You are on page 1of 5

Geschiedenis 1. De Nederlanden, van eind 15e tot eind 16e eeuw.

o Accijnzen: (indirecte) belastingen op goederen, uitgedrukt in een percentage van de waarde, te vergelijken met de tegenwoordige BTW. o Bede: verzoek om belasting, door een vorst gedaan aan de Gewestelijke Staten/Staten Generaal. o Bulkgoederen: massagoederen zoals graan en hout. o Driehoekshandel: handel van de WIC tussen de Rupubliek, West-Afrika en Amerika. De WIC schepen voeren eerst naar West-Afrika. Daar werden Hollandse nijverheidsproducten geruild tegen slaven. De slaven werden naar Amerika vervoerd en daar verkocht. Uit Amerika brachten de schepen plantageproducten als suiker, koffie, cacao en tabak naar de Rupubliek, vooral naar Amsterdam. o Gecommericialiseerde landbouw: landbouw die hoofdzakelijk niet voor eigen gebruik, maar voor de verkoop produceert. Deze kwam in Holland en Zeeland in de 16e eeuw op. o Gewestelijke Staten: het bestuur van een gewest (provincie). In alle Gewestelijke Staten waren de steden door regenten vertegenwoordigd en in sommige (oostelijke) gewesten ook de adel. o Habsburgse Rijk: Karel V werd niet alleen heer van de Nederlanden, maar ook koning van Spanje, heer van de Habsburgse erflanden (Oostenrijk en delen van Italie) en keizer van het Duitse Rijk. Als Habsburgse vorst stond Karel V aan het hoofd van het Habsburgse Rijk, dat ook Midden-Amerika en grote delen van Zuid-Amerika omvatte. o Handelsgewassen: gewassen die niet voor eigen gebruik door de boeren, maar voor de verkoop waren bestemd zoals vlas, hennep en koolzaad. o Hanze: handelsverbond, ontstaan in de 14e eeuw, waarin handelssteden in het noorden van het Duitse Rijk en het oosten van de Nederlanden (vooral de Ijsselsteden) zich hadden aaneengesloten. o Haringkaken: de haringvisserij groeide sterk door de uitvinding van het haringkaken. Aan boord van de vissersschepen werd de haring gekaakt (de ingewanden grotendeels verwijderd) en gezouten. Daardoor bleef de haring houdbaar. o Huisnijverheid: het vervaardigen van producten aan huis. Vooral de weverij werd als huisnijverheid bedreven, vaak door kleine boeren, die zo aanvullende inkomsten verkregen. o Kleine burgerij: de bevolking van de Republiek was te onderscheiden in een aantal sociale lagen: de gegoede burgerij, de kleine burgerij en de volksklasse. De kleine burgerij vormde ongeveer een kwart van de bevolking. Zij bestond vooral uit kleine ondernemers als winkeliers en gegoede ambachtslieden. Maar ook predikanten en schoolmeesters hoorden ertoe. o Kooplieden-regenten: een kleine groep rijke kooplieden die de steden bestuurden. Zij lieten zich leiden door hun gemeenschappelijke economische belangen. De koopliedenregenten onderhielden ook banden tussen steden en gewesten door hun familierelaties en persoonlijke kennissenkring (hun netwerk) o Landvoogd(es): Karel V reorganiseerde het centrale gezag. Aangezien hij meestal niet in de Nederlanden verbleef, stelde hij als zijn plaatsvervanger in Brussel een landvoogd aan. Ook Filips II stelde landvoogden aan. o Malthus: Britse econoom (1766-1834), die stelde dat de landbouwproductie de bevolkingsgroei niet zou kunnen bijhouden. Door de bevlolkingsgroei zou er dus een

o o o o

o o

o o o o o o

tekort aan voedsel ontstaan, waardoor de bevolkingsgroei uiteindelijk tot stilstand zou komen. Markteconomie: in de landbouw: niet voor eigen gebruik produceren, maar voor de verkoop. Moedernegotie: de graanhandel werd in de 16e eeuw de moedernegotie genoemd. Men wilde ermee uitdrukken dat de graanhandel de eerste en belangrijkste vorm van handel was. Regenten: enkele zeer rijke families uit de gegoede burgerij, de regenten, die in de Republiek onder elkaar de hoge bestuursfuncties verdeelden. Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: tijdens de opstand tegen het Spaanse gezag, de Tachtigjarige Oorlog, ontstond einde 16e eeuw in het noorden de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Republiek bestond uit de gewesten Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Holland en Zeeland; in feite dus acht gewesten, maar Drenthe werd niet meegerekend omdat het niet vertegenwoordigd was in de Staten-Generaal. Slavenhandel: tot de driehoekshandel behoorde ook de slavenhandel. Nederlandse schepen brachten slaven van West-Afrika naar het West-Indisch gebied (de toenmalige Nederlandse klonien Suriname, Guyana en de Antillen) en naar de Spaanse klonien in Zuid-en Midden-Amerika. Vooral de Zeeuwen waren actief in de slavenhandel. Nadat de WIC haar monopolie had verloren (1734), was de Nederlandse slavenhandel voor driekwart in handen van Zeeuwse ondernemingen. Sonttol: bij de Oostzeehandel moest men de Sont (de nauwe zeestraat tussen Denemarken en Zweden) passeren, waar tol werd geheven. Die tol was gerelateerd aan het oppervlak van het scheepsdek. Dankzij een speciale (kleine) vorm van het dek van het fluitschip werd de sonttol tot een minimum beperkt. Een stapelmarkt: een stapelmartk is een voorraadmagazijn van te verhandelen producten. Zo was Amsterdam een stapelmarkt. Producten uit allerlei landen werden in Amsterdam aangevoerd, daar opgeslagen in pakhuizen en vervolgens doorverkocht. Staten-Generaal: afgevaardigden van de gewesten vormden de Staten-Generaal (voor het eerst in 1464). In het Bourgondische en Habsburgse Rijk hadden de Staten-Generaal het recht belastingen waarom de vorst verzocht, al dan niet meer toe te kennen. Tijdens de Republiek bepaalden de Staten-Generaal de buitenlandse politiek en defensie. Zij bestuurden ook de Generaliteitslanden. Tachtigjarige oorlog: de gewapende opstand tegen het Spaans gezag in de Nederlanden, die in 1568 begon en in 1648 werd beeindigd, met de Vrede van Munster. Textielnijverheid: de productie van textiel. Belangrijke fasen in het productieproces wasren het spinnen en het weven. Trafieken: veredelingsbedrijven die een grondstof veredelen tot eindproduct. Voorbeelden daarvan zijn suikerraffinaderijen, koffiebranderijen en zoutziederijen. Unie van Utrecht: in 1579 sloten de noordelijke gewesten en enkele zuidelijke steden de Unie van Utrecht, een bondgenootschap ter verdediging tegen de Spaanse troepen. Dat was het begin van de zelfstandigheid van de Noordelijke Nederlanden. Vetweiderij: het in de wei vetmesten van ossen voor de slacht. Vrede van Munster: na vier jaar onderhandelen werd in 1648 de Vrede van Munster getekent, die een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog. De Republiek werd internationaal als een onafhankelijke staat erkend.

Aantekeningen: Geef argumenten voor n tegen of de Nederlanden in de 15e en 16e eeuw een politieke eenheid waren! Voor: - n heer: Karel V sinds 1543. - 1548: als Bourgondische Kreitz ondeelbaar onderdeel van het Duitse Rijk. - Centralisatie politiek: Brussel als vergaderplaats voor de Staten-Generaal(Parlement) Landvoogdes bijgestaan door 3 raden: = Raad van financien = Geheime Raad (wetgeving) = Raad van State (hoge adel die advies mag geven aan de landvoogd) De raad van financien en de geheime raad zorgen ervoor dat de Nederlanders dezelfde rechten krijgen. Tegen: - Geen centrale wetgeving, dus grote gewestelijke zelfstandelijkheid & stedelijke privilege - Bede-recht: verzoek van geld van het landsbestuur, Staten-Generaal kunnen dit bedrag verlagen of zelfs niet geven De Tachtigjarige Oorlog: de Opstand tegen Spanje 1568-1648 Waarom? 1. Tegen centrale belasting politiek (bijv. tegen afschaffing van bede-recht/10% BTW) 2. Tegen centrale wetgeving 3. Tegen de vervolging van protestanten (het geloof in de Nederlanden/ vrijheid van godsdienst) Drenthe is te arm en wonen te weinig mensen worden bestuurd door de zeven andere provincies. Wanneer is de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden cht ontstaan? 1579 de Unie van Utrecht (komen met zn zevenen in opstand tegen Spanje) Je bestaat wanneer je wordt erkent. 1648 Vrede van Munster (cht erkend) Toen gaf de Duitse keizer toestemming om de Bourgondische Kreitz op te heffen. Zeegewest: Holland (Noord/Zuid-Holland) & Zeeland Landgewest: Oost-Nederland (de rest) Moedernegotie (handel): graanhandel op/met de Oostzee, bekendste/oudste handel. De Sont: smalle doorgang tussen Denemarken en Zweden. Hoe groter het dek in m, hoe meer tol je moet betalen. De Nederlanders hadden daardoor een nieuwe schip gemaakt, hij was kleiner en daardoor minder tol te betalen (Maar je kon ook meer vervoeren en hierdoor meer winst)

Theorie van Malthus: De bevolking groeit sneller dan de hoeveelheid voedsel Epidemieen/hongersnood/oorlogen. (de theorie heeft niets te maken met de 15e of 16e eeuw, dit kwam tijdens de Industriele Revolutie) Hollandse boeren gaan over op commerciele landbouwspecialiseren (producten voor de markt, om winst te maken) Bijv: -veeteeltzuivel (boter/kaas) -vet weidenbeesten vetmesten -hennep touw -vlastextiel In het oosten & zuiden blijft de landbouw traditioneel: Oost-Nederland Gemengd bedrijf -veeteelt -akkerbouw =zelfvoorziendend (alleen voor jezelf, niet meer als het niet nodig is. In Holland & Zeeland gaan talrijke bedrijfstakken sterk vooruit: Nieuwe bedrijfstakken 15e en 16e eeuw in West-Nederland o.a. trafieken: veredelingsbedrijf Bijv. koffiebranderij: in Brazilie geplukt, daar laten drogen, vervolgens per schip naar Nederland, dan in Nederland gebrand en dan is het nuttig voor het maken van koffie. Groeifactoren: 1. Binnenlandse factoren: Toenemende vraag naar producten i.v.m. bevolkingsgroei en urbanisatie (i.v.m. commerciele landbouw) 2. Voldoende arbeidskrachten 3. Nieuwe scheepsbouwtechnieken: fluitschip 4. Gilden: n van de taken is beschermen van de eigen werkgeledenheid, dus ambachtelijk produceren, maar... - De gilden in Holland waren minder sterk dan in het buitenland. - Als je nieuwe technieken wil toepassen, dan gebeurde dat op het platteland de stad moet dan wel volgen. - Trafieken vielen buiten de gilde organisatie 5. Bloei van de haring-visserij: - Haring kaken (verwijderen ingewanden) - Haring buis (nieuwe scheepstype) wordt veel geld mee verdiend de grote visserij 6. Buitenlandse factoren: De Nederlanden profiteerden van de bloei in Gent, Brugge en Antwerpen. 7. De gunstige ligging in de Europese Oost-West- handel. Handel tussen noordelijke landen(Scandinavie) en zuidelijke landen(Frankrijk).

Opkomst van Amsterdam - Antwerpse kooplieden leden financiele verlies door twee keer bankroet van de Spaanse overheid (1557 & 1575) - 1576: Spaanse Furie: plundering van Antwerpen door Spaanse soldaten - 1585: definitieve verovering van Antwerpen door Spanje. Holland sluit de schelde: toegangsweg naar Antwerpen Opkomst Amsterdam: - Vooral na 1585 Antwerpse kooplieden & geleerden & ambachtslieden definitief naar Amsterdam, met geld, kennis en handelsrelaties. - Amsterdam ontwikkelde de stapelmarkt. Opslaan en wachten op conflicten, oorlog Prijsverhoging & dus winst. Gunstig voor schippers, er is altijd retourlading.

Related Interests