You are on page 1of 120

Vakgroep Civiele Techniek Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning Hoofd: Prof. dr. G.

ALLAERT

HISTORIEK BEDRIJFSECONOMISCHE DYNAMIEK HAVENS VAN OOSTENDE NA 20 JAAR
1987 – 2007

Prof. dr. G. Allaert

Vakgroep Civiele Techniek Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning Hoofd: Prof. dr. G. ALLAERT

DE BEDRIJFSECONOMISCHE SLAGKRACHT VAN OOSTENDE EN ZIJN MIDA (Maritime Industrial Development Area) 20ste detectie Persconferentie januari 2007 G. ALLAERT ___________________________________________________________________________

1.

Overzicht van de economische kracht van de Oostendse topondernemingen (naar omzet, toegevoegde waarde en tewerkstelling)
Op basis van de jaarlijkse screening van de Top 5000 (de 5000 grootste Belgische ondernemingen op basis van de omzet) die we onafgebroken sedert 1987 tot vandaag voor Oostende uitvoerden kunnen we volgende conclusies uit de editie december 2005 (met cijfers van 2004).

1.1.

Het aantal “top” ondernemingen met maatschappelijke zetel in de stad Oostende gaat er verder op achteruit. Eind 2005 waren dit er 19. Het jaar voordien waren dit er 20, daar waar in 2003 er nog 23 waren. Zoals we reeds eerder (vorige edities) hebben gesteld, nl. dat de EDP (Economic Decision Power) in Oostende smal is en er een neiging is tot verdere versmalling, versterkt dit nog. Dit kan nadelig zijn voor de economische schaaleffecten (economic of scale) voor Oostende en zijn regio indien de clustereffecten (havenindustrie, logistiek, distributie en dienstverlening) achterwege blijven.

2

Het is bekend dat Grote Ondernemingen een impact hebben naar toegevoegde waarde en tewerkstelling toe. Ter info: EDP is een economisch criterium dat de economische kracht (beslissingkracht) meet vanuit de criteria omzet, toegevoegde waarde en investeringen. Hierna volgt een overzicht van de 19 top-ondernemingen (uit Top 5000) met maatschappelijke zetel in Oostende.

1.2. Opnieuw constateren we dat het telkenmale dezelfde namen zijn die de Oostendse top uitmaken: Daikin, Jet Air, Decloedt, Proviron, Mutoh, Morubel. Daikin en Jet Air zijn zelfs in de West-Vlaamse top 200 de nummers één en twee, wat toch merkwaardig is en ook hun sterke opgang kenmerkt. Kijken we naar de jobs die deze topondernemingen genereren dan zien we dat er bij deze groep doorgaans een tendens is van verdere toename van de tewerkstelling. Dit is opvallend en tegen de “Belgische” stroom in waar we zien dat grote ondernemingen ofwel weggaan uit België ofwel serieus gaan afslanken. Niks is minder waar in Oostende. Onderstaande tabel is hierbij erg overtuigend.

Tabel 1: top 10 Oostendse ondernemingen, naar tewerkstelling, eind 2005
Ranking 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Onderneming Daikin Europe Jet Air Proviron Fine Chem. Decloedt Baggerwerken Mutoh Litto Color Vesuvius Morubel De Bruycker O. Maenhout Transport Aantal jobs 2004 1.090 444 299 325 174 215 107 96 65 41 Aantal jobs 2005 1.155 468 288 261 187 184 109 96 61 54 Trend in aantal jobs Stijging jaar na jaar Stijging jaar na jaar Lichte daling t.o.v. 2004 Daling laatste jaren Stijging Verdere daling jaar na jaar Lichte stijging Gelijk Lichte achteruitgang Stijging

We willen erop wijzen dat de feitelijke tewerkstelling hoger ligt dan de boekhoudkundige tabel.

3

1.3. Hoopgevend is dat deze grotere ondernemingen hebben gezorgd voor een stijgende tewerkstelling. In de periode 2000/2005 zijn de top 10 goed voor een tewerkstellingsopstuw van 651 jobs. Onderstaande tabel 2 geeft een goed beeld van de “job-power” bij de top 10 Oostendse ondernemingen. Tabel 2: de job-power van de top 10 Jaar 2000 2001 2002 2003 2004 2005
(*): gecorrigeerd

Aantal jobs 2.212 2.550 2.767 2.858 2.876(*) 2.863

Opvallend is dat de top-bedrijven in Oostende ook met kleinere bedrijven in de Oostendse regio clusteren. Regionale clustering is trouwens van grote waarde bij regionale verankering. Denken we hierbij aan Daikin dat paletten bestelt bij Europal en daarbij het transportbedrijf Maenhout inschakelt bij het vervoer van zijn producten. Dit is ook het geval bij Mutoh dat zijn verpakking ook bestelt bij Europal en ook Maenhout inschakelt voor het vervoer van plotters e.a. producten. Dat hierbij ook researchcentra worden betrokken is een positief signaal naar groeiende clustervorming in de Oostendse regio.

1.4. Een overzicht van de EDP dynamiek globaal en haar onderneming 1.4.1. Een overzicht voor 2005 t.o.v. 2004 Tabel 3: een korte termijn evolutie (2004-2005)
Tewerkstelling Stijgend Daikin Europe Jetair Maenhout Cont. Cargo Carriers Daikin AC Belgium Depuydt Vleeswaren Dalend Decloedt Proviron Litto Color De Bruycker Tolsa Benelux Stijgend Daikin Europe Jetair Morubel Proviron Maenhout Daikin AC Omzet Dalend Decloedt Cont.Cargo Carr. Litto Color Auto-terminus Tolsa Benelux Mutoh Europe Toegevoegde waarde Stijgend Proviron Maenhout Cont.Cargo Carriers Auto-terminus De Bruycker Depuydt Vleeswaren dalend Daikin Europe Jetair Decloedt Morubel Litto Color Ferryways

4

Ferryways Vesuvius Belgium Mutoh Europe

De Bruycker Depuydt Vleesw. Recon Trucks Ferryways Huber JM Belgium Vesuvius Belgium Status quo Uit de Top 5000-lijst verdwenen in 2005 Nieuwkomer

Recon Trucks Huber JM Belgium Vesuvius

Mutoh Europe Daikin AC Tolsa Benelux

Morubel Auto-terminus Recon Trucks Huber JM Belgium

IBD (distributie) Keuringsbureau

Cool Solutions (distributie)

Top 1: Daikin Europe heeft als MNO (multinationale onderneming) zijn positie in Oostende en in België nog versterkt. Eind 2005 was dit bedrijf goed voor een omzet van bijna 1 mrd euro (wat een forste groei van de omzet betekent (in 2002: 597 miljoen euro; in 2003: 728 miljoen euro; in 2004: 964 miljoen euro; in 2005: 975 miljoen euro). In de Belgische Ranking staat dit bedrijf nu op plaats 63. Ondanks de sterke omzet-groei in de laatste jaren blijkt de toegevoegde waarde eerder te plafonneren op een evenwel zeer goede 165 miljoen euro. Immers, eind 2005 is Daikin op zijn eentje goed voor een toegevoegde waarde van 170 miljoen euro (6,8 mrd. oude Belgische franken), bijna evenveel dan de toegevoegde waarde dat vele malen hoger is dan deze van de luchthaven (waar de toegevoegde waarde er per jaar na jaar op achteruitgaat). Nemen we nog Daikin AC erbij dan komen we boven de 170 miljoen euro toegevoegde waarde (bijna 7 mrd. oude Belgische franken dus). Daikin is de grootste fabriek inzake airconditioning en biedt een gans gamma voor woning en commerciële en industriële kantoren. Oostende mag terecht fier zijn dat ze deze buitenlandse multinational binnen zijn muren heeft. Dat het daarenboven telkens meer en meer mensen een job aanbiedt (eind 2005 reeds 1.155 jobs) verdient m.i. een economisch standbeeld in Oostende.

Top 2: Jet Air, in 2003 nog de grootste touroperator, zakt naar plaats 2 (na Thomas Cook) en blijft de sterke nummer 2. Na een forse stijging begin de jaren ’90, zien we dat de omzet en toegevoegde waarde ook verder is blijven stijgen in de periode 2000-2005. Eind 2005 was Jet Air goed voor meer dan 675 miljoen euro omzet en een toegevoegde waarde van iets meer dan 41 miljoen euro. Een vergelijking met 5

Daikin toont aan dat toeristische bedrijven minder toegevoegde waarde genereren dan industriële bedrijven. We moeten hier als kanttekening het volgende bij plaatsen. Vroeger was Oostende met naast jet Air (ook Sunair, Sun Reizen en Sunparks) een knooppunt van touroperators. Met het wegvallen in de top 5000 eerst van Sunair (failliet) en in 2004 van Sunparks en Sun Reizen (naar Brussel verhuisd) verzwakt Oostende als EDP inzake toerisme.

Top 3: Hier vinden we nog steeds Decloedt Baggerwerken, doch deze zakt verder in de ranking inzake omzet, toegevoegde waarde en tewerkstelling).

Top 4: Een stijger in de top 10 is Proviron Fine Chemicals. De twee andere groeibedrijven in de chemische sector (Huber en Orac) in Oostende zijn eerder “kleinere” nichespelers in de chemische cluster op Zandvoorde. Orac (niet in de top 5000) is ‘Europees’ sterk bezig en is een mooi voorbeeld van hoe een klein familiebedrijf zich weet te handhaven via innovatie en bedrijfsdynamiek.

Top 5: Hier dient vooral gewezen te worden op het groeibedrijf Mutoh Europe, een technologisch dochterbedrijf van het Japanse Mutoh Industries, dat zorgt voor de Europese markt. De dynamiek van deze moderne maakindustrie is hoopgevend voor nieuwe technologisch-innovatieve industriële ontwikkelingen in de Oostendse regio. Eind 2005 was de tewerkstelling in dit bedrijf opnieuw gestegen (tewerkstelling niet ver van de 200 jobs). Hierin zitten niet de tijdelijk aangeworven krachten. Dat jaar (2005) waren evenwel toegevoegde waarde en omzet dalend.

6

2. De maritiem-industriële dynamiek van de haven Oostende
2.1. Recente dynamiek

Algemeen wordt erkend dat de haveneconomie een belangrijke poot is van de economische slagkracht van Oostende. Vandaar ook het grote belang om de slagkracht van de Oostendse haven te bekijken vanuit de economische kracht van de daar aanwezige bedrijven die “verbonden” zijn met/aan de haven en die gesitueerd zijn in de zgn. MIDA’s van Oostende (Maritime Industrial Development Area) d.i. voorhaven + achterhaven. We bekijken de laatste 5 boekjaren (2001, 2002, 2003, 2004 en 2005) en geven deze maritiem-industriële dynamiek weer van de bedrijven op basis van 3 EDP (Economic Decision Power)-criteria: omzet, toegevoegde waarde en tewerkstelling.

7

Tabel 4: havenverbonden ondernemingen in de MIDA-Oostende
Omzet (miljoen €) 2005 Daikin Europe Decloedt Morubel Maenhout Cont, Cargo C Verhelst Bouw Recon Trucks Ferryways TOTAAL 975,1 112,3 52,6 37,5 26,8 63,9 16,9 24,8 2004 963,6 124,7 51,5 37,0 27,5 62,2 16,0 23,7 2003 728,2 135,2 50,9 36,0 28,3 58,5 16,7 21,8 1075,6 2002 597,0 111,4 67,5 36,0 28,0 53,8 16,9 13,4 894,0 2001 547,6 101,0 51,3 36,6 28,6 56,5 17,2 6,3 845,1 2005 164,4 26,4 14,0 7,8 1,8 11,6 1,0 2,7 229,7 2004 169,7 43,8 15,0 6,8 1,7 10,1 0,9 3,3 252,2 TW (miljoen €) 2003 108,5 36,6 13,9 6,2 1,9 9,1 0,8 1,0 178,0 2002 113,7 40,9 16,1 6,6 2,2 8,3 0,8 3,8 192,4 2001 166,3 35,8 10,3 6,8 2,6 9,6 1,3 / 232,7 2005 1.155 261 96 54 24 168 15 19 1792 2004 1.090 325 96 41 25 160 15 18 1770 Tewerkstelling 2003 959 352 97 39 23 165 14 14 1663 2002 1.014 320 99 38 25 166 14 15 1691 2001 1.112 28 104 36 29 168 25 / 1502

1309,1 1306,02

De meerderheid van de havenverbonden ondernemingen in de Oostendse haven zijn klein en blijven klein inzake bedrijfseconomische dynamiek (omzet, toegevoegde waarde, investeringen). Daikin vertekent evenwel het beeld in tabel 4.

2.2. Een vergelijking uitgaande van de 20 edities (1987-2007)

Laat ons in deze bijdrage een evolutie schetsen (op lange termijn) van wat de haven betekent vanuit de bedrijfseconomische dynamiek.

1987
1987: de start van de jaarlijkse edities start met de presentatie van de studie i.o.v. de Generale Bank ‘Een sociaal-economische en planologische verkenning van de Belgische kustzone’ waarin zowel in Brugge als in Oostende de sterkte en zwakte van Oostende en zijn havens inzake toegevoegde waarde in beeld wordt gebracht op basis van jaarrekeningen van de bedrijven en nog vóór dat de Nationale Bank van België een databank voor de Haven Oostende ging uitwerken. Voor het eerst wordt op basis van data (uit het boekjaar 1985) duidelijk de grote economische betekenis van de Oostendse havens voor de Stad en regio blootgelegd. Met een toegevoegde waarde van 10 miljard Belgische frank op 12 miljard Belgische frank toegevoegde waarde voor de stad Oostende wordt beklemtoond dat de Oostendse havens initiator en stimulator zijn van de regionale economie. Er wordt daarbij ook gesteld dat Oostende als kleine haven meer toegevoegde waarde genereert als de haven van Zeebrugge. Dit deed nogal wat stof opwaaien aan de Belgische kust.

Ter oriëntering: Tabel 5: Vergelijking van omzet en toegevoegde waarde in de vier Vlaamse havens (op basis van jaarrekeningen, boekjaar 1985) Bedrijfsomzet Antwerpen Gent Zeebrugge Oostende
Gent, januari 1987

Toegevoegde waarde in BF 180 mrd. 55 mrd. 9 mrd. 10 mrd.

700 mrd. 260 mrd. 30 mrd. 40 mrd.

Bron: Seminarie voor Survey en Ruimtelijke Planning, G. Allaert en M. Anselin, Universiteit

10

1988
1988: Met het rapport ‘De Oostendse havens op weg naar 1992’ (symposiumdocument 8 december 1988) vormt de bedrijfseconomische dynamiek van de Oostendse havens het voorwerp van een reeks werkgroepen die werden opgericht ter voorbereiding van dit symposium in de schoot van de zopas opgerichte vzw Oostendse havengemeenschap. Inderdaad, in het voorjaar zag de vzw Oostendse havengemeenschap het licht die alle groeperingen van werkgevers samenbracht in één structuur (een vzw) en vandaag nog steeds actief is als spreekbuis van de ondernemingen in de Oostendse havens (zeehaven/vissershaven/jachthaven/luchthaven). Het symposiumdocument is een rijke verzameling van materiaal en toekomstperspectieven dat o.l.v. de heer A. Maenhout en mezelf is gebundeld; beide waren ook de eerste voorzitters van deze vzw. Thema’s die werden belicht zijn: Oostende als RoRo, kustvaart- en industriehaven: huidige situatie en toekomstperspectieven De luchthaven op weg naar 1992 De Oostendse marina’s en de toekomst van Oostende als euro-jachthaven Kan Oostende zich profileren als een haven voor de ontvangst van luxecruiseschepen De sociaal-economische context van Oostende en zijn havens Naar een nieuwe beheersstructuur voor de Oostendse havens Planvoorstellen m.b.t. de renovatie van de Oostendse havens.

Dit rapport is ruim verspreid geworden (1ste, 2de druk). Het druk bijgewoond symposium (meer dan 350 aanwezigen in de pas gerenoveerde Thermae Palace) was ook de nieuwe start waarbij Oostende op de politieke kaart werd gezet (in Brussel, onder impuls van J. Sauwens, Minister van Openbare Werken, die trouwens ook een opmerkelijke gast was op dit symposium). Vanaf 1989 wordt Oostende als ‘volwaardig’ beschouwd m.b.t. de Vlaamse investeringskredieten voor de havens (zie rapporten van de SERV hieromtrent).

11

Het symposium heeft ongetwijfeld hieraan een stoot gegeven, mede ook omdat het toenmalig Renovatieplan voor de Oostendse haven met het voorstel voor de bouw van de Zeesluis van toen (5 miljard Belgische frank, voorgesteld door het Ministerie van Openbare Werken, Bestuur Waterwegen en vurig verdedigd door de toenmalige Oostendse Burgemeester J. Goekint), meermaals voorwerp vormde van heftige discussies in regionale en nationale pers. Het feit dat de vzw Oostendse Havengemeenschap resoluut koos om de kredieten voor de zeesluis over te hevelen naar de noodzakelijke renovatie in de voorhaven (m.b.t. de RoRo-dynamiek) heeft de gemoederen in Oostende eind de jaren 80 hoog doen oplaaien. Uit die periode dateren ook de voorstellen om de dokken en de sluis in de voorhaven te dempen (Demeysluis, vlotdok, houtdok) en toen verschenen ook de plannen van het Bestuur der Wegen van het Ministerie van Openbare Werken om een tunnel te realiseren tussen Rond Punt Kennedy en de Bolle. Kortstondig gingen een reeks Oostendenaars zich groeperen in een ‘Kontaktgroep Kusthavens’ die een alternatief ging voorstellen ‘Naar een geïntegreerd herstructureringsplan voor de Oostendse haven en zijn MIDA’ (G. Allaert, 25/03/1988, voorgesteld aan de pers begin april 1988). Het rapport besluit ‘Een masterplan voor de haven van Oostende dient te worden opgemaakt. De directies en grote gebruikers van de spoorwegen, de luchthaven, naast de directies van het Ministerie van Openbare Werken, dienen hierbij te worden betrokken, alsmede de beleidsinstanties bevoegd voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De huidige versnippering en het naast elkaar werken van diverse instanties werkt immers bijzonder negatief inzake investeringen. In het symposiumdocument is deze problematiek ook opgenomen en verder uitgewerkt. Ik onderlijn hier tekstueel een aantal passages van een reeks voorgestelde krachtlijnen (20 jaar terug geformuleerd).

Sta mij toe hier de passages in extenso te kopiëren. Ze zijn nog steeds uiterst actueel en komen van mijn hand.

12

..

tt't

aaSlE/1![JSE
/iAJlEA/GEAfEEA/SC/iAPv.zw

SYMPOSIUM DOCUMENT: DE OOSTENDSE HAVENS OP WEG NAAR 1992

,

,

OOSTENDE, 9 DECEMBER 1988

Oostendse Havengemeenschap V.Z.w. p/a C. Mortelmans - Secretaris Stokkellaan 68 - 8400 Oostende Bankrelaties: GB 280-0582310-56; NMKN 141-0583779-79

TWEEDE DRUK - DECEMBER 1988

- 58 b. een verdere invulling en terzelfdertijd herziening van de bestemming dat inzake beperkend dient

van het gewestplan land-use achterhaald optreedt

Middenkust-Oostende

(K.E. 26/1/1979)

is (visie van de jaren 60) en tevens voor nieuwe gemaakt bedrijvigheden.

en nadelig dringend Oostende

In dit verband

werk te worden

van het structuurplan geen stimulerende

van de stad rol heeft vervuld te Oostende maar geeft Het

dat tot de dag van vandaag De publikatie

voor de MIDA-Oostende. : Herwaardering vooralsnog is nochtans

'~Structuurplanning

van een badstad"

is wel een fraai boekwerk de havenplanning. en

geen concrete

visie weer m.b.t.

de taak van het stedelijk te Oostende aangepakt

planologisch aandacht

ontwikkelingsbeleid

hieraan

te schenken. nieuwe

Hopelijk

wordt dit bij voorrang vanaf januari 1989.

in de op te starten

legislatuur

c. het uitwerken meer

van een "land-use-MIDA-plan" kunnen krijgen

waarbij

alle havengebruikers ontwikkeling. dient doorgevoerd

rechtszekerheid

over de toekomstige compartimentering

Dit betekent te worden Sectoren)

dat er een ruimtelijke

(zie nabeschouwingen

van de werkgroep

Havenactiviteiten/

- een zone voor industriële
ha voorhanden
-

activiteiten

in de kanaalzone

(ca. 600

waarvan

nauweliJks

10 % bezet)

een zone voor distributieactiviteiten (Ro-Ro, bulk) langs weerszijden
van de diepwaterkaai 30 ha. mogelijk in de voorhaven en aanslutiende dokken (ca.

te creëren

na herverkaveling) en afgeleide activiteiten in het huidig

een zone voor de visserij Oosteroevergebied
-

mits dringende

herstructering

een zone voor toeristische activiteiten in de Westelijke havenzone
onmiddellijk aansluitend met de kernstad, binnenstad

De waterbouwkundige

en wegeninfrastructurele binnen

activiteiten

dienen

zich dan te projecteren gedragen

een toekomstgerichte

"havenzoning" valt opnieuw te Oostende

door de overheid

en het bedrijfsleven. modern

Hieruit

af te leiden dat het voorgesteld gedragen moet worden

havenmanagement

door een lange-termijnvisie

en -planning.

De som van a + b + C gaat in de richting een investering

van een Masterplanaanpak geschat.

en behelst

die rond de 10 mrd. BF mag worden

,, ~ I

1989
Op basis van de toenmalige top 20.000 van Trends bekeken we opnieuw de bedrijfseconomische dynamiek in Oostende met hoofdaccent naar de Oostendse havens. De toelichting hiervan werd opgenomen in de regionale pers (april 1989). Oostende deed het toen (balansen bedrijven van 1987 en 1988) goed (stijgende omzet en toegevoegde waarde) met de sector ‘reisagentschappen’ als sterkste bedrijfseconomische poot (7,1 miljard Belgische frank bedrijfsomzet), gevolgd door het openbaar vervoer, zeg maar de RMT (met 4,5 miljard Belgische frank omzet), de visbedrijven (3,7 miljard Belgische frank omzet), de meststoffen, zeg maar CNO met 3,3 miljard Belgische frank omzet. Verder volgen machinebouw, transport en bouwmaterialen. Op dat moment was Oostende goed voor een toegevoegde waarde van 10 miljard Belgische frank met als top 2 havengebonden ondernemingen RMT (2,5 miljard Belgische frank toegevoegde waarde) en CNO (1 miljard Belgische frank toegevoegde waarde). Het is goed te melden dat toen werd voorgesteld (door het bedrijf CNO) dat CNO zowat 2.000 banen ging scheppen die 3 miljard toegevoegde waarde en 10 miljard omzet zou opleveren tegen het jaar 2000. De wereldwijde ontwikkelingen (globalisering en centralisering) heeft evenwel in een richting gegaan waarbij uiteindelijk dit bedrijf zowat 10 jaar later verdween. Eind de jaren 80 hadden we evenwel reeds gewezen op de toen reeds teruglopende dynamiek: dalende omzet (van 40 naar 30 miljard), dalende toegevoegde waarde (van 1 miljard tot 0,8 miljard) en dalende tewerkstelling (nog 380 personen). Deze vaststelling was toen wel belangrijk omdat men in het renovatieplan een nieuwe sluis (van 10.000 T) voorzag met als hoofdmotief de aanvoer van de meststoffen voor CNO. Er volgden toen heel wat kwade blikken en reacties in de pers op het door mij voorgestelde doemscenario voor CNO. Ook hier willen we de tekstuele weergave geven van de suggesties uit het rapport aan de pers uit 1989.

13

1990
In 1990 wordt ‘Het belang van de maritieme industriezone Oostende voor de Belgische Economie en voor de schatkist’ (april 1990) voorgesteld aan de pers. Het rapport begint met de vaststelling “ het belang van de maritieme industriezone Oostende voor de Belgische economie en voor de schatkist steekt schril af tegen de investeringen van de overheid. Een toegevoegde waarde van 10 miljard Belgische frank voor een kleine zeehaven van nauwelijks 5 miljoen ton trafiek en een directe tewerkstelling van 4.000 personen is bijzonder goed.” En het rapport gaat verder “in vergelijking met de overige zeehavens komt de haven van Oostende trouwens op de eerste plaats inzake toegevoegde waarde per ton maritieme trafiek (toen 2.000 Belgische frank/ton)” en nog verder “ondanks het bedrijfseconomisch geloof in de toekomst schiet de overheid ongetwijfeld tekort inzake investeringen naar de Oostendse havens.” Ook hier wil ik gezien de synthese in het rapport de passages weergeven uit het rapport van 1990.

14

- 1 -

B-9OOO GENT-Belgium.
KRIJG SlAAN 281 (SS)

3 april

1990.

TEL. (091) 22 57 1S RIJKSUNIVERSITEIT

GENT

SEMINARIE VOOR SURVEY EN RUIMTELIJKE PLANNING
DIRECTEUR: PROF. OR. M. ANSELIN

HET BELANG VANDE MARITIEMEINDUSTRIEZONE OSTENDE O VOORDE BELGISCHE ECONOMIE VOORDE SCHATKIST EN

Dr. G. ALLAERT Werkleider
Seminarie voor Survey en Ruimtelijke Planning RUG

Het belang en voor Over het

van de maritieme steekt

industriezone schril

Oostende

voor

de Belgische

economie

de Schatkist boekjaar

af tegen

de investeringen gevestigd

van de overheid.

1988 werd door de bedrijven
:

in de maritieme

industriezone
Oostende Vooreen ca. kleine

(MIDA
10 mrd.

afkorting
BF als

voor Maritime
5 miljoen dit

Industrial
ton

Development Area)
en een directe

toegevoegde

waarde gerealiseerd. trafiek

zeehaven van 4.000

van nauwelijks personen is

tewerkstelling In vergelijking op de eerste (iets

bijzonder

goed. trouwens trafiek

met de overige plaats inzake

zeehavens

komt de haven van Oostende toegevoegde waarde per ton

de gecreëerde trafiek).
ruim

meer dan
is

2.000 BF/ton
dat sedert

Opvallend

wel

20 jaar
gaat

de haven

van

Oostende

niet

meer

groeit Vooral
personen)

in tonnenmaattrafiek de directe
terwijl

en dat

de tewerkstelling achteruit (van
vooruit

er achteruitgaat.

tewerkstelling
de indirecte

5.000
is

naar

4.000
(van

tewerkstelling

gegaan

3.000

tot

4.000

personen). is er aldus
een status waarde quo inzake is vooral toegevoegde waarde.

Globaal
dynamiek

Deze status
bijdragen

quo inzake

toegevoegde van de diverse

te danken aan de bedrijfseconomische MIDA (zie andere

KMO's in de Oostendse

-2van G. Allaert). Immers de omzet in de MIOA-Oostende is met 10

%

gestegen

tot ca. 45 mrd. Ondanks ongetwijfeld

BF en de investeringen met liefst 15 à 20
het bedrijfseconomisch tekort inzake geloof

%

(periode

1986-1988).

in de toekomst

schiet de overheid havens.

investeringen

naar de Oostendse

Ik verklaar

mij nader

(zie ook bijhorende

tabel).

r
1. In de periode 1970-1989 werden 1,4 mrd. overheidsinvesteringen vastgelegd voor de haven van Oostende. In vergelijking met Zeebrugge: Antwerpen: 46 mrd.; en Gent: 86 mrd.; 9,3 mrd. zijn deze 1,4 mrd. "peanuts"

zeker als men de toegevoegde waarde in rekening brengt.

2. Indien bij de investeringen voor de Vlaamse zeehavens ook de gekapitaliseerde bedragen van deze investeringen in rekening worden gebracht dan komt men tot d~ vaststelling dat Zeebrugge 195 mrd. kreeg, Antwerpen 162 mrd., Gent 69 mrd. en Oostende 2,6 mrd. De haven van Oostende heeft
in dit perspectief dan ook niet meer dan 0,2 % gekregen in de havens over de afgelopen van alle

overheidsinvesteringen

20 jaar.

3. Het werkelijk economisch belang van een haven voor de schatkist en de Belgische economie kan worden geëvalueerd door een verhouding te maken tussen de gecreëerde toegevoegde waarde en de gekapitaliseerde bedragen van de overheidsinvesteringen in de havens. Hieruit blijkt dat Oostende op de eerste plaats komt, gevolgd door Antwerpen en Gent (nagenoeg gelijk) en heel achteraan komt Zeebrugge (zie tabel met deze ratio).

4. Het belang van een zeehavengebied (een MIOA) is niet uit te drukken in tongoederentrafiek (iets waarmee vooral Zeebrugge uitpakt en niet (meer) Antwerpen en Gent) van de hierop en hiermede gecreëerde toegevoegde waarde.

5. Op de in 1988 in de maritieme industriezone Oostende gerealiseerde toegevoegde waarde van 10 mrd. BF wordt onder diverse vormen van

belastingen

3nationale belastingspot gestort.

ruim 3 mrd. BF in de Belgische

6. De verdeelsleutels en toewijzingen naar de 4 Vlaamse havens is nog steeds niet gebaseerd op criteria die gericht zijn naar de Belgische economie en voor de schatkist. De verdeelsleutels die Openbare Werken (Directie Waterwegen) hanteert zijn nog steeds louter arbitrair-technisch en niet economisch (noch sociaal-economisch, noch bedrijfseconomisch). Een mooi (?) werkstukje is het "rollend" 3-jarenprogramma inzake haveninvesteringen

voor de periode 1990-1992.

In het perspectief van een beperking van

de overheidsbudgetten (gesitueerd op jaarlijks ca. 6 mrd. BF voor de 4 havens en hun toegangswegen) is deze gang van zaken wraakroepend. In dit 3-jarenprogramma inzake investering komt de haven van Oostende er zeer bekaait vanaf. Het blijft bij de "peanuts" van de afgelopen decennia met vastleggingen van investeringen van 260 miljoen in 1990, 343 milj. in 1991 en 285 miljoen in 1992 voorzien voor en renovatie binnenhaven

1999

(2000

- 1).

Voor deze drie jaren komt men alzo tot een kleine 700 miljoen BF overheidsinvesteringen. Dit is nog niet de helft van de door de overheid voor 1991 voorziene l,S mrd. BF voor de containerkaai in Zeebrugge.
Vanuit deze gang van zaken beredeneerd te bundelen lijkt het noodzakelijk om alle

krachten miljarden meer

in de regio voor het verkrijgen renovatie in de voorhaven

van een aantal die nota bene niet

voor een totale

zal kosten dan de bouw van een zeesluis havenactiviteiten en niet die Oostende

in de achterhaven spelen

(3 mrd.

BF). Alle

nu heeft

zich af in de bulk, het toerimee

de voorhaven

in de achterhaven: met uitzondering

de visserij,

de Ra-Ra,

de scheepsherstellingen (incl.

van Beliard-Polyship,

passagierstrafiek). hebben

Het zijn ook deze bedrijven en er nooit

die al die jaren van de overheid (zoals voor de

de schatkist hebben

gespijsd

iets substantieel van de voorhaven is gunstig waarde,

teruggekregen. door

Een totale

renovatie

voorgesteld

de Oostendse

Havengemeenschap) de toegevoegde

tewerkstelling,

de investeringen,

de ruimtelijke het milieu

ordening en ontwikkeling, en verder ... voor het toerisme,

De toekomst van de Oostendse haven ligt meer voor de sluis dan er achter omdat Oostende (maar ook Zeebrugge) een tijhaven is.

-

4

de politici, de betrokken

Laat ons dan eerst die toekomst verder uitbouwen. Dit is een challenge voor eenieder betrokken in het havengebeuren:

administraties, de bedrijfswereld, de werknemers/en -organisaties. In het perspectief van de eenheidsmarkt 1993 zullen de zeehavens trouwens meer en meer concurrentie dienen te voeren op de kwaliteit en efficiëntie van de dienstverlening (de goederenbehandeling en -bewerking, de industrie, het toerisme). Het is dan ook van belang om onze 4 Vlaamse havens uit te bouwen als "een logistiek partnership" waarbij complementariteit, wederzijdse afstemming en aanvulling als strategisch management wordt naar voren geschoven. De Vlaamse Havenvereniging (bedrijfswereld) is hier al een eind op weg in die richting. De Vlaamse Havencommissie en het Ministerie van Openbare Werken en Verkeer zijn vanuit dit oogpunt nog ver weg. En de Haven van Oostende staat al lang (reeds meer dan 50 jaar) in de kou. Best dat er nog krachtige kreatieve bedrijfsleiders zijn die hier activiteiten uit de grond hebben gestampt en die hier in de regio een levenswerk hebben opgebouwd. Enkel door een bewuste koppeling van de belangen van de werknemers aan de belangen van de ondernemingen zal de Oostendse Haven zich consolideren. Immers één economische wet is ijzersterk: waar geen bedrijfswinst is,

kunnen géén investeringen worden gefinancierd en gaat de concurrentiekracht op termijn achteruit, wat een afbraak meebrengt van omzet en werkgelegenheid. Maar dan ook moet het havenbeleid opengetrokken worden van een louter technische infrastructuurpolitiek naar een regionaal-economische politiek.

VERGELIJKINGINVESTERINGEN NATIONALEBEGROTING MIDA IN ZEEHAVENS VS. GOEDERENTRAFIEKEN GECREEERDE EN TOEGEVOEGDE WAARDE

Definitieve In mrd. SF. vastleggingen in lopende fr 1970-1989 (a)

Gekapitaliseerde bedragen (b)

Jaarlijkse intrest** op (c)

Gecreëerde toegevoegde waarde 1988 (d) Ratio (d)/(c)

Antwerpen Gent Oostende Zeebrugge

45.9 9.3 1.4 85.9

161.6 *
69. 1

13.3 5.7 0.2
16. 1

200 68 11 10

15 12 55 0.6

*

2.6 194.8

Totaal

142.5

428.1

35.3

289

8

* inclusief ** 8.25 %

periode

1960/70

1991
Met het rapport ‘De groeiende bedrijfseconomische dynamiek van het haven- en industriegebied MIDA-Oostende 1989 een topjaar’ waarbij voor het eerst met cijfers uit Top 5000 is gewerkt (vroegere jaren ging het om de Top 20000 en Top 30000) wilden we vooral de economische beslissingskracht (EDP – Economic Decision Power) van de grootste Oostendse bedrijven in het daglicht brengen. De reden hiervoor is dat deze Oostendse ‘top’-bedrijven stuwende bedrijven zijn voor de stad en de haven en detectoren zijn van het economisch klimaat in stad en haven. Toen vonden we ook zowat 20 bedrijven in de Belgische Top 5000 die zich in het Oostendse Haven en Industriegebied (de zgn. MIDA, afkorting voor Maritime Industrial Development Area) bevonden met een groeiende toegevoegde waarde (bijna 20% in 1989 t.o.v. 1988). Ook hier een aantal passages uit de perstekst van eind 1990.

15

23 november 1990.

DE GROEIENDE BEDRIJFSECONOMISCHE DYNAMIEK VAN HET HAVENEN INDUSTRIEGEBIED (MIDA) - OOSTENDE: 1989 EENTOPJAAR

DR. G. ALLAERT

Werkleider

van het Seminarie

voor Survey en Ruimtelijke Gent

Planning

van de Rijksuniversiteit

Op grond van de eerste (situatie in de Oostendse

vaststellingen

uit blijkt

de bekende Top 5000 van Trends dat 20 bedrijven Industria1 dat deze gelokaliseerd Area) een Development bedrijven

1989 en zopas verschenen). MIDA (afkorting weergegeven. aan dat

voor Maritime Dit betekent SF. deze bedrijven

in deze Top 5000 zijn omzet hebben die hoger Een rekensommetje genereren in vergelijking de Oostendse dat waarde toont

is dan 240 miljoen

in 1989 tesamen een omzet 20
%

van 31 mrd. SF. Dit met 1988. MIDAcreëren. ligt

is een groei eind

van 5 mrd. SF of bijna 1989 bijna

De toegevoegde bedraagt

waarde die deze 20 bedrijven in dat de toegevoegde

in

9 mrd. SF; een cijfer in de MIDA-Oostende

1.2 mrd. SF hoger (indicator
%

dan in 1988. Dit houdt en nationale

van de regionale

economie)

steeg met 18

in vergelijking

met 1988.
waarde in 1988 op hetzelfde nogmaals

Het is goed te onderlijnen peil was van 1987 (7.5 groei De sterke

dat de toegevoegde

mrd. SF). waarde (bijna in de toekomst 20 % in 1989) wijst namelijk dat de MIDA. van de Oostendse

van de toegevoegde nog steeds gelooft

op wat reeds bedrijfswereld

meermaals

door ons werd vastgesteld.

Een aantal

vaststellingen: direct havengebonden. direct

1. Van de 31 mrd. BF omzet in de MIDA is 70 2. Van de 9 mrd. BF toegevoegde
havengebonden.

%

waarde

in de MIDA is meer dan 80

%

3. De RMT is nog steeds

de nummer 1 in de haven van Oostende. dat na 2 jaren van relatieve achteruitgang
%

Het is goed te onderlijnen in 1989 naar Hierdoor (1/4 5.2 mrd. omzet

(87 en 88) de omzet en de toegevoegde waarde steeg met meer dan 10
en 2.5 mrd. toegevoegde leidende zijn positie waarde waarde. van de direct verstevigt de RMTzijn ondanks verliest is er

in de MIDA-Oostende werkgelegenheid. inzake omzet (van met 30 %)

van de omzet en 1/3 van de toegevoegde bedrijven)

havengebonden

afnemende verder terrein

4. Het meststoffenbedrijf
doch inzake te noteren 5. Vanuit bedrijven toegevoegde

CNO

3.6 mrd. BF in 1987 naar 2.6 mrd. BF in 1988. of een daling waarde (van 871 miljoen beredeneerd groei in 1988 naar 974 miljoen is de groei valt beduidend bij

in 1989 een nieuwe vooruitgang in 1989). bij de visverwerkende (met bijna

de sectoren (tesamen

3.5 mrd. BF omzet)

en de bouwmaterialen te noteren

2 mrd. omzet).

Een tragere

de transportbedrijven

(met 1.6 mrd. BF omzet). 6. De sterkste zijn Hier bij groeiers zijn bedrijven relatie die wel in de MIDA-Oostende gesitueerd hebben met de haven van Oostende. waarde echter plafoneert

doch die geen directe is er een aangroei

van 6.2 mrd. BF omzet in 1988 tot 9.6 mrd. BF

in 1989 (aangroei

van 55 %). De toegevoegde

deze groep rond de 1 mrd. BF (1988 en 1989). dus vooral waarde de havengebonden bedrijven die aldus voor een stijgende in de haven van Oostende globale dat. hebben gezorgd. conclusies uitgaande worden getrokken. van de vaststellingen haven en Industriegebied

Het zijn

toegevoegde Uit de punten

1 t/m 6 kunnen volgende prognose wijst uit

1. Een voorzichtige uit

de Top 5000. de globale

omzet van de Oostendse

(Oostendse toegevoegde

MIDA)

zich

momenteel situeert rond de 45 mrd. SF en dat de
de 12 mrd. SF heeft overschreden.

waarde

in 1989 zeker

2. Het zou bijzonder onverstandig zijn indien men bij de havenrenovatieplanning van de Oostendse haven geen rekening zou houden met de bedrijfseconomische dynamiek van de vele kleine maar sterk groeiende bedrijven in de sectoren van de visserij- en -bewerking/bouwmaterialen e.a. bulkgoederen/toerisme-diensten/transport.

3. Het belang

van een zeehavengebied tonnen

voor de economie

van een regio

hangt

niet af van de globale en hiermede gecreëerde

goederentrafiek waarde

maar wel van de hierop

toegevoegde

per ton goederentrafiek. komt

Welnu met 2400 BF toegevoegde de Oostendse Zeebrugge. MIDA op dezelfde hoewel Zeebrugge

waarde hoogte

per ton zeegoederentrafiek als Antwerpen en Gent

en ver voor toe is.

gelukkig

aan een inhaalbeweging

4. De economische miskenning van de MIDA-Oostende gaat nog steeds verder alhoewel de haven van Oostende nu wel in Brussel en Antwerpen (Vlaamse Havencommissie en in de diverse werkgroepen van deze commissie en in de Vlaamse Havenvereniging) bekend is. Dat de Belgische Schatkist er wel bij vaart als gevolg van de goede economische cijfers van de haven van Oostende. blijkt uit het feit dat de bedrijven gesitueerd in de MIDA-Oostende jaarlijks de Schatkist spijzen met meer dan 4 mrd. BF. Oostende moet dus niet blozen bij hun gevraagde budgetten voor de havenrenovatie (rond de 10 mrd. BF gespreid over 10 jaar) althans niet wanneer deze noodzakelijk havenrenovatiewerken gedragen zouden worden door een managementteam.
En het is juist daar dat vandaag nog het schoentje wringt.

Dr. G. ALLAERT.

Waarnemend

Directeur

van het S.S.R.P.

Oostende. 23 november 1990

In 1991 wordt door mijn onderzoekseenheid aan de Universiteit Gent o.l.v. mijzelf een doorlichting gegeven van de regionaal-economische dynamiek van Oostende. Dit rapport uit september 1991 vormt de basis van de toen op gang komende werkzaamheden rond het Eerste Strategisch Plan voor Oostende (o.l.v. de Kamer voor Handel en Nijverheid) die dit Strategisch Plan trok. Mijn onderzoekseenheid zorgde voor de kwantitatieve onderbouwing van het Strategisch Plan Oostende. In dit lijvig studierapport werd voor het eerst (naast de zeehaven, reeds vroeger vanaf medio jaren 80 uitgewerkt) het economisch profiel van de luchthaven Oostende weergegeven. Het rapport eindigt met een Sterkte/Zwakte-profiel en een aanzet tot suggesties voor het strategisch plan. Ondanks alle positieve geluiden rond de toenmalige sterkte van de Oostendse luchthaven is toen pijnlijk blootgelegd dat de toegevoegde waarde van de luchthaven klein is en onbeduidend als motor voor de regionale economie (toegevoegde waarde kleiner dan 1 miljard Belgische frank, toen ook 10x kleiner dan de toegevoegde waarde van de zeehaven). Laat ons hier enkel aanbeveling 9 uit dit rapport toelichten, ook omdat zich in Europa in het perspectief van 1992 nieuwe opportuniteiten voordoen.

16

1992 - 1993
In 1992 werd omwille van de aangekondigde uitbouw van de luchthaven (met het MER-rapport over de luchthaven Oostende) nog maar eens gewezen op de kleine betekenis van de luchthaven voor de regionale economie en werd door mijn onderzoekseenheid voor het eerst een aantal simulaties gemaakt voor een mogelijke bestemmingswijziging van de gronden van de luchthaven. Ik wil dit hier in extenso meegeven omdat dit ook vandaag een uitgangspunt kan zijn voor verdere invulling.

17

7

scenario's

toegevoegde waarde
85 milj BF

tewerkstell i ng

opbrengst schatkist

1. huidige

situatie

71

28 milj

BF

2. volledig terug naar landbouw

21 milj

BF

20

6 mi 1j BF

3. volledig naar
industrie 4. volledige extensieve recreatie 5. volledige intensieve recreatie 6. volledige woonzone 7. combinatie woningbouw extensieve intensieve recreatie recreatie uitbouw uitbouw 12,5 mrd BF 5000-7000 uitbouw 95 milj BF

6,25 mrd BF

2.500

2 mrd BF

50

38 milj

BF

3 mrd BF

(éénmalig) 16 mrd BF -

7 mrd BF
-

(éénmalig) industrie (50 (100 (75 (25 ha) ha) ha) ha) jaarlijks 3 mrd BF bij operationaliserinq 8,9 mrd BF schatkist 3 mrd BF stad Oostende

500 mi lj BF

850 mi lj BF 400 mi lj BF

Bron: simulatiesSSRP/UG, 1992

September 1992 stond in het teken van de manifestatie rond het Strategisch Plan van Oostende ‘Oostende Micropolis aan Zee’. Vele aspecten zijn heden nog steeds brandend actueel. In 1992 wordt opnieuw vastgesteld dat het haven- en industriegebied verder als motor blijft groeien (zij het ‘lichtjes’) na een wat tegenvallend jaar 1990. Ook nu een aantal punten uit dit rapport:

19

.---.

TIffif
UNIVERSITEIT GENT
Faculteit van de Toegepaste Wetenschappen
SEMINARIE VOOR SURVEY EN RUIMTELIJKE PLANNING

GENT,

Directeur: Prof. Dr. G. ALLAERT

DE BEDRIJFSECONOMISCHE

DYNAMIEK VAN (MIDAJ-

HET HA VEN- EN INDUSTRIEGEBIED

OOSTENDE GING IN 1991 LICHTJES VOORUIT

Prof. Dr. G. ALLAERT Seminarie voor Survey en Ruimtelijke Planning Faculteit Toegepaste Wetenschappen Universiteit Gent Op grond van de in november 1992 verschenen "top 5000" van Trends en de bewerking van de balansen van de ondernemingen op mijn seminarie, kunnen we alvast stellen dat in 1991 de omzet en toegevoegde waarde in het haven- en industriegebied lichtjes vooruitging t.o.v. 1990 en praktisch op het niveau komt van het topjaar 1989. Daar waar in 1989 in het haven- en industriegebied van Oostende een omzet werd gegenereerd van 31 mrd BF vielen we eind 1990 terug op een cijfer van 29 mrd BF (d.i. een daling van 2 mrd BF omzet of 6 %) om opnieuw te klimmen naar 31 mrd BF op 31-12-1991. Vanuit een regionaal-economisch oogpunt kan worden vastgesteld dat de regionale verankering van de bedrijven in het haven- en industriegebied zich consolideert wat tot uiting komt in een stijging van de toegevoegde waarde van 7,7 mrd BF eind 1990 tot 8,6 mrd BF eind 1991. Het topjaar 1989 (met 9 mrd) werd evenwel nog niet bereikt.
De zwakke 1990) heeft economische zich in groei het op niveau havenen België (1,6 % in 1991 t.o.v. (MIDA) van 3,4 % in

industriegebied

Oostende

Krijgslaan 281, S8, 9000 GENT - Tel.Prof.Dr.G.Allaert: (091)64 4718 - Tel.secretariaat: (091)644717 -

Fax(091)644997

minder sterk gemanifesteerd industriegebied (MIDA).

dan

bijvoorbeeld

in het Gentse

haven-

en

Er is echter geen reden tot euforie. Indien we een vergelijking maken tussen 1990 en 1991 en t.o.v. de topjaren van 1988 en 1989 dan stellen we volgende punten vast:

1.

De visverwerkende

bedrijven

(die nota bene

in

1990 nog met

10 %

toegevoegde waarde vooruitgingen) krijgen in 1991 zeker klappen. Van ruim 3 mrd BF omzet in 1990 daalt men hier naar 2,5 mrd BF in 1991 en ook de toegevoegde waarde gaat met 8 % achteruit (tot een goede 500 milj. BF). Het topjaar 1989 met ruim 3,5 mrd BF ligt ver achter. Morubel blijft desalniettemin de nummer 1 in België inzake visbedrij-

ven 2.
De scheepsherstellingen waren reeds in 1990 uitgeteld. Geen enkele bereikte toen het minimum van 260 milj. BF omzet om in de top 5000 te geraken (in concreto gaat het in 1991 om 5643 ondernemingen). In de tweede helft van de jaren 80 hadden we in Oostende nog 4 scheepsherstellingen- en bouwbedrijven die in deze top 5000 stonden

3.

Het

meststoffenbedrij verder

f

CNO

verliest

terug onder met

na

een

consolidering

in

1990 en daalt waarde onder in bedrij f

naar

een omzet met

2 mrd BF en een toegevoegde 1990 gaat het meststoffeninzake omzet en

1 mrd BF. In vergelijking 1991 respectievelijk waarde. toegevoegde

11 % achteruit

met 3 % inzake

Als we dit vergelijken nog meer dan

met de 2de helft

van de jaren men hier

tachtig

(in 1987 te maken in

3,6 mrd BF omzet) waarbij er

dan heeft

duidelijk

met een onderneming afbouw inzake 4. is. Trouwens,

de meststoffenproductie geen directe

(ook mondiaal)

is ook

stijging

te verwachten

toegevoegde

waarde

Ook de kende

transportsector in 1991 geen

in het havengroei in

en industriegebied met het

van jaar

Oostende voordien Dit is van de

vergelijking

(namelijk voor een

1 % van de omzet zeer belangrijk

en 1 % van de toegevoegde te wijten aan

waarde).

deel

de consolidering inzake omzet

RMT waarbij BF) noch

geen stijging

te noteren waarde

viel,

noch

(5,2 mrd van

inzake

toegevoegde

(2,7 mrd

BF).

Na de

stijging

de toegevoegde waarde in 1990
mrd BF) is dit niet meer

t.o.v. 1989 (van 2,5 mrd BF naar 2,7
op het einde van 1991 (2,7 mrd

geconstateerd

BF)

.

Toch

blijft

de sector

van het transport omzet en

de nummer

1 in het havenen vervult de

en de

industriegebied RMT nog steeds

(inzake de

toegevoegde toegevoegde

waarde) waarde

trekker

inzake

in

MIDA-

Oostende (meer dan 1/3 van de toegevoegde den bedrijven van Oostende).

waarde

van alle

havengebon-

5.

Opvallend ven die

is wel dat de sterkste in het relatie havenen

stijging

te noteren gelegen

valt bij bedrijzijn en die geen van

industriegebied (althans

directe Oostende.

onderhouden

vandaag)

met

de

haven

Hun aandeel

in het geheel

stijgt

jaar na jaar.

Ter oriëntering:
1. Havengebonden versus niet-havengebonden situering in MIDA-Oostende havengebonden niet-havengebonden TOTAAL
bron: G. ALLAERT- Universiteit

ondernemingen (inzake 1988

omzet in mrd BF) 1990 31-12-1991

1987

1989

19,4 5,7 25,1
Gent, bewerkingen

19,9 6,2 26,1
Top 5000 (1992)

21,6 9,6 31,2

18,8 9,7 28,5

19,9 11,5 31,4

2. Havengebonden versus niet-havengebonden situering in MIDAOostende havengebonden niet-havenoebonden TOTAAL
Bron: G. ALLAERT

ondernemingen (inzake 1988

toegevoegde waarde in mrd BF) 1990 31-12-1991

1987

1989

6,5 0,8 7,3

6,7 0,9 7,6
bewerkingen Top 5000 (1992)

7,8 1,2 9,0

6,5 1,3 7,8

6,9 1,7 8,6

-

Universiteit

Gent,

De hierbijgevoegde tabellen spreken voor zichzelf en duiden op een toenemend Oostende. impact van niet-havengebonden ondernemingen in de MIDA-

Aangezien

deze niet-havengebonden achterhaven kunnen

ondernemingen

allen

gesitueerd

zijn

in de zogenaamde Stene-Zandvoorde, van de bouw haven-

van Oostende de vraag

in casu het industriegebied stellen naar de relevantie als

we ons voor

van een sluis gebied.

de ontsluiting

van de achterhaven

en maritiem

Moet hier eerder niet de achterhaven en het industriegebied verder gediversifieerd (havenen niet-havengebonden) blijven groeien? Indien we de oscar voor de regionale economie vandaag zouden toekennen op grond van facts (cijfers) inzake toegevoegde waarde en omzet dan gaat de oscar ongetwijfeld naar Daikin die in de MIDA-Oostende, los van de binding met het havengebied, een onderneming heeft ingeplant waarvan eind 1991 de omzet reeds groter was dan dit van de RMT en die in de nabije toekomst troeven heeft om een agglomeratie-effect op gang te brengen (eerder losstaand van havenactiviteiten) die vanuit het oogpunt investeringen, werkgelegenheid, toegevoegde waarde en terugvloei naar de Belgische schatkist een impuls kan teweegbren-

4 gen om van van

Oostende
Koophandel economisch

binnen en en nodig

de

ItMicropolis teweeg verder

aan territoriale te

Zeelt-gedachte brengen. Deze glijden

van

de

Kamer (ruimtelijk,

Nijverheid sociaal) om niet

kwaliteitszorg impulsen naar een te

heeft Oostende trouwens badplaats aan de kust.

af

uit de punten ken:

1 t.e.m.

5 kunnen volqende

qlobale

conclusies

worden

qetrok-

1.

Een

voorzichtige haven-

prognose en

wijst uit de

uit "top

dat,

uitgaande

van

de

hierboven van het 1991

weergegeven Oostendse

vaststellingen

5000"

de globale

omzet

industriegebied

(Oostendse

MIDA) zich momenteel

situeert rond de 35 à 40 mrd BF en dat de toegevoegde waarde in
rond

de 10 mrd BF ligt. Dit cijfer was reeds bereikt op het einde van
'80

de jaren

2.

De Belgische 1991

1991 ook wel bij. Inderdaad, eind kreeg de Belgische schatkist zeker opnieuw tussen 3 à 4 mrd BF
schatkist vaarde
er in

onder de vorm van allerhande belastingen MIDA zijn gesitueerd. Vandaar Oostendse
Oostende niet

van

de

bedrijven

die

in

de

nogmaals mijn stelling dat moet blozen bij de gevraagde budgetten voor de havenredie moet worden gedragen door een deskunhierboven

novatie.

Een havenrenovatie

dig managmentteam.Gelet ook op de vaststellingen
ven is een managmentteam
januari

weergegeluxe

voor de Oostendse

haven

geen overbodige

mede gezien 1

1993

3.

Dit managementteam moet er zorg voor dragen om de grootste economi-

sche kracht de Oostendse havens,
economisch peil te krijgen:

nl. de voorhaven, op een hoger
inzake goederenbehandeling, inzake

toeristische activiteiten maar vooral ook inzake visverwerkende bedrijven. Hiervoor zal een herverkaveling moeten gebeuren in de
voorhaven zowel op de westeroever als op de oosteroever. Uit de cijfers hierboven weergegeven zitten immers voldoende signalen om de "filet pur" van de MIDA-Oostende - d.i. zi;n voorhaven zoals het VEV

het onlangs noemde n.a.v. zijn standpunt inzake de haven van Oostende, meer kwalitatief uit te bouwen. Ook nu
het strategisch plan van de Oostendse
de Oostendse

verwijs ik hierbij naar
Er zullen dan wel binnen

Kamer.
haven

de 7,2 mrd BF, die voor

zijn gereserveerd, een

grotere koek moeten geven naar de Voorhaven. De euforie van vrijgag 13 november 1992 (beslissingVHC) moet dan ook snel plaatsmaken voor
economische en sociale nuchterheid. Prof.
Oostende/Gent,

Dr. G. ALLAERT
1 december 1992

1. De kontekst Naar jaarlijkse gewoonte wordt op het einde van het jaar een evaluatie gemaakt van de economische decisiekracht van de ondernemingen in een stad, stadsgewest of regio. Dergelijke evaluatie gaat uit van de detectie van de balansen van de ondernemingen die bij de Nationale Bank van België door NV's, CV's, BVBA's moeten worden neergelegd (wettelijke verplichting). Via de databank CD-ROM (waarin bijna 200.000 ondernemingen zijn opgeslagen) voeren wij op mijn seminarie regionaal-economische detecties uit. De meest volledige resultaten voor gans België en Vlaanderen zijn nu bekend voor het balansenjaar 1992. Aangezien dergelijke detecties reeds gedurende medio de jaren 80 op eenzelfde manier geo-economisch door mij worden bewerkt is het mogelijk om over een relatief lange periode een analyse te verrichten. Ook voor de Oostendse regio, meer in het bijzonder het Oostends stadsgewest, omvattend de gemeenten Oostende, Oudenburg, Bredene en Middelkerke waar samen ca.105.000 inwoners wonen en de feitelijke "Oostendse" regio vormen, is een bezinning, voor de periode van de afgelopen 5jaar, interessant in het kader van een toekomstgericht bedrijfseconomisch Oostends regionaal-economisch beleid.

2. De ana~ 2.1.
Het stadsgewest Oostende gaat vooruit inzake omzet. De 1782 ondernemingen (met zetel stadsgewest Oostende) genereren een omzet van 62 mrd. BF, d.i. een stijging van 10 % in 1992 t.o. v. het jaar voordien. Deze vaststelling is belangrijk omdat de omzet van het stadsgewest in 1989, 1990 en 1991 niet vooruitging. Hier is er een licht teken van verbetering merkbaar. stadsgewest Oostende omzet (in mrd. BF) 50 56 56 56 56

1988 1989 1990 1991 1992
Bron: G. ALLAERT, op basis van NBB, december 1994

Hierdoor bekleedt Oostende als kleinste stadsgewest van Vlaanderen de laatste plaats van de 11 stadsgewesten in Vlaanderen en betekent ook dat de globale bedrijfseconomische dynamiek van dit stadsgewest slechts 1 % bedraagt, hoewel de bevolking iets meer dan 2 % bedraagt (niveau stadsgewesten). Oostende is dus nog steeds niet op het gemiddeld peil. 2.2. Het stadsgewest Oostende ging gevoelig vooruit inzake toegevoegde waarde. In nauwelijks 1 jaar nam de toegevoegde waarde met ruim 35 % toe. Deze groei van meer dan 1/3 in nauwelijks 1 jaar komt na een periode van stagnatie tot zeer lichte groei (1988-1992)

1

stadsgewest

Oostende

toegevoegde waarde (in mrd. BF) 13,0 14,8 15,2 15,9 21,6

1988 1989 1990 1991 1992
Bron: G. ALLAERT, op basis van de NBB, december 1994

Oostende blijft hierdoor wel op de laatste plaats hangen in Vlaanderen doch heeft één van de meest spectaculaire groeicijfers (zoals ook de noordrand van Brussel) gekend in 1 jaar. Door deze groei komen we op het gemiddeld peil van de stadsgewesten. Deze vaststelling is belangrijk omdat het criterium toegevoegde waarde m.L als het belangrijkste criterium moet worden beschermd voor de economie van de regio (in casu hier Oostende). Belangrijk is hier te stellen dat ondanks de terugloop van de haven van Oostende inzake omzet, toegevoegde waarde en investeringen van de havengebonden activiteiten Oostende dan wel in de lift zit inzake niet-havengebonden activiteiten (in achterhaven en op industriezones in de regio Oostende). Anders gesteld, de haven is niet meer alleen de enige economische poot die de economische kracht van de regio uitmaakt wat ergens ook kan wijzen op een mogelijke versterkte diversificatie van economische activiteiten. Hierop zal in een andere bijdrage meer in detail worden gegaan, wanneer de cijfers voor eind 1993 van Trends 5000 zullen bekend zijn. 2.3. Ook op vlak van investeringen (materiële vaste activa) doet het stadsgewest Oostende het opnieuw beter na een periode van terugval van het investeringsniveau.
stadsgewest Oostende investeringen (in mrd. BF) 4,9 5,9 4,5 3,6 6,9

1988
1989 1990 1991 1992
Bron: G. ALLAERT, op basis van NBB, december 1994

Met 6,9 mrd. BF investeringen in 1992 t.o.V. 3,6 mrd. BF het jaar voordien verdubbelde bijna in 1 jaar de ondernemingen in het stadsgewest Oostende hun investeringen. Indien de investeringen een teken zijn voor 'the believe in the future' dan zijn deze ondernemingen op weg om de aangekondigde lente waar te maken maar dan los van de beleidsintenties.

2

r

Dit zou ook belangrijk zijn in het perspectief van de vaststelling dat de regio Oostende tot vandaag een regio op eigen kracht is geweest en waarbij de ondernemingen weinig of niet-overheidshulp (expansiesteun) hebben verkregen.

Conclusie Het stadsgewest Oostende doet het buiten alle verwachtingen goed in Vlaanderen op bedrijfseconomisch vlak: d.i. op het vlak van de gegenereerde omzet, toegevoegde waarde en investeringen. Er is immers na een vrij lange periode van stagnatie (1989 tot/met 1991) opnieuw groei. Opvallend hierbij is evenwel dat deze groei zich niet vertaald in het tewerkstellingscijfer voor de regio. Integendeel zelf, ondanks de gunstige kentering hierboven geschetst, gaat de regio er sociaal-economisch op vlak van werkgelegenheid, werkloosheid en inkomensniveau op achteruit in vergelijking met de andere stadsgewesten. In een volgende bijdrage (over een aantal weken) zal worden ingegaan op de positie van de haven en zijn maritiem-industriële ontwikkeling (MIDA, Maritime Industrial Development Area) in deze globale evolutie. Hieruit valt nu reeds te noteren dat de sociaal-economische teruggang van de regio Oostende rechtevenredig is met de teruggang van de maritiem-economische activiteiten in Oostende. Denken we hierbij o.m. aan de RMT, Polyship, SKB en de visserij.

Het is dan ook dringend noodzakelijk dat op het infrastructureel renovatieplan de Oostendse haven een sociaal-economische renovatieplan wordt gezet.

voor

Vandaag staat de economische reconversie los van de infrastructurele reconversie. Met Boel voor ogen weet ieder modale Oostendenaar waar ze aan toe zijn. Wanneer de overheid en het bedrijfsleven aan hun eigen weg timmeren en de bruggen tussen beiden niet worden geslagen dan zal de 'gap' tussen de sociaal-economische teloorgang en de bedrijfseconomische dynamiek nog groter worden. Ondanks alle goede intenties en inspanningen van het bedrijfsleven, is er in de regio van een eensgezinde partnership (politiek en privaat) nog geen sprake. Dit doet geen afbreuk aan de diverse pogingen van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van het arrondissement Oostende om veel meer werk te maken van dit publiek-privaat partnership en management in de regio Oostende. Het betekent evenwel dat de resultaten nog erg pover zijn na 5 jaar intensief lobby-werk. De oorzaken zijn bekend doch weinigen zijn bereid daar verandering in te brengen, want wie zijn nek uitsteekt krijgt meestal vrij snel de rekening gepresenteerd.

I
i :_--~-=:.-"'.=

,

Prof. Dr. G. ALLAERT Gent/Oostende, 1 december 1994

~

3

Dit heeft ook als gevolg dat het aandeel van de toegevoegde waarde van de MIDA-Oostende (MlDA, afkorting voor Maritime Industrial Development Area) in het stadsgewest Oostende is gedaald van 61 % (1989) tot 40 % (eind 1993). Dit betekent dat de bedrijfseconomische dynamiek van de Oostendse regio (stadsgewestniveau) niet meer uitsluitend op de economische poot van de Oostendse havens steunt. Deze vaststelling (detectie) is belangrijk omdat de bakens zijn uitgezet vanuit de bedrijfswereld voor een meer gediversifieerd regionaal-economisch beleid voor de regio Oostende (omvattend naast Oostende ook : Bredene, Oudenburg, Gistel, Middelkerke). De groei van de niet-havengebonden bedrijven in de Oostendse achterhaven en industriegebied is daar ook een signaal van. Anderzijds betekent deze vaststelling ook nog dat de motoren van de Oostendse havens meer en meer sputteren wat bijzonder nadelig is voor de economie van de Oostendse regio gelet op de stimulerende en initiërende rol van de Oostendse havens voor de regionale economie.

2. De bedrijfseconomische analyse: een globaal overzicht 2.1. Eind 1993 bedroeg de totale gegenereerde omzet (havengebonden en niet-havengebonden) in het haven- en industriegebied (MIDA-) Oostende 37,2 mrd. BF. In vergelijking met eind 1992 is er aldus een kleine stijging van 1 %. Dit relatief goed resultaat (in vergelijking met de slechte cijfers van de Belgische economie over 1993) is enkel en alleen te danken aan de groei van de niet-havengebonden ondernemingen in het haven- en industriegebied van Oostende. In een periode van 3 jaar (1991, 1992, 1993) is de omzet van de havengebonden ondernemingen gedaald van 18,8 mrd. (1991) tot 17 mrd. (1993); d.i. een daling van 10 %. In dezelfde periode steeg het aandeel van de omzet van de niet-havengebonden ondernemingen van 15,5 mrd. (1991) tot 20,2 mrd. (1993), d.i. een stijging van 30 %.

2

Daardoor is ook de totale omzet van de niet-havengebonden bedrijven in een relatief korte periode meer dan verdriedubbeld (periode 1988 tot 1993). De havengebonden ondernemingen bleven lange tijd op het peil van het einde van de jaren '80 (ca. 20 mrd.) om dan vanaf 1991 jaar na jaar te verminderen. Hierdoor is de omzet van de niet-havengebonden bedrijven nu substantieel groter dan de havengebonden bedrijven (20,2 mrd. t.o.v. 17 mrd., d.i. 3,2 mrd.). Het verlies van de ca. 2 mrd. omzet van de havengebonden ondernemingen in 1 jaar is een serieuze verwittiging en een teken aan de wand inzake de economische slagkracht van de Oostendse haven. 2.2. Gelukkig handhaaft de toegevoegde waarde zich van de havengebonden ondernemingen alhoewel ook hier er een teruggang te noteren viel van 1991 met 6,9 mrd. over 6,7 mrd. (1992) naar 6,5 mrd. (1993). We zullen verder zien dat de RMT hier een cruciale rol in speelt. De toegevoegde waarde van de niet-havengebonden ondernemingen groeide van 1,7 mrd. (1991) over 2,5 mrd. (1992) naar 2,6 mrd. (1993). Globaal bleef de toegevoegde waarde van de Oostendse MlDA in 1993 dan ook op het peil van 1992 (9,1 mrd. t.o.v. 9,2 mrd. het jaar voordien) . Indien men deze trend (vanuit de top 5000) doortrekt naar alle bedrijven in het maritiem industriegebied van Oostende dan genereert de Oostendse MlDA nog steeds boven de 10 mrd. toegevoegde waarde, ondanks de neerwaartse spiraal van de nummer 1, nl. de RMT (zie verder) . 2.3. De nog steeds relatief gunstige toegevoegde waarde van de MIDAOostende krijgt echter een klap inzake directe tewerkstelling: van 4700 (in 1991) over 4650 (1992) naar 4547 (eind 1993).

3

3. Sectoriële analyse Het is interessant na te gaan in welke mate de trends van de bedrijfseconomische dynamiek zich vertaalt naar de sectoren.

3.1.

De visverwerkende ondernemingen krijgen serieuze klappen. Daar waar deze groep nog globaal 3,6 mrd. omzet genereerde in 1989 is deze jaar na jaar verder gedaald naar 2,3 mrd. (eind 1993). Ook de toegevoegde waarde viel verder terug om nu een stuk onder het half miljard te liggen (verlies van 20 % in 2 jaar). De bouw blijft op zijn peil van het jaar voordien. Inderdaad, na de serieuze groei in 1992 bleef ook in 1993 de bouw op 2,3 mrd. omzet. De toegevoegde waarde van de bouw zet zich evenwel door met een groei van meer dan 25 % in 2 jaar zodat de toegevoegde waarde een stuk boven het half miljard ligt. De sector van de meststoffen met CNO als enige exponent verliest verder terrein, zowel inzake omzet (verlies van 27 % in 2 jaar) als inzake toegevoegde waarde (verlies van 29 % in 2 jaar). Inzake omzet daalde deze havengebonden onderneming van 1,9 mrd. (1991) naar 1,4 mrd. (1993) en van bijna 1 mrd. toegevoegde waarde in 1991 tot 700 milj. toegevoegde waarde eind 1993. De vervoers- en transportondernemingen (overwegend of grotendeels havengebonden) kregen ook rake klappen. Dit geldt inzonderheid voor het overheidsbedrijf nl. de RMT. Hoewel de Regie voor Maritiem Transport nog in 1993 een omzet had van 4,4 mrd. BF en een toegevoegde waarde van 1,7 mrd. BF verloor dit overheidsbedrijf een enorm aandeel van zijn vroegere economische slagkracht en grandeur.

3.2.

3.3.

3.4.

5

In nauwelijks 2 jaar (1991-1993) daalde de omzet van de RMT met 15 % en de toegevoegde waarde met 35 % (van 2,7 mrd. naar 1,7 mrd. toegevoegde waarde). Vooral de enorme daling van de toegevoegde waarde is een bijzonder spijtige vaststelling. Daarbij komt nog dat de exploitatieverliezen zich in die periode gingen opstapelen: van 422 miljoen verlies in 1992 over 963 miljoen verlies in 1993 naar 2 mrd. verlies in 1994. Het jaarlijks verlies is hierdoor groter geworden dan de totale toegevoegde waarde en is quasi 50 % van de omzet. Het is duidelijk dat dergelijke situatie "bedrijfseconomisch" onhoudbaar is en géén nieuwe (de zoveelste!) doorlichtingen door gerenoveerde studiebureaus vereisen doch wel een publiek-privaat commitment (en contract) voor de lange termijn. 3.5. Ook de andere havengebonden bedrijven (hout, baggerwerken, textiel, scheepswerven) gingen inzake omzet achteruit. Echter niet inzake toegevoegde waarde. De toeristische ondernemingen deden het voor de derde opeenvolgende maal (1991, 1992 en 1993) beter dan het jaar voordien met een stijging van 7,8 mrd. omzet (1991) over 9,8 mrd. omzet in 1992 naar 10,5 mrd. omzet in 1993. Deze groei (met 33 %) toont aan dat deze sector in de jaren 90 opnieuw in de lift zit en waarbij Oostende als een "internationaal" knooppunt mag worden opgevat. De vooralsnog geringe toegevoegde waarde van deze top-ondernemingen (minder dan een half miljard eind 1993) is de enige schaduwzijde. De andere niet-havengebonden ondernemingen in het haven- en industriegebied concluderen niet alleen hun positie in de top 5000 of gaan er op vooruit. Het zijn: Daikin Europe (de nummer 1 inzake omzet van de MIDA-Oostende), Vesuvius, Ostend Pharma, Litto Color. 6

3.6.

3.7.

Andere bekende en groeiende niet-havengebonden bedrijven in deze MIDA-Oostende (zoals MUTOH, ORAC, e.a.) zitten niet in de Top 5000. editie 26 december 1994.

4. Epiloog Er is dringend nood aan een bezinning en strategische alliantie tussen de overheid, het bedrijfsleven en de onderzoeks-/researchwereld over de toekomst van Oostende als havenstad aan zee en als knooppunt van economische ontwikkeling. Het gaat hierbij niet alleen om het productiemilieu in de regio (de infrastructuren met havens - zeehaven en luchthaven; de binnenstad van Oostende, toeristische troeven zoals Casino, Dijk, Strand, ...) maar nog veel meer over de bezinning omtrent de productiestructuur en de marktproducten : het toerisme, de industrie, zakelijke dienstverlening, e.a. Bij deze bezinning van de marktproducten moet men vanuit een lange termijnperspectief denken en werken voor Oostende als havenstad van de 21ste eeuw. Met renovatieplannen alleen zal het niet gaan. We hebben er genoeg. Er ontbreekt echter een concreet regionaal marketing- en managementstrategie waarin de korte termijnacties tegen een lange termijnperspectief worden geprojecteerd vanuit de bekommernis om de economische lat in Oostende veel hoger te leggen. We moeten af van het imago van" elk een beetje". Niet zozeer de Chunnel is een gevaar voor Oostende, doch wel het immobilisme en particularisme inzake de ogenschijnlijke controverse: haven toerisme - industrie. Iedereen wil wel doch werkt verkrampt, electoraal en opportunistisch. Vele echte Oostendenaars worden hierbij in de wind gezet.

11 januari 1995

Maar ook de andere toeristische direct in het internationaal

steden zoals Brugge en Gent zitten dan ook niet meer van de spoorwegen.

knooppuntgebeuren

Is dit een boycot vanuit de NMBS-directie of spelen hier andere factoren een rol?

Welnu de oorzaak van deze schrappingen Eurostar-lijnen richting Lille-Parijs. Aangezien de NMBS deze verliesposten

moet men zoeken bij de alsnog onderbezette

volledig moet

dragen

wil de NMBS alle

internationale

lijnen naar Brussel centreren

(Hub & Spoke-principe).

In deze fylosofie zijn Oostende Brussel en de metropolisatie het personenvervoer

maar ook Brugge en Gent van geen tel. Wat telt is van

Brussel-Lille, de Europese bi-polige draaischijffunctie

over spoor.

2.

AFGESCHAFTE INTERNATIONALE LIJNEN VAN EN NAAR OOSTENDE IN 1995

Een overzicht uit het "proiect" van de NMBS

Treinnummer (*) 499/498 233/232

Bestemming

Afgeschaft vanaf:

Luxe mburg/Strasbou rg/Ba sel- Brig/Ch ur Aachen/Köln/Bremen/Hamburg/Kopenhagen press) (Nord Ex-

28/05/95 24/09195

241/240

Aac hen/Köl niH a nnove rIMa gde burg/W a rsc ha u/MoskouLeningrad/Kiev (O-W Express)

28/05/95

225/215 299/298

Aa c he n/Köln/Stuttga rt/M ünc he n NamurIArlon/Strasbourg/Basel/Milano/V enetië

04/09/95 enkele Jaren geleden

225/224 Aa c he n/N u rn be rg/L inz/Wie n ... . (*) Eerste nummer:-neenreis; tweede nummer:

04/09/95 terugreis

Zelfs indien bepaalde internationale zoals de lijn Oostende-Köln dan

trajecten

naar Duitsland nog blijven bestaan,
vol vraagtekens als men

nog zit de toekomst

weet dat er hard gewerkt wordt aan de supersnelle wegen (de Deutsche Bundesbahn,

"ICE" van de Duitse Spoor-

de DB). Immers de ICE van de DB zal binnen

een aantal jaren tussen Köln en Brussel rijden.

Dat hierbij de toegevoegde

waarde van deze internationale temeer

mobiliteit komt weg voor Oostende

te vallen is een zeer spijtige vaststelling Spoorwege n-Scheepvaa rt (inzake

daar een mogelijke alliantie

persone nve rkee r/vervoe r)

irrelevant bliikt te worden waardoor

de additionele

internationale

input voor de

RMT-vloot (jetfoils/Prins Filip) een serieuze klap krijgt.

In het verleden was Oostende

een europees bekend spoorwegknooppunt.

Hierna

volgt een overzicht van de verloren grandeur. Uit het officieel treinboek van 1921 lezen we dat toen reeds (d.i. nu zowat 75 jaar geleden) een dagelijkse internationale trein reed van London (Victoria

Station) over Oostende Ook de bekende Verder:

naar Brussel/Luxemburg/Strasbourg/Bazel Express (naar Belgrado

naar Milaan. en Constantinopel)

Simplon-Orient

vertrok toen dagelijks vanuit Oostende en ook drie maal per week.

London/Oostende/Strasbourg/Stuttgart reis)
London/Ooste London/Ooste nde/Ke uien

naar Praag (driewekelijkse

pracht-

nde/Ke u Ien/Ha m bu rg/Kope n ha gen/Stoc

khol m

London /Ooste nde/Ke u Ien/D u isbu rg/Be rlijn/W a rsc ha u London / Ooste nde /Ke u Ie n/F ra n kfu rt/M ü nc he n/N u re n be rg /W ene n

Ooste nde/Brugge/Kortrijk/R ijse I/Pa rijs

Uit deze opsomming van het spoorboekje Europees spoorwegknooppunt was.

blijkt dat Oostende

75 jaar geleden een

Opvallend is de grote betekenis met Oost-Europa. Oostende, economisch NMBS.

van Oostende

vanuit de relatie met London en as London-Oost-Europa, via

Deze Oost-West

internationale

behoort nu definitief tot het verleden omdat Oostende

buiten het geovan de

veld is komen te vallen. Vandaar ook de totale omzwenking

3.

DE POLITIEK VAN DE NMBS

Onder de algemene lucht vervoeren" Snelheidstrein).

fylosofie

van Directeur

SCHOUPPE "We willen geäriënteerd

niet langer

heeft de NMBS zijn politiek Zijn oorspronkelijke werd

naar de HST (Hoge

gemeenschapsdienst

nl. "openbaar vervoers-

aanbod voor iedereen" termijn

begraven.

De NMBS rekent erop dat de HST op Vandaar de heroriëntering van al wat Het

geld in het laatje zal brengen.

"internationaal" aanvankelijk

klinkt naar Brussel (Hub & Spoker) inzake personenvervoeer.

geringe succes (qua bezetting)

van de Eurostar heeft deze politiek

nog versneld. Vandaar dat nu reeds Oostende voor de NMBS buiten dit "spel van de machten blijvend bestaan. met toekomst" is gevallen. Een bedrijf (in casu de NMBS) dat

zou produceren

voor Markten

zonder Toekomst

heeft geen reden van en die

Vandaar dat de NMBS investeert

in de HST en zijn hoofdassen

lopen niet meer naar Oostende. de NMBS gaat en het zwaard onderneming

De 80 mrd. BF overheidsgeld van Damocles dat boven

per jaar dat naar

deze verlieslatende

hangt, gezien in de periode 1988-1993

er eerder een achteruitgang zijn verantwoorde-

te noteren viel (inzake goederenvervoer lijk voor de gewijzigde Daarnaast NMBS-politiek.

en personenvervoer),

heeft de federale regering

nog op geen enkel ogenblik in ons land.

laten weten

waar ze nu eigenlijk naar toe wil met het spoorvervoer Dat hierbij Vlaanderen ge/Oostende) hogervermelde

geen inspraak heeft om zijn regionale centra (Gent/Brugtreincircuit te laten meedraaien is hier door de

in het internationaal beslissingen

duidelijk.

Het is ook een signaal voor de Vlaamse impact in de NMBS (die

MIDA-hinterlandspoorpolitiek.

Een regionaal-politieke

vandaag nog fictie is) zal zich binnen zeer afzienbare tijd dan ook opdringen.

Prof.dr. G. ALLAERT

Oostende,

20/03/95.

(direct, indirect, geïnduceerd), deze bedrijfseconomische de havenstructuren

investeringen

(materiële vaste activa vooral), tewerkstelWe beperken (investeringen, ons tot niches,

ling (kostprijs, directe tewerkstelling,

indirecte tewerkstelling). (schatkist), Vlaamse

criteria omdat deze criteria iets zeggen over de betekenis van

voor de Belgische

verankering) en locale (tewerkstelling, welzijn) economie. 2. De niet-havengebonden [maritiem] industriegebied Het Oostends havenen bedriiven zorgden ervoor dat het Oostends haven-en uit een diep dal klom in 1995 (*) (MIDA-Oostende het kanaal omvattend voorhaven, deed het inzake

industriegebied langsheen

achterhaven

en industriezone opvallend

Brugge-Oostende) van sterke

bedrijfseconomisch

goed in 1995 na jaren

terugval

toegevoegde waarde. Oostende volgt hierdoor "opnieuw" de trend (stijging) die in alle Vlaamse havens inzake toegevoegde waarde merkbaar is in de jaren '90, ondanks de eerder slabakkende maritieme trafiekcijfers. Zoals reeds in vroegere persbijdragen

weergegeven (**) klimt de MIDA Oostende uit een diep dal dat in 1994 als het dieptepunt werd genoteerd. Inderdaad, eind 1995 was de toegevoegde waarde van de MIDAOostende opnieuw fors gestegen tot boven de 8 miljard BF (8,2 miljard) en kwam van 7,1 miljard eind 1994. Een toename dus van 1,1 mrd. BF. Deze forse stijging van de toegevoegde waarde komt enkel van de niet-havengebonden mrd., terwijl de havengebonden terugliepen). Onderstaande Tabeli: tabel spreekt voor zichzelf. bedrijven (toename van 1,2 jaar verder bedrijven voor het vijfde opeenvolgende

De toegevoegde waarde in de MIDA-Oostende (in mrd. BF) 1991 mrd.BF 1992 mrd.BF 6,7 2,5 9,2 1993 mrd.BF 6,5 2,6 9,1 1994 mrd.BF 4,5 2,6 7,1 1995 mrd.BF 4,4 3,8 8,2

bedrijven

havengebonden niet-havengebonden totaal

6,9 1,7 8,6

(*)

Op basis van Trends Top 5000 (26/12/96) en eigen bewerkingen van de balansen van de ondernemingen Zie mijn bijdragen voor de pers, resp. van 1/12/92,21/11/93, 11/1/95, 10/1/96.

(* *)

3 Zonder twijfel kan men stellen dat de toegevoegde waarde van de niet-havengebonden bedrijven op het einde van 1996 groter zal zijn dan de havengebonden op het uitdovingsscenario dat in het najaar van 1996 werd ingezet. bedrijven gelet

Anders gesteld, hoewel de MIDA-Oostende als initiator en stimulator wordt beschouwd van de regionale economie moeten we vaststellen dat deze dynamiek enkel te danken is aan de groei van de niet-havengebonden Oostende. bedrijven in het haven- en industriegebied dan op het Oudenburg,

De regio Oostende is nu veel minder afhankelijk van de havenactiviteiten Oostends stadsgewest (omvattend de gemeenten Oostende, Bredene,

einde van de jaren '80 toen zowat 3/4e van de gegenereerde toegevoegde waarde in het Middelkerke, Giste!) afhankelijk was van de Oostendse havens. Inmiddels (eind 1995) is dit gedaald tot een goede 40 %. Onderstaande Tabel 2 : tabel geeft hieromtrent een oriënterend beeld. De omzet en toegevoegde (b.v.b.a., C.v., n.v.). Vergelijking Oostends stadsgewest (regio) versus MIDA-Oostende. waarde van de "stuwende". ondernemingen

jaar

Stadsgewest omzet mrd.BF

(regio) Oostende toegev. waarde mrd.BF 13 16 18 20

MIDA Oostende omzet mrd.BF 32 34,3 37,2 43,5 toegev. waarde mrd.BF 10 8,6 9,1 8,2 RP-UliJ. de enige poot van/voor de

1988 1991 1993 1995

49,5 55,5 64,72,-

Bron: Eu!en bewerkin!!en NBB-Balanscentra eiG. Allaert. Ook inzake omzet vormen de Oostendse havens niet meer Oostendse dynamiek.

Tabel 2 toont ook aan dat - ook hier - Oostende (althans de regio) zich hoe langer hoe meer in de breedte (naar andere sectoren) aan het ontwikkelen is. Daar waar de MIDAOostende in 1988 goed was voor 2/3e van de omzet in het stadsgewest gedaald tot 60 %. Deze daling is evenwel minder uitgesproken Oostende is dit dan inzake toegevoegde

4

waarde. Het wijst ook op het nog steeds substantieel belang van de MIDA-Oostende voor de regionale economie. We kunnen globaal stellen dat vanuit de bedrijfswereld de "bakens" uitgezet zijn voor een meer gediversifieerd van de niet-havengebonden daar ook een signaal van. 3. Havengebonden versus niet-havengebonden symposium staan als het jaar waarbij de toegevoegde economische dynamiek en de nood regionaal-economische dynamiek in de regio. De verdere groei en industriegebied is bedrijven in de Oostendse achterhaven

aan een nieuw wetenschappeliik

Zoals reeds gesteld, zal 1996 ingetekend waarde van de niet-havengebonden Deze vaststelling bonden bedrijven in de Oostendse MIDA.

bedrijven groter zal zijn dan deze van de havengeinzake omzet (bruto exploitatiebedrijven in de bedrijven en dit is sedertdien

heeft zich nog vroeger gemanifesteerd

marge). Inderdaad, sedert 1993 is de omzet van de niet-havengebonden Oostendse MIDA groter dan die van de de havengebonden steeds maar vergroot (tabel 3). Tabel 3 :
De omzet in de MIDA-Oostende (in mrd. BF)

bedrijven

omzet in de MIDA-Oostende 1991 1992 18,9 17,9 36,8 1993 17,0 20,2 37,2

(in mrd. BF) 1994 17,6 23,3 40,9 1995 17,3 26,2 43,5

havengebonden niet-havengebonden totaal

18,8 15,5 34,3

Eind 1995 kwam 60 % van de omzet in de MIDA-Oostende voor rekening van niethavengebonden havengebonden bedrijven en 40 % van de havengebonden omzet). bedrijven in de Oostendse MIDA omzet in voor- en achterhabedrijven. Vier jaar eerder omzet en 40 % niet(eind 1991) was dit nog het spiegelbeeld (met 60 % havengebonden Eind 1996 zal de omzet van de niet-havengebonden

verder oplopen tot 2/3e van de ganse bedrijfseconomische ven van Oostende samen.

5 In 1987 en 1988 (bijna la jaar terug dus op het moment dat de renovatie planning in Oostende Oostendse werd opgestart en de v.z.w. Oostendse Havengemeenschap) werd in de In de MIDA nog zowat 20 mrd. "havengebonden" omzet gegenereerd.

opeenvolgende tien jaar zien we een afkalving vooral m.b.t. de maritiem georiënteerde achterhaven waardoor de maritieme toekomst van de achterhaven met een nieuwe sluis van 5 mrd. als een toenemend vraagteken dat in de Vlaamse" economische" wereld

steeds luider gaat klinken. Opvallend hierbij is dat het oorspronkelijk die tijd politiek nauwelijks werd bijgestuurd richting voorhaven.

renovatie plan in

Slechts in het afgelopen jaar (na 10 jaar) wordt mijn pleidooi voor een geïntegreerde ruimtelijk-economische Jammer inclusief aanpak van de voorhaven ook door de Oostendse beleidsvoerders meer ernstig genomen (gezien mede het RMT-debacle van de afgelopen maanden). dat men de beloofde en toegezegde miljarden in het begin van de jaren '90 (visserij/Ro-Ro RMT-gebeuren symposium (maritiem toerisme). In het bekende en tot nog toe enig voor Oostende niet had aangewend voor een maritiem reconversiebeleid georganiseerde

over de toekomst van de Oostendse havens (anno 1988 !) onder de titel "De

werd dit in alle duidelijkheid neergeschreven. Er is dan ook grote nood aan een nieuw soortgelijk symposium Oostendse Haven op de drempel van de 21 ste eeuw" . Het zou goed zijn dat de v.z.w. Oostendse Havengemeenschap inititatief neemt voor een "wetenschappelijk" was. 4. symposium opnieuw na la jaar het zoals dit in 1988 het geval

Maritieme tewerkstelling

nog steeds betekenisvol in Oostende eind 1995 doch zal

in 1997 een "klap" te verwerken kriigen De tewerkstelling van de jaren '90. in de MIDA-Oostende bleef ook eind 1995 op het peil van het begin tot andere havenstructuren in casu Gent en Antwerpen

Hier is - in tegenstelling

- de

tewerkstelling in de jaren '90 nauwelijks merkbaar (1995 t.o.v. 1994). Inderdaad

teruggelopen.

er is zelfs een lichte stijging in de MIDA-Oostende 4.394

eind 1995 bedroeg de directe tewerkstelling

eenheden terwijl in 1994 men 4.210 tewerkgestelden dat hoewel afslanking inzake tewerkstelling

noteerde. Het is hierbij opvallend

via de RMT (van 1.656 personen in 1991

naar 1.393 personen eind 1995) zich geleidelijk voltrok, dit niet zo expliciet vertaalde in

6 de dalende trend inzake tewerkstelling groeiende niet-havengebonden De tewerkstelling mejhavengebonden van de MIDA-Oostende (van 4.700 eind 1991 in de

naar 4.210 eind 1994 en 4.394 eind 1995). Dit komt omdat de tewerkstelling bedrijven gestadig toenam.

in het maritieme gebeuren (eind 1995 nog 3/4e van de totale tewerktewerkstelling door de teloorgang van de RMT. in de MIDA-Oostende onder de 2.000 komen

stelling) zal evenwel een serieuze klap krijgen als gevolg van het verlies van de maritieIn 1997 zal deze maritieme tewerkstelling

te liggen. Dit is een halvering van wat we eind jaren '80 noteerden inzake havengebonden/maritieme tewerkstelling. Samen met het verlies aan indirecte tewerkstelling in de maritieme sector (Wagons Lits/toeleveranciers aan RMT/horeca) zal het economisch impact inzake maritieme/havengebonden "maritiem Oostende". De economische tewerkstelling een "klap" inhouden voor

impact van de nieuwe formule (Sally-Holyman) is niet te vergelijken

met de vergane glorie (RMT). Althans niet volgens de huidige (begin 1997) publiek bekende strategie van deze groep. 5. Sectoriële analyse

Er is een "ongelijkmatige" dynamiek van de diverse sectoren in het haven- en industriegebied Oostende. 5.1. De visverwerkende ondememingen kregen serieuze klappen maar herstelden zich

"licht" in 1994 en 1995. Daar waar deze groep nog 3,6 mrd omzet genereerde in 1989 is deze jaar na jaar gedaald naar 2,3 mrd (eind 1993) om in 1994 te stijgen tot 2,5 mrd. Eind 1995 liep deze omzet evenwel opnieuw lichtjes terug tot 2,4 mrd. Meer opvallend is de steeds maar dalende toegevoegde waarde van meer dan 700 miljoen op het einde van de jaren '80 tot 372 miljoen (dit is een halvering) eind 1995. Ook de veiling in de Oostendse vismijn deed het jaar na jaar slechter. Eind 1996 werd in Oostende 847 miljoen vis geveild, wat een verdere terugloop is (met 2 %, daar waar Zeebrugge (met 1,7 miljard) en Nieuwpoort (met 108 miljoen BF) het beter deden dan in 1995.

7

5.2. De Bouw blijft verder groeien en heeft een omzet die groter is dan het geheel van de visverwerkende bedrijven. Eind 1995 werd in de bouw een groei genoteerd t.o.v. 1994 van meer dan 1 mrd (van 2,53 naar 2,66 mrd BF). Deze tweede opeenvolgende groei betekent dat in de Oostendse MIDA de bouw bedrijvigheid belangrijker wordt, ook inzake toegevoegde waarde (meer dan een half mJ;"dBF).

5.3. Na jaren

van terugloop

blijkt de sector van de meststoffen

(CNO) opnieuw te in de periode 90-94

groeien. Zoals bekend

zakte de toegevoegde waarde spectaculair

(van de bijna 1 mrd tot beneden het half miljard). Eind 1995 steeg de toegevoegde waarde fors (tot 634 miljoen BF) en ook de omzet was fors groeiend (tot opnieuw boven de 2 mrd). Een groei met meer dan 20 % in één jaar. 5.4. De vervoersen transportbedriiven (overwegend/grotendeels havengebonden)

gingen opnieuw achteruit. De toegevoegde waarde (incl. RMT) ligt nu (eind 1995) zelfs onder de 1 mrd BF (en komt van meer dan 3 mrd in 1990 en zelfs van 3,5 mrd eind de jaren '80). De toegevoegde waarde van het "Ro-Ro"-gebeuren verloor in de Oostendse MIDA zeer "fors" ondanks de groeiende betekenis van de privé-ondernemingen (CCC/Maenhout) in het geheel van deze sector. De huidige combinatie RMT/Sally heeft nu (eind 1996) zelfs minder dan 10 % van het kanaalverkeer.

5.5. De andere havengebonden achteruit, geval. 5.6. De toeristische

bedriiven (hout, baggerwerken,

textiel) gingen in 1995

zowel inzake omzet als inzake toegevoegde waarde. Dit was ook in 1994 het

ondernemingen

deden het voor de vijfde opeenvolgende maal beter.

Deze sector zit in de lift en komt van 7,8 mrd omzet (1991) over 9,8 mrd (1992), 10,5 mrd en 13,1 mrd (1993 en 1994) naar meer dan 14,1 mrd (1995). Deze sterke groei (verdubbeling decisieknooppunt 1990-1995) toont aan dat Oostende een internationaal is inzake toerisme en reizen. In deze sector moet evenwel meer werk netwerkvorming van deze sector zal evenwel wel zorgen

worden gemaakt van de toegevoegde waarde (nog steeds relatief laag met 800 miljoen BF eind 1995). De toenemende

1998
We laten hier de teksten achterwege van de periode van de verdwijning van de RMT gezien er de laatste weken hierrond voldoende persaandacht is besteed. Indien trouwens de RMT, op grond van onze detectie reeds in 1990/1991 duidelijk gesteld, toen (begin jaren 90) naar een afslanking had gestreefd (van 1500 man tot zowat de helft, 700) dan ging de maatschappij nu nog in de vaart geweest zijn. De vakorganisaties waren evenwel toen bijzonder sterk en hielden het ‘overtollig personeel’ aan boord en aan de kade. De gevolgen kennen we en moeten we niet meer herhalen.

Laten we wat verder kijken hoe het haven en industriegebied zich profileerde naar einde van de jaren 80. Welnu, met het rapport ‘De bedrijfseconomische dynamiek van het haven- en industriegebied volgt de negatieve trend van de trafiekcijfers van de Oostendse haven’, eind 1998/begin 1999 hebben we de verdere negatieve spiraal ook op bedrijfseconomisch vlak blootgelegd. Voor de statistici en voor de historici wil ik graag nog dit rapport in herinnering brengen (tekstuele kopie hierna).

24

\

.&iliiiiiiiii

UUII
UNIVERSITEIT GENT

FACULTEIT TOEGEPASTE WETENSCHAPPEN

VAKGROEP RUIMTELIJKE PLANNING Voorzitter: Prof. dr. G. ALLAERT

UNIVERSITEILGENT".

Prof. Dr. G. ALLAERT Hoogleraar Universiteit Gent
Paper99/1 Inhoud
van de Vakgroep Ruimtelijke Planning, Faculteit Toegepaste Wetenschappen, RUG

1. De negatieve bedrijfseconomische spiraal van de Oostendse haven. Pleidooi voor een strategische alliantie met Zeebrugge 2 2. De havengebonden bedrijven blijven bedrijfseconomisch zwak presteren 3. De betekenis van de haven in het stadsgewest Oostende vermindert verder

4

5

4. Maritieme tewerkstelling, bijna verdwenen

6

5. Sectoriële analyse

7

Epiloog

8

Krijgslaan 281 S8, 8-9000 Gent 8elgium
tel. +32 (9) 26447 17

e-mail secretariaat:anne.vancampe@rug.ac.be

.

fax +32 (9) 26449

86

.

e-mail:

georges.allaert@rug.ac.be

UNIVERSITEIT GENT

8-

1. De negatieve bedrijfseconomische spiraal van de Oostendse haven. Pleidooi voor een strategische alliantie met Zeebrugge
Ook in 1998 gingen alle Vlaamse havens

-

met uitzondering van Oostende - er in 1998

op vooruit (Antwerpen met 7 % tot 119,7 milj. T; Zeebrugge met +3 % tot 33,5 milj. T; Gent met 2,8 % tot 23,7 %). Na de stijging in 1997 is dit voor de top 3 een nieuwe stijging. De haven van Oostende ging er voor de tweede opeenvolgende maal op achteruit. Inderdaad, de statistieken laten de neerwaartse spiraal zien van de Oostende haven. Tabel 1 : de negatieve spiraal van de Oostendse havens in cijfers
Jaar (periode) 1996 (einde van RMT) 1997 (Hollyman-Sally) 1996-1998 evolutie

Ro ro Andere vracht Totaal * * exclusief auto's ' 2.;;~rd'!;\(E!P(~f4j3ant$t~eÎ'lliéQ~i;t,«.:,wt,!%, Passagiers 1.555.350 Auto's 210.450 Vracht 154.176

1.333.000 234.000 108.000

1.175.000 204.000 104.000

-380.350 -6.450 -50.176

Oostende verloor in amper 2 iaar zowat één vierde van de passaQiersmarktover het Kanaal en één derde van de vrachtmarkt die ze had bij het ter ziele gaan van de RMT. Vooral dit laatste, nl. de enorme terugloop van de ro ro-vracht (met meer dan 50.000 eenheden) is m.L bedroevend. Immers, de haveninkomsten komen vooral van deze trafiek (ro ro). Nu reeds durf ik stellen dat de overlevingskansen voor de NV AGHO (dat nota bene praktisch ook 2 jaar bestaat) m.L afhangt van het aantrekken van 'nieuwe' ro ro naar Oostende. Een verdere aftakeling van de ro ro-inkomsten moet ook te zien zijn in de balansen van deze NV. Het zou wel eens ook kunnen betekenen dat een fusie met Zeebrugge (op bedrijfseconomisch vlak) onafwendbaar zou zijn om de ro ro-slag op het Kanaal aan te kunnen. Met 14,5 milj. T ro ro is Zeebrugge trouwens 6x groter (en beter gewapend) dan Oostende, alhoewel ook 1998 voor Zeebrugge een status quo betekende inzake ro ro dan 1997. De voorgestelde 'publieke' schaalvergroting door fusie tussen AGHO en de nog steeds verlieslatende luchthaven van Oostende betekent 'bedrijfseconomisch' nog niet dat op korte termijn de grotere naamloze vennootschap het beter zal doen. De 'logische' fusie (naar 1 beheersstructuur voor alle Oostendse havens) moet m.L 'territoriaal' worden uitgebreid tot het samengaan van de 2 Vlaamse poorten (Zeebrugge-Oostende) tot 'ZEEBROOS' van waaruit 1 gezamenlijke managementstructuur wordt uitgebouwd. Dit lijkt mij in het Europa van de Euro met zijn meer dan 10.000 km kustlijn noodzakelijk. Op nauwelijks 15 km van elkaar moet het Oostendse Havencomplex zeer snel steun zoeken bij het Zeebrugse Havencomplex omdat hier een complementaire 'winwinstrategie' zich opdringt: op ruimtelijk vlak, vanuit verkeer en vervoer; vanuit economisch-technologisch gebied; vanuit maatschappelijk-sociaalperspectief; vanuit de bundeling van maritieme kennis.
Paper99/1 van de Vakgroep Ruimtelijke Planning, Faculteit Toegepaste Wetenschappen, RUG
2

2. De havengebonden

bedrijven blijven bedrijfseconomisch zwak presteren

Het Oostends haven- en industriegebied (MIDA-Oostende omvattend voorhaven, achterhaven en industriezone langsheen het kanaal Brugge-Oostende) zakte in 1997 bedrijfseconomisch op alle vlakken: inzake toegevoegde waarde, omzet en tewerkstelling. Zoals reeds in vroegere persbijdragen weergegeven1 zit de MIDAOostende in een diep dal sedert medio jaren 90. Eind 1997 lag de toegevoegde waarde lager dan eind 1996 en nog ver van het peil van eind jaren 80 (9-10 mrd. toegevoegde waarde). Nu reeds kunnen we stellen dat het nog geruime tijd zal duren om op het peil van de jaren 80 te komen. Een blik op tabel 2 leert verder dat de havengebonden bedrijven in 1 jaar tijd 1 mrd. toegevoegde waarde verloren en ook in 1998 zal deze negatieve spiraal zich manifesteren. Daarentegen genereren de niet havengebonden bedrijven sedert 1997 en dit voor het eerst - een hogere toegevoegde waarde in de MIDA-Oostende dan de havengebonden bedrijven. Tabel 2 : de toegevoegde waarde in de MIDA-Oostende (in mrd. BEF)
bedriiven Havengebonden
Niet havenqebonden Totaal

1997 3,S
4,S 8,0

1991 6,9 1,7
8,6

1992 6,7
2,S 9,2

1993 6,S
2,6 9,1

1994 4,S
2,6 7,1

1995 4,4
3,8 8,2

1996 4,S
3,8 8,3

Aqq -

Sedert 1993 is de omzet van de niet havengebonden bedrijven in de Oostendse MIDA groter dan die van de havengebonden bedrijven en het verschil is sedertdien steeds maar toegenomen. Tabel 3 : de omzet in de MIDA-Oostende (in mrd. BEF)
bedriiven Havengebonden Niet havenqebonden totaal 1991 18,8 1S,S 34,3 1992 18,9 17,9 36,8 1993 17,0 20,2 37,2 1994 17,6 23,3 40,9 1995 17,3 26,2 43,S 1996 13,7 28,5 42,2 1997 13,S 26,2 39,7

Bron: eiaen bewerkinaen NBB-Balansencentrale

(G. ALLAERT, SSRP-RUG)

Á q1

,

Sedert een tweetal jaren (1996, 1997) komt meer dan 2/3 van de omzet in de MIDAOostende voor rekening van niet havengebonden bedrijven. Eind 1991 was dit nog het spiegelbeeld (met 60 % havengebonden omzet en 40 % niet havengebonden omzet). Medio 1985 was het aandeel van de havengebonden omzet zelfs 80 % van de gegenereerde omzet in de MIDA-Oostende.

1

Zie mijn bijdragen voor de pers, resp. van 1/12/1992,21/11/1993, 11/1/199S, 10/1/1996, 12/1/1997 en 13/1/1998. Paper 99/1 van de Vakgroep Ruimtelijke Planning, Faculteit Toegepaste Wetenschappen, RUG 4

3. De betekenis van de haven in het stadsgewest Oostende vermindert verder
Hoewel de MIDA-Oostende als initiator en stimulator wordt beschouwd van de regionale economie moeten we vaststellen dat deze dynamiek enkel te danken is aan de groei van de niet havengebonden bedrijven in het haven- en industriegebied Oostende. De regio Oostende is nu veel minder afhankelijk van de havenactiviteiten dan op het einde van de jaren 80, toen zowat % van de gegenereerde toegevoegde waarde in het Oostends stadsgewest (omvattend de gemeenten Oostende, Bredene, Oudenburg, Middelkerke, Gistel) afhankelijk was van de Oostendse havens. Een kortetermijnprognose toont aan dat op het einde van dit millennium de Oostendse haven nog slechts goed zal zijn voor 1/3 van de toegevoegde waarde van het stadsgewest Oostende. Onderstaande tabel geeft hieromtrent een oriënterend beeld. Tabel 4 : de omzet en toegevoegde waarde van de 'stuwende' ondernemingen (BVBA, CV, NV) - vergelijking Oostends stadsgewest (regio) versus MIDAOostende (in mrd. BEF)
Stadsqewest (reqio) Oostende omzet Toegevoegde waarde 13 49,5 18 64,0 79,7 21,8
NBB-Bafansencentrale (G. ALLAERT, SSRP-RUG

jaar 1988 1993 1997
Bron: eiaen bewerkingen

MIDA-Oostende omzet Toegevoegde waarde 32,0 10,0 37,2 9,1 39,7 8,0

Ook inzake omzet vormen de Oostendse havens niet meer de enige poot van/voor de Oostendse dynamiek. Tabel 4 toont ook aan dat - ook hier - Oostende (althans de regio) zich hoe langer hoe meer in de breedte (naar andere sectoren) aan het ontwikkelen is. Daar waar de MIDAOostende in 1988 goed was voor 2/3 van de omzet in het stadsgewest Oostende is dit gedaald tot onder de 50 %. Deze daling is evenwel minder uitgesproken dan inzake toegevoegde waarde. Het wijst ook op het nog steeds substantieel belang van de MIDA-Oostende voor de regionale economie. . We kunnen globaal stellen dat de bedrijfswereld de 'bakens' heeft uitgezet voor een meer gediversifieerd regionaal-economische dynamiek. De verdere groei van de niet havengebonden bedrijven in de Oostendse achterhaven en industriegebied is daar ook een signaal van. Trouwens, we kunnen stellen dat de achterhaven meer en meer een jndustriezone wordt waarbij de binding met de Oostendse haven verzwakt. Eind 1998 zal de omzet van de niet havengebonden bedrijven in de Oostendse MIDA verder oplopen tot % van de ganse bedrijfseconomische omzet in voor- en achterhaven van Oostende samen.

Paper 99/1 van de Vakgroep Ruimtelijke Planning, Faculteit Toegepaste Wetenschappen, RUG

5

5. Sectoriële analyse

Uit de Trends 5000 blijkt dat bijna alle Oostendse havengebonden ondernemingen gezakt zijn (of verdwenen zijn) in de toprangschikking. Met zijn 178steplaats staat Jet Air hoogst gerangschikt. Twee plaatsen verder vinden we Oaikan (plaats 180). Beide ondernemingen zijn elk goed voor meer dan 10 mrd. omzet.
5.1. De visverwerkende onderneminoen Daar waar deze groep nog 3,6 mrd. omzet genereerde in 1989 is deze jaar na jaar gedaald naar 2,3 mrd. (eind 1993) om in 1994 te stijgen tot 2,5 mrd. Eind 1995 liep deze omzet evenwel opnieuw lichtjes terug tot 2,4 mrd. om opnieuw lichtjes te stijgen in 1996 (2,5 mrd.). De daling in 1997 tot 2,3 mrd. is te wijten aan het verdwijnen van La Couronne uit de Top 5000. De groei van Morubel in 1997 steekt schril af tegen de status quo van de andere visverwerkende bedrijven. De steeds maar dalende toegevoegde waarde werd door de forse groei van Morubel opnieuw omgebogen tot een lichte groei van de sector. De groei in de bouw is stilgevallen sedert 1995. Zowel in 1996 als in 1997 is er nauwelijks sprake van groei. De bouwbedrijvigheid staat met zijn omzetcijfer en toegevoegde waarde op hetzelfde niveau van de visverwerkende bedrijven in de MIOA. Na lichte groei medio jaren 90 is de sector van de meststoffen (CNO) terug in achteruitgang. Zoals bekend zakte de toegevoegde waarde spectaculair in de periode 1990-1994 (van de bijna 1 mrd. tot beneden het half miljard). Eind 1995 steeg de toegevoegde waarde fors (tot 6347 miljoen BEF) en ook de omzet was

5.2.

5.3. . ",_.1,

v~,
LNO

200-J

--::;.Q.O."..J 1\ ~ Q.t--

~c.t (~t...
,

~~

fors groeiend(totopnieuwbovende 2 mrd.).Eengroeimet meerdan 20% in één
jaar. Eind 1996 steeg zowel de omzet (tot 2,1 mrd.) als de toegevoegde waarde (732 miljoen BEF). Een jaar later (eind 1997) zien we opnieuw een forse teruggang van de omzet (naar 1,7 mrd.) en naar toegevoegde waarde (538 . ' mijoen.. ) ~ \"~ c..vU ~t u1

\'"'"

I~

t::
~~

.I ~, W-~J

~

1.0()'~.?"ï"\O(' ~~\.oW) 5.4.

De vervoer- en transportbedriiven

(overwegend/grotendeels

havengebonden)

gaan er niet op vooruit. Met 2 mrd. BEF omzet en 400 miljoen BEF toegevoegde waarde blijft deze sector op de 4deplaats hangen. 5' 5.
De andere havenoebonden bedriiven (hout, textiel) gingen in 1996 achteruit,

c-

.

b~ '"'5.6.

-

1\

'Zf-:-..

,

zowel inzake omzet als inzake toegevoegde waarde. Dit was ook in 1994 en

1995 het geval. Uitzondering vormt de baggergroep Oecloedt, waar de omzet fors de hoogte inging in 1997. Het merendeel van de niet havengebonden ondernemingen in het haven- en industriegebied gaan er verder op vooruit. Inzonderheid is dit het geval met Oaikin Europe die niet alleen de sterke nummer één is inzake omzet van de MIOA-Oostende maar ook de sterke nummer één is geworden inzake toegevoegde waarde in de ganse MIOA-Oostende. Op zijn eentje zorgt Oaikin voor 2,5 mrd. toegevoegde waarde, wat straks evenveel is dan de toegevoegde waarde van alle havengebonden bedrijven tezamen. De forse groeicijfers bij Oaikin zorgen ervoor dat de MIOA-Oostendeook in 1997 'geflatteerde' cijfers kon
7

Paper 99/1 van de Vakgroep Ruimtelijke Planning, Faculteit Toegepaste Wetenschappen, RUG

1999 – 2000 - 2001
Ook in 1999 is de situatie dramatisch in onze haven. Met het rapport ‘De bedrijfseconomische dynamiek in de haven van Oostende op een absoluut dieptepunt eind de jaren 80’ (rapport 7 januari 2000). Met de voorziene sluiting in 2000 van CNO en het wegvallen van 200 miljoen ton maritieme grondstoffen (meststoffen) voor dit bedrijf komt er een einde vanuit de achterhaven als zuiver maritieme ontwikkelingszone. De toekomst (met de ontwikkeling van Plassendale heeft duidelijk geopteerd voor een diversificatie met accent ook naar andere niet-havengebonden activiteiten. In dit rapport wordt reeds duidelijk gesteld dat een strategische alliantie Zeebrugge-Oostende (Zeebroos) de enige uitweg zal zijn voor Oostende in Europa (citaat uit het rapport G. Allaert, 7 januari 2000). Op 4 januari 2001 verscheen de jaarlijkse detectie van de havendynamiek. Onder de titel ‘De grootste trafiekcijfers van de Oostendse havens voor 2000 worden nog steeds niet vertaald in een bedrijfseconomische opstoot’. Ik herhaal hier enkel de epiloog uit dit rapport (kopie uit rapport van 4 januari 2001).

25

Tabel 3 toont aan dat de toegevoegde waarde van de niet-havengebonden bedrijven in de periode 1991-2000 zowat het spiegelbeeld is van deze van de tabel met de havengebonden bedrijven (tabel 1). De groei is spectaculair te noemen (nI. van 1,7 mrd. naar 6,8 mrd.). Deze spectaculaire groei komt voor een groot deel op naam van Daikin dat in een aantal jaren tijd een toegevoegde waarde heeft weten op te bouwen tot 3,6 mrd. BF. Daikin is daarmee goed voor zowat de helft van het totaal van de toegevoegde waarde van de niet-havengebonden bedrijven. Met dit cijfer (3,6 mrd. BF) is trouwens Daikin op zijn eentje bedrijfseconomisch 'sterker' dan de toegevoegde waarde van alle havenbedrijven tezamen in de MIDA-Oostende (voor- en achterhaven tezamen). Ook inzake omzet scoort Daikin evenveel dan alle havengebonden bedrijven tezamen. De spectaculaire push voorwaarts inzake omzet (sprong van meer dan tien mrd. in nauwelijks twee jaar tijd, nl. van 1998 naar 2000) is een van de uitschieters bij de sterke opgang van de niet-havengebonden bedrijven in de MIDA-Oostende (zie tabel 4). 1991 15,5 Tabel 4: de omzet van de niet-havengebonden bedrijven in de MIDA-Oostende (in mrd. BF) 1993 1995 1997 1998 31/12/1999 2001* 20,2 26,2 26,2 34,8 40,7 45
Bron: eigen bewerkingen, NBB-balansencentrale en Trends 5000 * trendscenario, vooruitblik

Nu kunnen we reeds stellen dat de niet-havengebonden bedrijven in de MIDA-Oostende de 'industriële' motoren zijn geworden in het Oostends haven- en industriegebied. De verdere uitbouw van de Plassendale-projecten zullen deze vaststelling en tendens nog versterken. Ook de verdere ombouw van de chemie-site te Zandvoorde met de nieuwe investeringen die o.m. Proviron in 2000 uitvoerde (ondanks het vertrek van CNO) zijn tekenen van een 'believe in the future' . Waar is de tijd (medio de jaren 80) toen het aandeel van de havengebonden bedrijven inzake omzet 80% van de gegenereerde omzet in de MIDA-Oostende was! Nu is dit nog nauwelijks Y4van de niet-havengebonden bedrijven! Dezelfde tendensen (maar iets vertraagd) tekenen zich af inzake toegevoegde waarde. We kunnen ons dan ook de vraag stellen wat de haven vandaag nog intrinsiek betekent voor de economie van Oostende en de regio. Zoals de kaarten er nu liggen op de drempel van een nieuw millennium leveren onze havens (luchthaven en zeehaven) nog bitter weinig directe toegevoegde waarde voor de welvaart van de Oostendenaars. Vijfentwintig tot dertig jaar terug was dit wel anders. Toen waren de twee havens de motoren van een Oostende dat alle kracht (inzake tewerkstelling vooral) uit zijn toerisme wist te putten. De verdere achteruitgang van het passagiersverkeer in de haven ook in 2000 is daar een signaal van. Oostende staat niet meer op de Europese kaart van het toerisme bij de start van het 3de millennium. Toch blijf ik erbij dat de toeristische industrie voor onze havens (zee/lucht) tot een sterke cluster kan worden uitgebouwd omdat Oostende inzake toeristisch productiemilieu 'alles' heeft met een hele waaier van niches: Oosteroever, Casino, Binnenstad, de erfenissen van het toeristisch verleden,... Toerisme staat nu in het teken van de creatie van 'eigentijdse paketten' waar 'de beleving' (er moet iets te beleven zijn) centraal staat. Men moet dan ook werk maken van deze nieuwe economie.

samenvalt met de exploitatieplek waar het bedrijf actief is, toch kunnen we uit deze afleiden. detectie heel wat interessante "economisch-relevante" items

We sommen deze hier op: 1.1.

De economische Power). Zoals

decisiekracht bekend

(EDP genoemd:

Economic Decision beslissingen Als

worden

bedrijfseconomisch

genomen op de maatschappelijke

zetel van een onderneming.

deze in de regio (hier Oostende) gesitueerd is dan is dit een sterk punt voor Oostende omdat dit gegeven iets zegt over de regionale verankering en over het "bedrijfs"geloof in de toekomt van de regio.

1.2.

Een conjunctuurbarometer Een analyse over meerdere jaren (in ons geval 10 jaar en meer ook) geeft een "conjunctuur"-beeld van de "beslissings"kracht van de bedrijven in een regio. Een toename van de EDP zal ook eerst tot uiting komen in een toename van de investeringen in de regio en een toename van de toegevoegde waarde en tewerkstelling (nadien).

1.3.

Uitzetten van een vooruitblik Op grond van de investeringen (over een periode van 3 tot 5 jaar, bvb. 1997-2000) kunnen we een vooruitblik doen (een trend dus) naar de toekomst 2001-2003. Uit eigen analyses die meermaals werden verricht, blijkt er weinig verschil te zijn tussen de reële situatie van het jaar voordien en de vooruitblik naar het komende jaar (in casu hier
2000 en 2001).

~
111111

-

Krijgslaan 281/88, B-9000Gent Belgium tel. 09/264.47.17' fax 09/264.49.86. e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne. vancampe@rug.ac.be

UNIVERSITEIT GENT

1.4.

Verqeliikinq met andere EDP-structuren Een analyse op basis van de EDP laat ook vergelijkingen toe tusssen andere EDP-structuren in de havens van Zeebrugge, Gent, Antwerpen en op andere echelons (stad, stadsgewest, ...).

1.5.

Stuwende activiteiten We beperken ons tot de "grootste" ondernemingen omdat deze ook doorgaans "stuwende-regionale" bedrijven zijn. Vele KMO's zitten in een netwerk met deze grote bedrijven. Deze verstrengeling gaat door in de 21steeeuw. Het betekent evenwel ook dat vele KMO's (sturend maar vooral ook verzorgend) ook sterker worden als deze grotere ondernemingen versterken. Bij de groeiende clustervorming van ondernemingen (sectorieel en intersectorieel) waarbij ook de terugplooiïng op core-business een essentieel onderdeel vormt van de bedrijfsstrategie en het betekent dat vele kleine ondernemingen die niet in de top 5000 voorkomen profiteren van deze bedrijfsstrategie (in termen van omzet,

toegevoegde waarde, tewerkstelling).

1.6.

Benedengrens top-rangschikking Trends 5000

In de Trends top 5000 van eind december 2001

wordt als

benedengrens voor de omzet op jaarbasis van een onderneming 10 miljoen euro genomen (403,3 miljoen BEF). Dit komt overeen met 5.432 ondernemingen in Vlaanderen waarvan 24 in de MIDA Oostende.

1.7.

Wat wordt als MIDA-Oostende beschouwd? Het gaat om het maritiem-industrieel (M.I.) gebied met voorhaven en achterhaven waarvan ook de flanken (naar Bredene en Oudenburg)
..4iiiiiiI... 111111 UNIVERSITEIT GENT

Krijgslaan 281/58, B-9000 Gent Belgium tel. 09/264.47.17 fax 09/264.49.86 e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne. vancampe@rug.ac.be

.

.

mee worden gerekend, gezien het om een toekomstige d.L planologische entiteit gaat 'development area/D.A.).

2.

Wat is de betekenis/belang

van deze jaarlijkse

detectie?

De analyse die ik hanteer gaat uit van de economische "beslissingskracht" van de ondernemingen (zgn. EDP "Economic Decision Power) die

wetenschappelijk

door ons onderzoeksinstituut

is uitgewerkt begin de jaren

"80 op grond van mijn wetenschappelijk University te Baltimore.

studieverblijf aan de Johns Hopkins

Later heeft de Nationale Bank hier trouwens op verder gebouwd eerst n.a.v. analyse van de havens van Antwerpen en Gent en nadien Zeebrugge en recentelijk medio jaren '90 kwam ook Oostende aan bod.

De uitkomsten van de Nationale Bank van België liggen in dezelfde lijn als mijn uitkomsten doch liggen inderdaad wat hoger omdat het sample

ondernemingen

groter en gediversifieerder is. De trends die uit de cijfers van

de Nationale Bank kunnen worden afgeleid zijn quasi dezelfde als deze uit onze detecties. De Nationale tussen Dit doen Bank van België en maakt evenwel geen

onderscheid ondernemingen.

havengebonden wij wel omdat

niet-havengebonden is vanuit de

dit belangrijk

investeringspolitiek

van de overheid voor de havens. Beide analyses (NBB vullen elkaar aan. Mijn analyse komt evenwel

en onze onderzoeksgroep)

een stuk vroeger dan deze (van begin januari) van de Nationale Bank (minimum een halfjaar later).

De Economic Decision Power-analyse is sedert 1998 ingeburgerd in het statistisch apparaat m.b.t. de detecties van de Vlaamse economie. Er wordt trouwens door de Vlaamse Gemeenschap tweejaarlijks een statistisch rapport uitgegeven genoemd "Stativaria". Als lid van het Expertenteam rond de EDP-detecties voor Vlaanderen lever ik hieromtrent wetenschappelijke commentaar.
~ Krijgslaan 281/58, B-9000Gent Belgium tel. 09/264.47.17' fax 09/264.49.86' e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne. vancampe@rug.ac.be UNIVERSITEIT

llilll GENT

Dat men aan de EDP-detecties ook meer en meer de nodige politieke aandacht schenkt moet men zoeken in het feit dat ook de EDP-detecties iets zeggen over de "regionale" verankering (vooral inzake toegevoegde waarde van de bedrijven). Met het oog op het uitbouwen van een infrastructuur die de gemeenschap (wij allen dus) betaalt (denken we aan bedrijventerreinen, haventoegang, kades, ...) is dit niet onbelangrijk. Wat hebben we aan bedrijven die om de haverklap verhuizen van de ene haven naar een andere. Als het daarbij ook nog een buitenlandse haven is dan vloeit de toegevoegde waarde weg vanuit onze havens (misschien eerst gedeeltelijk maar na een tijd meer en meer). Denken we hierbij aan wat momenteel met Hoverspeed Oostende aan het gebeuren is. Tenzij we te maken hebben met een Europese of mondiale onderneming die een netwerk van activiteiten uitbouwt over onze havens (iets wat wel meer en meer gebeurt en waar we vanuit de Oostende EDP in de toekomst ook meer aandacht zullen aan besteden.
We evolueren immers meer en meer naar een netwerk-economie en de

bewegingen in de economische beslissingskracht worden dus op termijn wel belangrijker dan vandaag. Ik ben trouwens betrokken in heel wat studies rond clusteranalyse

inzonderheid Economic

m.b.t. de relatie EDP-EDC/EPC (Economic Decision PowerDistribution Center Economic Production Center) en de

betekenis om grote (mega)terreinen te ontwikkelen.

Ik ben ervan overtuigd dat de Plassendale-sites hierop kunnen anticiperen (omdat hier nogal wat "grote" ontwikkelingen mogelijk zijn, ook in het perspectief van modern-industriële (nieuwe) economieën. Uit "verkennende" gesprekken gevoerd met captains of industry in Vlaanderen en Nederland blijkt dat men Plassendale al weet liggen. We maken dus vooruitgang. Ook in de industrienota van Minister Johan Vandelanotte, Voorzitter van AGHO, zitten heel wat vernieuwende inzichten van/voor maritieme-

industriële havenontwikkelingen die een versterkende toegevoegde waarde kunnen betekenen voor de regio Oostende. De uitbouw van een ~
Krijgslaan 281/58, B-9000 Gent Belgium tel. 09/264.47.17 fax 09/264.49.86 e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne. vancampe@rug.ac.be

.

.

111111 UNIVERSITEIT GENT

wetenschapspark van de Universiteit Gent in de achterhaven is daar een
goed voorbeeld van.

Kortom detectie,

mijn jaarlijkse

analyse moet enkel worden van de economische

beschouwd

als een van onze

een barometer

decisiekracht

bedrijven. De detectie betekent niet dat bedrijven slecht of goed presteren, het betekent wel dat de beslissingen die de bedrijven nemen al dan niet in de regio Oostende worden genomen.

Wie zijn exploitatiezetel

en maatschappelijke

zetel op één plek koppelt (in uit en

casu hier Oostende), gelooft in die regio (put er zijn werkkrachten genereert dergelijke "incentives" toegevoegde bedrijven waarde voor die regio). Dit betekent moeten

ook dat

m.L ook meer recht zouden instellingen

hebben voor van

door publieke/private

in die regio (kwaliteit

ruimte en kwaliteit van infrastructuur) en eventuele verminderde fiscaliteit.

Vanuit mijn wetenschappelijke discipline van ruimtelijke economie en ruimtelijke planning is bovenvermelde principieel standpunt ook mijn houding. Mij interesseert hoegenaamd niet hoeveel winst/verlies een bedrijf maakt in een bepaald jaar. Ik heb evenwel interesse vanuit mijn wetenschappelijke uitgangshouding of dit bedrijf een duurzame ontwikkeling in de regio neerzet (hier Oostende). In de eerste plaats kijk ik naar de investeringen in innovatieve activiteiten en de tewerkstelling die dit bedrijf verricht (over een periode van 3 tot 5 jaar). Bij de tewerkstelling kijk ik daarbij nog naar de rekrutering van deze tewerkstelling (binnen de regio) en de kennisinfrastructuur (in de regio).

Let op in de toekomst gaan we dit meer en meer ook op die manier gaan bekijken. In een globale netwerkeconomie speelt immers de ruimtelijke kwaliteit van de plek (hier haven- en industriegebied) een vooraanstaande rol, ook al omdat er meer en meer schaarste is van ruimte. We zullen bvb. voor de MIDA Oostende moeten gaan naar een soort "ruimtelijke
~
Krijgslaan 281/58, B-9000Gent Belgium tel. 09/264.47.17 fax 09/264.49.86 e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne.vancampe@rug.ac.be

.

.

111111 UNIVERSITEIT GENT

kwaliteitsnorm"

(RK-ISO)

via

de

creatie

van

zelfstandige

managementsorganen (reeds door J. Vandelanotte in Oostende opgestart). Ook dit zal ik verder bekijken o.m. in het perspectief van ppp-structuren in de haven en regio. Het is trouwens een groot vernieuwend project (de pppaanpak) in de Federale en Gewestelijke Regering. Met Minister

Vandelanotte en Adviseur Tommelein (in de AGHO) denk ik dat deze piste ook politiek zal worden uitgetekend voor Oostende.

Wat zijn de meest opvallende conclusies voor de MIDA Oostende anno 2000

3.1.

Heel wat ondernemingen die gesitueerd waren in de MIDA-Oostende in 2000 (toen nog 32, nu 24) zijn verdwenen uit de Top 5000 omwille van faillissement, allianties en overnames of zwakke prestaties. Het gaat om de Sun-groep Sunair, Sun Reizen, Sun International Holidays, Welgservices; verder ook Euroftal, CNO, Tolsa Benelux en De Zeespiegel Rederij. Anders gesteld, er valt een versmalling te noteren van de economische beslissingskracht in de MIDA-Oostende. Er is wel één belangrijke maritieme EDP-poot bijgekomen nl. Decloedt Baggerwerken die in 1999 in Zeebrugge zat (maatschappelijke zetel) en terugkeerde naar de schaapstal.

3.2.

Met het verdwijnen van CNO in 2000 is de achterhaven nu een quasi "niet kanaalgebonden" achterhaven geworden. Dit blijkt ook uit de zeer geringe betekenis vandaag als goederentransport van/naar de haven van het kanaal Oostende-Brugge/Gent voor havengebonden activiteiten. De discussie voor al dan niet een grotere sluis voor de achterhaven wordt daarmee zeker naar het "achterplan" geschoven, zeker gezien de achterhaven groeit ook zonder het kanaal en de sluis (zie 3.3.).
~ Krijgslaan 281/58, B-9000 Gent Belgium

tel. 09/264.47.17. fax 09/264.49.86. e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne.vancampe@rug.ac.be

UNIVERSITEIT GENT

IIUII

-

.../... 8

3.3.

De niet-havengebonden

ondernemingen

zitten verder in de lift. Deze

trend tekende zich reeds af gedurende de jaren '90. Nu b lijkt dat deze ondernemingen (18 in totaal in de MIDA) goed zijn voor 1,3 mrd. euro omzet, 211,7 miljoen € toegevoegde waarde en 2.528

tewerkgestelden

(zie tabel). De groei is opvallend sterk te noemen.

Hiervoor zorgen niet alleen Daikin maar ook heel wat andere voor deze opstoot.

Tabel: De Economische Decisiekracht van de MIDA-Oostende

Soort onderneming

Omzet in milj. € 305,8 1.322,6 1.627,4 65,6

Toegev. Waarde Tewerkstelling in milj. € 77,6 211,7 289,3 11,7 808 2.528 3.336

Havengebonden Niet-havengebonden Totaal miljoen € Totaal in miljard BEF

3.4.

Niet alleen vanuit omzet en toegevoegde waarde scoren de niethavengebonden bedrijven in 2000 sterk. Nog meer opvallend is de groei in de tewerkstelling. Dit steekt schril af tegen de verdere daling van de tewerkstelling van de havengebonden ondernemingen (in 1988 nog 4000; in 1997 nog meer dan 1200 en in 2000 reeds ver onder de drempel van de 1000). De niet-havengebonden bedrijven die vooral in de achterhaven gesitueerd zijn zagen hun tewerkstelling oplopen van minder dan 1000 op het einde van de jaren tachtig tot meer dan 2.500 vandaag.

3.5.

Zonder het "Decloedt"-effect zou de economische slagkracht van de havengebonden bedrijven in 2000 verder zijn gedaald. Men kan echter niet ontkennen dat de bedrijfseconomische slagkracht van het havengebeuren in globo ter plaatse trappelt. De havenondernemingen
.........

mUI
Krijgslaan 281/58, B-9000Gent Belgium tel. 09/264.47.17. fax 09/264.49.86 . e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne.vancampe@rug.ac.be

UNIVERSITEIT GENT

waarvan de maatschappelijke zetel buiten Oostende ligt (denken we aan Ferryways, Hoverspeed, TSL, Hanson Aggregates, NHM, ...) kunnen het tij vooralsnog niet keren. De toegevoegde waarde van de havengebonden ondernemingen zitten nog steeds op het peil van 1997 (3-4 mrd. BEF) (d.L minder dan 100 miljoen €) daar waar de toegevoegde waarde van de havengebonden ondernemingen eind jaren '80 nog het dubbele bedroeg. 3.6.

Belangrijk lichtpunt: heel wat bedrijven (zowel havengebonden als niet-havengebonden) hebben in 2000 flink geïnvesteerd vooral in kapitaal en minder in mankracht. Dit blijkt uit de verhouding omzet/investeringen en toegevoegde waarde/investeringen. Het verhogen van deze investeringsslagkracht zal zijn repercussies hebben naar omzet en toegevoegde waarde in 2001/2002. Het is echter afwachten of dit ook de nodige "sociale" impuls (naar tewerkstelling toe) zal teweegbrengen. Heel wat bedrijven komen terecht in clusters waar ze zich

terugplooien op hun core-business. Deze trend tekent zich trouwens overal af: in Vlaanderen en in Europa. Het kan betekenen dat op termijn vele kleine toeleveringsbedrijven zouden kunnen profiteren van deze input. Nu is dit in de regio Oostende nog niet sterk zichtbaar en voelbaar, daar waar dit in andere regio's (Kortrijk-Roeselare, Gentse, Antwerpse, Hasselt-Genk, ...,) reeds in grote opgang is (intersectoriële clustering en EPC/EOC).

\

Vooruitblik: Oostende

uitbouwen

naar een modern-industrieel niveau

en

4.

innovatief ondernemerschap
In de concurrentieslag

op stadsgewestelijk

zijn de stadsgewesten de motoren van de Economie

(nu ook in Vlaanderen). Welnu de MIOA-Oostende vormt de ruggengraat van het sterkste dynamiek Vlaamse zich gebied aan de Noordzee. nu embryonaal manifesteert De modern-industriële in de achterhaven ~

die

Krijgslaan 281/58, B-9000Gent Belgium tel. 09/264.47.17 fax 09/264.49.86. e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne.vancampe@rug.ac.be

.

UNIVERSITEIT GENT

IUUI -

...1...10

(Plassendale-projecten)

moet

verder

worden

aangezwengeld

grensdoorbrekend met Bredene-Oudenburg-Middelkerke. Het is bekend dat de Oostendse Stadsgemeenschap territoriaal niet gebonden is tot/aan Oostende maar verder reikt in het hinterland tot Bredene/Oudenburg/Middelkerke.

Deze Oostende Communauté Urbaine moet werk maken van een
gemeenschappelijke missie en visie over de verdere ontwikkeling van zijn sterke punten (modern-industrieel, mariene en maritiem-technologisch inclusief de toeristische industrie vanuit de sterkten in infrastructuur en kennis en dit
zIJn: zee/water/energ ie-toerisme/natuu rIopen

ruimte-

havens/cosmopolitisch

stedelijk.

Ook al zal dit een herstructurering moeten betekenen (in denken en doen), we mogen deze challenge niet uit de weg gaan. Uit eigen ervaringen weten we dat dit een engagement zal zijn van de publieke met de private actoren en spelers wijkniveau niet vergeten). Laat ons op korte termijn werk maken van de Nieuwe Kaart Oostende. Ik zou daarbij gebruik maken om in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Oostende dit open te breken. Met dit bedoelen we de noodzakelijke op het veld (ook buurt en

ombuiging naar modern-industriële en technologische vernieuwing.
Vanuit dit perspectief moet trouwens de discussie worden opgehangen rond de toekomst van de Oostendse luchthaven, de groei van de Binnenstad Extra Muros, de ontwikkeling van één of meerdere marina's (sea-front gericht); de 2 koppen in Zee (als noodzakelijke infrastructuren om het stedelijk toerisme op een hoger niveau te tillen); het "dynamiseren" van natuur en visserij op de Oosteroever; het uitwerken van een intermobiliteit i.f.v. de nieuwe stedelijkheid van Oostende; enz... Allemaal ambitieuze lijnen die moeten worden uitgezet in een "mental map" ... met als uiteindelijk doel vele groepen aan de slag te krijgen projectontwikkelaars, urbanisten, havenbouwers, tot

(ondernemers, scholieren toe).

~
Krijgslaan 281/58, B-9000 Gent Belgium tel. 09/264.47.17. fax 09/264.49.86. e-mail: georges.allaert@rug.ac.be secretariaat: anne. vancampe@rug.ac.be

111111 UNIVERSITEIT

GENT

.../...2

1.3.
~

Uitzetten van een vooruitblik Op grond van de investeringen (over een periode van 3 tot 5 jaar) kunnen we een vooruitblik doen (een trend dus) naar de toekomst 2003-2004. Veraeliikina met andere EDP-structuren Een analyse op basis van de EDP laat ook vergelijkingen toe tussen andere EDPstructuren in de havens van Zeebrugge, Gent, Antwerpen en op andere echelons (stad, stadsgewest, ...). Stuwende activiteiten We beperken ons tot de "grootste" ondernemingen omdat deze ook doorgaans "stuwende-regionale" bedrijven zijn. Vele KMO's zitten in een netwerk met deze grote bedrijven. Deze verstrengelinggaat door in de 21ste eeuw. Het betekent evenwel ook dat vele KMO's (sturend maar vooral ook verzorgend) ook sterker worden als deze grotere ondernemingen versterken. Bij de groeiende clustervorming van ondernemingen (sectorieel en intersectorieel) waarbij ook de terugplooiing op core-business een essentieel onderdeel vormt van de bedrijfsstrategie houdt ook in dat vele kleine ondernemingen die niet in de top 5000 voorkomen profiteren van deze bedrijfsstrategie (in termen van omzet, toegevoegde waarde, tewerkstelling). Globaal belang van Oostende in Trends 5000 In Oostende zijn er weinig stuwende bedrijven. Hiervan getuigt de lijst. Slechts 21 ondernemingen (op een totaal van 5000) vinden we in de rangschikking terug. Dit aantal is jaar na jaar verder blijven dalen.

1.4.

1.5.

1.6.

1.7.

Wat wordt als MIDA-Oostende beschouwd? Het gaat om het maritiem-industrieel (M.I.) gebied met voorhaven en achterhaven waarvan ook flankerende industriegebieden (langsheen A10 tot De Bolle-Rond Punt) mee worden gerekend, gezien het om een toekomstige d.L planologische entiteit gaat 'development area/D.A.

2.

Wat is de betekenis/belang van deze jaarlijkse detectie?

De analyse die ik hanteer gaat uit van de economische "beslissingskracht" van de ondernemingen (zgn. EDP "Economic Decision Power) die wetenschappelijk door ons onderzoeksinstituut is uitgewerkt begin de jaren "80 op grond van mijn wetenschappelijk studieverblijf aan de Johns Hopkins University te Baltimore. Later heeft de Nationale Bank hier trouwens op verder gebouwd eerst n.a.v. analyse van de havens van Antwerpen en Gent en nadien Zeebrugge en vanaf medio jaren '90 kwam ook Oostende aan bod. De uitkomsten van de Nationale Bank van België liggen in dezelfde lijn als mijn uitkomsten doch liggen inderdaad wat hoger omdat het sample ondernemingen groter en gediversifieerder is. De trends die uit de cijfers van de Nationale Bank kunnen worden afgeleid zijn quasi dezelfde als deze uit onze detecties. De Nationale Bank van België maakt evenwel geen onderscheid tussen havengebonden en niet-havengebonden ondernemingen. Dit doen wij wel omdat dit belangrijk is vanuit de investeringspolitiek van de overheid voor de havens. Beide analyses (NBB en onze onderzoeksgroep) vullen elkaar aan. Mijn analyse komt evenwel een stuk vroeger dan deze (van begin januari) van de Nationale Bank (minimum een half jaar later). De Economic Decision Power-analyse is sedert 1998 ingeburgerd in het statistisch apparaat (via 'Stativaria') m.b.t. de detecties van de Vlaamse economie.

~

HUil =Krijgslaan 281 S8, B-9000 Gent Belgium tel. +32(0)9 3644717. fax +32(0)9 2644986. e-mail: Georges.Allaert@rug.ac.be UNIVERSITEIT GENT

Dat men aan de EDP-detecties ook meer en meer de nodige politieke aandacht schenkt moet men zoeken in het feit dat ook de EDP-detecties iets zeggen over de "regionale" verankering (vooral inzake toegevoegde waarde van de bedrijven). Met het oog op het uitbouwen van een infrastructuur die de gemeenschap (wij allen dus) betaalt (denken we aan bedrijventerreinen, haventoegang,

kades, H') is dit niet onbelangrijk.Wat hebbenwe aan bedrijvendie om de haverklapverhuizenvan
de ene haven naar een andere. Als het daarbij ook nog een buitenlandse haven is dan vloeit de toegevoegde waarde weg vanuit onze havens (misschien eerst gedeeltelijk maar na een tijd meer en meer). Denken we hierbij aan wat momenteel met Hoverspeed Oostende aan het gebeuren is. Tenzij we te maken hebben met een Europese of mondiale onderneming die een netwerk van activiteiten uitbouwt over onze havens heen (iets wat wel meer en meer gebeurt en waar we vanuit de Oostende EDP in de toekomst ook meer aandacht zullen aan besteden). We evolueren immers meer en meer naar een netwerkeconomie en de bewegingen in de economische beslissingskracht worden dus op termijn wel belangrijker dan vandaag. Ik ben trouwens betrokken in heel wat studies rond clusteranalyse inzonderheid m.b.t. de relatie EDP-EDC/EPC (Economic Decision Power - Economic Distribution Center - Economic Production Center) en de betekenis om grote (mega)terreinen te ontwikkelen. Ik ben ervan overtuigd dat de Plassendale-sites hierop kunnen anticiperen (omdat hier nogal wat "grote" ontwikkelingen mogelijk zijn, ook in het perspectief van modern-industriële (nieuwe) economieën. Uit "verkennende" gesprekken gevoerd met captains of industry in Vlaanderen en Nederland blijkt dat men Plassendale al weet liggen. We maken dus vooruitgang. Sea Gate kan een lichtpunt zijn indien de coastertrafiek een opstoot krijgt en de Vlaamse havennetwerkstructuur wordt uitgebouwd. Kortom mijn jaarlijkse analyse moet enkel worden beschouwd als een detectie, een barometer van de economische decisiekracht van onze bedrijven. De detectie betekent niet dat bedrijven slecht of goed presteren, het betekent wel dat de beslissingen die de bedrijven nemen al dan niet in de regio Oostende worden genomen. Wie zijn exploitatiezetel en maatschappelijke zetel op één plek koppelt (in casu hier Oostende), gelooft in die regio (put er zijn werkkrachten uit en genereert toegevoegde waarde voor die regio). Dit betekent ook dat dergelijke bedrijven m.L ook meer recht zouden moeten hebben voor "incentives" door publieke/private instellingen in die regio (kwaliteit van ruimte en kwaliteit van infrastructuur) en eventuele verminderde fiscaliteit. Vanuit mijn wetenschappelijke discipline van ruimtelijke economie en ruimtelijke planning is bovenvermelde principieel standpunt ook mijn houding. Mij interesseert hoegenaamd niet hoeveel winst/verlies een bedrijf maakt in een bepaald jaar. Ik heb evenwel interesse vanuit mijn wetenschappelijke uitgangshouding of dit bedrijf een duurzame ontwikkeling in de regio neerzet (hier Oostende). In de eerste plaats kijk ik naar de investeringen in innovatieve activiteiten en de tewerkstelling die dit bedrijf verricht (over een periode van 3 tot 5 jaar). Bij de tewerkstelling kijk ik daarbij nog naar de rekrutering van deze tewerkstelling (binnen de regio) en de kennisinfrastructuur (in de regio). 3. Wat zijn de meest opvallende conclusies voor de MIDA Oostende bij het begin van 20021 3.1. Heel wat ondernemingen die gesitueerd waren in de MIDA Oostende in 2000 (32), in 2001 (24), begin 2002 (21) zijn verdwenen uit de Top 5000 omwille van faillissement, allianties en overnames of zwakke prestaties. In een periode van tweedrie jaar verloren we: de Sun-groep Sunair, Sun Reizen, Sun International Holidays,oo.Verder ook Euroftal, CNO, Tolsa Benelux, De Zeespiegel Rederij. Ook ORAC hebben we niet meer teruggevonden en Mc Cain Foods verhuisde naar Grobbendonk (maatschappelijke zetel). Anders gesteld, er valt een versmalling naar aantal ondernemingen te noteren van de economische beslissingskracht in de MIDA Oostende. In de top 5000 vinden we geen enkel Oostends (in de zin van zetellocatie) bedrijf nog in de top 100. Daikin zakte van plek 98 naar 101 en is nog steeds de absolute 'Oostendse' koploper, ook
~ U 1111
Krijgslaan 281 S8, 8-9000 Gent 8elgium tel. +32(0)9 36447 17 fax +32(0)9 26449 86 e-mail: Georges.Allaert@rug.ac.be

-

.

.

UNIVERSITE!T

.../... 4

al was 2001 voor Daikin Europe een minder goed jaar. Dit bedrijf wordt op de hielen gezeten door het echte Oostendse Jetair dat een sterke opgang kende over 2001 ondanks de tegenvallende berichten rond 'vliegtuig' reizen (remember de crash van de Twintorens van september 2001). Het zou mij niet verwonderen dat deze top 2 in de toekomst een nek aan nekrace zullen uitvechten voor de toppositie in Oostende. Ondanks de sterke omzetstijging van Jetair blijft Daikin Europe een Oostendse diamant inzake toegevoegde waarde en tewerkstelling. De groeiende belangstelling die Daikin ook koppelt met het havengebeuren is een bijkomende troef voor Oostende en zijn haven. Globaal ging evenwel de economische kracht (EDP) van Oostende niet achteruit in Oostende. Er is zelfs sprake van een lichte groei van de omzet, ongeveer gelijklopend met het Belgisch gemiddelde (2-3%). Trouwens de 21 ondernemingen waren aan het begin van 2002 goed voor 1.648 miljoen euro (66,5 mrd. 'oude' BF). Er is weinig reden tot euforie gezien bijna de helft het minder goed deed in 2001 in vergelijking met 2000. Uit de top 5000 blijkt verder dat de grootste Oostendse ondernemingen relatief kleine ondernemingen zijn (18 van de 21 vinden we vanaf plaats 1.226 - positie van Morubel). 3.2. Voor het eerst gaan we de vroegere indeling tussen havengebonden en niet-havengebonden bedrijven in de MIDA Oostende wat bijsturen. De groeiende netwerkeconomie enerzijds en de voortdurende wisselende bedrijfsstrategie (waarin nu eens deze haven dan een andere haven wordt gekozen voor de afhandeling van de goederen) zet ons aan voor een bijgestuurde indeling in: - havenverbonden (inclusief havengebonden) bedrijven - niet-havenverbonden (inclusief havengebonden) bedrijven. De case 'Daikin' geeft ons aangetoond dat deze nieuwe indeling nodig is. Daarnaast werden de rederijen buiten de indeling bekeken (als een aparte categorie). De teloorgang eerst van RMT, nadien van Hollyman-Sally en nu recentelijk van Hoverspeed betekenen een quasi 'verdringing' van de rederijen uit de BelgischNlaamse statistieken. Tabel 1: havenverbonden versus niet-havenverbonden onderneminqen in de MIDA Oostende (op 1 ianuari 2002) n 2001 Havenqebonden en verbonden bedriiven Omzet TW Tewerkstellinq 1.112 547,6 166,322 Daikin Europe 285 101,0 35,780 Decloedt Baggerw. 104 Morubel 51,3 10,264 36 36,6 6,835 Maenhout Transport 29 28,6 2,596 Cont. Cargo Carriers 25 17,2 1,310 Recon Constructiebedrijf 150 74,5 6,000 Mc Cain Foods (cijfers van 2000) 168 Verhelst Bouwmaterialen 56,5 9,590 Totaal 913,3 188,697 In deze tabel zit Hoverspeed niet Niet-havenqebonden en -verbonden bedriiven 2002 Omzet TW Tewerkstelling Jetair 280 517,2 23,797 Ostend Pharma 47 51,0 2,272 115 Proviron Fine Chemicals 41,9 14,210 94 36,6 9,782 Mutoh Europe Provironftal 85 26,8 6,523 59 25,1 6,376 De Bruycker Oswald 49 23,8 4,221 Daikin AC Belgium 113 Vesuvius Belqium 22,7 6,847
.

UIUI
tel. +32(0)9 36447 17 fax +32(0)9 26449 86

Krijgslaan 281 S8, B-9000 Gent Belgium e-mail: Georges.Allaert@rug.ac.be

.

.

UNIVERSITEIT GENT

-

miljoen euro en meer dan 113 miljoen euro toegevoegde waarde. In oude Belgische franken spreken we hier van een toegevoegde waarde van 4,5 mrd. Evenwel dient opgemerkt dat er een lichte terugval is van deze Oostendse 'diamant'. Inderdaad, toegevoegde waarde en tewerkstelling gaan lichtjes achteruit. Dit is wellicht ook een signaal naar de toekomst waarbij het wel eens zou kunnen dat de onderneming geen verdere tewerkstellingsgroei in de Oostendse regio in het vooruitzicht heeft. lap nummer 21 komt Jetair die eveneens in de top 100 van de grootste Belgische ondernemingen staat met een omzet van 570 miljoen. Deze sterke opkomer zit inzake omzet Daikin trouwens op de hielen. Jetair toont nog maar eens aan dat Oostende een decisiecenter is inzake toerisme. Opvallend is de groei inzake toegevoegde waarde (32 miljoen euro eind 2002 t.o.v. 23 miljoen euro eind 2001). Ook de tewerkstelling kent een opwaartse trend. Een opsteker voor de Oostendse economIe. lop nummer 31 vinden we Decloedt Baggerwerken die van nummer 2 naar nummer 3 verhuist omwille van de sterke dynamiek van Jetair. Toch blijft dit typisch Oostends Havenbedrijf het sociaal-economisch goed doen gezien de groei van tewerkstelling (van 280 naar 340 man) en ook de groei van de toegevoegde waarde (van 35 miljoen euro naar bijna 41 miljoen euro in de periode 2001-2002). Trouwens met 41 miljoen euro toegevoegde waarde staat Decloedt vóór Jetair. Decloedt is een stevige havenpoot aan het Oostendse firmament. lop nummer 41 kunnen we Morubel positioneren die ook zijn economische kracht verder heeft versterkt, zowel inzake omzet (forse groei naar 67,5 miljoen en omzet) en inzake toegevoegde waarde (ook forse groei van 10 naar 16 miljoen euro). Enkel de tewerkstelling loopt er lichtjes op achteruit. Het is ook een signaal dat het bedrijf verder zijn productiviteit en competitiviteit weet te verbeteren met teruglopende tewerkstelling. Morubel is een stevig visbedrijf en staat in België op een stevige tweede plaats. lop nummer 5 en nummer 61 vinden we de twee bedrijven van de chemische cluster in Plassendale: Proviron Fine Chemicals en Provironftal. Beide scoren goed inzake omzet en toegevoegde waarde. Vooral Provironftal is er fors op vooruit gegaan. Het gaat hier duidelijk om twee groeibedrijven waarbij er ook sprake is van groeiende tewerkstelling. Een opsteker voor Plassendale.

lop nummer 71 kunnen we Litto Color positioneren vooral dan omwille van de tewerkstellingsdynamiek van dit bedrijf. Eind 2002 was dit bedrijf de tweede grootste werkgever (na Daikin) met 410jobs. Op één jaar tijd ging de tewerkstelling immers toch fors de hoogte in (224 jobs eind 2001). Het is ook een goed voorbeeld van arbeidsintensieve onderneming, rekeninghoudend met het feit dat inzake omzet we dit bedrijf niet in de Top 10 aantreffen. lop nummer 81 moeten we zeker Mutoh Europe positioneren. Dit hoogtechnologisch bedrijf blijft in Oostende groeien zowel inzake omzet als inzake toegevoegde waarde en tewerkstelling. Oostende fungeert trouwens als Europees assemblage- en distributiecentrum voor alle Mutoh-producten (ontwikkeling, productie en distributie van allerhande plot/pen/computermachines). In het bedrijf zijn er momenteel 120 werknemers actief doch er is een verdere tewerkstellingsgroei. Het is het mooiste voorbeeld van moderne technologische maakindustrie die Oostende rijk is en die het verder moet koesteren mede gelet op de research-ontwikkelingen die we plannen in Plassendale (rond UGent en de Katholieke Hogeschool West-Vlaanderen). Jammer dat we deze onderneming niet in de editie van Top 5000/eind 2002 zien staan. lop nummer 91 komt het Keuringsbureau voor Motorvoertuigen waar vandaag meer dan 250 mensen een job hebben en goed is voor 15 miljoen euro toegevoegde waarde, ook al zijn omzet en toegevoegde waarde niet groeiend. Op nummer 10 komt Casino Kursaal Oostende in de Top 10 binnengefietst. Opvallend is de sterke groei van de omzet (van 5 miljoen tot boven de 12 miljoen euro) en de tewerkstelling (eind 2002 goed voor 112jobs)..

!Zijnuit de Top 10 getuimel~

-Maenhout Transport (ondanks zijn achtste positie inzake omzet) omdat
toegevoegde waarde en omzet er niet is op vooruitgegaan in 2002 in vergelijking met 2001. Ook het andere transportbedrijf Continental Cargo Concern deed het over 2002 niet zo denderend. - Vesuvius Belgium dat jaar najaar terugvalt en in 2002 zelfs niet meer in de Top 5000 van Trends stond.

- Sunparks De Haan verloor in 2002 in globo verder terrein. Dit overblijfsel van de
verloren parel rond Sunair blijft ter plaatse hangen inzake omzet en toegevoegde waarde.

~ijn verder in de Top 5000 opgedoke~

- Ferryways die sterk groeide over 2002 en er fors is op vooruitgegaan inzake
omzet en toegevoegde waarde. Eind 2002 goed voor 13,5 miljoen euro omzet en bijna 4 miljoen euro toegevoegde waarde. - Huber JM Belgium (chemisch bedrijf) komt zijn neus aan het Oostendse venster steken met een forse omzetgroei

- Orac (plastiek) is terug van weggeweest in de Top 5000. Het bedrijf is aan een
nieuwe dynamiek bezig wat zich ook laat gevoelen in de groei van de omzet.

2. De betekenis van de MIDA-Oostende (havengebonden en havenverbonden bedrijven)

In het kader van de EDP (Economie Decision Power) is het noodzakelijk om te kijken in welke mate de MIDA-Oostende (Maritime Industrial Development Area) met zijn voorhaven en achterhaven (Plassendale) erop is vooruitgegaan vanuit het oogpunt bedrijfseconomische dynamiek en -kracht. Welnu reeds in de vorige editie van mijn rapport (de bedrijfseconomische slagkracht van de Oostendse Maritiem-Industriële Ontwikkeling zoekt naar een nieuwe adem) dd. 9 januari 2003 heb ik een bijsturing gemaakt waarbij ik naast de havengebonden ook de havenverbonden bedrijven heb opgenomen. Hoe ziet dit beeld eruit eind 2002 t.O.v.eind 2001.

Tabel: havenverbonden ondernemingen in de MIDA-Oostende
omzet (milj. €) 2002 Daikin Europe DecIoedt Baggerwerken Morubel Maenhout Transport CCC 597,0 111,4 67,5 36,0 28,0 2001 547,6 101,0 51,3 36,6 28,6 TW (milj. €) 2002 113,7 40,9 16,1 6,6 2,2 2001 166,3 35,8 10,3 6,8 2,6 tewerkstelling 2002 1.014 320 99 38 25 2001 1.112 285 104 36 29

Verhelst bouwmat. Recon Constr. bedrijf Ferryways TOTAAL

53,8 16,9 13,4 894,0

56,5 17,2 6,3 845,1

8,3 0,8 3,8 192,4

9,6 1,3

166 14 15 1.691

168 25

We moeten vaststellen dat globaal de bedrijfseconomische opstoot van havenverbonden en havengebonden ondernemingen in de voorhaven en achterhaven niet vooruitgaat ondanks de forse groei van de trafiek in de Oostende haven. Zowel omzet, toegevoegde waarde en tewerkstelling blijven ter plaatse trappelen. Wel vinden we sedert lang (sedert verdwijnen van RMT) voor het eerst een stevige groei van een rederij (Ferryways). De twee verankerde transportbedrijven Maenhout en CCC versterken hun economische kracht niet. Op vlak van de visverwerking doet evenwel Morubel het goed. Een ook Decloedt blijft goed presteren. Of Daikin in de toekomst nog meer gebruik zal maken van de haven is af te wachten.

3. Vooruitblik 2004-2005
~~

Het verdwijnen van Hoverspeed in de Oostendse haven betekende in 2003 het einde van de Oostendse haven als passagiershaven. Oostende is vandaag een goederenhaven (RoRo en bulk en containers) geworden wat zich reeds vanaf 2000 aftekende. De komst en de dynamiek van Ferryways heeft dit proces nog versneld. De voorhaven kende in het afgelopen jaar trouwens ook een record aan schepen en hoewel veiligheid en vlotheid in de Oostendse haven nog steeds bovenaan staan, moet er worden gezegd dat bij een verdere groei van de Oostendse haven als goederenhaven er problemen kunnen en zullen rijzen inzake intrahavenmobiliteit, opslag en distributie. De haven zit over pakweg drie jaren wellicht aan zijn limieten: inzake kaaioperationalisering, opslag- en overslagterreinen en in/uitvaart. Nu reeds moeten we werk maken om naar 2007 te kijken en ervoor te zorgen dat de 'filet purs' in de voorhaven niet 'verbrand' geraken. We denken hier aan de noodzakelijke uitbouw van twee dammen (koppen) in zee met daarbij de operationalisering op de Oosteroever van nog meer havenrijpe gronden: van Halve Maan tot over Visserijdok naar H. Baelskaai en de site van de afgebroken huizen voor de Nieuwe Sluis.

In het kader van de aan de gang zijnde plannen (Strategisch Plan Haven, Ruimtelijk Structuurplan Oostende, Afbakening Stedelijk gebied Oostende) moet de Raad van Bestuur van AGHO (waar ik trouwens ook bestuurder van ben) resoluut de verdere maritiemindustriële uitbouw van de Voorhaven voor ogen houden en dit kan perfect in symbiose met een maritiem-toeristische uitbouw. Ruimte voor Wonen op de Oosteroever mag geen topprioriteit zijn, wel ruimte voor werken en ruimte voor toerisme. Ook dit is stedelijk en kan innovatief en creatief zijn en via nieuwe stedelijkheid plaatsvinden. Laat ons hierrond eerst creatieve geesten mobiliseren en laten we ons niet alleen inspireren door projectontwikkelaars. De Oosteroever is en blijft voor mij de filet pur van de Oostendse haven, terwijl Plassendale hoe langer hoe meer het statuut zal krijgen van nieuwe maakindustrie en nieuwe logistiek. De eerste signalen zijn reeds uitgezet (researchpark - Telindus - Daikin - Mutoh - Proviron-

site - ...
Binnen de huidige ruimtelijke context bieden de vier Plassendale-sites voldoende mogelijkheden. Er moet wel meer worden ingezoomd naar clustering en netwerking vanuit de hogervermelde nieuwe economische schaaleffecten rond moderne maakindustrie en nieuwe logistiek. Zoals de vice-premier en havenvoorzitter Johan Vande Lanotte in 2003 liet vallen "Wij hoeven geen zeesluis meer" (De Zeewacht 24 januari 2003), dan is deze uitspraak ook gevallen in het kader van de jobcreatie die Plassendale kan opleveren (streefgetal 3.000 jobs). Mijn pleidooi is om op Plassendale innovatief-industriële en toekomstgerichte activiteiten een kans te geven met voorkeur voor 'zee, water, transport en havenverbondenheid'. De Oostendse brains en vaardigheden liggen trouwens in dit domein. Laten we hierrond een 'leaming region'-project maken in partnership met de bedrijfswereld, met de researchwereld en met het Oostends havenmanagement. Ook andere regio's in Europa zijn hier trouwens volop aan de slag gegaan.

.-'

G. Allaert 17 december 2003

4. De EDP top 10 van de Oostendse bedrijven (met zetel Oostende) gemeten vanuit 3 economische criteria (omzet, toegevoegde waarde, investeringen) geeft volgend beeld. 4.1. Daikin Europe heeft als GO (MNO) een stevige positie in de top 100 grootste ondernemingen in België. Het bekleedt in de bekende Top 5000 de 73steplaats met en omzet van 728 miljoen euro (een forse stijging t.o.v. vorig boekjaar toen 597 miljoen euro). Ondanks de sterke stijging van omzet gaat de toegevoegde waarde er achteruit (van 113 miljoen euro eind 2002 naar 108,5 miljoen euro eind 2003). Wellicht is de lichte achteruitgang van de tewerkstelling de oorzaak van de dalende toegevoegde waarde. Rekenen we daarbij ook nog bij Daikin AC (toegevoegde waarde van 4,6 miljoen euro) dan blijft Daikin ook vandaag de "diamant" van de grote Oostendse ondernemingen. Het is ook de grootste Belgische onderneming in de sector airconditioning en koeltechnieken. 4.2. De meest opvallende vaststelling is wel dat Jet Air nu ook de grootste onderneming van de sector toerisme/reizen is geworden. De omzet van deze toeristische gigant is verder gestegen van 570 tot 585 miljoen euro. De sterke stijging van de toegevoegde waarde (verdubbeling in 2 jaar) is ook te zien aan de sterke. stijging van de tewerkstelling. Trouwens de sector toerisme zit qua ondernemingsdynamiek in een opwaartse spiraal. Inderdaad naast Jet Air vinden we ook. de kleinere toeristische spelers als Sunparks (De Haan) en Sunreizen in de top 5000. Sunreizen maakt daarbij een lichte opwaartse groei gezien het nu opnieuw in de Top 5000 terug te vinden is. Oostende is met deze 3 ondernemingen een toeristisch decisiecentrum aan de Belgische kust, in Vlaanderen en België. 4.3. Op nummer 3 (globaal) vinden we opnieuw de baggerwerken Decloedt dat een verdere opwaartse klim liet noteren (van 111 miljoen euro tot boven de 135 miljoen euro in de periode 2002-2003). De sector baggerwerken is een blijvende economische kracht (zowellokaaVregionaal als internationaal). Dat dit typisch Oostends bedrijf meegroeit (naast de grotere giganten Dredging en Jan De Nul) is hoopgevend voor de Oostendse regio. Jammer dat de toegevoegde waarde er lichtjes is op achteruitgegaan (van 41 miljoen euro naar 36,6 miljoen euro), ondanks de licht stijgende tewerkstelling (nu reeds boven de 350 jobs). 4.4. Op nummer 4 vinden we het chemie-duo (cluster) Proviran (Fine Chemicals en ftal). Deze top 2 chemische bedrijven hebben tezamen een toegevoegde waarde van een kleine 30 miljoen euro (12,7 miljoen euro Proviranftal en 15,7 miljoen euro voor Proviran Fine Chemicais) en betekenen tezamen iets meer dan 300 jobs. Dit duo blijft voor de economie van de Oostendse regio dan ook belangrijke partners. Daarnaast moeten we ook de groeibedrijven Huber en Orac in deze chemische pool meenemen (hoewel hier nog geen lokale clustering bezig is). 4.5. Op nummer 5 zien we Mutoh Europe zich positioneren. Deze dochteronderneming van het Japanse Mutoh Industries Ltd (Tokyo) is een specifiek technologisch bedrijf (ontwikkeling van computerrandapparatuur) voor de Europese markt. Het Oostendse bedrijf fungeert als Europees ontwikkelings-, assemblage- en distributiecentrum voor alle Mutohproducenten (levering over heel Europa vanuit Oostende). De dynamiek van

deze moderne maakindustrieis hoopgevendvoor nieuwe technologischinnovatieve industriële ontwikkelingen in de Oostendse regio. Vandaag is Mutoh in Oostende goed voor zowat 60 miljoen euro omzet en een toegevoegde waarde van 15 miljoen euro. De Oostendse regio moet zich m.i. trouwens meer en meer profileren als een nieuw uit te bouwen innovatieve regio waarbij kansen worden geboden voor innovatieve bedrijven (zie verder vooruitblik 2005-2006). 4.6. Op nummer 6 vinden we Morubel die nog steeds een sterk visserijverwerkend bedrijf is en blijft (ondanks de crisis in de sector). De terugval in omzet (nogal spectaculair terug op het niveau van 2001; nu 51 miljoen euro) toont de conjunctuuursgevoeligheid aan waar dit bedrijf mee te kampen heeft. Toch blijven tewerkstelling en toegevoegde waarde betekenisvol hangen op de niveaus van het begin van het 3demillennium (toegevoegde waarde 14 miljoen euro en een tewerkstelling van ca. 100personen). 4.7. Litto Color (met 229 jobs en een toegevoegde waarde van 10 miljoen euro) en het Keuringsbedrijf (met 248 jobs en een toegevoegde waarde van 15,9

miljoen euro) - beiden gesitueerdin de Oostendse achterhaven- zijn en
blijven belangrijke werkverschaffers voor de Oostendse regio. De maritiem-industriële dynamiek Algemeen wordt erkend dat de haveneconomie een belangrijke poot is van de economische slagkracht van Oostende. Vandaar ook het grote belang om de slagkracht van de Oostendse haven te bekijken vanuit de economische kracht van de daar aanwezige bedrijven die "verbonden" zijn met/aan de haven en die gesitueerd zijn in de zgn. MIDA's van Oostende (Maritime Industrial Development Area) d.i. voorhaven + achterhaven. We bekijken de laatste 3 boekjaren (2001, 2002, 2003) en geven deze maritiemindustriële dynamiek weer van de bedrijven op basis van 3 EDP (Economie Decision Power)-criteria: omzet, toegevoegde waarde en tewerkstelling. Tabel 2: havenverbonden ondernemingen in de MIDA-Oostende
Omzet (miljoen euro) 2003 Daikin Europe Decloedt Morubel Maenhout CCC Verhelst bouwmat. Recon Constr.bedr. Ferryways Totaal 21,8 1075,6 13,4 894.0 6,3 845,1 1,0 78,0 3,8 192,4 14 1663 15 1691 16,7 16,9 17,2 0,8 0,8 1,3 14 14 25 135,2 50,9 36,0 28,3 58,5 111,4 67,5 36,0 28,0 53.8 101,0 51,3 36,6 28,6 56,5 36,6 13,9 6,2 1,9 9,1 40,9 16,1 6,6 2,2 8,3 35,8 10,3 6,8 2,6 9,6 3,52 97 39 23 165 320 97 39 23 166 285 104 36 29 168 728,2 2002 597,0 2001 547,6 2003 108,5 TW (miljoen euro) 2002 113,7 2001 166,3 2003 9,59 Tewerkstelling 2002 1014 2001 1112

We moeten vaststellen, op basis van de resultaten zoals weergegeven in tabel 2, dat de havenverbonden ondernemingen verder ter plaatse blijven trappelen en zelfs licht achteruitgaan op bedrijfseconomisch vlak (vanuit de criteria toegevoegde waarde en tewerkstelling). Enkel vanuit het criterium omzet zien we globaal een opwaartse spiraal (doch vertekend door de top 2 Daikin en Decloedt). Deze vaststelling namelijk geen verdere bedrijfseconomische groei van de havenverbonden Oostendse bedrijven hebben we reeds in onze detectie van vorig jaar (zie mijn nota van 17 december 2003 voorgesteld op de persconferentie van begin 2004) naar voren geschoven. Enkel Ferryways (hoewel nog globaal inzake bruto lokaal product nog klein in de Oostendse regio) scoort sterker en sterker inzake "havenomzet". De globale achteruitgang inzake tewerkstelling en toegevoegde waarde van het havenverbonden bedrijven stat nogal haaks op de groei van de Oostendse haventrafiek (met sterke jaren 2003 en 2004) tot nu 7,5 miljoen ton haventrafiek, zie globo in bijlage de tabel). Wat we reeds eerder hebben vastgesteld (namelijk dat de havengebonden transportbedrijven Maenhout en CCC niet vooruitgaan) wordt nu opnieuw bevestigd.

r

lIl.

Vooruitblik 2005-2006 en nadien We herhalen wat we reeds eerder hebben vastgesteld namelijk dat met het verdwijnen van Hoverspeed in de Oostendse haven in 2003, de Oostendse haven als passagiershaven ook verdween. Oostende is vandaag een goederenhaven (RoRo en bulk en containers) geworden wat zich reeds vanaf 2000 aftekende. De komst en de dynamiek van Ferryways heeft dit proces nog versneld. De voorhaven kende in het afgelopen jaar trouwens ook een record aan schepen en hoewel veiligheid en vlotheid in de Oostendse haven nog steeds bovenaan staan, moet er worden gezegd dat bij een verdere groei van de Oostendse haven als goederenhaven er problemen kunnen en zullen rijzen inzake intrahavenmobiliteit, opslag en distributie. De haven zit over pakweg drie tot 5 jaar wellicht aan zijn limieten: inzake kaaioperationalisering, opslag- en overslagterreinen en in/uitvaart. Uit eigen ramingen blijkt dat binnen de huidige beperkingen de maximale ton trafiek zich ergens situeert op 12 miljoen ton. De oorzaak is tweeledig: de toegankelijkheid zeewaarts en het tekort aan terreinen in de voorhaven. Het Havenbestuur is zich daarvan bewust. Nu reeds moeten we werk maken om naar 2010 te kijken en ervoor te zorgen dat de "filet pure" die onze voorhaven is niet "verbrand" geraakt. We denken hier aan de noodzakelijke uitbouw van twee dammen (koppen) in zee met daarbij de operationalisering op de Oosteroever van nog meer havenrijpe gronden: van Halve Maan tot voer Visserijdok naar H. Baelskaai en de site van de afgebroken huizen voor de Nieuwe Sluis. We moeten de maritiem-industriële terreinen in de voorhaven kost wat kost uitbreiden anders zal de globale haventrafiek plafonneren. Dit zal zich zeker laten gevoelen rond 2010. In dit perspectief heb ik op een denkdag rond de haven (najaar 2004) in een interne nota gepleit om werk te maken van een verdere aansnijding van haventerreinen in de voorhaven. Dat we daarbij ook innovatief

4

Ter info: EDP is een economisch criterium dat de economische kracht (beslissingkracht) meet vanuit de criteria omzet, toegevoegde waarde en

investeringen.

1.2. Opnieuw constateren we dat het telkenmale dezelfde namen zijn die de Oostendse top uitmaken: Daikin, Jet Air, Decloedt, Litto Color, Proviron,Mutoh. In dit plaatje vinden we ook het Keuringsbedrijf motorvoertuigen. Kijken we naar de jobs die deze topondernemingen genereren dan zien we dat er bij deze groep doorgaans een tendens is van verdere toename van de tewerkstelling. Dit is opvallend en tegen de "Belgische"stroom in waar we zien dat grote ondernemingen ofwel weggaan uit België ofwel serieus gaan afslanken. Niks is minder waar in Oostende. Onderstaande tabel is hierbij erg overtuigend.

Tabel 1: top 10 Oostendse ondernemingen, eind 2004
Ranking I 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Onderneming Daikin Europe Jet Air Decloedt Baggerwerken Proviron Fine Chem. Keuringsbedrijf
Litto Col or

Aantal jobs eind 2004 I.090 444 325 299 248 215 174 107 96 65

Trend in aantal jobs gestegen gestegen gedaald gestegen gelijk gedaald gestegen gelijk gelijk gelijk

Mutoh Vesuvius Morubel De Bruycker O.

1.3. Hoopgevend is dat deze grotere ondernemingen zorgen voor een stijgende tewerkstelling. Sedert 2000 zijn er in de top 10 zelfs meer dan 800 jobs bijgekomen. Onderstaande tabel 2 geeft een goed beeld van de "job-power" bij de top 10 van de Oostendse bedrijven.
Jaar 2000 2001 2002 2003 2004 Aantal jobs 2.212 2.550 2.767 2.858 3.063

Opvallend is dat de top-bedrijven

in Oostende ook met kleinere bedrijven

in de

Oostendse regio clusteren. Regionale clustering is trouwens van grote waarde bij regionale verankering. en daarbij Denken we hierbij aan Daikin dat paletten bestelt bij Europal Maenhout inschakelt bij het vervoer van zijn

het transportbedrijf

producten. Dit is ook het geval bij Mutoh dat zijn verpakking ook bestelt bij Europal en ook Maenhout inschakelt voor het vervoer van plotters e.a. producten. Dat hierbij ook research centra worden betrokken (KHBO en Universiteit Gent is ook een positief cluster-signaal.

1.4. Een overzicht van de EDP per onderneming

Top 1: Daikin Europe heeft als MNO (multi-nationale onderneming) zijn positie in Oostende en in België nog versterkt. Eind 2004 was dit bedrijf goed voor een omzet van bijna 1 mrd euro (wat een forste groei van de omzet betekent (in 2002: 597 miljoen euro; in 2003: 728 miljoen euro; in 2004: 964 miljoen euro). Daarmee steeg deze G.O. ook in de Belgische Ranking (komt nu op plaats 56 in België). De toegevoegde waarde schoot opnieuw naar omhoog na een aantal jaren van status quo tot achteruitgang. Eind 2004 is Daikin op zijn eentje goed voor een toegevoegde
waarde van 170 miljoen euro (6,8 mrd. oude Belgische franken), bijna evenveel dan

de toegevoegde waarde van de haven en vele malen hoger dan deze van de luchthaven (waar de toegevoegde waarde er jaar na jaar op achteruitgaat).

Nemen we nog Daikin AC erbij dan komen we boven de 175 miljoen euro toegevoegde waarde. Daikin is de grootste fabriek inzake airconditioning en biedt een gans gamma voor woning en commerciële en industriële kantoren. Oostende mag terecht fier zijn dat ze deze buitenlandse multinational binnen zijn muren heeft.

Top 2: Jet Air, in 2003 nog de grootste touroperator, zakte naar plaats 2 (na Thomas Cook). Na een forse stijging begin de jaren '90, zien we dat de omzet en toegevoegde waarde ook verder (eerder gematigder) is gestegen in 2004. Eind 2004 is Jet Air goed voor meer dan 600 miljoen euro omzet en een toegevoegde waarde van iets meer dan 42 miljoen euro. Een vergelijking met Daikin toont aan dat
toeristische bedrijven veel minder toegevoegde waarde genereren dan industriële

Hoe dan ook uit een vergelijking

met de maritieme

trafiekcijfers

van de Oostendse

haven die nota bene er ieder jaar erop vooruit is gegaan vanaf 2000 tot en met 2005,

blijkt deze vooruitgang onvoldoende vertaald te worden in bedrijfsomzet, jobs en toegevoegde waarde. Dit is een vaststelling die we reeds jaren maken en waaruit we een aantal lessen moeten trekken wanneer er grote overheidsinvesteringen mee gemoeid zijn en waarbij het bedrijfseconomisch rendement lange tijd uitblijft. Dit fenomeen (uitblijven van bedrijfsinvesteringen) constateerden we ook bij de uitbouw van de haven van Zeebrugge (waarbij na meer dan 20 jaar er eindelijk betekenisvolle toegevoegde waarde in die haven wordt gegenereerd). De renovatiewerken in de Oostendse haven (vooral sterk in de periode 2000-2004) is ondertussen opgelopen tot meer dan 125 miljoen euro waarvan het grootste deel terecht in de voorhaven is ingezet. Evenwel wachten we nog steeds op de "final touch" namelijk de uitbouw van de 2
koppen (havendammen) in zee die voor de Oostendse haven van levensbelang zijn: inzake jobscreaties,

inzake veiligheid, inzake mobiliteit, inzake toegevoegde waarde,

inzake imago als snelle Ro-Ro-haven, inzake toeristische branding en nog veel meer. Ook al zal die investering in de buurt van de 40 miljoen euro liggen, toch menen we dat dit een nieuwe impuls zou betekenen voor de Oostendse haveneconomie die we vanaf 2010/2012 verwachten, tenminste indien de Oostendse Oosteroever zijn maritiem-industriële functie verder kan ontplooien. We hebben immers na de uitbouw van de 2 havendammen nood aan terreinen in de voorhaven wil Oostende ook na 2010 zijn imago van snelle en efficiënte Ro-Ro-haven behouden die ze tot vandaag ook uitspeelt naar havenregio's rond de Noordzee. Gezien de voorhaven binnen een aantal jaren (rond 2010 wellicht) rond de 12 miljoen ton kan zitten zal de voorhaven te kampen krijgen met een mogelijk tekort aan haventerreinen. Vanuit het principe van de "ijzeren voorraad" (waarbij men dient uit te kijken naar aansnijding van nieuwe gronden) ondersteunt trouwens het recent uitgewerkt Strategisch Plan Haven Oostende (najaar 2005) mijn visie dat in de kortste keren (na de realisatie van de 2 havendammen) de Oosteroever onder zware druk zal komen vanuit maritiem-industrieel oogpunt.

6

Het strategisch

plan wijst er ook op dat er onvoldoende oppervlakte

voorhanden

is

die direct maritiem ontsloten is (p. 27 van het eindrapport)

en dat aan het huidig

ritme er een vraag is van 10 ha (basisscenario) tot 16 ha (expansiescenario) tegen 2010 en dat deze ruimteproductiviteit verder oploopt tot additionele vraag op Oosteroever van 18 ha (basisscenario) tot 30 ha (expansiescenario) tegen 2020. Nota bene, 30 ha, is wat nu is uitgegeven in de voorhavens. Bij de geplande stedelijke uitbreiding op de Oosteroever is er nog nauwelijks 8 ha beschikbaar. Het zou bijgevolg bijzonder onverstandig zijn om alles te willen doen met de Oosteroever (natuurinvulling, cultureel erfgoed, recreatie en woningbouw naast visserij-visverwerking- RolRo). Het gebied is te klein (minder dan 50 ha) om al die functies te verenigen, laat staan om dit als een nieuwe stedelijkheid met grote duurzaamheid te laten ontwikkelen. De aanzet om het Oud Militair Hospitaal uit te bouwen naar een gecombineerde woonzone-werkzone (kantoren) als nieuwe poort voor Oostende zou men verder via de Moreauxlaan gestalte moeten geven, eerder dan een uitbouwrichting naar de Hendrik Baelskaai. Pas dan kan de site Baelskaai zijn oorspronkelijk en toekomstige potentie (visserij-natuur-marina) "volwaardig" ontwikkelen.

Het doet geen afbreuk aan de inspanningen vanuit AG haven om het "maximum" voor de haven uit dit strategisch plan te halen. Het zegt wel veel over de doorgevoerde evenwichtsoefening tussen de verschillende partners van dit plan waarbij de Baelskaai het statuut van gemengde zone (wonen - andere functies) meegekregen heeft (wat tegemoet komt aan de verzuchtingen van de Administratie Ruimtelijke Planning) die in het RSV 1 (1997) de Oosteroever heeft voorbestemd tot "stedelijk ontwikkelingsgebied" en aan het Stadsbestuur van Oostende Als havenbestuurder van AG Oostende zullen we deze evolutie met de grootste waakzaamheid blijven volgen, temeer dat nu reeds projectontwikkelaars luide

dromen koesteren om appartementtorens in deze machtige site neer te poten. Voor mij is deze site waardevol vanuit natuur, cultureel erfgoed en visserij standpunt. Zolang deze top 3 zich verder kan ontwikkelen dan zal ik niet aan de alarmbel trekken. Vandaar mijn waakzaamheid waarvan we het ware gezicht van de bestemming zullen zien in het gewestelijk RUP (ruimtelijk uitvoeringsplan) dat wellicht in 2006 zal worden opgesteld. Het strategisch plan zet de lijnen wel uit richting consensus
tussen de sociale, economische en ecologische partners (aldus een persmededeling 7

van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dd. 4 november 2005) doch stelt onomwonden dat in de eerste plaats de economische ontwikkeling van de haven en de werkgelegenheid voorop staan. Opvallend is dat het strategisch plan geen nieuwe zeesluis voorziet naar de achterhaven en Plassendale. Men komt dus toch tot het besluit (dat we reeds vele jaren terug vanaf eind jaren '80 duidelijk stelden onder meer op het eerste en enig congres in Oostende over de Toekomst van de Oostendse Havens) dat de toekomst van de Oostendse Havens in de voorhaven ligt en dat maritieme-industriële ontwikkelingen in de achterhàven, ook zonder een nieuwe sluis kunnen worden ingezet. De Voorhaven is bij uitstek geschikt voor SSS, Ro-Ro en containervervoer (tussen 400 en 800 TEU) doch een uitdieping tot 8,7 m (in combinatie met 2 nieuwe strekdammen in zee) zijn hoe dan ook noodzakelijk (ook naar allerhande passagiers-toeristische dynamieken toe: van cruises tot short sea passagiersvervoer. Het jaarlijks rapport van AG haven wijst trouwens op deze vernieuwde kijk op de voorhaven waarbij de grootste maatschappelijke toegevoegde waarde inzake maritieme activiteiten kan worden gehaald via herontwikkeling en hogere ruimteefficiëntie. Als we daarbij wegens plaatsgebrek na 2010 op "niveaus-platforms" gaan moeten werken, zal men maatschappelijk ook beter de poortfunctie van de Oostendse Voorhaven begrijpen. Iets waar we nu nog maar weinig zicht op hebben omdat grote delen in de Voorhaven er nog steeds verloederd en verlaten bijliggen.

Plassendale daarentegen is ontstaan en gegroeid vanuit een andere ruimtelijke fylosofie van een MIDA, met uitzondering van de chemie-site waarbij eerst braakliggende terreinen "bouwrijp" dienden gemaakt te worden, hetzij voor watergebonden maritiem-industriële activiteiten (Plassendale 1), researchgebonden activiteiten (Greenbridge), als voor andere (havenverbonden en/ofwegverbonden) activiteiten (Plassendale 2 en 3).

De toekomst zal aantonen dat de Plasssendale-sites (voorzien om 3000 nieuwe jobs te genereren) een "eigen" weg zullen gaan waarop zowel havenverbonden als niethavenverbonden activiteiten zullen te vinden zijn. Meer en meer zien we dat de Plassendale sites ook heel wat mogelijkheden kunnen
bieden voor activiteiten in de sfeer van "hernieuwbare" energie en -brandstoffen

Bijlage: de dubbele spiraal van de Oostendse haven in cijfers (toeristische spiraal: negatief; vrachtspiraal: positief)
2004 Ferrywaysl TSL 2005 Ferrywaysl TSL

1996 eind RMT

1997 HollymanSally

1998 HoI./Sally-TSL

1999 HoverspeedrrSL

2001 Ferrywaysl Hoverspeed/TSL

2002 Ferrywaysl HoverspeedrrSL

2003 Ferrywaysl TSL

Tonnenmaat

(in miljoen ton)

- RoRo

3,2 1,2 4,4 1.555.350 210.450 154.176 -

2,7 1,2 3,9 1.333.000 234.000 108.000

2,4 1,4 3,8 1.175.000 204.000 104.000

1,3 1,4 2,7 980.000 179.285 60.400

3,4 1,4 4,8 708.300 118.208 156.973

4,5 1,6 6,1 390.000 51000 228.300 9.156

5,6 1,6 7,2 146.000

5,9 1,6 7,5

6,2 1,5 7,7

-Andere vracht (zand, grint,...)
Totaal Aard vervoer (eenheden) - passagiers (auto/vrachtw.lcruises) - auto's - vracht (units) - containers (20 TEU) - cruiseschepen Scheepvaartbewegingen

163.500 3.350 300.999 15.418

214,520 11.580 300.155 9.036

285.000 13.263

-

-

-

-

-

-

6

10

8

15

25 4.900

Bron: bewerking AG Haven Oostende

Epiloog
Uit twintig jaar detectie onthouden we volgende lessen (ook naar de toekomst): 1. Een haven moet zijn activiteiten diversificiëren anders loopt men enorme risico’s. De les van de RMT is daar het sterkste voorbeeld van. 2. Bij de teloorgang moet men ernaar streven dat men verder op de bestaande knowhow kan doorgaan. Dit blijkt uit de verdwijning van CNO in de achterhaven waarbij de chemische cluster evenwel verder wordt uitgebouwd rond Proviron e.a. chemische bedrijven. 3. Men moet voortdurend waakzaam de short sea shipping volgen. Oostende is een typische SSS-haven (RoRo/Containers/Bulk) waarbij de voorhaven primordiaal vooropstaat. Snel binnen en buiten en snel naar het hinderland is daarbij de boodschap. Het is enkel vanaf 2000 (met de nieuwe bestuursploeg van de NV AGHO) dat hiervoor resoluut is gekozen als missie (snelle poort). 4. Maritieme knowhow (visserij, maritieme industrie en logistiek) vormt hoe langer hoe meer de basis voor groei en kwaliteit. De omgevingskwaliteiten dienen hierbij verder te worden geoptimaliseerd. 5. Het is nodig om de haven ook in te bedden in een groter ruimtelijkeconomisch en sociaal-economisch draagvlak. Vroeg of laat zal Zeebroos (de strategische alliantie tussen de zeehavens Oostende en Zeebrugge) een feit zijn. De huidige pogingen (vanuit de bedrijfswereld vooral) zijn blijven steken in het politiek universum. De ‘politieke’ neuzen staan nog niet naar elkaar gericht. Misschien brengt de mogelijke samengang tussen de zee- en de luchthaven van Oostende-Brugge een groter soelaas. 6. Het Oostends havenweefsel is dominant een KMO-weefsel (met uitzondering van Daikin). De bedrijven zijn als ondernemingen ‘gelijkgezinden’. De onderlinge relaties zijn goed (mede ook door de goede relaties intern en extern (AGHO/Kamer van Koophandel en Nijverheid/Oostendse Havengemeenschap). Dit is een ‘sterkte’ ook als het minder gaat. Daarenboven is het Havenbestuur vanaf 2000 zich erg flexibel gaan opstellen. De flexibiliteit, de

31

ondernemingsdynamiek en de sociale rust naast het feit dat de haven ook niet duur is, zijn allemaal ‘sterkten’ die ook naar de toekomst toe belangrijk zijn. Het was niet zo in het tijdperk van de RMT die toen de haven sterk monopoliseerde en waarbij ‘externen’ (privé-ondernemingen) weinig voet aan wal kregen. 7. De twee havendammen zijn onontbeerlijk om een nieuwe havendynamiek te genereren. Anders blijft de haven steken op 10 tot 12 miljoen ton maritieme trafiek. Gelet op de spectaculaire groeimogelijkheden van SSS in het groeiend ‘dichtgeslibt’ Europa kan Oostende op de Europese kaart met de twee strekdammen een vooraanstaande rol spelen in het SSS-gebeuren in het volgend decennium (2010-2020). 8. De investeringsinspanningen om permanent te renoveren en te innoveren, blijken maar vruchten af te werpen na een lange volgehouden inspanning (vijf tot tien jaar en meer). 9. Hopelijk zullen de overheidsinvesteringen in de havens zich ook sterker vertalen in privé-investeringen en jobs. Er is verbetering in zicht (Plassendale) maar we zijn er nog niet. Daarom ook dat er in Oostende binnenkort een nieuw ‘industrieplan’ in de steigers wordt gezet.

Prof. Dr. G. ALLAERT, Hoogleraar Civiele Techniek, Ruimtelijke Economie en Ruimtelijke Planning Universiteit Gent

Gent/Oostende, februari 2007.

32

HET ECONOMISCH BELANG VAN DE HAVEN VAN OOSTENDE

1980 1) Tonnenmaat (milj. T) - RoRo - Andere vracht (gen. Cargo/bulk) TOTAAL TON 2) Aard vervoer (eenheden) - passagiers (auto/vrachtw/cruises) - auto’s - vracht (units) - containers (20 TEU) 3) Economische kracht - toegevoegde waarde (direct) - tewerkstelling
(*) 2005

1984

1989

1992

1996

1999

2003

2006

2,7 1,5

4,0 1,0

3,7 1,1

3,4 1,2

3,2 1,2

1,3 1,4

5,6 1,6

6,3 1,6

4,2

5,0

4,8

4,6

4,4

2,7

7,2

7,9

2,7 milj.

2,5 milj.

1,866 milj.

2,222 milj.

1,555 milj.

0,980 milj.

0,146 milj.

0,230 milj.

257.000 113.000

221.000 200.000

241.000 187.000

299.000 175.000

210.450 154.176

179.285 60.400

0 285.000 13.263

28.290 301.000 4.996

9 mrd. BF

11 mrd. BF 11 mrd. BF 10 mrd. BF

9 mrd. BF

9 mrd. BF

300 milj. €

420 milj. € (*)

6.200

6.100

6.005

5.880

4.663

3.273

4.000

4.576 (*)

GA/cdc (K:/gemeen/bestandenCathy/Allaert/oostende)