MODULE III: SOFTWARE 1 APPLICATIESOFTWARE

Software wordt ingedeeld in: 1. Systeemsoftware regelt en ondersteunt de werking van de computer. 2. Applicatiesoftware is programmatuur die meer gericht is op het directe gebruik door degene die achter de computer zit. De gebruiker ‘communiceert’ met de applicatie, de applicatie met het besturingssysteem en het besturingssysteem communiceert met de hardware. Grafische interface: het programma wordt bestuurd met een muis en via kleine afbeeldingen op je scherm. Tekstuele interface: het programma wordt alleen bestuurd met behulp van een toetsenbord. Embedded system: Dat is een elektronisch systeem met hardware en software in één apparaat.  een elektronisch aangestuurde wasmachine  een mobiele telefoon  een digitale camera Dit kan weer verder onderverdeeld worden in: 1. Maatwerksoftware de wensen van een bedrijf werden vertaald naar een stuk software dat het bedrijf zou moeten passen als een maatpak. 2. Specialistisch software software die bedoeld is voor een gespecialiseerde beroepsgroep, maar niet voor één bepaald bedrijf. 3. Standaardsoftware software die gemaakt wordt voor een grote groep gebruikers die allemaal ongeveer dezelfde wensen hebben. Alles wat je wel en niet mag doen is neergelegd in een licentieovereenkomst of gebruiksrechtovereenkomst, die bij elk pakket is bijgesloten. Bij het tegengaan van illegaal gebruik speelt ook het product-ID, een unieke code die alleen gebruikt kan worden door de eerste gebruiker van een legaal aangeschaft pakket, een rol. Freeware is software die vrij, dat wil zeggen gratis, kan worden gebruikt. Voor shareware moet wel betaald worden. De gebruiker heeft vaak de gelegenheid om het programma gedurende enige tijd uit te proberen; daarna wordt betaling verlangd. Opensource software is software waarvan de broncode openbaar is. Met Software as a Service (SaaS) wordt bedoelt: een methode voor het aanbieden van (webbased) software. Het wezen van SaaS is dat de softwarelicentie niet door een gebruiker wordt aangeschaft, maar als een online dienst wordt afgenomen van een SaaS-provider.  De software wordt niet bij de gebruiker geïnstalleerd, maar bij de provider.  De provider verzorgt centraal het applicatiebeheer.  De software is zo ontwikkeld dat meerdere gebruikers ermee kunnen werken, vaak met gebruik van gescheiden datasets. De interfaces van de meeste moderne programma’s zijn grafische interfaces: ze bevatten pictogrammen. Op deze symbooltjes hoef je maar te klikken om een bepaalde taak uit te laten voeren. De komst van de grafische gebruikersinterface maakte ook het principe van WYSIWYG mogelijk. Dit wil zeggen dat de tekst die je op het scherm ziet, er op papier precies zo uit komt te zien. Virtual reality houdt in: de simulatie op de computer van een echte of een fantasiewereld die door de gebruiker ervaren kan worden alsof hij zich er middenin bevindt. Een bitmap-afbeelding, ook wel rasterafbeelding genoemd, is opgebouwd uit een groot aantal afzonderlijke pixels.

Van een vector wordt niet het bitpatroon bewaard, maar een reeks getallen die de vorm van de vector beschrijven.

2 SYSTEEMSOFTWARE
Het besturingssysteem is verantwoordelijk voor de communicatie met de hardware (apparatuur). De functies van besturingssystemen kunnen in drie taakgebieden ingedeeld worden: 1. Beheer van hulpbronnen Hierbij moet je in de eerste plaats denken aan het beheer en gebruik van hardware-onderdelen en geheugen. 2. Bestandsbeheer Dit omvat het beheer van data- en programmabestanden. 3. Taakbeheer De programma’s voor taakbeheer regelen de juiste uitvoering van de verschillende taken van de computer. Een driver is een stukje software dat de schakel vormt tussen het besturingssysteem en een randapparaat. MS-DOS was het opdracht gestuurde besturingssysteem dat op de meeste pc’s gebruikt werd. Om MS-DOS gebruikersvriendelijker te maken, werd een grafische gebruikersinterface ontwikkeld. In 1995 kwam Microsoft met Windows 95. Dat was de eerste versie die op een ‘leeg’ systeem kon worden geïnstalleerd. Bij Windows 95 en ook bij de latere versies Windows 98 en Windows Me (Millennium Editie) werd een uitgeklede versie van MS-DOS geleverd. Dit was om twee redenen noodzakelijk: 1. Veel software (bijvoorbeeld spelletjes) werkte wel met DOS maar niet met Windows. 2. Als Windows vanwege een of ander probleem niet meer werkte, deed DOS het vaak nog wel. Je kon dan de computer opstarten in MS-DOS en het probleem oplossen. Pas in 2001 kwam Microsoft met een ‘zelfstandig werkende’ Windows-versie: XP (van eXPerience). Een besturingssysteem zorgt voor een zogeheten softwareplatform: een ‘podium’ waarop applicatiesoftware draait. Windows Verkenner is het onderdeel van Windows dat de gebruiker in staat stelt om bestanden en mappen te verplaatsen, kopiëren, verwijderen en bekijken.

SYSTEEMBEHEERPROGRAMMA’S
Bij een besturingssysteem voor een mainframe, minicomputer of netwerk spelen de volgende termen een belangrijke rol: 1. Multi-user Dit houdt in dat twee of meer gebruikers tegelijkertijd de computer kunnen gebruiken. 2. Multiprocessing Dit wil zeggen dat één (speciaal hiervoor ontworpen!) programma op hetzelfde moment op meer dan één processor kan draaien. Hierdoor kan parallelle verwerking plaatsvinden, wat de performance van het totale systeem enorm ten goede komt. 3. Multithreading Een thread is een onderdeel van een programma, dat zelfstandig uitgevoerd kan worden. Multithreading wil dus zeggen dat meerdere threads gelijktijdig uitgevoerd worden. Onder een databasemanagementsysteem (DBMS) wordt verstaan: software voor het opzetten, onderhouden en raadplegen van omvangrijke databases in netwerkomgevingen. H et aanbrengen van veranderingen in een database noemen we muteren. De meeste DBMS’en hebben de vraagtaal SQL ingebouwd.

SYSTEEMONDERSTEUNINGSPROGRAMMA’S

Hulpprogramma’s zijn bedoeld voor het uitvoeren van heel specifieke taken met betrekking tot de werking en het beheer van de computer. Voorbeelden zijn programma’s om:  gegevens te converteren;  beschadigde bestanden te herstellen;  bestanden te comprimeren (inpakken, ‘zippen’) en weer te decomprimeren (uitpakken, ‘unzippen’);  een virusscan uit te voeren

SYSTEEMONTWIKKELINGSPROGRAMMA’S
Systeemontwikkelingsprogramma’s zijn programma’s die gebruikt worden bij de ontwikkeling van andere programma’s zoals maatwerk- en standaardsoftware.

MODULE IIII: DATACOMMUNICATIE EN NETWERKEN 1 TOEPASSINGEN VAN DATACOMMUNICATIE
Computers worden in bedrijven met elkaar verbonden tot netwerken, omdat:  Dan de hardware gemeenschappelijk gebruikt kan worden.  Dan de software gemeenschappelijk gebruikt kan worden.  Dan gegevensverzamelingen eenvoudiger consistent te houden zijn. De data gaat bij datacommunicatie van de zender via een medium met behulp van een code/protocol naar de ontvanger. Bij deze overgang van data kan er ruis optreden (door storingen kan de boodschap dusdanig verminkt worden dat deze aan de ontvangende kant niet geïnterpreteerd kan worden.). Het internet is een wereldomspannend computernetwerk. In feite is het niet één netwerk, maar het is opgebouwd uit een groot aantal netwerken van bedrijven, onderzoeksinstituten, overheidsinstellingen en particulieren. Het internet is een zeer omvangrijk computernetwerk, waarvan niet veel mensen weten dat het al sinds 1970 bestaat. Het is in de Verenigde Staten ontstaan toen een aantal universiteiten met elkaar verbonden werd in het kader van het ARPAnet. In de loop der tijd werden er steeds meer computers aan dit wereldwijde net gekoppeld, niet alleen computers van universiteiten, maar ook van bedrijven, (overheids)instellingen, enzovoort. De belangrijkste toepassingsmogelijkheden van het internet op een rijtje:  het World Wide Web  electronic mail (kortweg e-mail)  chatten en sociale netwerken  telefoneren  nieuwsgroepen  downloaden van bestanden Bellen via het internet wordt ook wel Voice over IP genoemd; VoIP is de verzamelnaam voor al het spraakverkeer via internet. De gesproken woorden worden omgezet in datapakketten, die vervoerd worden over het openbare internet Bij een intranet wordt binnen de grenzen van een bedrijf of instelling gebruik gemaakt van de internettechnologie. Redenen om met een intranet te beginnen kunnen zijn:  het op een gestructureerde manier beschikbaar stellen van informatie die voor veel medewerkers van belang is;  het verbeteren van de communicatie binnen een bedrijf;  de mogelijkheid om medewerkers online cursussen aan te bieden;  het verminderen van de papierstroom (wat uit het oogpunt van kostenbesparing natuurlijk van belang is).

Een extranet is in feite een uitgebreid intranet. Het is een ondernemingsnetwerk waarvan bepaalde delen ook gebruikt mogen worden door een selecte groep derden, bijvoorbeeld klanten, leveranciers of andere handelspartners. Bij een extranet is het uiteraard van belang dat alleen geautoriseerde gebruikers toegang hebben tot het netwerk. De afkorting GSM staat voor Global System for Mobile communications: een standaard die, in een aantal varianten, wereldwijd gebruikt wordt. Mobiele telefoons maken gebruik van radiogolven en van zend/ontvangststations (masten) om communicatie mogelijk te maken. GPRS is te beschouwen als een aanvulling op gsm: gsm houdt zich bezig met het spraakgedeelte, terwijl GPRS er is voor de gegevensoverdracht. Dankzij GPRS is het mogelijk om te internetten met je mobieltje. UMTS is een standaard voor mobiele (data)communicatie die als opvolger van GPRS dient. GPS is een systeem van 24 satellieten met behulp waarvan mensen op aarde vrij nauwkeurig hun positie kunnen bepalen. Een RFID-tag bestaat uit een chip en een antenne, die samen in een omhulling zitten. Actieve tags: beschikken over een batterij om de chip te voorzien van stroom. Passieve tags: moeten het zonder stroombron stellen; ze halen de benodigde energie uit de radiogolven die het leesapparaat uitzendt.