You are on page 1of 175

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN

Empowerment in de praktijk van het OCMW

Tine Van Regenmortel

Onderzoek in opdracht van de Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie en Grootstedenbeleid, Mevrouw Marie Arena

Hoger instituut voor de arbeid

CIP Koninklijke Bibliotheek Albert I Van Regenmortel, Tine Empowerment in de praktijk van het OCMW / Tine Van Regenmortel. - Leuven: Katholieke Universiteit Leuven. Hoger instituut voor de arbeid, 2004, 176 p. ISBN 90-5550-361-4. D/2004/4718/27.

Omslagontwerp: Rudy De Wit

Copyright (2004) Hoger instituut voor de arbeid (K.U.Leuven) E. Van Evenstraat 2e, 3000 Leuven Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form, by mimeograph, film or any other means, without permission in writing from the publisher.

Inhoud

Inleiding Empowermenttheorie en krachtgerichte methodieken 1. Empowerment als verbindend ethisch kader voor armoedebestrijding Empowerment als paradigma Empowerment op diverse niveaus Empowerment als versterkingsproces Empowerment en kwartiermaken Empowerment en psychologisch kapitaal Empowerment en beleid 2. Krachtgerichte methodieken: maatzorg, vraaggestuurd cliëntoverleg en ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting 2.1 Maatzorg 2.1.1 Positieve hulpverlening 2.1.2 Integrale hulpverlening 2.1.3 Participatie 2.1.4 Gestructureerde hulpverlening 2.1.5 Gecoördineerde hulpverlening 2.2 Vraaggestuurd cliëntoverleg 2.3 Ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting Empowerment van onderuit 1. Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen en T’Hope: empowerment via de dialoogmethode

1 3

3 3 4 5 6 7 8

10 12 12 13 14 15 16 18 21 25

26

iii

INHOUD

1.1 Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen 1.1.1 BMLIK - Groep Oostende 1.1.2 BMLIK - Groep Gent 1.2 T’Hope 2. Vzw Dynamo: empowerment via krachtenbundeling en structurele participatie 3. Vzw Recht-Op: empowerment via constructieve samenwerking, cultuurparticipatie en ‘kwartiermaken’ 3.1 Voorstelling vzw Recht-Op 3.2 Dialoog tussen vzw Recht-Op en het OCMW van Antwerpen 3.3 Cultuurparticipatie en ‘kwartiermaken’ binnen het project ‘Een paar apart’ 4. ModeM: empowerment via de schakelfunctie 5. Besluit: de kracht van armen Empowerment in het OCMW Heusden-Zolder 1. Empowerment via groepswerking 1.1 Groepswerking rond opvoedingsondersteuning: het ‘oudergroepje’ 1.2 Groepswerking rond koken: ‘gezond, gezellig en goedkoop koken’ 1.3 Basiseducatie en Cursus ‘Sterk in werk’ 1.3.1 Basiseducatie en empowerment 1.3.2 De cursus ‘Sterk in werk’ 1.4 Ingrediënten voor een krachtgericht groepswerk 2. Empowerment via gezinshulp 3. Empowerment via budgethulpverlening 3.1 Budgethulp is ook hulpverlening 3.1.1 Positieve hulpverlening 3.1.2 Integrale hulpverlening 3.1.3 Participatie 3.1.4 Gestructureerde hulpverlening 3.1.5 Gecoördineerde hulpverlening 3.2 Verantwoordelijkheid van de organisatie en signaalfunctie

27 27 29 32 35 38 38 40 43 47 50 51 52 53 55 56 56 58 65 67 70 70 72 73 75 76 77 77

iv

INHOUD

3.3 Afbouw van budgethulpverlening in het OCMW Heusden-Zolder 4. Empowerment via maatzorg en het cliëntoverleg: de case van Martine 4.1 Het leven van Martine 4.2 Wat zegt dit verhaal Een goede moeder willen zijn Geen schulden meer Nood aan structuur en ondersteuning 4.3 Aandachtspunten in de hulpverlening Verhogen van de draagkracht via positieve stimulansen Het werken aan een vertrouwensrelatie 4.4 Bij wijze van voorbeeld Afbouw van afhankelijkheid en leermogelijkheden Uitbouw van sociale netwerken 4.5 Link met maatzorgprincipes 5. Empowerment via provinciale stimulansen Empowerment in het OCMW Ichtegem 1. Een ‘enabling niche’ 1.1 Outreachment, betrokkenheid en kansen op maat 1.2 Self-empowerment van hulpverleners 1.3 Kwartiermaken 2. Groepswerking 3. De ‘prijs’ van empowerment 4. Case van Rik 4.1 Het leven van Rik 4.2 Wat zegt dit verhaal 4.3 Aandachtspunten in de hulpverlening 4.4 Bij wijze van voorbeeld Een aanklampende en outreaching hulpverlening Gelijkwaardigheid en nabije zorg 4.5 Link met maatzorgprincipes 4.6 Een gedicht van Rik 5. Mobiliteit en empowerment

79 83 83 85 85 86 86 87 87 87 87 87 88 89 90 95 96 97 99 103 108 111 113 113 116 116 118 118 119 120 123 124

v

INHOUD

Empowerment in het OCMW Leuven 1. Het Lokaal Permanent Armoede Overleg (PAO) 1.1 De individuele PAO’s 1.2 De structurele PAO’s 1.2.1 Structurele PAO rond cultuur 1.2.2 Structurele PAO rond gezondheid 1.2.3 Structurele PAO rond vereenzaming 2. De ‘Actie Onthaal’ 2.1 De OCMW-werkgroep ‘Onthaal’ 2.2 De cliëntenraad 2.3 Voorstelling project empowerment aan de OCMW-raad Blauwdruk voor een empowering beleid 1. Het krachtenperspectief binnen een sociaal beleid 2. Richtlijnen voor het OCMW-beleid 2.1 Inbouwen van een empowering visie in het beleid 2.2 Stimuleren van het empowermentparadigma via directe of indirecte sturingsmechanismen van het beleid 2.3 Stimuleren van netwerkvorming voor een naadloze hulpverlening en de uitbouw van de signaalfunctie 2.4 Maximaliseren van kennisdeling 2.5 Empowerment als legitimeringsbasis 2.6 Herwaardering van het algemeen maatschappelijk werk 2.7 Creëren van de nodige randvoorwaarden voor krachtgericht maatschappelijk werk 3. Andere beleidssuggesties Uitleiding

131 131 132 134 135 137 140 141 142 145 147 149 149 150 151 152 154 154 155 156 156 158 163

Bibliografie

167

vi

Inleiding

In het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 1999 (Van Regenmortel & Fret, 1999) wordt het empowermentconcept voor het eerst geïntroduceerd en later in 2002 meer uitgebreid toegelicht (Van Regenmortel, 2002a). Het concept is reeds langer gekend onder meer in de sfeer van opvoedingsondersteuning, gezondheidsbevordering en rehabilitatie, maar een expliciete toepassing op de armoedebestrijding bleef verrassend afwezig, ondanks de wortels van empowerment in de ‘War on Poverty’ van de jaren ’60 in de Verenigde Staten. Sinds het Algemeen Verslag over de Armoede is er binnen de armoedebestrijding een expliciete aandacht voor de participatie van personen die in armoede leven, voor de krachten van maatschappelijk kwetsbare personen en voor het structureel werken. Deze tendensen vertalen zich in een specifieke methodische aanpak: bv. de dialoogmethode, de maatzorgmethodiek, het vraaggestuurd cliëntoverleg en ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting. Empowerment biedt een meer fundamentele theoretische onderbouw voor deze ontwikkelingen en voor deze bijhorende methodieken. Zowel de verenigingen waar armen het woord nemen, de (welzijns)organisaties als het beleid reageren enthousiast op dit empowermentperspectief. Maar anderzijds rijzen er ook twijfels: heeft empowerment geen te hoog droomgehalte, is het niet louter theorie, is dit wel haalbaar? De nood aan praktijkvertaling van empowerment dringt zich op. De federale Minister van Maatschappelijke Integratie, Mevrouw Marie Arena en voordien de heer Johan Vandelanotte, gaven dan ook aan het HIVA de onderzoeksopdracht om te kijken wat empowerment concreet betekent of kan betekenen voor de praktijk, in casu voor de hulpverlening binnen een OCMW-context. Deze studie licht in een eerste hoofdstuk bondig het empowermentparadigma toe en beschrijft enkele methodieken die kaderen binnen empowerment én van toepassing zijn in de OCMW-praktijk. Het tweede

1

INLEIDING

hoofdstuk beschrijft de impulsen die van onderuit - onder meer door de verenigingen waar armen het woord nemen - worden gegeven om de samenleving, maar concreet ook het OCMW, te sensibiliseren voor empowerment. De drie volgende hoofdstukken belichten elk één OCMW: het OCMW Heusden-Zolder, het OCMW Ichtegem en het OCMW Leuven. De praktijk van deze OCMW’s werd gedurende een aantal maanden via actieonderzoek opgevolgd en bekeken vanuit het empowermentperspectief. Het zesde en laatste hoofdstuk tenslotte schetst een blauwdruk voor een empowering beleid. De lezer zal het spoedig merken. Deze publicatie is geen klassiek wetenschappelijk rapport. Het rapport is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met praktijkmensen - werkzaam in het OCMW of in verenigingen waar armen het woord nemen of in andere betrokken organisaties en met personen die in armoede leven. De samenwerking gebeurde op verschillende manieren: het verstrekken van informatie, het toestaan van interviews, meewerken aan werkgroepen, deelname aan intervisie of supervisie, het toelaten van de onderzoeker tijdens individuele hulpverleningsgesprekken of tijdens een cliëntenraad enz. Vanuit verschillende hoeken was de bereidheid erg groot om aan dit actieonderzoek mee te werken. Deze samenwerking is voelbaar én zichtbaar in dit rapport. Want verschillende mensen hebben niet alleen meegewerkt, meegedacht, maar ook meegeschreven. We hebben deze teksten bewust ‘puur’ gelaten. De taal van de praktijkmensen en van mensen die in armoede leven is immers zo krachtig en beeldend, komt recht uit de buik, dat het geen theoretische duiding nodig heeft. We wensen allen hiervoor uitdrukkelijk te danken. Ze hebben gemaakt dat het voorliggende rapport ‘rijk’ is net door de kruising van de verschillende soorten van kennis, ervaring en deskundigheid. Misschien op zich al een voorbeeld van een empowering praktijk.

2

Empowermenttheorie en krachtgerichte methodieken

We bespreken in dit hoofdstuk in een eerste instantie bondig de theorie van empowerment1 en staan vervolgens stil bij de betekenis van empowerment voor de hulpverlening. We doen dit laatste aan de hand van de beschrijving van drie methodieken die theoretisch gegrond zijn op het empowermentparadigma en ook een toepassing kennen binnen de OCMW-hulpverlening: de maatzorgmethodiek, het vraaggestuurd cliëntoverleg en ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting.

1. Empowerment als verbindend ethisch kader voor armoedebestrijding
Empowerment als paradigma Als we over empowerment spreken, doelen we op het empowerment’paradigma’. Paradigma staat voor een geheel van overtuigingen, waarden en handelwijzen die door de leden van een bepaalde samenleving worden gedeeld, is dus een denk- en handelingskader. We gebruiken de term ‘paradigma’ omdat het verder reikt dan een nieuwe methodiek, of verder gaat dan een zorgvernieuwing in het kader van vraaggericht werken. Het gaat om een meer fundamentele verandering in het kijken naar sociale problemen en naar haar oplossingen met implicaties voor interventie, onderzoek én beleid. Inherent aan dit paradigma is de primaire bekommernis voor personen of groepen die maatschappelijk kwetsbaar zijn. Een streven naar volwaardig burgerschap (‘full citizen1

Voor een uitvoerige toelichting van het empowermentparadigma verwijzen naar het doctoraat van Tine Van Regenmortel (2002), Empowerment en Maatzorg. Een krachtgerichte psychologische kijk op armoede, Acco, Leuven/Leusden.

3

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

ship’), naar maatschappelijke integratie voor iedereen, is hierbij de rode draad. Een empowermentbenadering wil de negatieve aspecten van een situatie verbeteren door positieve zaken te zoeken: ze focust op welzijn, krachten en omgevingsinvloeden en niet op problemen, risicofactoren en ‘blaming the victim’. In tegenstelling tot reactieve benaderingswijzen - zoals het behandelings- of ziektemodel - is het empowermentconcept positief en pro-actief. Het theoretisch kader bouwt voort op deze waardeoriëntatie. De empowermenttheorie verbindt het individuele welzijn met de bredere sociale en politieke omgeving. Empowerment mag niet louter wordt geïnterpreteerd als het vooruitkomen van een individu (of een bepaalde kwetsbare groep). Zo gaat men aan de essentie van empowerment voorbij. Het gevaar zit ook theoretisch in het empowermentconcept besloten met enerzijds het benadrukken van persoonlijke controle en vrijheid en anderzijds het streven naar verbondenheid (‘connectedness’) met de gemeenschap, naar een gemeenschapsgevoel (‘sense of community’). Empowerment is een paradigma dat de individuele én collectieve of maatschappelijke dimensie met elkaar verbindt en bruggen slaat tussen verschillende disciplines en sectoren. We beschouwen empowerment dan ook als een verbindend kader in de bestrijding van maatschappelijke kwetsbaarheid, van sociale ongelijkheid. Ook op ethisch vlak is empowerment verbindend en een ‘aantrekkelijke synthese’ tussen de individuele bestaansethiek (met het recht op uniciteit, op waardigheid, op keuzevrijheid), de zorgethiek (met het recht op zorg en de zorgplicht tegenover de andere en dit vanuit een houding van respect en betrokkenheid, ook van bemoeizorg) en de rechtenethiek waarbij voor iedereen de sociale grondrechten dienen gerealiseerd te worden. Deze worden klassiek met liberale, christelijke en socialistische aspiraties geassocieerd. Empowerment op diverse niveaus Empowerment is van toepassing op diverse niveaus, is een multi-level construct. Zimmerman (2000) beschrijft drie niveaus: het psychologische of individuele niveau, het niveau van de organisatie en het niveau van de gemeenschap: - Empowerment op het psychologische of individuele niveau omvat een geloof in de eigen capaciteit om de omgeving te beïnvloeden, een begrijpen hoe sociale systemen in een bepaalde context werken en het stellen van gedrag om in die context invloed uit te oefenen. Het is niet

4

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

op te vatten als een statisch persoonlijkheidskenmerk, maar als een dynamisch context bepaald construct. - Het niveau van de organisatie verwijst o.a. naar inspraak en beslissingsmacht van de werknemers binnen een organisatie, het scheppen van mogelijkheden om vaardigheden te vergroten, wederzijdse steun en netwerkvorming tussen organisaties, ook de toegankelijkheid voor maatschappelijk kwetsbare groepen is hierbij een belangrijk punt. - Het niveau van de gemeenschap verwijst naar een samenleving die op een georganiseerde wijze samenwerken om de kwaliteit van het leven van haar burgers te beschermen en te behouden, een creatieve omgeving die inspeelt op de capaciteiten van personen, groepen en organisaties, ruimte laat voor autonomie, samenwerkingsverbanden stimuleert en versterking biedt waar nodig. Het is een samenleving en sociaal beleid die de structurele mechanismen van sociale uitsluiting bestrijdt, openstaat voor diversiteit, actief opkomt voor gelijke rechten en ontplooiingskansen voor iedereen met een evenwichtige balans tussen verzorging en zelfzorg. Deze drie niveaus zijn onderling verbonden hetgeen wijst op de interactieve aard van empowerment, op de studie van personen, organisaties of gemeenschappen in context. Een ander centraal inzicht in de theorievorming is dat empowerment een open-ended construct is. Dit betekent dat empowerment een continue variabele is, het gaat niet over het al dan niet beschikken over empowerment, er zijn gradaties. Haar concrete invulling varieert naargelang van de tijd, context en populatie. Het proces van empowerment dient dus ook op maat van een persoon, organisatie of gemeenschap bekeken te worden. Empowerment als versterkingsproces We hebben empowerment gedefinieerd als (Van Regenmortel, 2002b): ‘Empowerment is een proces van versterking waarbij individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en hun omgeving en dit via het verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie’. Controle, kritische bewustwording en participatie zijn van oudsher centrale aandachtspunten bij de bestrijding van sociale ongelijkheid. Empowerment wijst op de positieve gevolgen van controle (i.p.v. een focus op de negatieve gevolgen van machteloosheid), op het belang van

5

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

kritische bewustwording en reikt een kader aan waarom participatie belangrijk is met accent op de kwaliteit van participatie en van het participatieproces. Belangrijk is dat men empowerment niet kan krijgen, men moet het zelf verwerven. Deze die over meer empowerment beschikken, hebben wel de taak om de condities te scheppen om empowerment mogelijk te maken voor deze die minder empowered zijn (‘to enable’). Empowerment is dus niet enkel een opdracht van deze personen en groepen die maatschappelijk kwetsbaar zijn, maar tevens een opdracht voor ‘sterkere’ groepen, voor de maatschappelijke instituties, lokale gemeenschappen en het beleid die mede verantwoordelijk zijn voor de kwetsbaarheid van deze groepen (‘the use of power to empower’). Empowerment en kwartiermaken Het dominante antwoord van onze samenleving tegenover kwetsbare groepen (o.a. personen die in armoede leven, langdurig werklozen, thuislozen, ex-gedetineerden, mensen met een instellingsverleden (bv. psychiatrische opname), etnisch-culturele minderheden) is dit van afstand nemen of ‘distancing‘ (Lott, 2002), van segregatie i.p.v. integratie. Om te zorgen dat maatschappelijke kwetsbare groepen een volwaardige plaats krijgen in de samenleving, keuzevrijheid kennen en een maatschappelijke waardering voor hun keuzes ervaren, dient de samenleving ook anders te gaan kijken naar dit ‘anders-zijn’. In Nederland spreekt men over ‘kwartiermaken’ (Kal, 2001)2 waarbij men doelt op het creëren van ruimten binnen de samenleving voor mensen die ‘anders-zijn’. Dit betekent het creëren van sociale niches en maatschappelijke systemen waarbij gastvrijheid en betrokkenheid centrale sfeeraspecten zijn. Het zijn niches die openstaan voor dit ‘anders-zijn’, die een echt ontmoeten mogelijk maken. Deze ontmoeting moet voorbereid worden. De gastvrijheid binnen maatschappelijke instituties is niet evident en behoeft ‘tussenstappen’. Het werken aan positieve beeldvorming, het werken aan maatschappelijke steunsystemen zijn hiervan voorbeelden. Essentieel bij empowerment is dat de focus verschuift van tekorten naar potenties en krachten en van het individu naar de bredere omgeving. Empowerment impliceert dus een krachtenperspectief en een ecolo2

Kal D. (2001), Kwartiermaken: werken aan ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond, Amsterdam/Baarn: Boom.

6

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

gisch perspectief. Hierbij wordt niet de persoon of het sociaal systeem geviseerd, maar wel de interactieprocessen tussen beide. Empowerment pleit radicaal voor het ontschuldigen van armen (‘blaming the victim’). Kansarmen hebben dikwijls het individuele schulddenken vanuit de maatschappij overgenomen: het is allemaal mijn schuld, wat ik ook doe, het helpt toch allemaal niet. Dit noemt men het mechanisme van de verinnerlijkte machteloosheid. Het is een krachtig psychologisch mechanisme dat maakt dat armen ook niet ingaan op kansen die hen worden aangeboden. Empowerment beschuldigt anderzijds ook de organisaties niet (‘blaming the system’), maar wijst op de interacties tussen individuen, organisaties en de bredere samenleving. De kwetsing die leidt tot de neerwaartse spiraal van maatschappelijke kwetsbaarheid gebeurt immers in de interactie, in de contacten tussen personen of groepen en de maatschappelijke instituties. Kwetsbaarheid en ‘anders-zijn’ staat steeds in relatie tot de bredere sociale, culturele en maatschappelijke omgeving. Empowerment bepleit dus een interactieve kijk met een streven naar een constructieve dialoog tussen bv. armen en armenorganisaties en maatschappelijke instituties als het OCMW. Het omvat een pleidooi voor ontmoeting zonder veroordeling, een samen zoeken in het wegwerken van sociale ongelijkheid met respect voor ieders kijk. Het streven naar gelijkwaardigheid, en niet naar gelijkheid staat hierbij voorop. De huidige vermaatschappelijking van de zorg past in deze sfeer evenals het werken aan ruime toegankelijkheid van voorzieningen, openstaan voor diversiteit binnen organisaties. Empowerment en psychologisch kapitaal Vanuit het empowermentparadigma wordt de psychologische dimensie van armoede benadrukt. Deze psychologische dimensie wordt bijna systematisch over het hoofd gezien of eenzijdig intrapsychisch en individualiserend opgevat met het risico van culpabilisering. Empowerment belet deze eenzijdigheid door de focus te verschuiven van tekorten naar krachten en groeimogelijkheden en door steeds de relatie te leggen met de sociale omgeving en structurele condities. Het beklemtonen van de psychologische dimensie en het krachtenperspectief heeft geleid tot de introductie van de notie ‘psychologisch kapitaal’ (Van Regenmortel, 2002b). Dit concept verdient, ons inziens, een vaste plaats binnen het armoedediscours naast het economisch, sociaal en cultureel kapitaal. Dit betekent een expliciete aandacht voor de binnenkant van mensen, luisteren naar hun levensverhalen, hun eigen overlevingsstrategieën, naar hun inzet om met moeilijke levensomstandigheden om te gaan. De psy-

7

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

chologie van de machteloosheid die klassiek in armoedesituaties wordt gehanteerd, dient vervangen te worden door een krachtenpsychologie. Dit impliceert ook een aanpassing van de vigerende definitie over armoede van Prof. Jan Vranken die eindigt op de formulering dat ‘armen de kloof niet op eigen kracht kunnen overbruggen’. “Armoede is een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving. Deze kloof kan enkel worden overbrugd wanneer de samenleving een appèl doet op het psychologisch kapitaal van personen die in armoede leven en van hun omgeving. De samenleving maakt daarbij ook de economische, sociale en culturele kapitaalvormen voor hen toegankelijk. Zo krijgt iedereen gelijke kansen op niet-kwetsende sociale en maatschappelijke interacties en op waardevolle bindingen met zichzelf, de anderen, de maatschappij en de toekomst”. Deze aangepaste definitie geeft enerzijds ruimte voor de trots en zelfwaarde (‘the survivor’s pride’) van personen die in armoede leven en wijst anderzijds ook op de nodige structurele veranderingen binnen de samenleving om de armoede te bestrijden en de kloven te dichten. Empowerment en beleid In de literatuur over empowerment wordt het beleid regelmatig genoemd als een belangrijk niveau, maar een nadere explicitering blijft veelal uit. Een uitzondering hierop is het artikel van Rosemary Kennedy Chapin (1995): ‘Social policy development: the strengths perspective’. Ze stelt dat vele sociale beleidsmaatregelen en -programma’s de individuele pathologieën en gebreken benadrukken en de structurele barrières verwaarlozen. Zo dienen bv. de werkonwillige bijstandsmoeders gedwongen te worden om te gaan werken terwijl o.a. de aspecten van een gebrek aan jobs, gebrekkige opleiding, ongeschikte dagopvang veel minder worden benadrukt. De probleemdefiniëringen zijn dus individualistisch en probleemgeoriënteerd en laten de maatschappij toe om structurele en institutionele veranderingen te negeren (bv. gebrek aan werk op maat van de laaggeschoolden, houding van werkgevers ten aanzien van kwetsbare groepen). Chapin stelt dat de integratie van het krachtenperspectief in het beleidsproces nieuwe wegen opent:

8

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

“This article makes the argument that integration of the strengths perspective into the social policy-making process can provide policy practitioners with new tools for conceptualizing social needs or problems, a more inclusive approach to policy formulation, and an expanded array of empowering policy options”. Chapin stelt dat een sociaal beleid kan beschouwd worden als een middel om tegemoet te komen aan de menselijke basisbehoeften. Een krachtgericht beleid focust hierbij op deze behoeften en de barrières die door de betrokkenen zelf worden geformuleerd. Men spreekt over de beleidsanalyse als een ‘negotiated truth’ waarbij de beleidsmakers niet ‘de’ experten zijn. Chapin ziet dit als het belangrijkste verschil tussen de probleemgecentreerde benadering en de krachtgerichte benadering: “Under the strengths approach, there is no longer the implication that an expert policymaker will inform the public and develop policy goals. Rather the helper gives voice to clients’ perspectives, helps negotiate definitions and goals that include these perspectives, and continues the focus on client as collaborator throughout the evaluation phase”. Chapin benadrukt het belang van de betrokkenheid van de doelgroep bij beleidsformulering en programma’s. Het zijn de resultaten voor de cliënten zelf die de toetssteen uitmaken voor de effectiviteit van beleidsmaatregelen. Een ander belangrijk punt bij een krachtgericht beleid is volgens Chapin (1995) dat men focust op de krachten van mensen. Beleidsmakers dienen hiertoe oog te hebben voor succesverhalen, voor ‘best practices’ én voor de kracht- en steunbronnen die in de persoon en zijn omgeving aanwezig zijn. Men kan immers wel ijveren voor de rechten van mensen, maar de bronnen om deze rechten te verwezenlijken moeten wel beschikbaar en toegankelijk zijn. Of om het met de bekende woorden van Julian Rappaport (in Sullivan, 1992) te zeggen: “Having rights but no resources … is a cruel joke”. Ook de voorgestelde aanpassing van definitie over armoede die we eerder beschreven, gaat in op het belang van het toegankelijk maken van de economische, sociale en culturele kapitaalvormen voor personen die in armoede leven. Slechts dan kunnen rechten worden verwezenlijkt. Bovendien bepleit empowerment niet louter het toekennen van deze rechten, geen dienst- en hulpverlening die vernedert, stigmatiseert en afhankelijk maakt. Rechten moeten worden verwezenlijkt binnen een sfeer van betrokkenheid, gelijkwaardigheid en presentie waarbij een

9

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

actief appèl moet gebeuren op de krachtbronnen en potenties van de betrokkenen zelf, op hun psychologisch kapitaal. Empowerment van personen die in armoede leven kan enkel plaatsvinden binnen een empowering samenleving en beleid. Dit betekent dat een beleid ter bestrijding van armoede in essentie moet zorgen voor de realisatie van deze psychologische en structurele randvoorwaarden opdat personen die in armoede leven hun levenswandel naar eigen behoefte kunnen invullen op eigen ritme, op ‘eigen maat’. Personen die in armoede leven dienen keuzevrijheid te hebben én een maatschappelijke waardering voor deze keuzes, ook al stroken deze niet met de klassieke ‘activerings’paden (als bv. opleiding of tewerkstelling).

2. Krachtgerichte methodieken: maatzorg, vraaggestuurd cliëntoverleg en ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting
Zowel in Amerika als Groot-Brittannië beschouwt men het empowermentperspectief als een radicale verandering binnen het maatschappelijk werk (Adams, 1996; Braye & Preston-Shoot, 1996 en Saleebey, 1997). Empowerment van hulpvragers vormt één van de twaalf ethische principes van maatschappelijk werk van de Britse vereniging van maatschappelijk werkers (BASW). Deze verandering illustreert zich in verschillende aspecten. Op de voorgrond staan hierbij de toevoeging van het krachtenperspectief en een fundamentele verandering in de klassieke machtsrelatie tussen hulpvrager en hulpverlener met gelijkwaardigheid als uitgangspunt. Dit vraagt om een bijzonder attitude en specifieke technieken van de hulpverlener die ruimte scheppen om krachten te laten zien en de waarde van ervaringen onderkennen. Om competente hulpverleners te hebben inzake empowerment heeft men competente organisaties nodig die toelaten dat werknemers in een dergelijke rolrelatie met de hulpvrager stappen. Tenslotte wordt ook de samenwerking tussen organisaties bepleit. Via netwerkvorming en casemanagement kan een multidisciplinaire en naadloze hulpverlening op maat worden bekomen. Ook dit casemanagement dient krachtgericht of ‘strengths-based’ te zijn (Brun & Rapp, 2001). Het OCMW is een belangrijke maatschappelijke institutie voor personen die in armoede leven. De relatie tussen OCMW’s en armen of basisorganisaties verloopt evenwel niet rimpelloos. Dikwijls worden de contacten

10

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

als vernederend ervaren en is er een wederzijds wantrouwen. Het Algemeen Verslag over de Armoede heeft aan dit aspect bijzondere aandacht besteed en sindsdien worden er bijzondere inspanningen geleverd om deze relatie te verbeteren. Zo maken bv. vele OCMW’s werk van kwaliteitsverbetering van de individuele hulpverlening waarbij de zorg-opmaat gedachte centraal staat. Via vraaggestuurd cliëntoverleg (casemanagement of ook Permanent Armoede Overleg) proberen OCMW’s ook te werken aan een gecoördineerde en naadloze hulpverlening. OCMW’s beseffen steeds meer dat niet enkel het (tijdelijk) financieel hulp geven hun belangrijkste opdracht is, maar vooral het werken aan emancipatie van de armen, hun zelf meer greep doen krijgen op het eigen leven en hun omgeving, en zorgen voor een zinvolle plaats in de samenleving. Bovendien groeit het inzicht dat initiatieven ter bestrijding van armoede bijna zeker hun doel missen wanneer de participatie van de armen zelf niet wordt gewaarborgd (Van Regenmortel, 1996). Ook uit de praktijk blijkt dat heel wat acties slechts kans op slagen hebben wanneer ze vooraf grondig getoetst en besproken zijn met de doelgroep. Van Lindt (2003) benadrukt dat dit vooral geldt voor kansarmen. Zo worden steeds meer initiatieven genomen door het OCMW om de kwaliteit van hun dienstverlening te laten evalueren bij hun cliënten, onder meer via tevredenheidsonderzoeken bij OCMW-cliënten (bv. OCMW Antwerpen, Genk of Harelbeke) of via het werken met dialooggroepen of regiegroepen (bv. OCMW Antwerpen) waarbij de verenigingen waar armen het woord nemen een duidelijk stem hebben. De aanzet naar meer structurele vormen van participatie van de hulpvrager is hiermee in de OCMW-hulpverlening ingezet. Nog voor de term ‘empowerment’ ingang vond in Vlaanderen, werden er methodieken ontwikkeld die gefundeerd zijn op het empowermentgedachtegoed. Het meest bekend is hierbij de maatzorgmethodiek, en hierop voortbouwend ook het vraaggestuurd cliëntoverleg. Dit zijn twee methodieken waarbij participatie van de hulpvrager en vraagsturing centraal staan. Vooral de maatzorgmethodiek maar ook stilaan het vraaggestuurd cliëntoverleg, geraken sterk ingeburgerd in de OCMWhulpverlening in Vlaanderen. Het hoeft wellicht geen betoog dat ook de recentere ontwikkeling van de methodiek ‘ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting’ in dit kader past. Het kan als een verregaande vorm van participatie van de doelgroep worden beschouwd Ook van deze nieuwe methodiek zijn er reeds eerste toepassingen en ervaringen binnen de OCMW-hulpverlening. We lichten deze drie krachtgerichte of empowermentmethodieken nader toe.

11

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

2.1 Maatzorg De maatzorgmethodiek werd ontwikkeld in het OCMW van Genk (Van Regenmortel, 1996) en kende een ruime verspreiding in Vlaanderen. In het kader van een doctoraatsstudie over ‘Empowerment en maatzorg’ (Van Regenmortel, 2002b) wordt de maatzorgmethodiek beschouwd als een concretisering van het empowermentparadigma voor het maatschappelijk werk en vertaald als ‘krachtgericht maatschappelijk werk’. We beschrijven bondig deze maatzorgmethodiek aan de hand van haar vijf basisprincipes en geven ook de accenten weer vanuit het empowermentperspectief. Vijf basisprincipes vormen de fundamenten van de maatzorgbegeleiding: positieve hulpverlening, integrale hulpverlening, participatie, gestructureerde hulpverlening en gecoördineerde hulpverlening. Deze principes staan niet los van elkaar. Ze vormen één geheel. Bij elk principe wordt gewaarschuwd voor mogelijke valkuilen of misvattingen. 2.1.1 Positieve hulpverlening Het principe van positieve hulpverlening beoogt een klimaat waarbij de cliënt fundamenteel erkend wordt, een vertrouwensrelatie aanwezig is en de cliënt centraal staat. De erkenning van de cliënt betekent respect en openheid voor zijn wereld, voor zijn betekenisgevingen, met een luisterbereidheid los van vooroordelen en veronderstelde waarheden. Deze erkenning is een voorwaarde voor het tot stand komen van een vertrouwensrelatie, of misschien is het realistischer om te spreken van een ‘warme’ relatie. Minimaal is er een ‘goede verstandhouding’ nodig om kansarmen te begeleiden. De cliënt vormt steeds het uitgangspunt, dient centraal te staan. Maatzorg betekent een hulpverlening op maat van de cliënt, afgestemd op zijn specifieke kenmerken en behoeften. Zijn prioriteiten en ritme worden gevolgd. Dit principe van positieve hulpverlening komt bewust op de eerste plaats. Het is immers een grondhouding die binnen de overige principes dient geïntegreerd te zijn. Een misvatting bij dit principe zou kunnen zijn dit te interpreteren als een ‘softe’ begeleiding waarbij de cliënt continu over het hoofd wordt geaaid en er steeds empathisch wordt geknikt zonder dat er iets gebeurt of verandert. Het principe van positieve hulpverlening staat wel voor een basishouding van fundamenteel respect voor de hulpvrager. Het

12

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

vormt een noodzakelijke vertrekbasis om ingang en aansluiting te kunnen vinden bij de hulpvrager. Binnen deze context kunnen wel duidelijke grenzen worden gesteld en afspraken gemaakt. Dit principe waarbij een fundamenteel respect en erkenning van de hulpvrager centraal staat, wordt ook binnen een empowering hulpverlening een noodzakelijke grondhouding genoemd. Binnen deze ‘caring’ hulpverleningsrelatie staat de hulpverlener open voor diversiteit. Er moet een verbinding zijn en een gelijkwaardigheid in de hulpverleningsrelatie wil men kunnen openstaan voor elkaars (inhoudelijke) deskundigheid (vanuit ervaring of opleiding). Ook het belang van reciprociteit wordt benadrukt. Het werken op maat met oog voor het eigen ritme, voor ervaringen en betekenisgevingen van de betrokkene wordt tevens binnen het empowermentdenken beklemtoond. Paradoxaal betekent dit principe binnen empowerment ook een nietaflatende houding, een soort ‘bemoeizorg’ waar iedereen recht op heeft. Dit is een blijvend stimuleren en impulsen geven vanuit een fundamenteel geloof in de potenties van de betrokkene en zijn omgeving. Een actieve ‘outreaching’ houding past in deze context met o.a. een mobiele hulpverlening aan huis, vindplaatsgericht werken en een ruime aandacht voor de toegankelijkheid van de hulpverlening. Het inschakelen van paraprofessionelen (bv. ervaringsdeskundigen in de armoede) kan hierbij een belangrijke rol vervullen. 2.1.2 Integrale hulpverlening Dit principe van ‘integrale hulpverlening’ wijst op een hulpverlening met een ‘brede bril’. Meer concreet betekent dit een hulpverlening die oog heeft: - voor de verschillende levensdomeinen (financies, opleiding, arbeid, lichamelijke en psychologische gezondheid, sociale relaties, maatschappelijke participatie, huisvesting, justitie/rechtsbedeling); - voor denken, voelen en gedrag (zowel de binnenkant als de buitenkant); - voor de verschillende contexten van de hulpvrager (micro: partner en kinderen, meso: buurt en familie, macro: sociale perspectieven in onze maatschappij); - voor tekorten, maar ook voor mogelijkheden; - voor het heden, maar ook voor het verleden en de toekomst (focus op heden, maar kijk op het verleden en het toekomstbeeld bepalen mede het huidig functioneren);

13

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

- voor individuele, dossieroverschrijdende en structurele aspecten. Een mogelijke valkuil bij dit principe zou kunnen zijn dat de hulpverlener alles zelf en onmiddellijk zou willen gaan doen. Dit soort ‘superhulpverlener’ is uiteraard geen realistisch model. Op elk domein kan steeds een meer gespecialiseerde hulpverlening of begeleiding geënt worden (bv. een arbeidsbemiddelaar voor het vinden van een job, een sociale vaardigheidstraining om de sociale weerbaarheid te verhogen, een ambulante drughulpverlener bij een verslavingsproblematiek). Het uitgangspunt is dat men een brede kijk nastreeft, oog heeft voor de samenhang tussen problematieken, voor de verschillende betekeniskaders van de persoon, voor de context. Door het nastreven van deze brede kijk, zeker op korte termijn, kan een te sterke inmenging in de privacy vanwege de hulpvrager ervaren worden. De balans van enerzijds verder te kijken dan de concrete hulpvraag en anderzijds het respect voor de privacy van de cliënt dient hierbij nauwkeurig in het oog gehouden te worden. Dit principe gaat binnen maatzorg verder dan de klassieke invulling van verschillende levensdomeinen. Ook vanuit empowerment kan het belang van deze ruime invulling worden bevestigd. Extra accenten worden evenwel gelegd. Op de voorgrond staat hierbij het ‘strengths’ perspectief, het benadrukken van de krachten en potenties van de hulpvrager, zonder evenwel blind te zijn voor de problemen. Deze krachten bevinden zich ook in de bredere context van familie en buurt en in groepsvorming. De hulpverlener dient deze actief op te sporen en te benutten. Verder is er ook de aandacht voor de ‘binnenkant’ van de hulpvrager - het gevoelsmatige aspect - en de aandacht voor het denken met het stimuleren van kritische bewustwording. Belangrijk tot slot is de aandacht binnen empowerment voor het structurele aspect om een kwalitatief hoogstaande zorg op maat te kunnen geven en inzake de bredere armoedebestrijding. 2.1.3 Participatie Maatzorg vertrekt van de fundamentele visie dat de cliënt een actief probleemoplossend wezen is dat zelf keuzes maakt waarvoor deze verantwoordelijk is. Door een actieve betrokkenheid van de cliënt kunnen de keuzemogelijkheden worden uitgebreid en creëert men een besef van

14

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

invloed. Dit besef van invloed en bijhorende verantwoordelijkheid is noodzakelijk om de gevoelens van machteloosheid te verminderen. Maatzorg gaat uit van een samenwerkingsrelatie, een onderhandeling tussen hulpvrager en hulpverlener waarbij ieder zijn deskundigheid heeft en er geen plaats is voor macht. Belangrijk hierbij is dat de grenzen van beide betrokken partijen duidelijk zijn: hoe groot is de speelruimte waarbinnen onderhandeld kan worden. De participatie gebeurt op maat van de cliënt en is dus verschillend van cliënt tot cliënt, en van moment tot moment. Hierin ligt een mogelijke valkuil. Een misvatting bij dit principe zou kunnen zijn om steeds grote actieve betrokkenheid bij elke hulpvrager voorop te stellen, wat voorbijgaat aan de specifieke mogelijkheden van het individu, om alles aan de cliënt over te laten zodat de hulpverlener geen enkel initiatief meer neemt. Dit is geen participatie op maat. Met dit principe wordt een participatie op maat beoogd, waarbij de hulpverlener niet volledig stilvalt, maar zelf nog initiatief neemt of dingen doet naargelang de mogelijkheden en wensen van de cliënt. Participatie dient dus flexibel gehanteerd te worden. Participatie is een kernaspect van empowerment. Net als bij maatzorg wordt er gewezen op de gradaties en op de procesgedachte. Participatie dient op maat te gebeuren wil men geen perverse effecten krijgen die de klassieke negatieve stempels bekrachtigen. De kwaliteit van de participatie primeert. De participatie moet ook ergens toe leiden, mag geen schijnparticipatie zijn. Dit principe komt binnen de hulpverleningsrelatie tot uiting in de samenwerkingsrelatie. Vanuit empowerment wordt de gelijkwaardigheid van beide actoren benadrukt. De ruimte waarbinnen kan onderhandeld worden dient duidelijk geëxpliciteerd te worden. De hulpverlener is immers ook begrensd door de organisatorische context. De participatie van de hulpvrager zowel binnen de hulpverleningsrelatie als binnen de organisatie dient vandaag de dag nog versterkt te worden. 2.1.4 Gestructureerde hulpverlening De multicomplexe problematiek en chaotische situaties vragen om ordening, zowel voor de hulpvrager als voor de hulpverlener.

15

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

De kunst is om met een minimum aan regels naar een maximum van duidelijkheid te gaan. Planmatig werken is dan ook inherent aan maatzorg. Dit veronderstelt in eerste instantie een grondige exploratie van de problemen, maar ook van de mogelijkheden van de cliënt op de verschillende levensdomeinen. Samen met de cliënt wordt een plan (‘het maatplan’) opgemaakt. Voor elk domein worden hierbij de doelstellingen op korte, maar ook op lange termijn afgesproken. Vervolgens worden prioriteiten gelegd en de doelstellingen geconcretiseerd met duidelijke afspraken wie wat zal doen en wanneer. Een valkuil zou kunnen zijn dat bij de exploratie een strakke structuur wordt gevolgd die zondigt tegen de zorg op maat en het beluisteren en volgen van de cliënt verhindert. Het is evenwel de bedoeling dat de hulpverlener in het achterhoofd houdt welke informatieleemten er zijn. Deze worden bevraagd wanneer het gesprek daartoe aanleiding geeft. Dit vraagt wellicht om een reflectie voor en na het gesprek met de hulpvrager en een ordening van de informatie die veelal versnipperd wordt gegeven. Het doorzichtig maken van de hulpverlening (transparantie) past binnen een empowering hulpverlening. Niet steeds bewust wordt met een verborgen agenda gewerkt. De doelen van de hulpvrager worden hierbij niet geëxploreerd, maar ingevuld vanuit het hulpverlenersperspectief. Een meer planmatig werken kadert dan ook binnen empowerment. Als gevolg van een onderhandelingsproces worden concrete doelen geformuleerd. Deze worden neergeschreven in een maatplan in een taal die voor de hulpvrager duidelijk is. Meer dan bij maatzorg dienen de krachten en potenties van de hulpvrager en van zijn omgeving in dit maatplan te worden opgenomen. Dit maatplan dient tevens gekaderd te zijn binnen een breder holistisch en dynamisch assessmentproces. 2.1.5 Gecoördineerde hulpverlening De veelheid aan problemen impliceert veelal dat meerdere hulpverleners betrokken zijn of dienen ingeschakeld te worden. Een integrale hulpverlening betekent niet dat alle problemen door één hulpverlener of instantie dienen aangepakt te worden. Er dient een casegebonden overleg te worden uitgebouwd. Dit is een overleg rond één bepaalde armoedesituatie met hulpverleners rond de tafel die de

16

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

persoon of het gezin daadwerkelijk kennen. Deze overlegvorm kent dus geen vaste samenstelling. Het is een overleg op maat van de cliënt. Binnen dit overleg is het wel belangrijk dat één bepaalde hulpverlener als coördinator wordt aangeduid. De spilfiguur bewaakt de wensen van de cliënt in dit overleg. Het maatplan is hierbij een geschikt instrument daar het in samenwerking met de cliënt wordt opgesteld. Dit maatplan verzekert ook indirect de stem van de cliënt wanneer deze niet wenst of kan aanwezig zijn bij het overleg. Minimaal dient de cliënt op de hoogte te zijn van dit overleg. Belangrijk is dat er door de betrokken hulpverleners een gezamenlijke strategie wordt gevolgd die de zuivere takenverdeling overschrijdt. Voor dit principe van gecoördineerde hulpverlening werd in Genk het lokaal Permanent Armoede Overleg (PAO) op wijkniveau uitgebouwd. Een misvatting zou kunnen zijn dat de externe diensten zich bedreigd gaan voelen in hun eigenheid en denken dat één centrale persoon nu zal gaan bepalen wat andere diensten moeten doen. Het is evenwel de bedoeling dat één persoon steeds op de hoogte is wat andere betrokken hulpverleners doen, dat er een duidelijk informatiebeheer is. Zo kunnen overlappingen en tegenwerkingen gesignaleerd en vermeden worden en kan naar een maximale efficiëntie worden gestreefd. Belangrijk is de rode draad die het voor elke betrokken partij duidelijk maakt waar men kan achter staan. Het betekent dus een samenwerking met behoud van de eigenheid van elke dienst. Aanvankelijk werd het casegebonden overleg opgestart als instrument om het maatzorgprincipe van de gecoördineerde hulpverlening in de praktijk te realiseren. Door een verder theoretische onderbouwing en praktische uitwerking (Vandenbempt, 2001) kunnen we vandaag spreken van een ‘methodiek’ op zich en spreekt men over het lokaal of vraaggestuurd cliëntoverleg. Dit brengt ons bij de tweede empowermentmethodiek.

17

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

2.2 Vraaggestuurd cliëntoverleg Het vraaggestuurd cliëntoverleg werd uitgebouwd op basis van de uitgangspunten van maatzorg, maar is ook gebaseerd op de principes van casemanagement en vraaggestuurde hulpverlening.3 Casemanagement, ook vertaald als zorgcoördinatie, heeft haar wortels in de Verenigde Staten in de jaren ’70 in het kader van de desinstitutionalisering van de psychiatrische zorg. Moxley (1989) onderscheidt naast deze desinstitutionalisering nog vijf andere factoren die aan de basis liggen van de ontwikkeling van casemanagement: de decentralisatie van de hulp- en dienstverlening, de aanwezigheid van groepen cliënten in onze samenleving met ernstige problemen op vlak van sociaal functioneren, de erkenning van de cruciale rol die sociale steun en sociale netwerken spelen in het functioneren van individuen, de fragmentering van de sociale voorzieningen en de groeiende bezorgdheid rond de kostenefficiëntie van de sociale voorzieningen. Andere auteurs (o.a. Wennink & Goudriaan, 1991; van Riet & Wouters, 1996 en Polstra, 1997) beklemtonen sterk het zorginhoudelijke aspect die mede aanleiding gaven tot de ontwikkeling van casemanagement, met name de emancipatiebeweging en empowerment. De emancipatiebeweging ijvert voor de evolutie van ‘individuele patiënt tot mondige cliënt’. Het belang van de cliënt komt steeds meer centraal te staan en leidde tot het pleidooi dat de hulpverlening niet door de behoeften en planning van het aanbod mag gestuurd worden, maar door de hulpvraag van cliënten. Het aanbod dient in functie te staan van het behoud of terugwinnen van de persoonlijke autonomie. De empowermentbenadering sluit hier nauw bij aan en wijst op het belang van de gelijkwaardigheid van de cliënt in het hulpverleningsproces onder meer via betrokkenheid. De hulpverlening moet ervoor zorgen dat de cliënten een volwaardige plek in de samenleving kunnen innemen en greep kunnen krijgen of houden op hun leven. Binnen deze zorginhoudelijke ontwikkeling wordt de focus gelegd op de competenties, krachten en vaardigheden van de cliënt. Naast deze ‘strengths’ gerichtheid komt hierbij ook het vraaggerichte of vraaggestuurde karakter van de hulpverlening aan bod. Deze vraaggerichte of vraaggestuurde benadering4 wordt als een ‘andere’ benadering beschouwd, een ‘cultuuromslag’ in de hulpverle-

3

Voor een uitvoerige toelichting verwijzen we naar de HIVA-publicatie van Katrien Vandenbempt (2001): ‘Casemanagement: “de nieuwe kleren van de keizer”? Cliëntoverleg tussen systeemoplossing en zorginhoudelijke ontwikkeling: een literatuurstudie.

18

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

ning die verwijst naar een open en actieve benadering van de doelgroep. De hulpverlener stapt hierbij niet met vooropgezette doelen of een bepaald aanbod naar de cliënt, maar probeert samen met deze tot een omschrijving van de situatie te komen. Casemanagement is in deze zin gericht op het ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van zijn eigen doelen, zowel voor de begeleiding als voor zijn dagelijks leven. Aan de vraagverduidelijking - waarbij eerst samen met de cliënt de vraag verhelderd en uitgeklaard moet worden, alvorens er gezocht wordt naar een oplossing op maat en/of een geschikte zorgaanbieder wordt veel belang gehecht (o.a. Verbeek, 1999). Essentieel bij vraaggestuurde zorg is immers de aansluiting van het aanbod op de vraag. Schuurman (1998) benadrukt hierbij de uitgangspunten van keuzevrijheid, autonomie, mensenrechten, burgerschap en individualisering. Fundamenteel hierbij is ook een geloof en vertrouwen in de mogelijkheden van de cliënt om zelf te kunnen kiezen en zich te kunnen ontwikkelen. Dit impliceert een basishouding waarbij de hulpverlener niet alleen kijkt naar de problemen van de cliënt, maar ook aandacht heeft voor de draagkracht en competentie van de cliënt. De ontwikkeling van casemanagement is dus zowel gerelateerd aan veranderingen in het systeem van voorzieningen als aan zorginhoudelijke veranderingen. In dit opzicht kan het beschouwd worden als respectievelijk een antwoord op een versnipperd en slecht toegankelijk zorgaanbod (systeemoplossing) en als een antwoord op de gewijzigde opvattingen over de doelstellingen van hulp- en dienstverlening (zorginhoudelijke ontwikkeling). De evolutie van het PAO in Genk naar dit vraaggestuurde overleg die de vragen, beleving en krachten van de hulpvrager als uitgangspunt neemt, kan als een empowermentmethodiek beschouwd worden. Dit geldt in het bijzonder omdat de zorginhoudelijke ontwikkeling op de voorgrond staat en de systeemoplossing op de tweede plaats komt. Ook de huidige verdere uitwerking van de functies van coördinator, maar vooral van de spilfiguur en steunfiguren zijn vanuit het empowermentgedachtegoed een goede zaak. Deze functies versterken immers de positie van de hulpvrager in het overleg.

4

Vraagsturing gaat iets verder dan vraaggerichtheid en betekent dat de vraag het aanbod bepaalt, wat als een ‘ideale’ situatie wordt beschouwd. Bij vraaggerichtheid wijst men op de beweging van de zorg naar de vraagkant.

19

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

Netwerkvorming is op zich een belangrijke pijler binnen empowerment. Het dient wel aan een aantal kwaliteitseisen te voldoen en van onderuit gemanaged te worden (bottom-up) en niet van bovenuit (top-down). De doelgroep krijgt hierbinnen een centrale plaats en stem. Vandenbempt (2001) stelt de volgende kwaliteitseisen aan casemanagement als systeemoplossing: - Toegankelijkheid en transparantie verhogen - Vlotte overgang en overdracht tussen diverse voorzieningen - Continuïteit - Aansluiting - Zorg-op-maat - Samenhang - Afstemming en coördinatie - Duidelijkheid m.b.t. verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de hulp - Integraliteit - Effectiviteit en efficiëntie Ook de hulpvragers zelf stellen een aantal eisen aan het cliëntoverleg. Vanuit dit cliëntperspectief (Vandenbempt, 2001)5 worden de volgende tien voorwaarden gesteld als het het cliëntoverleg ook effectief wil komen tot de meer fundamentele doelstelling van empowerment van de betrokkenen, namelijk ervoor zorgen dat mensen meer greep krijgen op hun eigen leven en hun omgeving: 1. Respect en erkenning voor de cliënt als leidraad bij het organiseren van het cliëntoverleg 2. Een grondige voorbereiding van het overleg mét de cliënt 3. De vraag van de cliënt als vertrekpunt 4. Aandacht voor de goedlopende dingen, de inzet en de krachten van de cliënt 5. Een daadwerkelijke participatie van de cliënt 6. Een goed geïnformeerde cliënt 7. Het inschakelen van vertrouwens- of steunfiguren, zowel voor, tijdens als na het cliëntoverleg 8. Openheid en duidelijkheid bij alle betrokken partijen

5

Deze cliëntfeedback is gebaseerd op concrete ervaringen van cliënten met cliëntoverleg en op de reflectie vanuit twee verenigingen waar armen het woord nemen, namelijk ’t Ogenblik in Gent en De Keeting in Mechelen.

20

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

9. Aandacht voor de structurele kant van armoede en sociale uitsluiting 10. Afspraken rond dossiers en verslagen Het is belangrijk dat het kwantitatieve aspect de kwaliteit van het cliëntoverleg niet schaadt. De participatie van de cliënt dient expliciet bewaakt te worden, niet enkel in functie van reële aanwezigheid op het overleg, maar ook wat betreft de kwaliteit van de participatie van de cliënt. De spilfiguur en steunfiguren hebben hierin een belangrijke rol. Ook een goede voorbereiding en nabespreking samen met de cliënt zijn belangrijk. Empowerment benadrukt ook de kwaliteit van participatie en het participatieproces. Tot slot vermelden we dat de organisatie van structurele PAO’s (bv. in het OCMW Leuven) kadert binnen de empowermentfilosofie. Binnen deze PAO’s kunnen antwoorden gezocht worden op structurele knelpunten en kunnen de nodige signalen gegeven worden aan de bevoegde (beleids)instanties. Een goede coördinatie van de zorg gaat in wezen hand in hand samen met een goede coördinatie van voorzieningen. Waar het eerste zich richt op een goede afstemming van de hulpvraag en het hulpaanbod in een welbepaalde cliëntsituatie, richt de laatste zich op het ontwikkelen en coördineren van een beleid t.a.v. van bepaalde groepen en stimuleert deze samenwerkingsprocedures en -structuren tussen instellingen. Empowerment op individueel niveau en empowerment op het vlak van organisaties zijn immers met elkaar verbonden. In Limburg krijgt dit cliëntoverleg veel aandacht. Het provinciale niveau stimuleert en ondersteunt dit sterk. Zo verschijnt er binnenkort een ‘Draaiboek voor het lokaal cliëntoverleg’, waarbij stap voor stap wordt uitgelegd hoe een cliëntoverleg kan worden uitgebouwd. Ook het OCMW van Genk heeft net een mooie brochure en folder opgemaakt over dit cliëntoverleg ‘Samen op zoek naar oplossingen’. Het zijn interessante instrumenten om deze methodiek te verspreiden en om te bewaken dat deze methodiek inhoudelijk niet uitgehold geraakt. Deze instrumenten die het empowermentgedachtegoed uitdragen zijn, ons inziens, breed transfereerbaar. 2.3 Ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting Een recente vernieuwing binnen de armoedebestrijding is de inschakeling van ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting (kortweg ‘ervaringsdeskundigen’). Deze methodiek is ontstaan vanuit
21

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

de zoektocht naar een oplossing voor de ‘missing link’ tussen armen en niet-armen en werd geïnspireerd door vzw De Cirkel (1996). Als ‘brugfiguur’ tussen kansarme cliënten enerzijds en hulpverleners en beleidsmakers anderzijds kunnen deze ervaringsdeskundigen een belangrijke bijdrage leveren om tot een vraaggestuurde zorg op maat te komen. Deze methodiek op zich houdt een verregaande vorm van ‘doelgroep’betrokkenheid in. De samenwerking van een hulpverlener met een ervaringsdeskundige biedt meer garanties dat de stem en het perspectief van de cliënten binnen de hulpverlening aan bod komen. Deze vorm van doelgroepbetrokkenheid wordt ook door het beleid ondersteund (zie o.a. het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding) en heeft een wettelijk kader (zie het decreet betreffende de armoedebestrijding, 12 maart 2003). Om de ervaring te laten uitgroeien tot ‘ervaringsdeskundigheid’ werd in 1999 een specifieke opleiding uitgebouwd onder de verantwoordelijkheid van vzw De Link. Op 1 februari 2003 werd aan de eerste 18 opgeleide ervaringsdeskundigen in armoede en sociale uitsluiting een officieel diploma uitgereikt. Om de huidige en toekomstige werkgevers richting te geven in het werken met deze nieuwe methodiek werd recent een beroepsprofiel voor ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting uitgewerkt (Vandenbempt & Demeyer, 2003). De eigenheid en meerwaarde van het beroep van ervaringsdeskundige komt hierbij duidelijk aan bod en omschreven niet door een verschil in taken en activiteiten (wat), maar wel door de eigen invalshoek of ‘bril’ en de eigen manier van werken (hoe), namelijk hun doorleefde kennis over armoede en sociale uitsluiting, hun zicht op en vertrouwdheid met het perspectief van armen en uitgeslotenen. De volgende vijf elementen specifiëren deze eigenheid: 1. tolken - verduidelijken van de leefwereld 2. brugfunctie - bemiddelen 3. ondersteunen 4. kritische functie - signaalfunctie 5. drempelverlagend werken Het HIVA heeft van in het begin meegewerkt aan de uitbouw van deze methodiek (o.a. Van Regenmortel, Demeyer & Vandenbempt, 1999; Van Regenmortel, de Veirman & Vercaeren, 2000 en Vandenbempt & Demeyer, 2003). Deze medewerking gebeurde niet toevallig. De voedingsbodem voor deze methodiek is net als voor maatzorg en het vraaggestuurd cliëntoverleg ook het empowermentparadigma. Het werken met ervaringsdeskundigen kan ook de maatzorgmethodiek verder aanvullen en uitdiepen (bv. in het kader van de principes van parti-

22

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

cipatie en positieve hulpverlening) en kan ook in het cliëntoverleg worden ingebouwd. De methodiek van ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting heeft een duidelijke meerwaarde ten aanzien van empowerment en dit op diverse niveaus: bv. op het vlak van het individu, de organisatie, het beleid en de bredere samenleving. De meerwaarde situeert zich allereerst in de innerlijke groei van de ervaringsdeskundige zelf: een positiever zelfbeeld, zich sterker voelen, de structurele dimensie van armoede zien, meer inzicht krijgen in eigen en andermans gedrag, meer keuze- én controlemogelijkheden verwerven in het eigen leven. Ook hulpverleners die nauw samenwerken met ervaringsdeskundigen (bv. door te werken in tandem) ondergaan een groeiproces en worden gestimuleerd in zelfevaluatie. Ervaringsdeskundigen kunnen het hulpaanbod beter doen aansluiten op de hulpvraag en door het tolken ontstaat er meer begrip en vertrouwen tussen armen en niet-armen wat de kwaliteit van de hulpverlening ten goede komt (o.a. betere communicatie met de doelgroep, minder kans op misverstanden, drempelverlagend effect met een ruimere toegankelijkheid van de dienst- en hulpverlening als gevolg). Door de inschakeling van ervaringsdeskundigen in verschillende settings en contexten6, ontstaat er een bredere sensibilisering voor de armoedeproblematiek (o.a. meer dialoog omtrent visie op armoede, extra aandacht voor de beleving en binnenkant van armoede, vlugger denken aan de inbreng van de doelgroep zelf en het structureel inbouwen van participatie en inspraak) en wordt het belang van de signaalfunctie aangewakkerd doordat ervaringsdeskundigen op de structurele dimensie van armoede en sociale uitsluiting wijzen. Naast het empowerment van de persoon van ervaringsdeskundige zelf, zijn deze personen ook een positief voorbeeld voor andere gelijken maar ook voor de niet-armen. Dit houdt kansen in voor destigmatisering van armen en voor de emancipatie van de groep van armen in onze samenleving. In het kader van deze studie bekijken we empowerment in de praktijk van het OCMW. In de periode van dit onderzoek hebben twee OCMW’s, Gent en Genk, een stagiair ervaringsdeskundige in armoede

6

Ervaringsdeskundigen kunnen in diverse sectoren worden ingeschakeld, ook buiten de hulpverlening: o.a. Kind en Gezin, algemeen welzijnswerk (CAW’s), buurten opbouwwerk, verenigingen waar armen het woord nemen, VDAB (werkwinkel), OCMW’s, bijzondere jeugdzorg, onderwijs (CLB), overheden (provinciebestuur Vlaams-Brabant). Het betreft dus een sectoroverschrijdend beroep.

23

EMPOWERMENTTHEORIE EN KRACHTGERICHTE METHODIEKEN

en sociale uitsluiting in dienst gehad. Omwille van deze beperkte ervaringen en omwille van het toch wel unieke karakter van deze methodiek, hebben we deze methodiek niet in dit actieonderzoek betrokken. Deze methodiek heeft heel wat empowering potentieel, ten minste indien de inschakeling van deze ervaringsdeskundigen gekaderd is binnen de empowermentvisie en indien aan de nodige randvoorwaarden wordt voldaan. De implementatie van deze methodiek dient, ons inziens, omzichtig te gebeuren en vereist een nauwkeurige intense opvolging.

24

Empowerment van onderuit

Personen die in armoede leven verenigen zich steeds meer. Dit gebeurt zowel op lokaal, Vlaams, federaal als Europees vlak. Zo worden krachten gebundeld en kunnen partnerschappen worden aangegaan. Het Algemeen Verslag over de Armoede, kortweg AVA, (Koning Boudewijnstichting, 1995) was hiertoe een stimulans. Dit verslag werd opgemaakt via de dialoogmethode waarbij de dialoog tussen de verschillende betrokken partners werd uitgebouwd nl. mensen die in armoede leven, professionelen en beleidsmensen. Ook bij de opvolging van dit verslag blijft het partnerschap met de armsten centraal staan. Zo wordt de dubbele eis van de verenigingen waar armen het woord nemen gerealiseerd: ten eerste een theoretische bespiegeling over armoede die moet uitgewerkt worden rekening houdend met het standpunt van personen die in armoede leven en ten tweede, de uitwerking en de uitvoering van het armoedebeleid op verschillende niveaus die ook moet rekening houden met het standpunt van de armsten. Voor deze opvolging van het Algemeen Verslag over de Armoede werd het Steunpunt ter bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting opgericht binnen het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding.7 Dit federaal Steunpunt coördineert verschillende dialooggroepen waaronder onder meer de ‘Dialooggroep OCMW’. Ook op Vlaams niveau is het thema OCMW geen onbekende op de agenda van het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen (het vroegere Vlaams Forum Armoedebestrijding). Dit netwerk maakt, samen met haar Waalse en Brusselse partner, deel uit van het Belgische Netwerk Armoedebestrijding dat op haar beurt lid is van het Europees Netwerk Armoedebestrijding (EAPN). Ook in het AVA ging bijzondere

7

Voor meer informatie over het Steunpunt ter bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting kan u terecht op de website http://www.armoedebestrijding.be.

25

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

aandacht naar de OCMW-hulpverlening. Dit toont aan dat het OCMW een belangrijke organisatie is voor personen die in armoede leven. Deze relatie verloopt niet zonder problemen. De contacten worden meer dan eens als vernederend ervaren en er is sprake van een wederzijds wantrouwen. De vraag naar respect en inspraak in de OCMW-hulpverlening is hierbij een terugkerende vraag van de verenigingen waar armen het woord nemen. In de optiek van deze studie focussen we op lokale initiatieven voor en/of door personen die in armoede leven die constructief samenwerken met de hulpverlening (i.c. het OCMW) en waarvan de visie aansluit bij het empowermentparadigma. In eerste instantie komen drie werkingen in West- en Oost-Vlaanderen aan bod die de dialoogmethode toepassen met het OCMW. Hierna staan we stil bij vzw Dynamo, een samenwerkingsverband tussen verschillende basisorganisaties in Limburg, die betrokken is in een structureel overleg met OCMW’s. Vervolgens komt vzw Recht-Op in Antwerpen aan bod dat een voorbeeld is van een empowering basisorganisatie die ook samenwerkt met het OCMW. Tot slot belichten we ModeM in Antwerpen, een werking die een dienst inhoudt ‘tussen’ de kansarme hulpvrager en de reguliere diensten, waaronder het OCMW.

1. Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen en T’Hope: empowerment via de dialoogmethode
De dialoogmethode overstijgt de gewone uitwisseling tussen verschillende partijen, is meer dan een conversatie. De dialoog brengt een proces op gang dat de mobilisering van de armsten en de opbouw van kennis mogelijk maakt. Deze dialoog tussen de betrokken partners genereert de opbouw van een andere, nieuwe kennis. Men spreekt van het ‘kruisen van de kennis ‘(cf. de Franse term ‘croisement des savoirs’).8 De bedoeling is niet enkel het beschrijven of analyseren, maar het teweegbrengen van veranderingen. Deze methode betekent de erkenning van het burgerschap van de armsten en geeft hen de mogelijkheid om het statuut van evenwaardige burger op te nemen. Zodoende is het een methode die kadert binnen het empowermentparadigma (Van Regenmortel, 2002b).

8

Deze term komt van de Onderzoeksgroep van de Vierde Wereld Universiteit.

26

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

We bespreken achtereenvolgens drie organisaties die met deze dialoogmethode ervaring hebben. Het zijn de groep Oostende en de groep Gent van de Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen vzw (BMLIK) en T’Hope in Roeselare. Deze drie organisaties zijn verenigingen waar armen het woord nemen waarop de volgende zes criteria van toepassing zijn: armen verenigen zich, armen nemen het woord, maatschappelijke emancipatie van armen, maatschappelijke structuren veranderen, dialoog met de samenleving en het beleid en armen blijven zoeken. 1.1 Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen 1.1.1 BMLIK - Groep Oostende Deze dialoogmethode werd uitvoerig beschreven door de Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen vzw - Groep Oostende (2000). Deze publicatie ‘Samen gaan we vooruit. Over de methode van de dialoog’ beschrijft hoe deze vereniging waar armen het woord nemen de dialoog is aangegaan met verschillende diensten. De voorbereiding van de dialooggroep gebeurt door het opmaken van bundels rond bepaalde thema’s. Deze bundels zijn gebaseerd op getuigenissen van de arme gezinnen bij huisbezoeken en de maandelijkse groepsbijeenkomsten. Voor een dialoog wordt een reeks bijeenkomsten gepland, maandelijks één gedurende vijf maanden. Een eerste voorbereidende vergadering heeft plaats met alleen de betrokken partners (voor informatie, praktische afspraken en de toelichting van het doel en de inhoud van de dialoog). De tweede bijeenkomst van de dialooggroep gebeurt met de gezinnen en partners samen en heeft tot doel dat de gezinnen zelf de inhoud van hun bundel voorleggen aan de partners. Om de derde bijeenkomst voor te bereiden wordt van de partners verwacht dat zij de bundel van de gezinnen met hun dienst of team bespreken en mogelijke antwoorden zoeken op de verschillende voorstellen die erin staan. De schriftelijke neerslag van die voorbereiding brengen ze mee naar de derde bijeenkomst die opnieuw alleen met de partners plaatsheeft. Op de vierde bijeenkomst bespreken de partners voorstel per voorstel hun antwoorden met de gezinnen. Tijdens de vijfde bijeenkomst tenslotte nemen de partners zonder gezinnen nogmaals de antwoorden door die zij met de gezinnen besproken hebben. Dit alles wordt in een definitieve eindtekst gebundeld en aan alle deelnemers bezorgd. Deze tekst is het antwoord van de partners op de dialoogbundel van de gezinnen.
27

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

Concreet werden er in de periode 1997-1999 drie dialooggroepen georganiseerd: 1. een dialooggroep over de periode vóór de plaatsing van de kinderen; 2. een dialooggroep over de schulden; 3. een dialooggroep over de periode tijdens de plaatsing van de kinderen en hun terugkeer naar huis. Het OCMW van Oostende was bij de drie dialooggroepen betrokken. Bij de eerste en derde groep was het OCMW de moderator van de dialoogbijeenkomst. Bij de tweede groep over de schulden deed het OCMW de verslaggeving. De samenstelling van de drie groepen was verschillend, op maat van het thema. De gezinnen van Oostende ervaren deze dialogen als erg positief. Men heeft het gevoel dat er echt naar hen wordt geluisterd en dat er eerste stappen naar verandering worden gezet. De gezinnen achten wel een opvolging van de dialoogroep erg belangrijk om te kijken wat er na een tijd reëel is gebeurd. De BMLIK wijst ook op breder vlak op positieve effecten. Zo is er de mentaliteitsverandering waardoor men inziet dat een armoedebeleid niet meer kan zonder de participatie zelf van personen die in armoede leven. “Deze dialoog toont nog maar eens aan dat de samenspraak van gezinnen met verschillende diensten en instanties leidt naar een langzame maar zekere verandering in het armoedebeleid. Ook het inzicht wint veld dat een beleid tegen de armoede niet meer kan zonder de betrokken mensen. Door de dialoog ontstaat zeker bij de gezinnen die er bij betrokken zijn een nieuw vertrouwen, een beginnende hoop door de positieve ervaring dat er naar hen geluisterd wordt (…). Bij de beleidsmensen, van lokaal tot nationaal, zal de ervaring van elke geslaagde samenspraak “op voet van gelijkwaardigheid” stilaan het besef doen groeien dat een partnerschap meer kwaliteit geeft aan het beleid, en aan de invulling ervan door de verschillende diensten en instanties. Bij alle mensen kan deze methode van werken gaandeweg een mentaliteitsverandering op gang brengen. Mensen zullen door anderen positief te leren ontmoeten, beginnen te beseffen dat het niet langer aanvaardbaar is anderen in hun waardigheid te negeren” (BMLIK, 2000).

28

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

1.1.2 BMLIK - Groep Gent Ook de groep Gent van de BMLIK heeft ervaring met de dialoogmethode.9 Ze onderstrepen enerzijds het belang van samen te komen met lotgenoten en anderzijds het belang van het in dialoog te treden met niet-armen. De meerwaarde van het lotgenotencontact wordt hierbij verrijkt met het realiseren van structurele veranderingen om de armoede te bestrijden. “Waarom komen we samen? Om mensen te helpen en hen verse moed en kracht te geven om verder te gaan in het dagelijks leven, om aanvaard en gerespecteerd te worden in onze maatschappij, om als persoon en als gezin vooruit te gaan, en ook als groep, om de miserie in de wereld te doen verminderen. Wij komen samen om alle arme gezinnen te helpen vooruitgaan. We hopen dat een goede dialoog kan worden gevoerd tussen de gezinnen van de Vierde Wereld en de beroeps- en beleidsmensen. Dat we vrij kunnen zeggen wat we te zeggen hebben, zonder angst. Dat er samenwerking komt met zoveel mogelijk mensen om de armoede te bestrijden. Iedereen moet weten dat wij uit de miserie willen geraken en dat we zoals iedereen als mens willen leven. We vinden het belangrijk dat nog meer groepen met dergelijke dialogen zouden werken. We streven allemaal naar hetzelfde doel: meer gelijkheid, meer rechten voor de mens en het kind. De dialogen dragen zeker bij tot de bestrijding van de armoede omdat er naar de gezinnen geluisterd wordt door de diensten of instanties die met hen rond tafel zitten” (BMLIK, 2002). De groep van Gent ging een expliciete dialoog aan met het OCMW van Gent. Er werd hierbij gewerkt rond het thema ‘Recht op hulp die ons vooruitbrengt’. Op de eerste dialoogbijeenkomst (7 juni 2002) werden de voorstellen aan het OCMW overgemaakt. Het antwoord van het OCMW werd besproken tijdens de tweede bijeenkomst (11 juli 2002). Deze ontmoetingen gingen door in het Huis van de Mensenrechten in Gent.

9

De informatie van deze dialoog is gebaseerd op het verslag in het (tweemaandelijks) tijdschrift van de BMLIK vzw, nr. 6, november-december 2002.

29

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

De voorstellen vloeien voort uit de getuigenissen van de arme gezinnen. In de dialoogbijeenkomst worden de getuigenissen bij de voorstellen voorgelezen. De volgende achttien voorstellen werden aan het OCMW voorgelegd en besproken: 1. We willen zelf de verantwoordelijkheid dragen voor ons leven en we verwachten dat de diensten meehelpen om dit te bereiken. 2. Als je afhankelijk bent van hulp, wordt het moeilijker je leven nog zelf te bepalen. De hulpverlener moet er rekening mee houden dat iedereen zijn eigen manier van leven heeft. 3. We vragen pas hulp in uiterste nood. Op het moment dat we hulp vragen, hebben we reeds een grote stap gezet. We vragen privacy en respect van de hulpverlener. 4. Een goed contact met de hulpverlener is belangrijk. Een goede hulpverlener probeert zich in onze plaats te stellen. 5. We rekenen erop dat de hulpverlener tijd vrijmaakt en tijd krijgt om naar ons te luisteren. 6. Het is moeilijk om ‘zomaar’ je verhaal te vertellen, terwijl er soms veel van afhangt. De hulpverlener moet hiermee rekening houden. 7. We verwachten van de hulpverlener dat ze inlichtingen en nuttige informatie geven. 8. In groep ervaringen uitwisselen en vorming krijgen, betekent een goede ondersteuning voor ons. 9. De laatste jaren wordt er meer ruimte gemaakt voor projecten waar onze ervaring centraal staat. We vinden dat dit ons vooruit helpt. 10. Bij elke beslissing moet duidelijk uitgelegd worden waarom die genomen werd. 11. We vragen een snelle en vlotte aanpak van onze problemen. 12. Beslissingen moeten samen genomen worden. Overleg is noodzakelijk. 13. Iedereen heeft recht op dezelfde hulp. Dienstverlening mag niet verschillen van hulpverlener tot hulpverlener. 14. We vragen om zelf te beslissen wanneer we in budgetbeheer gaan. Weigeren mag geen gevolgen hebben. 15. Indien er beslissingen genomen worden over het budget, dan vragen we dat er met ons onderhandeld wordt. 16. Bij budgetbegeleiding of budgetbeheer verwachten we dat we nog op een menselijke manier kunnen leven. 17. We verwachten dat de hulpverlener de nodige contacten legt voor een goede bemiddeling van de schulden. 18. We verwachten op regelmatige tijdstippen een overzicht van de betalingen.

30

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

De inhoud van deze voorstellen behandelt belangrijke aspecten van het empowermentgedachtegoed. Centraal staat het (terug) greep willen hebben op het eigen leven, het tegengaan van afhankelijkheid en dit op maat van de betrokkene met respect voor zijn keuzes. Het oog hebben voor de beleving en de betekenisgeving, voor de psychologische dimensie van armoede en verdrukking worden benadrukt (‘internalized oppression’). “Dat is zo erg voor ons. Er is altijd iemand nodig die je helpt. Zonder hulp bereik je niets. Wij lopen tegen een muur. Ik heb de indruk dat ze naar ons niet luisteren. Maar als assistenten iets vragen, bekomen ze dat. Wat assistenten bereiken, kunnen wij niet bereiken. Als ik bij mijn assistente ga voor een afbetaling, telefoneert zij en het komt in orde om in schijven te betalen (…). En je hebt geen uitweg. Je moet een mannetje zijn dat altijd knikt. Als je zelf nog iets in handen wil houden, moet je vechten en nog eens vechten. Dat is nu al bijna zeven jaar. Ik kan nooit op een gewone manier iets bereiken. En dan doe je ook dommigheden: roepen, buitensmijten en agressief doen. En daarvoor word je dan gestraft (…). Ik ben in een financiële put geraakt sinds mijn ex weg is, maar ik wil mijn TV en mijn video niet verkopen, het is emotioneel belangrijk voor mij, het doet mij denken aan de momenten dat ik geen schulden had, dat geeft mij hoop” (BMLIK, 2002). De goede kwaliteit van de hulpverleningsrelatie met de aspecten van gelijkwaardigheid (‘equality’) en billijkheid (‘equity’) wordt evenzeer benadrukt. Partnerschap staat hierbij centraal. Naast dit partnerschap wordt van de hulpverlener ook verwacht dat deze dingen doet (o.a. informatie geven, contacten leggen). Dit is een mooi voorbeeld van de zogenaamde ‘paradox in de hulpverlening’ met enerzijds een streven naar gelijkwaardigheid op relatie- of betrekkingsniveau, en anderzijds de verwachting van een meerwaarde op inhoudsniveau. Deze professionele deskundigheid van de hulpverlener staat op gelijke voet met de ‘ervaringsdeskundigheid’ van de hulpvrager. De nodige tijd, aandacht en respect dient te worden gemaakt voor deze ‘insiders’kennis, de levensverhalen van de betrokkenen. De gevoeligheid voor de budgethulp komt (wederom) naar voren. “Ik heb een heel goed contact met mijn assistente. Ik heb veel vertrouwen in haar. Ze bespreekt alles met mij. Soms komt ze zelf, soms ga ik bij haar langs en dan vraagt ze: ‘Wanneer schikt het u om te komen?’ Alles wordt betaald volgens schema. De assistente zegt altijd hoever ik sta met de afbe-

31

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

talingen. Volgende week komt ze omdat er een schuld is weggevallen. Er moet dan een herziening gebeuren. We gaan dat samen bekijken. Met goede afspraken kom je goed overeen, je kan dan in bepaalde periodes ook wat meer vragen” (BMLIK, 2002). De Beweging is reeds in dialoog met het OCMW van Gent sinds 1997. Ze merkt al heel wat veranderingen. Heel wat positieve getuigenissen zijn hiervan het resultaat. Dit is een mooi voorbeeld hoe men kan evolueren van ergernissen naar een constructieve dialoog. Een wederzijdse openheid is hierbij belangrijk, met een echt luisteren naar ervaringen van mensen zonder defensieve reacties. Waar aanvankelijk de Beweging de eerste stappen naar dialoog heeft gezet, wordt nu het OCMW van Gent zelf vragende partij. Zo stelde het OCMW voor om volgend jaar opnieuw bijeen te komen om te vernemen of de Beweging verandering en verbetering vaststellen in de dienstverlening van het OCMW. Op 17 oktober 2002 getuigde Mevrouw Rita Uytendale, voorzitter van het OCMW van Gent, over haar ervaring met deze dialoog. “We willen er als OCMW van Gent echter niet langer van uitgaan, dat wat wij, als aanbieders van hulp, denken dat goede hulp, is, dat dat inderdaad ook goede of kwalitatieve hulp is. Het is voor ons een steeds grotere uitdaging, om ook aan de vraagzijde, bij de hulpvragers, te toetsen of ons hulpaanbod hen ook daadwerkelijk vooruitbrengt; hen weer op eigen benen helpt; de kwaliteit van hun leven verbetert” (BMLIK, 2002). Het werk is nog niet gedaan, maar er worden steeds verdere stappen gezet naar een empowering hulpverlening die ten goede komt van het empowerment van de betrokken hulpvragers, hulpverleners en organisaties en ook van andere burgers, diensten en beleidsniveaus. 1.2 T’Hope De vzw T’Hope in Roeselare is een vereniging waar armen het woord nemen. De werking steunt op een ruime vrijwilligerswerking die in al zijn geledingen nauw samenwerkt met mensen in armoede. In die hoedanigheid noemt T’Hope zichzelf ook een welzijnsschakel. Deze welzijnsschakels zijn ontstaan in de schoot van Welzijnszorg als vrijwilligersproject. De werking van de welzijnsschakels is gebaseerd op drie pijlers die onderling verbonden zijn (Mertens, 1994): - inzicht zoeken en vorming organiseren rond armoede en uitsluiting; - vormen van solidarisering en samenwerken met zij die uitgesloten worden bevorderen;

32

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

- ondernemen van actie en hulpverlening. De volgende vier functies van welzijnsschakels worden genoemd: - schakelfunctie of draaischijffunctie: schakels worden gelegd zowel tussen mensen en diensten, als tussen mensen onderling; - signaalfunctie: om problemen op lange termijn op te lossen dienen de nodige signalen gegeven te worden aan beleidsinstanties of andere groepen in de samenleving; - bewustmakingsfunctie: zichzelf informeren en inzicht verwerven, maar ook anderen in eigen omgeving confronteren en sensibiliseren; - brugfunctie: het functioneren als centrum waar concrete acties, initiatieven en ideeën worden samengebracht, uitgewerkt en uitgevoerd en waar er plaats wordt gemaakt voor bezinning. Momenteel bestaan er een tachtigtal groepen. Mensen die in armoede leven en niet-armen werken hierbij samen in bondgenootschap. Het emanciperend werken met de personen die in armoede leven staat hierbij voorop. Hun concrete invulling is erg verschillend daar deze afgestemd is op de plaatselijke situatie.10 Sommige welzijnsschakels, zoals T’Hope, beantwoorden aan de criteria van de verenigingen waar armen het woord nemen. In het boekje ‘Waar is iedereen?11 beschrijven de vrijwilligers hun werking aan de hand van de drie betekenissen die ze aan het woord ‘T’Hope’ toekennen: - het complexe kluwen van armoede, zeg maar ‘alle miserie op een hoop’; - het samenkomen in partnerschap: alleen t’hope (samen) kun je je tegen armoede verzetten; - als armen het woord nemen, kan er sprake zijn van enige hoop op een verbetering, vandaag en voor de volgende generaties. T’Hope ontving in 2002 de prijs ‘Armoede uitsluiten’ van Welzijnszorg. Het is een jonge organisatie ontstaan uit een partnerschap tussen mensen die dagelijks in armoede leven en mensen uit de middenklasse die dit leven in armoede een onaanvaardbaar onrecht vinden (de ‘niet-

10 Voor meer informatie over welzijnsschakels kan u terecht op de website: http://www.welzijnszorg.be/welzijnsschakels. 11 Een bundeling van verhalen over armoede in Roeselare, uitgegeven door T’Hope, februari 2003.

33

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

armen’).12 Heel wat activiteiten worden georganiseerd. Zo zijn er de huisbezoeken om blijvend op zoek te gaan naar de allerarmsten, ontmoetingsnamiddagen, groepsgesprekken en thematische gesprekken, culturele activiteiten, vormingsactiviteiten enz. Er is ook een driemaandelijks T’Hopekrantje. Er wordt in tandem (armen en niet-armen) gewerkt bv. voor de redactie van het krantje, het openhouden van de ontmoetingsruimte, het geven van vorming. Er zijn tevens verschillende projecten rond structurele thema’s (bv. voedselhulp, toegankelijkheid van de privé-woningmarkt en bewonersparticipatie). Ook het toneel ‘Een gordijn van schulden’ dat kaderde in de campagne van Welzijnszorg rond schulden is een creatief voorbeeld van structureel werken. Samenwerkingsverbanden worden noodzakelijk geacht zowel met andere verenigingen waar armen het woord nemen (bv. via het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen) als met andere diensten. Eind 2000 groeide bij T’Hope de idee om een expliciete dialoog aan te gaan met het OCMW van Roeselare.13 In de maandelijkse gespreksavonden en binnen de regionale Welzijnsraad Roeselare-Tielt werden er immers problemen met het OCMW gesignaleerd. Mede geïnspireerd door André De Cock van de BMLIK, wilde men iets gaan veranderen. Op een systematische wijze werden getuigenissen verzameld over de dienstverlening van het OCMW van Roeselare zowel tijdens de huisbezoeken als binnen de themawerkgroep OCMW. Op de eerste bijeenkomst (mei 2003) kwamen 10 maatschappelijk werkers van het OCMW naar T’Hope. De themagroep van T’Hope ervaarde dit als een historisch moment en had het gevoel van au sérieux te worden genomen. De voorgelegde tekst werd verder binnen het OCMW besproken. Hun reactie werd toegelicht op de tweede bijeenkomst die doorging in het OCMW (juni 2003). De machteloosheid van de hulpverleners kwam hierbij duidelijk naar voren. “De verhalen uit het eerste gesprek hadden de mensen van het OCMW geraakt, op verschillende manieren. De ene voelde zich machteloos ‘we doen ons best en toch…’, de ander kon niet goed begrijpen hoe één en ander mogelijk was. Zij beklemtoonden de onmacht, de eigen machteloos-

12 Deze informatie komt uit het werkingsverslag van T’Hope, 1 juli 2001 30 juni 2002. 13 De toelichting over deze dialoog is gebaseerd op een tekst van Joke Deprez van T’Hope (juli 2003).

34

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

heid die werd opgewekt door de verhalen in kwestie maar ook door de confrontatie met armoedeproblemen in het algemeen” (T’Hope, 2003). Dit was een belangrijke ervaring, maar men wil verder. Een afspraak met het diensthoofd van het OCMW van Roeselare is gepland (september 2003) om de verdere strategie te plannen. De ‘uitgestoken hand’ van T’Hope was hierbij een belangrijke eerste stap.

2. vzw Dynamo: empowerment via krachtenbundeling en structurele participatie
Een ander voorbeeld van versterkend werken vanuit de basis is vzw Dynamo Limburg.14 Dynamo werd opgericht in november 2000 en is een samenwerkingsverband tussen zes kleine basisorganisaties: - Lichtpunt in Lummen; - Draaischijf in Beringen; - De Krik in Herk-de-Stad; - SOMA in Maasmechelen; - De Brug in Hasselt; - Wasda in Genk. Bij de verschillende groepen van Dynamo wordt er veel belang gehecht aan ontmoeting. Verschillende informele bijeenkomsten worden daartoe georganiseerd. Er zijn ook verschillende werkgroepen bij Dynamo actief: o.a. 17 oktober (internationale dag in de strijd tegen extreme armoede), werkgroep vakantie en de dialooggroep (cf. infra). De vrijwilligers (personen die in armoede leven) staan bij Dynamo centraal. Beroepskrachten krijgen een adviserende of ondersteunende rol (bv. vanuit het opbouwwerk). Er is expliciete aandacht voor de kadervorming aan leden. Voor deze en andere vormingsaspecten wordt er regelmatig beroep gedaan op het Centrum voor Basiseducatie. Het Centrum Basiseducatie West-Limburg zou er het meest in slagen om empowerend te werken. Dit wordt onder meer toegeschreven aan de sterke samenwerking met Dynamo (van Drunen, 2002). Dynamo heeft dus zowel aandacht voor informeel contact en ontspanning, voor informatie en vorming als voor signalering en structureel

14 Deze informatie is gebaseerd op een gesprek met Magda Remans (RIMO-Wasda) en drie leden van Dynamo en op tekstmateriaal (verslagen, interne nota’s).

35

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

werken. Door de krachtenbundeling vormen ze een meer krachtige partner in overleg. Zo worden er tussen Dynamo en de OCMW-hulpverlening stappen naar partnerschap gezet via structureel overleg. In Limburg bestaat er een Limburgs Steunpunt van OCMW’s (LSO), in de schoot van de Provincie Limburg. Een 40-tal OCMW’s zijn bij dit steunpunt betrokken en zowel voorzitters, secretarissen als (hoofd)maatschappelijk werkers zitten rond de tafel. Sinds 2000 is er een structureel overleg met Dynamo. De zogenaamde ‘Dialooggroep DynamoLSO’ komt om de zes weken samen rond thema’s die aansluiting vinden bij de kwaliteit van de hulpverlening van de sociale diensten in Limburg. Het is een voorbeeld van ‘ontmoeting’ waarbij ieder een gelijkwaardige partner is en waarbij er ook structureel kan gewerkt worden. Dynamo kan vanuit de stem van de arme (‘insiders kennis’) heel wat signalen geven die de kwaliteit van de OCMW-hulpverlening kunnen verbeteren. Men kan bv. wijzen op bepaalde praktijken die niet kunnen (bv. aftrekken van voedselpakketten van het leefgeld), praktijken die niet billijk zijn (verschillen tussen OCMW’s). Het verbaast dan ook niet dat het actieprogramma van LSO voor een kwalitatieve hulpverlening aspecten bevat die de nodige zorg op maat garanderen en stroken met het empowermentgedachtegoed. “Een kwaliteitsvolle hulpverleningsrelatie heeft een aantal kenmerken: - een relatie die niet ingegeven is door machtsongelijkheid, wel door betrokkenheid; - vertrouwen in de cliënt: mensen moeten de kans krijgen uit fouten te leren; er zijn soms veel kansen nodig; als de maatschappelijk werker hen behandelt als hopeloze gevallen is de cirkel rond; - mensen activeren, de kans geven is positief: maar mensen dwingen is iets anders! Het moet een keuze zijn van de hulpvrager (anders is mislukken gegarandeerd). Er kan wel gewerkt worden aan die keuze (kiezen is een proces). Dat vraagt een houding die niet altijd even gemakkelijk te realiseren is. Het klimaat en de organisatiecultuur waarbinnen de hulpverlener werkt, de ruimte die hij krijgt, is daarbij heel belangrijk” (LSO, 2001). Het LSO geeft een aantal illustraties hoe deze aspecten in de praktijk kunnen vertaald worden: - Het bespreekbaar maken van een verstoorde relatie De vraag van de cliënt moet ernstig genomen worden, in een oplossingsgerichte sfeer (niet ‘schuldige’), als kan in der minne regelen, een

36

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

-

-

-

-

duidelijke stappenprocedure uitwerken (werd gevraagd aan Dynamo), verspreiding modelbrief enz. Een structurele plaats voor huisbezoeken Huisbezoeken worden als een belangrijk instrument gezien om het inlevingsvermogen van de maatschappelijk werkers scherp te houden, voorstel om deze huisbezoeken structureel op te nemen in het tijdsrooster. Cliënten hebben recht op duidelijke informatie Inventarisatie van sociale voordelen (bevraging verschillende gemeenten) en via Dynamo ter beschikking stellen aan de hulpvragers, wettelijke regels rond informatie bezorgen aan Dynamo en vragen om deze kenbaar te maken onder hun leden, stimuleren van eenvoudig taalgebruik. Hulpverlenen vergt tijd LSO en Dynamo worden bondgenoten genoemd in de vraag naar het verlichten van de werkdruk bij de sociale diensten. Er is ook aandacht voor de subjectieve wachttijd: een aangename inrichting van wachtzalen (rekening met kinderen), afspraken rond telefonische bereikbaarheid. Tevredenheidsenquête als één instrument in het kader van kwaliteitzorg De provincie ondersteunt de OCMW’s in de enquêtering van de klanten (afname, verwerking) omdat ze het beschouwen als een stimulans aan de OCMW’s om rekening te houden met het klantenperspectief. Dynamo is betrokken bij de opmaak van deze enquête.

Dynamo krijgt een belangrijke intermediaire functie toebedeeld en heeft een meerwaarde t.o.v. de hulpverlening (prioritaire aandachtspunten voor de hulpvragers, bereikbaarheid, pro-actief rechten uitputten, bejegening). Er is ook sprake van een duidelijk bondgenootschap rond gemeenschappelijke actiepunten (bv. werkdruk). De samenwerking gaat verder dan luisteren naar armen, er is een actieve participatie van Dynamo. Dynamo voelt zich dan ook als partner au sérieux genomen. Wanneer dit niet het geval zou zijn, kan participatie net indruisen tegen empowerment en de gevoelens van machteloosheid en passiviteit verhogen. Dit wijst op het belang van de kwaliteit van participatie. Vanuit Dynamo wordt er zowel gewerkt aan het individueel empowerment, aan sociaal empowerment als aan structureel empowerment. Er ontstaan synergieën met waardevolle ontmoetingskansen tussen gelij-

37

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

ken en tussen armen en niet-armen. Vanuit een krachtige groep van gelijken staat men ook krachtig in de dialoog met niet-armen. Mits geloof in en appèl op de krachten van armen is een groeiproces mogelijk van stille hulpvrager naar krachtige ondersteuner. Een vrouw van Dynamo vertelde me dat ze niet meer te herkennen is. Ze is erg positief over het OCMW van Lummen. De maatschappelijk werker heeft haar gestimuleerd om deel te nemen aan een cursus budgetbegeleiding. Met een heel klein hartje is ze er naar toe gegaan en dat is een zeer positieve ervaring geweest. Haar sociaal isolement werd doorbroken. Toen de cursus afliep was er een behoefte om te blijven samenkomen. Dit is gebeurd en zo ontstond Lichtpunt in Lummen in 1996. Samen met een aantal personen trekt deze vrouw de groep. Dit gebeurde volledig ‘op eigen kracht’. Men kreeg wel een ontmoetingsruimte ter beschikking van de gemeente (onderzoeker op basis van getuigenis). Alhoewel Dynamo waardering ondervindt van de buitenwereld, wordt deze waardering niet omgezet in een degelijke financiële ondersteuning of in een volwaardig statuut van de medewerkers. Men is aangewezen op het blijven zoeken naar middelen, op het indienen van goede ‘papieren’ dossiers. Dit staat een streven naar onafhankelijkheid van de organisatie in de weg en betekent een beperking in de mogelijkheden voor empowerment.

3. vzw Recht-Op: empowerment via constructieve samenwerking, cultuurparticipatie en ‘kwartiermaken’
3.1 Voorstelling vzw Recht-Op Recht-Op is een vereniging waar armen het woord nemen.15 Deze vereniging werkt in drie wijken van de stad Antwerpen. Er is een groep Dam/Schijnpoort, een groep op het Kiel en een derde werking is recent opgestart in Borgerhout. Mensen die in armoede leven zijn essentiële gesprekspartners in de werking van Recht-Op. Via de groepswerking worden hun ervaringen rond bepaalde thema’s gebundeld. Eerst wordt er stilgestaan bij de knelpunten en problemen rond het door de groepsleden gekozen thema. Vervolgens worden er veranderingsvoor15 Deze informatie is gebaseerd op een gesprek met Frankie De Prins (Recht-Op, werking Kiel) en op tekstmateriaal van Recht-Op (interne nota’s, gepubliceerd materiaal).

38

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

stellen en adviezen geformuleerd en tenslotte worden er ‘dossiers’ samengesteld. Met deze dossiers gaat men naar hulpverleningsinstanties en het beleid. Zo heeft Recht-Op reeds gewerkt rond huisvesting (i.c. procedure tot onbewoonbaarverklaring), uitsluitingsproblemen in het onderwijs, drempels in de rechtshulp en integrale jeugdhulpverlening (de groep van het Kiel werkte eerder al rond kinderopvang). Het structureel werken wordt erg belangrijk geacht. Dit betekent actiegericht en resultaatgericht werken. Dit alles gebeurt mits een consequente en doorgedreven participatie van de mensen zelf die in armoede leven. Deze participatie gebeurt op verschillende niveaus, ook binnen de eigen organisatie (bv. raad van beheer). Bij externe contacten gaan de mensen die in armoede leven zoveel mogelijk mee en participeren actief (bv. bij de vorming van VVSG aan schuldbemiddelaars). Deze participatie wordt grondig voorbereid. De kwaliteit van de participatie en het participatieproces primeren. Recht-Op ziet dat participatie werkt. “Mensen komen geleidelijk uit hun isolement Leggen zelf contacten met diensten Zetten stappen naar opleiding of werk Nemen verantwoordelijkheid op Ze worden zekerder van zichzelf En nemen hun leven meer zelf in handen” (Recht-Op, interne tekst). Zodoende ‘groeien’ mensen die in armoede leven. Het volgend logo van Recht-Op is hiervan een illustratie:

Recht-Op heeft oog voor de binnenkant van de armoede. Mensen die in armoede leven worden niet enkel uitgesloten, maar voelen zich ook uitgesloten. Ze geloven dat ze minder waard zijn en ‘schuldig’ zijn. “Als we praten over de binnenkant van de armoede gaat het vooral over: - hoe mensen zich voelen in die armoedesituatie; - hoe zij zich bekeken voelen en hoe het is om niet begrepen te worden;

39

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

- hoe het voelt om als kind op te groeien in een instelling, zonder te weten hoe het er in een gezin aan toe gaat; - hoe het is om zich constant te moeten verantwoorden; - hoe het is om dagdagelijks te moeten overleven in deze samenleving; - de vernederingen en het altijd alles moeten vragen; - altijd de schuld krijgen van je armoede“ (Recht-Op, 2003). Naast deze persoonlijke groei, het individueel empowerment, werkt Recht-Op ook aan het sociaal empowerment, het sterker maken van de groep van armen. Ook aan het structureel empowerment wordt gewerkt via sociale acties om reële veranderingen in de samenleving teweeg te brengen. Dit laatste gebeurt aan de hand van constructieve samenwerking met andere verenigingen waar armen het woord nemen en met andere betrokken organisaties en beleidsinstanties. Zo neemt Recht-Op onder meer deel aan het APGA (Antwerps Platform Generatie-Armen) en aan het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen. Recht-Op is ook een structurele partner bij de opvolging van het Algemeen Verslag over de Armoede in de schoot van het federaal Steunpunt sociale uitsluiting, armoedebestrijding en bestaansonzekerheid. 3.2 Dialoog tussen vzw Recht-Op en het OCMW van Antwerpen In het kader van deze studie focussen we op de constructieve dialoog die er is ontstaan tussen Recht-Op (werking Kiel) en het OCMW van Antwerpen. Het OCMW van Antwerpen gaf in 1998 aan het HIVA de opdracht om de kwaliteit van de OCMW-hulpverlening te verbeteren via de inbreng van het cliëntperspectief.16 Hiervoor werden een 100-tal OCMW-cliënten geïnterviewd alsook negen organisaties bevraagd die dicht bij de meest kansarmen in de Antwerpse samenleving staan. Vzw Recht-Op was hier één van. Het maatzorgconcept (Van Regenmortel, 1996) vormde in dit onderzoek een belangrijke inspiratiebron bij de invulling van het kwaliteitsbegrip binnen de OCMW-hulpverlening. In de marge van dit kwaliteitsonderzoek werd ook vorming gegeven aan de maatschappelijk werkers van het OCMW van Antwerpen rond deze maatzorgmethodiek (Demeyer, 1999). Het onderzoeksrapport ‘Het doel-

16 Dit onderzoek kaderde in het SIF-programma van het OCMW van Antwerpen. U vindt meer informatie over dit onderzoek in de publicaties van De Cuyper (2001, 2000a, 2000b en 2000c).

40

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

groepperspectief binnen de Antwerpse OCMW-hulpverlening: sleutel tot kwaliteit’ (De Cuyper, 2001) werd afgesloten met een aantal aandachtspunten. Voor het thema ‘participatie’ werden de volgende punten genoteerd: “- Verhogen van de inspraakmogelijkheden van de hulpvrager in de begeleiding en bij beslissingen - Meer inzage en uitleg omtrent de eigen dossiervorming - Komen tot een meer begrijpelijke mondelinge en schriftelijke communicatie voor specifieke deelgroepen (in het bijzonder anderstalige hulpvragers) - Extra aandacht voor de voorbereiding van hoorzittingen - Uitwerken en bekendmaken van een duidelijke klachtenregeling voor hulpvragers - Verdere uitbouw van de dialoog/participatie met de doelgroep of doelgroeporganisaties” (De Cuyper, 2001). In het kader van het huidige beleidsplan van het OCMW van Antwerpen worden rond diverse thema’s regisseursgroepen opgericht. RechtOp participeerde aan de regisseursgroep Rechtsbedeling (i.c. klachtenprocedure, budgetbeheer en de noodzaak van budgetbegeleiding), de regisseursgroep Klantrelatiemanagement (informatie en communicatie, eerste contact, intake, huisbezoek enz.) en de regisseursgroep Middelen (activering). Boven deze regisseursgroepen staat een centrale stuurgroep waar APGA aan deelneemt. Het OCMW van Antwerpen blijkt werk te maken van dialoog/participatie met de doelgroeporganisaties. RechtOp geeft aan dat het OCMW van Antwerpen vandaag openheid en interesse toont om een cultuur van dialoog op te bouwen. Vzw Recht-Op heeft deze participatie wel mede gestimuleerd. Het proces van inspraak en betrokkenheid vraagt tijd en is een voortdurende zoektocht. Twee jaar geleden kozen de groepsleden van RechtOp reeds voor het thema ‘OCMW’ voor de eigen groepswerking.17 Dit werd toegespitst op ‘betrokkenheid in de eigen hulpverlening’. Participatie in de hulpverlening is een middel om meer greep te krijgen op het eigen leven en de omgeving, op empowerment dus. “Armen zijn heel vaak afhankelijk van anderen. Die afhankelijkheidspositie wordt niet doorbroken. Ze wordt door verschillende op elkaar inwerkende mechanismen eerder bestendigd. Het is de ervaring van zowat elke

17 Een uitvoerige beschrijving vindt u in de publicatie van Recht-Op, werking Kiel (2004), ‘De kant van de klant. Over cliëntbetrokkenheid in de hulpverlening van het OCMW Antwerpen’.

41

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

kansarme dat hij voor eeuwig en altijd een beroep zal moeten doen op hulpverleners. Ondanks de verschillende boeken, cursussen en seminaries over maatzorg, empowerment en emancipatorische hulpverlening werkt hulpverlening nog vaak te oplossingsgericht. De aandacht gaat voornamelijk naar het product, de oplossing, en in veel mindere mate naar het proces, de weg die afgelegd wordt om tot een oplossing te komen. Vertrekkende van deze ervaringen kozen de groepsleden als thema voor de vergaderingen ‘Betrokkenheid bij de eigen hulpverlening’. Een hulpverlening waarbij de participatie van de hulpvrager centraal staat, werkt op termijn preventief. Als iemand geleerd heeft hoe een probleem zelf aan te pakken, vergroot niet alleen zijn zelfstandigheid maar ook de kans dat hij een volgende keer niet opnieuw bij een hulpverlener moet aankloppen. Kansarmen willen maar al te graag leren om niet in schulden te geraken en om hun problemen zelf aan te pakken” (Recht-Op, interne tekst). Naast vele ervaringen worden binnen de groep verschillende voorstellen verzameld. Recht-Op onderhoudt contacten met mensen van verschillende echelons binnen het OCMW. Zo woonde bv. de voorzitter, mevrouw Monica Deconinck, op uitnodiging van de groep, meerdere groepsvergaderingen bij. De vereniging organiseerde een eerste rondetafel met het OCMW van Antwerpen om over deze voorstellen van gedachten te wisselen. Verschillende personeelsleden van het OCMW, waaronder bestuursdirecteurs, diensthoofden, hoofden van lokale sociale centra en maatschappelijk werkers woonden deze rondetafel bij en reageerden positief. Recht-Op heeft het gevoel dat adviezen daadwerkelijk worden opgevolgd. Deze ontmoeting met het OCMW leidt ook tot een meer positieve beeldvorming over het OCMW bij de personen die in armoede leven. De visie van maatzorg (en empowerment) is een kader dat zowel Recht-Op als het OCMW van Antwerpen onderschrijven en betekent een rode draad voor een constructieve samenwerking. Recht-Op hoopt momenteel op een volgende stap, nl. dat het OCMW van Antwerpen binnen de eigen OCMW-organisatie en onder eigen verantwoordelijkheid ‘gebruikersgroepen’ gaat oprichten en zodoende zelf de verantwoordelijkheid opneemt voor het realiseren van cliëntenparticipatie en de structurele dialoog met armen. Ook het in dienst nemen van ervaringsdeskundigen in de armoede is hierbij een mogelijk

42

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

spoor (onder voorbehoud dat de nodige randvoorwaarden zijn vervuld18). Het blijkt een structureel probleem te zijn dat organisaties zoals RechtOp ‘over’vraagd worden. De mensen die in armoede leven worden door de vzw steeds vergoed voor hun onkosten (vervoer), maar werken uiteindelijk gratis. Bijkomende kosten bv. voor kinderopvang of maaltijden worden - indien nodig - door Recht-Op zelf betaald. 3.3 Cultuurparticipatie en ‘kwartiermaken’ binnen het project ‘Een paar apart’ ‘Een paar apart’ is een project van Recht-Op (werking Kiel) en RISO Antwerpen.19 Aan de basis van dit project lag de ervaring dat mensen die in armoede leven een beperkt en weinig verscheiden sociaal netwerk hebben. Mensen die in armoede leven hebben weinig contacten met mensen met een andere sociale achtergrond. Deze ‘andere’ contacten bieden net kansen op opwaartse sociale mobiliteit. De zoektocht naar terreinen waarbinnen de verbreding van het netwerk van armen kon gerealiseerd worden, leidde tot ‘cultuur’. Cultuur is een uniek domein omdat het mensen in armoede niet benadert vanuit een probleem, maar vanuit een plezierig, creatief iets dat bijdraagt tot de menselijke ontplooiing. Het hoofddoel van het project ‘Een paar apart’ is netwerkverbreding. Cultuur is het middel om ‘ontmoeting’ op te zetten tussen armen en niet-armen. Daar deze mensen normaliter ‘gescheiden’ leven dient deze ontmoeting ‘kunstmatig’ opgezet te worden. Deze bemiddeling krijgt in het project gestalte tijdens tweewekelijkse caféavonden.20 De mensen krijgen de gelegenheid om elkaar te leren kennen en kunnen een afspraak maken om in duo (arm en niet-arm) deel te nemen aan culturele activiteiten naar keuze. Het werven van armen en niet-armen gebeurt door de twee projectwerkers of spontaan doordat de betrokken deelnemers nieuwe mensen meebrengen. De projectmedewerkers hebben steeds een intakegesprek met de nieuwe deelnemers om de doel-

18 U vindt hierover meer informatie in het rapport ‘Tewerkstellingsmogelijkheden voor ervaringsdeskundigen in de armoede. Een kwestie van visie en voorwaarden’ (Van Regenmortel, de Veirman & Vercaeren, 2000). 19 Deze tekst is gebaseerd op teksten van Recht-Op en RISO Antwerpen. Het HIVA verzorgt ook de supervisie van dit project. 20 Dit gebeurt concreet in het Cultuurcafé De Rits, een initiatief van het buurtwerk De Tiret, het cultuurcentrum De Kern en ‘Een paar apart’.

43

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

stellingen uit te leggen Deze twee projectmedewerkers vormen een duo of tandem: een ervaringsdeskundige in de armoede en een opbouwwerkster.21 Binnen dit project komen ook de drempels voor cultuurparticipatie van armen aan bod. De drempels worden binnen het project kunstmatig ondervangen. Zo hebben de deelnemers geen kosten voor toegangskaarten of vervoer, wordt er gezorgd voor gratis kinderopvang, wordt de informatie over het cultuuraanbod door de projectwerkers bijeengebracht en aangeboden tijden de caféavonden enz. Anderzijds probeert men daadwerkelijke structurele veranderingen te bekomen met de betrokken organisaties en het beleid en liggen concrete voorstellen/ resultaten op tafel o.a. inzake inkomprijzen, vervoer, informatieverspreiding, vorming over het inhoudelijk aanbod, kinderopvang. Ook de minder zichtbare culturele en psychologische drempels van zich minder voelen dan anderen of het ontbreken van cultuurstimulerende contacten, komen binnen dit project aan bod. Haesendonckx (2001) spreekt in deze context van statusverlegenheid en statusverlening. “Ik voel me daar niet op mijn gemak. Dat is niks voor mij Ik heb niet de juiste kleren om daar naar toe te gaan Ik voel me bekeken, ’t is precies of iedereen mij aangaapt Ik denk dat anderen mij te min vinden Mensen met problemen zoals ik horen daar niet thuis (…) Ik had voor het eerst het gevoel dat ik als een gewone mens op straat liep, en niet als iemand met zovele problemen” (getuigenissen vermeld in Recht-Op, 2001). Mensen schamen zich voor hun afkomst en lezen in de blik van anderen dat ze zich dienen te schamen over hun armoede en dat het ongepast is om aan een luxeproduct als cultuur deel te nemen. Door het herhalend deelnemen aan deze activiteiten waarvoor men zich te min voelt, vermindert deze statusverlegenheid. Deze positieve ervaringen blijken helend te werken voor mensen in armoede: het zelfwaardegevoel stijgt en men heeft het gevoel erbij te horen. De deelname aan culturele activiteiten staat ook goed, verleent status en laat toe om mee te kunnen praten. Als niemand in de eigen omgeving hier belang aan hecht, als

21 De ervaringen binnen dit project, de tandemwerking en het matchen van armen en niet-armen worden momenteel uitgeschreven.

44

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

men door niemand wordt aangesproken, moet de eigen motivatie erg groot zijn om te participeren aan cultuur. De verbreding van het sociaal netwerk is hierbij een kracht. Cultuurparticipatie is hiertoe een middel en doel. Netwerkverbreding via cultuurparticipatie is een hefboom tot integratie van mensen in armoede. Cultuurparticipatie is een bindende kracht in de armoedebestrijding, maar ook een vergeten recht. Dit is het besluit van een Belgische studie (Demeyer & Van Regenmortel, 1998). ”Cultuurparticipatie is immers geen luxe, het is een recht, evenwel een vergeten recht. Deze studie toont de bindende kracht aan van cultuurparticipatie en haar activerende en motiverende effecten voor de participanten, ook op andere levensdomeinen. Personen in een achterstellingssituatie zijn niet ‘ongemotiveerd, passief, lui, onmondig’. Het is de kunst en opdracht van een samenleving om creatief te zoeken waartoe mensen te motiveren zijn en hen gepaste communicatiekanalen aan te reiken. Deelname aan cultuur is duidelijk één weg, een rustgevend communicatiekanaal met voordelen voor alle betrokken actoren en dat personen het gevoel geeft terug greep te krijgen op het eigen leven en op het samenleven” (Demeyer & Van Regenmortel, 1998). Er is een link tussen cultuurparticipatie en empowerment. Mensen worden aangesproken op hun krachten en krijgen het gevoel er bij te horen, ze krijgen meer keuzemogelijkheden en meer greep op het eigen leven en hun omgeving. De maatschappij heeft wel de verantwoordelijkheid om cultuur toegankelijk te maken voor personen in armoede en om actief appèl op hen te doen. Het recht op cultuur en op ontspanning is immers een sociaal grondrecht voor iedereen. Ook internationaal onderzoek wijst op de meerwaarde van cultuurparticipatie met betrekking tot empowerment. Zo vermeldt Matarasso (1997) naast de positieve effecten van cultuurparticipatie op het vlak van persoonlijke ontwikkeling, sociale cohesie, beeldvorming en identiteit, verbeelding en visie en gezondheid en welzijn ook expliciet op de positieve impact op het vlak van empowerment van de gemeenschap en van het zelfbeschikkingsrecht. Mensen krijgen niet enkel meer controle over het eigen leven, maar ook het gemeenschapsgevoelen en de samenwerking en netwerkvorming binnen de gemeenschap wordt door cultuurparticipatie versterkt. De andere pijler van ‘Een paar apart’, nl. het opzetten van ontmoeting tussen armen en niet-armen, kadert ook in het empowermentgedachtegoed. Vandaag is het zich distantiëren (‘distancing’) nog steeds het

45

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

dominante antwoord van niet-armen tegenover armen (Van Regenmortel, 2002a). Volgens Lott (2002) situeert zich dit zowel op het cognitieve (‘blaming the victim’), het institutionele (barrières in de toegang van maatschappelijke instituties als bv. onderwijs, huisvesting, gezondheid) als op het interpersoonlijke vlak (continue vernederende ervaringen in het dagelijks leven van armen). Empowerment benadrukt het belang van verbinding en ontmoeting. Slechts door het dichterbij komen is er een echte kans op ontmoeten. Deze ontmoeting moet wel gestimuleerd worden. Initiatieven als de maatjesprojecten, vriendendiensten passen in deze context. Men spreekt over georganiseerde of gearrangeerde vriendschappen.22 Het koppelen van mensen die ‘anders’ zijn aan mensen die ‘niet anders’ zijn ligt hier aan de basis. Vooral in Nederland kennen deze projecten een grote expansie (zie o.a. de maatjesprojecten en vriendendiensten). Dit ‘buddy’systeem situeert zich vooral op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg vanuit het rehabilitatiedenken. Deze initiatieven brengen ons bij het relatief nieuwe concept ‘kwartiermaken’. Doortje Kal (2001) omschrijft kwartiermaken als ‘de activiteit van ruimte maken voor de vreemde ander’. Dit streven naar ‘burgerschap met ruimte voor anders zijn’, past in het empowermentparadigma. Projecten als de vriendendiensten zijn hiertoe een middel.23 Vrijwilligers gaan hierbij regelmatig op bezoek bij ‘cliënten’ om vervolgens ook drempels naar de buitenwereld te slechten. De vriendendienst mobiliseert betrokkenheid bij de doelgroep, niet alleen van de vrijwilligers, maar ook van de instellingen, instanties en openbare ruimten die men bezoekt. Men kan werken aan het empowerment van mensen die kwetsbaar zijn, maar als deze zich bevinden in omgevingen die kwetsen, stigmatiseren, uitsluiten en bijgevolg segregatie i.p.v. integratie in de hand werken, wordt het voor deze mensen wel erg moeilijk. Ook aan deze zijde van de samenleving, bij deze die ‘niet-anders-zijn’, dient actief te worden gesleuteld. Dit is een aspect bij het streven naar de vermaatschappelijking van de zorg. Het vraagt om maatschappelijke steunsys-

22 Een voorbeeld in Vlaanderen is Metawonen in Gent, een initiatief vanuit de geestelijke gezondheidszorg voor mensen met psychiatrische en/of psychosociale problemen. Meer informatie over Metawonen vindt u op de website http://www.studiant.be/metawonen. 23 Voor meer informatie over kwartiermaken en vriendendiensten kan u terecht op en de websites http://www.maatschappelijkeactivering.nl http://www.trimbos.nl.

46

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

temen waarin gastvrijheid en betrokkenheid centrale sfeeraspecten zijn. De brede vrijwilligerswerking past ook in deze sfeer.24 De onderliggende ideeën van kwartiermaken als burgerschap (met ruimte voor het anders zijn), gelijkwaardigheid, de waarde van ervaringskennis, het belang van verbinding, ontmoeting en presentie, ‘bemoeizorg’ maken ook deel uit van het empowermentparadigma. Dit project van netwerkverbreding en cultuurparticipatie ‘Een paar apart’ is, ons inziens, een voorbeeld van kwartiermaken met sterke troeven voor empowerment op diverse niveaus (individuen, groepen, buurten en gemeenschappen, organisaties en het beleid). Ook de tandemwerking is op zich een empowering praktijk die uiting geeft aan de waarde van ervaringskennis, aan het geloof in de ervaringsdeskundigheid en de kracht van personen die in armoede leven.

4. ModeM: empowerment via de schakelfunctie
ModeM is een laagdrempelig wijkgericht onthaal voor hulpvragers met een multicomplexe probleemsituatie.25 ModeM is gevestigd in het geïntegreerd wijkcentrum ’t Pleintje in Deurne-Zuid (Antwerpen). In dit wijkcentrum staan animatie, vorming, ontmoeting en maatschappelijke actie centraal naast het hulpverlenen. ModeM is dus ingebed in een context die veel ruimer is dan hulpverlening. Doordat de hulpvragers regelmatig aanwezig zijn in het wijkcentrum ontstaat er een spontane overgang naar de hulpverlening die ModeM doet. ModeM wil de link maken tussen de hulpvragers en de reguliere hulpverleningsdiensten zoals het OCMW, geneeskunde voor het volk, onthaaltehuizen, tewerkstellingsorganisaties enz. ModeM is dus een soort ‘tussendienst’ tussen kansarme hulpvragers en de reguliere diensten. Vanuit deze tussendienst wil men de (wederzijdse) drempels verkleinen zodat de toegankelijkheid van de hulpverlening stijgt. De werking van ModeM is gebaseerd op het empowermentgedachtegoed. Dit blijkt uit een aantal uitgangspunten van ModeM. “- Modem wil de hulpvrager versterken door samen aan zijn problemen te werken

24 Meer informatie hierover vindt u in het themanummer van het Tijdschrift voor Welzijnswerk ‘Vrijwilligerswerk en empowerment’ van oktober-november 2001. 25 De informatie is gebaseerd op gepubliceerd onderzoeksmateriaal van Beunens en Verbeke (2003) en Beunens (2003).

47

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

- ModeM wil de draagkracht van hulpvragers en hun gezinnen vergroten, door netwerkvorming rond de hulpvrager. In dit netwerk zitten professionelen en vrijwilligers als evenwaardige partners naast elkaar. - Modem wil preventief werken om tijdig te kunnen schakelen en door te verwijzen, en zo grotere schade te voorkomen - ModeM coördineert per hulpvrager de zorg met een integrale aanpak. ModeM houdt overzicht op problemen en oplossingsstrategieën. De ModeM-medewerker volgt permanent het traject van de hulpvrager op en houdt contact met de hulpverleningsinstanties” (Beunens & Verbeke, 2003). ModeM vertrekt van de draagkracht van de hulpvrager en werkt aan de sociale en persoonlijke vaardigheden van de hulpvrager. Er wordt beroep gedaan op de (nog) aanwezige mogelijkheden en zoveel mogelijk leerkansen worden benut. Dit permanent appèl aan de hulpvrager werkt activerend en motiverend. Door samenwerking en netwerkvorming met andere diensten wordt ook de draagkracht van de hulpverlener(s) versterkt. Interessant is tevens dat ModeM werkt vanuit een duo-aanpak: een allochtone en autochtone medewerker. Men stelt dat het gezamenlijk optreden leidt tot openheid in visie, vaardigheden en oplossingsgericht werken. Voor allochtone hulpvragers betekent dit wellicht een meerwaarde. Bovendien tracht men zo de beeldvorming bij autochtonen ten aanzien van de allochtonen te bespelen. Dit is ook een voorbeeld van ‘kwartiermaken’ (cf. supra). VIBOSO kreeg de opdracht tot een kwalitatief evaluatieonderzoek van ModeM waarbij men de hulpvragers aan het woord laat. Hieruit blijkt de positieve appreciatie vanwege de hulpvragers. ModeM is een nuttige dienst die bovendien erg populair is bij de hulpvragers. Vooral de persoonlijke aanpak, de lage drempel en de tastbare resultaten slaan aan bij de gebruikers. De persoonlijke band en emotionele ondersteuning van de ModeM-werkers vormen de slagkracht van ModeM. De medewerkers worden beschouwd als vertrouwenspersoon of vriend en dit maakt dat men dit contact wil blijven behouden en het veelal niet als een tijdelijk traject ziet. De inbedding van ModeM in een geïntegreerd wijkcentrum maakt een blijvende band mogelijk. Bij het eerste contact stellen de meeste hulpvragers geen hulpverleningsvraag, men komt voor het geïntegreerd wijkcentrum. Pas later, via de diepgang in de relatie, komen de verhalen. Heel wat mensen wisten niet dat er hulp mogelijk was voor hun problemen of hadden geen idee

48

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

waar ze ermee terechtkonden. Een belangrijke meewaarde in de relatie tussen hulpvrager en ModeM is dat de hulpvrager niet enkel iemand is met problemen, maar ook kwaliteiten en competenties heeft die goed van pas komen voor het wijkcentrum. De mensen worden tot actie en participatie gestimuleerd (zowel binnen als buiten het wijkcentrum). De volgende troeven komen uit de interviews en het groepsgesprek met de gebruikers van ModeM naar voren (Beunens, 2003): - Doeltreffend: een dienst die resultaten behaald; - Ondersteunend: door zelf iets te doen en door de steun, krijgt men meer zelfvertrouwen; - Brede hulpverlening: naast materiële zaken heeft men ook oog voor psychologische zaken; - Persoonlijk: spontane, vriendelijke en menselijke omgang; - Toegankelijk: minder bureaucratisch dan andere diensten, men kan er dagelijks terecht; - Goed geïnformeerd: het krijgen van juiste informatie en een juiste doorverwijzing; - Verbonden aan de buurtwerking: vergroten van sociaal contact door band met het buurthuis; - Anders: combinatie van praktische en emotionele dingen, meer begrijpen van de leefwereld van de hulpvrager. Modem is, ons inziens, een voorbeeld van een empowering praktijk. De werking bevat vele elementen die faciliterend zijn voor empowerment. Zo is de rolrelatie tussen hulpvrager en hulpverlener gestoeld op partnerschap en gelijkwaardigheid en gekenmerkt door een grote betrokkenheid met oog voor de binnenkant van de hulpvrager. Het krachtenperspectief is eveneens opgenomen. Vanuit een visie van recht op hulp gaat men pro-actief de potentiële hulpvragers benaderen in ‘hun’ plek (i.c. een laagdrempelig wijkcentrum). Men gaat ook samen op stap met de hulpvrager. De termen vindplaatsgericht werken en ‘outreaching’ zijn dan ook van toepassing. Verschillende betrokken diensten worden rond de tafel verzameld en ModeM blijft een continu aanspreekpunt voor de hulpvrager. Dit is casemanagement dat eveneens een belangrijk aspect is bij een empowering aanpak. Tot slot is het project ook gericht op het bevorderen van de toegankelijkheid van diensten voor kansarme hulpvragers, tevens een pijler bij empowerment. Het samengaan van buurtwerk (‘nulde’ lijn) en hulpverlening vormt hierbij een belangrijke kracht.

49

EMPOWERMENT VAN ONDERUIT

Dit soort werking kan inspirerend zijn bij de uitwerking van bv. het concept ‘Sociaal Huis’. Een mogelijke valkuil is dat ModeM de afhankelijkheid van een tussenpersoon of tussendienst zou kunnen bevestigen, zowel bij de betrokken hulpvragers als bij de organisaties. Dit zou een disempowerend neveneffect kunnen zijn. Dit kan vermeden worden doordat de ModeM-medewerker blijvend een beroep doet op de zelfredzaamheid van de hulpvrager.

5. Besluit: de kracht van armen
De geschetste organisaties en projecten zijn concrete voorbeelden van empoweringen praktijken. Empowerment wordt hier van onderuit (bottom-up) bewerkstelligd wat tegelijkertijd de sterke kracht aantoont van personen die in armoede leven en van de ‘minder-machtige’ organisaties in onze samenleving. Belangrijk is dat de ‘meer-machtige’ personen en organisaties deze beweging stimuleren, er actief appèl op doen en zelf openstaan voor dit empowering proces. Slechts dan is er echt kans op positief ontmoeten tussen armen en niet-armen met een wederzijdse meer positieve beeldvorming als resultaat. Zo groeien er synergieën en kunnen de machtige organisaties hun ‘macht’ gebruiken om empowerment mede te stimuleren (‘the use of power to empower’) en dit op individueel, sociaal en niet in het minst op structureel vlak. Het kijken naar en opsporen van de krachten van armen wordt al lang benadrukt door armenorganisaties. Het is tijd dat dat aspect ook in het wetenschappelijk, het maatschappelijk en het beleidsdiscours wordt erkend en geïntegreerd. De voorgestelde aanpassing van de definitie van armoede (cf. supra) is hierbij een eerste stap.

50

Empowerment in het OCMW Heusden-Zolder

Het OCMW Heusden-Zolder heeft heel wat troeven in huis voor het empowerend werken met personen die in armoede leven. Zo wordt de maatzorgmethodiek toegepast in de individuele begeleidingen, is het lokaal cliëntoverleg uitgebouwd, is er een ruim aanbod van groepswerk, een brede netwerkvorming met verschillende diensten en wordt er gezinshulp op maat aangeboden. De meerwaarde schuilt ook in het geïntegreerd aanbod van deze aspecten. Zo is in het OCMW Heusden-Zolder één maatschappelijk werker (i.c. Lutgart Agten) vrijgesteld voor de volgende vier werkingen: individuele maatzorgbegeleiding in kansarme gezinnen, het cliëntoverleg, de groepswerking met kansarmen en gezinshulp in kansarme gezinnen. Het feit dat één persoon met heel wat ervaring en bezieling deze werkingen opvolgt en coördineert, betekent een surplus naar diepgang, continuïteit en onderlinge samenhang en feedback. Het empowermentgedachtegoed en de bijhorende maatzorgprincipes vormen hierbij de rode draad. Zinvolle synergieën zowel binnen het OCMW als met externe actoren komen hierbij tot stand. Het OCMW Heusden-Zolder heeft contacten met een breed gamma van instanties die de klassieke welzijnssector overschrijden. De cultuur van samenwerking en netwerkvorming is reeds lang in het OCMW aanwezig. Door deze netwerkvorming kan meer op maat van de hulpvrager en meer vraaggericht worden gewerkt. Het aanbod wordt voor de hulpvrager uitgebreid en de verantwoordelijkheid van de hulpverlening wordt over verschillende instanties gedeeld. Dit is de voedingsbodem voor een empowering naadloze hulpverlening. In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens de OCMW-stimulansen voor empowerment aan bod via groepswerking, gezinshulp en via budgethulpverlening. Empowerment door middel van maatzorg en het lokaal cliëntoverleg wordt vervolgens geïllustreerd aan de hand van een

51

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

gevallenstudie. We ronden af met de bespreking van de stimulansen die vanuit de provincie Limburg voor de ‘krachtgerichte aanpak’ worden gegeven.

1. Empowerment via groepswerking
Het OCMW Heusden-Zolder werkt innoverend op het vlak van groepswerking. De groepswerking is geïntegreerd in het OCMW-aanbod voor personen die in armoede leven. Net als bij de individuele hulpverlening en het cliëntoverleg, staan ook in deze groepswerking de maatzorgprincipes en de empowermentgedachte centraal. Dit is niet toevallig: eenzelfde persoon is immers verantwoordelijk voor de individuele maatzorgbegeleidingen, het cliëntoverleg en de groepswerking met kansarmen. Binnen deze ¾ opdracht coördineert deze persoon de intervisie rond de maatzorgbegeleidingen, is deze de coördinator van het cliëntoverleg en begeleidt deze de groepswerking (i.s.m. externen) rond opvoedingsondersteuning en ‘gezond, gezellig en goedkoop koken’. Personen die in armoede leven missen dikwijls een aantal basisvaardigheden om bv. kinderen op te voeden of een huishouden te runnen. Dit is niet hun schuld, ze hebben gewoon niet de kansen gehad om deze vaardigheden aan te leren of er waren onvoldoende spiegels in hun omgeving aanwezig om de opgebouwde kennis en vaardigheden aan te toetsen. Onze maatschappij gaat er vanuit dat deze basisvaardigheden aanwezig zijn en is op deze evidenties gebaseerd. Wanneer deze vaardigheden ontbreken, ontstaan er reeds zeer vlug misverstanden, kwetsuren, en is de vicieuze armoedespiraal aan het werk. Kinderen die vuil zijn, of hardnekkige luizen hebben en boterhammen wegnemen uit de boekentassen van andere kinderen omdat ze thuis nooit ontbijten, worden vlug als anders én minderwaardig bekeken. De school kijkt negatief naar deze gezinnen en verwachten niet veel van de schoolprestaties van de kinderen. Deze kinderen worden gemeden door de andere kinderen (onderzoeker op basis van gesprekken met maatschappelijk werkers). Het schulddenken overheerst in onze maatschappij. Er wordt geen tijd genomen om te kijken wat er achter dit gedrag en uiterlijk zit. Hoe komt het dat deze kinderen zo naar school komen, hoe kan het gezin het best worden ondersteund? Deze vragen bieden openingen naar een meer constructieve, niet-beschuldigende kijk en leiden tot het opnemen van

52

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

verantwoordelijkheid en niet tot stigmatisering en segregatie. Het zijn net deze gezinnen die immers recht hebben op prioritaire én positieve aandacht van onze maatschappij. Dergelijke situaties kunnen bv. in een cliëntoverleg gesignaleerd worden en door de hulpverlener die het dichtst bij het betrokken gezin staat, besproken worden met het gezin. Groepswerking is hierbij een mogelijk aanbod. De meeste moeders (of vaders) willen ook goede moeders (of vaders) zijn en wanneer ze hierop worden aangesproken, gaan er heel wat wegen open. Zich invoegen in het levenstraject van de armen zelf, laat toe om krachtgericht te werken. Voor velen betekent de deelname aan een groep ook een doorbreken van het sociaal isolement. Dit is geen eenvoudige stap. De nodige tijd en aandacht dient dan ook voor de toeleiding te worden uitgetrokken. Huisbezoeken van de groepsbegeleiders zijn belangrijk. Ook het inschakelen van de groepsleden zelf voor de werving van nieuwe leden lijkt hierbij aangewezen. Dit is een piste die nog meer kan worden benut. 1.1 Groepswerking rond opvoedingsondersteuning: het ‘oudergroepje’ Deze groepsbijeenkomsten worden in het OCMW Heusden-Zolder gegeven i.s.m. het Schoolopbouwwerk. De thema’s van de bijeenkomsten worden gekozen in samenspraak met de deelnemers. De uitwisseling van de eigen ervaringen op het vlak van opvoeding staan centraal (ook positieve en inventieve antwoorden komen aan bod). Dit maakt dat de bijeenkomsten zeer uiteenlopend zijn en verder kunnen reiken dan opvoeding (bv. partnerrelatie en seksualiteit), op maat van de groep. Aan de hand van deze thema’s worden ook externe sprekers uitgenodigd (bv. CLB, Dienst Relatie en Welzijn). Er wordt ook op verplaatsing gegaan bv. bezoek aan de speelotheek, bibliotheek. Het kennen van een ‘gezicht’ of de werking verlaagt de drempel om naar deze diensten toe te stappen. Zo wordt er verbindend naar de gemeenschap toe gewerkt. Er wordt steeds creatief ingespeeld op de activiteiten in de gemeente. In het OCMW Heusden-Zolder is er een vaste kern ontstaan die reeds verschillende jaren aan deze groep participeren. Deze trekken de nieuwe groepsleden mee in het gebeuren en bewaken de veiligheid van de groep. Deze veiligheid is een belangrijk uitgangspunt (‘wat in de groep gebeurt, blijft in de groep’). Dit scherpt het ‘wij-gevoel’ aan. Het betekent

53

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

ook dat de groepsbegeleiders mee in deze vertrouwenssfeer stappen én worden toegelaten. In de groep wordt er heel wat informatie aangereikt (bv. vakantieaanbod voor kinderen, vrijetijdsbesteding). Keuzemogelijkheden worden zo uitgebreid, drempels overwonnen (bv. door enthousiaste verhalen van andere groepsleden) en grenzen verlegd. De groep gaat ook bewust door in het OCMW zelf. Hier worden ze ‘warm’ ontvangen (met koffie en een lekkernij) in een mooie zaal. De ervaring van door het OCMW op een dergelijke manier te worden ontvangen, wordt zeer gewaardeerd. Het imago van het OCMW en van de groepsbegeleiders (die hen bedienen) wordt hierdoor positiever ingekleurd. Er wordt tevens aandacht besteed aan het vervoer en de kinderopvang. Het principe is dat de deelname aan het groepsgebeuren geen enkele financiële meerkost mag betekenen voor het gezin. Het OCMW neemt hierbij haar verantwoordelijkheid op. Voor deze groep zijn er tien bijeenkomsten per jaar op een vast tijdstip. De laatste bijeenkomst is steeds een evaluatiemoment op verplaatsing. De volgende resultaten worden onder meer opgemerkt: “Negatieve uitspraken over school zijn verminderd, deelnemers geven elkaar advies over de inschakeling van het CLB, de deelnemers geven aan dat ze veel hebben bijgeleerd over de aanpak van de kinderen (bv. regels durven stellen, positieve zaken benoemen), partners zoeken hulp voor hun relatieproblemen, participatie aan een vakantie van een vierdewereldbeweging, lid worden van de speelotheek, regelmatig bezoek aan de bibliotheek met de kinderen, lid worden van het oudercomité, de stap naar het verenigingsleven, een opleiding bij basiseducatie, deelname van het oudergroepje aan de kunstwedstrijd n.a.v. 25 jaar OCMW, samen gezelschapsspelen doen met het gezin” (projecten 2003 SIF/LIF, OCMW Heusden-Zolder). Men ziet dus effecten op het vlak van onderwijs/opvoeding, maar ook op andere vlakken bv. sociale participatie, lichamelijk en psychisch welzijn, opleiding. Het meer greep krijgen op het eigen leven en op de omgeving en het zich beter voelen worden ook bewust nagestreefd. “We zijn meer open geworden, we durven iets zeggen in groep, we hebben leren praten, we voelen ons niet alleen met onze problemen, we voelen ons beter, we kunnen onze emoties laten zien, we zijn niet meer zo bang om naar buiten te komen en durven naar andere diensten en organisaties

54

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

stappen om iets te vragen, we voelen ons zelfzekerder in de rol van moeder” (eindevaluatie met groep van deelnemers, juni 2003). Omdat er een vaste groepskern is die aanspreekbaar is voor verschillende initiatieven hoopt het OCMW ervan om hieruit een vereniging waar armen het woord nemen te laten groeien. Dit zou een verdere stap betekenen in het empowering proces van de betrokkenen. 1.2 Groepswerking rond koken: ‘gezond, gezellig en goedkoop koken’ De kooklessen worden gegeven i.s.m. met de Logowerking West-Limburg. De cursus bestaat uit vier kookvoormiddagen en één samenkomst met een gezond ontbijt en een winkeloefening. Verschillende doelstellingen worden met deze cursus beoogd: bewustwordingsproces rond het belang van gezonde voeding, aanleren van kookvaardigheden via concrete activiteiten, leren prijsbewust winkelen, goedkoop koken en netwerkuitbreiding. Heel wat hulpmiddelen worden aan de deelnemers aangereikt: bv. recepten, boodschappenlijstjes. Via de individuele hulpverlening ziet men dat heel wat tips blijvend worden opgevolgd. Het oog hebben voor kleine stappen is hierbij belangrijk (bv. geen spaghetti met ketchup, maar met verse tomatensaus, geen soep uit blik maar een gedeeltelijk verse soep). Men ziet als resultaat ook gevoelens van trots en fierheid en een waardering vanuit de omgeving (bv. vanwege de kinderen) waardoor de betrokkenen ‘groeien’. Het wordt belangrijk geacht dat de geleerde vaardigheden ook in het eigen thuismilieu verder worden beoefend. Dit is geen evidentie. Deze transfer moet veelal worden gestimuleerd. Deze stimulansen kunnen komen van de maatschappelijk werkers die de gezinnen verder individueel begeleiden. Een andere mogelijkheid is de gezinshulp. Via de intervisie van de gezinshelpsters die een intensieve thuishulp bieden aan kansarme gezinnen (cf. infra), wordt hieraan extra aandacht besteed. Een mogelijke piste hierbij is deze gezinshelpers ook mede te laten participeren aan de groepswerking.

55

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

1.3 Basiseducatie en Cursus ‘Sterk in werk’ De groepscursus ‘Sterk in werk’ wordt in het OCMW Heusden-Zolder gegeven i.s.m. Basiseducatie West-Limburg. De lesgever is Rohnny Berden, tevens de coördinator van Basiseducatie West-Limburg.26 De OCMW-arbeidsbegeleidster participeert aan deze groep. Vooraleer we concreet ingaan op de cursus ‘Sterk in werk’, lichten we de link tussen basiseducatie en empowerment toe. 1.3.1 Basiseducatie en empowerment Het empowermentgedachtegoed is geen onbekende binnen het domein van educatie en volksontwikkeling. Paulo Freire wordt meer dan eens de peetvader van empowerment genoemd. De Freire-methodiek vertrekt van het probleemstellend vermogen van de bevrijdende opvoeding. Deze opvoeding moet de subjecten in staat stellen om zelf in te grijpen in de werkelijkheid en moet hen ertoe brengen om zelf vat te krijgen op hun leefwereld en leefomstandigheden, eerder dan ze te ondergaan. Het samengaan van reflectie én actie wordt benadrukt en dit in een voortdurende dialoog. Persoonlijke vrijheid en ontwikkeling komen hierbij tot stand in solidariteit (Van Regenmortel, 2002b). Sinds 1997 zijn de Centra voor Basiseducatie gaan experimenteren met een nieuw soort aanbod en methodieken gericht naar de ‘moeilijk te bereiken’ doelgroep van kansarmen (zie het KABEL-project en de participatie aan SIF-projecten). De vernieuwde aandacht voor empowerment is hierbij wellicht niet toevallig. Getuige hiervan is de recente publicatie van +PLUSPUNT, Centrum Basiseducatie Noord-Limburg ‘Empowerment: hype of harmonie?!’ (van Drunen, 2002). Het ervaringsgericht leren, het ‘versterken’ van de doelgroep, de zelfredzaamheid en het verruimen van de horizon worden centraal gesteld bij Basiseducatie. Uit het evaluatieonderzoek n.a.v. 10 jaar Basiseducatie noemden de cursisten de volgende aspecten als meerwaarde: “De gehanteerde participatieve methodische aanpak is veruit het sterkste punt van de basiseducatie: het trage cursustempo, het geduld van de edu-

26 Dit tekstonderdeel is gebaseerd op een interview met Rohnny Berden en op zijn cursusmateriaal. Tijdens het interview was ook de arbeidsbegeleidster van het OCMW van Heusden-Zolder aanwezig.

56

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

catieve werkers, hun inzet, de manier waarop zij cursusinhouden uitleggen, de begrijpbare en ‘klare’ taal enz. Daarnaast worden het persoonlijke respect dat de cursisten krijgen van de educatieve; zijn of haar aandacht voor ieder individu in de groep en de goede sfeer in de groep als meest positieve krachten in de werking naar voren geschoven. Cursisten appreciëren het dat er binnen de cursus ook aandacht is voor hun thuisproblemen en niet uitsluitend de cursusinhoud voorop staat zoals in ‘een schoolse aanpak’ ”(van Drunen, 2002). De volgende vaststellingen kwamen uit de (KABEL)pilootprojecten van basiseducatie met kansarmen naar voren (van Drunen, 2002). - Toeleiding naar het regulier aanbod moet beschouwd worden als een mogelijke doelstelling op lange termijn (de meeste deelprojecten hadden dit aanvankelijk als doel gesteld). Sommige projecten kregen daarom een zelfstandig karakter ten opzichte van het Centrum Basiseducatie met eigen doelstellingen die niet altijd aansluiten bij de maatschappelijke en decretale opdracht van basiseducatie. - De eigenheid van deze projecten situeert zich vooral op de omgangsvormen met het doelpubliek en de vorm waarin het aanbod wordt voorgesteld, met name: kortlopend, thematisch en handelingsgericht. Als methodische uitgangspunten worden onder meer het maatzorgprincipe en de agogische draagkracht van de deelnemers genoemd. - De educatieve medewerkers benaderen kansarmen zo persoonlijk mogelijk. Ze nemen deel aan bv. buurtmaaltijden, doen huisbezoeken. De werving gebeurt vaak trapsgewijs, waarbij er wordt gestart met laagdrempelige activiteiten zonder een echt educatieve opzet. - Er wordt samengewerkt met partners uit onder meer het buurt- en opbouwwerk en het welzijnswerk. Deze samenwerking is essentieel voor de instroom van cursisten en vergemakkelijkt de mogelijkheid tot deelname aan overleg in het kader van armoedebestrijding. - Meerdere resultaten worden opgemerkt: deelnemers begonnen probleemoplossend na te denken over hun situatie en leken extra gemotiveerd om verder te leren. Bovendien kon een verhoogd individueel welzijn en een verbetering in het privé-leven worden vastgesteld. Belangrijk voor het empowerment van de deelnemers zijn de effecten die het educatieve aspect overschrijden: met name het meer greep krijgen op het eigen leven en een verhoging van het psychisch welbevinden. Ook de grensoverschrijdende samenwerking die kansen schept om

57

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

integraal, naadloos en op maat te kunnen werken, sluit aan bij empowerment. Basiseducatie benoemt de volgende tien kernelementen voor het versterken van kansarmen (van Drunen, 2002): 1. samenwerken 2. begeleider: één van hen 3. agogische draagkracht 4. positieve en persoonlijke benadering 5. maatwerk 6. integraal werken 7. aangepaste methodieken 8. continuïteit 9. resultaat: kleinschalig en op lange termijn 10. signaalfunctie Rond deze ‘sleutelwoorden’ worden tegelijkertijd ook de knelpunten genoemd om versterkend te werken. Een checklist voor deze elementen werd door Basiseducatie opgemaakt (van Drunen, 2002). Het kan als instrument worden gebruikt om de werking door te lichten. Tenslotte signaleren we een globaal structureel knelpunt dat indruist tegen empowerment. Verschillende betrokkenen signaleren het strakker keurslijf van eindtermen binnen basiseducatie (inzake bv. timing, cognitieve doelstellingen) als hinderpaal voor te werken op maat van kansarmen. Dit keurslijf sluit aan bij wat de maatschappij nodig heeft, maar gaat niet uit van de mensen in kwestie, vooral niet van de meest kansarmen. Men vreest dat door de grenzen op te trekken er een afroming gebeurt zodat de meest zwakke groepen (wederom) in de kou blijven staan. 1.3.2 De cursus ‘Sterk in werk’ De cursus ‘Sterk in werk’ is geïnspireerd op het empowermentgedachtegoed, zowel qua inhoud als aanpak. De lesgever is ‘doordrongen’ van dit gedachtegoed zowel in theorie als praktijk. De prioritaire aandacht voor de meest kwetsbare groepen in onze samenleving, één van de uitgangspunten van empowerment, is hierbij een rode draad. Dat deze aandacht ook ‘positief’ dient te zijn, gericht op krachten en groei, zal verder duidelijk blijken.

58

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

“Vanuit empowerment dient men niet te werken voor de gemiddelde cursist, maar te werken voor alle cursisten. Het tempo van de zwakste is hierbij bepalend” (Rohnny Berden). De cursus wordt aangeboden voor personen die in arbeidsbegeleiding zijn. Er is eerst een persoonlijk gesprek met de lesgever. Deze beslist of deelname in de groep al dan niet kan. Zo wordt een zekere homogeniteit nagestreefd (bv. personen met een te hoge opleiding komen niet in aanmerking). De cursisten moeten ook kunnen schrijven en voldoende Nederlands kennen. Het klimaat De groepssfeer wordt als erg belangrijk beschouwd. “De groep wordt als een lichtpunt ervaren in het dagelijkse grauwe leven, men trekt er zich aan op, het geeft een goed gevoel, men krijgt er waardering en erkenning en nuttige praktische tips. Men moet graag komen naar de groep en men moet eens kunnen lachen”(Rohnny Berden). De schoolse sfeer, waar vele kansarmen negatieve ervaringen mee hebben, dient vermeden te worden. Er dient ruimte te zijn voor humor en creativiteit en men moet proberen bij de persoon zélf te komen. Het groepswerk biedt ook een meerwaarde naar sociale contacten: er is het gevoel van herkenning (men is niet alleen met zijn problemen), van lotsverbondenheid en ondersteuning. Het hoeft geen betoog dat de persoon van de lesgever hierbij een centrale rol speelt. Door het groepswerk krijgt men een heel andere kijk op de mensen. Waar bij de VDAB bv. een beeld heerst over iemand als ‘lui, wil niet werken’, wordt dit door de groep een beeld van iemand die ‘wel wil werken maar, momenteel te moe is van al het organiseren, maar wel zeer geïnteresseerd en actief aan de groep deelneemt’. Inhoud De cursus ‘Sterk in werk’ bestaat uit acht lessen. De lesgever geeft in de eerste les het voorstel van het programma van de cursus. Voorstel programma cursus (8 lessen): - kennismaking (1 les) - zelfbeeld - wie ben ik, wat kan ik, wat wil ik (2 lessen) - communicatieve vaardigheden (3 lessen) - het OCMW/regels en afspraken op het werk (1 les)
59

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

- op zoek naar werk of een nieuwe studie (1 les) - evaluatie De cursisten hebben inspraak bij de accenten in de cursus. ! De eerste les wordt als erg belangrijk beschouwd. In deze les gaat er veel aandacht naar de kennismaking en verwachtingen. Alles gebeurt op een speelse, ludieke manier met vragen waar iedereen op kan antwoorden (bv. wat heb je gegeten vanmorgen, wat is volgens jou het toppunt van genieten, welk is de beste raad die je ooit van iemand gekregen hebt, wat is de grootste flater die je ooit hebt begaan). Er wordt benadrukt dat ook aan de lesgever vragen kunnen gesteld worden. Er wordt verder gepeild naar wat men kan en wat men wil. Het ‘kunnen’ wordt hierbij niet enkel in schoolse termen vertaald. Zo wordt er ook ingegaan op het kunnen als vader/moeder, als vriend. Men is het niet gewoon dat er aandacht wordt besteed aan het eigen kunnen, veelal wordt het ‘niet kunnen, niet weten, niet doen’ benadrukt. Bij de verwachtingen gaat men in op de vraag ‘wat hoop ik te leren, wat hoop ik via deze cursus te bereiken’. Ook hier worden doelen betrokken die het klassieke educatieve aspect overschrijden, maar evenzeer belangrijk zijn in een werkcontext (bv. durven werken aan en komen tot een positiever zelfbeeld, ik wil (beter) leren luisteren naar anderen, ik wil beter mijn gevoelens leren verwoorden, ik wil (beter) leren omgaan met kritiek, ik wil (beter) leren samenwerken, ik wil zicht krijgen op welke job ik juist wil). De exploratie van het kunnen en van verwachtingen gebeurt niet via een open vraagstelling. Men maakt gebruik van lijsten met concrete vaardigheden of doelstellingen/verwachtingen. Daarin kunnen selecties worden gemaakt (bv. top vijf, beste drie/minste drie). Zo heeft men een precies zicht op wat men kan en wat men wil leren. De lesgever loopt tijdens deze opdrachten rond in de groep. ! De volgende twee lessen zijn gewijd aan het zelfbeeld en het toekomstperspectief met een terugkoppeling naar de oriëntering naar werk. De volgende introductie wordt gegeven. Op zoek gaan naar werk of misschien een (beroeps)opleiding volgen, dat is wat je misschien van plan bent na het vervullen van je huidige contract? Of denk je er ernstig over om nu reeds stappen te zetten in de richting van één of andere job? Of zie je eerder iets in een ‘Sabatsjaar’, waarbij je de tijd neemt om in je eigen tempo uit te zoeken welke richting je zal uitgaan? Of heb je niet echt stilgestaan bij wat je in de nabije toekomst gaat

60

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

doen? Tijdens de volgende lessen willen we met jou op zoek gaan naar de antwoorden op deze vragen. Welke keuze je dan maakt ligt volledig bij jou. Maar het is wel belangrijk dat je een beter inzicht krijgt op je eigen toekomstperspectief. Op die wijze kan je beter voor jezelf motiveren welke richting je verder wil geven aan je (beroepsleven) én vooral… welke concrete stappen je daarvoor moet zetten. Om je eigen toekomstperspectief te vinden is het van groot belang dat je een beter zicht krijgt op de volgende vragen: wie ben ik, wat kan ik en wat wil ik. Wie ben ik? Hier gaan we kijken naar het zelfbeeld, het beeld dat wij van onszelf hebben. Misschien wordt dit nog aangevuld met wat anderen van ons denken. Belangrijk in deze oefening is dat je even stilstaat bij je persoonlijkheidskenmerken, je gevoelens, …Achteraf nemen we deze gegevens mee, wanneer we een eerste aanzet geven tot het opmaken van een CV (curriculum vitae, uitleg volgt later). Wat kan ik? Als je op zoek gaat naar een job (of juist niet), dan zal je je zeker en vast ook in je keuzes laten leiden daar je talenten, je vaardigheden, je ervaring …die je wel of niet hebt. Via oefeningen proberen we je een beter (rijker) inzicht te geven in de vaardigheden waarover je beschikt en die vaardigheden waar jij voor kiest om ze nog beter onder de knie te krijgen, want …vaardigheden kan je leren! Ook nu weer proberen we voor ieder apart tot een lijst van vaardigheden te komen die kunnen opgenomen worden in het CV. Wat wil ik? Dé vraag naar ons toekomstperspectief, ons traject. Ze wordt sterk beïnvloed door de 2 vorige vragen en omgekeerd. Wat wil ik van het leven, hoe wil ik mijn leven organiseren, wat is het belang van werk hebben, wat staat hier in de weg, wat wil ik wél of juist niet van een job, …? De klemtoon van deze lessen zal hier worden gelegd. Tussentijds (via VDAB, PWA, Interim, maar vooral via de trajectbegeleidster Liesbet) en na de lessen (eventueel via jobclub, maar zeker via Liesbet) zal er individueel gekeken worden naar de vragen: welke jobs of opleidingen zijn er voor mij weggelegd? (cursusmateriaal) Deze introductie is een voorbeeld van een empowerende aanpak met oog voor onder meer de gehele persoon, voor gevoelens en percepties, voor het groeiproces, het op maat werken, het benadrukken van de eigen keuze, een toekomst creëren, het naar boven brengen van potenties en krachten.

61

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Voor de inventarisatie van de eigenschappen en vaardigheden wordt er ook met lijsten gewerkt waarop ieder zijn scores kan aanduiden. De lijsten zijn zo opgemaakt dat iedereen iets kan aanduiden dat op hem/haar van toepassing is. Zo staat er bij de eigenschappen bv. ik ben vriendelijk, ik ben een pleziermaker, ik ben hulpvaardig, ik ben verdraagzaam, ik ben erg zorgzaam, ik ben een rustig persoon. De lijst met vaardigheden is ook zeer concreet bv. ik kan goed samenwerken met anderen, ik kan een vrachtwagen besturen, ik kan brieven typen, ik kan initiatief nemen. De cursisten krijgen zo een gedetailleerd zicht op zichzelf wat een meerwaarde is bv. in een sollicitatiegesprek. Er is ook expliciete aandacht voor positieve zaken. Zo is er een opdracht ‘Waaruit put ik mijn levenenergie’? Hierbij moet ieder beknopt zijn levensverhaal neerschrijven. Vervolgens wordt er gevraagd naar drie situaties (één thuis, één buitenshuis, één op het werk) waar men met fierheid aan terugdenkt. ! In de volgende drie lessen staat ‘communicatie’ centraal. De lesgever vraagt toestemming om ‘moeilijke woorden te gebruiken’. Hij legt uit waarom dit nodig is en bereidt de cursisten op deze voor (‘Zo is het bij het gebruik van een machine ook belangrijk om de juiste ‘namen’ te kennen’). Er wordt stilgestaan bij begrippen of mechanismen als zender/boodschap/ontvanger, context, omgeving, feedback, verbale en non-verbale communicatie, interpreteren, storingen in communicatie, congruentie. Deze moeilijke woorden worden op een zeer begrijpelijke wijze toegelicht. “Bij het woord ‘context’ wordt er bv. gevraagd aan de groep wat er zou gebeuren als op een avond de televisie stuk gaat bij een pas gehuwd koppel. Vervolgens wat er zou gebeuren waneer de televisie stuk gaat bij een koppel dat 25 jaar getrouwd is. Men krijgt heel andere antwoorden en er ontstaat in de groep enige hilariteit. Het enige feit dat is veranderd zijn het aantal jaren dat men is getrouwd. Dit is ‘de context’ ” (Rohnny Berden). De toelichting gebeurt in dialoog, op een heel interactieve en creatieve manier. Er wordt ook een huistaak meegegeven voor de komende week. De volgende les gaat in op de communicatie op het werk, over hoe men werkrelaties uitbouwt en onderhoudt. Er wordt benadrukt dat men het uitbouwen van goed werkrelaties kan leren, onder meer in de aspecten: 1. zelfrespect/zelfwaardering

62

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

2. 3. 4. 5. 6.

luisteren feedback geven/ontvangen - reageren op kritiek assertief gedrag nee-zeggen tegen een verzoek onderhandelen

Deze aspecten komen uit de Goldsteintherapie (een sociale vaardigheidstraining). Het betreffen essentiële interpersoonlijke vaardigheden die hen sterker zullen maken in alle contacten. De aanpak is niet bedreigend. De veiligheid wordt sterk bewaakt. Zo wordt er eerst met uitgewerkte voorbeelden door de lesgever gewerkt en komen pas later eigen situaties van de cursisten aan bod. De cursisten krijgen inzicht en leermogelijkheden via vele voorbeelden en rollenspel. ! De laatste twee lessen zoemen expliciet in op het thema werk. De volgende drie stappen worden hierbij gevolgd: wat heb ik de wereld te bieden, waar ga ik mijn vaardigheden gebruiken (kennis en interesse) en hoe vind ik een werk dat mijn vaardigheden nodig heeft en dat aansluit bij mijn kennis en interesse. Ook hier is het krachtenperspectief heel expliciet aanwezig. Nogal wat mensen die van werk willen veranderen zeggen dat al hun vaardigheden verband houden met hun huidig werk. En dat ze voor een ander werk heel andere vaardigheden nodig hebben die ze, zo op het eerste zicht, niet bezitten. We vinden dus heel snel van onszelf dat we niet veel speciaals kunnen. We gaan er vandaag vanuit dat je veel meer kunt dan je denkt. Alleen zie je dat nog niet en weet je je vaardigheden nog niet goed te combineren. Wees gerust, je kunt heel wat (cursusmateriaal). Om de vaardigheden (lichamelijke, intellectuele en sociale) op te sporen, wordt gebruik gemaakt van het materiaal uit de vorige lessen (bv. de drie gebeurtenissen waar men met trots op terugkijkt). Na de rangschikking en verfijning van de vaardigheden komt men tot een lijst van voorkeurberoepen op maat van elke cursist. Naast het creëren van perspectieven komt hier ook realiteitszin aan bod. Zo kunnen bepaalde gewenste beroepen (nog) niet haalbaar zijn en kan er eventueel voor worden geopteerd om nog iets bij te studeren terwijl men in tussentijd iets anders doet. Een volgend aspect is de motivatie. Hierbij doelt men niet op waarom men wil werken, maar wel over wat maakt dat een bepaalde job je meer

63

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

motiveert dan een andere job, wat je uitdaagt, interesseert, wat je belangrijk vindt in een bepaalde job. Ook hier wordt er met een lijst gewerkt. Hierop staan beweringen onderverdeeld in dertien groepen: 1. zelfexpressie 2. intermenselijke relaties 3. morele waarden 4. waardering 5. interesse 6. afwisseling 7. inkomen 8. sociaal welzijn 9. creativiteit 10. sociale achting 11. leiding 12. uitdagingen 13. onafhankelijkheid Zo ziet men op welke werkmotivatie men het hoogst scoort. In deze lessen krijgt men tevens informatie over onder meer de VDAB, het interimkantoor, de vakbond. Verder wordt er concreet gewerkt aan hoe een curriculum vitae opmaken, hoe een sollicitatiebrief schrijven en een sollicitatiegesprek voeren. Ook informatie omtrent tewerkstellingsmaatregelen komt aan de orde. ! In de laatste les is steeds een evaluatie ingebouwd. De lesgever acht dit erg belangrijk. Het is zeker geen klassieke evaluatie waarbij toetsen worden afgenomen. Er wordt wel ingegaan op bv. zou je nu iets anders gaan doen of hoe vond je het samenwerken met anderen. De lesgever zegt ook expliciet wat hij van de groep heeft geleerd. Het groepsproces is een zaak van geven en nemen. Ieder groepslid draagt ook een zekere verantwoordelijkheid voor de groep. Dit kan bv. via kleine concrete zaken (bv. een beurtrol om te zorgen voor de koekjes tijdens de groep). Het zijn kleine stapjes om te leren zorg dragen voor anderen. Succeservaringen spelen hierbij een cruciale rol. Heel het denken over werk is in deze cursus volledig gebaseerd op de perspectieven van de persoon zelf en vertrekt niet van het aanbod. De lesgever neemt de cursisten als het ware mee op een spannende ontdekkingsreis die de persoon verrijkt en sterker maakt. De cursist is hierbij geen passieve toeschouwer, maar wordt actief betrokken. Er is een duidelijk appél op de krachten en potenties van de cursisten. Zowel de
64

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

inhoud van de cursus (bv. krachtgericht, integraal, plezierige zaken) als de manier waarop de cursus wordt gegeven (bv. dialogisch, ervaringsgericht, duidelijk taalgebruik) dragen hiertoe bij. De attitude van de lesgever is hierbij essentieel (bv. respect voor iedereen, gelijkwaardigheid, bevlogen en geïnteresseerd). Het meer greep krijgen op het eigen leven is een rode draad. Dit gebeurt onder meer via het beter zicht krijgen op wat men kan, op wat men wil, door toekomstperspectief te creëren, door zichzelf positiever te leren bekijken. Naast dit empowering proces worden er ook concrete leerdoelen bereikt en informatie en praktische tips gegeven. De lesgever ziet een duidelijke meerwaarde om te werken met partners als het OCMW, onder meer op het vlak van toeleiding. Deze cursisten zouden anders wellicht niet worden bereikt. Ook de complementariteit tussen de groep en de individuele begeleiding vindt de lesgever een pluspunt. Het is belangrijk dat de trajectbegeleidster dan ook aan het groepsgebeuren participeert. De informatie vanuit de twee invalshoeken kan worden meegenomen. Synergieën worden zo gesmeed. 1.4 Ingrediënten voor een krachtgericht groepswerk De verschillende toegelichte groepen geven een verruiming van keuzemogelijkheden en groeikansen voor de individuen en hun omgeving. De volgende accenten zijn steeds in deze ‘empowerende’ groepswerkingen aanwezig: Op maat en met aandacht voor verbindingen naar buiten, een veilig en warm vertrouwensklimaat, balans van geven en nemen, ervaringen centraal, groei wordt benoemd, uitbreiding van kennis en vaardigheden, zelfontplooiing en groepsproces staan centraal, focus op krachten, participatie op maat … (onderzoeker) Dergelijke groepen laten toe om een andere kant van de ‘hulpvrager’ te ontdekken: een persoon met heel wat levenservaring en kwetsuren, maar ook met heel wat veerkracht, potenties en groeimogelijkheden, personen die niet enkel vragen maar zelf ook kunnen geven. Het OCMW en de andere betrokken actoren krijgen zodoende een meer integrale en positieve kijk op de hulpvragers. Ook de hulpvragers ontdekken een andere kant van het OCMW. Het OCMW krijgt hierdoor een positiever imago. Een groepswerking laat ook zien dat anderen kampen met dezelfde struikelblokken. Deze struikelblokken hebben ook te maken met het

65

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

(gebrekkig) functioneren van de maatschappij. Dit werkt ontschuldigend en verscherpt het kritisch bewustzijn en het groepsgevoel. Dit alles gebeurt binnen een veilig en steungevend klimaat. Deelname aan de groep betekent een rustmoment om er weer sterker tegen aan te gaan en met het gevoel er minder alleen voor te staan. Door de groep worden informele netwerken uitgebreid. Vanuit deze groepswerking worden de deelnemers ook gestimuleerd om stappen te zetten naar andere reguliere werkingen en diensten in de gemeenschap. Dit zijn vormen van verbindend werken. Ook het OCMW wordt via deze groepswerkingen gestimuleerd tot samenwerken. Deze netwerkvorming biedt extra kansen om te komen tot een naadloze hupverlening, een werken op maat van de kansarmen. Algemeen kan, ons inziens, de idee van groepswerk niet alleen ‘voor’ maar ook ‘door’ kansarmen nog verder worden uitgewerkt. Deze mogelijkheden worden nog te weinig benut (bv. bij toeleiding, in de groep zelf en bij nazorg). Ook de verzelfstandiging van de groep, onder eigen beheer van de armen zelf, is een verdere stap in het empowering proces. Deze ‘kanteling’ dient wel ondersteund en gestimuleerd te worden. Dat deze idee geen droom is, maar ook realiteitsgehalte heeft, getuige het volgend voorbeeld. Zo ontstond er vanuit een budgetteringscursus in het OCMW van Lummen een eigen vereniging waar armen het woord nemen (i.c. Lichtpunt, een deelwerking van Dynamo). Een interessant initiatief hiertoe is de kadervorming die het Centrum Basiseducatie aanbiedt voor verschillende verenigingen waar armen het woord nemen in West-Limburg. “Door groeps- en kadervorming worden de groepen versterkt. Ze leren hoe ze ontspannende en vormende/informatieve activiteiten kunnen organiseren, hoe ze een bestuur kunnen vormen, hoe de groep een vzw kan worden, …” (van Drunen, 2002). Basiseducatie geeft ook een module ‘leren leren’ aan personen die de opleiding voor ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting volgen in Hasselt. De deelnemers van deze opleiding hebben dikwijls te kampen met faalangst voor het examen (veelal door negatieve schoolervaringen). Deze extra module bereidt hen hierop voor en leert hen hoe een cursus onder de knie te krijgen. Het beleid dient de noodzakelijke randvoorwaarden te scheppen om dergelijke groepswerkingen voor kansarmen te kunnen aanbieden en

66

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

om hen maximaal te kunnen laten participeren aan het maatschappelijk leven. Het OCMW dient hiertoe actief en positief gestimuleerd te worden. De samenwerking met extra partners is hierbij een meerwaarde. Ook deze partners zouden voor het werken met deze doelgroep moeten gestimuleerd en gehonoreerd worden. De strakkere regulering bv. bij Basiseducatie is hierbij een belemmerende factor.

2. Empowerment via gezinshulp
De hulpverleners (o.a. via het lokaal cliëntoverleg) signaleren heel wat noden bij een aantal personen die in armoede leven op het vlak van het runnen van een huishouden (onderhoud, verzorging e.d.). Een gebrekkige hygiëne en verwaarlozing van het huis geven heel wat conflicten met de omgeving en houden het gevaar in van stigmatisering, conflicten, sociaal isolement en segregatie. Het ‘anders zijn’ wordt hier letterlijk zichtbaar (o.a. slechte tanden, vervelende lichaamsgeur, vuile kleren, verwilderde tuin en huis) en dit lokt bij de maatschappelijke omgeving negatieve reacties uit. Mensen worden veelal veroordeeld en gestraft om dit gedrag (bv. uit huis of de school gezet, mensen veranderen van plaats op de bus of de trein, men wordt scheef bekeken, bespottelijk gemaakt en vernederd, men wordt opgepakt door de politie, kinderen worden gepest op school). Gevoelens van schaamte en vernedering die het zelfbeeld negatief aantasten, zijn het gevolg. Berusting, isolement, agressief-defensief gedrag zijn hierbij mogelijke hanteringsgedragingen of overlevingsstrategieën (‘coping’). Een samenleving kan ook anders omgaan met dit gegeven. Men kan ondersteuning aanbieden vanuit de idee dat ook hier bepaalde vaardigheden ontbreken. De hulpvragers geven ook dikwijls zelf de behoefte voor ondersteuning aan. Om dit evenwel al te kunnen toegeven is een goede hulpverleningsklimaat noodzakelijk, een sfeer van veiligheid, respect en vertrouwen. Vanuit deze vaststelling heeft het OCMW Heusden-Zolder een project opgestart: ‘gezinshulp in kansarme gezinnen’. Hierbij wordt er intensieve thuishulp aangeboden door verzorgenden. De gezinnen met kinderen krijgen voorrang vanuit de idee dat de opvoeding van de kinderen een belangrijke hefboom is om aan de armoede te ontsnappen. Een zestal gezinnen werden in 2002 begeleid. De coördinatie van dit project gebeurt door de maatschappelijk werker van het OCMW met bewaking van de maatzorgprincipes en het

67

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

empowermentgedachtegoed. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de verantwoordelijke thuiszorg. De verzorgenden worden zorgvuldig geselecteerd binnen de eigen dienst gezinszorg. De keuze van de verzorgenden om met deze gezinnen te werken gebeurt op vrijwillige basis. De verzorgenden krijgen hiertoe extra vorming en ondersteuning (o.a. werkbesprekingen). Werken aan empowerment via de maatzorgmethodiek is immers nieuw voor de verzorgenden en betekent een omschakeling van de klassieke doefunctie. Het accent dient te liggen op het leerproces (‘zelfredzaamheid’) en op een positieve aanpak. Er is veel aandacht voor het bespreekbaar maken van vooroordelen en een te strakke normering. Er dient op maat van het specifieke gezin te worden gewerkt. Hun prioriteiten, ritme en keuzes worden zoveel mogelijk gevolgd. De verzorgende werkt samen met het gezin en neemt niet alles over. “Door de huishoudelijke vaardigheden van de cliënt te vergroten, meer structuur te brengen in het huishouden en ondersteuning te bieden aan alle gezinsleden, kan er samen met hen (participatie is een voorwaarde) gewerkt worden aan meer zelfredzaamheid. Doordat de maatzorgmethodiek wordt gehanteerd en één van de basisprincipes hiervan is: gestructureerd en doelgericht werken, wordt er in de gezinnen gewerkt volgens een stappenplan. Het huishoudboekje wordt hiervoor als werkinstrument ontwikkeld” (projecten 2003 SIF/LIF, document OCMW Heusden-Zolder). Ook het maatzorgprincipe van integrale hulpverlening vindt een vertaling bij deze thuishulp. Zo wordt er niet enkel op het huishoudelijk vlak gewerkt, maar op de brede waaier van levensdomeinen (bv. inkomen, huisvesting, lichamelijk en psychisch welzijn, opvoeding en onderwijs, sociale participatie), rekening houdend met alle gezinsleden en toekomstgericht. De zelfzorg op psychisch vlak wordt hierbij een duidelijk aandachtspunt genoemd. Het OCMW krijgt via dit project meer informatie over de dagelijkse leefwereld van de kansarmen door de intense aanwezigheid van de verzorgende in het gezin (bv. twee dagen in de week). De verzorgenden nemen ook deel aan het lokaal cliëntoverleg. Daar worden ook de structurele knelpunten op de verschillende levensdomeinen gesignaleerd. De coördinator van het overleg geeft deze door aan de bevoegde (beleids)instanties. Een voorbeeld zijn de vervoersproblemen waarmee heel wat kansarmen te kampen hebben. De gebrekkige mobiliteit heeft invloed

68

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

op verschillende levensdomeinen (bv. sociale participatie, medische verzorging, bezoek kinderen). Belangrijk binnen het empowermentdenken is het (kunnen) zien en benoemen van positieve evoluties, van groei en verandering. Ook de kleinste evoluties dienen hierbij zichtbaar te worden gemaakt. Dit betekent een opsplitsen van grote doelstellingen (bv. psychisch welzijn bevorderen) in kleine concrete werkpunten (bv. tijd maken voor jezelf, adequaat gebruik van medicatie). Zo werd voor de gezinshulp voor kansarmen een scoreformulier opgesteld met verschillende werkpunten over de verschillende domeinen. Dit is een andere manier van kijken naar resultaten. Deze evaluatie is op maat van het gezin en procesgericht. Zo werd bv. als resultaat benoemd binnen de intervisie dat de kinderen binnen het gezin nu hun tanden poetsen en ontbijten. De ouders doen dit (momenteel) nog niet. “Resultaten meten binnen dit project is niet zo eenvoudig, toch hebben we een scoreformulier ontwikkeld, waarbij (al of niet positieve) evolutie wordt gescoord binnen de gehanteerde werkpunten op verschillende levensdomeinen. Over de hele lijn is er een duidelijke positieve evolutie. Dit is mede te verklaren door het feit dat de werkpunten door de cliënten zelf bepaald worden, vanuit de opdracht om positieve hulpverlening te bieden, waarbij de cliënt centraal staat. (…) Door rekening te houden met hun wensen en door op hun maat te werken, krijgen ze de kans om meer levensenergie op te bouwen om alzo aan hun probleemgebieden te werken waarmee ze als kansarmen geconfronteerd worden. Resultaat hiervan is zeker dat er opnames in de psychiatrie uitgesteld of vermeden werden en dat de inbreng van de verzorgende bij de opvoeding van de kinderen een duidelijke meerwaarde betekent” (projecten 2003 SIF/LIF, document OCMW Heusden-Zolder). Het belang van het maatzorgprincipe van positieve hulpverlening als basishouding voor het werken met kansarme gezinnen, hoeft hierbij geen verder betoog. De klassieke afstandelijke hulpverleningsrelatie wordt vervangen door een houding gebaseerd op nabijheid en bewogenheid. Het bewaken van een zeker evenwicht tussen distantie en betrokkenheid is hierbij niet eenvoudig. Het kunnen loslaten van de gezinnen vanwege de begeleiders en het kunnen lossen van de hulp vanwege de gezinnen, is hierbij een terugkerend item. In een overleg met deze gezinshelpsters was de betrokkenheid met ‘hun’ gezinnen opvallend. De drang om veel voor hen te doen, mag evenwel de afhankelijkheid t.a.v. de gezinshulp niet versterken.

69

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Vanuit dit project worden er ook nieuwe ideeën ontwikkeld die het aanbod kwalitatief zouden kunnen verbeteren: - Verzorgenden laten werken in kortere momenten (bv. ‘s morgens de taken overlopen en ‘s middag even langsgaan om op te volgen en bij te sturen). Dit zou de afbouw kunnen vergemakkelijken en hierdoor zouden ook meer kansarmen kunnen geholpen worden. - Een kortlopende cursus ‘Hoe organiseer ik het huishouden’ organiseren voor kansarmen. Dit zou voor sommigen de thuiszorg overbodig maken en voor anderen kan dit een voorbereiding zijn op de gezinshulp. - De inschakeling van een opvoedster die ook bereid is om huishoudelijke taken te verrichten wanneer er zich bv. problematische opvoedingssituaties binnen de gezinnen voordoen (bv. binnen Bijzondere Jeugdzorg). De regelgeving van de thuishulp laat niet altijd toe om op maat te kunnen werken van kansarme gezinnen. Een maximale flexibiliteit is hierbij aangewezen (bv. uren spreiden over verschillende momenten op de dag). Dit mag niet gesanctioneerd worden en zou daarentegen extra moeten gehonoreerd worden. De intensiteit van de gezinshulp zou geen extra financiële inspanningen mogen betekenen voor de hulpvrager én voor het OCMW.27

3. Empowerment via budgethulpverlening
Gedurende het actieonderzoek werd er binnen de intervisiegroepen maatzorg en tijdens de vormingsmomenten omtrent empowerment extra aandacht besteed aan de budgethulpverlening. Dit gebeurde vanuit de vaststelling binnen het OCMW Heusden-Zolder dat de afbouw van deze begeleiding niet steeds op maat en veelal laattijdig gebeurt. Dit druist in tegen het empowermentgedachtegoed waarbij het greep krijgen op het eigen leven en zijn omgeving centraal staan. 3.1 Budgethulp is ook hulpverlening Op het eerste zicht lijkt een financiële begeleiding misschien moeilijk te verzoenen met empowerment. Niets is minder waar. Alles hangt ervan

27 Er wordt vanuit het OCMW Heusden-Zolder een soepele bijdrageregeling voor de thuishulp aan deze gezinnen gehanteerd (i.c. de helft van de gewone bijdrage).

70

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

af hoe men naar deze problematiek en naar de hulpvrager kijkt. Ziet men dit als een onoverkoombare schuldenberg waarvan het einde nooit in zicht zal komen (gevoelens van hopeloosheid en machteloosheid), als mensen die toch nooit in staat zullen zijn om hun budget goed te beheren (hulpvragers als mensen met tekorten die blijvende hulp nodig hebben van professionelen), als mensen die zichzelf in de nesten werken door onverantwoord gedrag en nu de problemen doorgeven aan het OCMW die dit maar moet oplossen (individueel schulddenken). Het starten van een financiële begeleiding vanuit deze visie zal weinig ruimte voor empowerment en maatzorg toelaten. Budgethulpverlening vanuit empowerment en maatzorg is meer dan een louter financiële begeleiding. Een aanzet tot deze ‘andere’ weg werd reeds beschreven in 1995 vanuit het OCMW van Genk waar toen de maatzorgmethodiek werd ontwikkeld (Driesen, Olaerts & Steenackers, 1995). Recenter, in oktober 2002, werd een interessant document neergelegd vanuit de werkgroep budgethulpverlening van het Limburgs Steunpunt OCMW’s – LSO waarin diverse OCMW’s28 hebben meegewerkt. Het betreft de publicatie ‘Schuld en vriend. OCMW-visie op budgethulpverlening’, een uitgave van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, Afdeling Strategie en Planning29. De achterliggende visie van dit document is empowerment of ‘het krachtgericht werken’, een gedachtegoed dat door de provincie expliciet wordt ondersteund (cf. infra). “Budgethulp moet tot doel hebben mensen een menswaardig en onafhankelijk bestaan te laten leiden. Daarom wordt budgethulp het best op maat aangeboden. Van bij de aanvang van dit gefaseerd hulpverleningsproces moet de cliënt zijn verantwoordelijkheid erkennen. Na overleg tussen hulpverlener en cliënt worden er korte en lange termijndoelstellingen afgesproken rekening houdend met de totale leefsituatie van de cliënt en zijn omgeving. Budgetbeheer, budgetbegeleiding, schuldbemiddeling, … kunnen instrumenten zijn om dat doel te bereiken. Maar deze instrumenten moeten weloverwogen ingezet worden. Tevens is het belangrijk dat bij
28 Naast de OCMW’s van Heusden-Zolder en Genk waren dit ook: Beringen, Bilzen, Diepenbeek, Dilsen-Stokkem, Gingelom, Hamont-Achel, Hasselt, Herk-De-Stad, Hoeselt, Houthalen-Helchteren, Kinrooi, Kortessem, Lanaken, Leopoldsburg, Lummen, Maaseik, Maasmechelen, Meeuwen-Gruitrode, Neerpelt, Riemst, SintTruiden, Tongeren en Zutendaal. 29 De eindredactie van deze publicatie gebeurde door Mieja Engelen en Jan Theys. U kan dit document gratis downloaden (http://www.limburg.be/studiecel/studieprojecten_2002.html).

71

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

dit proces duidelijke en evalueerbare doelstellingen voor ogen worden gehouden. Zowel de cliënt als de hulpverlener hebben in dit proces een eigen deskundigheid!” (Engelen & Theys, 2002). Budgethulpverlening wordt als verzamelnaam beschouwd voor het totale aanbod van hulpverlening aan mensen met financiële problemen (o.a. budgetbeheer, budgetbegeleiding, schuldbemiddeling). Met het aspect ‘hulpverlening’ wil men benadrukken dat het om meer gaat dan een louter administratieve/juridische kwestie. De centrale doelstelling is niet het saneren van schulden, maar wel het nastreven van een leerproces bij de betrokkenen zodat deze meer greep krijgen op de eigen financiële situatie, zicht krijgt op keuzemogelijkheden en toegang verwerven tot allerlei hulpbronnen. Alle stappen in dit hulpverleningsproces dienen in functie te staan van het versterken van de hulpvrager rekening houdend met zijn mogelijkheden. Bij budgethulpverlening dienen evenzeer de basisprincipes van maatzorg te worden gerespecteerd. Deze basisprincipes staan niet los van elkaar. Ze vormen één geheel. We lichten deze principes nader toe. 3.1.1 Positieve hulpverlening Dit principe beoogt een klimaat waarbij de hulpvrager erkend en gerespecteerd wordt, een goede (vertrouwens)relatie aanwezig is en de cliënt centraal staat (op maat). Zo kloppen de hulpvragers dikwijls aan in een crisissituatie. Men voelt zich wanhopig en machteloos (bv. de post wordt niet meer geopend) en de druk zit erg hoog (bv. de deurwaarder heeft aangeklopt). In deze fase dient de hulpverlener vooral ‘rust’ te brengen in de levenswereld van de betrokkenen en een aantal dringende regelzaken op te nemen. Deze fase kan een basis vormen voor een goede (vertrouwens)relatie die ook motiverend is voor de hulpvrager. Dit alles vraagt tijd. De hulpvrager staat hierbij centraal en niet de verlangens van de schuldeisers. De gelijkwaardigheid als mens staat hierbij voorop en is cruciaal voor een goede budgethulpverlening. Deze vorm van hulpverlening dringt ook diep in de privacy van mensen binnen. Een alertheid is aangewezen om niet te normerend op te treden maar steeds rekening te blijven houden met de prioriteiten van de betrokkenen bv. inzake het GSM-gebruik, het roken, het hebben van een vervoermiddel, het organiseren van feesten, het geven van cadeaus. De prioriteiten van de hulpvragers worden niet altijd maatschappelijk gewaardeerd en vaak veroordeeld.

72

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Van een leefgeld rondkomen is zeker niet gemakkelijk en verleidingen om extra uitgaven te doen zijn talrijk aanwezig. Herkansingen moeten dan ook mogelijk zijn wanneer bepaalde afspraken niet worden nageleefd. Omwille van deze ‘fouten’ of ‘het liegen’ mag de hulpvrager niet als mens worden veroordeeld. De hulpverlener dient dit ook niet persoonlijk te nemen, maar te kaderen binnen de overlevingsstrategieën van de betrokkenen. Het bespreekbaar maken van alle gedragingen en het constructief blijven zoeken naar oplossingen is hierbij de boodschap. De hulpvrager dient nieuwe perspectieven te krijgen. Dit vraagt om de nodige creativiteit van de hulpverlener die immers keuzemogelijkheden probeert te scheppen op het beperkte terrein dat nog aanwezig is. Het belang van deze positieve basishouding kan niet genoeg worden onderstreept. “De positieve benadering van de cliënt is fundamenteel in de maatzorg. We horen de cliënt. We erkennen zijn levensverhaal. We zien zijn inzet en bevestigen hem. We trachten de betekenisgeving van de cliënt te verstaan. Het zien van de positieve stappen bij de cliënt, maakt het mogelijk voor hem om te veranderen. De cliënt mag ook falen. Als maatschappelijk werkers houden we ons voor dat een budgettering/budgetbegeleiding op maat ook verwachtingen op maat en vertrouwen op maat inhoudt. Het heeft geen zin om van de mensen, die leerden overleven op basis van wantrouwen, liegen, verbergen, te verwachten dat ze in de begeleiding een vertrouwensrelatie op basis van openheid en eerlijkheid zullen aangaan. Dit verwachten zou een gebrek aan respect zijn voor hun levensgeschiedenis. Het vertrouwen kan slechts langzaam terug hersteld worden. Hiertoe dient de cliënt nieuwe vaardigheden en relatiepatronen aan te leren. Verwachtingen op maat betekent ook dat de maatschappelijk werker zijn aanbod duidelijk stelt. Hij dient de grenzen van de hulpverlening en van de organisatie aan te geven” (Driesen, Olaerts & Steenackers, 1995). 3.1.2 Integrale hulpverlening Dit principe wijst op een hulpverlening met een ‘brede bril’. Dit is een hulpverlening die oog heeft voor de verschillende levendomeinen, voor de binnenkant (denken, voelen) van mensen, voor de verschillende contexten (micro, meso en macro), voor hun mogelijkheden, voor het verleden en het toekomstperspectief, voor structurele aspecten enz. Driesen, Olaerts en Steenackers (1995) wijzen ook op deze integrale kijk en stellen dat budgethulpverlening impact heeft op alle levensdomeinen. Het financiële/materiële domein kan de aanleiding zijn om

73

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

waarden, relatiepatronen en levensvisies bespreekbaar te maken. Het is een kanaal dat toegang verschaft tot andere levendomeinen en zo ook doelstellingen op deze andere domeinen mee kan helpen bereiken. Een cliënt schreef het volgende: - “ik ben niet meer in staat mijn budget zelf te beheren; - ik heb een minimuminkomen uit werkloosheid en vind geen werk dat ik nog aankan; - mijn gezin werd uit elkaar gerukt; ik woon alleen; - mijn gezondheid is verslechterd; - iedereen bekijkt mij en laat mij onbewust voelen dat ik in mijn leven gefaald ben. Dit alles betekent voor mij dat ik geen doel meer in mijn leven zie, ik wil opgeven! Vanuit een minimum aan zelfrespect ben ik naar het OCMW gestapt waarvan ik verwacht dat zij me helpen, voor me opkomen en ervoor zorgen dat schuldeisers hun geld krijgen waar zij recht op hebben; kortom dat zij opkomen voor een arme drommel zoals ik …” (Driesen, Olaerts & Steenackers, 1995). Het moge duidelijk zijn dat budgethulpverlening meer is dan een middel tot schuldsanering en betaling van de vaste kosten met behoud van het leefgeld. De verleiding is erg groot om bij budgethulpverlening nog te sterk individugericht te kijken en de bredere omgevingsfactoren te verwaarlozen. Zo zijn er heel wat factoren op meso- en macrovlak die een aandeel hebben in de financiële problemen van de betrokkenen. Denken we bv. aan de misleidende reclame30 en agressieve verkooppraktijken, het tekort aan inkomen door te lage uitkeringen of achterstallen (o.a. alimentatie), het opstapelen van schulden uit het verleden waarin de betrokkene niets steeds een aandeel heeft (bv. bij verslavingsproblematiek of het faillissement van een zaak van de ex-partner), uitstotingsmechanismen op de arbeidsmarkt. Het tekort aan betaalbare en kwalitatief goede (sociale) woningen is tevens een constante. Het OCMW heeft hierbij een belangrijke signaalfunctie. Sociale acties zijn hierbij een (weinig gebruikt) middel. Een ander aspect dat door empowerment sterk wordt benadrukt, is de focus op de krachten en potenties van de betrokkene en de omgeving

30 De groep van Recht-Op Dam/Schijnpoort, een vereniging waar armen het woord nemen in Antwerpen, heeft actie ondernomen tegen deze ‘misleidende reclame’ en een folder opgesteld.

74

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

(steunbronnen). Dit betekent onder meer een stilstaan bij de weg die de hulpvrager tot nu toe heeft afgelegd en er (met vallen en opstaan) toch in geslaagd is om aan moeilijke situaties het hoofd te bieden (de ‘survivor’s pride’). Tot slot, en niet in het minst, is er ook de aandacht voor de binnenkant van de hulpvrager. Ook dit aspect krijgt vanuit empowerment extra aandacht. Als rode draad bij de budgethulpverlening dient de hulpverlener stil te staan bij de betekenis van budgethulpverlening voor de betrokkene én voor zijn omgeving. Vragen om financiële hulp is niet gemakkelijk en de geboden hulp (hoe goed bedoeld ook) kan aanleiding zijn om de gevoelens van afhankelijkheid en machteloosheid nog te versterken, met ‘disempowerment’ als resultaat. Het is de kunst om elk contact binnen de hulpverlening te benutten in functie van een empowering proces. De vraag naar hulp kan in deze zin gekaderd worden als inzet, een opkomen voor de eigen situatie en niet in het minst, een opkomen voor het eigen gezin. 3.1.3 Participatie Participatie is een rode daad bij maatzorg en een kernelement van empowerment. Door een actieve betrokkenheid van de cliënt kunnen de keuzemogelijkheden worden uitgebreid en creëert men een besef van invloed. Binnen deze samenwerkingsrelatie heeft elke partij zijn deskundigheid. Cliënten moeten maximaal uitgenodigd en gestimuleerd worden tot participatie. Het proces en de kwaliteit van participatie primeren hierbij. Deze participatie dient wel op maat te gebeuren. De participatie verschilt dus van cliënt tot cliënt, maar ook van moment tot moment bij eenzelfde cliënt (belang van rustfases, probeerfases, stabiliseringperiodes, crisismomenten enz.). Dit betekent dat de hulpverlener creatief moet zijn in de verschillende kleine stappen tot participatie. Het zijn de kleine successen die erg motiverend werken en de afhankelijkheidsspiraal kunnen omdraaien. Naast deze participatie op individueel niveau wordt vanuit empowerment tevens de nood aan meer structurele vormen van participatie benadrukt. We denken hier bv. aan het organiseren van cliëntenraden,

75

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

het installeren van vaste dialooggroepen met basisbewegingen31, het inschakelen van ervaringsdeskundigen in de armoede32 in werkgroepen of in formele kanalen van het OCMW (o.a. het Bijzonder Comité voor Maatschappelijk Welzijn, de OCMW-raad) of het aanwerven van ervaringsdeskundigen in de armoede binnen de sociale dienst. 3.1.4 Gestructureerde hulpverlening Om participatie te vergemakkelijken en een integrale aanpak te bevorderen is een ordening van informatie in de veelal chaotische situatie aangewezen. Dit vraagt om een exploratie waarbij zowel de knelpunten als de krachten van de hulpvrager en zijn omgeving worden geïnventariseerd over de verschillende levensdomeinen. Doelstellingen op zowel korte als op lange termijn worden afgesproken. De prioriteiten worden door de hulpvrager in onderhandeling met de hulpverlener bepaald. Concrete afspraken worden gemaakt (wie doet wat en wanneer). Binnen de budgethulpverlening spreekt men in dit opzicht van het opmaken van een budgetplan. Dit budgetplan dient gekaderd te worden in een ruimer maatplan. Belangrijk is dat van bij het begin de wederzijdse verantwoordelijkheden worden besproken. Deze gedeelde verantwoordelijkheid situeert zich ook over de grenzen van het OCMW heen (cf. gecoördineerde hulpverlening). Een plan op maat moet opgesteld worden in een voor de cliënt begrijpbare en duidelijke taal. Het plan dient als rode draad die (terug) toekomstperspectief creëert. Het belet ook de hulpverlener en de organisatie om met een verborgen agenda te werken. Dit plan is wel geen statisch gegeven, maar dient opgevat als een dynamisch iets, dat rekening houdt met concrete levenssituatie van de betrokkene. Budgethulpverlening dient ook een gefaseerd proces (‘traject’) te zijn met ingebouwde evaluatiemomenten. Bij de systematisering van dit traject heeft ook de OCMW-organisatie haar verantwoordelijkheid. De procedure en afspraken moeten in samenwerking met alle partijen (ook de hulpvragers!) worden onderhandeld en vastgelegd.

31 Zie de voorbeelden van T’ Hope met het OCMW van Roeselare, de Beweging van Mensen met Laag Inkomen en Kinderen met het OCMW van Gent (cf. supra). Vzw Recht-Op, een vereniging waar armen het woord nemen, hebben in de context van een ‘regisseurgroep’ binnen het OCMW van Antwerpen, een document over budgetbeheer opgesteld. 32 In september 2003 wordt er een stageplaats voor een ervaringsdeskundige in de armoede in het OCMW Heusden-Zolder voorzien.

76

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

In principe is de budgethulpverlening tijdelijk. De duur van deze begeleiding wordt evenwel al te vaak in functie gesteld van de af te betalen schulden. Dit is een criterium op maat van de financies van het gezin, maar niet op basis van het gezin zelf, laat staan op haar krachten. Het leerproces, de leermogelijkheden en evoluties dienen daarentegen op de voorgrond te staan. 3.1.5 Gecoördineerde hulpverlening Het samenwerken met andere partners en netwerkvorming zijn ook essentiële elementen van maatzorg en empowerment. Hiertoe werd reeds in het OCMW van Genk het lokaal Permanent Armoede Overleg (PAO) ontwikkeld. Het is een overleg op maat van de hulpvrager waarbij ook de overige maatzorgprincipes dienen gerespecteerd te worden. Dit overleg heet nu het ‘lokaal cliëntoverleg’ en heeft ruime ingang gevonden in de provincie Limburg. Ook in het OCMW Heusden-Zolder wordt dit overleg georganiseerd en wordt het als een duidelijke meerwaarde beschouwd (cf. infra). Belangrijk is dat de verschillende partners een gezamenlijke strategie nastreven zodat zinvolle synergieën, zowel voor de hulpvrager als voor de hulpverlener, tot stand kunnen komen. Vanuit empowerment wordt sterk het vraaggestuurd karakter en het bottom-up werken van dit overleg benadrukt. Het overleg mag er alleszins niet toe leiden dat de cliënt onder druk wordt gezet om bepaalde voorstellen te aanvaarden. Hierbij zou de participatie van de hulpvrager net een disempowerend effect hebben. De participatie moet voorbereid worden en tijdens het overleg bewaakt worden door de coördinator, en niet in het minst door de spilfiguur en mogelijke steunfiguren. Ook de samenwerking binnen de eigen organisatie wordt als belangrijk bestempeld (o.a. met de administratie, jurist, arbeidsbegeleider). Zo kan er ook binnen de organisatie naar een maximale efficiëntie worden gestreefd die iedereen ten goede komt. 3.2 Verantwoordelijkheid van de organisatie en signaalfunctie In de publicatie ‘Schuld en vriend’ wordt de ‘meervoudige persoonlijkheid’ van de maatschappelijk werker benadrukt. Tien rollen worden bij budgethulpverlening geëxpliciteerd die elk, afhankelijk van de situatie en de fase in het hulpverleningsproces, al dan niet sterker naar voren kunnen komen.

77

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

-

“vertrouwensfiguur controleur steunpilaar wegwijzer belangenbehartiger bemiddelaar leraar coach tolk geldbeheerder” (Engelen & Theys, 2002).

Budgethulpverlening is een intensieve vorm van hulpverlening die vele eisen stelt aan de persoon van de hulpverlener. De organisatie dient hierbij ook haar verantwoordelijkheid op te nemen en de nodige randvoorwaarden voor het ‘self-empowerment’ van haar personeel te creëren bv. via het aanreiken van instrumenten en het vastleggen van bepaalde procedures, het aanbieden van vorming, het organiseren van werkoverleg/supervisie/intervisie en niet in het minst door het bewaken van de werkdruk. Door het stijgend aantal cliënten met complexe financiële problemen en door het achterwege blijven van personeelsuitbreiding, dienen soms (ongewenst geachte) maatregelen genomen te worden bv. het werken met wachtlijsten voor budgetbeheer (maar niet voor begeleiding), het sneller afhandelen van bepaalde ‘dossiers’, het minder integraal werken. Dit structureel knelpunt van werkoverlast komt zodoende ook ten nadele van de hulpvrager. Het is ook een feit dat het aantal mensen met schulden aanzienlijk toeneemt. Dit creëert hoge verwachtingen naar de OCMW’s. Bovendien willen een aantal schuldeisers slechts onderhandelen wanneer het OCMW het financiële beheer doet van de betrokkene. Dit ‘verplicht’ beheer (bv. in het kader van probatievoorwaarden of de Lokale Adviescommissie Water, Gas en Elektriciteit) is een afschuiven van de verantwoordelijkheid naar het OCMW die de hulpverlening ondermijnt. De hulpvrager heeft hierbij ook geen vrije keuze. Tegen deze praktijken zou het beleid dienen op te treden. De OCMW’s hebben hierin een belangrijke signaalfunctie en zouden ook zelf sociale acties kunnen organiseren.

78

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

3.3 Afbouw van budgethulpverlening in het OCMW HeusdenZolder In verschillende OCMW’s ontstaat een spanningsveld doordat de instroom van cliënten met financiële problemen/schulden toeneemt, terwijl de afbouw eerder traag verloopt. In het OCMW Heusden-Zolder stonden we daarom stil bij de wijze waarop de afbouw vandaag de dag gebeurt en welke hinderpalen er bij deze afbouw ervaren worden door de maatschappelijk werkers. We bekijken eerst de cijfers. Er zijn 100 budgetdossiers waarvan: - 80 in volledig beheer - 9 in gedeeltelijk beheer - 4 begeleidingen - 2 in collectieve schuldenregeling (eigen beheer) en - 5 in collectieve schuldenregeling (opvolging leefgeld) Termijnen: - minder dan 1 jaar: 19 - 1 jaar: 11 - 2 jaar: 18 - 3 jaar: 9 - 4 jaar: 13 - 5-10 jaar: 26 - meer dan 10 jaar: 4 (interne nota OCMW Heusden-Zolder, juni 2003). Een eerste vaststelling is dat de meeste cliënten met financiële problemen volledig budgetbeheer krijgen en dat budgetbegeleiding slechts een minderheid betreft. Bij het beheer komen alle inkomsten op een budgetrekening die wordt beheerd door het OCMW. Het OCMW heeft beschikkingsrecht en de cliënt ontvangt een leefgeld.33 Bij gedeeltelijk beheer betreft dit een gedeelte van het inkomen. Bij budgetbegeleiding
33 Binnen budgetbeheer kan ook ‘collectieve schuldenregeling’ worden uitgevoerd. Dit is een procedure ingeleid bij de beslagrechter op verzoek van de schuldenaar (verzoekschrift wordt bijna altijd opgesteld door de schuldbemiddelaar), met aanstelling van een schuldbemiddelaar met beheer van inkomen als gevolg. Schuldbemiddeling is hulpverlening die kadert binnen de wet op het consumentenkrediet. Vanaf het moment dat een schuldbemiddelingscontract moet worden ondertekend, al is dit maar voor één schuld, wordt het ganse dossier een schuldbemiddelingsdossier (Engelen & Theys, 2002).

79

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

daarentegen behoudt de cliënt het beschikkingsrecht, maar wordt daarbij ondersteund door het OCMW. Beheer is dus een verdergaande vorm van ingrijpen op de autonomie van de cliënt. Het gevoel is aanwezig dat de stap naar beheer wellicht te snel (of onder externe druk) wordt gezet. Het OCMW Heusden-Zolder benadrukt evenwel dat mensen onder beheer ook wel degelijk begeleiding krijgen.34 De mogelijke gradaties van gedeeltelijk beheer en begeleiding worden weinig gebruikt. Deze impliceren een grotere zelfstandigheid bij de hulpvrager en kunnen dus als mogelijke stappen in de afbouw worden beschouwd. Deze differentiatie schept kansen voor een empowering proces bij de hulpvragers. Een tweede vaststelling betreft de lange termijnen van de budgethulpverlening. Zo is slechts één op vijf hulpvragers minder dan één jaar in budgethulpverlening, voor één op drie is dit tussen één en twee jaar en voor de helft duurt de begeleiding langer dan twee jaar. Deze begeleiding is ook vrij intens: gaande van wekelijks, naar tweewekelijks en tot één keer per maand (op het einde). Uit verschillende ‘dossier’besprekingen blijkt dat de afbouw impliciet of expliciet wordt tegengehouden door factoren bij de maatschappelijk werker zelf, bij de hulpvrager of bij de organisatie. De maatschappelijk werker reageert soms overbeschermend (o.a. de cliënt kan het niet alleen, het einde van de schuldaflossing is nu toch in zicht dus beter op veilig spelen). De hulpvrager zegt soms ook het niet alleen te kunnen en wil niet dat de maatschappelijk werker hem ‘los’ laat. De ervaring leert tevens dat voor mensen in beheer soms gemakkelijker beslissingen worden verkregen. Een ander aspect is dat de maatschappelijk werker de hulpvrager na een tijd goed kent, de begeleiding loopt vlot en de afbouw van deze begeleiding zou een nieuw ingewikkeld dossier betekenen. Wanneer de hulpvrager vragende partij voor afbouw is wordt hier niet steeds door de maatschappelijk werker op ingegaan. Dit druist in tegen maatzorg en empowerment. Bovendien gaat de hulpvrager andere wegen zoeken (bv. afhaken, leugens om bestwil). Deze situatie moet vermeden worden. Een vraag voor afbouw dient steeds au sérieux genomen te worden en via een wederzijdse onderhandeling dienen concrete stappen op maat worden gezet.

34 Dit is blijkbaar geen evidente zaak. Het budgetbeheer gebeurt soms volledig administratief. De betrokken hulpvragers krijgen hierbij nauwelijks inzicht, laat staan kansen op een leerproces.

80

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Uit de besprekingen van concrete dossiers zagen we ook dat de maatschappelijk werkers (te) weinig stilstonden bij de betekenis van de budgethulpverlening voor de hulpvrager. Een vrouw beschikt blijkbaar over de nodige vaardigheden om haar budget zelf te regelen, maar weigert een afbouw. Deze attitude blijkt eerder verband te hebben met de betekenis van het contact met de maatschappelijk werker van het OCMW. Via dit contact voelt de vrouw zich sterker tegenover haar echtgenoot. Ze heeft angst dat bij het wegvallen van dit contact, haar man terug grote aankopen gaat doet en haar budget voor het gezin inperkt. De vrouw heeft wellicht voldoende greep op het budgetbeheer in se, maar ervaart geen greep te hebben op haar man. Dit bespreekbaar maken zal een nieuwe richting in de begeleiding geven en verdere kansen voor empowerment bieden (casebespreking). Een groot aantal mensen in budgethulpverlening zijn alleenstaanden. Zeker doordat een lange begeleiding werd opgebouwd, betekent het (intense) contact met de maatschappelijk werker erg veel. Voor de hulpvrager is het een sociaal contact dat ze niet willen verliezen. De angst voor dit verlies geeft weerstand tegen de afbouw. Ook dit bespreekbaar maken, schept nieuwe kansen in de begeleiding. Het herstel van sociale contacten in de eigen omgeving (‘herankeren’) komt hierbij meer op de voorgrond. Bovendien kan het OCMW-contact ook behouden blijven na afbouw van de budgethulpverlening. Een laatste aspect is dat de afbouw bij personen met een mentale handicap of psychiatrische problematiek dikwijls buiten bespreking wordt gehouden. Men gaat er vanuit dat deze mensen hun budget toch nooit zelfstandig kunnen beheren. Ook hier geldt niet enkel de vraag naar meer differentiatie, maar ook de bedenking dat dit steeds op maat van de betrokkene dient bekeken te worden. Het volgend voorbeeld geeft een mooi voorbeeld van dynamiek die inspeelt op de eigen krachten van de betrokkene en van zijn omgeving. De maatschappelijk werker heeft een erg warm contact met een man die de diagnose ‘manisch-depressief’ heeft. Tijdens de depressieve periodes beheert deze man zijn geld zeer goed. In de (minder voorkomende) manische periodes heeft hij geen controle meer over de uitgaven. De man weet dit en voelt de manische periodes meestal ook aankomen. De afspraak is dat hij dit signaleert aan de maatschappelijk werker die dan een tijd het beheer overneemt. Ook de omgeving is op de hoogte en signaleert en ondersteunt bij de moeilijke periodes (casebespreking).

81

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

De volgende toekomstpistes voor de budgethulpverlening in het OCMW Heusden-Zolder kunnen uit dit alles worden gedistilleerd: - belemmerende mechanismen voor budgethulpverlening binnen de eigen organisatie wegwerken; - weerstand bieden aan de externe druk voor ‘verplicht beheer’ door andere organisaties en opnemen van de signaalfunctie hieromtrent; - vanuit de organisatie een duidelijke procedure/traject(en) vastleggen bij budgethulpverlening die structuur bieden aan de hulpverlener en de hulpvrager (bv. werken met periodes en ingebouwde evaluatiemomenten; - de eindtermijn van sanering van schulden niet (automatisch) laten samenvallen met het einde van budgethulpverlening; - een grondige bespreking plannen bij een aanvraag voor financiële begeleiding (niet automatisch in ‘volledig beheer’); - instrumenten aanreiken die het beoogde leerproces bij de hulpvrager en de afbouw vergemakkelijken (bv. lijst opstellen met zeer gedetailleerde vaardigheden die men behoeft om het eigen budget te beheren, regelmatig screenen welke vaardigheden de hulpvrager kent en/of heeft verworven en inoefenen van nieuwe vaardigheden); - zo vroeg mogelijk betrekken van het eigen sociale netwerk van de hulpvrager (tenzij tegenindicaties); - groepsaanbod rond het beheren van het eigen budget (ofwel vanuit het OCMW zelf ofwel vanuit een bestaande of nieuw opgerichte vereniging waar armen het woord nemen); - verdere deelname aan de provinciale werkgroepen budgetbeheer en Dialoog; - maximaal inschakelen van de doelgroep zelf bv. - als individuele ondersteuners wanneer de hulpvrager zelf geen eigen netwerk heeft (een soort van peterschap/meterschap), van bij de aanvang en zeker bij afbouw en nazorg; - via een actieve rolopneming binnen de groepswerking; - via het inschakelen van ervaringsdeskundigen binnen de OCMWhulpverlening; - door structurele participatie van de doelgroep in te bouwen onder meer via cliëntenraden of het organiseren van dialooggroepen. Algemeen dient de budgethulpverlening de eigen krachten van de hulpvragers, van zijn netwerk en van de groep van armen meer te benutten en dient (nog) meer op maat te worden gewerkt, rekening houdend met de bredere betekenisgeving van deze hulpverlening voor de betrokke-

82

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

ne(n). Dit veronderstelt meer differentiatie (en creativiteit) binnen de budgethulpverlening.

4. Empowerment via maatzorg en het cliëntoverleg: de case van Martine35
4.1 Het leven van Martine Martine is 46 jaar en woont alleen. Ze leeft sinds 1999 feitelijk gescheiden van haar man Emiel. Sinds kort is de wettelijke scheiding uitgesproken. Ze heeft de beroepsschool beëindigd en is in het bezit van een getuigschrift huishoudkunde. Martine heeft voor haar huwelijk gewerkt gedurende een periode van twee jaar als poetsvrouw/kinderjuf bij een bakker en als arbeidster in een schoenenfabriek. Daarna wordt ze huisvrouw. Haar inkomen bestaat momenteel uit een invaliditeitsvergoeding en kinderbijslag voor één dochter die ten laste is van Martine. Martine komt uit een middelgroot gezin. Ze heeft nog een oudere zus en een jongere broer. Haar moeder is overleden toen ze twee jaar werd. Haar vader is hertrouwd toen Martine net vijf jaar werd. Uit het tweede huwelijk wordt er nog een dochter geboren. Haar stiefmoeder heeft voor haar en haar broer en zus gezorgd. Martine heeft steeds het gevoel gehad dat haar stiefmoeder haar eigen dochter voortrok. De contacten met haar vader en stiefmoeder zijn vandaag eerder beperkt. Martine is in 1976 getrouwd met Emiel. In 1977 wordt hun eerste dochter Katrien geboren. Ze krijgen in totaal acht kinderen maar twee kinderen overlijden op jonge leeftijd: de eerstgeboren dochter overlijdt op haar twee jaar aan longontsteking en later sterft er nog een dochtertje op vijf weken aan wiegendood. Martine en Emiel hebben bewust gekozen voor een groot gezin. De zorg voor de zes kinderen (vier dochters en twee zonen) wordt gedeeld met het kinderdagverblijf of de dagopvang en dit zowel tijdens de week als in het weekend. Later worden vijf kinderen opgenomen in een Medisch Pedagogisch Instituut (MPI) en deze blijven in het weekend ook vaak in het internaat.
35 Het materiaal voor deze casestudie werd aangereikt door Marijke Cupers en Lutgart Agten, maatschappelijk werkers van het OCMW Heusden-Zolder. De betrokken cliënte heeft haar toestemming gegeven om haar levensverhaal neer te schrijven, uiteraard mits het gebruik van fictieve namen. Niettemin rekenen en vertrouwen we op de nodige discretie van de lezer bij mogelijke herkenning.

83

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Emiel werkt full-time als bouwvakker en werkt ook na zijn uren steeds bij. Er is een zeer goed inkomen waardoor ze een eigen huis kunnen bouwen en zich alles kunnen aanschaffen wat ze maar wensen. Alle financiële, administratieve en regelzaken gebeuren door Emiel. In de partnerrelatie zijn er geregeld spanningen, waarvoor externe hulp wordt ingeroepen. Emiel geeft aan dat hij de zorg voor de kinderen en de chaos in het huishouden niet langer aankan. Voor het huishoudelijke werk wordt er gedurende anderhalf jaar beroep gedaan op de Thuiszorgdienst van het OCMW. Samen met de verzorgende zorgen ze ervoor dat het huis weer leefbaar wordt. Op financieel vlak loopt het later mis. Emiel en Martine hebben veel schulden gemaakt (leningen, aankopen op afbetaling) die ze niet langer kunnen afbetalen. Omwille van de hypothecaire achterstand gaat hun huis openbaar verkocht worden. Dit brengt extra spanningen teweeg, ook in hun relatie. Emiel zet in 1999 de stap voor hulp naar het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg. Hij geeft aan dat zijn vrouw ‘chaotisch, grenzeloos, koopziek en dwangmatig is en het huishouden en de kinderen niet aankan’. Hij beslist om weg te gaan, maar wil zijn kinderen meenemen. Door het Begeleidingscentrum van het MPI was er voordien een intensieve begeleiding van de ouders (vooral met Emiel, die de contacten onderhield) rond de opvoeding van de kinderen. Emiel vertrekt samen met de oudste kinderen (die een conflictueuze relatie hebben met hun moeder), en neemt alles mee wat hijzelf en de kinderen nodig hebben. De twee jongste dochters blijven bij Martine. Over het hoederecht zijn de ouders het niet eens. Martine wordt in die periode, op eigen verzoek, omwille van een depressie opgenomen op de A-dienst in het ziekenhuis van HeusdenZolder in 1999. De twee jongste kinderen worden dan op advies van de Bijzondere Jeugdzorg (CBJZ) opgevangen in een CKG (de ene dochter in het in het weekend, de andere de ganse week). Nadien gaat Martine in daghospitalisatie; de twee jongste kinderen zijn dan in het weekend bij haar. In afwachting van de definitieve verkoop blijft Martine in het huis wonen. In het huis heerst een grote chaos. Via een cliëntoverleg, waarbij Martine en Emiel aanwezig zijn, wordt er gezinshulp van het OCMW ingeschakeld. Twee gezinshelpsters en vrijwilligers van de Sint-Vincentiusvereniging zorgen samen met Martine dat het huis opgeruimd wordt en dat de verhuis kan doorgaan.

84

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Er wordt budgetbeheer opgestart omdat Martine geen duidelijk zicht heeft op haar financiële situatie en ze niet meer met schulden wil leven. Met de opbrengst van de verkoop van het huis worden de schulden betaald en Martine verhuist naar een grote sociale woning. De verzorgende van de dienst Thuiszorg ondersteunt Martine in de zorg voor haarzelf en de organisatie van het huishouden. Ze leert haar nieuwe vaardigheden aan op het vlak van koken, wassen en onderhoud van de woning. Na overleg met Martine, CBJZ, het MPI en het CKG volgt er een opname in een pleeggezin voor de jongste dochter. Na een korte periode moet deze naar een ander pleeggezin. Tijdens haar verblijf in dit tweede pleeggezin begint de dochter vreemd gedrag te vertonen. Het CBJZ geeft het dossier door aan de jeugdrechtbank. Via de kinderarts en de kinderpsychiater wordt de dochter opgenomen en gedurende één jaar psychiatrisch behandeld. Vanaf september 2002 gaat deze dochter naar het MPI en doet het in de leefgroep nu zeer goed. Het bezoekrecht voor de twee dochters is momenteel beperkt: de ene dochter komt van vrijdag- tot zaterdagavond en de jongste dochter enkel op zaterdag. Martine vindt het bezoekrecht rond deze jongste dochter te beperkt en wenst dezelfde regeling als voor de andere dochter zodat deze minstens één nacht kan blijven slapen. De relatie van Martine met de oudste kinderen is momenteel beter en deze lopen regelmatig in en uit bij Martine. Meestal komen ze allemaal samen op zaterdag. Martine onderneemt samen met de kinderen leuke dingen (bv. gezelschapsspelletjes spelen). De kinderen zijn heel loyaal naar Martine toe. 4.2 Wat zegt dit verhaal Een goede moeder willen zijn Er is een kluwen van problemen aanwezig. Maar belangrijk is toch het verhaal van strijd rond de minderjarige kinderen. Martine heeft hierin een sterke strijdkracht ontwikkeld. Bijvoorbeeld rond de bezoekregelingen omtrent de kinderen durfde ze eerst haar persoonlijke mening niet te uiten, zodat ze steeds het gevoel had dat er enkel naar Emiel geluisterd werd en zij steeds het onderspit moest delven. Haar kinderen zijn zeer belangrijk in haar leven, maar ook haar bezorgdheid rond de opvoeding van de kinderen bij haar man, kon ze moeilijk uiten. Rond deze problematiek (het niet kunnen uiten van haar mening, het touwgetrek rond de kinderen) is er ouderschapsbemiddeling opgestart. Eén
85

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

keer in de maand zitten Emiel en Martine samen rond de tafel met een begeleidster. Hier worden de moeilijkheden en vragen rond de kinderen besproken. De balans tussen geven en nemen ten overstaan van de kinderen wordt hierdoor beter in evenwicht gebracht. Er worden duidelijke afspraken gemaakt. De grote wens van Martine is om een goede moeder te zijn voor haar kinderen en hierin niet te falen. Hiervoor heeft ze al verschillende stappen ondernomen. Ze doet haar best om via de Thuiszorg nieuwe vaardigheden aan te leren in het huishouden. Ze heeft bijvoorbeeld deel genomen aan een kookgroep, ze gaat naar het oudergroepje van het OCMW, … Geen schulden meer Het financiële is voor Martine ook belangrijk, ze wil niet meer in de schulden geraken. Ze heeft dit meegemaakt in de periode samen met Emiel en dit heeft een grote indruk op haar nagelaten. Emiel regelde al de geldzaken zonder overleg met Martine. In haar kindertijd regelde haar moeder het financiële luik van het gezin. Er waren geen geldproblemen. Wat vooral opvallend is bij Martine rond het financiële is haar zuinigheid. Tijdens het huwelijk was er weinig sprake van zuinigheid, overbodige zaken werden aangekocht en in huis ‘gestockeerd’. Martine heeft haar zuinigheid ‘misschien’ geleerd na de periode met Emiel en uit het moeten leven met schulden. Ze zal bijvoorbeeld geen onnodige aankopen meer verrichten en is erg spaarzaam met haar wekelijks leefgeld. Nood aan structuur en ondersteuning Voor Martine is haar dagindeling belangrijk. Ze gaat twee maal per week naar het Dagactiviteitencentrum en dit wil ze zo behouden. Daar komt ze in contact met andere mensen en dit doet haar goed. Haar deelname aan de activiteiten (sport, koken, …) is actief. Ze gaat liever naar de Link dan naar de dagtherapie in het ziekenhuis, waar ze enkele jaren ‘patiënt’ was. In het ziekenhuis werd er meer gepraat en ging men samen rond de tafel zitten. In het dagactiviteitencentrum daarentegen gaat het er actiever aan toe. Ook haar deelname aan het oudergroepje vind ze belangrijk. Ze is steeds aanwezig en vindt het belangrijk om bij de groep te horen. Martine heeft veel ondersteuning gekregen (van familie, diensten, hulpverlening). Vele ‘evidente’ vaardigheden (kinderen, huishouden, partnerrelatie) waren niet aanwezig.

86

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

4.3 Aandachtspunten in de hulpverlening Verhogen van de draagkracht via positieve stimulansen De rode draad in de hulpverlening is voor de maatschappelijk werkster het verhogen van de draagkracht van Martine. Dit is mogelijk door haar zelfstandigheid te stimuleren en haar mogelijkheden maximaal te benutten. De maatschappelijk werkster focust op het positieve en stimuleert het aanleren van nieuwe vaardigheden. De maatschappelijk werkster ziet op twee jaar tijd een positieve evolutie. In de beginperiode was Martine depressief, liet ze de schouders hangen en stelde zich zeer afhankelijk op. Vandaag heeft ze meer zelfvertrouwen waardoor ze zich zelfstandiger kan opstellen. Ook het leren zicht krijgen op de gevolgen van een bepaalde keuze zijn belangrijke leerpunten. Door deze stappen stijgt ook het zelfwaardegevoel van Martine. Op bepaalde gebieden is Martine nog wel afhankelijk. Zo schrikken nieuwe dingen haar af bv. het omgaan met een bankkaart, de euro. De hulpverlener ziet hierin voor zichzelf een valkuil: het te snel meegaan met de afhankelijkheidspositie van Martine en haar te snel dingen uit handen nemen. Het werken aan een vertrouwensrelatie Het creëren van een vertrouwensklimaat is een ander aandachtspunt binnen de begeleiding. Dit gebeurt door tijd te nemen om naar het (levens)verhaal van Martine te luisteren, haar de kans te geven om haar gevoelens en ideeën te uiten en door vragen te stellen die aansluiten bij haar ervaringen en levensritme. Voor Martine is dit vertrouwen belangrijk voor een goede samenwerking. 4.4 Bij wijze van voorbeeld Afbouw van afhankelijkheid en leermogelijkheden De afbouw van afhankelijkheid wordt gekoppeld aan een leerproces op maat. Dit betekent een activeren van Martine met zeer kleine, concrete stappen. Stappen in dit proces zijn o.a. de geleidelijke afbouw van gezinshulp, het leren regelen van eigen vervoer via de Mindermobielencentrale, alleen naar de winkel gaan, een afspraak maken met de kapper. Martine heeft dit jaar het communiefeest voor haar dochter zelf georganiseerd terwijl dit vroeger vooral door de verzorgende van de

87

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Thuiszorgdienst gebeurde. Het leren werken met de bankkaart werd ook aangeleerd via kleine stappen: meegegaan naar de bankautomaat, een duidelijke uitleg gegeven over hoe ze de bankkaart moet gebruiken, een stappenplan opmaken van de concrete handelingen die er verricht moeten worden aan de bankautomaat en een folder meegeven. Er gebeurt ook een opvolging via telefoon en huisbezoek of dit al dan niet is gelukt. Stappen inzake participatie worden ondersteund en gestimuleerd en er is oog voor het graduele participatieproces. Zo neemt Martine trouw deel aan het maandelijks oudergroepje van het OCMW i.s.m. het Schoolopbouwwerk. De eerste keren werd Martine opgehaald en terug naar huis gebracht door de maatschappelijk werkster. Martine voelde zich angstig omdat het nieuw was en ze er niemand kende. Vandaag komt Martine zelf met de fiets naar het oudergroepje. In het oudergroepje wordt er gewerkt rond het opvoeden van kinderen. Martine heeft hierbij vooral geleerd om grenzen te stellen naar de kinderen toe. Dit doet ze door duidelijke afspraken te maken met de kinderen en het nakomen van deze afspraken op te volgen. Zo moet bv. haar dochter eerst haar broodjes opeten en krijgt ze daarna pas snoep. Er zijn momenteel ook stappen voor de afbouw van het budgetbeheer. Via kleine stappen krijgt ze meer inzicht over haar financiële situatie en wordt er beroep gedaan op haar eigen verantwoordelijkheid. Zo houdt Martine bv. zelf het rekenblad bij waarop ze de betalingen van de maand noteert. Ook het leren tellen via een rekenmachine is nieuw voor Martine en werd haar aangeleerd door kleine oefeningen. Iedere maand wordt er nu samen geteld. Deze eerste stappen naar onafhankelijkheid resulteren in positieve ervaringen die enorm motiverend zijn voor Martine. Uitbouw van sociale netwerken Martine heeft ook vriendinnen gemaakt door de deelname aan het oudergroepje. Ze spreekt met deze af om bv. af en toe eens iets te komen drinken bij haar thuis. Door te horen van andere deelnemers dat hun kinderen ook naar het bijzonder onderwijs gaan, voelt Martine zich niet meer zo alleen. Martine gaat ook twee maal per week naar een dagactiviteitencentrum. Ze doet dit erg graag. Martine wil er graag bijhoren en zal niet snel afhaken. Ze vindt het nu zelf ook belangrijk dat ze onder de mensen komt en zich niet opsluit in haar huis. Ook via het oudergroepje, heeft Martine deelgenomen aan een kookcursus en een cursus rond de

88

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Euro, is ze naar het circus en naar een kerstfeestje geweest. Dit gebeurde grotendeels doordat er mensen aanwezig waren die ze kent van het oudergroepje. Het is belangrijk om Martine uit haar isolement te halen. Bij de start van de maatzorgbegeleiding zag de maatschappelijk werkster dat ze zich terugtrok in haar woning, en enkel contact had met de hulpverleners en een vrijwilliger van Sint-Vincentius. Nu heeft ze ook met haar buurvrouw regelmatig contact. Ze zorgt voor de post wanneer de buurvrouw op vakantie is en gaat regelmatig voor haar naar de winkel. 4.5 Link met maatzorgprincipes Het principe van een positieve hulpverlening uit zich in de aanwezigheid van maximaal respect voor de hulpvrager. De maatschappelijk werkster heeft oog voor de specifieke taal van Martine (haar betekeniskader, haar levensritme). Er heerst een goede verstandhouding tussen Martine en de maatschappelijk werkster en men kan spreken van een vertrouwensrelatie. Dit vertrouwen is gegroeid gedurende de langdurige begeleiding en omdat Martine steeds kan terugvallen op de maatschappelijk werkster. Naast de huisbezoeken zijn er ook regelmatig telefonische contacten. Het integrale karakter van de hulpverlening blijkt onder meer uit de exploratie van verschillende levensdomeinen: psychologische levenssfeer, opvoeding van de kinderen, financies, sociale relaties, justitie enz. De intensiteit van de begeleiding per levensdomein is heel verschillend. Haar prioriteiten worden gevolgd. Zo vindt Martine het werken rond de kinderen erg belangrijk. Verder is er niet enkel oog voor de problemen maar ook voor de krachten van Martine, is er aandacht voor het mesoniveau (de sociale omgeving) en komen ook de levensgeschiedenis (verleden) en het toekomstperspectief (dromen, wensen) expliciet aan bod. Er wordt gestreefd naar participatie op maat. Martine wordt actief betrokken, rekening houdend met haar specifieke mogelijkheden en grenzen. Het is een samenwerkingsrelatie tussen de maatschappelijk werkster en Martine. Zo is er bv. de gedeelde verantwoordelijkheid in het budgetbeheer: Martine die iedere week naar de bank gaat om haar leefgeld te halen, het telkens samen tellen en de maatschappelijk werkster die de vaste kosten regelt en opvolgt.

89

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Een gestructureerde hulpverlening betekent ordening, duidelijkheid en planmatig werken. Samen met Martine wordt er een maatplan opgesteld. Dit plan wordt ook herbekeken en aangepast, is een dynamisch iets. Er is ook een duidelijke afbakening tussen het budgetbeheer enerzijds en de begeleiding op andere levensdomeinen anderzijds. Zo is de afspraak dat het ene huisbezoek handelt over financiële zaken, terwijl in het volgende bezoek andere zaken aan bod komen en er weinig of niets over het financiële wordt gezegd. De gecoördineerde hulpverlening is in de begeleiding goed uitgebouwd. Zo komen de betrokken hulpverleners regelmatig samen in het zogenaamde cliëntoverleg. Dit overleg staat regelmatig in functie van de regelingen rond de kinderen. Dit is immers voor Martine erg belangrijk. Door dit overleg kreeg men ook meer duidelijkheid over de onderlinge taakverdeling van de hulpverleners, kon een verdere strategie worden bepaald en werden concrete afspraken gemaakt. Martine participeerde bijna aan elk cliëntoverleg. Haar deelname werd telkens goed voorbereid. Zo kan Martine haar wensen steeds goed overbrengen in het overleg. Ook hier was er een evolutie. In het begin werd Martine bijgestaan door een vertrouwenspersoon tijdens het overleg, nadien deed ze dit volledig zelf.

5. Empowerment via provinciale stimulansen
De provincie Limburg wil empowerment, vertaald als de ‘krachtgerichte aanpak’ stimuleren. Dit vormt één van de drie speerpunten voor 2003 van de Afdeling Strategie en Planning (overkoepelend). We lezen in de beleidsverklaring 2003 van de gedeputeerde, Mevrouw Sonja Claes, onder meer bevoegd voor welzijnszorg en gelijkekansenbeleid, het volgende: Krachtgerichte aanpak stimuleren De directie Welzijn wil iedereen die bij welzijn betrokken is, stimuleren om de zogenaamde krachtgerichte aanpak (‘empowerment’) te hanteren. Deze aanpak geeft mensen de juiste instrumenten in handen zodat ze opnieuw meester worden over of meester blijven van hun eigen bestaan. Inhoud empowerment In de eerste plaats draagt empowerment bij tot het herstel van de onafhankelijkheid, in verbondenheid met anderen. Deze aanpak erkent dat

90

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

iedereen de grootste expert is van zijn of haar eigen welzijn. Het positieve in de mens wordt erkend en versterkt. Daarnaast geeft een krachtgerichte aanpak de mensen toegang tot alle info en hulpmiddelen die nodig zijn om een negatieve situatie om te buigen. Gevolgen empowerment Door de positieve krachten van patiënten, cliënten, allochtonen, ouderen, … te erkennen en als uitgangspunt te nemen voor de zorg-, hulp- en dienstverlening, hebben deze personen minder hulp nodig, nemen zij meer aan de maatschappij deel en verhoogt de solidariteit tussen de mensen. Hierdoor neemt de afhankelijkheid van de zorg-, dienst- en hulpverlening af, worden de sociale netwerken hersteld en de maatschappelijke achterstelling structureel aangepakt. Hoe empowerment stimuleren? Het provinciale bestuur wil alle lokale organisaties en besturen stimuleren om deze krachtgerichte aanpak in praktijk te brengen. We willen onze krachten gebundeld inzetten op: - een grotere betrokkenheid van de doelgroepen realiseren door hen een eigen stem te geven; - veldwerkers ondersteunen via vorming en methodieken; - beleidsmakers ondersteunen met kwantitatieve en kwalitatieve modellen voor een geïntegreerde omgevingsanalyse; - netwerkvorming stimuleren op alle niveaus. Subsidiereglement kansenbeleid Het subsidiereglement kansenbeleid werd al volledig geheroriënteerd op krachtgericht werken. Organisaties krijgen via dit reglement de kans om projecten uit te werken die mensen in achterstellingsituaties meer middelen geven om weer controle te krijgen over hun eigen situatie. Het resultaat van deze projecten moet wel altijd overdraagbaar zijn naar andere organisaties. Concreet onderzoekswerk De afdeling Strategie en Planning voert voortdurend onderzoekswerk uit in samenwerking met het veld. Een aantal onderzoeken die voor 2003 zijn gepland, kaderen perfect binnen de krachtgerichte aanpak of de zogenaamde ‘empowerment’.

91

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

Ontwikkelingsgroep empowerment De directie Welzijn wil zoveel mogelijk informatie verzamelen over de mogelijkheden en eventuele valkuilen van de krachtgerichte aanpak. Organisaties die via empowerment werken, worden daarom gevraagd mee te werken in een provinciale ontwikkelingsgroep empowerment. In deze groep leggen we alle criteria vast waaraan empowermentactiviteiten moeten voldoen. Samen met het veld wordt hierover discussie gevoerd. Initiatieven die de volgende twee jaar op stapel staan zijn: - doelgroepen aan het woord laten tijdens een groot initiatief (welzijnsforum); - een vormingsprogramma ontwikkelen; - een methodiekenbeurs organiseren. Studieopdrachten in de schoot van het LSO In samenwerking met het Limburgs Steunpunt OCMW’s lopen er tal van projecten die perfect passen binnen de krachtgerichte aanpak. In samenwerking met de OCMW’s en vzw Dynamo wordt er gewerkt aan een informatiebrochure die cliënten wegwijs maakt in allerhande financiële vergoedingen. De brochure komt tegemoet aan het recht op informatie voor de cliënt en de openbaarheid van bestuur. Het ‘draaiboek lokaal cliëntoverleg’ ondersteunt de OCMW’s in hun concrete netwerkvorming. De directie Welzijn werkt aan een raamkader budgetbeheer/schuldhulpverlening voor maatschappelijk assistenten in OCMW’s. Dit leert hen aan schuldhulpverlening te doen vanuit de maatzorgprincipes (zorg op maat van de behoeftige). Het is tevens een handig instrument om een dialoog op te starten met andere actoren die met schuldhulpverlening te maken hebben. Leergroepen krachtgericht werken De directie Welzijn wil de mogelijkheden van het regionaal welzijnsbeleid optimaal benutten via de krachtgerichte aanpak. Bedoeling is een drietal regionale leergroepen inzake krachtgericht werken op te richten. Daarnaast staat er een lokaal experiment inzake netwerkvorming op stapel. Uit dit experiment moet blijken hoe de krachtgerichte aanpak op het niveau van de lokale gemeenschap kan worden toegepast. (Beleidsverklaring oktoberzitting 2002, Sonja Claes) Uit de genoemde beleidsbrief blijkt dat ook samenwerking vanuit het provinciebestuur Limburg erg belangrijk wordt geacht. Samenwerking

92

EMPOWERMENT IN HET OCMW HEUSDEN-ZOLDER

wordt als rode draad gesteld, niet als doel op zich maar als een middel of methodiek om tot een optimaal welzijnsbeleid te komen. Het Limburgs Steunpunt OCMW’s (LSO) en het Platform Algemeen Welzijnswerk zijn hiervan voorbeelden. Concreet wordt hiertoe ook het lokaal cliëntoverleg (binnen de context van maatzorg) gestimuleerd. Momenteel wordt een draaiboek voor dit overleg opgesteld i.s.m. diverse actoren en het HIVA. Binnen deze samenwerking komt ook de dialoog met de doelgroep aan bod. Dit is een voorbeeld van structurele participatie die het empowerment van de groep van armen ten goede komt. Het moge duidelijk zijn: geen empowerment zonder samenwerking. We hopen dat dit voorbeeld ook door andere provinciebesturen wordt gevolgd. De provinciale studiedag in West-Vlaanderen ‘Empowerment als vonk voor het maatschappelijk werk onder spanning’ (Provinciehuis Boeverbos Sint-Andries, Brugge, 13 juni 2003) is hiertoe een eerste aanzet. Dit brengt ons bij het OCMW van Ichtegem.

93

Empowerment in het OCMW Ichtegem

Vanaf de eerste dag in het OCMW van Ichtegem, voel ik dat het er in dit OCMW anders aan toegaat. Ik voel me onmiddellijk welkom en wordt automatisch opgezogen in de drukke werking. Ik zie verschillende cliënten samen met Johan of Ann. Koffie wordt hen aangeboden, er wordt gelachen, gehuild, er wordt geroepen en duidelijke taal gesproken, stille momenten worden niet onderbroken. De klok en de papieren bepalen het gesprek niet. Spreuken (die regelmatig wijzigen) versieren de muur: “Luisteren is meer dan horen. Luisteren is geen oplossingen geven maar stapvoets met de ander op weg gaan”. Als ik naar huis rijd, blijven de beklijvende levensverhalen van de cliënten steeds in mijn hoofd spelen. Ik voel veel bezorgdheid, maar ook veel sympathie en vertrouwen, voor de cliënten én voor de maatschappelijk werkers. Op de laatste dag in Ichtegem krijg ik een kaartje van de maatschappelijk werker waarmee ik veel heb samengewerkt: ‘Tine, het was fijn om u te leren kennen. Bedankt voor het empoweren en zelf nog heel veel power bij alles wat je doet!’ Dat deed deugd… Het kostte me moeite om deze tekst over het OCMW van Ichtegem te beginnen schrijven. Er was zoveel, maar tegelijkertijd ook zo weinig. Weinig tekst en ‘hard’ materiaal - bedoel ik - tegenover veel gevoel. Ik heb veel geleerd ook, vooral over empowerment in de praktijk. En daar was het ons toch om te doen. Ik kamp met het probleem om dit zichtbaar te maken en geloof dat het OCMW van Ichtegem daar ook mee zit. Het gevoel van ‘dit is het, dit werkt’, maar hoe verkopen we dit. Het verkopen is nodig, want er is een tekort, een duidelijk tekort aan empowerment in de maatschappij. De verhalen en ervaringen van de cliënten spreken hier voor zich. Ik bedenk dat deze gevoelsmatige persoonlijke impressie als start van deze tekst wellicht niet toevallig komt. Het sluit aan op de sfeer die er in het (kleine) OCMW van Ichtegem heerst. Een klimaat dat er is zowel in het

95

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

contact met de cliënten als tussen de werknemers van het OCMW onderling (wat ook hun hiërarchische functie moge zijn). De persoon komt hier op de eerste plaats. De binnenkant is belangrijker dan de buitenkant. De kwetsbaarheid wordt steeds in een maatschappelijk context geplaatst en potenties, krachten en dromen worden (dikwijls voor de eerste keer) naar buiten gebracht. Cliënten komen met heel diverse vragen (inkomen, huisvesting, werk) en gevoelens (machteloosheid, boosheid) naar binnen en gaan met heel andere vragen (wie ben ik, waar sta ik, waar wil ik naar toe) en gevoelens (ik sta er niet alleen voor, een zekere rust en vertrouwen) naar buiten. Dit alles kost uiteraard tijd en energie. Dit alles heeft een duidelijke prijs. (impressie onderzoeker) We beschrijven eerst de meerwaarde van het OCMW Ichtegem aan de hand van een aantal concepten uit de empowermentliteratuur bv. enabling niche, outreachment, self-empowerment en kwartiermaken. Dan komt de groepswerking aan bod en beschrijven we de knelpunten van empowerment. Vervolgens wordt de concrete praktijk in het OCMW Ichtegem toegelicht aan de hand van een casestudie. We ronden tenslotte af met het aspect van mobiliteit en empowerment, een thema dat in diverse cliëntsituaties aan bod is gekomen.

1. Een ‘enabling niche’
Het OCMW van Ichtegem kan omschreven worden als een ‘enabling niche’. Deze term wordt in de wetenschappelijke literatuur gebruikt om settings aan te duiden die beantwoorden aan bepaalde organisatorische karakteristieken van empowerment. Enabling niches zijn sociale niches waarin men niet wordt gestigmatiseerd (bv. als dakloze, drugverslaafde, steuntrekker, crimineel), waarin er aandacht is voor de gehele persoon met verwachtingen van persoonlijke groei en verandering. Deze sociale niches zijn stimulerende en geen beperkende omgevingen, ze nodigen uit tot sociaal contact, sociale steun en het gebruik en aanleren van vaardigheden. Het zijn omgevingen waarin men zich fysiek veilig en sociaal gewaardeerd voelt. Het zijn ook ‘gastvrije’ niches waarin iedereen welkom is, omgevingen waarin het prettig is om te vertoeven. Personen in deze niches kunnen opnieuw keuzes maken, zodat ze zichzelf als handelende personen kunnen zien. Het is een omgeving waarin de betrokkenen een gevoel van eigenwaarde kunnen ontwikkelen en waarbij men tot medezeggenschap

96

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

wordt uitgenodigd. Het belang van evenwicht in macht en van wederkerigheid (reciprociteit) wordt in deze enabling niche benadrukt. Veelal worden organisaties als zelfhulpgroepen, buurtwerkingen, basisorganisaties gezien als faciliterende contexten voor empowerment en rijzen er anderzijds twijfels bij het empowering potentieel van meer formele maatschappelijke organisaties met professionele hulpverleners. We menen dat het OCMW van Ichtegem aantoont dat het empowermentperspectief niet gebonden is aan een bepaalde setting en bewijskracht geeft voor de overtuiging dat empowerend werken kan binnen elke organisatie. 1.1 Outreachment, betrokkenheid en kansen op maat Het creëren van een enabling niche zit dikwijls in kleine dingen. Het OCMW Ichtegem is gevestigd in een gewoon huis in de straat, de bureaus zijn eerder gezellige (huis)kamers, warm aangekleed met persoonlijke dingen, een sociaal huis ‘avant la lettre’. Cliënten kunnen ook zonder afspraak terecht op het OCMW. Men noemt elkaar bij de voornaam, men kent elkaar, dikwijls al jaren, zowel in de goede als kwade dagen. Cliënten worden op straat of bij feesten in de buurt niet ontweken, maar aangesproken en uitgenodigd om mee rond de tafel te zitten. Zogenaamde ‘ex-cliënten’ worden nog thuis opgezocht op een informele manier, zelf gekweekte groenten worden meegegeven. Maatschappelijk werkers rijden rond in de gemeente, zitten niet verankerd achter hun bureau, doen dingen samen met de cliënten. Men doet ook aan ‘cliëntbinding’. Wanneer men signalen hoort (bv. via de school) dat een gezin dat niet gekend is bij het OCMW het mogelijk financieel moeilijk heeft, worden deze thuis opgezocht. De lijst met sociale voordelen wordt hen aangeboden (bv. sociaal tarief voor kinderopvang). Veelal is dit een ingangspoort voor andere vragen. Dit is proactief werken. Het is tevens een stuk bemoeizorg, dat door outreaching werken wordt bewerkstelligd. De maatschappelijk werkers schieten ook onmiddellijk in actie wanneer er een noodsituatie is en de cliënten in paniek opbellen bv. wanneer de partner de vrouw bedreigt, wanneer de deurwaarder aan de deur belt. Dikwijls kost het dan verschillende uren om de situatie te stabiliseren. Heel wat praktische zaken worden door het OCMW opgenomen bv. een vluchthuis zoeken, zorgen voor vervoer enz.

97

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Wanneer cliënten naar een nieuwe woonsituatie gaan in een andere gemeente (bv. door te gaan inwonen bij een nieuwe vriend), wordt ook daar een bezoek gebracht. Deze vorm van outreaching werken geeft uiting aan de reële bezorgdheid die de maatschappelijk werkers voor hun cliënten voelen. Deze betrokkenheid is een noodzakelijke voedingsbodem voor een kwalitatief hoogstaande hulpverlening en getuigt van respect en waardering voor de mens achter de cliënt. Anderzijds is er ook respect voor de privacy van de persoon, laat men ook ruimte voor het ‘geheime leven’. De maatschappelijk werkers proberen te zoeken naar ‘het verhaal achter het verhaal’. Zo komt bv. een vrouw niet opdagen op de kookcursus. Deze had nochtans gezegd dat het de eerste keer zeer goed was meegevallen. Het betekende een grote stap voor deze sociaal geïsoleerde vrouw. Wanneer de maatschappelijk werker haar thuis bezoekt, krijgt ze het ‘echte’ verhaal te horen. Er werd in de cursus gevraagd om de volgende keer zelf een kookpot mee te nemen. Deze vrouw woont echter in een woning met zeer beperkt sanitair, met ook problemen met energie en watertoevoer. Ze durfde niet naar de cursus met haar oude en bevuilde kookpot, de enige die ze bezit. De maatschappelijk werkers geven ook vele ‘complimenten’ aan de cliënten. Ze hebben oog voor hun kleine stappen, de kleine overwinningen en successen en verwoorden dit ook of laten het op een originele manier blijken. Zo reikt bv. het OCMW een ‘diploma’ uit wanneer een budgetbegeleiding tot een schuldsanering heeft geleid. Dit wordt ondertekend door alle raadsleden. Dit diploma, dikwijls het enige diploma dat mensen ooit hebben gekregen, wordt met trots in de woonkamer opgehangen. Deze zaken geven ook de maatschappelijk werkers een goed gevoel, ze hebben hier ook deugd aan (wederkerigheid). Door op een dergelijke manier met cliënten te werken, krijgt men een goed zicht op hun levensverhaal en situatie. Men weet wat voor de betrokkenen echt belangrijk is, welke prioriteiten ze hebben, voor welke zaken ze te motiveren zijn. Slechts zo kan er echt vraaggericht worden gewerkt en kan er aan ‘maatzorg’ worden gedaan. Het OCMW heeft ook geen steunbarema’s, maar stelt maatzorg prioritair. Dit betekent kansen geven op maat van de specifieke cliëntsituatie. Deze kansen kunnen zowel van materiële als immateriële aard zijn. Ze zijn ook heel verscheiden: geld voor bloemen voor mama op moederkesdag, geld voor een gezinsuitstap naar een pretpark, het betalen van een voetbalabonnement, tussenkomst voor de aankoop van een brommer of auto, tussenkomst voor de aankoop van een speciale bril

98

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

voor een man met gezichtsproblemen, het blijven opvolgen van een ontwenningskuur, bemiddeling bij problemen met politie, een sociale tewerkstelling meer dan eens terug laten opstarten enz. Dit alles impliceert ook dat het OCMW soepel en creatief omgaat met de wetgeving. Het OCMW Ichtegem geeft duidelijk kansen op maat en speelt hierbij maximaal in op de potenties en krachten die de cliënten hebben. Ze geloven in hun groei en verandering ook al zien de cliënten dit zelf nog niet altijd. Dit is een basisprincipe van de krachtgerichte benadering, van een empowering hulpverlening. 1.2 Self-empowerment van hulpverleners We citeren uit de tekst van een maatschappelijk werker van het OCMW Houthulst die aan bod kwam op de Open - avond ACV, kruispunt Diksmuide (16 juni 2003).36 “En last but not least: alles staat of valt met het personeel dat het eigenlijke werk moet doen. Het subliemste initiatief zal op niets uitdraaien als het personeel er niet achter staat. En dit is een boodschap voor het beleid in alle geledingen, en vooral naar het plaatselijk beleid: laat je personeel in zijn waarde, communiceer op gelijkwaardig niveau, schep ruimte, stimuleer opleidingen want een maatschappelijk werker die een aantal jaren geen opleiding heeft gevolgd wordt een gevaar voor de maatschappij. Of volg desnoods zelf een cursus motivationele technieken” (Kahleen Haeve, sociale dienst OCMW Houthulst). Het kan niet duidelijker worden gezegd: het belang van de basiswerkers in de hulpverlening. Dit geldt, ons inziens, des te meer wanneer het over empowerment gaat. Een belangrijke werkhypothese is immers dat disempowered personen in vergelijking met empowered personen het moeilijker hebben om met andere personen te werken aan hun empowerment. Deze zogenaamde ‘self-empowerment’ van hulpverleners moet wel door de organisatie gestimuleerd worden. We menen dat het OCMW Ichtegem werkt maakt van het selfempowerment van haar personeel. Er is geen strakke hiërarchie in de organisatie aanwezig. Er zijn vele informele contacten, zowel met het hoofd als de secretaris. Vanuit de OCMW-raad krijgt de sociale dienst

36 De volledige bijdrage van Katheen Haeve werd gepubliceerd in OCMW-visies, 3/2003, p. 15-19.

99

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

een grote ruimte en is er een sterk vertrouwen aanwezig. De kleinschaligheid van dit OCMW heeft hierbij zeker troeven. Het hoofd van de sociale dienst heeft ook een goed zicht op de sterke en zwakke kanten van de werknemers. Het personeel wordt zoveel mogelijk op hun krachten aangesproken en ingeschakeld in functies die aanleunen bij hun interesses. Synergieën worden zo gesmeed, de nodige complementariteit wordt zo verzekerd. De maatschappelijk werkers worden gestimuleerd in hun autonomie en creativiteit. Bij problemen of vragen kan er steeds worden aangeklopt bij collega’s en zeker bij het hoofd. Naast zakelijke aspecten komen hierbij ook persoonlijke zaken aan bod. Er is oog voor de persoon achter de maatschappelijk werker en de impact van persoonlijke gebeurtenissen/ eigenschappen op het professioneel functioneren wordt openlijk besproken. Kritiek kan vrij worden geuit. Spanningen in de lucht laat men niet hangen en worden snel opgenomen. Wederzijds respect is aanwezig. Een personeelskrant met diverse persoonlijke items van de medewerkers werd net in het leven geroepen. Het OCMW Ichtegem heeft kenmerken van de ’lerende organisatie’. Baart (2001:842) omschrijft de lerende organisatie als volgt: “Het betekent fundamenteel dat de ervaringen die tijdens de uitvoering van het beleid worden opgedaan, niet alleen worden betrokken in de bijsturing van de uitvoeringsregels zelf maar ook in de evaluatie van de beleidsobjectieven zelf. Een lerende organisatie leert van praktijkervaringen, en wel op methodisch, management- en beleidsniveau. Daarmee staat ze lijnrecht tegenover een organisatie die de bevelshuishouding als ruggengraat kiest en de menselijke hulpbronnen en potenties (human resources) bedillerig en beknottend aanwendt. Een lerende organisatie hecht dan ook aan ongestructureerde momenten waarin werkers elkaar kunnen treffen en hun ervaringen (over de echelon-grenzen heen) uitwisselen. Een lerende organisatie heeft het misschien wel druk maar jakkert niet voortdurend, is niet steil hiërarchisch en verkokerd ingericht”. Er wordt ook actief gewerkt aan de visie op hulpverlening aan personen die in armoede leven. Er zijn formele teamvergaderingen (kleine teams, een groot team) waarin dit aan bod komt. En zeker door de maandelijkse supervisie37 van een extern persoon (i.c. Koen Vansevenant) wordt aan visievorming gedaan, wordt er vorming gegeven rond atti-

37 Gedurende dit actieonderzoek participeerde Tine Van Regenmortel mede aan deze supervisiemomenten.

100

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

tude, (gespreks)vaardigheden, technieken en worden er ook instrumenten aangereikt. Regelmatig ontstaan er spontane rollenspelen tussen de supervisor en het hoofd van de sociale dienst. De supervisor, Koen Vansevenant, is doordrongen van de maatzorgmethodiek en het empowermentgedachtegoed en kan dit door zijn praktijkervaring (o.a. in het OCMW van Oostende) concreet vertalen. We illustreren dit aan de hand van het thema over de ‘narratieve benadering’. In deze tekst willen we een ‘narratieve benadering’ aanbrengen. In die benadering staat ‘het verhaal’ van de cliënt, hier de jongere centraal. Vanuit dit verhaal komt al dan niet verbinding tot stand en kunnen zinvolle hulpverleningsstappen worden gezet. Een narratieve benadering focust vooral op het belevings- en betrekkingsniveau en probeert de invloed van de jongere zo groot mogelijk te houden. Maatschappelijk werkers die aan jongeren de nodige ruimte willen geven om ‘op verhaal te komen’, verbreden niet alleen de radius van het gesprek, maar geven het ook meer diepgang. (…) Bv. Een jongere is van mening dat werken ‘voor onnozelaars’ is. Zijn vriendenkring bestaat vooral uit zwartwerkers of dealers, die deze inkomsten weten te cumuleren met één of andere vorm van uitkering. Rechtstreekse gesprekken over werk wimpelt hij af met uitspraken als ‘jullie moeten niet denken mij te lijmen met één van jullie onnozele projectjes, waar je je voor een hongerloon uit de naad moet werken, en daarbij alles moet afstaan om je schulden te betalen’. De maatschappelijk werker zit met de hypothese dat deze zienswijze maar één laag is van de kijk van de jongere op het idee ‘werken’. Er valt ook licht faalangst te bespeuren: de jongere wordt immers uitgedaagd om zich te bewegen op een terrein dat hem vreemd is. Daarenboven is het thema besmet met een loyaliteitsconflict. De moeder ziet werken als de ideale oplossing, terwijl zijn vrienden zo lang mogelijk ritselend door het leven willen gaan. Een rechtstreekse aanpak botst steeds op het pantser van ‘werken is voor onnozelaars’. De hulpverlener zoekt dus beter een onrechtstreekse ingang.38 H: ik ga niet terug beginnen over onze opleidings- en tewerkstellingsmogelijkheden, want de vorige keer heb je mij gelukkig heel goed duidelijk gemaakt, dat zoiets is voor ‘mietjes’. (zienswijze jongere uitvergroten)

38 ‘H’ staat in de dialoogtekst voor hulpverlener, ‘J’ staat voor de jongere (cliënt).

101

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

J: (grinnikt) ik bedoelde daarmee niet direct voor mietjes, maar ik wil gewoon niet meer dat je me de oren van mijn kop zaagt. H: O.K., dan iets helemaal anders (voegt in), … er is bij mij iets blijven hangen uit onze vorige babbel. Je zei me dat je door naar hier te komen wonen je heel vlug een nieuwe vriendenkring hebt opgebouwd, maar ook dat het andere vrienden zijn als vroeger. J: ja in de randgemeente waar ik vroeger woonde waren dat meer gewone gasten. Nu zijn het meer uitgangsvrienden. H: wat sprak je toen aan bij die vroegere vrienden. Jij als coole stadsgast, kon je je amuseren met hen? (onrechtstreeks perspectief) J: wel vroeger, dat weet jij niet van mij, was ik een ferme keeper in de voetbal. Je kunt je dat nu van mij niet voorstellen, maar elke week speelden we met de buurt een partijtje voetbal. H: met je huidige look kijk ik daar inderdaad van op, maar anderzijds ben je een grote gast die toch aardig het doel moet kunnen beheersen. J: (wordt enthousiast en vertelt over vroeger) H: dus jij was aan je zeventien een sportieve, schoolgaande gast, zonder al dat gerief en nachtelijke zwerftochten. Je bent inderdaad de laatste jaren een gans ander leven gaan leiden. Zie je dan niemand meer van je vroegere voetbalvrienden. (samenvattende ordening, koppeling aan het nu) J: enkel Jensen. Die woont ook alleen en werkt als receptionist in een hotel. H: dus je hebt niet helemaal met vroeger gebroken. Doet hij die job graag? J: wel, hij verdient er in elk geval aardig mee. H: ja, dat lijkt me wel iets helemaal anders dan onze projectjes: meer poen, minder gezaag. (taal van de jongere bewust overnemen, als een spiegel=lichtjes provocerend) J: ja maar, je moet voor receptionist wel meertalig zijn en goed met de computer kunnen omgaan! H: spijtig, want anders zie ik dit jou ook nog doen. Vlot omgaan met mensen, een stuk onafhankelijk werken. En nachtwerk! Net iets op jouw ritme. (onrechtstreeks perspectief) J: ja, soms droom ik wel van een leuke job en geen miserie meer. Dat leventje van mijn huidige vrienden is eigenlijk ook maar fake. Daarenboven zitten er al verschillende in de bak, of zwaar in de miserie omdat ze hun uitkering kwijt zijn. H: ik kan me voorstellen dat het heel moeilijk moet zijn bepaalde keuzes te maken: dat leuke avontuurlijke leventje van nu of stappen naar een meer regelmatig bestaan als je vriend Jensen. Ik spreek dan nog niet van al die mensen die aan je kop zeuren: je vrienden, je ma, het OCMW. (toont de jongere in zijn context aan beïnvloedingen) J: ik weet het soms ook niet meer…

102

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Via de persoon van zijn oude vriend brengt de hulpverlener op een veilige manier andere zienswijzen aan, die de jongere doen stilstaan bij zijn eigen keuzes. Het is hierbij belangrijk stapsgewijs te werk te gaan. De verleiding is groot om in een dergelijk gesprek de moraliserende toer op te gaan en de jongere proberen te overtuigen dat het toch maar veel beter is om het voorbeeld van die ene vriend te volgen. De hulpverlener houdt aan de jongere verschillende mogelijkheden voor op een niet dwingende manier. Hij benoemt hierbij zelfs de mogelijke voordelen van zijn huidige leventje en staat stil bij de beleving en de reacties van de jongere (dat keuzes maken moeilijk kan zijn) (Werktekst Koen Vansevenant, supervisor). 1.3 Kwartiermaken Een ander aspect van empowerment is ‘kwartiermaken’, een term uit Nederland van Doortje Kal. Kwartiermaken situeert zich op het mesoen macroniveau (op de buurt, de gemeenschap, het beleid enz.). Kwartiermaken doelt op activiteiten die ruimte maken voor de vreemde ander. Men kan werken aan het empowerment van mensen die maatschappelijk kwetsbaar zijn, maar als deze zich bevinden in omgevingen die kwetsen, stigmatiseren, uitsluiten en bijgevolg segregatie in plaats van integratie in de hand werken, wordt het voor deze mensen wel erg moeilijk. In een empowering samenleving waarbij men streeft naar een vermaatschappelijking van de zorg, dient ook aan deze zijde van de samenleving, bij deze die ‘niet-anders-zijn’, actief te worden gesleuteld. Dit vraagt om maatschappelijke steunsystemen waarin gastvrijheid en betrokkenheid centrale sfeeraspecten zijn. Empowerment legt zich niet neer bij een duale samenleving en benadrukt het belang van het dichterbij komen bij de zogenaamde ‘vreemde anderen’ (bv. mensen met een psychiatrische problematiek, met een handicap, personen die in armoede leven, etnische culturele minderheden). Empowerment beklemtoont dus verbinding, nabijheid, presentie en ontmoeting. Deze ontmoeting gebeurt niet in een beschuldigende sfeer, maar is gericht op het ‘ontschuldigen’ voor het anders zijn. Slechts dan kan een echte integratie in de samenleving gebeuren, kan er sprake zijn van een volwaardig burgerschap. Ook buiten het OCMW dienen er vele enabling niches voor de betrokkenen te zijn, verschillende ankerpunten om terug aansluiting te vinden in de maatschappij.

103

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Het OCMW Ichtegem acht dit een belangrijk aspect. Er dient aan de beeldvorming van het OCMW en van OCMW-cliënten te worden gewerkt. Men prijst zich gelukkig met een OCMW-raad die op eenzelfde golflengte staat, openstaat voor de visie van empowerment en maatzorg en de sociale dienst hierin een grote vrijheid geeft. De ‘dossiers’ worden ook steeds zorgvuldig toegelicht op de OCMW-raad (door de betrokken maatschappelijk werker of het hoofd van de sociale dienst). Een aandachtspunt is om ook op het vlak van de gemeente deze empowermentvisie meer expliciet en zichtbaar te maken. Het hoofd van de sociale dienst treedt ook veel naar buiten (bv. op vormingsmomenten en studiedagen, overlegmomenten met andere diensten). Hij treedt ook in dialoog met mensen uit de gemeente (van de school, met de politie enz). Dit biedt mogelijkheden om deze aanpak en visie over te brengen. We geven een drietal voorbeelden van dit kwartiermaken. Een eerste voorbeeld is de studiedag ‘Empowerment als vonk voor het maatschappelijk werk onder spanning’, een provinciale studienamiddag voor eerstelijnswerkers in het kader van het vormingsprogramma ‘armoede en sociale uitsluiting’ van de provincie West-Vlaanderen (dienst Welzijn-Gelijke Kansen), op 13 juni 2003 in het Provinciehuis Boeverbos Sint-Andries te Brugge. De deelnemers kwamen uit verschillende OCMW’s, CAW’s, en ook waren er vertegenwoordigers uit o.a. welzijnsraden, werk- of woonwinkels, CLB’s, jeugdklinieken, armoedeverenigingen, hogescholen en het provinciebestuur. Deze studiedag werd intens voorbereid door het OCMW Ichtegem samen met het OCMW Harelbeke, Koen Vansevenant (freelance vormingswerkersupervisor), een medewerker van de dienst welzijn van de provincie en het HIVA. Op deze studiedag werd heel wat informatie gegeven over het concept van empowerment en werden er interessante discussies gevoerd over stellingen en praktijken van empowerment samen met het publiek. Een ander voorbeeld is het persbericht dat door het OCMW in Ichtegem werd verspreid inzake de aankondiging van dit actieonderzoek: ‘Empowerment in de armoedebestrijding. Ichtegem doet mee!’. Dit persbericht geeft heel wat visie mee over de OCMW-cliënten, de OCMW-hulpverlening en over het OCMW als organisatie. Het is ook een oproep naar de burgers. De luchtige en grappige stijl zet de boodschap kracht bij.

104

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

’Empowerment’, wat voor beest is dat? En is dat gevaarlijk? Welke kleur heeft dat? ‘Empowerment’ is een Engels woord met als kern: POWER: KRACHT! Een kracht die in ieder mens zit, in iedere groep, in iedere organisatie, in ieder systeem, in iedere samenleving. Empowerment betekent al deze voorgaanden op een onbevoordeelde manier tegemoet treden, zoeken naar hun specifieke en kenmerkende kracht en pogen deze kracht op een positieve manier te mobiliseren. En: daaraan toevoegen de kracht van verbindingen tussen al deze verschillende subsystemen. Ieder deel heeft invloed op het geheel. Vertaald naar het OCMW betekent het dat we de kansarme, de maatschappelijk kwetsbare, niet meer enkel de schuld geven. Schuld en boete zijn niet langer onze drijfveer in de hulpverlening. We pogen voor ieder individu (elke cliënt) haalbare doelen van integratie, activering en participatie te stellen. Samen met onze cliënt, op een haalbaar tempo, gaan we de te nemen weg. Daarnaast gaan we ook op zoek om onszelf te empoweren, ons team, onze personeelsgroep, ons OCMW-bestuur. We kennen wel onze specifieke krachten, maar die kunnen we nog versterken. En er moet nog verder gegaan worden. Iedere inwoner van de gemeente kan, elk op zijn/haar niveau, beter leren zien, beter leren benutten, met een rechtstreeks beter welbevinden tot gevolg. Maar ook met een onrechtstreeks beter welbevinden voor al wie in relatie staat met die persoon. Naast individuen moeten ook groepen, systemen, en vooral het beleid bewuster worden, bewuster leren denken en plannen. Empowerend bezig zijn is dus niet zomaar een methodiek, het is op een bepaalde manier naar de dingen kijken, het is een manier van leven, een manier van ZIJN. Het OCMW van Ichtegem wil voor zijn kansarmen alleen maar het beste. Het is dan ook logisch steeds te willen zoeken om de beste middelen in te zetten om onze cliënten een leven te laten leiden dat beantwoord aan de menselijke waardigheid. Momenteel krijgen wij de kans om ondersteuning te krijgen vanwege dr. Van Regenmortel, Vlaanderens grootste autoriteit wat betreft het empowerment. Samen met nog twee andere OCMW’s mogen wij dit empowerment verder exploreren met ondersteuning van de ‘meester’ zelf. Dit ondersteuningsaanbod, dat tegelijk een onderzoeksopdracht behelst, wordt volledig gefinancierd door het ministerie van maatschappelijke integratie. De ondersteuning van dr. Van Regenmortel loopt tot eind

105

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

oktober. Daarna doen we er aan verder met onze huidige supervisor: K. Vansevenant. Voor onze maatschappelijk werkers betekent het een periode van hard, geconcentreerd en betrokken werken; … maar dat zijn ze al gewoon (Johan Declerck, hoofd sociale dienst, 24 maart 2003). Voor een laatste voorbeeld van kwartiermaken verwijzen we naar een Open-avond ACV, kruispunt Diksmuide op 16 juni 2003 met als thema: ‘visie op (kans)armoede en de bestrijding ervan, impact van het beleid op het veldwerk’. Het hoofd van de sociale dienst Ichtegem participeerde aan dit debat. We citeren hier opnieuw uit een tekst van een collega uit het OCMW Houthulst (Haeve, 2003). Ook hier vinden we dezelfde ingrediënten: een groot deel visie, humor, maar belangrijk ook vele ervaringen van armen zelf en van de basiswerkers. De perverse effecten van goedbedoelde beleidsmaatregelen komen hierbij tevens aan bod. Het beleid nam ook deel aan deze debatavond. “Volgens mij heeft onze houding het hem gedaan. We hebben de bewoners positief benaderd vanuit een welbepaalde visie op kansarmoede, namelijk dat armoede een structureel gegeven is en dat de fout niet bij de kansarme zelf ligt. Het is geen schande om in ellende te leven, de ellende zelf is een schande. Het gaat hier niet alleen om mensen die uit de boot vallen, maar ook en vooral om diegenen die er nog nooit hebben mogen in zitten, in die boot. En voortdurend zien zij die mooie interessante boot voor hun neus dobberen en ze willen er zo graag in. En ze doen daar ook heel veel voor. En ze kijken goed naar die boot en zien dat ze bijvoorbeeld om er bij te horen eerst een wagen, een tv, een video, een gsm en dan eventueel maar niet noodzakelijk werk moeten hebben. En daar sparen ze dan voor dat hun vingers kraken en weer is het niet goed, want dan wordt hen in het gezicht gesmeten: “Kijk, madam leeft in armoede, maar ze heeft wel een video”. Of ze worden verweten dat ze de volgorde niet respecteren: eerst werken en dan een wagen. Hoezo, eerst werken? Die mensen hebben er al een dagtaak aan om kansarm te zijn: wachten bij de dokter, wachten bij de mutualiteit, wachten bij het OCMW, naar de cursus voor kansarmen, overal naartoe met de fiets of met de bus, strategieën bedenken om deurwaarders te ontlopen, strategieën bedenken om het geld voor de schoolreis van het kind morgen te kunnen meegeven, oeverloos tellen en rekenen en speculeren, ’s nachts niet kunnen slapen van de zorgen, naar de apotheker achter slaappillen, ik moet nog aan mazout geraken, hoe geraak ik deze week in de Aldi, ik heb een auto nodig.

106

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

En dan, voor welk werk kom ik in aanmerking? Bandwerk, poetswerk, ploegwerk? Hoe met het dan met de kinderen? Hoe geraak ik daar? En hoeveel zal dat kosten dat vervoer? Hoe geraak ik door die eerste maand, als ik mijn eerste loon nog niet heb ontvangen? Wat doe ik ondertussen met mijn hoofdpijnen? Hoe combineer ik dit werk met mijn huidige gezinsleven? En daar bovenop krijgen ze van mensen die wel werken heel vreemde boodschappen. Want diegenen die wel werken, mogen wel klagen: ’t is te lastig, ’t is te druk, er wordt altijd maar meer en meer van ons gevraagd, we verdienen te weinig, de baas ci, de collega’s là. Zeer bemoedigend allemaal. Je zou voor minder je kringloopbed in willen kruipen om er nooit meer uit te komen. (…) Deze mensen hebben een ongelooflijk rijke levenservaring, levenskracht en ondernemingszin, een pittige taal ook, en een alles relativerende humor, als je hen toelaat die te demonstreren. (…) En we weigeren halsstarrig om de meest kwetsbaren in de steek te laten. Dit is wat bijvoorbeeld gebeurde enkele winters terug, toen de regering afkwam met brandstoftoelagen n.a.v. de hoge brandstofprijzen. Op zich misschien een nobel initiatief. Maar weet u wat dat betekende voor de sociale dienst van de OCMW’s? Honderden mensen die twee tot drie keer over de vloer kwamen voor hun aanvraag en een hoop administratief werk erbij. Bovendien schortten de OCMW’s prompt hun eigen systeem van brandstoftoelagen af, waardoor onze echte kansarmen dubbel in de kou werden gezet: ze kregen geen frank meer dan voorheen, terwijl anderen die veelal niet tot onze doelgroep behoorden, er wel iets bijkregen. En wij hadden maanden aan een stuk geen tijd voor hen. Als dat geen miskenning is. Alstublieft, bespaar ons en hen zo’n dingen” (Kathleen Haeve, sociale dienst OCMW Houthulst). Niettegenstaande deze concrete voorbeelden, leeft bij het OCMW Ichtegem het gevoel dat van dit kwartiermaken nog veel meer werk dient gemaakt te worden. Het OCMW kan in se ook een actievere rol opnemen, zelf sociale acties organiseren wanneer men bv. perverse effecten van bepaalde (goedbedoelde) maatregelen ondervindt of stuit op wanpraktijken. Empowerment bepleit ook een meer actievere aanpak van sociaal onrecht. De bundeling van krachten van beleidsmensen op diverse niveaus, van professionelen, paraprofessionelen, de maatschappelijk kwetsbaren zelf, burgers, wetenschappers dienen gebundeld te worden

107

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

wil empowerment echt zijn slagkracht kunnen bewijzen. Dit is net haar sterkte, maar tegelijkertijd ook haar kwetsbaarheid.

2. Groepswerking
Enabling niches zijn ook niches die de betrokkenen toegang geven tot andere niches, die andere perspectieven inbrengen zodat de wereld wordt verruimd. Een voorbeeld hiervan zien we in de samenwerking tussen het OCMW Ichtegem en het Centrum voor Basiseducatie Oostende. Deze samenwerking is gestart op initiatief van het OCMW vanuit het gevoelen dat ook het groepsaspect een meerwaarde kan betekenen voor OCMW-cliënten en een aanvulling betekent op de individuele hulpverlening. Het empowering potentieel van groepen met lotgenoten wordt ook klassiek in de empowermentliteratuur aangehaald. De groepswerking is gestart in 1995.39 Het is een groepswerking op maat van de deelnemers. Het zijn zij die de thema’s bepalen (bv. budgetbegeleiding, schulden opvoeding, gezondheid, verslaving, koken, computer, mishandeling, pesten, ADHD). Er wordt samengewerkt met externen rond de thema’s. Hierbij wordt de veiligheid extra bewaakt en worden er aan deze samenwerking duidelijke voorwaarden gekoppeld. Ook binnen de groep worden er duidelijke afspraken gemaakt (bv. inzake roddelen, respect voor ieders overtuiging). De lesgeefster stelt zichzelf niet als expert op. Zij doet actief beroep op de ervaringskennis van de groepsleden. Participatie wordt actief gestimuleerd (bv. door rondjes, opdrachten meegeven). Er wordt bewaakt dat de groep niet therapeutisch wordt. Het leren luisteren naar elkaar en het kunnen delen van ervaringen staan wel centraal. Bij individuele problematieken wordt er zoveel mogelijk verwezen. Een centraal aandachtspunt van de lesgeefster is het positief bekrachtigen van de deelnemers. Mensen worden geleerd om naar hun potenties te zien en te kijken naar de maatschappelijke/structurele omstandigheden. Zo wordt bv. een depressie niet geduid als ‘iemand met een zwakke rug’, maar als ‘iemand met veel veerkracht waarbij de rugzak gewoon te vol zit’.

39 De informatie van deze groepswerking is gebaseerd op een interview met Ann Pylyser, medewerker van het Centrum voor Basiseducatie. Johan Declerck, hoofd van de sociale dienst OCMW Ichtegem, was hierbij ook aanwezig.

108

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

De deelnemers krijgen ook extra stimulansen voor deelname aan de groepswerking. Zo krijgt men bv. 10 tien euro voor ergens samen te gaan eten, of voor gezamenlijk inkopen te doen, wordt er een kerstfeestje georganiseerd of worden er cadeautjes voor de kinderen gekocht, gaat men op uitstap in de vakantie. Het OCMW Ichtegem maakt dit alles financieel haalbaar. Door het delen van ervaringen wordt het negatief imago van sommige diensten doorprikt. Anderzijds komt er heel wat informatie inzake de toegankelijkheid van de hulpverlening die ook naar de betrokken diensten kan worden terugggespeeld. Ook het OCMW Ichtegem heeft hieruit al kunnen leren. De groep treedt ook naar buiten. Zo maakte de groep een mooie brochure over de cursus ‘Bijleren’: ‘We willen dat onze kinderen het beter hebben dan wij’ en ‘Kinderen grootbrengen als je een beperkt inkomen hebt.’ De brochure is opgesteld in een duidelijke taal en bevat herkenbare zaken. “Soms zijn er zaken die je ook eens zou willen geven aan de kinderen, maar we kunnen het ons gewoonweg niet permitteren. De kinderen vragen naar dingen die veel anderen kinderen wel hebben, bijvoorbeeld een Nintendo, een mooie boekentas (van Kabouter Plop, van de Teletubies, …), eens nieuwe kleren en schoenen in plaats van altijd afdragertjes te moeten dragen. Een uitstapje naar de Meli, Bellewaerde, de cinema, de kermis, … dat is er nooit of zelden bij voor onze kinderen. Je ziet dat vele andere kinderen dit wel hebben. Soms hebben wij schuldgevoelens. We vinden het erg dat onze kinderen zoveel moeten missen. Het knaagt aan je. Je bent bang dat je je kinderen te veel te kort moet doen. Zien onze kinderen daarvan af? Daarvoor zijn we bang. Dat doet pijn. Als je niet veel hebt laten anderen je vaak opzij liggen. Je wordt beschouwd als te gemeen. We willen niet dat ze dat denken van onze kinderen. We willen niet dat onze kinderen minderwaardig behandeld worden omdat we een beperkt inkomen hebben. (…) Op vlak van eten moeten we onze kinderen ook veel te kort doen. Je moet altijd het goedkoopste klaarmaken. Ik zou eens graag bijvoorbeeld mosselen met friet klaarmaken voor mijn gezin. Of eens zonder schuldgevoel frietjes gaan halen bij het frietkraam. We zijn eens naar McDonalds gegaan, want we hadden van iemand een aantal gratis bonnen gekregen. Voor de kinderen was het een groot feest! (…)
109

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Ik kan de schoolrekeningen niet altijd betalen. Ik praat daarover met de directeur. Soms mag ik wachten met betalen of komt de school eens tussen, bijvoorbeeld voor eetbonnen. Er zijn ook mensen die dat niet durven vragen. In ’t begin voelde ik me heel beschaamd. Gelukkig is er niemand die dat weet. Onze kinderen worden soms scheef bekeken in ’t school. Het PMS heeft mij eens beschuldigd dat ik mijn kinderen verwaarloos. Een medewerker van het PMS kwam langs voor papieren. Ze zagen dat alles netjes was, dat ik goed voor mijn kinderen zorg. Je kinderen zouden scheef bekeken worden omdat je niet veel hebt. Rijke mensen komen dit niet tegen. Het is niet omdat je veel hebt dat je daarom je kinderen beter opvoedt. (…) Ik heb als kind veel meegemaakt. Ik ben getrouwd om uit de miserie te geraken. Ik kreeg veel slagen thuis. Ik werd veel vernederd. Maar toen ik getrouwd was, was het niet veel beter. Ik hoop dat mijn kinderen dat niet meemaken. (…) Ze moeten voor zichzelf opkomen. Ze mogen zich niet laten doen. Vroeger heb ik mij dikwijls laten doen. Doordat ik zo veel ben tegengekomen ben ik nu veel harder geworden. (…) Je relatie is belangrijk. Hoe je als man en vrouw overeenkomt heeft een grote invloed op je kinderen. Als ze veel ruzie zien, zien de kinderen daar van af. Als je goed overeenkomt zien ze een goed voorbeeld. Als ouder moet je goed overeenkomen welke straf je zult geven. Als de één zegt dat je kind bv. niet buiten mag, mag de andere dat dan ook niet toelaten. Je moet aan hetzelfde eind trekken. Anders zal een kind daarvan profiteren. De straf moet redelijk zijn. Als bv. de vader zegt “je mag een maand niet buiten”, dan vind ik dat overdreven, dan kan ik daar moeilijk mee akkoord gaan. Je moet als ouder samen kunnen bespreken welke straf je zult geven. Het is niet altijd gemakkelijk om daarover te praten. Zeker niet als je man gesloten is. Als vrouw voel ik vaak dat al de last op mijn schouders rust. (…) Het is niet goed om je kinderen te slaan. Door de miserie die je zelf hebt meegemaakt, sla je soms eens naar je kind. Dan heb ik achteraf heel veel schuldgevoelens. Ik ben daar dan echt niet goed van. Ik ben daar dan nog dagen mee bezig. (…)

110

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Je mag je kind niet overbeschermen. Je moet ze laten meegaan op kamp, met de jeugdbeweging, … Ze moeten zich leren verweren, ze moeten kunnen deelnemen aan de maatschappij” (brochure Ichtegem). Deze publicatie leidde tot gevoelens van trots bij de deelnemers en leverde anderzijds heel wat bruikbare informatie en tips voor andere personen in eenzelfde situatie. Men ziet heel wat effecten van deze groepswerking. Dit komt onder meer tot uiting in de evaluatie die twee keer per jaar gebeurd. De deelnemers worden assertiever (bv. grenzen stellen naar de partner, reageren tegen de leerkracht en de directeur wanneer het eigen kind wordt gepest op school). Door de deelname aan de groep treden de mensen uit hun sociaal isolement en wordt een eigen sociaal netwerk opgebouwd. Buiten de groep ziet men dat er spontaan contacten worden gelegd (bv. voor kinderopvang, meehelpen verhuis enz.) De groepswerking is intens. Ze komt wekelijks samen, uitgezonderd in de schoolvakanties. De deelnemers kunnen ook meerdere jaren aan de groep deelnemen. De groep bestaat veelal uit een aantal oude en nieuwe leden wat als meerwaarde wordt gezien. Deze soepele manier van werken op maat van het OCMW en de deelnemers wordt wel bedreigd door de nieuwe regelgeving inzake basiseducatie (cf. de modularisering). Deze groepswerking is doordrongen van het empowermentgedachtegoed, ook al wordt het zo niet benoemd. De bedenking wordt gemaakt dat de krachten van de deelnemers nog te weinig worden benut. In welke mate kunnen de sterkere figuren, personen die een heel groeiproces hebben meegemaakt, niet actiever worden ingeschakeld in de werking zelf? Wordt er nagedacht over een groep die door de ervarinsgdeskundigen zelf wordt beheerd? In welke mate kan de rol van professionelen worden afgebouwd? Deze vragen worden voor de toekomst meegenomen. In ieder geval zullen bij de volgende opstart van de groep de oude groepsleden actief worden betrokken bij de werving van de nieuwe groepsleden.

3. De ‘prijs’ van empowerment
Het zou niet correct zijn om het verhaal van OCMW Ichtegem hier te stoppen. Er is ook een keerzijde aan empowerment, er is wel degelijk een ‘prijs’ voor deze manier van werken.

111

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Doordat er veel met cliënten wordt gepraat en ook samen gedaan, is er heel veel direct cliëntcontact. Dit maakt dat er (te) weinig tijd is voor de andere zaken: voor administratie, voor overleg enz. Maatschappelijk werkers worden hierop wel eens aangesproken. In het kader van budgetbeheer/begeleiding is de administratie en overleg (met bv. schuldeisers) erg belangrijk en neemt dit veel tijd in beslag. Deze maatschappelijk werkers kunnen bijgevolg niet op een dergelijke intense manier met hun cliënten omgaan. Dit geeft frustraties. Men voelt ook dat andere niet-materiële zaken bij deze cliënten belangrijk zijn en wellicht een cruciale rol spelen in hun levenssituatie, maar men gaat er bewust niet op in wegens tijdsgebrek. Dit knaagt aan deze hulpverleners. Ze houden zich recht aan de idee dat ze de budgetbeleiding an sich zo goed mogelijk willen doen. Ook bij de niet-financiële hulpverlening zijn er vergelijkbare pijnpunten. Het is immers de realiteit dat niet aan alle cliënten die ook een zeer multicomplexe probleemsituatie kennen, een even intense begeleiding kan worden aangeboden. De maatschappelijk werker moet keuzes maken. Het zien weggaan van een cliënt met het gevoel dat je niet genoeg voor hem doet, geeft schuldgevoelens en stress. Door aan maatzorg en empowerment te doen, wordt de afstand met de hulpvrager veel kleiner. Het is niet gemakkelijk om daar als hulpverlener mee om te gaan: waar leg je de grens bv. naar je eigen privéleven. Men kan ook oneindig ver meegaan met de hulpvrager. Wie bepaalt uiteindelijk de grens? Hoeveel herkansingen kan men blijven geven, als persoon maar ook als organisatie? Cliënten maken ook reclame voor het OCMW Ichtegem. Er is sprake van een zeker sponsfunctie vanuit de andere gemeenten. Dit doet de werkdruk nog toenemen. Er is ook een probleem van zichtbaarheid: wie ziet het eigenlijk dat het OCMW Ichtegem op een dergelijke manier werkt. Deze werkwijze wordt niet financieel gehonoreerd ook niet (altijd) maatschappelijk gewaardeerd. Ook dit leidt tot frustraties. Men voelt zich soms erg klein om als enige, als OCMW, de armoede te gaan bestrijden. Dit des te meer wanneer men dit wenst te doen vanuit de visie van empowerment. Het individueel schulddenken en ‘het-voorwat-hoort-wat principe’ zijn nog steeds dominant in de samenleving aanwezig. Een aantal zaken hebben bovendien ook te maken met de letterlijke kleinschaligheid van Ichtegem. Er zijn geen andere diensten in de gemeente, verplaatsing stuit op weerstand van andere hulpverleners en

112

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

is ook niet evident voor het OCMW-cliënteel. Geruchten doen vlug de ronde, negatieve etiketten worden op personen/gezinnen gekleefd en geraken moeilijk uitgewist. De informele sfeer van het kleine OCMW heeft troeven, maar kent ook een keerzijde. Zo is er globaal weinig structuur in de organisatie en dit geeft ook spanningen en onduidelijkheden. Kleine OCMW’s dienen zich ook aan dezelfde richtlijnen te houden dan grote OCMW’s, dienen dezelfde ingewikkelde wetgeving onder de vingers te hebben. Dit is niet evident. In het OCMW Ichtegem wordt vandaag de discussie gevoerd rond haalbaarheid en beheersbaarheid: Welke keuzes maak je als dienst, als persoon wanneer je met een beperkt aantal personen en middelen een maximum aantal cliënten wil helpen via maatzorg, empowerment? Dit lijkt, ons inziens, een gedwongen keuze, zo niet een onmogelijke keuze.

4. Case van Rik
4.1 Het leven van Rik Rik is een 18-jarige jongeman, vierde in de rij van negen kinderen en geboren op de 21ste verjaardag van zijn moeder. Vader, 43 jaar, is de zevende van een gezin van 9 kinderen. Moeder, 40 jaar, heeft een 10 jaar jongere broer. In het ouderlijk gezin van Rik verblijven er naast de minderjarige broers en zussen, nog twee kindjes (5 en 2 jaar) van de oudste zus (23 jaar). Vader en moeder zijn ‘generatiearmen’ en kennen een multicomplexe probleemsituatie (o.a. opvoedingsproblemen, problemen met justitie/ jeugdrechtbank, zware schulden). Ondanks hun levenslange afbetaling van schulden zijn ze er toch in geslaagd om een eigen woning te verwerven. Het behoud van deze woning heeft wel regelmatig op de helling gestaan. Wat de kinderen betreft, is er een bepaald patroon aanwezig. Zo ziet men bij de vijf oudste kinderen tijdens de kinder- en jeugdjaren telkens contacten met de jeugdrechtbank, al dan niet gekoppeld aan langdurige plaatsingen (in psychiatrie, instellingen bijzondere jeugdzorg, Ruiselede, enz). Vanaf hun 18 jaar ‘moeten’ de kinderen het ouderlijk huis verlaten. Met tussenpozen zijn er dan momenten van afstoten en aantrekken:

113

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

grote ruzies, toegang tot het ouderlijk huis verbieden tegenover momenten van verzoening en elkaar helpen. Dit is ook het geval bij Rik. Op 12-jarige komt hij in contact met de psychiatrie omwille van ‘onhandelbaar gedrag’. Op jeugdige leeftijd zijn er ook contacten met de jeugdrechtbank en plaatsingen. Er is regelmatig schoolverzuim en studies worden niet afgewerkt. Er zijn diverse criminele feiten (inbraken, overval, verkeersovertredingen, rijden zonder rijbewijs en verzekering, agressie enz.) met ook een verblijf in Ruiselede. Bij diverse terugkeren naar huis zijn er ruzies rond geld, gekoppeld aan agressie met als gevolg dat Rik regelmatig op straat staat. De eerste aanmelding bij het OCMW gebeurt in juli 2002, twee maanden voor Rik 18 jaar wordt. Het betreft een hulpvraag voor een woning. Rik woont dan in bij het gezin van zijn vriendin, maar aangezien de relatie slecht gaat? is een verder verblijf daar niet langer mogelijk. Het OCMW heeft niet onmiddellijk een woning beschikbaar. Het OCMW ziet Rik vervolgens drie maanden later terug. Rik is dan 18 jaar geworden en is net ‘vrij’ uit Ruiselede. Hij kan niet meer terug naar zijn vriendin en ook thuis kan hij niet terecht voor een langduriger verblijf. Zodoende komt hij nu voor een tweede maal een woning aanvragen en is er ook de vraag voor een inkomen. Rik geeft nog een aantal werkpunten aan: ‘ik heb moeite met commanderen’, ‘ik kan heel agressief zijn’, ‘ik kan moeilijk neen zeggen’, ‘ik heb problemen met alcohol’. Aangezien Rik dringend thuis weg wil, kan hij een maand later (december 2002) verhuizen naar een woning in een andere gemeente. De overdracht gebeurt gezamenlijk naar het nieuwe bevoegde OCMW. Half februari krijgt de maatschappelijk werker een ‘paniektelefoon’ van Rik. Zijn leefloon zou geschorst worden in de andere gemeente aangezien hij niet werkbereid zou zijn. Rik zat op dat moment evenwel in het gips en daarenboven was de aangeboden job er één van gemeentewerker. Rik wil deze job niet aanvaarden omdat hij ‘geen luiaard is’ en de gemeentewerkers volgens hem zo worden bekeken. Na deze telefoon is het even stil tot Rik zich eind april terug aanmeldt. Rik heeft een tijd op straat geleefd (hij sliep op een speelplein). Hoewel hij officieel nog ingeschreven stond in de andere gemeente, kon dit OCMW hem niet meer helpen omdat hij er niet verbleef, noch werkbereid was. Rik zag er onverzorgd uit, had geen geld, geen eten en zijn enige perspectieven waren het vreemdelingenlegioen en zelfmoord.

114

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Het OCMW ‘depanneerde’ in eerste instantie Rik: hij kon zijn intrek nemen in een crisiswoning en kreeg maaltijdcheques. Na enige tijd kwamen de maatschappelijk werker en Rik in samenspraak tot de volgende werkpunten: onderdak, voeding, vervoer, GSM, inkomen, agressie en alcohol, budgetbeheer, administratieve hulp, relatie met justitie (alternatieve sanctie, boetes enz). Voor Rik bleek vervoer (i.c. brommer) prioritair, naast onderdak en eten. Eens deze behoeften vervuld, ontstond er ruimte om rond andere zaken te gaan werken. Dit ging zelfs zover dat waar tewerkstelling in het begin absoluut niet bespreekbaar was, Rik spontaan werk is beginnen zoeken. Er bleef wel een wankel evenwicht: enerzijds een wens voor te veranderen (waar Rik zich goed bij voelde), tegenover zijn ‘zwaar’ imago bij vrienden, zijn broze relatie met zijn ouders, de problemen met alcohol en zelfbeheersing. Rik gaf dikwijls het signaal dat alles te vlug ging, dat hij dit niet verdiende … Alles lijkt relatief goed te verlopen tot op het moment dat hij vanuit zijn goedhartigheid en loyauteit zijn (dakloze) broer en vriend bij hem laat intrekken. Rik laat zich meeslepen in hun criminele feiten met een verblijf van een maand voorarrest in de gevangenis als gevolg. Wanneer de maatschappelijk werker hem bezoekt in de gevangenis, toont Rik zich agressief (kneukels op de muur slaan, uitdagen van cipiers, enz). Anderzijds geeft Rik ook signalen dat het hem daar niet goed gaat. Na de vrijlating van Rik kan hij niet terug naar zijn vroegere crisiswoning. Rik wordt tijdelijk opgevangen bij zijn ouders. Intussen beslist het OCMW dat zijn broer een studio krijgt toegewezen (vooral op basis van het minder destructieve en negatieve gedrag van deze). Rik ervaart dit als oneerlijk en heeft het gevoel van ‘tweede keus’ te zijn. Na het verlof van de maatschappelijk werker komt Rik met het verhaal dat hij eigenlijk nooit meer naar de gevangenis wil. Hij heeft sedert zijn vrijlating niet meer gedronken en is ook als begeleider mee op kamp geweest met ‘moeilijke gasten’. Dit laatste is hem zeer goed bevallen en betekende voor hemzelf ook een oefening in zelfbeheersing. De prioriteiten in de begeleiding zijn voor Rik vervoer en huisvesting. Na een moeilijke periode omwille van het gevoel niet eerlijk te zijn behandeld door het OCMW, omwille van het feit dat een aantal zaken verloren gingen in de vroegere crisiswoning en een rechtszaak omwille van feiten gepleegd als minderjarige, is er vandaag een positieve kentering merkbaar: geen problemen met de politie, geen alcoholgebruik, een tewerkstelling van ruim twee weken, een grotere zelfbeheersing.

115

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

4.2 Wat zegt dit verhaal Uit het levensverhaal komen de volgende aspecten naar voren: - een ‘struggle for life’ van in de wieg. - knelpunten inzake het imago en zelfbeeld: - de familie heeft een heel negatief imago in de ogen van de maatschappij (i.c. de dorpsgemeenschap), er is zelfs de wens van Rik voor een naamsverandering; - het stoere imago van Rik tegenover zijn vrienden (gekoppeld aan beïnvloedbaarheid); - de negatieve kijk van anderen naar Rik (politie, buren, leeftijdsgenoten enz); - de kijk van Rik naar zichzelf (dualiteit goed/slecht, ‘ik ben een lastigaard’); - vertaling van gevoelens van onmacht en laag zelfbeeld in ‘stoer’ gedrag. - loyauteit t.o.v. ouders (vooral moeder) en broers (moeilijk neen kunnen zeggen wanneer ze om hulp vragen). - een gebrek aan basisvaardigheden gekoppeld aan faalangst (vooral inzake communicatie). - problemen rond de thematiek van grenzen stellen/normoverschrijdend gedrag. - een spanningsveld rond de explosiviteit versus beheersing. - moeilijk kunnen omgaan met genegenheid en complimenten (Rik is dit niet gewoon). - eigen prioriteiten die indruisen tegen de ‘klassieke’ prioriteiten vanuit de maatschappij (het hebben van een brommer en GSM versus het hebben van een job of gezonde voeding). - een fundamenteel wantrouwen tegenover de maatschappij onder meer gestoeld op de vele negatieve ervaringen met maatschappelijke instituties (politie, school, OCMW, gevangenis enz). - diepe gevoelens van machteloosheid en hopeloosheid (gebrek aan toekomstperspectief) die samengaan met een laag zelfbeeld en soms gebrekkige motivatie (omwille van futiliteitsgevoelens: ‘het heeft toch allemaal geen zin’). 4.3 Aandachtspunten in de hulpverlening De rode draden in de begeleiding zijn het langzaam opbouwen van vertrouwen, het kaderen en tolken van gebeurtenissen waardoor negatieve vicieuze cirkels kunnen doorbroken worden en het creëren van een

116

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

toekomstperspectief. Een zeer intensieve begeleiding lijkt in dit opzicht onontbeerlijk. Rik wordt in bepaalde periodes zelfs dagelijks ontvangen op het OCMW. Dit gebeurt steeds op een informele, ‘warme’ manier (de koffie en koekjes staan steeds klaar) en in een niet-beschuldigende sfeer waarbij er veel tijd wordt genomen om echt naar Rik te luisteren. Er is ook een reële bezorgdheid in de relatie naar Rik toe. Zo wordt Rik bv. in het dorp opgezocht wanneer hij een bepaalde afspraak niet nakomt en hij zich duidelijk niet goed voelde. Rik is zichtbaar ontroerd om deze ‘bemoei’zorg. De maatschappelijk werker heeft voortdurend oog voor de volgende aspecten: exploreren van de situatie met een maximum aan respect voor de persoon van Rik, differentiatie (aandacht voor de goede momenten en zaken die wel goed lopen), structureren, samenwerken, oog voor de balans van geven en nemen, voldoende doe-activiteiten, contacten met belangrijke derden en overleg, informeren en concretiseren, ritme volgen en tijd geven (met ruimte voor ‘mislukken’), bezorgdheid tonen, outreaching en aanklampend werken. Belangrijke concrete accenten in de begeleiding van Rik zijn: - het leren verwoorden van zijn binnenkant zicht geven op positieve aspecten, complimenten geven (is een ‘lieve jongen’), aandacht voor zijn gespannenheid en onrust en dit leren verwoorden, hervertalingen maken (‘begrijp ik het goed dat’), zijn zorgzaamheid voor zijn hond zien (‘wat betekent zorgen voor jou’), loyauteit t.o.v. moeder en broers benoemen (‘wat betekenen deze personen voor jou’), de liefde voor zijn vriendin (‘wat betekent houden van en graag gezien worden door een ander’). - aanleren van basisvaardigheden samen activiteiten doen: budgetbeheer, leren telefoneren naar diensten, kalender lezen, opzoeken op de computer en oog voor relationele vaardigheden: bv. hoe kan je vrienden houden. - bespreekbaar maken van het negatieve imago en eigen aandeel leren zien wat zijn de bv. gevolgen van stoer en uitdagend gedrag naar de politie toe, andere mogelijke reacties formuleren en zicht geven op de gevolgen hiervan, concrete opdrachten om dit uit te proberen en feedback geven. - krachten, inzet en potenties benadrukken loyauteit en positieve gevoelens tegenover moeder (bloemen voor moederdag) en broers, liefde voor vriendin (mooie spreuk maken voor vriendin samen met de maatschappelijk werker), onderhoud woning en tuin, zorg voor de hond, kennis over bromfietsen, gevoel

117

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

-

-

-

-

voor humor (er wordt regelmatig gelachen), kleine stapjes benadrukken (bv. niet iedere dag drinken of agressief gedrag) met het inbouwen van momenten van terugval. ontschuldigen herkaderen van ‘probleemgedrag’, wijzen op moeilijke levensomstandigheden en hulpaanbod dat niet aansluit op zijn vragen/behoeften, weinig leerkansen en spiegels gehad. draaglast verminderen maximaal inspelen op de concrete hulpvragen (bv. inkomen, woning, contacten advocaat, bemiddelen politie/gerecht, helpen bij briefwisseling), samen oplossingen zoeken (bv. zoeken naar een job of brommer). draagkracht verhogen vooral door te ondersteunen en klankbord te zijn voor zijn binnenkant (angsten, gevoelens), onderstrepen van zijn zelfstandigheid (eigen keuzes volgen die activerend en motiverend werken), begrip tonen voor moeilijke situatie, respect uiten voor zijn eigen kracht. creëren van toekomst ‘evidente’ zaken ook voor hem bereikbaar maken zodat hij het gevoel heeft erbij te horen (bv. brommer, GSM), dingen zoeken waartoe hij te motiveren is, gebruiken van zijn vaardigheden, anders leren kijken naar het verleden, meer positieve constructieve kijk naar zichzelf en zijn omgeving, gevoel geven dat hij er niet alleen voor staat.

4.4 Bij wijze van voorbeeld Een aanklampende en outreaching hulpverlening Wanneer Rik in de gevangenis verblijft wordt hij meerdere keren door de maatschappelijk werker bezocht. Ook het hoofd van de sociale dienst gaat bij hem langs. Enerzijds ziet de maatschappelijk werker dat Rik zich erg stoer en agressief gedraagt tegenover de medegevangenen en cipiers (‘dat doet mij hier allemaal niets’), anderzijds vertelt Rik aan de maatschappelijk werker dat het hem eigenlijk niet goed gaat daar. Bij de intrek van Rik in de crisiswoning gaat de maatschappelijk werker ook langs. Zo kan zij zien dat Rik veel bezig is in het huis, de tuin degelijk opruimt en inspanningen doet om voor zijn hond een mooi hok te bouwen.

118

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

Rik mist een afspraak. Dat is niet zijn gewoonte. De maatschappelijk werker is bezorgd want de dag voordien was Rik zeer depressief bij haar vertrokken. Ook de oproepen op zijn GSM blijven onbeantwoord. We (maatschappelijk werker en actieonderzoeker) besluiten Rik te gaan zoeken. We vinden hem niet thuis, maar zoeken verder en treffen hem bij zijn vriendin. Rik is zichtbaar ontroerd en wat verlegen. De maatschappelijk werker spreekt haar bezorgdheid uit en haar blijheid dat hij terecht is. Hij wordt uitgenodigd om, indien hij wil, nog in de namiddag bij het OCMW langs te komen. Hij staat daar, met zijn hond. We hadden hem die morgen nog gecomplimenteerd met zijn mooie hond die we bij hem thuis hadden gezien. Hij is duidelijk trots op zijn hond en gaat er erg lief mee om (geeft hem ook verschillende koekjes die Rik worden aangeboden). Het gesprek verloopt in een ontspannen sfeer. Rik plaagt de maatschappelijk werker die eigenlijk bang is van honden. Afspraken voor het weekend worden gemaakt. Gelijkwaardigheid en nabije zorg De maatschappelijk werker overloopt met Rik de tekst die in de casestudy zal worden neergeschreven. Rik antwoordt: ‘jij weet eigenlijk alles van mij, en ik weet niets van jou’. De maatschappelijk werker gaat hier verder op in. Naar aanleiding van een foto van haar man en dochter op het bureau worden ook meer persoonlijke zaken van de maatschappelijk werker verteld. Rik zegt ‘je ziet je dochter erg graag, hé?’. Dit leidt naar een gesprek over de relatie met zijn ouders. In het bureau van de maatschappelijk werker hangt de volgende spreuk: ‘In goede en kwade dagen, ik zal er altijd voor jou zijn’. Rik merkt dit op en vindt de spreuk erg mooi. Het idee ontstaat om deze spreuk te geven aan zijn vriendin. Maar hoe moet hij dit doen? Samen met de maatschappelijk werker en de secretaresse gaan ze aan het werk. Rik stelt ‘willen jullie dit echt doen voor mij?’. Rik wordt erg stilletjes. Later zegt Rik nog: ‘Eigenlijk zou je aan je deur moeten hangen: je komt hier dikwijls voor slechte dagen, maar je mag hier ook komen voor goede dagen’. De maatschappelijk werker gaat meestal mee naar de dokter van Rik. Op een dag is hij niet op deze afspraak. Zijn GSM is ook uitgezet. Wanneer de maatschappelijk werker dit met hem bespreekt, blijkt dat Rik de hele morgen toen in de weer is geweest (naar de VDAB, de vakbond enz). De maatschappelijk werker vraagt waarom hij dat niet gezegd heeft. Rik zegt ‘Zou je dat dan verstaan hebben?’. In het gesprek nadien

119

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

blijkt dat Rik goed wil overkomen bij haar, maar dat het allemaal wel veel en overweldigend is. De maatschappelijk werker beseft dat ze nog te snel gaat voor Rik en dat hij alles erg goed wil doen voor haar. Het beeld van de berg wordt regelmatig gebruikt door de maatschappelijk werker. Er zijn periodes van ups en periodes van downs. Dit is menselijk en kan besproken worden. Er wordt gewerkt met kleine resultaten waarbij terugvallen aan bod kunnen komen. Kansen worden steeds opnieuw gegeven. 4.5 Link met maatzorgprincipes Aan het principe van positieve hulpverlening wordt zeer veel aandacht besteed: respect en erkenning van Rik en het opbouwen van een vertrouwensrelatie. Het motto van Rik is ‘VN’, dit wil zeggen ‘vertrouw niemand’. Doordat de maatschappelijk werker (het OCMW) de beloofde dingen nakomt, wordt dit motto bij Rik genuanceerd (er zijn misschien toch diensten en/of personen die te vertrouwen zijn). Ook dingen die niet kunnen worden in dit opzicht open besproken met Rik. Er wordt ook met Rik ‘op maat’ gewerkt, zijn vragen en behoeften staan centraal. Grenzen die er zijn vanuit het OCMW of de maatschappij worden wel aangegeven, maar ook bespreekbaar gesteld (leren inzien van gevolgen van eigen keuzes). De maatschappelijk werker neemt ook regelmatig afstand van haar functionele identiteit en spreek tot Rik vanuit haar rol als moeder of partner. Wanneer de maatschappelijk werker vindt dat ze op een verkeerde manier heeft gereageerd bij een vorig contact, wordt dit ook terug besproken. Dit brengt een meer evenwichtige machtsverhouding tot stand en schept gelijkwaardigheid. Deze (tijds)intense begeleiding heeft wel een keerzijde. Zo kunnen de administratieve zaken door de maatschappelijk werker niet steeds tijdig worden afgewerkt (bv. dossiers voor de OCMW-raad) en worden andere cliënten minder intens opgevolgd. Door de hechte band is er ook een sterke emotionele betrokkenheid bij de maatschappelijk werker die psychisch zwaar kan doorwegen. De valkuil blijft bestaan dat de maatschappelijk werker nog te vlug wil gaan. De integraliteit van de hulpverlening komt in verschillende aspecten tot uiting. Zo wordt er op verschillende levensdomeinen gewerkt: huisvesting, inkomen, mobiliteit, opleiding/tewerkstelling, voeding, sociale relaties, contacten met justitie/hulpverlening (bv. psychiater). Binnen de hulpverlening staat men ook expliciet stil bij de binnenkant van Rik en worden de krachten en potenties van Rik actief aangesproken. Naast het

120

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

werken aan actuele zorgvragen, wordt er ook ruimte gemaakt om het verleden op een andere manier te leren bekijken en staat het creëren van een toekomst centraal (relatie, gezin, werk, vrienden, enz). Ook worden verschillende contexten betrokken (buurt, vrienden, familie, de kijk van de maatschappij enz). Uit deze begeleiding worden ook heel wat dossieroverschrijdende en structurele knelpunten gesignaleerd (bv. op vlak van huisvesting, samenwerking, gebrek aan andere voorzieningen, beeldvorming OCMW en haar cliënten). Participatie vormt een sleutelwoord in deze begeleiding. Dit gebeurt op het vlak van informatiedeling, maar ook op het vlak van het stellen van prioriteiten, het samen dingen doen, het evalueren van de begeleiding. Er wordt steeds samen met Rik onderhandeld wat de mogelijke pistes zijn en welke de mogelijke gevolgen zijn. Een actieve betrokkenheid, weliswaar op maat, wordt nagestreefd. Een mooi voorbeeld is dat Rik op een bepaald moment aangeeft dat de maatschappelijk werker nu moet aangeven wat er dient te gebeuren. Hij had reeds twee maal de eigen keuzes mogen volgen, maar had deze kansen ‘verkwanseld’ (‘ik heb nu geen recht meer om iets te vragen, het is nu jullie beurt’). De balans van geven en nemen speelt hier mee en het gegeven dat Rik het niet gewoon is om te krijgen. Het principe van gestructureerde hulpverlening lijkt in deze begeleiding niet zo gemakkelijk te realiseren. Een concreet maatplan werd nog niet opgemaakt. Wel worden met Rik steeds de prioriteiten besproken. De maatschappelijk werker vindt een meer planmatig handelen wenselijk, maar niet evident bij Rik omwille van de veelal chaotische situaties en continue veranderingen. Ook het principe van gecoördineerde hulpverlening blijkt geen evidente zaak. Voor Rik wordt er overleg gepleegd met belangrijke derden als de ouders, vriendin, psychiater en de politie. Er worden dus wel overlegvergaderingen georganiseerd, maar het cliëntoverleg is nog niet echt structureel uitgebouwd. De afwezigheid van andere diensten in een kleine landelijke gemeente is hierbij een hinderpaal. Een andere belemmering die wordt opgemerkt is ook de verschillende (negatievere) andere kijk van de andere diensten op de betrokkene waardoor het komen tot een gezamenlijke strategie niet zo evident wordt geacht.

121

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

We sluiten af met een slotbedenking van de maatschappelijk werker: “Te stellen dat het oppakken van de benadeling, het echt respect hebben voor de cliënt als volwaardig mens, het benadrukken van hun eigen sterktes en vooral hen graag zien, maakt dat er op een heel wat vlottere manier op weg kan gegaan worden met hen; wat zelfs bijdraagt tot de eigen (nietfinanciële) verrijking als mens” (maatschappelijk werker).

122

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

4.6 Een gedicht van Rik Rik heeft zijn levensverhaal nagelezen. Dit deed hem duidelijk iets. Hij was tevreden over wat er stond, het klopt allemaal - zegt hij - maar het is hard. Op de dag dat de maatschappelijk werker en de onderzoeker dit met hem bespreken, schenkt Rik ons een gedicht dat hij voor zijn vriendin heeft geschreven. Het toont zijn rijke maar ook gekwetste binnenkant. Rik geeft toelating om dit te publiceren.

123

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

5. Mobiliteit en empowerment
In het kader van de meervoudige uitsluitingen waarmee kansarmen te kampen hebben, heeft het OCMW Ichtegem begrepen dat dit zeker ook geldt voor het domein mobiliteit. Hieronder volgt een tekst van Johan Declerck, hoofd van de sociale dienst. Mobiliteit als kans, kracht en hulpverlening in het moderne OCMW Wanneer we er over gaan praten, merken we dat iedereen de uitsluiting op het vlak van mobiliteit wel kent, wel herkent als een belangrijk probleem, … maar er wordt onvoldoende op in gegaan, want het is een probleem waar toch niets kan aan gedaan worden. Met deze kleine bijdrage wil ik bewijzen dat er wel iets kan aan gedaan worden. We leven in een wereld die steeds maar kleiner aan het worden is. Afstanden zijn niet meer wat ze zijn geweest. Voor contacten met familie, vrienden, vrijetijdsbesteding, en vooral voor het werk worden ettelijke kilometers afgelegd. België beschikt momenteel over ruim zes miljoen ingeschreven voertuigen (enkel geteld de voertuigen die meer dan 40 kilometer per uur rijden). Die zijn goed voor jaarlijks 100 miljard kilometer rijden op onze wegen, ofwel voor ELKE Belg gemiddeld 10 000 km per jaar. Dit is de voorbije 20 jaar verdubbeld. Als je dus niet de trotse bezitter bent van een dergelijk voertuig, dan ben je wel erg getroffen. Je hoort er niet bij. Behalve zij die echt de keuze maken voor een motorfiets, is het hebben van minstens één auto in het gezin een voorwaarde geworden om zich goed te voelen. De sociale uitsluiting speelt hier echter keihard en heeft ook onrechtstreekse gevolgen. Gezinnen met een leefloon, gezinnen met enkel één vervangingsinkomen, kunnen zich in feite geen auto permitteren, zonder op andere belangrijke levensdomeinen zware offers te moeten brengen. De kosten van benzine en onderhoud zijn niet te dragen. Bovendien zijn deze gezinnen, omdat ze geen kapitaal hebben kunnen opbouwen, en omdat ze geen leningscapaciteit hebben, noodgedwongen aangewezen op het slechtste segment van de automarkt. We spreken hier over oude wagens 10 tot 15 jaar oud, en meer zelfs. Het zijn wagens waarbij de aankoopprijs heel laag is en voor deze gezinnen via een éénmalige afname van het maandgeld de enige mogelijkheid vormt om een auto te bemachtigen. Deze auto, van pakweg 400 tot 600 euro is echter meestal in zo’n slechte toestand dat je je afvraagt hoe een positieve keuring werd bekomen. Het gevolg is dat er op korte termijn belangrijke gebreken naar boven komen die dure herstellingen vergen. De kosten daarvan bedragen dan snel meer dan de aankoop van een andere wagen, zodat dit

124

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

dan opnieuw het alternatief wordt. De kosten bij een andere wagen bedragen telkens minstens 125 euro. Onze kansarmen die noodgedwongen vaak van auto veranderen dienen dit dus telkens te betalen. We kunnen ook niet anders dan vermelden dat de voor hen beschikbare wagens meestal een groot vermogen hebben, en bijgevolg een hoog tot zeer hoog verbruik noteren. Dit laatste is één van de redenen waarom de auto aan een lage prijs wordt verkocht. Zowel de verkeersbelasting als het hoge verbruik vormen dan weer een extra belasting op het maandbudget. Is het dan soms niet meer dan normaal dat het budget ook de verzekering niet kan dragen en dat onze kansarmen als zondebokken zonder verzekering de weg opgaan. Ook al weten ze meestal heel goed dat het niet mag en dat er enorme risico’s aan verbonden zijn, de drang om er bij te horen via de mobiliteit is zo groot, dat onaanvaardbare risico’s genomen worden. Enfin, wie geen auto heeft hoort er niet bij, en kan er ook niet bij horen. De onmogelijkheid om zich comfortabel te verplaatsen betekent een uitsluiting van heel wat activiteiten. Het openbaar vervoer biedt soms een oplossing, doch steeds ben je meer gebonden dan iemand die zelfstandig vervoer heeft. Bovendien zijn er uren en locaties die niet of nauwelijks bereikbaar zijn, nog de tijdsinvestering die daarvoor soms nodig is niet in rekening gebracht. Een oplossing bestaat er soms ook in bij familie buren of vrienden te vragen (bedelen) om gevoerd te worden. We vergeten echter soms welk diep gevoel van tekortkomen dit bij mensen wel veroorzaakt. De brommer of de fiets zijn van oudsher marginaal, en zijn in principe enkel geschikt voor vrijetijdsbesteding bij mooi weer of voor zeer korte afstanden. Een probleem apart vinden we terug bij de mobiliteit van kansarme jongeren. Wij moeten ons geen illusies maken. Net als hun rijke leeftijdsgenoten verlangen zij ook naar een golf gti of een 206 cabrio of een toffe bmw. Alleen, zelfs een versleten fiëstatje of corsa kan gewoon niet. In de eerste plaats omdat er geen financiële middelen zijn. In de tweede plaats en vaak nog het ergste, omdat er geen rijbewijs is en er niet direct vooruitzichten zijn dat dit in orde komt. Behalve een minimum aan schoolse capaciteiten vereist het behalen van een rijbewijs ook een financiële inspanning die in veel gevallen niet kan voorzien worden. Uitsluiting tegengaan betekent dan ook middelen voorzien om kansarmen een rijbewijs te laten behalen en om hen een degelijk vervoermiddel aan te bieden tegen een zachte prijs. Middelen voorzien betekent niet alleen het verschaffen van de financiële mogelijkheden, maar tevens het psychologisch rijp maken van de hulpvrager. Het negatieve zelfbeeld en het gebrek aan zelfvertrouwen zorgen er immers al te vaak voor dat kansarmen kiezen voor de gemakkelijkste oplossing. Uitspraken als “ik heb dat niet nodig”, “ze zijn zot dat ze zo veel geld aan een auto willen spenderen” of “ik heb toch geen goesting om ergens naar toe te

125

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

gaan”, verbloemen enkel de rauwe werkelijkheid dat ze wel degelijk een diep gemis ervaren. Is de hulpverlening rijp voor dit soort toestanden ? Ik durf antwoorden “ja en neen”. “Ja” omdat ik ondervind dat steeds meer hulpverleners zoeken om diep in de cliënt te gaan kijken naar zijn werkelijke belevingswereld, naar de zaken die een “normaal” functioneren echt in de weg staan. Hulpverleners durven toegeven dat er meer deskundigheid nodig is om echt aan kansarmoedebestrijding te gaan doen. Deskundigheid in het analyseren van de kansarmoede, naar oorzaken en gevolgen; maar ook deskundigheid in het kijken naar de individuele cliënt en de benaderingswijzen die nodig zijn om empowerend te werk te gaan en aldus bij de cliënt processen op gang te brengen die blijvend en cumulatief sociale uitsluiting tegengaan. “Neen” moet ik zeggen omdat ik de indruk heb dat de beleidsmakers echt nog moeten wakkergeschud worden vooraleer zij zullen snappen dat we de voorbije decennia aan de kern van de kansarmoede zijn voorbijgegaan. “Neen” omdat ik merk dat de (plaatselijke) beleidsmensen de kansarme nog steeds - net als de gemiddelde burger - enkel bekijken vanuit het maatschappelijk schuldmodel: “zit je in de miserie, dan heb je dat alleen maar aan jezelf te danken, je moest maar je werk niet verlaten hebben, je moest maar die nieuwe auto die je nu aan flarden hebt gereden niet gekocht hebben, je moest maar zo niet gerookt en gedronken hebben, dan zat je nu niet met een vervangingsinkomen, enz …” “Neen” omdat ik vaststel dat OCMW-mandatarissen zich nog al te veel willen beperken tot het verlenen van (financiële) hulp volgens de strikt wettelijke normen. Wat niet moet, hoeft niet, of kan niet. Er wordt te weinig creatief met hulpverleners en met financiële steun omgesprongen. Een creativiteit die echter wel zeer lonend is, en als getuigen daarvan geef ik hier enkele voorbeelden uit de praktijk van een OCMW. Ik beperk tot twee voorbeelden om deze tekst niet te overbelasten. Het is echter wel zo dat reeds ruim tien personen op deze manier rechtstreeks werden geholpen bij problemen rond mobiliteit. Gecombineerd met andere hulpvormen en vanuit een visie van empowerment blijkt dat we telkens een positieve evolutie vaststellen. Voorbeeld 1: we noemen hem bv. Robert Robert is een man van vijftig die reeds twintig jaar leefde van een vervangingsinkomen, achtereenvolgens werkloosheid, ziekte-uitkering, opnieuw werkloosheid en tenslotte leefloon. Hij was al die jaren op de loop voor zichzelf, ver-

126

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

huisde constant, kreeg nergens vaste voet aan de grond. Hoe hard hij ook probeerde altijd bleek alles op het laatste moment toch te mislukken. Met zijn magnetische krachten trok hij alleen maar ongeluk aan. Omdat Robert duidelijk aangaf dat hij wilde werken, werd hij door de sociale dienst gestimuleerd om in te stappen in een opleiding voor langdurig en laaggeschoolde werklozen. Binnen de opleiding werden vooral klusjes aan huizen en tuinonderhoud verricht. Er werd vastgesteld dat Robert zich wel amuseerde in het tuinonderhoud. Uit gesprekken bleek dat hij het zalig vond om buiten te kunnen werken. Bovendien bleken de arbeidsattitudes na verloop van tijd best nog mee te vallen. Er werd samen gezocht naar een werk waar er toch wel een beschermd milieu was, maar waar vooral het werk zelf beantwoordde aan de verwachtingen van Robert. Een vacature binnen de landschapswacht trok de aandacht. Bij mooi weer is het buiten werken, bij slecht weer kan er binnen in de loodsen worden gewerkt. Er volgde overleg met de werkgever, zowel vanuit Robert, als vanuit de sociale dienst van het OCMW, als samen. De werkgever stond vooral sceptisch tegenover het feit dat de man in 20 jaar niet meer had gewerkt. De maatschappelijk werker kon uiteindelijk genoeg argumenten aanbrengen om de man een kans te gunnen. Een overeenkomst werd bereikt en Robert mocht onmiddellijk starten. Er stelde zich wel een probleem. Hij had geen vervoermiddel. De werkplek was ongeveer 18 km van zijn woning gelegen en het openbaar vervoer was onmogelijk. Robert zou drie verschillende busverbindingen moeten nemen en zou, wachttijden inbegrepen, ruim anderhalf uur nodig hebben om zich naar het werk te begeven. Dit probleem werd met Robert besproken. Deze vroeg het OCMW om hem een oplossing te bieden door hem een vervoermiddel ter beschikking te stellen. Hij dacht zelf aan een snorfiets of zo. Er werd met hem besproken hoe de weg van en naar het werk zou verlopen, bij mooi weer, bij slecht weer, en welke invloed dit hem zou hebben. Het besluit was dat de snorfiets onvoldoende comfort bood om een langdurige tewerkstelling te beogen. De kans was heel groot dat de tewerkstelling zou worden afgebroken bij een eerste belangrijke slecht-weer-periode. Vanuit het OCMW werd dan voorgesteld om een voorschot op loon toe te kennen om de aankoop en bijhorende kosten van een auto te voorzien. Robert zou dit met zijn loon terugbetalen. Dezelfde dag kwam de cliënt melden dat hij een auto gevonden had. En wat voor één. Met fonkelende oogjes vertelde Robert dat het een zestien jaar oude zwarte BMW betrof met een 2000cc benzinemotor, evenwel zonder geldig keuringattest. En ja, voor slechts 625 euro “zag” de auto er nog enorm goed uit. Er werd met hem besproken dat er behalve het “zicht” van de auto nog wel een aantal andere zaken belangrijk waren. Uiteindelijk bleek hij dit te snappen en was hij bereid om bij de aankoop het advies van het OCMW te volgen. Het OCMW vond een elf jaar oude opel corsa, 1300 cc, in zeer goede staat van onderhoud, voor de prijs van 900 euro. De verkoper zou nog voor de keuring

127

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

zorgen. Samen met het bedrag van de verzekering werd de aankoopprijs aan Robert voorgeschoten. Omdat hij de volgende dag moest beginnen werken, en de formaliteiten wel enkele dagen zouden duren, zocht het OCMW iemand die Robert enkele dagen naar het werk voerde en opnieuw afhaalde. Na drie dagen was de auto klaar, en de daaropvolgende dag na het werk stond Robert, fier als een gieter, aan de voordeur van het OCMW met “zijn” auto. Zes maand later was Robert nog steeds aan het werk en was het OCMW volledig terugbetaald. Er waren de eerste maanden van de tewerkstelling wel regelmatig gesprekken met hem, en dat was ook nodig. De motivatie was niet altijd even sterk, en enkele keer dreigde Robert het op te geven. Momenteel mogen we echter spreken van een stabiele situatie. Een stabiele situatie, niet enkel op vlak van tewerkstelling, maar ook van huisvesting en van sociale contacten. In deze situatie heeft de totale hulpverlening en het grote vertrouwen dat aan cliënt werd geschonken, geloond. Mede door de goede voorbereiding en het feit dat bij de keuze van de tewerkstelling wel degelijk met de eigen aard van de cliënt rekening werd gehouden, werd het een succes. Zonder dat deze case hier in detail werd uitgewerkt mogen wij wel stellen dat hier empowerment in de praktijk werd gebracht. Voorbeeld 2: Laat ons haar bv. ‘Mieke’ noemen Mieke is 19 jaar en heeft een erg belastende voorgeschiedenis. Een onmogelijk kind, na verblijf in instellingen niet verbeterd, integendeel. Aan 18 jaar uit de instelling verdwenen en na een jaar omzwerven is zij opnieuw bij haar ouders beland. Ze is reeds enkele maanden aan de slag in een horecazaak aan de kust. Ze haat de onregelmatige uren en vooral het feit dat ze op het openbaar vervoer is aangewezen en dat ze vaak verplicht is om aan zee te blijven slapen omdat de laatste tram en bus al vertrokken is tegen de tijd dat het werk er op zit. Ze heeft bovendien last van een chronische polsblessure die haar bij het werk in de keuken erg hindert. Regelmatig is er dus ook ziekteverlof. Als we goed naar Mieke luisteren horen we in de eerste plaats dat ze niet echt gelukkig is met haar huidig werk en dat ze dit op termijn ook zeker niet kan en zal uithouden. In de gesprekken wordt dan ook tijd en aandacht besteed aan het zoeken naar alternatieven. Er worden wel stimuli uitgedeeld om verandering te bekomen. En het lukt ook. Mieke vindt ander werk, niet meer in de horeca. Met vaste uren, geen weekendwerk. Het ziet er goed uit. Met de bus naar Oostende, dat is nog te doen. Na één week komt er echter een arbeidsongeval precies met de zwakke pols. Gevolg enkele weken thuis en daarna … opnieuw thuis want einde contract. De weken en maanden daarna wordt een zoektocht naar een werk dat zou slagen. Ondertussen is er het leefloon dat echt niet voldoende blijkt om
128

EMPOWERMENT IN HET OCMW ICHTEGEM

menswaardig te leven. Omdat Mieke bij haar ouders inwoont is het net nog te doen. Verschillende sollicitaties leveren niets op. Bij nadere bespreking blijkt echter dat de sollicitaties door Mieke onbewust niet ‘au serieux’ worden genomen omdat het niet hebben van een vervoermiddel steeds weer een hele ‘sukkeling’ betekent om op het werk te geraken. Aldus gaat zij niet 100% voor de job, en dat wordt door de werkgevers wellicht gevoeld. Na wat over en weer gepraat wordt besloten om het OCMW te vragen om een voorschot toe te kennen om een scooter te financieren. Mieke is er van overtuigd dat ze snel degelijk werk zal vinden als ze over een vervoermiddel beschikt. De sociale dienst en de Raad (bijzonder comité) keuren het voorschot goed en jawel, de week erop heeft Mieke werk gevonden. In een sigarenfabriek, wel vroeg beginnen ’s morgens, maar het is te doen. Na de proeftijd van veertien dagen wordt Mieke ontslagen. Ze lijkt het tempo van de band niet aan te kunnen mede door haar polsproblemen. Mieke geeft echter niet op. Een vriendin van haar werkt in de kringwinkel. Ze gaat er op vrije sollicitatie en na overleg OCMWMieke-kringwinkel krijgt zij de kans om er te starten. Omwille van het beschermde milieu krijgt ze er groeikansen wat haar attitudes betreft en moet ze geen polsbelastend werk uitvoeren. De tewerkstelling wordt opgevolgd en loopt vlot. Mieke is ge(re)lanceerd. Ook hier stellen we vast dat empowerment wel degelijk werkt, en dat het ernstig nemen van de mobiliteitsproblematiek, weliswaar gekaderd binnen een totaalhulpverlening, een belangrijke meerwaarde biedt aan de hulpverlening. De slaagkansen van de armoedebestrijding stijgen enorm omdat mobiliteit erg belangrijk is. Omdat kansarmen diep gekwetst zijn door sociale uitsluiting op dit vlak. Omdat kansarmen diep gekwetst zijn door elke vorm van sociale uitsluiting. Omdat kansarmen tot heel veel bereid zijn als zij op een menswaardige en respectvolle manier behandeld worden. Als ze maar voelen dat we het ‘echt’ goed met hen voor hebben. Johan Declerck Sociale dienst OCMW Ichtegem December 2003

129

Empowerment in het OCMW Leuven

De keuze voor het OCMW Leuven in het kader van dit onderzoek is niet toevallig. Zo is er binnen het OCMW Leuven reeds een ruime vertrouwdheid met de maatzorgmethodiek en met het lokaal cliëntoverleg, de zogenaamde PAO’s (Permanent Armoede Overleg). Deze methodieken werden in het kader van een vorig actieonderzoek door het HIVA geïntroduceerd in het OCMW Leuven gedurende de periode 1997-1999 (Princen, 2000). Voor dit onderzoek zoemen we in op twee aspecten. Het eerste betreft de PAO’s. Dit gebeurt enerzijds omwille van de vaststelling dat de participatie van de hulpvrager binnen dit cliëntoverleg goed is uitgebouwd. Anderzijds omdat er ook ‘structurele PAO’s’ worden gehouden rond dossieroverschrijdende knelpunten die uit de individuele cliëntsituaties naar voren komen. Een tweede pijler betreft een nieuwe actie die in het kader van dit actieonderzoek werd opgestart, de zogenaamde ‘Actie Onthaal’. Beide pijlers komen achtereenvolgens aan bod.

1. Het Lokaal Permanent Armoede Overleg (PAO)
We hebben niet de bedoeling om deze PAO’s uitgebreid te beschrijven noch te evalueren. We vermelden deze kort omdat deze overlegvormen heel wat empowering potentieel hebben en dit op diverse niveaus: ten aanzien van de cliënten, de hulpverleners, de organisaties en het beleid.40 Deze PAO’s worden door de diverse betrokken partijen als een meerwaarde beschouwd. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de genodigden bijna steeds naar de vergaderingen komen.

40 We hadden hiertoe een gesprek met de twee hoofdmaatschappelijk werkers van het OCMW Leuven: Liliane Moons en Ilse Bels.

131

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

1.1 De individuele PAO’s Het cliëntoverleg is goed ingeburgerd in het Leuvense. Jaarlijks worden er een 70-tal individuele PAO’s georganiseerd. Het OCMW coördineert dit overleg en zorgt voor de praktische organisatie. Een administratieve medewerker van het OCMW participeert aan het cliëntoverleg en maakt het verslag op. Zowel de administratieve kracht als de PAO-coördinator zijn vaste personen. De PAO-coördinator is de hoofdmaatschappelijk werker. Deze zijn met twee: één voor het centrum Leuven en één voor de deelgemeenten (Heverlee, Wilsele en Kessel-Lo). Dit overleg gebeurt op maat. De samenstelling varieert en is afgestemd op de specifieke cliëntsituatie. De aanwezigheid van de cliënt op dit overleg is de regel. Deze kan ook steeds vertrouwensfiguren meenemen op dit overleg. De cliënt is steeds op de hoogte van het overleg en krijgt een schriftelijke uitnodiging waarop ook de andere genodigden worden vermeld. Iedereen die aan het overleg participeert, ook de cliënt, krijgt het verslag. Dit overleg kadert in de maatzorgaanpak en concretiseert het principe van gecoördineerde hulpverlening. De coördinator bewaakt dat ook de overige basisprincipes van maatzorg binnen dit overleg worden gerespecteerd: positief (bv. respect, positieve aanpak), integraal (bv. verschillende levensdomeinen), participatie (bv. komt de cliënt voldoende aan bod of aan het woord, wordt deze niet onder druk gezet), gestructureerd (vast verloop van de vergadering, transparantie en duidelijke afspraken, eventueel werken met maatplan). De aanvragers voor dit overleg zijn heel verschillend, de cliënten hoeven ook geen hulpvrager bij het OCMW te zijn. Ook cliënten zelf kunnen een PAO aanvragen. We geven een voorbeeld van een PAO waarbij men de positieve gevolgen benadrukt van dit overleg, in het bijzonder omwille van de participatie van de betrokkene zelf. We laten de PAO-coördinator zelf aan het woord. Er wordt een PAO aangevraagd door de sociale huisvesting naar aanleiding van problemen rond hygiëne en lawaaihinder. Het betreft Lieve, een alleenstaande vrouw van 48 jaar die in een beschutte werkplaats werkt. Lieve is niet gekend bij het OCMW. Het eerste PAO gaat door in oktober 2000. Aanwezig zijn de aanvrager, het OCMW als coördinator, de wijkagent, Lieve zelf en een familielid (zus).Dit eerste overleg laat bij alle deelnemers een ontevreden gevoel achter. Lieve weigert ook in te gaan op elke suggestie.

132

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

Meer dan een jaar later, in februari 2002, wordt een nieuwe PAO aangevraagd door de wijkagent. De problemen rond lawaaihinder en hygiëne zijn geëscaleerd. De huisvestingsdienst van de stad vindt de situatie ontoelaatbaar geworden. Er dient een oplossing gezocht te worden. Lieve staat tijdens het hieropvolgend overleg negatief tegenover elk aanbod en ze ziet overal een complot in. Men benadrukt dat de samenkomst er is vanuit de zorg voor Lieve. Het feit dat Lieve werkt, wordt ook positief benadrukt. Na dit overleg wordt er contact opgenomen met de dienst gezinszorg van het OCMW om Lieve te ondersteunen bij het onderhoud van de woning. In de volgende PAO wordt dit besproken en staat Lieve open voor deze hulp. Naast deze gezinshulp aanvaardt Lieve ook een begeleiding vanuit het psychosociaal centrum. Zowel de verzorgende als de maatschappelijk werker van het psychosociaal centrum krijgen een goed band met Lieve. Op een bepaald moment krijgt Lieve haar opzeg van de huisvestingsmaatschappij. Ze heeft het volgens deze ‘te bont’ gemaakt. Dit houdt grote gevolgen in voor haar toekomstige huisvesting. Er wordt een PAO georganiseerd, evenwel zonder de huisvestingsmaatschappij die zichzelf als te betrokken partij ziet. Ondanks de positieve sfeer naar Lieve toe, blijft deze elk voorstel weigeren. Uiteindelijk gaat ze, met veel moeite, akkoord met het voorstel om een brief te schrijven naar de huisvestingsmaatschappij met hierin de vraag om Lieve nog een ‘laatste’ kans te geven. Lieve engageert zich in deze brief om wekelijks gezinshulp te aanvaarden, om de begeleiding in het psychosociaal centrum verder te zetten en om zich ‘rustig’ te houden. Lieve mag onder deze voorwaarden blijven wonen. De hygiëne is er op vooruitgegaan en ook in de buurt wordt Lieve nu meer aanvaard. Dit resultaat is er gekomen door de enorme inzet van alle betrokkenen (hulpverleners, familie en Lieve zelf). Gemakkelijk was het zeker niet, voor niemand. Het onderwerp ‘hygiëne en lawaaihinder’ is zeer bedreigend voor Lieve. Tijdens het overleg zucht en puft ze voortdurend en heeft ze geen goed woord over voor de wijkagent en de sociale huisvesting. Tijdens de PAO’s probeerde de PAO-coördinator de situatie niet te bedreigend te laten zijn voor Lieve. Zo werd aan de huisvestingsmaatschappij gevraagd om geen foto’s te tonen van de hygiënische wantoestanden. Ook aan Lieve werden een aantal zaken gevraagd: bv. niet schelden tegen de wijkagent en de mensen van de huisvestingsmaatschappij. Tijdens de PAO’s verloor ieder om beurt wel eens zijn geduld. De familie die op een bepaald moment het nut van een dergelijke samenkomst niet meer zag zitten, … maar toch bleef komen. Hun enorme inzet werd steeds benadrukt en men toonde begrip voor de moeilijke situatie. Of de huisves-

133

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

tingsmaatschappij die de opzeg deed, maar bereid bleef om te praten. De wijkagent die maar klachten bleef krijgen over Lieve… De mensen van gezinszorg die soms het gevoel hadden dat al hun werk voor niets was. De PAO-coördinator omdat het allemaal zoveel energie vroeg … In de periode tot april 2003 zijn er 7 PAO’s geweest. Lieve is, uitgezonderd éénmaal, altijd aanwezig. De eerste keer was er wel eerst een voorafgaand overleg tussen de hulpverleners. Nadien was Lieve van in het begin van de vergadering aanwezig. De PAO-coördinator is ervan overtuigd dat zonder Lieve bij het PAO te betrekken, men deze resultaten niet had gekend. Belangrijk is dat er steeds werd benadrukt dat de beslissing uiteindelijk bij haar lag, dat de anderen alleen maar mogelijkheden en mogelijke alternatieven aanreikten. Lieve kreeg ook positieve boodschappen: bv. ze kan heel humoristisch uit de hoek komen en dit werd door alle deelnemers geapprecieerd. Het gevoel van wantrouwen en het gevoel van altijd het slachtoffer te zijn, waren steeds aanwezig bij Lieve. Net daarom is het ook zo noodzakelijk om Lieve bij dit gebeuren te betrekken, om haar als volwaardige partner te behandelen. (impressie van Liliane Moons, PAO-coördinator) Door deze individuele PAO’s is de samenwerking tussen verschillende diensten verbeterd. Bovendien ervaart men bij de betrokken diensten dikwijls een positieve evolutie in het kijken naar en in de omgang met personen die in armoede leven: minder culpabiliserend, meer positieve betrokkenheid. Een andere troef heeft betrekking op de beeldvorming van het OCMW en op haar hulpverleners: een grotere waardering en respect. De zorg en verantwoordelijkheid voor moeilijke probleemsituaties wordt ook gedeeld door verschillende diensten. Dit houdt ook meer alternatieven en keuzemogelijkheden in voor de betrokken hulpvragers. Dit zijn allemaal troeven in het kader van empowerment waarbij op het niveau van de organisatie het zoeken naar synergieën een belangrijke pijler is. 1.2 De structurele PAO’s Een vrij uniek gegeven is dat er uit deze overlegvorm rond individuele cases ook de zogenaamde ‘structurele PAO’s’ zijn gegroeid. Deze structurele PAO’s concentreren zich op een bepaald thema (bv. gezondheid of cultuur). Ze zijn gebaseerd op gezamenlijke structurele knelpunten die uit de verschillende individuele PAO’s naar boven kwamen of opvallen binnen de individuele hulpverlening in het Leuvense. Dit laat ook toe om meer preventief te werken.
134

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

Ook voor deze structurele PAO’s is het OCMW de coördinator en zorgt deze voor de gesprekstafel en praktische aspecten (uitnodiging, verslag). Het zijn ook de twee hoofdmaatschappelijk werkers die deze overlegvergaderingen opvolgen. Deze structurele PAO’s staan nog in de beginschoenen. We vermelden deze omwille van hun meerwaarde tegenover de individuele PAO’s doordat ze inzoemen op de structurele dimensie van armoede. De koppeling van de collectieve/maatschappelijke dimensie van armoedebestrijding aan de individuele dimensie is ook inherent aan het empowermentconcept. Dit geldt ook voor het aspect van preventie en het streven naar een pro-actieve aanpak. We bespreken achtereenvolgens de structurele PAO rond cultuur en rond gezondheid. 1.2.1 Structurele PAO rond cultuur In april 1999 werd er in Leuven een structurele PAO rond het thema cultuur georganiseerd vanuit de bekommernis dat mensen die in armoede leven niet of zeer weinig deelnemen aan cultuur.41 Het Leuvense cultuuraanbod bleek voor de doelgroep niet toegankelijk en anderzijds bleek uit de OCMW-praktijk dat een aantal cliënten interesse hadden om met kunst bezig te zijn. Dit bleek onder meer bij het opmaken van de maatplannen waarbij de doelstellingen en prioriteiten van de cliënt over de verschillende levensdomeinen worden overlopen (cf. het principe van de gestructureerde en integrale hulpverlening van de maatzorgmethodiek). Vanuit deze vaststellingen groeide de idee om een buurtoverschrijdend cultuurproject op te zetten dat toegankelijk is voor personen die in armoede leven. Begin april 2001 werd hiertoe het cultuurproject de FactorY opgericht. Sinds deze eerste PAO werd er een samenwerkingsverband opgericht met verschillende Leuvense organisaties die een netwerk willen vormen van culturele en welzijnsorganisaties. Dit netwerk wil de cultuurparticipatie van personen die in armoede leven stimuleren en integreren in hun werking. De partners die rond de tafel zitten komen uit de sociale sector, de culturele en kunsteducatieve sector en de vormingssector. Concreet zijn dit voor de sociale sector: het OCMW Leuven, het Dien-

41 De informatie over deze structurele PAO rond cultuur is mede gebaseerd op de recente HIVA-studie van K. Van Pée (2003) over de sociaal-artistieke praktijk in België. Het betreft een kwalitatief onderzoek naar methodiekontwikkeling waarbij de FactorY één van de beschreven cases is (p. 113-129).

135

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

sten- en Ontmoetingscentrum (Centrum Algemeen welzijnswerk Leuven), de drie buurtwerkingen: ’t Lampeke, Casablanca, en Straatmus, de wijkwerkingen van de stad Leuven en de vzw Dienst Begeleid Wonen. Voor de culturele en kunsteducatieve sector zijn dit: het Cultureel Centrum, Wisper, Moos het STUK en De Kunstbank. Tenslotte zijn vanuit de vormingssector Open School Leuven en Elcker-Ik betrokken. Naast een stuurgroep voor het project is er ook een ruime ‘Werkgroep Cultuur’ die bestaat uit een twintigtal leden uit het samenwerkingverband. Deze werkgroep, die om de zes weken samenkomt, besteedt ook specifieke aandacht aan het algemene integratie- en toeleidingsbeleid van personen die in armoede leven naar cultuur in de stad Leuven. De FactorY wil zowel de actieve als de passieve cultuurparticipatie van kansarmen bevorderen. Het actieve luik aan dit cultuurproject is het beeldend atelier waarbij er een eigen aanbod is rond schilderen, tekenen en keramiek. Het passieve luik bestaat uit het vergemakkelijken van de participatie in het reguliere cultuurcircuit van Leuven. Hiertoe gebeuren er culturele bezoeken aan bv. tentoonstellingen en voorstellingen en wordt de deelname aan bv. concerten gestimuleerd (bv. via verminderde toegangsprijs). De FactorY is een open atelier. Men kan steeds instappen. De deelname is gratis. Het atelier is maandag en donderdag geopend van 10 tot 15 uur en zaterdag van 10 tot 13 uur. gestimuleerd. We lezen het opzet van de FactorY in hun folder: “Kansen geven aan deze mensen die vandaag geen toegang vinden tot het culturele leven in Leuven. Hen een ruimte bieden waar ze positieve contacten kunnen leggen en afstand nemen van hun dagelijkse behoeften en beslommeringen, een ruimte waar ze hun gevoeligheid kunnen delen” (folder FactorY). Het cultuurproject wil zich vooral richten tot personen die een achterstelling kennen op diverse gebieden: laaggeschoolden, langdurig werklozen, personen met psychische problemen, thuislozen, invaliden, allochtonen, sociaal geïsoleerden. De bereikbaarheid en toeleiding van deze zeer kwetsbare groep is dan ook een belangrijk aandachtspunt waarbij de diverse partners uit het samenwerkingsverband ook een verantwoordelijkheid in hebben. Naast artistieke doelstellingen (o.a. aanleren van specifieke technieken) wil men ook het sociaal isolement doorbreken van de deelnemers en kansen op ontmoeting creëren. Ook het ‘schakelen’ is een functie van de Factory: enerzijds door binnen het atelier van elkaar te leren, elkaar aan te moedigen en te ondersteunen,

136

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

maar anderzijds ook door de deelnemers andere perspectieven te tonen en de (leef)wereld van mensen te verruimen. Ook het naar buiten treden met de eigen kunstproducten biedt kansen op erkenning, positieve beeldvorming. De deelnemers worden zodoende ‘sterker’, zetten stappen in empowerment zowel op individueel als op collectief vlak. Er wordt ook aan het structurele empowerment gewerkt. De FactorY wil immers komaf maken met de vele vooroordelen omtrent kansarmoede. Kunst en cultuur zijn immers geen luxeproducten, maar wezenlijke onderdelen van het menselijk bestaan. Het realiseren van de sociale grondrechten, het verbeteren van de toegankelijkheid van maatschappelijke instituties, netwerkvorming zijn ook kernaspecten bij empowerment. Het groepsaspect bij dit initiatief vormt een meerwaarde t.a.v. van de individuele OCMW-hulpverlening en biedt extra kansen voor het individuele empowerment van de deelnemers. De OCMW’s krijgen vandaag extra middelen voor cultuur. Gekaderd binnen een bredere visie zoals bij dit cultuurprojecten lijkt dit een zeer boeiend spoor met veel empowering potentieel. 1.2.2 Structurele PAO rond gezondheid Bij een andere structurele PAO stond het thema gezondheid centraal met twee concrete acties: één rond logopedie en/of psychomotorische therapie en één rond tandzorg.42 Een belangrijke motor van deze acties is het Wijkgezondheidscentrum (WGC) ‘De Ridderbuurt’. Dit centrum komt in aanraking met vele personen die in armoede leven. De medische problemen zijn hierbij een dankbare ingangspoort. WGC De Ridderbuurt merkt de psychosociale problemen op die verweven zijn met de gezondheidsproblemen en probeert hier ook een oplossing voor te bieden. Ze kiezen ervoor om in een netwerk van organisaties te werken en zijn erg blij met de gesprekstafel die het OCMW hiertoe aanbiedt onder vorm van individuele maar ook structurele PAO’s. ‘Een sprong vooruit’ is de actie om de doorverwijzing te verbeteren van kinderen met leerproblemen naar logopedie en/of psychomotorische therapie

42 Deze informatie is mede gebaseerd op gesprekken en materiaal dat ons ter beschikking werd gesteld door Nans Antheunis, gezondheidspromotor van het Wijkgezondheidscentrum De Ridderbuurt.

137

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

waar bv. financiële, culturele, communicatieve drempels de doorverwijzing bemoeilijken. Het doel is de toegankelijkheid van logopedie en psychomotorische therapie te bewerkstelligen voor risicogroepen binnen het reguliere aanbod. Dit wordt immers als een knelpunt ervaren. Deze actie is in 1995 opgestart vanuit het schoolopbouwwerk Kamileon, de kinderwerking Fabota en het WGC De Ridderbuurt. In 1998 werd er hiervoor een structurele PAO bij het OCMW aangevraagd. Momenteel betreft het een samenwerkingsinitiatief tussen het WGC De Ridderbuurt, schoolopbouwwerk Kamileon, het OCMW Leuven, Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB), Vrij Centrum voor Leerlingenbegeleiding (VCLB), het Centrum Orthopedagogische Begeleiding (COB/Passant), het Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen (COS), de mutualiteiten (lokaal) en privé logopedisten en psychomotorische therapeuten. Recent neemt ook het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) Passant deel aan dit structureel PAO. Dit CGG-team werkt samen met WGC De Ridderbuurt rond emotionele en leerstoornissen bij kansarme kinderen.43 Verschillende gezondheidswerkers blijken wel bereid om te werken met kansarme gezinnen, maar hebben nood aan een aanspreekpersoon. De Ridderbuurt heeft momenteel de functie van bemiddelaar. Zo bellen ouders of een school naar de Ridderbuurt wanneer een kind logopedie nodig heeft. Voor een afspraak wordt gemaakt met de logopedist, wordt eerst met de ouders samengezeten. Er wordt uitgelegd welke de verschillende stappen zijn, welke inzet men van de ouders verwacht, welke de financiële mogelijkheden zijn. In een aantal gesprekken kiezen de ouders vervolgens wat zijzelf haalbaar vinden, op financieel vlak maar ook bv. inzake vervoer of opvang van de andere kinderen. Voor het wegwerken van de financiële drempels werden ook concrete afspraken gemaakt tussen de betrokken organisaties en personen onder meer omtrent het gebruik van de derdebetalersregeling. Men tracht zodoende pro-actief kwetsbare kinderen op te sporen en ook een proces met de ouders op te starten. De Ridderbuurt ziet als meerwaarde van deze structurele aanpak dat een doorverwijzing nu meer gekaderd wordt en gedragen door een gemeenschappelijke doelstelling en een engagement naar de aanpak van sociaal-economische gezondheidsverschillen. Een uitgebreide folder over ‘Een sprong vooruit’ werd opgemaakt met een duidelijk overzicht van concrete stappen wanneer de betrokken

43 Ter illustratie vermelden we dat in de periode 2001-oktober 2003 er 18 structurele PAO’s plaatsvonden rond logopedie/psychomotorische therapie.

138

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

instanties in contact komen met een kind met deze problemen. Ook de mogelijke financiële drempels komen uitgebreid aan bod. De mogelijkheid van de derdebetalersregeling en eventueel een bijkomende tussenkomst door het OCMW voor het betalen van dit remgeld worden gedetailleerd toegelicht. De folder is zeer concreet met o.a. de juiste bedragen, namen en telefoonnummers van contactpersonen, de verschillende doorverwijsmogelijkheden o.a. voor multidisciplinaire diagnosestelling, een lijst van de betrokken logopedisten en psychomotorische therapeuten in het Leuvense, een modelbrief voor het ziekenfonds, een meldingsformulier voor logopedist of psychomotorisch therapeut en voor het schoolopbouwwerk enz. Met deze brochure wordt ook de administratie voor de betrokkenen eenvoudiger en transparanter gemaakt, wat ook als knelpunt werd gesignaleerd. Ook de wachtlijsten vormen een structureel knelpunt. De andere actie gebeurde rond tandverzorging.44 De praktijkwerkers stelden immers enerzijds vast dat verschillende personen die in armoede leven te kampen hebben met tandproblemen en dat er anderzijds heel wat drempels zijn voor een tandartsbezoek. De financiële drempel komt hierbij duidelijk aan bod. Meestal komen kansarmen personen enkel bij dringende gevallen terecht bij de tandarts en is er een gebrek aan preventie. Ook het niet nakomen van de afspraak of het niet kunnen betalen van de afspraak zijn veel gehoorde klachten bij tandartsen. Naast de Ridderbuurt waren bij deze actie ook het LOGO Leuven, het OCMW Leuven, lokale tandartsen, de mutualiteiten en de Vlaamse Werkgroep voor Gezonde Tanden betrokken. Aan de 90 tandartsen in het Leuvense werd gevraagd om te participeren aan een overleg om de sociaal-economische gezondheidsverschillen m.b.t. de tandverzorging aan te pakken. Uiteindelijk hebben een tiental tandartsen positief gereageerd. Samen met deze werd een gebruiksvriendelijke brochure samengesteld ‘Gezocht: tandarts die er zijn tanden in zet’. Deze brochure geeft gebruiksklare informatie aan tandartsen over alternatieve betalingswijzen. Deze brochure werd toegelicht tijdens een infoavond voor een grotere groep tandartsen. Deze avond werd overschaduwd door een negatieve beeldvorming over kansarmoede. Gezondheidswerkers blijken bang te zijn om met deze doelgroep te werken. Bij dergelijke ervaringen is het belangrijk om te kunnen terugvallen op een samenwerking met andere diensten die ‘kunnen begeesteren, anders slaat de moedeloos-

44 Ter illustratie vermelden we dat in de periode 2002-oktober 2003 er 6 overlegvergaderingen plaatsvonden rond tandzorg.

139

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

heid of ontgoocheling toe’. In het najaar is een tweede infoavond gepland. Men zal dan ervaringsdeskundigen inschakelen. De Ridderbuurt werkt in haar eigen werking ook met ervaringsdeskundigen en stelt: “Het meest ontwapenende en effectieve om die beeldvorming te corrigeren, is om samen te werken met ervaringsdeskundigen. Zij verwoorden waar het om gaat, vaak op zo’n authentieke manier, dat mensen aangesproken worden om hen als individu te zien” (Nans Antheunis, WGC De Ridderbuurt). Een andere ervaring bij deze actie is dat positieve boodschappen naar de doelgroep toe het meest aanslaan. Een bericht in de wachtzaal van het WGC ‘het OCMW en het WGC hebben afspraken gemaakt zodat iedereen naar de tandarts kan; vraag ernaar bij uw dokter’, hebben ervoor gezorgd dat mensen het initiatief namen om naar deze afspraken te vragen en hun tandprobleem te melden. Tijdens deze overlegvergaderingen wordt ook heel wat interessante info doorgegeven (rond de tandmobiel, zuigflescariës, didactisch materiaal) of worden er afspraken rond vorming gemaakt. De centrale doelstelling is om de gezondheidszorg af te stemmen op personen die in armoede leven, om meer zorg op maat te bieden. Het creëren van een apart circuit van gezondheidszorg voor kansarmen wordt niet wenselijk geacht. Het vermijden van segregatie, van aparte circuits voor maatschappelijk kwetsbaren is ook een gedachtegoed van empowerment. Het soepel samengaan van professionelen en paraprofessionelen of vrijwilligers, een samenwerking tussen verschillende sectoren (medische, sociale) en disciplines zijn ook aspecten van een empowering hulpverlening om te komen tot een naadloze hulpverlening op maat van de (kansarme) gebruiker. Samenwerken is hierbij de boodschap. 1.2.3 Structurele PAO rond vereenzaming Interessant tenslotte is dat er momenteel een structurele PAO is opgestart rond het thema van ‘Vereenzaming-Sociaal isolement in de wijk Casablanca’. Dit is een belangrijk inhoudelijk interessepunt in het empowermentparadigma. Hierbij wordt er samengewerkt met weer heel andere partners: buurtwerk Casablanca, CAW Leuven project team wonen, Sociale Huisvestingsmaatschappij Dijledal (sociale dienst), Riso Vlaams Brabant, Wijkbureau Casablanca, het OCMW Kessel-Lo/Thuisdiensten en het OCMW Leuven (PAO-coördinatie). De signalen van het probleem
140

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

van vereenzaming kwamen onder meer uit het leefbaarheidsonderzoek van deze wijk en vanuit de vaststelling van vereenzaamde bejaarden in deze buurt vanuit de thuiszorgdiensten van het OCMW. De verkenningsfase die momenteel loopt, wordt in december 2003 afgerond. Dan zal het Riso Vlaams-Brabant beslissen over de toekomst van dit project. Deze voorbeelden tonen aan dat er een ruime netwerking kan ontstaan door deze structurele PAO’s. Men beklemtoont dat dit een werk is van lange adem, een proces waarbij de partners elkaar op een andere manier leren kennen. Men merkt nu reeds een positieve evolutie in de samenwerking, met een meer positieve beeldvorming naar het OCMW. Door de verschillende acties wordt bovendien een breed publiek bereikt en wordt er duidelijk gewerkt aan een meer positieve beeldvorming van personen die in armoede leven. De toegankelijkheid van diensten verbetert voor hen en aparte circuits worden zoveel mogelijk tegengegaan (of dienen als tussenstap om te schakelen naar reguliere voorzieningen).

2. De ‘Actie Onthaal’
Bij de twee eerste voorbereidende overlegvergaderingen waren naast het HIVA drie personen van het OCMW aanwezig: de waarnemend directeur sociale dienst, de coördinator en één hoofdmaatschappelijk werker. In de eerste vergadering werd beslist dat het project empowerment zich zou enten op de werking van het team centrum en niet op de deelwerkingen. Na deze vergadering werd het project empowerment geagendeerd op de teamvergadering van team centrum. In deze teamvergadering werd empowerment inhoudelijk toegelicht aan de maatschappelijk werkers en werden vervolgens concrete actiepunten bediscussieerd. Deze voorstellen werden meegenomen bij de tweede voorbereidende vergadering. De concrete actiepunten werden vastgelegd. De actie onthaal heeft hierin een centrale plaats. Zowel vanuit het beleidsniveau als vanuit de maatschappelijk werkers acht men dit thema relevant. De maatschappelijk werkers zien immers een aantal knelpunten die al dan niet ook door de OCMW-cliënten zelf worden gesignaleerd. Dit thema heeft aldus een breed draagvlak. Er wordt besloten om voor deze actie onthaal een werkgroep op te richten die door het HIVA wordt opgevolgd en gecoördineerd.

141

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

2.1 De OCMW-werkgroep ‘Onthaal’ De werkgroep onthaal bestaat uit vijf personen die zich vrijwillig hebben opgegeven: de onthaalbediende, de vaste intaker, twee algemeen maatschappelijk werkers en een maatschappelijk werker schuldbemiddeling (die een aparte intake doet).45 Deze personen kunnen ieder vanuit hun positie relevante ervaringen inbrengen m.b.t. tot het onthaal. Van bij het begin achten we het belangrijk dat deze actie ‘hun actie’ wordt en geen project is van het HIVA. Dit ‘ownership’ is belangrijk in het kader van de self-empowerment van de hulpverleners. De bepaling van het thema vanuit de basiswerkers was hierbij een eerste stap. In de eerste werkgroep maken we concrete afspraken omtrent het tijdstip en de frequentie van vergaderingen. De agenda wordt samen met hen opgemaakt. De werkgroep komt gedurende de periode april-september 2003 een tiental keren samen. In de werkgroepen gebeurt eerst een toelichting over hoe het onthaal momenteel verloopt en welke de ervaringen zijn bij dit onthaal (zowel positieve als negatieve). Elk lid van de werkgroep komt hierbij uitgebreid aan bod. Heel wat informatie wordt uitgewisseld. Het wordt als een meerwaarde ervaren van met elkaar in dialoog treden rond een thema dat hen allen aanbelangt. Evidente zaken waren over elkaars werking niets steeds gekend. Verschillende knelpunten komen uit de gesprekken naar voren. Meerdere punten hebben te maken met het aspect van privacy bv. " gebrek aan lokalen waardoor de cliënten niet alleen worden ontvangen, maar in aanwezigheid van een andere maatschappelijk werker soms; soms dient men samen met de cliënt nog op zoek te gaan naar een lokaal (bv. de dienst schuldbemiddeling); " omwille van de veiligheid laten sommige maatschappelijk werkers de deuren open tijdens een gesprek met de cliënt waardoor anderen kunnen meeluisteren; " aan het onthaal ligt een uitschrijfboek voor de maatschappelijk werkers waarin dient genoteerd te worden waar men naartoe is, deze gegevens (met ook namen van cliënten) kunnen gelezen worden door alle personen die zich aan het onthaal aanmelden. Vanuit de werkgroep komen ook verschillende suggesties voor de verbetering van de organisatie. Zo kunnen er vooral bij de intaker lange

45 De personen van de werkgroep onthaal zijn: Véronique Janssens, Stefaan Jonckers, Hilde Coppens, Hilde Luyts en Brigitta Van Geel.

142

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

wachttijden zijn en wordt voorgesteld om deze te laten ondersteunen door een administratieve kracht. Er zijn ook verschillende interpretaties over de ‘dringende’ hulpverlening wat soms aanleiding geeft tot discussies aan het onthaal. Deze dringende vragen worden opgevangen door de intaker of bij zijn afwezigheid via het systeem van schaduwpermanentie. Het zou interessant zijn om hierover een aantal duidelijke richtlijnen te geven. Dit geldt bv. ook voor het ontvangen van cliënten in een andere taal. Sommigen doen dit, anderen niet, wat voor de cliënten onduidelijkheid schept. Een volgend punt op de agenda van de werkgroep is de vraag hoe de stem van de cliënt in dit verhaal aan bod kan komen. Het inbrengen van het cliëntperspectief is immers een belangrijk aspect bij een empowering hulpverlening. De volgende aanpak wordt door de werkgroep voorgesteld. In de periode juni-juli 2003 worden een aantal acties binnen het OCMW voorzien: - Ideeënbus aan het onthaal en in de wachtruimte. - Hiertoe worden briefjes met een aantal vragen gemaakt. - Mondeling gesprek met maatschappelijk werkers. - Eén maatschappelijk werker houdt zich beschikbaar op een welbepaald moment in de week gedurende deze periode. Personen kunnen, indien ze dit wensen, meer uitvoerig hun verhaal vertellen over hun ervaringen met het onthaal. Een topiclijst met mogelijke aandachtspunten wordt opgemaakt (cf. infra lijst De Méander). - Klachtenregistratie bij alle maatschappelijk werkers. - Een extra alertheid wordt gevraagd van alle maatschappelijk werkers van het team centrum gedurende deze periode voor mogelijke klachten rond het onthaal. - Sensibilisering via de onthaalbediende - De onthaalbediende maakte iedereen die zich aan het loket aanbiedt attent op de actie, geeft een verdere toelichting en stimuleert het invullen van de briefjes voor de ideeënbus of de mogelijkheid tot een meer uitvoerig gesprek hieromtrent. - Extra aandacht bij de intaker De intaker bevraagt in deze periode specifiek hoe de cliënten de weg naar het OCMW hebben gevonden en welke hun ervaringen zijn bij dit eerste contact.

143

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

Er wordt ook samengewerkt met het inloopcentrum De Méander (CAW Leuven). Deze hebben contact met kansarme personen die wellicht moeilijker bereikbaar zijn voor het OCMW en mogelijk niet aan bod komen via de acties die lopen binnen het OCMW. Er wordt hen een vragenlijst gegeven met een aantal topics over het onthaal: - privacy (alleen ontvangen, niet in de wachtzaal, aan wie wordt info doorgegeven); - storing (telefoons, lawaai, binnenkomen van andere personen); - vriendelijkheid; - taalgebruik (andere taal, eenvoudige taal, tolken); - bereikbaarheid/toegankelijkheid (openingsuren/afspraak, weg vinden naar het OCMW, telefoonsysteem); - wachttijden (zitdag, afspraak, intake); - omgeving (kleur, muziek, speelgoed, lectuur en informatie, drank, deur); - is men verder geholpen (efficiëntie); - algemene ervaring met het eerste contact; - systeem van intake en dan overgaan naar andere maatschappelijk werker/schuldbemiddelaar. Deze vragenlijst wordt met de begeleider overlopen met een aantal personen die individuele woonbegeleiding krijgen. Verder wordt dit ook met een groep van bezoekers besproken tijdens een inloopmoment van De Méander. De werkgroep onthaal krijgt mondeling feedback over de resultaten bij een bezoek aan het inloopcentrum. Later wordt er hierover door De Méander een schriftelijke nota aan de werkgroep bezorgd. Liefst 242 cliënten hebben een formulier ingevuld voor de ideeënbus. Het overgrote merendeel blijkt tevreden over het onthaal. Telkens 90% stelt de weg naar het OCMW gemakkelijk te hebben gevonden, voelt zich goed ontvangen en werd vriendelijk bejegend. Een kleine 90% vindt ook dat men verder geholpen werd door het OCMW. Uit beide bevragingen blijkt evenwel dat de stap naar het OCMW toch nog moeilijk is en als vernederd wordt ervaren. Slechts als het echt niet meer anders kan stapt men naar het OCMW. Verschillende cliënten verduidelijken ook hun antwoord met persoonlijk commentaar. Op de vraag of men goed werd ontvangen schreef onder meer een cliënt: “Neen, men is wel vriendelijk maar ik heb geleden onder de typerende houding van vele medewerkers van sociale diensten: men stelt zichzelf dwingend als voorbeeld! Om financiële steun te bekomen verwacht men dat je ook een stukje eigen persoonlijkheid opgeeft … (...) concreet: inter-

144

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

netgebruik, iets dat inmiddels toch een maatschappelijke verworvenheid is (en bv. portkosten bespaart) wordt als ‘luxe’ afgewezen (zelfs al beloopt de kost slechts 50 euro per 2 maanden). Advies: trainen van de sociale werksters in het behoud van alle respect voor de eigenheid van de hulpvrager/ster en dus voor de integriteit van de persoon” (geschreven commentaar van cliënt in de enquête). Op de open vraag naar ideeën om de wachtzaal aangenamer te maken kwamen de volgende antwoorden meermaals aan bod: muziek, tijdschriften en informatiebrochures, drank, speelhoek, andere stoelen, muuraankleding (o.a. foto’s, schilderijen, poster, andere kleur), planten/ bloemen, televisie/video, meer privacy in de wachtzaal, koene/snoep, betere verluchting, rookruimte. Verder meldt de intaker dat de wachttijden bij hem soms kunnen oplopen door bv. de ongelijke spreiding van cliënten op het spreekuur (bv. niemand om 9 uur en verschillende personen om 11 uur). Een aantal inhoudelijke punten die uit de bevraging via De Méander naar voren kwamen zijn o.a. niet alleen op een bureau ontvangen worden, veel storende telefoons tijdens een gesprek, weinig informatie over de rechten die cliënten hebben, wanneer iemand meegaat gaat het gemakkelijker om naar het OCMW te gaan, vraag naar muziek in de wachtzaal, de wisseling van maatschappelijk werkers tijdens het hulpverleningsproces maakt het moeilijk om vertrouwen op te bouwen. De resultaten van deze bevraging binnen het OCMW en de nota van De Méander werden aan de voorzitter van het OCMW bezorgd. 2.2 De cliëntenraad Van bij de aanvang leeft de idee om een cliëntenraad te organiseren in het kader van de actie onthaal. Deze cliëntenraad wordt in de werkgroep onthaal voorbereid. De betrokken maatschappelijk werkers selecteren mogelijke kandidaten. Deze worden door hen actief aangesproken op hun bereidheid. Er wordt gestreefd naar een zekere diversiteit in hun profiel en er wordt een zeker evenwicht vooropgesteld in het aantal cliënten versus niet-cliënten. Ook de Méander wordt uitgenodigd om aan de cliëntenraad te participeren. Deze reageren enthousiast op deze vraag. De voorzitter van het OCMW Leuven wordt uitgenodigd om deze cliëntenraad voor te zitten. Iedereen krijgt een schriftelijke uitnodiging die met de nodige zorg is opgesteld. Er wordt uitdrukkelijk vermeld wie aanwezig zal zijn en men benadrukt dat het OCMW het belangrijk vindt

145

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

om de mening van de cliënt te horen. De brief wordt ondertekend door de voorzitter en secretaris. Op 16 september 2003 gaat de cliëntenraad door op het OCMW van 10u. tot 12u30. Zes van de acht cliënten die werden uitgenodigd zijn aanwezig. De voorzitter zit de vergadering voor. Verder zijn ook drie maatschappelijk werkers van de werkgroep onthaal aanwezig (deze zijn ook de begeleiders van de betrokken cliënten), de waarnemend directeur sociale dienst, de hoofdmaatschappelijk werker, een begeleider van De Méander, de actieonderzoeker en een administratieve kracht (verslaggever). De voorzitter benadrukt dat alles wat tijdens de cliëntenraad gezegd wordt in de vergadering blijft. De voorstellen en ideeën waar het OCMW-beleid iets aan kan doen worden wel meegenomen. De afgevaardigde van De Méander (in tandem met de begeleider) overloopt systematisch per topic de opmerkingen die uit hun bevraging is naar voren gekomen. De andere cliënten en ook de maatschappelijk werkers vullen aan en geven opmerkingen. Iedereen komt aan bod. De voorzitter nodigt hen hiertoe uit. Van bij het begin wordt er een goede toon gezet. De voorzitter begroet iedereen persoonlijk, is erg vriendelijk en informeel. Hij stelt aan de groep voor om hem met de voornaam te noemen en schrijft deze op een kaart die hij voor zich op de tafel plaatst. De andere genodigden worden gevraagd hetzelfde te doen. Iedereen stelt zichzelf even voor. We zitten in een kring. Wanneer iemand van de cliënten emotioneel reageert, wordt deze door de groep gesteund. Vooral de warme reacties van de andere cliënten vallen me op. Maar ook de voorzitter en de andere aanwezigen voelen mee en dit is duidelijk merkbaar. Het lijkt goed dat de betrokken maatschappelijk werker aanwezig is. Er is duidelijk een goede band met hen. Dit wordt door de cliënten ook expliciet benoemd. De man naast me kan zich goed verwoorden. Hij fluistert me toe dat hij inwendig wel zit te beven. Hij vindt het ongelooflijk dat dit kan, zo rechtstreeks in gesprek gaan met de voorzitter. Tegen het einde van de vergadering wordt iedereen een glaasje aangeboden (schuimwijn of fruitsap). De voorzitter benadrukt dat dit moet gevierd worden. Het is immers de eerste keer dat een cliëntenraad wordt georganiseerd. Uit het rondje bij de afsluiting van de vergadering zijn de reacties unaniem positief. Een datum voor een volgende cliëntenraad wordt vastgelegd. Samen eten we nadien nog broodjes (observatie actieonderzoeker).

146

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

Iedereen krijgt later een verslag van deze vergadering en wordt voor de volgende cliëntenraad uitgenodigd. 2.3 Voorstelling project empowerment aan de OCMW-raad Een belangrijke partner bij het werken aan een empowering hulpverlening is het beleidsniveau. Vanuit de werkgroep onthaal werd dan ook de vraag gesteld om het ‘project empowerment’ te mogen toelichten op de OCMW-raad. Dit gebeurt op de OCMW-raad van 23 oktober 2003. De actieonderzoeker schetst de context van het ruimere onderzoek en licht het empowermentparadigma inhoudelijk toe. De hoofdmaatschappelijk werker en een maatschappelijk werker van de werkgroep lichten de actie onthaal concreet toe. Deze schetsen de resultaten, overlopen de suggesties en structurele knelpunten (bv. gebrek aan lokalen om cliënten afzonderlijk te ontvangen), lichten toe welke acties nu reeds werden ondernomen en schetsen de verwachtingen naar de toekomst en naar het beleid. “Waarom we dit willen toelichten op de raad? Beleidsmensen worden meestal geconfronteerd met cijfers, we willen laten zien dat er achter die cijfers ook een filosofie schuilgaat. Achter de wettelijke taken die de sociale dienst uitvoert schuilt ook een visie. Deze stoelt gedeeltelijk op maatzorg en daarop aansluitend empowerment. We weten wel dat dit geen wondermiddel is, maar de cliënt op een actieve wijze betrekken bij de hulpverlening is onontbeerlijk. (…) Wat met de toekomst? Empowerment belangrijk - niet alleen van de cliënt - ook van de MA. De knelpunten gesignaleerd door de cliënten willen we waar mogelijk en realistisch verbeteren. Empowerment kadert zich ook in een ruimer geheel, de studiedag ‘the missing link’ van vorig jaar en de intervisiegroepen voor het AMW die in oktober van start gingen passen hier perfect in. Het installeren van een cliëntenraad lijkt ons belangrijk: organiseren van een structureel overleg waarop cliënten uitgenodigd worden en er rond specifieke thema’s gewerkt kan worden bv. visie van de cliënt op de begeleiding naar tewerkstelling toe, zin en onzin van de gegevens die aan de cliënt gevraagd worden … Doel: een blijvende dialoog opbouwen met de cliënt vanuit een gelijkwaardige positie. Verwachtingen naar het beleid toe: daar waar mogelijk mee werken aan een structurele oplossing van een aantal knelpunten. De sociale dienst het nodige vertrouwen blijven geven om verder te werken op dit spoor.

147

EMPOWERMENT IN HET OCMW LEUVEN

We denken dat empowerment ook ten goede komt aan het beleid: een hedendaagse visie op hulpverlening waar iedereen zich in kan terugvinden kan alleen maar bijdragen tot een positieve beeldvorming over het OCMW”. (hoofdmaatschappelijk werker, toelichting op OCMW-raad Leuven, 23 oktober 2003) Het Bijzonder Comité krijgt de goedkeuring om - op vraag van een raadslid - het project empowerment verder op te volgen. De actieonderzoeker benadrukt dat het belangrijk is dat er een motor is, een aantal trekkers, om dit empowermentgedachtegoed binnen het OCMW Leuven ‘warm’ te houden. Het voorstel om hiertoe een interne kwaliteitskring rond empowerment te installeren, zal worden bekeken. Belangrijk bij deze actie onthaal is niet zozeer de inhoud maar wel het proces dat werd opgestart en dit zowel met de maatschappelijk werkers als met de cliënten afzonderlijk, als de onderlinge dialoog tussen de maatschappelijk werkers, cliënten en het beleid. De cliëntenraad is een vorm van concretisering van de structurele participatie van de hulpvrager. Het vormt een belangrijke aanvulling op de twee andere bestaande overlegvergaderingen van de individuele en structurele PAO’s. Het is, ons inziens, een noodzakelijk complement in het kader van een empowering hulpverlening.

148

Blauwdruk voor een empowering beleid

1. Het krachtenperspectief binnen een sociaal beleid
De praktijk leert dat de aandacht voor empowerment niet mag beperkt blijven tot een aantal enthousiaste groepen, (welzijns)organisaties of wetenschappers. Wil het empowermentparadigma echt doorbreken dient dit op diverse niveaus te worden geïntegreerd (micro, meso en macro), niet in het minst op het beleidsniveau. Een deel van het huidig beleidsdiscours heeft zeker aanknopingspunten met empowerment: de aandacht voor preventie, activering en maatschappelijke integratie, het versterken van sociale cohesie op lokaal vlak, het bottom-up werken, de bevordering van toegankelijkheid van diensten en goederen voor kwetsbare groepen enz. Centraal hierbij is het ethisch karakter van deze aspecten. Zo komen bv. bij sociale activeringsstrategieën de volgende vragen naar voren (zie ook Van Regenmortel & Fret, 1999): Gaat het om een dwingend normatief iets (al dan niet met sancties) of om positieve stimulansen met respect voor de eigenheid van elke (kansarme) burger? Gaat het om een eerder autoritair nieuw moralisme of om meer tolerante vormen van ondersteuning en versterking? Gaat het om de erkenning van diversiteit, om afhankelijkheid tegen te gaan, om keuzevrijheid te stimuleren? Gaat het om een actief op zoek gaan naar mogelijkheden van de kansarme burgers om deze meer greep te laten krijgen op de eigen situatie en de bredere omgeving? Wanneer activering impliceert: tijd nemen en openstaan voor ontmoeting vanuit een basishouding van respect voor maatschappelijk kwetsbare groepen en voor hun specifieke invulling van het levenstraject, dan lijkt activering te kaderen binnen het empowermentparadigma. Activering wordt in deze zin opgevat als realisering van sociale grondrechten ingebed in een zorgethisch kader met respect voor de uniciteit van de betrokkene en met appèl op de zelfzorg. De overheid heeft hierin een

149

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

duidelijke verantwoordelijkheid en beschikt hiertoe over directe en indirecte sturingsmechanismen.

2. Richtlijnen voor het OCMW-beleid
De vraag die in dit afsluitend hoofdstuk voorligt is wat een beleid kan doen om empowerment binnen een samenleving te stimuleren in het kader van de bestrijding van sociale ongelijkheid. Globaal dient de bestrijding van sociale ongelijkheid gestoeld te zijn op een krachtgerichte en participatorische visie. Alle stakeholders dienen betrokken te worden bij de uitwerking, opvolging, evaluatie en bijsturing van het beleid. Een sociaal beleid is dynamisch en werkt hierbij bottom-up. Voor deze studie hebben we ingezoemd op de OCMW-praktijk. Dezelfde begrenzing maken we met betrekking tot het beleidsniveau en richten ons prioritair tot richtlijnen voor het OCMW-beleid. 2.1 Inbouwen van een empowering visie in het beleid Empowerment houdt een krachtig pleidooi in voor een meer krachtgerichte en participatorische visie in de globale samenleving, dus ook in het beleid, i.c. het OCMW-beleid. - Concrete beleidsmaatregelen kaderen binnen een empowermentvisie Een voorbeeld is de leefloonwet. Deze nieuwe wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie (de RMI-wet van 26 mei 2002 ter vervanging van de Bestaansminimumwet van 1974) heeft troeven ten aanzien van empowerment: er is de op-maat-gedachte en het recht gaat verder dan een inkomensgarantie, houdt ook tewerkstelling, opleiding, studie of een geïndividualiseerd project in voor maatschappelijke integratie. Vanuit empowerment kan een nog ruimere invulling worden bepleit. Alle trajecten die de rechthebbenden meer greep doen krijgen op het eigen leven en versterkend zijn voor de betrokkene, zouden binnen dit wettelijk kader in aanmerking moeten kunnen komen. De ‘activering’ kan een interessante opleiding zijn, maar ook bv. een vrijwilligerswerk dat het zelfwaardegevoel en de sociale verbondenheid verhoogt, een ontwenningskuur of psychologische begeleiding voor de verwerking van innerlijke kwetsuren, het zorg dragen als alleenstaande moeder voor haar kinderen en meestappen in een groepswerk rond opvoeding of het ingaan op een aanbod voor opvoedingsondersteuning aan huis. Zo toont de beschreven case van Rik bv. geen directe resultaten op vlak van opleiding en

150

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

tewerkstelling, maar zijn er wel andere effecten, niet in het minst op het vlak van sociale integratie bv. positiever beeld over Rik vanwege familie, vrienden, buren, minder conflicten met politie, controle over agressie en alcoholgebruik, geen dakloosheid meer maar een wens en fierheid om over een mooie woning te beschikken, bespreekbaarheid van zijn gekwetste binnenkant, vragen naar een zinvolle dagbesteding en halftijdse tewerkstelling enz. Dit zijn belangrijke stappen naar maatschappelijke integratie op maat van Rik. Ze laten zich wel niet vastleggen in strikte termijnen of procedures. Dit alles roept ook vragen op bij de ‘voorwaardelijkheid’ van de OCMW-hulpverlening (in het bijzonder voor het leefloon) daar deze voorwaarden eenzijdig worden bepaald en aan sancties gebonden zijn (ook al heeft de betrokkene enige inspraak en bedenktijd). Binnen de individuele hulpverlening kunnen wel afspraken met de betrokkenen gemaakt worden vanuit de behoeften en prioriteiten van de betrokkene. De idee van een geïndividualiseerd traject op maat kan binnen een empowermentvisie worden gekaderd. Het empowering potentieel hangt af van wie de spelregels bepaalt en vanuit welke visie en op welke manier dit alles gebeurt. Opdat een beleidsmaatregel zou bijdragen tot een meer menswaardig bestaan lijkt de kracht van empowerment veel sterker dan de kracht van controle en het opleggen van voorwaarden. De OCMW’s hebben bv. recent ook meer middelen gekregen voor cultuur. Belangrijk is binnen welke visie deze beleidsmaatregel kadert en op welke manier dit aan de rechthebbende wordt overgebracht. Deze maatregel heeft empowering potentieel. Het beleid kan dit potentieel via een duidelijke kadering binnen een empowermentvisie stimuleren. - Alertheid voor het taalgebruik Taal en woorden hebben een grote kracht en geven uiting aan een bepaald mens- en maatschappijbeeld. Woorden kunnen mensen inspireren of demoraliseren en verwoesten (zie o.a. Saleebey, 1997). Het klassieke taalgebruik heeft heel wat onbedoelde negatieve neveneffecten (zie o.a. Ivan Illich, 1975). Beleidsverantwoordelijken dienen een krachtgerichte taal te gebruiken in beleids- of wetteksten, in de media, folders, bij toespraken en in briefwisseling met cliënten, zeker in het kader van armoedebestrijding. De gehanteerde taal zou het individueel schuldmodel niet mogen bevestigen noch probleemgeoriënteerd mogen zijn, maar zou moeten focussen op behoeften en barrières en krachtgericht zijn.

151

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

- Stimuleren van de empowermentvisie bij lokale besturen en gebruik maken van bestaande overlegstructuren om deze visie bespreekbaar te maken bv. OCMW-raad, gemeenteraad, overleg secretarissen en voorzitters, trefdagen. Ook het provinciale niveau heeft hierin een rol. - Een beleid-op-maat Empowerment betekent een maximaal inspelen op de potenties en krachten van groepen, organisaties, gemeenschappen. Dit betekent dat een beleid hierop een duidelijk zicht moet hebben: welke steunen krachtbronnen zijn in de omgeving aanwezig, maar ook welke barrières, lacunes, knelpunten zijn er. Om een zorg-op-maat te krijgen dient ook het beleid op maat te zijn. Concreet betekent dit dat men in de OCMW-regelgeving maximaal oog heeft voor de diversiteit van de OCMW’s. Enerzijds betreffen dit meer kwantitatieve, objectieve factoren (bv. de grootte van de gemeente/stad46, de (welzijns)behoeften binnen de regio, de aanwezigheid van andere diensten, kansarmoedeindicatoren). Anderzijds dient men ook in rekening te brengen wat het OCMW in werkelijkheid aanbiedt of wenst aan te bieden aan de bevolking en op welke manier dit gebeurt. Een OCMW kan bv. een ‘minimumpakket’ aanbieden, maar kan anderzijds ook extra diensten organiseren (bv. juridische of psychologische hulpverlening, schuldbemiddeling, budgetbegeleiding). Ook de gehanteerde methodieken zijn hierbij een differentiërende factor (bv. het organiseren van groepwerk, lokaal cliëntoverleg, dialoog met armenverenigingen, maatzorgbegeleidingen, huisbezoeken, outreaching werken, kwartiermaken). Op deze kwantitatieve én inhoudelijke/kwalitatieve diversiteit dient een empowering beleid creatief in te spelen en de nodige ondersteuning aan te bieden. Een gedifferentieerd zicht krijgen op de OCMW’s is hierbij een eerste stap voor het beleid. 2.2 Stimuleren van het empowermentparadigma via directe of indirecte sturingsmechanismen van het beleid Naast de inbouw van een empowering visie bepleit empowerment ook een pro-actief beleid. Empowerment kan via directe of indirecte beleidssturing worden gestimuleerd. De kwaliteit van de hulpverlening staat hierbij voorop.

46 Extra aandacht verdienen, ons inziens, de kleine OCMW’s die soms de enige hulpverlening in de gemeente zijn (o.a. compenserende maatregelen, outreachende hulpverlening vanuit grotere gemeenten).

152

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

- Ontwikkelen van procesgerichte en krachtgerichte indicatoren om de effecten van het sociaal beleid na te gaan (op verschillende niveaus bv. individuele hulpverlening, organisaties, tussen organisaties). Dit pleit voor meer controle op kwaliteit van de hulpverlening. De hulpvrager is hierbij een belangrijke toetssteen. - Opleggen en controleren van de participatie van de hulpvragers binnen individuele hulpverlening (bv. via de maatzorgmethodiek, of het vraaggericht cliëntoverleg) en op vlak van de organisatie: de zogenaamde structurele participatie (bv. via cliëntenraden, cliëntfeedback via bevraging van gebruikers of via samenwerking met organisaties die dicht bij de doelgroep staan). - Incentives geven voor ‘best practices’ inzake methodiekontwikkeling voor empowerment. Dit zijn OCMW’s die aantonen krachtgericht en participatorisch te werken door o.a. de maatzorgmethodiek, vraaggestuurd cliëntoverleg, inschakelen van ervaringsdeskundigen, de dialoogmethode, krachtgericht groepswerk. Ook OCMW’s die werk maken van kwartiermaken door positieve beeldvorming over armen en ontmoeting creëren tussen armen en niet-armen passen in dit kader. We denken hier bv. ook aan het uitwerken van steunsystemen voor cliënten door vrijwilligers uit de buurt of het opzetten van LETSsystemen tussen armen en niet-armen waarbij niet de problemen maar de krachten of interesses centraal staan (niet enkel een uitwisseling van goederen, maar ook van diensten, kennis, vaardigheden). - Opsporen van en optreden tegen disempowerende praktijken (via bv. de uitbouw van een klachtenprocedure, ombudsdienstfunctie). - Een ethische code voor het maatschappelijk werk waarin het empowermentgedachtegoed centraal staat, uitwerken en verspreiden. We verwijzen hier onder meer naar de ethische code van de Britse vereniging van maatschappelijk werkers waarbij het empowerment van de hulpvragers één van de 12 ethische principes vormt (‘Empowerment of clients and their participation in decisions and defining services’). - Het empowermentgedachtegoed inpassen in de basisopleiding voor maatschappelijk werkers en in de navorming voor zowel uitvoerende werkers als mensen van het beleid.

153

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

2.3 Stimuleren van netwerkvorming voor een naadloze hulpverlening en de uitbouw van de signaalfunctie Empowerment streeft ook naar de vorming van synergieën, naar constructieve samenwerking gestoeld op een gezamenlijke visie. Het bottom-up werken is ook hier een belangrijk aspect. - Samenwerking stimuleren tussen OCMW’s onderling en met andere organisaties, zeker met organisaties die dicht bij de doelgroep staan (bv. verenigingen waar armen het woord nemen, buurtwerk, wijkgezondheidscentra). - Organiseren van lokale overlegvergaderingen met betrokken organisaties rond structurele knelpunten die uit de individuele hulpverlening aan kansarmen naar voren komen bv. ontoegankelijkheid van bepaalde diensten bv. geestelijke gezondheidszorg, preventieve gezondheidszorg (cf. de structurele PAO’s in Leuven). - De overlegvergaderingen met en tussen verenigingen waar armen het woord nemen benutten om knelpunten en verbetervoorstellen inzake het OCMW-beleid te signaleren (zowel lokaal, bovenlokaal als federaal). - De federatie van maatschappelijk werkers maximaal benutten als kritische toetssteen voor een empowering beleid en als brugfiguur tussen de uitvoerende werkers en het beleid (signaalfunctie, voorstellen). 2.4 Maximaliseren van kennisdeling Empowerment bepleit ook het kruisen van kennis en deskundigheid. De verschillende soorten van kennis en deskundigheid worden hierbij gelijkwaardig geacht: opgebouwd door ervaring, door scholing en opleiding, door praktijk. Ook een kritische ingesteldheid en zelfreflectie bij individuen of organisaties worden belangrijk geacht. - Oprichten van een kenniscentrum of een verzameling van expertisecellen rond empowerment Het actieonderzoek toont aan dat er enerzijds heel wat interessante empowering OCMW-praktijken zijn, maar dat er heel weinig over elkaar is geweten. Zo begint men soms van een pril stadium zaken uit te werken, terwijl er reeds heel wat kennisopbouw is gebeurd in andere regio’s. Nuttige instrumenten en ervaringen worden vandaag de dag niet maximaal benut. Zeker bij de introductie van vernieuwende methodieken als bv. het werken met ervaringsdeskundigen, zouden de ervaringen gebundeld en met elkaar gedeeld moeten wor-

154

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

-

-

-

den, tussen de verschillende OCMW’s heen, en ook over de sectoren heen. Vormingsaanbod uitwerken rond empowerment in samenspraak met wetenschap, praktijk, beleid en gebruikers. Initiatieven en stimulansen kunnen vanuit verschillende hoeken komen o.a gemeente, provincie, gewest, federaal, federaties en koepelorganisaties, middenveld. Aanbod creëren voor supervisie en/of intervisie van maatschappelijk werkers rond empowerment en haar methodieken. Stimuleren van kennisdeling tussen OCMW’s op niveau van regio (bv. centrumstad en omliggende kleine gemeenten) of op niveau van de provincie (cf. Limburgs Steunpunt OCMW’s). Stimuleren van uitwisseling van know-how tussen Nederlandstalige en Franstalige OCMW’s en zorgen voor een parallelle uitbouw van vernieuwende methodieken in OCMW’s tussen de verschillende landsgedeelten. Zo blijkt bv. het werken met ervaringsdeskundigen in de armoede nog niet gekend te zijn in Wallonië. De vertaling van interessante documenten is hierbij een eerste stap.

2.5 Empowerment als legitimeringsbasis Een krachtgerichte hulpverlening is niet altijd te verzoenen met de standaardprocedures en regels of (interne) afspraken die vanuit het beleid worden opgelegd. Wanneer de begeleiding echter een proces van empowerment bij de hulpvrager bewerkstelligt, zou dit ook als legitimeringsbasis moeten kunnen gelden. Eenzelfde idee is terug te vinden bij de presentietheorie van Baart (2001). Baart stelt dat de legitimatie in de hulpverlening gelaagd is, en introduceert de ‘relationele legitimatie’ die vooral bij ‘gebroken goed’ (sociaal overbodigen) belangrijk is. De relationele legitimatie op basis van de regels van de presentie (‘we hebben iets met elkaar’, sturing via gezamenlijk beheer) staat hier naast de maatschappelijke legitimatie (‘we moeten iets met elkaar, sturing via politiek beleid) en de vakmatige legitimatie (we willen iets met elkaar, sturing vanuit een gezamenlijk contract).47

47 Zie ook de lezing van Prof dr. Andries Baart over de presentietheorie op de ‘Dag van de methodiek’, Artevelde Hogeschool, Gent, 20 november 2003.

155

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

2.6 Herwaardering van het algemeen maatschappelijk werk Empowerment reikt een kader aan waarbij de waarde van de ontmoeting en ervaring van gehoord en erkend te worden in zijn gehele levensverhaal en persoon erg belangrijk is. Het algemeen maatschappelijk werk heeft hiertoe troeven. Zonder afbreuk te doen aan de waarde van meer gespecialiseerde hulpverlening, verdient het algemeen maatschappelijk werk een herwaardering. Vandenberghe (1997, in Demeyer, Princen & Van Regenmortel, 1997) wijst op de volgende troeven van de niet-specialistische deskundigheid: de hulpvrager in een brede context zien, een geautoriseerde anders-deskundigheid en een geautoriseerd niet-weten. Dit geeft de hulpverlener een vrije ruimte om maximaal op maat van de hulpvrager te kunnen werken en om positieve krachten te zien (geen voortdurende focus op de problemen). 2.7 Creëren van de nodige randvoorwaarden voor krachtgericht maatschappelijk werk We merkten reeds op dat de praktijkmensen heel wat belemmeringen ervaren om een empowering hulpverlening aan de hulpvragers aan te bieden. - Voldoende personeel en deskundigheid De casestudies tonen aan dat een krachtgerichte en participatorische hulpverlening de nodige tijd vraagt. Vandaag de dag is er onvoldoende personeel om deze begeleiding aan vele hulpvragers aan te bieden. Moeilijke keuzes dienen gemaakt te worden, zelfs wanneer men zich al prioritair richt tot de meest kwetsbaren. Het OCMW bereikt vele personen die in ernstige armoede leven. Dit contact biedt kansen om een opwaartse spiraal in hun leven teweeg te brengen. Deze kans zou niet mogen verloren gaan. Een krachtig pleidooi voor meer personeel kan niet achterwege blijven. Het OCMW is ook goed geplaatst om overlegstructuren uit te bouwen op maat van de kansarme hulpvrager (als persoon of structureel voor de groep van kansarmen). Ook deze coördinatie vraagt om de nodige deskundigheid en mankracht en vraagt om voldoende (personeels)investering van het beleid. - Self-empowerment van hulpverleners en competente organisaties Om empowerment te bewerkstelligen bij hulpvragers dienen ook de hulpverleners en de organisaties empowered te zijn. Dit vraagt om self-empowerment van hulpverleners (autonome professionals of

156

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

normatief-reflectieve professionals48) en om lerende en competente organisaties49 (open organisaties met een democratisch management dat teamwerk stimuleert en belang hecht aan interpersoonlijke vaardigheden als luisteren en empathie). Dit dient door het lokale beleidsniveau (bv. de OCMW-raad of het Bijzonder Comité) ondersteund en gestimuleerd te worden. Empowerment pleit enerzijds voor de nodige autonomie vanwege het lokaal OCMW-beleid voor het uitvoerend werk (maximaal gebruik van de ‘discretionaire ruimte’), maar anderzijds ook voor een betrokkenheid en verantwoordelijkheid van het lokale beleid ten aanzien van de geleverde kwaliteit van de hulpverlening. Dialoogmogelijkheden tussen de uitvoerende werkers en het lokale OCMW-beleid dienen aangemoedigd te worden. Dit gebeurt idealiter binnen een democratische organisatiecultuur met voldoende ruimte voor overleg en reflectie tussen de diverse niveaus. - Geen bureaucratisering en juridisme Een empowering hulpverlening streeft naar een zo groot mogelijke inperking en vereenvoudiging van administratieve en bureaucratische procedures. Het aanreiken van hulpmiddelen om de administratie zo efficiënt mogelijk te laten verlopen, is wenselijk. Het toenemend juridisme binnen de OCMW-hulpverlening heeft risico’s voor empowerment (vervreemding, zakelijke hulpverlening, tijdrovend). De contractformule heeft wel potenties voor empowerment als deze dialogisch wordt opgevat en niet in een strak juridisch kader wordt geplaatst (met o.a. zeer korte termijnen, eenzijdige sancties). - Bezielers van empowerment Om het gedachtegoed ‘warm’ te houden binnen de organisatie lijken een aantal trekkers of bezielers van empowerment een goede zaak te zijn. Deze kunnen deze visie en haar praktijkvertaling op formele en informele momenten aan de orde laten komen. Ze kunnen voorstellen en veranderingen kaderen binnen het empowermentgedachtegoed en suggesties doen.

48 De normatief-reflectieve professional is een term van Andries Baart (2001) en wijst op een professional die zich kan losmaken van knellende voorschriften, niet strak instrumenteel-rationeel werkt, ruimte laat voor kritische reflectie en zelfsturing en de discretionaire ruimte aanwendt. 49 Competente organisaties houden volgens Braye en Preston-Shoot (1996) de volgende aspecten in: ‘Participative management, delegated responsibility and devolved decision-making (…) a culture in which power is an overt agenda, and where recognition of and feedback on how it is used, both within the organization and between it and those who use its services, is permitted and encouraged’.

157

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

- Ruimte voor pilootprojecten en actieonderzoek Het introduceren van vernieuwende methodieken vraagt om tijd en kritische reflectie. Het werken met ‘piloot’projecten en actieonderzoek zijn dankbare pistes om expertise op te bouwen. De nodige terugkoppeling naar de sector en naar het beleid is hierbij een vereiste.

3. Andere beleidssuggesties
Empowerment van personen die in armoede leven is geen zaak van het welzijnsbeleid, laat staan van het OCMW alleen. We signaleren hieronder een aantal richtlijnen die het OCMW-beleid overstijgen. Een empowering beleid staat voor ontschotting en defragmentatie, voor het voeren van een ‘sociaal beleid’ binnen alle domeinen en bevoegdheden (o.a. huisvesting, tewerkstelling, lichamelijke en geestelijke gezondheid, ontspanning, cultuur, onderwijs, educatie, mobiliteit). De toegankelijkheid van de verschillende maatschappelijke instituties voor de meest kwetsbare personen in onze samenleving, vormt hierbij een prioritair aandachtspunt. We geven eerst een aantal algemenere punten die het empowerment van mensen die in armoede leven ten goede zouden komen. Vervolgens komen kleinere concrete punten aan bod die tijdens het actieonderzoek werden gesignaleerd. - Meer ondersteuning voor ‘basis’organisaties Organisaties vanuit de basis of initiatieven die heel dicht bij de doelgroep staan worden niet zelden ‘marginaal’ behandeld. De financiering is onvoldoende en/of tijdelijk. Heel wat tijd en energie gaat binnen deze organisaties naar het zoeken voor de nodige middelen. De know-how van deskundig personeel gaat verloren wanneer deze vaak noodgedwongen naar een andere job dienen over te stappen. En dit gebeurt net binnen organisaties of projecten waar continuïteit belangrijk is. We denken hier bv. aan de verenigingen waar armen het woord nemen, wijkgezondheidscentra, allerlei buurtwerkingen en laagdrempelige initiatieven (bv. inloopcentra, ontmoetingshuizen), cultuurprojecten en diverse kansarmoedeprojecten. Heel wat armen participeren vrijwillig in deze basisorganisaties of projecten. Het stimuleren van betaalde loopbaancarrières binnen deze werkingen voor de doelgroep zelf mag niet uit het oog worden verloren.

158

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

- Psychologische hulpverlening op maat van kansarmen Empowerment bepleit meer aandacht voor de binnenkant van armoede. Kansarmen hebben dikwijls met heel wat spanningsklachten en kwetsuren te maken die al dan niet samengaan met pathologie (bv. depressie, onverwerkte trauma-ervaringen). Deze psychische problemen worden niet altijd gedetecteerd of behandeld. De ontoegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg en de gebrekkige samenwerking met de welzijnszorg speelt hierbij een rol. Een meer toegankelijke psychologische hulpverlening op maat van kansarmen is wenselijk. De inbedding van een psychologisch aanbod binnen de OCMW-hulpverlening of binnen andere werkingen die dicht bij de doelgroep staan (bv. het wijkgezondheidscentrum) is hiertoe een mogelijk spoor. - Recht op mobiliteit voor kansarmen In het actieonderzoek kwam het probleem van de mobiliteit meerdere keren naar voren en dit vooral in de kleinere OCMW’s. Het gebrek aan mobiliteit beperkt duidelijk de keuzevrijheid, maakt afhankelijk. Een gebrekkige mobiliteit kan heel uiteenlopende gevolgen hebben waarbij de link met mobiliteit niet steeds onmiddellijk wordt gelegd: bv. schoolkeuze, aanwezigheid op oudercontact, extra drempel om naar hulpverlening te stappen (bv. kinesist, tandarts), inperking van ontspanningsmogelijkheden, belemmering bij het aanvaarden van een job of het volgen van een opleiding, bezoeken van kinderen of familie, ‘grote’ inkopen doen. Het gratis maken en de uitbreiding van openbaar vervoer (bv. op zondag) is zeker één ding, maar het zelf beschikken over een wagen of een brommer heeft voor sommigen ook een speciale betekenis, is een prestigezaak en wordt bijzonder belangrijk geacht om erbij te horen. Het staat soms hoog in het prioriteitenlijstje en gaat in tegen de klassieke normen (bv. goede voeding of kleding belangrijker dan een brommer). Het heersende gedachtegoed (het ‘men’-denken) is dat men pas over een wagen of brommer kan beschikken als men er het geld voor heeft of als men het verdient (bv. door te werken). Een empowering samenleving is een creatieve samenleving die inspeelt op krachten van mensen. In deze zin zou bv. een voorstel kunnen zijn om werkloze jongeren met kennis of interesse in brommers of auto’s in een garage te laten werken of deze te laten beheren met in ruil voor geleverde diensten (bv. aan buurtbewoners), het bezit of gebruik van een wagen of brommer. Ook voor gezinnen met veel kinderen of bij bewegingsmoeilijkheden lijkt het beschikken over een eigen wagen geen ‘luxe’.

159

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

Een discussie over het recht op mobiliteit vanuit een empowermentperspectief lijkt interessant en noodzakelijk. - Systematische opvolging van disempowerende effecten van (nieuwe) beleidsmaatregelen voor maatschappelijk kwetsbare groepen Maatregelen worden soms genomen zonder dat men stilstaat bij de gevolgen voor maatschappelijk kwetsbare groepen (bv. vrijmaking van de energiemarkt, modularisering van basiseducatie, beperking van terugbetaling van bepaalde geneesmiddelen, telebankieren/ e-government, extra verwarmingstoelagen). Een sociaal beleid dient hiervoor waakzaam te zijn en is verplicht om over sectoren en bevoegdheden heen deze perverse effecten actief op te sporen. Een goede dialoog tussen gebruikers of burgers en basisorganisaties, praktijkwerkers en beleid is hierbij een goede zaak om de vinger aan de pols te houden (cf. uitbouw signaalfunctie). - Stimuleren van (positieve) ontmoeting tussen armen en niet-armen Het bestrijden van negatieve beeldvorming in de samenleving over personen die in armoede leven is een belangrijk aspect bij empowerment. Uit het actieonderzoek blijkt dat er nog heel wat vooroordelen en stigma’s ten aanzien van armoede bestaan (bv. bij tandartsen, politie, scholen). Een goede informering en sensibilisering over armoede op diverse niveaus binnen de samenleving is belangrijk. Empowerment vindt ontmoeting tussen armen en niet-armen op een evenwaardige en positieve basis een krachtig middel om deze negatieve beeldvorming tegen te gaan. Deze ontmoeting gebeurt in onze duale samenleving evenwel niet spontaan en moet ‘gearrangeerd’ worden. Kwartiermaken, het scheppen van ontmoetingskansen tussen armen en niet-armen (bv. zie het project ‘Een Paar Apart’), het naar buitenbrengen van sterke levensverhalen en van positieve rolmodellen (cf. ervaringsdeskundigen in de armoede) zijn hiertoe instrumenten. - Verhogen van de financiële draagkracht Personen die in armoede leven hebben onvoldoende financiële middelen om volwaardig te participeren aan de maatschappij. Zo wordt bv. het bezoek aan huisarts of tandarts uitgesteld, worden bepaalde geneesmiddelen niet aangekocht, wordt niet deelgenomen aan het verenigingsleven of worden bepaalde hobby’s niet uitgeoefend. Het optrekken van het leefloon of van de laagste sociale uitkeringen (bv. pensioen, ziekte/invaliditeit, werkloosheid) is één zaak, maar stuit op maatschappelijke discussies (zie o.a. de armoede- en werkloosheidsval). Diverse andere initiatieven kunnen ook bijdragen tot het verhogen van de financiële draagkracht: het realiseren van de kosteloosheid

160

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

van het onderwijs (structureel of via gratis maken van schoolvervoer, van schoolmaaltijden of extra uitstappen), sociale tarieven (of gratis aanbod) uitwerken op diverse domeinen (bv. voor kinderopvang, lidgelden, vakanties), terugbetaling van medicatie en medische kosten (bv. zie de maximumfactuur, derdebetalersregeling). Deze maatregelen mogen wel niet stigmatiserend zijn voor de betrokkenen en dienen spontaan als recht te worden aangeboden (zie anders het probleem van het niet-gebruik). Het toegankelijk maken van de psychologische/psychiatrische hulpverlening verdient extra aandacht. Dit blijft een dure aangelegenheid voor personen die in armoede leven terwijl deze net met veel geestelijke gezondheidsproblemen te kampen hebben. De extra aandacht voor de situatie van kinderen en jongeren in armoede wordt meermaals benadrukt. Een dubbele kinderbijslag (bv. bij de start van het schooljaar of de grote vakantie), het realiseren van het recht op preventieve zorgen (bv. voor tandarts, logopedie) zijn hiertoe middelen. Ook bv. het uitwerken van alternatieven voor financiële boetes (o.a. voor jongeren die de verkeersboetes toch niet kunnen betalen en hiervoor bij het OCMW aankloppen) is een voorbeeld. - Toegankelijkheid van huisvesting Inzake het verhogen van de financiële draagkracht verdient de huisvesting speciale aandacht. Deze vormt veelal het grootste deel in de uitgaven van personen die in armoede leven. Het tekort aan betaalbare én aan kwalitatieve huisvesting wordt herhaaldelijk en door diverse actoren als groot knelpunt gesignaleerd. Het recht op (goede) huisvesting is zeker nog niet gerealiseerd. - Recht op arbeid Voor vele maatschappelijk kwetsbare personen blijft het hebben van een betaalde baan - laat staan een job-op-maat – een droom die niet wordt verwezenlijkt. Niet werken betekent ook niet meetellen, er niet bijhoren, het stigma van ‘profiteurs’. Zeker voor jongeren betekent dit een weinig gunstig toekomstperspectief. Andere aspecten die in het onderzoek naar voren kwamen zijn: zoveel mogelijk vermijden van ‘gedwongen’ hulpverlening (bv. verplicht budgetbeheer), meer waardering voor positieve inspanningen van personen die in armoede leven (bv. interimarbeid is soms financieel nadelig), vermijden van concentratiescholen, omslachtige procedures vereenvoudigen (bv. regeling van logopedie), deelname aan overleg financieel stimuleren (dit is bv. een ervaren knelpunt voor deelname aan de beoefe-

161

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

naars van vrije beroepen aan het lokaal cliëntoverleg), recht op estethische zorgen voor kansarmen, mogelijkheden voor thuishulp op maat. De lijst van beleidsaanbevelingen is lang en kan nog met vele punten worden aangevuld. Empowerment zit ook in vele hoeken en dient vanuit verschillende kanten te worden ondersteund. Dit is de kracht van empowerment, maar tegelijkertijd schuilt hierin ook haar kwetsbaarheid.

162

UITLEIDING

Een beginnende realiteit … Het actieonderzoek toont aan dat de toepassing van empowerment in de praktijk heel kleurrijk is. Het empowermentparadigma beoogt geen duidelijke richtlijnen, regels of procedures, geen strakke toolkit van instrumenten, technieken of methodes voor haar implementatie. Een hele waaier van activiteiten kan bijdragen tot het stimuleren van empowerment van individuen, groepen, organisaties, gemeenschappen. Het accent ligt hierbij niet zozeer op de inhoud (het wat) van deze activiteiten, maar meer op de wijze waarop de activiteiten worden uitgevoerd (het hoe). Niet toevallig ligt er een klemtoon op methodieken in deze studie. Bepaalde methodieken hebben hierbij meer empowering potentieel dan andere (cf. maatzorg, vraaggestuurd cliëntoverleg, ervaringsdeskundigen in de armoede, krachtgericht groepswerk, dialoogmethode). Dit geldt evenzeer voor de kenmerken en het functioneren van een organisatie (cf. de ‘enabling niche’ en de ‘lerende organisatie’). Naast dit hoe-aspect speelt er evenwel nog een aspect, wellicht het meeste cruciale, met name vanuit welke visie (het van waaruit) werkt men. Methodieken zijn ook meer dan methoden, ze zijn immers gegrond in een welbepaalde visie en theoretisch kader. Vanuit empowerment wordt het belang van deze onderliggende visie sterk benadrukt. Deze empowermentvisie uit zich onder meer in de waarden van burgerschap, participatie, gelijkwaardigheid en bepleit een actief opsporen en aanvechten van discriminerende en onderdrukkende praktijken. In het kader van armoedebestrijding wordt het tegengaan van het individueel schuldmodel geviseerd met het promoten van een krachtgerichte psychologische kijk op armoede (cf. het ‘psychologische kapitaal’). De participatie van de armen zelf, zowel binnen de individuele hulpverleningsrelatie als op structureel vlak (op niveau van de organisatie, overlegnetwerken, beleid) is hierbij een conditio sine qua non.

163

UITLEIDING

We hopen dat dit actieonderzoek illustreert dat empowerment niet louter een droom is, maar ook in de praktijk kan vertaald worden en een meerwaarde kent. Vanuit verschillende invalshoeken, en niet in het minst vanuit een OCMW-context, kunnen prikkels worden gegeven die het empowermentproces van personen die in armoede leven, van hulpverleners en organisaties in gang zetten of verder stimuleren. Deze prikkels dienen door het beleid te worden ondersteund. Meer nog, de empowermentvisie zou ook door de beleidsmensen gedragen moeten worden. Empowerment houdt een sterk pleidooi in voor visievorming en reflectie en dit op diverse niveaus. Dit schept een constructieve gezamenlijke voedingsbodem om partnerschappen te sluiten met de beleidsmensen op diverse niveaus, praktijkuitvoerders, basisorganisaties en personen die in armoede leven. Het empowermentparadigma werkt verbindend en schept kansen tot positieve ontmoeting tussen machtige en minder machtige organisaties, groepen en individuen in onze samenleving. Personen die in maatschappelijk kwetsbare situaties leven hebben prioritair recht op aandacht, maar dan wel op ‘positieve’ aandacht. Dit geldt ook voor organisaties die intens en krachtgericht samenwerken met deze personen. We hopen dat deze studie hiertoe een aanzet is. Ze toont aan dat er zowel van onderuit als vanuit de OCMW’s aanzetten zijn voor empowerment. … maar ook frustratie Dit actieonderzoek wijst tegelijkertijd op grenzen en vele hinderpalen voor de praktijkvertaling van empowerment. Het empowermentgehalte van organisaties kent ook gradaties en is ongelijk verdeeld over de hulpvragers, hulpverleners, beleidsmensen of bepaalde deelwerkingen. Dit geeft frustraties, niet in het minst bij de uitvoerende werkers die streven naar een vraaggestuurde zorg-op-maat. Er wordt hard gewerkt in de OCMW’s en vele hulpvragers zijn tevreden over het contact met de maatschappelijk werker. Verschillende tevredenheidsonderzoeken tonen dit aan. Toch schieten handen tekort en vele inspanningen lijken hun doel te missen daar vicieuze armoedecirkels niet gemakkelijk worden doorbroken. Vanuit empowerment wordt de kwaliteit van de individuele hulpverleningsrelatie benadrukt met aandacht voor gelijkwaardigheid, betrokkenheid én de nodige zelfkritiek, maar tegelijkertijd wordt steeds ook de structurele en sociaal-politieke dimensie belicht. De uitvoerende werkers en lokale beleidsverantwoordelijken dienen de structurele knelpunten die ze vanuit de individuele hulpverlening en

164

BLAUWDRUK VOOR EEN EMPOWERING BELEID

via structurele vormen van participatie met kansarmen opvangen, te blijven signaleren aan het beleid. Sociale acties kunnen hiertoe zinvol zijn. Het hoger beleid dient hiervoor open te staan en kanalen te creëren. Een hele reeks van beleidssuggesties ligt op tafel. Moge de beleidsmensen deze ter harte nemen. Dit zal onze samenleving warmer en kleur‘rijker’ maken. Iedereen heeft hierin een verantwoordelijkheid, iedereen kan hiertoe een steentje bijdragen.

Tine Van Regenmortel, 23 december 2003

165

Bibliografie

Adams R. (1996), Social work and empowerment, Practical Social Work/BASW, Mac Millan Press, London, 221 p. Baart A. (2001), Een theorie van de presentie, Lemma, Utrecht, 909 p. Beunens L. (2003), DOSSIER: Het ModeM-onderzoek, Terzake, 2003, 3 (maart). Beunens L. & Verbeke L. (2003), ModeM door het oog van de hulpvrager in wijkcentrum Deurne-Zuid. Een evaluatie-onderzoek van hulpverlening aan kansarmen, VIBOSO, Brussel, 101 p. BMLIK (2000), Samen gaan we vooruit. Over de methode van de dialoog, Beweging van mensen met laag inkomen en kinderen vzw groep Oostende, Oostende, 234 p. Braye S. & Preston-Shoot M. (1996), Empowering practice in social care, Open University Press, Buckingham/Philadelphia, 205 p. Brun C. & Rapp R.C. (2001), ‘Strengths-based case management: individuals’ perspectives on strengths and the case manager relationship’, Social Work, 46, 3, p. 278-288. Chapin R.K. (1995), ‘Social policy development: The strengths perspective’, Social Work, 40, 4, p. 506-514. De Cirkel (1996), Uit het huis, uit het hart? Innerlijke wortels van de armoede. Krachtlijnen voor een solidariserende armoedebestrijding, De Cirkel, Berchem. De Cuyper P. (2001), Het doelgroepperspectief binnen de Antwerpse OCMW-hulpverlening: sleutel tot kwaliteit, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 244 p. De Cuyper P. (2000a), Kwaliteitsbevordering binnen het OCMW van Antwerpen. Procesevaluatie van de arbeidsbegeleiding in de sociale centra, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 54 p. De Cuyper P. (2000b), De toegankelijkheid van de wijkcentra in het OCMW van Antwerpen. Een onderzoek naar wachttijden, openingsuren en wachtcondities, HIVAK.U.Leuven, Leuven, 100 p. (+ handleiding). De Cuyper P. (2000c), Kwaliteitswerkgroepen als verbeteringsinstrument. Concepten en recepten voor de kwaliteitswerkgroepen binnen het OCMW van Antwerpen, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 40 p. Demeyer B. (1999), Vormingspakket basismethodiek in het OCMW van Antwerpen, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 124 p. Demeyer B., Princen M. & Van Regenmortel T. (1997), Maatzorg in de thuislozenzorg. Een proces van herankeren, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 231 p. Demeyer B. & Van Regenmortel T. (1998), Cultuurparticipatie: een vergeten recht en bindende kracht in de armoedebestrijding. Een kijk op de ART23*-projecten. Kunstprojecten als hefboom tegen sociale uitsluiting, Koning Boudewijnstichting, Brussel, 78 p. Driesen E., Olaerts G. & Steenaeckers M. (1995), ‘Oude wijsheid en nieuwe methodiek, Budgettering/budgetbegeleiding op maat’, Tijdschrift voor Welzijnswerk, 19, 188, p. 18-25. Engelen M. & Theys J. (red.) (2002), Schuld en vriend. OCMW-visie op budgethulpverlening, Afdeling Strategie en Planning Provincie Limburg, Hasselt.

167

BIBLIOGRAFIE

Haesendonckx C. (2001), ‘Cultuurparticipatie en netwerkverbreding: een paar apart’, Terzake, 2, p. 46-47. Haeve K. (2003), ‘Kansarmen rijker maken: het geheim recept van soep met balletjes…’, OCMW-visies, 3, p. 15-19. Illich I. (1975), Het medisch bedrijf-een bedreiging voor de gezondheid, Het Wereldvenster, Baarn, 217 p. Kal D. (2001), Kwartiermaken: werken aan ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond, Amsterdam/Baarn: Boom. Koning Boudewijnstichting (1995), Algemeen Verslag over de Armoede, i.s.m. ATD Vierde Wereld en Vereniging Belgische Steden en Gemeenten (Afdeling Maatschappelijk Welzijn), Brussel, 431 p. Lott B. (2002), ‘Cognitive and behavioral distancing from the poor’, American Psychologist, 57, 2, p. 100-110. Matarasso F. (1997), Use or ornament? The social impact of participation in the arts, Comedia, Stroud. Mertens J. (1994), ‘Welzijnsschakels. Lokale solidariteit door vrijwilligers’, Tijdschrift voor Welzijnswerk, 18, 181, p. 35-41. Moxley D.P. (1989), The practice of case management, Sage human services guides 58, Sage Newbury Park, California. Polstra L. (1997), Tussen isolement en integratie. Een onderzoek naar zorgcoördinatie in de geestelijke gezondheidszorg, Uitgeverij SWP, Utrecht. Princen M. (2000), Maatzorg in het OCMW van Leuven, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 162 p. Recht-Op (2001), Recht op cultuur: Drempels die mensen in armoede belemmeren in hun culturele participatie, Een paar apart, project van vzw Recht-Op en Riso-Antwerpen, 29 p. Recht-Op (2003), Het dossier: een wapen?, vzw Recht-Op werking Dam-Schijnpoort, vereniging waar armen het woord nemen, Antwerpen, 48 p. Recht-Op (2004), De kant van de klant. Over cliëntbetrokkenheid in de hulpverlening van het OCMW Antwerpen, vzw Recht-Op werking Kiel, vereniging waar armen het woord nemen, 72 p. Saleebey D. (ed.) (1997), The strengths perspective in social work practice, Longman, White Plains, New York, 259 p. Schuurman M.I.M. (1998), ‘Vraaggestuurde zorg aan mensen met een verstandelijke handicap: een conceptuele verkenning’, Nederlands Tijdschrift voor de zorg aan verstandelijk gehandicapten, 21, 1, p. 30-39. Sullivan W.P. (1992), ‘Reclaming the community: the strengths perspective and deinstitutionalization’, Social Work, 37, 3, p. 204-209. Vandenbempt K. (2001), Casemanagement: “de nieuwe kleren van de keizer”?, Cliëntoverleg tussen systeemoplossing en zorginhoudelijke ontwikkeling: een literatuurstudie, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 260 p. Vandenbempt K. & Demeyer B. (2003), Beroepsprofiel ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 47 p. van Drunen D. (2002), Empowerment: hype of harmonie?, +PLUSPUNT, Centrum Basiseducatie Noord-Limburg, Peer, p. 67. Van Lindt L.(2003), ‘Een stem geven aan de armen’, Lokaal, 1-15 november, p. 22-23. Van Pée K. (2003), De sociaal-artistieke praktijk in België. Een kwalitatief onderzoek naar methodiekontwikkeling, HIVA-K.U.Leuven, Leuven. Van Regenmortel T. (1996), Maatzorg. Een methodiek voor het begeleiden van kansarmen. Theorie en praktijk in het OCMW van Genk, Acco, Leuven/Amersfoort, 188 p. Van Regenmortel T. (2002a), ‘Empowerment en Maatzorg. Een krachtgerichte psychologische kijk op armoede’, in Vranken e.a, Armoede en Sociale Uitsluiting, Jaarboek 2002, Acco, Leuven/Leusden, p. 71-84.

168

BIBLIOGRAFIE

Van Regenmortel T. (2002b), Empowerment en Maatzorg. Een krachtgerichte psychologische kijk op armoede, Acco, Leuven/Leusden, 216 p. Van Regenmortel T. & Fret L. (1999), ‘Van moralisme tot empowerment als ethisch perspectief binnen het welzijnswerk en van armoedebestrijding’, in Vranken e.a. Armoede en Sociale uitsluiting, Jaarboek 1999, Acco, Leuven/Amersfoort, p. 291313. Van Regenmortel T., Demeyer B. & Vandenbempt K. (1999), Ervaringsdeskundigen in de armoede. Meerwaarde en methodiekontwikkeling, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 157 p. Van Regenmortel T., de Veirman B. & Vercaeren M. (2000), Tewerkstellingsmogelijkheden voor ervaringsdeskundigen in de armoede. Een kwestie van visie en voorwaarden, HIVA-K.U.Leuven, Leuven, 120 p. Van Riet N. & Wouters H. (1996), Casemanagement: een leer-werkboek over de organisatie en coördinatie van zorg-, hulp- en dienstverlening, Van Gorcum, Assen. Verbeek G. (1999), Zorg in samenspel: samenwerking tussen cliënten en hun zorgverleners in vraaggerichte of vraaggestuurde zorg, NIZW, Utrecht. Wennink J. & Goudriaan G. (1991), ‘Casemanagement in de thuiszorg’, in de Graaff (red.), Casemanagement. Een zorg minder?, Reeks Zorginnovaties, Uitgeverij SWP, Utrecht, p. 25-48. Zimmerman M.A. (2000), ‘Empowerment theory: psychological, organizational and community levels of analysis’, in Rappaport & Seidman (eds.) Handbook of Community Psychology, Kluwer Academic/Plenum Publishers, New York, p. 43-63.

169