelijk onderzoeker en proefdier is geworden, zonder een besef van een hoger moraal om sturing en oriëntatie te verlenen aan zijn lot, overviel de mens. Omdat hij dikwijls niet weet aan welke morele eisen hij zich moet houden, moet hij extra op zoek gaan naar zingeving om het lot dragelijker te maken, maar uit vervreemding van het hogere moraal kan dit leiden tot verdere dwaaltochten en verwarring. Een ander impliciet gevaar is dat in een wetenschappelijke utopie, vooral zoals door Skinner is geschetst, zullen er ongetwijfeld degenen zijn die bepalen wat goed en slecht is, en vervolgens zullen zij het programmeerwerk moeten doen. Een situatie van absolute macht en onmacht is het resultaat, met macht in de handen van de ‘programmeurs’ en onmacht aan degenen die geprogrammeerd worden. Zoals Lenin ooit stelde: “Wie doet wat met wie is de belangrijkste vraag in de politiek”. Uiteindelijk leidt het tot een situatie waarin de machtshebbers gehele bevolkingen kunnen schikken en rangschikken niet zozeer uit weldoordachte overwegingen, maar puur uit impuls. Dit komt omdat enige ervaren heerser goed beseft dat weldoordachte plannen niet altijd de gewenste uitwerking in de praktijk hebben, aangezien er vele subtiliteiten en nuances in de weg liggen van een helder resultaat. Een heerser weet dat nuchtere plannen feilbaar zijn, en impulsen – die veel minder nadenken vereisen – makkelijker ter hand liggen. Bovendien hoeft een absolute heerser zich niets aan te trekken van zijn eigen optreden, aangezien de kans uiterst klein is dat hij ooit met de nadelige gevolgen te maken zal krijgen. Er zijn genoeg voorbeelden uit verleden eeuw te noemen: Stalin en Mao Zedong hadden miljoenen mensen de dood ingejaagd, en Noord-Korea verkeert nog steeds in een staat van absolute macht waar naar schatting tweehonderdduizend mensen in uiterst grimmige omstandigheden in strafkampen opgesloten zitten, niet anders dan in Europa het geval was tijdens de Tweede 48

Wereldoorlog. Veel van deze Noord-Koreaanse gevangenen hebben geen idee waarom zij er zitten en of zij ooit vrijgelaten zullen worden. Een misdaad kan altijd gevonden of geïndoctrineerd worden, en onder de zogeheten ‘drie generatiewet’ kunnen tot de kleinkinderen van de ‘overtreders’ levenslang zonder enige berechting opgesloten worden. Gelovigen, met name christenen, die vanwege hun geloof opgesloten zitten worden honend als ‘hemelmensen’ uitgejouwd en voor straf mogen zij niet naar boven kijken. Gevolglijk hebben veel gevangengenomen christenen na jarenlange opsluiting en ondervoeding een kromme ruggengraat ontwikkeld en kunnen op een bepaald moment niet meer de nek strekken om rechtop te kijken. In deze strafkampen zijn vergassing van dissidenten en hun gezinnen en proefdierexperimenten op baby’s ook niet ongewoon, aldus de enkelen die wisten over te lopen naar Zuid-Korea. Noord-Koreaanse vrouwen die zwanger zijn gemaakt door Han Chinezen moeten bij hun bevalling toezien hoe hun pasgeboren baby’s zondermeer gedood worden, en in Kamp 22, het meest beduchte van het gehele Noord-Koreaanse goelagsysteem, worden baby’s van gevangenen door gevangenisbewaarders doodgetrapt (Hawk, 2003). Wijlen Kim Jong-Il zou een hele dorp hebben vergiftigd om vast te stellen hoeveel liter ervan hij nodig zou hebben mocht hij Seoel, hoofdstad van Zuid-Korea ooit aanvallen. Analisten die zich gebogen hebben over de mensenrechtensituatie in dat land menen dat Kim Jong-Il de meest barbaarse schender van de mensenrechten is van deze tijd, maar aan zijn landgenoten zegt Kim dat Noord-Korea de afgunst van de wereld is (Delpech, 2007). Dit is een zeer macaber voorbeeld van een overmatig gerationaliseerde maatschappij die alle vormen van redelijkheid is voorbijgestreefd ter wille van een goed uiterlijk vertoon.

Marx meende dat het gehele menselijke toneel over de eeuwen heen gereduceerd kan worden tot een strijd tussen twee klassen. Het bovenvermelde is een bewijs van de beperkingen en uiteindelijk onwaarheid van deze gedachtegang. Het tegenovergestelde van Marx’ bedoeling is grotendeels waar geworden, en de overmatig rationele maatschappij is niet ingeroepen om de mens te bevrijden, maar om hem te verwarren en beter controle over hem uit te oefenen. Een accurate observeerder van zijn tijd, Boris Pasternak vermeldde in zijn roman Dokter Zjivago (1957) hoe de protagonist ontnuchterd werd over de realiteit van het Sovjetcommunisme, en in plaats van heil verviel het land in een strikt afgedwongen conformisme aan de nieuwe ideologie, welke afbreuk deed aan zijn gevoel van individualisme en opvattingen over de romantiek. Hij besefte de futiliteit ervan zich tegen de vernietigende werking van de Sovjetstaat te verzetten teneinde zijn gevoel van individualiteit te beschermen, aangezien de revolutionairen zich meer bezighielden met het ideaal dan het welbevinden van 49

het individu. Pasternak benadrukt hoe de goede intenties als gevolg van de feilbaarheid van menselijk denken verviel in kortzichtigheid en opportunisme en benadrukte dat zelfs de misdadigheid van gewone criminelen niet afwegen tegen de verregaande ontwrichting die de revolutie heeft veroorzaakt.

Deze bovenvermelde observaties zijn vooral een realiteit geweest in landen zoals de Sovjet Unie tot China en Noord-Korea en Zuidoost-Azië. Deze landen hebben socialisme gehad, maar vergeleken met het westen waren zij meer revolutionair en gewelddadig, terwijl in het westen het socialisme meer een intellectuele oefening was. Dit kan gezien worden aan de hand van denktanks zoals de Frankfurter Schule die in 1923 opgericht werd door Theodor Adorno en Herbert Marcuse, met als doel weg te breken van het strikte marxisme en te vervangen met een subtieler variant ervan. In Engeland heet dit geleidelijke nietrevolutionaire socialisme Fabian Socialism, en deze benadering kent veel intellectuelen en denktanks die invloed hebben in de politiek, de scholen, het gezinsleven en andere fundamentele instellingen van de westerse maatschappij. In Engeland zijn de Britse Arbeiderspartij, de London School of Economics, het Tavistock Institute en kranten als The Guardian de belangrijkste apparaten van het Fabiansocialisme. Wereldwijd staan verkondigers van dit subtiele socialisme als Fabiansocialisten bekend en beschikken veel landen ondertussen over instellingen die het socialisme uitbreiden. Hun voornaamste tactiek, welke grotendeels overgenomen werd uit de aantekeningen van de Italiaanse communist Antonio Gramsci (1891 – 1937), is juist om geduldig te werk te gaan om de wereldbevolking geleidelijk in te palmen. Gramsci meende dat de werkers van de wereld zich zouden verenigen als eenmaal wereldwijd in socialistische termen gedacht en bedreven werd, aangezien voor hem Marx en Engels te voorbarig waren in hun communistisch manifest. Zij beseffen dat er dikwijls decennia nodig zijn om kleine maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen. Vanwege de zorgvuldigheid van hun operatie valt het niet meteen op en wekt het ook minder irritatie bij burgers die niet van verandering gediend zijn. Een uitwerking van deze subtieler variant van het marxisme in het westen is de mens zich armer is gaan voelen met minder tevredenheid meer onzekerheid en probeerde een eind aan deze gevoelens te maken door zich verder te verdiepen in de seculiere geneugten die tot zijn beschikking zijn. Zijn distantiëring van zijn universele en metafysieke waardesysteem beloofde enerzijds een voller leven maar heeft in werkelijkheid hem leeg en richtingloos gemaakt, min of meer vergelijkbaar met de tragedie van Goethes Faust die door de duivel voor een valse verlokking werd gesteld. De modernisering van de mens bestond uiteindelijk uit een geleidelijke 50

abdicatie van zijn gerechtigde plaats op de wereld. Het rationalisme en daaruit ontstane wetenschappelijke zuiverheid is uiteindelijk slechts een onderdeel van de werkelijkheid gebleken. Zoals psychiater Thomas Szasz (2004) stelde is het paradoxaal dat de oude prewetenschappelijke religieuze verklaring van menselijk gedrag dikwijls meer trouw was aan de feiten dan de moderne wetenschappelijke verklaring ervan. De wetenschap kan geen verklaring vinden voor dapperheid, liefde, haat, de dood, oneerlijkheid, uitbuiting of verdriet. De beste wetenschappers hebben hun persoonlijke zwakheden en hun onverklaarbaarheden en zullen ook geen meetinstrument gebruiken om persoonlijke gevoelens van ellende of liefdesverdriet te verklaren en op te helderen. De wetenschap is uiteindelijk niets meer dan een domein uit talloze andere domeinen gebleken, ieder met zijn eigen logica. Om een kind te begrijpen werkt op een ander systeem van logica dan om de oerknal te begrijpen, en een dichter prikkelt bepaalde gedachten en gevoelens die niet aan de wetenschap is besteed. De wetenschap kan ook niet verklaren waarom wij zingen en dansen leuk vinden, maar hooguit deze acties op een andere manier presenteren. Door de wetenschap als enige waarheid voor te houden is in feite een ontkenning van de weidsheid van de menselijke geest. Ofschoon hij slimmer is geworden binnen het kader van oorzaak en gevolg, is de mens ook dommer geworden voor zijn eigen impulsen en plichtsbesef. Overmoedig heeft hij geprobeerd het onverklaarbare verklaarbaar te maken, maar dit maakte dikwijls een karikatuur van de ware aard ervan. Als voorbeeld noemt William James in The Varieties of Religious Experience (1902) dat de stichter van de Quaker beweging in Engeland, George Fox, geen spirituele leider op zoek naar verlichting was, maar dat hij in werkelijkheid een psychisch verwarde man was geweest. Volgens onze kennis van de psychopathologie zou hier ongetwijfeld een element van waarheid in zitten, maar doet afbreuk aan het bestaan van een hoger waarheidsbesef dat deze man in zijn ban hield. Omdat de wetenschap tekortschiet om het metafysieke te verklaren, wordt het dikwijls als een onwaarheid afgemaakt, en al de gedachten, bewustwordingen en openbaringen van Fox worden als een ziekte neergezet. Zijn religieuze streven zou vanuit de wetenschap niet erkend worden of op zijn rechtmatige plek erdoor gezet worden, met als logisch gevolg dat alle overmatig religieuze openbaringen van hun waarachtigheid ontnomen worden. Vervolgens zijn de uitwerkingen van geloof, namelijk karakter, principes, vitalisatie en deugd inhoudloze begrippen geworden, en werden gereduceerd tot niets meer dan uitingen van een gestoorde man. De wetenschappelijke vooruitgang heeft het mensdom zo veel zelfvertrouwen gegeven dat zelfs de vroegere opvattingen van de godheid er niet aan kon ontsnappen, en bij de mens is nederigheid en onderworpenheid overgenomen door trots en zelfoverschatting, zoals het 51

voorbeeld van Milton heeft aangetoond. Deze ontwikkeling, waarin de mens afstand begon te nemen van zijn theologisch bewustzijn is goed te vinden in de wijze waarop omgegaan werd met de nieuwgevonden secularisatie: Bij Willen van Ockham was het nominalisme slechts een venster op de empirische werkelijkheid geweest, en onderworpen aan het theologisch domein. Tijdens de negentiende eeuw beschreef de Deense theoloog Søren Kierkegaard hoe het beeld van de godheid door de secularisatie verdrongen werd totdat het alleen in de persoonlijke sfeer overbleef. Hij beschreef de relatie tussen de mens en zijn ervaring met het goddelijke als innig en persoonlijk, en losstaand van de objectieve werkelijkheid die door de wetenschap werd overheerst. Godsdienstbeoefening zou voortaan een puur persoonlijke aangelegenheid worden. Hieruit blijkt impliciet dat Kierkegaard enig begrip van God al ten dode heeft opgeschreven. Alleen in het meest subjectieve gebied van de menselijke existentie is een godheid nog van betekenis. Bij Kierkegaard heeft de rationalisatie meer opmars gemaakt en de geloofsbelevenis veel meer in het nauw gedreven. Enkele decennia later zou één der meest invloedrijke filosofen van de laat negentiende eeuw, Friedrich Nietzsche verklaren dat God dood is. Wij hebben Hem gedood, aldus Nietzsche: Een stelling die vaak verkeerd begrepen wordt door beginnende lezers van Nietzsches werk. Met God wordt hier bedoeld het symbool van spirituele gevestigdheid, van waarheid en zijn, oftewel het geloof in een universele waarheid die de grondslag van onze traditie vormt. De traditionele beperkingen van de mens zijn door zijn moderne werktuigen overstegen, en daardoor is het begrip “mens” van zijn traditionele betekenis ontnomen. Er is een breuk met het verleden ontstaan en de toekomst is nog niet aangebroken. Dit heeft de mens in een wereld van voorbijgaande verschijnselen, zonder een grondig waarheidsbesef geworpen. De cultuur of traditie kan geen zinvolle richting verlenen aan deze nieuwe tijd, daar het vanzelfsprekende antwoord op alles geen antwoorden meer kan bieden. Nietzsche beaamde Kierkegaards terugkeer naar het subjectieve door te wijzen naar datgene wat buiten de mens ligt in geen enkel verband gebracht kan worden met wat er binnen de gedachten van de mens gebeurt. Hij beschreef het moderne individu als volgestopt met de gedachten, filosofieën, religiën, gewoonten en ontdekkingen van anderen. Deze mensen zijn als lopende encyclopedieën, rijk aan kennis maar een soort kennis die geen zinvolle band met de omgeving kan vormen. Hier waarschuwde hij voor een terugkeer naar het barbarisme, doordat de cultuur van de mens niet buiten de eigen gedachtewereld kan bestaan, waardoor een langzaam afsterven van deze cultuur een consequentie is. Op deze manier gaat uiteindelijk de menselijkheid verloren, juist omdat het verleden geen zinvol bestaan kan bieden en de toekomst nog niet is aangebroken. In zijn essay Menselijk al te menselijk beschreef hij de conditie van de moderne mens als 52

zijnde desorganisatie, desintegratie, ontbinding en het onvermogen om de uiteenlopende erfenissen en ervaringen tussen individuen in een samenhangend en zinvol gedaante te groeperen. Tezamen met de voortschrijdende techniek heeft de mens zich in een positie geplaatst waarin hij heerser over de natuur is geworden en niet meer geschapen is in een goddelijk evenbeeld. Van oudsher was de mens gedefinieerd aan de hand van zijn beperkingen, maar aangezien de wetenschap en techniek deze beperkingen hebben opgeheven werd het complete beeld van de mens verstoord en gekenmerkt door zowel afbraak als doorbraak, richtingloosheid, verwarring en uiteindelijk dreigde een zinloos, nihilistisch bestaan zich meester te maken van de moderne mens, slechts af en toe opgevuld met verscheidene ideologieën die tot extreme barbarisme overgingen. Sommige denkers omschrijven de twintigste-eeuwse ideologieën van het socialisme, het nationaalsocialisme en het fascisme dan ook als de ‘Revolutie van het nihilisme’.

De filosoof Thérèse Delpech stelde dat de barbaarsheid van de twintigste eeuw een resultaat was van zowel de rationalisatie als de secularisatie. Zodra allebei stromingen tot hun logische uiteinde worden doorgevoerd worden alle vormen van gruwel een mogelijkheid. Juist door het tanende gezag van de geestelijke instellingen, tezamen met de rationalisatie van de maatschappij is een gros van wetten, regels, artikels en dergelijke in de plaats gekomen om alsnog te proberen menselijk gedrag te reguleren. Haars inziens hebben wetten en regels getracht het vacuüm op te vangen van de spirituele leemte. Mede als gevolg het onverbiddelijke geloof dat de moderniteit de sleutel tot een utopische maatschappij is, werd de samenleving tot het uiterst ingericht met bureaucratie, justitie en efficiëntere middelen om handel te drijven. Geen rekening werd gehouden met de nodige introspectie of gevoel voor geestelijke groei en ontwikkeling op de lange termijn waarmee de mens sturing en zingeving aan zijn leven kan geven. Tijdens de Neurenbergverhoren had een rechter eveneens verwezen naar het wegvallen van het geestelijke gezag als mede oorzaak van de extreme uitwassen van het nationaalsocialisme. Het is toevallig dat het gevaar van onze tijd in anno 400 VC goed werd gezien door de Griekse dichter Euripides met zijn uitdrukking: Quem deus vult perdere dementat prias, oftewel de goden maken degenen die zij willen vernietigen eerst gek. Dit bewijst dat de moderne mens veel te leren heeft van de wijsheden van denkers van oudsher.

Wrijving tussen rationeel en irrationeel. Regels zijn niet perfect, en menselijk handelen is dikwijls vol tegenstrijdigheden. Een systeem kan overmatig gerationaliseerd worden met verdere ontmenselijking als gevolg. Een 53

rationeel maatschappelijk systeem is niet in staat de subtiliteiten van het dagelijkse leven van het individu te omvatten en kan zoals besproken verregaande aberraties ten gevolg hebben. Eén ervan is dat een tijdsgeest dikwijls een tegenovergestelde reactie in zijn schaduw heeft. De moderniteit, gekenmerkt door strikte rationaliteit, lijnrechte consequenties en heldere, bewijsbare verklaringen wilde de mens naar een verheerlijkte, verlichte wereld brengen, maar heeft de mens in een gedesoriënteerde wereld achtergelaten. Er zijn geen traditioneel vanzelfsprekende waarheden meer, alleen waarheden die voldoen aan de wetten van de wetenschap, die dikwijls in conflict verkeren met de werkelijkheden van het intuïtieve of traditionele. Door de mens uit zijn traditionele vestigingen te tillen en te confronteren met een nieuwe wereld is een situatie ontstaan met nieuwe regels en nieuwe causale verbanden die tot heden ten dage niet is opgelost. Deze confrontaties zijn niet alleen crises rond het verkrijgen van kennis, maar crises die de mens direct met zijn traditionele menselijke natuur confronteert. Een overmatig gerationaliseerde samenleving loopt gevaar in een vloedgolf van irrationaliteit te vervallen, zoals de mens op zoek gaat naar een natuurlijk evenwicht tussen rationeel en irrationeel, en in maatschappijen waarin een hoge tolerantie bestaat voor irrationele optredens kan de cultuur van deze maatschappij zich telkens vernieuwen en tot nieuwe hoogtes sturen. Het is belangrijk voor de identiteit en geestelijk welbevinden van de mens om voldoende ruimte te reserveren voor zijn onverklaarbare of irrationele acties. Deze zijn vaak subtiel en intuïtief, en ligt nader aan het hart van het individu, waar zij een groter bindende werking en zin van oriëntatie verlenen aan de mens. Deze irrationele acties kunnen op den duur een positieve werking hebben op de maatschappij. Een geloofsleer bestaat uit een gros aan moreel gerechtvaardige handelingen die beter sturing kunnen verlenen aan mensen dan een regel die van tijd tot tijd verandering moet ondergaan om bij zijn omgeving aan te passen. Neem ook bijvoorbeeld het ogenschijnlijke irrationele speelgedrag van kinderen. Door te spelen met speelgoed en ideeën kunnen later leiden tot betere probleemoplossing en verhoogde creativiteit waar de maatschappij veel behoefte aan heeft. Een belangrijke denker die beschreef hoe de irrationaliteit ook iets positiefs in zich heeft is de Franse filosoof Georges Sorel (1847 – 1922). In zijn bekendste werk Réflexions sur la violence (1908) illustreerde hij dat de irrationele aspecten van de menselijke aard aangewend kan worden tot positieve ontwikkelingen waarin de mens en zijn mythes hun rechtvaardige plaats in de wereld weer kunnen terugeisen. Sorel vond dat de rationele kwaliteiten van de maatschappij een geestdodende werking hebben, en dat democratie en het wetenschappelijke utopisme uiteindelijk leiden tot ontmenselijking en indolentie. Vandaar dat hij een hevige 54

afkeer had tegen alle vormen van burgerlijke democratie, met haar decadente ingesteldheid en uiteindelijke resulterende verlies aan kracht, deugd en principes. Zijn pleidooi voor het irrationele zou als middel fungeren om de samenleving weer energiek en dynamisch te maken en de maatschappij weer karakter en waardigheid te geven. De hang naar deze vitalisatie was echter niet zonder ernstige risico’s en verwoesting. Van de grootste aanhangers van Sorel waren de fascisten en de leninisten. De fascisten met hun motto “Geloof! Gehoorzaam! Vecht!” en onvoorwaardelijke verheerlijking van de staat konden zich goed vinden in het beroep op de irrationele driften. Het irrationele veroorzaakte ook dat geen (rationele) vragen gesteld werden over de acties die uitgevoerd werden. Alleen een blinde gehoorzaamheid werd vereist. Bij de leninisten viel Sorel eveneens in goede aarde vanwege hun angst dat de klassenstrijd zou verharden tot een nieuw verdrukkend systeem. Voor hen was van belang dat het proletariaat zich met nieuwe vitaliteit voortdurend dienden te herinneren aan de strijd tegen het kapitalisme. Het is weliswaar simplistisch gesteld maar het is mogelijk te concluderen dat de ideologieën van de twintigste eeuw die in de Tweede Wereldoorlog culmineerden, juist bestonden uit een strijd tussen rationeel en irrationeel. Het fascisme liep dermate uit de hand dat zelfs Sorel er van schrok, en uiteindelijk was de oorlog gewonnen door de mogendheden van het rationele over de mogendheden van het irrationele. In een wereld van de moderniteit, de technologie, de verhoogde welvaart, de secularisatie en tegelijk gevoel dat men minder beheer heeft over zijn lot, kwamen deze tegenpolen naar voren als de voornaamste krachten die de psychische evenwicht van de mens trachtten te herstellen. Ook ontstond er na de oorlog in het ‘rationele’ westen sentimenten tegen het rationalisme. Een opbloei van het irrationele vond plaats in de vorm van kunst en literatuur, omdat in deze gevallen de kille rationalisatie beschuldigd werd voor de gruwelen van de oorlog, en trachtte men het balans te herstellen door zich in het irrationele te verdiepen. Zo ontstond het dadaïsme na de Eerste Wereldoorlog als verwerping van alle voorheen geldende standaarden in de kunst, en het surrealisme een kort tijdje later vertegenwoordigde een terugkeer naar de subjectieve belevenis. Deze stromingen vestigden een irrationeel bolwerk tegen de rationele wereld om de psyche van de mens begrijpelijk te maken in deze onzekere tijden. In de kunst kwamen surrealisten als Salvador Dalí en Hans Bellmer naar voren, en in de literatuur namen schrijvers als Albert Camus en Hermann Hesse het voortouw met verhalen over menselijke absurditeit en een verdieping in de magische wereld van de subjectieve belevenis.

55

Het moge duidelijk zijn dat de wetenschap de rol begon te vervullen van een imperialist die de mens op seculier gebied zeer goed geholpen heeft, maar uit overmoed de andere aspecten van de menselijke belevenis ondergeschikt heeft gesteld, terwijl deze aspecten even belangrijk zijn voor een gezonde geest. In een poging om het mensdom te bevorderen gaat de wetenschap dikwijls respectloos om met de hogere zingevingen en schiet zijn doel voorbij, met de nodige dehumanisering als gevolg. Van de weeromstuit voelt de mens dat de wetenschap niet zijn belangrijkste vragen kan beantwoorden en ontstaat een behoefte om uit het keurslijf van dit discipline weg te breken om weer psychisch in balans te komen. Eén ervan was, zoals besproken, om zich te wenden tot de irrationele aspecten van de mens, en de andere handeling om het gevoel van geestelijke armoede te vullen was door zich verder toe te wijden aan de wetenschap en techniek. Door te streven naar perfectie in de wetenschap en steeds beter wordende techniek heeft de moderne mens zijn geestelijke honger grotendeels geprobeerd te stillen, en zodoende is de kennis en methoden om kennis vanuit de natuur te bekomen steeds fijner en met beter accuraatheid nagestreefd. Inderdaad zijn er veel psychisch gebalanceerde romantici onder de wetenschappers die eveneens een sleutelrol spelen om hun leerlingen met de nodige motivatie te stimuleren om de wereld om ons nader te begrijpen. Bij deze wetenschappers ziet men echter een samenloop van twee vormen van kennis, te weten de ratio en de religieuze. Hun rationele kennis bestaat uit de diverse theorieën die ze uit de boeken geleerd hebben. De religieuze kennis daarentegen is het mystieke gevoel van verbintenis met het vakgebied dat het beste omschreven wordt met het woord ‘passie’. Dit religieuze, bijna magische gevoel van roeping naar het vak vormt de teelaarde waar de wetenschapper zijn inspiratie uit put en zijn theorieën hun vorm krijgen. Deze religieuze wetenschapper zal het gevoel hebben dat hij niet op zoek gaat om theorieën te vormen en verklaringen te vinden, maar dat de verklaringen en theorieën op zoek zijn naar de wetenschapper, en hem vragen om hun te ontdekken. Hij voelt zich innig verbonden met het grenzenloze universum van zijn vak en de synergie die hieruit ontstaat manifesteert zich als een moeilijk te beschrijven magisch gevoel dat wij als religieus of spiritueel kennen. Dit religieuze element veroorzaakt dat het onderscheid tussen de wetenschapper en de kunstenaar steeds kleiner wordt en uiteindelijk resteert het enige verschil niet in de ziel tussen de twee, maar in de werktuigen. Dit verklaart waarom een goede hoogleraar tegen zijn studenten zal zeggen dat als je geen passie hebt voor een bepaalde studierichting kun je er beter niet mee beginnen, anders is de kennis die je inneemt dood en zinloos. Dit sluit aan bij Oswald Spenglers stelling dat iedere wetenschap afhankelijk is van een geloof. Voor degenen die de rationele, westerse wereld wil redden kan zich het liefst verdiepen in de magische onderbouw 56

die alles mogelijk gemaakt heeft. Het is immers de religieuze passie die een meetkundige stelling in een Gotische kathedraal kan veranderen.

Hoe verder?

Waar Nietzsche zou hebben geargumenteerd dat God dood is, heeft Max Weber een omgekeerde mening, namelijk de opkomst van het Protestantisme deze moderniteit gefaciliteerd heeft. Het opnieuw gevonden godsbesef was aldus Weber ten grondslag geweest aan deze golf van modernisering welke onmisbaar verbonden was met het vroege kapitalisme; een standpunt dat eveneens beaamd wordt door de Nederlandse Calvinist Abraham Kuyper. Weber en Kuyper meenden dat de bouw van deze industrie juist een manier was om de mens uiteindelijk op een hoger trede van vrijheid te brengen. Conform de Puriteinse opvattingen is het beperken van de korte termijn vrijheden belangrijk om hogere vrijheden op de lange termijn te winnen. Waar deze twee denkers op doelden wordt goed samengevat door een gedicht van William Blake (1757 – 1827), getiteld “And did those feet in ancient time” (En hebben die voeten in vroegere tijd):

And did those feet in ancient time, Walk upon Englands mountains green: And was the holy Lamb of God, On Englands pleasant pastures seen!

And did the Countenance Divine, Shine forth upon our clouded hills? And was Jerusalem builded here, Among these dark Satanic Mills?

Bring me my Bow of burning gold; Bring me my Arrows of desire: Bring me my Spear: O clouds unfold: Bring me my Chariot of fire!

I will not cease from Mental Fight, 57

Nor shall my Sword sleep in my hand: Till we have built Jerusalem, In Englands green & pleasant Land.

Vertaling: En zijn die voeten in vroegere tijd Over Engelands groene gebergten geschreden: En was de heilige Lam Gods Gezien op Engelands aangename weide!

En heeft het Goddelijke Gezicht Op onze bewolkte heuvels geschenen? En was Jeruzalem hier gesticht Tussen deze duistere Duivelse Molens?

Breng mij mijn Boog van brandend goud; Breng mij mijn Pijlen van verlangen: Breng mij mijn Speer, O wolken ontvouw: Breng mij mijn Strijdwagen van vlammen!

Ik zal noch weifelen door geestelijk strijd Noch zal mijn Zwaard slapen in mijn hand Tot wij Jeruzalem gebouwd hebben Op Engelands groen en heuglijk Land. De metafoor van “duistere Duivelse Molens” is hét symbool geworden van dit industriële tijdperk en is inmiddels bekender geworden dan het gedicht waarin het voorkwam. Blake bepleitte voor een bevrijding van deze tijdsgeest door verder te bouwen op een manier die verantwoord is aan het hoogste moraal. Waar Aristoteles ooit de mythologie beschouwd had als belangrijkste drijfveer van de vooruitgang, lijkt bij Blake en de Puriteinen het tegenovergestelde op te gaan: de mythologie ligt in het verschiet als volgens de regels van moraliteit wordt gebouwd. Vandaar de mythische symbolen (strijdwagen van vlammen, gouden boog).

58

Om de rationele maatschappij op een wezenlijke manier weer gezond leven in te blazen lijkt een belangrijke voorvereiste voor deze tijd. Een compromis dient gevonden te worden tussen deze twee tegenpolen, en de manier waarop verleden eeuw gekenmerkt is door uitersten van rationaliteit en irrationaliteit bewijst dat de westerse mens nog altijd moeite heeft een gezond balans te vinden. Voeg hierbij toe de secularisatie en afschaffing van alles dat een religieuze grondslag heeft, of erger nog, waarin het goddelijke zelfs als vijandig wordt gezien, en dan staat de moderne mens er zwakker voor dan zijn voorzaten. Zijn zelfoverschatting enerzijds en onvermogen om dikwijls een gebalanceerd moreel oordeel te vellen anderzijds zijn de voornaamste zwakheden bij hem. Zijn onvermogen om zijn culturele erfenis te verrijken en over te dragen aan de nageslacht doen eveneens geen recht aan zijn conditie in de wereld.

De opheffing van zijn spiritualiteit heeft de mens veel ellende bezorgd, maar daar houdt het helaas niet op. Zelfs de (irrationele) emoties van de mens komt vijandig tegenover de rationele maatschappij te staan. De rationele mens begrijpt op een gegeven ogenblik niet meer hoe omgegaan moet worden met esthetische ervaringen en welke sturing deze verlenen aan zijn welbevinden. Eén der belangrijkste essays die verleden eeuw verscheen over dit dilemma is het werk van de Ierse schrijver CS Lewis (1898 – 1963). Dit werk, getiteld The Abolition of Man (De afschaffing van de mens), schreef hij als reactie op de manier waarop de Engelse scholen omgingen met het lesgeven in de literatuur. Lewis verwees naar Engelse leraren die hun leerlingen aanpraatten dat de menselijke emoties geen dragers van een esthetische bewustwording zijn, maar spontane nietszeggende uitlatingen die beter genegeerd kunnen worden. Hij citeerde als voorbeeld waarin twee mensen naar een waterval kijken. Eén van de twee vindt de waterval ‘subliem’ en de andere vindt hem gewoon ‘leuk’. De docenten in Lewis’ betoog argumenteerden dat de observeerders iets vertelden over hun eigen emoties, en leverden hiermee het ogenschijnlijke bewijs dat deze emoties losstaan van de kwaliteit van de waterval. Hiermee wilden zij aantonen dat de menselijke emotie geen inherente waarde heeft, en alleen de rede de hoogste functie bekleedt in menselijke handelingen en opvattingen. Dit vertegenwoordigt voor Lewis de dood in de pot voor alle literaire, theologische, ethische en morele standaarden. Met deze opvatting wordt afbreuk gedaan aan al de abstracte gedachtegoed die de moderne samenleving juist de impuls gaf om te ontwikkelen. De gezonde mens cultiveert zich juist met inbegrip van de rede en de basale emoties om een fijne wisselwerking tussen rede, emotie, spiritualiteit en moraal te kweken. Zonder deze esthetische ontwikkeling blijft alleen de rede en de basale emoties over, die uiteindelijk vijandig tegenover elkaar komen te staan. Deze docenten op de Engelse scholen 59

waren in feite bezig om een muur te bouwen rond de emoties van hun leerlingen onder het voorwendsel dat zij dan beter kennis over hun omgeving kunnen inwinnen op deze manier. In werkelijkheid worden zij juist van ware kennis uitgehongerd, en een aan kennis uitgehongerde geest gaat manieren vinden deze honger te stillen. Zodoende komt de uitgehongerde geest in contact met opvattingen waarvan hij niet meer weet of het goed of kwaad is, of de kennis waarde heeft of niet. Onder zulke omstandigheden worden mensen gecreëerd die niet meer kunnen onderscheiden tussen echte en onechte ingevingen en kunnen geen prioriteit geven aan de belangrijkste doelen in het leven. Waar Lewis het hoofd als zetel van de rede beschouwt en de onderbuik de zetel van de basale emoties, vertegenwoordigt de borst de fijn gecultiveerde emoties en sentimenten die het hoogste in de mens naar voren wil brengen. Lewis noemt degenen die niet geleerd hebben hun fijnere emoties en sentimenten te cultiveren de ‘Men Without Chests’ (mensen zonder borstkast), en ziet een gevaar schuilen dat deze mensen zich makkelijker zullen inlaten voor verderfelijke en totalitaire invloeden, aangezien zij makkelijker misleid kunnen worden door propaganda. Om Lewis te citeren (vrij vertaald): Het mag zelfs gezegd worden dat het vanwege dit middenelement is dat de mens een mens is: want door zijn intellect is hij alleen geest en door zijn begeerte alleen dier.

In de moderne maatschappij zijn er helaas talloze voorbeelden hoe valse kennis voor echte, zuivere kennis wordt gehouden. Sinds de jaren ‘60 hebben de ‘progressieve’ intellectuelen aan hogere onderwijsinstellingen veelal een monopoliepositie verworven om deze, in wezen, pathologische opvattingen aan het publiek voor normaal over te brengen. De Public Allies stichting, opgericht door Barack Obama in 1992 voedt de leiders van morgen op met mantra’s als ‘heteroseksuele(!) gezinsstructuren zijn negatieve nevenproducten van een kapitalistische, blanke baasschap en een patriarchale mangedomineerde samenleving’. Heteroseksuele gezinsstructuren die zo oud als de menselijke cultuur zelf zijn, beschouwt de heer Obama als een pathologische manifestatie van een ongezonde maatschappij. Welk samenlevingsverband hij als ‘normaal’ beschouwt is niet duidelijk naar voren gekomen. Ook werd een publicatie in de Amerikaanse Modern Language Association van 1990 uitgebracht getiteld “The Lesbian Phallus: Or, does Heterosexuality exist?” (De lesbische fallus: Of bestaat heteroseksualiteit?). Het bestaan van heteroseksualiteit lijkt toch een goed gefundeerd onderdeel van de maatschappij te zijn, maar is blijkbaar niet doorgedrongen tot de intellectuele elite. Op 14 juni 2001 publiceerde The Guardian een artikel waarin staat dat ‘’s werelds grootste denkers en dikste portemonnees in New York bij elkaar gekomen zijn voor een belangrijke 60

vergadering’. Bij eerste aanblik denkt men meteen aan houders van Nobelprijzen, politici, rijke filantropen, koninklijken en dergelijke afgevaardigden. Al gauw wordt men ontnuchterd dat het gaat om bijeenkomsten van hiphop en rap artiesten die in het artikel tot halfgoden worden opgehemeld. Onderwereldfiguren als Puff Daddy, Chuck D en anderen die voortdurend met justitie overhoop liggen kwamen bij elkaar om hun gangstercultuur als normaal te doen profileren terwijl het artikel hen omschrijft als een rangschikking van talent, rijkdom en macht. De teksten van deze ‘artiesten’, waarin een barbaarse minachting voor vrouwen kenbaar wordt gemaakt en opgeroepen worden om politieagenten en verscheidene burgers te vermoorden worden volgens deze krant benaderd met een soort tragische grootsheid. Iemand die een figuur als Puff Daddy vleit als een belangrijke denker kan zijn onoprechtheid niet verbloemen, en adverteert aan iedereen die in dit circuit zit dat het normaal is om te vermoorden, beroven en te verkrachten, want zij ‘geven slechts de cultuur weer waarin zij zijn opgegroeid’. Het hoofdthema van deze top prijkte ironisch ‘Taking back responsibility’ (Het terugnemen van verantwoordelijkheid) en werd onder andere bijgewoond door hoogleraren van de elite Amerikaanse ‘Ivy League’ scholen. Dit vervat goed samen waar Lewis voor gewaarschuwd had: Inhoudloze praatjes van intellectuelen enerzijds en een ophemeling van barbarisme onder het mom van verantwoordelijkheid nemen zijn anderzijds typerend voor mensen die slechts voor het tijdelijke leven en geen rekening houden met een verbintenis aan een hogere lotsbestemming. Deze mensen hebben in werkelijkheid geen begrip voor de wereld waarin ware verantwoordelijkheid en idealen leven en beperken hun academische kennis tot overgenomen slagspreuken die buiten context worden bedreven. Zoals de Spaanse wijsgeer José Ortega y Gasset in De opstand der horden stelde: ”Hij beschouwt voor zijn verdere bestaan de verzameling gemeenplaatsen, vooroordelen, brokstukken van ideeën of simpel lege woorden die het toeval in zijn hoofd heeft opgestapeld als een gewijd bezit, en hij zal ze overal poneren met een vermetelheid die alleen door zijn naïviteit is te verklaren…niet dat de man uit de grote hoop gelooft dat hij deel van een keur vormt en niet vulgair is, maar dat deze man het recht der vulgariteit, of de vulgariteit als recht proclameert en ze aan anderen oplegt.” (Gasset, 1950: 130).

Dit geluid om de mens hoger te cultiveren is door veel wijsgeren en maatschappelijke meningvormers besproken als middel tegen de nivellering en uiteindelijk nihilisme zodra de maatschappij te veel in de richting van de rationalisatie gestuurd wordt. Gasset verwees bijvoorbeeld naar het fascisme dat het resultaat is van een wereld waarin meningen zonder inzicht, kwalificatie of verantwoordelijkheid geuit mogen worden en waarvan de 61

meningvormer zich ook niet bij zal neerleggen. Psycholoog Carl Jung beschouwde een streven naar een religieuze bewustwording als belangrijkste drijfveer in de mens, en streefde ernaar de onbewuste drijfveren middels droomanalyse te doorgronden om de mens weer in contact te brengen met zijn mythes. De Britse filosoof Roger Scruton beaamt eveneens dat de esthetica beschermt dient te worden van de moderniserende invloed. In alle gevallen proberen deze denkers de rationele wereld te verzoenen met de irrationele zijde van de menselijke geest en deze aspecten zoveel mogelijk in balans te houden. Een terugkeer naar de beginsels van een metafysische absolute lijkt een belangrijke basis waarop deze tegenpolen met elkaar in kaart gebracht kan worden. Anders dan menig atheïstische wetenschapper doet geloven is religie niet gekant tegen technologische ontwikkeling, maar wil deze bloot afremmen om overdadige en gevaarlijke consequenties te voorkomen en helpt de mens zijn rechtmatige plek in de samenleving te behouden te midden van ingrijpende veranderingen. Het westen staat immers juist bekend om zijn inclusieve benadering die graag iedereen wil accommoderen, en deze invalshoek zal vervolgens besproken worden.

2.) Inclusieve diversiteit. Voor een vreemdeling die zich aan de Europese cultuur waagt zal de inktzwarte zijde van de Verlichting ongetwijfeld indruk maken. Voor hen zal het leven in Europa twee gezichten hebben, te weten welvaart en gemak enerzijds en richtingloosheid als gevolg van de verhoogde secularisatie anderzijds. Vooral culturen die de nadruk op traditie en religie hechten zullen moeite hebben zich in een snel veranderende metropool thuis te voelen. Het gevoel dat zij geen houvast kunnen krijgen op de snelle verandering kan diepe gevolgen met zich meedragen, en geconcludeerd kan worden dat dezelfde westerse waarden van compromissen treffen tussen verschillende opvattingen waardoor vreemdelingen gebaat bij zijn, ook een nieuw soort verwarring met zich meebrengt. Deze verwarring beperkt zich echter niet tot vreemdelingen, maar Europeanen kunnen eveneens in een staat van richtingloosheid belanden. Deze gewaarwording kan als ’t ware beschouwd worden als de schaduwzijde van het inclusieve diversiteitbeginsel waar de Europeaan veel waarde aan hecht. Eigenlijk is het wonderbaarlijk dat de Europeaan zich wist te ontwikkelen tot het niveau van vandaag, en het is belangrijk de processen en gedachten te identificeren die hiertoe aanleiding gegeven hebben. Historicus Carroll Quigley heeft in zijn historische analyse Tragedy and Hope: A History of the World in Our Time (1966) geconcludeerd dat het vroege christendom, nog lang voor de Verlichting, geen geringe rol gespeeld heeft om de 62

mens te moderniseren, en heeft als belangrijkste erfenis de mens geleerd om te gaan met tegenstellingen als reactie op de omstreden religieuze twisten van de Klassieke periode. Van het katholieke geloof heeft de vroege Europeaan geleerd om tegenstellingen samen te bundelen in een min of meer werkbaar geheel, en zodoende is het denken in termen van inclusieve diversiteit (‘allebei’) ontstaan. De belangrijkste omstreden kwesties die de katholieke Europeaan wilde beslechten was of Jezus Christus mens of God is; of verlossing alleen bestaat door de genade Gods of door de nobele daden van de mens; of de spirituele wereld te prefereren valt boven de materiële wereld; of de mens gered kan worden alleen binnen het kerkverband of erbuiten; of men zich liever achter het woord Gods of de keizer dient te scharen; of de mens zich door de rede of door de observatie moet laten leiden. Na uitgebreide discussies, dikke volumes aan geschreven betogen en uitgebreide retoriek was de conclusie getrokken dat de partijen aan beide zijden grotendeels gelijk hadden, en een gemeenschappelijke basis voor allebei tegenstellingen dient te bestaan. Dit inclusiviteitsbeginsel werd geratificeerd bij het eerste Concilie van Nicea in 325 N.C. en is later uitgegroeid tot de belangrijkste principe van het vroegere en latere christendom, en werd dermate fundamenteel aan het christelijke leer dat nadien enige religieuze of ideologische omstredenheid haar ontstaan had in het verstoren van dit ‘allebei’ balans. In de loop der eeuwen zijn er sindsdien verschillende perioden ontstaan die dikwijls iets tegenovergesteld hadden van de periode ervoor, maar droeg een spoor van de vorige tijdgeest met zich mee. Er is sprake van een verschuiving van evenwicht, maar zonder afbreuk te doen van de compromissen die door het christendom zijn voortgekomen. Het Humanisme van de zestiende eeuw, bijvoorbeeld, was een reactie geweest op de dualistische, scholastische wereldbeschouwing van de middeleeuwen. Het Calvinisme/Puritanisme van de zeventiende eeuw was van de weeromstuit een reactie geweest op het Humanisme, en het klassieke modernisme van de negentiende eeuw, gekenmerkt door grootse technologische vooruitgang, verschoof de balans van het calvinistisch/puriteinse leven voor het hiernamaals terug naar de seculiere wereld. Vooral in het laatstgenoemde geval kan een samenstelling gevonden worden van de vroegere perioden. Het Calvinisme was nog springlevend in de negentiende eeuw, maar in plaats van de focus te leggen op het leven na de dood, werd de focus verplaatst naar de toekomst van het aardse leven. Dit gaf aanleiding dat men hard begon te werken en spaarzaam te leven teneinde een geriefelijker toekomst op aarde voor zich te regelen; deze levensstijl werd het beste samengevat door de Protestantse arbeidsethos en heeft en periode van welvaart voortgebracht waardoor de technologie en wetenschappelijk rationalisme razendsnel een opmars maakten. Om die reden stelde Abraham Kuyper dat de 63

wetenschappelijke vooruitgang te danken is geweest aan het Calvinisme. Deze vruchtbare periode voor de wetenschap verliep dermate voorspoedig dat in velerlei gevallen de banken geen financieringen hoefden te verlenen om de wetenschap vooruit te helpen. Er was alreeds voldoende geld en welvaart om een spontane vooruitgang te garanderen en het westen als geheel is door deze manier van denken welvarender geworden dan ooit tevoren. Het bewezen succesformule van dit inclusiviteitsbeginsel bereikte een hoogtepunt in de laat negentiende eeuw en werd zonder twijfel als stuurkracht achter de wetenschap gezien.

Voor degenen die zich verdiept hebben in de geschiedenis van de negentiende eeuw zal dit inclusiviteitsbeginsel een bekend geluid zijn. In de laat achttiende eeuw kwamen deze gedachten weer naar voren, met de wijsgeer GWF Hegel (1770 – 1831) als bekendste vertolker ervan. Voor Hegel was de belangrijkste zoektocht het vinden van een totaalconcept de belangrijkste wetenschappelijke prestatie. Alleen door tegenstellingen met elkaar in kaart te brengen om er een nieuwe opvatting uit te halen, of anders de tegenstellingen op te heffen, kon de mens zijn streven naar de ‘Absolute Idee’ voortzetten. Hegel verwees conceptueel naar een these, een antithese, en als compromis tussen beiden volgt de synthese. Dit streven werd dan ook het dialectisch proces genoemd. De waarheid aldus Hegel bevond zich op de weg van het samenstellen van tegenstellingen. Deze samenstelling zette op haar beurt nieuwe gedachten en opvattingen op gang die eveneens op eenzelfde wijze opgelost kunnen worden, en al doende komt men stukje bij beetje dichterbij de ultieme waarheid. Wij kunnen ons deze benadering goed voorstellen met de filosofie van de Franse jezuïet en bioloog Pierre Teilhard de Chardin (1881 – 1955). De Chardin was zowel pater als bioloog. Bij hem geldt dat these (christendom) en antithese (evolutie) leidt tot synthese (hyperbiologie). Op deze manier geeft hij aan hoe de mens, zijn biologie en zijn cultuur voortdurend in beweging zijn, en vanuit het subjectieve wordt de geest doorgevoerd naar het objectieve. Ook voor de Hegelianen wordt de individuele gedachte een tijdsgeest, en de tijdsgeest wordt op zijn beurt samengevat in de kunst, cultuur en geloof, en deze doet de mens weer denken aan het subjectieve. Ofschoon deze dialectische benadering van de synthese die ontstaat uit these en antithese niet puur een hegeliaans concept is en al eerder genoemd werd door Schopenhauer en Kant, is hij degene die deze opvatting grotendeels heeft ontwikkeld. Hegel was uiteindelijk de geestelijke vader van hetzelfde christelijke beginsel, met het verschil dat hij een seculiere draai ervan gaf die beter bij de moderne tijdsgeest paste. Het verschil met de vroegere inclusiviteit is dat in de synthese de aard van de natuur zichzelf verklapte, zonder enig beroep op een goddelijke autoriteit te doen. Voor Hegel was dan ook zijn lijfspreuk “De 64

Ware is het rationele en het rationele is de Ware”. Alleen door de omgeving rationeel te benaderen kon men zijn weg vinden naar het goede.

Er zijn andere opvattingen die zich niet altijd lenen voor de samenstelling waar het christendom en Hegel voor pleitten. Er zijn geloofsgroeperingen over alle spectra heen die juist enige vormen van moderniteit verwerpen teneinde het spirituele bewustzijn te willen behouden, variërend van de Amish in Noord-Amerika tot de Taliban en Al Qaida in Afghanistan. Inclusiviteit zou des te meer een bron van vervreemding zijn bij degenen die geen inclusiviteit en compromissen gewend zijn. In extreme gevallen zouden radicalen dit beginsel kunnen gebruiken als bewijs van de verderfelijke aard van de westerse wereld. Voor hen zal de indruk overkomen dat het westen niets heilig kan laten en alles wil onderwerpen dat de seculiere mens het beste uitkomt. Het zou erop wijzen dat het westen van nature een imperialistische mogendheid is die alles in wil omvormen en tot het nihilistische toe wil verslinden, en daarom dient alle vormen van modernisatie en secularisatie tegengewerkt te worden. Het westen daarentegen is van mening dat door inclusief op te treden juist een manier is om radicalisme uit de weg te ruimen, aangezien er vanuit gegaan wordt dat exclusiviteit tot afgunst en gevoelens van bedreiging leidt. Tegelijkertijd zullen niet-westerse mogendheden ook deze inclusiviteit beschouwen als teken van zwakheid en richtingloosheid en hun opvattingen in de plaats willen opzetten om een gevoel van gevestigdheid terug te brengen. De synthese die vanuit de these en antithese ontstaat doet in feite geen beroep op een hoger moraal, maar probeert vanuit het resultaat zelf een nieuw moraal te definiëren, hetgeen voor gelovigen des te meer stuitend is. Deze frustratie werd op 20 november 1979 duidelijk geïllustreerd toen ruim vierhonderd radicale moslims de belangrijkste islamitische bedevaartsoord, de Grote Moskee te Mekka met machinegeweren binnenvielen en voor twee weken lang de biddende pelgrims gijzelden. Pas nadat honderden doden vielen, legerdivisies ontplooid werden en belaadde woorden over en weer klonken, konden de gijzelnemers in de kraag worden gevat. Uiteindelijk werden de organisator en 67 van zijn handlangers gevonnist en onthoofd. De reden waarom deze groep radicale moslims hun mede geloofsgenoten op de korrel namen was vanwege hun ongenoegen met de Saoedi Staat die pogingen ondernam om de islam te moderniseren. De radicalen zagen een verderfelijk westers agenda in de modernisering als een manier om het onfeilbare woord van de islamitische leerstelling schade te berokkenen en een verraderlijk westers imperialisme in de plaats ervan op te richten. Dit was voor sommige analisten een voorloper geweest van de tegenwoordige radicale Al Qaida beweging sindsdien met geweld haar stempel op de wereld heeft gedrukt. De belangrijkste – 65

inmiddels overleden – figuur van Al Qaida, Osama bin Laden, had zich in het verleden uitgesproken tegen de modernisering van Saoedi-Arabië en beschouwde dit land dan ook als ‘handlanger van de Satan’. Volgens islamoloog Gilles Kepel is de haat die de radicale islam heeft tegen het westen ingegeven door de haat die zij heeft tegen de modernisering binnen de islam zelf. De ware bron van de strijd bevindt zich op de breuklijn tussen de moderniserende stroming die zich openstelt voor westers welvaart en de conservatieve stroming die zich zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke leerstellingen wilt houden. Met andere woorden Al Qaida hekelt het westen omdat het westen een verderfelijke uitwerking op de islam zou hebben. Het westen daarentegen vindt dat de islam niet achter kan blijven en probeert de oorzaak van de radicale islam te vinden in armoede, aldus de aloude marxistische benadering rond de klassenstrijd. Juist door te moderniseren denkt men in het westen een einde te kunnen maken aan de radicale islam. Op deze manier wordt de strijd tussen deze mogendheden – het westen en de islam – in stand gehouden. Het westen blundert echter door te denken dat de radicale islam een resultaat is van armoede, aangezien onderzoek aangetoond heeft dat juist de welvarender en beter opgevoede moslims meer geneigd zijn zich te radicaliseren dan het arme segment van de islamitische bevolking (Esposito & Mogahed, 2006). De Islamitische Revolutie die Iran onderging in de laat jaren ’70 bewijst dit eveneens. Deze revolutie toonde aan dat het gros van de bevolking bereid was zijn materiële leven te verruilen voor een spiritueel zuivere ideologie: iets dat schokgolven over menig land, islamitisch en seculier, veroorzaakt heeft.

Hieruit blijkt duidelijk dat de islam zich niet op eenzelfde manier leent tot inclusiviteit als het christendom. Dat wil echter niet zeggen dat de islam helemaal geen inclusiviteitsbeginsel kent, integendeel. Een geloof dat zich fel tegen alle vormen van inclusiviteit keert is per definitie geen lang leven beschoren. Inclusiviteit in de islam vindt plaats op een andere manier. Dit komt mede doordat de islam zich historisch in een andere fase bevindt dan het christendom. Tijdens de hoogbloei van de islamitische rijken konden de vroegere islamitische wetenschappers hun geloof perfect naast hun wetenschappelijke bevindingen zetten zonder dat er sprake was van serieuze botsingen, en joodse geleerden konden zonder vrees van vervolging hun werkzaamheden verrichten in deze landen. Islamitische geleerden hadden niet alleen de werken van Aristoteles naar het westen gebracht, maar hadden ook antieke wetenschappen bij de vertalingen gemoderniseerd met de meest recente bevindingen. Het belangrijkste verschil tussen de inclusiviteit van het westen en de islam bevindt zich in de manier waarop de synthese opereert. In het westen probeert de synthese iets nieuws voort te 66

brengen vanuit de samengestelde delen. Wat het resultaat wordt is niet altijd duidelijk, maar vanuit de samengestelde delen zou de nieuwe essentie zich moeten verraden, net als in een scheikundig experiment. Streng gesproken is deze benadering in de islam taboe, aangezien experimenteren in deze geloofsleer niet mag (‘Volg niet wat u niet kent’). In de islam wordt allereerst een geestelijke geraadpleegd om aan te geven in hoeverre mate sprake kan zijn van inclusiviteit en aan welke eisen dient te worden voldaan. In de islam mag de opgelegde leerstelling niet verstoord worden terwijl in het westen de uitkomst van een synthese van groter belang is. In het westerse model kan geen beroep worden gedaan op de morele kwaliteit van de synthese. In de islam wordt er kieskeuriger omgegaan met inclusiviteit dan in het westen, waarvan als eerst geëvalueerd wordt of aan de eisen van de geloofsleer wordt voldaan.

Sinds de Middeleeuwen zijn er grote veranderingen in deze beschavingen gekomen, waarvan de precieze oorzaken niet goed opgehelderd zijn. Het is nog altijd een bron van omstredenheid hoe de toenmalige islamitische landen hun wetenschappelijke superioriteit aan het westen verloor. In ons huidige tijdsgewricht bestaat er wel een verschil in de manier waarop deze groeperingen zich gemanifesteerd hebben. Het christelijke geloof heeft, na een aantal historische geschillen, een centrum van waaruit het geloof is verspreid, namelijk het Vaticaan. De islam kent geen soortgelijk centrum. De leerstellingen van de Profeet werden in de vroegere geschiedenis kleinschalig verspreid over de verschillende enclaves en stamgemeenschappen in het Middenoosten, en iedere stam heeft een eigen interpretatie ontleend uit het heilige schrift van de moslims en er was al vroeg sprake van verdeeldheid over de boodschap van de Koran. Om de islam samen te snoeren is prioriteit geworden bij diverse geestelijken met variërend succes, maar viel weer uiteen hoofdzakelijk door de invloed van gnostische groepen tijdens de wetenschappelijke en culturele hoogbloei van de islam toen Europa zijn middeleeuwen beleefde. Hieruit ontstonden de sjihitische en soennitische varianten en een geestelijke stroming bekend als het soefisme. Sindsdien is men bezig om een zuivere variant van de islam te bepleiten om de verschillende breuklijnen in de islam te overbruggen, met de geestelijke leiders in Iran als één der belangrijkste beijveraars hiervan. Dit is waarschijnlijk de belangrijkste verschil tussen het moderne christendom en de islam vandaag: zolang het Vaticaan bestaat, zal het christendom blijven bestaan. In de islam ontbreekt dit centrum, en de geestelijken streven naar een centrum van waaruit de islam wereldwijd kan worden verkondigd. Het christendom heeft een ondersteboven “V” vorm, met een centrum en diverse variaties onderaan, terwijl de islam bestaat uit variaties en streeft naar 67

een centrum. De invloed die dit streven op de geest van de moslims heeft vormt de basis waarop de islam zich in de wereld bevindt. Dit beginsel staat bekend als de oemma, oftewel de wereldwijde islamitische gemeenschap. In de islamitische cultuur wordt enerzijds kleinschalig en binnen gemeenschapsverband gedacht en gehandeld, en anderzijds wordt er gedacht in termen van een islam die wereldwijd een eenheid vormt. Het idee van een nationale, soevereine staat zoals wij deze in het westen gewend zijn, is vreemd aan de islam, en in het Middenoosten worden de grenzen tussen landen eveneens gezien als een overblijfsel van westerse koloniale imperialisme. De conflicten binnen de islam zijn zelden gebonden aan land, maar meestal gebonden aan loyaliteit aan de eigen stam, met de Irak-Iranoorlog van 1980 tot 1988 als vrijwel enige uitzondering. De oemma is de drijfveer van het denken in termen van een wereldwijde eenheid, en vervolgens wil ieder belangrijk islamitisch land de eer hebben het centrum van dit streven te zijn. Het is de bedoeling de verschillende breuklijnen binnen de islam te genezen en de verscheidene islamitische volkeren samen te binden vanuit dit centrum. Diverse organisaties zijn vooral na de dekolonisatie bij elkaar gekomen om te onderhandelen voor een centrum van de islam, maar heeft als nadeel het uitsluiten van andere islamitische groepen, gepaard gaand met een verhoogde verdeeldheid en conflicten binnen deze geloofsgemeenschap. Samuel Huntington heeft terecht naar de islam verwezen als een ‘bewustzijn zonder cohesie’. Van de verschillende landen die ervoor lobbyen een centrum van de islam te zijn komen bepaalde voordelen maar ook nadelen ter berde: Saoedi Arabië zou als land van de oemma willen fungeren omdat dit land het geboorteland van de Profeet is, maar heeft een te kleine bevolking en is volgens velen te seculier. De grenzen van Saoedi Arabië zijn nog overgebleven van de koloniale tijd en doen daardoor nog verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van deze ‘staat’. Indonesië zou als centrum willen fungeren vanwege zijn grote islamitische bevolking en gunstige economische groei maar ligt geografisch te ver verwijderd van het hartland en is te verstrikt met andere etnische en religieuze groepen. Ook is de islam aldaar volgens sommigen te gematigd. Egypte zou ook als centrum willen staan omdat dit land de befaamde Al-Azhar universiteit heeft, de belangrijkste hoger onderwijsinstelling van de islam. Daartegenover staat dat Egypte een arm land is en van de Verenigde Staten en Saoedi Arabië afhankelijk is voor financiële hulp. Iran voldoet aan de eisen voor een centrum omdat deze centraal ligt in het Middenoosten met rijke oliebronnen en een islamitische geschiedenis en traditie die ver teruggaan, maar is als Perzische buitenbeentje te midden van Arabische mogendheden niet geloofwaardig genoeg om als doelwit van de oemma te fungeren. Daarenboven zijn de Iraniërs hoofdzakelijk sjihieten terwijl 90% van de moslims wereldwijd soennitisch is. Op kwalitatief niveau, 68

waarbij bedoeld wordt het integreren van de verschillende stromingen van de islam, ligt de meeste wrijving en verdeeldheid. Zoals de geschiedenis heeft aangetoond zijn broedertwisten over kleine verschillen dikwijls met meest bloeddorstig en ingrijpend van alle conflicten, beginnend met de Bijbelse Kaïn en Abel, door het tijdsgewricht van de antieke Grieken heen zoals geïllustreerd in het werk Zeven tegen Thebe van Aeschylus, tot aan de conflicten in de Balkan door groepen die kort ervoor goede buren van elkaar waren. Dit werd onlangs bevestigd door een grootschalig onderzoek van econoom Paul Collier die in opdracht van de Wereldbank bevond dat een verhoogde mate van burgerconflict te bespeuren valt binnen homogene verbanden met te weinig diversiteit (Smith, 2003). Het lijkt alsof een zekere mate van diversiteit gewenst en zelfs gezond is voor een gemeenschap, maar uiteraard niet tot zoverre mate dat een volk zich verdrongen voelt en meent dat de ontwikkeling van de eigen zelfexpressie of zedelijkheid eronder lijdt. De kans bestaat dat deze tendens om de maatschappij te diversifiëren een drijfveer was om de bevolking te verrijken met nieuwe ervaringen, maar vanwege de enthousiaste wijze waarmee te werk is gegaan heeft uiteindelijk een nieuw dilemma veroorzaakt, namelijk een minderheidsgroep die moeite heeft zijn eigen richting en zingeving te bepalen. Van hieruit lijkt het belangrijk een continuïteit te creëren waarin de eigen waardes vanuit de geschiedenis en taal overgedragen zouden moeten worden aan de nieuwe generatie. Als zij eenmaal een goed gevoel en begrip hebben van de eigen cultuur, geschiedenis en waardes kan er ondernomen worden een brug te slaan naar de cultuur van het land waarin zij zich bevinden. Dit is niet onmogelijk maar wordt wel een ambitieuze stap, en het zou benadrukt moeten worden dat conflict en wrijving nooit uit te sluiten is, maar zoveel mogelijk gewerkt moeten worden om dit te voorkomen. Zelfs diverse verschillen tussen het oosten en het westen lijken ogenschijnlijk subtiel, maar zijn de oorzaak van grote verschillen tussen beide. Voor de moslims die zich in westerse landen bevinden en aan den lijve ervaren hoe de christelijke inclusiviteit haar uitwerking op de samenleving heeft, kunnen gevoelens van zich niet-thuis voelen ontstaan. Geloof biedt zekerheid en helpt mensen een wereldbeeld te vormen bestaande uit karakter en principes. Het is bijvoorbeeld in de islam verboden te woekeren of om hoe dan ook geld te gebruiken om meer geld te maken. Dit veroorzaakt dat moslims, vooral in Nederland met zijn hypotheeksysteem niet makkelijk bereid zullen zijn een woning te kopen, tenzij een manier gevonden kan worden om dit verbod te omzeilen of aanvaardbaar te maken. Ook zullen moslims niet zomaar in aandelen handelen. Vroeger was woekeren ook verboden geweest in het christelijke geloof, met als resultaat dat de christenen zich tot de joden moesten wenden om geld te lenen, maar dat is inmiddels veranderd. Vrijwel alle vormen van sparen, hetzij 69

hypotheek, hetzij pensioenregelingen, gebeurt met een mate van woeker. Door woeker toe te laten heeft geleid tot meer persoonlijke welvaart enerzijds, maar anderzijds de deur geopend voor meer sluimerende gevaren. Met het lenen van geld is men verplicht zich aan de wetten van de leenbank te onderwerpen, en om te werken om het geld terug te betalen strekt tot het voordeel van een ander. In de loop der geschiedenis zijn deze banken, puur door geld tegen rente te lenen, machtiger dan regeringen geworden en hebben grote gruwelijkheden op de wereld losgelaten. De grote beurskrach in 1929 en de depressiejaren werden deels in de hand gewerkt door een klein groepje bankiers achter de schermen die de geldkraan eerst opendraaiden en goedkoop leengeld verschafte en daarna terugeisten en de geldkraan dichtdraaiden. Bedrijven gingen failliet en de banken legden beslag op hen en verkocht de onderdelen van het failliete bedrijf door aan hun eigen geaffilieerde netwerk. Ook hadden banken aandeelhoudende bedrijven doelbewust geen leningen verstrekt om de aandelenkoersen omlaag te sturen. De aandeelhouders verkopen hun aandelen uit vrees dat het bedrijf niet een goede winst kan genereren, want ‘waarom anders weigert de bank een lening te verstrekken?’ Vervolgens koopt de bank de goedkope aandelen, en verstrekt daarna wel de lening, waardoor het bedrijf weer ‘goed te boek staat’. Hierdoor stijgen de aandelenkoersen tot de vreugde van de aandeelhouders (de bank zelf) en moet het bedrijf werken om zowel zijn aandeelhouders tevreden te stellen als zijn lening tegen rente af te lossen. In allebei gevallen is de bank de begunstigde en het bedrijf is hierdoor volledig door de bank ingepalmd. Op deze wijze krijgen de machtigste banken langzamerhand iedereen onder hun beheer, en door staatsobligaties te kopen hebben deze elite groep bankiers hele landen in weten te palmen. Zoals Meyer Amschel Rothschild (1744-1812) – de eerste groot internationale bankier – stelde:”Laat mij het geld voor een land in omloop brengen en beheren en het maakt mij niet uit wie de wetten schrijft.”

Door speculatie en risico’s nemen, kunnen grote gevaren en crises met zich meebrengen met de gewone werkers die ervoor moeten opdraaien. Het interessante van de islamitische banken is dat zij vrijwel zonder kleerscheuren door de 2008 recessie zijn gekomen, juist vanwege het verbod op speculatie en woeker. Vanwege een conservatiever wordende stroming in de islam zijn steeds meer moslims zich ook gaan wenden naar deze banken, aldus een artikel in de New York Times van 22 november 2007. De achterliggende idee is dat de mens niet in dienst van geld moet zijn, maar geld in dienst van de mens. Het westerse superkapitalisme heeft deze verhouding veranderd en is in wezen vijandig komen te staan tegenover de cultuur en traditie van het westen, door alles in de maatschappij te onderwerpen aan winstbejag. Alleen 70

dit verschil in bankpraktijken dijt uit met gevolgen voor hele beschavingen. Vooral na de recente crisis zijn de islamitische banken behoorlijk in trek en worden steeds populairder. Sinds de crisis hebben de grootste islamitische banken hun activa met 66% vergroot terwijl westerse banken nog moeten herstellen van de zware klappen. Men vraagt zich af hoe het mogelijk zal zijn om integratie of inclusiviteit toe te passen met een verschil dat zo ingrijpend is, vooral aangezien geld het levensbloed is van iedere beschaving. Kan het zijn dat integratie op dit gebied geen oplossing meer biedt? Gespeculeerd wordt of de Arabische Lente in Libië en elders in noordelijk Afrika van 2011 dat in één keer over verscheidene landen uitbrak, ook niet een verkapte bankenoorlog was. De mogelijkheid werd geopperd dat de westerse banken zich bedreigd voelen door de oprukkende islamitische banken en deze onder hun beheer willen brengen, aangezien noordelijk Afrika de belangrijkste groeimarkt vormt voor islamitische banken die ondertussen ruim anderhalf biljoen dollar waard zouden zijn1. Het blad Forbes stelde dat zeven uit de tien machtigste islamitische banken zich in Iran bevinden en zou mogelijk een alternatieve verklaring kunnen bieden waarom het westen dit land in het vizier heeft.

Hoe verder? Door diverse verschillen, zowel subtiel als opvallend tussen verschillende cultuurgroepen, en de behoefte die de mens heeft aan een groep te behoren, gaat men vanuit zichzelf stappen ondernemen bij zijn soortgenoten te willen voegen om samen deze gastcultuur te trotseren. Als leden van eenzelfde overtuiging eenmaal in hun eigen groep zitten hebben zij het voordeel in contact te zijn met hun bekende milieu en traditie, en op een tempo die hen geriefelijk is de nieuwe omgeving te internaliseren. Onder deze groep kunnen één van twee patronen zich manifesteren. Onder de meer geloofsvaste aanhangers zullen stemmen opgaan om niet in zee te gaan met westerse omgangsvormen. Bij de gematigden zullen stemmen opgaan waarin een mate van integratie aan de orde is en niet altijd botst met het geloofsleer, terwijl nog anderen zich meer open zullen stellen om de vruchten van het westen te plukken. Ter illustratie verscheen op 10 januari 2011 in de Volkskrant een brandbrief ondertekend door een tiental Turks-Nederlandse ondernemers, sociologen, opvoedkundigen en politici waarin zorgen over de positie van Turkse mensen geuit worden. Vermeld werd dat het steeds
1

Zulke grote conflicten hebben altijd meerdere tegelijk samenvallende oorzaken. Vermeld dient te worden dat de omgekomen Libische leider Khadaffi zijn nationale munt, de dinar met een stukje goud in ieder muntstuk wilde uitgeven, hetgeen ook een bedreiging vormde voor het westen, aangezien hier in feite een terugkeer naar de goudstandaard wordt ingeluid.

71

moeilijker gaat met integratie. Isolatie en psychische klachten van deze bevolkingsgroep worden steeds problematischer. Gevraagd werd of hier aandacht aan besteed kon worden om dit probleem niet te verergeren. Daartegenover staat een onderzoek dat op ruim hetzelfde tijdstip gedaan werd waarin het tegenovergestelde naar voren kwam: Het zou juist goed gaan met de integratie, aldus publicist Frans Verhagen. Statistieken geven aan dat steeds meer Turken afstuderen in het hoger onderwijs en de werkloosheid neemt juist af. Deze bevolkingsgroep behoort in toenemende mate tot de middenklasse, terwijl de onderklasse kleiner wordt. Deze ogenschijnlijk contradictoire bevindingen kunnen makkelijk aanleiding geven tot een opsplitsing in twee kampen die elkaars mening proberen te bestrijden, maar daar wordt de betreffende gemeenschap niet beter op. De kans bestaat – en dit is de mening van de schrijver – dat allebei min of meer simultaan gebeuren. De Turks-Nederlandse gemeenschap ondergaat een transitie die ogenschijnlijk lijkt op een goede integratie, maar tegelijkertijd is deze gemeenschap zich bewust geworden van een segment dat niet over de energie of middelen beschikt om mee te komen. Ook bestaat de kans dat de beter geïntegreerde Turken met nieuwe uitdagingen geconfronteerd worden die het psychische welbevinden niet goed doet. Juist omdat het beter gaat met sommige leden van de Turkse gemeenschap kan aanleiding geven tot een verhoogd gevoel van vervreemding bij degenen die achterlopen, en wederom zorgen voor psychisch ongemak. Al deze bevindingen kunnen deel uitmaken van een gemeenschap in transitie en zal ook verder op ingegaan worden met het gedeelte dat over Zuid-Afrika gaat. Deze ontwikkeling die op beter integratie wijst, wordt beschouwd als een verbetering in de sociale betrekkingen tussen de Turkse Nederlanders en de traditionele Nederlanders, maar heeft in de schaduw een negatieve impact op de Turkse gemeenschap zelf. Het psychische ongemak en gevoel van isolement kan ook veroorzaakt worden door het besef dat het beter gaat met deze gemeenschap en tegelijk een gevoel van stijgende verwachtingen in de hand werkt. Mensen willen hebben dat deze trend nog sneller moet verlopen dan nu gebeurt, en de frustratie die ontstaat uit de verhoogde verwachtingen die harder stijgen dan de realiteit kan bijbenen kan aanleiding geven tot het gevoel dat deze gemeenschap niet meetelt. Wellicht verklaart dit waarom, ondanks de goede integratie, de misdaadstatistieken geen aanwijzing geven dat de misdaad afneemt, maar juist toeneemt. Rekening dient gehouden te worden dat integratie vooral geen kleine opgave is, vooral de kleine details en ongeschreven regels die deel uitmaken van alle menselijke culturen zijn vaak het moeilijkst te doorgronden en te beheersen. Door samen te staan helpt de gevoelens van onzekerheid weg te werken en stelt de groep in staat te proberen een werkbaar

72

compromis te treffen tussen hun traditionele opvattingen en de nieuwe cultuurpatroon op een manier die bindend is voor de groep.

Carroll Quigley geeft een goed uitleg weer in termen van de manier waarop cultuurgoederen overgedragen kunnen worden van één cultuur naar een andere. Deze overdracht van een gevende cultuur naar een ontvangende cultuur is slechts behulpzaam voor de ontvanger op de lange termijn wanneer het ontvangen goed (a) productief is, (b) binnen de ontvangende cultuur zelf gemaakt kan worden en (c) in de geestelijke cultuur opgenomen kan worden zonder de groepsleden te demoraliseren. Vooral bij het laatstgenoemde ontstaat veel wrijving tussen groepen, aangezien de ene cultuur niet altijd doorheeft dat zijn gewoontes een ander kan demoraliseren. Als voorbeeld was het vroeger in zowel in de Verenigde Staten als in delen van Zuid-Afrika niet toegestaan de inboorlingen alcohol te schenken. Indianen in de VS en Bosjesmannen in Zuidelijk Afrika mochten niet naar de kroeg gaan en slijterijen mochten hun geen drank verkopen. Het was niet zozeer chauvinisme of racisme dat ten grondslag lag aan dit verbod, als wel het besef dat een nomadisch volk niet opgewassen is tegen een westers consumptiepatroon. Wie vandaag een Bosjesman of Indiaan alcohol schenkt kan verwachten dat de volgende dag het hele gezin dit vreemde nieuwe goedje wil innemen, en binnen en mum van tijd de hele maatschappelijke samenhang aan diggelen ligt, met misdaad, verslaving en sociale desintegratie als gevolg. Een voorbeeld hiervan vond plaats in de Verenigde Staten in de laat jaren ’50. Amerika was diep geschrokken van de brute moord op een herenboer en zijn gezin in de staat Kansas. De dader, Perry Edward Smith, was de zoon van een blanke Amerikaanse vader en een Cherokee moeder. De alcoholverslaving van zijn moeder veroorzaakte dat zij niet meer voor haar kinderen kon zorgen, en twee van haar kinderen hadden later zelfmoord gepleegd. Smith werd grootgebracht onder verschrikkelijke omstandigheden en verviel uiteindelijk in het criminele circuit. Deze omstandigheden en wedervaringen van Smith culmineerden uiteindelijk in de moord op dit gezin. Het leven van deze dader werd goed beschreven in de bestseller In koelen bloede van Truman Capote die de VS jarenlang zouden herinneren aan de gevaren van een door alcohol geteisterde minderheidsgroep.

In meer algemene termen stelt Quigley verder dat zodra één samenleving door de invloed van de andere vernietigt is, zijn de leden achtergelaten in een puinhoop van culturele goederen van zowel hun eigen gebroken cultuur als de vreemde cultuur. Deze culturele goederen 73

fungeren als middelen om aan de materiële behoeften van de groep te voorzien. Deze middelen kunnen echter niet samengeflanst worden in een georganiseerd, functionerend geheel vanwege een gebrek aan ideologie en een spiritueel bindmiddel. Zulke mensen zullen dan ofwel ten onder gaan ofwel een nieuw samenhangende ideologie en cultuur uit het as van de oude ontwikkelen. Aan de hand van dit patroon zijn vrijwel alle moderne beschavingen ontstaan, en vooral de Europese cultuur kenmerkt zich door een heel breed scala aan vreemde invloeden die door de eeuwen heen de wereld van onze voorouders vernietigd hebben en weer opnieuw naar voren wist te komen in een werkbaar geheel. Dit verklaart eveneens waarom genetici menen dat de Europeaan veel meer variatie in zijn genen heeft dan mensen van andere etnische groepen. Naast deze min of meer succesverhalen over vernieuwing zoals de Europeanen hebben meegemaakt zijn er echter ook voorbeelden van ondergang bekend: In Zuid-Afrika, met name Kaapstad, vindt men een groep daklozen die al sinds mensenheugenis aan de zelfkant van de maatschappij leven en hun thuis vinden in de hangen van Tafelberg. Deze groep, in de volksmond “Bergies” genoemd, spreekt een warrig mengsel van Afrikaans en Engels, heeft een gemengd afkomst en kan zich geen beter leven veroorloven dan een zwerfbestaan. Deze mensen zijn een belangrijk voorbeeld van een gebroken volk dat zich geen uniform waardesysteem of ideologie kan aanmeten, met slechts bijbaantjes, criminaliteit en aalmoezen van hulpverleners die hun in leven houden. Dit volk bestaat uit een groot variëteit aan voorouders, onder andere Griekwas (mensen van blanke en Khoi voorouders), Hottentotten, Europeanen en Tswanas. Het behoeft geen nader uitleg dat deze groep gekenmerkt wordt door zwaar alcoholmisbruik, criminaliteit en diverse activiteiten die contraproductief zijn voor een zedelijk en ordelijk bestaan.

De vraag verrijst waarom sommige volkeren wel de verscheidene cultuurerfenissen in hun verleden kunnen vormgeven en er rijker van worden terwijl andere volkeren er aan onderdoor gaan. Het zou te maken kunnen hebben in hoeverre een bepaald fundamenteel waardesysteem hun leven bepaalt en de tempo waartegen nieuwe culturele goederen in hun cultuur opgenomen worden. Zodra nieuwe gedachten en opvattingen te snel en onverwachts deel worden van een cultuur en tegelijk haaks staan op hun tradities, kan het leiden tot demoralisatie en ondergang. De geestelijke leiders van bepaalde gemeenschappen vertolken een belangrijke functie om de nieuwe cultuurgoederen vorm te geven die congruent zijn aan de spirituele basis van het betrokken volk, en zodoende het volk verrijkt, maar dikwijls ook veroorzaken dat nieuwe verantwoordelijkheden gelden waar het volk aan moet wennen. Het is 74

met deze gedachte in ogenschouw dat de stelling van Richard Weaver betrekking heeft, namelijk dat integratie een kwalitatief proces is. Hiermee wordt bedoeld dat integratie niet alleen bestaat uit het beheersen van de taal en gewoontes van de gastcultuur, maar dat het tijd nodig heeft te ontwikkelen en te rijpen in de wereld van de nieuwkomer. Het vereist een veel diepzinniger gevoel voor de hogere functies van de betreffende cultuur, een degelijke kennis van de geschiedenis en een duidelijk omlijnd gevoel voor het heersende moraal dat niet varieert van tijdsgeest tot tijdsgeest. Om een persoon te integreren is geen eenrichtingsstraat waarin de taal en gewoontes van buitenaf wordt ingegoten, maar vanuit de persoon zelf moet deze nieuwe cultuur ook wortel schieten, en zou hij/zij de vrijheid moeten krijgen om te experimenteren met deze nieuwe opvattingen. Sommige onderdelen van de nieuwe cultuur ligt dichterbij de eigen persoonlijke waardesysteem en zal sneller geïnternaliseerd worden, andere onderdelen van de cultuur ligt verder van de persoonlijke kernwaardes af en zal met tegenzin deel worden van de persoonlijkheidstructuur, als het niet geheel verworpen wordt. Door op eigen tempo te wennen aan de nieuwe cultuur is de meest formidabele manier om werkelijk grondig te integreren. Om met de Amerikaanse schrijfster Emily Dickinson te spreken, ligt succes (in dit geval integratie) in indirectheid. Dit is in de westerse cultuur juist moeilijker te verkroppen, aangezien onze maatschappij niet zozeer kwalitatief gedreven is, maar eerder kwantitatief. Om een vreemd volk werkelijk te begrijpen vereist een begrip van de geest van het volk in plaats van alleen de taal en gewoontes. Dit houdt ook in dat niet iedereen in de gastcultuur de stap helemaal kan zetten. Sommige leden kunnen de nieuwe cultuur sneller omarmen en andere leden langzamer, afhankelijk van hun persoonlijke motivatie en doelstellingen. De leden die moeite hebben met integratie zouden bijvoorbeeld niet afstand willen doen van datgene wat zij edelmoedig aan hun groep vinden. Voor hen betekent integratie een ontkenning van een waardesysteem dat zij als kernonderdeel van hun persoonlijkheid vinden. Een persoonlijkheid is iets waarmee men een bepaalde indruk wil maken op de omgeving, en als de persoonlijkheid en opvattingen in de omgeving congruent zijn, kan deze persoonlijkheid een zinvol deel uitmaken van het sociale leven. Als er echter een incongruentie bestaat tussen de persoonlijke waarden en de omliggende cultuur kan deze persoon zich niet zinvol uiten, welke hem weer terug zal drijven in de armen van zijn bekende omgeving om niet helemaal te verzinken in een staat van onzekerheid en angst. Als deze persoon vindt dat de gastcultuur hem niet aanstaat en meer onzekerheid dan plezier verschaft is de verwachting dat hij niet zal integreren groot, en in het geval waarin de nobele eigenschappen van zijn eigen cultuur hem ook vreemd geworden is, kan ofwel psychische

75

problemen voorkomen, ofwel radicale geloofsopvattingen een uitweg bieden voor zijn frustratie.

Met het besef van kwalitatieve integratie in gedachte kan de volgende over het huidige systeem van inburgering gemaakt worden: Het werkt onvoldoende. De fundamentele eigenschappen die uniek zijn aan iedere cultuur en iedere mens worden niet meegenomen op een manier die de nieuwkomer altijd thuis kan brengen. Het inburgeringsysteem in Nederland kan vergeleken worden met het behalen van een rijbewijs: Het geeft aan dat de betreffende persoon over de kennis en basisverantwoordelijkheden beschikt om zich te handhaven in het verkeer. Dat wil helaas niet zeggen dat als hij eenmaal over het begeerde roze kaartje beschikt dat hij zich netjes aan die regels zal houden. Ook betekent het niet dat men het eens zal zijn met de tal van verkeersregels, vooral als hij jarenlang in een ander land heeft gereden waar de regels anders zijn. Een rijbewijs is uiteindelijk een vrij primitieve manier om aan te geven dat er aan een basisnorm is voldaan, maar desondanks neemt iedereen zijn persoonlijkheid met zich mee achter het stuur, waardoor er evenveel verschillende rijstijlen als rijbewijshouders zijn. Een rijbewijs is echter de enige objectieve maatstaf die wij hebben, en er bestaat nog weinig maatstaven die verder strekken dan deze basisnorm. Om vreemdelingen in te burgeren met cursussen komt op hetzelfde neer. Het is een vrij onverfijnd en kwantitatief proces, maar het enige dat wij hebben. De inburgeringindustrie is echter net als menig industrie afhankelijk van subsidie en moet resultaat boeken teneinde in leven te blijven. Het gevaar is dat juist deze resultaatgedreven benadering een kwantitatieve integratie benadrukt terwijl werkelijke, kwalitatieve integratie veel langer en langzamer verloopt. Het is uiteindelijk de bedoeling van enige integratie dat de juistheid van bepaalde handelingen en opvattingen gemeten kunnen worden aan een dieperliggend, gefundeerd waardesysteem, en dit is nu eenmaal een langzaam leerproces. In het geval van kwantitatieve integratie wordt de nieuwkomer op een spreekwoordelijke lopende band geplaatst met allerlei robotarmen die de taal, cultuur, wetten, geschiedenis en stukjes burgerlijke geneugten op de geest drukt. Als eenmaal aan de basisnorm van kennis en vaardigheden is voldaan, krijgt deze nieuwkomer een oorkonde en wordt verwacht dat hij zich als autochtoon zal opstellen, met zijn eigen cultuur als slechts een “klein, oppervlakkig verschilletje”. Het feit dat iemand aan de basisnorm heeft voldaan is echter geen bewijs dat hij zal opgaan in de gewoontes van de gastcultuur, noch dat de verschillen in cultuur klein zijn. Een nieuwkomer draagt een heel geestelijk universum met zich mee bestaande uit opvattingen over hoe hij zich in de wereld bevindt en een nauwkeurig afgestemd web van waardes en codes die zingeving biedt. Dat 76

vreemdelingen die al lang woonachtig zijn in het gastland alsnog moeite hebben met integratie is niet zozeer uit balorigheid, maar omdat de omschakeling veel psychische energie vereist en deze persoon tegengehouden wordt door de ongeschreven omgangsregels in zijn eigen cultuur die hem veel nader aan het hart ligt. Hij kan dus het ‘Nederlander - zijn’ een tijdje volhouden, maar zal daarna graag terug willen keren naar zijn eigen manier van omgaan in zijn eigen vertrouwde omgeving. Het zou gezegd kunnen worden dat voor een nieuwkomer is het om een Nederlander te zijn een soort acteerwerk en geen echte weerspiegeling van zijn authentieke persoonlijkheid. En anders dan rijbevoegdheid, welke een vaardigheid is, is inburgeren geen vaardigheid, maar vereist een veel ingrijpender verandering in het waardesysteem van het individu. Zulke ingrijpende veranderingen worden vrijwel altijd met tegenzin ontvangen en heeft langer tijd nodig om deel te worden van iemands omgangsstijl. Deze tegenzin kan nog verder verergerd worden als de nieuwkomer vindt dat handelingen en optredens in het gastland ook nog in strijd zijn met de Europese verlichtingsprincipes die de nieuwkomer zich heeft voorgehouden. Het christelijke inclusiviteitsbeginsel heeft twee gezichten, vergelijkbaar met een dr. Jekyll en mr. Hyde persoonlijkheid. Een allochtoon met ambities om te ondernemen vindt het bijvoorbeeld moeilijk zijn ambities te realiseren als blijkt dat er een hele spinnenweb aan regels, comités, beheerlichamen, hoge belastingdruk en een jarenlange bureaucratische rompslomp hieraan voorafgaan, tot zoverre dat de aantrekkelijkheid van het ondernemerschap afneemt. Dan doet zich het risico voor dat de ambities “niet in het bestemmingsplan” liggen waardoor de nieuwkomer zijn plannen dermate moeten wijzigen dat hij zich er niet meer in kan vinden, en gaat vervolgens de geloofwaardigheid van het Europese ondernemerschap in twijfel trekken. Het is hem duidelijk dat ondernemerschap geen vrij gegeven is, maar dient strikt te conformeren aan de fijnere, verwarrende wetten en geest van het gastland. Zonder de achterliggende geschiedenis en logica te begrijpen van het gastland lijken veel beleidsbepalingen onzinnig en niet bevorderlijk voor de verlichtingsidealen die zij dachten te omarmen in het gastland. Deze verwarring en onbegrip is funest voor een gezonde integratie en vereist aanzienlijk meer energie om de ondernemerscultuur te begrijpen en er zich in te begeven. Een gevoel dat zij buitengesloten worden kan hieruit voortkomen, met de gevolgen van afkeur van de gewoontes van het gastland. Het is uiteraard niet dat het gastland doelbewust deze ondernemers het leven zuur wil maken, maar het ondernemersklimaat stamt uit een lang bestaande traditie en gevestigde belangen die niet zonder ingrijpende veranderingen weggewerkt kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de kleine onbesproken regels en fijn genuanceerde cultuurverschillen. Zoals de geschiedenis en 77

tijdsgeest veranderen, vervallen sommige instellingen in onbruik, maar vanwege hun traditionele invloed, ervaring en machtspositie oefenen zij druk uit op de verscheidene lagen van de ambtenarij om alsnog invloed te kunnen uitoefenen op de maatschappij. Sommige sociale commentatoren menen dat de Europese Unie eenzelfde functie dient. Topambtenaren in de EU kunnen niet ontslagen of uitgestemd worden tijdens verkiezingen en is een manier om aan middeljarige politici van status en inkomsten – en een baan voor het leven - te voorzien.

3.) Solidariteit Als derde belangrijkste verschil tussen het westen en andere samenlevingen kan de wijze waarop de leden van een groep gebondenheid en verantwoordelijkheid tegenover de groep hebben in ogenschouw genomen worden. Een beroemde onderzoeker op de manier waarop de verschillende manieren van solidariteit zich manifesteert was de Franse socioloog Emile Durkheim (1858 – 1917).Voor Durkheim geldt dat groepen mensen over een collectief bewustzijn en collectief geweten beschikken. Een collectief bewustzijn in dit geval bestaat niet zozeer uit de rationele, freudiaanse verklaring van bewustzijn, maar is een samenstelling die bestaat uit een aantal codes, sentimenten en morele voorschriften om leden van de groep samen te binden. De belangrijkste bindende factor is volgens Durkheim een gedeeld geloof waarin de voorouders ook zijn opgenomen. Hierdoor ontstaat een wederzijds bevorderlijke interactie tussen de groepsleden onderling. Zij kunnen zich tot elkaar verbinden op een diepzinnige en zinvolle manier. Verschillende gemeenschappen hebben verschillende manieren om met elkaar in interactie te treden. In vooral traditionele maatschappijen bestaan er een kleinere mate van arbeidsverdeling en specialisatie, maar zijn de rollen die mannen en vrouwen vertolken dikwijls duidelijk gedefinieerd en gescheiden. Een traditionele autoriteit, dikwijls een spirituele leider, is aan het hoofd van de groep en het groepsbelang overstijgt individueel belang. De leden van deze groepen zijn vaak soortgelijk in uiterlijk vertoon, taal, en opvattingen en zoeken elkaar op omdat zij uit overtuiging menen samen te horen. Omdat ieder gezin zich met min of meer dezelfde taken bezighoudt, zijn mensen in deze sociale structuren minder inter-afhankelijk van elkaar en de gemeenschap is meestal vrij klein. De inter-afhankelijkheid in deze gemeenschappen beroept zich op het gevoel van samen horen, want door samen te staan, staat men sterker. De beoefening van ritualen, sportwedstrijden en het gezamenlijk aanbidden van een opperwezen faciliteert het gevoel dat zij waarlijk samen horen. In deze groepen zijn de wetten meestal niet ingewikkeld, maar overtreding ervan kan 78

het voortbestaan van de groep als geheel in gevaar brengen. Zulke gemeenschappen hebben daarom streng en straf-georiënteerde wetten, en individuele gedachten en vrijheden zijn minder gewenst. Ook zijn traditionele gemeenschappen gekenmerkt door een strenge toewijding aan hun geloof en zijn de traditionele wetten niet onderhandelbaar. Veronderstelt wordt dat bovennatuurlijke interventie de wetten heeft voortgebracht en kunnen daarom niet onderworpen worden aan menselijke willekeur. Deze vorm van samenzijn heeft Durkheim mechanische solidariteit genoemd. In tegenstelling tot deze vorm van omgang heeft de moderne wereld met haar toenemende arbeidsverdeling een nieuwe vorm van maatschappelijke samenbinding gecreëerd. In plaats van gelijkenis als basis van samenzijn, vormen arbeidsverdeling de nieuwe basis waarop mensen met elkaar samengaan. In deze maatschappijen is de inter-afhankelijkheid tussen mensen veel groter, aangezien één persoon niet zijn taken kan verrichten als hij niet met een ander kan samenwerken. Deze samenwerking komt voor in gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid. Zulke gemeenschappen hebben ook een heel wat uitgebreider juridisch systeem van wetten en codes en de wetten zijn niet zozeer straf-georiënteerd als wel correctief en coöperatief georiënteerd. Ook is het leven minder religieus en zijn de aard van de wetgevingen open ter discussie. De opvatting van een bovennatuurlijke opperwezen die de wetten tot stand heeft gebracht is nauwelijks aan de orde. In plaats van het belang van de groep staat in deze maatschappij de individuele waardigheid en gelijke kansen centraal. Voor deze vorm van samenhang heeft Durkheim de term organische solidariteit gebruikt, aangezien mensen met elkaar inter-afhankelijk omgaan soortgelijk als organen in een lichaam elkaar nodig hebben om hun eigen functie te verrichten tot voordeel van het geheel.

De verschillen in perceptie, mentaliteit en stellen van prioriteiten die vanuit deze verschillende systemen van solidariteit ontstaan, liggen voor de hand. In landen met organische solidariteit is de kans groter om mondiale en individuele ambities na te streven, maar een religieuze bewustzijn ligt dikwijls binnen de vier muren van de eigen woning en maakt niet altijd deel uit van de dagelijkse realiteit. De seculiere wetten hebben de religieuze wetten grotendeels verdrongen en irrelevant gemaakt voor het dagelijkse leven, met als gevolg dat een spirituele vacuüm is ontstaan. Aangezien de natuur een vacuüm hekelt, ontstaat een behoefte deze leemte te vullen. Dit zou een verklaring kunnen bieden waarom het hoogst geïndustrialiseerde westen door zowel sommige religieuze groepen als goddeloos en bandeloos ervaren wordt. In het westen is men zich evenwel bewust van deze spirituele leemte en grijpt vervolgens naar diverse alternatieven om het leven opnieuw zinvol te maken. 79

Sommigen gaan zich verdiepen in hun traditionele geloof en anderen gaan met alternatieve levensstijlen experimenteren. Het zijn met name twee tegenovergestelde krachten die naar voren komen in situaties waarin het spirituele aspect onder druk staat. De ene kracht vloeit terug en probeert de traditionele religieuze waardes te herontdekken en alsnog aan te passen bij het snelle, veranderende milieu, en de andere kracht vloeit weg van de traditie in de nieuwe, nog onbekende richting om de veranderende tijdsgeest tot haar logische uiteinde te voeren. De eerstgenoemde kracht staat dan ook bekend als conservatief en de laatstgenoemde kracht als progressief. De kracht die teruggaat heeft als belangrijkste vormgever de theoloog, en de kracht die naar voren beweegt heeft als vormgever de intellectueel. De theoloog wil mensen eraan herinneren wie zij zijn en tracht een eind te maken aan gevoelens van richtingloosheid en vervreemding die kunnen ontstaan door een te snelle verandering. De intellectueel wil de mens juist een nieuw spiritueel bewustzijn bijbrengen door de traditionele beperking van de mens uit te dagen. Om naar de stelling van Nietzsche te verwijzen: Nu God dood is zal de Übermensch gaan leven. In ieder geval blijkt dat organische solidariteit niet geheel gescheiden kan worden van mechanische solidariteit. De ene orde heeft de andere niet compleet kunnen vervangen, want zelfs binnen geïndustrialiseerde arbeidsstructuren kunnen er behoefte ontstaan naar een zinvoller samenbinding die organische solidariteit niet kan bieden. Mensen in geïndustrialiseerde systemen kunnen op grond van overtuiging elkaar opzoeken om samen een hechte groep te vormen. De traditioneel georiënteerde individuen kunnen geloof als basis gebruiken en zich wenden tot instellingen waarin het geloof verkondigd wordt. De progressief georiënteerde individuen kunnen ideologieën vanuit de moderne tijdsgeest zoals socialisme, liberalisme, feminisme, homoseksualiteit, drugsgebruikers enzovoorts als bindingskracht gebruiken en zich wenden tot personen en instanties waarin deze opvattingen hun leven zinvol inkleurt. Vanwege de manier waarop mechanische solidariteit werkt komt het echter vaak voor dat zondebokvorming toegepast wordt om het gevoel van eenheid onder de groepsleden te versterken. Iedere hechte groep heeft een paria nodig om te fungeren als voorbeeld hoe de groep niet moet zijn. Dit fenomeen komt in zowel traditionele als progressieve groepen voor. De traditionele groepen sluiten mensen uit die een andere geloofsovertuiging hebben en de progressieve groepen sluiten degenen uit die niet de nieuwe tijdsgeest op hun manier willen omarmen. Bijvoorbeeld was het tijdens de Franse Revolutie gevaarlijk iemand met de hoffelijke ‘monsieur’ aan te spreken; en iemand die gelooft dat de man aan het hoofd van het gezin moet staan zal niet op veel steun kunnen rekenen van feministische groepen. 80

In tijden van vrede zal de werking van organische solidariteit een belangrijker oriëntatie worden voor de maatschappij, conform het westerse inclusiviteitsbeginsel. Mechanische solidariteit vormt een minder belangrijke oriëntatie. Ten tijden van bedreiging kan het echter omslaan. Vormen van mechanische solidariteit kunnen naar voren komen als blijkt dat de stabiliteit van een zekere orde niet vanzelfsprekend is. Dit werd duidelijk geïllustreerd tijdens het conflict in Bosnië – Herzegovina in de periode 1992 – 1995. Het voormalige Joegoslavië kenmerkt zich door gevestigde industrieën die de nadruk leggen op organische solidariteit, en mensen van alle etnische achtergronden – zolang zij zich kunnen inspannen om te werken – konden hier aan de slag. Teneinde een groter Servië te stichten heeft de Servisch Orthodoxe kerk gepleit voor een herwaardering van het Servische nationalisme welke ten koste ging van een samenzijn van de diverse etnische groepen. Deze nationalistische tendens werd jarenlang verdrukt tijdens het communistische bewindsperiode en veerde meteen weer op toen het communisme zijn macht verloor. Een verlangen naar de traditionele identiteit van deze volkeren lag ten grondslag aan deze opwelling, die meteen door het kerkelijke gezag aangegrepen werd. In Bosnië daarentegen wilde men zijn eigen multi-etnische samenzijn op een geheel eigen wijze ontwikkelen, vandaar dat de Servische elite zich genoodzaakt vond hier tegenin te gaan. Het bekende gezicht van dit conflict, Slobodan Milosevic, opereerde niet zozeer op eigen houtje of vanuit eigen kunnen, maar handelde in opdracht van de kerk (Doubt, 2007). Bij het ondertekenen van het Dayton Vredesakkoord in 1995, heeft de kerk de val van Milosevic in de hand gewerkt, omdat men vond dat hij de aspiraties van de geestelijken had verraden. Om niet dezelfde fout in te gaan was Milosevic’ opvolger, Vojislav Kostunica veel meer eerbiedig tegenover de wil van de geestelijken. Doubt (2007) bespreekt de schadelijke aspecten van deze vorm van mechanische solidariteit. Het nationalisme dat hieruit ontstond is een traumatisch nationalisme. Het beroept zich op slachtofferschap en het recht zetten door anderen te ontmenselijken en tot zondebok te reduceren. Het Servische volk heeft door de geschiedenis een traumatisch verleden opgelopen, maar heeft ook veel positieve bijdragen geleverd aan dat gebied en diens omliggende volkeren. Volkeren, net als individuele mensen, zijn nooit alleen goed of slecht. Om alle historische vertellingen uit te filtreren dat alleen het negatieve overblijft is geen manier waarop een volk zich kan bouwen, en door anderen een zondebok te maken veroorzaakt dat dit volk zijn nieuw verworven ideaal of terrein op den duur niet moreel kan rechtvaardigen. Het verraderlijke eigenschap van mechanische solidariteit is dat het over een dubbele eigenschap beschikt, zowel positief als negatief. In het geval van Servië gebruikte men het 81

woord svetosavlje als maatschappelijk bindmiddel. Met svetosavlje wordt bedoeld dat als de gemeenschap niet gelukkig is, kan het individu in de gemeenschap ook niet gelukkig zijn. De wil van de groep is belangrijker dan de wil van het individu. Dit werd verder aangemoedigd door de Orthodoxe kerk toen gezegd werd dat men zich niet als individu dient te beschouwen, maar als Serviër. Enerzijds lijkt dit op een gezonde manier van samenbinding, maar als deze vorm van gehechtheid overgaat tot het benadelen van anderen kan zij uiteindelijk de eigen groep schade berokkenen en de groep zelf in een crises storten waarin het nationalisme op den duur eerder als vloek dan als zegen overkomt bij de leden. In zuidelijk Afrika vindt men een soortgelijke bindmiddel om mechanische solidariteit te bewerkstelligen. Het woord dat hiervoor gebruikt wordt, ubuntu, stelt dat een individu niet kan bestaan zonder een groep. Als het goed gaat met de groep gaat het goed met het individu en vice versa, oftewel ‘ik ben mens door andere mensen’. Enerzijds is dit een nobele levensbeschouwing, maar is ook niet gevrijwaard van zijn eigen gevaar. Stanlake Samkange (1980), een Zimbabwaan, beschrijft de drie basisbeginsels van ubuntu als volgt: ten eerste wordt de eigen menselijkheid bevestigd door de menselijkheid van anderen te bevestigen. Ten tweede stelt ubuntu dat zou men voor de keuze komen te staan zichzelf te verrijken of het leven te redden van een ander, dient het leven te redden van de ander hoofdprioriteit te genieten. Ten derde - en deze ligt diep verankerd in de psyche van de Afrikaan - heeft de koning zijn status en al de bijbehorende macht en privileges te danken aan de wil van de onderdanen. Het is vooral deze derde stelling die aandacht verdient. Deze stelling leent zich makkelijk tot zelfverrijking ten koste van de onderdanen. Een koning in Afrika gelooft dat hij het recht heeft om alles dat het land te bieden heeft voor zichzelf op te eisen, en hoe meer macht hij naar zich toetrekt, hoe meer bewijst het de macht van de onderdanen, want ‘zij hebben hem de macht gegeven’. Dit verklaart na de val van de koloniale periode waarom de nieuwe Afrikaanse leiders zich massaal vergrepen hadden op de westerse industrieën en andere middelen om welvaart te genereren die de kolonisten hadden achtergelaten. Het behoeft geen nader uitleg dat stammenconflicten toen aan de orde van de dag waren, en het gevaar was dat de stammenhoofden geen keus hadden dan om mee te doen aan de plundering en zelfverrijking om als groep te overleven, anders waren zij evengoed ten onder gegaan. Dictator na dictator plunderde hun land en stortten deze verder in armoede en ellende, terwijl zij zich vestigden in paleizen vol pracht en praal die hun Europese evenknieën dikwijls ver in de schaduw stelden. Robert Mugabe, Mobuthu Sese Seko, Idi Amin Dada en Jean Bedel Bokassa waren het gezicht van postkoloniaal Afrika en hadden een schrikbewind van ongekend omvang losgelaten. In het geval van Bokassa werd zelfs kannibalisme niet 82

geschuwd om aan te tonen wie er de baas is. Tijdens politieke bijeenkomsten kregen zij echter massaal lof toegezwaaid als ‘sterke leiders’ die de onderdanen zou hebben verlost van hun staat van verdrukking. Dit verklaart waarom koning Mswati III van Swaziland het voor elkaar kreeg ambtenaren te ontslaan en tweemaal het budget dat voor volksgezondheid bestemd was te plunderen zodat hij zich een privé straalmotorvliegtuig kon veroorloven. Toen hem gevraag werd over de armoede en ernstige hongersnood in zijn land antwoordde hij dat met dit toestel zou hij ‘voedsel gaan halen voor zijn mensen’, hetgeen uiteraard een infame leugen is. Volgens Forbes, de lijst der superrijken, is Mswati de op veertien na rijkste vorst ter wereld met een geschat kapitaal van ruim tweehonderd miljoen Amerikaanse dollar. Sinds zijn troonsbestijging in 1986 is hij meteen rianter gaan leven dan zijn vader, terwijl het levenstandaard van zijn volk er hard op achteruit gaat. Desondanks hoeft hij zich niet druk te maken over enige opstanden vanuit zijn onderdanen. Zijn machtspositie wordt overigens ook middels intimidatie en bijgeloof in stand gehouden.

Het lijdt min twijfel dat mechanische solidariteit zich niet makkelijk leent tot integratie tussen vreemde volkeren, aangezien de eigenschappen van de eigen groep naar buiten gebracht worden waar andere groepen of personen geen boodschap aan hebben. Organische solidariteit daarentegen is veel praktischer en staat meer open voor vreemdelingen aangezien de productie van iemands werk van groter belang is dan zijn achtergrond. Het verbaast dan ook niet dat de leiders in geïndustrialiseerde samenlevingen integratie makkelijker voorstaan en juist beroep doen op nieuwe gedachten en inzichten om de eigen productie en kwaliteit te verbeteren. Tijd is geld in geïndustrialiseerde settings en productie gaat uiteindelijk boven overwegingen van iemands identiteit en waardes. Sterker nog, een bedrijfsleider zal slechts aandacht besteden aan iemands cultuur en achtergrond als blijkt dat hij zijn doel er beter mee kan bereiken. Dit heeft het Engelse leger bijvoorbeeld ontdekt met de indienstneming van Sikh soldaten in India. Vanuit hun werkwijze en ethiek staan de Sikh allerwegen bekend als ’s werelds meest dappere en geduchte strijders en hebben in het Brits-Indiaanse leger de meeste Victoriakruizen voor dapperheid voor hun rekening genomen. Tijdens de Falklandoorlog hadden de Engelsen hun overwinning toegeschreven aan de Sea Harrier straaljager die zij hadden ingezet, maar zonder de moed en doorzettingsvermogen van de Sikh stoottroepen op de grond was deze overwinning naar alle waarschijnlijkheid een stuk moeilijker verlopen.

83

Het is echter niet accuraat te beweren dat mechanische solidariteit puur tegen integratie is. Zelfs in gemeenschappen met een sterke mechanisch solidaire oriëntatie beseft men dat het voortbestaan van de groep afhangt van nieuwe leden en nieuw bloed. Integratie in deze systemen duurt langer en werkt subtieler, met zelfs jaren die kunnen verstrijken voordat iemand zich lid voelt van deze groep. Echter zodra de verschillen te groot zijn tussen nieuwkomer en gastcultuur is de kans groot dat het integratieproces niet doorgaat met de betrokken persoon. De kernwaardes van de groep botst dan te veel met de kernwaardes van het individu, en integratie kan leiden tot het nadeel van allebei partijen aangezien er tijd voor nodig is om te cultiveren en ontwikkelen en is niet weggelegd voor iedereen. Van de nieuwkomer wordt verwacht dat hij voldoende inzicht zal krijgen in de nieuwe cultuur om deze dan over te dragen aan zijn nageslacht. Zou dit niet het geval zijn spreekt het voor zich dat zowel de groep als het individu eronder kan lijden met demoralisatie, frustratie, psychische ziekten en criminaliteit als resultaat. Dit kan een verklaring bieden waarom in Nederland de tweede generatie nieuwkomers meer gebukt gaan onder aanpassingsproblemen en frustraties dan de vorige generatie. Vanwege gebrekkige integratie moeten zij twee halve identiteiten aannemen. Met halve identiteit wordt bedoeld dat geen van beide een geheel kan vormen bij het individu. Het zijn twee gefragmenteerde identiteiten (van ouderlijke huize en van de gastcultuur) die het individu niet op een zinvolle wijze kan integreren. Vanuit deze fragmenten is de persoon constant bezig vast te stellen welke constructie een beter verklaringsmodel vormt voor zijn bevinden in de maatschappij, en het kost veel psychische energie om heen en weer te springen tussen twee incomplete identiteitsconstructies. Om dit ongemak het hoofd te bieden gebeurt dan dat de nieuwe gastcultuur als boosdoener uitgezonderd wordt als oorzaak van deze frustratie. Gevoelens dat tegen hen gediscrimineerd wordt, zijn een min of meer tastbare verklaring voor deze frustratie. Opstandigheid en de vorming van een contra-identiteit worden dan een belangrijk wapenfeit bij hen. Vandaar dat de tweede generatie jongeren – die juist worstelen met de vorming van hun identiteit – makkelijker geneigd zijn een identiteit aan te nemen die tegen de beginsels van de gastcultuur indruist. Vanuit overheidszijde wordt dan geroepen om betere integratie en minder discriminatie, maar de werkelijke oorzaak – de gefragmenteerde identiteit – is veel moeilijker om grip op te krijgen. Intensere inburgeringprogramma’s worden dan als oplossing voorgehouden, terwijl deze het probleem naar alle waarschijnlijkheid alleen verergeren omdat de werkelijke oorzaak op een veel abstracter niveau ligt, en in het trieste geval worden de jongeren alleen verder vervreemd van de oorzaak van hun eigen onvermogen zich aan te

84

passen bij de gastcultuur. Hieruit volgt, zoals Spengler stelde, hun haat tegen de gastcultuur die tot monsterachtige proporties kan uitgroeien.

Hoe verder? Een uitgangspunt is dat een succesvolle integratie afhangt van het begrip van de eigen cultuur. Zodra iemand zijn eigen cultuur goed begrijpt en verstaat waarom sommige eigenschappen en codes in leven geroepen zijn kan opnieuw de gastcultuur geëvalueerd worden. Slechts wanneer iemand zich goed aan de beginsels en codes van de eigen cultuur houdt zal een gevoel van zingeving en richting bij hem ontstaan. Waar de romanticus JeanJacques Rousseau ooit stelde dat de mens van nature goed is, maar de sociale wereld hem corrumpeert, lijkt in het geval van integratie het tegenovergestelde op te gaan: Wanneer iemand binnen het kader van de eigen cultuur is opgevoed, kan hij een gezond psychisch welbevinden ontwikkelen. Zodra de eigen cultuur verward wordt met de normen en waarden van een vreemde gastcultuur kan deze verwarring ten gevolg hebben dat het individu veel psychische energie besteedt om de eigenschappen van de gastcultuur met de eigen persoonlijkheidsstructuur te integreren, waardoor frustratie kan ontstaan en de algemene functionering van het individu onder kan lijden. Zodra het individu vindt dat hij vanuit zijn eigen persoonlijkheidstructuur en identiteit geen zinvolle band met zijn omgeving kan leggen, ontstaat vervreemding. Dit probleem verergert zich wanneer blijkt dat hij, teneinde alsnog te integreren om de voordelen van de gastcultuur te plukken, de eigen kernwaardes niet meer erkend worden, waardoor hij van zijn eigen persoonlijke waardesysteem vervreemd wordt. De psychische gevolgen die hieruit kunnen ontstaan zijn vanzelfsprekend. Het is daarom van uitermate belang een vorm van mechanische solidariteit in de leefwereld van het individu in te richten waardoor zijn gebondenheid met de eigen cultuur opnieuw gevonden kan worden. Dit proces gebeurt in de meeste gevallen vanzelf. Mensen willen van nature bij hun eigen groep horen, want daar kunnen zij zich uitdrukken op een manier die anderen kunnen begrijpen. In Europa zijn minderheden, vooral Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse groepen nog steeds te vinden in hun eigen kringen, en streven er bijna automatisch na zich bij hun eigen groep te voegen. Dit is een natuurlijk en heilzaam proces en helpt de wereld zinvol te maken in de eigen sociale omgeving. In de westerse maatschappij staat echter productie en het genereren van welvaart centraal. Om te veel aandacht te besteden aan de andersheid van andere groepen is niet bevorderlijk 85

voor het doel van de westerse wereld en er dient gedacht te worden om deze groepen niet te isoleren van hun redenen in een westerse maatschappij te willen wonen. Een geschikte oplossing zou zijn de verschillende minderheden niet te vervreemden van de eigen cultuur, maar zouden zij desondanks voldoende vaardigheden moeten leren in een westerse maatschappij te participeren. Door zo helder mogelijk uitleg te geven over de codes, verwachtingen en opvattingen van een bepaald bedrijf kan een sollicitant zich een beeld vormen hoe hij zich ertegenover dient op te stellen, en op deze wijze vaststellen in hoeverre mate er botsingen bestaat tussen de verwachtingen van het bedrijf en de eigen waardesysteem. Slechts als blijkt dat het bedrijf goed inschakelt bij de eigen persoonlijkheidstructuur kan er sprake zijn van een constructief samenwerkingsverband. Zou het blijken dat de waardes van de persoon en het bedrijf ter sprake te veel uiteenlopen, en geen alternatief binnen het bedrijf mogelijk lijkt, zal er helaas naar een andere kandidaat op zoek gegaan moeten worden. Het stimuleren van ondernemerschap binnen de eigen cultuur zou ook een uitkomst kunnen bieden, en met moderne communicatietechnieken is het mogelijk geworden beter met het land van oorsprong in samenwerking te treden. Dit zorgt er ook voor dat de eigen cultuur een gezonde bron van identiteitvorming en zingeving blijft als op deze manier geregeld in contact mee getreden wordt.

Op fenomenologisch niveau kan dit dilemma nader verklaard worden kan aan de hand van twee begrippen, namelijk blootstelling en overweldiging. Bij blootstelling krijgt iemand de leefwijze, cultuur en gewoontes te zien van een ander zonder dat de eigen identiteit eronder schade lijdt, terwijl bij overweldiging wordt het individu opgeslokt in de nieuwe cultuur hetgeen ten koste van de eigen identiteit en persoonlijkheidsstructuur gaat. Iemand die blootgesteld wordt aan de cultuur van een ander heeft de tijd om de indrukken te verwerken van de leefwijzen van deze ander en kan dit bij willekeur naast zich neerleggen om terug te keren naar het eigen culturele en persoonlijke terrein. Op deze manier is het behoud van het eigen waardesysteem veel beter gegarandeerd. Bij overweldiging is de blootstelling te intens waardoor het individu het gevoel heeft grip te verliezen over zijn eigen kunnen. Wie blootgesteld is aan een andere cultuur heeft de geestelijke ruimte om zich terug te trekken naar zijn oude vertrouwde omgeving, terwijl iemand die overweldigd is door een andere cultuur deze luxe niet heeft. Zijn gehele psychische belevenis wordt onbeheersbaar gevuld met vreemde opvattingen en denkwijzen en hij kan zich op een bepaald moment er niet meer aan onttrekken om de indrukken op een zinvolle wijze te verwerken. Het is juist wanneer de eigen psychische ruimte in het nauw gedreven wordt dat zijn persoonlijkheidsstructuur niet 86

meer zinvol de nieuwe omgeving kan internaliseren zonder te desintegreren waardoor psychologische afwijkingen kunnen ontstaan. Het zou met deze in gedachte een goed idee zijn een milieu te creëren waarin de eigen identiteit en cultuur gegarandeerd wordt, maar met genoeg blootstelling om zich te handhaven in het gastland, wellicht op een soortgelijke wijze hoe tussen verschillende landen destijds handel gedreven werd.

De Amerikaanse aanpak?
Er zijn al vaker vraagstukken geopperd waarom in de Verenigde Staten de identificatie met dat land bij soepeler verloopt dan in Europa het geval is. Journalist John Steinbeck schreef al in 1966 in America and Americans dat nieuwkomers in de VS zich op een gegeven moment eerstens als Amerikanen identificeren en op een tweede plaats aan hun nationaliteit van afkomst refereren. Tweede generatie Italianen, Oekraïners, Ieren en anderen voelen zich meer verbonden met de leefwijze van de VS dan hun land van herkomst. Dit geldt niet alleen voor mensen van een ander land van oorsprong, maar ook voor mensen die een ander geloofsovertuiging hebben dan het Amerikaanse Protestantse ideaal. Dit werd dramatisch geïllustreerd in de nasleep van de aanslag in New York op 11 september 2001. Het brein achter de aanslag, Osama bin Laden, hoopte met deze actie een wereldwijde jihad tegen de Verenigde Staten op gang te zetten. Moslims in de VS en elders zouden deze aanslag beschouwen als een overwinning op het Amerikaanse imperialisme, en zowel de nieuwgevonden gevoel van overwinning als de tegenreactie van Amerika op de islamitische wereld zou Moslims massaal mobiliseren om een heilige oorlog tegen de VS te beginnen. Dit gebeurde echter niet. Islamitische organisaties binnen de VS stonden algauw klaar om deze terreurdaad streng te veroordelen, en hebben als eerst hulpgoederen op gang gezet om de slachtoffers en hun gezinnen te assisteren. Leden van de verscheidene islamitische organisaties hebben bloed gedoneerd en voedsel en onderdak geboden waar zij konden, en in feite een bespotting gemaakt van de hoopvolle ambities van Bin Laden.

In Europa ligt de identificatie dikwijls andersom. De identificatie met de oorspronkelijke nationaliteit ligt meestal nader aan het hart dan de identificatie met het gastland. In Nederland zijn er zulke voorbeelden te noemen. Enkele jaren geleden werden tweede of derde generatie Turken of Marokkanen geneigd importbruiden uit het dorp of regio van oorsprong naar Nederland halen. Deze trend neemt echter af volgens de jongste gegevens. Een belangrijke reden zou kunnen liggen aan het aantal mensen met eenzelfde achtergrond dat woonachtig is

87

in Nederland, tezamen met strengere opgelegde maatregels om ervan af te zien. Een ruimer keuze aan mensen met een soortgelijk achtergrond in de eigen buurt zorgt voor een continuïteit waardoor het importeren uit land van oorsprong minder aan de orde is. Het is overigens niet uit te sluiten dat de recessie van 2008 een rol gespeeld heeft bij deze verwikkeling. In gebieden met een hoge concentratie allochtonen zijn satellietschotels op het moederland gericht aan de orde van de dag, en houdt men de mediarapportages over het land van oorsprong nog nauwlettend in de gaten. Nederlandse waardes, vooral over gevoelige kwesties, worden niet met dezelfde ernst bejegend en zelfs bespot, zoals jonge NoordAfrikanen die niet op school lessen over de Holocaust willen leren en ervoor kiezen met bloemenkransen te voetballen die neergelegd zijn tijdens Dodenherdenking. Overigens waren de vliegtuigkapers van 11 september bekend met de leefwijze en gewoontes van Europa en hebben een aantal jaren in Hamburg, Duitsland gewoond. Ook zijn er stemmen die opgaan die menen dat het integratiebeleid van Europa er op uit is de identiteit van de islam te ondermijnen, en is daarom nog schadelijker dan het Amerikaanse imperialisme. Het lijkt dus alsof de Amerikanen vooralsnog de sleutel in handen hebben om integratie soepeler te doen verlopen. Moslims binnen de VS delen niet dezelfde opvattingen over dat land als Moslims in andere werelddelen. Bekende Amerikaanse Moslims als bokser Mohammad Ali maakte kenbaar dat hij als Moslim en Amerikaan zich evenwel aangevallen voelt over de terreuraanslag dan enige andere Amerikaan. Het is moeilijk deze verschillen in integratie tussen Europese en Amerikaanse vreemdelingen in een kort relaas uit te leggen, hoewel de voornaamste redenen kunnen aan de volgende verschillen liggen: Belangrijk is dat de Amerikaanse Grondwet meer gebaseerd op decentralisatie dan in Europa. Dit houdt in dat men dient te waken tegen vormen van centralisatie van het gezag. Dit werd doelbewust opgesteld door de grondleggers van de VS om de problemen van het oude Europa het hoofd te bieden, aangezien de meeste uitgewekenen naar de nieuwe wereld door vervolgingspraktijken in Europa niet meer welkom geheten werden. In zijn reizen door de Verenigde Staten in de negentiende eeuw schreef Alexis de Tocqueville dat, vergeleken bij Europa, is het leven op gemeentelijk niveau veel actiever. Burgers van kleine dorpen en steden doen mee om initiatieven te organiseren en gemeenteraden en kerken vormen een belangrijker onderdeel in het leven van de Amerikaan dan in Europa. In het geval van laatstgenoemde legt de centrale overheid meer beperkingen op over de mogelijkheden waarbinnen gehandeld kunnen worden en doet meer moeite de nationale identiteit in stand te houden. Teneinde te profiteren van de Europese vrijheden, dient een nieuwkomer in Europa 88

zich zoveel mogelijk op de hoogte te stellen van de mentaliteit en leefgewoontes van de Europeaan. De Europese democratische besluitvorming is pas zinvol zodra binnen het kader van de plaatselijke mentaliteit gedacht wordt, terwijl in de VS de beperkingen ruimer liggen. De Amerikaanse autoriteiten bemoeien zich ook minder met het leven van het individu, aangezien de democratie zoveel mogelijk vanuit de mensen zelf dienen te komen en de overheid een ondersteunende rol inneemt. De nieuwkomers hebben meer ruimte hun leefgewoontes naar buiten te dragen in dit systeem. Het grondbeginsel van de Amerikaanse liberale democratie berust op de Puriteinse levensbeschouwing dat er hard gewerkt dient te worden om de persoonlijke welvaart te verhogen, en deze ethos heeft de VS goed gediend om tot een hoger welvaartspeil te komen. Vanwege de veranderende demografie in de VS komen deze beginsels echter in het gedrang, vooral door volkeren die menen dat de arbeidsethos en historisch onrecht de reden voor hun verdrukking was geweest. Een andere bedreiging van de traditionele leefwijze komt door de Latijns-Amerikanen die min of meer het tegenovergestelde ethos erop na houden. Volgens de Mexicanen in het zuiden van de VS is het een edele zaak om arm te blijven, want hiermee wordt een rijk leven in het hiernamaals gegarandeerd. Dit heeft Samuel Huntington althans in zijn werk Wie zijn wij? gesteld. Het gebrek aan ambitie en veredeling van armoede vormen belangrijke uitdagingen voor de traditionele Anglo-Amerikaanse leefwijze aldus Huntington. Deze bewering was echter niet ongezien voorbijgegaan en Huntington moest veel kritiek incasseren van LatijnsAmerikaanse groepen. Bekende Mexicanen, waaronder de schrijver Carlos Fuentes was niet mals om Huntington voor racist te verslijten die geen rekening hield met de economische realiteiten die deze bevolkingsverschuivingen veroorzaken2. Fuentes logenstraft de opvatting dat Mexicanen arm en lui zijn, aangezien deze groep in de VS een groter bedrag aan belasting bijdraagt dan het gehele jaarlijkse BNP van Mexico. De meeste Mexicanen hebben zich in korte tijd voorbeeldig omhooggewerkt tot middenklassenburgers en eigenen percentagegewijs meer woningen dan Afro-Amerikanen. Het wijst erop dat de Amerikaanse liberale democratie meer dynamisch en invloedrijk is dan Huntington zich voorstelt. In ieder geval bestaat de kans dat de veranderende demografische trend in de VS op den duur de liberale democratie kan ondermijnen vanwege de leefgewoontes van nieuwkomers die niet op de puriteinse beginsels zijn geschoeid. Ofschoon de VS zich als land van vrijheid en onbegrensde mogelijkheden profileert, is de realiteit dat deze ook een groot persoonlijke verantwoordelijkheid met zich meedraagt, vandaar dat dit land veel waarde hecht aan het
2

De ironie is dat Huntington een van de belangrijkste drijvende krachten was achter de ontmanteling van de apartheid in Zuid-Afrika.

89

individualisme. Het individu voelt zich meer verantwoordelijk voor zijn lot dan een groep, aangezien deze minder uitvluchten heeft dan een groep die geneigd is verantwoordelijkheden af te schuiven op een zondebok. Om de woorden van George Bernard Shaw te citeren vereist vrijheid verantwoordelijkheid, vandaar dat mensen vrijheid vrezen. Zonder begrip te hebben van het achterliggende verantwoordelijkheidsbesef dat de Protestantse arbeidsethos voorschrijft, is de kans groot dat de vrijheid in dat land de kiem van haar eigen ondergang in zich heeft. Slechts wanneer vrijheid en verantwoordelijkheid in een goed balans verkeren kan dit systeem zich handhaven en groeien. Het voortbestaan van de Amerikaanse leefwijze is gegarandeerd zolang de nieuwkomers in de VS zich bewust zijn van dit balans tussen vrijheid en verantwoordelijkheid.

90

Apartheid
Een serieus debat over integratie kan niet los beschouwd worden van segregatie. De voor en nadelen van beide systemen zullen slechts duidelijk worden wanneer allebei grondig ontleed worden. Er zijn landen waarin segregatie die dienst uitmaakt en beschouwd wordt als een stabiel politiek systeem, en integratie meer chaotisch dan vredelievend werkt. Vanwege de ervaring van de schrijver zal segregatie zoals deze werd toegepast in Zuid-Afrika nader besproken worden. Omdat hier sprake is van een westers volk in een niet-westers land met een ingewikkelde geschiedenis, waarin zowel integratie als segregatie de dienst uitmaakten lijkt begrip voor dit systeem nader te liggen dan in andere landen die geen westers dan wel Calvinistische traditie hebben. Het Zuid-Afrikaanse aparte ontwikkelingsbeleid, internationaal bekend als apartheid zal gebruikt worden als basis waarmee segregatie in al zijn facetten beschreven zal worden. Dit stuk beroept zich op de oorsprong, dynamica, opvattingen en resultaat van het systeem op diverse terreinen zoals opvoeding, gezondheid, algemene welvaart en mentaliteitsverschillen. Voor veel jaren hebben diverse protestgroepen apartheid vurig veroordeeld, hetgeen aanleiding gaf tot berichten die ongenuanceerd en vertekend overkwamen. Hieruit ontstonden opvattingen die geen recht deden aan de dagelijkse realiteit van het leven in Zuid-Afrika. Vandaar lijkt het belangrijk deze opvattingen goed door te nemen en in een juister perspectief te plaatsen, hoewel om niet te ver van het kernbetoog af te wijken zal vooral gekeken worden naar de apartheid en het Afrikanernationalisme zoals geformuleerd door de toenmalige intellectuelen. De rol van het internationale grootkapitaal zal eveneens duidelijk naar voren komen.

-Wie begon met apartheid? Een belangrijke verkeerde opvatting is dat het apartheidsysteem helemaal in leven is geroepen door de Nasionale Party, onder leiding van Afrikanerleider dr. DF Malan in 1948 en hen valt het systeem in zijn totaliteit te verwijten. Voordien heerste er vrede en broederschap in Zuid-Afrika. De realiteit is dat de kleine apartheid, de rassenscheidingwetten, “Slegs Blankes / Slegs nieBlankes” wetgevingen hun oorsprong hadden in het koloniaal beleid van hoofdzakelijk de Engelsen en voor hen de Hollanders. De toenmalige Engelse koloniën van Natal en Kaap de Goede Hoop kende al rassenscheidingwetten alwaar niet-Europeanen geen deel mochten

91

hebben in sportevenementen, stemrecht, of het bepalen van het koloniaal beleid. Deze wetgevingen bestonden niet in de Boerenrepublieken, waaronder de Oranje Vrijstaat van MT Steyn en de Zuid-Afrikaanse Republiek van Paul Kruger vielen, voornamelijk omdat er geen demografisch overwicht bestond van traditionele Afrikanen in deze gebieden. Een groot deel van de zwarte bevolking werd uitgemoord in de Difaqane (ook Mfekane genoemd), oftewel de Grote Verstrooiing welke door de Zoeloeleider Shaka en Mathebeleleider Mzilikatzi werden georkestreerd, vandaar dat grote delen van het Zuid-Afrikaanse binnenland onbevolkt waren toen de Boeren deze gebieden binnentrokken om weg te breken van de onvriendelijke Engelse heerschappij in de Kaapkolonie. Zekere beruchte apartheidswetten zoals de pasjeswet, waarin van zwarten verwacht werden ten alle tijden een legitimatiebewijs bij zich te dragen in de blanke gebieden, waren in leven geroepen in 1809 door de Britse koloniale gouvernement aan de Kaap de Goede Hoop en werd sindsdien in leven gehouden door alle daaropvolgende regeringen tot 1986 toen PW Botha deze wetgeving afzwakte en vrijwel geheel overbodig maakte. Volgens de Inboorlingen in stedelijke gebiedenwet (Native Urban Areas Act), Artikel 21 van 1923 was het voor niet-blanken geheel onmogelijk zich in blanke gebieden te begeven zonder vergunning. Het was juist de Nasionale Party regering (de “apartheidregering”) vanaf 1948 die deze wetgeving versoepeld had en Bantoe vreemdelingen een tijdslimiet van 72 uur gaf zonder vergunning in de blanke gebieden te verblijven. Bantoe die wettelijke arbeid verrichten voor één bedrijf voor tien jaar, of vijftien jaar in een bepaald blank gebied werkzaam waren mochten zich zonder vergunning in deze gebieden begeven. De Brit Sir Theopilus Shepstone heeft in de provincie Natal in 1865 een wetgeving ingevoerd waardoor het de zwarte bevolking bijzonder moeilijk gemaakt werd als kiezers te registeren met als gevolg dat nauwelijks een dozijn zwarten hun stem uitbrachten. In 1909 werd de South Africa Act geratificeerd met goedkeuring van het Britse parlement dat slechts Britse onderdanen van Europees komaf lid van het Zuid-Afrikaanse parlement mochten zijn. Andere segregatiewetten, zoals de apartheid op scholen werd door Cecil John Rhodes ingevoerd in 1893 en werd verplicht gesteld in 1905 door dr. Leander Starr Jameson, allebei Britse imperialisten. Vanwege wetgevingen die vóór 1948 werden ingevoerd vonden belangrijke veranderingen plaats in de traditionele huwelijken onder de Bantoe. Onder de Bantoe Administratiewet van 1928 werden wetgevingen ingevoerd waarin traditionele huwelijken ofwel geheel ofwel gedeeltelijk niet erkend werden als wettelijke huwelijken. In 1952, onder de Nasionale Partyregering werd deze wetgeving gewijzigd en kregen traditionele huwelijken wel 92

erkenning. Dit hield ook in dat er geen registratieplicht bestond van traditionele huwelijken. Het resultaat was echter een ambiguïteit in de aard van deze huwelijken: sommigen waren wel voor de wet geregistreerd en anderen niet. Deze ambiguïteit zou invloed hebben op de huwelijksituatie van de Bantoebevolking als geheel met nog verdere, ingrijpende wijzigingen van de traditionele huwelijken. Het was ook niet vreemd dat de Bantoe steeds meer heil begonnen te vinden in een westerse manier van in het echt treden, met name in gebieden waar westers invloed de boventoon begon te voeren. Het belangrijkste verschil tussen de apartheid zoals deze onder koloniaal beleid werd toegepast en de apartheid zoals door de psycholoog en socioloog dr. Hendrik Frensch Verwoerd (1901 – 1966) werd geformuleerd is dat onder Brits koloniaal beleid was de rassenscheiding geen goed geïntegreerd beleid geweest en had geen duidelijk doel of richting. Verwoerd had het bestaande beleid uitgebreid en ontwikkeld tot een meer coherent en werkbaar systeem. Op 6 september 1966, kort nadat hij vermoord werd schreef het Engelse dagblad The Star – een blad dat zeker geen vriendschappelijke betrekking met hem had – dat lang voordat hij premier werd, begon Verwoerd de amorfe filosofie van apartheid om te vormen in een samenhangend en intellectueel aanvaardbaar systeem.

Toen er in de laat negentiende eeuw goud ontdekt werd in de Transvaal trokken de Engelsen te strijde tegen de Boeren in de Boerenrepublieken teneinde beslag te leggen op deze bodemschat, welke uiteindelijk een culmineerde in de Anglo-Boerenoorlog waarin de Boeren een zware nederlaag moesten accepteren van de Engelse overmacht in 1902. Onder Lord Alfred Milner die de oorlog financierde werden de Boeren en veel Bantoe in concentratiekampen gedreven, hun boerderijen afgebrand waarvan uiteindelijk ruim tien procent van de Boerenbevolking de dood vond. Lord Milners woorden: ”To eliminate every last vestige of Afrikanerdom in South Africa” (Om ieder laatste spoor van het Afrikanerdom – de Boeren – te elimineren in Zuid-Afrika) werd grotendeels gestand gedaan. Op deze manier werden de Boerenrepublieken onder Engels bewind geplaatst en zou vanaf 1910 deel uitmaken van de Unie van Zuid-Afrika, welke de Boerenrepublieken bij de Engelse koloniën inlijfden. De Boerenrepublieken raakten hun soevereiniteit kwijt aan de Engelse kroon tot op 31 mei 1961 toen Zuid-Afrika een onafhankelijke republiek werd. De grote apartheid die later door Verwoerd werd ontwikkeld bestond uit een balkanisering van Zuid-Afrika, waarin iedere belangrijke etnische groep een eigen grondgebied ontving als maatregel tegen vreemde overheersing, en zichzelf diende te ontwikkelen tot moderne, progressieve volkeren. Dit 93

onderdeel van de Verwoerdiaanse apartheid is dikwijls onjuist overgebracht aan de wereld, en de toenmalige Britse premier Harold Macmillan had hier geen geringe rol in gespeeld. Tijdens zijn staatsbezoek aan Zuid-Afrika in 1960, leverde Macmillan zijn bekende “Winden van verandering” toespraak, waarin hij de onomkeerbaarheid van de dekolonisatie benadrukte en tegelijk kritiek op Verwoerds beleid uitte als opgepast in de moderne tijd. Verwoerd argumenteerde van de weeromstuit dat zijn aparte ontwikkelingsbeleid inhoudelijk helemaal in overeenstemming was met de dekolonisatie (Pelser, 1963: 318). Waar Engeland geholpen had Botswana, Lesotho en Swaziland naar onafhankelijkheid te leiden, trachtte Verwoerd de Transkei, Ciskei, Venda en Bophuthatswana thuislanden eveneens onafhankelijk te maken. Zijn motivatie voor het stichten van deze thuislanden (oftewel Bantoestans) kwam voort uit de wil van de Bantoevolkeren binnen en buiten Zuid-Afrika toen de koloniale mogendheden zich begonnen te onttrekken. Iedere stam wilde graag een eigen lapje grond voor zichzelf opeisen als heenkomen enerzijds en als buffer tegen vreemde overheersing anderzijds. Aangezien de Afrikaners geen ander land hebben naartoe te gaan en niettegenstaande gehoor wilden geven aan onafhankelijkheid voor de Bantoe, waren de ontwikkeling en onafhankelijkheid van de thuislanden het meest passende scenario. De thuislanden waren immers de gebieden waar de verscheidene Bantoestammen al jarenlang gewoond hadden en Verwoerd wilde zoveel mogelijk dat zij terug zouden keren naar deze gebieden om hen binnen hun homogene stamverwantschap geleidelijk te moderniseren zonder de pijnlijke gevolgen van ontheemding te ondergaan. Op 23 januari 1962, toen hij de thuisland Transkei onafhankelijk wilde maken, zei Verwoerd in dit verband:“Iedere natie heeft het recht op voortbestaan. Het is het meest noodzakelijke mensenrecht. Het is een fundamenteel recht om jouw volk te handhaven en jouw identiteit als volk te beschermen. Dat ligt ten grondslag aan ons hele identiteit. Er zijn van de Bantoeleiders waarmee wij gesproken hebben die duidelijk tegen ons gezegd hebben dat zij evenveel belang hebben aan het behoud van hun eigen identiteit als wij. Het behoud van hun volksidealen en hun cultuur en hun erfenissen is hun ernst en zij beseffen dat dit alleen kan worden behouden als zij op deze wijze hun stemrecht en andere rechten apart van deze groepen verkrijgen.”

94

-Nationaalsocialisme onder de Afrikaners. Een andere onjuiste opvatting over de apartheid is dat het afgekeken is van het Nationaalsocialisme van Duitsland en dat de apartheidstheoretici de Nazi ideologie aangehangen hebben, tezamen met allerlei opvattingen over biologische rassensuperioriteit. De realiteit is dat de kleine apartheid, naast zijn koloniale erfenis ook voor een deel overgenomen werd vanuit de Verenigde Staten en gebaseerd was op de Amerikaanse Jim Crow wetten (Giliomee, 2003a). Een goede illustratie hoe in zowel de Verenigde Staten als Zuid-Afrika gedacht werden over deze moeilijke kwestie kan gevonden worden in de dagboeken van de derde president van de Verenigde Staten Thomas Jefferson. Hij meldt: “Commerce between master and slave is despotism. Nothing is more certainly written in the book of fate that these people are to be free. Nor is it less certain that the two races, equally free, cannot live in the same government. Nature, habit, opinion has drawn indelible lines of distinction between them”. (Handeldrijven tussen meester en slaaf is despotisme. Niets is meer zeker geschreven in het boek van het lot dat deze mensen [negerslaven] vrij dienen te zijn. Ook is niet minder zeker dat de twee rassen, even vrij, niet samen in dezelfde regering kunnen leven. Natuur, gewoonte, opinie hebben onuitwisbare scheidslijnen tussen hen getrokken) (Ford, Vol 1: 232). Voor de bezoekers aan de Jefferson gedenkmonument in Washington DC zal zien dat aan de binnenwand van dit monument deze tekst aan de wand geschreven staat, hoewel alleen de eerste twee zinnen vermeld worden. De laatste twee zijn voorzichtig uitgelaten. Deze zinnen vormen echter de basis waarop men vroeger dacht over rassenkwesties, namelijk dat iedere rassengroep de ruimte zou moeten krijgen over zijn eigen volk te regeren en dat deze niet door elkaar heen zouden stromen. Dat stemt overeen met het latere apartheidbeleid om de verschillende bevolkingsgroepen een eigen ruimte met zelfbeschikking te gunnen. Wat het naziverleden van Zuid-Afrika betreft waren er kleinere politieke partijen en de formidabele Ossewa Brandwag die nationaalsocialistische opvattingen aanhingen gedurende de medio tot laat jaren ‘30, maar dit droeg niet bij tot het latere apartheidbeleid. Sommige geleerden onder de Afrikaners zoals dominee Nico Diederichs, Piet Meyer en HG Stoker waren lid van zowel deze militante Ossewa Brandwag als de Afrikaner Broederbond – een eigensoortige vrijmetselaarsbeweging van elite Afrikaners. Van hen hadden in Duitsland gestudeerd alwaar zij onder de invloed kwamen van de nationalistische opvattingen van onder andere Johann Gottlieb Fichte. Nazi opvattingen vielen bij hen in goede aarde, vooral bij dominee Diederichs die er fanatiek over was. Hij werd echter in 1944 vanwege zijn radicale 95

opvattingen uit de Broederbond gezet en kon pas jaren later terugkeren toen hij zich ten gunste van een parlementaire democratie had uitgesproken (Furlong, 1991). Zijn rol als informant voor de Amerikaanse CIA had ongetwijfeld meegeholpen om hem weer terug te brengen in de gewone politiek, en als lid van de Verligte Aksiebeweging in de jaren ’70 had hij geen verwaarloosbare rol gespeeld om de apartheid en het Afrikanernationalisme van binnenuit te ontmantelen. Over het algemeen heulden de Afrikaners met Nazi-Duitsland vanwege de haat die zij hadden tegen het Engelse imperialisme en niet uit een waan dat zij een superieure ras waren, aangezien de Afrikaners op dat stadium al uit een grote verscheidenheid aan Europese en plaatselijke volkeren bestonden die lang niet aan een Arisch ideaal voldeden. De extreemrechtse Ossewa Brandwag dat zich nauw verbonden voelde met het Duitse nationaalsocialisme had als hoofddoel de Afrikaners uit de oorlog te houden, aangezien bij een groot aantal van hen het trauma van de Boerenoorlog nog te vers in het geheugen lag en hun tweederangs burgerschap in de steden eveneens als gevolg van de Engelsen was. Het was eigenlijk een verzetsbeweging tegen het Britse imperialisme geweest, en door de Duitse Nazi Partij aan te hangen fungeerde als een middel om de Britten te trotseren. Het succes waarmee Duitsland zich indertijd op eigen houtje uit zijn schulden had gewerkt overtuigde veel Afrikaners dat het nationaalsocialisme een succesformule was dat uiteindelijk de strijd zou winnen tegen het imperialisme.

Onder de argeloze rechtse Afrikaners die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden aangesloten bij de Ossewa Brandwag was de hoop dat een overwinning van Duitsland over Engeland de Afrikaners een stap dichterbij een onafhankelijke republiek zouden brengen om aan de Engelse invloed te ontkomen, vooral omdat van hen verwacht werd tezamen met de Engelsen betrokken te raken in de oorlogen in Europa terwijl er onder de Afrikaners nog genoeg armoede en ellende heersten. Vanwege het ultrakapitalisme dat ontstond uit de ZuidAfrikaanse mijnbouw, de vernedering die de Afrikaners ondervonden hadden tijdens de Anglo-Boerenoorlog, en daaruit ontstane armoede die onder de Afrikaners manifesteerde, waren de sentimenten tegen de Britse imperialistische geldmacht een belangrijke oorzaak geweest voor sommige Afrikaners heil te vinden in antiimperialistische/nationaalsocialistische opvattingen. Afrikaners konden na de AngloBoerenoorlog niet terugkeren naar hun boerderijen omdat deze door de Engelsen werden afgebrand en in hun eigen steden waren zij geconfronteerd met discriminerende wetgevingen die hen verbood ordentelijk werk te verrichten. Veel vacatures hadden “Dutch speakers need 96

not apply” onderaan in kleine letters staan. Deze factoren tezamen met het verminderen van vertrouwen in de politieke partijen die het nergens mee eens konden zijn veroorzaakte dat de Ossewa Brandwag in populariteit toenam. Echter, anders dan veel Engelse schrijvers en journalisten plachten te geloven was de dominerende stroming in de latere apartheidpolitiek niet militant of fascistisch van aard, en had ook niet zijn ontstaan gehad in de nationaalsocialistische opvattingen van toen. De schrijver Patrick Furlong (1991) argumenteerde dat de Nasionale Party van dr. DF Malan die in 1948 aan de macht kwam, een netwerk onderhield met de verscheidene pro-nazi groeperingen onder de Afrikaners die nagenoeg een exacte replica was van het Europese fascisme. Dit argument gaat niet op. Onder een fascistische ideologie wordt een absolute en blinde gehoorzaamheid verlangt van de onderdanen, en om hiertegen in opstand te komen leidt meestal tot zeer nadelige gevolgen. Daarenboven is er een duidelijk ideaal dat nagestreefd dient te worden met een helder geformuleerd plan van actie in fascistische systemen. Het karakter van de Nasionale Party had hier niets van terug. Malan en zijn partijgenoten hadden zich tegen geweld uitgesproken en juist gezorgd dat diverse pro-nazi partijen niet aan de macht konden geraken. Hij was altijd ten gunste van een parlementair democratisch systeem geweest en kon bij de volgende verkiezing uitverkozen worden. Ook had de Nasionale Party te maken gehad met verdeeldheid onder zijn eigen gelederen en was er geen sprake geweest van een eenvormig ideaal dat de partij als richtlijn koesterde. Partijgenoten konden na willekeur uit de partij stappen zonder vrees van vervolging, en militante acties of overtuigingen werden onsmakelijk gevonden. In 1942 hadden de drie grote apartheidleiders DF Malan, JG Strijdom, HF Verwoerd en anderen unaniem het nationaalsocialisme verworpen en zich ten gunste van een parlementaire democratie uitgesproken. Vanaf 1941 had Malan systematisch de extreemrechtse partijen tegengewerkt en tegen 1943 waren deze partijen vrijwel uitgeschakeld geweest (Giliomee & Mbenga, 2007). Tot nimmer verbazing had generaal Jan Smuts (1870 – 1950) in 1941 opgeroepen dat de Afrikaners de wapens tegen Duitsland moesten oppakken, en hier was een belangrijke verdeling ontstaan tussen de Afrikaners. Smuts wilde sinds het einde van de Boerenoorlog een alliantie tussen Boer en Brit bewerkstelligen terwijl zijn politieke tegenstander generaal JBM Hertzog de Afrikaners juist wilde afstichten van Engelse invloed. Smuts wist niettegenstaande een groot aantal Afrikaners over te halen met de geallieerden mee te vechten in de Tweede Wereldoorlog, en ruim honderddertigduizend vrijwillige Zuid-Afrikaanse Engelsen en Afrikaners trokken ten strijde tegen de nazi’s en fascisten in Zuid-Europa en 97

Noord-Afrika. De verdeeldheid onder de Afrikaners kan gezien worden aan het toenemende ledental dat zich bij de Ossewa Brandwag had aangesloten, dat op dat moment ruim driehonderdduizend man telde, tegenover de honderddertigduizend die aan de geallieerde zijde stonden. Als motief om toetreding tot de oorlog te rechtvaardigen meende Smuts bezorgd te zijn over buurland Namibië dat vroeger een Duitse kolonie was en ondertussen een protectoraat van Zuid-Afrika was geworden. Zijn vrees was dat zou Duitsland de oorlog winnen was het een kwestie van tijd of Namibië weer bij Duitsland zou worden ingelijfd, en de internationaal getinte ambities van Smuts en de Engelsgezinde mijnmagnaten gevaar zouden lopen. Zijn vrees bestond ook uit zijn wetenschap dat er na de Boerenoorlog (1899 – 1902) informeel werd afgesproken onder invloedrijke Afrikaners dat zou er een oorlog in Europa uitbreken en de Engelsen hun militaire kracht aldaar moesten inspannen dat zij de gelegenheid zouden benutten een opstand in Zuid-Afrika te regelen om zich te bevrijden van het overbelaste Engelse juk. Smuts speelde echter niet met open kaarten en zijn verzet tegen de nazi’s was niet zonder bijbedoeling geweest. Na de Boerenoorlog was hij volledig in de ban geraakt van het idee van een Pax Brittanica, oftewel een wereldvrede onder de Britse kroon. Hij wist dat hij dit alleen zou kunnen bereiken als Zuid-Afrika ‘goed te boek’ stond bij de internationale machten door zich aan de zijde van de geallieerden in te zetten. In werkelijkheid was Smuts geobsedeerd om een wereldregering te ontwikkelen, en deze ambitie was dermate overweldigend dat hij beschouwd kan worden als belangrijkste drijvende kracht achter de ontwikkeling van de Verenigde Naties. Hij had een leidende rol gespeeld om zowel de Handvest van de Verenigde Naties als de Handvest Universele Rechten van de Mens op te stellen, maar had zich tegelijk niet populair gemaakt bij sommige leden van zijn volk. Interessant genoeg had Smuts zich uitgesproken ten gunste van segregatie tussen de verschillende rassengroepen en het woord ‘apartheid’ is waarschijnlijk door hem bedacht (de precieze oorsprong is niet zeker), maar vanwege zijn internationale belangen wordt hem geen racisme of nationaalsocialisme verweten zoals met de latere Afrikanernationalisten het geval was. Er staat immers een standbeeld te zijner ere op het Parliament Square te Londen, tezamen met de grootste tegenstander van de apartheid Nelson Mandela, hetgeen een indicatie is dat de strijd tegen de apartheid niet per se aan dat systeem zelf lag, maar dat deze heren zich ingezet hadden voor Britse imperialistische belangen. Dit houdt in dat de strijd rond Zuid-Afrika geen strijd was tussen nazi’s en geallieerden maar tussen nationalistische en internationalistische mogendheden, oftewel tussen plaatselijke politiek en internationale kapitaalbelangen. Hoe 98

deze tweestrijd zich zou oplossen zou als voorbode fungeren voor de toekomst van het westen als geheel. Dit verklaart waarom Zuid-Afrika vanuit ideologisch oogpunt bekeken een belangrijk experiment was voor de internationale mogendheden. De superkapitalistische mijnbouw enerzijds en behoefte aan een onafhankelijke republiek onder nationalistische Afrikaners anderzijds waren in strijd tegen elkaar. Deze strijd zou vaststellen of de nationalisten buiten spel gezet konden worden om de invloed van de internationalisten de overhand te bezorgen en de Amerikaanse CIA had sinds de jaren ’50 plannen gesmeed om dit te realiseren. De wereldwijde antiapartheid bewegingen dat later zouden volgen waren in feite een voortzetting geweest van deze tendens, en de wereldwijde veroordeling van het apartheidbeleid hielp mee om de geest van de westerse burgers voor te bereiden op een soortgelijke poging om nationale sentimenten te ondermijnen ten faveure van internationale belangen.

Omdat zijn internationale oogmerken botste met de toekomst die de Afrikaners zich graag hadden voorgesteld, zag Smuts de noodzaak ervan in de voornaamste spelers onder de behoudende Afrikaners te identificeren en hun invloed op de politiek te neutraliseren. Hier kwam de Ossewa Brandwag als perfecte kandidaat naar voren. Deze organisatie was niet puur een verzetsbeweging die spontaan door bezorgde Afrikaners werd opgericht, maar werd in het geheim opgericht door Smuts, in overleg met Kolonel J.C. Laas en dr. Hans van Rensburg om tweedracht te zaaien onder rechtse Afrikaners en op deze wijze onder beheer te brengen (Pretorius, 1997: 104). Een belangrijke aanwijzing hiervan kan gezien worden in de manier waarop Smuts zich tegenover deze organisatie opstelde. Ofschoon hij alle wettelijke middelen tot zijn beschikking had om de OB wegens hoogverraad aan te klagen deed hij dit nooit. Ook had hij geen actie ondernomen om de OB enigszins te verbieden of ontbinden. Een verdere indicatie hiervan was toen de voorzitter van de OB Robey Leibbrandt toegaf dat de medeoprichter Hans van Rensburg en zijn vader zich weleens in Britse soldatenuniforms hadden gehesen om op Boerenrebellen in de provincie Vrijstaat te schieten.3 Nog merkwaardiger is dat de auto van Van Rensburg laat ’s avonds dikwijls gesignaleerd werd voor het huis van Smuts en dat de regering Smuts hem in 1947 een vrij fors bedrag van 12 500 pond had uitgekeerd voor ‘bewezen diensten’ (Pretorius, 1997: 106). Onder het mom van ‘verenigen’ had de Ossewa Brandwag zeer succesvol verdeeldheid gezaaid onder de Afrikaners en ervoor gezorgd dat zij geen ongecontroleerde acties zouden ondernemen die de

3

Zie Leibbrandts autobiografie Vertel alles in geen genade.

99

plannen van Smuts in gevaar zouden kunnen brengen. Van Rensburg bevestigde dit na afloop van de Tweede Wereldoorlog dat hij als afleidingsmanoeuvre fungeerde om gewelddadige confrontaties tegen Smuts uit te schakelen (Pretorius, 1997: 105). Deze verdeeldheid kan gezien worden aan de snelle ondergang die de OB maakte na afloop van de oorlog. Aan het begin telde deze organisatie ruim driehonderdduizend leden, maar tegen 1942 was zij dermate leeggelopen dat zij tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog opgedoekt werd. De mediablootstelling die deze organisatie ontving was ook niet zonder vooropgestelde motieven geweest, en de Afrikaners zouden jarenlang nog achtervolgd worden door dit kunstmatig in leven gehouden verleden. Voor veel Engelse en internationale politieke commentators was het beeld dat de Afrikaners nazi’s waren verder versterkt toen John Vorster als premier ingehuldigd werd in 1966 na de moord op Hendrik Verwoerd. Vorsters verleden bij de Ossewa Brandwag gold als “bewijs” van zijn solidariteit met fascistische idealen. Minder bekend is dat Vorster eveneens infiltrant was geweest bij deze organisatie en had gegevens aan de politie uitgelekt over de argeloze leden en hun activiteiten. Hij ontving tussen september 1937 tot februari 1938 opleiding om op de Ossewa Brandwag te bespioneren. Tijdens zijn gevangenschap in 1942 – 1944, kreeg hij wekelijks visite van Julius First, thesaurier van de Zuid-Afrikaanse Communistische Partij en later schoonvader van de ZuidAfrikaanse topcommunist Joe Slovo (Pretorius, 1997; 153-160). Na de moord op Verwoerd stond Vorster klaar om zijn ambt als minister-president over te nemen, en begon langzaam de apartheid te ontmantelen. Om deze reden kan hem geen extreemrechtse sympathieën verweten worden. Zijn rechtse retoriek was een list om de indruk te wekken dat hij niet van het beleid van Verwoerd afweek.

Duidelijk blijkt dat op hoog niveau en vrij vroeg in de geschiedenis stappen ondernomen werden om Zuid-Afrika in de ban te krijgen van het raderwerk van het grote geld. De linkse partijen vormden de belangrijkste bewegingen om dit te realiseren. Om deze reden was het noodzakelijk geweest enige rechtse beweging die de Afrikaners in de richting van zelfbeschikking dreigde te sturen op allerlei wijzen te neutraliseren. De drie grote apartheidleiders, Malan, Strydom en Verwoerd, hadden enerzijds meegeholpen de extremisten te neutraliseren, maar hadden anderzijds – vooral onder Verwoerd – het succesvol voor elkaar gekregen dat de Afrikaners wel een grote mate van soevereiniteit konden genieten, tegen het belang van de grote geldmachten. De geldmachten vreesden een Vierde Rijk in Zuid-Afrika waarin zij het regie over Zuid-Afrika zouden verliezen, en hadden van de weeromstuit besloten hun agitatie tegen de Afrikanernationalisten op te voeren. Het ging echter onder 100

Verwoerd zo voorspoedig met Zuid-Afrika dat niet eens de Verenigde Naties op een bepaald moment meer druk op dat land konden uitoefenen. De Engelstalige dagblad Rand Daily Mail – een gezworen vijand van Verwoerd – stelde op 30 juli 1966 dat hij aan de piek van een indrukwekkend carrière stond. Geen ander minister-president had het ooit zo goed gehad. Hij kon ‘zijn vingers klappen naar de Verenigde Naties en zich veroorloven neerbuigend te doen’ naar dit wereldmacht. Deze lofprijzing was naar aanleiding van de internationale rechtszaak die Zuid-Afrika gewonnen had tegen Liberia en Ethiopië in Den Haag. Dit gaf aanleiding dat de grote mogendheden met andere tactieken te werk moesten gaan om Zuid-Afrika terug onder hun invloed te brengen, en kan min of meer in twee fases gedeeld worden: de eerste fase was tussen de periode 1948 – 1960. Vanwege de populariteit van de nationalisten hadden de geldmachten tijdens deze fase geen enkel middel geschuwd om het land terug te pakken. Zelfs de Sharpeville slachting die zij georkestreerd hadden hoorden bij dit plan, waarover straks op ingegaan zal worden. Een maand na het Sharpeville incident vond de eerste moordaanslag op Verwoerd plaats. Op 9 april 1960 schoot David Beresford Pratt hem van dichtbij tweemaal in het gezicht. Zuid-Afrika was op dat stadium nog onrustig, met een noodtoestand over vrijwel het hele land en zware verliezen op de effectenbeurs, en zijn dood zou het land regelrecht in een revolutie hebben gestort. De geldmachten zouden deze chaotische situatie dan hebben gebruikt om de Nasionale Party te fuseren met de linkse Verenigde Party en de republiekwording een halt toe te roepen (idem., p.146). Verwoerd had wonderwel hersteld van deze aanslag en toen hij zijn werkzaamheden weer oppakte stelde hij zich niet af te laten schrikken door deze daad en door te gaan met zijn beleidsrichting. Deze mislukte aanslag vormde een keerpunt in de tactieken die de internationale mogendheden gebruikten en luidde de tweede fase in die vanaf 1961 tot 1966 strekte. Deze fase was minder gewelddadig en meer onderduims, aangezien deze mogendheden zich wisten te infiltreren in het hart van de nationalistische Afrikaners, te weten de geheimzinnige Afrikaner Broederbond. Van hieruit werd voorzichtig gewerkt om over een aantal jaren stukjes bij beetjes de soevereiniteit van de Afrikaners te ondermijnen, en vanaf 1966, na de moord op Verwoerd was een onafhankelijk Zuid-Afrika op een hellend vlak gezet. Dit verklaart overigens waarom in deze periode de wereldwijde negatieve berichtgeving tegen Zuid-Afrika geluwd werd en pas weer opvlamde in de jaren ’70 toen langzaam het eind in zicht begon te komen van het apartheidbeleid. De grote mogendheden met hun geheime diensten Mi6 en de CIA boezemden vertrouwen bij de buitenlandse regeringen in dat zij Zuid-Afrika van binnenuit konden saboteren en wegsturen van zijn soevereine status. De daaropvolgende rechtse of extreemrechtse bewegingen onder de Afrikaners werden eveneens opgericht om 101

tweedracht te zaaien onder hen en zoet te houden met idealen die in ieder geval niet of nauwelijks realiseerbaar waren. Aan de buitenwacht werd de indruk gecreëerd dat deze bewegingen uit leden bestonden die uitermate gevaarlijk en beducht waren, maar in werkelijkheid hadden zij nauwelijks invloed op de politiek gehad. Veel rechtse partijen of bewegingen waren van top tot teen geïnfiltreerd door leden van de inlichtingendienst, de Amerikaanse CIA of van de Britse Mi6 en zij hadden ervoor gezorgd dat hun plannen nooit van de grond zouden komen (idem.). Zelfs de hedendaagse Afrikaner Weerstandbeweging (AWB) mede opgericht in 1973 door wijlen Eugene Terre’Blanche dient hetzelfde doel om de rechtse bewegingen zo onaantrekkelijk mogelijk te maken en heeft veroorzaakt dat het gros van de Afrikaners liever naar links overgingen om niet met deze extremisten geassocieerd te worden. De oprichters van de AWB, Eugene Terre’Blanche en Jan Groenewald waren aangewezen als de hoofd raadsleden, en achteraf is bekend geworden dat deze hoofdraad met de overheid samenwerkte (idem). Overigens, Jan Groenewald is de broer van Tienie Groenewald. Allebei waren officier bij de Zuid-Afrikaanse inlichtingendienst, en Tienie stond bekend om zijn talent om goede speeches te schrijven. Een voormalige agent bij de inlichtingendienst, advocaat PJ Pretorius bevestigde dat Tienie Groenewald informant was voor de Britse geheime dienst Mi6 (idem., p.371), en dat hij ook voor de Amerikaanse CIA spioneerde. Tienie was overigens verantwoordelijk geweest om te zorgen dat de rechtse Herstigte Nasionale Party – een politieke partij die zich strikt aan het Verwoerdiaanse beleid hield – niet aan de macht kon komen door de Konserwatiewe Party op te richten om stemmen van de Herstigte Nasionale Party weg te lokken. Ook was hij de schrijver geweest van de bekende Rode Vrijdag Toespraak van 2 februari 1990 van FW de Klerk waarin laatstgenoemde stelde dat hij de apartheid ging ontmantelen en verboden organisaties ging ontbannen. Ter wille van beeldvorming had Tienie verontwaardigd zijn bedanking ingediend na deze speech, en tezamen met zijn broer Jan bij opkomende rechtse bewegingen steun gezocht om hun ongenoegen jegens De Klerk te uiten. In feite waren zij bezig deze rechtse organisaties te infiltreren en de CIA op de hoogte te stellen van hun bevindingen. De partijleider van de matig-rechtse Konserwatiewe Party, dr. Andries Treurnicht, die naar verluidt niet betrokken was geweest bij het spionagenetwerk werd later door Groenewald als obstakel beschouwd. Op 23 april 1993 is Treurnicht tijdens een hartoperatie om het leven gekomen en werd een perfecte situatie gecreëerd voor een nieuwe rechtse beweging om Treurnichts plaats te vervangen, en een zekere generaal Constand Viljoen richtte de Afrikaner Volksfront op om het vacuüm te vullen. Het verbaast niet dat zijn Volksfront binnen enkele maanden zijn rechtse retoriek staakte en meer concessies begon te doen naar links. Andere 102

rechtse of extreemrechtse groeperingen kwamen naar voren maar waren even snel van het toneel verdwenen. Velen van hen zoals de Wit wolwe en de Blanke Bevrijdingsbeweging (BBB) en ook de tegenwoordige Boeremag zijn schijnorganisaties die in leven geroepen werden door de inlichtingendienst of politie om niet alleen polshoogte van rechtse sentimenten te nemen, maar ook om deze op tijd onklaar te maken door boze maar richtingloze retoriek bij de volgers te indoctrineren. Rechtsdeskundige professor Hercules Booysen stelde eveneens dat de politie achter de oprichting van de Boeremag zat, en geeft een verklaring waarom de overheid nooit deze organisatie een halt toegeroepen had, ook al was zij op de hoogte van haar ‘subversieve’ plannen. Dit is een soortgelijke strategie die Smuts toepaste met de Ossewa Brandwag. Zelfs de gezouten rechtse Afrikaners met hun uitgebreide kennissenkring waren verbaasd over de Boeremag, aangezien deze organisatie vanuit het niets bleek te zijn ontstaan en niemand er vooraf van had vernomen, hetgeen verder aanwijst dat deze beweging niet namens de rechtse Afrikaners handelde. Tegelijkertijd waren de Britse persen gedurende de twintigste eeuw bezig om aldoor een belangrijke bijdrage te leveren om de Afrikaner internationaal te verketteren en communistische oprispingen te steunen. Om de communistenleider Bram Fischer (1908 – 1975) te citeren hadden ‘sommige delen van de persen uitstekend werk verricht’, waarover straks meer uitgebreid op ingegaan zal worden.

Het moge duidelijk zijn dat anders dan men gewend is te denken over rechts en extreemrechts in Zuid-Afrika, hadden deze organisaties geen echte invloed op de politiek gehad. Zij werden vroegtijdig geïnfiltreerd of opgericht met het doel om niet de belangen van de mijnmagnaten en hun internationale contacten te verstoren door verdeeldheid te zaaien onder rechtse Afrikaners of hen zoet te houden met luchtkastelen, conform het eeuwenoude divide et imperia formule. Als extreemrechts werkelijk een bedreiging had gevormd zou De Klerk immers nooit gewaagd had het land onvoorwaardelijk aan het ANC te overhandigen, en tot op heden worden matig rechtse politieke vergaderingen af en toe ontwricht door ‘extreemrechtse’ agitators, ook al streven zij hetzelfde doel na van een onafhankelijke volkstaat, terwijl vergaderingen van het ANC nooit last heeft van deze figuren. Dit verklaart waarom de Afrikaners tegenwoordig het liefst op linkse partijen stemmen, ook al weten zij dat deze partijen niet werkelijk hun belangen op het hart dragen. Deze tactiek om Afrikaners naar links te lokken was ongetwijfeld een groot succes geweest.

103

-Houding tegen over de Joden. Voordat de Afrikaners de politieke macht overnamen in 1948 was de stemming tegenover de Joden niet altijd positief geweest, hetgeen de Engelse meningsvormers verder hadden aangezet om de Afrikaners voor nazi’s te beschouwen. Uit vrees dat de Joodse vluchtelingen naar Zuid-Afrika de beste banen zouden overnemen veroorzaakte dat er antisemitische stemmen opgingen, ook binnen de Nasionale Party van Malan. De Afrikaners worstelden met hun eigen frustraties om in de steden hun bestaan te rechtvaardigen tegenover de meer ervaren Engelse handelaren en geldschieters. Om een ervaren volk als het Joodse toe te voegen zagen de Afrikaners hun mogelijkheden nog verder krimpen, en dit leidde tot protesten tegen de toestroom van Joodse vluchtelingen naar Zuid-Afrika waar Verwoerd zich ook schuldig aan had gemaakt. Echter, toen de NP de verkiezing won en tot de grote politiek had toegetreden vielen de protesten tegen de Joden stil. Dit geeft aan dat de antisemitische opwellingen onder de Afrikaners niet uit een fundamentele haat bestond, maar eerder uit opportunisme. De Nasionale Party van Malan was immers één van de eerste buitenlandse mogendheden om de staat Israel te erkennen, en gedurende de gehele bewindsperiode van de Nasionale Party (1948 tot 1994) onderhielden Pretoria en Tel Aviv nauwe banden met elkaar en ontwikkelden samen vechtvliegtuigen en diverse ander wapentuig. Vanwege hun puriteinse geloofsopvattingen beschouwden de Afrikaners de Joden als Gods uitverkoren volk en steunden hen in hun streven naar een eigen land terugkijkend op de manier waarop de Afrikaners het onbekende binnenland introkken in 1836 om aan het Engelse juk in de Kaapkolonie te ontkomen. Dit is uiteraard ondenkbaar dat Israel nauwe banden zou smeden en wapentuig zou ontwikkelen met een volk dat zich met het nationaalsocialisme verbonden voelt. De geschiedenis van de Afrikaners tijdens de Boerenoorlog kende ook de zogeheten “Boerejode”. Dat waren Joden die hun eigen lijding zagen in de Afrikaners en uit solidariteit met de Afrikaners ten strijde trokken tegen het Britse en financiële imperialisme.

-Biologisch racisme. Wat de opvattingen van rassensuperioriteit betreft kan gesteld worden dat de Afrikaners over het algemeen niet onder de indruk waren van de fanatieke rassenbiologie die over de westerse wereld waaide en haar hoogtepunt vond in de boze retoriek van Adolf Hitler. Interessant hier te noemen is dat het biologische racisme, oftewel het geloof in biologisch dan wel genetisch gefundeerde superioriteit tussen verscheidene mensengroepen vroeger uit de koker van de linkse denkers kwam. Tegen de laat negentiende eeuw en eerste helft van de twintigste eeuw waren het juist de progressieve wetenschappers die hun geloof in de 104

wetenschap stelde en zich tegen religie begonnen te verzetten. Na het verschijnen van Charles Darwins De oorsprong der soorten en de publicaties van zijn neef Sir Francis Galton over eugenetica, waarin het streven naar een superieur ras als een natuurlijke verloop beschouwd werd, was het gemeengoed geworden om verklaringen in termen van inherente superioriteit tussen rassen te bieden voor onverklaarbare cultuurverschillen. De volledige titel van Darwins werk luidt immers: On the Origin of Species by Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life (Over de oorsprong der soorten door natuurlijke selectie, of het behoud van begunstigde rassen in de strijd om het leven). Socioloog Herbert Spencer beklemtoonde de gedachte van overleving van de sterkst en kon op veel steun rekenen van zijn tijdgenoten Thomas Malthus en Francis Galton. De befaamde Sir Julian Huxley was zowel socialist als eugeneticus en diens progressieve tijdgenoot Havelock Ellis vond het onafwendbaar dat er ooit een soort fokboek zal komen waarin vastgesteld zal worden wie het sterkst is om de ras voort te mogen planten. De Nobelprijswinnaar Hermann J. Muller was overtuigd communist en verkondigde dat gedwongen sterilisatie en selectieve fokprogramma’s toegepast moet worden om de menselijke evolutie te sturen naar het belang van de staat. Overigens had het begrip ‘ras’ destijds niet dezelfde betekenis als vandaag. Tegenwoordig wordt ras begrepen als mensen die over vrij duidelijk onderscheidbare eigenschappen beschikken, zoals huidskleur, haarkleur -en soort, en diverse gelaatstrekken. Ten tijde van de grote eugenetici was dat begrip fijner ingedeeld. Vroeger was het normaal te spreken van de Hollandse ras, de Engelse ras, de Duitse ras, de Finse ras enzovoort, allemaal blanke westerse volken die tegenwoordig gewoon onder de noemer ‘blank’ samengevat zou worden. Het was ook normaal om biologische verschillen te onderzoeken tussen de verscheiden blanke rassen en in termen van superieur en inferieur conclusies te trekken. Veel landen in het westen, vooral de Protestantse landen, hadden centra die rassenbiologische hygiëne nastreefden, bijvoorbeeld had de afdeling rassenhygiëne aan het Zweedse Karolinska Instituut duizenden mensen nauwkeurig onderzocht op zowel biologische als mentale functionering, en ruim 63 duizend sterilisaties uitgevoerd tussen de vroege jaren dertig tot medio jaren zeventig om te voorkomen dat de ‘zwakke schakels’ zich konden voortplanten (Broberg & Roll-Hansen, 2005). Ofschoon de Afrikaners ook Protestants waren, maakten deze biologische opvattingen geen deel uit van de gedachten die de Afrikaners over ras koesterden.

In tegenstelling tot deze linkse opvattingen over rassenbiologie, waren de rechtse denkers conservatief en kerkelijk ingesteld en geloofden dat God alle mensen gelijk geschapen heeft. 105

De Nederlandse staatsman en theoloog Abraham Kuyper (1837 – 1920), die veel indruk maakte op de Afrikaners, stelde dat ofschoon verschillen in beschaving bestaan en mogelijk ook wetenschappelijke verschillen bestonden tussen rassen, heeft God de mensen gelijk geschapen en daarom dienen mensen van alle rassen gelijkwaardig behandeld te worden. Voor Kuyper kreeg het calvinistische geloofsbelijdenis dat alle mensen gelijk zijn voorrang boven standpunten over rassenbiologie (Harink, 2002). Kuypers denken over ras was veel meer typerend van hoe de Afrikaners omgingen met rassenkwesties dan de progressieve opvattingen van de rassenbiologen. Een verdeeldheid bestond echter tussen de Gereformeerde Kerk en DF Malan van de Nasionale Party. De Gereformeerden zagen zich als Gods uitverkoren volk, in tegenstelling tot Malan. Laatstgenoemde benadrukte wel de unieke, godgegeven identiteit van de Afrikaners, maar was niet te vinden voor de opvatting dat zij boven andere volkeren stonden, die hij een valse en lasterlijke aantijging vond. Ieder volk had volgens hem zijn eigen identiteit en het is de bedoeling deze identiteit te handhaven en op eigen wijze te ontwikkelen. Onder de conservatieve Afrikaners wordt ook gezegd dat vermenging van rassen tegen de ‘scheppingsorde’ indruist, en dat deze vermenging de enige onomkeerbaarheid vormt waardoor een cultuur zich niet behoorlijk naar de volgende generaties kan overdragen, vooral niet in een land als Zuid-Afrika dat heel ingrijpende cultuurverschillen tussen de bevolkingsgroepen kent. Men riskeert vervreemding als een generatie jongeren het leven moet trotseren terwijl de waardes en normen waarmee zij opgevoed zijn niet overeenstemmen met de dominante cultuur.

Naar aanleiding van de herhaalde aanvallen op de Afrikaners wegens hun vermeende ongepaste opvattingen van andere rassen had de krantenredacteur Piet Cillé (1917 – 1999) van dagblad Die Burger op 25 november 1952 het volgende repliek op een toen verschenen publicatie geschreven: “Een wetenschapper die aan witte en zwarte kinderen intelligentietoetsen geeft en plechtig bevindt dat hun inherente mogelijkheden weinig verschillen, zegt de staatsman weinig wat direct nuttig is voor de regeling van betrekkingen tussen wit en zwart. Hoe helpt het bijvoorbeeld Duits-Hollandse of Joods-Arabische en Brits-Amerikaanse betrekkingen om te weten dat ‘alle mensen veel meer eens dan anders zijn’? Zouden Hitler en Churchill elkaar beter begrepen hebben als een UNESCO rapport, ondertekend door ’s werelds vooraanstaande geleerden, bij hen erop aandrongen dat zij biologisch veel meer overeenkomen dan verschillen? Het propageren van zulke ‘wetenschappelijke’ bevindingen 106

over ras alsof dit de gouden sleutel is in staatkundige kwesties van betrekkingen tussen rassen en volkeren, is inderdaad zo naïef en potentieel verderfelijk als de prediking van de hoogste voorschriften voor individueel gedrag in dezelfde omstandigheden.

Cillé schrijft dat de opvattingen van blanken in Zuid-Afrika niet rasideologisch van aard zijn. “Hij zegt:’Inderdaad - hoewel de schrijver nalaat erop te wijzen – zijn de blanken van ZuidAfrika bijzonder vrij gebleven van de rassenmythologieën die de wereld bij wijze van reactie op Hitler zo bijna sadistisch vernietigt. Ik ken slechts één oude kerel die gelooft dat gekleurde mensen Chamskinderen en eeuwig vervloekt zijn, en geen pseudowetenschappelijke mythes over ras worden doelbewust in Zuid-Afrika gepropageerd. De instelling van de ZuidAfrikaanse blanke meen ik is over het algemeen zakelijk en realistisch: als groep draagt hij blijkbaar een hogere beschaving dan de groepen om hen, en ook als er in de verre toekomst geen verschil in beschavingspeil zou zijn zal hij nog een eigensoortige volkschap tot de dood toe willen beschermen, wetenschappelijk of niet.”

In 1960 toen de grote crisis het land trof na het Sharpeville incident, de reacties vanuit het buitenland, de anarchie in de Kongo schrijft Jaap Steyn, de biograaf van Cillé: “Ondanks zijn bedenkingen over de regeringsleiders heeft Cillé niet geaarzeld om buitenlandse waarnemers scherp te bekritiseren over hun oppervlakkige zienswijzen. Zo heeft Die Burger op 14 juli 1960 de wereldberoemde Sir Julian Huxley terechtgewezen omdat hij “al de valse propagandistische veronderstellingen” over de grondslagen van het [apartheid]beleid zomaar slikte. Zonder onderzoek in te stellen, weet deze grootse geleerde dat: “wij geloven in de inherente en permanente minderwaardigheid van anderen”. Huxley heeft niet de minste moeite gedaan zich werkelijk op de hoogte te stellen van wat Afrikanergeleerden en kerkelijken werkelijk denken en geloven over rassenverschillen. “Wij weten van géén onder hen, en trouwens van geen politieke leider, die de inherente en permanente meerderwaardigheid van de witte ras verkondigen. Ons rassenbeleid is nog nooit gerugsteund door pseudowetenschappelijke theorieën en filosofieën. Het is wel gebaseerd op de empirische feiten van ongelijke beschaving, die Sir Julian Huxley zelf toegeeft. Het is een poging om de eisen van zelfbehoud en de bescherming van beschaafde standaarden te verzoenen met de vordering en bevrijding van de niet-blanke rassen.” (Geciteerd uit Steyn, 2002).

107

Om verder aan te geven hoe één der laatste groot apartheiddenkers, Jaap Marais (1923 – 2000) dacht over het hoge percentage niet-westerse volkeren in Amerikaanse en Australische gevangenissen, antwoordde hij:”De niet-blanken in de betrokken staten belanden niet in de gevangenis omdat zij primair tot misdaad geneigd zijn, maar omdat zij als individuen van één ras gelijk behandeld worden met individuen van een andere ras. Daaruit volgt aanpassingsproblemen, frustratie en uiteindelijk misdaad, met vervolgens de ontneming van vrijheid en daaruit voortvloeiend de last die op de maatschappij geplaatst wordt. Dit vloekt luid tegen sociale gerechtigheid” (Marais, 1990. p.87).

Duidelijk blijkt dat de Afrikaners hun mening over rassenverschillen hoofdzakelijk baseerden op de complexe wisselwerking tussen rassen en cultuurverschillen. Verwoerd was van mening dat er geen biologisch verschil bestond tussen de grote rassengroepen, oftewel de Europeaan en de Afrikaan, en aangezien er aldus hem geen verschil bestond was ras geen factor in de ontwikkeling van de hogere beschaving van de Kaukasische ras (Millar, 1993:650). Ofschoon hij een korte tijd in Duitsland had gezeten was Verwoerd niet onder de indruk van de Nazi opvattingen over ras, en schaarde zich veel eerder achter de Amerikaanse sociaalwetenschappers die zich hadden ingezet voor “social engineering” met het doel om conflicten in de toekomst uit te schakelen (Giliomee, 2008). Het getuigt om deze reden van intellectuele onoprechtheid om Verwoerd en de leidende figuren in de Nasionale Party als racisten te beschouwen. Op biologisch gebied was hij duidelijk, maar hij geloofde wel in het verschil tussen cultuur en dat deze dikwijls gepaard ging met ras. Omdat hij niet geloofde in een inherente minderwaardigheid of meerderwaardigheid tussen rassen zijn beschuldigingen van racisme tegen hem zeer betrekkelijk en eerder onwaar dan waar. De strikte scheiding die hij had voorgestaan was juist om ieder volk de ruimte te geven te ontwikkelen op zijn eigen manier, met behoud van ieders eigenheid. Zodoende is het niet van toepassing te praten over ‘superieur’ of ‘inferieur’ tussen volkeren aangezien ieder op zijn eigen manier groeit en moderniseert, met als hoofddoel om juist fundamenteel weg te breken uit de ongelijke verhouding die gedachten rond superieur en inferieur mogelijk maken. Verwoerd identificeerde terecht dat zodra de Bantoebevolking overweldigd wordt door westerse gedachten, idealen, taal en opvoeding zou dat ten koste gaan van een gezonde eigen identiteit, en hiermee zou de weg gebaand worden tot gevoelens van minderwaardigheid van de Bantoe, met al de negatieve stereotypes rond het zwart-zijn als pijnlijke ‘eigen’ identiteit. Ironisch vond deze gedachtegang bijval bij niemand minder dan de stichter van de Zwarte Bewustzijnsbeweging Stephen Bantu Biko (1946 – 1977). Biko argumenteerde dat zwarten in 108

Zuid-Afrika een driehonderd jaar minderwaardigheidsgevoel hebben die zij moeten overkomen. Dat heeft niet alleen hun zelfvertrouwen aangetast, maar hun gehele zelf ‘leeggehaald’ en hun vervolgens in een inerte toestand achtergelaten. Dit stemt overeen met de opvatting van de Frans-Antilliaanse psychiater en geestgenoot Frantz Fanon (1925 – 1961) dat de zwartman zich moet bevrijden van de ‘gekoloniseerde geest’, want zoals Biko ook stelde is het grootste wapen in de handen van de verdrukker de geest van de verdrukten. Op deze manier ontstaat er een slavenmentaliteit die alleen middels revolutionair optreden ongedaan gemaakt kan worden, aldus Fanon. Biko schreef dat de eerste stap is om de zwartman naar zichzelf te laten komen, om opnieuw leven in zijn lege huls te pompen en hem te vullen met trots en waardigheid, om hem te herinneren aan zijn medewerking aan de misdaad dat hij zichzelf laat misbruiken waardoor het kwaad kan gedijen (Biko, 1978:29, geciteerd in Hook, 2004:108). Zoals af te leiden valt waren de gedachten die Verwoerd, Fanon en Biko koesterden rond zwarte bevrijding grotendeels gelijkgestemd geweest, en de vroegere partijbonzen van de Nasionale Party vonden in Biko ook een belangrijk inspiratiebron, aangezien zijn concept van zwart bewustzijn en het herontdekken van de eigen cultuur hetzelfde in het oor klonk als de slagspreuk van de Afrikaner cultuurleider dominee JD Kestell (1854 – 1941) namelijk: “Een volk redt zichzelf”. Met dit motto hadden de Afrikaners zich uit de pijnlijke nasleep en verarming van de Boerenoorlog getrokken en hiermee hoopten zij dat de zwarten de weg van hun bevrijding op een soortgelijke manier zouden vinden. Het is een ongelukkige historische verwikkeling dat Verwoerd in 1966 vermoord werd en nooit de kans had gekregen om Biko persoonlijk te ontmoeten. Het is uiteraard zeer speculatief maar de kans bestaat dat als deze heren elkaar gesproken zouden hebben en elkaar op de hoogte hadden gesteld over hun beider standpunten dat Zuid-Afrika in de stormachtige jaren ’80 veel leed bespaard zou zijn gebleven.

Als er een blank volk was dat zich vooral uitliet over zijn eigen rassensuperioriteit, dan waren het de Engelsen. Engeland stond aan de top van zijn imperium en pochte dat de zon niet zakte op het Britse Rijk. De hooghartigheid die de Engelsen koesterden over hun eigen ras hadden zij niet bepaald subtiel aan de andere volkeren overgedragen, ook niet in Afrika waar zij zich superieur achtten aan zowel de Bantoestammen als de blanke Afrikaners. De arts dr. H.L. Gordon stelde bijvoorbeeld in The East African Medical Journal (1943, geciteerd uit Burns 1948) dat een zeer technische analyse op de hersenen van een honderd inboorlingen aan het oosten van Afrika aangetoond had dat er een neurologische minderwaardigheid te bespeuren 109

viel, ‘een 14.8% minderwaardigheid om precies te zijn’ (Burns, 1948:101). De koloniale gouverneur Sir Alan Burns (1887 – 1980) stelde dat het ‘moeilijk te behappen valt dat het wetenschappelijk bewezen is dat de zwartman inherent minderwaardig is aan de blanke of dat hij van een ander ras afstamt’ (idem, p. 108). Onbekend is welke criteria deze geleerden gebruikt hadden om de superioriteit/inferioriteit van de volkeren of hun hersenen vast te stellen, en of zij de rol van de omgeving meegenomen hadden in hun analyse. Afhankelijk van de omgevingsinvloeden kunnen ook de hersenstructuur zich erbij aanpassen, en steeds meer onderzoek wijst erop dat de hersenen eerder als een klier functioneren dan een onbuigzaam orgaan. Ook had Albert Einstein relatief lichte hersenen en Plato had een vrij kleine hersenruimte, waardoor de opvatting dat hersenvolume invloed heeft op mentale functionering niet gevonden is. In ieder geval werd geen acht geslagen op het evolutionaire proces dat het lichaam over duizenden jaren heeft doorstaan om bij de omgeving aan te passen, en om te spreken van superieur of inferieur is uiteindelijk een vrij willekeurig waardeoordeel, met als achterliggende bedoeling een rechtvaardiging om over anderen te heersen, hetgeen in de tijdsgeest paste van het Britse imperialisme.

Naast de Bantoevolkeren waren de blanke Afrikaners ook niet bespaard gebleven van de Engelse gesel: De Britse avonturenromanschrijver Sir Henry Rider Haggard (1856 – 1925), bekend om werken als Zij en Ayesha en De mijnen van Koning Salomo, stak zijn haat tegen de Afrikaners niet onder stoelen of banken. Hij zag hun aan voor een gemengde ras die van verschillende Europese komaf stamden, en dan ook nog ‘ondertrouwd waren met zwarten’. Dit gebrek aan rassenzuiverheid was voor hem een voorteken van evolutionaire teloorgang en uiteindelijk nationale ondergang (Shannon, 1974). Hij beschreef een hoogtepunt in zijn leven was op 24 mei 1877 toen de Britse vlag gehesen werd boven Pretoria en beschouwde het als de opdracht van de Engelsen om de ‘mindere rassen te overwinnen en in onderwerping te houden’ (Haggard, 1877). Hij was dan ook woedend en voelde zich verraden toen de Britse minister-president William Gladstone, onder druk van de Zoeloe oorlogen en weerstand van de Transvaalse Boeren aanvankelijk afzag van verdere imperiale expansie in het binnenland van Zuid-Afrika. In een ander incident noteerde een bekende Afrikaner journalist en maatschappelijk werkster, Maria Elizabeth Rothmann (1875 – 1975) in haar dagboek haar ontmoeting met de rector magnificus van de (Engelstalige) Universiteit van Kaapstad Sir John Carruthers Beattie in de jaren ‘20. Tijdens een openbare vergadering stelde Beattie onder applaudisserende instemming even nonchalant dat de Afrikaners een genetisch minderwaardig ras zijn 110

vanwege hun onvermogen zich uit hun armoede op te heffen (M.E.R., 1972). De rol die de Engelsen gespeeld hadden de Afrikaners te verarmen had hij waarschijnlijk over het hoofd gezien. Zelfs in de jaren ’70 kwam er vanuit de Engelse gelederen in Zuid-Afrika aanvallen op de Afrikaners, zinspelend op hun biologische minderwaardigheid. De antiapartheid schrijfster Nadine Gordimer heeft jarenlang boeken en artikelen geschreven waarin Afrikaners voor abjecte karikaturen werden gehouden. In haar roman De milieubeheerder (1974) schrijft zij over een Afrikanermoeder en haar kind dat “…het is een mooi kind, zoals je dat bij hen vaak ziet – en ze zal opgroeien – tot hetzelfde soort wezenloze knol als haar moeder…binnengaan bij een van die vrouwen moet voelen alsof je hem in zo’n vlezige, sappige plant stopt waar mannen in het vreemdelingenlegioen zich mee moeten behelpen.” Voor deze roman ontving zij de prestigieuze Man Booker prijs en de Nobelprijs voor de Letteren viel haar te beurt in 1991.

Vooral na de val van het Derde Duitse Rijk toen dergelijke opvattingen over ras finaal tot het taboesfeer begonnen te behoren, liepen de Engelsen voorop om de Afrikaners te beschuldigen van rassensuperioriteit en Nazipraktijken jegens zwarte Zuid-Afrikanen. Een bekende schrijver op dit gebied was de communist en krantenredacteur Brian Bunting (1920 – 2008). In zijn boek The Rise of the South African Reich (1964) stelde hij dat het beleid van de Afrikaners direct werd overgenomen van Nazi-Duitsland, welke later tot de bekende, hardnekkige mythes uitgroeide over het aparte ontwikkelingsbeleid van Verwoerd. De heer Bunting was waarschijnlijk vergeten dat meer dan honderdduizend Zuid-Afrikanen zich juist het leger in gegaan waren om tegen de nazi’s en de fascisten in Europa ten strijde te trekken. Om de Afrikaners alsnog voor genocidale nazi’s te verklaren werd opnieuw leven ingeblazen rond het verhoor van cardioloog Wouter Basson, “de Mengele van Pretoria”. Basson werd in 2002 zowel de gewone rechtbank als in hoger beroep op 67 aanklachten unaniem vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, tot groot ongenoegen van het ANC. Sindsdien is het ANC en de liberale persen voortdurend bezig Basson te discrediteren en ‘bewijzen’ in te zamelen om hem alsnog gestraft te krijgen.

Duidelijk blijkt dat de Engelse elite geen liefde heeft voor de Afrikaners. Deze frustratie die de Afrikaners voortdurend ondervinden werd goed verwoord door Afrikaner schrijver en politicus CJ Langenhoven toen hij in 1931 een Engelse parlementariër vroeg waarom zij (de Engelsen) het beleid van de Afrikaners altijd racisme noemen, terwijl de Engelsen hun racisme altijd beleid noemen. Sinds de Engelsen de Kaap gekoloniseerd hadden zagen zij de 111

Afrikaners voor onmensen aan, en dit sentiment heeft tot in de tegenwoordige tijd invloed op hun denken. De voormalige Zuid-Afrika correspondent van De Telegraaf, wijlen Sibolt van Ketel, maakte hier melding van in zijn boek Alles sal reg kom: Een kroniek van Zuid-Afrika (2003; p.81): “Het is buitengewoon riskant om het te zeggen, maar het moet me van 't hart: de haat tegen de apartheidspolitiek werd bij Engelssprekende Zuid-Afrikanen ingegeven door hun haat tegen de Afrikaners. Ik heb er zelfs een van de beroemdste vechters tegen de apartheid op betrapt: Helen Suzman, inmiddels al in de tachtig en nog steeds strijdlustig, tot voor 1994 tegen de apartheid en nu tegen de excessen van de ANC-regering. Er is geen twijfel mogelijk: Helen Suzman was decennialang het geweten van de blanke Zuid-Afrikanen in hun verzet tegen de apartheid. Maar in het vuur van een gesprek, dat ik in de jaren zeventig met haar had, zei ze: "I hate the Afrikaner. I hate his ways, his language and of course his politics (Ik haat de Afrikaner. Ik haat zijn gewoontes, zijn taal en natuurlijk zijn beleid)”

Deze stelling van Van Ketel geldt vooral voor de elite Engelsen in Zuid-Afrika. Bij de gewone Engelsman in de middenklasse was de haat tegen de Afrikaner niet erg diepgeworteld en bleef hoofdzakelijk bij een bekoelde vriendschap, aangezien zij met dezelfde politieke problemen te maken hadden als de Afrikaners. Het is om die reden niet juist dat alle Engelsen zich vurig verzet hadden tegen de apartheid, en zij waren pakweg in eenzelfde mate te vinden voor de segregatiepolitiek als de Afrikaners. De meesten hebben in de vroege jaren ’80 nog hun steun ten gunste van het apartheidbeleid aan de stembus bevestigd. De stichter van de Nasionale Party, James Barry Munnik Hertzog (1866 – 1942) wist de Engelsen over te halen naar zijn partijidealen door te stellen dat hij geen vijandige plannen met hen had, maar benadrukte uitsluitend de rol van het ultrakapitalisme dat ingeperkt dient te worden om te keren tegen een ondergang van het ordelijke samenzijn van de onderlinge Zuid-Afrikaanse volkeren. Voor hem waren de Zuid-Afrikaanse Engelsen een volk dat zich uiteindelijk zal ‘verafrikaansen’ zodra het meer verbondenheid met het land zou voelen. De Engelsgezinde oppositiepartijen daarentegen wilden ten alle koste verhoeden dat dit gebeurt en probeerden de Afrikaners juist te verengelsen zoals met generaals Jan Smuts en Louis Botha het geval was. Een columnist in de Afrikaanse zondagkrant Rapport vermeldde op 22 mei 1994 achteraf het ongenoegen dat de Engelse elite had ondervonden toen ZuidAfrika een republiek werd in 1961 door te refereren aan de Britse krantenredacteur door Lord William Deedes. Deedes meende namelijk dat de Afrikaners twee grote fouten begaan hebben: ten eerste om uit het gemenebest te stappen en ten tweede om te overleven. Ook 112

vertikte hij het dat Zuid-Afrika een rijk land werd terwijl de rest van de omliggende gemenebestlanden rond zuidelijk Afrika in armoede vervielen.

-Uitbuiting van niet-blanken. Een andere onjuiste aanname over apartheid is dat het een systeem van uitbuiting was dat tot het voordeel van de blanken strekte. Belangrijk hier is erop te wijzen dat apartheid geen economisch beleid was, maar een beleid dat algemeen door het westen werd gesteund betreffende andere rassen tot ongeveer de laat jaren ’50. Het was hoofdzakelijk een rassenbeleid en betrof de erkenning in verschillen tussen de blanke en zwarte beschavingen. Het was de bedoeling door enerzijds de overleving van de blanken in Afrika te garanderen en anderzijds de verschillende zwarte bevolkingsgroepen te ontwikkelen tot autonome en zelfredzame volkeren. Hierover sprak dr. A.L. Geyer, een apartheidtheoreticus, op 19 augustus 1953 bij de Rotary Club in Londen: “We believe that, for a long time to come, political power will have to remain with the whites, also in the interest of our still very immature Bantu. But we believe also, in the words of a statement by the Dutch Reformed Church in 1950, a Church that favours apartheid, that "no people in the world worth their salt, would be content indefinitely with no say or only indirect say in the affairs of the State or in the country's socioeconomic organisation in which decisions are taken about their interests and their future." The immediate aim is, therefore, to keep the races outside the Bantu areas apart as far as possible, to continue the process of improving the conditions and standards of living of the Bantu, and to give them greater responsibility for their own local affairs. At the same time the longrange aim is to develop the Bantu areas both agriculturally and industrially, with the object of making these areas in every sense the national home of the Bantu - areas in which their interests are paramount, in which to an ever greater degree all professional and other positions are to be occupied by them, and in which they are to receive progressively more and more autonomy” (Geciteerd uit Gordon & Talbot) (Vertaling: “Wij geloven dat, voor een lange tijd die nog voorligt, moet politieke macht bij de blanken liggen, ook in het belang van onze zeer onrijpe Bantoe. Maar wij geloven ook, om met een verklaring van de Nederduits Gereformeerde kerk uit 1950 te spreken, een kerk ten gunste van de apartheid, dat “geen mens in de wereld die zijn zout waard is eeuwig tevreden zou zijn zonder inspraak of alleen indirecte inspraak in de zaken van de staat of in de socio113

economische opbouw van het land waarin besluiten genomen worden over hun interesses en hun toekomst.” Het onmiddellijke doel is daarom om de rassen buiten de Bantoestans zoveel mogelijk uit elkaar te houden, om het proces van het verbeteren van de omstandigheden en levensstandaard van de Bantoe voort te zetten en hun meer verantwoordelijkheid te geven in hun eigen plaatselijke zaken. Tegelijkertijd is het doel op de lange termijn om de Bantoegebieden zowel agrarisch als industrieel te ontwikkelen, met als einddoel deze gebieden in elke zin het nationale thuis van de Bantoe te maken – gebieden waarin hun interesses centraal staan, waar in toenemende mate alle professionele en andere posities door hen ingenomen zullen zijn, en waar zij gestaag meer autonomie zullen ontvangen.”)

De belangrijkste Afrikanernationalisten hebben nog lang voor politieke overname in 1948 gepleit dat de blanken een plicht hadden de zwarte volkeren te ontwikkelen en op te heffen. Generaal JBM Hertzog, stichter van de Nasionale Party, stelde in dit verband in 1921 dat “wij (de blanken) hebben een plicht tegenover de naturel (Bantoe) en dat is dat wij moeten zorgen dat hij ontwikkelt.” (Pelzer, 1966). Later, op 29 maart 1948, maakte toenmalige voorzitter van de Nasionale Party dr. Daniel François Malan het beleid van zijn partij bekend: ”Het algemene landsbeleid dient zo te worden opgesteld dat dit het ideaal van uiteindelijk algehele apartheid op een natuurlijke wijze zal bevorderen…het beginsel van gebiedsegregatie tussen blanken en niet-blanken wordt in het algemeen aanvaard. De zwarte reservaten moeten het ware vaderland van de zwarte worden. Een grotere verscheidenheid van economische bedrijvigheden zullen geleidelijk tot stand gebracht worden om grotere productiviteit en stabiliteit van de reservaten te bewerkstelligen.” (Pelzer, 1966).

Het enige geval waar uitbuiting van de zwarte volkeren een element van waarheid bevat was in de Zuid-Afrikaanse mijnbouw, toen blanke mijnwerkers in 1911 betoogden voor betere arbeidsomstandigheden voor blanken, en bizar genoeg konden zij op steun rekenen van de communisten. Laatstgenoemde hebben met succes gelobbyd dat een quotasysteem ten gunste van blanken werd bekrachtigd, maar tegen de laat jaren ’60 was de werkomstandigheden van de zwarten eveneens geleidelijk verbeterd. Sinds het ANC aan de macht kwam in 1994 heeft het de zwarte mijnwerkers van een wettelijk vastgestelde minimumloon voorzien. Een nobel gebaar enerzijds, maar dit heeft anderzijds geleid tot een stijging van de werkloosheid, met 114

als gevolg een toename van onlusten en geweld onder mijnwerkers. Overigens is belangrijk hier te noemen dat de grote mijnbedrijven in Zuid-Afrika niet in de handen van de regering waren, maar deel uitmaakten van grote, internationale handelsconsortia. Beter kan gesteld worden dat deze bedrijven met hun internationale geldschieters druk hadden uitgeoefend op de overheid waar straks uitvoeriger op ingegaan zal worden.

Tijdens de apartheid vond er een grootschalige industrialisering plaats, vooral sinds de medio jaren ’50, net als overigens de meeste westerse landen. De economie van Zuid-Afrika ging hard vooruit onder de leiding van Verwoerd. Tegen ieders verwachting in was de economie tijdens Verwoerds premierschap (1958 – 1966) niet nadelig voor de niet-blanken geweest, maar hadden zij juist groot voordeel hieruit getrokken. Het blad The Financial Mail publiceerde een enquête in 1967 getiteld: “The Fabulous Years: 1961 – 1966” waarin vermeld stond dat de economie in deze periode met een gemiddeld van 7,9% per jaar groeide tegen een inflatiekoers van 2%. Op dat stadium genoot Zuid-Afrika de op één na hoogste groeikoers ter wereld en trok nieuw arbeidskrachten in de formele economische sector tegen een gemiddelde koers van 73,6% per jaar. Zwarte mensen die in de industriële sector werkzaam waren zagen hun levenstandaard verbeteren met 5,3% per jaar tegenover de blanken die indertijd met 3,9% per jaar vooruitgingen. De uitgesproken liberaal en politieke opponent van Verwoerd, Jan Botha, schreef in zijn boek Verwoerd is dead (1967) dat Verwoerd het grootste socio-economische opheffingsprogram voor gekleurde mensen had opgericht dat Zuid-Afrika nog ooit gekend had. Eveneens meldde de linksgeoriënteerde dagblad The Rand Daily Mail op 31 juli 1966 dat Zuid-Afrika met een overvloed aan welvaart zit, en een schitterend voorbeeld is van er vrede kan heersen op een moeilijk continent. Gedurende de gehele bewindsperiode van de Nasionale Party (1948 – 1994) groeide de economie met en gemiddeld van 3,5% per jaar, en vanaf de medio jaren ’70 tot 1995 verdubbelde het zwarte aandeel aan totale persoonlijke inkomstenverdieners van 20 tot 37% terwijl het blanke aandeel slonk van 71 tot 49%. Tijdens de eerste helft van de jaren ’80 zagen de blanke middenklassers hun belastingen drievoudig toenemen. Volgens het Internationale Monetaire Fonds betaalden de blanken in 1987 gemiddeld 32% inkomstenbelasting maar ontvingen slechts 9% terug in voordelen. Het gros ging naar verdere ontwikkeling van de zwarte gebieden, en zorgde ervoor dat Zuid-Afrika een van ’s werelds zwaarst belaste middeninkomsten landen werd (Giliomee, 2003a. pp. 601, 650). Op 11 februari 1987 meldde het kwartaalblad Vox Africana nr. 29 4/87 in een artikel getiteld “Die Afrikaner” dat in dat jaar telde Zuid-Afrika 18,2 miljoen zwarten tegenover 4,8 miljoen 115

blanken. De blanken droegen voor 77% en de zwarten voor 15% belasting af aan de fiscus. Desondanks spendeerde de overheid 56% van alle ontvangen belastingen aan de Bantoe. Klaus Vaque, schrijver van het boek Verrat an Südafrika (1988: 41) meldde de ervaringen van een Canadese arts die Zuid-Afrika bezocht had in 1978 waarin deze arts, dr. Kenneth Walker meldde dat hij huizen in Soweto zag staan van ruim honderdduizend dollar met een BMW in de oprit en een netjes verzorgde voortuin en bloempotten achter de ramen. Slechts 2% van Soweto bestond uit krottenwijken. Walker stelde dat als hij een keuze had te kiezen voor woningen in Soweto of New York, Chicago of Detroit met zoveel misdaad had hij geen seconde geaarzeld voor Soweto te kiezen. Ook telde Soweto indertijd meer autobezitters dan al de inwoners van de gehele Sovjet Unie samen, en beschikte over 115 voetbalvelden, 3 rugbyvelden, 4 atletiekbanen, 11 cricketbanen, 2 golfbanen, 47 tennisbanen, 7 Olympische zwembaden, 5 bowlingbanen, 81 netbalbanen, 39 speeltuinen, 300 kerken, 365 scholen, 2 technische colleges, 8 klinieken, 63 kinderdagverblijven en 11 postkantoren.

De Engels Zuid-Afrikaanse dagkrant The Citizen meldde op 2 april 1987 dat het Baragwanath ziekenhuis in Soweto – overigens het grootste ziekenhuis van het zuidelijke halfrond – 90% van al zijn bloeddonaties gratis en vrijwillig had ontvangen van blanke donoren, en in 1982 had dit ziekenhuis 898 hartoperaties van wereldformaat uitgevoerd aan de niet-blanke inwoners van dit gebied. Dit ziekenhuis beschikte over de meest moderne medische toerusting en de patiënten kregen volledig gratis behandeling hoofdzakelijk op de kosten van de blanke belastingbetalers. In 1978 had dit ziekenhuis 450 artsen in dienst en behandelde in dat jaar 112 duizend opgenomen en 1,62 miljoen poliklinische patiënten. Dit veroorzaakte dat het kindersterftecijfer in Soweto op 34,7 per duizend lag en was hiermee nog lager dan in de New Yorkse wijk Harlem. Overigens was het Bantoe kindersterftecijfer fors gedaald onder Nasionale Partybewind. In 1949 stierven er 280 Bantoekinderen per duizend en tegen 1961 was het teruggelopen naar 62 per duizend. Wie vandaag echter in dit ziekenhuis wordt opgenomen met een aandoening kan makkelijk tot drie dagen in een gang op een krakkemikkig bed blijven liggen voordat er aandacht aan wordt besteed, terwijl de in 2009 overleden ANC minister van volksgezondheid, Manto Tshabalala Msimang, meende dat aids met kruidenmiddelen te genezen valt. Zij overleed aan de gevolgen van zwaar alcoholmisbruik nadat zij zowel haar eigen lever en een nieuwe getransplanteerde lever vergiftigd had. NRC necrologie van 21 december 2009 meldde dat volgens onderzoekers aan Harvard Universiteit heeft haar ontwijkende houding over aids aan ruim driehonderdduizend

116

Zuid-Afrikanen het leven gekost. In de jaren ’70 – ’80 zou deze nonchalante ingesteldheid van de minister van volksgezondheid ondenkbaar zijn geweest (Zie bijlage).

De propaganda over uitbuiting was echter in volle zwang, en de Britse krant The Guardian publiceerde honderden artikels om de schreiende toestand waaronder zwarte Zuid-Afrikanen moesten werken aan het Britse publiek te brengen. Vermeld werd dat de lonen op de grens van een hongerloon lagen, en in de maand april 1973 publiceerde dit blad zoveel als 188 artikelen over de grootschalige uitbuiting van zwarte Zuid-Afrikaanse werkers. Dit noopte de parlementariër William Rodgers van de Britse Labour Party om een onderzoekscommissie aan te stellen om de lonen van Zuid-Afrikas ongeschoolde arbeiders te onderzoeken en te vergelijken met de lonen in andere soortgelijke landen. De Commissie Rodgers kwam uiteindelijk met interessante gegevens naar buiten: Op de Zuid-Afrikaanse landbouw, met name de suikerplantages in de provincie Natal verdiende zwarte arbeidskrachten vijf keer meer dan theebladplukkers in Sri Lanka, een voormalig Britse kolonie, en zwarte mijnwerkers nuttigden drie keer per dag een calorierijke maaltijd op kosten van de zaak. Ongeschoolde zwarte arbeiders in Zuid-Afrika verdienden eveneens gemiddeld vijf keer meer dan ongeschoolde werkers in voormalige Britse koloniën als Ghana, Kenia of Oeganda. De commissie ontdekte verder dat Engeland hun eigen Jamaicaanse, Indiase en andere gekleurde arbeiders ruim beneden de minimumnorm betaalde die voor blanke werkers golden. Ook werd gevonden dat in Hong Kong, een toenmalige kroonkolonie van Engeland de Chinese arbeiders tussen een zeventigste en een honderdste zoveel als de Europese norm ontvingen, uitbetaald door Britse bedrijven terwijl meer dan dertigduizend kinderarbeiders werkzaam waren in dit gebied dat op dat stadium al illegaal was. Desniettegenstaande hadden de Engelsen en de Amerikanen gidsen in Zuid-Afrika verspreid waarin geopperd werd dat een vastgestelde minimumloon van 140 dollar per maand aan Zuid-Afrikaanse ongeschoolde arbeiders uitgekeerd zou moeten worden. Naar aanleiding van deze bevinding besloot een onderzoeksjournalist bij het Washington Censusbureau aan te kloppen om te achterhalen hoeveel Amerikanen aan deze ‘minimumloon’ voldeden, en ontdekte dat vierentwintig miljoen Amerikanen beneden deze norm lagen waarvan de meerderheid Afro-Amerikaans was (De Villiers, 1975: pp. 159-163). Met deze acties van de buitenlandse mogendheden begint het erop te lijken dat zij een verborgen agenda hadden om Zuid-Afrika tot paria te reduceren.

117

Overigens, een ander voorbeeld waar een Bantoevolk enorm geprofiteerd heeft van het werk van een blanke kan gevonden worden bij de Koninklijke Bafokeng Natie. De Duits - ZuidAfrikaanse geoloog Hans Merensky (1871 – 1952) ontdekte in de noordoost Transvaal een platina ertslaag, inmiddels bekend als de Merenskyrif welke 75% van ’s werelds alluviale platina bevat. De aanwezige Bafokeng stam had ruim honderd jaar geleden land gekocht in dit gebied toen Merensky in 1925 deze kostbare erts ontdekte. Naar schatting heeft Royal Bafokeng Platinum, het holdingbedrijf van de platinamijnen een geschatte waarde van 30 miljard rand (ruim 3,1 miljard euro), terwijl de Bafokeng stam driehonderd duizend leden telt. Hierdoor heeft de Bafokeng de eer verkregen om als rijkste stam van Afrika bekend te staan. Vanwege de stijgende prijs van kostbare mineralen in moeilijke economische tijden kan verwacht worden dat de Bafokeng zich goed zal handhaven de komende tijd.

Deze grootschalige opheffingsproject was een belangrijk onderdeel waarmee de apartheidsintelligentsia haar positie rechtvaardigde, door de zwarte bevolking alles te gunnen wat zij graag zelf ook zou willen hebben voor haar eigen mensen, en vormt de hoeksteen van het Afrikanernationalisme. Onder de apartheid waren de zwarten evenwel gerechtigd op hun eigen scholen, kerken, woongebieden, thuislanden en regeringen net als de blanken, maar vanwege dreigende onlusten, snelle verstedelijking en grote verschillen in cultuur tussen de volkeren vond Verwoerd het noodzakelijk zoveel mogelijk een systeem van beperking in te voeren om de ongeremde toestroom naar de steden te voorkomen, teneinde verdere conflict en maatschappelijke desintegratie te voorkomen. Vandaar de verhoogde behoefte om de thuislanden te reserveren voor dit doel (Giliomee, 2003) (Marais, 1996).

In groot contrast tot de Nasionale Partyregering, heeft het ANC sinds 1994 een funest neoliberaal economisch beleid ingevoerd. Dit gebeurde nadat jarenlang beloften aan het publiek gemaakt werden dat het Reconstruction and Development Progtramme (RDP) toegepast zou worden met een ‘bemachtiging voor iedereen’. Maar alvorens dit beleid in werking gezet kon worden zou een alternatief neoliberaal macro-economisch beleid Growth, Employment and Redistribution (GEAR) als eerst geratificeerd worden dat zich meer boog over het corporatieve belang van de Zuid-Afrikaanse economie. Gezegd werd dat dit beleid een voorloper was van het RDP om deze straks beter in werking te zetten. Echter, zodra iemand kritische vragen hierbij stelde werd hij als vijandig voor de democratie bejegend. Door gebruik te maken van zijn gewone revolutionaire taal, antwoordde ANC topman en later president van Zuid-Afrika Thabo Mbeki in 1994: “Wij moeten begrijpen dat de nieuwe 118

democratie niet een vijandig toezicht kan toelaten van het democratische proces en van de deelnemers ervan” (McKinley en Veriava, 2005. p. 63). Mbeki heeft kennelijk het liefst een ondoorzichtige overheid terwijl zijn kiezers zich steeds vaker gingen afvragen in wat voor ‘democratie’ zij wonen. In een verdere poging om deze ommezwaai in beleid aan zijn kiezers te rechtvaardigen, zei Mbeki: “Wij moeten hard werken om te verzekeren dat onze kern, de eerste economie, groeit en ontwikkelt om de welvaart te genereren om ons doel van een beter leven voor allen te bereiken … armoede en onderontwikkeling werkt als een kluister op de verdere ontwikkeling van de eerste economie” (Idem. p.67). Uit dit citaat blijkt duidelijk dat Mbeki armoede als een belemmering voor de ambities van de machtige elite beschouwt. In een ontwikkeling die doet denken aan George Orwells Animal Farm heeft de nieuwe elite dit GEAR programma gebruikt voor corporatieve zelfverrijking en de gewone Zuid-Afrikaanse bevolking letterlijk verraden en in verdere armoede achtergelaten. In plaats van een socialer beleid in te voeren werd een genadeloos kapitalisme het gezicht van postapartheid ZuidAfrika. Ofschoon de ANC regering zich voortdurend op de borst klopte over de huizen die zij opgericht en elektra die zij aangesloten had, is de realiteit dat het leven voor de meerderheid arme zwarten steeds harder op achteruitging. Het heeft weinig zin elektra aan te leggen als men er niet meer voor kan betalen of huizen op te richten terwijl evenveel anderen op straat gezet worden. Ook de kwaliteit van de nieuwe woningen liet te wensen over. De ‘luciferdoosje’ woningen die tijdens de apartheid werden opgericht besloegen ruim 80 vierkante meter aan vloerruimte, terwijl de nieuwe ANC woningen slechts een vloeroppervlakte van 30 vierkante meter opnamen, vandaar menen de critici dat de ‘Mandelahuisjes’ de helft zo groot waren als de ‘Verwoerdhuisjes’ (Gibson, p.16). In 2003 beliep het achterstand om basisdiensten op te richten voor de armste bevolkingsgroep tussen de 47 en 52 miljard rand (ongeveer 4,7 – 5,2 miljard euro) en deze liep nog verder op met een miljard euro per jaar (Idem. p. 67). De zwakkere schakels van de bevolking zijn in toestanden van enorme armoede teruggezakt, en ondanks het feit dat het ANC huizen aanbouwde bleef het aantal krottenwijkbewoners ruim één derde van de stedelijke bevolking uitmaken. McKinley en Veriava (2005, p.25) melden dat tussen 1995 en 2000, min of meer Mandelas ambtstermijn, is het gemiddelde inkomen van Bantoe huishoudens met 19% gedaald. De armste helft van de bevolking verdiende in 2000 slechts 9,7% van alle verdiende inkomens in Zuid-Afrika (in 1995 lag het nog op 11,4%), terwijl de welvarendste 20% van het land 65% van alle inkomens voor zijn rekening nam. Internet nieuwsverschaffer Independent Online meldde op 8 december 2001 dat sinds Mandelas vrijlating in 1990, tot 2001 is de waarde van de Zuid-Afrikaanse munt – de rand - met 76% gedevalueerd. 119

De meest formidabele economische prestatie die het ANC geleverd heeft is om de torenhoge inflatie terug te dringen tot een fatsoenlijker niveau. Als gevolg van de wereldwijde boycot en disinvestering tijdens de apartheidjaren is de inflatiekoers opgelopen tot een onacceptabel dubbelcijfer niveau, en ANC minister van financiën Trevor Manuel werd geroemd voor zijn inzet om de inflatiespiraal te doorbreken. Vanwege de lompe manier waarop hij te werk ging met stijgende armoede en instabiliteit als gevolg is het te betwijfelen of het de moeite waard was op deze manier de inflatie terug te dringen. Zoals een krantencolumnist stelde heeft hij ‘de tumor succesvol verwijderd maar de patiënt heeft het niet overleefd’.

Moeletsi Mbeki, broer van voormalig president Thabo Mbeki, heeft veel minder goede woorden voor de manier waarop het ANC het land verarmt. Hij beschrijft het beleid van zwarte economische bemachtiging als een systeem dat uiteindelijk neerkomt op een omkoperij van zwarten in de hoge middelklasse om het belangrijkste uitvoerproduct, de mineralen, niet te verstoren met plannen die mogen wijzen op nationalisering. Hij stelt dat de zwarte hoge middenklasse vrijwel geen rol speelt in de eigenaarschap en beheer van de productieve economie. De voornaamste rol van de zwarte middenklasse is om welvaart te herdistribueren in de richting van het consumentisme. Deze klasse bestiert (of liever verongelukt) slechts een aantal overheidsbeheerde ondernemingen dat zij van de vorige regering geërfd heeft. Mbeki schrijft dat het doel van CODESA II - de tweede onderhandelingsfase naar een nieuwe bedeling in 1992 - was om het beheer van de mineralen-energiecomplex aan de grote corporatieve bedrijven te garanderen. Zwart economische bemachtiging door positieve discriminatie was een beloning voor samenwerking (Mbeki, 2009). Verder meent Mbeki dat de exploitatie van het mineralenrijkdom een nadelige werking op de economische ontwikkeling heeft. Een kwart van de Zuid-Afrikaanse bevolking is afhankelijk van een uitkering. In plaats dat actieve maatregelen genomen worden om werk te creëren en de economie op een gezonde manier te stimuleren wordt er ‘geteerd’ op de mineralen, hetgeen op den duur een de-industrialisatie voor Zuid-Afrika zal betekenen. Op deze manier raakt Zuid-Afrika zijn concurrentiepositie in de wereld kwijt waardoor een gezond kapitalisme, bestaande uit een ondernemende middenklasse niet kan ontwikkelen. Net als de pseudostaten in Zuidelijk Afrika bestaat deze zwarte hoge middenklasse niet uit ondernemers maar vriendjes van kapitalisten die gepaaid worden door de grote spelers op eenzelfde manier waarop de internationale mogendheden Afrikaanse regeringen elders zoet houden met hulpprojecten. Neocosmos (2008: 587) beaamt hetzelfde standpunt dat de nieuwe zwarte elite, de zogeheten ‘black diamonds’, niet 120

meewerken om het land te verrijken of te ontwikkelen, maar om korte termijn winstbejag na te streven terwijl de helft van de bevolking in armoede verkeert. Er is een cultuur ontstaan waarin corruptie over de gehele ambtenarij welig tiert zonder vrees van vervolging en waar zelfverrijking gelijkgesteld wordt met sociale hulpverlening en korte termijn bejag gelijkgesteld wordt aan ontwikkelingshulp.

De vraag die aandacht verdient is waarom de Bantoe, ondanks al deze ambitieuze ontwikkelingen tijdens de apartheid nog relatief armer gebleven zijn vergeleken met de blanken of Aziatische Zuid-Afrikanen. Deze tendens geldt niet alleen voor Zuid-Afrika, maar voor de meeste landen in Afrika beneden de Sahara. Sinds de dekolonisatie is Afrika behoorlijk verarmd geraakt en lijkt zich nu moeilijker uit zijn ellende te tillen dan veertig jaar geleden. Het meest algemene verhaal is de rol die buitenlandse investeerders spelen die er baat bij hebben Afrika in de grip van armoede te houden voor hun eigen gewin. Hier is ongetwijfeld een element van waarheid in, maar door alleen deze zijde van het verhaal op te roepen verblindt men zich voor andere factoren die een veel groter invloed hebben op het welbevinden van de Bantoe. De Bantoe verkeert de afgelopen honderden jaren in een staat van armoede, en kan om deze reden niet alleen met een marxistische verklaring afgedaan worden als pure uitbuiting. Op deze vraag kunnen twee antwoorden gegeven worden. Ten eerste is het een belangrijk onderdeel van de Bantoecultuur om zoveel mogelijk kinderen te verwekken opdat zij voor de ouders kunnen zorgen bij bejaardheid of ziekte. Meer kinderen betekent betere verzorging, zekerheid en meer arbeidskrachten die de bestaansboerderijen kunnen draaien. Deze opvatting contrasteert met de westerse manier van denken, waar het aantal kinderen bepaald wordt door de inkomsten die verdient wordt zodat er proportioneel genoeg geld overblijft om aan de maandelijkse behoeften te voorzien. In de westerse cultuur staat minder kinderen voor een groter percentage besteedbare inkomsten. Een inmiddels overleden econoom aan de Universiteit van Stellenbosch, dr. Jan Sadie, had berekend dat als de Bantoe gemiddeld evenveel kinderen hadden verwekt als de blanken hadden zij dubbel zoveel welvaart kunnen genereren dan het geval was. Dezelfde factor die hen in relatieve armoede hield – het hoge geboortecijfer – was verantwoordelijk geweest voor de gigantische bevolkingsexplosie waardoor zij de blanken makkelijk aan de stembus konden verslaan in 1994 en tot de grotere politiek konden toetreden. De demografische overwicht was ook de belangrijkste reden geweest om de apartheid ten val te brengen.

121

Een tweede oorzaak voor de relatief hoge armoede onder de mensen van Afrika ligt dieper en heeft te maken met de manier waarop zij de wereld waarnemen. Het lijkt contradictoir met de bovenvermelde oorzaak, maar is niet helemaal het geval. Bij een westerse mens zien wij dat hij zijn tijdsverloop indeelt in het verleden, heden en de toekomst. Het heden, zijn wereld van hier-en-nu bestaat uit een klein puntje in zijn reis door het leven, zijn verleden achter hem en zijn toekomst voor hem. Hij ziet zich op de toekomst afsturen en werkt proactief om eventuele toekomstverwachtingen te realiseren. Dit veroorzaakt dat hij geneigd is te sparen en bereid is om opofferingen te maken in het heden zodat hij meer vrijheid in de toekomst kan krijgen. Bij de Bantoe is dit niet het geval. Om naar Carroll Quigley (1966) te verwijzen denkt een westerse mens in termen van verleden, heden en toekomst, terwijl de Bantoe denkt in termen van voltooide en onvoltooide actie. Het verleden bij de Bantoe is behoorlijk uitgebreid, en het heden is breder en omvattender uitgestrekt dan bij een westerse mens. De Bantoe denkt meer in termen van wat er in het hier-en-nu gedaan is en nog gedaan moet worden, welke gaat ten koste van een goed ontwikkeld toekomstbeeld. In Afrika is de dag van morgen in onzekerheid gehuld en niet zo belangrijk voor het dagelijkse bestaan. Vanwege dit verschil is de westerse perceptie van tijd lineair. Wij zeggen in het westen dat je verloren tijd niet meer terug kunt halen. In Afrika is tijd circulair. Wat vandaag niet gedaan wordt, kan morgen gedaan worden. Dag wordt nacht en nacht wordt dag. Zomer wordt winter en winter wordt zomer. Deze repetities komen eindeloos voor. De Bantoe verkiest het heden boven speculaties over wat er eventueel in de toekomst komen gaat. Dit maakt het moeilijk om een westerse economische levensstijl over te brengen aan de Bantoe en hem te overtuigen te streven naar een toekomstbeeld dat in werkelijkheid nog niet bestaat. De juister vraag om te stellen is niet zozeer waarom de Bantoe armer is, maar waarom de westerse mens rijker is geworden. Om zoveel mogelijk opofferingen voor de toekomst te maken en te voorspellen en beheren is een belangrijke – zo niet belangrijkste – verklaring voor westers welvaart.

-Onaantrekkelijke thuislanden als stortingsterrein voor ongewenste zwarten. Het is nauwelijks voor te stellen een boek open te slaan over de apartheid of er wordt melding gemaakt van de hachelijke omstandigheden in en rond de thuislanden. Ook wordt beweerd dat deze gebieden opgericht werden om zwarten te deporteren die ongewenst in de steden waren. Geen melding wordt echter gemaakt van de enorme uitgaven en investeringen die gemaakt werden om deze thuislanden economisch levensvatbaar te maken. Verwoerd stelde zich bewust te zijn van de enorme achterstand van geschoold personeel in de thuislanden en had grote bedrijven aangespoord om industrieën op te richten op de grensgebieden van de 122

verscheidene thuislanden. Zodoende konden zwarte arbeiders woonachtig binnen de thuislanden makkelijker naar werk pendelen en tegelijk hun lonen binnen de reservaten uitgeven om verdere ontwikkelingen te stimuleren. Om dit te bereiken werden allerlei lokmiddelen gebruikt, zoals subsidie of gunstige belastingheffingen aan deze bedrijven te verstrekken, hoofdzakelijk gefinancierd door belastingen geïnd van de blanken. Tegen eind juni 1978 heeft de Industriële Ontwikkelingscorporatie een bedrag van 268 miljoen ZuidAfrikaanse rand (pakweg hetzelfde bedrag in Amerikaanse dollar indertijd) geïnvesteerd in deze grensgebieden in de vorm van behuizing, leningen en aandelen. Wanneer het gros van het kapitaal meegerekend wordt dat deze bedrijven produceerden komt het bedrag dat door de nijverheden gegenereerd werd tegen eind 1978 op een bedrag van 1 miljard rand (ruim een miljard Amerikaanse dollar) neer. De cumulatieve investeringen in deze thuislanden van zowel de bedrijven als ontwikkelingscorporaties namen toe van 88,5 miljoen rand in 1975 tot meer dan 300 miljoen rand in de jaren ’80, een jaarlijkse toename van 60 miljoen rand. In dezelfde periode nam indienstneming van zwart arbeidskrachten toe van 10 219 tot meer dan 30 duizend. Dat komt neer op ruim 3500 banen extra per jaar. Ofschoon de inwoners aan de grensgebieden vooruitgang maakten, bleef het hartland van de thuislanden behoorlijk onderontwikkeld, maar deze ontwikkeling heeft wel ertoe geleid dat de toestroom naar de steden beperkt werd (Du Preez, 2008).

Belangrijk valt te melden dat de thuislanden geen constructies waren die puur door Verwoerd in leven geroepen werden. De belangrijkste stichter van de thuislanden, oftewel Bantoestans, was niemand minder dan de Zoeloekoning Shaka geweest. Tijdens zijn genocidale slachtpartij in het binnenland, de Grote Verstrooiing (Difaqane), waren de verscheidene Bantoevolkeren op de vlucht geslagen om niet slachtoffer te worden van de moordlust die uiteindelijk ruim twee miljoen levens gekost had. De Swazi en Ndebele stammen vluchtten naar het noorden waar zij vandaan kwamen en de Sotho vluchtte naar de berggebieden die vandaag als Lesotho bekend staan. De overige groeperingen hadden de krachten gebundeld als laatste poging zich tegen de machten van Shaka te verzetten. De Brit Sir Theophilus Shepstone vond groeperingen van deze zwarte vluchtelingen in de reservaten, en hij had deze gebieden in grenzen afgebakend in een poging om verdere slachtingen te voorkomen. De vorming van de Bantoestans was een overlevingsstrategie geweest en ontstonden op eenzelfde manier als veel andere etnische homogene landen op de wereld.

123

De ondertekening van de Natives’ Land Act van 1913 wordt allerwegen beschouwd als de grote erfzonde die deze thuislanden en het latere apartheidbeleid mogelijk had gemaakt. Deze wetgeving zou de zwarte bevolking verboden hebben om land aan te schaffen buiten de reservaten, en uiteindelijk zou zij niet meer dan 7% van het land voor haar rekening mogen nemen. Deze wetgeving is ook een belangrijk propagandamiddel geworden waarop het ANC zijn tegenwoordige activisme en landonteigeningen baseert. De Tswana intellectueel Sol Plaatjie (1876 – 1932) was de belangrijkste schrijver die de Land Act zijn huidige beeld gaf als een beleid dat tot de latere verdrukking van de zwarte bevolkingen zou hebben geleid. Hij schreef hierover in zijn werk Native Life in South Africa (1914) en baseerde zijn conclusies op anekdotisch bewijs dat de zwarten van hun land ontnomen werden door deze wetgeving. Zelfs vandaag nog zijn er historici die het niet wagen zich te branden aan deze omstreden kwestie. De realiteit van deze wet is echter anders dan Plaatjie ons voorhoudt. Wie deze wet leest zal tot zijn grote verbazing vinden dat nergens in de clausule wordt zwart verboden om land van blank te kopen, want nergens wordt er melding gemaakt van blanke en zwarte rassen. De wet specificeert ‘native’, oftewel inboorling. Dat is dus enige persoon die geen ander land heeft dan het betrokken land, in dit geval Zuid-Afrika. Met ‘native’ wordt volgens deze wet bedoeld iedereen die een inboorling of stam in Afrika vertegenwoordigt. De blanke Afrikaners worden volgens deze definitie eveneens meegenomen als ‘native’, aangezien hun taal in Zuid-Afrika is ontstaan en zij hun etnische identiteit van ‘Afrikaner’ naar het continent vernoemd hebben. Op dat stadium hadden zij al meer dan tweehonderd jaar geen direct verband met hun stamland gehad en kunnen geenszins als kolonisten beschouwd worden. Deze wetgeving stelt duidelijk dat een inboorling geen land mag kopen, verhuren of in welke hoedanigheid dan ook land bekomen van een persoon die geen inboorling is. De inboorlingen onder elkaar konden wel huren, kopen of verkopen, en dat gebeurde regelmatig tussen de blanken en zwarten van Afrika. Uitzonderingen op deze wetten – waaronder nietinboorlingen begrepen wordt – werden slechts gemaakt met goedkeuring van de gouverneurgeneraal. Dit houdt in dat deze wet wel degelijk een uitgangsclausule had waarin een betrokken comité of gouverneur toestemming kon geven dat inboorlingen land buiten de betrokken gebieden mochten aankopen…en daar hadden de verschillende Bantoevolkeren zeer goed gebruik van gemaakt. Feinberg en Horn (2009) melden dat deze Land Act in méér land voor de Bantoe resulteerde in plaats van minder. De Bantoe hadden hun eigenaarschap van land met 65% vergroot onder deze wet. Er zijn gevallen bekend waarin zwart en wit gezamenlijk het land bewerkt hadden en de opbrengsten onder elkaar verdeelden. In sommige gevallen hadden zwarten land gehuurd van blanken en in andere gevallen hadden blanken 124

land gehuurd van zwarten. De liberale journalist Allister Sparks maakte hier ook melding van in zijn werk The Mind of South Africa: The Rise and Fall of Apartheid (1991). De bevindingen van Feinberg en Horn hebben aangetoond dat onder de Nasionale Party van JBM Hertzog werd meer ‘blank’ land aan de zwarten gegeven dan onder de Britsgeoriënteerde liberale regering van Louis Botha en Jan Smuts. In de periode 1913 – 1924 onder de regering van Botha en Smuts werden in totaal 302 uitzonderingen gemaakt op de Land Act waarin de Bantoe buiten de reservaten land mochten kopen en hiermee verhoogde zwart landeigenaarschap naar 35%. Onder de Nasionale Partyregering van Hertzog tussen 1924 – 1936 werd in totaal 565 uitzonderingen gemaakt en verhoogde zwart landeigenaarschap naar 65%, maar ook daar eindigde het niet. In 1936 had Hertzog een duidelijker territoriale segregatie tussen blank en zwart opgetrokken, en van de vier provinciën die Zuid-Afrika rijk was, had hij 9 miljoen hectare land dat voorheen ‘blank’ gebied was aan de Bantoe overhandigd. Het was in de clausule gegarandeerd dat dit land permanent en onvervreemdbaar in de handen van de Bantoe zou vallen, en geen buitenlander of blanke kon dit land van hen kopen of andersom. Dit deed hij enerzijds om de territoriale zelfbeschikking van de diverse groepen te garanderen en anderzijds om te keren dat die economisch actiever blank segment niet buiten zijn perken zou gaan om land voor zijn eigen doeleinden op te strijken. Op een meer sociologisch niveau werd deze partitie in leven geroepen om de interactieproblemen die vanwege de enorme cultuurverschillen ontstonden het hoofd te bieden. Van hieruit was de bedoeling dat blank en zwart elkaar moesten leren vinden en geleidelijk over tijd een samenwerkingsband opbouwen dat tot beider voordeel zou strekken. De belangrijkste prioriteit van de nationalisten was om een vreedzame co-existentie tussen blank en zwart op de been te brengen. De blanke Afrikaners en zwarten hadden al decennia van tevoren de strijdbijl begraven. Ze waren ooit vijanden geweest in een bittere strijd tegen elkaar, en waren later bevriend geworden. Ze hadden naast elkaar het land bewerkt en kwamen tot wederzijdse afspraken van leven en laten leven en ‘ieder zijn meug’. Dit samenwerkingsverband kristalliseerde later uit in één van de belangrijkste grondstellingen van het Afrikanernationalisme.

Wat betreft de armoede in de thuislanden hadden diverse actiegroepen jarenlang propaganda gemaakt om de indruk te creëren dat deze gebieden stortingsterreinen waren voor ongewenste zwarten. Dit ging gepaard met verhalen dat Verwoerd investeringen naar de thuislanden had tegengehouden en daarom deze gebieden armoedig wilde houden. Dit geeft een vertekend beeld van zijn oorspronkelijke intentie: Het klopt dat Verwoerd de grote buitenlandse 125

investeerders zeer beperkt in de thuislanden had toegelaten, maar dit deed hij om andere redenen dan meestal wordt aangenomen. Het was niet zijn bedoeling deze gebieden onderontwikkeld te houden. Hij had immers zoals aangegeven zeer veel gesubsidieerde ontwikkeling aldaar op de been gebracht. Door de topinvesteerders erbuiten te houden probeerde hij grotere, verraderlijke gevaren uit te schakelen die deze investeerders op de korrel zouden hebben. Wie zich eenmaal begeeft in de schaduwwereld van het grote geld komt algauw in aanraking met een web van clandestiene, ultrakapitalistische machten die geen boodschap hebben aan de ontwikkeling van volkeren of nationale bewustwordingen. Deze machten hebben er in tegendeel juist baat bij om de nationale grenzen af te breken. Zonder grenzen kunnen de beheerders van het grote geld het kapitaal makkelijker internationaal verplaatsen, maar staat een volk ten tijde van crisis weerloos tegen het wegvloeien van kapitaal uit zijn gebieden. Waar grenzen wegvallen worden de bedrijven de nieuwe machtshebbers. Anderzijds kunnen deze machten middels verhandelingen in aandelen beslag leggen op productiemiddelen en deze bedrijven naar willekeur herindelen of uitverkopen tegen de wil van de werknemers. De schade die zulke activiteiten kunnen aanrichten behoeft geen nader uitleg. Om die reden druisten de belangen van de grote investeerders lijnrecht tegen Verwoerds belangen in. Waar Verwoerd ter wille van lange termijn stabiliteit nationale grenzen en volksbewustzijn wilde kweken om er gezonde, homogene volkeren van te maken, wilden de geldmachten deze juist ondermijnen. Zodra de grote investeerders ongehinderd toegang in de thuislanden zouden krijgen zou het een kwestie van tijd zijn of Zuid-Afrika als geheel ook eraan zou gaan. Hierdoor zou dat land langzamerhand dezelfde kant op gaan als de andere landen in Afrika beneden de Sahara, gekenmerkt door stammenconflicten, hongersnood en chaos omdat de bevolkingen het regie kwijt zijn over hun kostbare basishulpbronnen en niet meer weten hoe zij hun levens moeten indelen zonder westerse hulp.

Een andere opvatting die de realiteitstest niet doorstaat is dat deze thuislanden grotendeels onvruchtbare gebieden waren. Dit is zeker niet het geval. De thuislanden bestonden juist uit de vruchtbaarste grondgebieden van heel Zuid-Afrika. Er is zelfs in het Afrikaans een liedje dat begint met:”Groen is die land van Natal” waarin de vruchtbare landschap van dit gebied, waar de meeste thuislanden ook gevestigd zijn, benadrukt wordt. Deze landen bevonden zich hoofdzakelijk aan de oostkust van Zuid-Afrika, grenzend aan de zwoele Indische oceaan die voldoende vochtigheid aan deze gebieden verschafte. In Zuid-Afrika wordt een grens van 500 millimeter regenval per jaar gehandhaafd om grondvruchtbaarheid te bepalen. Dit houdt in 126

dat land voor onvruchtbaar wordt verklaard zodra minder dan 500mm regenval per jaar in dat gebied gemeten wordt. In totaal genomen ontvingen 76% van de gehele thuislandgebieden een jaarlijkse regenval boven de 500mm, terwijl de overige landoppervlakte van Zuid-Afrika voor 35% boven deze norm lag. De thuislanden waren potentieel goed voor 23% van ZuidAfrikas gehele landbouwproductie en was dus in staat om voedsel te exporteren mits het potentiaal goed benut werd. Als gevolg van de traditionele leefgewoonten van de Bantoe in de thuislanden was het agrarische productie echter erg in gebreken gebleven, en leverde de thuislanden slechts 5.8% van het gros van de Zuid-Afrikaanse landbouwproductie voor haar rekening. Overbevolking door mens en rund in sommige gebieden en verwaarlozing in andere gebieden hadden veroorzaakt dat veel Bantoe het liefst naar de blanken gingen om te profiteren van hun beter ontwikkelde landbouwsystemen (Du Preez, 2008). Volgens de traditionele agrarische praktijken werd nieuw vruchtbaar land opgezocht zodra een bepaald land uitgeput is en gingen de thuislandbewoners steeds verder de grenzen over om grond te zoeken. Deze roofbouwpraktijken zouden op den duur funest zijn voor een bevolking bestaande uit miljoenen mensen, en Verwoerd weigerde extra land vrij te geven juist omdat roofbouw alleen verslindt en zeer weinig oplevert. Zelfs in de tegenwoordige tijd worden de traditionele slash and burn agrarische praktijken beschouwd als de voornaamste reden voor ontbossing van tropische gebieden, en niet zozeer de activiteiten van grote industrieën. De migratie van Bantoevolkeren naar het zuiden van Afrika werd toegeschreven aan de vergroting van de Sahara woestijn, en de mogelijkheid bestaat dat bestaanslandbouw door ontbossing een voorname rol gespeeld heeft in de uitbreiding van de Sahara. In de Ivoorkust bijvoorbeeld is tussen 1958 en 1980 ruim twee derden van de twaalf miljoen hectare bosgebied gestroopt, terwijl Malawi in de jaren ’60 groen en bebost was met drie miljoen inwoners. Vandaag zit dat land met twaalf miljoen mensen en is grotendeels ontbost en modderig, vrijwel weerloos tegen grote vloedregens geworden. Het idee van grondverbetering en oogstrotatie ter verbetering van productie is niet de traditionele wijze waarop de Bantoe land bewerkt, en ervaring heeft geleerd dat deze tradities moeilijk te doorbreken valt. Toch is er een hoopvol geval bekend geworden in de toenmalige thuisland Venda. Door een slim, geïntegreerde aanpak op stapel te zetten in de vroege jaren ‘80, rekening houdend met traditionele beoefening van landbouw is de maïsproductie enorm gestegen. Van ruim 2 sakken maïs per hectare tot ruim 30 zakken. Toen dit resultaat geboekt werd, werden plotseling alle subsidies vroegtijdig gestaakt en stortte het project in duigen. Het Zuid-Afrikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken had om nog onbekende redenen de stekker getrokken op dit project. Dit wijst echter erop dat iemand in hoge ambt waarschijnlijk 127

niet wilde hebben dat het thuislandproject moest slagen (Ibid.). Sinds de moord op Verwoerd in 1966 begon langzaam de aftakeling van de apartheid, en door deze subsidie af te breken was een logische voortzetting op deze ontwikkeling geweest.

Het minst vruchtbare thuisland was Bophuthatswana, dat in het noorden van Zuid-Afrika lag. Ofschoon de grond aldaar minder vruchtbaar was, had dit land het voordeel van een goede mijnindustrie en beschikte over 22 mijnen, ongeveer een kwart van alle mijnen in heel ZuidAfrika. Bophuthatswana bevindt zich overigens op ’s werelds rijkste ertslaag van platina. Een bekende Zuid-Afrikaanse ondernemer had bovendien een luxe casino aldaar geopend in 1980 waardoor nog extra inkomsten voor dit land gegenereerd werd. Aangezien gokken illegaal was in de Republiek van Zuid-Afrika, bood dit thuisland een uitkomst voor de bevolking van Johannesburg en Pretoria om hun kans te wagen om de roulettetafels en gokautomaten. Net als Las Vegas de uitlaatklep voor de Puriteinse Verenigde Staten is, en Libanon vroeger vertier bood voor het zedelijke Middenoosten, bood dit casinocomplex, Sun City genaamd, verstrooiing voor het Calvinistische Zuid-Afrika. Deze onderneming was zeer succesvol geweest en vanuit de hele wereld werden topartiesten en entertainers onthaald.

In ieder geval houdt het argument dat de thuislanden onherbergzaam waren geen stand, vooral rekening houdend met het feit dat de blanke boeren zich hoofdzakelijk in de dorre, semiwoestijnachtige Karoo hadden gevestigd om vrij succesvol met struisvogels en schapen te boeren terwijl de thuislanden zich op een veel vruchtbaarder landoppervlakte bevonden. Een kort zoektochtje op het internet naar de Transkei, Ciskei en Venda geeft duidelijk aan dat deze landen veel ontwikkelingspotentiaal hebben en met een beetje ondernemingsgeest een aantrekkelijk toeristisch paradijs kunnen worden. Vooral de Transkei, geboorteplaats van Nelson Mandela, behoort ongetwijfeld tot een van de mooiste landen ter wereld. Menig blanke Zuid-Afrikaan reageerde daarom ook boos toen minister-president John Vorster de Transkei onafhankelijk verklaarde in 1976 omdat hij ‘dat mooie land had weggegeven terwijl de Xhosa’s het niet eens willen hebben’. De vrees bestond ook dat dit thuisland niet meer veilig zou zijn voor blanke vakantiegangers die er geregeld naartoe gingen, soortgelijk aan Mozambique dat na onafhankelijkheid in 1974 snel zijn bekoring had verloren. Vorster rechtvaardigde zijn daad door te stellen dat ‘ieder volk het recht heeft het volle beheer over zijn eigen zaken te mogen hebben’. Het ANC daarentegen stelde dat deze onafhankelijkheidsverklaring bedoeld was om ‘het onmenselijke beleid van de apartheid in stand te houden’, conform de retoriek die deze organisatie al decennialang gebruikte. 128

Terwijl er wereldwijd dozijnen stateloze volkeren zijn die zelfs bereid zijn een marteldood te sterven voor een eigen gebied, was vrijwel het enige land in de moderne geschiedenis dat breedvoerig onafhankelijke staten schepte, namelijk Zuid-Afrika door de Verenigde Naties gekapitteld als land dat een misdaad tegen de menselijkheid beging. Zodoende verloochenden de VN hun eigen meest fundamentele beginsel van volkerenrecht, namelijk dat ieder volk een recht heeft op een eigen territoriale zelfbeschikking. Sinds de val van de apartheid is het echter nog steeds voor blanken verboden gebleven om land in deze voormalige thuislanden te bezitten, terwijl de Bantoe wel land mogen kopen – of zelfs afpakken – in voormalig blanke gebieden, en nu kan Zuid-Afrika wel op steun en lidmaatschap van de VN rekenen.

De reden achter deze vreemde reactie van de VN kan wederom gevoerd worden naar de botsingen tussen de plannen van Verwoerd en de internationale mogendheden. De radicale zusterorganisatie van het ANC, de PAC begon na verbanning ondergronds te opereren onder de naam Poqo. Deze organisatie groeide enorm in ledental in de begin jaren ’60, en werd het grootste ondergrondse terreurnetwerk dat Zuid-Afrika nog gekend had, maar de leden werden geronseld door gebruik te maken van loze beloftes en intimidatiepraktijken. Jongeren die niet mee wilden werken konden op aanrandingen rekenen en sommigen werden vermoord, terwijl de meelopers wijsgemaakt werden dat zij de blanke mannen de zee in zouden jagen en hun vrouwen, hun huizen en bezittingen aan de zwarten zouden overhandigen. De drijvende kracht achter Poqo was niemand minder dan de Britse Mi6 geweest en haar doel was puur om het grote apartheidproject van Verwoerd te saboteren (Pretorius, 1997: 163). Met de machtsovername in 1994, de ontmanteling van de thuislanden en de nadruk die sindsdien gelegd werd op gelijke behandeling ontstond een situatie waarin ongeletterde zwarten op gelijke voet behandeld werden met beter opgevoede blanken en zwarten in de meer ontwikkelde gebieden. In de praktijk betekende het dat de subsidiekraan voor thuislandontwikkeling dichtgedraaid werd met opeens een hoge werkloosheid in de reservaten. Vervolgens stroomden de steden en voormalige blanke gebieden vol mensen die hun heenkomen in krottenwijken moeten vinden, met de bijbehorende toename van de criminaliteit en maatschappelijke desintegratie die dit met zich meebrengt. Dit verklaart mede, tezamen met de toestroom van zwarten elders in Afrika op de Zuid-Afrikaanse steden, waarom de krottenwijken zo moeilijk zijn weg te werken en waarom er regelmatig opwellingen van xenofobisch geweld het land treft, en heeft Zuid-Afrika op politiek gebied teruggeworpen in dezelfde toestand als in de jaren ‘50. 129

-Zwart onderwijs zou zwarte kinderen dom hebben gehouden. Een belangrijk punt van kritiek dat dikwijls geopperd wordt is dat het onderwijssysteem van de Bantoevolkeren expres door de nationale regering in een staat van onderontwikkeling werd gehouden, deels als gevolg van het beleid van moedertaalonderwijs. Het idee van “dom houden” van zwarten werd voor velen “bevestigd” toen Verwoerd stelde dat er geen plaats was boven bepaalde vormen van arbeid voor zwarte mensen. De opvatting dat de Bantoe niet meer mochten presteren dan houthakkers en waterdragers, zoals Aartsbisschop Desmond Tutu meende tijdens zijn voorzitterschap van de Waarheidscommissie, versterkte deze stelling tot een realiteit en een ogenschijnlijk bewijs dat de blanken een genadeloze vorm van uitbuiting van de zwarte bevolking in petto hadden. Dit werd nog verder bevestigd toen Verwoerds kabinet in 1959 een wet bekrachtigde waarbij het zwarte mensen moeilijk maakte aan blanke universiteiten te studeren. Slechts bij hoge uitzondering mochten zij hun studie aan deze universiteiten voortzetten, en deze wetgeving werd pas in de medio jaren tachtig door PW Botha opgeheven. De werkelijke bedoeling van Verwoerds uitlating was echter slechts geldig in de “Slegs blankes” gebieden, vooral in de steden. In de thuislanden werden juist gerieven voor hoger onderwijs opgericht tegen vrij forse bedragen. Om Verwoerd te citeren: ”Er is geen plaats voor een zwarte in de Europese gemeenschap boven een bepaald niveau van soorten arbeid. Binnen zijn eigen gemeenschap zijn echter alle deuren open.” (Pelzer, 1966:83).

Het onderwijssysteem tijdens de apartheid was ingevoerd om de zwarte bevolking te moderniseren zonder te ontheemden. Om onderwezen te worden in de eigen taal is hier een logische voortzetting op. Bovendien is het in de Bantoecultuur belangrijk om de traditionele overdracht van kennis te handhaven, een overtuiging die terugdateert nog voor de komst van de Europeaan. Moedertaalonderwijs heeft het voordeel dat het taalverwarring voorkomt en bevordert de cognitieve ontwikkeling. Bij het leren in een vreemde taal waarin de ouders geen beheersing hebben kunnen zij ook niet adequaat de rol van opvoeder op zich nemen. Moedertaalonderwijs voorkomt een radicale generatiebreuk tussen ouder en kind door te zorgen dat de ouders en kinderen niet uit elkaar groeien, waardoor het risico van een verloren jeugd verminderd wordt. Het was overigens een zeer ambitieuze onderneming geweest om de verschillende syllabi te vertalen in de verscheidene Afrikaanse talen en linguïsten en taalkundigen hebben al met al duizenden uren en miljoenen Zuid-Afrikaanse rand uitgetrokken om dit project te verwezenlijken. Om te beweren dat dit alles geregeld werd om 130

een bevolking dom te houden is volkomen absurd. Zelfs het International African Institute (IAI) heeft enkele jaren geleden een resolutie aangenomen die luidt: “It is a universally accepted principle in modern education that a child should receive in and through his mother tongue, and this privilege should not be withheld from the African child.” (Vertaling: Het is een universeel aanvaard principe in de moderne opvoedkunde dat een kind in en door zijn moedertaal onderwijs dient te ontvangen, en deze privilege zou het Afrikaanse kind niet weerhouden moeten worden.) Toch dient genoemd te worden dat veel zwarten in de steden een diepgezetelde angst hadden dat moedertaalonderwijs geen voordeel inhield. Men vreesde armoede, sociaal en politiek isolement, en een verlies aan macht en stond erop in het Engels onderwezen te worden (De Wet & Wolhuter, 2009). Het plan van de overheid om ook het Afrikaans als onderrichttaal in te voeren viel eveneens zeer slecht bij de jeugd in de townships. Deze vraag naar Engelstalig onderwijs beperkte zich echter hoofdzakelijk tot de zwarten in de steden. In de rest van het land waren de meningen anders. In 1960 werd landwijd onderzocht in hoeverre mate er animo bestond om het Engels en het Afrikaans naast moedertaalonderwijs als tweede en derde taal naar de zwarte scholen uit te breiden. Het was de bedoeling dat deze twee talen in een 50/50 verdeling zou worden gepresenteerd aan de scholieren. Twee derden, oftewel 66% van de Bantoebevolking vond deze verdeling een goed idee, terwijl slechts één derde alleen les in het Engels wilde ontvangen (Giliomee, 2005a). De invoering ervan verliep over het algemeen voorspoedig, met het Afrikaans en het Engels als belangrijke talen vooral bij de hogere schooljaren, en de verscheidene Bantoe moedertalen werden verplicht gesteld voor een minimum duur van de gehele basisschooltijd. De Bantoetalen varieerden afhankelijk van de regio: In het midden van de Transvaal sprak men vooral Sesotho, in het noorden vooral Tswana, rond Natal hoofdzakelijk Zoeloe, en verder naar het zuiden kwamen talen als Xhosa, Venda en anderen aan bod. Insgelijks moesten de blanke scholieren voor een verplichte minimumduur van vijf jaar een Bantoetaal leren die min of meer vanaf het vijfde jaar van de basisschool tot het tweede jaar van de middelbare school strekte. Daarna hadden de blanke scholieren de keuze om deze lessen nog drie jaar voort te zetten tot aan het eindexamen. Wegens het succes waarmee deze taalverdeling over het hele land werd ingevoerd begon de Nasionale Partyregering enthousiast en overmoedig te raken en hield geen rekening met de angsten en frustraties waarmee de jonge zwarte stedelingen te maken hadden, welke uiteindelijk in 1976 piekten en uitliepen op de Soweto opstanden. Vanwege de mediablootstelling die de Bantoe stedelingen ontvingen werd de indruk gewekt dat de gehele Zuid-Afrikaanse zwarte bevolking gekant was tegen het Afrikaans, maar dit beeld is niet 131

juist. De vraag naar Engels onderwijs ontstond uit een behoefte aan politieke inspraak, aangezien de snelle ontwikkeling en onpersoonlijke levenswijze van de steden bij hen het gevoel gaf dat zij gemarginaliseerd waren. Minder bekend is dat de stedelijke zwarte scholieren ook onderwijs in de moedertaal hadden afgezworen, met de rampspoedige gevolgen van dien. Desniettegenstaande is het afzweren van het Afrikaans verworden tot een ANC propagandamiddel, en met deze gedachtegang heeft het ANC het land overgenomen en langzamerhand het Engels als belangrijkste taal ingevoerd, ook met de verscholen bedoeling om het Afrikaans en andere plaatselijke talen te elimineren. Inmiddels verkeren de hogere taalfuncties in het Afrikaans en de Bantoetalen in groot gevaar en kunnen veel Afrikaanstalige jongeren zelfs niet meer op hoog niveau in het Afrikaans communiceren zonder over te schakelen naar het Engels. Het achterliggende motief van het ANC om ZuidAfrika te verengelsen is een tactiek die overgenomen is van zijn kameraad Samora Machel van Mozambique die ooit stelde:”Voor de natie om de leven moet de stam sterven.” Door het Engels overal te bevorderen hoopt men een gemeenschappelijke basis te kunnen oprichten om al de verschillende volkeren met elkaar gelijk te stemmen. Soortgelijk aan Europa, is in Afrika de voornaamste belemmering tegen samenwerking de verschillende talen, opvattingen en gewoontes van de onderlinge stammen. Dit heeft vooralsnog echter geen zoden aan de dijk gezet. Integendeel.

De opvoedkundige dr. Katherine Heugh, vroeger verbonden aan de Universiteit van Kaapstad, stelde in 2000 dat het huidige beleid van “alleen Engels” bezig is om gruwelijk te mislukken. In 1976 lag het eindexamen slaagcijfer van de zwarte bevolking, ondanks de Soweto opstanden, boven de 83%. De reden hiervoor was juist als gevolg van moedertaalonderwijs dat ten minste op basisschoolniveau verplicht gesteld werd. Met de kentering in het onderwijs na de Soweto opstanden ging het steeds slechter met het onderwijs. In 1979 stond het eindexamen slaagcijfer op 74%. In 1982 daalde het naar 48% en tegen de laat jaren ’90 lag het cijfer rond 35 á 40% (Giliomee, 2008: 99). In 2000 was de enige provincie die nog moedertaalonderwijs aanbood aan de niet-blanke volkeren de Westkaap provincie. Tachtig procent van deze bevolking ontving onderwijs in hun moedertaal en het eindexamen slaagcijfer lag eveneens op 80%. Het huidige taalbeleid dat ingevoerd werd na de Soweto opstanden heeft aanleiding gegeven dat een wartaal van Engels en de plaatselijke Bantoetalen gesproken wordt, welke niet voordelig is voor een gezonde cognitieve ontwikkeling. Onderzoek van de Wereldbank heeft ook aangetoond dat zodra de mensen van Afrika in een vreemde taal worden onderwezen komt het eindexamen 132

slaagcijfer niet boven de veertig procent uit, optimale bezetting en lesmateriaal ten spijt (Roodt, 2000; Viljoen, C). Op 25 september 2010 stelde Beeld, een landelijk dagblad in ZuidAfrika, dat in 2009 slaagden in negentien Zuid-Afrikaanse scholen geen enkele leerling het eindexamen, en in 506 andere scholen lag het slaagcijfer tussen 0 en 20%. Het moge duidelijk zijn dat postapartheid Zuid-Afrika bezig is om weg te glijden in een crisis van ongekende omvang. Twee vooraanstaande Bantoe onderwijsdeskundigen, Dr. Mamphela Ramphele, voormalige vicekanselier van de Universiteit van Kaapstad en de ondernemer Wendy Luhabe zijn ook van mening dat zwart onderwijs tijdens de apartheid de jeugd beter gediend had dan het Engels van tegenwoordig (Sunday Times, 17 augustus 2008; The Citizen, 9 november 2008).  Economische motieven. Een belangrijk motief van Verwoerds beleidsrichting lag aan de toestand van de economie in de jaren ’50 – ’60. Op dat stadium vond een snelle industrialisering plaats en was er meer plaats voor halfgeschoolde arbeid dan werk voor hoger opgeleiden, en bedrijven waren meer bereid om laaggeschoold werk aan zwarten te geven dan blanken die zij liever in de betere banen opnamen. Uiteraard is hier sprake van een chauvinistische bevoordeling van blanken welke een rol gespeeld had om zwarte gemoederen tegen te blanken te keren en uiteindelijk meehielp aan de algemene verwerping van het onderwijssysteem in de jaren ’70. Men vreesde dat al zou de zwarte bevolking toegang krijgen tot hoger onderwijs bestond de kans dat zij in ieder geval vanwege het aanbod/aanvraagbalans in de economie niet aan werk zou komen, met verdere frustratie als gevolg. Door hoger onderwijs in de thuislanden aan te bieden, waar hun opleiding veel meer waarde kan toevoegen, was de meest haalbare schikking. Dit tendens rond de jaren ’50 was niet alleen in Zuid-Afrika het geval, maar in het westen als geheel te bespeuren. De opkomst van massa onderwijs na de Tweede Wereldoorlog heeft wereldwijd voor een tekort aan kapitaal, leerkrachten en een onvoldoende aantal lesruimtes gezorgd. Vanwege de toegenomen aanvraag voor onderwijs bij de Bantoe raakten de missionarisscholen overvol en beschikten zij niet meer over voldoende materiaal of personeel om aan deze aanvraag te voldoen. Het werd ook belangrijk dat een eenvormig onderwijssysteem ingevoerd moest worden om het grote aantal scholieren op te vangen, en alleen een overheid beschikt over de mogelijkheid om dit te verwezenlijken. Deze economische situatie bereikte een keerpunt in de positieve zin in de medio jaren ’60. De onverwachte snelle economische groei vergrootte de vraag naar hoger opgeleide arbeidskrachten en meer gerieven werden opgericht om deze groeitrend te accommoderen. 133

Ondanks de beperkingen op Bantoeonderwijs, werden meer secundaire en hoger onderwijs gerieven opgericht om de zwarte stedelingen van beter onderwijs te voorzien. In 1955 waren er in totaal 1 014 000 zwarte scholieren verspreid over 5 800 scholen, terwijl in 1974 dit cijfer opliep naar 3 600 000 zwarte scholieren in 11 947 scholen. Dat komt neer op 15 klassen die iedere dag werd aangebouwd, en tegen 40 kinderen per klas komt het neer op 600 nieuwe leerlingen die iedere dag naar school konden gaan. In de periode 1965 tot 1975 is de overheidsbesteding per zwarte scholier met 200% gestegen terwijl het aantal scholieren met 80% steeg (Du Preez, 2008). De economische ontwikkeling, het wegvallen van de missionarisscholen en vervolgens het massaonderwijs ging gepaard met een steeds militanter wordende zwarte jeugd, en het werd zeer belangrijk geacht hen een goed basis van onderwijs aan te bieden waarin zelfdiscipline en een deur naar betere perspectieven aangeboden werden als beste manier om de militante ingesteldheid die steeds grimmiger dreigde te worden om te keren. Interessant is dat de militantheid vooral ontstond vanwege de weerstand die de missionarisscholen boden tegen het massaonderwijs. Sommige leraren aan de zendelingscholen vonden dat de overheid het onderwijssysteem niet goed aanpakte, met name op het gebied van financiering en taal (Giliomee, 2009). Vanwege de tijdsdruk om aan de economische vraag te voldoen werd veelal Europees-georiënteerde lesmateriaal vertaald in de verscheidene Afrikaanse talen om hen van beter onderwijs te voorzien maar hier begon een hoog uitvalcijfer onder zwarte leerlingen zich voor te doen. Dit hoge uitvalcijfer gaf aanleiding tot de grote uitgavenverschillen tussen de blanke en zwarte scholen. In 1953 waren de uitgaven naar zwart onderwijs slechts 14% zo veel als naar blank onderwijs en in 1968 viel het nog verder terug naar 6%. De belangrijkste reden voor dit verschil was tweeërlei: Door de zeer grootschalige inname van zwarte leerlingen in het basisonderwijs kwam de onderwijsbegroting onder veel druk te staan. Toen de Nasionale Party grootschalig met Bantoeonderwijs begon in 1954 lag het percentage zwarte kinderen dat überhaupt naar school ging rond de 25%. De overheid had daarom een immense taak om de achterstand onder het gros van de Bantoe weg te werken. Anderzijds had een groot deel van de zwarte scholieren niet het hele schoolcurriculum afgemaakt. De blanke leerlingen bleven wel tot de hogere schoolcurricula doorleren, en deze hoger middelbare schoolopleidingen kosten in verhouding meer geld. Volgens de gegevens uit 1970 rondden 79% van de stedelijke zwarten en 93% van de landelijke zwarten niet de basisschool af, terwijl slechts 4% van de blanke leerlingen hier stopte. De helft van de stedelijke zwarten en driekwart van de landelijke zwarten hadden niet eens het vijfde basisschooljaar afgemaakt (Feinstein, 2005:160). Ook een belangrijke factor dat meehielp aan dit uitgavenverschil was de extra heffingen die de blanke belastingbetaler 134

voor zijn rekening zou krijgen om deze ongelijkheid gelijk te trekken. De Bantoe, op dat stadium vier keer groter in aantal, zou voor veel druk bij de blanke belastingbetalers zorgen terwijl het onderwijspeil bij de blanken ook nog niet op peil lag met de andere geïndustrialiseerde landen. De snelle industrialisatie en beperkte fondsen veroorzaakte dat het gros van het geld naar de blanken vloeide om niet de internationale concurrentiepositie te verliezen (Giliomee, 2009). Toch werd er vanaf medio jaren ’70 veel pogingen aangewend om de stedelijke zwarten beter te accommoderen. De totale besteding aan de zwarte universiteiten, bijvoorbeeld, beliep in 1975 ruim 9 miljoen Zuid-Afrikaanse rand per jaar (gelijkstaande aan 10,3 miljoen Amerikaanse dollar indertijd) voor een totaal van 3600 zwarte studenten en een gemiddelde besteding van 2 500 rand (omgerekend 2873 Amerikaanse dollar) per student per jaar, een aanzienlijk bedrag voor toen (Benso, 1982). Het ministerie van onderwijs had jaarlijks de snelst groeiende begroting van alle ministeries in Zuid-Afrika ontvangen om te proberen het gat tussen zwart en blank onderwijs te dichten. Tegen het einde van blanke heerschappij in de laat jaren tachtig telde Zuid-Afrika negen universiteiten ter bevordering van zwarte bevolking, tegenover tien blanke universiteiten. Het was de bedoeling om de zwarte bevolking dermate te moderniseren dat vanuit de eigen gelederen leerkrachten naar voren zouden komen om mee te helpen hun mensen te onderwijzen. Dit gebeurde niet zoals verwacht en er was naar verhouding niet voldoende zwart onderwijspersoneel om aan de vraag van zwart onderwijs te voldoen, vooral op het gebied van wiskunde en de natuurwetenschappen. Om dit tekort aan te vullen werd vanuit blanke gelederen onderwijspersoneel ingehuurd om aan zwarten les te geven, maar vanwege de onbehagelijke toestand van de wiskunde en natuurwetenschap op de basisscholen en het gebrek aan intellectuele stimulatie in de maatschappij raakten veel scholieren ontmoedigd en kozen voor andere studierichtingen.  Cultuurverschillen. Men begon zich af te vragen waarom, ondanks de aanvankelijke investeringen, het uitvalcijfer onder de zwarte scholieren erg hoog bleef, en er waren twee tekortkomingen geconstateerd: Ten eerste werd er vanuit een Europees perspectief gehandeld, waar Bantoescholieren veel parate kennis met weinig toepassingswaarde als leerstof ontvingen. Parate kennis was goed, maar functionele kennis ontbrak. Aangezien de kennis die zij ontvingen direct uit de Europese cultuur werd overgenomen wisten zij niet hoe om deze kennis op een zinvolle manier in hun eigen wereldbeschouwing te integreren. Vooral in de hoge basisschooljaren en middelbare schooljaren ontvangt een leerling steeds meer les die 135

betrekking heeft op zijn eigen cultuur, en dit verschil gaf aanleiding dat de scholieren een diploma begonnen te zien als een vrijbrief om meer geld te verdienen, zonder te beseffen dat meer geld verdient wordt bij een goed inzicht in economische behoeften en strategisch plannen. Een eindexamendiploma is geen einddoel, maar een middel tot een hoger, abstracter einddoel. Op een cynische manier kreeg Verwoerd alsnog zijn gelijk toen hij stelde dat het Europees onderwijs de Bantoe “de groene weiden van de Europeaan laat zien maar hun verbiedt om er te grazen”. Tijdens zijn speech in 1954 waarin hij zwarten het hoger onderwijs in blanke gebieden beperkte, stelde hij dat het oneconomisch was om geld uit te geven aan onderwijs zonder een specifiek doel, omdat hiermee verdere frustratie in de hand gewerkt zou worden om zwarten op te leiden in richtingen die niet bij hen pasten. Het nieuwe onderwijs dient zijn oorsprong te hebben “in de geest en in het wezen van de Bantoegemeenschap” en zou “de verscheidene etnische gemeenschappen moeten dienen” (Giliomee, 2009). Verwoerd baseerde zijn standpunt op het Eiselen Verslag van 1951. In dit verslag, opgesteld door antropoloog dr. Werner Eiselen, kwam naar voren dat de mentale vermogens van blank en zwart weinig verschilden, en dat het niet nodig was een compleet nieuw onderwijssysteem voor zwarte jongeren in te voeren. Wel legde zowel Eiselen als Verwoerd de nadruk op het karakter van de verschillende culturen tussen blank en zwart. Voor beiden was belangrijk dat onderwijs een gevoel van volkstrots bij de verschillende volkeren moest inboezemen, en daarom zagen zij ervan af de zwarte bevolking een Eurocentrische opvoeding aan te bieden. Het onderwijs zou in de belangen van de diverse groepen moeten voorzien en het stond buiten kijf dat moedertaalonderwijs gedurende het gehele basisschooltijd verplicht gesteld zou moeten worden. Dit standpunt kreeg ook steun vanuit een andere hoek: De zwarte psychiater en revolutionair Frantz Fanon was in zijn publicatie Black Skin White Masks (1952) dezelfde mening toegedaan toen hij stelde dat “…ik zou niets meer of minder willen dan de oprichting van kindertijdschriften speciaal voor zwarten, het componeren van liederen voor zwarte kinderen en uiteindelijk het publiceren van historische teksten speciaal voor hen, ten minste gedurende de basisschooljaren. Want, totdat het tegendeel is bewezen, geloof ik dat als er sprake is van een trauma komt het gedurende deze jaren voor” (Fanon, 2008:115). Gegeven de verslechterde toestand van zwart onderwijs sinds de opstanden van 1976 en sindsdien de onzorgvuldige invoering van het Engels, kan geconcludeerd worden dat Fanon, Verwoerd en Eiselen met meer achting voor de Bantoecultuur omgingen dan het ANC. Moedertaalonderwijs, ten minste op basisschoolniveau was veel gezonder voor discipline en mentale ontwikkeling dan het ANC jeugdliga zich had voorgesteld.

136

Het standpunt dat door Verwoerd en Eiselen werd ingenomen was echter nog relatief matig vergeleken bij andere liberalen die zich met Bantoeonderwijs bezighielden: Leo Marquard en Julius Lewin meenden dat zwarten en blanken te veel van elkaar verschilden en dat er inderdaad een compleet nieuw syllabus voor zwarten opgesteld zou moeten worden (Marquard & Lewin, 1948:76). Een andere zwarte Zuid-Afrikaanse academicus Zachariah Keodirelang Matthews (1901 – 1968) die beschouwd werd als belangrijkste opvoedkundige autoriteit indertijd met een reeks internationale diploma’s op zijn naam, was eveneens van mening dat er een aparte curriculum voor zwart en blank diende te bestaan, aangezien hierdoor de erfenis van Afrika behouden zou blijven. Matthews was overigens een prominente figuur binnen het ANC geweest en had aan het Vrijheidsmanifest meegeschreven.

Al deze ontwikkelingen rond Bantoeonderwijs, vooral in de steden, had veel zwarte jongeren emotioneel zwaar getroffen en geleid tot uiteenlopende reacties. Niet iedereen verviel in radicalisme. Velen van hen gingen bijvoorbeeld naar de plaatselijke bibliotheken om zoveel mogelijk te lezen over de gewoontes en opvattingen van het westerse volksdeel, en genoten evenveel van Afrikaanse als Engelse literatuur. Op deze manier probeerden zij hun achterstand in te halen. Volgens een correspondent van het Engelstalige dagblad The Star voelden zij zich meer gekwetst door hun gevoel van achterstand dan door de diverse discriminatiewetgevingen in het land. Onbekend is of de correspondent door had dat het apartheidbeleid juist werd ingevoerd om deze vergelijking te voorkomen. Het was de bedoeling dat de Bantoe zijn prestaties met zijn eigen volk zou vergelijken. Van hieruit zou een gevoel van zelfrespect en eigenwaarde voor de eigen cultuur ontstaan, en dit vormt de beste grondslag waarop de Bantoe klaargestoomd kon worden om de modernisering aan te pakken. Vanwege de zwarte bevolkingsexplosie die de blanke bevolking steeds meer in de schaduw stelde, had de overheid er alle belang bij hen zo goed mogelijk op te voeden en te leiden naar zelfredzaamheid. Demografische gegevens vanaf de jaren zestig lieten duidelijk blijken dat er een tijd zal aanbreken dat het blanke volksdeel te klein zal aftekenen tegen het zwarte deel om hen enigszins efficiënt te administreren. Vandaar dat discriminatie aan hoger onderwijsinstellingen steeds minder streng werd toegepast. De snelle demografische groei van de Bantoebevolking was uiteindelijk de belangrijkste reden geweest waarom de apartheid niet meer toepast kon worden was en uiteenviel. Toen in de laat jaren ’70 bleek dat een groot deel van de zwarte bevolking niet over te halen was om naar de thuislanden terug te keren werd Vista Universiteit in 1982 geopend met 137

campussen over grote delen van het land. Vista werd speciaal opgericht om de Bantoe in de blanke gebieden van hoger onderwijs te voorzien. Zij hielp ook om de druk van de hoofdzakelijk blanke universiteiten te verlichten (Du Preez, 2008). Toch wilden veel verstedelijkte Bantoe het liefst aan de hoofdzakelijk blanke liberale universiteiten hun studie voltooien. Ter bevordering van een goed opgeleid Bantoevolk, en vanwege jarenlange protesten tegen deze apartheidwetgeving van het universiteitspersoneel aan historisch liberale blanke universiteiten, zwichtte de overheid en liet wel toe dat zwarten aldaar mochten studeren, maar dit stemde haar niet gerust. Liberale blanke universiteiten zijn sinds de studentenprotesten in de jaren zestig bolwerken van linkse politieke activisme geworden en men vreesde dat zwarte studenten onder de verkeerde invloed zouden geraken. De overheid had achteraf gezien niet helemaal ongelijk gehad. Vooraanstaande liberale scholen zoals de Universiteit van de Witwatersrand en de Universiteit van Kaapstad werden in de laat tachtigerjaren en door de jaren negentig vrijwel dagelijks ontwricht door radicale zwarte studentensociëteiten. Collegezalen werden in brand gestoken of onder water gezet, lesmateriaal werd gesloopt, ramen ingegooid en docenten moesten dikwijls rake klappen incasseren. Om de haverklap verschenen er protestbrieven op de prikborden van deze groepen waarin zij meenden gediscrimineerd te worden, dikwijls over onbenulligheden, en zelfs doodsbedreigingen jegens het universiteitspersoneel passeerden de revue. Dit vond plaats ondanks een lagere toelatingsdrempel voor Bantoestudenten en dat zij makkelijker studiebeurzen toucheerden dan hun blanke studiegenoten. Bezijden de fysieke schade, leidde dit tot veel imagoschade aan deze scholen, met een dreigende verlaging van het academische niveau en vervolgens een daling in het aantal nieuwkomende studenten. Aankomende eerstejaars, zowel blank als zwart, stemden van de weeromstuit met hun voeten en schreven zich massaal in bij de conservatiever blanke Afrikaanstalige universiteiten. Deze Afrikaanstalige universiteiten waren op dat stadium behoorlijk in trek, aangezien discipline aan deze instellingen over het algemeen beter was. Er was ook meer persoonlijk contact tussen docent en student, en de administratie was over het algemeen efficiënter. Met de postapartheid kentering liepen deze Afrikaanstalige universiteiten vol aan zowel Engelstalige blanke als zwarte studenten, tot zoverre mate dat er in 2001 meer Bantoestudenten aan toenmalige blanke Afrikaanstalige universiteiten studeerden dan aan toenmalige Bantoe universiteiten (Giliomee, 2001). De protestcultuur verhuisde helaas mee naar de historische Afrikaanstalige universiteiten. Vroeger was het ongehoord dat deze instellingen ten prooi vielen aan gewelddadige protesten. Op 20 februari 2005 berichtte dagkrant The Star dat aan de historische Afrikaanstalige Universiteit van Pretoria honend opgeroepen werd “Kill all 138

whites, Afrikaans and English”, tezamen met de bijbehorende vernielingen en intimidatiepraktijken. De hoofdreden voor hun boosheid was het stijgende collegegeld en dat er Bantoestudenten waren die niet hun tentamens slaagden. Wederom kan genoemd worden dat het collegegeld navenant steeg voor alle bevolkingsgroepen en dat er ook blanke studenten waren die niet hun tentamens haalden, maar het beeld dat er tegen hen gediscrimineerd werd kon niet weggepoetst worden, makkelijker toelatingscriteria en studiebeurzen ten spijt. Kort erna liep de Randse Afrikaanse Universiteit (inmiddels herdoopt tot University of Johannesburg) door aan gewelddadige protesten en de Afrikaanstalige Universiteit van die Oranje Vrystaat kopte internationaal in de kranten dat blanke studenten het zwarte schoonmaakpersoneel zou hebben vernederd in een ontgroeningrituaal, welke aanleiding gaf tot gewelddadig protest vanuit zwarte studentengelederen. Het incident werd gefilmd, en op het filmpje kon gezien worden dat het personeel vrijwillig en lachend had deelgenomen bij het maken van de film. Ook was de vernedering in scène gezet. Het zwarte studentenkorps was echter alles behalve vergevingsgezind. Blanke jongens werden met de dood bedreigd en meisjes met verkrachting. De makers van de film werden geschorst en een rechtszaak werd aangespannen. Enkele maanden later werd een nieuwe rector magnificus, professor Jonathan Jansen benoemd aan deze instelling. Hij is als opvoedkundige en voormalige antiapartheidsactivist de eerste niet-blanke die deze hoge aanstelling kreeg toegewezen aan deze universiteit. Jansen is tevens schrijver van het boek Knowledge in the Blood: Confronting Race and the Apartheid past (2009), waarin hij zich uitlaat over het hardnekkige racisme waaraan blanke jongeren zich voortdurend schuldig maken en voor een stalinistische heropvoeding pleit. Hij liet overigens wel toe dat de geschorste studenten weer hun studie mochten oppakken, maar zij moesten van de rechtbank een buitenproportioneel hoge boete betalen.

In deze voorbeelden blijkt duidelijk dat de meer radicale zwarte studenten aan historisch blanke universiteiten voortdurend protesten aanwakkeren met klachten over racisme en discriminatie als hoofdmotief. Of blank racisme werkelijk het hoofdmotief is vertroebelt wanneer het volgende incident vermeld wordt: In 1986 hadden zes blanke studenten zich ingeschreven aan de Medische Universiteit van Zuid-Afrika (Medunsa). Deze universiteit bevindt zich in het voormalige thuisland Bophuthatswana en werd in 1976 opgericht om zwarte artsen op te leiden. Vanwege het enorme tekort aan goed opgeleide Bantoegeneesheren, vooral in deze thuislanden, was de toelatingscriteria makkelijker om er een studie geneeskunde te volgen en deze instelling kwalificeerde jaarlijks ruim 200 nieuwe 139

artsen en daarnaast ook een groot aantal ziekenbroeders en verpleegpersoneel. Om die reden hadden de blanke studenten aanzoek gedaan aldaar te studeren. Ook hier gingen zwarte studenten over tot boycotacties omdat zij niet de collegezalen met blanke studenten wilden delen (Marais, 1990). Deze universiteit, die zich in een zwart thuisland bevond met een karakter dat overwegend zwart was, waren deze blanke studenten die een beduidende minderheid vormen ook niet welkom geheten. Het wijst erop dat de manier waarop de blanke universiteiten omgingen met zwarte studenten geen adequaat verklaringsmodel biedt voor hun ongenoegen. Zelfs in hun eigen gebieden waar de blanken ogenschijnlijk geen bedreiging vormden wilden zij niet in zee gaan met hen. Een mogelijke verklaring kan zijn dat de zwarte studenten angstig waren over een eventuele ongelijkheid in prestatie die saillant zou worden in de aanwezigheid van blanke studenten. De verklaring van Frantz Fanon kan in dit verband genoemd worden. Hij wees erop dat zodra contact wordt gelegd met blanke mensen gelijk een negatieve stereotype zich meester maakt van de geest van de zwarten, met vervolgens een verzwakte zelfwaardering en een gevoel dat zij zullen onderpresteren. Met deze wetenschap is het vrij makkelijk te stellen dat om de bevolkingsgroepen zo homogeen mogelijk te houden de beste manier is om conflict te voorkomen. Desondanks gaan bij veel zwarte studenten de voorkeur uit naar (voormalig) blanke universiteiten met wederom een gevoel van onderprestatie als grondmotief. Blanke universiteiten hebben meer aanzien dan Bantoe hoger onderwijsinstellingen, en een paradoxale behoefte ontstaan door enerzijds zoveel mogelijk te profiteren van blank onderwijs omdat deze meer status en uitdaging biedt, maar de prijs die ervoor betaald wordt, namelijk een gevoel dat de eigen volkskarakter geen plaats heeft aan deze scholen veroorzaken aanpassingsproblemen en frustratie. Vandaar laten sommigen hun studie verstek gaan door voortdurend te protesteren wegens vermeende discriminatie. Om onder zulke omstandigheden een (weliswaar moeilijke) keuze te maken tussen integratie (heterogeniteit) en segregatie (homogeniteit), lijdt het min twijfel dat segregatie stabieler is. Het is van twee kwaden het minst, vooral lettend op het feit dat de meeste incidenten van ongenoegen juist voorkomen bij acties die op integratie duiden. Door een goede dosis zelfdiscipline aan te kweken zou een mogelijke middel zijn om het gevoel dat zij minder presteren weg te werken, maar dat zal een vrij ingrijpende verandering in mentaliteit eisen die het beste aangestuurd kan worden vanuit het eigen bekende milieu.

Hetzelfde dilemma begint zich langzamerhand ook op Nederlandse bodem af te spelen. Socioloog Jaap Dronkers concludeerde in juni 2010 dat leerlingen op etnisch heterogene scholen (gemende scholen) minder goed presteren dat in etnisch homogene scholen, zwart of 140

wit. Bij homogene scholen is het makkelijker de algemene cultuur van de leerlingen in te schatten waardoor hulp, advies en begrip makkelijker overkomt. Met een te grote variatie in afkomst wordt het werk van de schoolmeester bemoeilijkt door iedereen op eigen cultuur te beoordelen. Dit gaat uiteindelijk ten koste van goed onderwijs. Om dit probleem het hoofd te bieden hebben westerse scholen zich sinds de jaren ’20 zoveel mogelijk gericht op de latere beroepskeuze, en hierdoor zijn scholen verworden tot vervroegde opleidingscentra. De geschiedenis is een levenloze schets geworden van een ver verleden, en omdat de fijnere aspecten van de cultuur niet meer overgedragen worden om andere bevolkingsgroepen niet voor het hoofd te stoten, kan uiteindelijk de nodige identificatie en vitalisatie die nodig is in iedere maatschappij niet tot hun recht komen. Mensen raken het vermogen kwijt om probleemoplossend te denken en om uiteindelijk binnen het kader van de eigen cultuur antwoorden te vinden. Merkwaardig is dat slechts door een fijn begrip te ontwikkelen van de eigen cultuur kan begrip naar andere culturen zich beter manifesteren.

-Apartheid en geweld.  Sharpeville Een andere opvatting die dikwijls door marxistische denkers wordt gepropageerd is dat apartheid een systeem van structureel geweld was. De belangrijkste aanleiding hiertoe dateert uit de periode van de begin jaren ’60 toen bleek dat Verwoerd een strenge segregatie in petto had voor de volkeren van Zuid-Afrika. De apartheid begon internationaal veel kritiek te incasseren tijdens en na de Sharpeville slachting van 21 maart 1960 toen de politie 69 demonstranten doodschoot en meer dan 180 mensen verwondde. De aanleiding was toen het Pan Afrikaans Congres (PAC) – een radicale zwarte bevrijdingsbeweging – tezamen met het ANC zich mobiliseerden tegen de paswetten die voor zwarten in blanke gebieden geldig waren. Voor het politiebureau begonnen ruim 5000 á 7000 demonstranten zich te verzamelen om zich te ‘laten arresteren’ omdat zij niet in het bezit waren van het verplichte legitimatiebewijs. Alhoewel de demonstranten met pijpen, slagwapens en kapmessen gewapend waren4 was de stemming aanvankelijk rustig (Vaque, 1988: 172-175). Toen uiteindelijk de aantallen opliepen tot ruim 20 000 demonstranten raakte de sfeer grimmig. Voor de Waarheidscommissie kwam later verhalen naar boven waarin het PAC

4

Na afloop had de politie voor ruim 6 000 kilogram aan slag –en steekwapens opgeruimd.

141

gebruikmaakte van intimidatie om de massa te mobiliseren, hetgeen een mogelijke verklaring kan bieden waarom de sfeer omsloeg (TRC, 1998). Dit ging gepaard met de oproerkraaiers onder de PAC leden die niet hadden ingegrepen om te zorgen dat de sfeer rustig bleef waardoor de oplaaiende gemoederen niet gesust werden. Een ander verhaal luidt dat een demonstrant een politieauto in brand stak en toen deze vlam vatte, raakte de menigte onrustig. Nog een ander verhaal was dat een beruchte crimineel, Geelbooi genaamd, voorop liep in de meute en begon een vuurwapen te zwaaien naar de politie en loste twee schoten in de lucht. Hij werd door de meute van achteren door de schutting geduwd toen de politie het vuur begon te openen (Frankel, 2001). Het politiebureau was bemand door nog geen twintig agenten, waarvan de meesten onervaren waren met massademonstraties van een dergelijke omvang, en hulpagenten uit andere gemeentes werden opgeroepen te assisteren. De latere berichtgeving van de slachtpartij legde de klem op de schietwonden in de rug van de demonstranden en was het bewijs geworden dat de politie op hen schoot terwijl zij aan het wegrennen waren. Achteraf werd deze in twijfel getrokken aangezien de opvallende kogelgaten in de rug op uitgangswonden leken. Ingangswonden zijn meestal klein en onopvallend. Toch vraagt men zich af of een dodental van 69 als schrikbarend afweegt tegenover een gewapende en opgehitste massa van twintigduizend demonstranten. Sommige analisten menen dat dit aantal doden uit zoveel mensen toch wijst dat de politie een grote mate van zelfbeheersing had toegepast.

Een belangrijk motief voor het optreden van de Sharpeville politie bereikte echter niet de populaire media: Twee maanden van tevoren, op 23 januari 1960 in het woongebied Cato Manor vlakbij de havenstad Durban, hadden boze relschoppers vier blanke en vijf zwarte politieagenten aangevallen en bruut vermoord. De aanleiding was de algemene wantoestanden en dronkenschap die er heerste toen de agenten de orde wilden herstellen. Tijdens een gezinsreünie in een kroeg, met de nodige wangedrag had een agent een relschopper gearresteerd. Zijn makkers eiste zijn vrijlating en toen de onervaren agent weigerde werd hij met een kapmes doodgehakt. Acht van zijn collega agenten werden daarna bruut vermoord, de lichamen verminkt en met hun geamputeerde geslachtsdelen in hun mond gestopt werden zij door de straten gesleept. Na de slachting werd een andere agent, Gert Rheeder, onder een stapel rotsen vandaan gehaald en aanvankelijk geacht ook vermoord te zijn geweest, maar toen hij een vinger verroerde zag men dat hij nog leefde. Hij was onherkenbaar verminkt en had de rest van zijn leven in een verminkte en psychisch getraumatiseerde toestand gesleten (Vaque, 1988). Met dit incident nog vers in het geheugen 142

gegrift is het enigszins voor te stellen waarom de politie te Sharpeville geen kans wilde nemen. Een demonstrant bij Sharpeville werd geciteerd dat hij grote vreugde had om ‘Cato Manor’ te roepen, omdat hij wist dat hij hiermee de ‘Boeren’ (codewoord voor politieagenten) zou agiteren (Frankel, 2001; Landlau, 1975). Het Sharpeville incident leidde in ieder geval wereldwijd tot grote verontwaardiging en heeft meegeholpen het apartheidbeleid als een gewelddadig en verdrukkend systeem te kenmerken. In de daaropvolgende paar dagen ontvlamde Zuid-Afrika in protest, en over het hele land vonden rellen en protesten plaats. Uiteindelijk werd de overheid op 30 maart gedwongen een noodtoestand af te kondigen, en werden ruim 18 000 mensen gearresteerd waarna de rust was wedergekeerd. Verwoerd werd achteraf geprezen omdat hij het land weer verbazend snel op orde had gebracht, maar dit incident vormde een keerpunt in de geschiedenis van Zuid-Afrika en raakte het land gestaag geïsoleerd van de wereldgemeenschap. Dit incident had mede veroorzaakt dat Zuid-Afrika uit de Britse gemenebest stapte in 1961.  Sharpeville werd doelbewust georkestreerd om Verwoerds beleid te discrediteren. De politie werd beschuldigd te hebben gefaald in haar taak als wetshandhaver, en kort erop volgden er vooral verhalen, columns en films over de wreedheid van de Zuid-Afrikaanse politie. Vooral de Engelstalige persen maakte hier gebruik van, deels gemotiveerd door de minachting die zij voor de Afrikaners hadden en waarschijnlijk om de aandacht af te leiden van hun eigen vergrijpen elders in Afrika. De indruk werd gecreëerd dat de politie de belichaming van pure, gewetenloze agressie is, terwijl zij in de werkelijkheid op bijna dagelijkse basis met extreem barbarisme wordt geconfronteerd. De Zuid-Afrikaanse politie heeft overigens een der hoogste gevallen van posttraumatische stress stoornis ter wereld, met demoralisatie, alcoholisme, zelfmoord, gezinsmoorden en dergelijke afwijkingen die schokbarende proporties aannemen onder de dienders. Het ANC had bij Mao Zedong het concept van een volkerenoorlog overgenomen en op Zuid-Afrika toegepast, met als doel zo lang mogelijk een staat van conflict te handhaven om de vijand uit te putten en later over te nemen. Het is geen conventionele oorlog op een slagveld, maar bestaat uit een aantal kleinschalige guerrillabewegingen dat voortdurend saboteert en agiteert om stapsgewijs kleine gebieden over te nemen, en op deze manier macht inpalmt tot de staat geen weerstand meer kan bieden.

Het Sharpeville incident was echter niet het enige van zijn soort. Andere Europese volkeren hadden in dezelfde periode te maken gehad met hun eigen conflicten die in de meeste 143

gevallen nog minder goeds voorspelde voor de relaties tussen blank en zwart: de Engelsen hadden tussen 1952 en 1960 tijdens de Mau-Mau opstanden negentigduizend Kikuyu geëxecuteerd en nog honderdzestig duizend aangehouden in goelags. Het is merkwaardig dat deze enorme slachting nooit de persen bereikte. De precieze omvang is pas onder druk van Keniaanse mensenrechtenorganisaties vrijgegeven in april 2011, hoewel er stemmen opgaan die menen dat het aantal geëxecuteerden aanzienlijk hoger ligt.

In nog een geval ruim anderhalf jaar na het Sharpeville incident, op 17 oktober 1961 vond een massaslachting in het centrum van Parijs plaats toen ruim dertigduizend Algerijnse demonstranten het opnamen tegen de politie. Zij demonstreerden voor een onafhankelijk Algerije en uitten hun ongenoegen over de brute wijze waarop korpschef Maurice Papon omging met leden van het FLN, de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging door hun leden te martelen en vermoorden. Het precieze aantal is eveneens nooit opgehelderd, maar volgens schattingen heeft de politie tussen de 70 en 200 demonstranten gedood. Zelfs drie dagen later werden ontzielde lichamen van Algerijnen nog uit de Seine gevist. In ieder geval was het aantal demonstranten en doden nog meer dan bij Sharpeville, maar dit incident herinnert men zich nog nauwelijks. Het aantal Algerijnen dat in Algerije door de Fransen gedood werd wordt weleens op een half miljoen geschat.

Vanuit deze gegevens verrijst de vraag waarom, ondanks deze slachtingen van de Engelsen en de Fransen in een wereldstad, uitgerekend een onbekend mijndorp als Sharpeville de geschiedenis inging als het symbool van brute verdrukking. Het antwoord behoort niet te verbazen: het Sharpeville incident werd met opzet geregeld om de Nasionale Partyregering te discrediteren. Dit onthulde voormalig inlichtingenofficier advocaat PJ Pretorius (1997: 144). In maart 1960 had het Afro-American Institute, een frontorganisatie voor de CIA, meegewerkt om oproer te veroorzaken in dat gebied. Het PAC en later het ANC werden opgehitst om tot deze daad over te gaan. Sharpeville was het hele weekeinde voor de slachting onrustig. De internationale persen en een aantal Engelse geestelijken hadden ervoor gezorgd dat Zuid-Afrika een pijnlijk gezichtsverlies incasseerde, en door Bantoe oproerkraaiers te gebruiken was een zoveelste poging geweest om te zorgen dat de plannen van Verwoerd als moreel verwerpelijk te boek zou staan. Toen de noodtoestand in volle zwang was onttrok het Afro-American Institute zich aan Zuid-Afrika om niet als mogelijke aanstichter uitgewezen te kunnen worden.

144

 Geweld in de steden in de jaren ‘50. Gedurende de jaren ‘50 waren de Zuid-Afrikaanse steden onrustig en voortdurend in de ban van sporadische oprispingen van geweld geweest. Een belangrijke verklaring dateert terug naar de periode rond de Tweede Wereldoorlog. Toen Europa zijn donkerste uur beleefde ging het economisch vooruit met de meer afgelegen landen die meehielpen de oorlogseconomie te draaien, waaronder Zuid-Afrika. Aangezien de meeste Bantoe woonachtig waren aan de oostkust, waren de nabijgelegen steden zoals Grahamstown, Port Elizabeth, Oost Londen en Durban het meest in trek om werk te zoeken, en vertrokken duizenden mensen weg uit de reservaten om in deze steden aan de vraag naar arbeid te voorzien. De oorlog en wederopbouw hadden veroorzaakt dat enkele jaren van welvaart Zuid-Afrika zou welgevallen, maar toen uiteindelijk de vrede was wedergekeerd in Europa stokte de economie en begon werkloosheid te dreigen. Vanwege het overschot aan mensen die om werk concurreerden, ontstonden geweldsuitbarstingen, mede veroorzaakt door de hachelijke omstandigheden waarin de Bantoe in de steden moesten wonen. De snelle demografische verplaatsing maakte het moeilijk om bijtijds adequate woonfaciliteiten op te richten en vanwege de tijdelijke aard van de oorlog en begrotingstekort van de diverse gemeenten werd hun grieven niet met de nodige ernst bejegend. Het pasjeswetsysteem dat tot veel frustratie bij de Bantoe zorgde was in feite een maatregel om ongebreidelde migratie naar de steden in te dammen om verdere instabiliteit en maatschappelijke desintegratie te voorkomen, maar voor hen was het een symbool van stigma en tweederangs burgerschap geworden. De Nasionale Party van Malan kwam in 1948 aan de macht, te midden van deze instabiele toestand. Kort voor de partij aan de macht kwam vond er in de provincie Natal een heftige aanval plaats tussen een groep Aziaten en Zoeloes, waardoor duidelijk bleek dat hier sprake was van een structureel probleem. Aangezien veel van deze conflicten bestonden uit min of meer homogene groepen die tegen elkaar vochten, werd de opvatting verder versterkt dat mensen ten tijde van crisis hun eigen etnische groep opzoeken voor bescherming. Een verdere bevestiging van deze opvatting vond plaats in 1947 toen India onafhankelijk verklaard werd door Engeland. Eenzelfde migratiepatroon vond plaats, met Indiase moslims die naar het noorden vertrokken en de staat Pakistan afstichtten, en de Indiase hindoes die richting groter India gingen. Deze twee gebeurtenissen bevorderden de gedachte verder dat ieder volk naar een eigen homogeen gebied streeft, en aan deze eis probeerde de NP regering te voldoen.

Sinds de afschaffing van de apartheid, de problemen in Zimbabwe en toestroom van buitenlandse zwarten naar Zuid-Afrikaanse steden, ziet men een terugkeer van dit probleem. 145

De laatste paar jaren maken de media geregeld meldingen van xenofobische aanvallen die er plaatsvinden in en rond te stedelijke gebieden vooral gericht tegen Zimbabwanen, Nigerianen, Somaliërs, Congolezen en Mozambikanen. Deze ‘xenofobische aanvallen’ zijn in feite een eufemisme voor hele barbaarse slachtpartijen en mob justice praktijken die in de stedelijke krottenwijken plaatsvinden. Het zijn reacties op de stress van enerzijds ledigheid en anderzijds overbevolking en concurrentie om schaarse middelen zoals werkgelegenheid, met diverse krijgsheren die hun onderdanen oproepen tot geweld. Het woord ‘etnische zuivering’ kan ongetwijfeld in dit verband gebracht worden, maar vanwege de algemeen heersende wantoestanden in Zuid-Afrika wordt het niet altijd als zodanig erkend.

Het geweld dat kort na de Tweede Wereldoorlog vanwege demografische verplaatsing naar de steden begon, dreigde uit te breiden en de noodzaak om in te grijpen was van groot belang, hoewel het hardhandige en vernederende optreden van de politie en het uitstel van de plaatselijke gemeente om de woongebieden tot een fatsoenlijker niveau te brengen bijgedragen had om de gemoederen te doen oplaaien. Aangezien de Bantoe als tijdelijke krachten beschouwd werden had dit ongetwijfeld bijgedragen de woonomstandigheden niet te verbeteren. Het is in ieder geval ondenkbaar dat iemand tot 25 passen bij zich moet dragen om zich binnen zijn woongebied te verplaatsen. Dat ging gepaard met de opgehitste jongeren van de ANC jeugdliga die vanwege hun vervreemding van hun traditionele Xhosa cultuur al hun opgekropte frustratie afreageerde op de handelswijzen van de blanken. Onder deze omstandigheden begonnen zij met retoriek waarin de blanken als geheel schuld hebben aan hun ellende en dat zij te werk moesten gaan om ‘driehonderd jaar van koloniaal heerschappij ongedaan te maken’. Deze woorden worden zelfs vandaag door de jeugdliga gebruikt als manier om de zwarte jeugd te mobiliseren. Tijdens de verhoren verwees de advocaat van de jongeren, de communistenleider Joe Slovo, naar hen als ‘inboorlingen van een primitieve aard’, waarmee bedoeld werd dat deze jongeren tussen twee gebroken culturen zweefden en aspecten van de ene cultuur meenam in de wereld van een andere cultuur (Mager & Minkley, 1990).

Zodra iemand eenmaal een stad gezien heeft met al de nieuwgevonden vrijheden die deze metropool biedt, is de kans klein dat deze persoon er weg zal gaan. Er wordt echter geen rekening gehouden met overbevolking, concurrentie en enorme persoonlijke lasten en verantwoordelijkheden die een stadsleven met zich meebrengt. Achterliggend aan de protesten en bloedige slachtpartijen in steden als Oost-Londen, Durban en Sharpeville, ligt 146

een gevoel van onvermogen om de veranderende tempo van het stadsleven aan te kunnen. Met veel onbegrip reageerde men op de pasjeswetten die nodig waren om een onbeheerde toestroom naar de steden te voorkomen, met een noodzakelijk gevolg dat het gevoel van tweederangs burgerschap zich door deze pasjes manifesteerde. Dit neemt echter niet weg dat deze jongeren daadwerkelijk blootgesteld werden aan kapitalistische uitbuiting en vernederende wetgevingen, terwijl de plaatselijke overheid nonchalant optrad over hun ongenoegen. Door enerzijds beroep te doen op de traditionele manier van geschillen op te lossen maar zonder de sanctie van een stamhoofd waren jongeren op zichzelf aangewezen om op hun manier orde te scheppen in de chaotische situatie. Tijdens de rellen in Oost-Londen stelde minister-president Malan voor om deze gewelddadige jongeren naar kampen te sturen om hen op te voeden op een meer verantwoorde manier, maar bij de traditionele Bantoeleiders sloeg dit idee niet aan. Op deze manier, argumenteerde zij, stel je deze jongeren nog verder bloot aan stigmatisering en het gevoel dat zij geen geschikte burgers zijn. Deze ouderen hadden een beter idee door de jongeren terug te sturen naar traditionele gezinsstructuren om ze op te voeden volgens de traditie waarvan zij vervreemd waren geraakt, en bij dit plan kon Malan zich vinden. Ofschoon dit voorstel goed in het oor klonk, kwamen weer opnieuw problemen naar voren. De ouderen kregen veel macht over de jongeren en dit veroorzaakte dat de jongeren en de ouderen tegen elkaar in opstand kwamen. Eerst waren het de jongeren tegen de ouderen, en na dit voorstel waren het de ouderen tegen de jongeren. De ouderen beschouwden de jongeren niet als echte Xhosa’s aangezien velen niet besneden waren en geen traditionele gezin onderhielden. Vanwege de uitbuiting in de steden en ongepastheid van traditionele praktijken aldaar konden de jongeren onder andere geen lobola5 betalen als zij wilden trouwen. Vandaar begaven deze jongeren zich tot het leven als gangster en de toename van enkelstaande vrouwen en moeders vormden een belangrijke basis waarop deze jongeren zich beriepen; iets dat tegen de traditie indruist en het beeld verder versterkt dat deze jongeren geen ‘echte mannen maar tsotsi’s (gangsters)’ zijn. Hierdoor raakten de jongeren nog verder vervreemd van hun eigen cultuur met het vormen van gewelddadige bendes als uitkomst. In ieder geval is gebleken dat het gros van de criminele jeugd uit gebroken gezinnen kwam waarvan veel nooit hun vader gekend hadden en de moeder moest werken om zichzelf en haar kinderen staande te houden. Mager en Minkley (1990:13) wijten de belangrijkste oorzaken van deze gewelddadige jeugdcultuur aan de stedelijke cultuur en de chaos die ontstond door de verandering van de traditionele relaties
5

Een traditioneel huwelijkscadeau meestal in de vorm van rundvee die de bruidegom aan zijn schoonvader dient te betalen. Hoe meer stuks vee, des te rijker de schoonzoon.

147

tussen mannen en vrouwen. De waarde van geboorte bij de jonge moeders raakte hun traditionele betekenis kwijt en de jongeren konden niet aan de traditionele eisen voldoen om een man te zijn. De samenwerking van deze twee afwijkende patronen hadden een cultuur van een gewelddadige en losgeslagen jeugd in de hand gewerkt. In de jaren ’50 was het ANC jeugdliga actief bezig om op te roepen tot geweld dat meestal gepaard ging met daden van extreem barbarisme, en zelfs welwillendheidwerkers die ten doel stelden de Bantoe medisch en opvoedkundig op te heffen liepen door. Dit was de katholieke non en arts dr. Elsie Quinlan op 9 november 1952 overkomen toen zij in het woongebied Duncan Village, een buitenwijk van de stad Oost Londen werkzaam was met humanitaire hulp. In een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid begonnen opgehitste ANC jongeren haar in haar auto aan te vallen. Zij riep wanhopig om hulp terwijl zij met stenen bekogeld en met stokken geslagen werd, en toen duidelijk bleek dat zij niet geholpen zou worden vouwde ze haar handen in gebed. Eenmaal uit de auto gesleurd en volledig overmeesterd stak iemand op haar in met een mes en werd zij in brand gestoken. Een jonge vrouw verscheen met een broodmes, sneed een stuk van haar verbrand vlees af en at het op. “Ik eet het vlees omdat ik stoer wil worden” was het antwoord. Uit vrees voor spion te worden afgemaakt begon een ander ook van het lichaam te eten. Een ander sneed ook een stuk vlees af om haar kind te laten zien hoe menselijk vlees eruit zag. Nog anderen namen stukken vlees mee om het thuis fijn te malen en er ‘medicijn’ van te maken6 (idem). Kort daarna werd de katholieke kerk afgebrand met luidkeels de kreet: ”Wij moeten de Roomsen doodmaken wat zij zijn Hollands!” (sic). In een later incident in 1976 toen de Soweto opstanden losbarstten, werd de socioloog dr. Melville Edelstein, die zijn carrière had toegewijd de inwoners van Soweto op te heffen, eveneens bruut vermoord. Op zijn lijk werd een houten plankje met de woorden “Beware” (Opgepast) gelegd. Dit vond plaats op dezelfde dag toen de scholier Hector Pieterson werd vermoord, en waar Pietersons dood vereerd wordt met een gedenksteen en een museum, wordt de moord op Edelstein genegeerd.

6

Vermeld dient te worden dat kannibalisme in Zuid-Afrika ook een culturele betekenis heeft, zoals de zogeheten moetimoorden die in steeds toenemende mate plaatsvinden. Onder moetimoorden wordt verstaan het doden van iemand, dikwijls een kind, om diens organen aan een toverdokter te verkopen. Het hart, de teelballen, of bij vrouwen worden de borsten dikwijls geamputeerd en de toverdokter gebruikt deze organen voor medicinale doeleinden. Als deze barbaarsheid niet ver genoeg gaat, wordt het slachtoffer dikwijls zo pijnlijk mogelijk van deze organen ontnomen, want hoe harder hij/zij gilt bij het verwijderen ervan, hoe sterker meent men is het ‘medicijn’.

148

Vanuit de traditionele Bantoecultuur zijn er geen codes, waardes of gedragsvoorschriften die doorgegeven kunnen worden om in een drukke, veranderende metropool te leven. Steyn en Rip (1968) beschreven de verandering in de gezinstructuur van de zwarte bevolking die van het plattenland naar de steden verhuisde. De traditionele structuren konden geen leidende functie meer bieden en de snelle mentaliteitsverandering die zij in de steden ondergingen was te overweldigend om deze met hun traditionele structuren te integreren. De disciplinerende functie van de ouders zwakte af, en alhoewel polygamie aanvaardbaar is in de Nguni cultuur ging het niet naar behoren met de nodige maatschappelijke instemming en sancties eromheen. Vandaar dat de jeugd zich wendde tot seksuele losbandigheid en moeders met kinderen konden niet alleen economisch staande blijven. Velen begonnen het westerse manier van huwelijken aan te nemen maar voor anderen was deze stap nog te ambitieus. Een kerngezin is kleiner en buigt makkelijker onder stress dan een uitgebreid gezinsnetwerk, welke in de traditionele Afrikaanse cultuur veel meer zelfredzaam is met duidelijke taakomschrijvingen van mannen en vrouwen. Een groot deel van de onheimelijke toestand waarin de zwarte bevolking leefde had niet zozeer te maken gehad met apartheid aan zich, maar aan de blootstelling aan een westers cultuur en de verstedelijking. Veel traditionele Bantoe hadden niet de psychische weerbaarheid gehad zich staande te houden te midden van deze verwikkelingen, en sinds de val van de apartheid zijn dingen er helaas niet op vooruitgegaan. Gedragsdeskundige Lourens Schlebusch constateerde dat het zelfmoordcijfer onder zwarte Zuid-Afrikanen sinds de val van de apartheid drievoudig is toegenomen. Hij identificeert de stress en sores van de westerse beschaving waaraan Bantoe blootgesteld worden als belangrijkste oorzaak hiervan. De toenemende individualisering, verstedelijking en het uiteenvallen van de traditionele gezinsstructuren vormen de belangrijkste redenen om het eigen leven te nemen (Horner, B. & Fredricks, I. 2005).

Mensen zijn makkelijk geneigd om hapklare antwoorden te vinden op het geweldprobleem in Zuid-Afrika. De apartheid is uitgegroeid tot een spreekwoordelijke boeman waarmee alle vormen van geweld mee verklaart wordt. Dit verhoogt de woede tegen de blanken en op deze manier wordt de ware oorzaak van het geweld niet aangesproken, waardoor het klimaat van geweld intensifieert. De populaire media hebben eveneens geen bevorderlijke rol gespeeld om de meer subtiele oorzaken aan te spreken en gaf voortdurend de indruk dat het probleem makkelijk op te lossen is zodra de ‘blanken hun houding tegenover de zwarten veranderen’. De communistische meningvormers meenden zelfs dat de verschillende stamverwantschappen kunstmatige constructies waren die bedacht werden door de 149

apartheidleiders en probeerde de indruk te creëren dat alle volkeren in Afrika één waren, conform de marxistische opvatting van de universele mens. De verschillen in de traditionele waardesystemen en het westen zijn echter een belangrijke reden waarom de overgang van hun cultuur naar de westerse cultuur niet soepel verloopt. Tijdens het ambtstermijn van Nelson Mandela, toen bleek dat de dagelijkse criminaliteitcijfer nog erg hoog lag, postuleerde hij een ‘derde macht’ (‘Third Force’) als mogelijke oorzaak hiervan. Deze derde macht zou zijns inziens elementen van het oude apartheidregime zijn geweest die belang hadden zijn bewind te ondermijnen, en hij stelde een rechter aan om onderzoek in te stellen. Rechter Richard Goldstone kon na echter geen bewijs vinden van georganiseerde activiteiten die duidden op een betrokkenheid van oud apartheidstrijders 7. Toch is het tot een bijna metafysieke verklaring uitgegroeid om het algemene geweld in Zuid-Afrika te begrijpen en sindsdien worden alle vormen van geweld in Zuid-Afrika domweg voor de deur van de voormalige regering gelegd, zonder om verdere kritische vragen te stellen over de gewelddadige wijze waarmee het ANC het land overnam. Voormalig ANC jeugdleider Julius Malema gaat zelfs verder door te menen dat de apartheidregering alle blanken racisten en schurken heeft gemaakt, 17 jaar nadat het systeem finaal is ontmanteld. De gewelddadige taal tegen de blanken wordt steeds heftiger waar deze juist naar verwachting minder heftig zou moeten worden. Er is inmiddels een hele generatie jonge zwarten en blanken die de apartheid niet hebben meegemaakt of te jong waren zich iets van de conflicten van de jaren ’80 te herinneren waaronder Malema zelf, maar dat deert hem niet om deze kreten bij hen te indoctrineren.  Apartheid als schutting tegen geweld. Een der grootste bekommernissen van de Afrikaners is nog altijd hun wetenschap geweest dat als zij de macht zouden verliezen, zouden zij vanwege hun demografisch nadelige positie deze nooit meer terugkrijgen…of nog erger! Om de woorden van dichter en cultuurfilosoof NP van Wyk Louw (1906 – 1970) te citeren: “De eisen van ‘vrijheid, ‘gelijke rechten’ en ‘gelijke kansen’ voor iedereen is, abstract gesteld, bijna vanzelfsprekend billijk – ten minste zodra wij de gewone menselijkheid als grondslag aanvaren – maar toegepast op Zuid-Afrika zou het betekenen dat het kleine,
7

Journalist Allister Sparks meldt echter in Tomorrow is Another Country: The Inside Story of South Africa’s Negotiated Revolution (1994) dat er volgens zijn analyse wel degelijk een derde macht betrokken was in de omliggende landen bestaande uit de politie, het leger en de Zoeloes van de Inkatha Vrijheidspartij die deze buurlanden wilden destabiliseren om antiapartheid strijders te ontmoedigen die in deze gebieden opereerden. De kans bestaat dat tegen de tijd dat Goldstone zijn onderzoek deed dat deze derde macht al opgedoekt was.

150

relatief hoog ontwikkelde Afrikanervolk en het Engelse volksdeel zouden verzinken tot machteloze minderheden tussen een massa zwarten. Om ‘liberaal’ te zijn, komt minstens voor de Afrikaner – die niet als de Engelssprekende een land heeft om naar te vluchten – op nationale zelfmoord en ook individuele vernietiging neer. En als hij hier zo een minderheid wordt, dan weet hij dat hij zo hulpeloos als de Jood in Duitsland zal zijn.” (Louw, 1971).

De krantenredacteur Piet Cillé stelde ooit dat apartheid niet zozeer berustte op het beginsel dat blank over zwart wilde heersen, als wel om te zorgen dat zwart niet over blank kon heersen. Postkoloniaal Afrika kan getuigen van talloze voorbeelden waarin de Europeaan niet meer veilig was zodra hij de macht heeft overhandigd, waarvan Zimbabwe als meest recent voorbeeld fungeert. Om aan te nemen dat hetzelfde lot blank Zuid-Afrika gespaard zal blijven is gevaarlijk naïef. Verwoerd had overigens in 1966, kort voor hij vermoord werd, gezegd dat zodra in Rhodesië een meerderheidsregering aan de macht zou komen, zou er binnen twintig jaar hongersnood zijn. Deze voorspelling was onder Robert Mugabe precies uitgekomen. In 1980 nam hij het land over en in 2000 begon hij met de grootschalige landonteigening. Was het niet voor Thabo Mbeki van Zuid-Afrika geweest die hem tegenhield was Mugabe al tien jaar eerder begonnen met de onteigening. Mbeki had hem een halt toegeroepen omdat op dat stadium de blanke Zuid-Afrikanen nog te veel macht in handen hadden. Als men in ZuidAfrika ziet wat er in Zimbabwe gebeurt zou het veel moeilijker zijn geweest de macht uit de handen van de blanken te ontfutselen.

Wat politiek geweld in Zuid-Afrika betreft, schrijft de academicus en mensenrechtenkenner Max Coleman (1998) dat het aantal mensen dat omkwam in politiebewaking in de onstuimige periode tussen 1984 en 1989 op 38 ligt, terwijl dagblad Business Day op 1 oktober 2010 vermeldt dat het aantal mensen dat omkwam in politiebewaking alleen in 2009 op 860 staat, een daling met 6% vergeleken met een jaar daarvoor! Wat gewelddadige incidenten over het hele land betreft meldt Coleman het volgende: het aantal mensen dat omkwam steeg tijdens de apartheid gestaag en bereikte een hoogtepunt met de verkiezingen waarin het ANC een meerderheid zetels behaalde en Nelson Mandela als eerste zwarte president van Zuid-Afrika werd ingehuldigd. Daarna daalde het aantal politiek gerelateerde geweldsincidenten scherp, maar bleef de criminaliteit erg hoog. Volgens Coleman staat het aantal mensen dat omkwam tijdens de gehele bewindsperiode van de Nasionale Party (1948 – 1994) op 21 000, waarvan 14 000 omkwamen in de transitieperiode tussen 1990 – 1994. Deze statistieken nemen ook degenen mee die in Angola tijdens de bosoorlog van de jaren ’70 tot eind jaren ’80 151

omkwamen. Van deze doden tijdens de transitiefase was ruim 92% veroorzaakt door zwart op zwart geweld, zoals stammenoorlogen tussen het ANC en Inkatha, geweld in mijnherbergen, taxioorlogen en rellen rond grondgebied en behuizing. De apartheid veiligheidsdiensten, waaronder de politie en leger, hebben gedurende de periode 1948 – 1989 een politiek gerelateerde dodental van ruim 1470 veroorzaakt (de oorlog in Angola incluis) en gedurende de transitieperiode een verdere dodental van 518 voor hun rekening genomen. Gedurende de transitieperiode (1990 – 1994) waren de veiligheidsdiensten verantwoordelijk voor 5,6% van alle politiek gerelateerde doden die vielen. De sluipmoordaanvallen die naar zeggen ook vanuit overheidszijde geopereerd hebben (hoewel er geen duidelijk bewijs voor bestaat), veroorzaakte een verdere dodental van 173 mensen (1,8%) en de extreemrechtse groeperingen hebben 54 doden (0,6%) tijdens deze roerige tijd veroorzaakt (Ibid., p.214). Van alle doden die vielen in de periode 1990 – 1994 hebben de machten die de blanken wilden beschermen (politie, leger, eventuele sluipmoordaanvallen en extreemrechts) voor hoogstens 8% bijgedragen aan het golf van politiek geweld in deze transitiefase. Wat massamoorden betreft tijdens de gehele apartheidperiode citeert Coleman de volgende gegevens. Met massamoorden wordt bedoeld een dodental van ten minste 10 mensen, maar ook incidenten die een belangrijke invloed hebben gehad op de politiek: Tussen 1948 – 1959 vonden er 6 massamoorden plaats; Tussen 1960 – 1969 een verdere 3 massamoorden; Tussen 1970 – 1979 nog 2 massamoorden; Tussen 1980 – 1984 waren er 6 massamoorden; Tussen 1985 – 1989 waren er 29 massamoorden genoteerd. Dit is een totaal van 46 massamoorden in de apartheidjaren van Malan tot Botha. Tussen de transitiejaren van 1990 tot 1994 zijn de volgende aantallen bekend: Tussen januari 1990 en juni 1990 vond er 1 massamoord plaats; Tussen juli 1990 – juni 1991 vonden er 36 massamoorden plaats; Tussen juli 1991 – juni 1992 vonden er 15 massamoorden plaats; Tussen juli 1992 – juni 1993 nog 12 massamoorden; Tussen juli 1993 – april 1994 vonden er 28 massamoorden plaats; Tussen mei 1994 – december 1996 vonden er 11 massamoorden plaats. Dit komt neer op een totaal van 103 massamoorden tijdens de kentering en kort ernaar. (Ibid. pp 264 – 269). Onder deze massamoorden wordt alle oorzaken verstaan, hetzij door de veiligheidsdiensten, hetzij door stammenconflicten, hetzij uit de hand gelopen spanningen in de mijnindustrie, taxi industrie en anderen. 152

Voor een land dat een revolutionaire kentering heeft meegemaakt was het aantal doden vrij laag vergeleken met andere revoluties, maar daartegenover staat dat Zuid-Afrika een van ’s werelds meest misdadige landen is geworden. Het verband tussen misdaad en politiek geweld is echter niet altijd een voor de hand liggend gegeven, en ligt aan de definitie en de context die aan misdaad wordt toegeschreven. Dit is de mening van Graeme Simpson, directeur van het Center for the Study of Violence and Reconciliation (CSVR). Volgens Simpson (Hunt, 2003) is de hoofdoorzaak van geweld sinds de apartheid niet wezenlijk veranderd. Economisch en maatschappelijk isolement draagt in evenveel mate bij tot het geweld vandaag als tijdens blank bewind, alleen is de definitie veranderd. Vroeger werden activiteiten die een woonbuurt onregeerbaar maakten beschouwd als politiek protest, terwijl vandaag wordt het beschouwd als misdaad. Minnaar (1994) beaamt dit standpunt door demografische en maatschappelijke factoren te benadrukken als belangrijkste oorzaak. De verstedelijking, snelle opkomst van krottenwijken en concurrentie om schaarse levensmiddelen spelen een voorname rol in de golf van geweld. Morris en Hindson (1992) vragen zich af waarom het geweld vooral voortkwam sinds de desintegratie van de apartheid. Waarom was er niet zoveel endemisch geweld 15 à 20 jaar geleden te midden van het Nasionale Partybewind? En waarom is het gros van het geweld niet tegen de blanken gericht maar zwart op zwart conflicten? Deze schrijvers stellen dat de geweldsepidemie te maken heeft met de manier waarop apartheid werd ontmanteld in plaats van de manier waarop het werd toegepast. Factoren zoals een afname in economische groei, snelle verstedelijking, de opkomst van krottenwijken in de buurt van de formele townships en botsende politieke ideologieën hebben een klimaat van geweld een dagelijkse realiteit gemaakt. Bewoners van de krottenwijken raakten slaags met de welvarender inwoners van de formele townships. Sommige Bantoe werden rijker en begonnen zich tot de betere middenklasse te voegen, anderen werden armer en beschuldigden de welvarende zwarten van perfiditeit. De succesvolle Bantoe verhuisden weg uit de townships naar welvarender buurten welke zorgde dat de opkomende jeugd geen rolmodel had waarmee hij zich konden identificeren om uit zijn armoede te trekken, met gevolglijk misdaad als meest haalbare uitkomst. De rol van de staat onderging ook een verandering en beoefende geen controle meer uit over de burgers zoals zij gewend waren, en veroorzaakte mede dat de steden ongecontroleerd volstroomden aan werkzoekenden, en oude stammenconflicten laaiden weer op. Vooral het stopzetten van subsidies naar de thuislanden toen deze ontmanteld werden hielpen mee aan de toestroom naar de steden. Voeg erbij dat het ANC de macht overnam door geweld te gebruiken, de townships doelbewust onregeerbaar te 153

maken en bij de eerste landelijke verkiezing massaal te frauderen (Nederlands Dagblad 1202-2003; Hammond). Dit heeft meegeholpen een beeld te creëren dat geweld en corruptie gerechtvaardigde middelen zijn om macht te bekomen.

 Stijgende verwachtingen. Over de stijgende tendens van geweld tot en met de eerste algemene verkiezing in 1994 kunnen twee belangrijke verklaringsmodellen geboden worden. Eerstens presenteert de bekende Franse wijsgeer Alexis de Tocqueville een interessant verschijnsel in zijn werk L’Ancien Regime et la Révolution, over de oorsprong van de Franse Revolutie, welke evenwel van toepassing is op Zuid-Afrika. Het betreft een revolutie van stijgende verwachtingen. De Tocqueville constateerde dat het Oude Regime in Frankrijk ten gronde ging in de Franse Revolutie niet zozeer omdat de onderdanen arm en wanhopig waren, maar juist omdat hun leven beter begon te worden. De levensverwachting werd indertijd naar boven bijgesteld en het kindersterftecijfer nam af. Tezamen met deze stijging in levensverwachting begonnen de verwachtingen van een betere toekomst eveneens te stijgen. Het gevaar ontstaat wanneer de verwachtingen harder stijgen dan de nationale welvaart kan bijbenen. Stijgende welvaart zorgt voor meer hoop en energie bij de menigte, en mensen worden dan ongeduldig. Zij willen nog meer, nog sneller. Juist door dit ongeduld worden revolutionaire acties op gang gezet. Tegelijkertijd begon de positie van de adel zelf aan de macht in te boeten. Hannah Arendt schreef in Origins of Totalitarianism dat het juist de adellieden waren van het Oude Regime die het snelst van hun machtspositie vielen die vooral konden rekenen op haat en hoon van de opstandige menigte. Met enkele uitzonderingen daargelaten, zoals Marie Antoinette, hebben de opstandelingen over het algemeen de machtigste en invloedrijkste adellieden niet voor madame guillotine gesleept. Mensen zijn over het algemeen niet opstandig of ontevreden over degene die regeert, als deze maar zorgt voor orde en welvaart. Zodra deze verhouding verandering ondergaat, met een stijgende invloed van de menigte en tanende macht van de machtshebbers, neemt de kans op opstand toe. In Zuid-Afrika verliep dit proces nagenoeg op dezelfde manier. Na de moord Verwoerd en de daaropvolgende verandering in de beleidsrichting van de apartheid, zijn er verwachtingen ontstaan bij de verstedelijkte zwarte bevolking dat zij weldra op meer burgerschap en rechten konden rekenen. Onder Verwoerds opvolger, Balthazar John Vorster, werd het verbod van 154

zwarte atleten om mee te doen aan Europese sportevenementen opgeheven. Eveneens zocht Vorster contact met andere Afrikaanse staatshoofden en waren hun diplomaten toegelaten in blanke gebieden te wonen. Hij had zijn buurman Ian Smith in Rhodesië (thans Zimbabwe) – weliswaar onder druk van de Verenigde Staten – toegezegd dat het niet meer rendabel was om als blanke minderheid aan de macht te blijven. Vorsters opvolger Pieter Willem Botha zette deze ontmanteling voort door in 1986 de paswetten af te schaffen, het verbod op gemengde huwelijken op te heffen en zwarte studenten makkelijker toe te laten aan blanke universiteiten. Botha wilde na de internationale dreiging van sancties in 1984 de apartheid als geheel opdoeken maar werd tegengehouden door de invloed van de Koude Oorlog en Nelson Mandelas weigering om de oproerige zwarte jeugd in de townships tot bedaren te roepen. Deze diverse acties die de overheid sinds 1966 ondernam waarin bleek dat het einde in zicht was van het tweederangs burgerschap van de stedelijke zwarten, culmineerde uiteindelijk in de Soweto opstanden van 1976 en de sporadische geweldsincidenten gedurende de jaren tachtig. De algemene vertelling over de opstanden is dat deze een reactie was tegen het invoeren van het Afrikaans (“de taal van de verdrukker”) op zwarte scholen. Achterliggend hieraan schuilde een gevoel van onmacht en onbegrip en een existentiële crisis rond het bestaan van de zwarte jeugd in de steden. Het Afrikaans dat zij moesten leren was slechts het meest saillante symbool van hun frustratie geweest, en leidde tot de slagspreuk onder de zwarte jeugd: “Wij zullen Afrikaans leren als Vorster Zoeloe zal leren”. Met de infasering van het Afrikaans was de maat vol en hadden de leiders van verscheiden fracties, waaronder de Black Consciousness Movement – later geleid door Stephen Biko - de gelegenheid benut om de jongeren in Soweto op te roepen de scholen te boycotten. Het invoeren van het Afrikaans was ook een tactiek van de overheid geweest om invloed te vergroten over de zwarte bevolking om hen uit de handen van de communisten en communistische propaganda te houden. De Koude Oorlog is nog erg onbelicht gebleven in Afrika, en de antiapartheid opstanden waren vanuit linkse bewegingen ingangen geweest om een communistische dictatuur in Zuid-Afrika te vestigen. Vanwege de rol van Zuid-Afrika als internationale anticommunistische bondgenoot, en het geronnen bloed in Mozambique en Angola waar het communisme overnam was het voor de Nasionale Partyregering van uitermate belang te zorgen dat het communisme geen wortel kon schieten in Zuid-Afrika.

Benevens de genoemde factoren die de Soweto opstanden in de hand gewerkt hebben, noemt historicus Hermann Giliomee twee medefactoren die veroorzaakt hadden dat de spanningen drastisch escaleerden in 1976 met opstand als resultaat. Zoals vermeld was er sprake van een 155

revolutie van stijgende verwachtingen. Het revolutionaire klimaat intensifieerde verder nadat de overheid in de vroege jaren ’70 begon in te zien dat er inderdaad een armoedeprobleem in de townships was dat voor politieke instabiliteit zou kunnen zorgen. Om die reden werd een belastingverhoging voor de blanken ingevoerd teneinde de zwarte bevolking op een hoger welvaartpeil te brengen. In 1975 werd vermeld dat de lonen van een kwart miljoen zwarten werkzaam in de nijverheid, ongeveer de hele zwarte elite in het townshipgebied met 15 tot 20% steeg. In de begroting van 1975 – 1976 was gebleken dat de persoonlijke inkomsten van de blanken met 7% daalden. De Aziatische Zuid-Afrikanen zagen hun persoonlijke inkomsten stijgen met 3%, de kleurlingen met 19% en de zwarten met 11%. Het was de bedoeling om besteding aan de blanken constant te houden totdat meer gelijkheid tussen de verschillende rassen bereikt werd (Giliomee, 2003a; p.517). De ander belangrijke aanzet tot deze opstand werd mede veroorzaakt door de val van het koloniale bewind in Mozambique. In 1974 kwam een eind aan de dictatuur in Portugal, en de koloniën Mozambique en Angola werden omgevormd tot behoorlijk gewelddadige strijdtonelen waarin de Portugese kolonisten hardhandig verwijderd werden. Deze acties boezemden de jeugd in Soweto gevoelens van overwinning in, tot zoverre mate dat zij geïnspireerd werden om geweld te gebruiken om een eind te maken aan blank bewind in Zuid-Afrika. Samengevat: de Soweto opstand barstte los vanwege een combinatie van angst, ongenoegen en frustratie jegens hun leven in de steden. Men vond dat het regime deze angsten niet adequaat begreep en ontwikkelde een sterke afkeur tegen de overheid vanwege het gevoel van onvermogen er iets aan te veranderen. Dit viel samen met een versoepeling van het apartheidbeleid en de ondergang van het koloniale bewind in Mozambique en Angola, hetgeen een gevoel van overwinning inboezemde. Het gevoel van overwinning, en de hoop dat deze zou overwaaien naar Zuid-Afrika bereikten kookpunt toen de lonen van zwart ZuidAfrika omhoog gingen. Dit zorgde ervoor dat zij met nieuwgevonden energie zich tegen de vernederende apartheidswetten begonnen te verzetten. Het invoeren van het Afrikaans was de laatste druppel die de emmer deed overlopen.

 De rol van het internationale communisme. Waar een revolutie van stijgende verwachtingen als eerste belangrijke verklaring aangevoerd kan worden om toenemende golf van geweld te verklaren, biedt de onbillijke rol die de 156

communisten sinds de jaren ’50 gespeeld hebben (en nog steeds spelen) een tweede belangrijke verklaring. Er zijn telkens bewijzen naar boven gekomen waarin duidelijk blijkt dat de communisten erop uit waren Zuid-Afrika met geweld over te nemen en eventueel te onderwerpen aan een agressieve dictatuur, zogenaamd voor iedereen die koloniale ambities koestert. In het blad African Communist van 1963 (Vol. 2 nr. 2, Jan-Mar) staat: In order to extend the gains of the revolution, particularly in the conditions of South Africa, the utmost vigilance must be exercised against those who would seek to organise counterrevolutionary plots, intrigues and sabotage, against all attempts to restore White colonialism and destroy democracy ... a vigorous and vigilant dictatorship must be maintained by the people against the former dominating and exploiting classes. Towards this end, the Party will propose the disbandment of the police and military forces maintained by white colonialism. A new people's militia and people's liberation army, composed of and led by trusted representatives of the people, must be created. (Vertaling: Teneinde de voordelen van de revolutie uit te breiden, vooral lettend op de toestanden in Zuid-Afrika, dient uiterste waakzaamheid beoefend te worden tegen degenen die contrarevolutionaire complotten, intriges en sabotage willen organiseren, tegen enige pogingen om blank kolonialisme te herstellen en democratie te vernietigen…een krachtige en waakzame dictatuur dient te worden onderhouden door het volk tegen de voormalige dominerende en uitbuitende klassen. Voor dit doel stelt de Partij voor om de politie en militaire machten te ontmantelen die door blank kolonialisme in stand worden gehouden. Een nieuwe volksmilitie en vrijheidsleger, samengesteld en geleid door vertrouwde vertegenwoordigers van het volk dient op stapel te worden gezet.)

Wie voorzichtig deze tekst ontleedt ziet dat deze oogmerken geen bevorderlijke rol voor de blanken in petto hebben. Het komt er op neer dat zodra de communisten overnemen de blanke Zuid-Afrikanen als opgejaagd wild behandeld zouden worden. Daarenboven zouden deze doelstellingen de blanken enige rol van betekenis ontnemen om apartheid vreedzaam te ontmantelen, en maakt enige mogelijkheid om compromissen te sluiten onmogelijk. Gegeven het feit dat de Koude Oorlog toen in volle zwang was, behoort het niet te verbazen waarom het gros van blank Zuid-Afrika zich het liefst achter de beschermende hand van de apartheidregering schaarde. Het is niet toevallig apartheid opgedoekt werd pas nadat de Berlijnse Muur viel en de directe communistische bedreiging voor Zuid-Afrika geweken was.

157

Sinds de verschijning van dit artikel in 1963 zijn er diverse opwellingen gekomen waarin gepleit werd om met agressie over te nemen waarin zelfs het uitmoorden van hele gemeenschappen niet geschuwd werd. Bijvoorbeeld op 4 juli 1986 klapte de bekende ZuidAfrikaanse communist Joe Slovo (1926 – 1995) uit de school aan de BBC World Service dat het geoorloofd is de blanke agrariërs, hun vrouwen en kinderen te doden, aangezien “zij allen deel uitmaken van het Zuid-Afrikaanse defensiemacht”. Even later is het moorden van de boeren hoofdprioriteit geworden onder het ANC, met belangrijke kopstukken zoals Winnie Mandela, Peter Mokaba en anderen die de slagspreuk “Kill a Boer, Kill a Farmer” loodsten. Sinds 1987 tot medio 2011 heeft het een eind aan meer dan 3 000 levens van agrariërs gemaakt, met een gemiddeld van twee boeren die per week vermoord worden in 2010. Tijdens het FIFA voetbalevenement in Zuid-Afrika bereikte het moordcijfer op zowel de agrariërs als de stedelingen een nieuw record met een drievoudige toename van vermelde incidenten. Ruim een jaar na afloop van het evenement was het geweldcijfer nog niet terug naar de oude norm gekeerd (www.farmitracker.com).

Wat betreft de marxistische verklaring van Zuid-Afrikas geweldprobleem, stellen Scholtz en Scholtz (2008) dat de Zuid-Afrikaanse communisten niet goed op de hoogte waren van de ware toedracht van zaken in Zuid-Afrika. Zij ontvingen hun opdracht direct en onkritisch vanuit Moskou alwaar een marxistische/Eurocentrisch benadering gebruikt werd om ZuidAfrika te begrijpen, en de dagelijkse realiteit in dat land niet ter berde kwam. Zelfs toen duidelijk bleek dat het communisme aan het wankelen was hebben Zuid-Afrikaanse communisten alsnog geprobeerd om ‘de oase van het socialisme op te zoeken te midden van westers, antisovjet propaganda’. Hun idealen maakten hun blind voor de politieke realiteit van Zuid-Afrika. Het was de bedoeling van het communisme een wereldwijde revolutie te ontketenen en alles wat er in de weg stond werd op alle mogelijke manieren gelaakt. Om apartheid te beschouwen als een systeem van structureel geweld en als misdaad tegen de menselijkheid waren tactieken geweest om de weg te banen voor revolutie en om gezagstructuren internationaal te centraliseren in plaats van te decentraliseren. Dit verklaart waarom communisten fel tegen nationalisme gekant zijn welke autonomie en zelfredzaamheid als hoogste volksideaal koestert. In 1992 werd een documentaire samengesteld getiteld “The Songs they sing about killing whites in South Africa” waarin te zien was hoe een ander vooraanstaande Zuid-Afrikaanse communist Ronnie Kasrils en andere strijdgenoten met geheven vuist in het Xhosa zongen 158

dat zij als strijders van Mkhonto we Sizwe (Speer der Natie - militaire vleugel van het ANC) zich plechtig verbonden hebben de blanken te doden (http://www.youtube.com/watch?v=YT34ymDKMhQ). Belangrijke ambtenaren in het ANC proberen de moorden op de boeren dikwijls te bagatelliseren door diefstal als hoofdmotief aan te voeren, maar de manier waarop de boeren af en toe urenlang gefolterd worden met slechts enkele kleine items die gestolen worden – zoals een mobiele telefoon – wijst erop dat dit niet het geval is. De Afrikaanstalige dagkrant Beeld vermeldde op 5 december 2003 dat een Zuid-Afrikaanse rechter, JMC Smit de opvatting logenstraft dat beroving ten grondslag ligt aan de barbaarse moorden. Vervolgens ging de mare dat de boeren vermoord worden uit rancune, vanwege de navrante toestand waarin de zwarte arbeiders verkeren. Daartegenover staat dat het Helen Suzman Foundation een enquête loodste waarin blijkt dat maar liefst 93% van de zwarte arbeiders meent een gunstige relatie te hebben met de blanke agrariërs. Het Zuid-Afrikaanse Departement van Arbeid (Nederlands equivalent: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) prees in oktober 2004 de Afrikanerboeren dat zij voor 98% aan de eisen hebben voldaan om gunstige arbeidsomstandigheden voor de zwarte werkers te creëren. Rancune als motief gaat niet op, vooral als rekening gehouden wordt dat het niet de arbeiders zijn die de boeren doden, maar moordlustige jongeren van buitenaf. In 2010 is de strijdkreet “Schiet de boer” opnieuw leven ingeblazen door het (inmiddels geschorste) hoofd van de ANC jeugdliga, Julius Malema, hetgeen een vernieuwde golf van aanvallen op boerderijen op gang zette. Wederom werden pogingen vanuit overheidszijde ondernomen om misdaad, armoede of rancune als hoofdmotief voor de moorden neer te zetten. Pas toen een parate boer twee onverlaten wist te overmeesteren terwijl zij “Sterf witman! Viva Malema!” slaakten, werd het verband duidelijk dat het inderdaad om een vooraf geplande moordaanslag ging (Du Plessis, JP. (2010). Viva Malema say attackers. www.iafrica.com. 12 april).

Sindsdien heeft de rechtbank geoordeeld dat deze strijdlied aanzet tot haat, maar op 29 november 2010 verscheen een ANC delegatie in hoger beroep om te argumenteren dat deze lied deel is van hun erfgoed en onder vrijheid van meningsuiting dient te vallen. Het is overduidelijk dat het ANC hiermee een cultuur van geweld in stand wil houden. Dit heeft ertoe geleid dat genocidenwaakhond Genocide Watch in de week van 27 juni 2011 besloten heeft dat de veiligheid van blanke Zuid-Afrikanen niet meer gegarandeerd kan worden en verhoogde de genocidenstatus naar de volgende fase. Volgens Genocide Watch begint 159

langzamerhand de daadwerkelijke uitvoerende fase van volkerenmoord zich tegen de blanken te voltrekken, en in deze fase zouden zij in aanmerking moeten komen voor asiel, of zouden de Verenigde Naties zich moeten ontplooien om de burgers tegen de overheid te beschermen.  Volksoorlog als doelbewuste strategie. Naast de genoemde factoren over geweld in Zuid-Afrika, schrijft rechtsgeleerde dr. Anthea Jeffery het hoge geweldcijfer toe aan de doelbewuste strategie die het ANC volgde om een volksoorlog te ontketenen in Zuid-Afrika. Tussen 1984 en 1994 kwamen ruim 20 500 mensen om in geweld dat door de ANC/Communistische Partij alliantie werd aangestuurd, en vanuit ANC gelederen werd een agressieve en vrij succesvolle mediacampagne gevoerd om de indruk te creëren dat de diverse afdelingen van de apartheidregering hiervoor verantwoordelijk waren. Analisten die zich bogen over het patroon van geweld konden zich niet berusten bij ‘spontane’ geweldsuitbarstingen, maar vond een correlatie tussen radioberichten verzonden door de in Zuid-Afrika verbannen Radio Freedom en de daaropvolgende uitbarstingen. Tijdens de boekenpresentatie van Jefferys People’s War: New light on the Struggle in Johannesburg op 7 december 2009 stelde het hoofd van de South African Institute of Race Relations, John Kane-Berman dat men op de hoogte was dat de drie maanden na het ontbannen van het ANC Zuid-Afrika het grootste golf van geweld tegemoet zou komen sinds de Tweede Wereldoorlog. Uit vrees voor represailles hadden zwarte journalisten werkzaam in de verscheidene townships weinig melding gemaakt over de ware aard van het geweld. De terreur die het ANC toepaste was een strategie geweest om beheer te verkrijgen over mensen en plaatselijke overheden en politieke opponenten te intimideren. De volksoorlog begon in 1985 in het oostelijke Kaapgebied waar geweld en intimidatie begonnen waren bij de boycot op de scholen. Dit geschiedde tegen de wil van de meeste zwarte scholieren in, die graag naar school wilden gaan en niets met politieke acties te maken wilden hebben. Kort daarna vond in de stad Uitenhage vlakbij Port Elizabeth de eerste zogeheten ‘halssnoermoord’ (necklacing) plaats waarin een met benzine doorweekte autoband om de nek en schouders van het slachtoffer gedrukt en in brand gestoken werd om een pijnlijke verbrandingsdood te sterven. Het eerste slachtoffer van deze halssnoermoord was de Bantoe gemeenteraadslid Benjamin Kinkini van de KwaNobuhle gemeente. Jeffery meldde dat Kinkini moest toezien hoe zijn eigen zoon door de menigte ineengehakt en in brand gestoken werd. Om zijn tweede zoon eenzelfde lot te besparen doodde hij hem met een genadeschot. Daarna was hij zelf aan de beurt, en te midden van dansende, juichende opstandelingen kwam hij op een gruwelijke wijze aan zijn einde. In het verloop van dat jaar 160

zouden nog acht slachtoffers omkomen op deze abominabele wijze, en hun ‘misdaad’ was dat zij niet mee wilden werken het huis van een politieagent in brand te steken. De opgehitste menigte had het ook gemunt op nog twee andere jongens die geweigerd hadden mee te werken. Zij wisten echter de meute te ontvluchten en deden later hun verhaal aan de Sunday Times, maar niet voordat zij ieder 25 slagen wonderbaarlijk hadden overleefd. Het was onder deze omstandigheden toen Winnie Mandela haar bekende oproep uitte dat “wij zullen met onze luciferdozen en halssnoeren dit land bevrijden” en een hele grote groep Xhosa jeugdigen, de zogeheten Comrades, werden op de been gebracht om gebieden onregeerbaar te maken, dissidenten dood te knuppelen, te verbranden of te verkrachten, en amok te zaaien zover zij gingen. Jeffery meent dat deze volksoorlog bestond uit zowel een militaire als politieke vleugel welke als een hamer en aambeeld fungeerde. Wie zich ook al bevond tussen deze vlakken hetzij dissidenten, hetzij vrouwen of kinderen werden allen voor de voet afgemaakt. Mensen waren even vervangbaar als wapens en munitie. Volgens haar waren de boycotacties die het ANC de andere zwarten had opgelegd grotendeels veroorzaakt door intimidatie en vrees voor verder conflict en lang niet uit solidariteit tegen de apartheid (Jeffery, 2010). Jeffery verwijt deze volkerenoorlog voor het golf van geweld in de postapartheid periode. De communisten, met name Joe Slovo, gaf de Comrades opdracht de politie aan de vallen en zwarte politieagenten moesten van Slovo hun functie van wetshandhaver neerleggen en de wapens tegen de blanken oppakken. Het grootste gevaar van deze vorm van oorlogvoering is dat het alomtegenwoordig is en na afloop zeer moeilijk is de menigte tot bedaren te roepen, juist omdat ongehoorzaamheid het middel is waarmee oorlog gevoerd wordt. Deze oorlog heeft het moraal ernstig verzwakt, haalde jongeren over tot extreme vormen van geweld, en overspoelde het land met scheepsladingen vol illegale wapens waarvan de meesten nooit opgespoord zijn. Om het huidige golf van geweld in ZuidAfrika te begrijpen vormt deze kennis van de volkerenoorlog een onmisbaar onderdeel. De rol die het ANC speelde is nog erg onbelicht gebleven en wordt zoveel mogelijk uit de populaire media geweerd. Enige kritiek tegen het ANC wordt meteen de vorige regering in de schoenen geschoven of de criticus wordt voor racist versleten. Jeffery maakte zich om die reden niet populair bij het ANC toen haar publicatie verscheen. Uiteindelijk kan de opstanden van de jaren ’80 verklaard worden in termen van de ambities die de ANC/Communistische Partij alliantie in Zuid-Afrika koesterde, en net als elders ter wereld een hegemonie onder de hamer en sikkel wilde vestigen. De opgeofferde zwarte jongeren waren niets meer dan vervangbare pionnen in de strijd voor de belangen van grote, 161

buitenlandse mogendheden geweest. Hierover schreef de voormalige communist Paul Trewhela in Inside Quatro over zijn ervaringen rond de beruchte Quatro goelag in Angola. Volgens hem was deze goelag, oftewel de ‘Buchenwald’ van het ANC/Communistische Partij een zeer succesvolle manier geweest om dissidenten die dorsten uit te spreken tegen het ANC het zwijgen op te leggen. De mensenrechtensituatie in deze goelag liet veel te wensen over, en zelfs Nelson Mandela en de huidige president Jacob Zuma meenden hiervan af te weten. Degenen die deze martelingen hadden overleefd, zoals de Nairobi Vijf klapten achteraf uit de school aan de pers dat zij contractueel verplicht waren te zwijgen over deze goelag teneinde verdere opsluiting te voorkomen. Sommigen waren zelfs tot zelfmoord overgegaan om niet nog een keer ten prooi te vallen aan de handen van de KGB opgeleide goelagbeulen, en nog anderen waagden het naar Zuid-Afrika te ontsnappen om hun verhaal te doen, aangezien zij desnoods liever in een Zuid-Afrikaanse gevangenis zaten dan in dit martelkamp. Trewhela schrijft dat dit terreurregime van het ANC, dat veel verder dan alleen de goelag strekte, een belangrijk onderdeel vormde in de totale toepassing van repressie en deceptie rond Zuid-Afrika, en deze deceptie veroorzaakte dat de wereldwijde antiapartheid beweging tot het meest succesvolle populaire front uitgroeide voor het stalinisme waar ook al ter wereld. Volgens hem was deze lobby zelfs meer succesvol, bereikte meer mensen en had meer invloed over een lange termijn dan de collaboratie met de Spaanse burgeroorlog en de Stalin-Roosevelt-Churchill alliantie. In ruim dertig jaar wist de antiapartheid beweging de persen, de kerken, politieke partijen, de vakbonden en zelfs de ‘trotskistische’ linkse bewegingen over te halen om hun stalinistische agenda te bevorderen (Trewhela, 1990).

Een verdere indicatie dat het gros van het geweld vanuit de ANC/Communistische Partij alliantie kwam werd bekend gemaakt door professor Stephen Ellis, historicus aan de Vrije Universiteit en Universiteit Leiden. Hij kwam op een interessant feit af waarin bekend is geworden dat niemand minder dan Nelson Mandela een belangrijke rol gespeeld had om geweld in de vorm van een gewapende strijd in Zuid-Afrika op de been te brengen. Ook al had Mandela in alle toonaarden zijn betrokkenheid bij de Communistische Partij ontkend, waren er zes hooggeplaatste communisten in de SACP die konden bevestigen dat hij wel lid van de Partij was geweest, in ieder geval in de periode 1960 - 1961. Dit werd ook beaamd door de politieagent en infiltrant in de Communistische Partij Gerard Ludi dat “Nelson Mandela een hooggeplaatste man in het centrale comité van de ondergrondse Communistische partij” was (Pretorius, 1997: 313). Het ANC, op dat stadium geleid door Albert Luthuli, een vrome christen, wilde zich zoveel mogelijk aan een niet-gewelddadig 162

protest houden. Na de Sharpeville slachting wilden de communisten een gewapende strijd tegen de Nasionale Partyregering voeren, maar vanwege hun kleine aantallen moesten zij elders om steun zoeken, namelijk Beijing en Moskou. Beide mogendheden hadden de strijd steun toegezegd, en eenmaal terug in Zuid-Afrika hadden zij bondgenoten nodig om deze strijd uit te voeren. Hier kwam Mandela handig te pas. Met zijn connecties binnen zowel de SACP als het ANC wist hij leden in het ANC over te halen voor het doel van de communisten om geweld te gebruiken. Luthuli, die aldoor tegen geweld was, werd gewoon opzij geschoven. Hem werd gezegd dat leden van de strijdmachten – Umkhonto we Sizwe – onafhankelijk van het ANC opereerden maar mochten niet uit het ANC gezet worden. Het blijkt duidelijk dat Mandela en de communisten het ANC achter Luthuli om ‘gekaapt’ hadden om hun eigen wil op de bevolking af te dwingen. Deze bevinding is betekenisvol in zoverre mate dat het ANC, anders dan aangenomen wordt niet uit wanhoop overging tot geweld, maar dat geweld doelbewust in leven geroepen werd door de communisten – met Mandela als tussenpersoon – om het ANC te dwingen het communistische beleid door te voeren (Ellis, 2011).

Het ANC leek hierdoor meerdere gezichten te hebben, met sommige personen die voor geweldloosheid pleitten en anderen die juist ten gunste van het gebruik van geweld waren. Net als menig politieke beweging was het ANC niet gevrijwaard van interne verdeeldheid die op diverse niveaus strekte. Waar Luthuli vooral tegen geweld was, waren het vooral de militaire vleugel Umkontho we Sizwe en de ANC jeugdliga die een andere mening deelden. Tegenwoordig is de militaire vleugel Umkontho we Sizwe inmiddels deel van de ZuidAfrikaanse defensiemacht geworden en de jeugdliga is nog gewoon bezig om op te hitsen tot geweld tegen blanken, ook zonder zijn geschorste leider Julius Malema. Ondertussen is Umkontho we Sizwe thans clandestien bezig “werkloze” zwarte jongeren in afgelegen kampen een militaire opleiding te geven en reageert ontwijkend zodra prangende vragen hierover gesteld worden. Rekening houdend met het feit dat het ANC middels wetgeving de bevolking probeert te ontwapenen door wapenvergunningen niet meer te verlengen, stemt deze verwikkeling menig blanke Zuid-Afrikaan niet gerust. Aangezien zij het gros van wettige vuurwapenvergunninghouders vormen beschouwen zij deze samenloop van omstandigheden als voorloper van veel onheil in de nabije toekomst, vooral omdat het land tegenwoordig overspoeld wordt met splinternieuwe Chinese AK-47 aanvalsgeweren.  Geweldpatroon in postkoloniaal Afrika. 163

Het geweldcyclus is echter niet beperkt tot Zuid-Afrika met zijn apartheidpolitiek. Een soortgelijke patroon manifesteerde zich over heel Afrika in de jaren na de val van de Sovjet Unie in ruim hetzelfde tijdstip als de transitieperiode in Zuid-Afrika. Sinds het einde van de Koude Oorlog is het hele continent in een slachtveld veranderd, met in het Kongo-Kinshasa gebied een dodental van 3,2 miljoen mensen tussen 1998 – 2003. Dit zijn meer mensen die omkwamen dan in heel Afrika tijdens de veertig jaar durende Koude Oorlog (Smith, 2003: 161). Een situatie is ontstaan waar de staat geen beheer over het leger meer heeft, en vanwege de goedkope aanvalsgeweren die overal aan te schaffen zijn, zijn allerlei privé legereenheden op de been gebracht. De verhoogde verbetenheid waarmee de verscheidene stammen tegen elkaar vechten heeft meegeholpen een cultuur van anarchie en een “oorlog van allen tegen allen” te creëren, verwijzend naar het begrip van de Engelse filosoof Thomas Hobbes. Het is niet een kwestie van de staat die oorlog maakt, maar de oorlog die de staat maakt. De traditionele grenzen in Afrika spreken niet langer tot de wensen van de verscheidene stammen, en met de voortdurende strijd vechten de verschillende groepen voor beheer over kostbare hulpbronnen enerzijds en anderzijds voor een eigen lapje grond wijzend op zelfbeschikking. Deze behoefte aan zelfbeschikking en vrees voor de rivaliserende stammen werd eveneens kort beschreven door de bekende guerrillastrijder Ernesto “Che” Guevara tijdens zijn wedervaringen in de Kongo in 1965 – 1966 toen hij ontdekte dat de verscheidene Congolese groepen het Swahili als een meer imperialistische taal ervaren hadden dan het Frans (Guevara, 2001).

Het moge duidelijk zijn dat de apartheid aan zich relatief weinig schuld had aan het geweld, in ieder geval aanzienlijk minder dan de antiapartheid organisaties. Dit sluit echter niet uit dat het een hard en vernederend systeem was en wel degelijk overging tot mensenrechtenvergrijpen. Vooral in de vroege jaren van Nasionale Party bewind was vriendschappelijk contact over de kleurgrens sterk afgekeurd, maar deze strenge ingesteldheid ebde weg in de latere jaren. Anders dan sommige meningvormers doen geloven was apartheid nooit wetteloos geweest. Bij zwarte delicten waar een blanke zich aan marteling of moord schuldig had gemaakt van een zwarte kon hij op evenveel straf rekenen als in menig westers land, en zelfs de doodstraf werd al toegepast op overtreders. Het ZuidAfrikaanse juridische systeem was gebaseerd op het Romeins-Hollands recht, en men zorgde ervoor dat rechters die aangesteld werden dikwijls niet lid waren geweest van de regerende Nasionale Party juist om onpartijdigheid beter te garanderen. Historicus Ivor Benson (1986) meende dat de apartheid aan zich geen verklaring biedt voor het ongenoegen die de zwarte 164

bevolking ervaart, door te verwijzen naar de situatie in andere landen die evenveel te maken hebben met rassenkwesties die juist fel tegen de apartheid waren. Binnen de Britse Arbeiderspartij was er bijvoorbeeld een geval bekend van zwarte leden die binnen deze partij een tak wilden openen voor alleen zwarte leden, maar werd door de partij afgewezen vanwege het ‘apartheidachtige’ karakter ervan.

De architect van de grote apartheid, Hendrik Verwoerd, spoorde de traditionele Afrikanen zoveel mogelijk aan terug te keren naar de thuislanden, en ofschoon de vernederende wetgevingen in de stedelijke gebieden hoofdzakelijk niet door hem werd ingesteld, beschouwde hij deze wetten als een tussenfase die later waarschijnlijk toch zouden vervallen zodra de Bantoe metterwoon in de thuislanden gevestigd waren en Zuid-Afrika een soortgelijk land zou worden als continentaal Europa, bestaande uit een verscheidenheid homogene landen en volkeren. Op 20 mei 1959 zei hij in een toespraak: ”Zijn er niet in andere delen in de wereld zoals Europa, Zuid-Amerika en Azië verschillende naties en staten naast elkaar binnen hetzelfde continent of deel van een continent? Wat zou er met Frankrijk, met Duitsland en met Engeland gebeuren als zij hun grenzen kwijtraakten en hun bevolkingen door elkaar heen zouden stromen? En als deze landen hier geen verlangen naar hebben, en als het niet nodig is, en niet kan gebeuren, waarom is het zo verschrikkelijk als in Zuid-Afrika eveneens naties, territoria en zelfs buurlanden zijn? Zien we dat de blanke volkeren in Europa ook proberen een eenheid te worden zonder grenzen? Of hebben we gezien door de eeuwen heen, ook al had een land een ander overwonnen, bijvoorbeeld toe Karel de Grote zijn imperium vestigde, dat de plaatselijke bevolkingen wederom opsplitsten en hun eigen nationale grenzen oprichtten? Daarom dienen we, zoals elders in de wereld, te aanvaarden dat er in Afrika ook verschillende staten op één continent, of een deel ervan, kunnen zijn […]. Daarom is het om te praten van partitie en onderverdeling als onsmakelijk uitermate onzinnig, want in allebei gevallen zullen er zwarte gebieden zijn, en in termen van apartheid zal de blanke ten minste beheer over zijn eigen gebied hebben, hoe moeilijk het ook mag zijn. Ten minste heeft hij de gelegenheid zichzelf te redden hetgeen hij in een multiraciale staat niet zal hebben […] Wat wij trachten te bereiken onder ons apartheidbeleid is een Zuid-Afrika dat redelijke gelegenheden voor de zwarten nastreeft van een dergelijke aard dat wij op hun permanente vriendschap en samenwerking kunnen rekenen zonder, naast hun eigen gebieden, over onze gebieden te heersen. En als er in de komende jaren het gros van de wijsheden van de staatslui samengesnoerd kan worden en zich op deze ontwikkeling zal richten, en de oppositie en de persen en de liberalen die tegen deze 165

vredige buurmanschap gekant zijn hun giftige aanvallen zouden staken, dan zou er en moet er veel hoop zijn voor Zuid-Afrika. Dan zal vriendschap met andere rassengebieden en etnische groepen hier ook groeien. Maar alleen dan, nooit anders.”

Iets dat Verwoerd impliciet aangeeft en dikwijls over het hoofd gezien wordt door zijn critici is de grote diversiteit en cultuurverschillen tussen de verschillende zwarte bevolkingen. Een Venda of een Sotho is niet dezelfde als een Xhosa, Zoeloe of een Tswana. De Venda en Sotho kennen andere gewoonten en tradities dan de Nguni stammen waartoe de Xhosa en Zoeloe behoren. Belangrijke ritualen zoals huwelijken en toewijzing van ouderschap liggen anders bij de Nguni stammen en Venda en Sotho. Om deze groepen met elkaar te integreren zonder te vervreemden is al bijzonder moeilijk, aangezien een taboe voor één groep als normaal voor een ander wordt beschouwd. De conflicten en frustraties die kunnen ontstaan bij integratiepogingen zijn niet moeilijk voor te stellen, en teneinde zich ‘thuis’ te voelen zullen deze groepen in ieder geval opsplitsen om liever bij hun eigen mensen te willen zijn.

Deze tendens dat mensen ondanks alles zich het liefst bij hun eigen volk willen houden werd goed gezien door de vroegere Afrikanerintellectuelen en groeide uit tot een hoeksteen van de Afrikanernationalisten, welke vervolgens besproken zal worden.

166

Afrikanernationalisme
Breng hun bij elkaar die uit innerlijke overtuiging bij elkaar horen. DF Malan

Bij de Afrikaners fungeerde het nationalisme als een drijvende kracht achter de apartheid. De toestand in Zuid-Afrika is wat de Afrikaners tautologisch een “Babelse verwarring” noemen, en Paul Kruger verwees ooit naar de stad Johannesburg als de “Hoer van Babylon”. Om een nationale bewustzijn te ontwikkelen en soort bij soort te voegen biedt een weg uit de chaos, maar de manier waarop een nationaal bewustzijn in de werkelijkheid eruit zou moeten zien was een bron van verdeeldheid. Onder de Afrikanerregeringsleiders van die tijd waren er zowel liberale als conservatieve stromingen te bespeuren, en deze beginsels werden allebei dikwijls op het christendom gezeteld. Om de woorden van de liberaal Jan Hofmeyr te noemen, bestonden linkse denken uit de opvatting dat geloof vrees moet overwinnen. Ofschoon hij stelde dat er grondige redenen waren om zwarte overheersing te vrezen, was het voor hem desniettegenstaande van belang om principieel te handelen en te vertrouwen dat alles in orde zal komen. Waar deze liberale denkrichting precies op afstuurde was niet duidelijk, maar Hofmeyrs “Alles sal reg kom” is een bekende slagspreuk geworden zowel in de politiek als in het Nederlandse taalgebied als geheel.

De liberale Afrikaneracademici waren aan het begin van de twintigste eeuw niet te vinden voor het beginsel van een universeel stemrecht. De reden was dat nergens in een diep verdeeld land bekend was dat een stembus een gunstige uitkomst bood voor een grote verscheidenheid etnische groepen. De Engels-gezinde meningsvormers pleitten wel voor een universeel stemrecht, verwijzend naar het stemrechtsysteem zoals geschoeid op de Engelse leest. Dit systeem is sinds 1832 in de loop van ruim honderd jaar uitgegroeid van één klasse naar de anderen totdat het geheel werd ingevoerd over Engeland en betreft klassenbelangen binnen een min of meer homogene context (Giliomee, 2007). In een etnisch verdeelde maatschappij leidt de stembus tot een soort bevolkingcensus, aangezien men geneigd is op de leider te stemmen van de eigen etnische groep. Het uitbrengen van een stem fungeert onder zulke omstandigheden als een bevestiging van de eigenwaarde als lid van een bepaalde groep, en is dus eerder een psychologische motie van solidariteit met de eigen soort dan een weloverwogen rationele beslissing over het welbevinden van het individu (Horowitz, 1985). In Zuid-Afrika heeft onderzoek tijdens de verkiezingen in 1994 en 1999 aangetoond dat meer

167

dan 90% van de Bantoe kiezers op een traditionele Bantoepartij stemde (ANC of Inkatha) terwijl meer dan 80% van de blanken op een traditioneel blanke partij stemde (NP of Democratische Partij) (Ferree, 2004). Interessant is gebleken dat tijdens de 1994 verkiezing de meerderheid kleurlingen op de traditioneel blanke partijen stemde, maar in 1999 stemde de meerderheid op de traditionele Bantoepartijen. Sinds de afschaffing van de apartheid is er geen partij van formaat voor de kleurlingen uitgekristalliseerd en de kans bestaat dat zij op de partij stemden die zij dachten het meeste te bieden had. In dit geval zou de bevinding van Samuel Huntington een verklaring bieden, namelijk dat cultuur macht volgt. Een volk is geneigd zich aan te passen aan het waardesysteem van het volk dat in een machtspositie verkeert.

De voornaamste kritiek tegen de liberale denkers was hun gebrek aan realisme, niet alleen vanwege de diepe verschillen tussen de verscheidene blanke en zwarte groepen, maar ook over het getalsoverwicht van de zwarten dat makkelijk de Afrikaners zou kunnen verzwelgen. Het was onder deze omstandigheden toen dichter en filosoof NP van Wyk Louw in Augustus 1952 in de weekblad Huisgenoot een artikel publiceerde getiteld “Kultuur en Krisis”. Het kernbeginsel van dit betoog handelde over het voortbestaan in gerechtigheid, welke een belangrijk fondament werd voor de apartheidideologen. Een volk kiest aldus Louw op ofwel gewoon voortbestaan ofwel voortbestaan in gerechtigheid, met laatstgenoemde als ideaal. Wat Louw bedoelde met voortbestaan in gerechtigheid heeft betrekking op een volk dat in het nauw gedreven is door grotere mogendheden. Het in het nauw gedreven volk haalt alles uit de kast om zijn overleving te garanderen, zowel militair, cultureel, politiek en sociaal. Terwijl het volk bezig is zich tegen de bedreiging te verzetten komt een verzoeking naar boven om het verweer niet langer voort te zetten, maar om geleidelijk te geloven dat gewoon voortbestaan te prefereren valt boven een voortbestaan in gerechtigheid. De geschiedenis van bijna alle landen die in oorlog gecapituleerd hebben kunnen hiervan napraten. De prijs die betaald wordt voor alleen voortbestaan kunnen zeer ernstige afmetingen aannemen, en onder zulke omstandigheden stelde Louw dat wanneer een volk deze “donkere nacht van de ziel” ondergaat komt het tot de conclusie dat het liever ten onder zal gaan dan in onrecht blijft voortbestaan. Bij dit besef krijgt het volk de energie om weer herboren, jong en scheppend naar voren te komen. Maria Elizabeth Rothmann (MER) verwoordde dit beginsel op haar eigen manier die er goed bij aansluit. Zij meende dat er twee tendensen te bespeuren zijn onder de Afrikaners: enerzijds is er een duidelijke wil tot voortbestaan als volk; anderzijds de overtuiging dat de Afrikaners 168

in hun groei geen ander volk schade wil aanrichten. De wijsgeer Johan Degenaar schreef in 1980 een bundel essays eveneens getiteld Voortbestaan in geregtigheid waarin hij dit concept van Louw en MER verder uitwerkte. Om liberaal en nationalist te zijn hoeft geen contradictie te zijn aldus Degenaar. Alleen in omstandigheden wanneer een nationalisme niet over een ander heerst en een vrije identificatie bestaat kan het mensen beter helpen om mondig te worden binnen het kader van hun cultuur. De meest tastbare manifestatie was een etnische scheiding, alwaar de eigen cultuur en identiteit zou kunnen ontwikkelen zonder kwaadwillige, externe invloeden. De nationalisten waren echter verdeeld over de afscheiding van de kleurlingen. Sommigen zoals Louw stelden dat om de kleurlingen af te scheiden terwijl zij dezelfde taal spreken een fatale culturele misstap zou zijn die de geloofwaardigheid van de Afrikaner elite in het gedrang zou brengen. Anderen zoals Verwoerd meenden dat de cultuurverschillen tussen de blanke Afrikaners en kleurlingen ondanks de overeenkomst in hun taal te groot waren dat integratie tussen deze groepen ongewenst was. Piet Cillé, een opponent van Verwoerd, schreef dit verband op 25 november 1952 in Die Burger dat blank Zuid-Afrika grotere vraagstukken rond integratie heeft dan bijna enig ander westers land. Het blanke Afrikanervolk is een behoorlijke mengelmoes dat heel onzeker aan elkaar zit, en heeft genoeg blanke elementen opgenomen voor jarenlange vertering. Om te stellen dat zij nog de niet-blanke meerderheid moeten integreren bereikt niets meer dan om ‘de nationale maag te doen draaien’ en het hele proces van blanke volkswording in gevaar te stellen. Sommige linkse denkers en activisten, waaronder Breyten Breytenbach en André du Toit, verwees naar Louws voortbestaan in gerechtigheid als wapenfeit tegen de apartheid, door te verwijzen dat de politieke machtspositie van de Afrikaner op een bepaald moment niet meer moreel te rechtvaardigen viel, en Giliomee (2007) is van mening dat de morele sancties een belangrijker reden was om apartheid te ontmantelen dan economische sancties 8.

De apartheid zoals voorgesteld door de Afrikanernationalisten was een systeem van buurmanschap geweest tussen de onderlinge volkeren. De gedachten rond buurmanschap
8

Meer onlangs, op 6 juni 2010, bekende oud Nasionale Party minister Roelof Botha in Rapport dat de

Amerikaanse Chase Manhattan Bank op 31 juli 1985 als sanctiemaatregel alle uitstaande leningen aan ZuidAfrika met onmiddellijke ingang terugeiste, hetgeen Zuid-Afrika overnacht in een faillissement zou storten. Een Zwitserse bank kon net op tijd gevonden worden om dat land voorlopig uit de brand te helpen, maar voor de apartheidpolitiek was de kogel door de kerk. Had de Nasionale Party geweigerd een eind te maken aan de apartheid zou iedereen deze partij de schuld gegeven hebben voor Zuid-Afrikas bankroetschap.

169

heeft een langer geschiedenis dan alleen de machtsovername van 1948. Als Afrikanernationalisten gingen zij ervan uit dat slechts wanneer ieder volk het beste uit zichzelf haalt en ontwikkelt tot een eigen zelfbewuste groep, zullen de onderlinge spanningen afnemen en een wederzijds bevorderlijke band tussen hen ontstaan. In dit verband schreef theoloog dr. Tobie Muller (1885 – 1918) in zijn befaamd betoog “Die geloofsbelydenis van ’n nasionalis” (1913): “Een echt nationalisme, in plaats van rassenhaat te betekenen, is juist het tegenovergesteld ervan. De Hollands-Afrikaanse natie wil haar eigen individualiteit bewaren een aankweken, niet ten nadele, maar met behulp en ten voordele van andere rassen […] De verschillende nationaliteiten onder [de niet-blanken] zal dan pas van het hoogste belang zijn voor onze samenleving wanneer zij meer nationaal zelfrespect aankweken en alles wat goed is in hun verleden ontwikkelen, in plaats van één der blanke rassen slaafs na te apen. Zodra de gekleurde bevolking van Zuid-Afrika pas inzien dat zij hun hoogste roeping vervullen, niet door te trachten blanken te worden, maar door zo best mogelijk kleurlingen te zijn, dan zal ook bij hen rassenhaat en onwillige dienstbaarheid plaats maken voor een eigen zedelijke individualiteit. Dan zullen zij vanzelf meer respect inboezemen bij hun blanke landgenoten, en zal wrijving en achterdocht vervangen worden door samenwerking en achting.”

Vanuit een sociologisch oogpunt stelde Muller dat het in het belang is dat alle volkeren in Zuid-Afrika een eigen nationalisme dienen na te streven die voor de eigen groep van betekenis is. Om de verschillende rassen te vermengen zal veroorzaken dat de integriteit van de onderlinge volkeren zal verzwakken en uiteindelijk een ondergang van nationale eenheid betekenen, aangezien de wereldgeschiedenis op dat stadium bewees dat een kleurloze eenvormigheid de zwakste vorm van eenheid is. Het zou aldus Muller leiden tot een kleurloze, slappe uniformiteit die noch vlees noch vis is, met een wederzijdse miskenning van de vroegere geschiedenis van allebei. Nationalisme is nodig voor maatschappelijke zedelijkheid in de samenleving en is nodig voor het ontwikkelen van geloof, principes en karakter. Echt nationalisme is de belangrijkste drijfveer tot onzelfzuchtig handelen omdat hiermee men in staat gesteld wordt zich uit edele principes te buigen over het lot van de armen. Zou een volk niet aan zijn nationale plicht voldoen, riskeert het doelloos en zonder karakter door het leven te drijven, en om heen en weer geslingerd te worden door machtigere volkeren. Dit gaat ten koste van zijn gezond oordeel van maatschappelijke zeden, en uiteindelijk leidt het eigen zelfrespect eronder, stelde de jong gestorven theoloog.

170

Binnen Zuid-Afrika is de waarachtigheid van Mullers standpunt duidelijk gebleken. Van alle bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika is de groep die vroeger als “kleurlingen” te boek stond degene met de grootste variatie in afkomst, en kan met recht als de meest diverse groep van Zuid-Afrika worden beschouwd. De kleurlingen zijn van zwart, blank, Hottentot, Griekwa, Khoi-San, en Maleis komaf. Sommigen zijn christen en anderen zijn moslim. Het is deze grote diversiteit waarnaar men in veel landen nastreeft, conform de wereldwijde opvatting rond integratie en assimilatie. Minder bekend is dat deze groep ook over een zeer negatieve eigenschap beschikt, te weten het hoogste moordcijfer van alle bevolkingsgroepen in ZuidAfrika. Thomson (2004) schrijft dat zolang er bekende statistische gegevens beschikbaar zijn, is onder deze groep een hoog moordcijfer te bespeuren. Sinds 1980 vindt in de kleurlinggemeenschap ruim tachtig moorden per honderdduizend jaarlijks plaats, met pieken tot honderdzestig per honderdduizend. Onder zwarte Zuid-Afrikanen gemeten in dezelfde periode fluctueerde het moordcijfer tussen zestig en honderdtwintig per honderdduizend inwoners. Onder de blanke en Aziatische Zuid-Afrikanen ligt het moordcijfer lager dan bij deze bovenvermelde groepen. De geweldsmisdaad heeft mede te maken dat deze groep zich aan de zelfkant van de maatschappij bevindt alwaar zij haar eigen stel normen en waardes ontwikkelt en zich vaak begeeft tot het vormen van bendes, welke van oudsher een belangrijk probleem is onder deze groep. Deze bendevorming dient een functie in de maatschappij door jonge mannen een gevoel van identiteit te geven, en door geweld te plegen werkt statusverhogend. Aangezien bendevorming al decennialang deel uitmaakt van deze gemeenschap is het inmiddels verhard tot een deel van de cultuur. Duidelijk ontbreekt het aan geloof, principes en karakter waar Muller naar verwees. De aanwijzingen duiden erop dat bendevorming, misdaad, drugsgebruik en botsende subcultuurgroepen bijwerkingen zijn zodra een gezonde, zedelijke identiteitvorming zich niet kan ontwikkelen.

De accuraatheid van het betoog van Muller is wederom ontdekt door de Harvard politicoloog Robert D Putnam. In zijn bevindingen over gemeenschappen met grote diversiteit vond Putnam dat hoe meer divers een bepaalde gemeenschap is, des te minder is de maatschappelijke betrokkenheid. In deze gemeenschappen gaat men minder naar de stembus en begeeft zich minder tot vrijwilligerswerk. Ook is het onderlinge wantrouwen groter. Buren vertrouwen elkaar de helft zoveel als in homogene gemeenschappen, ook al behoren zij tot dezelfde etnische groep, en het aantal vrienden vermindert. In vrijwel alle gevallen scoort de volksgezondheid slechter in multiculturele gebieden dan in homogene gebieden. (Putnam, 2007). 171

Hierbij aansluitend berichten de politieke psychologen Jaime Napier en John Jost (2008) dat in de Verenigde Staten en negen andere landen menen de conservatieven gelukkiger te zijn dan de liberalen. In de Verenigde Staten zijn de conservatieven gelukkiger dan liberalen ook al hebben zij het financieel niet breed. De belangrijkste reden is dat conservatieven redeneren hun eventuele ongenoegen weg door te refereren aan de ‘rechtvaardigheid van het systeem’. Zij vinden dat mensen die aan de top zitten er verdienen te zijn. Een conservatieve levensvisie fungeert ook als buffer tegen de negatieve hedonistische gevolgen van de maatschappij. Conservatieven zijn traditioneler en meer beginselvast in hun levensvisie, hetgeen overeenstemt met een levenswijze die nationalistisch is ingesteld. Een conservatieve ingesteldheid beroept zich niet alleen op het materialistische leven maar legt vooral de nadruk op de hogere, immateriële functies die als richtsnoer in het leven fungeren. Het materialistische leven heeft immers zijn oorsprong gehad in een bepaalde immateriële opvattingen en geloof, en om hier de rug op te keren is om de ontwikkeling van het huidige bestaan te ontkennen. Daarmee gaat gepaard dat verwarring en vervreemding kan ontstaan, waardoor de prioriteiten in de maatschappij schade kunnen lijden. Dit kan vervolgens leiden tot langzame maatschappelijke verloedering met een nihilistisch bejag naar genot, welke ten koste gaat van een gezonde zedelijk oordeel op de lange termijn. Gevoelens van leegheid, lichamelijke en geestelijke ziekten en maatschappelijke verlamming vormt een teelaarde voor verscheidene vormen van radicalisme en kan uiteindelijk de weg banen voor dictaturen en maatschappelijk verval. Sommige wijsgeren stellen dat om de rug te keren op de mentaliteit die bevorderlijk is geweest voor de vooruitgang van de mens, in wezen soortgelijk is aan het barbarisme (Roodt, 2002). Ofschoon de maatschappij vandaag technologisch zeer vooruitstrevend is kan een ontkenning van de eigen zedelijke erfenis algauw omslaan in diverse vormen van barbarismen, met de twintigste eeuw als duidelijk voorbeeld.

Mullers betoog kan deels beschouwd worden als een antwoord op de negatieve publiciteit die de Afrikaners voortdurend incasseerden van de Engelse Imperialisten. Zelfs in zijn tijd waren de media bezig de Afrikaners te kleineren met gemelijke berichten over hun omgang met andere volkeren, en had voor veel onbegrip gezorgd bij de buitenwacht. Vlak voor de Boerenoorlog bijvoorbeeld, verschenen er berichten dat de Afrikaners de buitenlanders (de ‘Uitlanders’), met name Engelsen, agressief aan het verdrukken waren. Achteraf gaf men toe dat het een list was om de Boerenoorlog te rechtvaardigen (March Phillips). Dat zou wellicht een verklaring kunnen bieden waarom het Afrikanernationalisme niet begrepen werd als een 172

moreel gefundeerde roeping, maar als bron van verderf dat gepropageerd werd door een groepje verkrampte dominees. Hierop antwoordde Muller: ”Als de groep krantenschrijvers die altijd over rassenhaat schreeuwen, zelf een beetje meer van een Engels-Afrikaanse nationalisme zouden aankweken, zouden zij zien dat een Hollands-Afrikaanse nationalisme niet rassenhaat betekent, maar dat het juist helpt om de vreedzame zedelijke gemeenschap van rassen teweeg te brengen waarnaar ieder christenmens verlangt”. Muller verwijst naar de persen die onder Engelse invloed vielen, zowel binnen als buiten Zuid-Afrika. Dit betoog van hem dateert uit 1913. De Engelse persen hebben nog lang voor Nasionale Partybewind een laakbare rol gespeeld om de blanke Afrikaners voortdurend te belasteren en hun eigen barbaarse optredens weg te moffelen, vooral tijdens de AngloBoerenoorlog. De journalist WT Stead maakte bijvoorbeeld in Methods of Barbarism zijn afgrijzen kenbaar over de verschrikkelijke manier waarop de Engelsen wreedaardig Boerenvrouwen in concentratiekampen martelden, verkrachtten en kinderen doelbewust uithongerden om hen langzaam te vermoorden, terwijl Arthur Conan Doyle in The War in South Africa: Its cause and conduct verhaalde dat de concentratiekampen juist opgericht werden om de vrouwen en kinderen te beschermen (Burdett, 2001:163-164). Ook pronkte het Engelstalige dagblad The Star op 24 februari 1902 van ‘nog een goede week’ omdat de Engelsen de afgelopen week 515 Boeren hadden gedood9.

Aangezien de geschiedenis van de Afrikaner voortdurend gekenmerkt wordt door een strijd tegen de financiële supermogendheden en demografische invloeden van Afrika moest een nationalisme gevonden worden dat zich vooral richt op het volkskarakter van de verscheidene volkeren in Zuid-Afrika. Jaap Marais (1922 – 2000), een Afrikanernationalist en productieve schrijver schreef over het nationalisme in Stryd teen Vreemde Oorheersing dat het nationalisme uit drie belangrijke beginsels dient te bestaan: Ten eerste is er identiteit. Datgene dat nauw verweeft is met cultuur en taal. De aard en de kenmerken die een volk verwerft door de gemeenschappelijkheid van historische ervaring, levensbeschouwing en erfelijke hoedanigheden. Identiteit is een beginsel en om er trouw aan te zijn is een onderscheidend kenmerk van het nationalisme.

9

Wat Hitler in Europa gedaan had, hadden de Engelsen pakweg in Zuid-Afrika gedaan. Winston Churchill meldde in de Morning Post in 1901 dat zij zo lang mogelijk de Boeren moeten uitmoorden ‘totdat hun kinderen geleerd hebben van de Britten te houden’. Dit helpt mede om een verklaring te bieden waarom de Afrikaners later heil zochten in het nationaalsocialisme. Veel Afrikaners waren indertijd ook te vinden voor het communisme. Zij waren bereid enige ideologie te steunen die het Engelse imperialisme trotseerde.

173

Ten tweede is continuïteit. Dit komt neer op het recht van voortbestaan. Het betreft een aaneengeslotenheid van het verleden, het heden en de toekomst van een volk die door de samenhorigheid van de leden wordt opgebouwd. Dit wordt goed geïllustreerd door politicus en schrijver CJ Langenhoven (1873 – 1932) die stelde dat het verschil tussen het individu en het volk is dat het individu kijkt terug en ziet een wieg en kijkt naar voren en ziet een graf. Bij een volk is het andersom: een volk kijkt terug en ziet een graf en kijkt naar voren en ziet een wieg. Om deze continuïteit in stand te houden vereist een aantal gedragscodes waar een volk zich aan dient te houden. Met geloof, taal en geschiedenis als bindmiddel kan deze continuïteit zich op een gezonde manier voortzetten. Een norm van gedrag en optreden die als gewenst beschouwd wordt ontstaat uit deze bewustwording en dat vormt de identiteit van een volk. De Spaanse filosoof José Ortega y Gasset is overigens dezelfde mening toegedaan en meldde dat er maar één principieel mensenrecht is, en dat is het recht op continuïteit. Ten derde meent Marais dat nationalisme als beginsel vrijheid nastreeft. Vrijheid is echter moeilijker te definiëren omdat er zoveel facetten aan vrijheid worden toegeschreven. Marais stelde integriteit en waarheid als componenten van vrijheid. Onder andere betreft het ‘nee’ te zeggen en om te doen wat goed is. Onder integriteit wordt begrepen zelfrespect, zelfvertrouwen, zelfstandigheid en het recht op zelfbeschikking. Het behoud van het zelf is het belangrijkste onderdeel van vrijheid, en zelfbehoud, zelfrespect en zelfbetuiging vormen de essentie van vrijheid.

Het is tegenwoordig de politieke mode geworden om enige vorm van nationalistisch bewustzijn als bron van verderf neer te zetten. Nationalisme wordt voortdurend voorgehouden als oorzaak van het fascisme en/of nationaalsocialisme en heeft ervoor gezorgd dat het Afrikanernationalisme nooit goed naar waarde geschat werd. Gezegd wordt dat het een systeem is dat zich beijvert voor het ophemelen van alles dat eigen is ten koste van iedereen die niet aan deze eigenheid voldoet. In november 2010 is zelfs in het Europarlement een samenwerkingsverband begonnen tegen alle vormen van nationalisme en populisme. Nationalisme wordt met andere woorden beschouwd als een soort chauvinisme in de populaire media. Dat nationalisme kan verworden tot chauvinisme is een reële mogelijkheid, en men dient er rekening mee te houden om dit te voorkomen. De situatie in Bosnië in 1992 of Duitsland in de jaren ’30 doemen op als bewijs waartoe nationalisme in staat kan zijn. Dit zijn echter vormen van traumatisch nationalisme en ontstaan dikwijls als reactie op een verhoogd gevoel dat soevereiniteit binnen handbereik ligt nadat deze jarenlang geweigerd werd, of gevoelens dat de nieuwgevonden zelfbeschikking uit handen genomen 174

kan worden. Ieder gezond volk, met burgers die opgevoed, behuisd en zonder angst leven heeft als volgende stap in zijn maatschappelijke evolutie een behoefte aan zelfbeschikking. Vrij van overheersing wil dit volk zijn eigen richting inslaan, soevereiniteit handhaven en zelf bepalen hoe een gezonde toekomst voor de burgers eruit behoort te zien zoals uit het verleden is geleerd. Dit vormt de basis waarop alle nationalisme is gebaseerd. In het geval van Bosnië wilde Servië het heft terug in eigen hand nemen en zorgen dat deze niet meer ontfutseld kon worden door vreemde mogendheden die geen boodschap hebben aan de inhoud van de volkscultuur. De oorlog die ontstond was een “tijdelijk ongerief” totdat het groter doel bereikt werd, namelijk vrijheid van vreemde overheersing en een gegarandeerde soevereiniteit, maar heeft een spoor van verschrikking achtergelaten. In Nazi-Duitsland kan de verschrikking van het nationaalsocialisme verklaard worden in termen van de succesvolle manier waarop Duitsland zich uit de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en Grote Depressie had getrokken en gevoelens van euforie en vertrouwen in de eigen kunnen die eruit voortkwamen, vooral met de succesvolle Anschluss met Oostenrijk en de Sudetenland. Dit werd goed geïllustreerd door de film Triumph des Willens van Leni Riefenstahl waarin een trots en verenigd Duits volk te zien was. Deze sfeer sloeg om door gevoelens van bedreiging die enerzijds door het machtige en onvoorspelbare westerse kapitalisme in de hand gewerkt werden, en anderzijds door het oprukkende communisme dat juist tegen alle vormen van soevereiniteit gekant was in het oosten. De verhoogde energie bij het Duitse volk creëerde een situatie die makkelijk kon omslaan bij bedreiging. In allebei deze gevallen van Servië en Duitsland is niet uit te sluiten dat de verschrikkingen veroorzaakt werden door een voorafgegane euforie en overdreven optimisme die de energie verschafte om deze latere gruweldaden mogelijk te maken. De bekende Russische schrijver Alexander Solzjenitsyn meende in dit verband dat de pessimisten meer gedaan hebben om de wereldvrede te bewaren dan de optimisten. Leni Riefenstahl stelde eveneens dat toen Duitsland verslagen was en het nationaalsocialisme opgedoekt werd kon zij pas de propagandistische aard van haar film zien, hetgeen illustreert hoe de euforie een verblindende werking heeft gehad.

Onder de Afrikanergeleerden was het nationalisme oorspronkelijk gebaseerd op het beginsel van leven en laten leven, en is niet de bedoeling dat deze een verdringende of vernederende werking heeft. Net als verschillende landen hun eigen nationaliteiten en gewoontes hebben, zo dienen verschillende identieke volkeren eveneens te streven naar hun eigensoortige nationalisme. Het hoeft ook niet zozeer te berusten op een gevoel van superioriteit, aangezien ieder volk het beste uit zichzelf naar voren haalt en vanuit zijn historie en omgeving zijn 175

zingeving bepaalt. NP van Wyk Louw schreef in Liberale Nasionalisme hoe een gezond nationalisme zich verhoudt tot een chauvinisme: “En het is omdat de ware nationalist dit gevaar kent dat hij het chauvinisme als doodsvijand dient te beschouwen. Door diens optreden kunnen juist de kostbare dingen die nationalisme verdedigt, in gevaar komen. Binnen een machtige en onbedreigd volk is het nationalisme altijd kritisch tegenover de zondes van de groep; of andersom: de man die binnen zo een groep spottend en kritisch optreedt tegenover volkseuvels, is een ware nationalist – ook al noemt hij zich iets anders. Maar binnen een klein, bedreigd volk moet de ware nationalist kritiek en aansporing in een fijn evenwicht houden – zo fijn dat hij zeker maar zelden voelt dat hij zijn taak behoorlijk verricht. Men houdt van zijn volk, niet omdat het heerlijk en ’s werelds beste volk is; je houdt ervan om zijn ellende. (Als ik vragen mag: ”Houd je zelf van de miljonairs van jouw volk?” En als je antwoordt:”Ik houd helemaal niet bijzonder veel van mijn volk,” dan wil ik vragen:”Is het misschien omdat je geen ellende bij hen ontwaart?” En als jij zegt: “Ik heb andere volken – bijv. de Bantoe lief,” dan vraag ik:”Is het om hun heerlijkheid of om hun ellende?”). Ik gebruik het woord ellende hier in de pregnante zin van een diep gebrek. En deze ellende is zeker niet alleen economisch. […] wij gebruiken het woord houden van in dit verband op een vreemde manier – omdat wij geen beter woord hebben. De liefde waarmee men van een volk houdt is niet als tussen man en vrouw; het is meer als de liefde waarmee een mens van een kind houdt. Het is niet hoofdzakelijk gericht op deugden of kracht of schoonheid, maar op zwakheid, verblindheid, hulpeloosheid en een blote mogelijkheid”. (Louw, 1971. pp. 22 – 24.)

Door ellende te benadrukken in plaats van chauvinisme is niet alleen bevorderlijk voor een goed gefundeerde moraal in de maatschappij, maar kweekt wederzijds begrip en spoort men aan om vanuit zichzelf oplossingen te vinden om een eind te maken aan deze ellende. Om oplossingen te zoeken tegen ellende en mogelijkheden te ontdekken werken juist bevrijdend voor zowel het individu als zijn groep en vormt de hoeksteen van menig psychotherapieën. Zoals een individu tot zelfredzaamheid geholpen wordt door vanuit zichzelf te handelen, worden gehele gemeenschappen geholpen tot een hogere mate van autonomie. In een gezonde persoonlijke omgeving helpt de identiteit van een persoon (of groep) juist mee tot de ontwikkeling van middelen tot autonoom functioneren. Waar Plato meende dat de gemeenschap ‘het individu met hoofdletters geschreven’ is antwoordde Louw: “…wat zou dan het nationalisme in ‘kleine letters’ zijn? Ik geloof het antwoord is: persoonlijk liberalisme.” 176

In soortgelijk verband stelde Tobie Muller dat een echt nationalisme één der krachtigste drijfveren is tot onzelfzuchtig handelen, want in het belang van zijn volk leert men juist hoe het is een zelfopofferend leven te leiden. Het eigen volk is immers de aangewezen groep waarin iemand in eerste instantie zijn roeping dient te vervullen.

Een overdreven trots in nationale superioriteit daarentegen, ontkent de zwakheden in een maatschappij en riskeert uiteindelijk eraan ten onder te gaan. Een chauvinist sluit zich dikwijls af van de werkelijkheid en leeft voor het geïdealiseerde goede terwijl de ellende in kwestie niet begrepen of aangesproken (of zelfs beschimpt) wordt. Op den duur haalt de realiteit van de ellende hem in waardoor hij niet meer zijn idealen kan verantwoorden zonder zijn integriteit te schaden. Zijn idealen verworden dan tot een lege huls die het kleinste stootje niet meer kan verweren. Om alsnog geloofwaardig over te komen wordt deze huls nog verder voorgehouden als het geïdealiseerde goede maar hij kan zich niet op de inhoud ervan verantwoorden, aangezien deze nooit de erkenning kreeg die nodig was. Een perfecte teelaarde voor onheil, maatschappelijke verloedering, angst en richtingloosheid en uiteindelijk een verval in een verderfelijk politiek systeem wordt dan het eindresultaat. Dit werd goed verwoord door Louw toen hij stelde:”Uitermate gevaarlijk is het beeld van een volk als een leger waarvan ieder lid zijn plaats door een ander mens krijgt toegewezen. Voor soldaatje spelen is een volk onwaardig – en vernietigend. Wij Afrikaners kunnen dit maar aan anderen overlaten die niet een volk willen zijn, die niet de grote tragische verwikkeling van een volk zijn op zich willen nemen. Heel simpel: laat onze cultuurmensen voortgaan met hun werk. Laat de denker de fijnste draden van de werkelijkheid nagaan, en nooit een onwaarheid in zijn denken voorbij laat glippen “omdat dit het volk kan dienen”. Een leugen of een halve waarheid kan nuttig zijn voor een legeraanvoerder; voor een volk is het uiteindelijk een vergif.”

In hoeverre de bovenvermelde nationalistische denkrichtingen aldus Louw en Muller vorm gekregen hebben onder de blanke Afrikaners is gebleken in een enquête zoals geciteerd door Giliomee (2005). Hierin blijkt dat, ofschoon zij tegenwoordig middels positieve discriminatie uit grote sectoren van de arbeidsmarkt geweerd worden, meent meer dan 70% van de Afrikaners dat alle talen bijgestaan moeten worden om even belangrijk als het Afrikaans en Engels te worden. Minder dan een derde van de zwarte Zuid-Afrikanen en minder dan een vijfde van de blanke Engelse Zuid-Afrikanen zijn van mening dat de Afrikaners onbehoorlijk privileges voor zichzelf willen opstrijken. Eveneens blijkt dat de Aziatische Zuid-Afrikanen – 177

hoofdzakelijk van Indiase en Pakistaanse origine – nog meer gesteld zijn op het handhaven van hun eigen cultuur en erfenis en nog minder tevreden zijn met de huidige toestand van het onderwijs in het land dan de Afrikaners.

Het nationalisme heeft altijd een speciale plek veroverd in het politieke reilen en zeilen van de Afrikaners en zorgt ervoor dat zij een goed uitgebreid beeld hiervan hebben ontwikkeld. Onder grotere volkeren die niet voortdurend bedreigd worden is dit soort nationaal bewustzijn meestal niet zo direct aan de orde. Het heeft onder andere te maken dat de leden van grotere, niet-bedreigde volkeren de ruimte en tijd gekregen hebben hun volkskarakter uit te leven en onder te brengen in allerlei politieke, culturele en bureaucratische instellingen. Zij hebben met andere woorden hun interne volksaard geëxternaliseerd. Overal om zich heen zien zij advertenties, verkeersborden, scholen, kerken, wetshandhavers en andere instellingen die zij zelf opgericht hebben en hun leven zin geven, en zij delen een gezamenlijke taal. De leden van deze volkeren zijn goed onderlegd in hun eigen geschiedenis, wat er van hen verlangd wordt, wat zij van anderen verlangen, en zij kennen de geschreven en ongeschreven regels en gedragscodes. Zij worden geregeerd door een overheid die zij zelf verkozen hebben, en in ieder geval begrijpen zij de overheid en de overheid begrijpt de burgers, en communicatiestoornissen beperken zich tot een minimum. De geëxternaliseerde instellingen zorgen op hun beurt weer voor het in stand houden en internaliseren van de cultuur en leefwijze, en nieuwkomers in het systeem kunnen via deze instellingen makkelijker afleiden wat de codes voor gewenst optreden is. De Afrikaners in Zuid-Afrika kunnen niet met hetzelfde gevoel van zekerheid uiting geven aan hun eigen taal en cultuur. Zij worden voortdurend bedreigd door vreemde invloeden. Generaal Jan Smuts stelde ooit dat ZuidAfrikas grootste vloek is dat het land altijd vanuit het buitenland geregeerd zal worden. Dit veroorzaakt dat op cultureel terrein worden de Afrikaners voortdurend door het Engels bedreigd, en het getalsoverwicht van de zwarte bevolking bedreigt hun op demografisch en geografisch niveau. Het is tegenwoordig nauwelijks denkbaar een modern winkelcentrum binnen te wandelen en in het Afrikaans bediend te worden. Net als na de Uniewording in 1910 en verder moesten de Afrikaners zich telkens verzetten tegen de golf van Engels dat het openbare leven verzwelgt. Zelfs televisieprogramma’s in het Afrikaans worden in het Engels ondertiteld, waar het vroeger niet het geval was. Het merkwaardige is dat het Afrikaans de op twee na meest gesproken taal in Zuid-Afrika is. Alleen Zoeloe en Xhosa worden meer gesproken. Afrikaans is wel de meest begrepen taal in dat land, terwijl het Engels op de vijfde plaats staat en door minder dan de helft (40%) van Zuid-Afrika begrepen wordt. Het is onder 178

zulke omstandigheden moeilijk voor te stellen dat de ANC regering, die alleen Engels in het openbare leven wil invoeren een bindende werking op Zuid-Afrikas grote verscheidenheid volkeren heeft. Dit verschijnsel is niet uniek aan Zuid-Afrika, maar speelt zich elders in Afrika ook af. Robert Mugabe van Zimbabwe bijvoorbeeld heeft het voortdurend over de wreedheid van het Engelse imperialisme, maar blijft alsnog in het Engels praten en laat zich behandelen in Europese ziekenhuizen bij ziekte. Een academicus uit Kenia beschreef ooit deze zwarte Engelstalige leiders ietwat spottend als de Afro-Saksers. Het wijst erop dat de regeringsleiders het liefst de taal spreken van hun voormalige imperialistische meesters dan dat zij zich buigen over de ontwikkeling van de plaatselijke talen. Nelson Mandela en Julius Nyerere van Tanzania streefden als eerste zwarte leiders ernaar om niet in stamverwantschap te vervallen, maar de daaropvolgende leiders hebben er dikwijls meer moeite mee zich boven de stamverwantschap te staan, en het lijkt erop dat het tegenovergestelde ambitie van Samora Machel zich aan het manifesteren is, namelijk dat de stammen niet bereid zijn te sterven om de natie te doen leven, maar dat de natie aan het sterven is ter wille van de stammen. Vanwege de ervaring van de Afrikaners, dat hun taal en leefwijze voortdurend in het nauw gedreven wordt, beroepen zij zich veel meer op hun interne, onvervreemdbaar, cultureel erfgoed. Het geloof is een belangrijk oriëntatiepunt in hun leven gebleven, en biedt een grip op de culturele werkelijkheid en identiteit waar de instellingen van het land tekortschieten. De geschiedenis van de Afrikaners bestaat echter niet alleen uit bedreigingen van buitenaf, maar ook van binnenuit. Meerdere malen in hun geschiedenis zijn zij al verraden geweest door hun eigen leden hetgeen ook ervoor zorgt dat zij, teneinde als volk te overleven, zich moeten beroepen op hun geïnternaliseerde onvervreemdbare rechten. Tijdens de AngloBoerenoorlog waren er degenen die hun eigen volk aan de Engelsen verraden hadden doordat zij zich lieten omkopen of uit het geloof dat de Engelse levenswijze meer te bieden had. Andere strijders hadden zich aan de Engelsen overgeleverd met de hoop dat de oorlog sneller afgelopen zou zijn, niet wetende hoe de vrouwen en kinderen in de concentratiekampen hoopten dat het niet zou gebeuren. Zo schreef Johanna Brandt van Warmelo (1876 – 1964), een verpleegster en gevangene in het Irene concentratiekamp in haar dagboek. Brandt vermeldde verder dat de overgelopen Afrikaners dikwijls door de Engelsen als bewakers werden aangesteld, en net als de joodse kamppolitie in de Duitse en Poolse concentratiekampen, waren zij genadelozer tegen hun eigen mensen dan de echte vijand. Daarna werden de Afrikaners in 1914 nog verder verraden door de manier waarop generaals Jan Smuts en Louis Botha een rebellie handhandig platsloegen en de rebellenleiders terechtstelden. Deze rebellie was een actie geweest om de Afrikaners uit de Eerste 179

Wereldoorlog te houden nadat Smuts opriep dat zij mee moesten vechten met de Engelsen kort na de vernedering die zij ondervonden hadden in de Boerenoorlog. Daarna kwam de geheimzinnige Afrikaner Broederbond aan de beurt die sinds de jaren ‘60 achter de schermen met de vijand begon te onderhandelen terwijl zij jonge blanke mannen in een oorlog stuurde tegen het ANC en de communisten. Van deze oud-strijders die gevochten hadden en beseften dat hun leed voor niets was geweest beleefden een enorme opwelling van posttraumatische stresstoornis, met de nodige bijwerkingen van alcoholmisbruik, gebroken gezinnen, verbitterdheid, angst, depressie en zelfmoord. Een groeiend aantal Afrikaners vindt dat FW de Klerk hun verraden had door de gehele staatsmacht onvoorwaardelijk aan het ANC te overhandigen zonder dat zij verslagen waren. Onder zulke omstandigheden kun je nergens op terugvallen dan je eigen geloof en waardigheid, en de conservatieve Afrikaners hechten tot vandaag nog veel waarde hieraan, vooral omdat de geschiedenis zich neigt te herhalen, meestal binnen een enkele generatie.

Een van de belangrijkste onderscheidende kenmerken van een nationalisme is dat het zich verzet tegen een verwording tot een vormloze, identiteitloze massa. Een dergelijke massa heeft geen innerlijke kompas, of goed ontwikkeld gevoel voor moraal en laat zich – zoals Muller stelde – makkelijker beïnvloeden door externe mogendheden10. In een dergelijke situatie heeft men geen of weinig beheer over zijn eigen lot en begint voor het onmiddellijke te leven, in plaats van zijn onmiddellijke behoeften uit te stellen ten gunste van stabiliteit op de lange termijn. Vandaar ontstaat de behoefte je te onderscheiden, met een duidelijk omgeven stel principes en handelingen die begrijpelijk is voor de geselecteerde individuen. Het garandeert overleving en vormt een basis voor zingeving. Het zorgt mede voor een beter overzicht van opvattingen in een bepaalde cultuur. Om je te onderscheiden is een eigenschap inherent aan de mens, tot zoverre mate dat het als menselijk natuur zou kunnen kwalificeren. Dit impliceert ook dat een bepaalde groep het recht heeft anderen te weigeren die niet aan het beeld van deze groep voldoet, hetzij omdat deze persoon opvattingen koestert die in strijd zijn met de cultuur in kwestie, hetzij omdat deze persoon zich niet kan of wil neerleggen bij de dominante waardes en normen van die cultuur. Zou een persoon of groep te veel afwijken zou deze de interne cohesie kunnen verzwakken en vervreemding in de hand werken en uiteindelijk kan een volk het zicht kwijtraken van zijn eigen waardes en opvattingen.

10

Dit biedt een verklaring voor de supermogendheden binnen de EU om zoveel mogelijk het nationalisme te ondermijnen, en wordt straks nader uitgelegd.

180

Een gebruikelijke manier een volk samen te binden is om sommige instellingen in een cultuur heilig en daarom onbereikbaar te maken voor de meerderheid, waar niemand of slechts enkele ingewijden toegang hebben. Deze onbereikbaarheid wordt dikwijls middels religieuze gebaren of opvattingen in stand gehouden en zorgt voor een verhoogde toewijding tot een hoger spiritueel en maatschappelijk doel. Max Weber meldt in The Sociology of Religion dat zelfs in het geval van de Hindoe gemeenschap, welke uit verschillende kastes bestaat, zijn degenen in de lagere kaste niet rebels of onbehaaglijk tegenover de voorschriften van hun bepaalde kaste. Zij houden zich meestal voorbeeldig aan deze voorschriften, want hierin vinden zij hun waardigheid en door aan de regels te houden biedt een betere kans later in een hogere kaste gereïncarneerd te worden. Voor de Afrikanernationalisten fungeerde een onwrikbaar geloof in God en het Calvinistische geloofsbelijdenis de spil waar het Afrikanerdom om draait. Het onbaatzuchtige arbeidsethos en het niet laten afleiden door ‘gokken, dansen en drinken’ heeft tijdens Nasionale Partybewind ervoor gezorgd dat de Afrikaners de kans gekregen hebben finaal weg te breken uit de extreme armoede die zij sinds de Boerenoorlog meemaakten. De rol van de kerk in Zuid-Afrika tijdens de bewindsperiode van de Afrikaners wordt veelal vanuit linkse kringen als verdacht en verderfelijk afgemaakt, zelfs door Afrikaners zelf, verwijzend naar de schijnheiligheid die ontstaat uit een strenge zedenleer, maar het kan niet ontkend worden dat de kerk en ook de Afrikaner Broederbond destijds de Afrikaner de nodige motivatie hebben gegeven zich uit hun armoede te trekken en het Afrikaans tot een internationaal gerespecteerd volk met cultuur en wetenschap te ontwikkelen. De Canadese taalkundige Jean Laponce heeft in 1983 gevonden dat het Afrikaans zich in de top dertig bevindt van talen die wetenschappelijke publicaties uitbrachten, en stond zelfs hoger op de lijst dan Arabisch en Hindi (Giliomee, 2005a). Tegen 1999 was Afrikaans op literair gebied nog steeds de sterkste Zuid-Afrikaanse taal en bracht drie keer meer literaire werken uit dan de plaatselijke Engelse schrijvers.

Deze verwikkelingen kunnen goed begrepen worden door te verwijzen naar de begrippen “cultuur” en “civilisatie” zoals Oswald Spengler deze heeft gebruikt. Met cultuur wordt bedoeld een proces van wording, en civilisatie is de geworden cultuur. Cultuur bestaat uit een groeiproces met jeugdigheid en creatieve impulsen en de energie is naar binnen gericht. Cultuur is voornamelijk religieus en benut de energie die erin ontstaan als basis om te groeien. Zodra de cultuur zich in de omgeving gevestigd heeft, de jeugdigheid en creatieve impulsen afnemen en het intellect overneemt, is er sprake van een civilisatie. Dit maakt het mogelijk om het verschil tussen de Europeanen en Afrikaners te begrijpen. Vanuit Europa 181

werd de apartheidpolitiek met groot onbegrip benaderd en veel van de kleinschalige wetgevingen in Zuid-Afrika zouden in Europa nooit wortel schieten. Het verschil is dat de Afrikaners in het proces van cultuur zaten terwijl de Europeaan die zich al honderden jaren in een eigen land bevindt, al eeuwenlang in de staat van civilisatie bevindt. De jeugdige kracht die het moderne Europese land zijn huidige gestalte gaf vormt geen fundamenteel onderdeel van de dagelijkse werkelijkheid meer, aangezien het doel al bereikt is. De Europeaan kan zich vreemde emigratie naar zijn gebieden beter permitteren die slechts door hele grote golven van immigratie of door oorlog ontwricht kunnen worden. Voor de ontwikkelende cultuur van de Afrikaners zou een te grote opname van vreemdelingen deze ontwikkeling schade berokkenen omdat het internaliseren van nieuwe opvattingen en gewoontes tijd nodig heeft te vestigen in een groeiende cultuur. Daarbij wordt meegerekend dat veel stamhoofden van de verschillende zwarte volkeren ook niet met de Afrikaners wilden integreren en graag in hun eigen gebieden op hun eigen manier wilden ontwikkelen. Dit werd onder andere gevonden toen slavernij werd afgeschaft in 1834. Een eerste poging tot integratie volgde vooral in de kerken die de deur openstelden voor mensen van een andere huidskleur, maar vanwege de verschillen in de tradities waarop gebeden werden begon wrijving te ontstaan. Men vond het bijvoorbeeld onsmakelijk dat de Hottentotten die met mest besmeerd waren de blanke kerkgangers omhelsden en meende dat op deze manier wordt het niet mogelijk Christus te dienen als de leden elkaar aanstoot geven. Voor de goede orde werd opnieuw gepleit voor een segregatie in de kerken. Een synodebeslissing in 1857 bekrachtigde opnieuw een etnische scheiding van de kerken, en aangezien deze oproep vanuit de kleurlinggemeenschap kwam konden de Afrikaners deze segregatie ratificeren zonder schuldgevoelens over discriminatie (Smith, 1980). In Zuid-Afrika werd vroeger de ontuchtwet bekrachtigd om huwelijken tussen verschillende etnische groepen af te raden. Deze wetgeving werd in 1927 ingeroepen toen het land onder Brits koloniaal bewind was, maar in 1950 onder Nasionale Partybewind werd deze wetgeving meer uitgebreid doorgevoerd. Een belangrijk motief was de wetenschap dat een liefdesrelatie tussen verschillende groepen geen lang leven beschoren was, en zodra de romantiek weg begon te ebben bleven alleen de enorme cultuurverschillen over. In het geval dat kinderen uit deze relaties geboren werden was de kans op vervreemding groot omdat verschillen in taal en ouderschapstijlen die vanuit de verschillende culturen zijn ontleend geen gemeenschappelijk basis bood om kinderen van een integrale opvoeding te voorzien. Men vreesde het probleem van vervreemding hiermee te verergeren en dat op deze wijze het culturele voortbestaan op de lange termijn gevaar zou kunnen lopen, daar deze vermenging van ras en cultuur de enige 182

onomkeerbaarheid is waardoor een overdracht van de cultuur naar de nieuwe generatie niet door kan gaan. Omdat de Afrikaner zich nog in de culturele bloeifase bevond en nog geen stabiele civilisatie zoals in Europa heeft kunnen vormen wilde men deze ontwikkeling niet onnodig ingewikkeld maken door dergelijke vermengingen toe te laten. Deze wet was aanvankelijk bedoeld om als een zachte maatregel te fungeren om intiem contact tussen de verschillende etnische groepen af te raden, maar de toepassing ervan in de praktijk ging alles behalve zacht en consequent aan toe. Blanke mensen die verdacht werden een relatie met een niet-blanke te hebben werden door de politie in de gaten gehouden en allebei partijen konden op hardhandige optreden en vernedering rekenen bij arrestatie. In sommige gevallen had deze wetgeving mensen tot zelfmoord gedreven en in andere gevallen, zoals met dichter Breyten Breytenbach werd hem de toegang tot Zuid-Afrika geweigerd vanwege zijn huwelijk met een Vietnamese vrouw. Een andere pijnlijke bijwerking van deze wet was het stigma dat zich eromheen ontwikkelde. De overtreders ervan werden door hun eigen groep verstoten en met smadelijke benamingen als ‘kafferboetie’ tot sociaal isolement gedreven. Zoals vaker plaatsvindt in de overschakeling van theorie naar praktijk was de geest waarop deze wet gebaseerd was niet te vinden in de uitvoering ervan. Er kwamen in de praktijk te veel variabelen, subtiliteiten en persoonlijke opvattingen naar voren waar deze wet geen rekening mee kon houden, en het kon bijna niet anders dan dat deze ontuchtwet een tirannieke uitwerking had op degenen die naar andere etnische groepen trokken. Dit had uiteindelijk tot veel verdeeldheid en heethoofdige woordenwisseling onder de partijbonzen van de Nasionale Party geleid, met parlementariër Hendrik Schoeman die in 1977 zei dat deze wet aanstootgevend is en niet nodig is voor hun overleving, terwijl de conservatieve dr. Andries Treurnicht zich zeer aantrok van Schoemans uitlating. Deze ruzie kopte zelfs in The Washington Post en in 1985 had PW Botha deze wetgeving definitief opgeheven. Enkele jaren later reageerde menig Zuid-Afrikaan, zowel blank als kleurling geamuseerd toen de roddelbladen uitlekten dat een bekende conservatieve parlementariër een affaire er op na hield met een jonge kleurlingvrouw en zelfs bij zijn blanke vrouw was weggegaan. Deze parlementariër had zich van zijn partij gedistantieerd en sloot zich aan bij het ANC in 2001.

Vanwege de obsessieve wijze waarop de Afrikaner elite het volk volgens de richtlijnen van zedelijkheid en fatsoen wilde cultiveren ontstond de nodige afsplitsing en afkeur van deze strenge zedenleer. Dit had mede veroorzaakt dat sommige Afrikaners weg begonnen te bewegen van het strenge conservatieve leer van de zusterkerken en zich bij de liberalen aansloten. Veel linkse Afrikaners kozen voor lidmaatschap van linkse organisaties, deels 183

gemotiveerd uit solidariteit voor het lot van de Bantoe, maar vooral omdat zij de conservatieve ingesteldheid van hun eigen volk frustrerend vonden. Het ANC vormde een goed opvang voor dissidente meningen waar vroeger intellectuelen vanuit alle bevolkingsgroepen zich konden uitlaten tegen de Calvinistische striktheid van het heersende Afrikaner establishment. Toch zijn bekende ANC lieden zoals Breyten Breytenbach lang geen lid meer van deze organisatie. Hij meent dat sinds de machtsovername is het ANC zich steeds meer stalinistisch gaan gedragen en begint deze organisatie zich als een beweging te openbaren die almaar vijandiger wordt tegenover de blanken. Blijkbaar is de golf van terreur die het ANC veroorzaakt had in de jaren ’80 hem voorbijgegaan, en de gruwelijke martelingen die plaatsvonden in het ANC goelag in Angola werden kennelijk uit het ANC salons geweerd, hetgeen de opvatting van Paul Trewhela versterkte dat de intelligentsia van het ANC en de communisten een zeer succesvolle front vormde om een gewetenloze vorm van stalinisme in Zuid-Afrika te bewerkstelligen. Veel andere antiapartheid activisten hebben zich ondertussen gedistantieerd van zowel het ANC als de huidige malaise in het land. Schrijver Athol Fugard, bekend om zijn boek Tsotsi dat later verfilmd werd heeft Zuid-Afrika verlaten en woont tegenwoordig in de Verenigde Staten. Helen Suzman meende enkele maanden voor haar dood dat zij het overwoog naar de VS te emigreren in de jaren ’50, maar ervan afzag omdat zij waarschijnlijk geen zwarte huishulp aldaar zou kunnen vinden. Breytenbach heeft sinds de transitie zich ook niet meer metterwoon gevestigd in zijn geboorteland maar woont nog in Parijs. De Nobelprijswinnaar JM Coetzee is Australisch staatsburger geworden in 2006, en op 21 november 2011 meldde mede-Nobelprijswinnaar Nadine Gordimer aan TimesLIVE dat Bantoestemrecht achteraf gezien een kinderachtig idee was.

184

Een evaluatie.
Apartheid is geen onderwerp voor bespotting of oppervlakkige meningen. Het is zeer grimmig, zeer belangrijk en zeer moeilijk. Van degenen die het systeem steunen zijn sommigen onwetend en zeer bevooroordeeld. Het is echter een grove en gevaarlijke fout om niet te erkennen dat de beste voorstanders van de apartheid mensen van persoonlijke waardigheid zijn, met een werkelijk gewetensvolle en morele geest. Historicus C.W. de Kiewiet, 1956.

De apartheidpolitiek van Zuid-Afrika wordt meestal beredeneerd zonder rekening te houden met de invloeden waarmee de Afrikaners te maken hadden tijdens hun regeerperiode. Was het niet voor de rol die de Koude Oorlog had gespeeld in Afrika, hadden de Afrikaners naar alle waarschijnlijkheid minder moeite gehad het beleid van het land bij te sturen. Dit geldt ook voor de rol die de grote mijnmagnaten en geldmachten gespeeld hadden, die vanwege hun internationale connecties vijandig stonden tegenover enige vorm van nationalisme en soevereiniteit. Deze twee factoren, de Koude Oorlog en de mijnmagnaten waren onlosmakelijk verbonden met de beleidsbepaling van Zuid-Afrika, en waren verantwoordelijk geweest voor de belangrijkste internationale kritiek tegen de apartheid. Het lot van Bantoe werd gebruikt als wapen om de overheid te discrediteren. Vanwege de tijdsgeest van de dekolonisatie en de behoefte de veel Europese landen hadden om hun eigen koloniale schuldgevoelens te vergoelijken kwam het handig uit om vanuit andere werelddelen de bevolking tegen de Nasionale Party op te hitsen en als zondebok te gebruiken. Een derde doch belangrijkste factor was de veranderende demografie van de Zuid-Afrikaanse bevolking. Dit was de binnenlandse factor die het meest druk uitoefende op de Afrikanerregering. Om socioloog Auguste Comte te citeren, is demografie ons lotsbestemming. Het was tijdens Verwoerds ambtstermijn al een ambitieuze stap geweest om te verwachten dat de blanken – op dat stadium ruim 20% van de bevolking – sturing kon verlenen aan de overige 80% waardoor de apartheid het karakter kreeg van een zeer radicaal beleid. Dit werd verder bemoeilijkt door de snelle aanwas van de zwarte bevolking gedurende deze periode. In 1946 telde Zuid-Afrika 8,6 miljoen Bantoe tegenover 2,3 miljoen blanken. Naar verwachting zou tegen 2000 het aantal Bantoe oplopen naar 18,9 miljoen en de blanken naar 5,7 miljoen. In de werkelijkheid telde Zuid-Afrika in 1991 28,3 miljoen Bantoe,

185

tegenover 5 miljoen blanken (Giliomee, 2008). De zwarte bevolking steeg met ruim 10 miljoen man meer dan verwacht, en zou een verklaring kunnen bieden voor de moeite die de regering had de Bantoe adequaat te faciliteren. Niet alleen was de scheiding van de verschillende bevolkingsgroepen moeilijk in stand te houden, maar zelfs in de blanke woongebieden woonden er significant aantal Bantoe in buitenkamers van de woningen van blanke mensen die in deze gebieden werkzaam waren als tuiniers en huishulpen. Om deze reden ging de mare dat apartheid nooit zal lukken, vooral omdat de blanke woongebieden alleen ‘blank’ op papier waren en een verscholen zwarte klasse eveneens woonachtig was onder de neus van de blanken. De indienstneming van zwarte huishulpen was een natuurlijke economische ontwikkeling geweest en verschafte werk aan mensen die werk zochten, soortgelijk aan het systeem van gastarbeiders in Nederland en Latijns-Amerikanen die ook dikwijls onderaan moeten beginnen. Ondanks alles was het belangrijk geworden om de migratie naar de steden zo veel mogelijk af te remmen en eventueel terug te draaien om niet fouten uit het verleden te herhalen. In de stedelijke gebieden waar grootschalige overbevolking in krottenwijken voorkwam werd terecht geconstateerd dat deze gebieden demografische tijdbommen waren als er niet snel opgetreden zou worden teneinde soortgelijke rellen als in Oost-Londen en Port Elizabeth in de jaren ’50 te voorkomen. Dit was onder andere de reden waarom vervallen en misdadige woonwijken als Sophiatown in 1955 verplicht ontruimd en gesloopt moest worden om er een nieuw woonwijk op te richten, dit keer weliswaar voor minder welvarende blanke mensen. 11 De uitgezette inwoners van Sophiatown werden overgebracht naar de woonwijk Meadowlands, een paar kilometer verderop en dagblad The Star meldde dat de overgeplaatste inwoners dit nieuwe woongebied veel leuker vonden dan de woningen die zij betrokken hadden in Sophiatown (Gregan, 2003). De betere woningen in Soweto hebben veel bijgedragen om een nieuwe stabiele middenklasse Bantoe voort te brengen. In de laat jaren ’80 bekende politieagenten aan de schrijver dat zij graag dienst deden in de townships aangezien over het algemeen aldaar vrij rustig werken is.

Woonwijken in Kaapstad als District Six werd ook rond dezelfde tijd als Sophiatown ontruimd, met als hoofdmotief de macht uit de handen van de slumlords te nemen, aangezien criminele grondbezitters ruim 56% van het gebied in hun bezit hadden (Giliomee, 2003a:

11

Een andere belangrijke reden om Sophiatown te ontmantelen was om gezondheidsredenen geweest. Ratten zo groot als katten renden door de straten, volgevreten aan de detritie van de buurt, en bracht de kans op een builenpestepidemie gevaarlijk dichtbij.

186

505). District Six stond overigens bekend als een gevaarlijk gebied met veel criminaliteit die voortdurend uit de hand dreigde te lopen. Men vond dat om nieuwe, homogene gebieden op te richten met betere faciliteiten de beste manier was om een gezond gemeenschapsgevoel te ontwikkelen. Toen deze nieuwe woonwijken opgericht en behuisd was, merkte PW Botha (minister van behuizing indertijd) op dat “jullie [kleurlingen] mij zullen bedanken voor wat ik gedaan heb, want nu wonen jullie in waardigheid”. Alhoewel Botha zeker geen kwade bedoelingen met zijn opmerking had kwam deze hard aan bij degenen die hulpeloos uit huis en haard werden gezet en opnieuw moesten beginnen. Gezinnen werden opgebroken en de nieuwe woongebieden konden niet met de nodige energie een gevoel van samenbinding ontwikkelen en dikwijls ontbrak ook de nodige infrastructuur. Toch waren er anderen die er baat bij hadden en uiteindelijk een eigen woning mochten bezitten in plaats van hun huur af te staan aan louche eigenaars. Ook leek de volgende generatie, vooral de jaren ’70 en ’80 minder last te hebben gehad van deze ontruiming aangezien zij niet van beter wisten dan het nieuwe buurtgevoel dat algauw deel werd van hun leefmilieu. Deze ontruiming was echter goed in het geheugen gegrift van de vorige generatie en men blikte vaak met nostalgie terug naar deze gebieden.

Een voortdurend terugkerend thema van de apartheidregering was om mensen van dezelfde etnische achtergrond samen te voegen bij hun eigen volk. Men ging er van uit dat zodra verschillende volkeren met uiteenlopende culturen met elkaar in contact kwamen zou dat snel leiden tot een gevoel van ongelijkheid, en daarmee ging gepaard de traumatische gevoelens van minderwaardigheid. Stephen Biko beaamde dit door te stellen dat de mensen van Afrika hun eigen identiteit moesten ontwikkelen, want door voortdurend in contact met het blanke volksdeel, hun onderwijs en levensstijl te verkeren zal leiden tot een eeuwig gevoel van geknecht zijn aan de blanken. Filosoof en psychiater Frantz Fanon ging verder door te melden dat zodra blanken en zwarten met elkaar in contact staan er altijd sprake zal zijn van ongelijkheid, en dat blanken die aardig zijn tegenover zwarten even onoprecht zijn als blanken die zich onaardig tegenover zwarten opstellen. In beide gevallen verkeert de blanke in een machtspositie en bevindt de zwarte zich in de positie van het gestereotypeerde ideaal van de blanke. Op deze wijze kan de zwarte geen authentieke persoon zijn maar wordt hij iemand die van de blanke afhankelijk is ter wille van het ideaal van de blanke (soortgelijk aan het geval van ‘Mrs. Taylor’ in het besproken gedeelte over RD Laing). Een identiteit en waardesysteem die eigen zijn aan zijn cultuur kunnen op deze manier niet ontwikkelen. In Zuid-Afrika een land dat in feite alleen minderheden heeft, ook onder de Bantoe, trachtte 187

Verwoerd hier antwoord op te geven maar op een manier die niet het westerse volksdeel zou schaden en ook niet zou leiden tot conflicten tussen de verschillende stammen in Zuid-Afrika. Waar de apartheid internationaal beschouwd werd als een systeem dat de Bantoe permanent van hun burgerrechten wil ontnemen was de bedoeling van het systeem precies het tegenovergesteld geweest en wilde juist hebben dat de verschillende volkeren hun eigen cultuur en identiteit diende te ontwikkelen. Dit kan alleen gebeuren als zij hun eigen geografische gebieden hebben, en Verwoerd was in discussie getreden met de toenmalige voorzitter van de VN Dag Hammarskjöld om de Bantoestans te helpen tot internationale erkenning. Tijdens de onderhandelingen kwam Hammarskjöld echter in 1961 om het leven in een vliegtuigongeluk, en bemoeilijkte Verwoerds plannen aanzienlijk. Zoals het een nationalist betaamt wilde Verwoerd langs deze weg de Bantoe helpen tot autonomie maar vanwege de druk van binnen (de toevlucht naar de steden; onbegrip en wantrouwen over de terugkeer naar de thuislanden) en van buiten (kritiek, negatieve blootstelling, sancties) kon zijn beleid niet tot zijn recht komen. Zijn stem werd overschreeuwd door de internationale media, en de gevaren van massa immigratie naar de steden maakten geen indruk op de jonge zwarten die per se naar de steden wilden verhuizen. Dit is eveneens de mening van de zoon van Verwoerd, hoogleraar Wilhelm Verwoerd. In een interview stelde hij de voornaamste reden waarom apartheid faalde niet zozeer aan de formulering van het systeem lag als wel de manier waarop de Bantoe ermee omgingen: “Zij waren niet in staat om de uitdaging aan te gaan. Er waren te weinig zwarten met integriteit, te veel misbruik van fondsen, te weinig initiatief en dat soort dingen. Waren zij slim genoeg geweest om de briljantheid van de grote apartheid te begrijpen – waar iedere etnische groep, inclusief blanken, hun eigen autonome thuisland binnen Zuid-Afrika had gekregen – dan hadden zij het systeem omhelsd” (Goodman, 1999: 135-136). “Overigens”, voegde Verwoerd toe “zeggen veel zwarten dat mijn vader de beste minister was die zij ooit gehad hebben”.

De waarachtigheid van zijn mening is niet uit de lucht gegrepen. Toen de onderhandelingen naar een nieuw Zuid-Afrika op gang was had het ANC, op dat stadium nog niet aan bewind, besloten de thuisland Ciskei uit te dagen en stuurde demonstranten naar deze landen om hen te dwingen zich in te laten lijven bij de Republiek. Op 7 september 1992 in Bisho, hoofdstad van Ciskei, escaleerden de spanningen en werden achtentwintig ANC demonstranten gedood toen het leger van Ciskei het vuur opende. Kort erna, op 6 oktober 1992, werd besloten een onderhandelingsgroep te stichten bestaande uit de leiders van de thuislanden Ciskei, Bophuthatswana en de Inkatha Vrijheidspartij. Deze groep, de Concerned South African 188

Group (Cosag) wilde zich blijven inzetten voor een federaal systeem en begon zelfs te dreigen met oorlogstaal als niet aan hun eisen werd voldaan. Tijdens de grote verkiezingscampagne van 1994 stelde Zoeloeleider Prins Mangosuthu Buthelezi bij een bijeenkomst in Natal, naar aanleiding van de heftige conflicten tussen zijn Zoeloes en het ANC dat hij zich zal blijven inzetten voor een ‘federaal bestel’, oftewel een autonoom gebied binnen de republiek. Dit meende hij nadat hij wreed ontnuchterd werd door deze conflicten en beseften dat er geen toverformule bestond om Afrika van zijn ellende te verlossen. Zijn aanhangers maakten ook kenbaar dat zij trotse Zoeloes waren en anders waren dan de Xhosa, de Venda, de Tswana en de blanken, en dat zij in staat gesteld moeten worden over zichzelf te regeren.

Wat betreft de overige etnische groepen in Zuid-Afrika heeft de Venda, een andere inheemse Zuid-Afrikaanse stam, zich in 2003 bij de Unrepresented Nations and Peoples Organization (UNPO) te Den Haag als niet-vertegenwoordigd volk aangesloten, en zijn samen met de Afrikaners de twee Zuid-Afrikaanse volkeren die lid zijn geworden van deze organisatie. Meer recentelijk is ook gebleken dat de Xhosakoning Buyelekhaya Dalindyebo sinds januari 2010 beleidstukken bij het Zuid-Afrikaanse parlement heeft ingediend waarin hij afscheiding van hemzelf en zijn abaThemboe stam eist. Het wijst erop dat de verschillende etnische groepen in Zuid-Afrika weinig heil vinden in het huidige staatsbestel en ondanks al de wereldwijde postapartheid mediafanfare het liefst voor een federale regeringsvorm kiezen, precies zoals Verwoerd het had gezien. Het is bizar dat de overzeese media alleen beelden van extreemrechte Afrikaners naar buiten brengen die een eigen gebied voor zich willen hebben, terwijl in werkelijkheid de voornaamste Bantoestammen precies dezelfde ambities koesteren. Dit impliceert dat Zuid-Afrika niet het multicultureel boegbeeld van de wereld is zoals overal wordt voorgehouden, maar dat het ideaal van de regenboognatie een verzonnen begrip is dat van buitenaf is opgelegd. De belangrijkste spelers op het wereldtoneel en hun marxistische handlangers hebben geen geringe rol gespeeld om dit beeld te creëren en zal in het volgende stuk nader uitgelegd worden.

Het is interessant dat Zuid-Afrikas buurland Botswana (niet te verwarren met thuisland Bophuthatswana) een land is dat goed voldoet aan het ideaal dat Verwoerd koesterde voor de verschillende volkeren in Zuid-Afrika. Botswana is een vrij homogeen land en heeft een zeer positieve economische groei gekend sinds onafhankelijkheidwording in 1966, vooral vanwege de diamanthandel. Misdaad is laag en wordt juist zo gehouden door hele strenge 189

immigratiewetten. Het grootste gevaar voor de verdere ontwikkeling is echter het hoge aantal hiv besmettingen waar ruim een kwart van de volwassen bevolking aan lijdt. Met dit land in gedachte, zowel als het beetje goede agrarische ontwikkeling die destijds in Venda geboekt werd, lijken hoopvolle tekens te zijn dat Afrika zich toch tot een hogere mate van welvaart en zelfredzaamheid kan helpen mits duidelijke afspraken gemaakt worden.

In het eindverslag van de Waarheids -en Verzoeningscommissie staat een enquête vermeld waarin 39% van de gehele Zuid-Afrikaanse bevolking meent dat ondanks de vergrijpen die er plaatsvond, de apartheid principieel een goed idee was. Daarnaast meent 7% geen mening te hebben (Giliomee, 2003a: 655). De blanken vormen 9% van de bevolking, waarvan de Afrikaners 6%. Hieruit blijkt dat het aantal Zuid-Afrikanen dat zich niet veroordelend uitlaat over de apartheid bijna op de helft ligt. De mogelijkheid bestaat dat de respondenten zich niet zozeer de strenge en vernederende apartheid van de jaren ’50 voor de geest haalden toen deze mening opgenomen werd in 2000/2001 en de veel matiger apartheid van de jaren ’80 nog verser in het geheugen lag. Ondanks de sporadische uitbarstingen van geweld gedurende de jaren ‘80 was de strikte blanke voogdijschap toentertijd aanzienlijk minder geworden. Ook kan deze statistiek als een verkapte motie van wantrouwen tegen het ANC gezien worden. Het ANC had letterlijk de townships in een staat van oorlog ondergedompeld met geweld en intimidatie tegen dissidenten, en nu deze organisatie in beheer van het hele land is begint het zeer fanatiek alles dat reilt en zeilt in te palmen en toont een grotere honger naar macht dan de vorige regering ooit had durven doen. Onder het voorwendsel van gelijke verdeling en gelijke kansen, spande het ANC zich in om de macht over te nemen en op alle terreinen van het dagelijkse leven invloed uit te oefenen, conform het Vrijheidsmanifest dat in samenwerking met de communisten opgesteld werd. Kort na deze opname, op 11 december 2002, berichtte Independent Online dat volgens enquêtebureau Afrobarometer meent 60% van de gehele Zuid-Afrikaanse bevolking dat het leven beter was tijdens de apartheid met minder misdaad, meer vertrouwen in de toenmalige overheid, minder corruptie, betere wetstoepassing en een efficiëntere staatsdienst (Quinn, 2002). Vergelijkingen tussen 1995 en 2000 liet een toename zien in apartheidnostalgie bij zowel blank als zwart, hoewel nostalgie harder steeg bij het blanke volksdeel. Andere beleidstoepassingen tijdens de apartheid werden ook verbazend genoeg positief geëvalueerd en de belangrijkste punten van kritiek lag bij de groter wordende inkomstenverschillen en ambtenarij die steeds minder efficiënt gerund werd. De Canadese onderzoeksjournalist Naomi Klein maakte hier ook melding van in haar werk The Shock Doctrine: The Rise of 190

Disaster Capitalism (2007) dat de Bantoe tijdens de apartheid er veel beter aan toe waren dan tegenwoordig. Sinds de val van de apartheid is het aantal Bantoe dat met minder dan een dollar per dag moeten leven verdubbeld. Ook is de werkloosheid gestegen van 28% naar 48%. Ruim een miljoen arbeiders op boerderijen werden afgezet door de nieuwe zwarte eigenaren van deze boerderijen; de gemiddelde leeftijd onder de Bantoe is afgenomen van 62 naar 48 jaar. Tijdens blank bewind was tuberculose vrijwel onder beheer gebracht en was de Suid-Afrikaanse Nasionale Tuberkulose Assosiasie genoopt om personeel vervroegd met pensioen te zetten tegen de laat jaren ’80. Inmiddels is een zeer gevaarlijk variant van tbc weer helemaal terug terwijl de minister-president en de laatste twee ministers van Volksgezondheid ontkennen dat dit een probleem is.

Naast de genoemde economische en gezondheidsfactoren vraagt men zich af of Afrika inderdaad zijn nieuwgevonden vrijheid na het kolonialisme heeft benut om zijn identiteit opnieuw te ontdekken zoals Fanon, Biko en Verwoerd zich hadden voorgesteld. Een gezaghebbend werk op dit gebied is geschreven door journalist Stephen Smith van het Franse dagblad Le Monde. In dit werk, getiteld Negrologie: Pourquoi l’Afrique meurt (2003) (in het Afrikaans vertaald als Negrologie: Waarom Afrika vergaan), tracht Smith antwoord te geven op de zwarte bewustzijnsgedachte en hoe deze bezig is Afrika te vernietigen. Alhoewel hij niet op dezelfde wijze verwijten naar de voormalige koloniale mogendheden maakt, beschuldigt hij hen een funeste werking op Afrika te hebben. Terwijl in het westen de opvatting heerst dat Afrika ‘bevrijd’ is en enige gedachten ten gunste van het kolonialisme aan taboe grenst, is de realiteit dat Afrika niets liever wil dan terug te keren onder koloniaal bewind. Alles is beter dan de huidige golf van ellende en wreedheid. Teneinde hun koloniaal schuldgevoelens af te kopen heeft menig land grote sommen geld gestort om Afrika van ondergang te redden, maar de uitwerking ervan pakte averechts uit. Het continent is verslaafd geraakt aan hulp en lijkt niet in staat te zijn zich uit zijn armoede te trekken. Smith vergelijkt landen als Ghana en Zuid-Korea met elkaar. Deze landen hebben in gemeen dat allebei een pijnlijk koloniaal verleden kennen, maar waar Ghana verviel in armoede en ellende is ZuidKorea uitgegroeid tot een industriële reus van wereldformaat. Voor Smith kan deze ellende aan de hand van een aantal samenwerkende oorzaken teruggevonden worden: de verkeerde toepassing van dure fondsen naar Afrika is een belangrijke medeoorzaak. Aangezien dit geld ontvangen wordt zonder enige tegenprestatie, wordt het ook niet als waardevol beschouwd. Dikwijls weet men niet hoe om dit geld te besteden en het is niet precies duidelijk welk resultaat geboekt moet worden. Na jarenlange donaties is een cultuur ontstaan dat de 191

ontwikkelingsorganisaties uiteindelijk zelf bepalen wat er ontwikkeld moet worden terwijl de inwoners niet enige animo of begrip hebben voor de plannen die gemaakt worden. In het ergste geval gaat de hulp terug naar deze organisaties en niet naar de mensen die tot het onderwerp van armoedeverlichting worden gerekend, of anders verdwijnt het geld in een bodemloze put. Bijvoorbeeld is er geïnvesteerd in westerse agrarische hulpmiddelen zoals tractoren en ploegen maar wordt geen rekening gehouden met regenval, grondverzakking en andere factoren als de aanlevering van onderdelen van deze middelen, of het verkrijgen van benzine. Ook is niet duidelijk gecommuniceerd over de gevaren van deze machines waardoor ernstige ongelukken kunnen ontstaan. Nog andere factoren zijn cultureel van aard omdat gedacht wordt dat de lawaai en grootschalige bewerking van deze machines de geesten van de voorvaderen ontstichten. Een andere factor is de exploderende jeugdige bevolking van Afrika die geen ouderen hebben om hun leven sturing en richting te geven, aangezien de ouderen door ziekte of ontbering om het leven zijn gekomen. In Afrika wordt veel waarde gehecht aan oudere mensen, en bij een significant deel van de Afrikaanse bevolking, namelijk de jeugd, ontbreekt deze waardevolle schakel. Een andere belangrijke medeoorzaak ligt bij de leiders van het land. Zij hebben zich in de loop der jaren in een positie gewerkt van onaantastbaarheid, dikwijls gesteund door westerse en communistische regimes ten tijden van de Koude Oorlog. Velen van deze leiders hadden onder het mom van de strijd tussen kapitalisme en communisme oorlog gevoerd tegen hun rivaliserende stamgenoten op de bon van het westen, zoals Robert Mugabe (een Sjona) tegen Morgan Tsvangirai en diens voorganger (een Mathabele) of Mobutu Sese Seko (een Ngbandi) tegen Lumumba (een Tetela) in de Kongo. Toen de Koude Oorlog afgelopen was, meent Smith was Afrika van zijn ideologische “pachtgeld” ontnomen en aan zijn lot overgelaten, opgezadeld met zijn ingewikkelde problemen waardoor de macabere ondergang begon. Waar vroeger een informele economie heerste gleed dit continent af naar een bestaan van karig rantsoen met sporadische plunderingen en overvallen. Daarna volgde een volledige instorting en is het continent in een levende hel veranderd. Vanwege de eindeloze conflicten en hardhandige optredens van de stamhoofden, tezamen met een groot aantal wapens dat tijdens de Koude Oorlog in Afrika terechtkwam konden de gewone mensen uiteindelijk iets doen aan hun verdrukte lot die zij van de verschillende leiders moesten verduren. Het was nu hun beurt geworden om de “groto”(Grote jongens) te laten voelen hoe zij geleden hadden en wraak te nemen op de vrouwen die zij nooit mochten hebben. Een cultuur van moord, plundering en barbarisme ontstond, met een instinctief gevoel van loyaliteit naar de eigen directe groep en niemand anders. Noch de ouderen noch de jongeren zijn bespaard gebleven 192

tijdens de plundertochten en de scheiding tussen burger en militair bestond al lang niet meer. Tijdens hun barbaarse strooptochten was het niet ongewoon de slachtoffers te barbecueën en op te eten terwijl de overblijvende gezinsleden gedwongen moesten toekijken. Een krijgsheer in Ituri in het noordoosten van Kongo pochte met zijn kannibalistische daden door de gebraden penissen van zijn slachtoffers uit zijn rugtas te halen en aan anderen tentoon te stellen. Om te doden heeft uiteindelijk dezelfde uitwerking op de psyche als alcohol, cannabis of tabak, en de daders raakten te ver van de werkelijkheid verwijderd om een nuchter oordeel te vormen over hun eigen daden. Sommigen dragen maskers, anderen verzinnen nieuwe namen om zich een identiteit als strijder te geven. Niets heeft waarde meer en alles wat zij altijd begeerd hadden en alleen van konden dromen kunnen zij nu afhandig maken met grof geweld. Een cultuur is ontstaan waarin deze strijders menen dat zij geen misdadigers maar “vrijheidsvechters” zijn die om hun eigen vrijheid vechten. Oorlog is leven. Hoe om Afrika uit deze spiraal te trekken is een van de moeilijkste vraagstukken van deze tijd geworden. Smith meent dat Afrika zich in een unieke positie bevindt dat dit werelddeel niet alleen uit een mozaïek van volkeren bestaat, maar ook uit verschillende era’s die door elkaar heen gevlochten zijn. Traditioneel en modern wonen samen in hetzelfde huis. Naast de bestaanslandbouw en voorvaderenaanbidding is een mobiele telefoon en satellietschotel te vinden. Het lijkt moeilijk te zijn deze botsende tijdsgeesten te integreren in een nieuw en zinvol geheel, en van de weeromstuit gaat de Bantoe op zoek naar zijn ware identiteit en beijvert datgene op te zoeken waar hij vervreemd van is geraakt. De manier waarop naar het verleden gekeken wordt voor zingeving, terwijl dit verleden hoofdzakelijk uit mythes bestaat die via de mondelinge traditie overgedragen wordt, biedt deze introspectieve zoektocht naar het verleden geen soelaas, en wordt er dieper en intenser maar futiel gezocht naar een bindend verleden. Het denken in termen van Afrikaanse identiteit is een centraal onderwerp geworden voor veel Afrikaanse landen die zich willen herontdekken sinds de dekolonisatie, maar de fanatieke manier waarop men op zoek gaat bewijst dat er sprake is van een trauma. Waar een gezonde identiteit zich vormt met inbegrip van de interne (geestelijke) en externe omgeving, het verleden en het heden, vlucht de Bantoe weg van de externe omgeving naar de interne en het verleden. De vroege romantiek van Afrikaanse studenten die in de jaren ’60 in westerse landen studeerden en op zoek gingen naar de ‘ware’ mystiek van Afrika hebben een impact op het continent als geheel gemaakt maar is tot een karikatuur verworden. Dit leidt tot een verdere onbuigzaamheid om de verscheidene moderne cultuurgoederen zinvol te integreren en heeft als gevolg dat de Bantoe zich als een kluizenaar afgezonderd heeft van de immer veranderende processen van de modernisering en mondialisering. Dat gedeelte van 193

Afrika dat ‘westers’ is zoals ontwikkelingshulp ligt buiten de directe belevenis en wordt gezien als een ‘zaak van de blanken’, hetgeen een indicatie is dat zij zich niet betrokken voelen in hun eigen ontwikkeling. Het somtotaal van deze factoren doet Smith geloven dat dit alles reacties zijn tegen het onvermogen van Afrika om de uitdaging van de modernisering aan te gaan en trekt de pessimistische conclusie dat Afrika bezig is om te sterven.

Zouden de nationalistische conflicten in de Balkan die na de val van de Berlijnse muur opvlamden niet op een soortgelijke manier verklaard kunnen worden? Een getraumatiseerd aantal volkeren dat op zoek ging naar zichzelf? Is Afrika wellicht de toekomst van Europa, vooral rekeninghoudend met de voortdurende acties die de Europese Unie onderneemt om alle vormen van nationalisme – gezonde varianten inbegrepen – overboord te gooien en de verscheidene volkeren op te nemen in een kunstmatig geheel? Als de Unie ooit haar vitaliteit en bindingskracht zou verliezen, zou dat niet leiden tot een fanatiek terugnemen van de eigen cultuur, productiemiddelen en leefwijze met bloedige conflicten tussendoor? Misschien zijn de Afrikanen en de Europeanen toch niet zo verschillend van elkaar dan wij geneigd zijn te denken.

194

De bewegingen tegen de apartheid: diverse verklaringen.
Apartheid kan niet getransformeerd worden. Het moet afgeschaft worden. -Olof Palme. Ik wil een zwarte regering in Zuid-Afrika. -Henry Kissinger.

Ofschoon kritiek tegen de apartheid, met name de kleine apartheid, gerechtvaardigd is als de schendingen alleen op eigen verdienste wordt bekeken, is het belangrijk zich af te vragen waarom dat systeem wereldwijd zo een storm van verontwaardiging heeft uitgelokt. Van alle mensenrechtenschendingen in Afrika en elders ter wereld indertijd tekende de apartheidregering juist vrij mild af. Waar Pol Pot een vijfde van zijn bevolking in Cambodja had uitgemoord waren er nauwelijks protesten tegen hem. De protesten waren vanuit de links georiënteerde persen puur gericht tegen de Amerikanen, terwijl de veel grotere misdaden van de Rode Khmer pas jaren later uitlekten. Uiteraard heeft de rol van de televisie en Amerikas laakbare rol in Vietnam het beeld van de Verenigde Staten geen goed gedaan, maar toen de misdaden van de Rode Khmer bekend werd waren de reacties eveneens luw gebleven. Ruim dertig jaar na dato begon de rechtszaak tegen het Rode Khmer pas te lopen maar wordt voortdurend onderbroken door de onbereidwilligheid van de Cambodjaanse regering om mee te werken. Wie kan zich een wereld voorstellen waar de misdaden van Hitler en de nationaalsocialisten pas na dertig jaar voor een tribunaal verschijnt? Anderzijds bevinden zich in andere landen als Noord-Korea naar schatting tweehonderdduizend gevangenen in de kwan li so oftewel goelags die tot levenslang veroordeeld zijn in kampen even hachelijk als Auschwitz, Buchenwald of Theresienstadt. Deze gevangenen zitten zonder enige vorm van juridische bescherming vast terwijl er geen haan naar kraait. Hun misdaad is meestal beperkt tot ongepaste uitlatingen jegens het regime, poging tot ontsnapping uit het land of nazaten van Zuid-Koreanen die destijds naar het noorden overliepen omdat zij dachten het beter te hebben onder het communisme. Zuid-Koreanen en Japanners in dat land worden nog steeds achterdochtig bejegend en als spionnen en staatsgevaarlijke personen beschouwd. Christenen in Noord-Korea kunnen ook op zulke straffen rekenen en volgens Genocide Watch verkeren zij sinds 1949 in de hoogste (uitvoerende) fase van genocide, soortgelijk aan de Joden in Duitsland en Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Elders in Afrika zoals Mali bestaat kinderslavernij nog onafgebroken, met enkele randgroeperingen die slechts de laatste paar

195

jaren aandacht aan besteden omdat het nu ‘modieus’ geworden is. In Saoedi Arabië heerst ook een strenge variant van apartheid, waarschijnlijk nog strenger dan in Zuid-Afrika het geval was. Westerse werkers worden toegewezen in aparte woongebieden die met prikkeldraad en wachtposten omheind zijn en de inwoners mogen zich ’s avonds slechts bij uitzondering buiten deze gebieden begeven. Het is niet mogelijk voor een westerling te naturaliseren tot Saoedi staatsburger, en het is verboden voor iemand van een andere etniciteit te trouwen met een Arabische vrouw. Ook maakt dit land gebruik van Moslims uit lage loon landen om het vuile werk op de oliepompen te verrichten, maar over dit systeem wordt ook geen woord gerept. Zuid-Afrikas buurland Zimbabwe kan evengoed genoemd worden. Ook al heeft Robert Mugabe zijn agrarische industrie geheel in duigen doen storten met miljoenen van zijn volgelingen die hij de hongersnood heeft ingejaagd, is de kritiek tegen hem luw gebleven. Het publiek reageerde door op het voorhoofd te tikken terwijl Mugabe openlijk het westen tart met uitlatingen dat hij ‘tien keer opnieuw een Adolf Hitler zou zijn mocht dat nodig blijken’. Er was desondanks geen enkele demonstratie in westerse landen geregeld om deze tiran een halt toe te roepen en geen handtekeningenactie vond plaats. Ook werd er geen kantoor geopend van waaruit propaganda tegen de Zanu-PF gemaakt kon worden, en vergelijkingen van Mugabes Sjona stam met nazi’s waren hem grotendeels gespaard gebleven. Tijdens blank bewind in Zuid-Afrika is de zwarte bevolking ruim viervoudig toegenomen vanwege westerse geneeskundige praktijken en voedselvoorziening. Dit houdt in dat beschuldigingen van nazisme van een regime waarvan de ‘slachtoffers’ zo snel aanwaste niet met de werkelijkheid stroken. De vraag resteert dus: Wat maakte de situatie in ZuidAfrika zo bijzonder dat zoveel hoon naar blank Zuid-Afrika gericht werd? Interessant is dat in de jaren ’50 van Verwoerd de instandhouding van de rassenscheiding veel strenger werd toegepast dan in de jaren ’80, toen duidelijk bleek dat het einde in zicht was voor blanke heerschappij. Aanzienlijk veel kleine apartheidwetten werden door PW Botha overbodig verklaard in de latere jaren, terwijl het onder Verwoerd ondenkbaar was dat dit ooit zou gebeuren. Vanuit de reacties van de internationale gemeenschap bekeken zou men echter niet geneigd zijn dezelfde conclusie te trekken. In de tijd van Verwoerd was kritiek tegen de apartheid zeer beperkt en matig gebleven, en veel buitenlanders waaronder ruim vijftigduizend Nederlanders hadden zich in Zuid-Afrika metterwoon gevestigd, terwijl in de jaren ’80 was de wereldwijde reactie tegen de apartheid van alle fatsoen ontdaan, met heftige demonstraties in de verscheidene steden en voor de Zuid-Afrikaanse ambassades tegen blank bewind. Rake klappen werden uitgedeeld naar vermeende 196

apartheidsympathisanten, winkelketens werden afgebrand, benzinepompslangen werden doorgesneden van Shell tankstations en Afrikaanstalige boeken van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam belandden in de Keizersgracht. Voor de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag hadden een blanke vrouw en gekleurde man de liefde bedreven om hun minachting voor de Zuid-Afrikaanse ontuchtwet te tonen. Activisten als Klaas de Jonge bevorderde terreur in Zuid-Afrika en Conny Braam kon er niet genoeg van krijgen de Afrikaners voor nazi’s te verslijten. Deze reacties doen de vraag verrijzen waarom de apartheid vanuit de internationale gemeenschap pas in de doodsnikken gekapitteld werd terwijl in de vroegere jaren een daverende stilte heerste. Het wijst erop dat het apartheidbeleid aan zich onvoldoende verklaring biedt en deze reacties eerder in de pathos van Europa gevonden dient te worden. Wie zich verdiept in de beschuldigingen tegen de Afrikaners komt in aanraking met verwijten van kolonist, fascist of nazi. Deze beschuldigingen zijn meer sprekend van de geschiedenis van Europa dan van Zuid-Afrika aangezien zij hun ontstaan hebben gehad in de modernisering van Europa. De Afrikaners hadden al hun grondgebied gekregen door wettelijk erkende afspraken en werd zelfs door de Internationale Strafhof in Den Haag erkend als de rechtmatige eigenaars van het land. De beschuldigingen van kolonist houden geen stand. Ook de verwijten van nazi of fascist zijn uiterst betrekkelijk, aangezien een groot deel van de Afrikaners juist gestreden had tegen deze machten en nog voor de politieke toetreding in 1948 begonnen zij heil te vinden in een parlementaire democratie. Veel Afrikaners hadden indertijd ook het communisme aangehangen, en als meest formidabele prestatie op dit gebied was Juta Uitgeverij opgericht om wetenschappelijke handboeken en publicaties in het Afrikaans te verspreiden. De oprichter ervan JC Juta, was de zwager van Karl Marx. De Afrikaners hadden diverse ideologieën aangehangen die het Engelse imperialisme tegenstond. Waarom slechts het nationaalsocialisme gebruikt werd om de Afrikaners mee te beschuldigen is waarschijnlijk omdat de Europeaan zijn duistere verleden wilde repareren door aan te geven dat deze geen deel meer uitmaakten van zijn beleid of gedachtegoed. De Europeaan vond in de Afrikaner een zondebok voor zijn fouten uit het verleden, en andere mogendheden zoals de Verenigde Staten en Australië zagen in Zuid-Afrika een tactiek om de aandacht af te leiden van de rassenspanningen op eigen bodem. De Afrikaner taalactivist en filosoof dr. Dan Roodt die in Europa woonde ten tijden van de grote antiapartheid protesten verklaarde tegenover de schrijver dat de communistische bewegingen in West-Europa de apartheid gebruikten als middel om de aandacht af te leiden van het falende communisme in OostEuropa. Toen Lech Walesa een vakbond oprichtte in Polen was het signaal duidelijk dat het communisme niet de arbeidersparadijs was waar iedereen op had gehoopt, en de 197

socialistische groeperingen kregen veel kritiek te verduren van de meer liberale of rechtsgezinde oppositiepartijen. Vandaar werd apartheid beschimpt in een laatste poging om hun morele geloofwaardigheid te redden. De Franse Communistische Partij (CPF) opende een afdeling met als enig doel propaganda tegen de apartheid te maken. Ook hadden de buitenlandse correspondenten in Zuid-Afrika bijgedragen een negatief beeld van Zuid-Afrika te creëren. Toen PW Botha in 1985 stelde dat hij de apartheid voorlopig niet ging ontmantelen omdat hij en Nelson Mandela geen schikking konden bereiken, volgden zware internationale sancties en moest de Zuid-Afrikaanse munt een flinke devaluatie trotseren. Hierdoor was Zuid-Afrika overnacht een stuk goedkoper geworden voor internationale correspondenten en konden zij zich veroorloven in dure hotels te vertoeven en met privé straalvliegtuigen naar verschillende politieke bijeenkomsten te reizen. Gegeven de goede kwaliteit infrastructuur, mooie stranden, heerlijk weer en luxe winkelcentra hadden zij voortdurend aan hun redacteuren berichten geplaatst dat het land in de ban van een revolutie zat om langer te mogen genieten van deze privileges. Alhoewel dat land te maken had met geweld in de townships dat bij pieken behoorlijk uit de hand kon lopen, viel in de rest van het land niet veel te melden. Zelfs binnen de townships was het leven, op de geweldsincidenten na, vrij saai gebleven. Bij te weinig berichtgeving riskeerden de correspondenten de kans teruggehaald te worden om elders berichtgeving te doen. Dit leidde ook tot situaties waarin dubieuze foto’s in kranten geplaatst werden om Zuid-Afrika verder te denigreren. Als voorbeeld werd geld in vuilnisbakken gelegd en wanneer zwarte kinderen deze muntstukken opraapten kopten de buitenlandse kranten de volgende dag van foto’s met hongerige zwarte kinderen die in vuilnisbakken op zoek moeten gaan naar voedsel. Anderzijds waren foto’s van zwarte mijnwerkers geplaatst die aan een rotswand geketend waren, met een voettekst dat zij als slaven ‘gekluisterd arbeid moesten verrichten’. In werkelijkheid zaten zij aan de steile rotswanden in een harnas vast om te keren dat zij niet naar beneden zouden vallen (De Villiers, 1975: 149). Ook passeerden foto’s van Nasionale Partyvergaderingen de revue met beelden van geüniformeerde jongeren die vlaggen met hakenkruizen erop vasthielden, en een filmploeg maakte een korte film over ‘dode zwarte mensen’ die in Joubert Park in Johannesburg op het gras lagen, met blanke mensen die in de achtergrond nonchalant voorbijliepen, terwijl in werkelijkheid lagen zij gewoon lui lekker op het gazon te slapen.

Een andere factor die meegeholpen had de gemoederen tegen de Afrikaners op te laaien was de invoering van de televisie in Zuid-Afrika in 1976. Veel programma’s werden in het Afrikaans uitgezonden en wekte irritatie bij het Engelstalige volksdeel, vooral toen 198

Engelstalige televisieseries in het Afrikaans vertaald werden. Net als in Italië of Duitsland werden televisieprogramma’s niet met ondertiteling vertaald, maar met gesproken dialoog, waardoor de oorspronkelijke taal niet meer gehoord kon worden. Van de weeromstuit hadden de Engelstalige pers de propagandaoorlog intensiever gevochten, en omdat het Engels het voordeel heeft een wereldtaal te zijn konden zij de strijd internationaal voeren. Omdat ZuidAfrika het enige land in de gemenebest was waar de Engelsen niet volledig het regie in handen hadden en het niet konden verkroppen een mindere status te aan te nemen tegen de Afrikaners, ging voor hen de strijd om hun hegemonie te bevestigen. Dit gebeurde met een groot mate van succes en zelfs de Nederlandse persen trapten in de Engelse berichtgeving over Zuid-Afrika, niet wetend dat de Engelsen bezig waren een propagandaoorlog tegen het zustervolk van Nederland te voeren. Een hele cultuur van haat tegen de Afrikaners werd op deze manier aangewakkerd met veel Engelse columnisten die geen week voorbij lieten gaan zonder een artikel te schrijven aan de New York Times, The Guardian of andere media om hen als wrede verdrukkers voor te stellen. De Afrikaners waren lang niet opgewassen tegen deze felle strijd. Zelfs pogingen om mede eigenaarschap van de internationale persen te bekomen om de negatieve berichtgeving over Zuid-Afrika te beperken mondden uit in een schandaal en kostten minister-president Vorster en andere topambtenaren hun ambt in 197712. Zij konden de gezwollen tij tegen het blanke bewind onmogelijk niet meer een halt toeroepen en voor velen intensifieerde het verraad door over te lopen en in het geheim met het ANC te onderhandelen. Eenmaal terug in Zuid-Afrika hadden sommigen Nelson Mandela in de gevangenis bezocht en hem voorbereid op zijn latere presidentschap. Nasionale Partyleider FW de Klerk meende niet bewust te zijn hiervan en werd pas geïnformeerd toen hij president van Zuid-Afrika was. De grote schaal van verraad die vooral sinds de jaren ’60 deel uitmaakte van Zuid-Afrikas politiek was waarschijnlijk een belangrijke reden voor De Klerk geweest het land te overhandigen, vooral aangezien sinds 1966 de belangrijkste partijorganen van de Nasionale Party geïnfiltreerd werden van buitenaf. Zelfs vooraanstaande ministers binnen de partij zoals Roelof Botha had plannen gesmeed met de bekende politicoloog Samuel Huntington van de Council on Foreign Relations om de capitulatie van Zuid-Afrika te bewerkstelligen. Om met Cicero te spreken kan een volk zijn dwazen, zijn ambitieuzen en de vijand buiten het hek overleven, maar niet de verraders onder zijn eigen gelederen. De Afrikaners waren hun eigen grootste vijand geworden.

12

Dit was uiteraard een naïeve zet geweest aangezien de machtigste mensen de eigenaars van de belangrijkste media zijn, en zij zullen nooit de touwtjes uit handen geven.

199

Een ander belangrijk motief tegen de apartheid kan gevonden worden in de manier waarop Zuid-Afrika vrijgevig omging met de verscheidene thuislanden. Belangrijke conflicten over de wereld bestaan juist uit volkeren die onafhankelijk willen worden van mogendheden die zij als vijandig en imperialistisch beschouwen. De Noord-Ieren, Koerden in Turkije, Palestijnen, Basken, Molukkers, Zapatista in Mexico en anderen voeren een strijd tegen de mogendheden die hen de status van onafhankelijk volk weigeren. Dikwijls worden deze minderheden opgenomen in de grotere cultuur terwijl hun eigen taal, gewoontes, benamingen en volkseigen kenmerken beschimpt worden. Als het thuislandbeleid van de Zuid-Afrikanen eenmaal de wereldpers bereikt, vergroot het gevaar dramatisch dat deze minderheden ook een eigen onafhankelijk thuisland, gebaseerd op het Zuid-Afrikaans model voor zichzelf gaan opeisen. Hierdoor kan een gevaarlijk precedent geschept worden dat de internationale betrekkingen tussen de verschillende landen schade kan aanrichten. Men zou zich afvragen ‘In Zuid-Afrika kan het wel, waarom hier niet?’ Het kost daarom minder moeite het ZuidAfrikaanse thuislandbeleid te propageren als een schadelijke politieke ideologie dan om gehoor te geven aan een significant aantal volkeren wereldwijd dat opeens een eigen onafhankelijke staat zou willen opeisen. Het is immers uit de nasleep van de Tweede Wereldoorlog toen men de gedachten begon te richten op een eenwording van de verschillende staten, met Churchill die sprak over de “United States of Europe”, een voorbode van de tegenwoordige Europese Unie. In het westen vooral concentreren de gedachten zich op het afbreken tussen de grenzen van de westerse staten, en vanuit deze tijdsgeest was het thuislandbeleid in Zuid-Afrika – dat lijnrecht hier tegenin druiste – het zwarte schaap dat niet in het belang van het westen opereerde.

Deze genoemde factoren vormden uiteindelijk de precipiterende factoren die de ondergang van dat systeem versnelden. Zij waren de laatste druppels die de emmer deden overlopen. In werkelijkheid lag de strijd om de Afrikaner te vernietigen dieper en accumuleerde over een veel langere tijd. De planning om Zuid-Afrika met zijn nationalistische ingesteldheid te vernietigen werd besloten in de hoogste kringen van de wereldpolitiek en begon al in 1877 toen de Engelsen de Union Jack gehesen hadden boven Pretoria en uitliep op de Boerenoorlog van 1899 – 1902. De volledige aanslag tegen Zuid-Afrika zou ook niet mogelijk zijn geweest zonder grootschalige financiering van invloedrijke instanties en kostte uiteindelijk honderden miljoenen dollar, misschien zelfs enkele miljarden. De diverse activisten in Europa en Zuid-Afrika hadden onmogelijk niet op eigen houtje deze omvangrijke propagandastrijd kunnen financieren. 200

Het is niet onjuist te beweren dat de felle antiapartheid campagne een voortzetting was van de Boerenoorlog met andere middelen. Dit kan teruggeleid worden naar Lord Alfred Milner die op 13 mei 1902 toen de ‘vrede’ gesloten werd tussen Boer en Brit stelde dat:”The South African struggle continues. It is no longer a war with bullets, but it is war still.” (De ZuidAfrikaanse strijd duurt voort. Het is niet meer een oorlog met kogels, maar het is nog steeds oorlog) (Barber, 1999: p.33). De mogendheden die tegen de apartheid agiteerden waren dezelfde mogendheden die destijds de Boerenoorlog op gang hadden gezet. Zuid-Afrika was tijdens de apartheid het enige land in postkoloniaal Afrika dat niet wegzonk in extreme armoede, corruptie en zeer bloedige en barbaarse conflicten, maar was uitgerekend het land waartegen een jarenlange genadeloze propagandastrijd woedde. De Britse journalist en politicus Lord William Deedes (1913 – 2007) meende dat terwijl Zuid-Afrika uitgroeide tot de economische reus van Afrika waren de andere (omliggende) leden van de gemenebest bezig te vervallen in armoede. De waarachtigheid van de gelijkenis tussen de antiapartheid strijd en de Boerenoorlog geldt tot op vandaag. Verscheidene Afrikaner politieke partijen en bewegingen hebben om tekst en uitleg gevraagd waarom het Verenigd Koninkrijk verzuimt zijn excuses aan te bieden voor de gruwel van de Boerenoorlog, maar tot op heden heeft iedere Britse minister-president ontwijkend gereageerd. De Engelsen hebben in een poging tot verzoening de Maori’s van Nieuw Zeeland en de Aboriginals van Australië hun excuses aangeboden, en ook de NoordIeren voor de Bloody Sunday massamoord. Prins Charles en de kleinzoon van Winston Churchill hebben in 1995 een krans gelegd ter nagedachtenis aan de Duitsers die hun levens verloren hadden door de Britse bombardementen in de Tweede Wereldoorlog, maar een soortgelijke geste naar de Afrikaners is nog altijd uit gebleven. De Boerenoorlog was overigens de duurste oorlog die Groot-Brittannië nog gevochten had en had veel gewone Britten met afschuw en schaamte gevuld, soortgelijk aan Amerika tijdens de Vietnamoorlog. De Boeren waren het eerste volk van de twintigste eeuw dat in concentratiekampen opgesloten werden en veel vrouwen en kinderen eindigden zwaar ondervoed in massagraven, omgekomen door tyfus en extreme ontbering. Deze oorlogsmisdaad had 10% van de Boerenbevolking uitgeroeid terwijl de Engelse elite deed alsof zijn neus bloedde. Het kan niet waar zijn dat deze oorlog zomaar vergeten is. De enige plausibele verklaring die hieruit af te leiden valt is dat de Boerenoorlog inderdaad nog niet afgelopen is, en werd op een indirecte manier bevestigd door de voormalige minister van Buitenlandse Zaken David Miliband. In 2009 liet hij vallen dat de oorlog tegen terreur verkeerd was omdat het meer goed dan kwaad 201

heeft veroorzaakt, maar enkele maanden later meende hij dat terreur ‘niet altijd verkeerd is’ verwijzend naar de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Het feit dat postapartheid ZuidAfrika honderdduizenden mensenlevens gekost heeft en wegglijdt in armoede vindt hij kennelijk beter dan een ontwikkeld en soeverein land zoals tijdens blank bewind. De verklaring wordt begrijpelijk als gekeken wordt naar de mineralen die dat land rijk is. De Afrikaner staat tussen de grote geldmachten en ’s werelds rijkste mineralen ertslaag. Het was niet alleen pure agressie vanuit Engeland die de oorlog tegen de Boeren ontketende maar werd door de mijnmagnaten binnen de Republiek zelf op gang gezet. Zij hadden de macht en invloed gehad om de Engelse regering over te halen om ten strijde te trekken tegen de Boeren. Zoals historicus Thomas Packenham schreef in The Boer War (1979): “First there is a thin golden thread running through the narrative, a thread woven by the 'gold bugs,' the Rand millionaires who controlled the richest gold mines in the world. It has been hitherto assumed by historians that none of the 'gold bugs' was directly concerned in making the war. But directly concerned they were ... I have found evidence of an informal alliance between Sir Alfred Milner, the High Commissioner, and the firm of Wernher-Beit, the dominant Rand mining house. It was this alliance, I believe, that gave Milner the strength to precipitate the war” (Vertaling: “Eerstens is er een dunne gouden draad die door het verhaal loopt, een draad die door de goudmagnaten, de miljonairs aan de [Witwaters-]Rand gesponnen is die ’s werelds rijkste goudmijnen beheren. Voorheen hadden historici aangenomen dat geen van deze goudmagnaten er direct belang bij hadden om oorlog te maken. Maar zij waren direct betrokken geweest … Ik heb bewijs gevonden van een informele alliantie tussen Sir Alfred Milner, de Hoge Commissaris, en het firma Wernher-Beit, het dominerende mijnconcern aan de Rand. Het was deze alliantie, geloof ik, die Milner de kracht gaf de oorlog aan te zetten”.) De meest zichtbare antiapartheid beweging – het ANC – was op eenzelfde manier ingezet om de macht van de mijnbazen met internationale grootkapitalistische bondgenoten te consolideren. Voor jarenlang was de belangrijkste speler op de Zuid-Afrikaanse mijnbouwindustrie de industrieel Harry Oppenheimer (1908 – 2000) geweest. Voor ruim vijfentwintig jaar was hij directeur van Anglo American, het belangrijkste mijnconcern aldaar en voor zevenentwintig jaar erna was hij directeur van De Beers Consolidated Mines en werkte zich op tot een der rijkste mensen ter wereld. Op 20 juni 1994 pochte Oppenheimer in USA Today dat hij “de stille motor was die het ANC aandreef”, en in 2004 verhuisde Anglo 202

American naar Londen. Op economisch gebied is Zuid-Afrika onder het ANC vrijwel opnieuw gekoloniseerd geworden met Londen als spil van Zuid-Afrikas mijnactiviteit. De gewapende strijd van het ANC was voor deze grote spelers een manier geweest om de nationalistische dijken van de Afrikaners te doorbreken zodat zij vrij spel konden krijgen terwijl de Afrikaners de controle over hun eigen land kwijtraakten. De precieze manier waarop de geldmachten de Zuid-Afrikaanse politiek binnengedrongen hadden sinds de jaren ’50 was wel voelbaar geweest, maar de aard en omvang waren toen nog niet duidelijk aan de leiders van het land of aan het publiek geweest. Dit noopte Verwoerd in de medio jaren ’60 om een onderzoekscommissie in leven te roepen om een duidelijker beeld te krijgen over deze schaduwzijde van het grote kapitaal. Hoogleraar Piet Hoek aan de Universiteit van Pretoria en directeur van staalconcern YSKOR werd aangesteld om de commissie te leiden en verslag te doen aan Verwoerd over zijn bevindingen, maar het Hoek Verslag werd pas afgerond in 1968 na Verwoerds dood. Zijn opvolger John Vorster had geweigerd het verslag openbaar te maken. In 1969 lekten enkele details naar buiten waarin bleek dat Oppenheimers bedrijf Anglo American proportioneel weinig belasting betaalde met als gevolg miljoenen rand aan inkomstenverlies voor Zuid-Afrika. Ook was gebleken dat dit bedrijf genoeg macht had om overheidsbeleid te dwarsbomen. Aangezien dit bedrijf de defensie-industrie van belangrijke mineralen verschafte en tegelijk banden onderhield met formidabele bedrijven overzee, zoals de Charter Consolidated te Londen, vond men het belangrijk de activiteiten van deze industrie nauwlettend te documenteren en stappen te ondernemen om de internationale connecties te beperken (Pallister, Steward & Lepper, 1987: p.100). Het behoort niet te verbazen dat Verwoerds opvolger John Vorster het bijzonder goed kon vinden met Oppenheimer, en voor Anglo American kon het bedrijfsleven gewoon weer doorgaan. Oppenheimer was echter niet de enige miljardair die belang had bij de moord op Verwoerd. De twee meest invloedrijke Zuid-Afrikaanse miljardairgezinnen zijn de familie Oppenheimer en de familie Rupert. Bij laatstgenoemde was de bioloog dr. Anton Rupert (1916 – 2006) de stichter van het Rembrandt en later Rothmans imperium geweest. Door sigaretten te produceren en drank te verkopen had Rupert zich omhooggewerkt tot industrieel van wereldformaat, en het imperium dat zijn zoon Johann Rupert later heeft afgesticht staat inmiddels bekend als de Richemont Groep, vervaardiger van luxe Zwitserse producten waaronder schrijfwaren als Mont Blanc en horloges als Panerai, Jaeger-LeCoultre, Cartier, IWC en anderen. Deze gezinnen hebben in gemeen allebei geaffilieerd te zijn met het invloedrijke Rothschild-Rockefeller netwerk van financiële instellingen, en Rupert die ooit lid was geweest van de extreemrechtse Ossewa Brandwag raakte bevriend met invloedrijke 203

Britten en Amerikanen, en was later lid geworden van de Council on Foreign Relations, ’s werelds meest invloedrijke linkse denktank. Ook hadden allebei heren in gemeen een eind te willen maken aan de presidentschap van Verwoerd, en vooral Anton Rupert wordt beschouwd als een belangrijke speler die achter de moord op Verwoerd zat. De daadwerkelijke moordenaar, een communist genaamd Dimitrios Tsafendas was enkele maanden werkzaam in Ruperts fabriek geweest en meende niet blij te zijn met Verwoerd, en ontving later opleiding tot huurmoordenaar in Griekenland waar hij blootgesteld was aan psychologische hersenspoeltechnieken om deze moord te kunnen uitvoeren. Na zijn vertrek bij Ruperts fabriek was hij nog van een salaris van dat bedrijf voorzien. Ook bundelde Rupert de krachten samen met krantenredacteur Piet Cillé om de “Verwoerd must go”(Verwoerd moet weg) campagne te loodsen. Cillé was immers redacteur van Die Burger, een krant die aan het Rupert imperium behoort. Na de moord meende Rupert: ”Het feit dat Verwoerd niet langer minister-president meer is, is het beste dat Zuid-Afrika nog is overkomen” (Ibid.). Onder druk van Henry Kissinger ondernam Vorster stappen om Verwoerds cordon sanitaire rond Zuid-Afrika – Mozambique, Angola, Zimbabwe en Namibië – af te breken en zorgde dat deze staten overgenomen konden worden door marxistische rebellengroepen. Vorster was ten tijden van de moord op Verwoerd minister van securiteit geweest en het was zijn ambtelijke taak ervoor te zorgen dat een dergelijke daad op een staatshoofd nooit mag gebeuren. Ook ontving hij een zwarte lijst met namen waar de naam van Tsafendas ook op verscheen, en mocht Tsafendas bij deze het land niet binnenkomen, laat staan nog bode worden in het parlement waar hij Verwoerd om het leven had gebracht. Dit impliceert dat Vorster deel vormde van het complot om Verwoerd te vermoorden, en Pretorius (1997) meent dat Vorsters latere alcoholisme een gevolg was van wroeging die hij aan deze betrokkenheid had overgehouden.

Naast de overeenkomsten tussen de Boerenoorlog en de antiapartheid bewegingen zijn er ook de nodige verschillen te bespeuren. Deze verschillen zijn subtiel maar de uitwerking ervan zijn machtig genoeg geweest om grote schokgolven in de wereldpolitiek te veroorzaken. Waar de Boerenoorlog wereldwijd voor verontwaardiging zorgde jegens Engeland, sloeg de antiapartheid beweging vanuit alle oorden in alle heftigheid toe. Vanuit diverse landen gingen stemmen op die de apartheid met opgelaaide gemoederen veroordeelde, ook al kon iedereen zien hoe de rest van postkoloniaal Afrika een moeilijke tijd tegemoet ging. Niet eens de ervaringen die de voormalige kolonisten verworven hadden over dat continent konden het sentiment tegen Zuid-Afrika verzachten. Dissidente geluiden werden meestal doelbewust uit 204

de schijnwerpers gehouden en hun publicaties werden verbannen of zeer beperkt en onopvallend gecirculeerd. Voorbeelden zijn het dagboek van Che Guevara over zijn ervaringen in de Kongo dat pas in de laat jaren ’90 door Fidel Castro werd vrijgegeven, en de Italiaanse film Africa Addio uit 1964 van Gualtiero Jacopetti waarin kenbaar gemaakt werd dat postkoloniaal Afrika geen utopie in het verschiet had liggen. De hele wereld was unaniem bezig de Afrikaner te belasteren en tolereerde geen nuance. Het is alsof het Britse Rijk zich over de hele wereld verspreid had en zijn blik op de politiek zeer succesvol had overgedragen met meer venijn en verve dan machtshonger imperialisten als Cecil John Rhodes en Lord Milner ooit hadden kunnen doen. Het paradox is echter dat in de tijd van de grote antiapartheid bewegingen was het Britse Rijk niet naastenbij zo machtig en invloedrijk meer als vroeger. Dit rijk was juist bezig ten onder te gaan, en niet alleen in de jaren ’80, maar veel eerder. Ter illustratie trachtte minister-president Margaret Thatcher de wereldmening over te halen niet al te vijandig tegenover Zuid-Afrika te staan vanwege diens anticommunistische bondgenootschap en zij werd bijgevallen door Ronald Reagan van de Verenigde Staten. Desniettegenstaande konden de persen en de diverse stichtingen over de wereld niet overgehaald worden hun toon jegens Zuid-Afrika te matigen. Het is alsof een onzichtbare kracht de sentimenten tegen Zuid-Afrika in leven hield en aan de lopende band propaganda maakte. Interessant valt te melden dat in 1974 hadden enkele lidstaten binnen de Verenigde Naties een motie geopperd waarin apartheid en het zionisme als misdaden tegen de menselijkheid moeten worden erkend. Onder druk van de Verenigde Staten werd het zionisme uit de motie geschrapt en apartheid bleef als enige over. Uiteindelijk werd apartheid voor misdaad tegen de menselijkheid verklaard door de communistische en derde wereld lidstaten van de VN. Geen enkel invloedrijk westers land had apartheid als zodanig erkend, ook niet westerse landen met een formidabel verleden van antiapartheid activisme zoals Zweden, Nederland, Frankrijk of Engeland. De VN ambassadeur van de Verenigde Staten Clarence Clyde Ferguson stelde dat de apartheid niet op deze wijze als misdaad tegen de menselijkheid beschouwd kan worden omdat deze misdaden zo ernstig van aard zijn dat zij nauwkeurig uitgewerkt en specifiek uitgelegd moeten worden onder bestaande wetgevingen. De behoefte om apartheid als misdaad tegen de menselijkheid neer te zetten bleef echter smeulen in de wereldpolitiek en wachtte op het juiste moment om weer op te vlammen. Dit moment zou aanbreken met de toetreding van de eerste algehele verkiezing in 1994.

Kort na bewindsovername door het ANC werd de Waarheids en Verzoeningscommissie opgericht met als hoofd de Anglicaanse aartsbisschop en Nobelprijswinnaar Desmond 205

Mphilo Tutu. Deze aartsbisschop – die in de jaren ’80 de zwarte huishulpen opgeroepen had hun blanke bazen te vergiftigen – werd om zijn moreel gezag aangesteld om de misdaden die begaan waren tijdens de jaren van blank bewind grondig onder de loep te nemen. Het was de bedoeling te achterhalen wat er gebeurd was, en bij een eerlijke biecht konden de overtreders in aanmerking voor amnestie komen. In sommige gevallen waren er verhalen naar buiten gekomen van serieuze mensenrechtenschendingen tijdens de jaren van blank bewind plaatsvonden, maar deze commissie ging uitermate tendentieus om met de belangrijkste gebeurtenissen. Rechtsgeleerde Anthea Jeffery kwam tot deze conclusie na een degelijk onderzoek in het eindverslag van deze commissie. In haar publicatie The Truth About the Truth Commission (1999) trok zij de feitelijkheid en overzichtelijkheid van de bewijzen in twijfel. Van de 21 300 verhoren die deze commissie behandelde was ruim 90% niet onder ede genomen en vrijwel geen enkele bekentenis werd onder kruisverhoor genomen. In circa 17 500 verhoren hadden de getuigen hun verhalen van mensenrechtenschendingen via anderen vernomen en niet persoonlijk meegemaakt en veroorzaakte dat het gros van de verhoren uit geruchten bestond. De vraag resteert of zelfs 100 van de 21 300 slachtofferverklaringen als feitelijke bewijzen kwalificeren. Het aantal aanzoeken om amnestie beliep 7 127 waarvan 1 340 grove mensenrechtenschendingen waren, maar tegen de tijd dat het verslag afgerond was waren slechts 102 aanzoeken verhoord en als accuraat bestempeld. Ruim 1 240 serieuze vergrijpen werden nog niet eens aangehoord ten tijden van publicatie. De Waarheidscommissie had de belangrijkste conclusies al getrokken over toewijzing van blaam terwijl 90% van de amnestieaanzoeken nog overwogen moest worden. Ook is gevonden dat van de 20 500 politiek gerelateerde moorden in de periode 1984 – 1994 slechts 8500 – minder dan de helft – door de commissie in rekening gebracht werd. Een andere tegenvaller voor de geloofwaardigheid van de commissie was de clementie ANC leden kregen bij hun amnestie terwijl andere politieke groepen als de Nasionale Party of de Inkatha Vrijheidspartij van de Zoeloes het onderspit moesten delven. De motieven achter de aanvallen die het ANC pleegde waren grondig en uitgebreid op ingegaan terwijl korte metten gemaakt werden met aanvallen die door de NP of Inkatha gepleegd werden. De rol die het ANC en het PAC speelden om een volkerenoorlog te ontketenen, met als resultaat 80 500 gewelddadige incidenten en 9 200 doden was voor de commissie geen reden tot een systematisch onderzoek geweest, terwijl andere massamoorden zoals bij KwaShange (13 Zoeloes van Inkatha terechtgesteld) helemaal buiten beschouwing werden gelaten. Dikwijls werd een verkeerd aantal doden genoemd bij bekende slachtingen en werden de bevindingen van rechters en onderzoekscommissies over slachtingen verkeerd overgedragen. In gevallen waar ANC 206

strijders aanvallen tegen de politie loodsten, waarvan de echtheid door gerechtelijk onderzoek bevestigd werd, meende de Waarheidscommissie dat de politie de aanvallers was. Tijdens een ander berucht incident rond Shell House in 1994 waarin ANC leden vanuit het Shell House gebouw (hoofdkantoor van het ANC in Johannesburg) op betogende Zoeloes van Inkatha begonnen te schieten waarbij negentien doden vielen, meende de commissie dat de betogende Zoeloes het vuur openden. Juridisch onderzoek bewees echter dat de leden van het ANC als eerst de trekkers overhaalden en niet de Zoeloes, maar deze bevinding viel op dove oren bij de Waarheidscommissie. Zelfs de bevindingen van de Commissie zelf werd niet gedegen door de gehele zitting behandeld, en eerder vermelde incidenten van geweld vanuit het ANC werd niet in acht genomen bij latere verhoren. Ten spijte van al deze onzorgvuldigheden concludeerde de Waarheidscommissie dat de apartheid een misdaad tegen de menselijkheid was, conform het standpunt van de communisten in de Verenigde Naties. Het verbaast niet dat de zeventien leden van de commissie grotendeels uit communisten, mensenrechtenadvocaten en liberale theologen bestond met veel pro-ANC sympathieën, en geen lid was sociaalwetenschappelijk of historisch opgeleid om de nodige kritische steun te verlenen aan de verklaringen. Ondanks de tekortkoming van sociaalwetenschappers in de commissie werden begrippen uit de psychoanalyse willekeurig in het eindverslag gebruikt – zoals de omstreden Autoritaire Persoonlijkheidstheorie van Theodor Adorno – om een verklaring te vinden voor het gedrag van de Afrikaners waarmee zij de apartheid gerechtvaardigd hadden. Het feit dat apartheid niet oorspronkelijk door de Afrikaners bedacht werd, maar door de Engelsen en later door de Nederlander Hendrik Verwoerd werd uitgebreid, was de commissie waarschijnlijk ontglipt. De grootste aantijging tegen de Commissie is dat geen enkel aanzoek om amnestie van de periode vóór 1966 werd ingediend toen Verwoerd nog leefde. Slechts in het tijdperk na hem, toen de langzame ontmanteling van de apartheid begonnen was, kwamen de amnestieverzoeken binnen waarmee de apartheid beoordeeld (of liever veroordeeld) werd. Zodoende had de Waarheidscommissie haar doel verloochend, en was niet bezig de apartheid aan zich te evalueren, maar juist de ondergang ervan. Deze tendentieuze wijze waarmee de commissie omging met Zuid-Afrikas verleden had waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld bij voormalig minister-president PW Botha om te weigeren voor de commissie te verschijnen. Zijn uitdrukking hiervoor was dat de Waarheidscommissie ‘een circus’ was met het doel zijn volk te schande te stellen. In weerwil hiervan het is de commissie gelukt de apartheid op te nemen in de Statuut van Rome van 2002 als misdaad tegen de menselijkheid.

207

Volgens deze statuut wordt de misdadigheid van apartheid gedefinieerd als een systeem waarin één rassengroep over een andere heerst middels discriminatie en segregatie gebaseerd op de volgende criteria (vrij vertaald): a) Het weigeren op het recht tot leven en vrijheid van een persoon door leden van een etnische groep door i) de leden van een rassengroep te vermoorden; ii) de leden van een rassengroep lichamelijke of geestelijke letsel toe te brengen, door inbreuk te maken op hun vrijheid of waardigheid of hen bloot te stellen aan marteling of wrede, onmenselijke of neerhalende behandeling of straf; iii) een lid of leden van een etnische groep of groepen willekeurig te arresteren en onwettig gevangen te nemen. b) Een doelbewuste inbreuk op de levensstijl van een bepaalde etnische groep met het geplande doel om zijn fysieke ondergang geheel of gedeeltelijk te bewerkstelligen. c) Enige wettige of andere middelen toe te passen om een bepaalde etnische groep of groepen te verbieden deel te nemen aan sociale, politieke, culturele of economische activiteiten van het land en doelbewust voorwaarden te creëren om de volle ontwikkeling van zulke groepen te belemmeren, meer specifiek om leden van een etnische groep fundamentele mensenrechten en vrijheden te weerhouden, waaronder het recht op werk, het recht om erkende vakbonden op te richten, het recht op onderwijs, het recht om te vertrekken naar en terug te keren van hun land, het recht op burgerschap, het recht op vrijheid van beweging en wonen, het recht op vrijheid van meningsuiting, en het recht op vrije groepering en associatie. d) Enige wettige of andere middel dat ten doel stelt de bevolking op te delen langs rassenlijnen door aparte getto’s of reservaten voor leden van een etnische groep te bewerkstelligen, het verbod op gemengde huwelijken tussen leden van verschillende etnische groepen, of het afpakken van land dat aan een etnische groep en zijn leden behoort; e) Het uitbuiten van de arbeid van leden van een bepaalde etnische groep, vooral door gebruik te maken van gedwongen arbeid; f) Vervolging van organisaties of personen door hen van hun fundamentele rechten en vrijheden te ontnemen omdat zij tegen de apartheid zijn.

Het is ironisch dat de apartheid in Zuid-Afrika zoals door Verwoerd werd ontwikkeld nauwelijks aan deze criteria voldoet. Een gewiekste advocaat die zich in de geschiedenis van dat land verdiept heeft kan vrij makkelijk argumenteren dat de bedoeling van Verwoerd was juist om de ongelijkheid tussen etnische groepen tegen te gaan door ieder zijn eigen 208

leefruimte, onderwijssysteem, cultuur en ondernemingen te ontwikkelen. Ook was tijdens de apartheid de bevolking van de Bantoe viervoudig toegenomen vanwege westerse invloeden. Criteria a en b worden hiermee niet gevonden op de Zuid-Afrikaanse apartheid, en zijn vandaag eerder op de blanken van toepassing. Criteria c is gedeeltelijk van toepassing op Zuid-Afrika. De Bantoevolkeren waren vrij binnen hun eigen gebieden hun cultuur te bedrijven en het werd zelfs aangemoedigd, en hoger opgeleide zwarte mensen waren aangemoedigd zoveel mogelijk hun kennis en inzicht over te dragen aan de leden van hun eigen volk. Beperkingen waren wel ingericht in blanke gebieden met het doel dit te verwezenlijken. Criteria d is eveneens gedeeltelijk van toepassing op Zuid-Afrika wat de indeling in reservaten betreft. De overheid had juist de niet-blanken in de steden naar andere gebieden verhuist om de getto’s op te breken en uit de handen van de criminele eigenaars te halen. Ook waren de reservaten niet opgericht door de toenmalige regering, maar waren de natuurlijke gebieden waar de Bantoevolkeren zich samen gegroepeerd hadden tijdens de Grote Verstrooiing en zijn in veel opzichten op eenzelfde manier gevormd zoals menig land in Eurazië. Criteria e geldt nauwelijks voor Zuid-Afrika en zoals aangetoond genoten ongeschoolde Bantoe een loon dat gemiddeld vijf keer hoger lag dan in andere voormalige koloniën. Arbeid onder de Bantoe was ook niet gedwongen geweest, maar in veel opzichten en economische noodzaak die evenveel voor alle bevolkingsgroepen gold, de blanken incluis. Bij criteria f kan vermeld worden dat het ontnemen van vrijheden en rechten vooral gold voor antiapartheid activisten die banden hadden met verboden communistische organisaties. Schrijvers als Nadine Gordimer, André P Brink, Alan Paton en Athol Fugard en politici als helen Suzman waren beroemd geworden in hun verzet tegen de apartheid maar waren nooit vervolgd geweest, hoewel Paton en Fugard door de politie nauwlettend in de gaten gehouden werden. Daar tegenover stond dat communisten als advocaat Bram Fischer 13 en filosoof Jeremy Cronin zich schuldig maakten door het verbod op het communisme te overtreden en werden gevonnist tot lange gevangenisstraffen.

Met deze incidenten in ogenschouw, de onophoudelijke acties tegen Zuid-Afrika, de motie in de Verenigde Naties en de bevindingen van de Waarheidscommissie begint het erop te lijken alsof de politiek steeds meer achter de schermen bestiert wordt door onzichtbare agenten terwijl de leiders van de machtige landen naar verhouding minder te vertellen hebben. Wie
13

Het is vreemd dat Fischer zich woedend uitliet in de rechtbank omdat hij, conform de wet, negentig dagen zonder verhoor gedetineerd werd vanwege zijn affiliatie met het communisme, maar tegelijk geen fout kon vinden met de goelags, schouwverhoren en massamoorden onder Stalins regime. Dit geeft aan dat de belangrijkste kopstukken tegen de apartheid ook geen wenselijk alternatief konden presenteren.

209

heeft überhaupt de macht om zulke moties door de VN te opperen? Wie kan een tendentieus orgaan als een Waarheidscommissie geloofwaardig achten terwijl het goed ontwikkelde Romeins-Hollandse rechtssysteem in Zuid-Afrika dat perfect in staat was zelf de misdadigheid van de apartheid te onderzoeken buiten rekening gelaten werd? Laat staan nog dat Zuid-Afrika in 1966 in Den Haag zich voor ’s werelds hoogste rechtbank moest verantwoorden en er schotvrij vanaf kwam14. Waar het communisme wereldwijd miljoenen doden op zijn kerfstok heeft zonder vrees van vervolging, werd het meest welvarende en stabiele land van Afrika op de pijnbank gezet. Met de eerste oogopslag lijkt er geen logica in deze contradictoire signalen te zitten, en dat noopt verder onderzoek naar de machten die de wereldpolitiek beïnvloeden.

Alvorens hiernaar gekeken gaat worden is van belang gebleken om even de aandacht op een ander land te richten dat een nationalistisch beleid nastreeft dat in veel opzichten soortgelijk is aan dat van Verwoerd, weliswaar zonder de etnische scheiding. Dit land heeft eveneens last van verkettering door de machtiger spelers en diens oppositiepartijen worden door hen geïnfiltreerd, voorlopig zonder resultaat, net als Verwoerd destijds. Om dit land en de internationale reactie tegen zijn beleid te begrijpen zal verder inzicht verlenen in de gedachten en processen die momenteel druk uitoefenen op landen die zelfbeschikking nastreven. Dit land is Wit-Rusland.

14

Ongetwijfeld was dit een belangrijk motief geweest om een Waarheidscommissie op te richten, aangezien de vrees bestond dat een rechtbank zich niet zou buigen naar de wil van een politieke partij.

210

Het geval van Wit-Rusland.
Er zijn weinig mensen die iets over de politieke situatie van dit land afweten, alleen dat Alexander Loekasjenko ‘de laatste dictator van Europa’ hier de scepter zwaait. Dit land bevindt zich ingesloten tussen Polen, Rusland, de Baltische staten en Oekraïne en is ongeveer de helft zo groot als Duitsland. Ondanks zijn middengrootte omvang van landen in dit gebied met en bevolking van 9,5 miljoen inwoners, is dit land niet gevrijwaard van aanvallen, hetzij economisch hetzij politiek en ligt op een geostrategisch gevoelig gebied. De meerderheid van de bevolking is Orthodox van geloof en het schrift dat gebruikt wordt is cyrillisch, anders dan in west Slavische landen als polen en Tsjechië die het Romeinse schrift kennen en het katholieke geloof als religieuze basis hebben.

In grote tegenstelling tot het beeld dat mensen van hem hebben, wordt Loekasjenko niet aangevallen vanwege zijn tirannie, maar juist vanwege zijn succes. Theoloog en historicus op de Slavische landen Matt Johnson (2011) maakte hier melding van. Een deel van de economie en de persen behoort aan de staat en de markt werkt op een systeem dat bekendstaat als een ‘sociale markt’, in tegenstelling tot het laissez faire kapitalisme dat men in het westen kent. Dit land richt zich op het oosten voor zijn economische toekomst in plaats van het ‘zieke’ westen. Tijdens het Sovjettijdperk was dit land een waardevolle deelstaat vanwege een goed opgeleide bevolking die zich op elektronica, benzinetransport en raffinering toespitst. Dit maakt het land erg strategisch en een bedreiging voor het falende westen. Op economisch gebied presteert dit land bijzonder goed en vult veel westers opgeleide economen eveneens met schaamte en afgunst. Waar het westen zware klappen moest incasseren tijdens de 2008 beursval, gaat de economische groei van Wit-Rusland ongekend door en is de snelst groeiende economie van de landen in de Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). Veel banken die hen betweterig adviezen gaven, staan ondertussen in de rij voor hulpfondsen terwijl de Wit-Russische banken beter presteerden dan al de banken in het westen, en zelfs hun kapitaalvermogen met 20% wist te vergroten in 2009. De economische groei stond in dat jaar op bijna 9%, even snel als China terwijl westerse economieën krompen. In 2008 stond de werkloosheid op 1%. Ondertussen kan dat land nog steeds gratis gezondheidzorg, opvoeding, sociale diensten, pensioenprogramma’s en diverse behuizingsubsidies bekostigen. Het Gini coëfficiënt, waarmee gelijkheid in inkomsten gemeten wordt, staat op 29,7 en is nog beter dan Frankrijk, de Verenigde Staten, 211

Rusland of Polen, en veel immigranten uit omliggende landen proberen dit land binnen te komen. Sinds zijn aanstelling in 1994 kan Loekasjenko rekenen op een populariteit die bij het westen ongekend is, en zelfs de onafhankelijke TNS Global Research Organization gebaseerd te Londen bevestigde dat zijn gewildheid tegen de 75% aan ligt. De regelmatige klachten tegen hem dat hij de verkiezingen zou vervalsen houden daarom geen stand. De oppositiepartijen zijn in de schaduw gesteld en zijn verdeeld en richtingloos, en zoals uit het documentaire Ploshcha: Beating Glass with Iron blijkt roept de oppositie niet op om Loekasjenko bij de stembus te verslaan maar om hem revolutionair omver te werpen. Zijn populariteit berust op zowel economische als culturele gronden. Op economisch gebied heeft hij gezorgd dat de nationale belangen van het land de hoogste prioriteit dient te genieten. Dit is mede als gevolg van de gebeurtenissen in de vroege jaren ’90. Kort na de val van het communisme in OostEuropa lieten de Russen en Oekraïners hun economie aan de marktwerking over, tezamen met adviezen van allerlei geleerden aan Harvard Universiteit, het IMF en het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het duurde niet lang of de belangrijkste staatsinstellingen belandden in de uitverkoop en de Russische en Oekraïense economieën werden vrijwel overnacht leeggeplunderd door de grote mogendheden, de maffia en diverse andere opportunisten en criminelen. Georganiseerde misdaad was eerder een norm dan een uitzondering geworden en het heeft een harde hand van Poetin gekost om zaken min of meer weer op orde te stellen. Het begrip ‘marktwerking’ in deze tijd is in ieder geval een eufemisme geworden om capitulatie aan de supermogendheden aan te duiden, aangezien deze grote spelers overal frontorganisaties en netwerken hebben om te zorgen dat zij beslag kunnen leggen op begeerde bedrijven, grondstoffen en landen, en dikwijls helpen criminele groeperingen eraan mee. Loekasjenko zag vroegtijdig de gevaren ervan in riep de privatisering een halt toe. Daarna stuurde hij het IMF het land uit en sindsdien heeft hij zijn reputatie gekregen als laatste dictator van Europa.

Wit-Rusland wordt gedreven door een ideologie die goed omschreven kan worden met de term “sociaal nationalisme”. Net als met Verwoerd vroeger, zitten de internationale mogendheden voortdurend plannen te bekokstoven om Loekasjenko uit het zadel te lichten. Dit verklaart waarom op 29 en 30 juni 2011 de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Hillary Clinton in Vilnius, Litouwen bij een vergadering van de “Community of Democracies” aanwezig was. Deze gemeenschap stelt ten doel activisten tegen bepaalde regimes op te leiden in internet en netwerkvaardigheden, om hun straks in te zetten voor 212

“democratische transitie”. In lekentermen gaat het over het infiltreren en destabiliseren van landen die zich niet willen openstellen voor het subversieve superkapitalisme. De keuze om deze vergadering in Vilnius te houden is niet toevallig. Slechts dertig kilometer verderop ligt de grens met Wit-Rusland. Brand (2011) meent dat van hieruit een Oranjerevolutie gepland wordt tegen dat land, en er zijn al aanwijzingen dat een omverwerping van de zittende regering gaande is. Er was bijvoorbeeld enkele weken voor de verkiezing van 19 december 2010 een aanzienlijk aantal metalen pijpen, granaten, geweren en springstoffen aan de grens onderschept door de Wit-Russische autoriteiten. Door opgehitste jongeren zover te krijgen dat zij in gewelddadige confrontatie met de mobiele eenheid verkeren is een belangrijke manier om de indruk te creëren dat zijn regime de bevolking in een tirannieke greep houdt en dat een noodzaak om van buitenaf in te grijpen gerechtvaardigd is. In werkelijkheid zijn de demonstranten studenten, enkele randfiguren en vooral ‘toeristen’ van buiten die het land met stokken en pijpen in de kofferbak van hun auto binnenkomen. Vrijwel niemand uit de arbeidersklasse doet eraan mee. Brand (2011) meldt dat in februari 2011 de overheden van Canada, de EU, de VS en andere Europese landen een gezamenlijk bedrag van 87 miljoen euro bij elkaar maakten (in een zogeheten “oorlogskoffer”) om een regimeverandering in dat land af te dwingen.

Het zijn echter niet alleen westerse landen die op dit land azen. In het oosten heeft WitRusland ook geen vrienden, en Rusland staat eveneens te popelen om beheer over te nemen van de belangrijke industrieën die dit land rijk is, deels gemotiveerd door hun eigen oliesecuriteit te garanderen. Rusland bezit 37% van Wit-Russische banken, en met deze hefboom heeft men geprobeerd de economie te destabiliseren. Door opeens Wit-Russische roebels massaal in de uitverkoop te doen om speculanten de schrik op het lijf te jagen, heeft veroorzaakt dat in de eerste helft van 2011 de inflatie opgelopen is naar 33% en werd de overheid gedwongen de munteenheid met 36% te devalueren. Dit zou ook veroorzaken dat Wit-Rusland bij het IMF zou moeten aankloppen voor een lening, en hier zouden de nodige voorwaarden verbonden aan een lening de overheid onder druk zetten de privatisering door te voeren, precies zoals de bedoeling is. Dit heeft aanleiding gegeven dat Wit-Russen in het buitenland menen dat het niet al te best meer gaat met de economie. Ondertussen heeft dat land een aantal ondernemingen verkocht, maar volgens de Wit-Russische wet moet in deze ondernemingen geïnvesteerd worden in onderzoek en ontwikkeling om te keren dat zij niet in onbruik raken. Ook mogen de modernisering en de omstandigheden van de werkers er niet onder leiden. 213

Het lijkt erop alsof de economie aan het stabiliseren is en tegen mei 2011 is een lichte surplus van 116 miljoen dollar in de staatskas genoteerd. Pogingen om verder druk op te voeren blijven echter niet uit, en de Wit-Russen zagen de olieprijs met 30% toenemen om alsnog een inflatie te creëren. De vraag is echter hoe lang Wit-Rusland deze mogendheden tegen kan houden, en straks dezelfde verdeel en heers tactieken ingezet gaan worden om dit land van binnenuit te verzwakken en op te delen. Omdat dit land blootgesteld wordt aan vijandige mogendheden en historisch hard heeft moeten vechten voor zijn vrijheid is bij de leiders eveneens de nadruk komen te liggen op het handhaven van de eigen cultuur. Met deze gedachte in ogenschouw luidt de officiële WitRussische doctrine rond ontwikkeling als volgt (Johnson, 2011): “Wit-Rusland heeft gekozen de weg te volgen van evolutionaire ontwikkeling en verwerpt de voorschriften van het Internationale Monetaire Fonds als schoktherapie en grootschalige privatisering. Over veel jaren van creatief werken is het Wit-Russische model van socioeconomische ontwikkeling opgericht – een model dat de voordelen van een markteconomie combineert met een efficiënte sociale bescherming. Ons ontwikkelingsconcept is uitgewerkt om rekening te houden met historische continuïteit en de tradities van volkeren. Het WitRussische model streeft ernaar om de bestaande economische grondslag te verbeteren in plaats van een revolutionaire breuk met het vorige systeem te maken. Het Wit-Russische economische model bevat overal elementen van continuïteit in de functionering van staatsinstellingen waar deze zich effectief bewezen hebben.”

Loekasjenko combineert hiermee de voordelen van economische vrijheid met een overheid die ervoor zorgt dat deze economische vrijheid niet slechts in de handen van enkele ingewijden valt. Zoals Johnson stelt vormt dit systeem een ‘derde richting’. Het kapitalisme en het marxisme hebben in gemeen een volledige ongelijkheid in machtsverdeling en rijkdom. In het ene systeem zijn de oligarchen in beheer en in het andere de Partij. Het uiteindelijke resultaat voor de gewone burger is hetzelfde.

In 2002 tijdens een kabinetsvergadering legde Loekasjenko zijn beleid wederom toe en wordt volledig geciteerd (idem.): “Wat zijn de onderscheidende kenmerken van ons model?

214

Eerstens een sterke en efficiënte overheid. De rol van de overheid is om de veiligheid van de burgers te beschermen, om sociale gerechtigheid en openbare orde te waarborgen en om te zorgen dat misdaad en corruptie niet uitbreidt. Slechts het sterke gezag heeft de WitRussische economie uit het economische moeras getrokken.

Onze buren hebben op den duur ontdekt dat als er geen sterke gezagshiërarchie is zal liberalisering van de economie in de transitiefase maatschappelijke instabiliteit en ongekende wanorde in de hand werken. Het resultaat is openbare weerbarstigheid.

Wat ons betreft, hadden wij een goed idee van het begin af aan dat een voorbarige uitbreiding van de markt ons niet in staat zal stellen om radicale oplossingen te vinden voor belangrijke problemen. Integendeel zullen nieuwe problemen ontstaan, aangebracht door de specifiekheid van de marktrelaties. Openbaar akkoord zal verbreken met conflict en instabiliteit als resultaat. Politieke stabiliteit is een van de belangrijkste voorwaarden voor een langzame integratie in de wereldeconomie. Dit noem ik één van de onderscheidende eigenschappen of consequenties van het ontwikkelingsmodel van de Wit-Russische economie.

Wij gaan ervan uit dat mentaliteit, tradities en gewoontes van mensen niet overnacht veranderd kunnen worden. Moeten zij überhaupt veranderd worden? Het is niet mogelijk om mensen onvoorbereid in de peilloze diepte van de markt te werpen. Men heeft decennia nodig om aan een nieuw wereldbeschouwing te werken.

Het tweede onderscheidende kenmerk van ons model is het feit dat het private sector kan en moet tezamen met het openbare sector ontwikkelen, maar niet ten nadele van nationale belangen. Ik benadruk: als je een particuliere eigenaar bent mag je niet doen waar je zin in hebt. Nationale belangen, de staat, dient het hoofdprioriteit te zijn en het hoofddoel van iedere burger, onderneming of ondernemer wier productie gebaseerd is op private eigenaarschap.”

Op eerste aanblik lijkt dit op partijretoriek of propaganda, maar heeft de economie gered toen Rusland en Oekraïne economisch de afgrond ingingen. In 2009, kort na de financiële malaise was het niet verwonderlijk dat Loekasjenko stelde:

215

“Wij zijn niet degenen die de crisis veroorzaakt hebben die over de hele wereld schokgolven maakte. Integendeel. De crisis is voortgekomen als gevolg van iets dat wij altijd vastberaden bestreden hebben.” (idem.)

Ondanks de positieve berichten van dit land, is het niet de bedoeling om het Wit-Russische regime op te hemelen of als ideaal te verkondigen, maar om de processen en eventueel resultaten aan te geven die achter een nationaal gebaseerde en internationaal gebaseerde economie liggen. Als nadeel van het Wit-Russische model kan gewezen worden dat ofschoon mensen binding hebben – of zouden moeten hebben – met hun eigen cultuur en komaf, heeft ieder mens een eigen persoonlijk waardesysteem. Voor sommigen zou de nadruk die Loekasjenko op ‘nationaal belang’ legt frustrerend kunnen werken en kan in de praktijk betekenen dat de eigen persoonlijke ambitie op een tweede plaats komt te staan. Dit conflict is op persoonlijk niveau soortgelijk aan het conflict tussen nationaal en internationaal. De belangrijkste vormgevers van grote beschavingen waren dikwijls de eenzame genieën, de uitvallers op school, de excentriekelingen of anderen die sterk individualistisch georiënteerd waren. Wanneer een politiek systeem te veel homogeniteit en conformiteit bevordert kan het aanleiding geven tot een situatie waarin andere stemmen niet gehoord worden die het gezonde karakter van het land verder had kunnen ontwikkelen. In het geval van Wit-Rusland betreft het echter relatief kleine volkeren die zich voortdurend moeten verzetten tegen grote mogendheden, soortgelijk aan de Afrikaners 15. Nationalisme, geloof, taal en instandhouding van traditie fungeren als basis voor solidariteit en vormt het beste bindmiddel om het voortbestaan van het volk te garanderen, en deze benadering is waarschijnlijk de reden geweest waarom de grote mogendheden in deze regio als Rusland en Oekraïne economisch ten onder gingen terwijl de kleine Wit-Rusland goed overeind bleef.

Zoals in het volgende onderdeel besproken zal worden, ziet Loekasjenko terecht dat ideologische kruistochten die vanuit de Verenigde Staten geloodst worden geen morele of humane ingrepen zijn, maar voorwendsels waaronder de macht van oligarchieën schuilgaan. Een belangrijk hoeksteen van zijn regime stelt dat de overheid geen recht heeft de economie en media op een totalitaire manier te regeren, maar ten tijden van onzekerheid en bedreiging
15

Wit-Rusland heeft in de Tweede Wereldoorlog ongeveer een derde van zijn bevolking verloren. De Afrikaners in Zuid-Afrika raakten een tiende van hun bevolking kwijt in de Boerenoorlog en tegenwoordig onder de ANCregering zitten tussen een derde en een kwart van hen in krottenwijken. Welzijnsorganisaties die zich over de Afrikaners buigen werden in maart 2005 door de ANC regering gedreigd met het stopzetten van subsidies als zij langer zich zouden inzetten voor de blanken.

216

heeft zij het recht haar stem te doen gelden. Een sterke overheid is niet hetzelfde als een tirannie, vooral niet als zij ingezet wordt om een ware tirannie buiten de grenzen tegen te houden die geen belang heeft bij de gezonde ontwikkeling van het volk. Hiermee herhaalt Loekasjenko hetzelfde gedachtegoed als Verwoerd rond de thuislanden, toen laatstgenoemde geen ongeremde ultrakapitalisme en investering in deze reservaten wilde toelaten.

Landen die willen vasthouden aan hun nationalistische cultuur en erfgoed hebben het zwaar de laatste tijd. Van hen wordt verzocht de knie te buigen voor de grote internationale mogendheden, hetgeen een tijdsgeest aanduidt waarin de politiek moet wijken voor economische belangen. Vooral in West-Europese landen is men jarenlang blootgesteld aan opvattingen, nieuwsberichten en beelden over de positieve eigenschappen over Europese eenwording, en heeft moeite om tegenwoordig goed te relativeren over wat er precies aan het gebeuren is. De actie van topambtenaren in de Unie, waarin het nationalisme tegengegaan wordt, zou enkele decennia geleden als een aanval op de soevereiniteit zijn geklonken en als oorlogsverklaring zijn overgekomen. De Unie verklaart in feite oorlog tegen haar samenstellende lidstaten teneinde zelf te overleven.

De strijd rond Wit-Rusland en Zuid-Afrika kan op eenzelfde manier verklaard worden, en vervolgens zal gekeken worden welke krachten achter de internationalisering zitten.

217

Internationaal
De processen die vervolgens besproken zullen worden lijken verdacht veel op complottheorieën en kunnen door sommigen ongeloofwaardig overkomen. Aangezien menig belangrijke politieke beslissing achter de schermen besproken wordt door machtige en invloedrijke personen zal het stuk niet volledig zijn als hier geen aandacht aan wordt besteed. President Franklin D. Roosevelt zei ooit dat niets in de politiek toevallig gebeurt, en de opkomst van de antiapartheid en communistische bewegingen in de twintigste eeuw staat in direct verband met de opkomst van het internationale financiële kapitalisme dat later zou ontwikkelen tot een nieuw soort monopoliekapitalisme. Dit zou vervolgens ook de drijfveer achter de Europese eenwording worden.

De volgende evolutionaire tendensen in de geschiedenis kunnen ietwat simplistisch als volgt samengevat worden: Waar de ontdekking van stoom als aandrijfmiddel aanleiding gaf tot de Industriële Revolutie kwam de eerste vorm van het moderne kapitalisme naar voren welke industriële kapitalisme genoemd kan worden. Het betreft de klassieke marxistische variant ervan met arbeiders die tot 16 uur per dag in een fabriek moesten werken tot het voordeel van een ander. Zoals de industrialisatie voortging en zich uitbreidde, kwamen verscheidene tekortkomingen naar voren die aangesproken moesten worden om niet de groei van de industriële ontwikkeling te belemmeren. De belangrijkste tekortkoming was het onderontwikkelde spoorwegnetwerk dat een cruciale rol begon in te nemen met de industrialisatie. Het probleem was dat de spoorwegeigenaars niet genoeg kapitaal uit hun winsten konden genereren om het netwerk voldoende uit te breiden om aan de aanvraag van vervoer te voldoen. Dit zou een enorme kapitaalinjectie vereisen die uit andere bronnen zou moeten worden verhaald. Vandaar moest er een nieuwe manier om kapitaal te genereren bedacht worden om in deze aanvraag te voorzien. Middels investeringen van banken werd deze kapitaalinjectie mogelijk gemaakt, en zodra een bedrijf een goede productie draait kon het geïnvesteerde kapitaal aanzienlijk in waarde toenemen. Tegelijk waren de banken (de aandeelhouders) in een positie beland om het beleid van het bedrijf te dicteren en het was niet ongewoon dat directeuren van een bank ook een zetel hadden op de bestuursraden van deze bedrijven. In Europa waren de spoorwegen hoofdzakelijk gefinancierd door de Rothschild geaffilieerde banken terwijl in de Verenigde Staten de Morgan bankfilialen de spoorwegen steunden. Samen kon worden gepland over de beste manier om allebei partijen, zowel het 218

bedrijf als de bank tot wederzijds voordeel te helpen. Niet alleen de spoorwegen, maar ook andere secundaire bedrijven begonnen heil te vinden in deze financieringsmogelijkheid, en de gewildheid ervan begon zich steeds verder uit te breiden over de verscheidene sectoren van de economie. Financiële instellingen begonnen gestaag meer macht en invloed te bekomen en in verbintenis te treden met andere instellingen zoals verzekeraars, adviesbureaus en uiteindelijk regeringen. De banken waren op een bepaald moment als een nodus in een spinnenweb en begonnen in verbinding te treden met veel andere bedrijven om zich heen. Zelfs overheidsinstanties die geld nodig hadden begonnen aan te kloppen bij de banken, en lieten op een bepaald moment belangrijke economische beslissingen aan de banken over. Door te stellen dat de banken meer ervaring hebben dan regeringslui over het reilen en zeilen van kapitaal in het land kregen zij de overhand op vele overheden en hadden zij zich in staat gesteld om het overheidsbeleid tot hun voordeel te dicteren, en dikwijls tot een rampspoedig nadeel van bedrijven of de overheid. Dit verklaart eveneens waarom nieuwe beleidsmanifesten van regeringen dikwijls faalden, aangezien de banken aan hun voordeel dachten en niet zozeer aan de anderen. Het bloeitijdperk van het financiële kapitalisme vond plaats in de periode 1850 – 1930 en het is niet verwonderlijk dat juist sinds deze periode het overheidsbeleid van verschillende landen kenmerkend regelmatig faalde. De scherpe observeerder had in deze periode kunnen vaststellen dat het beleid dat de verschillende overheden hadden overgenomen van de financiële adviseurs niet in het belang van de burger werkte, en niet eens in het belang van de overheid, maar gemanipuleerd werd door de particuliere banken achter de schermen. In dit verband stelde William Ewart Gladstone, secretaris van de Britse thesaurie in 1852 dat de overheid zelf niet een wezenlijke mogendheid was op financieel gebied, maar diende de geldmachten superieur te laten zonder vragen te stellen (Quigley, 1966). Zijn latere ambtgenoot Reginald McKenna stelde in 1924 aan de aandeelhouders van de Midland Bank waarvan hij voorzitter was dat de gewone burger het niet fijn zal vinden als hem verteld werd dat de banken geld creëerden, en dat zij het geldvoorraad van een land beheren ook druk uitoefenden op overheidsbeleid en het lot van de burgers in hun hand hielden. Dit belandde in een stroomversnelling toen afstand gedaan werd van het goudstandaard in de jaren ‘30 waardoor het geld geen ‘solide’ basis meer had. Deze gebeurtenissen, tezamen met de industrialisatie, de Eerste Wereldoorlog en de wereldwijde recessie waren tekens dat het financiële kapitalisme zijn hoogste tijd heeft gehad, en teneinde hun machtspositie te behouden hadden de zeven machtigste banken ter wereld de krachten gebundeld. Hun doel was om op een feodale wijze aan de top te blijven van het wereldkapitaal en hadden om deze reden de Bank for International Settlements (BIS) 219

opgericht te Basel, Zwitserland. Zij beseften dat hun macht aan het afnemen was en met deze schikking hoopten zij Londen als ’s werelds financieel centrum te redden, in samenwerking met financiële centra als New York en Parijs. Het was in feite een kartel om de toename van wereldwijde financiële centra onder hun beheer te krijgen (idem). De afschaffing van de goudstandaard heeft als bijwerking gehad dat sluwe kapitalisten manieren gevonden hadden om geld uit niets te creëren, waarvan de belangrijkste instellingen de verscheidene holdingbedrijven waren. Vanuit deze holdings was het mogelijk geworden om op sentimenten te spelen van de argeloze aandeelhouders door verschillende berichten naar buiten te brengen over de toestand van het bedrijf, hetgeen aanleiding gaf tot een fluctuatie in de waarde van de aandelen waar de ingewijden zich konden verrijken aan deze fluctuaties. Zulke tactieken zijn in principe illegaal maar in de praktijk zeer moeilijk om tegen te houden. Er worden gestaag op zoek gegaan naar nieuwe middelen om deze praktijken te stoppen maar het blijft moeilijk om nieuwe wetten te ontwikkelen16. Door gebruik te maken van tactieken om bedrijven van zoveel mogelijk aandeelhouders te voorzien waarvan sommigen stemrecht hadden binnen de onderneming en anderen niet is uiteindelijk de groei van het financiële kapitalisme ontaard in een nieuwe variant van kapitalisme, te weten het monopoliekapitalisme. Deze variant zou gekenmerkt worden door achterkamerpolitiek en economisch belang gemaskeerd als politiek belang.

Gedurende de jaren na de Tweede Wereldoorlog begon het monopoliekapitalisme steeds een prominenter rol in te nemen. Het geld dat tegen rente geleend werd om de oorlog te financieren vormde een extra meevaller waar de banken decennialang nog van zouden profiteren. Vooral landen als Zuid-Afrika dat altijd in de ban heeft gezeten van het ultrakapitalisme waren de uitwerkingen zichtbaar maar niet altijd begrijpelijk geweest. Dat kan gezien worden aan de gedaanteverwisseling die het Britse Rijk onderging, met trotse Engelse imperialisten die tot veler verbazing steeds vaker standpunten begonnen in te nemen die tegen de belangen van de Britse expansie ingingen. Waar het standbeeld van Cecil Rhodes fier op zijn sokkel stond in Salisbury (thans Harare) als symbool van de Britse wereldmacht, werd deze in de laat jaren ’70 omlaag getrokken en het land overhandigd aan machten die opvallend gekenmerkt werden door socialistische ingevingen, terwijl de Britse mogendheden dit als een teken van vooruitgang zagen. Monsters als Robert Mugabe en Idi Amin Dada werden door de Britten als grootse vrijheidsstrijders opgehemeld terwijl
16

Zelfs tegenwoordig worden op Wall Straat zulke vormen van handelen met voorkennis gedoogd en wordt slechts aan de bel getrokken zodra tientallen miljoenen opvallend uit de boeken verdwijnen.

220

Engeland zijn grip op deze landen begon te verliezen. Hiermee ging gepaard een hernieuwde opwelling van anti-Afrikaner sentimenten en verwijten, maar tegelijk stonden de Engelsen toe dat Zuid-Afrika uit de gemenebest kon stappen in 1961. De Afrikanernationalisten pikten dit signaal vroegtijdig op en was een belangrijke reden geweest voor de stichter van de Nasionale Party, generaal JBM Hertzog om te benadrukken dat zijn partij niet tegen de Engelsen gericht was maar tegen de geldmachten. Er was immers een groeiend aantal Engelsen dat deze verandering ook doorhad en heil vond in het beleid van de NP omdat deze mysterieuze transitie onbegrijpelijk overkwam. Waar vroeger de Engelsen met hun wereldrijk en volkskenmerken over veel landen heersten, werd deze verdrongen door personen en instanties die het socialisme als hoogste waarde aanhingen en een vrij dramatische ommezwaai inluidde die tot op vandaag hun uitwerking hebben. Het Britse Rijk werd verdrongen door een nieuwe, onzichtbare imperialist, te weten het monopoliekapitalisme. Dit imperialisme had geen land of koning aan de top, maar bestond uit een netwerk van internationale bankiers en intellectuelen die over grote delen van de wereld zitten en hun krachten hadden gemonsterd om het nieuwe rijk naar hun hand te zetten. Net als landen vroeger hun elite bankiers, vorsten en adviseurs gebruikten om hun macht uit te breiden, gebruikte deze nieuwe onzichtbare elite ook hun eigen adviseurs om veranderingen aan te sturen met een uitwerking die voor de buitenwacht moeilijk te achterhalen is. Deze veranderingen vonden ook hun neerslag in de traditionele cultuur van de verschillende westerse volkeren, en in toenemende mate stonden de persen, het universiteitsleven en politiek aan het hoofd van deze nieuwe ontwikkelingen. Carroll Quigley schrijft in Tragedy and Hope: “Er groeide in de 20e eeuw een machtstructuur tussen Londen en New York die diep in het universiteitsleven, de persen, en het uitvoeren van buitenlands beleid penetreerde”. Deze grote heren hadden van oudsher een regel dat zij zich niet al te veel in de schijnwerpers moeten begeven en zoveel mogelijk achter de schermen dienen te blijven. Zij gebruiken regeringsleiders, geleerden, beleidsmakers en diverse spindoctors om het praatwerk namens hen te verrichten. Ook is de modus operandi van deze mensen doelbewust in nevelen gehuld, hetgeen in hun voordeel werkt. Het publiek kan slechts intuïtief aanvoelen dat er grote schuiven in de wereld plaatsvinden, maar kan geen duidelijk beeld vormen over de precieze aard ervan. Zoals Quigley meende is het feit dat de wereld deze evolutie meemaakt op zich geen ramp, alleen stoort hij zich aan de geheimzinnige manier van hun werkwijze.

221

Een zichtbare manifestatie van deze transitie is de manier waarop het socialisme verleden eeuw is gegroeid en een geduchte tegenstander begon te worden voor mogendheden in het westen. Enerzijds is gebleken dat er veel macht en kapitaal in de handen van een kleine kliek te bespeuren viel. Hierdoor werd de roep om meer gelijkheid luider en dit heeft de linkse bewegingen hun huidige karakter gegeven als drukgroepen tegen uitbuiting en buitensporige zelfverrijking. Deze twee opponerende krachten kunnen goed in kaart gebracht worden door het dialectische procesmodel dat wij van Hegel geleerd hebben, namelijk these en antithese vormen samen een synthese. Ten eerste viel steeds meer kapitaal in de handen van een kleine groep (these). Dit werd tegengegaan met een roep om meer gelijke verdeling van het kapitaal (antithese). De vraag resteert nu over de synthese. Hoe zullen deze krachten opgelost worden in een nieuwe samenstelling? Het meest voor de hand liggende antwoord is dat de machten van het grote kapitaal zich zullen inspannen om meer gelijkheid te bewerkstelligen. De mogendheden die het grote kapitaal bestieren zijn ook de machten geworden die gelijkheid beheren. Deze tendensen lijken tegenstrijdig maar vormt de beste schikking om te garanderen dat de grote machten groot blijven. Als blijkt dat er veel arme en hongerige mensen zijn die de grote baas willen vernietigen is zijn enige redding ervoor te zorgen dat hij de meute onder zijn beheer krijgt met beloften van meer gelijkheid. Terwijl in socialistische gelederen de oproepen klonken om meer gelijkheid en een dictatuur van het proletariaat te bewerkstelligen, is de realiteit dat deze bewegingen massaal gesteund en gefinancierd werden door de machtigste spelers op het wereldtoneel. Socialisme is een instrument geworden niet om de grote machten in te perken, maar juist te dienen. Oswald Spengler schreef in Der Untergang des Abendlandes: “Er is geen proletarische, niet eens een communistische beweging die niet geopereerd heeft in het belang van geld, in de richting die het geld aangaf en voor zo lang het geld het toeliet – en dat terwijl de idealisten onder de leiders niet het geringste vermoeden hadden van dit feit.” (Spengler, 1926). Interessant is dat Spengler benadrukt dat veel leiders in de partij hier zelf niets van af wisten en aangaf hoe clandestien en invloedrijk de geldmachten te werk gingen. In soortgelijke termen stelt Quigley (1966: 692) dat: “Het dient erkend te worden dat de macht die deze energieke linksen uitoefenden niet hun eigen macht of communistische macht was, maar uiteindelijk de macht van de internationale financiële coterie, en, toen de woede en argwaan van het Amerikaanse volk gewekt werd zoals in de jaren ’50, was het vrij makkelijk om van deze Rode sympathisanten ontslagen te raken”. Quigley meent verder dat op dat stadium voor een generatie een internationaal Anglofiel netwerk bestond dat merendeels op eenzelfde manier opereert als extreemrechts meent het communisme werkt. Sterker nog, dit Anglofiele 222

netwerk, oftewel Tafelronde (‘Round Table’) ging geregeld met de communisten in zee. Op een meer cynische toon kan ook gesteld worden dat de grote financiële mogendheden socialistische ingevingen gebruiken om concurrentie te elimineren. Door aan de massa de ‘kapitalisten’ te identificeren is een goede manier om hun bedrijven onder staatsbeheer te plaatsen, terwijl de grote spelers deze staten de facto onder hun controle hebben en op deze wijze beslag leggen op het kapitaal dat ooit aan de concurrent behoorde. Het Rothschild dynastie is bijvoorbeeld rijk geworden door geld tegen rente aan regeringsleiders te lenen en heeft op deze wijze regeringen vrijwel ingepalmd, aangezien deze leningen over meerdere generaties terugbetaald moeten worden waardoor inkomsten voor de bank gegarandeerd wordt. Ook tegenwoordig kunnen wij een subtieler variant van hetzelfde proces identificeren, dankzij magnaten als Warren Buffett die een hogere belastingpremie van de rijke Amerikanen wist te ratificeren om de hoge Amerikaanse staatsschuld terug te dringen. Op het oog af lijkt het een nobel gebaar, maar er zit een adder onder het gras. Het verraderlijke deel van deze wetgeving is dat de rijkste Amerikanen allang hun kapitaal veilig ondergebracht hebben in diverse belastingvrije familietrusts, stichtingen en rekeningen waar de fiscus niet aan kan komen. Ter illustratie heeft de Rockefeller familie – de eerste miljardairs van de Verenigde Staten – een onbekend aantal belastingvrije trusts, maar de schattingen lopen uiteen van honderden tot in de tienduizend, en haar kapitaal vloeit regelmatig tussen deze trusts. Het behoeft geen nader uitleg dat de fiscus het somtotaal van deze rijkdom nooit kan achterhalen en waarschijnlijk niet de middelen tot zijn beschikking heeft voor dit grootschalige onderzoek17. Vervolgens druppelt dit verhoogde belastingtarief naar beneden naar de middenklasse en veroorzaakt dat degenen die gehoopt hadden in aanmerking te komen voor een verzachting van het belastingtarief uiteindelijk zelf opdraaiden om het gros van de belasting te betalen. Ferdinand Lundberg schrijft in The Rich and the Super Rich (1968):”Wat [de klassenbelasting] uiteindelijk werd was een sifon die geleidelijk aangebracht werd in de zakken van het algemene publiek. Opgelegd door populair gejuich als een klassenbelasting was deze in een jiujitsubeweging geleidelijk omgebogen tot een algemene belasting.” Dit geeft aan dat de opkomende miljardairs die het spel van de allerrijkste niet doorhebben de hoge belastingpremie voor hun rekening zullen krijgen en op deze wijze belemmerd worden in hun ambities om de bestaande magnaten van hun troon te stoten. Op een minder subtiele wijze dient het communisme hetzelfde doel.
17

Volgens een artikel in de North American Newspaper Alliance van 1967 wordt vermeld dat een lid van de Rockefellers in één jaar tijd slechts 685 dollar aan belasting had betaald.

223

Het is echter niet juist te beweren dat de superrijken alleen uit kwade motieven opereren. Veel van hen hebben groot belang bij de ontwikkeling van volkeren en armoedebestrijding, en hebben miljarden geschonken voor dit doel. Vooral later in de geschiedenis van het financiële kapitalisme was er een klasse van gewetensvolle superrijken naar voren gekomen die inderdaad een goede scholing gehad hebben in de klassieken en met een goed ontwikkeld gevoel voor deugd en integer optreden. De idealen die zij aangehangen hebben waren voor hun gevoel goed voor de behoeftige medemens. Om een dergelijk ideaal in de praktijk toe te passen komt echter algauw in aanraking met de werkelijkheid, met als gevolg dat het dikwijls niet geaccepteerd werd met de nodige oprechtheid of begrip. Vanwege het karakter van het socialisme als een geloof met een toepassingswaarde, kwamen er verschillende aanhangers ervan naar voren die uit overmoed geprobeerd hadden de grenzen op te zoeken van wat mogelijk is binnen dit systeem. Dit is onder andere waar het socialisme zijn glans begon te verliezen en van tijd tot tijd verviel in een grimmig en demoraliserend systeem.

Gedurende de twintigste eeuw was een deel van de bevolking in het westen fanatiek opgehitst om het communisme te vrezen en ontmaskeren, met een boze senator Joseph McCarthy die overal een ‘rooie’ zag. Sommige landen zoals de Verenigde Staten en Australië hadden zich militair ingezet in zuidoost Azië om het communisme een halt toe te roepen en een westers bondgenoot op dat continent te plaatsen, maar tegelijk vond er op hoog niveau intense onderhandelingen en samenwerkingsverbanden plaats tussen westerse en communistische organisaties. Niet alleen hadden Filantropische organisaties zoals de Ford Foundation en Carnegie Endowment for International Peace samenwerkingsverbanden ondertekend met de Sovjet Unie, maar de Bolsjewistische Revolutie van 1917 was niet mogelijk geweest zonder massale financiering van westerse banken en stichtingen. De Kuhn & Loeb bank van Jacob Schiff en de bankier Max Warburg vormden de belangrijkste geldschieters die de Oktoberrevolutie op gang zetten, maar daar bleef het echter niet bij. Historicus en econoom Anthony Sutton toonde aan in zijn werk Western Technology and Soviet Economic Development (1968) dat de grote industrieën die in de Sovjet Unie werden opgericht afkomstig waren uit het westen en betaald werden door de Amerikaanse belastingbetaler. Zoveel als 90 tot 95% van de industriële capaciteit van de Sovjet Unie kwam direct uit de Verenigde Staten, en deze industrieën vervaardigden onder andere wapens waarmee tegen de Amerikaanse troepen gevochten werd. De grote banken en kapiteins van de grote industrie waren in feite bezig hoogverraad te plegen door de vijand te steunen, maar werden 224

gevrijwaard van enige straffen omdat hun praktijen achter gesloten deuren bleven en omdat zij gezorgd hadden de wetten te omzeilen. De oorlog in Vietnam bijvoorbeeld stond niet officieel als oorlog te boek, maar als een ‘conflict’ teneinde beschuldigingen van hoogverraad af te weren. Ook hadden zij wettelijke sancties omzeild die de westerse landen verboden hadden wapens te verkopen aan communistische landen door het oorlogsmateriaal onafgewerkt te verschepen. Buskruit en explosieve stoffen waren verboden te exporteren naar de Sovjet Unie, maar de afzonderlijke ingrediënten ervan niet. Geweerlopen, trekkermechanismen en slaghoedjes waren verboden te exporteren, maar stalen en koperen buizen niet. Als dit materiaal eenmaal in het Oostblok aankwam was het kinderspel om alles op maat te snijden en in elkaar te schroeven. Het resultaat was dat duizenden doden aan weerszijden van het ‘conflict’ vielen. De gevreesde USSR was uiteindelijk ‘Made in the USA’ en de soldaten in Zuidoost Azië die de hoogste prijs ervoor betaalden waren de argeloze spelers in een spel om de macht van de wereldheersers verder te verstevigen. Dit kan herkend worden in de verhalen van veteranen van dit conflict dat zij uiteindelijk geen idee hadden waarom zij aldaar moesten vechten. De vijand was moeilijk herkenbaar en de Amerikanen hadden miljoenen Vietnamezen gedood zonder een werkelijk positief resultaat, en veroorzaakte een golf aan trauma bij hen. Voor de rijkste spelers der aarde is het bovendien voor honderden jaren beleid geweest om allebei partijen van een conflict financieel te steunen want op deze wijze kan de uitkomst beter bepaald en bijgestuurd worden. Bankiers als de gebroeders Harriman van Union Bank en de banken op Wall straat hadden zowel Stalin als Hitler financieel en diplomatiek gesteund. Om Allen en Abrahams (1972: 57) te citeren: ”Voor meer dan honderd jaar is het standaardpraktijk van de Rockefellers en hun bondgenoten om allebei zijden van ieder conflict te beheren.” Het schijnt alsof de Koude Oorlog die de wereld in zijn greep had voor meer dan dertig jaar grotendeels op een frauduleuze grondslag berustte. De grote geldschieters hadden niet alleen het communisme gefinancierd maar de tekens kan gevonden worden dat de belangrijkste ingewijden zich niets aantrokken van deze oorlogstoestand. Ter illustratie was Henry Kissinger verantwoordelijk geweest om de Verenigde Staten militair te verzwakken in de periode toen de expansie van de Sovjetleger groeide. Hij kon diplomatieke banden smeden met Mao Zedong, de grootste massamoordenaar aller tijden, had de bufferstaten rond ZuidAfrika aan marxistische regimes overhandigd om Zuid-Afrika beter te infiltreren, en was verantwoordelijk geweest voor het onttrekken van Amerikas militaire activiteiten in Zuidoost Azië. Ook in Engeland kunnen kleinschalige bewijzen gevonden worden voor een clandestiene samenwerking tussen deze rivaliserende mogelijkheden. Een bank als Wernher225

Beit die de Engelsen tijdens de Boerenoorlog financierde, gaf financiële steun om de socialistisch gezinde London School of Economics op te richten. Een organisatie als het ANC was volledig onder de invloed van communistische idealen en gedachtegoed geweest, maar toen Zuid-Afrika deze organisatie in de ban had gedaan had zij haar hoofdkantoor merkwaardig genoeg in Londen opgericht en niet in Moskou. De vooraanstaande ZuidAfrikaanse communist Joe Slovo was vaker in Londen te vinden en was goed bevriend geweest met Ralph Miliband, vader van de voormalige minister van Buitenlandse Zaken David Miliband. Ook wordt sinds 1995 aan Oxford Universiteit een jaarlijkse gedenklezing ter ere van de Zuid-Afrikaanse communist Bram Fischer (1908 – 1975) gehouden. Fischer had als Rhodes student aan deze universiteit in de jaren ’30 zijn advocatenopleiding voltooid en ontving later de Lenin Vredesprijs. Het is vreemd dat een baken van Brits imperialisme als Oxford een gedenklezing zal houden voor een stalinist van de eerste uur die geen fout kon vinden met de terreur die Stalin onder de bevolking had losgelaten. Waar vroeger Rhodes studiebeurzen uitgedeeld waren aan excellente kandidaten om Britse imperiale belangen te bevorderen, staan deze tegenwoordig in het teken van het bevorderen van socialistische principes. De gruwel die begaan was onder deze rode regimes zoals kannibalisme in Rode China, niet uit hongersnood maar uit jarenlange blootstelling aan wreedheid, wordt stil gehouden en beschouwd als iets dat in een ver verleden ligt18. De ideologie waaronder deze gruweldaden plaatsvond wordt echter voorgehouden als een baken van mensenrechten.

Er is duidelijk sprake van een bizarre evolutie die deze mogendheden ondergingen, vooral toen het communisme in Oost-Europa viel. Toen iedereen dacht dat Nikita Khroestsjov met zijn bekende “Wij zullen jullie onderploegen!” slagspreuk een bespottelijk karikatuur uit het verleden was, kan voorzichtig geconcludeerd worden dat hij wellicht niet helemaal ongelijk heeft gehad. Khroestsjov wist dat het socialisme zich in het westen zou manifesteren, misschien niet door revolutie, maar geleidelijk over een paar decennia. De machtstructuur in het westen begint steeds meer te lijken op die van de voormalige Oostbloklanden en sommige analisten hebben de Europese Unie vergeleken met een nieuwe variant van de Sovjet-Unie. De soevereine macht wordt uit de handen van de onderlinge volkeren genomen en centraal ondergebracht in Brussel. Net als de toenmalige Sovjet-Unie hebben EU topambtenaren een levenslange aanstelling en salaris, en kunnen politici uit de Eurolanden slechts enkele minuten spreekbeurt per jaar aldaar houden die uiteindelijk zeer weinig waarde toevoegen.
18

Een gedetailleerd overzicht van kannibalisme dat zelfs beloond werd met hoge posities in de ambtenarij kan gelezen worden in Stèles Rouges. Du totalitarisme au cannibalisme. (1999) van Zheng Yi.

226

Allebei systemen hebben als doel de ontmanteling van de natiestaten en om mensen samen te voegen onder een nieuw centraal gezag. De planning ervan was al decennialang op tafel. In de periode toen het monopoliekapitalisme zijn opmars maakte in de vroege jaren ’30, stelde historicus Arnold J. Toynbee: “Ik wil niet profetisch doen. Ik zal alleen bij herhaling melden dat wij tegenwoordig, discreet en met al onze macht, werken om deze mysterieuze kracht genaamd soevereiniteit uit de klauwen van de plaatselijke nationale staten te worstelen. En aldoor ontkennen wij met onze lippen wat wij met onze handen doen, want om inbreuk te doen op de soevereiniteit van ’s werelds nationale staten is nog steeds ketterij waarmee een staatsman of publicist – wellicht niet op de brandstapel zal belanden, maar wel degelijk uitgebannen en gediscrediteerd zal worden” (Toynbee, 1931). Waar vroeger de strijd heerste om een klasseloze mens te creëren is tegenwoordig het doel van de EU een ‘Europeaan’ te scheppen – een discrete manier om een in wezen volkloze mens aan te duiden. Waar in de Sovjet-Unie goelags bestonden om dissidenten uit de maatschappij te verwijderen of hardhandig van een heropvoeding te voorzien worden in het nieuwe systeem andere mechanismen als belastering en marginalisering gebruikt om deze stemmen tot zwijgen te brengen19. Het is ook niet verwonderlijk dat het gros van de aanvallen op rechtse populisten niet zozeer vanuit allochtone organisaties lijken te komen – hoewel hun rol niet verwaarloosbaar zijn – maar hoofdzakelijk van veel machtiger Europese leiders, aangezien zij ten alle kosten willen voorkomen dat nationalistische sentimenten weer opvlammen die de onderlinge staten eventueel weg kunnen sturen van hun project om de landen eerstens politiek en economisch te verlammen en dan samen te smelten. Voor de accurate observeerder zal opgevallen zijn dat de grootste ‘vijand’ van zowel de EU als de Sovjet-Unie inderdaad de natiestaat is. Een nationalist wordt zelfs gevaarlijker bejegend dan een kapitalist en het verbaast niet dat de belangrijkste tegenstander van nationalisme in het Europarlement – Daniel Cohn Bendit – bij communistisch gerelateerde groepen betrokken was, en de belangrijkste EU denktank, de Spinelli Groep, naar een communist vernoemd is. Om aan te geven hoe deze unies van toen en nu aan elkaar gerelateerd zijn, meldde de heer Cohn Bendit ooit dat degenen die zich niet aan de Europese Unie willen houden ‘geestelijk ziek’ zijn, en herhaalde hiermee een soortgelijke opvatting die tijdens de Sovjet Unie rond dissidenten heerste. De vraag verrijst aldus: Wat is de allure van het communisme of diens gerelateerde bewegingen? Met een verleden van extreme gruwel die tot op heden in landen als Noord19

Menig Amerikaan daarentegen maakt zich ongerust over de Federal Emergency Management Agency (FEMA) kampen die over het hele land opgericht worden die verdacht veel op concentratiekampen lijken.

227

Korea de dagelijkse realiteit is, blijft het op welke wijze dan ook de politiek te beïnvloeden en is anders dan de apartheid of het nationaalsocialisme nooit uitgeroepen tot misdaad tegen de menselijkheid (hoewel in het geval van de apartheid waren de communisten degenen die apartheid deze sanctie wilden opleggen). Wie heeft de macht om een honderd miljoen mensen om te brengen, honderden miljoenen anderen te martelen, uit te hongeren en te traumatiseren en geen juridische consequenties te vrezen? Het communisme bestaat uit een uitgebreide verklaring over de aard van de maatschappij en de belangen van de mens en heeft een groot aantal intellectuelen aangetrokken, maar wat precies het communisme is valt moeilijk te definiëren. Het communisme van Stalin was anders dan van Ho Tsji Minh, en van Josip Broz Tito weer anders dan Mao Zedong. Dan was er een breuk tussen het communisme van Stalin en Trotski, terwijl de Albanezen in het Joegoslavische gebied liever het communisme van Mao aanhingen dan buurman Tito. Deze bewegingen hebben meestal twee dingen in gemeen: Ten eerste zich in te zetten voor de arme en uitgebuite werkers en dat zij de macht aan de mensen willen geven, en ten tweede om te stellen dat het een onafwendbare maatschappelijke ontwikkeling is. Of dit is het beeld dat voorgehouden wordt van het communisme. Ofschoon het systeem gevallen van extreme armoede goed geholpen heeft, is het in werkelijkheid een manier om mensen te verwarren en in onderwerping te houden. Om te beweren dat communisme ‘onafwendbaar’ is, is een handige tactiek om weerstand af te breken bij zijn opponenten en hun op deze manier te verzwelgen. Allen en Abrahams (1972:11) definiëren het communisme accuraat als “Een internationale samenzwerende drijfjacht naar macht in het belang van mensen in hoge posities die enig middel zullen inzetten om hun begeerde doel te bereiken – globale overheersing”. Dit is ook de mening van historici Jung Chang en Jon Halliday over Voorzitter Mao. In hun groots werk over hem Mao: Het onbekende verhaal (2005) werd vermeld dat zijn belangrijkste drijfveer was niet om het leven voor zijn onderdanen makkelijk te maken, maar om ooit over de hele wereld te regeren. Omdat China een enorme grote bevolking heeft meende Mao dat hij het recht heeft zich niet aan Moskou te onderwerpen. Een goede indicatie hoe Mao en andere wereldheersers dachten wordt gegeven door socioloog Erik van Ree: ”De mensheid deelt zich in klassen. In de echte wereld regeert niet de goede wil maar het klassenbelang. Voor de egoïstische bourgeois is goed wat goed is voor hem. Zo moeten ook de arbeiders denken” (Van Ree, 1995: p. 482). Dit kan gezien worden aan de vijandigheid tussen Mao en Khroestsjov, aangezien allebei erom streden hun hoofdstad het centrum van internationale macht te maken.

228

Dit zou kunnen verklaren waarom het communisme nooit met de nodige afgrijzen wordt bejegend, aangezien de mogendheden die het communisme mogelijk gemaakt hebben dezelfde ambities koesteren van een wereldheerschappij bestaande uit een allesoverheersende kliek. Eveneens zijn de middelen die onder communistische landen ingezet werden om de bevolking onder beheer te brengen uiteindelijk dezelfde middelen die weldra over de hele wereld gebruikt gaat worden, met de Verenigde Naties als absolute beheerlichaam. Dit laatstgenoemde werd bevestigd door de voormalige minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten Madeleine Albright. In Congressional Digest van januari 1997 p.14 stelde zij :”De Verenigde Naties zijn een instrument dat wij gebruiken om de wereld minder inhumaan, minder gruwelijk en minder oneerlijk te maken dan het anders zou zijn. Dit brengt ons op een andere en belangrijke functie van de Verenigde Naties. En dat is hun rol om een globaal consensus te scheppen van wat goed en slecht is”. En van Erik van Ree hebben wij geleerd van het communisme dat: ”Eigenlijk hadden de leninisten geen moraal. Ze geloofden niet dat er zoiets als goed en kwaad bestond, maar alleen nut en schade voor de zaak. Hun tactiek was hun moraal. Ze waren hun eigen maat en alles was hen toegestaan”. Waar Albright haar woorden voorzichtig uitkiest, windt Van Ree er geen doekjes om, en dit lijkt uiteindelijk het enige verschil te zijn tussen het ultieme doel van de VN en dat van het communisme. Voor de gewone burger is het verschil vrijwel nihil, aangezien allebei organen, zowel de VN als de Komintern (de vroege internationale samenwerkingsorgaan van communistische landen) een soortgelijk doel nastreven, te weten het eroderen van bestaande kernwaardes van goed en slecht om deze te vervangen met een nieuw stel opgelegde waardes die uiteindelijk niet in het belang van de onderlinge volkeren zullen zijn, maar een belangennetwerk betreft van het superkapitalistische bourgeoisie. Aangezien verschillende landen uiteenlopende politieke tradities hebben, moeten verschillende middelen gevonden worden om uiteindelijk hetzelfde doel na te streven, en dit verklaart waarom het socialisme in westerse landen zich anders gemanifesteerd heeft dan in het oosten.

Een belangrijk verschil tussen socialistische mogendheden en de kapitalistische landen als de Verenigde Staten is de centralisatie of decentralisatie van macht. De Verenigde Staten hebben het voordeel gehad dat de stichters van de moderne VS de Grondwet opgesteld hadden juist om decentralisatie te garanderen, terwijl in de Europese landen dikwijls een traditie van autoritaire heerschappij al honderden jaren meegekregen hebben. Een land als Rusland heeft een geschiedenis van wrede despoten gehad en het monsterachtige optreden van Stalin wordt 229

om deze reden beschouwd als een uitvloeisel van de Russische geschiedenis. Een land als Duitsland daarentegen was over het algemeen niet gekenmerkt door een soortgelijk dictatoriaal bewind, waardoor het optreden van Adolf Hitler voor veel groter verbazing en onbegrip heeft gezorgd. Waar in communistische landen zoveel mogelijk macht en productie dient te berusten bij een kleine groep ingewijden, is van belang in het Westen dat zoveel mogelijk decentraal moet worden gedacht, en verscheidene instellingen in het land zou moeten zorgen dat niet te veel macht in de handen van een kleine kliek valt. Lord Acton wees op de gevaren ervan met zijn bekende spreuk dat macht corrumpeert en absolute macht absoluut corrumpeert. Vooral in landen met een gedecentraliseerde machtstructuur is voor een wereldheerser de beste manier om beheer erover te verkrijgen de langzame manier. Door geleidelijk de onderlinge structuren samen te doen smelten tot een nieuw geheel en de nieuwe klasse intellectuelen op te voeden met collectivistisch gedachtegoed en idealen kan zich langs deze weg een soortgelijk resultaat behaald worden zoals in de socialistische landen werd gezien. Dit is hoofdzakelijk de rol van de Fabian socialisten in het westen die ten doel hebben de persen, universiteiten en diverse machtsstructuren onopvallend langzaam over te halen naar socialistische principes en weg van de eigen cultuur en tradities die de verschillende volkeren de begeestering verschaft hebben te ontwikkelen. Het uiteindelijke doel is om de natiestaten te ontmantelen om een overkoepelend lichaam beheer te geven over de onderlinge volkeren. Tijdens een vergadering van de Bilderberg Groep zei Prins Bernhard in 1954: “Het is moeilijk om een volk dat nationalistisch werd grootgebracht opnieuw op te voeden met het idee om een deel van hun soevereiniteit af te staan aan een supranationale autoriteit.” (Estulin, 2007; Hatch, 1962). Dit helpt om de acties van de Eurocommissarissen in perspectief te stellen. Hun verzet tegen het nationalisme is een manier om de internationalisten te dienen, aangezien een verkapte strijd heerst tussen het nationalisme en het internationalisme. De Brits-Hongaarse econoom Peter Thomas Bauer aan de London School of Economics stelde eveneens in de vroege jaren ‘80 dat er een ‘onverklaarde, eenzijdige burgeroorlog zich in het westen’ aan het afspelen is (Bauer, 1981).

Deze ontwikkeling in de richting van het superkapitaal en tegen de natiestaat is de Verenigde Staten, ondanks de decentraal opgestelde Grondwet, niet gespaard gebleven. De voorbereiding ervan loopt nu ruim meer dan honderd jaar. In 1913 werd de Federal Reserve Act ondertekend met als doel een centrale bank op te richten die door het Amerikaans Congres zou worden bestierd. Gezegd werd dat deze stap nodig was om excessieve marktfluctuaties tegen te werken, zoals een schok op de beurs in 1907, maar had in feite een 230

tegenovergestelde werking teweeggebracht. Voordien hadden de Verenigde Staten geen centrale bank gehad, maar vier grote banken die in concurrentieverband zouden zorgen dat het monetair systeem gezond zou blijven functioneren. Na de ondertekening in 1913 viel deze bank niet in de handen van het congres, maar in de handen van deze vier grote ‘concurrerende’ banken die in feite een privé kartel waren. Dit had op een subtiele wijze eenzelfde centraliserende werking ten gevolg gehad. Charles Lindbergh senior, vader van de bekende piloot, stelde na deze ondertekening dat voortaan zullen alle economische depressies wetenschappelijk gecreëerd worden. Het gehele distributie van geld is in de handen van een klein groepje machtige particuliere bankiers gevallen en de vraag werd geopperd of de grote depressie van 1929 verzacht had kunnen worden als dit niet was gebeurd. Een gevaarlijk dilemma van een bank die niet in de handen van de overheid is, is dat het als enig ander bedrijf functioneert en concurreert. Een overheid heeft als topprioriteit om te zorgen voor het welbevinden van zijn burgers terwijl bij een bedrijf, vooral een financiële instelling, de voorkeur uitgaat naar winstbejag. Hiermee wordt duidelijk dat de Verenigde Staten als mogendheid aan zich geen ‘imperialistische mogendheid is die boze bedoelingen met de wereld heeft’ zoals weleens beweerd wordt, maar dat de macht van de Verenigde Staten wordt ingezet naar gelang van de bevordering van de machtige elite die achter de schermen opereert. Deze elite bevindt zich niet alleen in de Verenigde Staten maar bestaat uit een aantal bedrijven dat uit een trans-Atlantisch financieel netwerk is ontstaan.

Met de immer toenemende concentratie van macht in de handen van een kleine kliek, bestaande uit geldschieters en intellectuelen, en de roep naar meer gelijkheid manifesteerde zich een aantal ideologieën die zich gedurende de twintigste eeuw tegen elkaar zouden uitspelen met het communisme tegen het kapitalisme als belangrijkste voorbeeld. Toen het einde van de Koude Oorlog ingeluid werd en de volgende logische stap een volledig door handel gedomineerde wereld aan de dageraad stond, werd de weg gebaand voor de versoepeling dan wel afschaffing van de verscheidene landsgrenzen. Vooral van belang was de afschaffing van valutabeheer en een vrij verkeer van mensen, goederen en kapitaal, met als bedoeling dat de verscheidene landen zouden samengaan in een nieuw groter geheel. Hier profileert de EU als belangrijk voorbeeld en is in velerlei opzichten een voortzetting op het marxistische credo van de universele mens, doordat de ‘werkers van de wereld’ nu verenigd zijn. Aangezien de Europese geldeenheden samengegaan zijn in een nieuwe munt is daarmee het valutabeheer over de verscheidene landen afgeschaft en kan dit geld vrijelijk over de gehele Eurozone vloeien. Hiermee zijn de verschillende Eurolanden de autonomie over hun 231

munt kwijtgeraakt en wordt vanuit de Europese Centrale Bank de waarde van de munt beoordeeld. De onderlinge landen hebben in verhouding met vroeger minder te vertellen over de koers van hun beleid en de wijze waarop zij hun geld willen uitgeven. Iemand die zich bijvoorbeeld wil uitspreken over de waardering van zijn munt heeft te maken met een veel groter en trager bureaucratie die minder aandacht heeft voor iedere mening, en veroorzaakt zoals menig politicus heeft geopperd dat de Unie steeds meer autocratische neigingen toont. Vanwege het aantal stemmen dat onmogelijk niet allen aangehoord kan worden is een neiging naar een autocratisch systeem de enige manier waarop de Unie zich bij elkaar kan houden. Een sluimerend gevaar is dat dezelfde grote spelers achter de schermen hun meningen meer onzichtbaar door kunnen drijven. Op 11 november 2009 uitte Europarlementariër Mario Borghezio zijn ongenoegen hierover en stelde dat het lijkt alsof de belangrijkste leden binnen het Europarlement beslissingen nemen die niet in het belang van de volkeren van Europa zijn, maar van een ‘occulte’ groep over de hoofden van anderen heen, verwijzend naar de hoogste leiders die jaarlijks uitgenodigd worden om de Bilderberg Groep vergaderingen bij te wonen. Deze reactie van de heer Borghezio is des te meer betekenisvol aangezien deze geheimzinnige kliek zonder twijfel achterdocht en verdeeldheid zaait bij de andere leden, en met een verdeelde Europarlement is de volgende stap volgens het eeuwenoude recept overheersing.

Onder normale omstandigheden zouden deze potentiële gevaren van de EU reactie uitlokken bij andere landen om zich te herinneren aan de kostbaarheid van hun eigen autonomie, maar schijnt toch op dove oren te vallen. Een mogendheid als de Verenigde Staten lijkt zich onbewust te zijn van de politieke crises die zich kunnen voordoen wanneer te veel aan de soevereiniteit van verschillende landen gesleuteld wordt. In de week van 14 november 2011 heeft president Obama afgekondigd een samenwerkingsverband te smeden met landen in het Grote Oceaangebied, waaronder Japan, Nieuw Zeeland, Brunei, Chile en Singapore. Deze Trans Pacific Partnership (TPP) zou als doel hebben tegen de EU te concurreren en zou naar verwachting deze laatstgenoemde moeten dwergen. Met deze aankondiging kan verwacht worden dat deze opkomende nieuwe economische superstructuur weldra zal ontwikkelen in een politieke eenheid met een eigen parlement dat eveneens ten koste zal gaan van de onderscheidene landen, en hetzelfde verschijnsel begint te ontluiken waar de onafhankelijke landen aan zelfbeschikking zullen inboeten. Op soortgelijke wijze is er eveneens sprake dat de opkomende industrielanden Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika (de BRICSlanden) die sinds enkele jaren een samenwerkingsverband hebben ook over willen gaan tot 232

een gezamenlijke munteenheid. Op deze wijze gaat de wereld twee contradictoire stromingen tegemoet. Meer landen worden enerzijds samengesnoerd in nieuwe supersamenwerkingsverbanden en anderzijds worden de stemmen van de machtigere landen afgezwakt teneinde meer gelijkheid te creëren onder deze nieuwe unie. Het is vreemd dat een mogendheid als de Verenigde Staten niet dit gevaar inziet en ook geen lessen heeft getrokken uit de EU of de Sovjet Unie. De meest logische verklaring is dat het de bedoeling is om de wereld te verenigen, ten koste van de onafhankelijkheid van de afzonderlijke naties. Deze stap van de Grote Oceaanlanden kunnen beschouwd worden als een voortzetting op de economische evolutie van het monopoliekapitalisme. Zoals Carroll Quigley in Tragedy and Hope en Ferdinand Lundberg in The Rich and the Super Rich aangaven is er een neiging dat steeds meer macht en kapitaal zich in de handen van minder mensen concentreren. Vanuit deze nieuwe superstructuren kunnen de beheerders van het grote geld meer efficiënt beheer toepassen over het bedrijfsleven binnen verschillende landen terwijl de onderlinge overheden minder in kunnen brengen om hun bevolking tegen excessieve speculatie of wegvloeien van kapitaal te beschermen. Uiteindelijk is het ongedaan maken van de verscheidene landsgrenzen een functie om de superrijken te dienen, en is een schoolvoorbeeld van een klassenbelang dat aan de rest van de bevolking onjuist gepresenteerd wordt als iets dat de bevolking zelf dient, soortgelijk aan het communisme dat gebruikt werd om de ‘arbeiders te dienen’ terwijl de heersers zelf als de grote winnaars uit de bus kwamen en de onderklasse er min of meer bedrogen van af kwam.

Zuid-Afrika kan wederom in dit verband gebracht worden. De grote geldmachten stelden ten doel dat land met zijn buurlanden samen te voegen in een grotere economische eenheid. Het plan van de Rothschild- Rockefeller- Oppenheimer kliek in 1960 werd gepubliceerd in Washington Post van januari 1975 en de volgende doelstellingen kwamen naar voren:  Om een economische superregering in het zuidelijke deel van Afrika op te richten. De onderhavige regeringen zouden federalistisch worden.  Om de economieën van Angola, Malawi, Zambia, Zaïre, Zimbabwe, Mozambique en Zuid-Afrika samen te doen smelten.  Om Verwoerd als minister-president uit het zadel te lichten.  De vernietiging van Portugees koloniaal beheer in Mozambique en Angola.  Om het beleid in Zuid-Afrika te hervormen naar democratisch model

233

Vermeld dient te worden dat ‘hervormen naar democratisch model’ een manier is om de blanke minderheid machteloos te maken. Een democratisch ‘een man een stem’ beleid komt in de praktijk op een meerderheidstirannie neer, met een minderheidgroep die overgeleverd is aan de genade van de heerser. En dat is precies de bedoeling geweest.

Eenzelfde tendens om de grote mogendheden te nivelleren vinden wij niet alleen bij de EU en de Verenigde Staten, maar ook bij de Verenigde Naties. Het aantal staten dat is toegevoegd tot dit wereldlichaam, waaronder een aantal nietszeggende eilandjes als Vanuatu, Samoa, Fiji of Palau heeft geen meerwaarde anders dan om de macht van belangrijke staten als de Verenigde Staten en andere industrielanden te verwateren. De traditionele machtstructuren in de wereld ondergaan een transitie waar nationale belangen vervangen worden door internationale belangen. Een belangrijke indicatie hiervan is de manier waarop president Obama omging met een dispuut over illegalen in de staat Arizona. Terwijl het Amerikaanse rechtssysteem voldoende in staat is hierover te oordelen, besloot de president van de Verenigde Staten zich te wenden tot de Verenigde Naties. Hiermee heeft hij niet alleen zijn vertrouwen in het hoogste gezag van de Verenigde Staten geschonden, maar menen veel invloedrijke Amerikanen dat deze daad aan verraad grenst. Dit is in ieder geval een bewijs dat de vrijgevochten VS langzaam bezig zijn hun soevereiniteit prijs te geven aan een supranationaal beheerlichaam, terwijl de eigen economie erg verzwakt is geworden door de uitputtende oorlogen die gevoerd worden. Door deze oorlogen en staatschuld is de soevereiniteit van de VS ernstig in het gedrang gekomen en moeten zij steeds meer geld van andere landen lenen om staande te blijven.

Deze verschuivingen die zich vooral in westerse landen afspelen hebben ingrijpende gevolgen voor de plaatselijke bevolkingen. Niet alleen van buitenaf zijn zij onder druk komen te staan, maar ook van binnen. Door enerzijds nieuwe machtstructuren te omarmen en anderzijds minderheden met een vreemde cultuur toe te voegen heeft de westerse mens geholpen voorbij bestaande vooroordelen te kijken en tot nieuwe inzichten gebracht, maar het kost veel energie om al deze verwikkelingen te kunnen verwerken, voor zowel de nieuwkomer als de traditionele bewoner. De ontwrichtende gevolgen zouden aandacht moeten genieten, want ook al lijken zij aanvankelijk irrelevant, zijn zij in staat de maatschappelijke orde schade toe te brengen. De desintegratie van traditionele kernwaardes is een zichtbaar teken van verandering, en tegelijk de belangrijkste reden tot criminaliteit en maatschappelijk verval. Het lijkt ondenkbaar dat een afgelegen orgaan als de VN ooit een 234

bindende werking op hun leden zullen hebben zonder ingrijpende, draconische maatregelen toe te passen. Onder het mom van het respecteren van de diversiteit van volkeren en hun universeel belang te benadrukken zijn zij juist bezig deze diversiteit te ondermijnen door iedereen een kunstmatige waardesysteem en identiteit op te leggen. Door de grenzen te openen voor vreemdelingen die een andere cultuur in zich hebben helpt mee om de algemeen geldende normen van zedelijkheid van allebei culturen te verwarren, waardoor het “makkelijker” wordt om nieuwe van bovenaf bepaalde normen te indoctrineren. Om even te refereren aan de stelling van Samuel Huntington is universalisme een voorloper van imperialisme. In het westen zijn welvaart en criminaliteit navenant gestegen de afgelopen zestig jaar. Ter illustratie zijn, puberale hobby´s als comazuipen, drugsgebruik dat steeds met zwaardere middelen bedreven wordt, en uitdaging zoals hooliganisme ongehoord vroeger toen de regels en normen goed geïnternaliseerd waren. Deze toestand van anomie wordt verder verergerd door de invloed van de entertainmentindustrie waarin morele omverwerping heldhaftig wordt uitgebeeld. Mensen klagen tegenwoordig dat het leven zinloos lijkt en consultaties bij de psycholoog zijn eerder een norm dan een uitzondering geworden. De excessen van de consumentenmaatschappij en teloorgang van de zedelijkheid hebben geen geringe rol gespeeld om het westerse nihilisme te bevorderen. Belangrijk kan genoemd worden dat de zedelijke teloorgang in de maatschappij niet zuiver is ontstaan uit het consumentisme, maar is doelbewust over decennia heen in de cultuur verwerkt door verscheidene agenten en intellectuelen die het marxisme trouw waren. De belangrijkste denktank op dit gebied is de eerder genoemde Frankfurter Schule, die een cultureel marxisme in het westen bevorderde. Eén van de belangrijkste middelen die ingezet werd om structurele veranderingen in de maatschappij te creëren is de seksuele emancipatie geweest. Een trend die begonnen was bij Sigmund Freud en later door een lid van deze school, Wilhelm Reich (1897 – 1957) werd overgenomen heeft tot op ontologisch niveau geprobeerd om de aard van de mens te beschouwen in termen van deprivatie en behoeftebevrediging, en het is niet verwonderlijk dat zij allerlei argumenten, publicaties en onderzoeken loodsten om de normaalheid en gezondheid van seksualiteit te bevorderen. Een andere prominente seksuoloog indertijd was Alfred Kinsey (1894 – 1956), en zoals in Time Magazine van 1953 stond, meende Kinsey dat ‘de enige onnatuurlijke daad is degene die je niet kunt uitvoeren’. Voor Kinsey was geen enkele seksuele afwijking te vies en had zich naar verluidt aan ruim 800 kleine jongens vergrepen. Ook vond hij het niet erg allerlei voorwerpen in zijn urinebuis te stoppen en zich al doende te fotograferen (Jones, 2005; pp. 327 – 337). Voor een lange tijd kon hij zijn onderzoeken voortzetten op de kosten van de Rockefeller Foundation en 235

toucheerde uiteindelijk honderdduizenden dollar alvorens de opspraak rond zijn persoon te groot werd en de geldkraan dicht ging. Dit viel samen in de jaren ’60 toen de babyboomers tot wasdom kwamen, en met hun jeugdige energie en grote aantallen werden zij de perfecte gastheer geworden om het culturele marxisme jarenlang levend te houden en aan hun nageslacht over te dragen. Ook heeft de bekende pediater dr. Benjamin Spock hiertoe bijgedragen door ouders te ontmoedigen disciplinair op te treden en kinderen ruim baan te geven om hun eigen ontwikkeling te bepalen.

Een belangrijk sluimerend gevaar van de seksuele revolutie is dat deze onmiddellijke behoeftebevrediging ophemelde, en hierdoor zijn de maatschappelijke prioriteiten weggeschoven van de maatschappij naar het zelf. De rol van zedelijkheid in de maatschappij is om de kennis en identiteit van het verleden te combineren met het heden en over te dragen naar de toekomst, en seksualiteit is een belangrijke schakel in deze keten. Seks luidt een nieuwe fase in bij de betrokken partijen door een breuk met het gezin van oriëntatie (waarin een mens als kind is opgevoed) te veroorzaken en een verbintenis met het gezin van procreatie (waarin een mens de rol van ouder op zich neemt) te maken. Seksuele gemeenschap is niet alleen om man en vrouw te verbinden, maar ook één generatie met de volgende, en de traditionele zedelijke normen zijn ontstaan om te verzekeren dat deze aaneenschakeling gezond blijft. De vroegere taboe die heerste rond seksualiteit voor het huwelijk was mede bedoeld om het kerngezin bij elkaar te houden, aangezien deze instelling de allerbelangrijkste is in de samenleving. Slechts als het kerngezin gezond is kan een gezonde maatschappij gebouwd worden. De seksuele bevrijding heeft om deze reden een belangrijke bijdrage geleverd om de moderne ordelijke samenleving te ondermijnen door onder andere de geslachtsdaad van zijn speciale betekenis te onttronen. Freud en zijn kornuiten hebben deze eeuwenoude tradities losgewikkeld en de structuur ervan verketterd en vernietigd, vooral door aan de argeloze babyboomers te indoctrineren dat de oorlog, het fascisme, het nationaalsocialisme en dergelijke ideologieën veroorzaakt zijn door de ‘autoritaire aard van de westerse cultuur’. Wat Freud en zijn discipels in werkelijkheid gedaan hebben is om de orde van de ziel omver te werpen. In het westen is het concept van de ziel overgenomen van de Grieken, en zij identificeerde drie eigenschappen waar de ziel uit bestaat. Ten eerste de logos oftewel de rede, gevolgd door de ethos oftewel wilskracht en ten derde de pathos oftewel passie. Ter illustratie schrijft Plato in Faidros dat de ziel voorgesteld kan worden als een strijdwagen die door twee paarden getrokken wordt. Het ene paard is edel en gedreven om naar het goede te streven. Het andere paard is het tegenovergestelde en 236

streeft naar onheil en het slechte, en zij dreigen voortdurend uit elkaar te rennen. De paarden symboliseren de tegenovergestelde passies (pathos) in de mens, het hoofd van de wagenmenner symboliseert de rede (logos) en zijn borst en armen de wilskracht (ethos). Het is zijn werk om deze paarden (passies) bij elkaar te houden en zo goed mogelijk op de weg naar de waarheid te sturen. Hoe beter de wagenmenner dit voltrekt, des te hoger begint de wagen in de lucht te vliegen en komt hij dichterbij de absolute waarheid. Alleen de goden hebben wagens die door twee goede paarden getrokken worden. De volgorde van dit model van de ziel is belangrijk, namelijk dat de pathos ongebreideld is en moet met logos en ethos bestierd worden, met logos die de weg weet en de ethos die als tussenpersoon fungeert om de verschillende krachten bij elkaar te houden. In het systeem bedacht door Freud en vooral de culturele marxisten is de rol van de wagenmenner neergezet als autoritaire verdrukker en het paard dat naar het onheimelijke streeft wordt als goed (of slachtoffer) beschouwd. Een situatie is ontstaan waarin de logos niet meer over de pathos heerst, maar de pathos over de logos, het impuls over de bezinning, het onmiddellijke over het goede op de lange termijn. Zij hebben de orde omgekeerd. Zodra dit de norm van een samenleving wordt is het een kwestie van tijd of de hogere cultuurfuncties, de zelfdiscipline en persoonlijke opoffering eraan ten onder zullen gaan. 20 Voeg hierbij toe de minachting die de marxisten voor religie veroorzaakt hebben en de westerse civilisatie staat er veel zwakker voor dan in vorige tijden, vooral aangezien het geloof de belangrijkste culturele oriëntatie en persoonlijke drijfveer is die de mens kent. De nasleep van de Seksuele Revolutie heeft vandaag nog steeds een uitwerking op de westerse maatschappij. In landen met een grote mate van seksuele bevrijding zoals Frankrijk, de Scandinavische landen en elders is een afname in de bevolking te bespeuren, terwijl in conservatieve gemeenschappen zoals islamitische en orthodoxe joodse gemeenschappen is de demografische tendens positief. Ook onder de streng protestantse Amish in het noorden van de Verenigde Staten en Canada is de bevolking binnen een periode van zestien jaar verdubbeld.

Er is doelbewust een breuk gemaakt tussen de traditionele religieuze vestigingen die de moderne wereld ontwikkeld hebben en de externe manifestaties ervan, namelijk de wetenschap, welvaart, auto’s, radio’s, computers, internet, type infrastructuur en dergelijke. Noch de materialistische cultuur, noch de wetenschap van het westen is mogelijk geweest

20

Volgens Octave Mannoni in Freud: The Theory of the Unconscious (1971) zou Freud onderweg naar de Verenigde Staten hebben opgemerkt dat iedereen ‘onder de indruk is dat wij een panacee brengen, maar in werkelijkheid brengen wijde pest’.

237

zonder de ingevingen die langs religieuze weg is ontstaan, en hetzelfde geldt voor alle beschavingen. Ieder heeft zijn eigen wetenschap en cultuur die op eigen wijze ontwikkelt en terug te herleiden valt naar zijn religieuze fundamenten. De vroegere Arabische zeevaarders hadden complexe navigatie-instrumenten ontwikkeld hoofdzakelijk om te achterhalen waar Mekka ligt als zij op volle zee waren, en de astronoom Galileo maakte gebruik van de afmetingen van de hel zoals door Dante voorgesteld en ontwikkelde hierdoor een nieuwe vorm van wetenschap genaamd mathematische fysica. Het voornaamste verschil is dat de religieuze energie naar binnen is gericht en geeft een interne bloeifase aan, terwijl de civilisatie met diens uiterlijk vertoon de externe manifestatie is wanneer de religieuze en wetenschappelijke ontwikkeling een bepaalde staat van wasdom hebben bereikt. Van Oswald Spengler hebben wij geleerd dat zodra deze fase van civilisatie is aangekomen begint het religieus gezag af te nemen en nemen het rationele en juridische gezag de leisels over. Overal worden mensen naar de steden gelokt en geld en intellect worden de nieuwe heersers. Het is juist dit stadium van maatschappelijke evolutie waar de moderne analist zich mee bezig zou moeten houden. De rol van geld en intellect op de maatschappij zijn de belangrijkste motieven van de tegenwoordige politiek geworden. Erger nog, de werking van geld is dermate overweldigend in het westen dat het verschil tussen politiek en economie nauwelijks begrepen wordt. Quigley vermeldt dat dit de belangrijkste drijfveer was om Tragedy and Hope te schrijven en concludeert dat de twintigste eeuw niet voor te stellen valt zonder kennis van financiën. Menig leek denkt dat politiek de intellectuele zijde van geld is, en dit standpunt is in de tegenwoordige tijd niet helemaal onjuist. De economie zou in principe onderdanig moeten zijn aan politiek, maar paradoxaal genoeg is de politiek van tegenwoordig niet echt politiek, maar verkapte economische belangen. Een korte definitie van politiek is de kunst van het mogelijke, en economie betreft de productie en distributie van schaarse middelen. Veel politieke beslissingen in de tegenwoordige tijd zijn geneigd te falen omdat zij vanuit economisch perspectief benaderd worden. Aangezien de machtige financiële instellingen achter de schermen zich in de loop van de twintigste eeuw in de politiek genesteld hebben is het niet verwonderlijk dat er tegenwoordig geen goede politieke leider is zoals de wereld ooit gekend had. Net als in de analogie van de ziel volgens Plato – waar de wagenmenner in beheer zou moeten zijn van de strijdwagen – zouden politieke belangen moeten heersen over economische belangen. Spengler geeft goed aan hoe het verschil tussen politiek en economie eruit zou moeten zien door te stellen dat economie iets is dat in wezen naar het zelf stroomt terwijl politiek naar de anderen stroomt. Economische belangen zijn egoïstisch en politieke belangen richten zich naar anderen. Door slechts op de economische 238

dimensie te focussen schept een situatie waarin mensen niet meer vóór iets sterven maar vanwege iets. Politiek offert mensen op voor een idee. In het geval van een politieke ingeving als oorlog wordt het leven verheven door de dood, af en toe tot zoverre mate dat de blote kracht en energie die uit deze bewustwording spruit de overwinning garandeert. Op economisch gebied daarentegen meent Spengler hebben gehele volkeren de vitale kracht van hun ras verloren door de ellende van hun bestaan. De economie offert mensen niet op voor een idee maar laat ze bloot wegkwijnen. Bij economische belangen ontstaan een voortdurende honger die zich op het lelijke, het vulgaire, een geheel onbovennatuurlijk angstigheid voor het eigen leven richt, waaronder de hogere vormen van cultuur instort en de strijd om het beestachtige in de mens begint (Spengler, 2006: 400).

Een observeerder van deze tijd kan goed concluderen hoe economische belangen de overhand hebben gekregen de afgelopen decennia. Sommige politici in het Europarlement menen dat de EU opgericht is uit politiek belang. Door de krachten te bundelen zou een maatregel zijn geweest om de concurrentie tegen de Verenigde Staten op te voeren. Deze stelling is tot op een bepaalde hoogte geldig, maar ook hier geldt, zoals genoemd, dat de verhoogde vloeibaarheid van geld over de Unie zonder interne grenzen uiteindelijk een weg vindt naar de machtigste bedrijven. In werkelijkheid is het belang van uniewording een uitvloeisel van een evolutieproces dat het grote geld onderging, en de politieke leiders van de onderlinge landen functioneren hoofdzakelijk om niet de activiteiten achter het grote geld te verstoren. Een politicus die een mening durft te uiten die hier tegenin gaat door het belang van zijn mensen te benadrukken, kan gelijk rekenen op verwijten als nationalist, fascist of populist. De Unie symboliseert in wezen een overwinning van de geldmachten over de politiek, en ondertussen zijn de lidstaten geen soevereine natiestaten zoals vroeger maar ‘provinciën’ geworden van dit groter geheel. De andere mogendheden die samen willen smelten zoals de BRICS en de TPP landen beginnen ook hun ontwikkeling vorm te geven door te streven naar een gezamenlijke munteenheid, hetgeen een indicatie is dat economische belangen het voortouw nemen. Het is om die reden niet helemaal accuraat om te beweren dat een wereldregering op komst is zoals tegenwoordig geuit wordt. Het woord ‘regering’ impliceert een politiek orgaan terwijl het samenvoegen van landen in werkelijkheid uit economische belangen zijn ontstaan. Het is daarom beter te stellen dat er een wereld financieel bedrijf zijn opgang maakt in plaats van een wereldregering, iets dat spottenderwijs McWorld wordt genoemd. Deze ‘regering’ staat vrijwel geheel in dienst van dit bedrijfsnetwerk. Alle politieke ideologieën die van hieruit ontstaan hebben ten doel de economische processen niet 239

te verstoren, en worden gepresenteerd aan het publiek middels begrippen als wereldvrede, mensenrechten en democratie. Aangezien deze stappen rond dit doel zeer indirect en tactvol genomen worden en tegelijk vanuit verschillende invalshoeken worden genomen valt het niet meteen op, en worden mensen dikwijls bewust van wat er gebeurt als het te laat is om zich eraan te onttrekken.

De moderne mens bevindt zich in een situatie waarin op zowel geestelijk als politiek niveau afbreuk gedaan is aan zijn vermogen om weerbaar op te treden. Zijn politieke beleid is een holle frase geworden en hij moet zich tot uitputtens toe inspannen om economisch het hoofd boven water te houden. Hij moet toezien hoe zijn bescheiden pensioenfonds op de beurs verdampt en dat hij zijn levensstandaard van vroeger niet meer kan handhaven. Met iedere beursval neemt armoede toe terwijl de machtigste spelers de grote winnaars worden. Een beursval is eigenlijk een herverdeling van welvaart, maar vloeit van de have-nots naar de haves, en slechts degenen die een goed gevoel voor financiële marktwerkingen hebben kunnen zich tegen deze gevaren beschermen. De politieke vitalisatie is afgenomen, en het grootste gevaar dat hieruit kan ontstaan is dat opwellingen van een getraumatiseerd nationalisme zich meester kan maken van de volkeren van Europa en de wereld. Mensen hebben op een bepaald moment genoeg gehad van het doodlopende nihilisme van de kunstmatige consumentenmaatschappij en willen weer de pijnlijke opofferingen van de voorgeslachten gestand doen om niet in een inerte, identiteitloze toestand te vervallen. Vandaar wordt weer teruggekeken naar de eigen cultuur en tradities en opnieuw geleerd hoe vroeger geleefd en conflicten opgelost werden om het bestaan zinvol te maken. In tijden van crisis zullen bijvoorbeeld de Nederlanders terugkijken naar hun calvinistische erfenis, Amerikanen zullen gebruik maken van hun protestantse ethos en liberale democratie, ZuidAmerikaanse indianenstammen zullen de combinatie van hun katholieke geloof en heidense opvattingen van nog vóór de kerstening gebruiken om zich door de moeilijke tijden te helpen en oosterse volkeren zullen vanuit de boeddhistische leer lessen trekken om verleden, heden en toekomst zinvol te integreren. Volgens een onderzoek “Status of Global Mission 2012” van het International Bulletin of Missionary Research is het aantal atheïsten en ongelovigen de laatste paar jaren afgenomen en de verschillende wereldreligiën maken een opmars. Vermeld wordt dat het christendom het hardst groeit, en kan waarschijnlijk verklaard worden aan de hand van een terugkeer ervan na de val van het communisme in landen met een christelijke geschiedenis.

240

Een gezond een hoopvolle ontwikkeling is niet uit te sluiten onder dit model. Zodra genoeg volkeren over de wereld beseffen dat zij op eigen houtje, gewapend met kennis uit het verleden zich kunnen bevrijden van dit gevaarlijke economische moeras, kan langzamerhand de zeilen bijgezet worden om terug te keren naar het wezen van de eigen groep. Dit proces lijkt zelfs onafwendbaar. Om de dichter en filosoof NP van Wyk Louw te citeren: “Ek glo dat dit die krisis is waaruit ’n volk herbore, jonk, skeppend te voorskyn kom, hierdie ‘donker nag van die siel’ waarin hy gesê het: Ek sal liewer ondergaan as deur ongeregtigheid bly voortbestaan.”

241

Bijlage
International Human Development Indicators.

Bron: United Nations Development Programme: http://hdrstats.undp.org/en/countries/profiles/ZAF.html

242

Bronvermelding
Allen, Gary & Abraham, Larry. (1972). None Dare Call it Conspiracy. California: Concord Press. Barber, James. (1999). South Africa in the Twentieth Century. Oxford: Blackwell Publishers Ltd. Bauer, P.T. (1981). Equality, the Third World and Economic Delusion. Harvard University Press. Benso, 1982. Statistiese Oorsig van Swart Ontwikkeling, Deel 1, R.S.A. Selfregerende State, Pretoria: Benson, I. (1986). The Siege of South Africa. Journal of Historical Review, vol 7(1), pp. 520. Brand, Michele. (2011). Belarus Under Siege: Joint Onslaught by US and Russian Oligarchs. Internet: http://www.counterpunch.org/2011/07/08/belarus-under-siege Broberg, G. & Roll-Hansen, N. (2005). Eugenics and the Welfare State: Sterilization policy in Denmark, Sweden, Norway and Finland. Michigan State University Press: Michigan. p.108. Burdett, C. (2001). Olive Schreiner and the Progress of Feminism. Anthony Rowe Ltd: Wiltshire. p.163-164 Burns, A. (1948). Colour Prejudice. London: Allen & Unwin. Buro vir Ekonomiese Navorsing: Samewerking en Ontwikkeling, p.104, Deel 11, p. 54. Coleman, Max. (1998). A Crime Against Humanity: Analyzing the repression of the Apartheid State. Johannesburg: Human Rights Committee. Delpech, T. (2007). Savage Century: Back to barbarism. Washington: Carnegie Endowment for International Peace. De Villiers, Les. (1975). South Africa: A Skunk Among Nations. London: Tandem. van Dijk, R.A. (2001). ‘Voodoo’ on the doorstep: young Nigerian prostitutes and magic policing in the Netherlands, Africa (International African Institute), 2001, vol. 71(4) pp. 558586. Doubt, K. (2007). Scapegoating and the Simulation of mechanical solidarity in Former Yugoslavia: “Ethnic cleansing” and the Serbian Orthodox Church. Humanity and Society, vol 31(1), pp. 65 – 82. Du Plessis, JP. (2010). Viva Malema say attackers. www.iafrica.com. 12 april

243

Du Preez, PH. (2008). Apartheid: Misdaad of weldaad? Die ontstaan, verloop en einde van apartheid. Internet: http://apartheid.co.cc/?page_id=2 Eiselen, W. (1965). Die Aandeel van die blanke in Afsonderlike Ontwikkeling. Journal of Racial Affairs. Ellis, Stephen. (2011). Mandela, communism and South Africa. open Democracy. Internet:http://www.opendemocracy.net/stephen-ellis/mandela-communism-and-south-africa Esposito, J. & Mogahed, D. (2006). What Makes a Muslim Radical? Foreign Policy. November. www.foreignpolicy.com. Estulin, Daniel. (2007). The True Story of the Bilderberg Group. Oregon: Trine Day LLC. Fanon, Frantz. (2008). Black Skin White Masks. London: Pluto Press. Feinberg, H.M. & Horn, A. (2009). South African Territorial Segregation: New Data on African Farm Purchases, 1913 – 1936. Journal of African History, 50, pp. 41 – 60. Feinstein, C.H. (2005). An Economic History of South Africa. Cambridge: Cambridge University Press. Ferree, K. E. (2004). The Micro Foundations of Ethnic Voting: Evidence from South Africa. Working Paper No. 40. Afrobarometer. Jun. www.afrobarometer.org. Ford, Paul Leicester (red.). The Writings of Thomas Jefferson. New York: G.P. Putnam’s Sons, 1892-99. 10 vols. Frankel, Philip. (2001). An Ordinary Atrocity: Sharpeville and its Massacre. New Haven: Yale University Press. ISBN 978-0300091786. Furlong, P. (1991). Between Crown and Swastika: The Impact of the Radical Right on the Afrikaner Nationalist Movement in the Fascist Era. Johannesburg: Witwatersrand University Press. p.211. Gasset, Josè .Ortega y. (1950). De opstand der horden. ’s Gravenhage: H.P Leopolds Uitg. Mij N.V. Gibson, Nigel, C. Amandla is still Awethu: Fanonian Practices in post-apartheid South Africa. http://abahlali.org/files/fanon%20in%20south%20africa.pdf Giliomee, H. (2001). Letter to the Minister of Education Giliomee, H. (2003). Making of the Apartheid Plan. Journal of Southern African Studies. Vol 29 (2). Jun. Carfax Publishing. P. 385. Giliomee, H. (2003a). Die Afrikaners: ’n Biografie. Kaapstad: Tafelberg. Giliomee, H. (2005). Taal en die Afrikaanse Suid-Afrikaner se verantwoordelikheid. Internet: www.oulitnet.co.za/taaldebat. 29 september.

244

Giliomee, H. (2005a). Afrikaans 80. Internet: http://www.praag.org/opstelle83gil.htm . 21 november. Giliomee, H. (2007). Van Wyk Louw en MER se oorlewingskrisisse vir die Afrikaner. STILET. Jaargang XIX:2. Giliomee & Mbenga, 2007. New History of South Africa. Kaapstad: Tafelberg Giliomee, H. (2008). Die enigma van Hendrik Verwoerd: ’n Akademikus in die politiek. New Contree, No. 56. Giliomee, H. (2009). A Note on Bantu Education, 1953 to 1970. South African Journal of Economics, 77(1) March. Goodman, David. (1999). Fault Lines: Journeys into the New South Africa. California: University of California Press. Gordon, R.E. & Talbot, C. (red.). From Dias to Vorster: Source Material on South African History. 14881975. (Goodwood, S.A.: Nasou, n.d.) pp. 409-410. Gregan, S. (2003). Dr. HF Verwoerd: Monster of edelman? Internet: http://www.praag.org/opstelle50.htm Guevara, Ernesto “Che”. (2001). De Afrikaanse droom. De revolutionaire dagboeken uit de Kongo 1965 – 1966. Amsterdam: Van Gennep. Haggard, H.R. 1877. The Transvaal. Hammond, Peter. Fraud, failure & farce: An analysis of South Africa’s election ’94. http://www.christianaction.org.za/newsletter_uca/uca-artic_fraud_freedom_farce.htm Harink, G. (2002). “Abraham Kuyper, South Africa and Apartheid.” The Princeton Seminary Bulletin 23:187 Hatch, Alden. (1962). H.R.H. Prince Bernhard of the Netherlands: An Authorized Biography. London: G.G. Harrap & Co. Hawk, David. 2003. The Hidden Gulag: Exposing North Korea’s Prison Camps. US Committee for Human Rights in North Korea. Hickling, F.W. (2005). The Epidemiology of Schizophrenia and other common mental health disorders in the English-speaking Caribbean. Pan-American Journal of Public Health. OctNov; 18 (4-5): 256-62. Hook, Derek. (2004). Frantz Fanon, Steve Biko ‘psychopolitics’ and critical psychology. London: LSE Research Online. Horner, B. & Fredricks, I. (2005). Suicide rate among blacks hits new highs: Studies show that more blacks are taking their lives than ever before. Sunday Times. June 13 Horowitz, D. (1985). Ethnic Groups in Conflict. Berkeley: University of California Press. 245

Hunt, S. (2003). Turning the Tide of Violence in South Africa. The International Development Research Centre. 23 okt. Internet: http://www.idrc.ca/en/ev-45629-201-1DO_TOPIC.html#aaa Jeffery, A. (2010). People’s War: New Light on the Struggle for South Africa. Jonathan Ball Publishers. Johnson, Matt. (2011). Social Nationalism: The Political Thought of Alexander Lukashenko of Belarus. August 27. Internet: http://www.theoccidentalobserver.net/2011/08/socialnationalism-the-political-thought-of-alexander-lukashenko-of-belarus/ Jones, E. Michael. (2005). Libido Dominandi: Sexual Liberation and Political Control. South Bend IN: St Augustine Press. Kantor, R., Wallner, J.M. & Winder, C.L. (1953). Process and Reactive Schizophrenia. Journal of Consulting Psychology. Vol 17(3). van Ketel, S. (2003). Alles sal reg kom: Een kroniek van Zuid-Afrika. Den Haag: BZZTôH. Laing, R.D. (1959). The Divided Self. Landlau, L.K. (1975). The Cato Manor Riots, 1959-1960. Dissertation. M.A. University of Natal. Lionni, Paolo. (1993). The Leipzig Connection: The Systematic Destruction of American Eduaction. Sheridan, Oregon: Heron Books. Louw, N.P. van Wyk. (1971). Liberale Nasionalisme. Gedagtes oor die Nasionalisme, Liberalisme en tradisie vir Suid-Afrikaners met ’n Kulturele nadrup. Kaapstad: Tafelberg. Mager, Anne & Minkley, Gary. 1990. Reaping the Whirlwind: The East London Riots of 1952. Structure and Experience in the Making of Apartheid. History Workshop. Africana Library. Johannesburg: University of the Witwatersrand 6 – 10 February. Marais, J. (1990). Afrikanernasionalisme en die Nuwe Suid-Afrika. Pretoria: Strydpers. Marais, J. (1996). Nasionalisme. Toespraak voor die HNP-Jeugstrydaksie. 21 september. March Phillips, L. With Rimington. Marquard, L & Lewin, J. (1948). The Native in South Africa. Johannesburg: University of Witwatersrand Press. Mbeki, M. 2009. Architects of Poverty: Why Africa Capitalism Needs Changing. Picador Africa – Pan Macmillan. McKinley, D. & Veriava, A. (2005). Arresting Dissent: State Repression and Post-Apartheid Social Movements. Braamfontein: CSVR. M.E.R. (1972). My beskeie deel. Kaapstad: Tafelberg

246

Millar, R. (1993). Science and Society in the early career of H.F. Verwoerd. Journal of Southern African Studies, 19(4). Minnaar, A. (1994). Political Violence in South Africa. Journal of Theoretical Politics. Vol 6(3), pp. 389 – 399. Morris, M. & Hindson, D. (1992). South Africa: political violence, reform and reconstruction. Review of African Political Economy. Vol 19(53). pp. 43 – 59. Napier, J. L. & Jost, J. (2008). Why are Conservatives Happier than Liberals. Psychological Science. Vol. 19(6). pp. 565 – 572. Nederlands Dagblad (2003). “Verkiezingen Zuid-Afrika oneerlijk”. 12 februari. http://www.nd.nl/newsite/artikel.asp?id=23975 Neocosmos, Michael. (2008). “Politics of Fear and the Fear of Politics: Reflection on Xenophobic Violence in South Africa.” Journal of Asian and African Studies. Vol. 43 (6). Pallister, David, Steward, Sarah & Lepper, Ian. (1987). South Africa Inc. The Oppenheimer empire. Simon & Schuster. Pelzer, A.N.(red.) 1963. Toespraak voor die Suid-Afrika klub Londen, 17 Maart 1961. in Verwoerd aan die woord. Pretoria: Afrikaanse Pers Boekhandel. p. 63. Pelzer, A.N. (1966). Verwoerd Speaks: Speeches 1948 – 1966. Johannesburg: Perskor Pretorius, P.J. (1997). Sell-Out!: The Truth Behind the History of South African Politics. Putnam, R.D. (2007). E Pluribus Unum. Diversity and Community in the Twenty First Century. Scandinavian Political Studies. Vol. 30(2). pp. 137-174 Quigley, C. (1966). Tragedy and Hope: A History of the World in Our Time. New York: The Macmillan Company. Quigley, C. (1967). Changing cognitive systems as a Unifying technique in American studies. Letter to T. Leonard Mikules. Quinn, Andrew. (2002). “Things were better in the bad old days”. Internet: http://www.iol.co.za/news/politics/things-were-better-in-the-bad-old-days-1.98663 Rogers, Carl. (1961). On Becoming a person. Roodt, D. (2000). ’n Ope Brief. Internet: http://www.oulitnet.co.za/senet/senet.asp?id=245 Roodt, V. (2002). The Loss of the Human: Nietzsche and Arendt on the Predicament of Modernity. Ethical Perspectives. Vol 9(1). Peeters online Journals. Rudnick, H. (2002). Links Between Western Psychotherapy and Traditional Healing. Proefschrift. Johannesburg: RAU. Samkange, S. & Samgange, T.M. (1980). Hunhuism or Ubuntuism: A Zimbabwe indigenous political philosophy. Salisbury [Harare]: Graham Publishing. 247

Scholtz, L. & Scholtz I. (2008). Die ANC/SAKP en die USSR. Deel 1: Wêreldbeskouings. LitNet Akademies. Jaargang 5(2). Oktober Shannon, R. 1974. The Crisis of Imperialism 1865 – 1914. Londen. pp. 267 – 290. Smith, Nico. J. (1980). Elkeen in sy eie taal: Die planting van afsonderlike kerke vir nieblanke bevolkingsgroepe deur die Nederduits-Gereformeerde Kerk in Suid-Afrika: ’n histories-missiologiese analise en ekklesiologiese beoordeling. N.G. Kerkboekhandel. Smith, Stephen, (2003). Negrologie: Waarom Afrika Vergaan. Johannesburg: PRAAG. p. 147. Spengler, Oswald. (2006). The Decline of the West. Abridged Edition. New York: Vintage Books. Spengler, Oswald. (1926). The Decline of the West. New York: Alfred A Knopf. Vol 2: p.402. Steyn, A.F. & Rip, C.M. (1968). The changing urban Bantu family. Journal of Marriage and Family. Vol 30(3): 499-517. Steyn, J.C. (2002). Penvegter: Piet Cillé van Die Burger. Kaapstad: Tafelberg. Szasz, Thomas, (2004). Mental Illness: Psychiatry’s Phlogiston. Everything you know is wrong. New York: The Disinformation Company. p. 109. Tajfel, H. & Turner, J. (1979). An Integrative Theory of Intergroup Conflict. In Austin William, G; Worchel, S. The Social Psychology of Intergroup Relations. Monterey, CA: Brooks-Cole. Thomson, J.D.S. (2004). A Murderous Legacy: Coloured Homocide Trends in South Africa. SA Crime Quarterly. No. 7. Maart. Thorndike, Edward, L. (1906). The Principles of Teaching Based on Psychology. New York: A.G. Seiler. Toynbee, Arnold, J. (1931). The Trend of International Affairs Since the War. International Affairs. November, p. 809. TRC. (1998). Truth and Reconciliation Commission of South Africa Report. Vol. 3 Chapter 6: pp. 531-537. 28 October. Trewhela, Paul. (1990). Inside Quadro: End of an Era. Searchlight South Africa. No.5. July. Twenge, J.M. & Crocker, J. (2002). Race and self-esteem: Meta-analyses comparing whites, blacks, Hispanics, Asians and American Indians and comment on Gray-Little and Hafdahl (2000). Psychological Bulletin. May 128(3): 371 – 408. Van Ree, Erik. (1995). Wereldrevolutie: De communistische beweging van Marx tot Kim Jong Il. Amsterdam: Mets & Schilt Uitgevers. Vaque, Klaus D. (1988). Verrat an Südafrika. Varama Publishers. ISBN 0-620-12978-6. 248

Veling, W., Selten, J-P., Susser, E., Laan, W., Mackenbach, J.P., Hoek, H. (2007). Discrimination and the incidence of psychotic disorders among ethnic minorities in The Netherlands. International Journal of Epidemiology. May 21. Veling, W. (2008). Schizophrenia among ethnic minorities. ISBN 978-90-8559-344-7. Veling, W., Selten, J., Veen, N., Laan, W., Blom, J. & Hoek, H. Incidence of schizophrenia among ethnic minorities in the Netherlands: A four year First-contact study. Schizophrenia Research, Vol. 86, Issue 1, pp. 189 – 193. Veling, W., Susser, E., Van Os, J., Mackenbach, J.P., Selten, J-P., Hoek, H.W. (2008). Ethnic Density of Neighbourhoods and Incidence of Psychotic Disorders Among Immigrants. The American Journal of Psychiatry. Vol. 165: 66 – 73. Viljoen, C. Die onderwyskrisis in Suid-Afrika ten opsigte van Wiskunde- en Wetenskapsonderrig op skool: Die belangrikheid van moedertaal in hierdie vakgebiede. Internet: www.vryeafrikaan.co.za Watzlawick, Paul, (1963). A Review of the Double Bind Theory. Family Process. (2), pp. 132-153. Weaver, R.M. (1948). Ideas have consequences. De Wet, C. & Wolhuter, C. (2009). A transitiological study of some South African educational issues. South African Journal of Education. Vol.29 : 359 – 376

249

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful