You are on page 1of 10

Matthew Liska en Joost Veenkamp Practicum trillingen en golven: Onderdeel 1 Universiteit van Amsterdam

Experiment 1:
Opstelling: Dit is het circuit,waar wij de resonantiefrequentie van gaan bepalen. R, L en C zijn in serie geschakeld. We gebruiken voor de wisselspanningbron een functiegenerator:

LCR-circuit
Weerstand: We hebben een weerstand met een fabriekswaarde van R=1000 gemeten met een digitale LCR meter. Deze gaf een waarde van R=1050(5) aan. Deze afwijking is wat aan de hoge kant, maar valt binnen een foutenmarge van 5%, wat niet ongewoon is bij weerstandsfabrikanten. Bij het schatten van deze foutenmarge houden we behalve met wat de LCR meter aangeeft ook met drie andere factoren rekening: 1) Weerstand apparatuur exclusief LCR-meter: Met volgt voor een gemiddelde koperen draad in het practicumlokaal (=1,6710-8 m, l=0.5m, r=0.0005) dat R=0.01 . Met deze gegevens kunnen we de weerstand draden plugjes, soldeerwerk etc. verwaarlozen in de rest van het practicum. 2) Interne weerstand LCR-meter: Een kwaliteitsmeter heeft een interne weerstand van minstens 1 M. Dit valt ook te verwaarlozen bij R=1000 (afwijking ongeveer van 1) samen met de ADC converter (ga ik niet op in). 3) De nauwkeurigheid van de R meting wordt ook benvloed door de meetnauwkeurigheid van de LCR meter. Een meter met een gemiddelde kwaliteit kan naar eigen onderzoek een nauwkeurigheid van 0.5% handhaven. Dat is ongeveer 5 ohm en de hoofdfactor bij onze nauwkeurigheidsschatting. Spoel: We hebben de spoel (L=1.5H) gemeten met dezelfde digitale LCR meter. De waarde was 1.516(8) H. De foutenschatting is wederom gebaseerd op de LCRmeetnauwkeurigheid van 0.5%. Andere factoren kunnen geen rol spelen, want de meter geeft een waarde van ongeveer 0.002(5) bij een kortgesloten circuit aan. De interne weerstand van de spoel bedraagt 61.5(5). De LCR meter werkte niet bij deze metingen dus wij hebben de weerstandsmodus(2) op de digitale multimeter gebruikt. Condensator:

Uit de meting van de condensator (47 nanofarad) met de LCR kwam een waarde van 47.05(24) nanofarad. We gaan wederom uit van een afwijking in de LCR meter van 0.5%.

Resonantiefrequentie
Er geldt ,

In geval van resonantie geldt XL=Xc en volgt dus dat de impedantie Z alleen afhankelijk van de weerstand R is. Oftewel er geldt Vin=Vout,gezien de rele en complexe spanningen over de spoel en de condensator elkaar op ieder gegeven moment in het vectordiagram opheffen. Dus om de resonantiefrequentie te bepalen probeerden we op de oscilloscoop de frequentie te meten waarbij de twee pieken van kanaal 1 en 2 even hoog zijn en precies in fase. Dit gebeurt volgens de theorie en in de praktijk(hebben we gecontroleerd) bij een faseverschil van =0. Immers er geldt: =cos-1( )=cos-1( )=cos-1(1)=0. Wij kwamen uit op een gemeten waarde van =590(3) Hz. Dit valt binnen de foutenmarge, gezien we niet de maximale, maar de meest waarschijnlijke fout steeds bepalen. Wat ook opviel was dat de pieken van Vin en Vout niet even hoog waren op de oscilloscoop bij deze frequentie. De verhouding Vin:Vout=~20:19 is te verklaren door de kleinere maar toch nog meetbare weerstand in de spoel. N.B: De bovenstaande foutenschatting gaat uit van een oscilloscoop die een precisie van 0.1% heeft, een functiegenerator met een gelijke precisie van 0.1% en een afleesnauwkeurigheid van 0.5%. Deze nauwkeurigheidswaarden zijn afgeschat door de ingestelde frequentie van de functiegenerator te vergelijken met de gemeten frequentie op de oscilloscoop

Opdracht 1:
Uit 9, 11, 14, 15 volgt: , Voor geldt: ), ),

=-1 Dus Voor geldt: (laatste term uit met )

=1 Dus

Experiment 2:
De schakeling is al getekend en toegelicht in experiment 1. Omdat wij niet nauwkeurig het faseverschil kunnen meten met de oscilloscoop en de assistent ook geen raad hiermee weet, meten we eerst V1top-top op 0 over de weerstand en stellen de frequentie vervolgens zo in dat V2top-top= V1top-top. Hierbij maken we gebruik van voltage bars op de oscilloscoop. Dit zijn de meetresultaten: V1top-top=7.04(8)V, V2top-top=4.97(8)V, a=534(11) Hz, b=646(11) Hz Qgemeten= Qtheoretisch= =5.27(18) (Dit is de meest waarschijnlijke fout) (Let op: De spoel heeft ook een weerstand)

Dus de gemeten waarde van Q valt binnen ongeveer 3% van de theoretische waarde. Deze afwijking ligt niet aan onnauwkeurigheid van het meetapparatuur(zie significantie), maar aan de grove bepaling van a en b. Daarom hebben we bij Qgemeten een lagere significantiewaarde genomen dan uit de overoptimistische instrumentwaarden van a en b zou blijken.

Opdracht 2:
-Voor hoge frequenties geldt: = , want

Voor lage frequenties geldt: , want Het is verder triviaal dat de asymptoten elkaar in snijden gezien voor de asymptoot bij hoge frequenties en de asymptoot voor lage frequenties nam al altijd waarde 1 aan.

Experiment 3:
De laagdoorlaatfilter hebben wij gemaakt door de condensator en de weerstand van plek te verwisselen in de schakeling van experiment 1 zoals beschreven in de instructies. Als spanningsbron hebben we een functiegenerator aangesloten. Om de metingen naar het programma in/out te vertalen hebben we de opstelling aangesloten op kanaal 0 en 1 van de ADC converter op het circuit bord:

LCR-circuit
Meetresultaten De meting levert de volgende amplitude- en fasekarakteristiek op:

Fasekarakteristiek

Amplitudekarakteristiek

Hier is gebruik gemaakt van Origin. Op de ampitudekarakteristiek is een lorentzfit uitgevoerd. Dit, omdat deze fit na onderzoek de meest nauwkeurige bleek te zijn. Toch zie je dat de fit de top niet helemaal netjes heeft gepakt, waardoor de nauwkeurigheid net wat lager met een bias omhoog voor zowel Q als Fres uitvalt. Het maximum van de fit geeft ongeveer de resonantiefrequentie. Deze blijkt 581(8) Hz te zijn. De fasekarakteristiek bevestigt dit. De richtingscofficint is bij die waarde op zijn minimum. Dit is een niet al te kleine afwijking van de theoretische waarde (599Hz), maar nog steeds acceptabel. Bovendien is piek ongeveer 4 Hz naar links verschoven bij een Q-waarde van ongeveer 5 (zie formule 25 uit syllabus). Dit levert een definitieve gemeten resonantiefrequentie van 585(8)Hz op. De bijbehorende G() (amplitude)waarde op de verticale as in de amplitudekarakteristiek is 5.18(8). Dit komt mooi overeen met de theoretische van Qtheoretisch =5.11(3).

a en b zijn de hoekfrequenties waar de amplituderatio van de top afwijkt en het faseverschil is. Dit houdt in dat om a en b te bepalen we punten zoeken met G()=3.66. Dit doen we door naar de datapunten te kijken in een tabel in Origin en lineair te interpolairen. Dit lineair interpolairen is iets minder accuraat, maar gezien de functie(zie fit) vrijwel lineair is rond a en b wel een goede benadering.

Fa = 5,25.102(8) Fb = 6,42.102(8)
Nu weten we: Qgemeten= De gemeten Q klopt dus ook hier met de theoretische waarde binnen 3%. Dit is niet als te nauwkeurig maar acceptabel.

Experiment 4:
Voor dit experiment is de schakeling hetzelfde gebleven. Het ingangssignaal hebben we ingesteld op een blokspanning van circa 25Hz, want een lage frequentie is noodzakelijk voor dit experiment (we willen dat de oscillator eerst uitdooft voor een nieuwe puls). We hebben de spanning over de condensator gemeten. En dit uitgezet in de volgende grafiek .

Ondergedempte oscillator
De dempingfactor valt hieruit te bepalen door een exponentile fit te maken op de maxima van deze grafiek. De volgende tabel geeft de maxima weer:
X 1.32 3.10 4.78 6.50 8.12 9.85 11.48 13.25 16.64 Y 2.62 1.89 1.51 1.3 1.2 1.16 1.12 1.10 1.08

Over deze data hebben we een nette exponentile fit uitgevoerd in Origin (zie bovenstaande afbeelding): De R0 in deze functiefit geeft de waarde weer van dempingfactor : R0 = -0.37 gemeten = 3,7*102 Nm/s De theoretische en de gemeten waarden voor komen dus mooi overeen met de experimentele waarden.

Experiment 5:
We berekenen R voor kritische demping gebruik makend van Fres=590(7) Hz (gemiddelde uit voorgaande experimenten): Er geldt =0=590*2=3707 en = Rt= *2L=3707*2*1504=11.15 (17) k Hieronder staan de grafieken, wederom verwerkt in Origin: Kritische demping: Overdemping:

Onderdemping:

We zijn vervolgens R gaan zoeken met de variabele weerstand. We vonden 10.45 k door meerdere standen op de weerstand uit te proberen en vervolgens met een digitale multimeter de precieze waarde op te meten. Dit wijkt 6% van de theoretische waarde af, wat veel is. Deze afwijking wordt veroorzaakt doordat tijdens het bepalen van de kritische demping wij waarschijnlijk niet de juiste waarde voor de weerstand R hebben ingesteld Het is namelijk erg moeilijk te bepalen wanneer precies kritische demping optreedt op basis van een grafiek zoals de bovenstaande. Hierdoor is deze meetfout van 6% plausibel.

Experiment 6:

Opstelling: Door een fout op de rekenmachine hadden we een schakeling met een verkeerde resonantiefrequentie gebouwd Dit maakt verder weinig uit voor de rest van het experiment. Zie de afbeelding voor onze opstelling:

LCR-circuit
Ons LCR-circuit bestaat dus uit C1=33Nf, C2=5.0NF, L=1.516(8)H en Rtot=1303(25) (meerdere in serie geschakelde weerstanden). Theoretische waarden Fres en Q: De theoretische waarden voor de resonantiefrequentie en Q zijn:

Qtheoretisch= N.B: We kiezen een vrij lage nauwkeurigheid, gezien we niet de precieze waarden van de weerstanden en condensatoren hebben nagemeten met een LCR-meter).

Meetresultaten: De data is verwerkt in Origin 8 Pro en voor de amplitudekarakteristiek is een Lorentzfit gebruikt, omdat deze naar onderzoek een vrij goede benadering is voor de curve. Zie hieronder:

Fasekarakteristiek

Amplitudekarakteristiek

Uit de Lorentz-fit volgt dat Hz en Q=4.83(5). De Qwaarde (bepaald door amplitude=Abs(G()) komt perfect overeen met de theoretische waarde. De resonantiefrequentie valt binnen de foutenmarge, gezien we altijd de meest waarschijnlijke fout gebruiken. Ook klopt de fasekarakteristiek. Dat wil zeggen dat deze bij 0 de grootste richtingscofficint heeft. Verder heeft de filter inderdaad de juiste eigenschappen. Het is een hoogdoorlaatfilter, die de lagere frequenties redelijk goed onderdrukt. Immers V1 wordt over de spoel afgenomen. Als laatste hebben we ook de RMS-spanningen over de spoel, de weerstanden en condensatoren gemeten met de digitale multimeter. Hieronder staan de resultaten: Vtot=0.741(10)V VR=0.232(10) V VL=1.592(10) V VC=0.902(10)V Er geldt Vtot= , =71.8(20)* Dit laat zien dat de metingen van de spanningen over de onderdelen consistent met de theorie zijn. Zie hieronder het bijbehorende vectordiagram:

Vectordiagram