You are on page 1of 101

Literatuur

Thema
Management
Economie en Recht
Literatuur thema management economie en recht EHB32

INHOUDSOPGAVE

1 Noordegraaf – De moderne economie als Juggernaut en de ‘verlegenheid’ van


de theologie .....................................................................................................................3
2 Klamer – Denken vanuit de oikos in vier sferen .............................................................15
3 Achterhuis – Schaarste, religie, economie .....................................................................25
4 Hybels - Moedig leiderschap..........................................................................................37
5 Flikweert - Eén vertrekpunt, één eindpunt, maar gescheiden wegen..............................47
6 Van der Vlies - Opdat zij één zijn ...................................................................................53
7 Kuiper - Volharden bij het ideaal ....................................................................................59
8 Van der Linden - ‘Ik ben een schuldig mens, mij komt niets dan narigheid toe’ ..............63
9 Interview met Roel Kuiper ..............................................................................................69
10 Van nederlaag tot identiteitscrisis...................................................................................75
11 Van Dijk - ‘Christenen moeten met de wapenen van de Geest strijden’ .........................79
12 Verkade - Recht is het woord van God...........................................................................85
13 De Blois – Contouren van het recht ...............................................................................89
14 Van Apeldoorn – Doel van het recht...............................................................................95
15 Bronvermelding..............................................................................................................99

1
Literatuur thema management economie en recht EHB32

2
Literatuur thema management economie en recht EHB32

1 Noordegraaf – De moderne economie als Juggernaut en de


‘verlegenheid’ van de theologie

1.1 De moderne tijd

Zowel in de bijbel als in de christelijke traditie komen economische vraagstukken volop aan de
orde. De scheppingsverhalen, de zogeheten Mozaïsche wetgeving met haar rechtsregels die
een rechtvaardige samenleving beoogden mogelijk te maken, de aanklachten en oproepen van
de profeten, Jezus' uitspraken over armoede en rijkdom, de apostolische brieven - zij bevatten
voor wie er op opmerkzaam is direct of indirect een veelheid aan voorschriften,
levenshoudingen en benaderingen die van belang zijn voor de sociaal-economische
verhoudingen en voor produktie en consumptie. Deze lijnen worden in een overigens
veelkleurige christelijke traditie doorgetrokken: van de door het hellenisme beïnvloede
kerkvaders, de middeleeuwse traditie tot de reformatie, waarin Luther, Calvijn, Zwingli en
andere reformatoren zich uitdrukkelijk uitlieten over economische vragen.

Met de opkomst van de nieuwe, de moderne tijd vanaf ruwweg gesproken de zestiende en
zeventiende eeuw zien we dat de christelijke traditie voor nieuwe vragen wordt gesteld, die tot
op vandaag aan de dag opgeld doen; misschien zelfs nog in versterkte mate nu er sprake is
van een verscherping van de moderniteit en sommigen zelfs van een volgende fase spreken,
het postmodernisme of de laatmoderne tijd. In steekwoorden weergegeven zijn enige
kenmerken van de moderniteit: differentiëring en arbeidsdeling (er ontstaan relatief zelfstandige
deelsectoren in de samenleving met eigen doeleinden, zoals economie, wetenschap, politiek en
technologie), rationalisering (het denken in termen van nut en van middeldoel), pluriformiteit
(verscheidenheid aan waarden, normen en levensoriëntaties) en individualisering (beklemtoning
van de waarde van het individu, het zich los maken van traditionele sociale bindingen). De
houding ten opzichte van de natuur is er daarbij een van beheersing en exploitatie.

Vooral de enorme (onderling verbonden) economische, technologische en wetenschappelijke


dynamiek heeft het gelaat van vrijwel de gehele aarde en de mensheid ingrijpend veranderd en
het productievermogen kolossaal vergroot. Het is dit bestel waarnaar de verderop nog toe te
lichten metafoor (overdrachtelijke uitdrukking) Juggernaut verwijst.
Hoe moesten kerken en christenen zich verhouden met dit bestel, waarvan de markteconomie
en de in particulier bezit zijnde productiemiddelen (kortheidshalve aangeduid als kapitalisme)
een kern element (en volgens sommigen zoals Marx, hèt kernelement ) vormden? Moreel wierp
dit al een belangrijke vraag op: de moderne economie en de haar schragende economische
theorie van het liberalisme stelde het motief van het eigenbelang centraal. Hoe verhield zich dat
tot de christelijke ethiek, die, bij alle verscheidenheid, gemeenschappelijk had dat zij de liefde
centraal stelde? Hoe moesten kerken en christenen omgaan met een sterk verzelfstandigde
economie, die niet meer door een hemels baldakijn overwelfd werd? Deze scheiding liep
bovendien niet tussen gelovigen en niet-gelovige, maar ook de christen was deelnemer aan
verschillende werelden. Negatief geformuleerd leidt dat tot een gefragmenteerd bestaan,
positief gezegd tot een veelkleurige identiteitsopbouw. Dat heeft tot gevolg dat de verbinding
tussen geloof en economie niet als vanzelf gegeven is, maar een zaak is die nadrukkelijk
reflexie behoeft wil ze mogelijk worden. Kerken zijn in het debat over de markt niet
vanzelfsprekende partners in het publieke debat over de moraal. Dat geldt voor veel kerkleden
en voor niet-kerkleden. Dat neemt niet weg dat er in het verband van de moderniteit zich
verschillende tradities gevormd hebben, die zich op uiteenlopende wijze verhouden met de

3
Literatuur thema management economie en recht EHB32

economie. Zij lopen uiteen van verwerping, correctie tot positieve bejegening. Alvorens daar
nader op in te gaan, halen we eerst nog de Juggernaut naar voren als typering van de context
waarin wij ons bevinden. Daarmee krijgen wij ook scherper zicht op de benaderingen en vragen.

1.2 Riding the Juggernaut

Het begin van de discussie ligt bij een metafoor: 'Ri ding the Juggernaut'. De metafoor verwijst
naar een dubbele discussie in de nieuwste tijd. Is de moderne markteconomie een uit zich zelf
bewegend wereldsysteem geworden dat alles verplettert dat op haar pad komt? En de tweede
vraag: wie of wat kan dit wereldsysteem sturen, wie of wat kan de Juggernaut berijden? De
staat, de sociale bewegingen, het geweten?
De Juggernaut is oorspronkelijk een gigantisch grote en zware wagen waarop een beeld van
Krishna geplaatst is. De wagen wordt voortbewogen door de handkracht van honderden
hindoes tijdens een religieuze processie in Puri en andere steden (India). Aan dit religieus
fenomeen is in het Westen de mythe verbonden· dat fanatieke gelovigen zich uit godsvrucht
onder de wielen van het gevaarte wierpen en verpletterd werden. De Juggernaut is in het
westen een bekende metafoor geworden. Men treft hem aan in de sciencefictionliteratuur en de
sociale wetenschappen. De bekende Engelse socioloog Anthony Giddens gebruikt het beeld
bijvoorbeeld in zijn boek The Consequences of Modemitl. Maar de metafoor verwijst ook naar
de naam van gigantisch grote vrachtwagencombinaties in Australië die dwars door de woestijn
razen en nergens en voor niemand stoppen, dwarrelend in het stof. Het berijden van zo'n
Juggernaut is overigens een fascinerend gebeuren. De metafoor roept ook associaties op met
de kolos op lemen voeten uit de joodse tradities, met de Moloch uit diezelfde traditie, het
verwijst naar apocalyptische beelden uit de christelijke tradities, het roept de beelden van Karl
Marx over het kapitaal als Moloch en fetisj in herinnering, maar heeft ook verband met de mythe
van Frankenstein en Terminator I en 11 uit de westerse filmtraditie. Dit meervoudige beeld
verdient een korte bespreking.

Karl Marx gebruikt het beeld van de Juggernaut in het eerste boek van Das Kapital (1867). In
het derde deel over de productie van de 'absolute meerwaarde' spreekt hij over de 'arbeidsdag'.
Hij schetst de lange arbeidsdagen van de loonarbeiders in de Engelse industrie aan het begin
van de 1ge eeuw. Met name spreekt hij over de kinderen die dagelijks 'onder het Juggernaut-
rad van het kapitaal' geworpen worden. Onder druk van buiten moesten de ondernemers in
1833 aanvaarden dat de dertienjarige kinderen niet langer dan acht uur mochten werken onder
de druk van dit Juggernaut-rad.
Verderop, in het zevende deel over het 'accumulatieproces van het kapitaal' gebruikt hij het
beeld opnieuw. Het moderne kapitalisme, zegt hij, gooit 'vrouwen kinderen' van de
loonarbeiders onder het Juggernaut-rad. Hier staat het beeld in het kader van de discussie over
de onophoudelijke en onstuitbare dwang van het moderne kapitaal tot verhoging van de
productiviteit. Deze dwang tot technologische vernieuwing, omwille van de winst van de
afzonderlijke onderneming, maakt alles aan zich ondergeschikt en gaat ten koste van de
individuele arbeiders, aldus nog steeds Karl Marx. Dit proces maakt de mens tot een
'aanhangsel van de machine', 'vervreemd' hem van zijn eigen arbeid. Het moderne kapitaal
wordt zo een Juggernaut. Het leven van arbeiders, zijn vrouwen kinderen worden verpletterd
onder de wielen van een onstuitbaar voortbewegend gevaarte.

Dit beeld is bij Marx verweven met een aantal andere beelden:
Baäl, het gouden kalf, Mammon, Moloch, fetisj, afgod. Al deze beelden bevatten een uit de
geschiedenis van de religies stammende metaforiek. Zoals vroeger de Goden/Afgoden een uit
zich zelfbewegend wezen waren, die absolute onderwerping en offers van mensen eisten, tot

4
Literatuur thema management economie en recht EHB32

en met het bloed van kinderen, zo is de moderne markt een nieuwe afgod, die zich evenzeer
tegenover de mensen verheft, zich zelf ziet als een 'albeweger' en die opnieuw mensenoffers
vraagt. Deze visie komt het scherpst in de bekende fetisjtekst van K. Marx aan het begin van
Das Kapital naar voren. Marx gebruikt met opzet een term (fetisj) uit de godsdienstwetenschap
en een term die voor het moderne, wetenschappelijke bewustzijn nadrukkelijk verbonden is met
de suggestie van achterlijkheid en barbarij. Marx provoceert de moderne burger. Wat jullie een
achterlijke eigenschap van 'wilden' vinden, namelijk dat ze geloven dat 'dode dingen' bezield
zijn en een leven bezitten (fetisj), dat is precies de centrale eigenschap van het moderne
industrieel kapitalisme geworden. Juist de waren op de markt met hun prijskaartje er nog aan
zijn de nieuwe fetisjen geworden van de verlichte burger. "Om een analogie te vinden", zegt
Marx, "moeten we kijken naar de nevelregio van de religieuze wereld. Hier lijken de producten
van het menselijke hoofd begiftigd te zijn met een eigen leven, het zijn zelfstandige en met de
mensen een relatie aangaande gestalten. Hetzelfde geldt voor de producten van de menselijke
hand. Dit noem ik fetisjisme die eigen is aan de arbeidsproducten, zo gauw ze als waar
geproduceerd worden. Dit fetisjisme is onlosmakelijk verbonden met een wapenproductie.

Het beeld van de Juggernaut komt ook voor in het werk van de Engelse filosoof Zigmunt
Bauman. Hij werd bekend met zijn boek over Modernity and the Holocaust (1989). Daarin laat
hij zien dat Auschwitz niet een barbaarse terugval uit de moderniteit is, maar innerlijk verweven
is met het paradoxale proces van modernisering in de westerse wereld van de afgelopen eeuw.
Nog niet zo lang geleden publiceerde hij het boek Ufe in fragments. Essays in Postmodern
Morality (1995). Daarin duidt hij een 'tweede twijfel' over de vooruitgangsideologie van de
moderniteit aan. Het economische wereldsysteem is inderdaad zeer succesvol, maar tegelijk
zijn de kosten in de Derde Wereld buitengewoon hoog. Daar, in de periferie, lijkt de
wereldmarkt, zegt hij, en hij verwijst naar het eerder genoemde boek van Anthony Giddens, op
een Juggernaut die alles wat voor haar wielen komt verplettert.

“Wherever the juggernaut has passed, know-how vanishes, to be replaced by a dearth of


skills; commofied labour appears where men and women once lived; tradition becomes an
awkward ballast and an costly burden; common utilities turn into under-used resources,
wisdom into prejudice, wise men into bearers of superstitions. Not that the juggernaut
moves of its own accord only, aided and abetted by the crowds of its future victims eager to
be crushed (though this is also the case; on many occasions one would be tempted to
speak of a Moloch, rather than a juggernaut - that stone deity with a pyre in its belt, into
which the selfselected victims jumped with joy, singing and dancing); it is also, once started,
pushed from behind, surreptitiously yet relentlessly, by uncounted multitudes of experts,
engineers, contractors, merchants of seeds, fertilizers, pesticides, tools and motors,
scientists in research institutes and native as weil as cosmopolitan politicians in search of
prestige and glory. Thus, the juggernaut seems unstoppab1e, and the impression of
unstappability makes it yet more unstoppable. From this 'development', 'naturalized' into
something very close to a 'law of nature' by the modern part of the globe desperately
searching for new supplies of virgin blood it needs in order to stay alive and fit, there seems
to be no escape."

Deze beeldspraak over het moderne kapitaal als een nieuw religieus wezen, dat mensenoffers
vraagt, heeft zich in de moderne theologie een vaste plaats verworven. Ze staat in het hart van
vele bevrijdingstheologie in Latijns-Amerika, met name bij iemand als Franz Hinkelammert (zie
het artikel van Erik Borgman in deze bundel).

Ook genoemd kan worden de Koreaans-Braziliaanse theoloog Jung Mo Sung en zijn boek Der
Götzendienst des Kapitals und der Tod der Armen (1989). De Franse socioloog Michael Löwy

5
Literatuur thema management economie en recht EHB32

heeft in zijn artikel Der Götze Markt (1996) zichtbaar gemaakt welke grote invloed deze lijn van
denken gehad heeft op de bevrijdingstheologie in de context van de Derde Wereld. Hij wijst ook
op het boek van Enrique Dussel Las metáforas teológicas de Marx (1993) over de principiële
betekenis van de fetisjanalyse van Marx vanuit het oogpunt van de bevrijdingstheologie. Maar
ook de 'economische theologie' van A. Th. van Leeuwen uit Nederland is doortrokken van deze
religieuze metafoor. Het moderne kapitaal, zegt hij, is een nieuwe afgod, die alle trekken
vertoont die vroeger aan de oude Goden toebedacht werden, tot en met de christelijke
triniteitsleer.
Het verschil is nu alleen dat deze nieuwe economische god niet meer in de hemel woont, maar
op aarde. (Zie de bijdrage van Hans Dirk van Hoogstraten). Op een andere manier doortrekt
deze radicale metafoor ook de theologie van U. Duchrow, die de inzet van kerken en christenen
tegen de vrije markteconomie tot een zaak van belijden ('status confessionis') wil maken (zie het
artikel van Noordegraaf). In deze theologieën uit de Derde Wereld en uit Europa heeft de
theologie vooral de functie van ideologiekritiek: zij ontmaskert de reëel bestaande 'verafgoding'
van de vrije markt, op het alledaagse vlak en in het gewaad van moderne economische
wetenschappen.

1.3 Het ‘berijden’ van de Juggernaut (1)

De beeldspraak 'Riding the Juggernaut' verwijst ook naar een andere discussie over het
moderne kapitalisme. Kunnen we de wereldmarkt ook 'berijden', 'temmen', 'sturen'? Kunnen we
de negatieve gevolgen van de moderne economie als Juggernaut, de dreigende verplettering
van mensen, voorkomen, zonder dat het marktsysteem als zodanig afgeschaft wordt? Deze
discussie is vooral gevoerd in sociaaldemocratische en christendemocratische kring.
De sociaaldemocraten stelden hun vertrouwen in de sturende werking van de democratische
staat als vertegenwoordiger van het algemeen belang. Via directe interventie van de staat kon
de allesvernietigende werking van de Juggernaut getemd worden. In deze traditie staan de
visies op socialisatie, het Plan van de Arbeid, de geleide economie, de verzorgingsstaat,
volledige werkgelegenheid, medezeggenschap, staatscontrole op de geldstromen enz.. De
economische analyse van J.M. Keynes in de jaren dertig was een wetenschappelijke
ondersteuning van deze politieke visie. In de grote crisis van de jaren dertig kwam deze
sociaaldemocratische visie sterk op de voorgrond te staan in het 'Plan van de Arbeid' (1935).

"De crisis heeft de volksovertuiging, waaraan het Plan gestalte geeft, de overtuiging, dat
ingrijpen van Staatswege in het economische leven in het belang van het gehele volk
geboden is, belangrijk versterkt. De roep om ordening, welke gaat door de rijen van
arbeiders, middenstanders en ondernemers, is sterker geworden door de crisis. De fatale
gevolgen van het niet-geordend zijn der voortbrenging in de bedrijfstakken doen zich thans
hevig gevoelen. De wil tot beheersing van het conjunctuurverschijnsel, de wil tot
crisisvoorkoming breekt zich evenzeer baan. Al vragen thans grote groepen in de eerste
plaats ingrijpen in hun eigen belang, toch beseffen zij zeer wel, dat ordening en ingrijpen
niet beperkt kunnen en mogen blijven tot hun eigen groep, wij van een werkelijke oplossing
sprake zijn.”

In christendemocratische kring bestond er een vergelijkbaar onbehagen, zeker in de crisistijd,


over de wijde werking van de vrije markt. Paus Pius XI spreekt in zijn encycliek Quadragesimo
anno (1931) zelfs van de 'dictatuur' van de markt’. Abraham Kuyper riep in 1891 al op tot een
'architectonische kritiek' waarbij de 'sociale kwestie' aan de orde gesteld moest worden: niet
enkel aalmoes, maar ook een grondige hervorming van het moderne economische systeem
Maar de christendemocraten hadden minder dan de sociaaldemocraten vertrouwen in een

6
Literatuur thema management economie en recht EHB32

directe interventie door de staat. Zij waren huiverig voor collectivisme en zagen in de sociaal-
democratische en vooral in de communistische traditie een vorm van totalitarisme verschijnen.
Tegelijk waren zij even huiverig voor een liberale 'nachtwachtersstaat', die enkel op de centen
paste en de law and order beschermde. In deze traditie passen de visies op subsidiariteit en
soevereiniteit in eigen kring, de visie op een christelijk geïnspireerde bedrijfsorganisatie, visies
op solidarisme, corporatisme, publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, op verantwoordelijke maat-
schappij, op het middenveld en sociale markteconomie. In dit boek worden deze visies in de
bijdragen van Saleminkj, Van der Wal en Balkenende uitgewerkt. Daarom wordt er hier niet
verder op ingegaan.

1.4 Het ‘berijden’ van de Juggernaut (2)

De beeldspraak verwijst nog naar een derde aspect. Het berijden van de grote
vrachtwagencombinaties, de Juggernauts, door het stof van de woestijn is een opwindende en
fascinerende gebeurtenis. Het organiseren van de religieuze plechtigheden waar de juggernaut-
wagen voortgetrokken wordt, het bouwen van grote godenbeelden, Mammon en Moloch, dat
alles is ook een opwindende en heilige taak van en voor bepaalde mensen. Er is in het Westen
een grote traditie van doen en denken die juist in het moderne kapitalisme een 'voertuig' van
welvaart, welzijn en geluk ziet. Het moderne kapitalisme met zijn geniale uitvinding, de vrije
markt (M. Friedman), heeft voor het eerst in de geschiedenis mogelijk gemaakt om armoede en
honger terug te dringen, zo niet op te heffen. Enthousiasme over de fantastische mogelijkheden
van de markt als sociale machine voor rijkdom productie, die zelfs het streven naar eigenbelang
als positieve brandstof weet te gebruiken, doortrekt de geschiedenis van het neoklassieke
denken en zijn moderne revival. Doordrenkt eveneens bepaalde tradities van het moderne
management -denken en het economisch beleid van een deel van de captains of industry. Deze
positieve waardering voor de economische Juggernaut weerspiegelt zich in de 'economische
theologie' van iemand als Michel Novak (zie het artikel van Salemink). Hij beschouwt de
uitvinding van het moderne 'democratisch kapitalisme' als een co-creation met God, een
voltooien van de schepping. Hij spreekt over een 'theologie van de onderneming'.

1.5 Vragen aan het eind van de twintigste eeuw

Het twintigste eeuwse debat over theologie en economie is sterk bepaald door de discussie
over kapitalisme en socialisme. Tot beide moesten kerken en christenen zich bijna
onvermijdelijk verhouden. De socialistische arbeidersbeweging (in al haar varianten van
sociaaldemocratisch, anarchistisch tot communistisch) en het communisme vanaf de Russische
revolutie noopten daartoe. Na de val van de muur en de teloorgang van het communisme
ontstond er in velerlei opzicht een nieuwe situatie, die zijn weerslag heeft in de hedendaagse
discussies, zoals uit meerdere bijdragen in deze bundel blijkt.

Een tweede cluster van vragen heeft te maken met de internationale verhoudingen en de
mondialisering (globalisering) van de economie. Of en in welke mate verwijzingen hiernaar
terecht zijn, bij voorstellen tot reconstructie van de economie worden ze gehanteerd. Ook
hiervan zal men zich rekenschap moeten geven. Specifiek voor de westerse samenlevingen is
het debat over de toekomst van de verzorgingsstaat, die niet los gezien kan worden van de
twee eerder genoemde ontwikkelingen. De reconstructie van de verzorgingsstaat (teloorgang
volgens sommigen) is een doorgaand proces, dat gepaard gaat met versnipperd genomen
maatregelen die echter als richting gemeenschappelijk hebben meer markt en bezuiniging. De
strijd daarover en de discussie over de verhouding tussen overheid, markt en individu zal nog

7
Literatuur thema management economie en recht EHB32

vele jaren aanhouden. Nieuwe vragen zoals (nieuwe) armoede en structurele werkloosheid
steken daarbij de kop op. Deze worden nog scherper als men ziet dat deze ook voortduren in
tijden van economische hoogconjunctuur en toenemende productie en welvaartsgroei.
Als prominent thema heeft zich nu op de politieke en maatschappelijke agenda geplaatst het
milieuvraagstuk en de daarmee samenhangende duurzaamheidsdiscussie.
De moderniteit is in haar intentie een emancipatieproject. Deze had de gehele mensheid op het
oog, maar beperkte zich vooral tot de burger. Daarom ontstonden nieuwe
emancipatiebewegingen, die ook hun invloed deden gelden op de benadering van de
economie. Te noemen zijn de arbeiders- en vrouwenbeweging, de gekolonialiseerde volkeren
en etnische en seksuele minderheden. In meerdere of mindere mate zien wij al deze punten
naar voren komen in het hedendaagse debat tussen theologie en economie.

1.6 Naar een typologie van theologische paradigma’s

In deze paragraaf brengen wij de verschillende modellen ('paradigma's') naar voren zoals wij
die in de theologie tegenkomen. We baseren ons daarbij op het dissertatieonderzoek van Aart
van den Berg dat verricht wordt aan de Universiteit Utrecht en de Vrije Universiteit in
Amsterdam. We maken twee opmerkingen vooraf.
Het gaat om benaderingen in de christelijke theologie. Daarmee gaan wij voorbij aan het
neonconfucianisme, het boeddhisme, de islam, het hindoeïsme, de Afrikaanse wijsheid en
allerlei 'nieuwe' vormen van religiositeit. Wij moeten ons hier alleen al om praktische redenen
bepalen tot de christelijke traditie. Wij willen dat echter uitdrukkelijk signaleren en het belang
onderstrepen van een interreligieuze dialoog ook over economische vraagstukken.
Een tweede opmerking vooraf betreft het woord 'economie'. Dit kan op verschillende wijze
gebruikt worden. Daarom is het van belang om teneinde spraakverwarring te voorkomen zich
goed bewust te zijn in welke zin men dit woord gebruikt. Economie kan betrekking hebben op:
- de economische orde (bijv. vrije markteconomie, gemengde economie, centrale
staathuishoudingen);
- het economisch beleid (van de overheid en sociale partners);
- de productie van bedrijven (dit is mede het onderwerp van de bedrijfsethiek );
- het economisch handelen van individuen en huishoudens (dat betreft in ons type
samenleving vooral de consumptie, maar er vindt vooral via onbetaalde arbeid ook
productie plaats);
- de wetenschap (daarbij zijn bijvoorbeeld de vaak impliciete vooronderstellingen zoals het
mensbeeld van belang.)
De hieronder te noemen theologieën hebben vooral betrekking op de twee eerste genoemde
punten (economische orde en beleid), maar alle punten hangen zodanig samen dat ze al snel in
elkaar overlopen. Maar, nogmaals, voor de helderheid is het wenselijk om te weten waar de
accenten liggen.

A) De theologische uitgangspunten
Veel kerken en christenen hebben zich de laatste eeuwen zeker 'vanaf begin tachtiger jaren in
talloze brochures, studies en verklaringen uitgelaten over economische onderwerpen zoals
armoede, werkloosheid, milieu, schuldenproblematiek en economische orde. Deze documenten
worden 'economisttheologische documenten (of boeken)' genoemd. Er zijn er vele.

Vanaf 1980 heeft de paus drie encyclieken geschreven over de economie, als onderdeel van de
-'sociale leer' van de rooms-katholieke kerk. De Wereldraad van Kerken laat regelmatig van zich
horen. De Amerikaanse bisschoppen hebben in 1986 een vrij bekende pastorale brief
geschreven. Vele protestantse kerken en talrijke bisschoppencolleges hebben economische

8
Literatuur thema management economie en recht EHB32

verklaringen en pastorale brieven het daglicht doen zien. Niet alleen in het Westen, maar ook ,
in Azië (bijv. Filippijnen), Afrika (bijv. Kameroen, Zaïre), Latijns f Amerika (bijv. Nicaragua,
Brazilië) en in Australië zijn er kerken en,' groepen van christenen die theologie en economie
met elkaar verbinden.
Ook de evangelische stroming spreekt zich uit over economische aangelegenheden. De
Orthodoxe kerken volgen schoorvoetend. Een belangrijk voorbeeld in Nederland van kerkelijk
spreken over economie is de geloofsbrief, De keerzijde van de economische medaille. Ook de
individuele christelijke auteurs laten zich niet onbetuigd. In dit boek vindt men in beknopt bestek
een aantal stromingen en personen behandeld.
In alle continenten en vanuit vele tradities is de laatste jaren een veelheid van geluiden op gang
gekomen, die haar weerga niet kent.
Een veelheid, omdat er verschil is in theologie, in de economische kritiek en in de economische
voorstellen. Ook is er een verschil in het gezag dat aan het spreken wordt meegegeven. Er kan
een sterke waarheidsclaim op het spreken liggen, terwijl andere een meer open benadering
hebben.
Men kan deze veelheid als een 'kakofonie' beschouwen. Een andere - meer positieve - wijze is
echter om het economisch theologisch debat te beoordelen als een essentiële zoektocht naar
gelovige aanknopingspunten in traditie en bijbel. Het debat wordt gevoerd en ontspoort
regelmatig, er zijn veel misverstanden, maar alle woordvoerders zijn gegrepen door de
zoektocht naar de betekenis van de bijbel en de traditie voor de economie en maatschappij,
naast de meer individuele zoektocht naar God en de persoonlijke betekenis van God in het
eigen bestaan. Wij prefereren te spreken van een zoektocht boven het gebruik van termen als
'kakofonie'.
Meningsverschillen en ver uiteenlopende standpunten zijn ook niet meer dan vanzelfsprekend
als we het terrein van de economische theologie bekijken. Naast de vele theologische
uitgangspunten, hebben de auteurs van deze documenten ook nog eens te maken met een
breed scala van ethische modellen uit de sociale filosofie, waaruit een verantwoorde keuze
gemaakt moet worden. En dan spreken we nog niet eens over de veelheid van gangbare
economische theorieën. Al met al zijn er nog al wat mogelijke uitkomsten. Wat de discussie zou
verlevendigen en verduidelijken is het expliciet maken van dergelijke aannames. Een aanzet
hiertoe geven we in het hierna volgende.

De Bijbel
Laten we een ogenblik stil staan bij de oorsprong van het theologiseren: de bijbel (al wordt de
interpretatie daarvan in meerdere of mindere mate bepaald door de traditie van het
christendom). Hoe komen de auteurs in hun documenten vanuit de bijbel bij de economie
terecht? Vijf Bijbelse thema's. keren met regelmaat terug in kerkelijke documenten: Gods
schepping, Gods rechtvaardigheid, Gods bevrijding, Gods liefde en Afgoderij. 'Elk van deze
thema's hebben betrekking op de economie. Tezamen vormen zij een economisch-sociale
interpretatie van de bijbel. We zullen over elk uitgangspunt kort iets vertellen.

Gods schepping
God heeft de aarde geschapen en de mensen naar zijn beeld. Tot dusver zijn de documenten
het met elkaar eens. Dan volgt er een gedachtesprong. Wat is de inhoud van dit beeld? Vele
kiezen voor een 'waardige mens'. De volgende stap is het vertalen van 'waardigheid' in
economische termen: de mens moeten kunnen werken, moet niet in armoede leven en zijn rust
hebben. En - radicaler -de mens heeft economische rechten, zoals huisvesting, voedsel,
beschutting, arbeid etc .. Vervolgens komen de documenten met puur economische voorstellen,
die van elkaar verschillen: de overheid moet werk scheppen, of juist niet: de markt moet
vrijgelaten worden, zodat werkgelegenheid ontstaat, enz ..

9
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Men interpreteert deze beelddrager van God ook wel als 'vrije mens'. God heeft de mens
geschapen met de mogelijkheid goed en kwaad te doen. En ook hier gaan de documenten
direct al uiteen. De een zegt dat het kapitalisme de beste garantie voor vrijheid is, de ander -
wijzend op het feit dat vrijheid niet ten koste van een ander mag gaan - komt uit op een sociale
markt economie. En zo zijn er nog enkele andere mogelijkheden om het beeld van God in te
kleuren. God is goed, dus is de mens in principe goed; God schiep 'iedereen' naar zijn beeld,
dus moet de mens zich niet al te individualistisch gedragen, maar rekening houden met het
maatschappelijk verband.

'God heeft de mens geschapen naar zijn beeld' is echter slechts één aspect van de schepping.
Om nog een voorbeeld te geven: De mens heeft een opdracht meegekregen, namelijk om te
heersen over de vogels en de vissen enz .. Vooral bij protestantse documenten (bij rooms-
katholieke zelden) is het besef groot dat een verkeerde theologie een bijdrage heeft geleverd
aan de uitbuiting van de aarde en zij spreken zich hierover berouwvol uit. De mens heeft in
plaats van de aarde zorgvuldig te 'bewerken en te bewaren', de aarde uitgeput en gedomineerd.
De gegeven opdracht is een directe verwijzing naar de economie. De mens is een rentmeester
(onder God) over de economie en soms zelf een 'mede-schepper' (met God) als hij zijn gewone
werk doet of als hij meehelpt aan de economische ontwikkeling van een samenleving. Maar ook
hier gaan de wegen al direct uiteen. Wordt de mens een mede-schepper in het werk van God
genoemd dan wordt de opdracht tot werken en ontwikkeling beschreven, zonder veel besef van
de 'grenzen aan de groei' (vgl. M. Novak). Veel nadruk ligt dan op de creativiteit van de mens.
Wordt de mens daarentegen als rentmeester afgeschilderd, dan komen veelal de ecologische
aspecten, de limieten van de door God gegeven opdracht in zicht. De consequentie van deze
interpretatie is ver-dragend in de documenten: totaal verschillende economische orden kunnen
voorgesteld worden.

Gods rechtvaardigheid
God wordt vaak omschreven als een Rechtvaardige God, die het opneemt voor de armen, de
zwakkere groepen, de machtelozen; in feite de toenmalige 'weduwen, wezen en
vreemdelingen'. Gods rechtvaardigheid loopt als een rode draad door de hele bijbel heen. Kort
aangeduid wordt deze als volgt omschreven:
God sloot een verbond met Israël waarin vele regels waren opgenomen ter bescherming van de
armen, ter bescherming van het milieu en ter bescherming van hogere-dan-economische
doelen, zoals gemeenschapsbesef. Maar vooral ter bescherming van de arme.
Een waslijst met voorbeelden is hiervan te geven. Er worden grenzen gesteld aan koop,
verkoop en rente. De instelling van het jubeljaar en het sabbatsjaar was bedoeld om schulden
kwijt te schelden, slaven vrij te laten, gecumuleerde bezittingen te herverdelen, het land braak
te laten liggen. Vele teksten in de verbondsregels benadrukken dat de noden en de rechten van
de armen geëerbiedigd moeten worden. Het gaat dus om heel concrete sociaaleconomische
aanwijzingen. God stuurde profeten zodra Israël afweek van deze regels, als er geen
rechtvaardigheid heerste en als de armen onderdrukt werden door de machthebbers. De
gevolgen van onrechtvaardigheid waren verbanning en economische chaos. Hosea, Micha,
Amos, Jesaja en Jeremia, allen worden geciteerd als profeten van de gerechtigheid.

Jezus had dezelfde boodschap als de profeten, en leefde onder de armen en stierf arm. Jim
Wallis, zelf actief in de evangelische beweging, stelt zelfs:
"Jezus praatte meer over rijkdom en armoede dan over bijna elk ander onderwerp, inclusief
hemel en hel, seksuele moraal, de wet en geweld. Een van elke tien verzen in Marcus,
Mattheüs en Lucas is over de rijken en de armen; In Lucas is deze ratio 1:7. Jacobus behandelt

10
Literatuur thema management economie en recht EHB32

het onderwerp in elke een van de vijf verzen in zijn brief. Het thema geld, bezit, armoede is dus
bepaald geen marginaal onderwerp voor de Bijbelse auteurs”.

Lucas 4: 18-19 staat vrij centraal in de documenten. Hieruit blijkt dat Jezus is gekomen om het
evangelie aan de armen te verkondigen. Jezus gaat fel te keer tegen rijkdom en de gehechtheid
daaraan. Rijkdom is een gevaar, een barrière om tot God te komen. De rijke moet zijn
bezittingen verkopen en schenken aan de arme. Jezus neemt het permanent op voor de arme,
de verschoppeling, de zieke en de onderdrukte, kortom heeft een 'optie voor de armen'.
In een vaak genoemde gelijkenis - Matthieu 25:31-46 - over het oordeel van de Zoon des
mensen wordt als het criterium van het (eind)oordeel niet het geloof in God en Jezus genoemd,
maar het feit dat al dan niet de hongerige gevoed is, de dorstige drinken heeft gekregen, enz ..
Jezus is hier in de mensen aan de onderkant van de samenleving aanwezig: "In zoverre gij dit
aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het mij gedaan." Jezus
identificeert zich met de armen, is één met hen.
Niet alleen zijn leven en leer, maar ook zijn geboorte en dood staan in het teken van
economische rechtvaardigheid. Om een voorbeeld van de economische betekenis van Jezus'
dood te geven:
Door zijn dood overwon hij de oorzaken van onrechtvaardigheid (zonde) zodat rechtvaardigheid
nu hersteld kan worden. De dood van Jezus wordt .ook beschreven als een logisch gevolg van
zijn radicale houding met betrekking tot de maatschappij. Zijn leer over rijkdom en armoede was
opruiend voor de samenleving, dus moest hij sterven. De eerste gemeente was een groep
christenen, die alles gemeenschappelijk had en alle goederen met elkaar deelde. Volgens de
documenten was de gemeenschap niet gebaseerd op collectief eigendom van de
productiemiddelen maar stond privé bezit centraal, met dien verstande dat het ten bate moest
komen aan ieder.
Lang niet alle documenten noemen deze hele maatschappelijk theologische lijn van 'verbond -
profeten - Jezus - eerste christen gemeente', en vele hebben een net iets andere interpretatie.
Maar in de meeste documenten worden enkele aspecten hieruit genoemd, die per onderwerp al
dan niet radicaler gepresenteerd worden.

Gods bevrijding en liefde


Naast Gods rechtvaardigheid en Gods schepping zijn er nog de thema's liefde en bevrijding.
Een kort woord hierover. Gods bevrijding wordt nogal eens centraal gesteld in een
revolutionaire context. God heeft het volk Israël uit het onderdrukkende systeem van Egypte
geleid naar een economie van melk en honing. Het jubeljaar is een bevrijding van schulden
problematiek en slavernij. Jezus bevrijdde niet alleen van individuele zonde, maar ook van
structurele zonde, dat is de zonde die in een onderdrukkend economisch of politiek systeem tot
uitdrukking komt. Sommige documenten zien bevrijding uit onderdrukking en armoede niet
alleen als een ethische opdracht, maar ook als een zaak waar het geloof om draait en in feite
als een zaak waar verlossing van de individuele ziel van afhangt. De vraag of een mens tijdens
zijn leven aan de kant van de armen of aan de kant van de onderdrukker stond, wordt dan het
criterium van behoud.
En er zijn documenten die Gods liefde centraal stellen. Van daaruit neemt men veelal het
eigenbelang, toch een van de belangrijkste drijfveren van een kapitalistische economie, onder
de loep. Eigenbelang, wel geplaatst binnen een raamwerk van een 'liefdevolle structuur' en
gesteld naast altruïstische uitgangspunten van de mensheid, of 'intelligent eigenbelang' blijft
echter in de meeste documenten een belangrijke plaats houden als motor van een economie.

11
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Afgoderij
Soms wordt de strijd op het niveau van het geloof zelf gestreden. De een zweert letterlijk bij het
kapitalisme, omdat de Schepper de mens creatief gemaakt heeft en het vrije markt systeem de
creativiteit en de rijkdom van allen (ook die van de armen) ten goede komt. De ander belijdt
schuld omdat de vrije markt wereldarmoede laat bestaan en komt tot de conclusie dat de
economie of de markt een afgod is. Of geld, of macht, of groei of technologie, maar ook het
socialisme wordt - door andere auteurs - een afgod genoemd.

B) De typologie
Bij een typologie van de economisch-theologische stellingnames kunnen verschillende
aspecten genoemde worden. Zo valt bijvoorbeeld op dat het theologische uitgangspunt meer
per continent verschilt dan per theologische traditie. Heel globaal gesteld: Latijns Amerikaanse
landen stellen de God van de Bevrijding centraal, noordelijke landen spreken meer over de God
van de Schepping en de God van de Rechtvaardigheid, terwijl Azië de God van de
Gerechtigheid en Afrika de God van de Liefde op de voorgrond plaatst.

Redenerend vanuit deze theologische uitgangspunten vinden op (vele) momenten subjectieve


vertaalmomenten plaats, zodat de auteurs op basis van hetzelfde theologische uitgangspunt tot
zeer uiteenlopende economische voorstellen kunnen komen. Door diezelfde niet-verantwoorde
keuzen blijkt het echter ook mogelijk om met behulp van verschillende theologische
uitgangspunten bij bijvoorbeeld dezelfde economische orde uit te komen.
Vele aspecten uit economisttheologische documenten kunnen het criterium zijn van een
typologisch onderscheid (de theologische of ethische uitgangspunten, de theologische of
ethische interpretatie, etc.14). Een keuze hierin te maken is nooit eenvoudig en altijd
aanvechtbaar. Voor een heldere discussie is een keuze echter onontbeerlijk. Wij menen dat de
volgende typologie een goed stramien biedt om de verschillende benaderingen in kaart te
brengen:

Paradigma A
Economie en theologie hebben niets met elkaar te maken. De theologie kan niet spreken over
de economie. Uit de bijbel zijn geen economische richtlijnen voor het heden te distilleren. Alleen
op basis van het individuele geweten kan men spreken over de werking van de economie en
deze eventueel bekritiseren of toejuichen.

Paradigma B
Economie en theologie hebben met elkaar te maken. De theologie heeft iets te vertellen over de
economie. Er zijn verschillende manier waarop de theologie spreekt over de economie:

B 1. Profetische kritiek op de vrije markt


De auteurs spreken 'profetisch' over de economie. De auteurs keuren die vorm van
economische orde af, die gebaseerd is op het vrije marktmechanisme en privé eigendom. De
nadruk ligt op de bevrijding uit het huidige systeem, de ongerechtigheid die daar heerst, enz. De
theologie heeft een veroordelende, profetische functie, waarbij men niet altijd een alternatief
kan en/of wil geven. Wij noemen deze manier van spreken een profetische afkeuring van de
vrije markt. De afgoden worden benoemd: de markt, het kapitaal, de groei, e.d . Voorbeelden
die in dit boek worden behandeld zijn: Van Leeuwen, Hinkelammert en Duchrow.

12
Literatuur thema management economie en recht EHB32

B 2. Ethische aanvulling op de vrije markt.


Deze -auteurs hebben een grote voorkeur voor een vrije markt economie, voor een
economische orde, waarin de overheid zich zo ver mogelijk houdt van economische
beslissingen, De rol van kerk en theologie ligt op het ethische vlak. De mensen moeten
verantwoordelijker, liefdevoller, rechtvaardiger, etc. zijn De mentaliteit van de individuen en
gemeenschappen moeten de markt stimuleren en waar nodig corrigeren. Wij noemen het een
ethische aanvulling of ethische maximalisatie van de vrije markt. Voorbeeld: Novak.

B. 3-5. Een scala mogelijkheden er tussen in


Tussen de profetische aanklacht (1) en de alleen door de mentaliteit aan te vullen vrije markt (2)
ligt een scala van mogelijke typen van economische orde, die een markteconomie voorstaan,
die niet zo vrij mogelijk gelaten wordt, maar ingekaderd moet worden in een beschermende
politiek-economische-sociale structuur (3 - 5). Op basis van bijbel en traditie benadrukt de
theologie de waarde van gemeenschappelijke, solidaire, ecologische verbanden. Het hangt van
de specifieke structurele inkadering af, hoe een dergelijke economie het beste genoemd kan
worden. In onze tijd zijn de volgende drie hoofdstromen van belang:

B. 3. Ecologische structurele inkadering van de markt


De markt wordt als een belangrijk instrument voor allerlei doeleinden gebruikt, maar naast
andere instrumenten. Zij wordt toegespitst op ecologische doeleinden, waarbij economische
groei als doelstelling op zijn minst kritisch wordt bejegend. Over het algemeen leidt de
theologie, op basis van de aarde als goede schepping, de mens als 'rentmeester' en de
noodzaak van rechtvaardigheid ten aanzien van komende generaties, tot een ecologisch
georiënteerde structureel ingekaderde markteconomie, kortweg een ecologische economie.
Vaak is dit type ook sterk sociaal getint. Voorbeelden zijn Goudzwaard en De Lange met hun
'economie van het genoeg'.

B. 4. Coöperatieve-sociale inkadering van de markt.


Naast concurrentie en markt, is de economie structureel zodanig ingericht dat coöperatie,
coördinatie, participatie en planning in alle geledingen van de economie een vooraanstaande
plaats innemen. Het maatschappelijk middenkader wordt meestal een belangrijke positie
toegekend, in een 'organische' maatschappij. Een dergelijke economie wordt veelal uit sociale
oogpunten geprefereerd. Soms wordt zelfs socialisatie van bezit overwogen. De theologie legt
sterk de nadruk op rechtvaardigheid, gemeenschappelijkheid en solidaire verbanden in de bijbel
en traditie. Voorbeelden vormen de christendemocratische stromingen.

B. 5. Feministische benaderingen
Er is, zoals ook blijkt uit de bijdrage van Hedwig Meyer- Wilmes aan dit boek, binnen de
feministische theologie nog weinig gereflecteerd op wat de feministisch-theologische inzichten
betekenen voor de economie. Sommige benaderingen komen dicht bij de profetische kritiek,
waarbij vooral het patriarchaat onder kritiek wordt gesteld, anderen werken meer vanuit het
systeem en proberen daarin ruimte te scheppen voor zorg, verbondenheid e.d..

Model
Paradigma A: scheiding economietheologie

Paradigma B: verband economie-theologie


(profetisch) ------------------------------------------------------------------------------ (ethische aanvulling)
Anti vrije markt (1) ------------------------------------------------------------------------ Pro vrije markt( 2)

13
Literatuur thema management economie en recht EHB32

(structureel ingekaderde markt:)


-ecologische economie (3)
-coöperatieve economie (4)

14
Literatuur thema management economie en recht EHB32

2 Klamer – Denken vanuit de oikos in vier sferen


'Laten we het alsjeblieft zakelijk houden. We maken duidelijke afspraken en rekenen keurig
alles af Kamer, maaltijden, computer, schoolgeld, zakgeld, vakanties: dan kom ik op 143.542
euro. Dat is wat ik voor jouw opvoeding heb betaald. Ik vind het best als je het in termijnen
afbetaalt, maar dan wel met rente.'
'Goed, en dan breng ik in rekening het plezier dat ik jullie heb gegeven. Ik schat dat op 50.000
euro - en dan hou ik rekening met mijn wat lastige puberteit. Voor de maandelijkse bezoekjes
zal ik 300 euro in rekening brengen exclusief reiskosten ... Vind je dat veel? Weet je wat ik in die
tijd had kunnen verdienen? Ik denk dat het eerder te weinig is. Zo'n bezoek is voor mij echt
geen lolletje. En de was kan ik beter in een wasserette doen als je er zo veel voor wilt
berekenen.'
'Het volgende kind besteden we uit', zegt de vader tegen de moeder na afronding van de
onderhandelingen.
'Lijkt me verstandig, antwoordt zij.

2.1 Het standaardplaatje

Om duidelijk te maken hoe radicaal het plaatje is dat ik u wil voorschotelen, is het zinnig eerst
het standaardplaatje van de economen te tonen.

MANAGEMENT MANAGEMENT

DE MARKT DE OVERHEID

Volgens dit plaatje bestaat de wereld uit de markt en de overheid. Waarden worden ofwel via de
markt ofwel via de overheid gerealiseerd. In het begin van de vorige eeuw domineerde de
markt. Spoorwegen, de kunsten, de gezondheidszorg, allemaal door commerciële partijen ge-
produceerd en aangeboden. Na de Tweede Wereldoorlog (en na de grote depressie van de
jaren dertig) zwaaide de pendule naar de overheid. Die trok steeds meer naar zich toe en
maakte zich verantwoordelijk voor de levering van treinvervoer, gezondheidszorg, energie,
telefonie, post, tentoonstellingen, theater, vliegreizen. In de jaren zeventig nam de overheid
ruim de helft van alle economische productie voor haar rekening. In de jaren tachtig ging de
pendule weer naar de markt.
Zowel de overheid als de markt teken ik als vierkanten omdat ze vierkant zijn in hun logica. In
de markt draait alles om de prijs van de dingen en voor de overheid draait alles om regels. In
beide sferen regeren contracten en de behoefte - of is het de noodzaak? - te controleren, te rati-
onaliseren en te managen. Die laatste karakteristieken heb ik willen benadrukken in het plaatje
met de 'management'-vierkanten.

De werkelijkheid werkt anders. Denk anders, verander het perspectief door ook te letten op
waarden en gemeenschappelijke goederen, en het standaardplaatje voldoet niet meer. Want

15
Literatuur thema management economie en recht EHB32

waar zijn de gezinnen, de vriendschappen en de clubs? Waar worden gemeenschappelijke


goederen gerealiseerd? Dit standaardplaatje maakt ook niet duidelijk waar ik hoor. Want ik hoor
niet in de markt en ook niet bij de overheid. Zowel de markt als de overheid is anoniem en
onpersoonlijk. Zou ik daartoe aangewezen zijn, dan was ik verloren. Iets ontbreekt. En wel een
tweetal sferen.

2.2 Mensen horen in de eerste plaats bij hun oikos

Begin bij het begin. Zoals Aristoteles dat doet in de Politeia. Natuurlijk ben ik mij er niet van
bewust hoe het allemaal begonnen is, en u weet dat ook niet. Maar we weten wel dat het leven
voor ons begon toen we uit de baarmoeder kwamen. Dat hebben nog steeds alle mensen
gemeen, een moeder dus. Psychoanalytici zien dat gegeven als allesbepalend. Ik wil het graag
geloven ook al weet ik niet hoe ik de scheiding van mijn moeder heb ervaren. Hoe traumatisch
het besef alleen te zijn is, iets te zijn apart van mijn moeder, weet ik niet. Misschien geeft die
ervaring mensen de impuls om de afstand met ieder ander te overbruggen en het pijnlijke
gevoel helemaal alleen te zijn op te lossen door middel van liefde of macht, dus door zich de
ander op een of andere manier toe te eigenen. In de liefde wordt de vrouw mijn vrouw, en door
macht worden die mensen mijn mensen. In ieder geval laten mensen op allerlei wijzen zien de
behoefte aan een 'wij' te hebben, aan iets wat meer is dan het Ik. Daarom opereren ze in
groepen, clubs, clans, religies, gemeenschappen, organisaties, etnische groepen, als een volk
en uiteindelijk als een soort, 'de mens’.
Die meest persoonlijke sfeer, de sfeer van de moeder en de vader, van het eerste wij, noem ik
de sfeer van de oikos. Oikos is Grieks voor 'thuis', voor de plaats waar het haardvuur brandt. In
de oikos leven en werken mensen in gemeenschap; verdelen ze taken en delen het voedsel en
al het andere waardevolle dat de oikos produceert en verwerft. De oikos is een
gemeenschappelijk goed voor hen die er deel van uitmaken. Iedereen draagt het zijne of hare
bij en die bijdragen bepalen hoe sterk, vitaal en waardevol de oikos is. Oikos is binnen; staat
voor 'wij'. Oikos is het eerste antwoord op de vraag waar je bij hoort.

Ik gebruik 'oikos' om te voorkomen dat alleen maar aan gezinnen en families gedacht wordt.
Een oikos heeft vele vormen. In veel Afrikaanse en Aziatische landen is hij een uitgebreide
gemeenschap van familie. Hij kan een stam zijn, een clan of een religieuze gemeenschap.
Bepalend is het gevoel van een 'wij' en de onderlinge afhankelijkheid. De oikos kan een gezin
zijn, maar ook een stel dat samenwoont of een netwerkje van intens samenlevende vrienden (ik
denk nu aan alleenstaande vrienden die een sterke oikos hebben in de vorm van andere
vrienden). De oikos kan virtueel en symbolisch zijn. Een geloofswereld met een God als de
vader en met medegelovigen kan als een oikos zijn. En ook het thuisland kan als een oikos
beleefd worden, net als een buurt, een volk of zelfs de aarde. Ik kan me zo voorstellen dat als
astronauten zich klaarmaken om uit de ruimte terug te keren, zij de aarde als hun oikos zien.

De oikos is de plaats waar we ons geborgen voelen, de plaats waar we leren wat
zorgzaamheid, betrokkenheid is, misschien ook wat liefde ~ Ieder mens heeft die nodig. Alles
wat we doen, richt zich uiteindelijk op de oikos. Aan het graf worden we in de eerste plaats
herinnerd door wat we voor de mensen in onze oikos hebben betekend, en dat zijn voor de
meesten van ons, onze kinderen, onze partners, onze ouders. Mijn oikos staat op de eerste
plaats, voor alle wezenlijke verbanden die ik heb. Wie er allemaal bij horen, zou ik niet direct
kunnen zeggen. Een vriendin die intensief meeleeft ben ik geneigd tot mijn oikos te rekenen.

Leden van de oikos rekenen niet af, ze ruilen niet op basis van quidproquo - het voor wat hoort
wat, dat de markt regeert - en houden elkaar niet aan een contract. (Nou ja, soms misschien

16
Literatuur thema management economie en recht EHB32

wel.) Nee, ze delen een gemeenschappelijk belang en dragen ieder op een eigen manier
daaraan bij. Als de markt zijn intrede doet in de oikos, geeft dat spanningen. Stel dat de vrouw
betaald wil worden voor haar diensten. Of dat de ouders de kosten van de opvoeding bij hun
kinderen in rekening brengen ('Die 143.542 euro mag je wel in termijnen afbetalen.')

De oikos vertegenwoordigt een sfeer van waarden. Dat blijkt bij een scheiding. Niets kan
iemand zo kwaad maken als dat de ander gaat becijferen wat hij nog te goed heeft. of als een
lid zomaar verdwijnt, aan de drugs verslaafd raakt, of als een vreemde binnengelaten wordt.
('Wat moet die vent aan het ontbijt?') De waarden van de oikos zijn niet allemaal positief. Niet
voor niets willen sommige mensen niets van de oikos weten, want voor hen staat die voor af-
hankelijkheid·, onderdrukking, misbruik en buitensluiting.

Kenmerkende waarden voor de oikos

Positief Negatief
Verantwoordelijkheid Plicht
Loyaliteit Onderdrukking
Verbondenheid Afhankelijkheid
Zorgzaamheid Discriminatie, onrechtvaardigheid
Liefde Incest
Gemeenschappelijkheid Idem
Delen Verwaarlozing
Familiegevoel, wij-gevoel Uitsluiting

Niets is zo veranderlijk, dynamisch en multicultureel als de oikos. Ik benadruk deze kenmerken


omdat velen misschien meteen de associatie krijgen met spruitjeslucht, benepenheid en
conservatisme. Ze denken aan de familiewaarden waar conservatieven en religieuze mensen
het over hebben en willen doen geloven dat gezinnen en families achterhaald zijn. Welnu, dat
zijn ze niet. De gemiddelde grootte van een Nederlandse huishouding is de afgelopen tien jaar
weliswaar iets afgenomen (van 2,35 naar 2,28 mensen per huishouding), maar de overgrote
meerderheid van de Nederlanders leeft nog steeds samen met anderen. Slechts 12 procent van
de Nederlanders leeft echt op zichzelf; de anderen leven samen of hebben door scheiding of de
dood hun samenlevingsverband verloren. Merk verder op dat iedere oikos multicultureel is
doordat ze mensen bijeenbrengt die uit andere oikoi komen, en iedere oikos zo zijn eigen
cultuur heeft. Leven in een oikos is een kwestie van omgaan met verschillende culturele
achtergronden.
Daarbij is iedere oikos tijdelijk. Kinderen verlaten het huis om aan een eigen oikos te werken,
ouders gaan scheiden of gaan dood, gescheiden ouders trouwen met anderen. Daardoor zijn
de variaties eindeloos. Vraag maar eens rond in een willekeurig gezelschap. Iedereen heeft een
andere oikos, iedereen heeft wel iets merkwaardigs.

Maar al die dynamiek en veranderlijkheid van de oikos kunnen niet verhinderen dat hij centraal
staat. Daarom spreekt de antropoloog Stephen Gudeman van de 'basis' (Gudeman 2001). Een
promovendus van mij, Simon Goudsmit (2004), spreekt van the bedrock-economie (maar

17
Literatuur thema management economie en recht EHB32

bedoelt daarmee ook de informele sociale sfeer oftewel de burgerlijke samenleving). De oikos is
de primaire sfeer die bepalend is voor de andere sferen.

2.3 De derde sfeer

Is de oikos allesoverheersend in een traditionele samenleving, in een moderne samenleving


zien we een verontwikkelde derde sfeer, ook wel aangeduid als ~~. Het is de ruimere kring
waarin wij ons buiten onze oikos kunnen begeven, zonder in de sferen van de overheid en de
markt terecht te komen. Net als in de oikos overheersen hier de informele, sociale interacties.
Het is hier dat mensen zich verenigen, clubs vormen, vriendenkringen onderhouden en
collegiaal zijn.
Belangrijk in de derde sfeer zijn politieke partijen en sociale organisaties, ook wel 'non-profit' en
'non-gouvernementele' organisaties (NPO'S en NGO'S) genoemd. De laatste benamingen geven al
aan dat deze organisaties noch in de sfeer van de markt, noch in die van de overheid opereren.
Het zou beter zijn ze 'sociale' of 'maatschappelijke' organisaties te noemen. Het zijn
organisaties die ideële doelstellingen vooropstellen en vaak afhankelijk zijn van donaties en
vrijwilligerswerk.

In de sociologie is de derde sfeer een erkend gegeven. Ik ontleen de term ook aan die
wetenschap. Maar je zult hem tevergeefs zoeken in een economisch handboek. Merkwaardig,
als je bedenkt hoeveel tijd we doorbrengen in de derde sfeer, en hoe belangrijk ze is om
waarden te realiseren. Verreweg de meeste van onze interacties met anderen vinden erin
plaats. Ga maar na: de enkele keren dat een gemiddeld persoon in de sfeer van de markt of
van de overheid opereert, staat in geen verhouding tot de eindeloze interacties met collega's,
vrienden en vooral gezinsleden.
Het gaat hier om die interacties waarvan de waarde niet gemeten wordt met een prijs en die
niet op een of andere manier geregeld zijn in een contract of een bureaucratische procedure.
Een belangrijk instrument in de derde sfeer is de gift. Daarmee onderscheidt deze sfeer zich
van de marktsfeer waar het gelijk oversteken centraal staat, het quidproquo, en van de
overheidssfeer met in wetten vastgelegde rechten en plichten.
De gift onderscheidt zich door de ambiguïteit van haar condities. Geef en u zult ontvangen,
alleen ligt niet vast wat, wanneer en in welke vorm. De gift, zo wijst modern onderzoek uit, is het
middel bij uitstek om verbindingen te realiseren (Komter 1996). Door middel van giften realise-
ren mensen relaties met elkaar. Vrienden rekenen niet met elkaar af, althans niet expliciet.
Collega's helpen elkaar. Het principe is dat van wederkerigheid: ik doe wat voor jou en jij voor ~,
maar het hoe, wat en wanneer laten we in het midden.\De gift is ook de manier om toe te treden
tot iets gemeenschappelijks. Door onze tijd, aandacht en eventueel geld te geven aan een
instelling voelen we ons ermee verbonden; we zijn een deelnemer. In uitzonderlijke gevallen zijn
mensen bereid hun leven op te offeren ter wille van de gemeenschap. Denk maar aan de
Amerikaanse militairen in Irak en degenen die zelfmoord plegen in de jihad tegen de westerse
beschaving. In de termen van hoofdstuk 4 zou ik zeggen dat de gift de uitgelezen manier is om
bij te dragen aan een gemeenschappelijk goed en zich dat dus eigen te maken.

Onderzoek naar sociaal kapitaal laat zien dat de derde sfeer cruciaal is voor de vorming van
sociale waarden en gemeenschappelijke goederen. In hun informele interacties ontwikkelen
mensen verantwoordelijkheidsgevoel, het gevoel ook verbonden te zijn met iets
gemeenschappelijks. Het is in de informele sfeer, in de burgerlijke samenleving, dat mensen
vertrouwen genereren, wellevendheid, een leuke buurt, gezelligheid, vriendschap en goede
gesprekken.

18
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Georganiseerde religie is een belangrijk onderdeel van de derde sfeer, in de ene samenleving
meer dan in de andere. Kerken en moskeeën brengen mensen samen en bepalen min of meer
hun manier van samenleven, hun sociale en culturele waarden. In de verenigde Staten
bijvoorbeeld voedt het kerkelijk leven waarden als dienstbaarheid, eerlijkheid en
gemeenschapszin en (andere) family values. Kerken mobiliseren mensen om tegen
abortusklinieken, maar ook om tegen kernwapens te ageren. Ze zijn een inspiratiebron, maar
kunnen mensen ook onderdrukken. Michiel Hegener (2005) laat zien hoe een belangrijke religie
als de islam en tal van sektes het hun gelovigen of volgelingen onmogelijk maken om eruit te
stappen, laat staan een ander geloof aan te hangen.

De oikos ligt aan de basis van de derde sfeer. Sterke oikoi maken een sterke derde sfeer. En
die is weer een voorwaarde voor een sterke en gezonde samenleving. Ook de sferen van de
overheid en de markt zijn gebaat bij een sterke derde sfeer. Het is zelfs de vraag of ze zonder
kunnen functioneren. Robert Putnam laat zien dat een democratisch bestel beter functioneert
als de derde sfeer sterk is (Putnam 1994, 2000). Hetzelfde geldt voor de markt, zoals de
socioloog Max Weber en de economische historicus Karl Polanyi (1957) betogen. Overheerst
wantrouwen, dan is het veel moeilijker zaken te doen. Mensen die elkaar kennen van de vereni-
ging, de kerk of andere instituten uit de derde sfeer, zullen gemakkelijker met elkaar handelen
dan mensen die totale vreemden van elkaar zijn. De derde sfeer genereert ook de burgerlijke
deugden die zo belangrijk zijn voor het functioneren van de markt, als
verantwoordelijkheidsgevoel, prudentie, plichtsbesef, vooruitziendheid, overtuiging, en het
vermogen om in teams te opereren en opdrachten uit te voeren. Sociale waarden doen ertoe en
daarom doet de derde sfeer ertoe.

Net als de oikos wordt de derde sfeer gekenmerkt door waarden, zowel positieve als negatieve.
De negatieve waarden geven de prikkel om het elders te zoeken, in de oikos, de markt of de
overheid.

Kenmerkende waarden voor de derde sfeer

Positief Negatief
Verantwoordelijkheid Plichtmatigheid
Loyaliteit Onderdrukking
Gemeenschappelijkheid Afhankelijkheid
Zorgzaamheid Betutteling
Generositeit Liefdadigheid
Vriendschappelijkheid Vijandelijkheid
Collegialiteit Discriminatie, buitensluiting

2.4 De sfeer van de markt

De oikos kan verstikkend werken. De derde sfeer kan dat ook doordat we in die sfeer
afhankelijk zijn van de mensen die wie kennen, met wie we iets gemeenschappelijks hebben.
Het verstikkende en beperkende van deze twee informele sferen zijn goede redenen voor
mensen om de vrijheid van de markt op te zoeken, op zichzelf te willen leven, het eigen ik te

19
Literatuur thema management economie en recht EHB32

bevestigen dan wel de hulp van de overheid in te roepen. Zowel de markt als de overheid biedt
dus een tegengewicht voor de negatieve kanten van de oikos.

Maar zo rechttoe rechtaan is die markt ook weer niet. Ze is eerder een complexe sfeer met een
breed spectrum aan waarden. De markt betekent vrijheid van keuze, een kans op een ander
leven. Maar de markt kan ook onzekerheid, instabiliteit, ongelijkheid, verlies en een moordende
concurrentie betekenen. Dat zijn de negatieve waarden waar de culturalisten op hameren. In de
markt kan het fortuin keren en met het oog op de aandeelhouders en de concurrentie willen
managers dan de bijl hanteren. Soms win je en soms verlies je. Je zult ermee moeten leren
leven, wil je je gelukkig voelen in de sfeer van de markt. Je zult ook moeten willen leven met de
ongelijkheid die in een markt kan ontstaan. Noem het zelfverrijking of noem het eerlijk verdiend,
grote verschillen in beloning zorgen voor afgunst en ontevredenheid.
In de markt kunnen zich grote machten vormen in de vorm van internationale bedrijven die zo
machtig zijn dat zij de macht van overheden kunnen ondermijnen. De markt kan wonderen
verrichten; meer vrije handel werkt veel beter voor de Derde Wereld dan al de ontwikkelingshulp
bij elkaar. Dat neemt niet weg dat ook daar een al te ver doorgevoerde markt ondermijnend kan
werken. Na vijftien jaar heeft het voormalige Oostblok zich nog steeds niet aangepast aan het
regime van de markt. De prijs van de snelle invoering daarvan is hoog geweest. Sociale verban-
den zijn ontwricht, de onzekerheid is groot en de gemiddelde levensverwachting is gekelderd.
De markt is niet de oplossing van alle problemen. Daarvoor is haar sfeer van waarden te
beperkt en te specifiek.

De sfeer van waarden van de markt

Positief Negatief
Vrijheid van keuze Machtsconcentratie
Consumentensoevereiniteit Manipulatie via reclame
Onafhankelijkheid Onzekerheid en instabiliteit
Prestatiegerichtheid Prestatiedwang
Ondernemingslust Hebzucht
Objectieve waardering via prijzen Idem
Individugerichtheid Anonimiteit
Individuele verantwoordelijkheid Asociaal en immoreel gedrag

2.5 De sfeer van de overheid

De overheidssfeer dient ertoe om het collectieve domein inhoud te geven en de tekortkomingen


van de markt en de derde sfeer te compenseren. Ook dat gaat gepaard met een spectrum aan
waarden. Tegenover het private belang van de markt komt het co1Iëctieve belang te staan. In
plaats van vrijheid van keuze en eigen verantwoordelijkheid heersen in de overheidssfeer
waarden als rechtvaardigheid, solidariteit en collectiviteit.
In deze sfeer is het anders praten en denken. Het is niet voor niets dat een ambtenaar het
moeilijk heeft in een marktgerichte organisatie en dat een commercieel iemand gek kan worden

20
Literatuur thema management economie en recht EHB32

van een overheidsorganisatie. Het zijn twee totaal verschillende werelden, met verschillende
waarden.
Een ambtenaar kan een democratische besluitvorming met alle belanghebbende partijen aan
tafel waarderen omdat de uitkomst in het publieke belang dient te zijn. Een marktgeoriënteerd
persoon ziet vooral inefficiëntie, omslachtigheid en een gebrek aan daadkracht. Wil de laatste
regels aan de laars lappen 'omdat die alleen maar lastig zijn', dan benadrukt de ambtenaar het
belang van zorgvuldigheid en het gevaar dat andere partijen benadeeld worden. Produceert de
markt een tweedeling, dan zou een herverdeling in het publiek belang kunnen zijn.
Machtsconcentraties tegengaan kan dat ook zijn (zie tabel p. 79).

De overheid terugdringen betekent dus haar sfeer van waarden terugdringen. Meer ruimte voor
de markt en het individu betekent minder nadruk op het collectief belang, op waarden als
solidariteit, een zorgzame samenleving en (sociale) zekerheid ten bate van waarden als
keuzevrijheid, efficiëntie, prestatie, maar ook die van ongelijkheid, hebzucht, onzekerheid en
instabiliteit. Na jaren geopereerd te hebben in een samenleving die beheerst werd door de sfeer
van de overheid, geeft die omschakeling problemen. Grote delen van de bevolking ervaren
vooral een verlies. Privatisering en liberalisering leveren onverwachte problemen op, doordat
blijkbaar geen rekening gehouden is met de noodzakelijke waardeomslag. Klantgericht en
prestatiegericht werken klinkt goed, maar niet als het ten koste gaat van waarden als zekerheid,
stabiliteit, gelijkheid en het collectief belang. Zo neemt het verzet tegen de liberalisering van de
energiemarkt en de 'exorbitante zelfverrijking' van de bestuurlijke top toe. De rampen in
Enschede en Volendam lieten zien dat een goede en doelmatige overheid onontbeerlijk is. De
markt is niet zaligmakend. Wellicht dat de balans weer naar de overheid aan het verschuiven is.

De sfeer van waarden van de overheid

Positief Negatief
Rechtvaardigheid Meedogenloosheid, harteloosheid
Solidariteit Belastingen
Collectief belang Nationalisme
Regelgeving Dwang en regelzucht
Overleg Stroperigheid
Gelijkheid Verkeerde prikkels
Democratische procedures Inefficiëntie
Objectiviteit Onpersoonlijk

21
Literatuur thema management economie en recht EHB32

2.6 Vermenging van de sferen

Het plaatje ziet er nu uit als volgt:

oikos

derde sfeer

agora polis
markt overheid

Niet het management bepaalt de samenleving, maar de oikos. De oikos bepaalt de derde sfeer
die op haar beurt weer doorwerkt in de markt en de overheid.
In de praktijk lopen de sferen in elkaar over en duiken in elkaar op. De waarden en de retoriek
van de markt laten zich gelden in de oikos, zoals we zagen. Ouders betalen kinderen voor
verleende diensten en partners sluiten contracten af om de aan elkaar bewezen diensten vast
te stellen (vooral handig in verband met een eventuele scheiding).

Cruciaal is de invloed van de oikos en de derde sfeer op de sfeer van de markt en van de
overheid. Mensen lijken moeilijk in de ene dan wel de andere sfeer te opereren zonder op een
of andere manier waarden en kenmerken van de oikos te importeren. Zo wil de manager
werknemers inspireren door hun voor te houden dat ze één familie vormen, dat het om loyaliteit
gaat en om betrokkenheid en dat hij goed voor hen wil zorgen - allemaal waarden, begrippen en
topoi van de oikos. De straatverkoper houdt de argeloze voorbijganger voor dat ze vrienden zijn
en dat hij daarom een zeer speciale prijs voor hem heeft; het is de derde sfeer in de markt.
Maar ook zakenmensen willen elkaar het gevoel geven vrienden te worden alvorens tot een
deal te komen - hoe zuidelijker je komt, hoe sterker die invloed van de derde sfeer is.
De metafoor van de oikos kun je ook gemakkelijk op de overheid loslaten: 'vadertje staat' en
'het vaderland', of 'de zorgzame moeder', 'de overheid die over ons waakt en goed voor ons
zorgt'. Al deze vermengingen en wederzijdse beïnvloeding maken het onderscheid tussen de
drie sferen niet overbodig (zie ook Van Staveren 2001). Daarom kan ik van u uw auto kopen en
misschien ook uw jas, maar begin ik over uw kind of partner, dan ben ik althans in deze
beschaving buiten de orde. In de markt past dergelijk gedrag niet.

Rechtvaardigheid, de kernwaarde in de sfeer van de overheid, voldoet niet in de oikos. Mijn


familie zou het niet pikken als ik onze spullen ga verdelen onder armlastige mensen in de buurt.
Hoe rechtvaardig dergelijk gedrag ook zou zijn, het botst met de zorgzaamheid en het
verantwoordelijkheidsgevoel die mijn oikos van mij verwacht. Liefde is niet te koop en
vriendschap ook niet.

22
Literatuur thema management economie en recht EHB32

2.7 Wat is eigenlijk? Wat klopt?

De markt en de overheid zijn en blijven oneigenlijke constructies in het licht van de oikos. Zij zijn
en blijven anonieme systemen waarin mensen zich nooit echt thuis kunnen voelen, hoezeer ze
het soms ook proberen. Wij mensen zijn sociale wezens die moeten leren opereren in sferen
waar zorgzaamheid, vriendschap en liefde niet tellen, waar het gemeenschappelijke een illusie
is, of een voorwendsel om profijt te halen. Velen wennen daar nooit aan en proberen daarom de
oikos op een of andere manier te recreëren met gezellige huiskamers op het werk en een taal
van vriendschap, loyaliteit en wederkerigheid. Vanuit het perspectief van de oikos kan een
overheid, hoe rechtvaardig ze ook is, harteloos en meedogenloos overkomen. De familie
Gümüs, die jarenlang illegaal in Nederland een goed bestaan had opgebouwd en ingeburgerd
was in Amsterdam, moest weg op grond van gelijke behandeling; voor degenen die deze familie
een warm hart toedroegen was deze opstelling van de overheid meedogenloos. Maar hoe
oneigenlijk de markt en overheid ook mogen zijn, zij die deel uitmaken van de westerse
beschaving weten er goed mee te leven, zozeer zelfs dat ze als natuurlijk ervaren kunnen
worden.

Uiteindelijk gaat het om een goede balans tussen de drie sferen. Problemen ontstaan wanneer
de ene dan wel een andere sfeer te dominant wordt. Te veel overheid verdringt de markt en de
derde sfeer en een teveel aan markt verdringt de overheid en wederom de derde sfeer. Een te
dominante derde sfeer zal ook niet werken, want we hebben in onze moderne samenleving een
sterke overheid nodig en een vitale markt.

2.8 De Nederlandse constellatie

De Nederlandse samenleving heeft iets eigens. Een belangrijk onderscheidend kenmerk zou
weleens de manifestatie van de derde sfeer kunnen zijn in de sferen van de markt en de
overheid. Denk aan het belang dat Nederlandse politici en zakenlieden hechten aan
'samenwerking', 'overleg' en 'partnerschap'. Het typisch Nederlandse gaat onder de naam van
het poldermodel, dat natuurlijk niet van begin jaren tachtig dateert, maar sinds mensenheugenis
bestaat. Reeds ten tijde van de gilden waren Nederlanders die hetzelfde vak uitoefenden
gewend met elkaar te overleggen en afspraken te maken. In het geval van een conflict is het de
gewoonte hier om de dingen uit te praten en te regelen. Belangrijk waren ook de
waterschappen met de gekozen dijkgraaf. Ging het om het gevecht tegen het water, dan was
consensus is essentieel. De praat- en overlegcultuur die toen begon, domineert tot op de dag
van vandaag. Voor buitenstaanders werkt deze cultuur bevreemdend. Amerikanen (die ik
toevallig wat beter ken) kunnen er gek van worden en niet alleen zij. 'Dat eindeloos masseren ...
Laten we knopen doorhakken, laten we stemmen.' Het is voor buitenstaanders ook
onbegrijpelijk dat werkgevers en werknemers elkaar als sociale partners zien en voortdurend
met elkaar in overleg zijn en gezamenlijk verschillende sociale organisaties beheren (Klamer
1990). Laatst probeerden de Duitsers het eens met een dergelijk overleg. Het lukte niet. Zij
ontberen dan ook de overlegcultuur waar Nederlanders mee opgroeien.
Links en rechts horen we geluiden dat deze overlegcultuur voorbij dient te zijn. Nederland moet
mee in de vaart der volkeren, oftewel de markt moet de vrije ruimte krijgen. Het beleid is er ook
naar. Het mededingingsbeleid dat op last van de Europese Unie wordt doorgevoerd, breekt
hardhandig in op de overleg cultuur. De vele initiatieven tot vergaande marktwerking in sectoren
als die van de taxi's, het notariaat en het openbaar vervoer geven aan dat het de overheid
menens is. De markt staat model voor haar handelen. De vraag is of met dit beleid de waarden
van de derde sfeer ondergesneeuwd dreigen te geraken.

23
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Neem de bouwfraude. In een overlegcultuur is het denkbaar dat bouwondernemers grote


projecten vooraf met elkaar bespreken om afspraken te maken. Dat is goed voor de spreiding
van risico en uit hoofde van kennisdeling. Gebeurt een dergelijk overleg in alle redelijkheid en
met waardering voor de eventuele belastinggelden die met het project gemoeid zijn, dan is daar
weinig fout mee. Zo opereren kenmerkt de Nederlandse samenleving. Nu bepaalt het
mededingingsbeleid dat iedere vorm van overleg strafbaar is. De bondgenoten wordt
opgedragen om met elkaar te concurreren. Afgezien van de kwestie of deze aanpak tot lagere
prijzen en efficiëntere aanbestedingen leidt, kunnen we ons afvragen of de consequenties in
termen van waarden wenselijk zijn. Ging het in de overlegsituatie over waarden als
samenwerking, gemeenschappelijkheid, redelijkheid en stabiliteit, nu worden waarden als
eigenbelang, winst en efficiëntie gepromoot. Willen we dat? Wordt onze beschaving daar beter
van?
Maar niet alleen de dominantie van de marktsfeer bedreigt de derde sfeer. De dominante
overheidssfeer gedurende de laatste vijf decennia is net zo goed verantwoordelijk voor de
veronachtzaming en onderwaardering van de derde sfeer. Voor de Tweede Wereldoorlog
kochten particulieren en verenigingen in onbruik geraakte molens, stichtten musea en
bibliotheken en steunden orkesten en theatergezelschappen. De overheid heeft deze verant-
woordelijkheden overgenomen waardoor de klad is gekomen in het instituut van de gift.
Nederlanders geven nog volop, maar een kritische blik leert dat de belangrijkste gevers
kerkgangers zijn en juist die groep slinkt razendsnel (Schuyt 2001). Andere Nederlanders willen
nog wel geven, maar alleen als ze kans hebben op grote prijzen. Zij kopen loten van goede-
doelen-Ioterijen die vervolgens ongeveer 60 procent van de inleggelden doorsluizen naar ideële
organisaties. (De giften stroomden wel binnen voor Azië na de zeebeving eind 2004, maar dat
was een uitzondering; en de giften waren voor mensen ver weg in andere sferen.) De
belangrijkste donoren zijn bedrijven, maar hun giften nemen eerder het karakter van een
markttransactie aan, zeker als ze een instrument zijn om klanten te werven, een reputatie op te
bouwen en de werknemers te motiveren. In het algemeen geldt dat Nederlanders, in
tegenstelling tot hun voorouders, niet meer de sociale plicht en verantwoordelijkheid voelen om
met hun generositeit activiteiten en instellingen te steunen. Zijn culturele instellingen in het
overgrote deel van de wereld vooral afhankelijk van de inzet en het geld van betrokkenen, hier
worden zij in de handen van het bedrijfsleven gedwongen wanneer de overheid de handen
terugtrekt. De vraag is of een dergelijke ontwikkeling wenselijk is. Het antwoord hangt af van
welke waarden de voorkeur hebben.

24
Literatuur thema management economie en recht EHB32

3 Achterhuis – Schaarste, religie, economie

3.1 A. Moderne denkers over de breuk met traditie

Met het nu volgende ben ik op een beslissend punt van mijn betoog aangeland. Ik wil hier
proberen de achtergrond aan te duiden waartegen in het vervolg van dit boek de hoofdstelling
ervan omtrent de opkomst van de schaarste in de moderne tijd zal worden beargumenteerd.
Met nadruk schrijf ik hier 'aanduiden', want het onderzoeksveld dat hier opdoemt is zo nieuw en
zo veelomvattend, dat van een in kaart brengen en exploreren ervan eigenlijk nog geen sprake
kan zijn. Waar we tot op heden op dit gebied over beschikken, is een aantal eerste schetsen
van hedendaagse denkers, die vooral voortkomen uit intuïties over de aard van de moderne
samenleving en de verschillen ervan met traditionele maatschappijen. Bij deze zeer heterogene
groep onorthodoxe denkers - ik noem hier o.a. H. Arendt, J. Baudrillard, M. Bookchin, M.
Sahlins, G. BataiIle, J. Robert, L. Dumont, K. Polyani, M. Foucault, I. IlIich en M. Gronemeyer -
vinden we steeds de notie terug dat de moderne tijd in tegenstelling tot de traditie vooral door
schaarste wordt gekenmerkt. Zeker, bij de meesten van het zijn de implicaties van het
schaarstebegrip en de omkering tussen moderniteit en traditie onvoldoende doordacht en soms
verward en vaag uitgewerkt Dat kan echter bijna niet anders op een terrein dat zo onontgonnen
is en dat zo haaks staat op de common sense van het westerse vooruitgangsdenken, dat de
schaarste vooral in het verleden projecteert. Omdat sommige van deze denkers in het vervolg
nog uitgebreid aan de orde komen, beperk ik mij hier tot één verwijzing naar een filosoof en
socioloog die in mijn verdere betoog geen grote rol zal spelen.
Jean Baudrillard 'maakt een scherp onderscheid tussen enerzijds primitieve en traditionele
maatschappijen en anderzijds de moderne samenleving. De eerste noemt hij implosief (ze zijn
gecentreerd rondom het ritueel als een cyclisch proces), de laatste explosief (ze zijn gericht op
de universalisering van economische waarden). De overgang van implosieve naar explosieve
samenleving heeft volgens Baudrillard nooit op vreedzame maar altijd op gewelddadige wijze
plaatsgevonden (zie ook deel IV).
Tegenover het rituele en het symbolische van vroegere samenlevingen staat bij Baudrillard 'het
sociale' in de moderne maatschappij. Hij stelt met nadruk dat er in het verleden 'maatschappijen
zonder het sociale hebben bestaan'. Pas wanneer 'de netwerken van symbolische
verplichtingen' in traditionele samenlevingen worden afgebroken, ontstaat er op de ruïnes ervan
zoiets als 'het sociale' . Welnu, het sociale blijkt voor Baudrillard samen te vallen met het rijk van
de schaarste. 'Het beheer van de groepsbelangen' , waardoor in bepaalde versies van
Baudrillards theorie het sociale bepaald wordt, komt overeen met 'het beheer van de schaarste'
(Baudrillard 1985: 119)· Hierbij wordt steeds uitgegaan 'van het principe' dat er op elk gebied
'nooit genoeg is voor iedereen'.

'Het sociale produceert deze schaarste, die noodzakelijk is voor het onderscheid tussen goed en kwaad,
en voor iedere morele orde in het algemeen. Het gaat hier om een schaarste die de 'eerste
samenlevingen van overvloed', zoals beschreven door Marshall Sahlins, niet kenden.' (Baudrillard 1986:
54).

Hoe raadselachtig bepaalde delen van deze uitspraken uit 'de vrolijke wetenschap' van
Baudrillard ook mogen klinken - en Baudrillard kent meerdere theorieën van het sociale
(Baudrillard 1986: 47v) - zij maken wel duidelijk dat er in de geschiedenis van een
gewelddadige breuk of omkering sprake is, waarin de opkomst van de schaarste een hoofdrol
speelt. Alle andere hierboven genoemde filosofen zijn het op dit punt met hem eens. Dat geldt
ook voor de school van de substantivisten in de culturele antropologie - waarvan Polyani en

25
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Sahlins belangrijke vertegenwoordigers zijn - die stelt dat er voor de moderne economie, die
rondom het schaarstebegrip opgebouwd is, geen analogie in traditionele samenlevingen te
vinden is. De materiële reproductie van het leven werd daar niet gekenmerkt door de moderne
economische categorieën en wetmatigheden, juist omdat de schaarste er onbekend was.

3.2 B. De vermijding van de schaarste in de traditie

In dit boek zullen de consequenties en implicaties van het verschijnen van en het beheer over
de schaarste, zoals die door een vijftal sociale filosofen uitgewerkt zijn, centraal staan. De
achtergrond waartegen hun denken zich ontvouwt, wil ik hier schetsen. Daarbij val ik in eerste
instantie vooral terug op de theorieën van Girard, zoals die met name door Pierre Dumouchel
naar het schaarstebegrip zijn uitgewerkt (Dumouchel 1979).
Oog in oog met ‘de natuurlijke toestand van de mens’ als ‘een oorlog van allen tegen allen’ doet
zich bij Hobbes de klassieke vraag voor hoe menselijk samenleven mogelijk is. Zijn antwoord
luidt dat de mensen met behulp van de natuurwetten via een sociaal verdrag de grote Leviathan
kunnen construeren. De almachtige staat is voor Hobbes de grote regulator van de schaarste.
Ze heft de schaarste niet op, maar verhindert de openlijk gewelddadige consequenties ervan en
leidt haar zelfs in vruchtbare banen. De oplossing van Hobbes is echter alleen maar in de
moderne tijd bekend. Zowel de theorieën over het maatschappelijk verdrag als die over de oor-
sprong en functie van de staat zijn een zeer recent antwoord op de vraag hoe menselijk
samenleven mogelijk is. Hoe luidde het traditionele antwoord dat hieraan voorafging?
Impliciet is dat al in het voorgaande aan de orde geweest, toen ik verwees naar Girard volgens
wie de religie voortkomt uit de situatie die na de moord op de zondebok ontstaat. Mythen, riten
en verboden dienen er alle toe de situatie waaruit het collectieve geweld voortkwam te
vermijden. Voor een verdere uitwerking van deze drie hoofdkenmerken van elke religie moet ik
naar het werk van Girard en Dumouchel verwijzen; in aansluiting op het voorgaande noem ik
hier alleen het incesttaboe. Hier hebben we misschien met een van de weinige culturele
verschijnselen te maken waarvan we kunnen stellen dat ze universeel voor de hele mensheid
gelden. Het incestverbod kan gezien worden als een poging om 'de schaarste aan vrouwen', de
mimetische strijd tussen mannen om de beschikbare vrouwen, te voorkomen. Uit de vele
varianten van het incestverbod wordt het duidelijk 'dat er geen medische, biologische of
psychologische overwegingen aan ten grondslag liggen' (Kaptein en Tijmes 1986: 52). Het kan
alleen begrepen worden als we het zien als een poging om het collectieve mimetische geweld
binnen de groep te beteugelen. Lévi-Strauss verdoezelt dit punt van de dreigende mimetische
conflicten door er de nadruk op te leggen dat het hier niet zozeer om een negatief verbod van
incest gaat, alswel om een positief gebod tot exogamie. Hij meent dat de verplichting om elders
huwelijkspartners te zoeken, waardoor uitwisseling tussen groepen mensen tot stand komt,
belangrijker is dan de negatieve connotaties van het incesttaboe.
Als we het incesttaboe met andere taboes en verboden in verband brengen, lijkt de eerdere
verklaring, die het vooral negatief opvat, meer voor de hand liggen. Ook rondom voedsel blijken
er allerlei taboes en verboden te bestaan, die met de angst voor mimetische begeerte
verbonden zijn. Natuurlijk staan hier ook geboden naast. Enerzijds mogen bepaalde
voedingsmiddelen niet genuttigd worden, anderzijds wordt voedsel onderling veelvuldig
gedeeld. In beide gevallen wordt voorkomen dat voedsel een bron kan worden voor mimetische
twisten tussen mensen.
Vanuit dezelfde religieussacrale achtergrond kunnen veel andere gebruiken, gewoonten en
symbolen verklaard worden. Elke traditionele cultuur kan, zo laat Dumouchel zien, beschouwd
worden als een geheel van in het sacrale ingebedde gewoonten en overtuigingen, die ertoe
dienen om schaarste te voorkomen. Natuurlijk wordt hiermee niet ontkend dat mimetische
begeerte en allerlei vormen van rivaliteit in traditionele culturen een belangrijke rol spelen. Men

26
Literatuur thema management economie en recht EHB32

probeert ze echter vaak zodanig te kanaliseren dat de gemeenschap er niet door desintegreert.
Zo kan de onderlinge wedijver op groepen buiten de gemeenschap worden gericht (het wedijve-
ren in heldendaden in de strijd), of kan er, zoals M. Mauss (1980) als eerste heeft laten zien,
gewedijverd worden in vrijgevigheid. In beide gevallen wordt de onderlinge solidariteit en
betrokkenheid binnen de eigen groep gehandhaafd.
Juist deze onderlinge solidariteit maakt het onmogelijk dat er zoiets als schaarste ontstaat. In
het laatste deel zal ik deze voor ons zo paradoxale uitspraak uitwerken naar het mondiale
schaarstevraagstuk van de honger; hier volsta ik met één voorlopige aanduiding, die laat zien
dat de logica van de solidariteit precies tegengesteld is aan die van de schaarste. In het vijfde
hoofdstuk van Stone Age economics laat Sahlins zien hoe 'primitieve' samenlevingen op
solidariteit en wederkerigheid zijn gebouwd. Een objectieve vermindering van voedselvoorraden
leidt in een dergelijke samenleving niet, zoals bij ons, tot toenemende schaarste, maar
vermeerdert juist de solidariteit. In tijden van een tekort aan voedsel zien we hoe de
gemeenschapsbanden sterker worden. 'Ieder doet extra zijn best om de religieus-sociale
verplichtingen ten opzichte van zijn verwanten, de behoeftigen en de goden te vervullen. In dit
verband wijst Sahlins ook op een beroemd onderzoek dat Robert Firth onder de Tikopia
verrichtte. Het betrof de effecten van een langdurige hongersnood die dit volk teisterde. In het
begin leidde het gebrek aan voedsel tot een versterking van de solidariteit binnen de
verschillende dorpen. Naarmate de crisis langer duurde, beperkte de solidariteit zich echter
meer en meer tot de kring van de families. Wel hield men de schijn van de oude solidariteit nog
op, maar in feite onttrok men zich eraan. Voedsel werd voor elkaar verborgen, zodat het niet
gedeeld hoefde te worden, en er werd over en weer gestolen. Binnen de familiegrenzen bleef
de solidariteit echter intact. Het is niet moeilijk te raden wat er gebeurd zou zijn als de
voedselcrisis zich had doorgezet. De gemeenschap zou zijn gedesintegreerd. De leden ervan
zouden zich in openlijk geweld tegen elkaar hebben gekeerd.
Dit laatste voorbeeld laat zien dat in de traditionele samenlevingen schaarste slechts als
limietsituatie denkbaar is. Ze valt samen met de oersituatie van onderling geweld waarin de
gemeenschap uiteenvalt. Schaarste kan, zo herhaalt Dumouchel (1979: 164) nog eens een les
die ook van Hobbes en Locke geleerd kan worden,

'niet gedefinieerd worden door de hoeveelheid beschikbare goederen en hulpbronnen of door de


karigheid van de natuur. Schaarste wordt geconstrueerd in het netwerk van tussenmenselijke
verhoudingen. De wijze waarop het maatschappelijk veld gestructureerd is, maakt het al dan niet mogelijk
of schaarste als object verschijnt.'

Welnu, in primitieve en traditionele samenlevingen kan de schaarste niet verschijnen. Ze staat


er gelijk aan het oorspronkelijke geweld. Als we heel strikt redeneren is er totaal geen plaats
voor de moderne institutionele schaarste (die iets totaal anders is dan een tijdelijk tekort), omdat
de verschijning ervan zou samenvallen met de verdwijning van de betreffende cultuur, die
immers juist een constructie was om de schaarste verre te houden.

Die constructie hoeft overigens niet uitsluitend de positieve lading te krijgen die het begrip
solidariteit voor de moderne mens meestal inhoudt. In een in dit verband belangrijk artikel laat
George Forster (1972: 165) zien dat traditionele samenleving· gen veel cultuur-gebonden
symbolen kennen, 'waarvan de functie is de gevaren die volgens hen uit de afgunst
voortkomen, te neutraliseren, te verminderen, of op andere wijze te beheersen' . Nauwkeurige
lezing van Forsters artikel laat zien dat het . hier steeds strategieën betreft die de schaarste
moeten voorkomen. Welnu, een aantal van deze strategieën, die ik hier niet verder uit zal
werken, zal zeker door de moderne lezer niet zo positief gewaardeerd worden als het begrip
solidariteit doet verwachten. Andere strategieën zijn weer verbonden met de hiërarchische

27
Literatuur thema management economie en recht EHB32

verhoudingen in traditionele samenlevingen. De afgunst kan in dit geval wel vrij binnen één
hiërarchische groep woeden, maar krijgt tussen de verschillende groepen geen kans.
Daarnaast moeten we niet vergeten dat de traditionele religieuze mechanismen soms zelf zeer
gewelddadig waren. In het vervolg van dit boek zal ik vooral de positieve mechanismen uit
traditionele samenlevingen, die de schaarste op een afstand hielden, belichten. Hierdoor raakt
het gegeven dat de religie het oorspronkelijke geweld vaak alleen kon beteugelen dank zij
nieuw ritueel en sacrifieel geweld, misschien te veel op de achtergrond. In de meeste religies -
bij de Grieken gaat dit zelfs tot aan de klassieke beschaving - speelt het mensenoffer in
bepaalde al of niet extreem geachte situaties steeds een rol. Een kenmerk van de joodse
traditie, waar ik nog op terugkom, is daarentegen weer dat men zich heftig verzette tegen de
mensen- en kinderoffers bij de omringende volken.

3.3 C. ‘Heer der vliegen’

Het fundamenteel gewelddadige karakter van (de oorsprong van) de cultuur, dat in de mythen
erkend/miskend wordt, komt onovertroffen tot uiting in een van de opzienbarendste literaire
scheppingen van na de Tweede Wereldoorlog. Omdat hierin alle hierboven behandelde thema's
gedrenkt in een voortdurend aanwezige atmosfeer van mogelijk geweld behandeld worden,
verwijs ik er kort naar.
In Lord of the Flies (1965) van Nobelprijswinnaar William Golding belandt een aantal Engelse
jongens na een vliegtuigongeluk op een onbewoond eiland. In hun pogingen om hier een
nieuwe cultuur en samenleving te creëren, doorlopen ze de geschiedenis van de mensheid min
of meer in omgekeerde richting. Holding benadrukt dat ze in een paradijselijke situatie
terechtkomen. Er is op het eiland een overvloed aan eten en drinken en het klimaat is heerlijk.
Van schaarste is geen sprake. Ralph, een van de hoofdpersonen, begroet vol vreugde en
onschuld zijn nieuwe omgeving. Hij voelt zich bevrijd van de knellende banden van de
maatschappij der volwassenen
De oorspronkelijke paradijselijke onschuld gaat echter al snel verloren. Nadat de identieke
tweeling Sam en Eric het 'Kaïn en Abel' -motief al hebben aangekondigd, verschijnt Jack ten
tonele. Van meet af aan is er sprake van een biomedische wedijver tussen hem en Ralph om
de erkenning van en het gezag over de andere jongens. De schaduw van de schaarste valt
over de gemeenschap, de ondergrondse angst krijgt naarmate het verhaal vordert iedereen in
zijn greep, de van meet af aan potentiële dreiging van het geweld wordt steeds tastbaarder.
Aanvankelijk overheerst de oude beschaving nog. Zoals het moderne westerse jongens
betaamt, proberen ze via contracten en afspraken de samenleving in de te richten en de
schaarste te bezweren. Bijna even fanatiek als Hobbels in Leviathan, benadrukken ze dat de
afspraken moeten worden gehouden, dat 'de regels' niet overtreden mogen worden. Daarnaast
werken de remmingen van de oude beschaving nog. Zelfs het doden van een wild varken om
aan vlees te komen blijkt aanvankelijk vanuit de huiver voor bloedvergieten onoverkomelijk .
Langzamerhand verandert het paradijs van de overvloed echter in de hel van de schaarste. De
oude geboden en verboden van de beschaving verliezen hun kracht omdat het geweld van de
politie en de volwassenen er niet meer achter staan. De jongens beseffen zelf dat zij van
'geciviliseerde Engelsen' aan het afglijden .zijn 'naar een stamverband van wilden'. Ze begrijpen
het mechanisme waardoor dit gebeurt echter niet en kunnen er geen weerstand aan bieden. De
angst voor 'het beest' dat van buitenaf de gemeenschap bedreigt, krijgt hen allen in zijn greep.
Alleen Simon, de helderziende epilepticus, weet dat 'het beest' niet van buiten komt, maar uit de
spanningen in de groep zelf ontstaat. Dit besef kan hij echter slechts stamelend verwoorden.
Niemand luistert naar hem.
Als de wedijver tussen Ralph en Jack niet meer te stuiten is, valt de kleine samenleving uit
elkaar. De situatie van een oorlog van allen tegen allen lijkt onvermijdelijk. Op dit moment van

28
Literatuur thema management economie en recht EHB32

totale verwarring, waaraan de natuur in een heftig onweer het hare bijdraagt, redt de groep zich
via het ritueel van de zondebok. Simon is er het aangewezen slachtoffer van, zoals' de heer der
vliegen' (een verwijzing naar de oudtestamentische Baal, die kinderoffers eiste) - de met vliegen
omgonsde kop van een varken dat de jongens gedood hebben - hem ook in een soort visioen
openbaart. In een orgie van geweld, waarin alle onderlinge verschillen tussen de jongens
wegvallen, wordt hij als het mythische 'beest' waar ze bang voor waren, gelyncht.
Voor een korte tijd zijn zowel de natuur als de jongens zelf hierdoor verzoend. Een tweede
zondebok is echter nodig om de groep tot rust te brengen. Wie dat zal zijn,' heeft Holding al
vanaf het begin van het boek aangeduid. De dikke, slome, bijziende Big is het volgende
slachtoffer van het niet te stoppen geweld. Als na zijn dood tenslotte ook de mensenjacht op
Ralph wordt ingezet, worden we helemaal herinnerd aan de oude mythen over de zondebok,
die vaak vertellen hoe het slachtoffer opgejaagd en achtervolgd wordt. Een marineschip dat de
jongens op het eiland ontdekt heeft, maakt op dat moment een eind aan het ontketende
oergeweld.
Alle elementen uit het universum van Hobbels (aapgevuld met dat van Gerard) zijn in Lord of
the Files aanwezig. De schaarste komt uit de biomedische verhoudingen binnen de groep voort
en materialiseert zich zelfs als 'het beest van de zee', als Leviathan, het mythische
watermonster uit Job 41 waar Hobbels naar verwijst. Ook bij de jongens komt 'de hoop om hem
te overmeesteren ... bedrogen uit' (Job 41, 28). Het ontbreekt hen aan inzicht om het
mechanisme waardoor 'het beest uit de zee' ontstaat, te doorzien en om hem - zoals Hobbels
doet - met de ratio te temmen tot de grote Leviathan.
Voor zover de schaarste op materiële objecten betrokken is (de grote hoorn, de schelp), gaat
het om zaken die het leiderschap symboliseren. Het dreigende geweld van de schaarste kan
tenslotte alleen via contracten en afspraken of via het zondebokmechanisme bezworen worden.
Omdat 'de macht van het zwaard' niet achter de afspraken aanwezig is, werken ze niet en
treedt' de natuurlijke toestand van de mens' in. Een oorlog van allen tegen allen wordt afgewend
door het offer van de zondebokken. Door hun afwijkende eigenschappen zijn dezen al min of
meer voorbestemd voor hun rol. Daarnaast zijn beiden de meest wijze en verstandige leden van
de groep. De basis voor een eventuele toekomstige vergoddelijking is er al. Ze zijn echter ook
allebei schuldig aan de wanorde die is ontstaan. Als Ralph na afloop van de trance van de
rituele moord beseft dat hij mee heeft gedaan aan het lynchen van Simon, voert hij als
verontschuldiging aan dat Simon 'er ook om vroeg', dat hij er zelf schuld aan had.
Het zou te ver voeren Holdings literaire schepping verder te analyseren. Het ging mij hier vooral
om de voortdurende dreiging van wreedheid en geweld die uit elke bladzijde van het boek
spreekt, om de door henzelf onbegrepen angst die de jongens gevangen houdt en om het
inzicht van Holding dat het gewelddadige offer van de zondebok als het begin van een
beschaving bijna onvermijdelijk is.

3.4 D. De opkomst van de schaarste

Er rijzen minstens twee vragen, die na de bovenstaande analyses nog beantwoord moeten
worden. Als de schaarste in de geschiedenis altijd gelijkgesteld is aan het geweld van de
biomedische crisis dat voorkomen diende te worden, hoe is het dan . mogelijk dat de moderne
maatschappijen, die op het fundament van de schaarste zijn geconstrueerd, niet aan een totaal
geweld ten onder gaan? De vraag die hieraan voorafgaat, luidt natuurlijk hoe de overgang van
een traditionele naar een moderne maatschappij kan worden gedacht. Hoe is te verklaren dat
samenlevingsstructuren , die rond het sacrale allerlei vermijdingsstrategieën van de
biomedische begeerte hadden geconstrueerd, veranderd zijn in maatschappijen die op
schaarste zijn gegrondvest? Hoe is het mogelijk geworden dat de schaarste de rol van de
religie heeft overgenomen?

29
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Ik begin met de beantwoording van de laatste vraag.

'De schaarste is het algeheel verloren gaan van de solidariteitsverplichtingen die de gemeenschap
verenigden. Zij is de systematische overtreding van de traditionele verboden. Zij is de bewuste weigering
van de antimimetische bescherming, die het heilige en de religie boden. Deze omkering ten aanzien van
het heilige en de religie schept als sociale constructie een . geheel van goederen en hulpbronnen dat
zodanig is, dat de behoeften en verlangens van allen niet bevredigd kunnen worden.' (Dumouchel 1979:
179)

Deze uitspraak van Dumouchel laat zien dat de opkomst van de schaarste in verband moet
worden gebracht met gebeurtenissen die binnen de structuur van de religie hebben
plaatsgevonden. In navolging van Girard (1985) wijst hij op de joods-christelijke openbaring en
de langzame doorwerking daarvan in de westerse geschiedenis. Girards nauwgezette en
stimulerende analyses van de joodse overlevering laten zien .hoe daarin de religieuze werking
van het zondebokmechanisme langzaam ondermijnd wordt. Het geweld ervan wordt doorzien
en aan de kaak gesteld. De vervolgers zijn niet meer onschuldig, terwijl de zondebok schuldig
is. Neen, Abel is onschuldig, net als Jozef en Job en een lange rij joodse profeten en getuigen,
die men tot religieuze zondebokken probeerde te maken. Dit ontmaskeringproces van het
geweId van de traditionele religie bereikt haar hoogtepunt in de figuur van Jezus van Nazareth.
Juist omdat hij de onschuldige bij uitstek is, ontmaskert hij het geweld van de vervolgers
definitief. Zeker, ook de figuur van Jezus is door kerk en christendom (dit proces begon al in
het Nieuwe Testament met de Brief aan de Hebreeën) als zoenoffer ingepast binnen een
religieus sacrifieel schema. Ook zijn dood is (volgens Girard (1978a) ten onrechte)
geïnterpreteerd als een offer voor de zonden der mensheid. Deze inpassing in de religie heeft
echter de langzame en ondergrondse doorwerking van de ontmaskering van het sacrale door
het evangelie niet kunnen tegenhouden.
Deze ontmaskering ontneemt de religie stukje bij beetje haar werkzaamheid. Die berustte
namelijk op het gegeven van de erkenning/miskenning van de oersituatie waaruit de religie
ontstond. De mythen vertelden het verhaal van het oorspronkelijke geweld steeds vanuit het
gezichtspunt van de vervolgers, de offers werden gebracht om na-ijverige goden te eren en
tevreden te stellen, de verboden en taboes waren door diezelfde godheden aan de
gemeenschap opgelegd om het onderlinge geweld te voorkomen. Na de ontmaskering van het
religieuze mechanisme door Jezus, nadat deze de mensen zelf verantwoordelijk had gesteld
voor het geweld, werkt de religie niet meer. De geboden en verboden die vanuit de religie de
menselijke solidariteit in stand hielden, de riten en offers die de mimetische' begeerte
afweerden, worden in een langdurig historisch proces van binnenuit uitgehold. Aan het eind,
hiervan ontstaat er tenslotte zoiets als de moderne schaarste.
Dit antwoord van Girard en Dumouchel op één van de twee eerder gestelde 'vragen, klinkt
plausibel. Het sluit aan bij dat van veel denkers, filosofen en theologen (ik noem hier E. Levinas,
D. Bonhoeffer, K. Barth en in ons land A. Th. van Leeuwen) die op de desacraliserende werking
van jodendom en christendom heb· ben gewezen. Dit neemt niet weg dat het onderzoeksveld
dat zich hier aftekent, nog onoverzienbaar is en dat er ongetwijfeld de nodige nuanceringen,
aanvullingen en verbeteringen op en van Girards hypothese gedaan zullen moeten worden.
Een van de nuanceringen die ik hier alleen maar aanduid, is dat zich, parallel aan de ontwik-
keling in het joodse denken, in de klassieke Griekse traditie een dergelijke ontwikkeling heeft
afgespeeld. Met name in de Griekse tragedies raakt men, zoals Girard benadrukt, aan de
kennis van het zondebokmechanisme. De tegenstelling tussen de figuur van lob en de Oedipus
van Sophocles, die Girard (1985) in dit verband beschrijft, zou wel eens te scherp kunnen zijn
aangezet. Ook de (afwijzende) besprekingen van Plato, en met name van Aristoteles, van de
opkomst van het economische denken in hun tijd laten zien dat er indertijd binnen het netwerk
van de menselijke betrekkingen zoiets als schaarste ontstond (Klever 1986).

30
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Het antwoord op mijn tweede vraag werpt ook een nieuw licht op de breuk of omkering waarvan
bij Hobbes sprake was. Het laat zien dat de voorlopers van zijn f radicale stellingname
waarschijnlijk vooral binnen de middeleeuwse theologie moe· ten worden gezocht. Hier vond
immers in hoofdzaak de ondergrondse doorwerking van de evangelietekst plaats. Theologen
als Willem van Ockham en Marsilius van Padua worden op sociaalfilosofisch en kentheoretisch
gebied vaak als wegbereiders van Hobbes gezien (De Clercq 1986: 86v). Ook hier ligt, met
name voor filosofen die dikwijls aan de grenzen van de middeleeuwse theologie halt houden,
een groot en braak onderzoeksterrein. Ivan Illich is een van de weinig hedendaagse denkers
die dit terrein met veel liefde en een fenomenale kennis van zaken verkent. Vooral de dertiende
eeuw krijgt als theologisch scharnierpunt naar de moderniteit zijn aandacht (Illich 1985a: 154v).
Tenslotte wordt hieruit ook Hobbes' prestatie als antropoloog die de 'natuurlijke toestand van de
mens' blootlegt, begrijpelijk. In het Engeland van Hobbes en Shakespeare zijn alle traditionele
religieuze instituties die de samenleving bijeenhielden en haar tegen het collectieve onderlinge
geweld beschermden, in principe weggevallen. Nieuwe vervangende instituties zijn nog
nauwelijks opgekomen. Ze zullen pas door Locke, die over de kapitalistische economie gaat
nadenken, gethematiseerd worden. Op het breukvlak tussen traditie en moderniteit zien Hobbes
en Shakespeare de mensheid als het ware in heel haar oorspronkelijke naaktheid.
Veel symbolische mechanismen in de traditionele samenleving zijn, zoals we al zagen, volgens
Forster opgebouwd vanuit een vrees voor de afgunst, zowel de eigen afgunst als die van de
anderen. In het universum van Hobbes zijn al deze mechanismen weggevallen. Het is dan ook
geen wonder dat het gekenmerkt wordt door vrees als overheersende emotie en dat de afgunst
er vrij spel heeft. Alleen vanuit deze alles doortrekkende angst, die de hele maatschappij in haar
ban houdt, kunnen de mensen volgens Hobbes op rationele wijze een nieuwe maatschappelijke
orde creëren, die in de plaats moet komen van de traditioneel religieuze.

3.5 E. Economie als moderne religie

'Hoe juist bovenstaande antwoorden op mijn tweede vraag zijn, laat ik in het midden. Voorlopig
duiden ze minstens een plausibele richting voor verder onderzoek aan. De 'eerste vraag die ik
stelde, is hiermee echter nog niet beantwoord. Het opkomen van de schaarste mag met
bovenstaande beschouwingen enigszins begrijpelijk zijn geworden, er is nog niet verklaard
waarom de moderniteit niet aan het geweld van de schaarste ten onder gaat. Girard stelt, en na
mijn beschrijving van het universum van Hobbes lijkt mij deze conclusie onontkoombaar, dat

'de moderniteit gezien kan worden als één grote sacrifiële crisis ... Primitieve samenlevingen zouden aan
een dergelijke situatie geen weerstand kunnen bieden: het geweld zou er elke maat verliezen om
tenslotte op zijn hoogtepunt het mechanisme te ontketenen van de mimetische crisis.' (Girard 1972)

Deze zou tenslotte dan de eenheid en saamhorigheid van de samenleving weer kunnen
herstellen. De moderne, gedesacraliseerde mensheid beschikt echter niet meer over dit
mechanisme. Als naast dit uiterste redmiddel ook alle andere symbolistsacrale mechanismen
verdwenen zijn, luidt nog steeds de vraag hoe menselijk samenleven in dit geval mogelijk is.
Waarom gaat de moderne wereld, die door schaarste wordt gekenmerkt, niet aan een explosie
van geweld ten onder?
Op deze vraag is een aantal elkaar deels aanvullende en deels overlappende antwoorden
mogelijk. Het meest voor de hand liggende bestaat uit een - al of niet vrolijk - doemdenken. We
vinden dit bijvoorbeeld bij Baudrillard (1986), als hij suggereert dat een 'explosieve' samenleving
als de onze nooit lang kan bestaan. Er zijn volgens Baudrillard veel tekenen die wijzen op een
aanstaande catastrofale en gewelddadige overgang naar een nieuw implosief maatschappelijk
systeem. Het geweld dat in het traditionele denken altijd met schaarste werd geïdentificeerd, is

31
Literatuur thema management economie en recht EHB32

slechts uitgesteld. Eens zal het op afschuwelijke wijze in een mimetische crisis - we kunnen dan
denken aan de mimetische strijd tussen de supermachten - losbarsten. Naast deze beant-
woording van de vraag, waarvan ik het gewicht zeker niet wil ontkennen, is er een aantal
andere antwoorden mogelijk, die deels in dit boek aan de orde komen. De opkomst van de
(sterke) staat als regulator van de schaarste is al aan de orde geweest. In het vervolg van dit
boek zal ik nog uitgebreid terugkomen op de beloften van voortdurende groei en expansie, die
pretenderen de schaarste in de toekomst eens te kunnen opheffen.
Al deze antwoorden op de vraag waarom onze maatschappij (voorlopig) niet aan het
ongebreidelde geweld van de schaarste ten onder is gegaan of gaat, klinken plausibel. Ze
leiden onze aandacht echter af van een verrassend gegeven, dat Dumouchel naar voren
brengt. De moderne schaarste is volgens hem een ambivalente realiteit. Naast de negatieve
gewelddadige kant van de schaarste is er een positieve kant. Als zodanig vormt zij zelfs het
positieve fundament dat de moderne maatschap· pij mogelijk maakt en laat voortbestaan.
Schaarste vervangt volgens Dumouchel letterlijk de religie als fundament van de maatschappij.
Zoals het sacrale traditioneel het menselijk samenleven beschermde voor het totale mimetische
geweld van een oorlog van allen tegen allen, gebeurt dat nu door de schaarste. De opvattingen
van veel denkers uit de marxistische hoek, die erop gewezen hebben dat de (burgerlijke)
economie. met de schaarste als haar kern de religie van de moderne tijd is, worden hier vanuit
een onverwachte hoek bevestigd (Van Leeuwen 1984).
Juist omdat ik in dit boek verder nauwelijks in zal gaan op de specifieke plaats van de moderne
economie, lijkt het mij noodzakelijk om hier even stil te staan bij schaarste als een fundament
dat het menselijk samenleven in de moderne tijd mogelijk maakt.

'Alle samenlevingen blijken over culturele vormen, gedragsnormen en cognitieve perspectieven te


beschikken, die ertoe dienen om de vrees voor de consequenties van de afgunst te verminderen.
Hierdoor wordt zowel een bijdrage geleverd aan de stabiliteit van de sociale groep als aan het psychische
welzijn van het individu.' (Forster 1972: 175)

Een van de mechanismen die Forster hier aanduidt, is dat de ruil van goederen via de handel
sterk werd ingeperkt. Ruilrelaties die twee partijen vanuit het bedacht zijn op eigen voordeel met
elkaar konden aangaan, werden zoveel mogelijk vermeden. In plaats van via de economische
ruil vond de uitwisseling van goederen veelal plaats vla de .institutie van de gift, waar ik in het
vervolg nog op terug zal komen. Als er al van ruil sprake was, gebeurde dat aan de marge van
de samenleving. Toen hiervoor later markten ontstonden, waren deze steeds gebonden aan
allerlei institutionele beperkingen, o.a. van plaats en tijd. Omdat in de economische ruil afgunst
en hebzucht een belangrijke rol speelden, waren oorlog en strijd steeds dreigend op de
achtergrond aanwezig. De sluimerende, potentiële conflicten van de ruilsituatie konden op
markten altijd onverwacht oplaaien.
In verschillende Indo-Germaanse talen dragen veel met ruil en handel verbonden woorden nog
het stempel van de gevaren die er traditioneel mee verbonden werden geacht. Het Engelse to
sell is bijvoorbeeld verwant met het gotische saljan, dat betekent. ‘het bloed van een menselijk
offer vergieten’ En het Franse hôte, dat 'gast' betekent,. komt van dezelfde Latijnse stam als
hostilité (vijandschap). Niet alleen de taal getuigt nog dat van. de potentiële gewelddadige
kanten van de ruilrelatie. Bookchin heeft gelijk als hij stelt dat

'filosofen, van Aristoteles tot Hegel, steeds bevreesd zijn geweest voor de ontbindende rol die
georganiseerde handel en. industrie voor de ruil konden spelen... 'Goedkoop kopen' en 'duur verkopen’
pIaatst de partijen in het ruilproces in een inherent antagonistische positie; zij zijn potentiële rivalen voor
elkaars goederen. De waar - die onderscheiden moet worden van de gift, die bedoeld is om
bondgenootschappen. te creëren, het samengaan te bevorderen en de maatschappelijkheid te versterken
- leidt tot rivaliteit, ontbinding en onmaatschappelijkheid' (Bookchin 1982: 135-136) .

32
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Op dit punt van mijn betoog moet ik erkennen dat in deze studie natuurlijk een plaats had
moeten worden ingeruimd voor een binnen het historische vertoog over de schaarste uiterst
belangrijke denker. Juist Adam Smith breekt, als de vader van de economie, met alle
traditionele ideeën die de ruil met afgunst en potentieel geweld verbonden. Voor hem is de ruil
het vredestichtende mechanisme bij uitstek. Ze is de menselijke handeling par excellence. De
mens onderscheidt zich van het dier vooral vanwege het feit dat hij ruilrelaties kan aangaan.
'Heeft men ooit een hond vanuit ., zichzelf een bot met een andere hond zien ruilen?' vraagt
Adam Smith (1986 118) retorisch. Het eigenbelang, verbonden met de mimetische begeerte die
wil hebben wat de ander heeft, die in de ruil altijd een rol spelen, zijn bij Smith niet meer
gevaarlijk. Zij bevorderen juist de welvaart. De 'onzichtbare hand' zorgt ervoor dat individuen die
elk voor zich hun (mimetische) begeerte volgen, toch maatschappelijk welzijn creëren. Reeds
Mandeville stelde in het begin van de achttiende eeuw duidelijk dat 'partijen die elkaar
bestrijden' , tegen hun bedoeling en zin in 'elkaar helpen' (Mandeville 1985: 18).
De totale maatschappelijke strijd die traditioneel bij de ruil steeds op de achtergrond dreigde, is
in de moderniteit kennelijk afwezig. De moderne economische schaarste, waaruit de ruilrelaties
ontstaan, sticht juist vrede. Ze heeft de gewelddadige schaarste van de traditie deels
vervangen. Hoe kan dat?
Op deze vraag zijn in de lijn van het denken van Girard verschillende antwoorden gegeven. Ik
stip enkele punten eruit aan, waarbij ik opmerk dat het noodzakelijk zou , zijn om vanuit dit soort
antwoorden het denken van Adam Smith uitgebreid te analyseren.
Dumouchel maakt duidelijk dat juist het loslaten van de traditionele verwantschaps- en
gemeenschapsbanden, hoe vreemd dat na het voorafgaande ook klinken mag, de schaarste als
een strijd van allen tegen allen voorkomt. In traditionele samenlevingen bergt elk conflict tussen
twee mensen het gevaar in zich dat het zich uitbreidt. Voelt één van de twee zich benadeeld,
dan kan hij vaak een beroep doen op zijn verwanten om hem bij te staan. Dit roept een
soortgelijke reactie bij de andere 'Partij op, waardoor de twist zich al snel uitbreidt. Zelfs
Bookchin, die een idyllisch portret schetst van de oorsprong van de mensheid, ontkomt er niet
aan op het bestaan van de institutie van de 'bloed·eed' en de 'bloedband' te wijzen. Juist deze
instituties leidden in bepaalde gevallen tot een oorlog van allen tegen allen, waardoor de
gemeenschap desintegreerde. De ons bekende vendetta is hier nog een hedendaagse uitloper
van.
Ten gevolge van de erosie van de traditionele instituties zijn volgens Dumouchel in de moderne
maatschappij mensen 'uitwendig' aan elkaar geworden. Ze zijn, als de los van elkaar
bewegende atomen uit de maatschappij van Hobbes, grotendeels onverschillig geworden voor
het leed dat anderen kan treffen. In elk geval worden ze er niet noodzakelijkerwijs bij betrokken.
Juist deze onverschilligheid maakt het mogelijk dat de ruilrelatie algemeen wordt, uitgroeit tot
het economisch fundament van de maatschappij. Wie in deze relatie aan het kortste eind trekt,
blijft immers als individu steeds alleen staan. Miljoenen kleine oorlogjes verschillen
fundamenteel van, leiden niet tot een totale maatschappelijke strijd.
Dupuy (1979: 112v) voegt hieraan toe dat het ontstaan van de ruilwaarde en de industriële
productie van waren in dit proces ook een belangrijke rol spelen. In de voorbeelden van de
mimetische begeerte die Girard (1986a) uit de romanliteratuur geeft, gaat het voor de strijdende
partijen steeds om een uniek object, bijvoorbeeld om die ene vrouw of man, bij wie vergeleken
elke andere vrouw of man 'waardeloos' wordt. In de economie gaat het echter, zoals Marx stelt,
steeds om ruilwaarden. Waren krijgen pas waarde in de ruil met elkaar. De gebruikswaarde
verdwijnt achter de ruilwaarde; er bestaan geen unieke objecten, ze zijn alle equivalenten van
elkaar. De maatschappelijke mimetische strijd om objecten hoeft nu niet meer tot openlijk
geweld te leiden. Wie begeert wat de ander begeert, kan zijn begeerte op het equivalent
richten. Het model dat nagevolgd wordt, wordt in deze relatie minder snel een obstakel. Het blijft
vooral model, het zal de volgeling meestal aanzetten tot een poging om het equivalent van het
begerenswaardige object te bemachtigen. Niet. zozeer de ander wordt het obstakel, alswel het

33
Literatuur thema management economie en recht EHB32

geld, als 'algemeen equivalent'. Dit laatste staat in de weg of, beter, het moet verkregen worden
om dat te kunnen bezitten wat het model bezit.
Hiermee kom ik tenslotte bij het uiterst intrigerende boek van Agliena en Orléan over 'het
geweld van het geld' (1982). De auteurs wijzen erop dat het geld twee kanten kent. Enerzijds
leidt de uitvinding van het geld, zoals Locke al stelde, tot het: ontstaan van (economische)
schaarste. Anderzijds verhindert het geld dat schaarste in een openlijke oorlog van allen tegen
allen ontaardt. Net als het heilige in traditionele samenlevingen is het geld in de moderne
samenleving een mechanisme om de schaarste zo niet te overwinnen, dan toch wel te
beheersen. Voor de auteurs wordt het geld een soort zondebok. Zoals de zondebok in de
culturele orde wordt het geld in de economische orde buitengesloten; het is het enige object dat
geen gebruikswaarde heeft. In deze zin wordt het geld ook gekenmerkt door de ambivalentie
van de zondebok. Enerzijds krijgt het de schuld van geweld en schaarste, anderzijds wordt het
vergoddelijkt omdat het er een oplossing voor biedt.
Het is de moeite waard om op dit punt even naar Marx vooruit te wijzen, voor wie het geld 'de
universele middelaar' is (MEW Ergänzungsband 1986: 562-567). Het. model is geen middelaar
meer; de gewelddadige strijd tussen middelaar en volgeling wordt afgezwakt tot de
economische strijd om geld. Interessant is dat Marx deze rol van het geld vooral via
Shakespeare illustreert. Als het geld in plaats van 'de andere mens' komt, als 'koppelaar tussen
de behoefte en het object' , dan ziet Marx dat met name weerspiegeld in een lange monoloog
van Timon uit Timon van Athene. De ambivalentie van het geld wordt hierin weer duidelijk.
Enerzijds is het goddelijk, het . is voor Marx 'een zichtbare godheid', die 'verbroedert' en
waarvan de mens 'de slaaf' is. Anderzijds is het datgene wat de schaarste en het geweld binnen
alle relaties introduceert. Zo bewerkstelligt het zelfs' de scheiding van vader en zoon'. Als god is
het geld gelijk aan Mars, de god van de oorlog die overal, zelfs in de heilige huwelijksrelatie ,
twist zaait.

Bovenstaande beschouwingen kunnen in aansluiting op Sahlins misschien als volgt worden


samengevat. In traditionele samenlevingen 'heeft men, in de verhoudingen en relaties waarin
ruil plaatsvindt, geen voorstelling van de vrijheid om ten koste van anderen winst te maken'
(Sahlins 1974: 162). Als dat wel het geval zou zijn geweest, zouden deze maatschappijen dit
niet lang hebben overleefd. In moderne maatschappijen kan men zich deze vrijheid juist wel
voorstellen; ze staat centraal, ze is ingebakken in allerlei instituties. De uitvinding van de
economie heeft het mogelijk gemaakt dat moderne samenlevingen niet aan deze vrijheid ten
onder zijn gegaan.

3.6 F. Schaarste en geweld

De juistheid van dit antwoord, dat stelt dat de economie en de specifiek economische schaarste
het geweld beteugelen en onze maatschappij bijeenhouden, wil ik niet betwisten. Het is echter
zeker niet volledig, het dient aangevuld te worden met de hierboven aangeduide en in het
vervolg nog uitvoerig te b~spreken antwoorden. D~ komt nog iets bij. Zoals ik ook in het vervolg
zal laten Zien, verplaatst de economische concurrentie vaak het geweld naar elders. Niet de
twee direct concurrerenden , lijden primair onder het geweld van de schaarste, maar derden
worden er het slachtoffer van. Juist deze derden maken het, zoals Dumouchel trouwens ook
aangeeft, mede mogelijk dat een samenleving die op schaarste gebouwd is, wordt gekenmerkt
door een relatieve afwezigheid van geweld.
De schaarste is met andere woorden zeker niet alleen het uiterlijk vreedzame , economische
mechanisme dat de moderne samenleving bij elkaar houdt; de onzichtbare slachtoffers ervan
zijn meestal aan de marge van de moderne samenleving te vinden. Juist naarmate de
schaarste zich over de hele wereld uitbreidt, worden deze slachtoffers talrijker; naarmate

34
Literatuur thema management economie en recht EHB32

bijvoorbeeld de inzet van de strijd om schaarse middelen steeds hoger wordt, wordt het milieu
als derde steeds meer verwoest. Als 'positief’ mechanisme blijkt de schaarste nauwelijks meer
te werken. Het, geweld dat traditionele samenlevingen er altijd mee verbonden hebben,
openbaart zich meer en meer.
Hier ligt voor mij een van de belangrijkste redenen waarom ik deze studie van de schaarste
onderneem. De kritiek van Marx richtte zich op de vooronderstellingen van de burgerlijke
economie (Tromp 1983: 45). De eerste vooronderstelling die hij bekritiseerde, was dat de
economie ervan uitging dat de wijze waarop m de burgerlijke samenleving werd geproduceerd
en geruild, de enig mogelijke was. Concurrentie. winstbejag en privébezit van de
productiemiddelen waren volgens Marx geen aalgerenmenselijke, eeuwige antropologische
kenmerken. Ze behoorden bij een historisch bepaald soort maatschappij en juist daarom
konden ze in de toekomst overwonnen worden. Hetzelfde is met schaarste als sociale realiteit
het geval. Juist het gegeven dat vroegere samenlevingen deze realiteit niet kenden, kan
misschien onze sociale fantasie wakker roepen om haar voor een deel in de toekomst te
overwinnen. Dat bij dit laatste inspiratie uit het verleden geput kan worden, is voor mij
vanzelfsprekend. Dat elk idee over een terugkeer naar dit verleden met alleen onmogelijk, maar
zelfs pervers is, hoop ik in het vervolg aan te tonen.

35
Literatuur thema management economie en recht EHB32

36
Literatuur thema management economie en recht EHB32

4 Hybels - Moedig leiderschap

4.1 Het gebed van een leider

'God, kneed me en vorm me tot ik al mijn mogelijkheden als leider heb bereikt.'

Ik heb veel kostbare momenten met God doorgebracht terwijl ik alleen op een boot zat. Op een
dag lag ik voor anker in Lake Michigan en begon ik een aantal gedachten te noteren over mijn
eigen capaciteiten als leider. Ik schreef: 'God, ik wil een betere leider zijn dan ik nu ben. Als ik
op een dag voor U sta, wil ik niet moeten erkennen dat ik de kansen heb verspeeld die U me
hebt gegeven. Ik wil mijn vaardigheden als leider ontwikkelen tot ik mijn maximale capaciteit
heb bereikt. Maar daar heb ik uw hulp voor nodig. Zorgt U er alstublieft voor dat ik de juiste kant
op groei en wijs me de weg die ik moet gaan.'
Terwijl ik dit gebed schreef, voelde ik me door de Heilige Geest geleid om gedeelten in het
Oude en Nieuwe Testament op te zoeken over het leven van een aantal van mijn favoriete
leiders. Nadat ik had nagedacht over de levens van deze verschillende mannen en vrouwen en
de prijzenswaardige aspecten van hun leiderschap, begon ik te bidden dat hun sterke kanten
duidelijker tot uitdrukking zouden komen in mijn leven.

4.2 'God, maak me zoals David'

De eerste leider die me te binnen schoot, was koning David. Eén van de redenen dat hij tot mijn
meest favoriete leiders behoort, is zijn optimisme. Tijdens die dag op de boot bad ik: 'O, God,
geef me het optimisme van David. Ik wil me net als David bewust zijn van wat er kan gebeuren
als U zich ergens mee bemoeit.'
Vanaf de eerste dag dat David de koningsmantel aantrok en leider werd, begon hij met gelovig
optimisme heldendaden te verrichten voor God, op een manier die behoedzame leiders niet
eens in overweging zouden nemen. David had zo'n diep geloof in de kracht van God dat een
reus hem niet kon intimideren, een moordzuchtige koning hem niet kon verlammen en
meedogenloze vijanden hem niet konden verslaan. Vol vertrouwen marcheerde David overal
heen waar God hem leidde, in de volle overtuiging dat hij onderweg genade en kracht zou ont-
vangen.
Oh, God, dacht ik, daar heb ik meer van nodig in mijn leiderschap.
Zelfs op het dieptepunt van zijn leven bleef het gelovige optimisme van David overeind. Toen hij
een morele zonde had begaan met Batseba en God hun eerstgeborene sloeg met ziekte,
raakte David zijn optimisme niet kwijt. Hoewel God had gezegd dat het leven van dit kind zou
worden opgeëist vanwege de zonden van zijn vader, gaf David de hoop niet op. Hij viel op zijn
knieën. Hij bleef zes dagen en nachten lang bidden en vasten. Hij richtte zich op de kleinste
kans dat God zijn pasgeboren zoon zou sparen.
Maar, zoals u weet, God spaarde zijn zoon niet. Het kindje stierf.
Later, toen men hem vroeg waarom hij toch was gaan vasten en bidden, zei David: 'Ik dacht:
misschien is de Here mij genadig, zodat het kind in leven blijft' (2 Samuël 12:22). In deze woor-
den klinkt Davids optimisme heel sterk door.
'Misschien is God genadig.'
'Misschien gebruikt God zijn kracht om mij te helpen.'
'Misschien verrast God me wel met iets bovennatuurlijks.'

37
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Optimisten verwachten dat ze Gods grootheid en liefde zullen ervaren, ook al worden ze
geconfronteerd met miserabele omstandigheden.
Ik heb als leider dit soort optimisme nodig. Wie niet?
Ook voor de mensen die onder onze leiding staan, is het nodig dat wij optimistisch zijn. Ze
worden elke dag overspoeld met een gestage stroom van pessimisme. Televisie, kranten,
tijdschriften en misdaadverslaggeving laten steeds dezelfde dreun horen: 'Het ziet er somber uit
en het wordt steeds erger. Er is geen teken van licht aan de horizon. Er is geen enkele reden
voor hoop.'
Mensen hebben een leider nodig die met gelovige overtuiging kan zeggen: 'Wacht even. Het
kan wél beter worden. Mensenlevens kunnen worden veranderd door de kracht van Christus.
Het leed kan worden verzacht door Gods genade. Onderdrukking kan worden opgeheven. De
zonde kan worden overwonnen. De kerk kan de poorten van de hel verzwakken.'
In de nasleep van 11 september en de daaruit voortvloeiende recessie heb ik elke dag
gebeden: 'God, geef me het optimisme van David. Help me eraan te denken dat U leeft, dat U
machtig, genadig en barmhartig bent. Help me om zonder enige twijfel te geloven dat U bereid
en in staat bent om nieuwe dingen te doen in mijn leven, in uw kerk en in de wereld.
'Maak me als David, zodat ik een leider kan zijn die hoop geeft. Help me om andere mensen op
te richten in een gelovig optimisme. Ikzelf en de mensen die onder mijn leiding staan, hebben
de positieve geest van David op dit moment harder nodig dan ooit.'
Moet u dat gebed misschien ook bidden?

4.3 'God, maak me zoals Jonatan'

Nadat ik over David had nagedacht, bladerde ik automatisch naar Jonatan, de goede vriend van
David. Omdat Jonatan de zoon was van koning Saul, was Jonatan de rechtmatige troon-
opvolger. Hij was ook een zeer intelligente en begaafde jonge leider. Maar Jonatans positie in
het leven was lang niet zo indrukwekkend als de toestand van zijn hart. Toen ik aan Jonatan
dacht, bad ik: 'Heer, geef me Jonatans vermogen om lief te hebben.'
Jonatan had een enorm vermogen om lief te hebben. In zijn jonge jaren ging zijn oprechte liefde
uit naar David, ook al had hij David kunnen beschouwen als een bedreiging voor zijn eigen
erfenis. Maar Jonatan offerde zijn vriendschap met David niet op om zijn eigen toekomst veilig
te stellen. Integendeel, hij legde zijn hart op een presenteerblaadje en bood het David aan.
Die dag op mijn boot bad ik: 'God, ik wil geen leider zijn die de gemeenschap offert op het altaar
van onze doelen voor het koninkrijk. Ik wil mensen niet gebruiken. Ik wil mensen niet zien als
instrumenten. Ik wil net zo'n hart hebben als Jonathan, met een enorm vermogen om lief te
hebben.' Met een hart als dat van Jonathan hoef ik nooit meer bang te zijn dat mijn hart
verschrompelt op de manier die ik in het vorige hoofdstuk heb beschreven.
Van tijd tot tijd moet ik mezelf eraan herinneren dat Jezus de test van de liefde gebruikt om te
bepalen of we goede discipelen zijn. De maat waarmee mijn leven en leiderschap uiteindelijk
zal worden gemeten, is die van de liefde. Als ik het goed op me laat inwerken, besef ik dat ik
liever bekend sta als een man van liefde dan als een man met visie. Ik heb liever dat mensen
aan me denken als een man van liefde dan als een man met strategisch inzicht. Ik word liever
herinnerd als een man van liefde dan als iemand die een heleboel doelen heeft bereikt.
Die dag begon ik in volle ernst te bidden: 'God, geef me Jonathans vermogen om lief te
hebben.'

38
Literatuur thema management economie en recht EHB32

4.4 'God, maak me zoals Jozef’

Terwijl ik verder ging met bidden, dwaalden mijn gedachten af naar Jozef. Hij is een van mijn
helden vanwege zijn integriteit. Ik bad: 'God, geef me de persoonlijke heiligheid van Jozef.'
De snelheid waarmee Jozef macht en invloed verkreeg, doet denken aan die van een meteoor.
Mensen die zo snel opklimmen, krijgen vaak last van trots en gaan ervan uit dat ze een uit-
zonderingspositie innemen. We weten allemaal dat macht vaak leidt tot corruptie. Misschien
hebt u, als leider, haar klauwen al gevoeld in uw eigen vlees.
Maar Jozef maakte geen misbruik van zijn macht. We kunnen in de Bijbel lezen dat hij
financiële corruptie, politieke schandalen en seksuele verleiding uit de weg ging. Hij bleef
onbesmet tot het einde.
Wat was de sleutel van Jozefs integriteit? Ik geloof dat hij zijn positie als leider beschouwde als
een heilig rentmeesterschap waarover hij op een dag verantwoording zou moeten afleggen voor
God. Ik geloof dat Jozef leefde in het dagelijkse besef dat leiders een hoge mate van moreel
gezag moeten bezitten om goede leiding te kunnen geven. Moreel gezag komt voort uit een
volkomen toegewijd hart, een onbesmette geest en een zuiver geweten voor God. Jozefs
integriteit gaf hem moreel gezag en dat bleef zo voor de rest van zijn leven.
Ik heb zulke integriteit nodig. Mensen die onder mijn leiding staan, moeten erop kunnen
vertrouwen dat ik niet in de goot zal eindigen, dat ik geen dubbelleven ga leiden, dat ik er niet
met het geld vandoor ga, dat ik niet toegeef aan de normen en waarden van de wereld en dat ik
me niet laat verleiden door verzoekingen. Mensen moeten kunnen vertrouwen op mijn integri-
teit.
Ik weet dat er maar één manier is om corruptie te voorkomen, en dat is door elke dag van mijn
leven naar God toe te gaan en te bidden of Hij me zijn kracht wil geven.
Ik moet denken aan een oud gezang dat een betere omschrijving geeft van mijn leven dan ik
zou willen:

Prone to wander, Lord I feel it.


Prone to leave the God I love.*

Geneigd tot dwalen, Heer, dat voel ik.


Geneigd om de God die ik liefheb te verlaten.

'Come, Thou Fount of Every Blessing', door John Wyeth en Robert Robinson.

Ik vind het verschrikkelijk dat er van tijd tot tijd een dwalende, opstandige geest de kop opsteekt
in mijn leven. Maar ik kan die niet negeren of gewoon weigeren er iets aan te doen. Hij is er en
hij is echt, en dat moet ik toegeven. Ik moet ertegen vechten met een heel arsenaal geestelijke
oefeningen. Die oefeningen of disciplines ervaar ik soms als een last - dat moet ik bekennen.
Maar ik weet hoe waardevol ze zijn, dus ik blijf eraan vasthouden, zoals een verdrinkende man
zich vasthoudt aan een reddingsboei.
Ik heb de dagelijkse discipline nodig om mijn gebeden helemaal uit te schrijven, anders kan ik
me niet concentreren. U bent gezegend, als u die vervelende discipline niet nodig hebt, maar ik
kan er niet buiten.
Ik heb ook de dagelijkse discipline van afzondering nodig om naar God te kunnen luisteren, ook
al hoor ik mijn dagelijkse verplichtingen als gewonde dieren naar me schreeuwen.
Ik heb de discipline nodig om rekenschap af te leggen aan mensen die de moed hebben om
harde woorden tegen me te spreken wanneer dat nodig is.

39
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Aangezien ik een groot deel van mijn leven doorbreng voor het oog van de camera's en voor
het voetlicht, moet ik regelmatig iets goeds doen zonder dat iemand het ziet, en dan aan God
en mezelf beloven dat ik deze goede daden niet zal gebruiken als voorbeeld in mijn preken.
Elke leider moet te weten zien te komen welke regels, oefeningen en geestelijke disciplines hij
of zij nodig heeft om de neiging tot afdwalen te overwinnen. En het is zonde van de tijd om uw
eigen geestelijke regime te vergelijken met dat van andere leiders. U moet regels kiezen die bij
u passen.
Tijdens die dag op mijn boot bad ik: 'O God, ik wil net als Jozef mijn opdracht vervullen zonder
U te schande te maken. Geef me alstublieft de integriteit van Jozef.'
Ik geloof dat veel leiders dat gebed nodig hebben. U ook?

4.5 'God, maak me zoals Jozua'

Vervolgens bad ik: 'God, geef me de besluitvaardigheid van Jozua.' Het mooiste moment uit
Jozua's leven vind ik die keer toen hij voor zijn volk stond en riep: 'Kiest dan heden wie gij
dienen zult. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen' (Jozua 24:15)
Bij leidinggeven gaat het voornamelijk om het nemen van de juiste beslissingen en het
oproepen van anderen dat ook te doen. Leiders moeten een duidelijk standpunt innemen over
de belangrijkste levensvragen, en de mensen die onder hun leiding staan oproepen hetzelfde te
doen.
Dat deed Jozua.
Als Jozua uw kerk of de mijne zou leiden, zou hij een toekomstvisie overdragen tot eer van God
en dan zou hij zeggen: 'Oké, jullie hebben het plan gehoord. Nu is het tijd om te beslissen. Jullie
moeten nu instappen of opzij gaan, want deze trein staat op het punt te vertrekken.'
Als Jozua uw kerk of de mijne zou leiden, zou hij aan het eind van elke preek over de verlossing
zeggen: 'Zoekers, vroeg of laat moeten jullie beslissen. Willen jullie je zonde erkennen en ge-
nade ontvangen? Of gaan jullie voorbij aan de grootste daad van liefde die deze zondige wereld
ooit heeft gezien? Jullie zullen je standpunt moeten bepalen. Jullie moeten een keuze maken.'
Jozua zou onze mensen vragen een moedige beslissing te nemen over zaken als
lidmaatschap, vrijwilligerswerk, betrokkenheid bij een kring, rentmeesterschap en het oplossen
van conflicten. Jozua geloofde dat niemand zomaar vanzelf de weg opgaat waar God geëerd
wordt; mensen moeten ervoor kiezen om God te volgen. Ik ben dat met hem eens. Mensen
moeten een weloverwogen beslissing nemen; het is vaak een moeilijke keuze die hen heel wat
kost. En leiders zijn degenen die deze dappere besluiten kunnen stimuleren.
Wij, als leiders, moeten meer en meer de verantwoordelijkheid op ons nemen om mensen tot
een beslissing te leiden over belangrijke levensvragen. We moeten mensen eraan herinneren
dat het leven geen spelletje is en dat ze hun geestelijke groei serieus moeten nemen. De
dingen waar het in ons leven en onze bediening om gaat, hebben eeuwigheidswaarde en
vragen dus om enkele moedige besluiten.
Terwijl ik die dag op de boot nadacht over Jozua, bad ik: 'God, geef me de besluitvaardigheid
van Jozua. Die heb ik nodig!' Misschien hebt u die ook nodig.

4.6 'God, maak me zoals Ester'

Herinnert u zich deze opmerkelijke jonge vrouw? Nadat ik haar verhaal op me had laten
inwerken, bad ik: 'O, God, geef me de moed van Ester.'
Ester was meer vanwege haar schoonheid dan vanwege haar bekwaamheden op een
leidinggevende positie terechtgekomen en stond nu op het kruispunt waar het lot van haar volk
bepaald werd - en dat van haarzelf. Ze kon twee dingen doen: haar leven riskeren door voor

40
Literatuur thema management economie en recht EHB32

haar volk te pleiten bij een gevaarlijke koning, of haar huid redden door de naderende crisis te
negeren. Herinnert u zich wat ze deed? Nadat ze de hele Joodse gemeenschap had gevraagd
drie dagen en nachten voor haar te vasten en te bidden, zei ze: 'Dan zal ik tot de koning gaan
ondanks het verbod; kom ik om, dan kom ik om' (Ester 4:16).
'Ik zal het goede doen... kom ik om, dan kom ik om.' Ester zette alles op het spel. Ze was bereid
haar status, positie, privileges, veiligheid en zelfs haar leven te verliezen om te doen waartoe
God haar had geroepen.
'Kom ik om, dan kom ik om.'
Haar moed was geen teken van dwaze roekeloosheid en niets wijst op een overmaat aan
testosteron. Ester geloofde gewoon dat bepaalde dingen de moeite waard waren om voor te
leven en te sterven.
Soms, als ik kijk naar de verzwakte toestand van de kerk over de hele wereld, komt de
gedachte bij me op dat er alleen een vernieuwing kan plaatsvinden als een hele generatie
leiders net zoveel moed zal kunnen opbrengen als Ester. Ze zullen moeten zeggen: 'Het is
genoeg geweest. Er is een nieuwe dag aangebroken. De werkelijkheid is anders geworden. We
gaan de kerk op een nieuwe manier organiseren - op een meer bijbelse, relevante,
weloverwogen en creatieve manier dan we ooit hebben gedaan. Als we daarbij onze reputatie,
onze status of onze veiligheid verliezen, dan moet dat maar. We moeten doen waartoe God ons
heeft geroepen. Komen we om, dan komen we om.'
Soms doet het me pijn, als ik zie hoeveel potentiële vernieuwingen in de kerk niet worden
doorgevoerd vanwege een gebrek aan moed bij de leiders. Ik moet me soms ontzettend in-
houden om leiders niet bij hun revers te pakken en te vragen: 'Wanneer ga je nou eens op het
doel af? Op welk leven wacht je eigenlijk? In welke fase van je leven ga je eindelijk doen waar-
voor God je de talenten heeft gegeven? Wanneer neem je nu eens moedig de leiding?'
Soms heb ik zin om voorgangers en predikanten te smeken: 'Wil je nu alsjeblieft eens
besluitvaardig optreden of je anders terugtrekken om iemand anders de ruimte te geven? Doe
het één of het ander. Maar er moet iemand moed vatten en deze kerk gaan leiden.'
Ik hoop dat ik niet superieur klink als ik dit zeg. U zou geschokt zijn, als u wist hoe vaak ik in
mijn gebed ouderwetse lafhartigheid en angst moet belijden. Ik huiver bij de gedachte aan alle
ellende die ik over Willow heb gebracht omdat ik miste wat een jonge schoonheidskoningin in
overvloed had - moed!
Te vaak schrik ik terug voor moedig optreden, omdat ik geen tientallen jaren van werk op het
spel wil zetten. Soms zeg ik tegen mezelf: 'Ik heb me genoeg ingespannen. Ik wil geen risico's
meer nemen. Ik wil niet nog een keer tot het uiterste gaan.'
Maar als ik die gevoelens krijg, probeer ik te denken aan Ester, die zei: 'Ik zal het goede doen...
Kom ik om, dan kom ik om.'
Ik heb de moed van Ester nodig. En dat geldt voor heel veel leiders.

4.7 'God, maak me zoals Salomo'

Terwijl ik bleef nadenken over verschillende leiders, kwam ik bij Salomo en zijn legendarische
wijsheid terecht en ik bad: 'O God, als U me maar een gedeelte van Salomo's wijsheid zou
geven.'
Onder het laagje zelfvertrouwen zou u bij veel leiders een man of vrouw vinden die 's nachts
vaak slapeloos in bed ligt te draaien en te keren van onzekerheid. Ze worden achtervolgd door
vragen waarop geen gemakkelijk antwoord te vinden is. Is het tijd om met een nieuw plan van
start te gaan, of moeten we het bestaande programma consolideren en alles een tijdje laten
bezinken? Is het tijd om de gemeente te motiveren, of is een woord van vermaning beter op zijn
plaats? Moeten we een nieuw staflid nog een kans geven om zichzelf te bewijzen, of is het tijd
hem te helpen een andere plek te vinden waar hij beter kan dienen?

41
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Zo nu en dan vragen mensen me vriendelijk hoe ze voor me kunnen bidden. Mijn antwoord luidt
bijna altijd hetzelfde: 'Bid alsjeblieft om wijsheid. Bid alsjeblieft dat mijn leiderschap wordt
gekenmerkt door godvruchtige nuchterheid. Bid alsjeblieft dat ik in alles zal weten wat Gods wil
is.'
Het werkt elk jaar weer ontnuchterend, als ik bedenk welke tragische gevolgen het heeft als ik
Willow of de Willow Creek Association uit de koers breng. Mensen verwachten van hun leiders
dat ze de koers aangeven. Hoe kunnen we de juiste koers kiezen zonder Gods wijsheid?
Ik heb de wijsheid van Salomo hard nodig. En u ook.

4.8 'God, maak me zoals Jeremia'

Vervolgens dacht ik aan de emotionele oprechtheid van Jeremia. Wanneer het niet goed ging
met zijn bediening, stortte Jeremia zijn teleurstelling uit voor God. Wanneer alles de verkeerde
kant op ging, wanneer de mensen geen acht sloegen op zijn boodschap, wanneer het leek alsof
de boze de overhand had, werd Jeremia niet cynisch en raakte hij niet verbitterd. Met zeldzame
eerlijkheid uitte hij zijn ware gevoelens tegenover God. Hij gaf toe dat hij zich verlaten voelde en
bang was voor de toekomst. Daarna liet hij God toe zijn gebroken hart te genezen.
Naar menselijke maatstaven is het op geen enkel moment in zijn leven goed gegaan met
Jeremia's bediening. Hij bleef echter trouw aan zijn roeping. Hij ontkende zijn teleurstellingen
niet, maar bracht die eerlijk bij God en opende zijn hart om goddelijke kracht en bemoediging te
ontvangen, waardoor zijn wanhoop veranderde in hoop. Ondanks de teleurstellingen en niet
uitgekomen verwachtingen in zijn leven en bediening, is hij nooit zijn vertrouwen kwijtgeraakt in
de trouw van God. In Klaagliederen 3:22b-23 heeft hij vijftien onvergetelijke woorden over God
geschreven: 'Want zijn barmhartigheden houden nooit op, elke morgen zijn zij nieuw. Groot is
uw trouw!'
Vroeger lukte het me altijd aardig goed om 'een masker op te zetten'. Wanneer ik het moeilijk
had in mijn bediening of teleurgesteld was in het leven, wist ik precies wat ik moest zeggen en
hoe breed ik moest glimlachen om de mensen ervan te overtuigen dat alles in orde was. Maar
na verloop van tijd besefte ik dat het soms gemakkelijker was om andere mensen ervan te
overtuigen dat het goed met mij ging dan mijn eigen hart. Ik leerde dat de hoop en het
vertrouwen van Jeremia niets te maken hadden met het opzetten van een masker. Je ontvangt
die alleen als je eerlijk met je gebroken hart naar God gaat en je door Hem laat aanraken met
genezende balsem.
Ik vraag me af hoevelen van ons zouden moeten bidden: 'God, geef me de emotionele
oprechtheid van Jeremia,' om Gods trouw werkelijk te kunnen ervaren.

4.9 'God, maak me zoals Nehemia'

Nehemia is een van de grootste leiders uit het Oude Testament. We kunnen allerlei lessen
trekken uit zijn leiderschap, maar de belangrijkste voor mij was Nehemia's gevoel voor het
belang van allerlei vieringen.
U kent het verhaal. Nadat ze tweeënvijftig dagen lang onafgebroken bezig waren geweest om
de muren van Jeruzalem te herbouwen, organiseerde Nehemia een groot feest voor al zijn
trouwe arbeiders. Hij wilde dat ze met volle teugen zouden genieten van hun gezamenlijke
prestatie. Hij wilde dat ze waardering zouden tonen voor eikaars harde werk en dat ze God zou-
den prijzen omdat Hij hen had gesteund in hun moedige poging. De Bijbel vertelt in detail wat
een geweldig feest het was.
Nehemia heeft ervoor gezorgd dat ik het belangrijker ben gaan vinden bijzondere
gebeurtenissen te vieren. Hij maakte me ervan bewust dat je saaie mensen en saaie kerken

42
Literatuur thema management economie en recht EHB32

krijgt, als er alleen maar wordt gewerkt en niet gespeeld. Alleen maar dienen en niets vieren is
een zekere manier om mensen uit te putten en ze van hun vreugde te beroven. We mogen dat
als leiders niet laten gebeuren. We moeten net zo bewust omgaan met het organiseren van
overwinningsfeesten als met het toewerken naar de doelen van onze organisatie.
Een van de manieren waarop leiders de motivatie van de mensen die onder hun leiding staan
op peil kunnen houden, is door het inlassen van vrolijke, opwekkende vieringen tot eer van
God. Ik heb die dag op mijn boot gebeden: 'God, help me nooit te vergeten hoe belangrijk
feestjes zijn. Help me eraan te denken om, net als Nehemia, te vieren wat we hebben bereikt.'
Sinds die dag op het water hebben we een aantal mooie feesten gehad bij Willow. Het is binnen
onze teams een gewoonte geworden om elke belangrijke conferentie af te sluiten met een
feestelijke viering, zodat we eraan worden herinnerd wat een voorrecht het is om te mogen
doen wat we doen en om dat te doen met de mensen die we liefhebben. Soms huren we een
heel restaurant af en genieten we tot laat in de avond van heerlijk eten en drinken. We lachen
om de verhalen die we elkaar vertellen over wat er achter de schermen is gebeurd. We herin-
neren elkaar eraan hoe ongelooflijk God ons heeft gezegend toen we voor een moeilijke taak of
een onverwacht probleem stonden. We bemoedigen elkaar en bedanken elkaar voor ieders
bijdrage. In deze geest van saamhorigheid lijkt de last van onze bediening opeens heel licht.
Leiders, hebt u de laatste tijd wel feestjes gepland?

4.10 'God, maak me zoals Petrus'

Nadat ik over Nehemia had nagedacht, gingen mijn gedachten naar Petrus. In het Nieuwe
Testament worden zowel de goede als de slechte, lelijke kanten van Petrus' leiderschap ge-
noemd. Hoewel er veel in Petrus is wat we als leiders moeten vermijden, is er ook veel waar we
bewondering voor kunnen hebben. Als ik denk aan Petrus' bereidheid om de eerste stap te
zetten en in actie te komen, bid ik: 'God, maak van mij een leider die weet hoe belangrijk het is
om initiatieven te nemen.'
Petrus wordt vaak bekritiseerd om zijn angst, waardoor hij begon te zinken toen hij probeerde
op het water te lopen, maar hij zou toch op zijn minst ook waardering moeten krijgen omdat hij
de enige discipel was die uit de boot stapte? Daar was initiatief voor nodig.
En ja, het is waar dat Petrus verbale beloften deed die hij niet altijd kon houden. Maar soms
was hij ook de enige van de twaalf discipelen die bereid was iets te zeggen. Hij was de eerste
die Jezus openlijk de langverwachte Messias noemde. Hij nam het initiatief om de Heer te eren
met die titel.
En we weten natuurlijk allemaal dat hij zich een beetje liet gaan in Getsemane en iemands oor
afhakte. Maar Petrus kon niet werkeloos toezien hoe zijn Verlosser en vriend onschuldig werd
gearresteerd. Hij moest toch iets doen!
Ook al ben ik duidelijk een man van actie, toch aarzel ik van tijd tot tijd om het initiatief te
nemen. En ik zie dat ook terug bij andere kerkleiders. We verschuilen ons in ons kantoor, terwijl
onze kerk het doel uit het oog verliest en in verval raakt. Of we zitten rustig koffie te drinken,
terwijl we kritiek leveren op andere leiders die aan het front staan en risico's nemen. Zeker, ze
slaan misschien zo nu en dan de plank mis, maar ze proberen in elk geval iets te betekenen.
We konden ons maar beter net als Petrus aansluiten bij de mensen die initiatieven nemen voor
het koninkrijk, nieuwe dingen proberen en in de aanval gaan op een manier waar de vijand niet
van terug heeft.
We zouden maar beter kunnen bidden om de moed en het initiatief van Petrus.

43
Literatuur thema management economie en recht EHB32

4.11 'God, maak me zoals Paulus'

Hoe zou ik die dag kunnen besluiten zonder een kort gebed over het leiderschap van Paulus?
Toen ik aan Paulus dacht, bad ik: 'God, geef me de gedrevenheid van Paulus.'
In Chicago hebben wij met onze eigen ogen kunnen zien wat 'intensiteit' betekent. Jarenlang
hebben we op de eerste rij kunnen toekijken naar een van de opmerkelijkste sportmannen uit
de geschiedenis van de profsport: Michael Jordan. De erfenis die hij in Chicago heeft
nagelaten, gaat veel verder dan zijn buitengewone talent of zijn verbazingwekkende atletische
kwaliteiten. Het was zijn ongelooflijke gedrevenheid, anders gezegd: zijn 'intensiteit', waardoor
hij zo ver boven andere getalenteerde profsporters uitstak. Zijn doelgerichtheid. Zijn arbeids-
ethos. Zijn ambitie. Zijn drang om te winnen.
Michael was zo intens met de wedstrijd bezig, dat hij al zijn teamgenoten op een hoger niveau
bracht. Je kon het team van de tegenstanders vaak langzamerhand zien verslappen onder de
aanhoudende druk die Michael uitoefende. Tegen het einde van het vierde kwart nam Michael
het spel gewoon over. Zijn boodschap was duidelijk: 'Ik laat niet over me heen lopen. Dit team
geeft de overwinning niet prijs.' De andere teams waren na afloop meestal niet alleen
verslagen, maar ook ontmoedigd.
De apostel Paulus is de enige volgeling van Christus van wie ik weet dat hij net zo'n enorme
gedrevenheid had voor Jezus als Michael voor basketbal. Wanneer je het verhaal van de
apostel Paulus leest, komt zijn intense toewijding duidelijk naar voren:

'Maar ik tel mijn leven niet en acht het niet kostbaar voor mijzelf, als ik slechts mijn loopbaan
mag ten einde brengen en de bediening, die ik van de Here Jezus ontvangen heb' (Handelingen
20:24).
'Eén ding doe ik... [ik] jaag... naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in
Christus Jezus' (Filippenzen 3:14).
'Ik voor mij zal zeer gaarne offers brengen, ja, mijzelf opofferen voor uw zielen' (2 Korintiërs
12:15).
'Want het leven is mij Christus en het sterven gewin' (Filippenzen 1:21).
'In de renbaan... [kan] slechts één de prijs... ontvangen. Loopt dan zó, dat gij die behaalt!' (1
Korintiërs 9:24).
En dan zijn befaamde woorden aan het einde van zijn leven: 'Ik heb de goede strijd gestreden,
ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden' (2 Timoteüs 4:7-8).
Uiteindelijk richt hij zijn woorden aan de volgelingen van Christus in de komende eeuwen:
'Voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid... doch niet alleen [voor] mij, maar ook
[voor] allen, die zijn verschijning hebben liefgehad' (2 Timoteüs 4:8b).

Strijd! Behoud het geloof! Breng de loop ten einde! Als ik die woorden van Paulus hoor, kan ik
mijn emoties haast niet bedwingen. Ik wil meer van die gedrevenheid in mijn leven. Tijdens die
dag op mijn boot bad ik: 'God, help me om me te blijven richten op het doel. Help me om mijn
ogen gericht te houden op de prijs van de hoge roeping van God in Christus Jezus. Help me om
de belangrijkste wedstrijd ter wereld te lopen met alle energie die ik heb. Help me om de
wedstrijd te winnen tot eer van Degene die ik in de hemel voor altijd zal aanbidden. Help me om
zo te leven dat ik aan het einde kan zeggen dat ik de goede strijd heb gestreden met alle kracht
die ik in me had; dat
ik de bediening heb volbracht die aan mij was toevertrouwd; dat ik het geloof heb behouden en
er nooit van ben afgeweken.'
Het is mijn hartsverlangen om een onverwelkelijke krans te verdienen en daar net zo intens
naar te streven als Michael Jordan naar zijn verwelkelijke krans. Er staat in het Koninkrijk

44
Literatuur thema management economie en recht EHB32

oneindig veel meer op het spel dan in de profsport. De uitkomst van onze wedstrijd is van
belang voor de eeuwigheid. De beloning is voor eeuwig.
Ik denk dat het tijd wordt dat we allemaal aan God om meer intensiteit vragen, dat we niet
allerlei drukke bezigheden moeten zoeken, maar dat we een verstandige, Paulus-achtige
gedrevenheid krijgen tot eer van Christus. Misschien is het een goed idee om in de diepte te
gaan en de woorden van Paulus te bidden. Spreek ze maar na met de vastberadenheid van
een leider. Herhaal ze, totdat de woorden in uw gedachten gegrift staan.

'Maar ik tel mijn leven niet en acht het niet kostbaar voor mijzelf, als ik slechts mijn loopbaan
mag ten einde brengen en de bediening, die ik van de Here Jezus ontvangen heb.'
'Eén ding,doe ik... [ik] jaag... naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in
Christus Jezus.'
'Ik voor mij zal zeer gaarne offers brengen, ja, mijzelf opofferen voor uw zielen.'
'Want het leven is mij Christus en het sterven gewin.'
'In de renbaan... [kan] slechts één de prijs... ontvangen. Loopt dan zó, dat gij die behaalt!'
'Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof
behouden.'
'Voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid... doch niet alleen [voor] mij, maar ook
[voor] allen, die zijn verschijning hebben liefgehad.'

Het is mijn verlangen dat we worden gevormd door deze gebeden en dat we door Gods genade
onze volledige bekwaamheid als leider bereiken.

Bill Hybels, ‘Het gebed van een leider’, In: Moedig leiderschap, Gideon, Hoornaar, 2002, isbn
90 6067 845 1, p. 220-235 (16p)

45
Literatuur thema management economie en recht EHB32

46
Literatuur thema management economie en recht EHB32

5 Flikweert - Eén vertrekpunt, één eindpunt, maar gescheiden


wegen

Christenen bewandelen sinds jaar en dag in de politiek verschillende wegen. Niet slechts
in de politiek, maar ook in allerlei maatschappelijke organisaties en in het bijzonder in de
kerk blijkt dat het christen-zijn voor het staan in kerk en samenleving voor verschillende
christenen verschillende implicaties heeft.

Wat is de reden dat christenen politiek gezien gescheiden optrekken? Naar mijn mening is het
niet zozeer een verschil in schriftbeschouwing dat ten diepste de verschillen aan de oppervlakte
brengt. Voorts is het ook de vraag of dat een gescheiden optrekken zou kunnen legitimeren. De
fundamentele reden is mijns inziens vooral gelegen in de visie op de rol van de overheid. Hier is
alle eeuwen door al verschillend over gedacht, maar met het voortschrijden van de tijd blijkt de
visie op de overheid ten diepste het breekpunt te zijn.

In dit artikel wil ik eerst de politieke wegen van enkele christenen in de tijd na het ontstaan van
de parlementaire democratie in Nederland belichten. Hier wil ik de personen van Groen van
Prinsterer, Kuyper, Colijn, Kersten en Aantjes voor het voetlicht halen. Om wille van de ruimte
doe ik dat zo beknopt mogelijk. Hierbij let ik vooral ook op hun manier van optreden en op hun
samenwerking met medechristenen.
Het artikel wordt afgesloten met een waarderende paragraaf over de rol van de christen in de
politiek, zoals ik die zie in deze tijd.

5.1 Groen van Prinsterer, anti-revolutionair:

De politieke visie van Groen van Prinsterer (1801-1876) is van de negatieve kant bezien 'anti-
revolutionair' en van de positieve kant bezien 'christelijk-historisch' te noemen. Handhaving en
herstel van Nederlandse beginselen was voor hem het richtsnoer. En het Nederlandse
beginsel vordert voor alles de erkenning van het protestantse karakter van de natie.
Groen verzette zich tegen de 'revolutie'. Hieronder verstond hij 'de omkering van denkwijs en
gezindheid in geheel de Christenheid openbaar, de grondstellingen van vrijheid en gelijkheid,
volkssoevereiniteit, maatschappelijk verdrag (...) de revolutie is de ontwikkeling van een
volslagen scepticisme, waarbij Gods woord en wet terzijde is gelegd. Het terrein der anti-
revolutionaire beginselen is onbereikbaar, zolang men niet erkent dat de grondslag van het
recht in de wet en ordening Gods ligt.’
De anti-revolutionaire richting stond onder Groen van Prinsterer sterk geïsoleerd. Men moest
de anti-revolutionairen in deze tijd waarin men nog geen algemeen kiesrecht kende vooral
zoeken onder 'het volk achter de kiezers'. Reeds in 1849 verlangde Groen echter toenadering
tot de rooms-katholieken, onder het motto: 'Het grote onderscheid is niet Rooms of Onrooms,
maar geloof of ongeloof!'
Groen had tussen 1849 en 1866 met onderbrekingen zitting in de Tweede Kamer en deed daar
regelmatig van zich horen.
In 1853 stonden Groen en de liberale voorman Thorbecke lijnrecht tegenover elkaar in een
discussie omtrent de armenzorg. Groen verlangde op dit gebied geen enkele staatsinmenging.
'Niemand heeft tegenover de Staat een recht om te leven', aldus Groen! Thorbecke zag de
armenzorg echter wel als een publiek belang.
De gang van zaken met de Schoolwet van 1857 verbitterde Groen zozeer dat hij zijn ontslag
nam als lid van de Tweede Kamer. Buiten het parlement zette hij de strijd voort. Weldra zou

47
Literatuur thema management economie en recht EHB32

deze strijd niet meer gericht zijn op de christelijke staatsschool, maar op de eigen 'vrije school'.
Maar dan moesten volgens hem ook de 'christelijke deugden' uit de Schoolwet worden
geschrapt.
Groen werd niet alleen in zijn eigen tijd zelden werkelijk begrepen. Vele misverstanden omtrent
zijn uitgangspunten en zijn politieke stellingnames zijn hem ten deel gevallen. Ook in deze tijd
opteren vele protestants-christelijke politici in de lijn van Groen van Prinsterer te wandelen en te
handelen, daarmee soms wel erg gemakkelijk diens opvattingen annexerend, naar gelang het
in eigen kraam te pas komt. Mijns inziens mag Groen wel als de wegbereider worden gezien
voor partijvorming op christelijke basis in Nederland. Zijn geschriften kunnen ook nu nog,
wanneer men ze leest in de context van de 19° eeuw, van zeer grote betekenis zijn voor de
christelijke politiek.

5.2 Kuyper en de antithese:

Abraham Kuyper (1837-1920) opereerde, zij het dat hij de opvolger was van Groen van
Prinsterer als anti-revolutionair voorman, op een heel andere wijze dan Groen. Kuyper steunde
op de kracht van het tot zelfbewustzijn gebrachte christelijke volksdeel, georganiseerd in
kiesverenigingen, geschoold door zijn journalistieke arbeid, verbonden in een partij, zo de
massa integrerend tot een organisch geheel, levend in één geestelijk klimaat. Deze mensen
moesten de basis gaan vormen van een door het christendom 'geadelde' democratie.
Het onder Kuypers invloed in 1888 opgestelde program van uitgangspunten van de ARP
ademde een tamelijk democratische geest uit. Het vroeg onder meer 'invoering van een kieswet
op billijker en minder beperkte grondslag' en een beter belastingstelsel. In zijn rede op de
deputatenvergadering van 1890 stelde Kuyper zich ronduit aan de kant van de 'kleine luyden'.
Zijn rede was een pleidooi voor christelijk-democratische ontwikkeling: 'de religie in ere, de
consciëntievrijheid hersteld, ons volk weer in organisch verband gezet en over heel ons
staatsbestuur uitgegoten de geest des Ontfermers.' Een dergelijk geluid werd niet overal in anti-
revolutionaire kring met instemming vernomen en was de kiem van tweedracht die later zou
leiden tot oprichting van de CHU. De scheiding die zich al in 1894 tussen Kuypers anti-
revolutionairen en Lohmans christelijk-historischen aandiende werd overigens ook veroorzaakt
door de strakke leiding die Kuyper aan de partijorganisatie gaf.
Ook Kuyper zag de noodzaak in van samenwerking met de rooms-katholieken. 'Wilt ge de strijd
voor de christelijke grondslag van ons staatsleven met hoop op zegepraal aanbinden, zij het u
dan een oorzaak van bemoediging dat de Roomsen u in dit uw christelijk bedoelen nog
krachtdadig steunen kunnen en leg af alle hooghartigheid die ook tegenover hen als uw
medeburger niet past.'
In deze deputatenrede van 1901 (Volharden bij het ideaal) richtte Kuyper zich sterk tegen de
gehele linkerzijde (liberalen en sociaal-democraten). De antithese werd op de voorgrond
geschoven, zij het dat '...onze strijd niet gaat tegen personen, maar tegen de God in het
staatsrecht verzakende geest.'
In deze tijd waarin de antithesegeluiden sterker klonken, ontweek Kuyper de zogenaamde
sociale kwestie. Het zou, volgens Oud, bij het streven naar samenwerking met alles wat
conservatief is, al te gevaarlijk zijn geweest.
Kuyper heeft veel betekend voor de emancipatie en - later -integratie van het
(neo)gereformeerde volksdeel, met name kerkelijk, wetenschappelijk en politiek. Een groot
gevaar van Kuypers antithese-denken - er valt overigens veel meer over te zeggen - is dat het
een zeer diepe wig in het volksleven dreef die de eenheid van het Nederlandse volk ernstig
aantastte. Ook ontaardt het antithese-denken al snel van een abstract beginsel in een concreet
instrument dat op een zwart-wit-manier gehanteerd kan worden, met alle gevolgen van dien.

48
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Blenk zegt het heel treffend (pag. 104): 'De antithese is op zich Bijbels, maar men mag de
antithese, die er is, niet willen organiseren.'

5.3 Colijn als sterke man:

Hendrikus Colijn (1869-1944) is de geschiedenis veel meer ingegaan als de sterke man die als
minister-president Nederland door de crisisjaren heen loodste dan als anti-revolutionair
voorman. Toch was hij in 1922 de uiteindelijke opvolger van Kuyper als leider van de ARP, na
voordien werkzaam te zijn geweest voor de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Colijn was
vooral de nuchter gevormde zakenman, geen dogmaticus maar een realist, die in de politiek de
opgave zag het best mogelijke te verwezenlijken. Hij genoot in het buitenland, mede vanwege
zijn economische ideeën, internationale vermaardheid, hij wist wat hij wilde en hij zou het gezag
weten te handhaven.
Politiek gezien had Colijn een voorkeur voor kabinetten op brede basis en, in tweede instantie,
voor een kabinet van rechtse partijen. Colijns afwijzing van een uitsluitende antithese-politiek
werd mede veroorzaakt door zijn opvatting over de verhouding geloof-politiek. Hij legde de
nadruk op de objectieve betekenis van de godsdienst voor de politiek. Met zijn sterke nadruk op
de handhaving van het gezag appelleerde hij aan de grondtoon van het Nederlandse
volkskarakter. Hierdoor en door zijn krachtige persoonlijkheid ontving hij grote waardering voor
zijn politiek. Zijn in veler ogen verkeerde sociaal-economische beleid (te weinig aanpak van de
werkloosheid, strenge bezuinigingen en het te lang handhaven van de gouden standaard)
wekten in deze jaren echter sterke kritiek. De crisisperiode waarin Colijn regeerde was echter
uitermate moeilijk en het valt Colijn toch ook weer als verdienste aan te rekenen dat hij de moed
had om impopulaire maatregelen te nemen, al kan aan de juistheid van het beleid soms
getwijfeld worden.
Colijn was, resumerend, een veel vooraanstaander politicus dan Groen van Prinsterer of
Kuyper, maar heeft toch als protestant-christelijk politicus binnen het eigen volksdeel nooit die
status bereikt die de beide anderen hebben bereikt. Opvallend is wel dat van Colijns diepere
drijfveren, zijn visie op geloof en politiek, zo weinig bekend is geworden, terwijl voor hem
persoonlijk het geloof in Christus van jongs af zowel de grote inspiratie voor als de leidraad in
zijn politiek handelen is geweest (zie zijn Saevis Tranquillis in Undis). Wat dit betreft zie ik
enige parallellie tussen Colijn en de huidige minister-president Lubbers, voor wie het geloof een
heel sterke drijfveer is, waardoor zijn levensbeschouwing geleid wordt. Ook hij laat dit niet zo in
de openbaarheid komen als sommige christenen dit misschien wel zouden wensen.

5.4 Kersten, theocraat en protestant:

Ds. Gerrit Hendrik Kersten (1882-1948) was een leidende figuur in de gereformeerde gezindte,
met een enorm gezag binnen de eigen kring, vooral binnen de Gereformeerde Gemeenten.
Kersten omschreef het doel van het optreden van de onder zijn leiding opgerichte SGP in 1925
als volgt: 'Ga onze kamp vooral hiervoor dat de aloude beginselen naar voren worden gebracht.
Onzer zij de taak de consciëntie onzes volks wakker te roepen, opdat er weer kome een vragen
naar God en ons volk, klein voor God, buige en vrage naar de beginselen der Hervorming die
ons land hebben groot gemaakt. Dat is onze taak, waartoe God ons in Zijn Woord roept.'
(Fieret, pag. 78)
Twee dingen vallen mij in deze uitspraak van Kersten op. Enerzijds zag hij - en daarin stond hij
niet alleen - het getuigenis als de primaire taak van de SGP. Wat dit betreft wordt door SGP-
volksvertegenwoordigers in deze tijd de taak van de SGP als politieke partij in de praktijk toch
wel anders gezien. Anderzijds valt mij de beklemtoning van de beginselen der Hervorming op.

49
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Anders dan Kuyper en Colijn, maar ook anders dan Groen van Prinsterer was Kersten in zijn
optreden als lid van de Tweede Kamer sterk anti-rooms-katholiek. En dan doel ik niet alleen op
de nacht van Kersten (1925), waarin het kabinet Colijn viel over de perikelen rond het
gezantschap bij de paus. Welke SGP-er zou het in zijn hoofd halen een tegenstem tegen een
economische maatregel ten voordele van de aardewerkindustrie in Zuid-Limburg te motiveren
met het argument dat deze maatregel Limburg bevoordeelde. 'Hoever staat Zeeland bij Limburg
ten achter, het oude trouwe Zeeuwsche gewest, dat beter verdiende', klaagde Kersten in 1928
(Fieret, pag. 97).
Zowel op kerkelijk als op politiek gebied was het zijns inziens nodig de grenzen af te bakenen
ten opzichte van respectievelijk de Gereformeerde Kerken (de leer der veronderstelde
wedergeboorte) en de ARP. Ten opzichte van de ARP werd vooral de verschillende visie op het
gebruik van art. 36 NGB in het politiek handelen sterk benadrukt.
Het eigene van de kring werd door Kersten beklemtoond. Mede daardoor hadden (Fieret, pag.
38) 'zijn polemieken in De Banier, zijn redevoeringen op de partijdagen en in de Tweede Kamer
een agressieve ondertoon, die versterkt werd door het soms pompeus, bombastisch
woordgebruik'. In dit laatste was Kersten overigens een kind van zijn tijd, een tijdgenoot als
Schilder in ogenschouw nemend.

5.5 Aantjes' evangelische politiek:

Willem Aantjes (1923), afkomstig uit een Gereformeerde-Bondsmilieu, speelde een belangrijke
rol in de vaderlandse politiek als lid van de Tweede Kamer (1959-1978). De reden van het feit
dat de Figuur Aantjes hier ten tonele wordt gevoerd, is dat hij mijns inziens één van de meest
originele protestants-christelijke politici was in de laatste decennia.
Voor hem stond en staat het meest centraal waartoe de politieke macht wordt ingezet. Hij zegt
zelf (pag. 165): 'Permanente toetsing van het beleid aan het Evangelie als richtsnoer. Er is
maar één weg voor christelijke politiek: de weg van de dagelijkse herijking van ingenomen
standpunten, een dagelijks hernieuwde toetsing aan de geboden en beloften van het
Evangelie.' Hij gaat hier nader op in (pag. 167): 'Het gaat om de Weg. Het heil van mens en
mensheid wordt niet verkregen door die weg in de grondslag op te nemen, niet door wie die
weg willen bewandelen op te sluiten en af te sluiten van andere compartimenten in de
samenleving, niet door de stappen op die weg te bevriezen en als norm voor alle verdere
stappen aan te leggen.' 'Niets is zo bedreigend voor evangelische politiek als het zweren bij
eenmaal ingenomen standpunten en het verheffen ervan tot aan tijd en omstandigheid
ontstegen beginselen.' (pag. 169)
Volgens Aantjes manifesteert politiek die zich wil richten naar de boodschap van het Evangelie
zich in dienst aan de wereld. In de geruchtmakende 'Bergrede' op het eerste CDA-congres (23-
08-1975) lichtte hij op een indrukwekkende wijze aan de hand van Mattheüs 25 toe hoe naar
zijn mening een bredere christelijke partij politiek dient te bedrijven.
Steeds heeft hij vooral het belang van een rechtvaardig sociaal-economisch beleid
beklemtoond. 'Wat zijn de concrete gevolgen van een maatregel voor een burger? Dat is waar
het om gaat', zo zei hij meer dan eens. Aantjes' politieke ideeën waren inspirerend en hebben
veel mensen geïnspireerd. In de praktijk blijken zijn opvattingen over christelijke politiek echter
snel vermalen te worden tussen een star dogmatisch politiek optreden enerzijds en een sterk
pragmatisch opererende politiek anderzijds. De uitgangspunten en de idealen worden snel
aangepast aan de politieke haalbaarheid of de concrete politieke situatie wordt vrijwel geheel
uit het oog verloren.

50
Literatuur thema management economie en recht EHB32

5.6 Uitleiding:

Christelijke politiek heeft in 150 jaar een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Politieke partijen
werden opgericht, andere werden weer ontbonden. Tussen Groen van Prinsterer en Kuyper
enerzijds en Schutte, Van der Vlies en Brinkman anderzijds ligt een wereld van verschil. Voor
christelijke politiek zal altijd plaats blijven, zolang het Koninkrijk der hemelen zich niet ten volle
geopenbaard heeft. Immers, de wereld hunkert naar christelijke politiek, zoals een van de
hierboven behandelde politici placht te zeggen.
Wat is nu het eigene van christelijke politiek, ook in deze tijd? Ik wil trachten deze vraag,
waarover boekenkasten vol geschreven zijn, te beantwoorden met enige korte stellingen,
daarmee heel duidelijk zelf positie kiezend, zonder dat uitgebreid te kunnen beargumenteren,
maar dat kan misschien in een op gang komende discussie.

1. Christelijke politiek gaat uit van de openbaring van God, van het getuigenis van Gods
beloften, daden en geboden, die heilzaam zijn voor mens, maatschappij en overheid.
2. Met de term 'christelijke politiek' moet enorm voorzichtig worden omgesprongen. Ik
aarzel daarom ook om die term te gebruiken. De parlementaire geschiedenis zit vol met
voorbeelden van situaties waarin God voor menselijke of voor partijkarretjes gespannen
werd. Het derde gebod geldt ook hier.
3. Het gaat om christelijke politiek, niets meer en niets minder. Dat houdt in dat steeds
moet worden afgevraagd of een vraagstuk van politieke aard is.
4. Hiermee samenhangend is het van eminent belang zich bij ieder politiek vraagstuk af te
vragen wat de taak van de overheid is. De overheid is er om de publieke gerechtigheid
te behartigen. Dit lijkt erg abstract, maar is voor concrete politieke vraagstukken erg
verhelderend. Er zijn terreinen waarmee de overheid niets te maken heeft. Om een
scherp voorbeeld te geven: ten principale heeft de overheid mijns inziens niet het recht
om iemand het leven te benemen, maar ook niet het recht om iemand te verplichten te
leven. Dat is een zaak van persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens jegens zijn
Schepper. De overheid moet wel waarborgen dat mensen kunnen leven, dat mensen
bijvoorbeeld niet bang zijn dat hun het leven benomen wordt.
5. Uitgaand van deze eerdere uitgangspunten zal blijken dat de overheid zeer belangrijke
taken heeft. Geen 'nachtwakersstaat' dus. De taken van de overheid liggen mijns inziens
ook heel nadrukkelijk op het sociaal-economisch vlak, veel meer dan vaak in de
gereformeerde gezindte (in brede zin) wordt aangenomen. Het gaat er om dat mensen
tot hun recht komen. Dan zal blijken dat de overheid als dienaresse Gods, de mens ten
goede kan zijn en dat zij daartoe de zwaardmacht (niet al te letterlijk uitgelegd) heeft
ontvangen (Rom. 13).

Er ligt een schone taak voor Schutte, Van der Vlies, Brinkman en vele anderen. In een tijd die
heel anders is dan die van Kuyper en Kersten, maar de uitdagingen zijn des te groter.

51
Literatuur thema management economie en recht EHB32

52
Literatuur thema management economie en recht EHB32

6 Van der Vlies - Opdat zij één zijn

Politieke samenwerking tussen christenen

Wij mogen nimmer berusten in het gescheiden optrekken, waar en hoe dan ook, van
christenen, van leden van hetzelfde Huis, van de ledematen van hetzelfde Lichaam. Het
Hogepriesterlijk gebed van Johannes 17 kent de bede om eenheid van hen die Hem,
Jezus Christus, door de Vader gegeven zijn alsmede om eenheid van hen die door hun
woord in Hem geloven zullen. Deze eenheid is gewenst om de wereld tot de erkenning te
brengen en te doen geloven dat Hij als Zaligmaker gezonden is door Zijn Vader (Joh.
17:20 e.v.).

Het één-zijn met als doel een helder en onontwijkbaar krachtig getuigenis in de wereld en tot de
wereld van de liefde van God in Christus. Wat past het ons dan beschaamd bij de puinhopen te
zitten van wat wij er met elkaar van hebben gemaakt. De apostel Paulus is niet onduidelijk over
de verwoestende inwerking van verdeeldheid in de gemeenten en ontkrachtende uitwerking op
het getuigenis vanwege de gemeenten in hun omgeving.
Het is ontdekkend en beschamend hoe vooral in de protestants-christelijke kerken verdeeldheid
heeft toegeslagen. Wij hebben daarmee een zware schuld op ons geladen. Er is helaas een
groot verschil tussen hoe het hoort te zijn en hoe het in werkelijkheid is. De eis tot eenheid is en
blijft er. Wee onzer, als wij die (blijven) veronachtzamen.

6.1 De praktijk

Er bestaan heel veel kerken naast elkaar. Binnen vele van die kerken onderscheiden zich
richtingen. Onderling wordt vaak strijd gevoerd over de waarheid en, geen misverstand, voor die
waarheid moet ook worden opgekomen, pal gestaan zo nodig, maar dan moet het niet om onze
waarheden, doch om dé Waarheid gaan. Gelukkig is er veel erkenning en herkenning over
kerkmuren heen, maar toch... De praktijk wijst uit hoe weerbarstig een kerkscheuring is en hoe
moeizaam processen van toenadering en hereniging tussen kerken verlopen.
Gelukkig wordt er op allerlei terrein vanuit diverse kerken samengewerkt. De SGP is vanouds
bewust een interkerkelijke partij en wij zijn daar nog steeds dankbaar voor. In allerlei
interkerkelijke organisaties moeten niet zelden de gevolgen van de kerkelijke verdeeldheid
worden verwerkt. Naar mijn overtuiging heeft het thema van politieke samenwerking heel veel
met de kerkelijke verdeeldheid te maken.
Christenen in de politiek trekken niet gezamenlijk, maar over diverse partijen verdeeld op. Dat
gescheiden optrekken is schrijnender naarmate men wat betreft de aanvaarding en toepassing
van de normen en waarden van de Heilige Schrift dichter bij elkaar staat. Ten onzent gaat het
dan vooral om het CDA (is het eerlijker te zeggen: een deel ervan?), het GPV, de RPF en de
SGP.
Er zijn allerlei vormen van samenwerking (gemeente, provincie, Staten-Generaal, Europese
Parlement). Lijstverbindingen, gecombineerde fracties, elkaar waarnemen, enzovoort. In het
ene geval gaat de samenwerking verder dan in het andere geval. De vraag laat zich stellen of
een en ander niet principiëler en consequenter moet worden ingevuld. De nood van de tijd
waarin wij als orthodoxe en/of belijdende christenen, tezamen een kleiner wordende minderheid
in onze samenleving vormende, zijn terechtgekomen, zou er toe dringen en een helder Bijbels
genormeerd getuigenis in de politiek er door worden versterkt. Inderdaad, niet de geringste
argumenten!

53
Literatuur thema management economie en recht EHB32

6.2 Roep om eenheid

Waar komt de roep om meer politieke eenheid uit voort? Waarom klinkt deze steeds luider en
aanhoudender? In willekeurige volgorde en zonder pretentie volledig te zijn, de volgende
motieven:

a) electorale motief.
Eén belijnde, positief christelijke partij heeft meer uitstraling en werfkracht (naar CDA'-ers) dan drie
kleine, die ieder voor zich hun eigen accenten hebben.
b) motief van macht, van invloed.
In het politieke debat zal de opstelling van een fractie van zes (of meer) een groter gewicht in de
schaal (kunnen) leggen dan de optelsom van wat drie kleinere fracties inbrengen. Het gaat erin het
politieke debat om een zo maximaal mogelijke invloed op anderen en het besluitvormingsproces uit
te oefenen.
c) actualiteitsmotief.
Als gevolg van de fusie van de kleine linkse partijen tot Groen Links valt vaker dan
vroeger de inbreng van de kleine christelijke fracties in de beeldvorming weg, een
beeldvorming via de massamedia in de doorsnee huiskamers, die niet worden bereikt met
de meer verwante informatiedragers (RD, ND en EO, in mindere mate Trouw, KN en
NCRV/KRO). Zou daarom wat op links met en tussen toch ook sterk historisch en
ideologisch bepaalde kleine partijen dan toch maar bleek te kunnen, op rechts niet
mogelijk zijn?
d) motief van generatie.
De jongere generaties zijn niet meer zo georiënteerd op en geïnteresseerd in "oude" strijdpunten
die vanouds bepaalde politieke stromingen verdeeld en gescheiden houden. In deze tijd van de no-
nonsense-stijl zijn vele jongeren gericht op actuele hoofdthema's en sterk resultaatgericht.
e) urgentiemotief.
Het gaat in deze geseculariseerde tijd enerzijds om achterhoede gevechten en anderzijds om nog
enkele fronten, waar wezenlijke beslissingen voor de toekomstige inrichting van onze samenleving
vallen. Wanneer wij beseffen dat wij met onze Schriftbeschouwing en de daaraan onlosmakelijk
verbonden ethische oordelen en implicaties als christenen steeds nadrukkelijker naar de rand van
de samenleving worden verwezen, zou dat besef ons toch moeten ingeven over onderlinge
nuances en verschillen heen te stappen, de handen nu maar gewoon in een te slaan en nog een zo
krachtig mogelijk front te vormen teneinde nog te redden wat er te redden valt!
f) inhoudelijk motief.
Het gaat bij het uitwisselen van meningen en argumenten toch ook om geloofwaardigheid en
opgebouwd gezag. Beide immateriële criteria blijven achter door het gescheiden optrekken van
personen en groepen, die zich intussen allemaal op hetzelfde Woord van God beroepen in verband
met hun benadering van en stellingname in een concreet zich voordoende problematiek. Het
heldere Bijbelse getuigenis wordt er door ontkracht, de kakofonie die door christenen in de politiek
wordt ontwikkeld is tot oneer van God en staat de doorwerking van normen en waarden, die ons in
de Bijbel worden voorgehouden voor de inrichting van een samenleving van mensen, danig in de
weg.
Wanneer wij al deze motieven op ons laten inwerken, kan niet worden ontkend dat met deze
motieven even zovele elementen van waarheid en werkelijkheid zijn aangewezen. Wij mogen
dan ook niet met de armen over elkaar blijven zitten om rustig te bezien hoe de ontwikkelingen
zich verder zullen gaan aandienen. Wij zijn met elkaar voor één en ander verantwoordelijk. Dat
te beseffen, zou behoren te leiden tot verootmoediging en tot het belijden van schuld.

54
Literatuur thema management economie en recht EHB32

6.3 Historie

Het is doorgaans eenvoudiger om de diagnose te stellen van een kwaal waaraan wordt
geleden, dan om een deugdelijke en toereikende therapie aan te geven. Voor een goed zicht op
de achtergronden van de politieke verdeeldheid van christenen, kan het verleden niet buiten
beschouwing worden gelaten. Vanaf de geboorte van de parlementaire democratie in
Nederland, blijken christenen zich in de politieke verdeeldheid te hebben opgesteld.
Groen van Prinsterer klaagde erover dat mensen die hij als zijn broeders in Christus
beschouwde, zich door een conservatieve ideologie lieten gevangen houden. Kuyper en De
Savornin Lohman konden niet samen blijven gaan. Lingbeek en Kersten hebben niet onder één
vlag kunnen opereren, enz. Het verleden is uiteraard geen norm, maar er moeten wel lessen uit
worden gehaald. Zijn wij daartoe in staat en welke zijn dat dan? Wij moeten ook niet verdeeld
zijn, omdat men in het verleden verdeeld was, maar wij moeten wel naarstig de redenen
nagaan waarom men het was. Ging het alleen om persoonlijke tegenstellingen of koos men,
zich bewust van onoverbrugbare principiële kloven, verschillende wegen? Zou dit laatste het
geval zijn, wat heeft dat feit ons dan in déze tijd te zeggen? Denk in dit verband aan
bijvoorbeeld de controverse binnen het Reveil tussen Groen van Prinsterer en Da Costa over
de weg tot herstel, de juridische of medische aanpak, het conflict tussen Groen van Prinsterer
en Van der Brugghen over de christelijke (staats)school, de spanning die zich aftekende tussen
de contrarevolutionaire richting (Bilderdijk, Bernhardi) en de anti-revolutionaire richting, die
vooral onder leiding van Kuyper groot werd in activiteit en invloed.
Het zich breed maken van de volkssoevereiniteit, het steeds meer veld winnen van een
religieuze en zedelijke vrijzinnigheid; deze ontwikkelingen moesten krachtig het hoofd worden
geboden. Tegenover de liberaal-revolutionaire en daarmee verbonden vrijzinnige religieuze
krachten, moest een christelijk-historische trouw aan de eigen puur gereformeerde beginselen
worden betoond, in het isolement waarvan de kracht zou liggen. Daarover was men het wel
eens, maar over het "hoe" gingen de wegen helaas uiteen, zowel in de kerk(en) als in de staat.
Naast al het goede dat het Reveil in de vorige eeuw heeft gebracht, legde dit feit onder
datzelfde Reveil een fnuikende verwarring. Totaal verschillende typen en accenten: Kolhbrugge,
Heidring, Beets; Kuyper, Kohlbrugge, Da Costa; Gunning, Hoedemaker, Kuyper. Zo kunnen wij
met gemak door gaan, tot in onze tijd toe. Ik denk dan aan Kersten, Hugo Visscher, Colijn,
Schouten en anderen!
Bleef de één met een bezwaard gemoed en veel gebedsworstelingen in de Nederlands
Hervormde kerk, de ander ging. Zocht de één "de binnenkamer" op om het uitsluitend van de
Heere en Zijn werk te verwachten, de ander achtte zich geroepen tot publieke actie.
De oprichting van de ARP, de stichting van de VU, de Doleantie. In het verlengde van de
sociale kwestie en dito actie, mede naar aanleiding van de emancipatie van de "kleine luyden",
een verzuiling naar kerkelijke en politieke richting. Een proces van verbijzondering van het
bijzondere was in gang gezet en gaat in zeker opzicht tot de dag van vandaag voort. De
indringende vraag echter is of niet, gaandeweg dit proces, het profetische élan, het
theocratische gehalte en het zicht op heel de kerk en heel het volk vanuit heel het Woord in
plaats van bewaard te zijn gebleven, ernstig zijn verdonkerd? Ja! Ik haast me met kracht te
zeggen dat het ongetwijfeld zo is, dat eigen organisaties en verbanden veel zegen hebben
gegeven, een omtuining hebben betekend voor nivellerende invloeden van buiten af,
behoudend hebben gewerkt in de slag met de tijdgeest. Nochtans, een definitieve redding
hebben zij niet betekend.
Continuering van macht en invloed werd gekocht tegen de prijs van concessie en compromis.
Naast de anti-revolutionaire richting, naast de christelijk-historische ook, ontstond de
staatkundig-gereformeerde richting. Onderlinge confrontaties waren niet zelden sterk
antithetisch van aard. Een trend die zich vrij breed in de samenleving nestelde. Ontkerkelijking

55
Literatuur thema management economie en recht EHB32

en secularisatie eisten hun tol in een afkalving van draagvlak voor de grotere christelijke partijen
en verwante organisaties. Het CDA werd nodig en mogelijk als bundeling van ARP, CHU en
KVP. Overigens was ook het proces van kerkscheuring verder gegaan met als politiek gevolg
het GPV. Vrije, evangelische groepen kwamen sterk op.

6.4 Situatietekening

Het CDA is een open partij waarin ook niet-christenen in de strikte zin van het woord kunnen
participeren. Het opereert in het midden van het politieke spectrum en met succes. Het is
onmiskenbaar dat het CDA in achtereenvolgende kabinetten en coalities veel in de melk
brokkelt. Tegelijk, en niet met vreugde, moet worden vastgesteld dat in deze positie ook veel
compromissen gesloten (moeten) worden op zeer aangelegen en principiële punten (medisch-
ethische kwesties, abortus provocatus, euthanasie, gelijkstelling alternatieve leefvormen aan
het huwelijk, de zedelijkheidswetgeving) Het mag ons niet ontgaan dat wij deze gang van zaken
niet elke individuele CDA-er mogen aanwrijven, maar hun interne gevecht en bijdragen blijven
naar buiten toe gewoonlijk onopgemerkt. Het zou het CDA sieren als uitdrukkelijk werd duidelijk
gemaakt dat de "C" staat voor voluit christelijk en niet voor centrum of iets dergelijks.
Het behoeft geen betoog dat RPF en GPV wat dat betreft en in het algemeen gesproken, veel
dichter bij de SGP staan. Over de belangrijke politieke kwesties van de euthanasie en de
Algemene wet gelijke behandeling wordt gelijk opgetrokken in stemgedrag. Bij andere
onderwerpen ligt dat nu en dan anders (WAO bijvoorbeeld). Naast overeenkomsten zijn er ook
verschillen. Die hoeven wij niet op te blazen, maar het is ook onvruchtbaar ze te verdoezelen.
Onvruchtbaar, omdat een eventuele therapie eerst kansen heeft bij een juiste diagnose.
RPF en GPV staan beide, naar de verklaring van hun politieke leiders, in de traditie van de
ARP. Het is zelfs zo dat zij beiden de erfenis claimen en pretenderen de "oude" ARP, ja die van
vóór de oorlog, voort te zetten. Deze constatering heeft mij ooit verstout tot het poneren van de
stelling dat er historisch gesproken, eigenlijk naast de brede christendemocratie als smeltkroes
van de eerdere KVP, CHU en ARP, tussen het GPV als de voortzetting van de anti-
revolutionaire richting en de SGP die naast de erkenning van verwantschap aan, nu juist ook
fundamentele kritiek had en heeft op die ARP, nauwelijks nog ruimte bestaat voor nóg een
politieke stroming, vertegenwoordigd in de RPF, die ook geënt is op dezelfde ARP. Ik kreeg
toen van katoen, als zou ik tenminste veronachtzamen dat de RPF politiek onderdak biedt aan
mensen die elders om uiteenlopende redenen niet terecht kunnen (verontrusten over het CDA,
kerkelijke binding GPV, plaats vrouw in de SGP), en zo dan toch maar heeft gezorgd voor een
versterking van het Bijbelgetrouwe geluid in de politiek. Dat is waar, de praktijk wijst het uit.
De principiële verschillen tussen de drie hebben te maken met de visie op het ambt van de
overheid (art. 36 NGB), de betekenis van het Woord en de Wet van God in het openbare leven
en het wel of niet (en zo wel, tot in welke mate) honoreren van wat in de discussie tussen ARP
en SGP, respectievelijk andere opponenten (Lingbeek, Visscher) is genoemd de geestelijke
draagkracht van het volk. Scherper gezegd, zij hebben te maken met de theocratische
gedachte die in de CHU ook nog wel, maar zeker in de SGP is vastgehouden, dat God regeert
en er recht op heeft door ieder mens, door overheid, land en volk gehoorzaamd te worden en
dat de overheid als Gods dienares de roeping heeft het daarheen te leiden dat dat in het
openbare leven ook zoveel mogelijk gestalte krijgt, dat mensen en verbanden van mensen de
eer van God beogen en worden ingewonnen voor Zijn dienst.
Er is ook een beduidend verschil in geestelijk klimaat. Die verschillen zijn terug te voeren op de
onderscheiden kerkelijke kringen en groepen van waaruit de aanhang wordt gerekruteerd
(accent op verbondsrelatie versus noodzaak van wedergeboorte en bekering; het cultuur-
mandaat versus distantie vanwege de ernst van de zonde). Zonder tot zwart-wit-tekeningen te
vervallen, neem uit de drie partijen een doorsnee figuur en er staan waarschijnlijk drie

56
Literatuur thema management economie en recht EHB32

verschillende typen op een rij. Nog onlangs is geanalyseerd dat de gereformeerde gezindte
verschillende culturen herbergt (ir. J. van der Graaf). Ook de vrijgemaakt-gereformeerden zijn
volop in discussie over van alles en nog wat. Het exclusieve van hun standpunten, vooral
kerkelijke en vervolgens ook maatschappelijke, is voor een deel opgegeven. Tegelijk is de
vanzelfsprekendheid waarmee de jongere generaties binnen de zuil aantreden, aan het
afnemen. Tenslotte moet worden vastgesteld dat de meer Evangelische groepen ook een grote
diversiteit vertonen en vanouds weinig infrastructuur hebben.

6.5 Mogelijkheden

Principieel staat de noodzaak van opheffing van verdeeldheid onder christenen eigenlijk vast.
Over praktische gevolgen en effecten kan nog van mening verschild blijven worden. Maar het
wezenlijke ligt in het principiële aspect. De roeping tot eenheid staat vast. Verdeeldheid
daarentegen is een feit. Hoe komen wij daar van af? Wij stuiten hier op een zondige
weerbarstigheid. Vergelijk het moeizame verloop van kerkelijke hereniging ("Samen op Weg",
samensprekingen tussen Nederlands Gereformeerden en de Christelijk Gereformeerden). Het
dilemma is al snel: eenheid ten koste van de Waarheid óf eenheid op grond van de Waarheid.
Vereniging van politieke partijen zal niet minder moeizaam zijn dan die van kerken. Het gaat al
snel om de prijs die moet worden betaald. Men zal deze te hoog vinden als authentieke
beginselen moeten worden opgeofferd, als deze in het politieke optreden niet langer meer
kunnen worden betrokken. Men zal deze niet gemakkelijk accepteren als men een geestelijk
klimaat binnenstapt waarin men zelf niet echt kan ademhalen. De nuchtere werkelijkheid
gebiedt om vast te stellen dat partijen met een ontstaansgeschiedenis als de onze, met hun
verschillende "profielen", culturen en infrastructuren, zich niet gemakkelijk zullen laten
versmelten tot één geheel, ondersteld dat je het over principiële uitgangspunten al eens zou
kunnen worden op het ter vereniging vereiste minimum. Wanneer wordt gelet op de intensiteit
en diversiteit waarmee binnen de SGP de discussie wordt gevoerd over de plaats van de vrouw
binnen de partij, zal men begrijpen hoe moeilijk het allemaal ligt en welke behoedzaamheid
nodig is om alleen al de eigen gelederen bijeen en gesloten te houden. Een dergelijke
spanning, en ik ga er van uit dat de andere partijen ook hun porties hebben, wordt
gekwadrateerd als anderen uit andere partijen bij een en ander betrokken worden.
Dat betekent dat ik naar eer en geweten een samengaan van de partijen voor(eerst) onmogelijk
moet houden. Principieel, historisch en praktisch zijn er te veel klippen. De aandacht zal moeten
uitgaan naar meer samenwerking waar mogelijk. Die samenwerking dient een proces te zijn van
onder af. Niet van boven af geforceerd dus. Samenwerking is er op allerlei gebied. Toch kent
die samenwerking ook grenzen. Wij moeten nu eenmaal regelmatig naar de kiezer en deze
vraagt om een herkenbaar profiel, om inzet, daadkracht en niet in de laatste plaats om een
helder en principieel geluid in overeenstemming met zijn eigen opvatting. Daar toch schonk hij
zijn vertrouwen!
Persoonlijk denk ik dat de kamerleden ook een grote verantwoordelijkheid hebben in dezen. Zij
zullen elkaars geluid moeten zien te versterken, in plaats van alleen te letten op eigen inbreng.
Nu leert de praktijk dat men het gelukkig doorgaans ook als zodanig ervaart. Op cruciale
momenten worden de zes van de drie kleine christelijke fracties bij elkaar genomen, met
behoud van onderlinge nuances overigens, zolang die voor het beslispunt zelve niet
doorslaggevend zijn. Juist ook omdat wij elkaar regelmatig, heel praktisch door tijdsdruk, hoge
werklast en agendaconflicten, vervangen, ziet men ons niet los van elkaar. Fijnproevers in de
politiek onderkennen de nuances tegen het licht van kerken en geschiedenis. De studiecentra
van de partijen werken in toenemende mate samen, waar het gaat om kwesties waarover wij
gelijk denken. Het is een gedachte om dat heel bewust ook eens te doen over een zaak,
waarover wij verschillend denken. De SGP is de oudste nu nog bestaande partij. Er kan dus

57
Literatuur thema management economie en recht EHB32

van sterke papieren worden gesproken. Ds. Kersten nodigde iedereen tot samenwerking uit
onder de voorwaarde van onvoorwaardelijke onderwerping en dus binding aan Schrift en
belijdenis (art. 36 NGB onverkort). Dat is nog onze lijn en daarom zou ieder die zich aan het
hart van de staatkundig-gereformeerde beginselen verwant weet, daarvoor moeten kiezen of
zich hebben te verantwoorden.

6.6 Besef van nood: noodzaak

Ik erken dat in het licht van de analyse en de diagnose die gepoogd is te geven, de
mogelijkheden en oplossingen nog schamel afsteken. Ik lijd aan de verdeeldheid onder
christenen. In toenemende mate geraak ik er van overtuigd dat de verdeeldheid van en in
kerken een ban in het leger vormt, die verhindert dat het werk des Heeren schittert omdat God
Zijn Geest moet inhouden. Wij klagen over donkerheid van de tijd waarin wij leven, deinzen er
niet voor terug daar een verklaring voor te geven, waarbij wij zelf buiten schot blijven.
Verdeeldheid bant de liefde uit en veroorzaakt verkilling. Gelukkig komt er voor deze nood
steeds meer aandacht. Het is werkelijk vijf vóór twaalf; nóg gewaarschuwd door het schrift op
de wand, tóch doorgegaan, in diezelfde nacht kwam het einde. Moeten ook wij zo door een
oordeel van God heen naar elkaar toe worden geslagen? Opdat bijeen komt dat bijeen hoort?
Naar mijn stellige overtuiging wordt een helder en wervend, bewogen Bijbels genormeerd
getuigenis over het ambt van de overheid, haar roeping en taak in het algemeen en in deze
geseculariseerde samenleving in het bijzonder, ernstig gehinderd door de gescheidenheid van
kerken en de daarmee gegeven verscheidenheid aan geluiden en opvattingen. Deze situatie
werkt door tot in het maatschappelijke en politieke leven. Zij ontkracht het appèl op de overheid,
op politici en alle andere burgers om naar Gods geboden te leven. Zij verduistert het zicht op de
dienst in liefde van Hem Die er recht op heeft door allen en alles te worden geëerd.
Verootmoediging en waarachtige bekering zijn nodig, te beginnen bij onszelf en de kerken.
Zeker, niet door kracht, noch door geweld, maar door Gods Geest zal dat geschieden, als dat
wonder zich voltrekt. Dat is echter geen verontschuldiging voor onze dure verantwoordelijkheid.
Wij mogen nooit wennen aan verdeeldheid, laat staan daar prat op gaan. Wij hebben de nood
op zijn werkelijke diepte te peilen. Waar dat gebeurt, zijn wij voldoende eensgeestes, hebben
wij voldoende onderling vertrouwen om eigen bouwsels af te breken en de handen ineen te
slaan.

De auteur is fractievoorzitter in de Tweede Kamer van de Staatkundig Gereformeerde Partij

58
Literatuur thema management economie en recht EHB32

7 Kuiper - Volharden bij het ideaal


Een christen heeft altijd hoop. Een christen heeft ook een opdracht. Ziedaar de
elementen die ons optimistisch moeten en kunnen maken. We moeten uitstijgen boven
het niveau van licht of zwaar, gelijk of ongelijk.
'...opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt' (Joh. 17: 23)

7.1 Hoopvoller

Hoewel niet afkomstig uit de kringen van de heer van der Vlies, voel ik mij bij zijn principiële
inzet en zijn benadering van de kwestie goed thuis. De Heilige Schrift zelf brengt ons bij elkaar.
Ik spreek dan ook niet als partijman, maar als iemand die zich met hem aangesproken weet
door Gods Woord.
Waardering dus: ook ik zie de verdeeldheid onder christenen met lede ogen aan en ik stem dus
in met de opmerkingen die van der Vlies daarover maakt. Ons verbindt de bijbels-theocratische
gedachte, ons verbindt de belijdenis van de Christus, wij worden verbonden door de nood van
de tijd. Dit alles weet hij en wij weten het allen.
De door hem opgesomde argumenten die de roep om eenheid ondersteunen, worden zo
helder en overtuigend naar voren gebracht, dat ik vermoed dat de heer van der Vlies niets
liever zou willen dan dat die eenheid van allen die Bijbelgetrouw in de politiek willen staan
werkelijkheid zal worden. Alleen veel hoop heeft hij niet. Het zou eigenlijk wel moeten maar het
kan niet, zo stelt hij. Laat ik mogen verduidelijken dat ik iets hoopvoller ben gestemd.
Misschien zou ik daarmee mijn broeder van der Vlies mogen opbeuren. Het gaat erom: laten
wij ons door de Schrift ook oprichten, boven het niveau van Staphorster of Bunschoter
varianten, licht en zwaar, historisch gelijk en historisch ongelijk, om samen als nuttige
dienstknechten van onze Heer op te treden aan het front.

7.2 Broeders en zusters, wij zijn één!

Natuurlijk zie ik ook verschillen tussen de drie kleine christelijke partijen. Daarop wil ik straks
ook ingaan. Maar dit neemt niet weg dat ik hoopvol ben gestemd als het gaat om
samenwerking. Die hoop is niet iets om zuchtend in de bureaula weg te stoppen, maar die
hoop moeten we welbewust op onze agenda plaatsen. Voor die hoop moeten we campagne
voeren, een program bedenken. Mijn hoop wordt gevoed door wat ik geleidelijk met horten en
stoten zie groeien tussen GPV en RPF. (...) Het is toch verheugend wat onlangs op te tekenen
viel uit de mond van GPV voorzitter Blokland die heeft gezegd dat de GPV zich niet wil
profileren ten opzichte van bijvoorbeeld de RPF. 'Wat heeft het voor nut, wanneer bij Tweede
Kamer verkiezingen het GPV kiezers weghaalt bij de RPF en andersom? Netto levert dat de
kleine christelijke partijen niets op. Wij zijn partners die elkaar aanvullen en op eigen wijze
nieuwe kiezers trekken' (Nederlands dagblad, 22 september 1993). Dit is toch een nieuw
geluid? Ongeacht de vraag hoe je deze accenten (...) in één partijverband kunt onderbrengen
kun je elkaar nu al toeroepen: broeders en zusters, wij zijn één! (...)
De nieuwe houding bij het GPV is zonder twijfel te danken aan het losser worden van de band
tussen kerk en politieke partij. Het GPV wil geen verlengstuk zijn van de kerk en de tijd dat
ouderlingen maanden om op het GPV te stemmen is voorbij. Ik vind dat heel positief, want een
politieke partij is een vereniging die zelf haar grondslag vaststelt en in eigen rechte optreedt. En
zo voorkomt zij ook dat allerlei moeilijke kerkelijke discussies, die niet rechtstreeks het politieke

59
Literatuur thema management economie en recht EHB32

doel raken, in de partij spelen. Voor het GPV was dat de kwestie van de kerk, voor de SGP is
dat de kwestie van de vrouw. De emancipatie van het kerkelijk denken - wat ik nu dus bij het
GPV opmerk - brengt ons in de politiek dichter bij elkaar.
Ik ben het dan ook niet eens met de heer van der Vlies dat het eerst in de kerk goed moet
komen voordat we politiek samen op kunnen trekken. Ik zie dit als twee verschillende
problemen. Begrijpt u mij goed: natuurlijk verdriet mij ook de kerkelijke verdeeldheid, het is
inderdaad onze schuld. Ook ik zou kerkelijke eenheid van ganser harte toejuichen en het is
onze roeping het te bevorderen. Het zou ook beslist kracht bijzetten aan ons politieke optreden.
Maar we kunnen dit probleem niet steeds op onze nek nemen als we politiek willen bedrijven.
(...)
De heer van der Vlies prijst zich gelukkig met de 'interkerkelijkheid' van de SGP. Toch helpt die
interkerkelijkheid hem niet uit de moeilijkheden als het gaat om de verschillende beoordelingen
van de positie van de vrouw in de SGP. Integendeel.
Ik zou zeggen: een christelijke partij hoeft woorden als kerkelijk en interkerkelijk niet in het
vaandel te voeren. Er dient geen officiële band te zijn met een kerk. Wij hebben een band door
Gods Woord. Dat spreekt ons toe, daarin is ook onze politieke boodschap vervat. En dat wij
elkaar daarop vinden, als we voor elkaar waarnemen - zoals van de Vlies en Leerling en
Schutte doen in de Tweede Kamer - in het vertrouwen dat er een schriftuurlijk getuigenis zal
klinken, is dat geen wonder van genade? Tegen dit licht ben ik dus hoopvol gestemd. Ik
verwacht binnen tien jaar een doorbraak in de verhouding tussen GPV en RPF. Deze
doorbraak zal niet het werk zijn van onze krachtige arm, maar een vrucht van ootmoed en het
de ander uitnemender achten dan onszelf.

7.3 Hoopvolle voorbeelden uit onze geschiedenis

De heer van der Vlies baseert zijn visie mede op de geschiedenis, maar ik vind die
geschiedenis beslist te zwart afgeschilderd. Er zijn stromingen en mensen die elkaar niet
kunnen vinden. Hij stelt, 'een proces van bijzondering van het bijzondere was in gang gezet en
gaat in zeker opzicht tot de dag van vandaag voort’. (...) Het is net een soort noodlot dat over
ons komt. Ik bestrijd dit. Niet alleen omdat ik meen dat ieder generatie opnieuw zijn
verantwoordelijkheid moet nemen, maar ook omdat ik dit een wat eenzijdig beeld van de
geschiedenis vind. Er is ook een verhaal te vertellen van mensen die de moed hadden iets te
gaan ondernemen dat oude scheidsmuren doorbrak. (…)
Waar ik vooral op wil wijzen is het ontstaan van de CHU in 1908, een fusie tussen drie
verschillende partijen. De politieke verschillen tussen deze drie partijen waren groter dan die
tussen GPV, RPF en SGP. De Friesche kiezersbond stond onder invloed van de hervormde
predikant dr. Ph.J. Hoedemaker. Deze had nog tien jaar daarvoor Kuiper en Hoedemaker
bestreden en beweerd dat zij er een 'surrogaat van Christelijke staatkunde' op nahielden. Dit
alles was geen verhindering om uiteindelijk elkaar als broeders te aanvaarden. Hoewel men,
vanwege de theologische herkomst wat andere accenten legde, kon men het op basis van een
politieke overtuiging met elkaar vinden. Hier is voor de zaak een ruime vergevingsgezindheid en
toegevendheid in de praktijk gebracht.
En de oprichting van de GPV was niet een noodzakelijk gevolg van de kerkscheuring van 1944,
zoals van der Vlies lijkt te suggereren. Natuurlijk, mensen werden uit de kerk geworpen, maar
de consequentie hiervan voor de politieke organisatie was een andere beslissing.
(...)
En tenslotte, mag ik ook even aanstippen de oprichting van de RPF, een samengaan van NEV-
ers die bij het GPV geen toegang vonden en teleurgestelde ARP-ers. Ook hier wisten mensen
die in de politiek Gods Woord tot richtsnoer wilden nemen elkaar te vinden. Laten we bij dit
alles onze verantwoordelijkheid verstaan en ook letten op de gang van de geschiedenis.

60
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Honderd jaar geleden toen in ons land het christendom wijd verbreid werd aangehangen, kon
het eigen beginsel scherp en geprofileerd worden neergezet.(...) Zolang dat beginsel voor heel
het volk wat zei, kon partijstichting helpen om iets duidelijk te maken.
Vandaag is de situatie anders. Wat het christelijk geloof inhoudt en wat het in de politiek kan
betekenen, is voor de meeste mensen onduidelijk geworden. Wanneer we nu van onze
accenten profielen slijpen zijn we echt alleen met elkaar in een hoek van de samenleving bezig.
Dit heeft ook niets meer te maken met ons theocratisch ideaal, dat we alledrie op een of andere
manier kennen. Willen we nu het christelijk beginsel in de politiek en voor de samenleving laten
zien, dan moeten we bundelen en doorgroeien naar een kamerfractie van tien zetels. (...)

7.4 Bidden en werken dat het anders kan

Ik wil afsluiten met deze opmerking: politieke eenheid is niet de zoveelste kibbelpartij, maar een
serieuze opdracht. Wij hebben drie kleine christelijke politieke partijen. Dat zijn geen partijen
van het laffe midden of de slappe hap. Alle drie worden ze gemarkeerd door het christelijk
getuigenis dat zij willen uitdragen. Dat is onze eer. Ik ben er niet bang voor dat dit karakter zal
verdwijnen als bijvoorbeeld GPV en RPF (en misschien op termijn de SGP?) in de toekomst
samengroeien - misschien slechts in een confederatie -en ons samen presenteren. Zouden er
over de beginselen van onze partij compromissen gesloten moeten worden? Ik geloof er niets
van. Ja, er zijn politieke accentverschillen en verschillen van dit of dat stuk van onze belijdenis,
maar onenigheid over het beginsel? Ik kan het me niet voorstellen.
Daarom, wanneer Joh. 17:22 over het 'opdat zij allen één zijn' in de bijbel staat en we er een
opdracht in zien, moeten we ook Joh. 17: 23 als opdracht aanvaarden: 'opdat de wereld
erkenne dat Gij Mij gezonden hebt. Het gaat om de erkenning van de Christus door de wereld.
Dat is ook wat ons samenbindt. Er is in de kern van de zaak maar één vraag die
doorslaggevend is: wat dunkt u van de Christus? Dit houdt mijns inziens in dat we niet
doorgaan met onze kleine kwesties in ons onderling contact steeds aan de orde te stellen. Juist
omdat we klein zijn denken we vaak te klein over onze verantwoordelijkheid. (...) Heel het volk
moet bereikt worden en gestimuleerd tot werkelijk goede keuzes. Hoe zullen wij die
samenleving een weids perspectief op gerechtigheid, het eren van God en het heil dat
verbonden is aan het onderhouden van zijn geboden voorschotelen, als we zelf al met drie
kleine perspectiefjes komen en daar soms onderling over kibbelen?
Laten we bidden en werken dat het anders mag en kan. Ik heb ook de hoop dat het zal mogen
lukken. Deze hoop is geen illusie, maar christelijke hoop, omdat ik geloof in de kracht van Gods
Woord. Daarom wil ik volharden bij dit ideaal.

De auteur is directeur van het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte

61
Literatuur thema management economie en recht EHB32

62
Literatuur thema management economie en recht EHB32

8 Van der Linden - ‘Ik ben een schuldig mens, mij komt niets
dan narigheid toe’

SGP-fractievoorzitter Van der Vlies:

Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst heb gehuild. Het is weleens gebeurd, hoor.
Maar bij welke gelegenheid was dat nou... Kom... Enfin, dit sluit ongetwijfeld aan bij het beeld
dat menige Nederlander van SGP-ers heeft. Ongenaakbare, steile types. Wereldvreemde
aanhangers van de zwarte kousenkerk. Altijd in de plooi, altijd in de ivoren toren.
Onzin, wat emoties betreft ben ik niet anders dan anderen. Zelfs een Bas van der Vlies laat zijn
gevoelens bij tijd en wijle de vrije loop. Dat merkt u wel: ik erger mij aan de misvattingen, de
hoon, de spot. Ik vind het een krenkende karikatuur. Men debiliseert mijn volksdeel.
Als ouderling van een Hervormde Gemeente met gereformeerde signatuur in Maartensdiik
behoor ik tot een behoudende, schriftuurlijk-bevindelijke stroming. Heel de SGP wijst de
vruchten van de atheïstische Verlichting af', maar in de partij heb je anti- en contra-
revolutionairen. De eerste groep is activistisch: 'wereldlijken' proberen de boel te beïnvloeden,
de maatschappij door strijd naar hun hand te zetten. De tweede groep ziet het geestelijker:
‘beschouwelijken' zijn geneigd zich af te wenden van de wereld die in het boze ligt, wachten af
— God moet het doen. Zo'n isolement gaat mij een stap te ver. De Bijbel draagt ons op een
zoutend zout te zijn, een lichtend licht. Daarvan komt niets terecht als je leeft in een spleet van
de rots.

Mijn vader is een onderwijsman. Warm. Klare opinies. Iemand met overwicht. Hij hoefde maar
aan het eind van de gang te verschijnen of de klas werd rustig. Zo voedde hij ook zijn kinderen
op. Je wilde 's avonds over straat gaan zwerven? Je wilde op de Dag des Heeren buiten
spelen? Nou, dat kon je maar beter laten. Ik kruip er niet achter weg dat ik af en toe met
verbolgenheid in de pas liep en iets voelde van: je kunt me wat met het geloof, met die SGP. Ik
had heus mijn Sturm und Drang-periode wel. Omdat ik vaardig was in het hanteren van de bal,
vroeg ik bijvoorbeeld of ik aan georganiseerde sport mocht gaan doen. Mijn ouders vonden dat
niet goed. 'Je wordt dan aan allerlei verleidingen blootgesteld.' Ik was, eh, nogal nijdig. Nu zeg
ik: ze hadden groot gelijk.
Van lieverlee raakte ik existentieel verbonden met de normen en waarden die mij met de
paplepel waren aangereikt. Hoe tegenstrijdig het ook klinkt: ik beleefde een rustige zoektocht
naar mijn identiteit. Aan het eind ervan besloot die jonge knul tot een oprecht en volmondig ja,
zo wil ik zijn, zo bén ik, en die overtuiging zal ik uitdragen. Lid van de SGP werd ik op mijn
negentiende, toen ik tijdens mijn studie aan de TH-Delft een partijbijeenkomst bezocht. Van
Gods leiding in mijn leven was ik me indertijd niet bewust. Het roepingsbesef daagde pas op het
moment dat de vraag tot mij kwam of ik kandidaat voor politieke functies wilde zijn en ik na rijp
beraad de bewilligingverklaring tekende.
Het is mijn diepste drijfveer om een woord van vermaan te spreken. Grote delen van ons volk
zijn losgeslagen, op drift geraakt. Ik praat tegen de aanwakkerende wind van de ontkerkelijking
in. Ik zeg: leven met een opengeslagen, gelezen en onderzochte Bijbel is een rijk leven, een
gezegend leven, een zegenrijk leven. Het is onbeschrijflijk dwaas dat talloze mensen die kans
niet grijpen. Oh, ik zou ze er wel met de haren bij willen slepen!

Zou God een zwarte, lesbische junk kunnen zijn? Hou op, zeg. Kan ik onmogelijk met ja op
antwoorden. Daarvoor is God ons te heilig. Wij kennen Hem in het aangezicht van Zijn Zoon, en
het beeld dat mij dan altijd voor ogen komt is de gelegenheid waarbij Petrus de Heere Jezus tot

63
Literatuur thema management economie en recht EHB32

driemaal toe verloochende. De haan kraaide. Jezus draaide zich om. Petrus aankijkend met
een blik vol liefde en kracht. Dat flitst door mij heen bij het woord God: tomeloze liefde tot
zondaren.
Diverse Schriftplaatsen zijn in mijn leven van bijzondere betekenis geweest. Denk aan De vreze
des Heeren is het beginsel der wijsheid versus De wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God.
Ik vertel het in ootmoed, zonder een spoor van zelfverheffing: ik studeerde nogal vlot. Op zeker
moment opende zich de deur naar een enorme carrière. Je staat voor de uitdaging; het
magnetiseert. Maar is opgaan in wetenschap en techniek het meest wezenlijke van mens-zijn?
Neen, driewerf neen. De wijsheid dezer wereld is in die zin dwaasheid bij God dat jouw opgaan
in wetenschap tevens jouw ondergaan in wetenschap zou inhouden. Je verliest jezelf. Ik
realiseerde me dat ik moest wortelen in de vreze des Heeren. Er werd als het ware een wissel
omgezet — van die prachtige loopbaan zag ik af.

Ik heb nimmer een geloofscrisis gehad. Nimmer met de gedachte gespeeld de prioriteiten te
verleggen, de kerk vaarwel te zeggen. Integendeel. Ik heb persoonlijk ervaren hoe vervullend
het is om je christen te mogen weten en onder Gods hoede door het leven te stappen — want
in Zijn hand ben je veilig. Wel heb ik vaak turbulentie doorgemaakt. Van jongs af aan voelde ik
mij voor kwellende vragen gesteld: ik belijd een heleboel, maar doorleef ik dat nu ook? Bevind
ik mij werkelijk zo? Of is het louter uiterlijk vertoon? Ik weet nog dat ons plotseling een neefje
ontviel. 'Ik zou óók kunnen sterven', schoot het door mijn hoofd. Och heden, kan ik God dan wel
voor ogen komen? Kan ik mij tegenover Hem verantwoorden? Ben ik bloed van Jezus?' Geen
sprake van, rechttoe - rechtaan gezegd. Inmiddels ben ik er wat verder mee. Al weet ik niet hoe
ik reageer als ik morgen ongeneeslijk ziek blijk. Ik koester het besef dat God zich over me zal
ontfermen, maar ik draag het niet als een kilootje 'redding' in mijn binnenzak.
Een paar weken terug is een goeie vriend van mij plotsklaps verongelukt. Hier net buiten het
dorp. Dat zijn natuurlijk dingen die je ontzaglijk door elkaar heen schudden. In mijn hart zit op
zulke ogenblikken een stuk worsteling. Toch houd ik vast aan de belijdenis dat niets bij geval
geschiedt, dat God er een bedoeling mee heeft. Het is Zijn wijs beleid, waar je stil in moet
berusten. Opstandigheid past daar niet bij.

De vraag welk geloof mijn tweede keus zou zijn, bestaat niet. Doet u mij een plezier: zie van dit
onderwerp af. Ik zit vastgeklonken aan de uniciteit van de christenheid. Het spijt me dat ik op de
dogmatische toer ga, maar je bent vóór of tegen Jezus. Vóór of tegen de Gekruisigde. Het
hindoeïsme, de islam, het katholicisme... ze hebben elementen in zich die haaks staan op wat
God in Zijn geopenbaarde Wil zegt. Daarmee belichamen zij dus in verschillende mate de
antichrist. De paus gaat hierin voorop. Zijn pretentie de stedehouder van Christus op aarde te
zijn, overschrijdt een hele precaire grens. Zeker, ik ben mij ervan bewust dat katholieken
woedend worden als ik de paus een element van de antichrist noem. Ik ben er niet op uit
mensen te kwetsen of te beledigen, maar we mogen toch met elkaar van mening verschillen? Ik
kan eenvoudigweg niet anders dan mij aan de Waarheid Gods houden.
Het katholicisme staat ons ook tegen vanwege het voortdurend 'overdoen' van het lijden en
sterven van Jezus. Zulke passiespelen ervaren wij als ontheiligend. Toneel, dans en opera
wijzen we ten enen male af. In dergelijke culturele uitingen trekken de uitvoerenden andermans
huid aan. Ik formuleer het doorgaans zo: dat appelleert aan het lichamelijke, aan de lust en
eventueel de wellust, hetgeen betekent dat men zich verwijdert van het Bijbels getinte
mensbeeld. Men neemt het in zedelijk opzicht sowieso niet erg nauw. Dat stuit ons tegen de
borst.
Als HTS-leerling heb ik bij een jubileum meegedaan aan sketches waarin karakteristieke
docenten werden nagespeeld. Klopt. Het verbaast me dat u daar achter bent gekomen. Hoe
onschuldig het ook was, ik zou het heden ten dage niet zo één-twee-drie meer doen. Het was
de eerste en de laatste keer, neem dat van mij aan! Ik kan met mijn hand op mijn hart zeggen

64
Literatuur thema management economie en recht EHB32

dat ik nooit van mijn leven naar een toneelstuk ben gegaan. Evenmin heb ik het verlangen een
bioscoop van binnen te zien. Ik houd mij graag zo ver mogelijk van losbandigheid en
godslastering. Om dezelfde reden bezit ik anno 1995 geen televisie. Een televisietoestel brengt
behalve het NOS-journaal en natuurfilms ook verderfelijke zaken onder handbereik. Derhalve
zijn de risico's van — tussen aanhalingstekens alstublieft — 'het kijkglas van de duivel' in de
huiskamer mij persoonlijk te groot.

lk kan er helder over zijn: gedurende mijn hele bestaan heb ik geen seconde de verleiding
gevoeld naar een pornofilm te kijken. De seksindustrie maakt het mij betrekkelijk gemakkelijk:
van de exploitatie van de vrouw als lustobject kan gewoon geen aantrekkingskracht uitgaan.
Ben ik dan niet van vlees en bloed? Jawel, ja nóu. Ook bij mij maakt een naaktfoto in een
tijdschrift meer los dan een grindbiggel. Ik kan wel degelijk iets in een ander ervaren, om het zo
te zeggen. Alleen wens ik daar niet aan toe te geven. De SGP ageert tegen posters met blote
borsten bij bushaltes. Als ik per openbaar vervoer reis, ga ik daar niet oog in oog mee staan.
Kijk ik een andere kant op. Trap ik pardoes op de rem. In de geest van Jozef, die vluchtte toen
een getrouwde vrouw trachtte hem erotisch te bedwelmen: 'Zou ik zulk een groot kwaad doen
en zondigen tegen God?'
Ik ken de uitspraak van Jimmy Carter dat hij bij het zien van mooie vrouwen regelmatig
overspelige gedachten heeft, en dat hij op die manier in wezen al zondigt. Kennelijk heeft hij
een Bijbels woord in zijn bagage dat volgens de Statenvertaling zo luidt: Wie een vrouw aanziet
om haar te begeren, doet alrede overspel. Ik herken die geestelijke vorm van scheef gaan. Ik
strijd tegen zulke opwellingen. Struikelend. Met vallen en opstaan. Ik probeer me daarvan los te
bidden. Als het dreigt, dan... dan amputeer ik dat. Het mag niet — óók niet in je denken. De
Heere heeft een vrouw op mijn weg geplaatst, daar hou ik zielsveel van, en daarmee basta.
Welnee, het SGP-besluit van eind '93 dat vrouwen het volledig partijlidmaatschap en het
regeerambt niet toekomt, is helemaal geen krampachtige poging mannen in onze kring te
vrijwaren van feminiene verlokkingen. Wij orthodoxen stellen gewoon vast dat de man in
klassiek-Bijbelse zin het hoofd van de vrouw is, dat zij ondergeschikt is aan de man. Dat noem
ik geen onderdrukking, dat noem ik geen discriminatie, dat is een scheppingsorde die
harmonisch wordt beleefd tegenover de Heere God. Al moet daar aan worden toegevoegd dat
er intern fors over is gebakkeleid — wat mij dwars door de ziel sneed. Goed, die discussies en
de daarop volgende verkiezingsnederlaag liggen achter ons. Er zijn voorstellen in de maak die
de betrokkenheid van vrouwen bij de SGP op een correcte basis regelen. Aanleiding om het
griepen te staken, dunkt mij.

Jezus die over de golven liep, de vermenigvuldiging van brood en vis, het water dat in wijn
veranderde— ik neem dat letterlijk. Het zijn historische werkelijkheden. De civiel ingenieur Van
der Vlies valt voor en aanbidt de wondere hand van God! Vraag me nou niet hoe dat allemaal
valt te verklaren: wij moeten ruimte houden voor verbazing. Ik wil alles onderzoeken, doch niet
alles doorgronden.
De Bijbel frappeert en inspireert. Het is een klomp goud. Dat goud moet worden omgesmeed tot
de pasmunt van het tijdsgewricht waarin wij leven. We mogen daarbij geen mindere
metaalsoorten gebruiken. Minder poëtisch geformuleerd: de overheid is Gods dienaresse, en
dient bij het inrichten van de publieke samenleving onvoorwaardelijk vast te houden aan Schrift
en belijdenis. Alle geboden van de Heilige Wet des Heeren horen heerschappij te hebben in
onze maatschappij en ons persoonlijk leven. Totale scheiding van kerk en staat is wat de SGP
betreft niet aan de orde. Je kunt het zo samenvatten: mijn partij wil een theologisch, ideale staat
verwezenlijken. Niet op de dictatoriale manier van Khomeiny, maar via de weg van de
parlementaire democratie.
Natuurlijk vinden wij niets schitterender dan bij de volgende verkiezingen zestig procent van de
stemmen krijgen. Wat zouden we na zo'n omslag-van-jewelste, zo'n transformatie van het

65
Literatuur thema management economie en recht EHB32

geestelijk klimaat in Nederland veranderen? Ik verwijs direct naar het vierde gebod: Gedenkt
den sabbatdag dat gij dien heiligt. De SGP zou besluiten de deuren van winkels, zwembaden
en fabrieken in het slot te houden. Laten wij dan rusten. Laten wij ons dan beperken tot werken
van barmhartigheid en noodzakelijkheid — in het ziekenhuis, in de politiesfeer. Zo kan ik
doorgaan. Ik zou bepaalde soorten films weren, de import van satanvererende rockmuziek
blokkeren, hard- én softporno verbieden. Daarnaast zou ik door middel van boetes een eind
pogen te maken aan vloeken in het openbaar. Vrijheid van meningsuiting wil naar mijn
overtuiging niet zeggen dat je anderen telkens krachtig op de tenen kunt gaan staan. In mijn
omgeving werden vroeger krachttermen in boeken met vulpennen zwart gemaakt. Ik begrijp dat.
Er zijn genoeg andere woorden waarmee men boosheid kan uiten. Denk aan warempel. Of
verdraaid nog aan toe. Of tsjonge. Nee, verdikkeme is te platvloers. Ik hoop niet dat ik ooit ben
betrapt op het bezigen van die term.
Een overheid die zich haar ambt als oefenaarster van gerechtigheid in de naam van God
bewust is, kan volgens mij verder niet om wederinvoering van de doodstraf heen. Het is een
Bijbels motief, de ultieme sanctie. Je moet die uiteraard alleen voor de supercriminelen achter
de hand houden: vliegtuigkapers, moordenaars. Ik geef toe dat we het hebben over de
praktisering van het oudtestamentische oog om oog, tand om tand, maar dan ingebed in
bewogen pastorale zorg. Ik hecht eraan toe te voegen dat die doodstraf hopelijk nimmer hoeft
te worden toegepast. Oef, daar moet ik eerlijk gezegd niet aan denken.

De SGP is principieel tegen het doden van de ongeboren vrucht, in 'ons' Nederland zou abortus
slechts worden toegestaan indien het leven van de moeder in gevaar is, indien leven tegenover
leven staat. Wij zitten met één kwestie: wat doe je wanneer een vrouw zwanger is geraakt door
een verkrachting? Als het mij overkwam — ik heb drie dochters — zou ik van die toestand
walgen, maar proberen te zeggen: 'Alle leven, ook dit, is door God geschapen. Je mag het
kindje niet doden. Laat het ter wereld komen. We zorgen voor adequate opvang. Een oplossing
zou zijn dat ik de baby als het ware adopteer. Ik ken een man die een soortgelijk geval zo
oploste. Bewonderenswaardig. Moge men een voorbeeld aan hem nemen.
Ook de euthanasiepraktijk zou door een SGP-regering een halt worden toegeroepen. Wij zijn
daar ronduit tegen. Ik zeg niet dat je stervenden, à la Franco machinaal in leven moet houden.
Doktoren dienen zich eerbiedig terug te trekken zodra hun handelingen als medisch volstrekt
zinloos worden ervaren. Dan wordt de patiënt - excuses voor het vakjargon - opgegeven en
treedt op enig moment de dood in. Wat ik doe als bijvoorbeeld mijn moeder ernstig lijdt en zij in
een niet-terminaal stadium om levensbeëindiging vraagt? Ik zou niet anders begeren dan bij
mijn principe te blijven. Zelfbeschikking is de mens nu eenmaal niet gegeven. Na lange strijd
zou ik mijn moeder meedelen dat ik mijn opvatting niet loslaat. Omdat ik die niet ervaar als míjn
opvatting, maar als die van de Heere God. Wat Hij mensen in het algemeen oplegt, kunnen wij
onder geen voorwaarde bestempelen als 'niet van toepassing' op deze of gene persoon.
We raken hiermee aan de kern van het probleem. De overheid is ons inziens gemandateerd,
nee, verplicht bepaalde grenzen te stellen, wat soms met zich meebrengt dat individuele
gewetens in de knel komen. Ik ontken niet dat anders denkenden onder een SGP-bewind het
gevoel zouden krijgen dat hun vrijheid fundamenteel wordt ingeperkt. 'Wee je gebeente als de
SGP aan de macht komt', hoorde ik laatst een hooggeleerd iemand zeggen. 'Ik ben de eerste
die emigreert.' Jammer voor je, dacht ik. Je zult iets fraais missen: dimensies als liefde,
offervaardigheid en dienstbetoon krijgen weer inhoud. Dat perspectief doet mij al met al zeggen:
het is geen vrijheidsberoving, het is geen hinder, het is... een geschenk! En ik ben er diep van
overtuigd dat de mensen op den duur zouden zeggen: 'Wat goed is dit. Wat een genade'.

Mijn vrouw en ik hebben geen enkele behoefte aan het afsluiten van verzekeringen. Onze
kinderen zijn niet ingeënt tegen ziekten als polio. Je moet je niet met polissen en vaccinaties
indekken tegen allerlei eventualiteiten. De Heere, zo leert de Heidelbergse Catechismus mij,

66
Literatuur thema management economie en recht EHB32

bedeelt ons met vruchtbare jaren, drank en spijze — maar ook met droogte, armoede en
'krankheid'. Er valt geen haar van mijn hoofd, heet het in Psalm 72, buiten Zijn Goddelijke Wil
om. Aardbevingen en overstromingen zijn beschikkingen Zijner Vaderlijke hand. En waaróm
nou precies dit en waaróm nou precies dat... daar kom ik niet uit. Ik ga er geen rekensommetje
van maken, maar een reden ís er. Ik ben zelf in 1953 op Goeree-Overflakkee van een
zolderkamer gehaald met een rubber vlotje van de marine. Ik heb aan den lijve ervaren wat
angst is, wat prangende vragen zijn. Mijn troost, mijn vreugde: bij rampspoed staar ik niet in een
zwart gat maar mag ik geloven dat het mij wordt aangedaan door God — die het beste met ons
voor heeft. U had eens bij de begrafenis van die verongelukte vriend moeten zijn: dóór alles
heen getuigden de aanwezigen van Gods goedheid.
In de kerk zingen wij: Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Welnu, we zijn stuk voor
stuk zondig. Op veel momenten ervaar ik Bas van der Vlies als niet in overeenstemming met
wat de Heere van hem vraagt. Laat ik mijn naasten genoeg delen in mijn 'rijkdom'? Nee. Stel ik
mij hulpvaardig genoeg op? Nee. Ik zet mijn beste beentje voor, maar eigenlijk breng ik er niks
van terecht. Ik ben een schuldig mens. Mij komt in feite niets dan narigheid toe.
Eenmaal had ik nadrukkelijk het gevoel dat de slaande hand Gods zich in mijn leven
manifesteerde. Onze zoon verkeerde als baby twee maanden aan de rand van het graf.
Hersenvliesontsteking. Het was een beproeving: doktoren zaten met de handen in het haar,
zeiden op een gegeven moment dat ze absoluut niets meer voor hem konden doen. Na een
nacht waarin wijzelf, familieleden en vrienden hadden gebeden en gesmeekt aan de troon van
God, begon dat jochie onverwachts te genezen. De betrokken medisch hoogleraar kon het niet
verklaren. Tot volledig herstel kwam het niet — er bleef een litteken, een lichte verstandelijke
handicap — maar het was niets minder dan een wonder. Tja, dan rest je slechts opperste
dankbaarheid.

De dood is 'de laatste vijand, een koning der verschrikking'. Ik zal er niet geheimzinnig over
doen: ik heb mijn twijfelmoedigheid en mijn bestrijdingen. Er zal pijn zijn — we hebben het
tenslotte over de bezoldiging der zonden. Ik houd mezelf voor dat die dood de doorgang vormt
tot het eeuwige leven. Maar jongens, ik word er niet op voorhand vrolijk van.

67
Literatuur thema management economie en recht EHB32

68
Literatuur thema management economie en recht EHB32

9 Interview met Roel Kuiper

„Een verwijzing naar de Bijbel zou voldoende moeten zijn"

Dr. Roel Kuiper wil ontspannen omgaan met confessie in politiek

“Als wij de confessie laten functioneren als bewijs en ter onderstreping van onze rechtzin-
nigheid, is dat een teken van geestelijke armoede. Als wij ons getuigenis kracht moeten
bijzetten door het aanhalen van geloofsartikelen, dan moeten we goed beseffen dat dat geen
teken van geestelijke rijkdom is.”

Dr. Roel Kuiper is sinds 1 februari directeur van de Marnix van St. Aldegonde Stichting, het
wetenschappelijk studiecentrum van de RPF. De opvolger van mr. André Rouvoet deinst niet
terug voor een open gedachtewisseling over de politieke functie van de confessie. „De Marnix-
stichting heeft al een reformatorische cultuurvisie en een reformatorische staatsvisie ontwikkeld.
Dit jaar willen wij met elkaar nadenken over een reformatorische partijvisie. De relatie tussen
confessie en politiek maakt daarvan zeker deel uit."
„Natuurlijk omvat zo'n studie meer. Ik denk aan de geschiedenis van de christelijke partijen. We
kennen in Nederland drie partijen die bijbelgetrouw willen zijn. Daarnaast is er nog een CDA en
een heel veld van andere politieke partijen. Gelet op de ontwikkelingen in de samenleving
vraagt elke politieke groepering zich momenteel af waar het naartoe moet met het partijwezen.
Er is ook voor een christelijke partij als de RPF alle reden om na te denken over de vraag waar
we staan."

9.1 AR-traditie

Roel Kuiper is gereformeerd (vrijgemaakt). Hij is kerkelijk opgevoed met een strakke verbinding
tussen confessie en politiek, maar dit heeft bij hem niet geleid tot een keuze voor het GPV. „Ik
beschouw mijzelf als iemand die is voortgekomen uit de AR-traditie. Je hebt zeker in de eerste
decennia na de Vrijmaking nog vrij veel gereformeerden gehad die in de ARP actief waren. Het
bekende ARP-kamerlid Meulink is daar een voorbeeld van."
Kuiper constateert dat deze ARP-onderstroom in gereformeerd-vrijgemaakte kring het „steeds
moeilijker" heeft gekregen. „Door de breuk van de jaren zestig is een groot deel in deze groep
gereformeerden buiten het verband terechtgekomen en Nederlands gereformeerd geworden.
Daarbij kunnen we denken aan bekende Nederlanders als dr. Bert de Vries en prof. dr. Bob
Goudzwaard."
„De relatie tussen kerk, confessie en politiek is in gereformeerd-vrijgemaakte kring altijd in
discussie geweest . Al in de eerste jaren na de Vrijmaking - ik denk aan het Amersfoortse
congres in 1948-was dit één van de kernthema's. Tot op de dag van vandaag is in het GPV die
verhouding tussen kerk en partij een ingewikkeld vraagstuk. In hoeverre moet een politieke
partij zich binden aan de belijdenis? Schuilt daarin een criterium voor de toelating van nieuwe
leden? Dat zijn vragen waar het GPV nog altijd mee worstelt En ik hoop dat ze er gauw
uitkomen."
Volgens de historicus Roel Kuiper is daar in die zin in ARP-kring nooit over gesproken. „De ARP
had de confessie niet in haar grondslag staan, maar volstond met een verwijzing naar Gods
Woord als basis voor het bedrijven van politiek. Het GPV is er na de SGP wel toe gekomen de
confessie in de grondslag op te nemen."

69
Literatuur thema management economie en recht EHB32

9.2 Verwarring

Bij dit alles wekt het begrip 'confessionele politiek' veel verwarring. „Deze staande uitdrukking
vindt haar oorsprong in het negentiende eeuwse spreken", legt Kuiper uit. „'Confessioneel' had
in de vorige eeuw helemaal geen gunstige klank. Onder 'confessioneel' verstond men toch dat
de protestantse clericalen naar rooms-katholiek voorbeeld via politieke kanalen aan de touwtjes
trokken. Dr. Abraham Kuyper noemde zijn ARP zelf nimmer 'confessioneel'. En zeker in de
kring van de CHU gaf men de voorkeur aan de aanduiding 'christelijk'."
„Het zijn vooral de liberalen geweest die de protestantse en rooms-katholieke partijen in ons
land 'confessionele partijen' noemden. En dat terwijl toen van een politiek functioneren op basis
van de Drie Formulieren van Enigheid helemaal geen sprake was." „Pas sinds het einde van de
Tweede Wereldoorlog wordt er op een positieve manier gesproken over 'confessionele politiek'.
Volgens mij staat deze veranderde invulling van een bestaand begrip in verband met de
oprichting van het GPV. Het zijn vooral de gereformeerd-vrijgemaakten geweest die
voortdurend de nadruk hebben gelegd op de wenselijkheid van een confessionele basis onder
het politiek handelen.
Het GPV heeft de belijdenis steeds gezien als een materiële grondslag voor het bedrijven van
politiek. Daarmee bedoel ik: wat in de belijdenis staat, heeft politieke relevantie. Ds. Joh.
Francke, de oprichter van het GPV, heeft zich rond 1948 geweldig ingespannen om bij elk
artikel van de Nederlandse geloofsbelijdenis een toelichtend verhaal te schrijven, waarin hij het
directe belang van de confessie voor de politiek probeerde aan te tonen."

9.3 In hoeverre…

„Het lijkt erop dat het GPV wat terugkomt van deze manier van denken. Sinds de aanvaarding
van een richtlijnenprogram is de confessie als materiële grondslag voor politiek handelen
op de achtergrond geraakt. Geleidelijk aan is de belijdenis gaan functioneren als een formeel
criterium in verband met de toelating van leden en de discussie over samenwerking naar
aanleiding van artikel 27 tot en met 29 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. In het GPV staat
nu de vraag voorop in hoeverre de geloofsbelijdenis politiek relevant is. Door middel van een
enquête onder staten- en raadsleden probeert die partij daarover meer helderheid te krijgen.
Een en ander moet nog deze herfst leiden tot een conclusie. De RPF is erg benieuwd of dit
lukt."
„De RPF heeft een andere geschiedenis. Verschillende stromingen hebben bij de
totstandkoming van de RPF een rol gespeeld. Het zal duidelijk zijn dat de grondslag van mijn
partij de sporen draagt van een compromis; een mengvorm. Gods Woord staat voorop als norm
voor het bedrijven van politiek. De Drie Formulieren van Enigheid worden daarbij betrokken. Het
derde element heeft betrekking op het reformatorisch grondmotief."
„In de twintig jaar dat de RPF bestaat is duidelijk gebleken dat wij anders en op een ontspannen
manier omgaan met de confessie in ons politiek functioneren. Ik ben daar erg blij om. En ik
hoop van harte dat dit voorbeeld ook in het GPV navolging zal vinden."
„We moeten wel nuchter zijn: om christelijke politiek te bedrijven heb je strikt genomen de
confessie niet nodig. Je kunt de vraag stellen hoe belangrijk het is dat de confessie deel
uitmaakt van de grondslag van een politieke partij. In de negentiende eeuw achtte Abraham
Kuyper c.s. het overbodig om de confessie op te nemen in de grondslag van de ARP. Toen was
namelijk voor iedereen duidelijk dat de ARP de partij was van het gereformeerde en hervormd-
gereformeerde volksdeel."
Roel Kuiper stelt vast dat de verdeeldheid onder bijbelgetrouwe christenen in deze eeuw enorm
is toegenomen. „In deze situatie zeg ik daarom dat - hoewel een confessionele grondslag voor

70
Literatuur thema management economie en recht EHB32

christelijke politiek niet beslist nodig is - ik toch wel blij ben dat de RPF naar de confessie
verwijst. Ik voeg daar wel aan toe dat het van belang is om op een genuanceerde manier om te
gaan met de confessie in de politiek. Het is en blijft namelijk een kerkelijk belijden. Daar moeten
we zuinig op zijn en onderscheidend mee omgaan."

9.4 Plaatsbepaling

Kuiper ziet de functie van de confessie in de politiek vooral in de plaatsbepaling van de partij als
het gaat om het lezen en interpreteren van de Bijbel. „Je snijdt daarmee de mogelijkheid van
een schriftkritisch en gezagsondermijnend omgaan met het Woord van God af", aldus Kuiper.
Ook vindt de nieuwe directeur van het wetenschappelijk studiecentrum van de RPF het van
belang dat door het noemen van de confessie duidelijk wordt gemaakt dat de RPF staat „in de
lijn van de geschiedenis van Nederland". Maar over de praktische toepasbaarheid van de
belijdenisgeschriften in het politieke handwerk maakt hij zich geen illusies: „Ik heb toch de
indruk dat ds. Joh. Francke geforceerd verbindingen heeft willen leggen tussen confessie en
politiek".
Volgens Kuiper bieden de belijdenisgeschriften niets meer en niets minder dan een
herbevestiging van wat in de Bijbel staat. „Ik heb er geen enkele behoefte aan de confessie uit
te kammen teneinde daarmee te bewijzen hoezeer wij haar nodig hebben om in politiek opzicht
staande te blijven. Daarmee is naar mijn overtuiging de christelijke politiek niet gediend. Je bent
dan teveel bezig met woorden. Om het met een variant op Groen van Prinsterer te zeggen: we
moeten niet blijven hangen aan een woord, aan een letter, aan een titel."
„Dat neemt niet weg dat ik in de confessie een aantal noties aantref die heel waardevol zijn,
juist omdat de geloofsbelijdenis de Bijbel naspreekt. Niet voor niets wordt in de Heidelbergse
Catechismus gewezen op de taak van de overheid bij het bestraffen van moord en doodslag,
roof en diefstal. Die passages zijn politiek relevant, omdat daarin een bijbelse visie op de taak
van de overheid naar voren komt." Kuiper realiseert zich dat het hier gaat om zeer algemene en
breed gedragen principes, die bij alle politieke stromingen in ons land weerklank vinden. „Ook
de opmerking van Paulus dat de Wet geschreven staat in het hart van alle mensen, is een notie
waar je wat aan hebt bij het bedrijven van christelijke politiek", repliceert hij.

9.5 Geen spanning

Een relatief klein deel van de RPF-achterban heeft een evangelische achtergrond. Deze
mensen hebben moeite met het onderschrijven van de confessie, in de eerste plaats omdat zij
dat ervaren als een kerkelijke binding, maar ook omdat zij van mening zijn dat daarin de Schrift
niet altijd recht wordt gedaan. Volgens Kuiper levert dat in de RPF-gelederen „geen enkele
spanning" op. „De artikelen 2 tot en met 7 van de Nederlandse geloofsbelijdenis vormen in het
geheel geen hindernis voor evangelische mensen, omdat in die artikelen het gezag van de
Bijbel wordt herbevestigd."
„Een breed gedragen benadering in de RPF is dat wij ons in ons denken en handelen als
politieke partij laten leiden door die delen van de confessie die politiek relevant zijn. Daarbij gaat
het niet alleen om de artikelen 2 tot en met 7, maar ook om artikel 36 van de Nederlandse
geloofsbelijdenis en die delen van de Catechismus waarin de rol van de overheid ter sprake
wordt gebracht. Ook daarin kunnen reformatorischen en evangelischen het goed met elkaar
vinden."
Volgens Roel Kuiper gaan RPF en GPV op een andere manier om met de belijdenisgeschriften
dan de SGP. „De SGP is gericht op het verkrijgen van een regering voor ons land waarbij Gods
Wet voor alle burgers moet gelden. Het ideaal van deze partij ligt bij de instelling van een

71
Literatuur thema management economie en recht EHB32

theocratisch bestuur. De SGP is in haar aard geen actieve beweging, maar een tamelijk statisch
appèl. De achterban van deze partij heeft vanouds niet de neiging zich in te zetten voor een
verbetering van de Nederlandse samenleving. Ook de politieke formuleringen zijn nauwelijks
aan verandering onderhevig."
„RPF en GPV willen vooral politieke bewegingen van christenen zijn. Dit zijn partijen die als
delen van de samenleving invloed willen laten gelden op de regering. Daarbij gaat het om het
uitdragen van een christelijke visie op de cultuur, de staat en de samenleving als geheel. Als
politieke bewegingen wil je uiteraard wel de steun van het volk maximeren. Daar hoort bij dat je
voortdurend je bewoordingen aanpast om te zeggen wat nu gezegd moet worden; om met twee
benen in deze tijd en werkelijkheid te blijven staan."

9.6 Idealen

Kuiper erkent dat de SGP haar idealen hoger stelt dan RPF en GPV. Waar de laatstgenoemde
partijen de nadruk leggen op een bijbels geluid in de praktijk van nu, streeft de SGP naar een
'Geneefs model' naar het ontwerp van Johannes Calvijn; een model dat al vier eeuwen achter
de horizon van het verleden ligt.
„De SGP is gericht op het geheel. Nederland is een lichaam, dat vanuit het hoofd, de regering,
bestuurd moet worden naar de eis van Gods Wet. Daar werkt iets in door van een oude
scholastieke kijk op de samenleving. Het lijkt toch wat op de idee van een Corpus Christianum,
zoals dat in de Middeleeuwen vigeerde. De vroeg-christelijke Kerk deelde deze visie niet. In de
Civitate Dei (De Stad Gods) van Aurelius Augustinus tref je dit SGP-ideaal niet aan."
„RPF en GPV zijn partijen met wortels in de negentiende eeuw. Deze partijen aanvaarden dat in
deze maatschappij verschillende groepen mensen met onderscheiden levensvisies met elkaar
samenleven. De historie laat weliswaar zien dat wij een door de Reformatie gestempelde natie
zijn, maar dat neemt niet weg dat Nederland nu een land is van vele minderheden, waaronder
een christelijke minderheid. RPF en GPV erkennen de maatschappelijke rechten van
andersdenkenden." Volgens dr. Roel Kuiper heeft het denken van dr. Abraham Kuyper zeker
zijn sporen bij RPF en GPV nagelaten: er ligt minder nadruk op het geheel en meer nadruk op
delen of kringen in dat geheel.
„En toch, als je de leer van Kuyper terugbrengt tot een soort schottentheorie met volksdelen en
zuilen, dan denk ik dat de RPF daarvan toch weer afstand heeft genomen. Want de uiterste
consequentie van soevereiniteit in eigen kring is toch dat er uiteindelijk niets publieks meer
overblijft. Dan ga je de samenbindende kracht van een samenleving missen. Bij de RPF leeft
daarom de gedachte dat verschillende groepen van mensen recht hebben op een eigen plaats
in de samenleving. Dat is de structuur van publieke gerechtigheid. Tegelijk moet er ook een
publieke gerichtheid zijn. De overheid moet de koers aangeven en zich daarbij door het Woord
van God laten leiden. Maar de overheid moet de koers niet alléén aangeven. Ook de burgers
dragen daarin hun verantwoordelijkheid."
„Het zal niemand verbazen dat er bij de RPF geen enkel verschil van mening bestaat over de
aard van die gerichtheid: ook de samenleving als geheel heeft tot taak God te eren. Dat is
tegelijk het hoge doel van christelijke politiek. Dat moeten we bij al het gepraat over de relatie
tussen confessie en politiek niet uit het oog verliezen."

9.7 Goed verstaan

„Voor artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis staat Romeinen 13. Ik wilde wel dat de
gedachtewisseling tussen de drie kleine christelijke partijen meer geleid werd door dit gedeelte
uit de Schrift. Artikel 36 is ontstaan in een tijd dat calvinisten werd verweten dat zij opstonden

72
Literatuur thema management economie en recht EHB32

tegen het staatsgezag. Het bevat een antwoord op dit verwijt. Daarom eindigt artikel 36 met een
zinsnede waarin duidelijk wordt gemaakt waarin gereformeerden zich onderscheiden van
dopersen. Kennis van die ontstaansgeschiedenis is onmisbaar voor het goede verstaan van dit
geloofsartikel in 1995."
„Artikel 36 staat nogal geïsoleerd in het geheel van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Alle
andere artikelen gaan over de kerk en de christelijke leer. In artikel 30 belijden we ten aanzien
van de kerk dat zij wordt geregeerd met geestelijke middelen; door het Woord en door de
Heilige Geest. Als je artikel 36 isoleert van artikel 30 krijg je als vanzelf een uitwerking waarin
wordt gesteld dat iedereen in Nederland moet buigen voor de theocratische norm." „De
belijdenis is ook geen complete samenvatting van de Bijbel. De Drie Formulieren van Enigheid
hebben de pretentie dat zij 'de hoofdsom leren'. Dat betekent dat de belangrijkste elementen
van de leer van de Bijbel in die formulieren zijn opgenomen. Dat betekent ook dat de confessie
nooit de plaats mag innemen van de Schrift als geheel."
„Ik vind het een goede zaak dat de confessie in de grondslag van de RPF genoemd wordt,
maar het is tegelijk een teken van onze zwakheid. We moeten het als politieke partij erbij
voegen vanwege de geestelijke verwarring in onze tijd. Een verwijzing naar de Bijbel, waarin
God Zelf ons helder en krachtig toespreekt, zou eigenlijk voldoende moeten zijn. We voegen de
confessie erbij omdat wij niet voldoende hebben aan Gods Woord. Wij hebben de steun van de
geschiedenis en deze geschriften nodig om uit te leggen waar wij staan. Als je tegenwoordig
zegt dat je een christen bent, zegt dat mensen niets. Men wil horen bij welke club je zit. Pas dan
kunnen mensen je plaatsen. Nogmaals, dat is armoede."

73
Literatuur thema management economie en recht EHB32

74
Literatuur thema management economie en recht EHB32

10 Van nederlaag tot identiteitscrisis


Noodlijdend CDA mist meer dan ooit eigen gezicht

Het CDA verkeert in een identiteitscrisis. Het stemmenverlies dat deze partij vorig jaar
heeft geleden, zou wel eens het einde kunnen betekenen van de christen-democratie als
machtsfactor in Nederland. Het politieke krachtenveld heeft inmiddels een
aardverschuiving doorgemaakt. En het ziet er allerminst naar uit dat het CDA in die
nieuwe situatie het evenwicht heeft hervonden. Een analyse.

De christen-democratie heeft haar gouden eeuw achter zich gelaten, zo lijkt het. Gedurende
vele decennia gaven KVP, ARP en CHU in de nationale politiek de toon aan. Toen de zuilen in
verval raakten, hebben de kopstukken in deze partijen tijdig ingezien dat de vorming van een
federatie, uitmondend in een fusie, de enige mogelijkheid was om als grote christelijke politieke
beweging de secularisatie te overleven. De totstandkoming van het CDA heeft destijds (1980)
bij vriend en vijand respect afgedwongen. Het mag immers een unicum heten dat partijpolitieke
stromingen met een zeer verschillend denkklimaat elkaar vinden in een nieuwe politieke
formule. Een formule die de geschiedenis niet verloochent, maar het beste uit KVP, ARP en
CHU integreert tot een doordachte visie op christelijke politiek in de moderne samenleving.

10.1 Van formaat

In 1990 presenteerde het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA het kwalitatief hoogwaardige
rapport: Publieke gerechtigheid; een christen-democratische visie op de rol van de overheid in
de samenleving. Uiteraard is er vanuit reformatorisch gezichtspunt het nodige op dit rapport af
te dingen. Om principiële én partijpolitieke redenen hebben de drie kleine christelijke partijen
destijds indringende vragen gesteld bij het gedachtegoed van het CDA en de praktische
vertolking daarvan. Maar dat neemt niet weg dat men in RPF, SGP en GPV - al dan niet off the
record- best willen erkennen dat het bij Publieke gerechtigheid om een studie van formaat gaat.
Het frustrerende voor de opstellers van dit standaardwerk is dat de doorontwikkelde CDA-visie
nooit ingang heeft gekregen in de breedte van de partij. Verblind door de comfortabele
sleutelpositie die de christen-democratie tot 1994 heeft ingenomen tussen toen nog
onverzoenlijke liberalen en sociaal-democraten, hebben toonaangevende politici in het CDA
het eigenlijke gedachtegoed in de onderste bureaula gedeponeerd.

10.2 Arrogantie

In feite heeft de arrogantie van de macht het CDA de das omgedaan. De christen-democratie is
in de jaren tachtig en negentig verworden tot een zeer pragmatisch opererende politieke partij,
waarin haar eigensoortige visie op financiële, economische en sociale vraagstukken nauwelijks
doorklonk in het politieke spreken en handelen. Dat zegt iets over het christen-democratische
gehalte van vele vakbekwame politici die het CDA hebben vertegenwoordigd en nog
vertegenwoordigen.
Natuurlijk, het CDA is na de verkiezingsnederlaag van 1994 bij zichzelf te rade gegaan. Dit
zelfonderzoek heeft ook geleid tot bepaalde conclusies. Toch zijn de leidinggevenden van nu
beducht voor een eerlijke en open gedachtewisseling over de identiteit en het bestaansrecht
van het CDA. Tot op de dag van vandaag komen de stuurlieden van de partij niet verder dan

75
Literatuur thema management economie en recht EHB32

cosmetische aanpassingen. Met het afscheren van een baard en het afleren van een Fries
accent (Heerma) of het roepen om een versterking van het rooms-katholieke smaldeel (Helgers)
is de christen-democratie in ons land niet gered.
Het CDA loopt het risico zich geheel te concentreren op de vraag naar het leiderschap. Die
vraag is niet onbelangrijk, maar het is niet de enige vraag die het CDA zichzelf moet stellen. Wil
de christen-democratie deze identiteitscrisis overleven, dan zal zij moeten nagaan of en hoe zij
een meerwaarde kan bieden ten opzichte van hetgeen PvdA, VVD en D66 afzonderlijk en
gezamenlijk voorstaan.

10.3 Twee stromingen

Ten aanzien van dit punt is de stilte veelzeggend. Het is een publiek geheim dat het CDA
innerlijk is verscheurd door twee hoofdstromingen. Dat zijn in de eerste plaats degenen die van
mening zijn dat het CDA primair een volkspartij van het midden moet zijn. Daar tegenover staat
een minderheid die het christelijke karakter van de partij laat prevaleren. Te gemakkelijk gaat
men er in het CDA vanuit dat de ene benadering de andere uitsluit.
De uitstraling van een christelijke partij wordt niet gewaarborgd door op schrift gestelde
uitgangspunten. Minstens zo belangrijk is dat de representanten van zo'n partij zich persoonlijk
verbonden weten met die christelijke identiteit. Alleen zó werkt die identiteit in houding en
argumentatie door in het politieke handwerk. Bij te veel CDA-politici is de verbinding tussen het
christen-zijn en het politicus-zijn onvoldoende zichtbaar. Daardoor is de uitstraling van de
christen-democratie grauw en grijs geworden.
Misschien is de vraag gerechtvaardigd of de christen-democratie zichzelf heeft overleefd. Vorig
jaar is gebleken dat veel CDA-kiezers zich na het vertrek van Lubbers en de impasse rond
Brinkman hebben gewend tot de andere politieke hoofdstromingen in ons land. Per saldo zijn
er maar weinig teleurgestelde CDA-kiezers die hun stem hebben gegeven aan RPF of GPV.
De SGP ligt voor deze mensen helemaal buiten het gezichtsveld.
Het ligt voor de hand aan deze constatering de conclusie te verbinden dat het met het
christelijk gehalte van de CDA-achterban droevig is gesteld. Die conclusie is, zeker vanuit
reformatorisch oogpunt, juist.

10.4 Partijcultuur

Toch speelt ook mee dat een christen-democraat heel anders tegen christelijke politiek aankijkt
dan de christen die zich thuis voelt bij een of meer van de kleine christelijke partijen. De al dan
niet teleurgestelde CDA'er is gewend een groot verschil te maken tussen het functioneren van
een politieke partij en het functioneren van een geloofsgemeenschap. Niet alleen de CDA-
kiezer, ook het CDA-lid ziet zijn of haar partij niet als een club van gelijkgestemden.
Deze mensen zijn het gewend om binnen de partij een eigen identiteit te bewaren. Dat maakt
voor hen de overstap naar PvdA, VVD of D66 gemakkelijker. Voor een reformatorische christen
is deze open houding niet altijd begrijpelijk. Dat komt omdat de verzuiling veel mensen in de
gereformeerde gezindte in het bloed zit. Althans in Nederland. Want een Free Presbyterian in
Groot-Brittannië geeft zijn stem in de regel zonder al te grote gewetensbezwaren aan de
Conversatives. Dat het electoraat van het CDA vrij gemakkelijk overstapt naar een andere grote
politieke partij is dus niet uitsluitend een blijk van secularisatie. Het heeft ook alles te maken
met de politieke cultuur waardoor men is gevormd.
Dit alles onderstreept voor het CDA de noodzaak zich te bezinnen op de eigen identiteit. Want
het ideaal van de meerderheid, een identiteitsarme volkspartij voor het politieke midden, is

76
Literatuur thema management economie en recht EHB32

achterhaald. PvdA, VVD en D66 hebben dit gat opgevuld en het ziet er allerminst naar uit dat
deze verbintenis tussen sociaal-democraten en liberalen van korte duur zal zijn.
Daar staat tegenover dat er in de politiek in korte tijd heel veel kan veranderen. Toch doet het
CDA er niet verstandig aan lijdelijk af te wachten tot nieuwe kansen in beeld komen. Het is zaak
dat de christen-democratie werkt aan een politieke identiteit die de christelijke uitgangspunten
niet verloochent en tegelijk vanuit een eigen visie zoekt naar nieuwe antwoorden op talloze
nieuwe vragen die zich in onze turbulente samenleving aandienen.

10.5 Overbodig

Pakt het CDA die handschoen niet op, dan maakt zij zichzelf overbodig. Het gevolg zal zijn dat
de rest van de achterban zich zal verdelen over de bestaande politieke partijen of misschien
weer een nieuwe splinter zal oprichten. Gaat het die kant op, dan is dat – met alle kritiek die we
nu op het CDA hebben – toch het passeren van een belangrijk knooppunt op de snelweg naar
de marginalisering van de invloed van christelijke partijen op het overheidsbeleid.

77
Literatuur thema management economie en recht EHB32

78
Literatuur thema management economie en recht EHB32

11 Van Dijk - ‘Christenen moeten met de wapenen van de


Geest strijden’

Drs. C. P. van Dijk, lid van de Eerste Kamer voor het CDA en lid van de kerncommissie
van het interkerkelijk contact in overheidszaken (CIO), meent dat de uitdrukking
scheiding van Kerk en Staat verwarrend kan werken. „Het begrip is onduidelijk. Het
verklaart niet zoveel. Niemand in christelijke kring heeft ooit beweerd dat Kerk en Staat
niets met elkaar te maken hebben. De vraag is waar de grenzen liggen."

Van Dijk, tussen 1981 en 1982 minister voor ontwikkelingssamenwerking en van 1986 tot 1989
minister van binnenlandse zaken, hecht wel aan een duidelijke afbakening van de invloeds-
sferen van Kerk en Staat. „Het is belangrijk om de grenzen duidelijk te trekken. De overheid en
de kerkgemeenschappen gaan nu op een andere manier met elkaar om dan in de zestiende en
zeventiende eeuw door het orthodox protestantisme als ideaal werd gezien. Dit feit dwingt ons
ertoe de Bijbel op dit punt nog eens na te lezen."
„Ik denk in de eerste plaats dat het van groot belang is om vast te stellen dat de christen in ons
land burger is van Twee Rijken. Door het geloof in Jezus Christus mag de christen burger zijn
van het Koninkrijk der Hemelen. Hij is tevens burger van het Koninkrijk der Nederlanden. Die
twee vallen niet met elkaar samen. Zij hebben wel met elkaar te maken."
„Als burger van het Koninkrijk der Hemelen weet de christen zich verbonden met een geestelijk
Koninkrijk. In dat Koninkrijk heerst de Wet van de liefde. Het is onze opdracht de liefde van
Christus door te geven. Je zou kunnen spreken van de burgerzin om in de wereld een lichtend
licht en een zoutend zout te zijn. Dat geldt voor de christen persoonlijk, maar ook voor de
christelijke gemeente als lichaam van Christus. En dan welt als vanzelf de vraag op: zijn wij een
licht op de kandelaar; een stad op een berg?"
„Ik heb wel eens de indruk dat het voor velen in Nederland gemakkelijker is mensen in
ontwikkelingslanden lief te hebben dan hun eigen vrouw, hun eigen man, hun eigen kinderen,
hun eigen buren en hun eigen collega's. Onze maatschappelijke verantwoordelijkheid begint
heel dichtbij. Als het gaat om de manifestatie van het christen-zijn in het openbare leven, dan
lees ik in de Bijbel dat de liefde zichtbaar en tastbaar moet zijn. De eerste christenen hebben
ons laten zien dat zij elkaar liefhadden en hun naasten aandacht en zorg bewezen. Gedrongen
door de liefde van Christus hebben christenen tot taak iets uit te stralen van de essentie van het
Koninkrijk der Hemelen."
„Soms krijg ik de indruk dat onze geestelijke leidslieden meer belangstelling hebben voor de
grote maatschappelijke vraagstukken waarop de overheid kan worden aangesproken dan voor
de vraag of de christelijke gemeente wel aan haar hoge roeping beantwoordt. Het is geweldig
belangrijk dat christenen zich concentreren op de geestelijke overdracht van normen en
waarden aan het nageslacht. Het functioneren van de christelijke levenshouding in het gezin is
van onschatbare waarde, ook voor de overheid. Waar we met elkaar zien dat de misdaad in de
samenleving welig tiert, moeten we tegelijk constateren dat de oorzaak van maatschappelijke
ontsporing meer dan eens ligt in een ontspoord gezinsklimaat in de kinderjaren. Daarom
moeten wij onszelf de vraag stellen: wat dragen wij uit als gemeente van Christus?"

Van Dijk, orthodox-hervormd in de stad Rotterdam, maakt zich in dat opzicht ernstig zorgen
over het functioneren van de christelijke gemeenten in ons land: „Er is iets goed misgegaan in
de afgelopen tientallen jaren bij de overdracht van geestelijke en morele waarden aan de
nieuwe generatie. Ik denk dat christenen samen met niet-christenen in de na-oorlogse jaren
geobsedeerd zijn geweest door het scheppen van welvaart en het verwerven van inkomen.

79
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Versta mij goed, daar is op zichzelf niets mis mee. Maar intussen hebben wij onze kinderen wel
ingeprent en voorgeleefd dat geld verdienen ontzettend belangrijk is."
„Of we nu spreken over bevindelijk gereformeerde, orthodox gereformeerden of modern
gereformeerden, dat maakt voor wat betreft het materialisme nauwelijks verschil. Er is hooguit
onderscheid in de besteding van de beschikbare middelen. In evangelische kringen vind ik iets
meer terug van de neiging om prioriteit te geven aan de persoonlijke verantwoordelijkheid voor
de mensen om je heen. Daar proef ik iets van saamhorigheid en echte, bijbelse naastenliefde.
De evangelischen vertonen in dat opzicht meer van het beeld van de eerste christengemeenten
dan de protestantse kerkgemeenschappen."

11.1 Schaamte

Volgens Van Dijk is er beslist geen sprake van een scheiding tussen hetgeen een christen
uitstraalt in zijn familie- of vriendenkring en het indragen van de christelijke identiteit in het
openbare leven. „De uitstraling van de christen kan niet beperkt blijven tot zijn eigen kleine
kring. Zijn liefdevolle opstelling maakt iets zichtbaar van Christus in deze maatschappij. Het
gaat daarbij om een geestelijke levenshouding die niets te maken heeft met regels, wetten of
dwang. We spreken nu over het werk van de Heilige Geest. Hij laat zich niet vangen in
systemen of instituties. Dit wetende, denk ik, dat wij reden hebben tot schaamte. Met name de
ouderen verkeren in een schuldpositie ten opzichte van jongeren."
„Voordat we toekomen aan hoe slecht het allemaal is in het maatschappelijk leven en bij de
overheid, voordat we beginnen met het beschuldigend uitsteken van de wijsvinger naar niet-
christenen en hun moraal, denk ik, dat we eerst de hand in eigen boezem moeten steken."
„Dit alles neemt niet weg dat een christen in ons land ook burger is van het Koninkrijk der
Nederlanden. Wij erkennen als christenen dat de staat ons is gegeven als een instelling Gods
ons ten goede. De overheid is een bewarende en beschermende institutie; een bewijs van
Gods genade in de samenleving. En dat is heel wat anders dan een willekeurige vereniging van
mensen. Het is dan ook beslist niet christelijk de overheid te beschouwen als iets van
ondergeschikte betekenis. De staat heeft wel een eigen aard; een eigen dimensie, maar het is
geen tweederangs aangelegenheid."
De relatie tussen Kerk en Staat door de eeuwen heen is getekend door een machtsstrijd, die de
zaak van de Kerk grote schade heeft toegebracht „Kerk en Staat hebben in het verleden
grenzen overschreden die niet overschreden hadden mogen worden. De Kerk heeft geprobeerd
aardse macht te verwerven. De Staat heeft geprobeerd greep te krijgen op de inhoud van de
prediking en de inrichting van de eredienst."
„Zodra je als christen participeert in het politieke bestel, maak je deel uit van de
machtsstructuur", legt Van Dijk uit. „De christen die politiek actief is, maakt gebruik van macht.
Dat kan in bepaalde omstandigheden betekenen dat je opdracht moet geven aan de politie om
met geweld in te grijpen in een situatie. Dat kan zelfs inhouden dat je oorlog moet voeren."
„Voor sommige christenen is die hardhandigheid niet te verenigen met de zachtmoedigheid die
het persoonlijke leven van een christen dient te kenmerken. Die tegenstelling is onjuist als de
machtsuitoefening legitiem is en de bescherming van het menselijk bestaan dient. Voormalig
Joegoslavië is een goed voorbeeld van een situatie waar de afwezigheid van effectieve
machtsuitoefening onpeilbaar menselijk leed veroorzaakt. Uit het Bijbelwoord 'Geef de keizer
wat des keizers is' blijkt dat Jezus Christus Zelf een onderscheid maakt tussen de
verantwoordelijkheid van de Staat en de roeping van de Kerk."

80
Literatuur thema management economie en recht EHB32

11.2 Keizer

Volgens Van Dijk kan uit dit onderscheid tussen het geestelijke en het staatkundige leven niet
worden afgeleid dat de christen in alle tijden een gepaste afstand moet bewaren tot het politieke
handwerk. Wel denkt hij dat distantie in de dagen van Christus' verblijf op aarde gewenst was
met het oog op de aard van het staatsgezag. „Ik lees nergens in de Bijbel dat de christen zich
niet met politieke kwesties moet inlaten. Christus Zelf onderhield contacten met mensen die de
overheid vertegenwoordigden. Ik lees niet dat Hij de hoofdman over honderd de opdracht heeft
gegeven zijn politieke ambt neer te leggen."
„De overheid draagt verantwoordelijkheid voor alle mensen in de samenleving. Of zij nu christen
zijn of niet. De Kerk eist niet langer van de Staat dat de Staat de Kerk in stand houdt of
bevoorrecht. De Kerk oefent als zodanig ook geen staatkundig gezag meer uit. Geleidelijk aan
is in de Kerk het besef doorgedrongen dat wat in de zeventiende en achttiende eeuw nog heel
gebruikelijk was, in onze dagen niet meer kan. Het is niet alleen praktisch ondenkbaar, het is
ook bijbels niet goed te verdedigen dat geestelijken leven als vorsten en koningen zich
gedragen als goden. Ook hier weer: Geef de keizer wat des keizers is."

De CDA-senator geeft onmiddellijk toe dat het ambt van de overheid geen zaak is die op tal van
plaatsen in het Nieuwe Testament aan de orde wordt gesteld. Hij heeft er met het oog daarop
wel begrip voor dat theologen in de voetsporen van de Reformatie al snel de neiging hebben de
lijnen uit het Oude Testament in meer of mindere mate van toepassing te verklaren op het hier
en nu. Juist omdat de 'rechtzinnige' theoloog voor alles wil voorkomen dat hem het verwijt treft
dat hij het Oude en het Nieuwe Testament van elkaar losmaakt. Van Dijk onderkent dit
theologisch probleem, maar vindt het tegelijk zeer onjuist de theocratie bij Israël van toepassing
te verklaren op Nederland: „De regering van het oudtestamentische Israël is volstrekt uniek. De
Bijbel verschaft ons met de beschrijving van de theocratie geen model voor de staatsinrichting
van andere landen. God heeft een verbond met Israël. God heeft geen verbond met Nederland.
God heeft wel een verbond met de Kerk in Nederland. Daar komt bij dat we de oudtestamen-
tische theocratie niet moeten idealiseren. Die theocratie kende tal van zwakke punten aan de
zijde van het volk. Daarin kwam de doorwerking van de zondeval tot uitdrukking. De theocratie
is niet van paradijselijk kaliber."

11.3 Verdraagzaamheid

Van Dijk rekent het tot de taak van de Kerk te protesteren tegen grove schendingen van regels
van rechtvaardigheid en medemenselijkheid. Daar waar de overheid fundamentele waarden
met voeten treedt, moet zij naar zijn mening haar stem verheffen. De Kerk zou zich echter
volgens Van Dijk voortdurend rekenschap moeten geven van het feit dat zij niet werkt vanuit de
aardse machtsstructuur. Naar zijn mening zou de Kerk zich behoedzamer en afstandelijker
moeten opstellen, zeker als het gaat om een oordeel over concrete zaken als bijvoorbeeld de
sociale wetgeving of de aanpak van vredesvraagstukken.
„Sommige christenen zien onvoldoende in dat wetgeving het karakter heeft van een compromis.
Zij zouden meer oog kunnen hebben voor het feit dat christenpolitici streven naar optimale
situaties in omstandigheden waarin het maximale niet haalbaar is. Situaties waarin offers van
de bevolking worden gevraagd en waarin meer dan eens harde maatregelen noodzakelijk zijn.
De Kerk beschikt niet over het vermogen om de overheid te beoordelen. De meer dan eens
ongezouten kritiek op het handelen van de overheid is vooral daarom twijfelachtig, omdat de
Kerk toch pretendeert te spreken namens Christus. En Christus geeft ons geen aanwijzing
omtrent de hoogte van de AOW of de aanpak van een etnisch conflict."

81
Literatuur thema management economie en recht EHB32

„Ik denk dat de Kerk zich meer dan nu zou kunnen uitspreken over fundamentele waarden in
onze samenleving. Ik denk aan de grondrechten die van grote betekenis zijn voor het
voortbestaan van de Kerk: de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting."

Van Dijk realiseert zich dat juist deze vrijheden in sommige reformatorische kerkgemeen-
schappen omstreden zijn. Want het is nog altijd zo dat daar waar kerkgemeenschappen
vasthouden aan het theocratisch ideaal, zij de vrijheid van godsdienst exclusief voorbehoudt
aan de christelijke geloofsovertuiging. Hetzelfde geldt voor de vrijheid van meningsuiting: deze
moet in de ogen van theocraten worden beperkt in de richting van hen die het christelijk geloof
niet belijden en uitdragen. Andersom schromen diezelfde kerkgemeenschappen niet zich op
deze grondrechten te beroepen als dat in hun voordeel is.
Volgens Van Dijk brengen kerken zichzelf met deze opstelling in grote problemen. „Hoe gaan
wij om met niet-christelijke godsdiensten in de Nederlandse samenleving? Dat wordt de
komende jaren een vraagstuk van zeer grote betekenis. En een knellend probleem als het gaat
om de eenheid en het welzijn van de samenleving als geheel. We krijgen te maken met een
scala van zeden en mores die soms haaks staan op wat wij in ons land als wenselijke vormen
van maatschappelijk gedrag beschouwen."
De CDA-senator bepleit een liefdevolle benadering en een ruime mate van verdraagzaamheid:
„De Kerk dient daarin voorop te lopen. Wij moeten als christenen begaan zijn met de acceptatie
en integratie van mensen die in ons land zijn komen wonen."
Van Dijk denkt dat christenen zich vergissen als zij menen dat zij hun geloof in Christus
verloochenen als zij mensen met een andere religie gelijke (grond)rechten gunnen. „Christenen
moeten met de wapenen van de Geest strijden en niet met de wapenen van de Staat. Wij
worden als christen geroepen aan andersdenkenden getuigenis te geven van de waarde van
het christelijk geloof; ieder op zijn eigen plaats en wijze. Dat is de enige weg. We kunnen de
bekering van niet-christenen toch niet afdwingen langs de weg van discriminatie door de Staat?
Welke indruk moeten die mensen krijgen van de liefde van christenen voor hun medemensen
als we de politiek gebruiken om andersdenkenden in de samenleving op achterstand te zetten?"

11.4 Gebedsleven

Van Dijk ervaart de versplintering van kerkelijk Nederland niet als een relevante factor bij het
meten van de kracht van de aanspraak tot de overheid. „Uit praktische overwegingen biedt het
voordelen om van tijd tot tijd met één mond te kunnen spreken, zoals de paus dat doet namens
het rooms-katholieke deel van de christenheid. Maar dat is geen doorslaggevend argument
voor kerkelijke eenheid. Vanuit geestelijk oogpunt is de versplintering een tragedie. We zouden
immers een moeten zijn. Maar het moet er niet om gaan dat de kerken in zo'n geval beter in
staat zijn een vuist te maken tegen de overheid. Daar moet het niet om gaan."
Van Dijk verlangt naar een nieuwe bloeitijd voor de christelijke kerk. Hij legt daarbij de nadruk
op het blijvend verstaan van de christelijke verantwoordelijkheid in combinatie met een
verlangend uitzien naar de wederkomst van Jezus Christus. Hij wil daarbij twee klippen
omzeilen: In de eerste plaats is hij beducht voor een al te menselijk omgaan met een begrip als
opwekking. Daarnaast wil hij ook niet vluchten in een passief tandhakken naar het einde der
tijden. „Wie de historie kent, komt niet tot de conclusie dat de Kerk er op dit moment slechter
voorstaat dan ooit. Er zijn tijden geweest van bloeiend geestelijk leven, er zijn ook tijden
geweest van droevig verval. We moeten nu vaststellen dat een aantal geestelijke gaven in de
gemeenten ontbreekt. Christenen hebben de verantwoordelijkheid hun geloofsgenoten daarop
te wijzen."
„Maar ik wil beslist niet zeggen dat alles slecht is. Ik zie de bewijzen van het feit dat God Zijn
Kerk nooit zal verlaten. Ik denk dat er in de kerken nog steeds veel mensen zijn die het Woord

82
Literatuur thema management economie en recht EHB32

van God met ernst en liefde onderzoeken. Dat zijn de christenen met een bloeiend
gebedsleven. Zij timmeren misschien niet zo duidelijk aan de weg, maar ervaren wel de werking
van de Heilige Geest. Het is beslist niet zo dat de Kerk er niet meer is. Wel wordt haar glans
verduisterd door een dikke laag stof."

11.5 Mensenwerk

Van Dijk heeft niet de indruk dat de christelijke politieke partijen in ons land zich laten gebruiken
om kerkelijke belangen te behartigen in 's lands vergaderzalen. „Voor de kleine christelijke
partijen wil ik niet spreken. Ik heb wel de indruk dat de band tussen kerk en partij bij RPF, SGP
en GPV sterker is dan bij het CDA."
„Voor wat betreft het CDA zou je kunnen zeggen dat de afstand tussen de kerken en de
politieke partij groot is. Dat is een bewuste keuze. Het CDA is niet gebonden aan een kerk of
een kerkelijke confessie. Mensen met zeer verschillende kerkelijke achtergronden vormen
samen een politieke partij. Het is en het blijft mensenwerk! We zeggen niet in Naam van God
dat het zo moet als wij het voorstellen. Wij menen, in afhankelijkheid van wat de Schrift zegt,
een paar grote lijnen te ontdekken die wij in het openbare leven misschien zouden kunnen
doortrekken."
Van Dijk heeft er geen moeite mee te erkennen dat het CDA op dit moment een identiteitscrisis
doormaakt „We bevinden ons in een proces van herbezinning. Dat is naar mijn overtuiging een
nuttige fase. We hebben inmiddels het gevaar van macht leren onderkennen. Dat wij met die
gegeven macht niet altijd even zorgvuldig zijn omgesprongen, is ons door de kiezers duidelijk
verteld."
„De band tussen de christelijke boodschap en de politieke grondbeginselen vraagt om een
continue doordenking. Het nieuwe program van uitgangspunten, dat vorig jaar door de partij is
aanvaard, vermeldt expliciet die voortdurende herijking. Het uitgangspunt nemen we in het
getuigenis van Gods geboden en beloften in de Heilige Schrift. De Bijbel is dus voor het CDA
het baken aan de hand waarvan de koers moet worden bepaald. Wat vraagt de huidige tijd van
ons in het licht van de Bijbel? Dat is de vraag die wij ons moeten blijven stellen. Daar raak je
ook nooit op uitgestudeerd, omdat elke tijd vraagt om nieuwe antwoorden."
Daarbij kan de vraag worden gesteld of die behoefte aan een bijbelse oriëntatie wel in de
breedte van de partij leeft. In dat licht is een totale ontluistering van de christelijke identiteit van
het CDA niet denkbeeldig. Van Dijk: „Alles kan ten gronde gaan. Hoe vaak is het niet gebeurd in
christelijke kring dat organisaties bij gebrek aan diepgang gestorven zijn? Dat kan dus ook met
het CDA gebeuren. De identiteit kan zodanig verwateren dat de C alleen nog maar een wassen
neus is."
„Maar mijn contact met anderen in de partij wijst toch in een iets andere richting. Ik zeg niet dat
alles koek en ei is, maar er is toch een vrij breed gedragen bereidheid bij CDA'ers om zich
voortdurend over de koppeling tussen Bijbel en politiek te bezinnen. Het CDA blijft een
christelijke politieke partij. Laten we de christelijke identiteit los, dan zijn we onze bestaansgrond
kwijt. Dan worden we gewoon een praktische, pragmatische partij die zich nauwelijks
onderscheidt van het mengsel van links en rechts dat nu het land regeert."

11.6 Moraal

Van Dijk denkt dat er nog steeds ruimte is voor een brede, christelijke volkspartij. „Er kan een
tijd komen dat het vasthouden aan de christelijke identiteit zich niet meer laat verenigen met de
volkspartij die het CDA wil zijn. Dat moment breekt aan als er absoluut geen oor meer is onder

83
Literatuur thema management economie en recht EHB32

grote delen van het Nederlandse volk voor een politieke boodschap waarin iets doorklinkt van
de bijbelse noties. Ik beschik echter niet over signalen die in deze richting wijzen."
„Ik geloof zelf helemaal niet dat het CDA zichzelf electorale schade berokkent als de partij haar
christelijke identiteit accentueert. Ik ben ervan overtuigd dat kiezers geen bezwaar maken tegen
het christelijke karakter van de partij. Zolang zij zich maar kunnen herkennen in de politieke
doelen die wij nastreven. Het CDA moet een christelijke partij zijn ten bate van het gehele volk:
geen partij die onderscheid maakt in geloofsrichtingen, wel een partij die zich vanuit een
christelijke bewogenheid ontfermt over christenen en niet-christenen."
Van Dijk is er zeker van dat christelijke politiek op die leest geschoeid een meerwaarde heeft
ten opzichte van niet-christelijke politiek. „Ik ben het met die critici eens die zeggen dat het
christendom de moraal niet heeft uitgevonden. Chinezen, Japanners en ook de autochtone
Afrikaanse bevolking hebben, zonder dat zij met het Evangelie in aanraking zijn gekomen, een
belijnd besef van goed en kwaad. Dat is ingeschapen. Christenen zijn dus niet de uitvinders van
de moraal, maar wij hebben wel geleerd dat wij de neiging hebben die ingeschapen moraal aan
onze laars te lappen."
Een van de dingen die het christelijk geloof toevoegt, is het besef van een eindoordeel. Aan het
eind van ons leven zullen wij verantwoording moeten afleggen voor hetgeen wij gedaan
hebben. Het eindoordeel maakt duidelijk dat wij niet op een vrijblijvende manier met ons besef
van goed en kwaad kunnen omgaan. Wij worden erop afgerekend."
„In de tweede plaats heeft Christus daar de dimensie van de liefde aan toegevoegd. Christus
heeft de Wet niet ontbonden, maar de Wet vervuld. Hij draagt ons op God lief te hebben boven
alles en onze naaste als onszelf. Daarmee heeft Hij ons de ultieme samenvatting gegeven van
de Tien Geboden. De christelijke liefde betekent meer dan het naleven van wat morele regels."
„Het zal vrijwel iedereen duidelijk zijn dat de overheid, christelijk of niet-christelijk, zich ernstig
zorgen maakt over de verbrokkeling van onze samenleving. Die beleving begint niet bij de
overheid. Die begint in het gezin."

84
Literatuur thema management economie en recht EHB32

12 Verkade - Recht is het woord van God

12.1 Cadeau

In menige eredienst zal, als het goed is, te horen zijn: liefde is een gave van God. Bij bruiloften
wordt nog al eens gememoreerd dat het huwelijk een van de overgebleven paradijsbloemen is.
Ook over het leven wordt rondom het levensbegin en –einde vaak beleden dat het een
geschenk van God is. Eén van de belangrijkere cadeaus van God aan de mensheid wordt daar-
entegen als zodanig weinig gekarakteriseerd, terwijl het van levensbelang is: ´recht´.
De relaties tussen recht en het christelijke geloof zijn dan ook legio. De psalmdichter zingt over
God: ‘Hij heeft gerechtigheid en recht lief´ (Ps. 33:5). Niet alleen staat de Bijbel bol van
gerichten en rechtspreken — van Genesis 3 tot Openbaring 22 — vooral ook bij de vragen
rondom de oorsprong van het recht, komt de verbinding tussen geloof en recht snel om het
hoekje kijken.

12.2 Tweeërlei typering

Het schone begrip ´recht´ is gelijk een diamant te veelkleurig om met één definitie te typeren.
De twee meest benoemde aspecten zijn: het normatieve en het positieve recht. Recht gety-
peerd als ´dat wat goed is´, wordt het ´normatieve´ recht genoemd; recht getypeerd als ´het ge-
heel van de regels´, dus als het geldende recht, wordt door juristen merkwaardigerwijs het ´po-
sitieve recht´ genoemd. Deze twee algemeen als belangrijkste aspecten aangeduide typeringen
geven meteen de band tussen het verschijnsel recht en God aan.
Als je op zoek gaat naar wat goed is voor het menselijke geslacht, kom je al dan niet gewild uit
bij wat de Schepper van het menselijk geslacht daarover gezegd en laten schrijven heeft.
Omdat God het goede met de mensheid voor heeft (Mozes´ wetgeving staat bol van de zinsne-
de “opdat het u welga”), is aards recht uiteindelijk pas echt recht, als het in overeenstemming is
met het hoogste, de mensheid het meeste geluk verschaffende, normenkader van Gods open-
baring.
Als je op zoek gaat naar ´het geheel van de regels´, kom je al dan niet rechtstreeks ook weer bij
de Bijbelse regels uit. Uiteindelijk vindt bijvoorbeeld elke strafbaarstelling in het Nederlandse
recht zijn basis in Gods regels voor de mensheid.
De Bijbel geeft mitsdien niet alleen de afkomst van beide aspecten van het verschijnsel recht
aan, maar ook een kader aan waarbinnen het positieve en het normatieve recht in harmonie
staan.

12.3 Macht van God gekregen

Niet alleen het feit dat God aan de mensheid regels en grondpatronen daarvoor geeft, bewijst
dat de oorsprong van het recht een Goddelijke is. Bij recht hoort rechtshandhaving en wetge-
ving en dus het begrip macht. In Zijn openbaring blijkt één en ander maal dat God de macht
behorend bij het verschijnsel recht op aarde in de handen van mensen legt. Er zijn immers
aardse wetgevers en rechtstoepassers nodig. Vooral het verschijnsel rechtspraak waarbij een
mens moet oordelen of iemand al dan niet bijvoorbeeld een moord gepleegd heeft, bewijst de
bovenmenselijke taak die God in de handen van mensen gelegd heeft. Bij de instelling van de
doodstraf (wat nota bene bij Gods verbond met de mensheid gebeurt) geeft God nadrukkelijk
aan dat vergoten bloed, niet door Zichzelf, maar door mensen vergoten moet worden. Verderop

85
Literatuur thema management economie en recht EHB32

in de Bijbel zie je dat God niet alleen de wettoepassende, maar gaandeweg ook de wetgevende
bevoegdheden aan anderen, zoals priesters, koningen en oudsten van een gemeenschap
geeft. Heel markant en schrijnend wordt in het proces Jezus duidelijk dat de rechtsprekende
macht van Pilatus hem van God toegekomen was. Het is uiteraard een misverstand te denken
dat het misbruik van de van God gekregen bevoegdheid op Gods conto geschreven moet wor-
den. Zoals een ouder die zijn van God gekregen ouderlijke macht misbruikt Gods toorn op zich
laat, zo ook een wetgever of rechter met bevoegdheid misbruikende praktijken.

12.4 Gods en der profeten toorn

Het is frappant te zien dat in de Bijbel God minstens zo veel naar ´recht´ als naar ´geloof´
vraagt. Hoewel dit te verklaren is vanwege het karakter van het grootste deel van de Bijbel, als
zijnde de maatschappelijke vragen behandelende wetboeken, blijft het opvallend dat koningen
(denk aan Psalm 72) minstens zo hard opgeroepen worden aan ´recht´ te werken als aan de
instandhouding van de voor het Joodse geloof minstens zo belangrijke eredienst, hetwelk nog
niet door de scheiding van kerk en staat verklaard kan worden. Al tegen David zei God over
elke zoon van David die de troon zou bestijgen: ‘Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik
hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen’ (2 Sam. 7:14).
Zeker raakten God en Zijn profeten vertoornd als het volk met andere goden afhoereerde, maar
echt kwaad werd Hij en de Zijnen pas als de weduwe of de wees niet het hun toekomende
kregen. (Jes. 1:17,23; 10:2; Jer. 7:6; Ezech. 22:7,25; Zach. 7:10; Mal. 3:5). Jeremia waarschuwt
de koning: ‘Zo zegt de HERE: doet recht en gerechtigheid, bevrijdt de beroofde uit de macht
van de verdrukker, doet vreemdeling, wees en weduwe schade noch geweld aan en vergiet
geen onschuldig bloed op deze plaats’ (Jer. 22:2v.).
´Gerechtigheid verhoogt een volk´, zo schrijft Salomo. Over geloof wordt dat niet gezegd…

12.5 Jezus en recht

Jezus liet Zich als rabbi niet liet verleiden om de rol van rechter te gaan spelen. Niet alleen blijkt
dat bij Zijn ontmoeting met de overspelige vrouw, maar ook als Hij vermanend zegt: ‘Mens, wie
heeft Mij tot rechter of scheidsman over u aangesteld?’ (Luk. 12:14). Desondanks spreekt Hij
Zich wel nadrukkelijk uit over recht, zet Hij het krom gegroeide recht en wijst Hij erop dat God
recht zal doen, waarbij de verhouding tussen God en mens getekend wordt als een
rechtszitting. De dichtertheoloog ds. A.F. Troost zingt dan ook treffend over Jezus: “Van recht
en vrede spreekt zijn stem” (lied 81 uit ´Zingende gezegend´). Jezus beschijnt het recht
voornamelijk met de lamp der liefde, waardoor de wets- en rechtsbetrachting in een ander Licht
komt te staan.
Het lastige bij Jezus´ uitspraken is, is dat het niet altijd klip en klaar is welke spreuken over de
aardse rechtsbedeling gaan en bij welke we meer aan het koninkrijk moeten denken. Laat geen
enkele rechter als uitgangspunt nemen: “Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen”, opdat de
misdaad niet des te gruwelijker worde. Laat geen enkele wetgever als uitgangspunt nemen:
“Zalig zijn de armen”, opdat de sociale wetgeving niet des te harder worde. Jezus Zelf laat in
Zijn proces zien, dat Zijn regels niet altijd zo maar toegepast kunnen worden. Nadat, kort na
Jezus´ arrestatie, de dienaar van de priester Jezus in Zijn gezicht geslagen had, keert Jezus
hem niet de andere wang toe, maar vraagt Hij naar de juridische basis van de slag: “Waarom
slaat gij Mij?”

86
Literatuur thema management economie en recht EHB32

12.6 Paulus en recht

Ook Paulus laat zien dat recht een cadeau van God is en dat degene die het recht schendt
Gods recht en orde schendt. Nadrukkelijk roept hij op zichzelf niet te wreken (dat leidt immers
tot niets), omdat God de wraak toekomt. God zal dus wreken en Hij doet dat via Zijn dienaar, de
overheid, die in Zijn dienst staat om het kwaad te vervolgen en het goede te belonen. Duidelijk
moge zijn dat Paulus niet oproept onrecht maar geduldig te accepteren. Onrecht moet niet door
de betrokkene gewroken worden, maar de betrokkene moet zorgen dat de overheid Zijn taak
namens God (Wiens orde immers geschonden is) kan vervullen en daarmede het onrecht
binnen Gods rechtsorde als het ware rechttrekken.
Wat Jezus al over Pilatus´ bevoegdheid zei, duidt Paulus ook aan: de overheid heeft de
zwaardmacht gekregen van God, in Wiens dienst zij staat. Dat het daarbij niet over de God-
vruchtige Balkenende maar over de wrede christenvervolgende keizer Nero ging, maakt het
alles des te frappanter.

Bij Paulus dient men op te letten als hij zijn lezers oproept zich niet tot de rechter te wenden. Dit
mag niet geduid worden als afkeer van de rechtsstaat of Gods rechtsorde. Het lijkt hier na-
drukkelijk over privaatrechtelijke discussies van gemeenteleden onderling te gaan. Paulus acht
het niet verstandig als leden van een nieuwe godsdienst elkaar voor de rechter gaan betwisten
en beschimpen. Men doet Paulus geen recht als men met een beroep op deze gedachten
strafrechtelijk wangedrag onder de pet wil houden.

12.7 Gericht en dan

Zowel in Jezus redevoeringen als in de Apocalyps is te lezen dat er uiteindelijk een finale
rechtszitting zal komen. Vanwege het feit dat God de Rechter is, is het zeker dat alles dan recht
gezet zal worden, waarna de rechtsstaat kan veranderen in de liefdesstaat, waarbij recht en lief-
de niet antithetisch tegen elkaar uitgespeeld mogen worden. Heel duidelijk heeft Jezus het ons
geleerd: recht kan niet zonder liefde en liefde gaat het al te boven.

12.8 Resumerend

Minister Donner noemde op de ´Dag van de Wetgeving´ in januari 2003 Mozes de eerste wet-
gever, daarmede de spijker op zijn kop slaande. Het aardse verschijnsel recht heeft een zeer
hoge afkomst en diepe Bijbelse dimensies. Het valt te vergelijken met Gods andere gaven als
leven en liefde. De psalmdichter (Psalm 19, nieuw berijmd) zingt niet dat ´geloof´ het woord van
God is, maar ´recht is het woord van God´.

Mr. Cor M. Verkade (1967) studeerde rechten te Utrecht en politicologie te Rotterdam en Lei-
den. Momenteel is hij docent aan de Evangelische Hogeschool en de Hogeschool Markus
Verbeek. Daarnaast is hij directeur bij Van Dam, Van Dam & Verkade B.V., een firma die zich
bezig houdt met de ontwikkeling van onroerende zaken.

87
Literatuur thema management economie en recht EHB32

88
Literatuur thema management economie en recht EHB32

13 De Blois – Contouren van het recht

13.1 Rechtsregels

In het dagelijks leven zijn we aan het recht onderworpen. Ons gedrag wordt door het recht
beïnvloed, meestal zonder dat we er ons van bewust zijn. We stoppen voor rood licht, we
schaffen in de supermarkt twee pakken spaghetti en een flesje pastasaus aan, we bezoeken de
bioscoop. Dit doen we omdat we gewend zijn het zo te doen, niet omdat we ons volgens het
recht willen gedragen. Bovendien kennen we de rechtsregels die op ons gedrag betrekking
hebben, niet of nauwelijks.

In het eerste voorbeeld handelen we volgens een regel uit het verkeersrecht. In het tweede
sluiten we een koopovereenkomst. In het derde voorbeeld huren we een zitplaats en hebben
recht op de vertoning van een bepaalde film.
Zolang alles volgens verwachting verloopt en er geen problemen opduiken, leidt het recht een
sluimerend bestaan. Maar: wat gebeurt er wanneer iemand die niet voor het rode licht stopte
ons aanrijdt? Wat is onze reactie wanneer we na en door het eten van de pastasaus zo ziek
worden dat een ziekenhuisopname noodzakelijk is? En: hoe is onze reactie als alle stoelen in
de bioscoop bezet zijn en er een andere film wordt gedraaid dan aangekondigd?
In al deze drie situaties wordt de kans groter dat we ons op het recht beroepen en onze 'eigen
rechten' ter sprake brengen. We willen duidelijk maken dat wij bepaalde claims hebben en dat
de ander een bepaalde verantwoordelijkheid of verplichting heeft. Wanneer daar onenigheid en
discussie over ontstaat, zullen we de ander uitdrukkelijk op onze rechten wijzen. In het uiterste
geval kunnen we het verschil van mening zelfs voorleggen aan de rechter die in het ontstane
conflict een bindende uitspraak kan doen.

Deze eenvoudige voorbeelden illustreren dat rechtsregels in het dagelijks leven een aantal
functies hebben. In de eerste plaats verschaffen rechtsregels ons informatie: we kunnen te
weten komen welke rechten en plichten we zelf hebben en welke rechten en plichten anderen
hebben. In de tweede plaats weten we op grond daarvan hoe we ons behoren te gedragen en
wat we mogen verwachten van anderen. In de derde plaats illustreren de simpele voorvallen
hoe ons leven bepaald en gestuurd wordt door rechtsregels. Daarvan zijn we ons maar ten dele
bewust: meestal komt het recht pas bij problemen of conflicten aan de oppervlakte.

13.2 Rechtsregels en andere sociale regels

Rechtsregels zijn niet de enige regels in de samenleving. Er zijn andere sociale regels die ook
het gedrag van mensen bepalen. Wanneer iemand het met een ander niet eens is, staat het
hem vrij om zijn kritiek naar voren te brengen. Het is echter volgens algemeen aanvaarde regels
in het maatschappelijke verkeer onaanvaardbaar om hem of haar met rotte appels te
bekogelen.

Behalve algemeen aanvaarde regels in het maatschappelijk verkeer zijn er nog andere sociale
regels. Zo zijn er groepsregels, morele regels en regels van beroepsethiek.
Groepsregels bepalen hoe de leden van de groep zich hebben te gedragen: wat ze wel en wat
ze niet moeten doen om bij de groep te horen. Verschillende groepen hebben verschillende
opvattingen. De kledingvoorschriften in het bankwezen zijn anders dan die van gabbers.

89
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Regels van moraal bevatten normen en waarden die betrekking hebben op fundamentele
levensvragen. Diverse maatschappelijke groepen hebben vaak uiteenlopende opvattingen over
euthanasie, abortus of hulp aan de derde wereld. Deze opvattingen vloeien voort uit een
verschillende levensbeschouwing: een andere visie op leven en dood of op de
verantwoordelijkheid voor honger en ellende.
Bepaalde beroepen kennen een beroepsethiek. Deze geeft aan hoe het beroep op een juiste en
zorgvuldige wijze uitgeoefend moet worden. Voor artsen en advocaten ziin er expliciete
professionele regels die in acht genomen moeten worden. Zo moeten zij het beroepsgeheim in
acht nemen en geen vertrouwelijke informatie aan derden geven.

Rechtsregels en andere sociale regels staan niet altijd naast elkaar. Soms overlappen ze
elkaar: een rechtsregel verbiedt wat ook sociaal onaanvaardbaar wordt gevonden. Diefstal en
doodslag zijn niet alleen maar wettelijk verboden maar mensen vinden het ook sociaal
onaanvaardbaar. Mensen stelen of doden niet, niet omdat de wet dat verbiedt maar omdat ze
dat moreel onacceptabel vinden. Dat wil zeggen in strijd met morele regels.
Soms verwijst een rechtsregel zelfs naar sociale regels zoals morele regels en verbindt aan die
tegel juridische gevolgen. Een voorbeeld is art. 6:3 BW waarin staat dat in bepaalde gevallen
dringende morele verplichtingen een rechtsgevolg kunnen hebben. Een voorbeeld van dit
laatste is het verschaffen door de werkgever van pensioen aan een huishoudster na tientallen
jaren trouwe dienst zonder dat dat afgesproken was.

Anderzijds zijn rechtsregels soms in strijd met sociale regels. De wettelijke regels die
euthanasie en abortus toestaan zijn in strijd met de morele opvattingen van sommige
godsdiensten.

Niet alleen wat onderwerp betreft kunnen rechtsregels en sociale regels overeenkomen.
Rechtsregels zijn evenmin de enige regels die de 'overtreder' aanpakken. Andere sociale regels
doen dat ook. Wie zich niet gedraagt volgens de regels van de eigen sociale groep merkt
daarvan de gevolgen. Kleed je je niet volgens de heersende mode dan wordt je uitgelachen of
belachelijk gemaakt of zelfs uit de groep gestoten. Zulke sociale sancties worden vaak als erger
ervaren dan een juridische sanctie zoals een parkeerbon.

13.3 Rechtssysteem

Juridische regels en juridische instituren fungeren als een systeem dat de samenleving en het
sociale leven ordent en stuurt. Dit ordenen en sturen van de samenleving is gericht op de
verwezenlijking van bepaalde doelstellingen.

13.3.1 Functies van het rechtssysteem


Welke functies heeft een rechtssysteem?
In de rechtssociologie onderscheidt men de volgende:

1. Het scheppen van sociale orde. Recht is er op gericht dat in de samenleving bepaalde
vaste gedragspatronen optreden. Als mensen zich, binnen zekere grenzen, op dezelfde
manier gedragen, weet men wat men van elkaar te verwachten heeft. Men kan zijn
handelen op elkaar afstemmen.
2. Het bevorderen van niet-gewelddadige conflictbeslechting. Wanneer er conflicten zijn in de
samenleving biedt het rechtssysteem de gelegenheid om deze door een objectieve derde
te laten beslissen. Zo wordt voorkomen dat individuen het 'recht in eigen hand nemen' en
conflicten de sociale orde aantasten.

90
Literatuur thema management economie en recht EHB32

3. Het garanderen van de individuele ontplooiing en autonomie van burgers. Het gaat er in het
rechtssysteem ook om dat individuen de kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen en
hun wensen te realiseren. Recht biedt individuen de vrijheid om, ook weer binnen bepaalde
grenzen, hun leven in te richten op de manier die ze zelf kiezen.
4. Het bewerkstelligen van een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van schaarse goederen in
de samenleving. Lusten en lasten moeten in de samenleving eerlijk en doelmatig verdeeld
worden.
5. Het kanaliseren van sociale verandering. Veranderingen in de samenleving moeten niet
chaotisch en ongecoördineerd plaatsvinden. Daarom kent het recht procedures om deze
veranderingen op een geordende manier teweeg te brengen. Hierbij hebben leden van de
samenleving of hun vertegenwoordigers inspraak.

13.3.2 Functies van staatsorganen


Zeker in de huidige samenleving heeft de overheid - de staat - een belangrijke taak bij de
verwezenlijking van de doelstellingen van het rechtssysteem. De staat heeft daarvoor
verschillende organen in het leven geroepen. Deze organen hebben verschillende functies. De
belangrijkste functies zijn: wetgeving, bestuur en de rechtspraak. Wetgeving is het vaststellen
van algemene regels. Een aansprekend voorbeeld zijn regels uit het strafrecht die mishandeling
of diefstal strafbaar stellen. Er zijn ook regels die fungeren als kader voor het handelen van
burgers en organisaties (privaatrecht). Daarnaast zijn er voorschriften die het handelen van
overheidsorganen onderling en dat van overheid met burgers en bedrijven (bestuursrecht). Van
dit laatste drie voorbeelden: de verplichting om huisvuil gescheiden aan te bieden, het verbod
om bepaalde bestrijdingsmiddelen te gebruiken en de voorschriften, die bepalen dat men voor
het starten van een activiteit een vergunning nodig heeft (onder meer: een bouwvergunning of
een milieuvergunning).

Het vaststellen van algemene regels in een samenleving is niet voldoende. Deze regels moeten
ook gerealiseerd - dat wil zeggen: uitgevoerd en toegepast - worden. Een rweede belangrijke
staatsfunctie is daarom: bestuur. Bestuur houdt in dat de overheid overheidsorganen instelt die
regels uitvoeren, toepassen of op de naleving ervan toezien. In dat laatste geval spreekt men
van het handhaven van regels. De milieupolitie gaat na of boeren zich aan het verbod op het
gebruik van bestrijdingsmiddelen houden door regelmatig controles uit te voeren. De
belastingdienst - ook een onderdeel van het bestuur - legt aanslagen op en confronteert de
treuzelende of onwillige belastingplichtige desnoods met een dwangbevel. De politie handhaaft
de openbare orde - bijvoorbeeld bij demonstraties of sportmanifestaties - en spoort strafbare
feiten op.

Een derde belangrijke functie is rechtspraak. De rechter is het orgaan dat oordeelt of de
overtteding van rechtsregels daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Een voorbeeld hiervan is de
veroordeling van een boer die in strijd met het wettelijk verbod bepaalde bestrijdingsmiddelen
heeft gebruikt. De (straf)rechter oordeelt nadat de milieupolitie de boer betrapt en bekeurd
heeft. Dit oordeel vindt plaats na onderzoek van de feiten en nadat bezien is of deze feiten
volgens de wet strafbaar zijn. Ook individuen of organisaties kunnen hun onderlinge conflicten
aan de rechter voorleggen. Dit is het geval bij een geschil russen een boer en een
veehandelaar over de koop van rundvee. De veehandelaar wil van de koop af omdat de
gekochte koeien wellicht besmet zijn met de 'gekke koeienziekte'. In zo'n geval doet de (bur-
gerlijke) rechter een uitspraak. Ten slotte kunnen burgers bij de rechter opkomen tegen een
overheidsbesluit of overheidsoptreden dat zij onjuist of onrechtmatig vinden. Een illustratie van
inschakeling van de (besruurs)rechter is, wanneer de boer van mening is dat het bestuur hem

91
Literatuur thema management economie en recht EHB32

ten onrechte geen bouwvergunning voor een nieuwe bedrijfsruimte heeft verleend. Hij kan dan
tegen het bestuursbesluit in beroep gaan.

13.4 Soorten rechtsregels

Recht bestaat voor een groot deel uit regels die gedrag van burgers trachten te beïnvloeden en
te sturen. Er zijn daarnaast rechtsregels die betrekking hebben op de organisatie van het
rechtssysteem. Dit zijn niet de enige soorten techtsregels. Er kunnen nog allerlei andere
soorten onderscheiden worden. Enkele belangrijke soorten in rechtsregels vastgelegde normen
zijn: gedragsnormen, sanctienormen en bevoegdheidsverlenende normen.

Gedragsnormen
Rechtsregels kunnen een gedraging gebieden, verbieden of toestaan. Dit soort rechtsregels
noemt men gedragsnormen.

Art. 11 Wegenverkeerswet 1994 verbiedt joyriden: Het is verboden opzettelijk wederrechtelijk een aan
een ander toebehorend motorrijtuig op de weg te gebruiken.

Vooral in het strafrecht vinden we normen die gebieden en verbieden. Een kenmerk van zulke
strafrechtelijke geboden en verboden is dat ze (doorgaans) gekoppeld zijn aan dwang of straf.
Wie zo'n rechtsregel niet gehoorzaamt, kan gedwongen worden de regel alsnog te
gehoorzamen of wordt geconfronteerd met een strafsanctie (bijvoorbeeld een boete of een
gevangenisstraf).

Sanctienormen
Een sanctienorm is een regel die aangeeft wat degene die zich niet aan een gedragsnorm
houdt te wachten staat. De regel specificeert dus welke sanctie kan volgen op een overtreding
van de gedragsnorm.

Gedragsnorm en sanctienorm zijn vaak aan elkaar gekoppeld. Een voorbeeld van een (impliciete)
gedragsnorm met een strafsanctie is art. 142 Sr. Dit luidt: Hij die opzerrelijk door valse alarmkreten of
signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of een
geldboete van de tweede categorie.

Gedragsnorm en sanctienorm kunnen ook afzonderlijk van elkaar worden geformuleerd.

De sanctie op overtreding van art. II Wegenverkeerswet 1994 staar in art. 176 sub 2 Wegenverkeerswet
1994: Overtreding van art. II wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een
geldboete van de derde categorie.

Bij sancties in het strafrecht gaat het meestal om een straf. In andere rechtsgebieden komen
andere sancties voor. Een voorbeeld van een ander soort sanctie is de toepassing van
bestuursdwang. Het wegslepen van een fout geparkeerde auto is een vorm van
bestuursdwang. Eventueel volgt na het wegslepen nog een strafsanctie, zoals een veroordeling
door de rechter tot gevangenisstraf of tot een geldboete.

Bevoegdheidsverlenende normen
Bevoegdheidsverlenende normen geven staatsorganen een bepaalde macht. Die macht
(bevoegdheid) kan inhouden dat een staatsorgaan rechten en plichten vaststelt of bepaalde
handelingen verricht. Met name bij bestuursorganen en bij de rechter is het essentieel dat

92
Literatuur thema management economie en recht EHB32

bevoegdheden zo helder mogelijk zijn vastgelegd. Wanneer dat niet zo is, neemt het risico op
willekeur en aantasting van de rechtszekerheid toe.

Art. 8.2 lid I Wet milieubeheer legt de bevoegdheid vast van Burgemeester en wethouders ten aanzien
van het verlenen van een milieuvergunning voor een bepaalde inrichting (bijvoorbeeld: een bedrijf):
Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is
gelegen, zijn bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning (…)' Art. 8:7 Awb regelt welke
rechter de zaak dient te behandelen die een burger aanspant tegen een bepaald overheidsbesluit. Lid I
zegt: Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een provincie, een gemeente, een waterschap
of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaat lichaam of
gemeenschappelijk orgaan, is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn
zetel heeft bevoegd.

93
Literatuur thema management economie en recht EHB32

94
Literatuur thema management economie en recht EHB32

14 Van Apeldoorn – Doel van het recht

14.1 Doel van het recht

Doel van het recht is: een vreedzame ordening van de samenleving. Het recht wil de vrede.
Deze gedachte welke vooral door de Engelse wijsgeer Thomas Hobbes (15881679) ontwikkeld
is, komt reeds tot uiting in de oudste dichtwerken en de oudste rechtsbronnen van verschillende
volken. Bij de Griekse dichter Hesiodus (78 eeuw v.Chr.) zijn Irene en Eunomia, godinnen van
Vrede en Goede Orde, de zusters van Dikè, de godin van het recht, 'het hoogste goed, door de
goden aan de mensen geschonken'. In het Boek der Psalmen en in de Visioenen van Jesaja
zijn recht of gerechtigheid en vrede ten nauwste met elkaar verbonden.

In de epiloog van een van de oudste ons bekende wetboeken der wereld, dat van Hammoerabi,
koning van Babylon (omstr. 2000 v. Chr.), zegt deze wetgever: 'Aan mijn borst koester ik de
inwoners van het land Sumer en Akkad, onder mijn bescherming heb ik hen hun
werkzaamheden in vrede laten verrichten, in mijn wijsheid hen geborgen, opdat de sterke de
zwakke geen schade toebrenge' . Dezelfde gedachte vinden wij in een van de prologen van het
volksrecht der Salische Franken, de lex Salica (omstr. 500 na Chr.). Bij de Germaanse volken
leefde deze gedachte oudtijds zeer sterk. Wat wij de rechtsorde noemen, heette bij hen vrede.
Het rechterlijk vonnis werd wel vredeban (vredegebod) genoemd, de misdaad gold als
vredebreuk; de misdadiger werd vredeloos verklaard, d.w.z. gesteld buiten de bescherming van
het recht.
De vrede onder de mensen bewaart het recht door bepaalde menselijke belangen (materiële
zowel als ideële): eer, vrijheid, leven, vermogen enz. tegen benadeling te beschermen.
Vooral bij Amerikaanse juristen treffen wij pogingen aan tot een meer gedetailleerde formulering
en classificering van de individuele en sociale belangen die, naar hun mening, voor
bescherming door het recht in aanmerking komen. Het is evenwel duidelijk dat bij
beantwoording van de vraag welke belangen door het recht beschermd moeten worden,
subjectief oordeel (met name politieke, economische, sociale, religieuze, morele denkbeelden)
een belangrijke rol speelt, ook al zoekt men zoveel mogelijk aansluiting aan de te dien aanzien
in een bepaalde gemeenschap of -algemener- in de moderne westerse samenleving heersende
opvattingen. Het opstellen van een zodanige lijst van te beschermen belangen is dus niets
anders dan het opstellen van een politiek program.
In nog sterkere mate legt subjectieve waardering gewicht in de schaal wanneer het gaat om een
afwegen van deze belangen, voor zover zij onderling onverenigbaar zijn, m.a.w. wanneer
beslist moet worden, aan welke van die belangen prioriteit is toe te kennen vóór andere. Een
objectieve of absolute maatstaf waarnaar deze kwestie zou kunnen worden beslist, ontbreekt.
Maar daarom is het ook onjuist om -zoals Amerikaanse juristen gaarne doen - het recht voor te
stellen als een 'system of social engineering' en dus een parallel te trekken tussen de taak van
wetgever en jurist ener- en de ingenieurstechniek anderzijds.
De maatschappelijke verhoudingen, de in de maatschappij levende begeerten, wensen,
behoeften laten zich niet analyseren als natuurkundige verschijnselen. Er bestaat in de
samenleving tussen verschillende groepen van mensen een grote verscheidenheid van
belangen, en er is ook binnen één en dezelfde groep verscheidenheid van wensen en
behoeften, welke bovendien dikwijls onzeker zijn, weinig gepreciseerd en veranderlijk, zodat
van een wetenschappelijke vaststelling daarvan geen sprake kan zijn.

95
Literatuur thema management economie en recht EHB32

Maar ook als daarover eenstemmigheid zou zijn bereikt in de leidende kringen, dan blijft nog
een keuze te doen van de middelen om het voorgestelde doel te bereiken; waarbij ook weer
subjectief oordeel een rol zal spelen.
Kortom: de regeling van de maatschappelijke verhoudingen is niet een kwestie van techniek of
van wiskunde.

Het feit dat de (materiële en ideële) belangen van de individuele mensen, en van
onderscheidene groepen van mensen, met name ook de belangen van individu en
gemeenschap, telkens met elkaar in strijd zijn, zou leiden tot voortdurende conflicten, ja tot een
oorlog van allen tegen allen, wanneer niet het recht tussenbeide trad om de vrede te
handhaven. En het handhaaft de vrede door de tegenstrijdige belangen nauwgezet tegen elkaar
af te wegen en daartussen een evenwicht te vestigen. Want het kan zijn doel (een vreedzame
ordening der samenleving) alleen bereiken wanneer het zoveel mogelijk streeft naar een
rechtvaardige ordening, d.w.z. een ordening waarbij er een evenwicht is tussen de beschermde
belangen; waarbij ieder dus zoveel mogelijk krijgt wat hem toekomt.
Zo is de rechtvaardigheid al omschreven door Aristoteles in zijn Rhetorica. De Romeinen
vertaalden dit als: ius suum cuique tribuere.
Rechtvaardigheid mag niet vereenzelvigd worden met gelijkheid. Rechtvaardigheid betekent
niet dat ieder evenveel krijgt. Ook dit heeft Aristoteles al geleerd. Hij onderscheidt twee soorten
van rechtvaardigheid, de begevende (distributieve) en de vergeldende (commutatieve).
De begevende rechtvaardigheid is die welke aan ieder geeft naar zijn verdienste. Zij eist niet
dat ieder evenveel krijgt, niet de gelijkheid, maar de evenredigheid. Wanneer bijv. art. 5 der
Grondwet zegt: 'Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar', dan betekent dit niet
dat ieder Nederlander evenveel aanspraak heeft op een ministerschap, maar het betekent dat
de ambten hun moeten worden gegeven aan wie zij krachtens hun verdiensten toekomen.
De vergeldende rechtvaardigheid is die welke aan ieder, afgezien van zijn persoonlijke
verdiensten, evenveel geeft. Zij speelt een rol in het ruilverkeer, bij de ruil van goederen en
diensten, waarbij er zoveel mogelijk gelijkheid moet zijn tussen het geruilde. Zij beheerst vooral
het verkeer tussen de bijzondere personen. De begevende rechtvaardigheid beheerst vooral de
betrekkingen tussen de gemeenschap, de staat, en de bijzondere personen.
Het recht beoogt dus niet alleen de vrede, het beoogt ook de rechtvaardigheid. Deze twee
hangen onverbrekelijk samen; alleen een rechtvaardige ordening kan op de duur een
vreedzame ordening zijn.

Er zijn er, volgens wie het recht enkel beoogt de rechtvaardigheid. De theorieën welke dit leren,
noemt men de ethische theorieën, omdat volgens haar de inhoud van het recht enkel bepaald
moet worden door onze ethische overtuiging omtrent hetgeen rechtvaardig en niet rechtvaardig
is.
Deze theorieën lijden aan eenzijdigheid: zij overdrijven het rechtvaardigheidsgehalte van het
recht, doordat zij niet voldoende rekening houden met de werkelijkheid. Het recht stelt
algemene regels waarnaar de mensen in de samenleving zich hebben te richten. Wanneer het
enkel de rechtvaardigheid beoogde, dus enkel ten doel had ieder te geven wat hem toekomt,
zou het geen algemene regels kunnen stellen. En dit laatste moet het wel doen: het is een
voorwaarde voor zijn functionering. Een rechtsorde zonder algemene regels, beschreven of
onbeschreven, is onbestaanbaar. Het ontbreken van algemene regels toch zou betekenen
volkomen onzekerheid omtrent hetgeen recht of onrecht is. En die onzekerheid zou leiden tot
voortdurende strijd tussen de mensen, dus tot wanorde in plaats van orde.
Het recht moet algemene regels stellen, generaliseren. De rechtvaardigheid verbiedt het
generaliseren, eist dat ieder geval op zichzelf beoordeeld wordt: suum cuique tribuere. Soms
komt de wetgever aan deze eis zoveel mogelijk tegemoet, door zijn voorschriften zo te
formuleren dat aan de rechter een grote speelruimte wordt gelaten bij de toepassing ervan op

96
Literatuur thema management economie en recht EHB32

bijzondere gevallen. Zo, op het terrein van het strafrecht, in zover de wet de rechter grote
vrijheid laat ten aanzien van de straftoemeting 2. Zo, op het gebied van het privaatrecht, als de
wetgever de rechter voorschrijft bij zijn beslissing rekening te houden met de billijkheid 3 (door
Aristoteles reeds aangewezen als het middel om te voorkomen dat de toepassing van
algemene bepalingen in bijzondere gevallen tot onrechtvaardigheid zal leiden) of -wat volgens
onze Hoge Raad op hetzelfde neerkomt- de redelijkheid of de goede trouw. Hier dreigt nu
echter weer het gevaar dat aan de rechtszekerheid tekort zal worden gedaan, vooral in verband
met het feit dat in onze rechtspraak zich het streven openbaart om aan het 'beginsel van de
goede trouw' steeds meer uitbreiding te geven en het ook toe te passen in gevallen waarin de
wet er niet naar verwijst "'. In Frankrijk, waar aan de rechtszekerheid hoge waarde wordt
toegekend, is de rechtspraak veel terughoudender dan bij ons.

De door Meijers ontworpen Inleidende Titel van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, die al vanaf
1954 bij de Staten-Generaal aanhangig is, bevat de navolgende vèr gaande bepalingen omtrent
de verhouding van wet (en gewoonte) tot billijkheid:

Art. 3: een regelende wet of gewoonte wordt niet toegepast, wanneer haar toepassing in het
gegeven geval op grond van bijzondere omstandigheden in hoge mate onbillijk zou zijn.

Art. 4: bij gebreke van een toepasselijke wet wordt het recht door de gewoonte en bij gebreke
ook van een toepasselijke gewoonte door de billijkheid bepaald.

In het ontwerp is dus de billijkheid, onder bepaalde omstandigheden, een zelfstandige


rechtsbron met tweeërlei werking: een afschaffende (negatieve) ten aanzien van (regelende)
wetten en van gewoonten, voor zover toepassing daarvan op concrete gevallen tot duidelijk
onrechtvaardige uitkomsten zou leiden en een regelscheppende (positieve), wanneer voor
concrete gevallen de toe te passen wet èn gewoonte ontbreken. Dit laatste kan ook gevolg zijn
van het feit dat de-in-abstracto-toepasselijke-wet in concreto zeer onbillijk uitwerkt. Dan heeft de
billijkheid eerst haar negatieve werking gehad door af te schaffen en vervolgens de bouwstof
geleverd voor een positieve werking: de nieuwe beslissing.
Er is dus in het recht een onvermijdelijke tweespalt, een zich telkens herhalend conflict tussen
de eisen van de rechtvaardigheid en die van de rechtszekerheid. Want hoe meer het recht
voldoet aan de eis van te zijn een vaste, onzekerheid zoveel mogelijk uitsluitende, regeling, hoe
preciezer en scherper bepaald de rechtsregels zijn, des te meer zal de rechtvaardigheid in het
gedrang komen. In zoverre is het waar dat summum ius summa iniuria is.

De Groot (Inleiding I, 2 § 23) heeft deze tweespalt in het recht op juiste wijze aldus omschreven dat 'de
burgerwetten doorgaens in 't algemeen werden ingestelt [d.w.z.: algemene regels geven], hoewel de
reden niet altijd even-wel schijnt te passen, 't welck alzo toekomt om dat de verscheidenheiden der
menschelicke zaken zeer onzeecker zijn, ende de wet iet zeeckers moet stellen'.

Volstrekt zeker kan het recht nooit zijn. Recht moet worden uitgedrukt in woorden, en woorden zijn niets
anders dan door mensen bij stilzwijgende overeenkomst vastgestelde tekens (symbolen) om iets aan te
duiden (te 'betekenen'). Zij hebben altijd rondom een kern van zekerheid een sfeer van onzekerheid;
m.a.w. er zijn altijd grensgevallen waarvan het onzeker is of zij ook door het woord 'betekend' worden.

Deze onvolkomenheid van het recht wordt in de praktijk ten dele verholpen doordat de rechter,
bij de toepassing van het recht in concrete gevallen, dikwijls in een vrije interpretatie van de
regels het middel vindt om onbillijkheden op te heffen of te verzachten 4. Maar dit hulpmiddel
werkt weer ten koste van de rechtszekerheid, en het kan ook niet altijd dienen. Niet bijv. in
gevallen -zoals er vele zijn- welke niet voor de rechter kunnen worden gebracht. Men denke
aan de, kort geleden nog veel voorkomende, uitsluiting van alle vrouwen van bepaalde ambten,

97
Literatuur thema management economie en recht EHB32

aan de regeling van de meerderjarigheidstermijn, die voor alle personen dezelfde is, enz.
Evenmin in die gevallen waarin de wet een zeer nadrukkelijk en ondubbelzinnig gebod geeft,
want dan geldt: lex dura, sed tamen Scripta.

Het recht moet dus noodzakelijk iets van de rechtvaardigheid opofferen aan de doelmatigheid:
het heeft noodwendig een compromiskarakter. Er zijn zelfs tal van rechtsregels die in het
geheel niet de rechtvaardigheid verwerkelijken, doch hun grond uitsluitend vinden in de
doelmatigheid, zoals o.m. die betreffende bewijs en verjaring, en die welke de bezitter, ter wille
van de vrede in de samenleving, tot op zekere hoogte zelfs beschermen tegen de eigenaar.
Men kan dit betreuren, maar men kan het niet veranderen: het recht is mensenwerk en als
zodanig onvolmaakt. Wij kunnen een open oog hebben voor deze onvolmaaktheid en toch het
recht bewonderen om de grootse taak die het als vredebewaarder in de samenleving vervult.

Een Friese rechtsbron uit de Middeleeuwen (V. Richthofen, Fries. Rechtsquellen, blz. 435) geeft op de
vraag: 'wat is recht?' het antwoord: voorschrijven wat behoorlijk is, gebieden wat goed is, verbieden het
onrecht, toelaten wat rechtvaardig is en soms ook wel wat onrechtvaardig is, uit vrees voor erger.
Het recht heeft ook nog in andere opzichten een compromiskarakter. Het moet niet alleen trachten de
rechtvaardigheid te verzoenen met de rechtszekerheid, maar het moet tegelijk de stabiliteit bevorderen
en ruimte laten voor veranderingen; het wordt geacht de vrijheid te waarborgen, maar moet deze
verzoenen met gezag; het moet de enkele mens geven wat hem toekomt, maar ook de staat.
Verg. Seagle, Law: the Science of inefficiency (New York 1952); Bodenheimer, Jurisprudence
(Cambridge, Mass., 1962); RlPERT, Les forces créatrices du droit (paris 1955), hoofdstuk I:
Stabilité, évolution et progrès du droit; ESSER, Grundsatz und Norm 2. Aufl.(Tübingen 1964), blz. 155 v.;
Engisch, Einführung in das juristische Denken (1959), blz.128v., 163v.; Slagter, Rechtvaardigheid en
doelmatigheid. Enige beschouwingen over het compromiskarakter van het recht (Rede, Deventer-
Antwerpen 1961).

Zijn dus de theorieën, volgens welke het recht geen ander doel heeft dan verwerkelijking van de
rechtvaardigheid, eenzijdig en in strijd met de werkelijkheid, anderzijds lijdt ook aan
eenzijdigheid de leer dat het recht uitsluitend beoogt de nuttigheid of doelmatigheid (utilistische
of utilitaristische theorieën). Deze leer is vooral aldus geformuleerd 1: het recht beoogt aan het
grootst mogelijke aantal mensen het grootst mogelijke geluk te verzekeren: 'the greatest
happiness for the greatest number' (eudaemonisme of utilitarisme) 2 en, iedereen volwaardig,
niemand meerderwaardig: 'everybody to count for one, nobody for more than one'. Deze
beschouwing is eenzijdig, omdat het recht alleen dan doelmatig of nuttig kan zijn wanneer het
zoveel mogelijk streeft naar rechtvaardigheid.

Het doel van het recht is dus: een vreedzame en rechtvaardige ordening der samenleving.
Uitschakeling van de rechtvaardigheidsgedachte uit het recht leidt tot vereenzelviging van recht
en macht.

98
Literatuur thema management economie en recht EHB32

15 Bronvermelding

1. Noordegraaf, Salemink, Tieleman en van Elderen (1997) - De moderne economie als


juggernaut, het debat over theologie en economie Kampen, Kok. P. 9 t/m 27
2. Klamer, A. (2005) , Denken vanuit de oikos in vier sferen, In: hemelsnaam: de economie
van overvloed en onbehagen. Uitgeverij Ten Have, p. 67 t/m 84
3. Achterhuis, H. (1988), Schaarste, religie, economie. In: Het rijk van de schaarste, p. 47-
59, Ambo, Baarn.
4. Art Hybels, Moedig Leiderschap
5. A.S. Flikweert ,’Eén vertrekpunt, één eindpunt, maar gescheiden wegen’, In:
Amendement, 1 (1993), 1, p. 12-15 (4p)
6. B.J. van der Vlies ,’Opdat zij één zijn’, In: Amendement, 1 (1993), 3, p. 7-11. (5p)
7. R. Kuiper,’Volharden bij het ideaal’, In: Amendement, 1 (1993), 3, p. 12-14. (3p)
8. Frénk van der Linden, ‘Ik ben een schuldig mens’, In: NRC-Handelsblad, 6 mei 1995.
9. Interview met Roel Kuiper, ‘Een verwijzing naar de Bijbel zou voldoende moeten zijn’,
Koers, juni 1995, p.32-34 (3p)
10. ‘Van nederlaag tot identiteitscrisis’, Koers, sept. 1995, p. 43-44 (2p)
11. Interview met C.P. van Dijk, ‘Christenen moeten met de wapenen van de Geest strijden’,
Koers ,febr. 1996, p. 46-48 (3p)
12. C.M. Verkade, Recht is het Woord van God , In: Ellips nr. 246, oktober 2003 (3p)
13. M. de Blois ea, Recht, In: Contouren van het recht, Kluwer, Deventer, 1999, 3e druk
14. Prof. Mr. L.J. van Apeldoorn, Doel van het recht, In: Inleiding tot de studie van het
Nederlandse recht, 17e herz druk door Mr. J.C.M. Leyten, Tjeenk Willink,Zwolle, 1972

99