Toetsstof Nederlands

Soorten argumenten:  Voorbeeld  Feit  Empirisch  Vergelijking (kijk maar naar ...., daar doen ze ... etc.)  Emotioneel  Gezag/autoriteit (alles wat een hoge functie heeft)  Moreel Een redenering op basis van geloof bevat Morele argumenten Een redenering op basis van intuïtie bevat Emotionele argumenten Een redenering op basis van gezag bevat Gezagsargumenten Een redenering op basis van vergelijking bevat Voorbeelden (voorbeeldargumenten) Een redenering op basis van gevolgen bevat Empirische/feitelijke argumenten Een redering op basis van nut bevat ‘’ ‘’ Een voordeel-nadeelredenering bevat Feiten/empirisme/ morele/emotionele argumenten Oorzaak-gevolg redenering bevat Feiten/empirische argumenten Als-dan redenering Veronderstelling (empirisch?) + gevolg (empirisch?) Schema logische redenering (deze punten moeten er altijd in!): 1. Stelling/bewering 2. Waarneming 3. Conclusie Redeneerfout: als één van bovengenoemde punten niet juist is  je hele redenering is dan fout. Er zijn 2 mogelijkheden om een redenering op te bouwen: 1. Stelling - argument  want-type 2. Argument – stelling (conclusie)  dus – type Ev. + mv. Argumentatie: Enkelvoudig is één argument, meervoudige arg. Bevat meerdere argumenten. Nevengeschikte argumenten: Argumenten van gelijke waarde Ondergeschikte argumenten/subargumenten: Wanneer de argumenten een rangorde bevatten (het een belangrijker dan het ander). Het ene argument ondersteund de andere. Elk argument kan nevengeschikt of ondergeschikt zijn! Verschil reden en oorzaak: Een reden is iets waar de mens invloed op heeft, op een oorzaak niet. Soorten drogredenen:  Persoonlijke aanval  Meelopersmotief  Overhaaste generalisering  Dreigement  Ontduiking v/d bewijslast  Cirkelredenering  Bewering overdrijven of gedeeltelijk overnemen  Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie  Beroep op verkeerde autoriteit  Valse vergelijking  Hellend vlak

Vals dillema

Tekstdoel Informeren Uitleggen Overtuigen Van verschillende kanten belichten Aanzetten tot handelen

Uitgangspunt Opsomming van feiten Feiten en de samenhang daarvan Argumentatie Uitleg en argumentatie Argumenten

Tekstsoort Informerende tekst Uiteenzetting Betoog Beschouwing Activerende tekst

Er zijn 2 hoofdtypen discussie: Meningvormend en probleemoplossend. Meningvormend komt niet zo snel tot een oplossing van het probleem. Bij een discussie moeten stelling controversieël zijn (tegenspraak oproepen). Fasen van een forumdiscussie: 1. Introductie v/h onderwerp 2. Uitspreken van standpunten, nog geen argumenten 3. Argumenten vertellen 4. Gemeenschappelijk standpunt maken indien mogelijk (taak v/d voorzitter) De 4 debatvragen voor een goed debat: 1. Huidige beleid  Problemen? 2. Is dit beleid datgene wat de problemen veroorzaakt? 3. Is het nieuwe beleid de oplossing? 4. Voordelen van invoeren > nadelen?

Veel voorkomende fouten in de Nederlandse taal:
Symmetrie: gelijkheid in de opbouw van zinsgedeelten Tangconstructie: Te veel woorden tussen de woorden die bij elkaar horen  Maak er een bijzin van? Tussengeschoven bijw. Bijzin van voorwaarde: Is onoverzichtelijk  Vermeld eerst de hoofdmededeling en dan pas de voorwaarde (in een bijzin) Foutieve inversie: Bij inversie staat onderwerp achter de pv, maar dit is fout wanneer vervolgens het onderwerp niet meer klopt. Niet-bedoelde dubbelzinnigheid: Wanneer een zin op 2 manieren kan worden opgevat. Storend figuurlijk taalgebruik: Te veel beeldspraak of ongewenste/onbedoelde woordspelingen. Verkeerd gebruik lijdende vorm: De bedrijvende vorm leest prettiger, het is minder omslachtig (Lijdend = Het onderwerp die dan de handeling ondergaat ipv uitvoert. Passief dus) Te veel overdrijving: Voorkom dit, het leest irritant. De gouden spellingregel: ’t kofschip  haal de klinkers weg. Eindigt de stam van het ww op één v/d medeklinkers?  Je ww eindigt op ‘t’ of ‘te’. Niet?  ‘d’ of ‘de’

De woordjes van blok 5.1: Allusie = toespeling Consultant = adviseur op bep. Vakgebied Erudiet = geleerd. Belezen Fetisj = verafgood voorwerp Frase = mooie, maar nietszeggende woorden (moet dat niet een nietszeggende zin zijn?) Humanistisch = vrijzinnig, de menselijke vrijheid centraal stellend Klassiek = traditioneel, gebruikelijk Literaire canon = lijst van literaire boeken die in een samenleving als goed worden beschouwd Niche = deel v/d markt voor een speciale groep mensen Nominatie = voordracht van personen om een keuze uit te maken Oratio pro domo = verdediging van het eigenbelang (verbaal) Ornament = versiersel Parasiet = profiteur Potentiëel = mogelijk Probaat = beproefd Quote = aanhaling, citaat Raffinement = sluwheid Stupiditeit = stompzinnigheid Triviaalliteratuur = populaire ontspanninslectuur Ultiem = (aller)laatst Wishful thinking = wensdenken (wensen dat iets zo zou zijn) Woordjes stencil WTSI opd 1: Katheder = spreekgestoelte Catheter= buisje om lichaamsvocht af te tappen/voeding toe te dienen Dokter = arts Doctor = iemand met hoogste academische graad Amper = nauwelijks Ampel = breedvoerig Doseren = doorvoeren in gedeelten Doceren = lesgeven Debiteren = vertellen Debuteren = voor de eerste keer een boek/iets anders publiceren Egocentrisch = zichzelf tot middelpunt makend Egoïstisch = uitsluitend aan eigenbelang denken Psycholoog = kenner v/h innerlijk van mensen Psychiater = arts voor geestesziekten Antiquair = handelaar in antiek

Antiquaar = handelaar in oude boeken Evolueren = geleidelijk ontwikkelen Evalueren = nog eens bekijken/achteraf bekijken Functioneren = het werk verrichten Fungeren = dienst doen Moraal = lering Moreel = gevoel van zelfvertrouwen Astrologie = leer die uit de stand v/d sterren iemands toekomst bepaald Astronomie= sterrenkunde Unaniem = eenstemmig Anoniem = ongenoemd Kwaliteit = goede eigenschappen (beoordeling van waarde) Kwantiteit = hoeveelheid Esthetisch = vanuit het schoonheidsgevoel Ethisch = met goede en kwade kanten Flora = plantenwereld Fauna = dierenwereld Materiaal = grondstof/bouwstof Materieel = benodigde om optimaal te kunnen werken (werktuigen) Fascistoïde = min of meer fascistische Fascistisch = nationalistisch, autoritair en onverdraagzaam Confessioneel = waarvan de leden een bep. Godsdienst aanhangen Conventioneel = volgens de gewoonte Woordjes WTSI stencil opd 2 (opd 2 en 3 zijn tegenstelling): Altruïsme = onbaatzuchtigheid Egoïsme = zelfzucht Archaïsme = verouderd woord Neologisme = nieuw woord Abstract = vaag Concreet = duidelijk omschreven Bruto = zonder aftrek loonbelasting Netto = met aftrek loonbelasting Collectief = gezamenlijk Individueel = persoonlijk Commercieel = om winst te maken Ideëel = gericht op een betere (ideale) wereld Conservatief = behoudend Progressief = vooruitstrevend Defensief = verdediging/verdedigend Offensief = aanval/aanvallend Emotioneel = wat het gevoel betreft Rationeel = wat het verstand betreft Exclusief = zonder

Inclusief = met Woordjes stencil WTSI opd 3: Expert = deskundige Leek = niet-deskundige Extern = uitwonend Intern = inwonend Extravert = naar buiten gekeerd Introvert = naar binnen gekeerd Globaal = in grote lijnen Gedetailleerd = tot in onderdelen gaand Heterogeen = van ongelijke samenstelling Homogeen = van gelijke samenstelling Impliciet = erin opgesloten liggend Expliciet = uitdrukkelijk Inferieur = minderwaardig Superieur = voortreffelijk Integratie = opnemen in een geheel Segregatie = apartheid Labiel = wankel Stabiel = stevig Macro = met blote oog waarneembaar Micro = met blote oog onzichtbaar Woordjes WTSI opd 4: Hier is niks nieuws aan, ga ik dus ook niet invoeren.