You are on page 1of 82

MARC.

EEMANS
HYMNO'DE
Colibrant
I
MARC. EEMANS
HYMN ODE
voorafgegaan van een psychomachia en
gevolgd door een na-wereldse minnezang
Coli brant
LIER
PSYCHOMACHIA
I
Marcus - Carolus - Leo
en
Sen/a - Rosa - Irma
in gedachleni s
.,Post mortem nihil esl ipsaque mors nihil."
Seneca, .,Troades", v. 398.
Hoog ... diep ...
In de ijlte van het Zijn ...
En het was er een bloedend geloei van tegenstrijdige
gestalten, hals over kop, en door elkaar als in een baaierd
van in wording kreunende wezens. En in die duister-
nissen een licht, een zon rijk aan de miljoenen sterren er
omheen.
Flitsende stralen van vuur waren het, van een vuur
dat de zielen in warme liefde zou helpen ontluiken tot
een wingerd van geurend !even.
Prille kleuren verlerlei waren het in het morgengloren,
met een overdaad van goud en rood, als van blakerende
weelde, en dan verder ook de onverwachtste nuances
van teer groen, en paars, en roos, en fijn blauw. Levens-
bloemen met aromen die bedwelmden en die in de
hoogste harmonien trilden, als van musicerende menig-
ten in de verste hemeltransen, met diepe accoorden van
orgeltonen en de lichtflikkeringen van angelische citers,
als glinsterende leeuwerikken die er aan ontloken, het
weelderigste zonnelicht te gemoet.
Maar de Dood ...
Reeds belaagde de Dood al dit nieuw !even, en van
9
overal kwamen de wezens van het K waad aandraven
met de driestigste hedreigingen van het onherroepelijk-
ste onheil. Onmiddellijk was het dan ook een wee en
een erharming van de geweldigste verschrikkingen,
als in een orkaan die het leven tot verdorrende inkeer
zou willen terugvoeren, met ongure moord-duister-
nissen en huichel-kwellingen van zinverdovende anere-
tische geheimenissen ...
Aldus konden de zieners het inferno van een al. te
hachelijke dodendans in het zwerk van hun innerlijkste
aanvoelen, het zien en er van het ontzettend visioen op
hun perkamenten rollen hoeken. Ben erharmelijk
schouwspel van helse moorddaden is het voor hun ont-
stelde ogen geweest. Maar er hoven heen was er even-
eens de verheugende heroica van die zijnswil die zonne-
waarts opwelde en die zijn milde stralen uiteindelijk
doorheen de dichte duisternissen liet gulpen.
Aan de ene kant waren het de heirscharen van de Dood
met duivelgestalten menigvoud, wangedrochten van
onheil, wild heestachtig hehaard en de vuil-vale huid
vettig afdruipend van groen-gruwelende etter. Grauw-
vuur hliksemde rond hun lenden die week waren en
vies-doorzichtig als het 1il van kwallen. En die weer-
zinwekkende heirkrachten stormden vooruit, onheil-
kreten slakend ter verguizing van al het goede dat ze op
haar woeste tocht mochten ontmoeten.
Nietsontziend, hun gierende opperheer in vuigheid,
voerde het razend heir aan, en zijn arglistige gestalte
van grinnikkende verholgenheden was door vunzige
hoogmoed omgord. Zijn lagere ziel, zij, lag vastgekneld
in de hittere spangen van zijn kwelnavel, terwijl zijn
kronkelende staart zwaar zweepte doorheen de
en zijn zwaard van nijd en van afgunst was een wee-
dom van dreigend geweld.
Naast hem was het een duizelig gewemel van onge-
dierte velerlei dat aan alle regionen van het K waad
10
d'afschuwelijkste helichaming gaf. En het was Valsheid,
en het waren Grimmigheid, Gramschap en Leegheid
van de Ziel, alsmede al de zonden in de somherste en
meest afschrikkende schakeringen van walgende ver-
scheidenheid. Duivelshraaksel was het, dat gehrouwd
was in vaten van driestheid op de solfervuren van het
hellegehroed der mijnedige zielen.
En tussen aile zonden in, reed aan de rechterzijde van
Nietsontziend haar almachtige grootheid die men
!Jdelheid noemt en die steeds gehuld gaat in de sluiers
van wufte misprijzing. Aan zijn linkerzijde was het Gods-
lastering, geil aan laksheid en met etterende, torve ogen
in het puistig gelaat. En daar verder waren het heesten
als griffioenen, met rode schahhen, en gitzwarte schor-
pioenen, en dodende scharadriussen, en zevenkoppige
draken die vuur en gal spuwden en die hun stinkende
wateren met hele tromhen loosden. En erwaren ook die-
reo aan hrallende hoer-zwijnen gelijk, en snirre zwermen
van Fenrirwolven die het verderf op hun voorhoofd
droegen, en met wolvinnen die het venijn der wraakpest
uit haar spenen persten. En toen kwam daar ook het
Beest der Aarde, J ormungand geheten, vunzig en glui-
perig, waarvan de wervels wel duizendmaal rood de
horizont draaiden om de vechtende heirscharen heter te
kunnen wurgen en te vermorzelen.
Aan de andere kant was het als een zonnedroom van
goedertierende en lichtende zielen met twee kinderzieltjes
vooraan, heide zo tenger en zo teer in onheholpenheid
van hroze onschuld, dat men ze nauwelijks zien kon in
die onverkenhare haaierd van geweld. Doch ze waren
door liefde gedreven, en ze straalden.
En de engelen Gods stonden wakend aan hun zij. De
hlanke engel van de Onschuld zweefde hoven hun
hoofd, en de gouden engel van 't Heiligend Vuur was aan
hun rechterzijde, en de purpere engel van 't Koning-
II
schap des Hemels aan hun linker. V ooraan waren het de
groene engel van Bloeiende Levenslust, en de blauwe
engel van de Trouw. Doch, helaas, achter hen kwam on-
middellijk de zwarte engel van Rouw, als teken van 'ton-
afwendbaar noodlot dat die prille kinderzieltjes reeds
de eerste dag van hun geboorte was beschoren, terwijl
heel achteraan, en als aarzelend, de rode engel van
Berouw zich 't gelaat bedekte met zijn grote vlerken van
heiligend vuur ter hemelse ontferming over 't erbarme-
lijk schouwspel van die gruwelijke strijd op leven of
dood.
Andere engelen bazuinden in 't heelal en de groot-
galmende muziek van hun bazuinen weerklonk hoog
hoven de storm. En die musicerende engelen waren als
van zllver. En hun gelaat was van loutere liefdedrang.
En aan hun kop stood de aartsengel van de Goddelijke
Beloning, met het jubelend vaandel van de zegetochten
in de linkerhand, en in de rechter het stralend zwaard
van de Hogere V reugde.
En de zieners zagen dit al, en ze hoorden hoven het
glorieend bazuingeschal van de engelen een stem uit de
hemelen, een stem van de hoogste en edelste zieletrots.
En die stem verkondigde het Gebod des Hells, doch de
heirscharen van het K waad bleven en blind en doof,
en de rook van haar sprankelende woestheid pijnigde
de ijle luchten van het Hell.
En de zieners hoorden de zware stem die zegde :
,Overheerlijk zijn de zielen die in liefde sterven. Ja,"
zei de stem, ,want ze verhemelen in de arbeid van haar
werkende liefde."
En de zieners zagen toea het beheerste heir van de
Koninklijke Zielen met gouden scepters en wapperende
mantels van hermelijn. En ze zagen en ze hoorden even-
eens het juichende heir van de Goddelijke Deugden,
voorafgegaan door citerspel gespeeld op de citers van
12
't Eeuwig Leven, en die Goddelijke Deugden kwamen
met gesel en roede het vloekend geweld van het Kwaad
in liefde beslechten.
Maar hoe de strijd te beschrijven, hoe de stormen en de
van. uit de oertijden tot aan de Ragnarok in
dit ene ogenblik van WOeste driften te duiden ? Ach
hoe d'inwaartse tormenten van deze psychomachia
vertolken buiten de schamelheid van de droeve beelden
van aneretisch vergaan, en hoven het al te driestig
tekort der woorden ?
De winden loeiden, de donderslagen ratelden en alles
was een zielgekreun in d'ingewanden van onze smart ...
De strikken verscheurd, de boeien gesprongen, de gol-
ven ontketend en de rotsen gebarsten tot aan de kern
van het weten, ach I
En de smaad van de gekerkerdheid, de toorn van al
hetgeen tot de vermaledijding der verdwazing behoort :
Ach, die afgrond, daar ... daar I
De burcht van onze reinste ziel in 't zuiverst azuur
hoven de zwaardtijd, de speertijd en de vuurtijd:
de van ooze meest onmogelijke verwlldering
bedwdt, ach I En de draken van onze laagste driften
geklonken aan het duister bestier van al hetgeen ons
aan onszelf ontrouw tracht te maken, en vreemd aan
de glimlach van al hetgeen ons zou kunnen goden in
de ogen van onze hoogste liefde ...
De innerlijke strijd tot aan 't bitter eind gestreden, de
bontste metaforen om hem te duiden met de woorden
van de mensen, doch ten slotte slechts een strijd zonder
metaforen, .zonder woorden, zonder iets, want een strijd
van het mets ... en ten slotte slechts om het niets ...
a qt1ia nihil et in aeternum mors nihil ...
Ach ...
in een laatste paging tot overwinning sloegen de
onhetlboden hun helse macht in wilde scherven uit
elkaar : aile richtingen in, en met een oorverdovend
gekraak dat geweldig uit de ingewanden van de aarde
losbrak. De vlammen kwamen hoog in de luchten, ter-
wijl d'onmachtsdromen onverpoosd van de ene naar de
andere wereldeinder ratelden, steeds zwaarder, steeds
grimmiger. En het werd een beving, als in de verschrik-
kelijkste dagen van de strijd van de ontketende elemen-
ten tegen de Godheid. Vulkanen sprongen de luchten in,
en hun vuur en lava kwamen in moordende regen terug-
gevailen op de strijdende kampen. En terwijl de aarde
openscheurde werden honderdduizenden koene zielen
in haar brandende ingewanden verslonden ...
Ach, mijn slapen I In barstenswee, die povere slapen ... en
niets om die pijn te helen, niets ...
En de gruweldaden van de machten des Kwaads ver-
menigvuldigden zich tot in 't oneindige toe. En de arme
mensenzielen werden gefolterd en gepijnigd. Ja, zelfs de
Goddelijke Deugden werden gehoond en door de
drassigste modderpoelen gesleurd. Afschuwelijk-walge-
lijk gingen ze te werk, de mach ten van het K waad,
zowel met het giftige braaksel van haar monden, als
met de pestilentie van haar ingewanden : een en al drek
waren ze, zodat ze ailes bezoedelden wat ze mochten
aanraken. 0 wanhoop van al hetgeen rein is en heerlijk,
o liefsten I
Reeds scheen de strijd ten gunste van het Kwaad,
want reeds was aile licht geweken, zodat reeds van overal
de triomf van de Dood werd ingeluid. En aan aile kan-
ten stroomden de bezweken zielen mee met de beken
en de rivieren van kokend en bruisend lava, en overal
op de bergtoppen waren het nog slechts dodendansen
als voor de laatste sabbatsnacht ...
De jongste bloemenperken van 't leven waren niet
meer te verkennen, zo waren ze omgewoeld en verkracht
14

geweest en tot barre dorheid verwelkt. En de Vier
Ruiters reden steeds in een wilde rit van hoogmoed
doorheen de zieltogende hemelen.
Doch de Koninklijke Zielescharen wisten uiteinde-
lijk aan het Kwaad het overwinnend wapen van haar
hogere zieletrots te bieden, en haar hemelse psalm-
gezangen van vreugde en nog diepere vreugde konden,
als vleugelende wierook, het vijandelijk geweld bekoren
en bezweren, en het eindelijk in zijn helse opzet stoten.
En die psalmgezangen zongen van de glorie van het
Licht en van de liefde die tot Mione in zichzelf weet op
te klaren, om zich eindelijk in de zichzelf gebaarde
God te verblijden :
,0 juicht allen toe, o vezels van het diepste onszelf",
weerklonk het hoven de mensenwoorden, ,want immer
verwinnen de morgenden de duisternis van de immer
onverzadigde nachten in ons I
,0 zielen, komt tot de muziek van ooze innerlijke
vreugden, en gij sterren van onszelf, wentelt om uw
God, zoals steeds de Godheid in en om haarzelf !
,Ja, we zijn de liederen uit ons monodisch psalmboek,
doch tevens de zangers zelf waardoor we doorheen ooze
eigen hemeltransen weergalmen ... 0 gejuich van onze
wonderbaarste woorden die het Woord verkondigen
en in ons het kwaad doen wijken I 0 geheim van de
geheimenissen, en gijzelf, o bernionelijke Mione in
en om ons I Gij, o Gij, Fontein des Levens, en Licht des
Lichts I
,En dat de belagers van het Licht tot hun duister-
nissen veroordeeld blijven, en opdat de neergestotenen
nimmer meet zouden opstaan, nimmer I
,Zo zij het, eeuwiglijk, amen I"
Aldus kwam eindelijk het waarste Licht doorheen de
duisternis, en het werd er een zon met talloze sterren
er omheen. Flitsende stralen van vuur werden het toen
in de ogen van de zieners, en van een vuur dat de dode
I ~
heldenzielen tot nieuw Ieven deed ontluiken. En de
twee kleine kinderzieltjes zweefden weer triomfantelijk
vooraan. Ze waren twee sterren gelijk, en ze straalden,
straalden ...
En nu plots een stilte als van de Stilte van God zelf,
en de heirscharen van het K waad bleven als verlamd
in het Niets te staan, verstard, versteend, om verpulverd
en vergruisd neer te storten in de afgrond van de laatste
afgronden. Doch de verslagen heirscharen waren dron-
ken van 't bloed van de engelen en van de zielen dat
ze zo gruwelijk hadden vergoten en tot de laatste druppel
weggezogen. En in haar dronkenschap bleken die heir-
scharen het Niets zelf te zijn, want elkeen uit haar scha-
ren was van het Beest dat was en niet was, alhoewel het
toch was, doch dan slechts in de schoot van het niets
in het Niets.
Doch het Ieven is immers toch slechts een sterven, en
dit sterven dan een strijd van het lets tegen het Niets ...
Van het lets tegen het Niets? Weest dan ook, o
mensen, de trouwe bondgenoten van dit lets tegen bet
Niets en helpt steeds de fantasmen van uw diepste zelf
in hun bestrijding van al hetgeen van dit Niets mag we-
zen. Ja, laat het licht en het Woord in u steeds stralen
en gaat verder de wegen van uwe verbeelding op,
steeds verder : naar gene slagvelden waarvan de zieners
steeds getuigen.
Ach, en het Boze heeft moeten bezwijken voor de
wonderbare bekoringen van het Woord, doch dit
bezwijken is het niet eerder een verzaken en een ver-
sterven, en is het ten slotte niet eveneens een laatste
rilling van de Dood zelf ?
Alles huiverde nog lang na in mijn slapen die waren van
de kranleheid van mijn ziel en van het ongure van mijn pover
aanzijn.
*
16
Op de slagvelden lagen nu de verkoolde lijken van
de verslagen aanhangers van het K waad. Tot ver achter
de horizont waren het eveneens de verbrijzelde wervels
van het wreedaardige Beest, want J ormungand was ge-
weest ... Late sulferwalmen stegen nog op uit de puinen
van hetgeen eens de burcht van Nietsontziende heette,
en over het hele land troonde nog slechts de Dood met
zijn dorre scepter der Verworpenheden ... Doch hoven
de rouwwalmen geurden weer de roemrijkste dromen
van 't Eeuwig Leven, en overal waren reeds de helende
handen van de goede engelen. Aan hun vingertoppen
was het dan ook een verkwikkend lied van rozenbal-
sem en van vloeiende mirre.
De noorderwind en de zuiderwind streken als zachte
hindea over het land. De akkers, schoon ongezaaid,
wasten weer tot grote lof van al hetgeen gedijt in de
warmte van Mione. Host's moord werd ongedaan en
Breedzicht straalde weer in hoogste vreugde, en verder,
en verder ...
De geest van Balder kwam weer te waaien waar hij
waaien wilde, zodat het weer een triomf van 't Eeuwig
Leven werd en de Dood op haar beurt moest wijken voor
het Licht terwijl Naglfar, het thans overbodig geworden
dodenschip, onherroepelijk in de vlammen opging ...
Rond het Licht kwamen nu zetelen, en de gouden en-
gel van 't Heiligend Vuur, en de blanke engel van de
Onschuld, en de purpere engel van 't Koningschap des
Hemels, alsook de groene engel van Bloeiende Levens-
lust, met aan zijn zijde de blauwe engel van de Trouw.
~ n de aartsengel van de Goddelijke Beloning kwam
kruelen voor de troon van het Licht, en als bloedend
offerande van eeuwige Mione bracht hij in zijn stralende
handen twee kleine mensenzielen, die waren zo tenger
en zo teer dat men ze amper in zijn handen had kunnen
zien, waren ze niet de bron en de fontein geweest van de
lichtstraal die tot de Alvader opwelde. En die straal
was de lichtstraal van de Levende Wateren, helder als
het ijlste kristal. Niettegenstaande waren die twee kleine
mensenzielen nog steeds bezoedeld van al het wee dat ze
meegemaakt hadden in die helse baaierd van geweld
waarin ze tot duizendmaal toe hadden dreigen ten onder
te gaan.
En die bezoedeling was van d'onmin van de tijden,
en die nood was van de angst in het diepste zelf van de
mensen, die lijden van niet heel en gans in Minne te
kunnen opgaan om er 't vurig Tabernakel, eindelijk,
toch aanhankelijk te worden ...
En een hoge stem weerklonk in ons :
,Alvader, ach, aanvaard toch de Levende Wateren
van deze twee kleine mensenzielen, reinig ze doorheen
uw Wateren van Goddelijke Minne, verlos ze van 't oer-
kwaad der aardse geboorten, maak ze nog ijler dan het
ijle en verheerlijk ze in de genade van uw opperste
Heerlij kheid ... "
En de Wateren van de Goddelijke Minne verwaardig-
den er zich toe zich innig te verstrengelen met de Leven-
de Wateren, die waren van de psychurgie van deze
twee kleine mensenzieltjes ...
In aanbidding, en met gevouwen handen, de ogen
gesloten als voor hun innerlijke bekoring, knielde thans
de schaar der engelen voor die twee verheerlijkte men-
senzieltjes, die waren van het lichtste teken des Levens,
hoven het niets van de Dood waarin ze reeds zweefden.
En de prevelende lofzangen van de engelen stegen
als blanke vogelen van vreugde, heel hoog in de luchten
van de Walhal van onze inwaartse goden.
Hun lofzangen waren van de baring van de zielen,
zodat talloze andere mensenzielen hun wijzangen als
heling van Minne op haar bloedende wonden voelden
strijken, om op haar beurt van de verre deemsteringen
van de Dood tot 't zonnig rijk van 't Leven te herrij-
zen ...
18
Weelde van de verrijzenis I 0 jubel van de juichende
lofzangen I En in de stroom van de Levende Wateren,
in de fontein van het Water des Levens, kwamen die
mensenzjelen zich baden. En de zon schitterde op het
eeuwige van haar gestalten, en de geest Gods waaide
doorheen de menigvuldigheid van haar reien, zodat dit
waaien als het lied van God zelf werd en dit lied als
d'almacht van onze innerlijke magie ...
En de zieners zagen en hoorden al die wonderen van
het werkende leven in ons, en ze boekten het al op hun
perkamenten rollen, opdat niets van onze jongste
psychomachia zou verloren gaan.
En toen zagen ze nog hoe een witte raaf uit de heme-
len kwam gevlogen om uit de stralende handen van
d'aartsengel der Goddelijke Beloning de bloedende
offerande van die twee verheerlijkte mensenzieltjes
in ontvangst te nemen en ze naar den Hoge te voeren
tot in de verste transen waar bet wijzeloos Onbepaalde
in alle eeuwigheid troont.
En de zieners boekten eveneens dit laatste gebeuren,
en bet woord dat hun toen de purpere engel van 't Ko-
ningschap des Hemels in de oren kwam fluisteren was :
Vreugde I
Vreugde, ja vreugde, o mensen van smart en smart en
nog grotere smart, want de laatste en rijkste vruchten
van uw smart geuren immers toch altijd de blijde
balsem van de vreugde, en daarom, o mensen, blijft
nooit bij de zilten oevers van uw tranen vertoeven,
doch gaat steeds zonnewaarts in de richting van 't bloei-
end leven, waar de Vreugde in uw diepste ziel is blijven
stralen.
0 juicht dan ook : Vreugde I Vreugde! 0 mensen
van smart en smart, opent toch uw dode ogen, steekt
de levende lichten aan, en ziet !
Ziet, daar wordt het licht van het Licht in uw midden
geplant. Tracht er van te genieten in de geneugten
Gods, en zo weze uw liefde tot de Minne in God, zo
weze uw Vreugde. En God zegene ze in zijn hogere
almacht, en Hij schenke u de wakende en zorgende
Minne. En zo weze uw ening in eeuwige weelde van
vreugde, zo weze het in uw Minne der Minne ...
Zo weze bet in mijn treurende mezelf en hoven mijn .rmllrten
uit, in de veilige klui.r van mijn 1vaaiende gee.rt.
Ach mijn .rlapen, m'n povere .rlapen, en dit .rchamele hart
dat bon.rt, bon.rt ...
0 mijn waaiende gee.rt ...
Ach ...
Hier, in deze gekerkerdheid ...
zo
Februari 1945.
HYMNODE
Nel mezzo del cammin eli nostra vita
mi ritrovai per una selva oscura ...
Dante, ,II Inferno".
Aan de verre Eurudike
,.AI wat bier kruipt wordt met Gods gesel oaar
de weide gedreveo ... "
Herakleitos.
,.Zing me eeo oieuw lied. De wereld is verheerlijkt
eo aile hemeleo verheugen zich."
Nietzsche.
I
x. We hebben onze eeiiWigbeid verloren, o, mijn scbare van
getrouwen ! We zijn tot bet vergankelijke van onszelf verguisd.
2. 0, en we dwa!en, dwalen in de nacbt van onze stifle.
I ]zig dwalen we in de killen van de vervloekingen, onze scba-
diiWen achterna.
3. En we zijn als de blinde wolken in de verdorrende dromen
van de heme/en. We vier ken beellaag op de grond, overal smeek-
klachten uitend.
4 En we zijn als de zware mist waaruit de angstige neve/en
zielloos opstijgen.
5. We zijn a!s de schapen waarvan het vacbt ongescboren
blijft, bet bruin, drekkig vacbt dat tot de smarten van de ont-
wijding noodt.
6. En niets om onze dorst te Iaven, niets, niets ... zelfs niet
de glimlacb van onze kinderen.
7 We zijlz tot onvrucbtbaarheid gedoemd, en de borstm van
onze vrouwen zijn leeg, en leeg zijn onze velden, leeg onze driften
en leeg onze vergeefse genadesmekingen.
8. Onze harten zijn beurs, want de vervloekingen van deze
tijden hebben ze geraakt.
9 Ze zijn door de bliksemscbichten van de demonen geslagen
en ze zijn als zilten beiiVelen in de woestijnen van onze driestige
gestalten.
Io. Daarom, o mijn schare van getrouwen, laat ons opnieuw
de heiligheid ontginnen en met zoenvlaggen doorhcen de were/den
varen.
I 1. Laat ons opnieuw de heerlijke Godheid in onze smarte-
lijke geesten bekennen en bet verste Noorden aan de spits van
onze psalmhymnen drijven.
12. We moeten de winden binden en de zeeen en de bergketens
verleggen. De goede aarde moeten we bewerken en bet verzaken
dienen we te eren.
I 3. Ons diepste inzijn moe ten we tot de fierheid van de zomer-
vreugden opvoeren en de feestvuren moeten ons verpuren.
I4. De hoornen geb!azen en de schalmeien ontloken: overal
moeten we zonnige vruchtbaarheid zaaien.
I 5. De leeuwerik kweelt ons reeds toe in 't herboren feest
van onze gewroken smarten: alles vergaat en herrijst, o hynJ-
nische pathos van de goddelijke levensbronnen I
I6. Ben dank/ied lVOrde dan ook onze geestdrijt en 'n hei/igend
zoeno.lfer bet late gebed van onze handen.
I7. Wijding, o wijding vergt bet stille woord van onze toe-
komstige zaligheden.
I 8. 0 wijding, reeds verge ten wijding van onze schamele
liefde... Hyperborisch I
26
II
I. De leegte is de kwaal van ons gemoed en de toetssteen
van onze steeds wankelende broosheid in de droesem van ons Ieven.
2. De bakens verzet, als de tralies van onze vunzige geker-
kerdheid in de grauwte van bet zijn en bet nietzijn.
3 Doch waarom die doem in ons te bestendigen? ]a, de
bakens verzet tot aan de grenzen van bet hiernamaals ...
4 Laat ons dan ook niet verder verslaafd zijn aan bet onheil
van onze armste be/often.
5. Laat ons opwaarts varen, de stromen van de jubelende
heroen in, wij de held en de schare, dansende,juichende en met
triomfcimbalen musicerende I
6. 0 bet lied van de klokken in ons, fer verheerlijking van
onze heiligste bekoringen hoven aile herfstwerelden been I
7 Stille nachten zijn aan ons voorbijgegaan en de Godheid
heeft ruisend in ons gepreveld van de nood der sterren.
8. Ach de sterren aan de toppen van onze vingeren en de hele
melkweg van onze sterren, hoe doods is dit hele lichtwonder
niet?
9 ]a doods in bet spectrum van uw zon, o milde Godheid
in ons, en bet gouden waaien van onze gaven ...
Io. De grimmigheid der grimmigheden heeft ons gezalfd over
de hel!ingen van onze sterren en bet heelal is tot onze glimlach
gekomen ...
I I. 0 thans een lied te zingen voor de grote Voorzanger van
ons al, en aile grimmigheden luid, luid, in het lied van deze
klokken te verkwisten I
12. 0, en sprankelende beken uit hun bezwerende brons te
gutscn, heel wijd over de schrille beemden van ons tnensclijk
tekort I
I3. 0 tekort aan a/ wat is van bet werkclijke en werkende
Ieven met onze vlaggen heel hoog, in de stoet van onze laatste
vergeldingen.
I4. Neen, o neen, laat ons jubelen en rozebladeren, ftjn en
geurend, voor onze voeten uitspreiden.
I ~ . Laten we onszelf verheerlijken in de vele gedaanten van de
Godheid. 0 Iaten we ons schouwen in bet bergmeer van haar
alomvademende heerlijkheid I
I6. Spiegel zijn we, en schaduw, en echo, en daaron1 is het dat
we in bet heden van onszelf aan onze a/ te grote aardsheid ont-
snappen.
I7. Als hemelingen tronen we dan ook in onze Godheid, als
in onszelj, en heerlijk hoven aile heerlijkheden ...
IS. Doch zijn we ook niet schim en verge/ding, o waan?
En we stralen steeds in bet diepste van onszelj, o heerlijkheid
van onze schouwing, in lied en zang I
I 9 0 melodij I
III
I. 0 mijn heerlijke volgelingen, thans zalig stralend in bet
morgenrood van de nakende zon, laat er me U allen toe noden
aan uw reeds te lange winterslaap te verzaken.
2 0 laat U toch in aile eenvoud tot de ftjngroene praal van de
nietnve lente bekennen. Ziet hoe de boomgaardefl reeds vol witte
en roze bloesems geuren.
3 ]a, weest vreugdig en kinderlijk uitgelaten om het jonge
lied van de zo frisgesnaarde vogelen in de kringloop uwer ont-
wclkende oren te ontvangen.
4 Ach luistert naar de schone bekoringenvan bet Ieven, ziet hoe
begeerlijke maagden zich toverig aan uw voeten komen spreiden.
5. Haar blonde harm zijn als golvende honig en haar elpen-
benen borsten schitteren om te grijpen.
6. Ziet de wee/de van haar tJJe/kwitte buik hoven de heerlijke
zuilen van haar dijen, waarlangs we tot het Hooglied opgeroepen
worden.
7
. Niels mag ons nog 1veerhouden hare liefdeszuchten te
huldigen en ze in stilte te ontginnen.
8. Niels mag ons nog tot de verzaking van het Ieven uitdagen :
tot de vreugdewijsheid moeten we gaan I
9 Druivendronken moe ten we de pracht van de duizend-en-een
gaven Gods, en de God zelf in ons verkondigen.
Io. ]a de vruchtbaarheid Gods moeten we in onze vrouwen
huldigen, en in onze velden en in de druivendrank van de Godheid
zelj.
I 1. De wijnper.ren moeten we bewerken en tot het /aat.rte
heiligend .rap toe moeten we er juichend uit wringen.
12. Inwaart.r en uitwaart.r moeten we het Ieven in het wijn-
vuur van het zijn verdoen en wuivend met palmtakken doorheen
de ver.rte ethertran.ren waaien.
I 3. 0 het waaien van de gee.rt over de bergketen.r van het
puur.rte en het hecht.rte kri.rtai I
I4. Hoe heeriijk a! dat waaien en hoe natuuriijk piechtig uit
de roe.r van on.r viee.r opge.rtaan I
I 5. Gezegend zijn dan ook onze vrouwen om ai de wonderen
die uit onze driften tot haar opiaaien ...
I 6. En heel de co.rmo.r, zowel inwaart.r ai.r uitwaart.r doorheen
die driften, wild, op.rtijgend, 0 zo verzengend verbli;dend ...
I7. 0 die begerende maagden die ai.r b/oemen tot minnende
vrouwen opengaan en wij, de naar.rtige tuinier.r ...
IS. A/du.r behoort het, o mijn heerlijke volgeiingen, op
't groot.re fee.rt van 't inneriijk Hooglied dat hier than.r zo
weelderig in onze harten weergalmt.
IV
1. 0 mijn Broeders in Vereenzaming, laat ons thans de
stifle wereld van onze kluis in de vermurwende vroomheid aller
geluiden bezweren.
2.. Laat ons de magische cirkel van het weten overschrijden
om het met de gewiliige Voorzanger te prevelen, o Iaten wij het
met hem verkondigen.
3 ]a Iaten wij het met hem verkondigen dat wij het Oor
zijn waardoor de Schepper horend werd, het Oog waardoor
ziend en ook de Tong waardoor sprekend.
4 ]a sprekend om het Woord in ons tot VIces te Iaten
worden, en dit VIces van ons Vlees, zo innig vertolkt in de
Minne van onze harten.
5. 0 hypostasis van het Vlees dat is en horend, en ziend, en
sprekend, het a/ in de heerlijke bast van aile onnoemeiijkheden.
6. En te midden van de hoge varens van het hechtste orichai-
kos is dit Vices dan als een schemering van hyperborische
zaligheden i
7 is het als een in haarzelf gelijkende wijsheid van psalm-
zingende heerlijkheden, volgroeid en volbouwd: ongeevenaard
plechtig ...
8. 0 die heerlijkheden die uit ons diepste AI, als uit een
klare bron opborrelen om naar de verste verten te vlieten.
9 Het is een vereenzaming in de Stille eenzaamheid van onze
extazen, met Jichten die ont van uit de blauwtte heme/en komen
naken.
IO. En in die heme/en it het dan ah een vlerken van tchitte-
rende engelen, blank en zilverend in hun etheritche wee/de.
I I. Het it bet vier ken van de engelen om ont te verzadigen
en onze wonden te betten, ach, onze wonden die bloeden van ont
hongeren naar U, o reine Godheid,
I 2. en die bloeden van ont zwaar verhemelen in U, hoven
d'ongure klachten uit van 't diep gevangen vuur.
13
. Die vlammen, ach die vlammen, zo vertchrikkelijk hoog
en inbijtend, verpurend ... de kluittert van het vtmr verkolend ...
I4. m ont bevrijdend in de vertederende oplaaiingen van de
genet'!,len in U, o God I
I
5
. 0 laat ont loch de magitche cirkel van het we ten over-
tchrijden, om eindelijk van hemeltrant tot hemeltrant te varen:
tteedt boger, verder ...
I6. De ogen gnloten, vaart aldut onze tliert van unekende
en biddende Jichamen door de hemeltranten, het empyreUIJJ van
de gelukzaligen te gemoet.
I
7
. En in ont wordt het plott een triomfjuichende ttoet van
heerlijkheden, zo zacht en rein, dat ze ah de ttilte zelf onzer
extazen zijn.
I 8. Aldut wij, allet-bezwerende hemelingen der Vereen-
zaming in de tchoot van onze hypottatitche Vlenwording,
in en buiten ontzelf I
32
v
I. Een lied voor de ver tchalking van de demonen, een lied voor
de nachten van verkwikkende droombeelden in het tpel van onze
hand en.
2. We hef!en een Juide zang aan om de in ont opgfjaagde ko-
ning van ont duittere lied te betoveren en hem in onze woord-
netten te halen.
3. Ah het wild van de oerwouden wordt hi) door ont lied
omtingeld, hi) koning door onze verzelving tot ont koningtchap
verheven.
4 Ah tchaduw van tchaduwen vlucht hij voor de macht van
onze woorden. Doch nergent een ttilte om er zijn angtt te ver-
bergen, hij drintige ree.
5. En plott, door het Woord van onze woorden, it ont lied
nog tlechtt een aphyllitche boomgaard vol kwelende vogelen.
6. Doch verder reiken onze woorden, zodat allu rond onze
zang tot een beefd Van diamant etJ toermaJijn Vertteent,
7 terwij/, hi), koning, tteedt verder vlucht op de wegen van
onze inwaartte vervloekingen en onbewutt van zijn hechttte
geluiden.
8. Maar zijn we, helaat, wei zijn belagert, zijn benouwert,
wij eoltuharpen van zijn droef geweten ?
9 Zijn we niet eerder zijn jammerklachten en het koor van
zi.Jne eigen doodtbeteugeling ?
33
Io. Het woud is vol van het gedicht onzer heiligingen in de
ijle woorden van de verbrekingen.
II. Ach Here, aanhoor onze bedezangen en laat die droeve
koning in ons aan het nieuwe Iicht over.
I 2. 0 zie hem reeds in de dageraad stralen en dan send, vroom,
door de zonnecirkels varen.
I 3. In en om zichzelf duizelt hij door de jonge dag, terwijl de
rieten jluitjes van de bosgoden hem een vrolijk deuntje toewerpen.
I4. De bosgeesten jladderen reeds rond zijn slapen, en ze
vlechten hem een kroon van de reinste dromen, ach ...
I 5. Dromen voor onze eigen lofzangen tot U, 0 Heer, om de
vele gaven van de verhoogde vreugdevuren.
I 6. Aureolen van oneindigheid nimben rond onze woorden en
verheffen ons hart tot het heil der koninklijke verworvenheden.
I7. 0 koning door onze verzelving tot het koningschap
verheven, kom loch fangs d'inwaardse wegen tot uw lang ver-
beide zaligheid in ons.
18. De Heer heeft het ons gegeven met U tot de hoogste woor-
den van het zijn te verwaaien,
I9 en gees! in Gees!, voor de /of van de martelverstervingen
te getuigen, in U ... o Heer en Opperkoning in ons ...
34
VI
1. Wondermooi is de wilde wingerd op de krassige stenen
van ons kerkergebouw, een groen wuivend tapijt voor onze moee
ogen.
2. En wij arme, o loch zo schamele geduldigen die in het
Niels verdwalen, als d'onklare stormen in de mist van onze
vergane vreugden.
3. De wilde wingerd is ons bier het laatste Ieven in deze
grauwte, en als een belofte van loch uiteindelijke hoop.
4 En daarom ons lied van erkentelijkheid met bet ver schiet
van grate jubelende koren van uit de hoogste ethertransen.
5. 0 men sen, luistert dan ook naar de preluderende
accoorden van heel dit jong lenteleven dat is als van de tortel-
duiven.
6. Dit lentegroen, ons hele innerlijk Ieven verheerlijkend in
het helder Iicht van onze ogcn, en de wegtrillende harmonien
van onze lofzangen.
7 Heerlijk, duizendmaal heerlijk is de scheppende hand van
dit ons gelaten levenswonder, ons d'uiteindelijke erbarmingen
bcvestigend.
8. Heerlijk, duizendmaal heerlijk de goede beschermer van de
schamele kudde van verworpenen die we zijn.
9 Ach Heer en God, voor U onze dankhymnen, voor U
die het Aluit stille zalving hebt bereid.
Io. Voor U die ons in onze verlatenheid gedenkt en ons
bezoekt om ons te kronen met de kroon van uw beproevingen.
II. Voor u, 0 Heerser over de tranen van onze eigenbezwe-
ringen op de zilten paden der barmhartigheid.
I 2. Voor U, die ons kwaad met goedheid vergeldt en ons in de
stilte van uw Minne beproeft.
I3. Uw gouden altaren bewieroken we met de kostbaarste
reukwerken van onze gedachten.
I4. en heel diep knielen we voor uw grootse onzichtbaarheid
in de tempe! van onze extazen.
I 5. 0 Heer en S chepper van onze smarten en onze vreugden,
we zijn hier bewonderend geknield, in gedachten,
I6. terwijl we door de geesten van het K11Jaad zijn gedoemd,
steeds verder af te dwalen op de dwaalsporen van het hierna-
maals.
I7 Ben feest der Verrijzenis wordt het echter nog, dank zij
het wuivend tapijt dat hier voor onze ogen komt te zweven.
I8. En onze dode ogen gaan 1Veer open tot het Ieven dat u
hier in deze wilde wingerd uitspreidt, o zo verkwikkelijk jong
en heerlijk I
I 9 En toch blijft het ons hier als een verdoeming, o waarom ?
VII
I. Bloemen hebben onze blinde ogcn betoverd zodat ons gezicht
eindelijk is opgeklaard met ogen van zieners in bet weer stralend
gelaat.
2. Onze lofwoorden voor de duizendvoudige klmrschakeringen
van deze bloemen die zijn als van bet werk van de goede goden.
3 Onze lofwoorden voor de duizendvoudige geuren van deze
blomJen, zo ftjn bedwelmend dat ze ons tot in de gees! hebben
verrukt ...
4 En van deze verrukking uit zijn we gegaan over de wegen
van aile vcrhemelingen: duizelig heerlijk, met psalmmuziek
van oneindig vlerkende engelen.
5. Bloemen hebben ons verder begeleid, steeds en steeds onhvel-
kend en weer venvelkend, als in een eeuwig herbeginnen.
6. En bet Ieven van deze bloemen was aldus van een bestendig
komen en gaan in de vele kleurschitteringen van onze zieners-
ogen.
7 Heerlijk en nog heerlijker was bet schouwspel van deze
k!eurenstoet waarin zich de natuur openbaarde als in een
ka!eidoscoop van de hechtste wonderheden.
8. En zalving en heling ging er van hen uit, zodat we als
mijmerenden en schouwenden over de wegen van onze verheme-
lingen hebben kunnen schreiden.
9 A!s mijmerenden beleefden we bet hele diepere zijn van
37
de bloemen, haar nut en onnut in de wereld van de vegetale
noodzakelijkheden.
Io. Als schouwenden telden we in de bloemen a/ de regen-
bogen van de hemelse geheimenissen, geopenbaard in het uit-
spattende zonnelicht van haar kleuren.
I 1. En 1ve bewonderden eveneens de duizendvoudige verschei-
denheid van haar verheugende vormen, zo doelloos en wonderlijk
verleidend.
I 2. ja, en onze /ojzangen sfegen hoog fer zonneg/orie in de
verheerlijking van deze vormverscheidenheid der bloemen.
I
3
En onze lofzangen waren eveneens voor de faa/ van deze
bloemen, en ingewikkeld volgens de wetten van de menselijke
begeerten zelf.
14 0 de sprookjestaal van de bloemen, in stilte gepreveld,
en als het ware nooit verkondigd, o loch zo algemeen geloofd
en geprezen ...
I 5. De sprookjestaal van de bloemen, o loch zo diep van we ten,
en vermoeden, en wensen : zo schuchter en loch zo welluidend
aanlokkend !
I 6. Bloemen, 0 bloemenweelde en van de weiden, en van de
bossen, en van de tuinen, tot in de tengere tuilijes van onze
droombeelden ...
I 7. En jij, bloemenkransen, die zo innig tot de harten gaan,
het go/vend haar van beminde maagden omtoverend.
I8. Bloemen ... o sieraad van ons zijn, we zoenen U in de
wijding van onze lippen, want U behoort ons de hoogste Ening
in het hechtste van onze ogen ...
VIII
1. Een lofzang tot de geboorte van a/ wat was en niet was,
o epos van 't bestendig bewustworden in het heden !
2 Een lied ter on/ginning van de wijsheid in de geboorte van
de stralende heerlijkheid van het zijn.
3 Een 1vijdklinkend lied van wentelende oerwensen in de
baaierd van 't nog niet geschapene.
4 Het groofse teken van de schepping uit het niets, eindelijk,
aan de vingertoppen van de Demiurgos !
5. Het epos vatl de schepping uit de scheiding van het AI in
geest en stoj, in Ieven en niet-leven ...
6. Het scheppingsgebeuren en a/ hetgeen er aan gepaard gaat:
het ontstaan van a/ hetgeen ons steeds verwondert en boeit,
en onverklaarbaar blijkt.
7
. Schepping, o schepping van het onmetelijke grote tot het
onmetelijkste kleine, onzinlijk, bovenzinlijk ...
8. Het AI uit de baaierd puttend, ter verheerlijking Vall de
heersers over de schepping, onmedogend en zo nutteloos ver-
waand.
9 Het scheppingsgebeuren waarbij het Licht van de duister-
nissen werd ontdaan om in onze ogen op te klaren.
Io. En daarom, wij overgelukkige heersers over de eerste
/ente van de aarde met a/ hetgeen het in liefde bewoont ...
II. En rond ons heen a/ het kruipende, en het vliegende, het
39
lopende en bet onbeweeglijke, bet ruisende en bet zingende,
en ook bet stille ...
I 2. Ach, bet stilzwijgende stille, o zo 1velluidend en betekenis-
vol dat bet ons steeds en steeds zal blijven duizelen.
I 3. Het stilz,vijgende stille van de schepping zelf, eemviglijk
onze geest boeiend en beroerend ... tot in eetlwigheid.
I4. 0 de schepping in de extazen van onze ogen met a/ de
verrukkingen der scheppingsgenietingen.
I 5. En wij, verwaanden van de S chepping, die bet AI
rondom ons zelfgenoegend-middelpunt Iaten vlieten ...
I 6. Wij wereld van de tvereld, rvij wereld in en voor de wereld,
wij de demiurgen van onze verbeelding.
I7. Ach, de scheppende arbeid van onze handen, de verbeel-
dingvolle magie van onze vernuftige handen.
I 8. De magische drang van onze strelende hand en, en uit te
groot levensgenot ... o liefde.
I9 ]a, de liefdesdrift van onze handen, als barende vrouwen,
doch wij demiurgen in bet heden, en bet heden zelf I
IX
1. Verzakend schrijden wij door de velden die steeds
loch zo heer!ijk-glooiend en belovend staan te schitteren in de
zon.
2. De velden gmren en bedwelmen, doch niet voor de verlaten-
heid van onze verarmde en a/ te smartelijke zinnen.
3. De velden voor de zegenint,en van bet Iicht en voor de goed-
heid van bet kiemend en rijpend Ieven, doch niet voor de
droejheid van ons hart.
4 De velden voor de wee/den van de oogst en de vele vruchten
van de aarde, doch niet voor ons schuchter en stamelend Ik.
5. Onverzadigd Iaten ons de velden, en om niet te 1venen wordt
bet in onze verschroeide kelen tot een lied van verzaken.
6. En 't is een lied geworden, heel stil, prevelend heilig,
o zo liturgisch, en als van de hoogste t h e ~ ~ r g i e van onze verworpen
lief de.
7 Ben lied is bet geworden ter loving van 't niet gezaaid
en loch zalvend zaad van de were/d.
8. Ben lied voor de zachte tranen van de vertedering in de
nacht van onze toch in geest waaiende vreugden.
9 Ben lied dat tot de hechtste heme/en gaat, opdat bet ons
verder in de wijsheid van de haarzelf gelijkende wijsheid in
ons zou verheerlijken.
10. 0 dit lied van prevelende wilskracht dat boven bet eigen
41
smartelijlee uitdeint, om ons uit de poorten van onze dood te
verhogen.
11. ]a de donkerheid van 't verzaken heeft ons dit lied ont-
lokt, ons tot de schitterendste zaligheid in ons opvoerend.
I 2.. De koppen van de draken heeft het verbroken en de zan
is ons geworden,jubelend, alsof de velden toch voor ons zouden
bloeien.
I 3 En het ons liefste gelaal is ons glimlachend doorheen het
prevelen van dit lied genaakt.
I4. Ach, en de liefdezoenen van dit glimlachend gelaaf op de
psalmzingende lippen van onze verzaking.
15. Streling en heling, eindelijk ... in 'I zacht verglijden van
de dagen, en hoven ons verzaken heen, o achterhaalde lippen
van onze liefde ...
I6. De wee/de als 'n stille wereld in 't verzaken, en als 'n
verre droom in de blijheid van ons zijn.
I
7
. 0 die blijheid van 'I alles verzengend en verpurend
vuur in Minne: de Minne van onze heiligste Minne !
I 8. Doch helaas, en verzaking tach ... in de nacht van deze
Minne, om U, o versterving van onze arme zieten I
X
I. Het lied van de sterren doorheen het heelal mel de schit-
tering van haar talloze lichijes hoven de hemelnachten van
'I geschapene.
2.. De sterren wenken eeuwiglijk, geduldig, en doorheen
de geheimenissen van haar praalliederen leren ze ons de
go den.
3. De slerren, o de slerren, in oeroude bee/den van mythen
en nog mythetl geklonleen, en als het hechtste hoek van de wijs-
heid zelf. ..
4 De Dierenriem van die sterren en de Melkweg waar-
over onze innigste gedachten hoi/en, ijlings, lot in 't onge-
schapene ...
5. ]a, ze zingen ons 't lied van dit oneindig onberoerde, hym-
nisch schitterend en tintelend van d'oppersle zaligheden.
6. Als diademen van d'onheugelijkste droombeelden varen ze
in onze ogen, het a! te heerlijke weldadig oproepend.
7 In haar verten zijn ze dan als van 'I geboeide, en van de
bediedenissen van de heiligste geboden in ons.
8. ]a, ze verhalen ons van aile geheimenissen, en in haar
wordt alles zo helder als in een gewillig verhoor ...
9 De bee/den van de sterren voor ons geteleend op 't uit-
spansel van de nachten, ze leiden ons dan oak in 't verhemelen
van de zieten ...
43
Io. Ach, zij verheerlijksters van de ethica der nachten, die
het a/ ontspinnen in de wee/de van de godde/ijke handen
II. en ze gedufdig in de heifige en verzegefde waarheidsboeken
opsluiten.
I2.. Ach, de sterren, de sterren. De sterren, ze grazen
noodzake/ijk vee/ verder dan de b/auwe weiden van onze vurigste
berekeningen
I 3. en ze zijn a/s Iamme hinden in het schomme/end hee/a/ der
niet a! te k/are veropenbaringen Gods ...
I4. Onmeedogend, onherroepelijk en mrgestatisch plechtig,
wentelen ze doorheen onze hemelwegen, ons steeds tot haar dans
nodend.
I 5. Wij ljofe/e sterren van dit aardse dal, onsze/f wente/end
om ons heen en a/s spiegelbee/d van haar a! te ver gebeuren.
I6. En hier dan onze stem om dit a/les in /iefde te benoemen
en te Ioven: sterrenbee/den tot goden verhoogd en ge/outerd,
17 door ons, dode zonnen, hier op aarde geva//en, verbannen,
gedoemd ...
I 8. We bezingen ze te vergeefs, a/s met schri//e ke/en, de
ogen vol sterren, zo mense/ijk en sti/ wenend.
44
XI
1. Emzaam, o toch zo eenzaatJJ in de verlatenheid van onze
begeerten, en toch zijn we niet aileen met de sti//e smart van
onze woorden,
2.. want onze droombeelden omringen ons en ze bestormen
onze donkerte in de neve/en van onze doellooste mogelijkheden.
3 Gedurig ste//en ze onze hei/igheid aan de zijde van de
hechtste /evensbeloften, en in a! hetgeen dood was ...
4 0 thans eindelijk, en eeuwiglijk, in de ervaring van onze
liefde te kunnen b/oeien. Verrukke/ijk wild I
5. De smart van onze woorden heeft het dode bezie/d, zodat
in het dode zowe/ de dag afs de nacht Werden bereid,
6. en vooral het Iicht van aile bewegingen met de stilte van
onze zilten tranen zelf.
7 Doch waarom die tranen? Is het om het verbod van de
/iefde of de veroorde/ing van deze arme liefde zelf?
8. Zou het dan zonde zijn te minnen, en zouden we de
vro11wen niet in haar vleeszijn tot de vergoding toe mogen ver-
heerlijken ?
9 Zou het s/echt zijn de Eros in ons tot het hoogste gebod
van wijsheid op te voeren en dan Eros de vrouwen zelf toe te
wi.Jden?
Io. Zeg, is het niet geoorloofd, o God, dat de mannen U
fangs hun driften om, in hun vrouwen oproepen?
45
-
I
I 1. 0, en U alduJ in het vrouwelijk vleeJ aanbidden en
Ioven, zich verzengend lief in U uit1tortend?
I 2. 0 God, zie loch hoe heerlijk vetTIIkkend het gebed uit
onze liefde voor de vrouwen tot U opJtijgt I
I 3. Onze Minnehandel iJ all een wijd-uitdeinend gebeuren,
met driften all uit het oerbeeld van Uw Jchepping, wild op-
laaiend,
I4. en plotJ zo minnekozend zacht all van de preveling der
zachtJte extazen ...
I 5. 0, het etheriJch gntreel van onze vingeren over de bonten
van onze vrouwen tot in de trilling van haar begerige tepeiJ ...
I 6. en over haar buik, en verder en verder all in een verblinden-
de ontdekkingJtocht over a/ de golven van de wulp1heid in onJ ...
I 7 Zeg het, 0 God, iJ onze lief de dan loch zo laakbaar omdat
zein de richting van de allewergoding iJ gegaan?
IS. En iJ het mogelijk, o God, datU on1 veroordeelt, wij IIW
begenadigste aanbidden in de adel van onze vrouwen ?
I9 Neen, o neen, want Liefde bent Uzelj, en liefde roept
Liefde, en minne tot Minne ... ach!
XII
1. Schande,Ja schande over de etterdemonen die hun gevallen
tegenstrevers als sluipmoordenaars durven te brandmerken.
2. Schande,ja schande over d'oneerlijken die de heldhaftigste
overwonnenen tot het niets durven te verwijzen.
3 Schande, Ja schande over de snode huichelaars die hun
moorddromen als eeuwigheid durven te verkondigen.
4 Schande,Ja schande, o Heer, over diegenen die Uw naanJ
durven te misbrttiken om hun laagste vuigheid te verheer-
lijken.
5. Schande,ja schande over deze men sen zonder eer of geweten
die gedurende maanden en maanden hebben gedaan alsof ze
in liefde waren.
6. 0 waarom ? vermits ze hun misdaad reeds sedert lang
als 't opperste godsgericht hadden verkond?
7 Maar ze zijn laj, die demonen en ze moeten hun
moorddromen trachten te verrechtvaardigen om ze te kunnen
be/even.
8. Ze zijn laj, en bang zijn ze voor het bloed dat hun van de
vingeren druipt ...
9 Daarom hebben ze eerst de pracht van hun slachtoffers
moeten verguizen en hun minne bezoedelen.
10. Ze zijn laj, en als gieren hebben ze zich geworpen op de
getuigen van a/ hetgeen het Licht heeft gezongen.
47
I I. Ze zijn laj, en a!s jakha!zen hebben ze de heerlijkheid
van de Dood duroen te krenken en te verscheuren.
I 2.. Als kruipend en vlijmig ongedierte sluipen ze IIi I d' aj-
gronden van bet Kwaad 0111 te wurgen hetgeen hun tot hoon durft
te staan.
I 3. En ze zijn als het zevenkoppige Beest, waaroan elke muil
het drekkigste onheil braakt 0111 de heme!transen te bezoedelen ...
I4 De grate wandaad waait thans over de Ianden en de tnensen
gaan gebukt onder het juk van de huichelarij die men als gods-
vrede durft te noemen.
I 5. 0 Heer, o God, heb toch tnedelijden met diegenen die onder
het juk gaan gebogen en het zelfs niet eens tneer weten ...
I6. Heb loch tnedelijden met d'artnr. slaven die niet eens tneer
ktmnen kreunen, o richt loch mv gesel in de richting aller schande-
stichters ...
I7. die laf zijn en die huichelen, 0 sla loch toe in de weroel-
wind van uw onverbiddelijke genade ...
I 8. Sla toe, God, en verbrijzel de bee/den van hun afgoden.
Zie, ze aanbidden slechts hun wraak .. .
19. En ach, U bent tnildheid, en zang, en dans, U, o extaze
van onze weelderigste Minnedromen I
XIII
I. Magisch verheven, hoven aile Honger en Benauwdheid:
tnagisch vrij, o wil van onze versteroing I
2.. Zo staan we hier, heersend, te midden van de knechtschap
van 't schatnele geschapene.
3. Magisch vrij, hoven aile noodzakelijkheid, in de richting
aller wazigste bovenmenselijkheden
4 en met onze hiernatnaals-drang duizendmaal in onze
gedachten gegood, onze binnenste kamer uitwaaiend.
5. De ogen ges{oten en de mond trillend, met de Geest die in
ons vaardig is geworden ...
6. 0 duizeling van de verdroomde hemeltransen met schit-
terende sterren aan de toppen van onze nachtvingeren I
7 De strijdge!ederen gesloten, o koene krijgers van aile her-
scheppingen, opdat het Iicht zou openb{oeien.
8. 0 het lied van dit Iicht met a/ die heersersb!oemen in de
duizelende regenbogen van het zijn ...
9 En onze binnenste kamer er als in een sprookjestover zo
prachtig door otnsierd I
Io. Het is onze roeping, o koene krijgers, met onze steigerende
paarden door het nietsontziende zwerk van de be/often te varen.
I I. Het is onze roeping als heiden te sneven op de strijdper-
ken van onze tnagische werken van erbarming.
49
I 2 Doch geen erbarming voor ons, voor ons, zonnerovers,
voor ons, de zegep!anters van de verbee!ding,
I 3. o neen, geen erbarming voor ons, de dwepende scharen
die en de Honger, en de Benauwdheid hebben getemd,
I4. en thans, a! snevend, op hun steigerende paarden het hei!-
woord van de ver smading verkonden.
I 5. Als heersers staan we in onz. dood en als gfgood in de
hemeltransen van onze verzengendste ervaringen.
I6. Aldus, o koene krijgers, staan we heersend, vrij, de
Dierenriem reeds seder! lang voorbij, steeds verder, door d'otJ-
eindigheid he en:
I7. 0 d'oneindigheid van de laatste onnoembaarheden te
gemoet, triomjluidend ...
I 8. En 'tis het k!okkengeluid van 't hechtste brons doorheen
onze slapen, met de geest in ons vaardig,
I 9 voor eeuwig.
XIV
1. 0 mijn wanhoop in 't verzaken onder de tormenten van
een nooit verzadigde eigenversmading in verzuchten.
2. 0 mijn wanhoop in het vlieten van deze nutteloze dagen,
leon ik U verwinnen, !iturgisch, in de richting van deze extazen
in mij,
3 'k zou U bestendigen en U in stilte met de vreugdeb!oemen
van mijn heiligste erkente!ijkheid bfjegenen.
4 He!aas, o mijn wan hoop in 't verzaken, gij !eert me s!echts
bescheiden-prevelend en in wijding te Ieven ...
5. En in uw school heros! mijn !aatste schat, in uw nacht
mijn zwaarste mensendeemstering, o mijn Iicht in beproeving I
6. Wanhoop, o mijn schrijnende wanhoop, aan U mijn
/ichtenverwaaiende dank in beproeving.
1 Gij schenkt me de vleugelen van de warmste aller smarten
en op uw bloedige lippen ont!uikt de dageraad.
8. Ach, wanhoop in 't verzaken, 'k aanschouw, bewon-
derend, het zegenend beven van mijn handen hoven IIW bfeek
ge!aat ...
9 en samen ontstijgen we aan aile dromen in ons, en
aan de gaven van het Ieven, en aan de stille verstervingen van de
Dood ...
IO. Doch, he!aas, woorden, s/echts woorden, en de wufte
warmte van die gesloten ruimte, zonder Iucht ...
-- =----=---------= -
I I. Ach, en ware daar ten slotte niet de uiteindelijke ver-
wachting in bevrijding, zou het a/ in 't niet vergaan.
I 2. ]a, zonder het te mer ken, zou ik hier verwerelden, en
zonder de barmhartigheid dezer goede wanhoop ...
I 3 0 mijn wanhoop in 'tverzaken,gij zijt me hier een voedsel
en een doe/, o gij, zucht in 't venvaaien.
I4. In uw bedding, 0 zachte wanhoop, is het me thans goed
te berusten om er de dwingende adel van te be/even.
I 5. 0 warme praal van deze diepe belijdenis, thans voel ik
mijn wanhoop als een opperste we/daad.
I 6. 'k Voel ze als een Veri ijking ter uiteindelijke beloning
van a/ het wei en het wee dat aan mijn hart is ontvloten,
I7. dit hart, o mijn Heer, ter beproeving in wanhoop op uw
geestelijk altaar, als zoenoffer en verge/ding.
I8. Mijn hart in deze wanhoop van 't verzaken, tot Minne
gelouterd, geheiligd, heertijk I
I9 En dank zij U, o vreugde, gij, mijn heerseres over de
beproeving I En Vreugde, o Vreugde van 't verzaken ...
XV
r. En hier thans een vloekpsalm over het huichelachtigste
van aile wezens, over de bloedslet die de onschuld steeds heeft
verkracht.
2. De vloek van onze woorden en de vermaledijding van onze
gedachten over a/ het kwaad door deze slet reeds aangericht.
3 De schande van onze misprijzing over dit schepsel der
duisterheden dat zichzelf als het hoogste Iicht wenst te roemen.
4 De verachting over haar wrede geplogenheden van wraak en
wederwraak onder de mom der bestrajjing van hetgeen tot mis-
daad 1verd gedoemd.
5. De be spotting van haar bloedrode demonen die hun opper-
kleed onder het uitbraaksel van haar etterwoorden bezoedelen.
6. De gesel Gods om deze heren uit de tempe! te verjagen en
onze striemendste bewoording om ze eindelijk tot de onmacht
te verguizen.
7 0, de vuige knechten van de haat die zich als varren in
zelfbezoedeling ophemelen en het Ieven van hun evenmens mis-
bruiken.
8. Dat de storm ze voor eeuwig opjage, dat de dorst hun
mond voor immer verdorre en dat de ijzigheid van de stilte ze
voor altijd doe ri/len.
9 0' dat de koude van de ziel hun geweten voor immer beroere
en het tot op 't einde van de tijden aan flarden scheure.
Io. Koude en nog koude, steeds koude,ja, dit zij de bestraf-
jing van hun misdaad tegen de warmte van hun evennaaste.
I I . Dat de hagel ze stenige en dat de wind het vuige van hun
opperkleed in de modderpoelen van de wroeging waaie.
I 2. De tormenten van de eeuwigheid moe ten hen reeds van op
de aarde beangstigen, opdat hun hoereren met de blinde slet
hen eindelijk wege ...
I 3. ja, dat ze zich einde/ijk berouwen OVer hun schunnigheid
gepleegd in bet overspel met het kwaad.
I4. 0, dat ze hun schande bedelven onder het puin door hun
vele misdaden berokkend.
I 5. Zie, onze vloekpsalmen achtervolgen ze, en verschrikt
ijlen ze weg, de laffe vlttcht van hun bloedslet achterna ...
I 6. Maar onze vervloekingen achtervolgen ze, en ze zullen ze
achterhalen ... ja, tot in de diepste afgronden van d'onderwereld
zelf.
I7 0 schandelijke dienaren van het onheil der tijden en gij,
huichelachtigste van aile wezens die zich als het lied van het
goddelijke zelf wenst te roemen,
I 8. 0, gij schandewezens ten eeuwigheid loch vervloekt, onze
woorden hebben II gebrandmerkt en ze hebben IIW Iangen door-
board.
I9 ]a, !hans kunt 11 gerust verlopen, gij, verworpen, ver-
vloekt en tot drek vergaan ... onze misprijzi'ng heejt IIW gees!
loch ten dode geslagen. O,jubel!
54
XVI
I. De lover van de bloemen, helaas, in deze woestijn van de
verdrukking, werd ze ons niet ontzegd, en onze ogen snakken
ze niet te vergeefs naar het kleurkoraal van haar wonder-
heden?
2. Bloemen, o lichtende bloemen, waarvan de derving ons tot
het blinde toe der eigenbewening opdrijft .. .
3. B/oemen, o geurende bloemen, waarvan de zachte, bedwel-
mende nareuk ons in deze versterving als 'n laatste glimlach
der Nana is bijgebleven ..
4 Bloemen, o heerlijke bloemen uit ons moe geheugen, we
noemen II a/len in zachte bewoording en onze fippen zoenen IIW
gedachtenis,
5. want we zijn bier de verre lovenden van uw pracht, en om
het lichtkoraal van uw bloei te aanschouwen zouden we bier
alles gaaf houden.
6. 0 bloemen van onze tuinen, gij sieraden van onze mooiste
liefde, tot de hechtste tuilen van onze begeerten herschapen,
7 we dromen bier van uw schoon gebeuren in de stille ver-
rukking van uw bloemzijn, zacht wiegelend aan uw stengel ...
8. En we dromen bier van te zijn de gonzende bijen, ons
bedwe/mend aan bet gouden zaadstoj van IIW hartek/ok.
9 Ach de bijen te zijn die de zoete honig uit IIW wee/de we ten
te puren om, dronken, het azuur van de heme/ te bereizen,
55
IO. avera! het geurend ornament van IIW bloem-extaze ver-
kondigend, ingetogen, plechtig zoemend ...
I I. Helaas, we zijn hier s!echts de grauwe horzels, hier in
deze drieste benepenheid, zonder Iicht, zonder hoop.
IZ. De bloemen zijn hier nog slechts ongenaakbare sterren,
0 zo ver in de duistere heme! van onze dreinende verzuchtingen ...
I 3. Here, heb toch medelijden met ons, arme horzels, hier
verkleumd, gedoemd, en voor aile bloemenvreugden verboden.
I4. Here, heb medelijden met uw povere horzels, ach wees hen
toch mild in het uitreiken van uw weeldegaven ...
15 Zie, in hun haast geslenste harten dragen ze nog immer
hoog de heerlijkste bloementuilen van IIW lofpsalrmn ...
I6. 0 Here, zie hoe onze harten in deze wufte duisterheden
blijven snakken als najaarsbloemen in de storm.
I7 Zie, we staan hier smekend in de herfst-waranden van
deze van aile zon verstoken onderwerelden.
I 8. 0 Here, zie hoe plots in de nacht de sterren tot jubelende
bloemen uitstralen, de lover van onze lofpsalmen fer ere,
I 9 0 chrysanten van onze haast dode zielen I
XVII
I. Laten we ons verheugen in het feestvieren fer verheerlijking
van deze milde zomerzonne Gods.
z. Laat ons jubelen fer ere van het groots-laaiend fee sf van
de zon.
3. De zon als lichtende wei, de zon als warmteroes, de zon als
wakende en zingende voedster,
4 0 de zon als heerlijkheidstolk en als gebiedster over de
blauwe heme/en van ons minnelied in het zijn,
5. de zon als dag-heraut en als tolk in 't herscheppingsrennen
van het grate wiel dat brandend door de heme/en vaart,
6. de zon als maat en tegenmaat op de roesbanen van de
heelalwerelden ...
1 0, laat ons dansend doorheen het zonnevuur in wulpse
maaiervriemeling buitelen,
8. laat ons de vreugdezangen ter ere van de ,zon-vader-en-
moeder" in de hoogste vuurtover van losbandige cantaten uit-
branden.
9 En dit zonnelied, een lied van de 1velklinkende vreugde in de
zomerschittering der hemelse weldaden !
Io. Dit zonnelied in de /of van de eeuwige jeugdgaven
van uw schallende zonneklaarten, o Schepper van onze
we elden.
II. We staan hier thans met citer en luit, en met slagwerk
van trommel en cimbaal om de ganse zonnezegen over ons te
bezingen.
u. 0, en de luwte van de landouwen duizelt onder het Jeest-
geluid van onze volle zonnehymnen, ja, hymnen ...
I 3. Want onze zonnezangen wedijveren in uitbundig schater-
geweld met de Jelste zononstuimigheden ...
I 4 0 de drijten van onze muziek ter evenaring van a/
't gebenedijde dat we in 't zonnegewoel aanvoelen ...
I 5. Barbaar s heilig, o zo plechtig is deze uitbundigheid, want
we voelen U daar voor ons aan, o Schepper, zo mild stralend in
de zon ...
I6. En dan plots de stilte van IIW zwevende handen, 0 God,
ons de fijnste accoorden van uw leeuwerik toewuivend.
I7. 0 die heerlijke trillers van uw haast onzichtbare leeuwe-
rik in bet b/auwste van tiW zonne/uchten,
I 8. en wij allen, geknield en als in extatische aanbidding
VOOr de /uister Van UW pri/ste zang, 0 godde/ijke harpenaar Van
boven en in ons ...
S8
XVIII
I. Als in mezelf verwilderd, sta ik bier thans, bronstig,
en als in d'oertiJdcn van de menselijke begeerten verankerd.
2. 0, en ik voel me, listig, als biJ' de haren opgetild, doorheen
het zwerk van mijn angsten geslingerd.
3. En van die wolkenhoogten uit overvadem ik het vreemde
schouwspel van mijn a/ te moeiza?!Je wensen.
4 'k Zie de bange wegen van de men sen, en 'k zie de bedrei-
gingen van aile windhoeken uit tegen hun dromen aanvleugelen ...
5. 'tIs zuchttijd over de kale vlakten van de mensen en hun
harten ziJ'n als verbrokkeld over d'oneindigheid van hun chi-
mera's.
6. 'tIs manenacht in hun zielen en ze beven en sidderen om de
killen van de verachting die hen afiviJ'st,
7. of zou het som s niet mijn eigen wen ken zijn in d' afgronden
van hun ogen en in de gedachten van hun begeerten ?
8. En van die lichten uit overvadem ik mijn a/ te aards ge-
bint, o de nood van mijn benauwte in eenzaamheid ...
9 ]a, schrik ben ik in mezelf, en mijn blik is van het val/en
van de sterren dat het geweten van de mensen stenigt.
Io. Doch, o mijn jeugd, waarom dit a/ te somber geprevel,
wanneer 'n strelend bad van hysop ...
I I. 0 't gastmaal van de god en en d' aromen hunmr bekoringen
op 't rustbed van mijn gestilde ijlkoorts!
59
12. Iduna-mijn, o Braga's vlinderende jeugdgade, schenk
me thans de mede van mijn in herwom1en
vreugde I
I3. 't Zoete geluid van skaldengestreel wiegt me thans reeds
op 't feest van mijn jongste roesverbeelding ...
I4. Ach, de geurende glitnlach van Iduna's lichtgestalte,
bed1velmend boven a/.
I 5. 0 die jijnbroze g/im/ach in de duisternis Van mijn zwoe/e
nachten van loos erbarmen I
I6. 0 glimlach ell zoen in d'etherische wazigheid van mijn
ijldromen in verrukking en roes ...
I7. Iduna, Iduna, mijn Ieven verebt, en loch bli;f je mijn in
't liefdegekoos onzer zonnige jeugdvuren,
I8. Iduna, Idrma, jij mijn ik en mijn AI ... 0 Thrtle's
gestreel I
6o
XIX
I. Sta op, o bloemfontein des Heren, sta op en verkondig
de heerlijkheid der psalmhemelen in de nacht van mi;'n moee
ogen.
z. Sta op in de zorgen van mijn /of tot God en de mensen, en
om hun verhouding in het ee11111ige.
3. Verbreek hun beider boeien, bevrijd ze van de noodlot-
kettingen van de grauwe Nornen.
4 0, verlaat de grijze neve/en van Oerd en ga in tot het
smartgebeuren van barende vrouwen.
5 Luister naar de oersidderende kraamkreten van 't jonge
tnensenlover dat aan haar bloedige schcde is ontstaan.
6. 0 bloemfontein des Heren, verpuur dit nieuw Ieven met de
sprankelende wateren van uw tijdeloosheid,
7 o, en verwerp de knarsende vrmgdevuren van Verdandi' s
bloei in het heden van de griflige mensenwonne.
8. De tijd is hier slechts 't verwaaien in de blinde overvloeds-
hoorn van 's tnensen heilbegeerten.
9 De tijd is hier van hun vermetele snakken naar 't komtlJCr-
loze stromen van Skoeld' s chimera's ...
IO. Daarom, o bloemfontein des I-Ieren, geurende heraut van
't bestendige in en om mij, verfoei voor inm1er het vunzig
gepeupel van de nevelingen.
II. Ach, verlaat de beurse tuinen van de eigenvergoding en
6I
verkondig bet woord dat is van de balsem van uw sprankelende
wateren ...
I 2. Zie hoe ik voor 11111 heerlijkheidsbekken ben geknield met
op mijn schouders bet gulden schrijn van onze geheimenissen.
I 3 Voor U dit schrijn, o bloemfontein des Heren. Voor U
dit gulden schrijn van de relik1vieen onzer stifle demonen.
I4. 0 heerlijkheidsbekken, zie hoe de blauwe psalmhemelen
hoog hoven ons luttel aanzijn koepe!en.
I 5. Ze zijn als d'etherische getuigenis van onze tijdeloosheid
in 't gebeuren,
I6. en zacht, 0 zacht betten ze de moeheid van mijn ogen
met hun hiC'ratische vingeren van 't onbeschadigd kristal.
I7. En ik, vogel, en gij fontein, allebei triomjstralend, op-
waarts, de psalmhemelen van ons aanzijn ten luister,
IS. o bloemfontein des Heren, in mij ...
6z
XX
1. W ~ j , de levende doden, o de verheerlijkte magie van dit
doodzijn in het Ieven ...
2. Wij, de levende doden, levend niettegenstaande de doods-
vloek van de duivelse geesten.
3. Wij, de levende doden in de nacht der verdoeming, hem
verlichtend met de fakkel van onze onsteifelijke ziel.
4 Wij, de Jakkeldrager s van het Ieven in lief de in het rijk van
hun wrange dood.
5. Wij, de bekenners van het Ieven, in lief de, niettegenstaande
de veroordelingen van de vuigste haat.
6. Wij, de zieners van het nieuwste Ieven, in de banvloek van
het vuige Demos.
7 W!,i, de vervloekten en de dulders, o de gemartelden in de
kerkers van 't onguur geweten ...
8. En wij, het lichtend geweten van de wereld, te midden het
gekuip van huichelende neveltnensen.
9 Wij, de getrouwen in eer, wij, de getrouwen aan het hoog-
ste gebod van het werkelijk Ieven.
xo. Wij, de levende doden, o de verheerlijkte magie van dit
doodzijn in hun Ieven ...
II. Wij, de doden en de verkondigers van het werkelijke in
het zuiverste Iicht van de geestelijkste aller bruiloften.
u. Wij, de verloojden op die hruiloft van de Godzoekende
zielen, hruiloft vee/ verder gevierd dan het loze aanschijn van
de mensen ...
I 3. Nu varen we, n1et hiddende handen, doorheen de klippen
van de vervloekingen die ons niet eens meer raken... ]a, we
varen ... Varen I
I4. We zijt1 de heiden die de doodsvloeken van onze zwoele
helagers door trouw hehhen verwonnen,
I5. en we zingen, als hetoverd, de helklinkende /of van al
hetgeen ons, door laster en kwaad, hoven het n1enselijke tekort
heeft geplaatst.
I6. ]a, wij, de levende doden, tnensen zijn we reeds lang niet
meer, wei de lichtende mythen, in eer en in tromv ...
I 7. De gehenedijden zijn we, en hand in hand, gaan we met de
geheime tekens des geestes in het hloedend hart,
18. waarin de Minne opgeroepen, die is van de spijs des
Bmilofts. 0 witte Bruilojt van de hechtste magic in ons I
XXI
1. Ben lied tot de vrijheid, o mijn gekluisterde hroeders, een
lied van al te diep heimwee naar onze verloren vrijheid.
2. Onze toverigste herinnering aan a! wat ons in vrijheid tot
de theomantische spelen van de liefde kon oproepen,
3. en tot het stralend Iicht van onze ogm in de ons steeds met
ijle sterrenmimten zogende stilte ...
4 Gevangen als de vis in het klokkend water, zijn we hier,
ach I Doch, a/ evenmin als de vis, zijn we hier geknecht ...
5. want vrij hlijft onze gees/ in 't waaien van de verkwikkende
vreugden van ons zingend gemoed.
6. Ben lied van de gedoemden in Demos tot de vrijheid van
hun scheppingsroes in de hovenaardse k/11is van poesis.
7 Ben lied van de gehoeiden tot het verpurend ochtendgloren
op de hoogste dauwtoppen van hun innerlijke hergkl11is.
8. Ben lied tot de zon hoven de kluisters van de a/ te men-
selijke nachten, en als een stralende juhel over de vlammmde
klippen.
9 Ben lied tot de vrijhcid, en een lied tot ajscheid van de
God-euvel, de God-hraaksel, de God-niets ...
Io. Onze vlockwoorden voor a/ hetgem ons wil verscheuren en
voor de Zwavei-Moloch van de volksdevotie.
I I. Onze verwensingen gepaard met onze wazigste vermale-
dijdingen voor a/ betgeen naar de rotting van onze verknecbting
zou kunnen zwemen.
I 2. Daarom dit hymne tot de zelfverfoeiing in de zwoelste
heme/transen van onze vulkanische wezenheid ...
I 3. De hooglaaiende vlammen voor ons, opdat we ons van
aile Godshezoedeling zouden ontsmetten ... en tot de itfyllische
oerhaaierd zouden teruggaan !
I4. Ziet, hoe Goduitschakelend rein we thans hoven de zwarte
wolkenwagens van onze vernederende hoeien zweven ...
I 5. Neen, onheilsvogelen zijn we niet meer, wij de herworde-
nen in d'overwinning van onze fantasmen.
I6. We zijn hier de toortsen, de vuurtorens hoven de tempees-
ten van de dierlijkste verwordingen heen,
I7 en onze lichtstralen doorhoren de grimmigste donkerheden
van 't uiteindelijk niets ...
I 8. Wij bet geweten in bet niets en de verre echo van onze
a/ te verzwonden vrijheid ... acb !
66
XXII
1. We weten het wei, o Heer der Versterving, dat uw hechtste
verstorvenheid als de gruwel van het hee/al zelve is.
2. Docb, o Heer, en wijzelj, hestaan we nog in de scbaduw van
uw hloedige klauwen van we/lust in hoete ?
3. We zien de stoet van uw volgelingen als een lange sliert
verwilderde succuhen die ons van uit uw driestige heme/en helagen.
4 Ach, en wie zal ons tegen de morsige gewelddaden van
deze dwaalgestalten van nacht en neve/ kunnen vrijwaren?
5. Zal het de lief de van onze vrouwen zijn, of we/ de goede
lover van onze blanke onschuld in vlees en zang?
6. 0 de kreten van uw succuhen in de koudste van de vries-
nachten en de echo van onze verschrikkingen over de heuvelen
van de stifle ...
7
. Ach, /aat ons de jeugdigste van onze dromen tot hloedige
verscbansing tegen de nooddruft van uw aalten opwerpen I
8. Laat ons onze laatstgehorenen als 'n pover zoenoffer
op uw altaren van wrok en haat slachten ...
9
. Doch zal het U voldoening geven, want we kennen mv nooit
verzadigde hloeddorstigheid in vervloeking ...
IO. De versterving van 11w schijngoddelijkheid hopen we dan
ook op uw altaren te kunnen wreken,
I 1. en 't geweld maakt ons dronken in de moord op de harts-
loch/en van uw schunnigbeid gepleegd !
----
I 2. Neen, onze kinderen zullen we u niet offeren, en 11111
ikonen zullen we vcrbrijzelen, alvorens uw altaren te verbran-
den.
I 3. Een feest va11 de verlossing zal het nog worden in de roes
van de ontvoogding, en de stormen zullen we over uw sucmben
jagen.
I4. En haar val zal als de /of van de opstandigheid tot op het
laatste der tijden verheerlijkt worden als de triomf van onze
bevrijding in nood.
I 5 jube/zangen zuflen dan llit onze kefen opstijgen en overaf
zul!en we de vlag van de hoogste bekoringen planten.
I 6. En met onze vrouwen zullen 1Vij u in het reinigend Vllllr
van onze wijdse liefde honen.
I7. De Heer der Versterving zul!en we in ons doden,ja, en
met de giftplanten zelf van zijn meest duivelse betrachtingen.
18. Geen zoemffers meer, o neen, doch we/ de brandende zoe-
nen van onze hemelse liefde op de granaatbloesems ontloken aan
de verzuchtingen van onze bruiden,
I 9 en de triomj Van onze eofische zangen in de Winden Van
ons helder verwaaien in de zon !
68
XXIII
I. Genoeg opstandigheid in d'onrust van deze eerloze duister-
heden, o mijn schrandere ridders in tnaagdelijkheid I
2. Daarom, laat ons liever een witte zang in 't loeien van de
deemsterstormen aanheffen.
3. Komt a/len, o goede tnagen, laat ons terug varen naar de
veilige haven van onze eerbaarheid in magic, die al!es tot het
zenit onzer deugdm opvoert.
4 ]a, o mijn ridders in maagdelijkheid, Iaten we ons tooien
met het kostelijkste loof van de groene hoop.
5. 0 laat ons de witte zang van het hemelslicht in de barre
nacht van de Godsverschrikkingen opsteken.
6. ]a, laat ons een lied tot /of der wijdse oceanen aanhcffen, een
lied ter verheerlijking van hun eemvige gelatenheid.
7 0 oceanen van onze liefde,gij die zo heifiJelijkgedllldig onze
bestendigheid wee/ te wiegen, we begroeten U.
8. 0 oceanen van onze gij die ons op de wydse gol-
ven van uw eenzaatnheid torsi, we Ioven uw goedheid en uw trouw.
9 Onze roerende /ofzang gaat naar uw plechtige uitgestrekt-
hcid, IIW deincnde uitgestrektheid die zo zi/tsmakend VOOr onze
voeten komt uitsterven ...
Io. Ziet, we tooien otu met uw geurende wieren en als zee-
goden - tritons gelijk - blazen we te uwer ere op de kink-
horens van onze heiligste zeegeneugten,
I I. want de wind sui sf zo WOnderdadig aan onze gekroonde
slapen voorbij, alsof hij de ziel ze!j van uw aanzijn in liefde
ware.
I 2. We trillen onder de strelingen van uw windvlagen en
worden als 'n etherische harpzang in 't verwelken van de dagen.
I3. Tot aan uw branding weerklinkt onze zang die op de
wieken van uw pracht wcgvleugelt, o genadige oceanen van deze
a! te povere aarde.
I4. En uw windvlagen die uw wateren en heel ons naakt
lichaa111 beroeren, leiden ze ons niet tot de grootse ening ons
beider lotsbestemming?
I 5. Oceanen, o gij abyss ale weer spiege!ingen van onze eigen
nood in 't drama van 't gebeuren, ziet hoe orgiastisch zingend
we op uw stranden d1valen.
I6. Overal in bet zand tekenen onze voeten de naam van onze
eeuwige geliefde en overa!, tot in de verste windhoeken, verkon-
digen we haar pracht ...
I7. Onze geliefde, U weten bet immers loch, o wijze oceanen
van onze vreugden, ze is uit uw schuim geboren, en ze is als de
hechtste barnsteen van uw dromen in ons.
I 8. Uw dromen in ons, o vreugdige oceanen, ze sten1men ons
mild, ze maken ons groots in de genade van de tijden ...
I 9 Ach, de extazen van onze heiligste orgasmen in u,
hoe loch zo menselijk goddelijk, ach I
XXIV
1. Wij de levende doden ? Neen, doch de dragers van de !e-
vensmythos hoven de wrange nachten van Demos.
2. wy, d'opstandelingen, thans geboeid, maar tot de
hoogste verrukking in Iicht en heme!!ttister voorhestemd.
3 Wij, de he!agers van a! wat naar lafheid of duisterheid
zweunt en zich in de modder van 't ze!jgenoegen vermeil.
4 Wij, de hekampers van de laagste driften in de huichel-
achtigste zielen van de nooddruftige ze!jhezoedeling.
5 Wij, de verkondigers van de schoonste !evenswaarden, die
de hazuinen van 't laatste oordeel zul!en blazen.
6. Wij, de verheerlijkers van de heldhajtigste pathos in de
hedwelming van 't wereldgeheuren.
7 ]a, wij bet koren, hoven bet kaj van de mensheid, waar-
van de heiligste dromen naar de oppervreugden in hevrijding
gaan.
8. Wij, de herauten van de hovenaardse verge/ding en de
voorzangers van bet nieuwste rijk.
9 Wij, de vereeuwigers van de hcchtste waarachtigheid in de
hellehranden van ons a! te schamel menselijk tekort.
10. We zweven hoven de wateren van 't onhei! dezer tijden en
onze vlerkende hegeerten zijn de deugd van de steigerende go!ven
ze!j.
I I. We zijn de 1Vitste halcyonen gelijk en we stralen in de zon
van onze !iefde tot a! hetgeen van de eeiiWige zee is,
I Z. Want zijn lVe nief de be/oojde te/gen van d'oceanen die OVer
de cirkelende horizon/en heen, recht op 't uiteinde!ijk doe/
vliegen?
I 3 Dit doe!, o gij de verguizers van a/ hetgeen rein is en
edel, zou het dan slechts de dood zijn ? ...
14 De dood voor ons,ja, reeds in de droesem van dit Ieven,
doch voor U de vloek van de thanatophoria ...
I 5. Uw duivelse betrachtingen ten spijt, o Heren van het a! te
voorbarig gewei, zijn we 11w hatend gebroei voorbijgestevend.
I 6. Ziet, we verhemelen hier, hoven het /age addcrgcweme/
Van IIW gijtige ze/jgenorgzaamheid.
17. Onze en mve driften verwonnen, lichten we reeds in
't empyrmm van de waarachtigste heiden
I 8. en zijn lVe de zingende p/anefen ge/ijk, OVera/ in de mafe-
/ooshcid de maat van onze bestendige scheppingsdaad verkon-
digend.
I 9 Ach, wij de demiurgen te midden van de tnoorddaden
van uw a/ te kille harten I
XXV
I. Staat op, o windv!agen van mijn woorden, en vetjaagt de
najaarsbladeren van deze he/ in de anderen en in mij.
z. Staat op ttit de kratcrs van mijn verhvijfe!ing en brengt me
de za/ving Van IIW p/echtigste ge/ojten.
3 Ziet hoe ik verkwijn onder de doem van mijn metafysische
hunkering naar a! hetgeen mezelf zou kunnen venvinncn.
4 Als valken jaag ik U op in de nacht van mijn zinnen
opdat U me het wild van mfjn dromen zoudt aanbrengen ...
5. 'k Ben hier als blind in de duisternissen en 'k fast rond,
ver/oren, met s/echts de zang van 11W aanwezigheid a/s /aatste
k!IIWen.
6. Storm en drang is het in en om mij met de wurging van
ve!e slangen die me benauwen en me gluiperig maken.
7 'k Stik in de doem van 'n onbereikbare lief de die mijn diepe
wonden zou helen.
8. En 'k dwaal en dwaa! in de wildernis van mijn geweten,
en jammerklagend roep ik om hulp.
9 'k Roep met uw meest magische gestalten, o windvlagen
1Jan mijn woorden in sti/te ...
I o. En 'k hoor s!echts de jakhalzen en de gruwelhyena' s
die mijn vergeefse lover beantwoorden ..
I I. Ach, ongehoord, onbegrepen te sterven te midden van
73
d'overvloedshoorn van mijne onverzadigde begeerten naar 't
meest transcendente mezelf. ..
12. Ben kanker is bet, voorwaar, en 'k duizel als dronken,
doch nuchterder dan de koudste vriesnachten dezer aarde.
I 3. Erbarmen, o erbarmen voor deze schamele gefolterde
van d'onzegbare, d'ongenaakbare vreugde in liefde ...
I4. Ach, gij zachte windv!agen van mijn arme woorden,
uw stem is, helaas, overwoekerd door de leegte van mijn eel-
terige handen.
I 5. Alles glipt aan hun onverzadigd gestreel voorbij en ze
beven onder bet juk van hun onrust.
I 6. 0 de nooit achterhaalde grttwe! van de demonen die ons
de boetezang van onze handen hebben verboden.
I7 Ach, de goede Norncn, en vooral gij, o stralende Skoeld,
ziet u dan niet dat mijn ogen tranen van b!oed storten
I 8. en dat ik bier lig op een vaalt van lege woorden, van woor-
den die niet eens tot de wind behoren,
I9 maar slechts bet stof zijn dat hij opjaagt en dat me met
blindheid heeft geslagen ...
74
- - ~ - ~ - ~
- - - - ~ - -- --
:
XXVI
I. 0 Heer, waarom d' onmacht van onze woorden ? Zou bet
dan zijn omdat onze vijanden ons voor valse profeten hebben
gescholden?
z. U wee! bet loch, o Hcer, dat bet niet waar is en dat we wei
door Uw almacht werdetl getekend,
3. dat we door Uw voorzienigheid tot de zang van uw Ver-
tegenwoordiging en Verheerlijking werden geroepen.
4 Waarom dan loch die onmacht van onze woorden in deze
wereld van de alomvattende misprijzing van uw Geboden ?
5. We zijn toch immer meer dan de zoele gedichten der ge-
desemde gedachten, want zijn we niet van de vervloeking der
schrikbeelden ?
6. En toch, o grootse Almogendheid, waarom hebt U ons
aan de boeien van de dagelijkse verrotting overgelaten?
7 Waarom gaan we bier gebuktonder de schu!dvan 't hoogste
verraad, en met 'n bespuwd en bebloed gelaat?
8. We staan bier, gemarteld, op bet podium van de verne-
deringen, met de doornenkroon Uwer heerschappij over de vlakten
van onze vergankelijkheid ...
9 Ach, en we zouden de Hellevuren van onze woorden ter wra-
ke willen aanwenden, maar te vergeefs verroere11 1ve onze lippen.
Io. Alvorens gesproken verdorren de woorden op onze tong
en stijgen slechts de kraaien in bet donkere zwerk op ...
75
I I. Van overal hoort men reeds de jakvogeletJ op onze toe-
komstige lijken aanstomJe1J om er ons beste zelf van weg te
kapen.
I z. De nacht van onze martelingen, ach, met de ijzigste
stilte die rate/end uit onze kelen opstijgt ...
I
3
. 0 Heer, heb loch medelij met de sti/te van onze marte-
lingen en gun ons weer de gulden gave van het woord ...
14 ]a, gun ons de gave van Uw woord, opdat we weer de /of
van de Schepping te midden van de magie van de woorden
zouden zingen ...
I 5. De jongste kracht van onze woorden, 0 jttbel, in het
heiligste van ons geweten waar alles tot zinderend-zingende
heerlijkheid openspat.
I6. 0 wonder aller wonderheden in de zonnige verdri:fving
van de haat van 't gespuis en boven 't gekuip van a/ wat des
bozen is ...
I7. De triomfbogen voor d'heerschappij van onze 1voorden,
o Heer, en de vefe ethertransen van onze serafijnse l[efde tot U ...
I 8. 0 God, gij de Deus optimus maximus onzer innerlijkste
magie in 't laaiend aanzijn van onze herboren vreugde !
XXVII
I. De naaktheid van onze vromven tot zcgen van de Godheid,
de broosheid van haar naaktheid ter aanbidding van 't stilste
Goed?
z. 0 wonderbare naaktheid van onze vrouwen met de donzige
deining van haar begeerlijke vortnen, zo wulps ongenaakbaar
heilig!
3. Die vormen te aanbidden en te Ioven, en ze te strelen,
vurig en lang, eeuwig schitterend aan de zachte toppen van onze
vingeren.
4 Die vormen zo betekcnisvo/ getekend dat men zou menen
er de zee te kzmnen in verkennen en te horen ...
5. Vormen waarin tnen oplaaiend kan bidden en die men
verheerlijkt tnet de eigm naaktheid van onze aa11 jlarden gereten
lichamen.
6. 0 de harde spieren van ons eigen ik tegen haar 11aaktheid
aangercgen en aldus, extatisch, doorheen de baaierd wentelend.
7 Ach naakte vrouwen van o11ze betoverde liefden, wild-
bekoord vleien we ons tegen uw rille lenden aa11,
8. terwijf de rozige tepe/s Va!J IIW borsten stmken om ge-
neugten onder de beheksing onzer barbaarse aanraking.
9 Naakte VrOIIWCn, 0 gij moederschoot van onze begeerten
waarin we orgastisch het zaad van onze demonische noden
uit spreiden ...
77
xo. Naakte vrouwen van onze succubische hellingen, tot
u gaat het waaien en het zingen van onze vurigste verhemelin-
gen.
I x. Ziet hoe we aanbiddend aan de voeten van uw idool-
gestalten liggen gehurkt, de ganse trilling van uw glorie om-
wevend
12.. met de bloeiende glimlach van de vogelen en de ganse he-
mel hoven ons schoonste geding gespannen.
13. AI de kleuren van de regenboog stralen door het spectrum
van uw naaktheid, o vrouwen I
14. En we bezingen de ganse magie van deze strafing als de
hechtste openbaring van 't goddelijk Ieven in ons.
I 5. 0 naakte vrouwen, trots pralend onder het gestreel
van onze liefkozingen, we dragen U hoog in 't empyreum van
onze verwachtingen,
x6. we zoenen u in de brand van onze verzengende minne,
wij vogel Phenix, steeds en steeds heropstaand uit de as van
onze eeuwige driften ...
17. Ach vrouwen van onze betoverde liefden en moederschoot
van onze meest goddelijke fantasmen I
-
XXVIII
1. De verhlinding die u weet,ja de verhlinding van de schan-
delijkste onmin heeft nu reeds te lang gevonnist en terechtgesteld.
2. De dag van de verge/ding is gekomen en van overal waretJ
reeds de demonen van de weerwraak hoven de neve/en van de
algehele ontzelving.
3. 0 dm;onen van de schaduwzijde van onze lief de die de
stilte der doodvonnissen verhreekt ...
4 Doch onze dood, o God, onze rottwende dodendans althans,
is hij niet reeds de hestraf!ing van onze helagers zelj?
5. Verge/ding, o /age drift ... zeg ons de inhoud van dit woord,
o God, want het klinkt ons zo hoi.
6. En is het niet van 't vocahularium der a/ te aardse ver-
gttizing die we moeten haten en vervloeken ?
7 Wij, o God, Ge weet het wei, we zijn immers van het
geslacht der louterende minnezangers
8. en de verhlinding kan nog onmogelijk de gulden vreugde
van onze zangen verstoren ..
9 De demonen opgelaten ... ja, maar zijn ze niet eerder van
onze lief de hoven de schorpioenen van het moordgehroed?
IO. Onze demonen ... Ach, ze zijn niet meer van de schadtiW-
zijden van onze liejde, doch van het Iicht van onze zangen.
I I. En engelen zijn ze, golvende engelen Van verpurend Vllllr,
o zo he/ stralend in de rust van ons geweten.
79
I 2. Aile helletransen zijn ze voorbijgestevend en de
galgenvelden hebben ze geheiligd met de zom van onze ex-
tazen .. .
I3. Aan de hand van onze demonen, zijtl we de heme/ te ge-
moet gegaan en onze zilverende vlerken zijn als waaiende
heerlijkheden.
I4. 0 arendsvlucht langsheen de tappen der bestendige ber-
gen van Gods wil I
I 5. De verb/inding die U weet, ja de verb finding van de
schandelijkste onmin is onder die adelaarsv/ucht tot het niet
vergaan ...
I 6. 0 jubelvan de minnezang hoven de rate/ende braaksels
van a/ wat is van wraak en wederwraak!
I7. 0 jubelvan onze minne op de stralende altaren van onze
lichtende demonen, o zang en melodij, o God I
So
XXIX
I. , k Begroet u, 0 zan van hoge lief de die mfjn lichaam be-
streelt met de schone lichtcn van uw genade.
.z.. 'k Voel me vandaag zo ijl en Iicht a!s een van mv dan-
sende stralen doorheen d' ethertransen der zaligste geboden.
3. 'k Leun me tegen de mildheid van uw glorie aan en
, k glimlach tot de tortelduiven die ze in mijn ogen ver-
kondigen.
4 Zie, de honig van uw gaven is meals tnalvezij, zo heerlijk,
in de roes van mfjn goede liefde.
5. ]a, 0 mijn zan van hoge lief de, de heme/ is blauw en hij
zingt me bet kwinke/erend 1vijsje Vatl UW b/oemenvreugde in
d'ogen, o zo bont en helder I
6. Geen zwarte lelie-n meer, noch doodsaronke!s om mijn
jeugdaromen te beschamen, want alles straalt, straalt.
7 Stralend is mijn zee, en de duinen aan haar strand zijn
blond, stil tot bloeiende heide verwazend.
8. De bijen gonzen en puren, en de gmrende bloemen schenken
hun de zielvan de eeuwige jeugd in mij.
9 ,Et in Arcadia ego", griffin bewonderend mijn vingeren
in de scbors van hoge pijnbomen.
Io. 0 die mooi trillende pijnbomen in 't neurilnd gestoei
van mijn dromen, , k boor ze zingen,
8I
I I. en hun zang is me muzegestreef Van wijsheiJ in 'f be-
stendigen van de lentezalving over de vredekudden.
I2. In de verten de rust van de paarse, van de witte berg-
hellingen in 't bleek lazuur der heme/en ...
I3. 0 de it[yllische klaarten van dit nog steeds verboden
landschap, in zege en peis I
I4. Lcom warmen zich de groene hagedisjes, Godlovend, te
midden van de puinen der eeuwigheid.
I5. En ze slapen, ach ze slapen, slapen op de warme stenen,
en 'k benijd hun rust, ik de wakende, onrustige schaper ...
I6. Afgunst is bet we/ niet, o neen, maar ik ook, o mijn zon
van liefde, ik hunker naar U.
I7. ]a, zelfs afwezig, blijft u de schoonste gave van mijn
sacrale 111inne in d' almogendheid Gods.
I8. En daarom, 0 zon van hoge liefde, wuiven mijn handen
U steeds toe en begroeten ze U als de voedster van aile lichten
in mij, o /of I
XXX
I. Bolus, Bolus, o mijn wild versterven in de z1vartste van
aile windvlagen en op de trommels van bet nachtgekreun.
z.. Thans alles verzwegen en de zonnen verlaten, symfonisch
gezegend ter hulde van mv laaiende liefden van boven de aarde ..
3 Wangedrochten, schorpioenen en draken allersoort -
vuurspuwend, etterbrakend, - komen op mij aangestormd:
o verheerlijking van hun geboorten in mij I
4 Ben schone nacht is bet dan ook geworden over de hel-
lingen van bet teratologisch mysteri1111J magnum.
5. ]a, bet mysterie van de zaligende nJttziek van de aarde die
over haarzelf bezinnend dubt in de klank van de eeuwigheid I
6. Monsters zi:Jn bet misschien die aan dit mysterie ontstaan,
doch zijn bet niet eerder de wonderheden van bet aanzijn zelf
in d'afgronden van mijn zijn en nietzijn?
7. Wonderheden zijn bet, o zo zinderend ver scheiden en
onverwacht in de trillende handen van mijn aanbiddende vreugden.
8. Wonderheden zijn bet met de vele ornamenten van bet
vegetale of bet fatmische zijn, en als schuinl onder 't gestreel
van mijn gedachten ...
9 Bolus, Bolus, 'k dans met de getemde wonderheden in de
vale schijn van deze steeds over ons wakende maan,
I o. en idyllisch verwaasd in ons feif'ngestoei over de zilverende
weide die vol is aan murmelende fonteinen,
8 ~
I I. fonteinen van 't verlangen, misschien, doch eerder fon-
teinen van bezadigdheid in 't mannelijk versterven ...
I 2. 0 mijn versterven dat is van 't versmaden der a/ te aardse
verlangens in 't diepste van mezelf!
I3. Fonteinen van bezadigdheid, o gij, m'n wereldse sym-
bolen in 't gemurmel van de Minne I
I4. En 'tis aan het gulden bekken van deze fonteinen dat ik de
dorst van mijn heerschappij over de wereld der wonderheden
steeds ga lessen,
I 5. ik, oor, en ik, oog, te midden van de duizenden heerlijk-
heden van 't geschapene, nog heerlijker in 't eolische van de
nacht ...
I 6. 0 k ern van mijn zie/, meter omheen de toverroep mijner
demonen, heel ver over de berghellingen van het teratologisch
mysterium magnum,
I7. ja, het mysterie van de zingende wind hoven de wonder-
heden van de extazen van mijn meest gehcime schepselen.
I 8. En ikzelf, schepsel, slechts, in het aanzijn van de schep-
ping, er in dan send en vcrwaaicnd, tot het niets ...
XXXI
I. 'k Weet niet wat het mag beduiden, doch vandaag is de
licfde in mij vaardig geworden, en ik bid.
2. Mijn gebed is een stillc glimlach in 't geheim van de zonnige
dagen van mijn bloedend dichtershart.
3. Kirrend zweven de tortelduiven rond mijn slapen en zacht is
het weer in de heerlijke zang van die late winterdag.
4 En mijn lippen bidden opdat ik onsterfelijk zou worden,
ik, het reeds tot verrotting gedoemde lichaam van mijn a/ te
menselijk tekort.
5. Mijn lippen bidden opdat hct vuur, hetvuurvan de Minne
me zou verteren en me tot de heme/ opvoeren ...
6. Ach blauwe rook van mijn eeuwigheid in 't gebed, 'k voel
me reeds zo oud, en 'k ben bang te sterven,
7 te sterven ... o dood, met dit verrottend lichaam, tot het
niets van het kreng-zijn gedoemd .. .
8. Neen, 't is niet mogelijk .. . ziet allen toe, ziet hoe ik
eeuwig ben en het vuur van mijn uiteindelijke oplaaiing in God
gclijk I
9 As ben ik,ja, en tot as zal ik terug, mijn as als levens-
zaad wijd over de golvende zeeen uitgespreid.
Io. Mijn as, aldru, in de bestendigheid van het ritme
dat me wiegt en opzweept, en dat van mijn meest costnisch
aanzijn is ...
8 ~
I I. 0 zijn ... alles-verdovende echo Van dit zijn en niet zijn in
de baaierd van fllijn roekeloos gepeins in het niets.
I 2. 'k Voel f!le reeds zo oud, en 'k ben bang te sterven, o
onherroepelijk teken van dit werkelijk aanzijn !
I 3. Alles staat daar als sjinxen voor mij, en de worf!len in
dit lijk doen f!le gruwen en griezelen.
14 0 jierheid in eigenwaan, ach, en waarom beef je voor de
sjinxen van die nakende duisternis in ons ?
I 5. Zeg, kan mijn gliflllach me niet sus sen, en mijn gebed?
Zeg, kunnen onze lip pen niet meer prevelen, en ben je waarlijk
bang?
I 6. Het Ieven is van de ontijd der dagen, doch 'k zie fllinnende
vrouwen die flle wenken en die me lieven.
I7. 0 ja, de liefde is in fllij vaardig geworden, wonderbaar
heilig, en ik bid, bid ... over de dood heen ...
I 8. to tin 't rijk van de gelieven waar alles is van hetvuur dat
me verteert en tot heiligheid opvoert.
I9 0 stilte, in liefde, hoe schoon! 0 rite van die liefde,
hoe groats ...
XXXII
I. De kleuren aan de top van mijn gedachten, ze dansen in
de tover van mijn ogen, en ze strelen de vele lichten van fllijn
verbeelding.
2. Die kleuren, o Iicht! Ze zijn van 't geluk van "'ijn
vervoering in het Ieven !
3. Ze zijn van de bestendigheid van "'ijn schepping en ze
zijn van de daden van mijn goddelijkheid in angst en pijn.
4 Spel zijn ze niet, noch doelloos gezang; doch noodzakelijke
drang in 't baren van de gestalten zijn ze.
5. En heel fllijn zielewee verkondigen ze,ja zelfs in 't gejubel
van epische levensroes, want steeds staan ze in de tover van
fllijn armste doem.
6. En U weet het ifllfllers, o harde God in mij, hoe de liefde
me steeds heeft gevlucht,
7 en hoe, te vergeejs, ik ze steeds heb gehuldigd in 't diepste
van mijn hart, naast U, in dezelfde nis ... en met de woorden
zelj Van IIW genade.
8. Helaas, wie kent nog uw en mijn genade, hier op aarde?
En de mensen zijn blind voor de kleuren onzer liejde.
9 Ze zijn blind voor de gaven van onze ening en ze weten
het zelf niet eens, die arme verworpenen.
Io. Doch waarom dan mijn boodschap, ware het niet ter
bestendiging van mijn diepste zelf?
I I. 0 God, 'k ben IIW ootmoedige dienaar, en 'k lijd onder de
doem van 't gegrimlach der omvaardigen ...
I 2.. Het is hicr ko11d in de stifle van deze oneindigheid, doch
niet door de kilte van mijn ziel,
I 3. 0 neen, want ik bfaker en ik zweej in 'I bfanke lVaaien
van IIW Geest die in mij is vaardig geworden.
I4. Doch alles blijft zo d11ister onmedogend en zo vijandig
gesloten voor de ijle v/11cht van mijn boodschap.
I 5. 0 God, gij die me weet en kent, en die me wikt en weegt,
I 6. 0 stille God te midden van mijn kleuren en gezangen,
sterk me in de nood van deze vertwijfeling en schenk met het
Iicht van IIW zonnen,
I7. opdat ik eveneens tot kle11r zou opklaren en het Iicht zelf
worden ...
I 8. 0 Iicht, Iicht ... en hymne van mijn vertedering voor het
wonder van 11w bestendigheid van Minne in mij I
XXXIII
I. Liefste,jij wonderbaarder dan de dagen, en die me dronken
hebt gelaten, breng me loch nooit d'ontnuchtering in /iefde ...
zeg I
2.. Zie hoe ik toverig doorheen je ee11wigheid dwaal, ik de droef-
gevooisde minnaar van het we/ en het wee van dit hart dat aan
een ander werd verpand.
3 Ach, en op mijn koortsige lippen heerst dan ook de roes
van de nooit verzadigde dorst naar je bestendigheid in mij.
4 De lente is op de vleugelen van 'n sprookjesvogel tot in
mijn ogen neergedaald en zacht, heel zacht ben ik met joll inge-
slapen.
5. Helaas, 'twas slechts een droom en, de rode I/lerion gelijk,
ben ik, ter eellwigheid, de school der goede zee ingegaan.
6. Zeg, laat me nogmaals 't noodlot bezweren dat me zo
diep heeft vcrslagen, ach laat me 't zoenoffer van mijn lippen
op je blanke borsten neerleggen.
7 't Ojferv11ur heb ik reeds aangestoken en de walmen van de
ge11rende cinnamone stijgen lovend ten heme/, je gehele godzijn

8. 'k Ben mezelf niet meer gelijk en 'k zweef in de heme I
van 'n onversaagd genot dat is van d'accoorden van de goden in
ons.
9 Neen, liefste, jij wonderbaarder dan de dagen, in deze
heme/ is er geen droejheid meer, doch wei de glimlach van de
vogelen.
Io. En 'k hoor het gekweel van hun glimlach. Het is als
't vlietend beekje zelf van onze meest innerlijke muziek.
I I. Dwepend hunker ik doorheen de waltnen van mijn
offervuur naar de toverspreuk die je lichaam tot mij zou nijgen.
I z. Begerend steek ik mijn handen naar je uit, doch ze raken
slechts de blauwe cinnamonerook die ze geurend heejt gemaakt.
I 3. Mijn geurende handen, ach liefste, ze geuren van jou, ze
geuren om jou, ze geuren naar jou, o jij, mijn wonderlied I
I4. Mijn waaiende geest z1veejt thans over de landouwen van
je geluk en hij bidt opdat je jouw zonnegod voor eeuwig zou
mogen vereren.
I5. Want voor jou, m'n liefste, daghet 't nog steeds in het
oosten daar waar je minnend hart ligt bekoord.
I 6. Rozen van 't verzaken mijner lief de heb ik op jouw lich-
tend altaar gebracht.
I7. Rozen voor jou, m'n liejste, rozen zo heerlijk als de kleine
traan die ik er heb in verborgen.
I8. Rozen, rozen ... nog wonderbaarder dan de dagen die 'k
aan mijn liefde tot jou hebt geplukt ...
I9. 0 jij mijn niets en mijn a/ I
XXXIV
1. 't Beschamend gebed, o povere zeljverheerlijking in de
armste a!ler liefden, 't gebed als zelfver/oochening en als ge-
vleugelde kwal in de richting van de Schepper.
z. 't Gebed, het gebed, o bezoedeling van de gemurmelde,
geprevelde woorden op de lippen van het zelfverraad.
3. De etterpuil van 't gebed, o grttwel van 't schaamdeel dezer
vernedering v66r d' Almogende Heer ser over de necropolen van de
lief de ...
4 Misprijzend, ga ik de wegen van 't gebed voorbij: dit
teken van de Godschuwing in bra/lend zeljgenot ...
5 De priesters, ach de priesters, ze bidden daar, te midden
van het vampierische hunner heilverlokkingen, en ik walg ...
6. ]a, 'k walg v66r 't ajsch111velijk schouwspel van de huiche-
lende zeljbezoedeling in gebed, o mijn God.
7 Almogendheid, o God, hoe laat U loch de smet van deze
/age hoon tot uw Grootheid toe ?
8. Ziet U dan niet, o Almachtige, dat deze biddenden U
voor een God van woeker en knibbelarij houden,
9 dat ze u als evenbeeld van hun schunnige zeljbezoedeling
maken, zij d'ingebeelde vromen uit eigenliefde?
Io. Altnachtige Heer, o mijn Schepper, laat toch uw Groot-
heid spreken en vaag de gebedendrift van hun knechtschap
we g.
I I. Orkanen en tempeesten dient U over hun hoof den te ont-
ketenen en uw reinigende zeeen dienen ze weg te spoelen.
12. 0 almogende God, loon aan a/ deze vermetele oranten
dat U het gebed steeds hebt verfoeid en misprezen
13. en dat uw nietsontziende Godzijn steeds hoven hun
gebedmvaalt door de eeuwigheid vaart,
14. dat ze jube/end, zingend, in oneindigheid zweejt, ons
tonend dat U slechts een God van vreugde zijt.
I 5. Uw Licht, o God, en vernietig de duisterheden van 't a/ te
kleimnenselijk gebed in dorheid dat naar a/ te zwoele laksheid
zweemt.
I6. Uw Licht is d'uitstraling van al het lachende van uw
heldere ogen die in de mijne schouwen, o God, en zo is het goed...
I7 Ben geurende ruiker voor U, mijn lachende God en de
sluiers van de nachten over uw al te drekkige oranten I
I 8. Kom, laat ons sa1nen spelen, o mijn mooie Speelgenoot.
Lachend, huppelend, dansend zijn we een, en we Ieven voor
elkaars genot ...
XXXV
r. Met de gesel Gods hebben we het Kwaad uit onze harten
gebannen, hebben we het de banen van de vergetelheid opge-
jaagd.
2. De vleugelen van het Kwaad hebben we in vreugde afge-
knot en we hebben ze op de soljerpoelen van onze eeuwigheid
verb rand.
3 Arm, zieltogend Kwaad, medelijden hebben we ten slotte
loch met het verminkte lichaam van tiW euveldaden dat 1ve aan
flarden hebben gescheurd.
4 Medelijden hebben we met uw blinde ogen, de ogen van het
Kwaad, die we hebben zien wenen ...
5. Hun tranen, zijn ze niet als de dauwdmppels van een
nieuwe dageraad, fcl glinsterend op de wangen van een jongere
heerlijkheid in God ?
6. Zijn het niet de tranen van 't berouw en van de bekering
tot het lied der blanke engelen in het diepste van on.rzelj?
7 De fijnste reukwerken hebben we over uw verminkt
lichaam uitgegoten en we hebben het op het remwstro uitgestrekt.
8. De bewoners van het Kwaad hebben we, verder, uit aile
windhoeken opgcroepen, opdat ze hun jammerklachten aan aile
echoen zouden kunnen toevertrouwen,
9 doch de hyena's en de jakhalzen hebben eveneens onze omroep
beantwoord, onze omroep ter bewening van hun meester.
93
Io. Hun rouwzang was als de k!acht van de koude
noorderwind te midden van de barre nacht van de laatste
ver schrikkingen.
I I. 0 rouwzang van d' afzichtelijkste aller creaturen, verlaat
toch de klanken van deze stnarttnuziek die ons allen doet hui-
veren
IZ. en die ons nog vertneteler is dan de jubelkreten van ons
Kwaad ten tijde van zijn hoogste triotnf
I 3 0 Uw rouwzangen, 0 woeste beesten van onze dood, ze
hebben ons hart opengereten en er 't venijn van 't berouw in-
gespoten ...
I4 God, o God, waarom hebben we toch bet Kwaad in ons
verscheurd en bet met uw gesel geslagen ...
I 50 Thans is bet alsof we Uzelj in ons zouden hebben gedood
en we ons in onze wroeging bij bet niets der nietschepping zouden
hebben vervoegd ...
I 6. Het Kwaad hebben we gedood, o gruwel, en aile Iicht
heeft ons thans verlaten. We voelen ons aileen, zo afschuwelijk
aileen ...
I7 Hoe zullen we inderdaad nog zonder bet Kwaad kunnen
gedijen, wij kinderen van bet Kwaad dat in ons leeft ?
IS. 0 God, schenk ons opnieuw bet Kwaad dat ons tnoet
voeden en ons terug tot U moet opvoeren ...
I 9 Het Kwaad, bet Kwaad ... Het loch zo heerlijk Kwaad,
in ons I
94
,.,._...,....\...,..........._
. ~ (
XXXVI
1. Leid me niet in bekoring, o warme zon van ingebeelde
zomenveelde, want 'k ben hier aileen en zo moe van 't wachten.
z. Mijn zinnen getart, gefolterd door de zware, zwarte
broeiing van a/ hetgeen in mijn gemarteld hart naar Minne
uitwaait ...
3. Ach, leid me niet in bekoring, o verhinderde lief de die de
laffe bedreigingen van mijn vergankelijkheid in 't versterven
bewoont.
4 Succuben zijn het thans die me voor de verblinde ogen
zweven, en 'k her ken in haar gestalten de glimlach van mijn
meest geliefde vrouwen.
5. 'k Steek mijn bevende handen naar ze toe om ze te strelen
en 't zwoe/e zweet van de begeerte kotnt mijn slapen bewan-
delen.
6. Ach povere dromen, o onkuise bezoedeling van uw ge-
heime zoenen op 't gelaat der waanliefde,
7 en Eros verscheurd ... o 'k fig hier zieltogend op mijn brits
te rillen en 'k ben als door de vele grimmigheden van de onliefde
be storm d ...
8. 'k Verkracht de vrouwen en de bloemen, en 't reine azuur
van de heme/ bezoedel ik met het sperm a van mijn ongerijmdheid
in minne.
9 Vampierisch hijg ik ... Neen, 'k wil niet, neen, neen I
95
Ach goede geesten, verdrijft loch a/ deze geile grillen van mijn
verbeelding.
Io. 'k Stik va11 onmachten ik roep otn hulp,ja, ik de schame-
le verzaker in de woestijn van dit onklare Ieven.
I I. Doch mijn bede wordt langzamerhand tot een zang, een
zang tot bet he/end Iicht dat de Heer over mijn vermorzelde
/eden uitspreidt.
I z. Langzaam, 0 zo fangzaam frekf de heme/ aan f!Jijn zieke
verbeelding voorbij en de sterren wenken me zacht.
I 3. Ach de vriend van de sterren te zijn en ze te mogen pluk-
ken met de stifle gelatenheid van dit leeggebloede hart ...
I4. ze tot een tuil van geurende tintelingen te mogen lezen en
deze neer te leggen op bet kristallen altaar van mijn stille
droefheid.
I 5. De droiven van de lief de, 'k streel ze met minnekozende
handen in de wijngaard des Heren, en 'k streel ze, psaltllzin-
gend ...
I 6. De schrikbeelden van de verleiding heb ik aldus bekoord
en 'k betokkel de eolusharpen van de steeds waaiende gee sf
in mij.
I7. Mijn glimlach verhoord, o goede geesten in de praal van
mijn innigste troonzaal, en U troont er thans ...
I 8. En ik, ik fig VOOr JIW /e/ievoefen uitgestrekt, in za/igheid
badend, want ik ween en ik ween ...
I9 'tIs van 't herworden Godzijn in mij, o God!
XXXVII
I. 0 arend,jij die in d'oneindigheid van mijn gedachten bent
gencstcld, 'k aanroep je thans, of beter, 'k roep je op tot bet
festijn van de geestelijke geneugten in God.
z. Zie hoe 'k bet rode bloedsap aan de witte afgrond van je
laatste wonder schenk: 'n Ienger kind aan je goddelijke daden
ontstaan.
3 Ben kind! Je laatste wonder, o mijn arend in 't vleugelen
van de mij liefste zinnebeelden rond bet Iicht van mijn innerlijkste
wensen!
4 Ben kind fer eeuwigheidsbor sf geroepen, en ik, vader van
dit jonge Ieven, o arend,jij in d'oneindigheid van mijn gedachten
genesteld: zie hoe ik thans juich.
5. Ben kind I Ben kind dat ik, helaas, slechts in mijn ver-
beelding kon verwekken en dat ik met mijn heiligste dromen moe!
voeden ...
6. Allegra, is de naam van dit wonderkind, doch alvorens
geboren is bet reeds in de ijlte van f!Jijn onmacht verzwonden.
7. 'k Draag bet nochtans steeds, als bet kostbaar ste sieraad
van mijn liejde, op de gewijde handen van mijn droeve kommer.
8. En jij, mijn arend, 'k stuur je zonnewaarts fer verovering
van de kleine ziel die 'k tnijn ingebeeld kind fer leefbaarheid
zou willen schenken.
9 Vleugel hoog, o mijn arend, tot in de trillendste sferen en
pluk er een zieltje rijk aan de loutere geheimenis in God, een
zieltje als evenbeeld der bloemen ...
IO. Allegra, 0 ingeheeld zonnekind van d'ze gefolterde vader,
in angst en kommer heeft hij je geroepen en je vreugdegelaat lacht
thans zijn droeve ogen toe.
I I. Mijn goede arend heeft je wonder mogelijk gemaakt, en
thans waakt hij aan de zijde van je eerste s!aap ...
I 2. Ben lente van vrede is er over mij gekomen en een lach van
zingende lofwoorden heeft mijn gedachten hewandeld.
I 3. 0 mijn thans nog ingeheeld kind, mocht je nog ooit werke-
lijkheid worden en de drootn van je verwekken met de kroon van
je tcngere armpjes opsmukken.
I4. Maar helaas, de tijden van de onmin zijn nog ver van
voorbij, en huiverend staat mijn arend aan mijn zij, en we hehben
kou ...
I 5. ]a kou van de killen van onze vertwijfeling, en steeds
woont nog de nacht in ons, o mijn verre lichtspiegeling die ik
Allegra noen; I
I6. En jij, mijn arend, die in d'oneindigheid van tnijn ge-
dachten woont, ga waarheen ik je stuur en pluk er je weet we!
wat ...
I7 0 arend, 'k aanroep je, of heter : 'k roep je op fer ver-
wezenlijking van mijn heiligste hekoringen hoven de noodk!okken
van mijn schroom.
IS. Allegra ... Allegra ... aldus bet luiden van a! die klokken
in bet verhemelen van mijn schamele aanzijn in nood ...
XXXVIII
r. Treed uit jezelf, o jij nietig schepsel in mij, en ga tot de
natuur van de lichtende Godheid in bet verste van jezelf
over.
2. Luis fer s!echts naar de gee sf die in je woont en misprijs je
al te aardse ziel,ja luister naar de Geest die in jou vaardig is
geworden.
3. Luis fer naar de Gee sf die spreekt in je gee sf, ja fuister
naar het wondere tweegesprek dat van God naar bet Schepsef
gaat.
4 Luister naar bet tweegesprek dat eveneens van bet Schepsel
naar de alomvademende Godheid gaat.
5. Ben tweegesprek hoven de were/den been waarvan de gee sf
de Godheid zelf 1Vordt en zich met God eent.
6. ]a treed uit jezelf, o jij nietig schepsel in mij, en ga tot
de natuur van de lichtende Godheid in bet ver ste van jezelf over.
7 0 ga tot bet niet-zijn van over de Godheid zelf, waar je
eindelijk tot de schepping van je hoogste zelf in en hoven God
kan oplaaien.
8. Zie hoe a!les van uit je uiteindeli:Jk niet-zijn opklaart en
afetisch tot de hemelse geneugten in God verwaait.
9 De trompetters van de Genade treden je reeds te gemoet
en ze verkondigen je heerlijkheid hoven aile aardse creaturen.
Io. 0 triomf van de Geest hoven de nietige staat van slechts
99
schepsel-zijn: de geeste!ijke zonnen schitteren en het heilge-
jubel weerklinkt hoven aile hemeltransen.
I I. Ach nietig schepsel van de nachtelijke dwaasheid in mij,
fuister loch naar al dit gPjubel om de schone mogelijkhcden van
ie genade.
I 2. 'k Zie er je reeds, g/ansrijk en hel-rein, van het woord tot
het Woord overgaan, ja god in God zijn I
I
3
Ach neen, wees niet schuchter voor het lied van deze over-
maat en spreek ook niet van al te menselijke ovennoed ...
I4. Dat j e en klein bent en nietig is we/ waar, doch weet dan
ook dat God het j e eeuwig geeft hoven jezelf te staan.
I 5. D' angelische zanger zong het ons trouwens reeds voor:
,wie God wenst moe! God zelf worden".
I6. ]a, zo hoort het te zijn, want aan de tafel Gods worden
slechts de goden genood.
I7. 0 nietig schepsel in mij, vergeet wat je slechts waant te
zijn, en wens te worden gegood ...
I 8. ]a god in God te zijn, ziedaar het doe/ van j e minnend
menszijn in de school van het eeuwig Godzijn ...
I 9 0 wonder I
100
XXXIX
I. Ben afgrond ... een afgrond die zich tussen God en mij zou
uitstrekken ? Waarom, o mijn God, want daar is loch de
hemelse brog in mij ...
2. Een lichtendc brug in de nacht van mijn schamel menszijn
waarvan de heilige bogen zich tot Minne verhogen.
3. 'k Zie de goede Herder met zijn 1Vitte kudde op de innerlijke
wegen van mijn luttel aanzijn dwalen, en hfj toe! op zijn hoom.
4 Is het om de verloren schapen tot zich te roepen of om me
zijn eigen nood te midden van de nacht te me/den ?
5. 'k Bevrijd hem van de nacht en 'k breng hem tot mijn
lichtende brug opdat de afgrond hem nict met zijn kudde zou
opzttigen.
6. 0 goede Herder, hoe heerlijk zijt ge niet, daar hoog in de
heme/, de brug tot God met uw kudde bewandelcnd I
7 En ben ik niet, o Herder, hct zwarte schaap daar te mid-
den van uw kudde, ik arme, gefolterde ziel in de nacht van mijn
eemvige driften ?
8. De kudde, o de kudde ... neen de kuddegeest bewoont me
niet, want de hoede van die goede Herder kan ik ook best mis-
sen ...
9 En die brug, o die lichtende brog... 'k verkies haar dan
nog het steilste pad dat me tot God moet leiden,
Io. want na de val wordt 't zwarte schaap soms tot Lam
IOl
herboren ... en 'k voel me reeds val/en, val/en, duizelingwekkend.
II. En 'k herrijs I Zie, o mijn goede Herder, hoe 'k hoven
Uzelj en uw povere kudde he"ijs I Een schitterende ster ben
ik in de heme/ geworden.
12. D' afgrond heb ik overwonnen, en de brug, ach die brug ...
laat me lachen I Haar heilige bogen vervagen reeds in de nieuwe
dag.
I 3. Als mistnevelen klaren ze op en de zon, Uw zon, 0 God,
zingt er kwistig doorheen, die a/ te schatnele minnebogen ont-
hevend ...
14 En daar wentelen we thans heiden door 't heelal, o Gij
Zon, en ik ster ... en we wentelen, wentelen, zonder elkaar ooit te
raken.
I 5. We wentelen statig, cosmisch, als voor de mrqJek der
sferen, zonder alkaar ooit te raken ...
I 6. Hoe mooi en toch hoe dramatisch, want mijn sterredrang
naar U, o Zon, hlijft onverzadigd hevig, in een andere heme/ ...
I7 Ach, hetnel naast heme/, en zonder die ijle Geest om ons
ooit in Orewoet te enen ...
I8. God, o wond're Zon, doof toch mijn luttele ster opdat ik
U in Uw heme/ zou kunnen zien ...
I 9 Ach wee/de van het Zien, u te zien, 0 God in die Heme/,
Uw Heme/ I
lOZ
XL
I. 0 a see sis in boetende verering van a/ hetgeen van ons vlees
is en van de zingende vruchten van de geestelijke aarde I
z. 0 vreugde in de ernst van het eeuwig Ieven onzer stiffen in de
lichtglans van a/ hetgeen van de be roe ring van onze zaligheid is I
3 En ik door mezelf hevrucht als 'n verhoden God in bet
valle liefdelicht van de bedwelmende incantatie van 't dagelijks
geheuren .. .
4 0 doorzichtigheid van a/ hetgeen van de muziek van mijn
innerlijke zinnen is en van de streling van de bloemen in de tuin
van mijn gedachten I
5. ]a, en de zee vluchtend voor 't geweld van mijn woorden ...
'k zie ze vluchten en 'k vind ze toch zo ve"ukkelijk in de
heroeping van haar meeuwen.
6. Eilanden van stil hegeren zijn die meeuwen te midden bet
wiegen van haar grauwe golven, door wit schuim omzoomd ...
7 En geweldige winden als van de demonen zelf waaien
hoven haar golven. De winden, o de winden van de wekroep mijner
woorden I
8. Doch niet altijd zijn ze geweld, want soms zijn mijn
woorden ook als de zachtste zang van de zee zelf. ..
9 0 zo zacht als 't wiegelied van bezorgde moeders ... aan de
rand van onmedogend-steile klippen.
IO. De dageraad venvint tbans de nacbt en 'k sta bier met
lege banden voor de nakende zon dcr scbitterende Maagd,
I I. die Maagd, die maagd uit mijn innerlijke maagdeli.Jkheid
in cosmiscb gebeuren ontloken en tbans in mijn paracletiscbe
wee/de aangeboden ...
I 2 0 gnosis van deze Maagd met de parelmoeren zee van
mijn dromende ogen op de acbtergrond van bet weten en niet-
weten ...
I
3
. F ladderende meeuwen plaats ik in de beroeping van deze
Maagd, en 'k bezing ze met de mooiste zee van mijn geest ...
14. Acb mijn waaiende geest rond de zonneslapen van de
ontwakende Maagd, en de Minne Gods om ons te enen I
I
5
. Ben beugelijk gebeuren, voonvaar, in de beroeping van al
betgeen me in Haar tot de eeuwige Schouwing wil oproepen I
I 6. En strelend-minnend begeleid ik dan bet lied van de
beiligende Geest in de stilte van mijn eeuwigbeid in Haar ...
17. 0 Maagd uit innerlijke maagdelijkheid in mij ontloken,
cosmisch is ons beider gebeurm, en ik huiver, want .. .
1 8. want wie durjt er nog tot paracletiscbe wee/de in God op-
laaien?
I04
XLI
I. Wees niet bang, o Heer, me in stifle te wenken en me tot
uw stralende eeuwigheid op te roepen als tot het festi.Jn van
Uzelf.
2. Zie, 'k ben uw zekerste zoon die d'oneindighcid van de
muf!e scheppingsoorden voor uw vurige Geest heeft verlaten.
3 'k Ben de schamele eeuwigheidsvorser die aile duisterheden
achter de rug beeft gelaten on1 de wcreld van mv lief de te betreden.
4 'k Sta op de drempel van mv lvelkomstzoen, scbuchter,
docb zo heilig door de heerlijkste hoop be1voond.
5. 'k Zie het eeuwig Ieven in mv goddelijke ogen, in die ogcn
Van 't al/esverzengend Vllllr dat tot in mfjn diepste ze/f bfakert.
6. Ter schoonheid strek ik mi.Jn bevende banden tot U uit en
'k prevel een stille /of als van de bewondering van mijn min-
nende lij>pen in extaze.
7 Toe, wees niet bang, o Heer, mete wenken, want 'k zal uw
glimlacb met die van mijn mooiste deugden beantwoorden.
8. 0, ons beider glimlacb zo eng in elkaar verstrengeld dat bij
nog slechts de ene glimlach van ons beider eeuwigbeid zou
zijn I
9 Acb, een burcht, een vaste burcbt in elkanders minnend
vertrouwen kan deze eemvigheid nog worden,
10. doch daartoe dicnen nog eerst de aardse geneugten over-
wonnen en de vreugdevlag ter hemelgenietiging gebesen ...
105
I I. 0 Heer, hoe schitterend die go11den strafing van mijn
begeerten in de richting van uw hoogste Gebod,
I 2. en dit Gebod, o Heer, is het niet als orgelmll'{iek over de
nllminell'{e vlakten van mijn zijn ?
I 3. Uw Gebod ... hoe heerlijk en vol, hoe bloeiend zonnig en
warm doorheen al de lagen van mijn diepste zelf I
I4. ]a, IIW Gebod is mijn gebod, o Heer I Wees d11s niet
bang me te wenken, want ik ook, ik wenk U, in volle vrijheid
des geestes.
I 5. Zie, de minne-hemelen koepelen weelderig hoven onze
hoofden ter verduidelijking van a/ wat zo en rein in mijn
gemoed om U trilt.
I 6. Ach trilling van minne t11ssen U en mij, o Heer ... en
Schepper van de eeiiWigheid in mij I
I7. Dank zij U, heb ik eindelijk bet ontstuimige steeds
komen en gaan in d'oneindigheid verbroken en ben ik, agonisch,
de veiligste van aile havens binnengevaren,
I 8. en 'k ben er de ening, o lied van 1nijn minne in eeiiWigheid,
en extaze van extaze, o Heer ...
I06
XLII
I. 'k Behoor nog niet tot IIW heme/, o wonderheid aller ge-
boden in God, want 'k voel me thans weer zo moedeloos en
verlaten,
2. en alles rent hier zo wild door mijn beangstigde gedachten,
somber-weelderig tierend in 't oerwoud van deze nachten.
3 Ach, slapeloze nachten voor 't wiegen van mijn smarten,
'k fig hier te midden van uw duisternissen, verlaten, ge-
heifn ...
4 En die begeerten van vlerkende galjoenen over de geheime-
nissen van deze stiffen been, ironisch ftuisterend met de winden
over mijn
5. Mijn wordt bier thans bestendigd met het
knarsend Vlltlrwerk van hellevogels rond mijn slapen,
6. en niets, niets om 1t1ijn wonden te betten, niets om de koorts
van mijn zorgen uit bet doksaal van mijn gedachten te ver-
wijderen.
7 Onbeholpen, droef en gemeten Jig ik bier te midden van
de berispingen van deze drentele wereld, en ik drein ...
8. Ach, laat me al dit gemelijk gebeuren loch met haat ver-
en tot de vermildering van de dood z elf doemen.
9 Mijn Jichaam, die arme sloester van mijn geest, snakt
imnJCrs te vergeefs naar d'uiteindelijke verlossing in het dood-
gaan.
I07
Maar 'k zie dan weer de akelige dodendans van mijn IO.
gedachten, en 'k ril van angst. 'k Wil weg ...
I I. Doch waarheen, want aile horizonten hebben zich rond
mijn smart toegesloten, zodat er me geen uitweg meer te vinden
is.
Iz. Duister is de nacht in en om mij been, want de seringen
van mijn lief de blijken voor immer verwelkt.
I3. Ach, mijn messias in poesis, sta me loch en breng me
de eolische ening in het seraftjns gejubel van de meuwste dage-
raad I
4
].a 0 my 'n messias in poiisis, in mijn 11iferste nood richt
I . , b .
ik me tot U, en reeds daagt weer het Goede in mijn povere rezn
op ...
I 5. Doch, hoe afschuwelijk ... God heeft me verlaten en ik ril
en zieltoog van de sacrale angst hem eeuwig te moeten derven.
I 6. Zie, 'k laat de witte eenhoornvogel van mijne maagdelijk-
heid in 't geprevel voor U op in de nacht, en 'k blijf hopen ...
I
7
. Hoe hcerlijk dan ook dit genal van de hoop in. 't.geprevel
na de zwarte angsten van die nachtelijke benauwdhezd zn zorg I
I 8. 0 zeg, zou 'k dan weer tot uw hen;e/ behoren ?
heid van aile geprevel in God : 'k voe/ me weer zo tjl ..
I
9
. En ik vlieg I
108
XLIII
I. De he/ heb ik in mijn ingewanden gewurgd, en ze was als
't venijn van mijn verbee/ding die meal de d11isterheden van mi;'n
knechtschap had gebracht.
z. Ach, ze was slechts de he/ van mijn vers/aafdheid aan al
wat van de te grate oneindigheid van mijn komen en gaan is
geweest,
3 van mijn komen en gaan in die doem zonder rust, waarin
alles tot 'n bestendig verworden zonder doe/ opgegroeid was.
4 Ach, de he/ die ik in mijn ingewanden droeg, ze verteerde
mi;'n dicpste zelj, het tot een oneindige leegte uitknagend.
5. Die he/, ze 1vas als het weigeren van 't heilige vuur dat me
Steeds foefachfe Om THe hee/ en a/ in de vfammen Van myne ziefs-
formenten te storten.
6. Die he/, ze was d'oneindigheid zelj, zonder de hoop van
d'rtiteindelijke haven voor de goede rust van mijn tormenten.
7 Die he/... ach het v/ieten en 1vegspoelen van al hetgeen tot
het ri;'k van mijn liefde en tot de bestendigheid zelf toebe-
hoorde.
8. Die he/... bij gebrek aan de minnende aanwezigheid Gods
in het diepste van tnijn bloedend hart.
9 Ach, en a/ die slangen van het kwaad die ik in mijn in-
gewanden droeg en die ik verwarmde als de hechtste teigen van
mijn bloed.
I o. Maar 'k heb ze allen gewurgd en heel ver van mijn leed
afgeworpen, zodat ik me thans niet meer aileen voel ...
I I. ]a, thans kan mijn vrijheid weer vrijelijk Godewaarts
vleugelen te midden van het /outer lazuur van mijn minne.
Iz. De zangtijd is me weer genaakt en de stem van blanke
tortelduiven is weer tot mij gekomen met het gestreel van de
lentezefteren in mij.
I3. ]a, wonderbaar is de heme/ weer in mij opengebloeid, zo-
dat de fontein des Ievens weer weelderig uit mijn geest kan
opborrelen.
I4. De zangtijd van de heme/en ... ach, en in stil genot onder
de hoede van de engelen te mogen dromen en nog dromen ...
I ~ . Het is dan ook een jubel over mijn hele lichaam geworden,
en 'k voel me thans zo Iicht ... o zo dan send Iicht ...
I6. als ware ik nog slechts /outer geest-zijn te midden van de
gouden stralen der goddelijkste sterren.
I7. Een ster ben ik in Gods heme/, en ik schitter ... schitter,
o zo heerlijk I
llO
xuv
I. 'k Verheug me in het Iicht, in uw Licht, o Heer, om de
leegheid van mijn leegte in uw stralend aanzijn op te lossen.
z. 'k Ben de gnomon waarop uw Licht en tijdsbetekenis en
levenswijsheid komt uitgieten.
;. Doch 'k ben slechts een blinde gnomon waarop aileen de
schaduw van uw Licht kan spreken, maar uw Licht zelve niet.
4 'tIs trou1vens uw Licht, o Heer, dat me met blindheid
heeft geslagen, want 'twas slechts node dat ik naar U opkeek.
5. En daarom, o daarotn is 't dat ik bromde en aile wrok tot
ledigheid in schaduw heb gekromd.
6. Lente is het nochtans opnieuw geworden en de jonge zon
heeft mijn wrok tot nieuwe ziendheid gelouterd,
7 zodat ik thans in vreugde kan murme!en dat de Heer mijn
blinde weigerigheid heeft bedwongen ...
8. en dat zijn klokken me tot Hem hebben geluid met a! de
jubel van zijn lichtende aanwezigheid in triomf.
9 De lente, de lente, o Heer, is als het sieraad van het jongste
Verbond dat ons eent in het geluid van uw zonneklokken.
I o. De b!inde gnomon die ik was is weer zimde geworden
onder het hymnisch geweld van uw klokken in Licht.
I I. En uw Licht, o Heer, is weer de veilige wonderheid waar-
in ik mijn a! te grote ledigheid kan oplossen.
Ill
12. AI! 'n zingende leeuwerik ben ik in uw Licht tot bet lied
van mv eeuwigheid opgeklaard en ik tril.
I
3
. Zie hoe 'k ben vergaan in uw Licht, hoe 'k ben bezweken
onder 't sacra/e kussen van uw arme lippen.
I4. 0 ... en 't beeld van de blinde gnomon die ik was, bet ver-
vaagt in bet niets, want uw ongrondse mogelijkhedm heb ik
eindelijk bereikt.
I 5. Gods-maaf is me thans uw zichtbaar gewordcn Schoon-
heid, o Heer, en 'k draag ze als een kroon ...
I 6. Uw S choonheid waar ik thans van leef en sterf, o extaze I
En ik beef, ik beef van nief voldoende fe kunnen minnen in
haar Schoof ...
I 7. Neen I In U ben ik schoonheid, o Heer, tnijn blinde
sterfelijkheid in U reeds lang overwonnen, en ik zing ...
1 8. 'k Straal als uw Licht zelve, want uw Licht ben ik,
ik nochtans zoon van de nacht aan Inzijns zomen geteeld,
19. 0 eeuwiggeworden Ik in God, o Bratld I
liZ
XLV
I. Witste lelie, gij, 0 sieraad van mijn diepste zelf, gij die
onfstegen zijt aan de schaduwen van mijn driften,
z. witste le/ie die aan aile cinders van mijn aarde bloeit,
'k draag U hoog in de zon van mijn lief de en in bet Licht van
uw genade, o God I
3 Witste lelie, o gij mijn zachtste liefste, die ik aanbid en
streel met al de woorden van de wijkrans mijner exfatische
vervoering.
4 Staar toch op mijn aards /ichaam neer, o gun bet een
glim/ach van uw heerlijke tnaagdelijkheid in heme/dauw.
5. Witste le/ie, o gij mijn /ichtende bestendigheid in bet
eeuwig verpuren der aardse vreugden, wees me genadig, ik
arme were idling ...
6. Ik aan stof en sterfelijkheid verknocht, ik blinde modder-
wroeter en toch heerlijke zonnezoeker.
7 Ach witsfe lelie, wees me genadig en schenk me bet blanke
teken van de goede vrede in de gedachtenis Gods.
8. B en schaduwschijn van drieste ondeugden is bet voor mij
lang in de bezoeking van de wi/de nachten geweesf
9 en nu zie ik u trots fe midden van uw zusteren opstijgen,
en in de dageraad van zonnige wee/den.
10. 'k Zie U 't mulle stof van mijn onwaarheden tot 'n
liefdevorm verreinen, hoe mooi I
II. 't fulimloze rijk van mijn verbeelding heb ik in uw
blanke vormen tot eetmlge gestalten zien oprijzen,
12.. als uit 't droomrijk van mijn dichters waar de bloemen
zijn als brandende zielevlammen in de nacht.
I 3. Maar gij, 0 witste le/ie te midden van IIW zusteren afs
sieraad van 't diepste zelf in mij, 'k zoen u als de koningin van
mijn ening
I4. en ik droom, ik droom voor de lafenis mijner zonden en
voor de verheerlijking van de wazige bloemen in mij.
I 5. Doch gij, 0 witste lelie, die ontstegen zijt aan de scha-
duwen van mijn driften, ik bezing U, in vreugde,
I 6. want ge zijt het teken van mijn herworden maagdelijk-
heid in Minne en ik geur met U mee,ja, we geuren fer verheer-
lijking Gods.
I7. We geuren de geuren van de ening in Orewoet, o witste
van aile lelies, o !iej.fle in de zon van mijn liefde,
I8. en we zingen de God in ons, want het is zangtijd gewor-
den, en de zang Gods, o witste lelie in mij,
I
9
. is in 't vlees van uw geurende heerlijkheid opgestaan tot de
lippen van de allesverzengende Minne, o God I
114
XLVI
1. 'k Voel me hier thans als geslagen, en 'k ben van alles
beroofd, want de heling van de warme Liefde is me nog zo
ver ...
2. 'k Ben droej in de schemerende marteling die me omringt,
want de Bruid heejt me plots ver!aten, en ik zucht ...
3. 0 de smart van hier, in akelige verlatenheid, te moeten
Ieven met die gruwelijke boeien die me aan de muffe aarde ge-
klonken houden.
4 De stilte omringt me, en 'tis 'n maanloze nacht in 't diep-
ste van mijn gemoed waar 'n hyena aan mijn zieleleed knaagt.
5
. En ik ween, heel zacht, om mezelf het smartelijk schouw-
spel van mijn geestelijke noden in vertwijfeling te besparen.
6. 'tIs hier thans weer de nood van 'n arm mensenkind dat
zijn te grate kleinheid beweent en dat zich de Bruid onwaardig
heejt bevonden.
7 Ach die kilte van de regen en a/ het droeve heimwee naar
ve"e horizon/en van Bruidslichten dat me weer terneerdrukt.
8. 'k Zou aan mezelf willen ontvluchten, in zelfmoord, of ware
't maar slechts in geile dronkenschap ...
9
. ]a, in d'armen van wulpse deernen, haar in drift beken-
nend ware 't maar slechts om de Bruid te beschamen ..
'
Io. of over mij de toornende hoon van apoca(yptische gruwel-
verdichtsels in schande te halen.
II. Want niets is me hier hatelijker dan de leegte van deze
ziel in d'onbeholpenheid van mijn scheppcnde woorden.
u. Ach, de geestelijke bruiloft die ik in een zoen op de
koraallippen van een mij geliefde vrouw zou willen opwekken.
I3. He!aas, deze a/ te verre vrouw, hoe zou ze me de nog
verdere Bruid oprocpen, hier, in deze nacht van mijn verlaten-
heid?
I4. De strijd van mijn warm bloed tegen de kilte van die
dood in d'ontbeerde Minne mijn ...
I 5. Ach, en d' opstandigheid van mfjn gebalde vuisten ...
ze hameren op d' aambeelden van 't mij geweigerd heme Is genot I
I 6. En de vonken spatten, wild, in d' orkanen van mijn
vergeefse hunkering naar 't Absolutum.
I7. ]a, 't Absolutum boven de doem van mijn te eng mens-
zijn te midden de verschrikkingen van deze aarde ...
I 8. Maar mijn wil, mijn stalen wil in de richting van de
Bruid... 0, en zie, ook de Bruidegom komt I
19. Doch wie van ons is de Bmid... en wie de Bruidegom ? ...
Ach, God?
II6
XLVII
I. Leef van mijn Ieven, o Heer, want het is het Uwe. In
Minne heb ik het U geschonken, en boven de duisterheid van
mijn nacht.
2.. Ik voel het, o Heer, dat mijn Ieven in uw Leven tot eeuwig-
heid opklaart en er zich van de hoogste Minne in U ver-
teert.
3. Alles heb ik U gegeven, me voor Uw enige heerlijkheid
tot aile wereldse verzaking opofferend.
4 ]a, zoenoffer in verzaking ben ik voor Uw altaren komen
knielen en thans heers ik over de weidse vlakten van de stilte.
5. Ret vlees, ach het mij zo lieve Iicht des vleses heb ik voor
Uw Licht moeten ontberen,
6. en ik beef hier van de bevangenheid dat ntijn pover Ieven
Uw Wezenheid in Verovering niet verder zal kunnen bevredigen.
7 'k Ben slechts 'n schamele zondaar in 't verzaken en
ik beef van de muziek van mijn te arme extazen fer zangheme-
len van Uw goddelijke Genade.
8. De zee, de grauwe zee wiegt nog steeds dit Ieven in oot-
moedigheid, en mijn ziel is a!s een vuurvogel in de nacht van
mijn geest.
9 De sterren zijn voor de pracht van de nacht, maar de zon,
Uw Zon, o Heer, is voor de dag van mijn verboden liefde ...
xo. En die bloemen, die geurende bloemen, voor Uw gdddelijke
I 17
Zon, en ik als bloedende hero verslagen te midden de pracht van
dit bloemenveld.
I I. 0 Heer, hoe kleurrijk, als het prism a van uw heerlijk-
heid zelj, dit bloemenveld van mfjn stille vroomheid tot U.
I 2. Die weelderige bloemen zijn van het Ieven dat ik u
schonk en dat U zo smalend in ontvangst hebt genomen.
I 3 Ach, en zie a/ die Iamme dieren van mijn Ieven, hier, in
dit bloemenveld. Ze zijn er ter bewening naast mijn verslagenheid
geknield ...
I4. En nochtans, zijn ze niet de uiterlijke tekens van mijn
driften geweest, zij thans 0 zo verrukkelijk wijs etl alwetend
betoverd?
I 5. De witte balsem van Uw Genade, o Heer, is als schit-
terende vuurtongen over ons gedaald, o zo heerlijk zacht ...
I 6. en samen, mijn getemde driftbeesten en ik, hebben we het
Rijk van de Gelieven betreden !
I7. Onze stoet is onder gouden triomfbogen getogen en van
overal werd ons Uw Leven, o Heer, in goddelijke overgave toe-
gemeten.
I 8. Heil van Uw Leven in mijn Ieven, o Heer, en Leven in
Ieven, o wee/de ! ]a een f eest des Levens, Uws Levens ...
I9 0 God I Gij, mijn Levenszanger I Gij, mijn niets en
mijn A/vader, loch ...
uS
XLVIII
I. Neem me, neem me, o God, hej me uit mijn geworpenheid
op en verheerlijk me in de school van uw eeuwigheid.
.:z.. Ach breng me het zalvend Iicht van uw numineuze wee/de
en streel me met d' aanwezigheid van uw verkwikkende ge-
nade.
3. Zie hoe erbarmelijk-verlaten ik me voel, en onbeholpen, in
de baaierd van uw schepping zieltogend.
4 'k Voel wei het teken van uwe aanwezigheid, maar 'k blijf
nochtans gebukt onder de vloek van 't onherroepelijke niets
in mij ...
5. 'k Huil tot de afgronden van de nutteloze leegte van mijn
aanzijn en 'k word als door d' on/binding van mezelf ver scheurd.
6. En loch blijf ik Ieven van de begeerte naar U, o God, van de
begeerte U, eindelijk, met praal en luister te mogen ontvangen
7 om dan de leegte van mijn aanzijn in uw veilige haven van
peis en minne te mogen vergeten ...
8. En Gij, o Zon in de nacht, Middernachtzon in de duister-
nis van mijn angstige zorgen, Gij, 0 mijn Stille God ...
9 'k Zie U te midden van het visioen van uw engelen in
mij en te midden de zwangere wake van uw kwellingswerk
in mij.
IO. 0 mijn God, de woorden begeven me op deze aarde en
'k voel me in d' onwereld ver stommen ...
I 1. 'k Heb me nochtan J aan uw engelen overgelaten en 'k
llliJter naar de muziek van hun heerlijkJte hoJanna-zangen.
I 2. HelaaJ, die muziek iJ ze ten Jlotte niet a!J 'n dodendanJ
waar doorheen ik noodklagend waad ?
I3. Waarof!J, ja waarom die aardu doem? 'k Httiver te
midden van de knekelkringen van die dodendanJ en te vergeejJ
Jf!Jeek ik om hulp,
I4. 1vant nietJ om de leegte van mijn ziel te vullen, die arme
leegte in de redeloze bcgeerte naar U ...
15. 'k Lig hier a/J met uitgepuilde en doorkorven ogen:
blind ... en 'k verga in het nietJ, nietJ .. .
I 6. En loch komi a/In weer tot bedaren in het diepJte van
mijn hart, want plotJ breken bloedende tranen uit mijn dode
oogholten loJ.
I 7. Er wordt a/J een Jluier over mijn gebroken /eden tlit-
gntrekt en het iJ uw Jluier, o God, die me dekt !
I8. Uw J/uier, o God! Eindelijk .. . en a/In fer eeuwige
windJtilte in uw verre haven... o mijn milde dood !
I20
XLIX
1. 'k BetJ nog J/echtJ Jchuim en van Jchuim tot Jchuim, o
mijn ijdel Jchuimzijn dat hier loch zo gru1velijk tot bezinking
iJ gekomen ...
2. Dit Jchuim breekt zich tegen de klippen en het bruiJt er
te midden van het wilde wiergroen der verrchrikkingen, ach I
3. 0 mijn b/anke zee-engel, kom me loch op deze kale klippen
plukken, om me tot uw Heer te brengen,
4 ik Jchuim en toch bloem, broze bloem van JteedJ ver-
worden en vergaan op de kimmen van zijn eeuwige golven ...
5. Zie, 'k zweef op de vleugelen van mijn ziel en de dolftjnen
wiegen f!Je fter a/J ware ik loch van de triomf van hun zee.
6. ]a, en de tritonen toeten voor 'k weet niet welk ingebeeld
jeeJt van a/ te inwaartu heerlijkheid.
7. Uit hun gouden kinkhorenJ hoor ik dan ook het lied van het
zijn en niet-zijn en dit dan nog ter ere van mijn povere Jchuitn-
zijn I
8. En toch, hoe dan dit trillend zeefmt na het gru_belgebeuren
op gindJe levenJklippen te verklaren?
9 De leegte van mijn Jchuimzijn blijft daar immer voor mij
deinen op het ritme van mijn drintigJte leegheid.
Io. Doch 'k luiJter niet meer naar de leegte van mezelj en
mijn Jchuimzijn, o mijn blanke zee-engel, iJ a/J in uw armen
verrchuimd ...
I2I
I I. en uw parelmoeren vleugelen wapperen thans rand mijn
moei slapen, o gij, mijn wit zeit op de zee I
I 2. Q ja, en HW v/euge/en zijn, boven bet toeten van de frifonen,
als bet zacht gemurmel van de eeuwigheid in mij,
I 3, in mij, 0 de zwevende op de v/erken van een zie/ die is Van
mij, en die tach zo ijdel kreunt ...
I4. Ben gebed dan voor de lafenis van die ziel? Ach, mijn
blanke zee-engel, ge weet bet tach beter dan wie oak I
I 5. Ge weet bet: ze is een kleine kapel gelijk, die onder HW
hoede zonnewaarts vlindert, aile ijdel schuimzijn voorbij I
I6. Maar hoe bet de mensen kond te maken, zij die zo min-
achtend op me neerkijken ?
I7. Slechts de kleine kinderen doen me nag teken en ze be-
wonderen dan de kleurige vlinder die ik in de zan ben ...
I 8. Van de vlinder en de zee-engel, verhalen hun sprookjes
en in hun dram en vlei ik me neer ...
I 9 want ik oak, ik ben een kind, uw kind, o Heer, en ik
droom!
I22
L
I. De stoeiende mei is weer tot mij gekomen, ter Minne, en
met de vele sieraden van bloemen en van vogelen.
2. Vreugdevol ga 'k dan oak weer doorheen uw bloeiende
bongerd, o Heer, en fter draag 'k de mooie mei tot voor uw lich-
tende voeten.
3. Jubelende zangtijd is het weer geworden en van avera/ komen
zingende karen bet nieuw geding van onze lente-ening vieren.
4 En bier oak weer de grootse wilde wingerd, zo groenend
waaiend ter epithalaam-begroeting,
5. bier, in dit grauwe oord van geboeide Ievens, waar anders
de dagen zo onmedogend duister zouden zijn ...
6. Ach Heer, hoe alles tach zo wonderbaar geschikt over
bet gouden stramien van uw eeuwige voorzienigheid I
7 Doe/laos onze geworpenheid bier op aarde? Neen, o neen,
vooral niet wanneer ik weer de zan mag aanscbouwen,
8. de warme zan, uw en mijn zan, 0 Heer, te midden van bet
Dierenriemfeest van uw dansende Cosmos I
9 De zan ... laat me ze in U eren en ze roe men als bet reini-
gend vuur van uw allesverterende genade in mij.
IO. De zan is uw stralende glorie en van avera/ wordt ze, ter
mijne devote sticbting, door IIW sterren verzege/d.
I 1. ]a, in uw uitspansel is bet thans een juichende stoet van
hemellichamen geworden, o zo prachtig ...
123
I 1. en de melancholische denker ten spijt die, verschrikt,
zijn ogcn voor hun ecuwige praal moest sluiten ...
I 3. Doch; 'k ben geen melancholische denker meer, o Heer, en
als de jonge gelieven in mei gaan we samen ...
14. gaan we fter-dromend door de bloeiende tuinen van onze
minne-ening in de hoogste vreugde.
I 5. Mijn /enteron in uw school, 0 Heer, en de zoetste minne-
kozingen in de verwaaiende extazen van mijn geest ...
1
6. Zeg, wie zal ons nog ooit durven te scheiden, wij het zonni-
ge Paar, wij het AI, wij het Ben in de diepste herml van onze
Minne?
17. En hier die stoeiende mei, om ons in onze minne-
aandrift te begroeten, o die bloemen en die vogelen ...
I 8. hoe heerlijk het koor van de goddelijkste uwer creaturen,
0 Heer, en ik, door IIIV zon uitgeblakerd, verteerd ...
I 9 0 de blauwe lichten in mijn stralende ogen, en de pracht
van mijn balsemende verrukkingen in U I
I14
LI
I. 'k Dorst naar teruggctrokkenheid, o Heer, want' k ben moe
van de wereld en van haar vele horizonnen vatz a/ te tragisch git.
1. Alles is zo duister in mij, en' k hunker naar verre woestij-
nen waar 'k eindelijk in uw allesverterend Licht zou kunnen
opgaan.
3. U zoudt er me drinken en me nutten, ik de lege v r ~ ~ & h t waar-
ttit al het sap door U reeds werd geperst.
4 De woestijn, ach, die zee van heiligend zand, en mijn ar-
men, ter verloving, naar uw zon ttitgestrekt ...
5. 0 God, ik zo luttele schaduw in 11111 Licht, zo luttel dat ik
niets meer in d'oneindigheid van uw hoogste eenzaamheid ben ...
6. De dagen verlopen hier in nutteloos gedoe en mijn gedachten
zijn levenloos, ze hoi/en over de wegen van mijn blindheid.
7 0 Here, en hoe zou 'k U nog de bloempjes van uw schep-
ping kunnen noemen, ik hier van aile bloemen verstoken,
8. en van uw gonzende insectenpraal, o Heer, ken ik nog
slechts het ongedierte dat mijn legerstede bewoont ...
9 De vogelen, bestaan ze nog, o Heer, want sedert jaren is
hun gekweel me door mijn medemensen verboden.
10. Indien ik me niet vergis, o Heer, kunnen de vogelen
vliegen en kunnm ze boodschap van hervonden vrijheid worden.
II. Ze moe ten vleugelen hebben ... ach had ik ook maar vleu-
gelen, vleugelen nJet parelmoeren pennen,
u. Icaros gelijk zou 'k dan zonnewaar'f! kunnen stevenen,
steeds hoger, hoger ... zo hoog als geen sterveling lot hiertoe.
I 3 Doch de val, de duizeligwek/eende val in het niets ... ter
verwezenlijking der zo vurig gewensle leruggetrokkenheid .. .
I4. Met gebroken /edema/en lig ik hier len gronde geslagen ... .
'k Voel me zo ellendig en 'k verga ...
I 5. Alles is zo duister in mij en loch droom ik nog steeds van
ve"e woestijnen waarin voor eeuwig ter lichtfestijn te varen.
I 6. Q die tfuisternis Van de /ul/e/e zand/eo"e/ die ife ten
slotte slechts ben, en zijn slaap ...
17 Die langverwachte slaap I Doch gij, o God, mijn eeuwige
dageraad in he/ broeisel van de tijden ...
18. en in d'omduistering van mijn a/, Gij, o mijn Licht ...
en ik val, val ... de eeuwige Icaros duizelingwek/eend achterna.
u6
LII
I. Het jongste morgenrood van het eeuwig 1vederkeren is in
mij opgestaan met 'n ware godsvrucht, aile godsdiensten voor-
bij ...
2. ]a, God hadden we gedood en Hij is in ons herrezen,
heerlijker dan ooit, aile muffe priesterschap ten spijt.
3 Ben nieuwe liturgic is in onze harten, saam met de kelken
van de bloemen opengebloeid, overal de nieuwe wee/de van onze
Godsvreugde verkondigend ...
4 Liturgisch zijn we dan ook vreugdig in gedachten, en we
stralen, o zo lachend blij ...
5. 0 het festijn van deze dansende liturgie op het aards concert
der gmren en kleuren, ter opsmukking van onze poi-zie !
6. De getemde chaos in onze biddende handen en het offer/am
van bevrijding in die ongenaakbare weide van de vrede.
1 Dit aards concert, hier op deze weide I 0 mijn schare van
getrouwen, neemt allen uw gouden kinkhorens ter verkondiging
van onze nieuwste liturgic ...
8. ]a, roept de dolftjnen en ook de g11itige tritonen op, want het
wordt nog een triomf vat/ de goddelijke zee in ons.
9 Ritmisch wiegt en deint reeds onze zang en hij is als een
vlucht van zilverende mecuwen, de Godheid te gemoet I
10. Het roze van de koraalriffen in de verten, doch hier in onze
ogen het geheim van onze innerlijke verheerlijkingen !
I 1. God ... o wonderlijk genot te midden van die festijn-
weelde uw naam te mogen noemen en te Ioven tot in de laatste
van onze vezels ...
I 2.. Of nog verder, tot in de begeerten van onze vrouwen ...
en U te lezen in de extatische blik van haar ogen I
I 3. ja, een zee van klaterende zangen stijgt, hoog, Nit onze
rangen op, en, samcn met de lief de van onze vrouwen, is ze van de
verwezenlijking van onze dromen ...
I4. D' eeuwigheid ove"ompelt onze gelederen, o mijn schare
van getrouwen, en 'tis ten roes in de baaierd van onze waaiende
geesten I
I 5. ]a, we zijn de gees ten van de Geest, en daarom is het dat
we jubelen in de liturgic van onze bruisende Godszee I
I 6. Daarom is het dat de zeepbelvan onze ziel openspringt
en voor de triomf van de laatste vergeldingen opklaart.
I7 God, o sierlijkste woord in de mond van deze god/aste-
raars ... o zang van onze bloedende harten I
I 8. God, o mijn God ... o Poezie I
12.8
NA-WERELDSE MINNEZANG
, Tho that rare and exquisite human
soul, whose serene harmony of beauty
and sorrow inspired these verse"
Frederik van Beden.
I
0 thans te zingen in de richting van onze hiernamaalse
V reugde, die V reugde die niet meer van onze aarde is,
noch van de vruchten van onze dromen, doch van de
vermenigvuldiging van onze dood ...
Ach, ik de zanger in 't empyreum van een wonderhare
liefde, een liefde tot ongenaakhaar licht verhemeld, en
tot het eeuwige in mezelf .. .
De zang van 't weelderig liefdehedrijf rnijner ziel met
de ziel van de geliefde, en de trillende hoog van die liefde
hoven de zonnige V reugde van onze liefdespelen in
God ...
Het rijk van die zang hoven de hegeerten van aile
muziek, en in d'onsterfelijkheid van onze hestendige
Vreugde, o de zachte heerlijkheid van die ontaarding
in gehed ...
n
Liefste, o jongste Bruid op de Bruiloft des Geestes I
'k Juich je in stilte toe, hoven de triomf van al hetgeen
ons zo driest op aarde hlijft scheiden ...
Hier de mythische ring van onze ening in de ons hei-
den omvademende godheid des Geestes en het heillied
van onze tochten over de weeldeoorden onzer diepste
warmte ...
Liefste, o heerlijke Bruid over de zeeen van rnijn
liefde uitgespreid, en met de wazigste wolken van rnijn
strelingen geloofd, hymnisch hemin ik je ...
En 'k glimlach tot jou met het stralend gelaat van de
hloemen, en ook met de lippen der kwelende sprookjes-
engelen in Minne ...
III
Die Minne, o heerlijke Bruid, is van de gaven der
Godheid in ons, en van onze goede V reugde in de ruisen-
de schoot van de Almoeder-ons ...
Weet je het nog, o allerliefste druivenrank in de he-
dwelmende wijngaard van onze wiegende Almoeder ...
Zeg weet je het nog, o mijn Liefde hoven de paring
van de mensen, dat we eens tot het lijden om elkaar wer-
den geroepen ...
Doch staan we thans reeds niet veel verder dan het
lijden : aan gene zijde van het menszijn, en thans reeds
te midden van louterende Minne ...
IV
Mijn minnespel met jou, jij Bruid van Licht en Dauw,
ach het dansend Spel in het ijle van ons niets, en toch
iets ...
Zeg, Liefste, reik me de hand ter duizelingwekkende
vaart door het niets, en opdat je me zou gedenken in de
honzende stilte van je hloeiend hart ...
Opdat je me zou gedenken, ik je gekerkerde dweper in
de roes van alle vereenzaming, en in Godes hangende
tuin verdwaald ...
Zeg, weet je nog die zomeravond van zachte hekoring,
toen de kastanjelaren reeds lang waren uitgehloeid en
ik je over je hele lichaam heh gezoend ...
v
Liefste, jij Bruid van het minnespel in het Rijk van
onze eeuwigheid, en de kroon van deze stille traan ter
wille van het wee dat uit verzaking opwelt ...
Muziek hoor ik thans om je donker haar, muziek die
uit je lichaam opwelt en tot het zuchten van mijn ge-
dachten tot jou opgaat ...
En 'k hoor die muziek die me van 't onzichthaar zaad
prevelt, van het zaad dat voor de oogst van onze on-
eindigheid werd gezaaid ...
0 de verrukkende opstanding van dit zaad ter in-
spraak van al wat jouw hekoring in het Rijk van onze
eeuwigheid gedijt ...
VI
De poolster, en ook het zuiderkruis, stil, hoven onze
liefde ter duiding van onze innerlijke zee en ter hege-
leiding van 'n veelstemmig lied, een lied zonder eind ...
'k Pluk thans de verre gaven van alle waanaromen,
en 'k hedwelm me met de vergeefse rust van 't onmo-
gelijk aanzijn in je ogen ...
'k Zoek je te noemen met andere woorden dan die van
de wereld, en met zachte geluiden als van de nooit m o e i ~
hemel in 't geluk van je eigen liefdewensen ...
En in die na-wereldse zang van versterving noem ik je
met de woorden des Geestes, en prevel ik heel stil en
zacht : ,o jij, mijn Minnegeheim in Vreugde ... "
VII
Ach, Liefste, kon je V reugde maar van geluk stralen
in de woonst van jouw Minne, ach kon ik je maar naar
de Bruidegom van jouw wereld leiden ...
I ~ ~
'k Zou je op de vleugelen van mijn liefde dragen, en
'k zou je nog mooier dan met de maagdelijke bruidsluier
van deze aarde tooien ...
'k Zou je nog inniger bezingen ... metal de toverwoor-
den van mijn hymnische kunst, en met de mythos van
een nieuwe Orpheus ...
J e weet, die Orpheus van over de bergen, met het
licht van de Bruid in de stralende armen, triomfantelijk-
verheven, ach ...
VIII
'k Heb je steeds gegood en je tussen je zusteren de
sterren geplaatst. Daarom, o Liefste, beschaam me niet
in mijn orphisch gedweep ...
Laat het aan d'anderen over, aan de verguizers van al
hetgeen nog van grootsheid in het menselijk tekort kan
leven, om me te bespotten in mijn zang ...
Laat het aan d'aanbidders van de al te broeierige
geneugten over mijn onaardse lied van verzaking aan
de kleur van hun zwaddertaal te toetsen ...
Laat het hun over me in hun laksheid te honen en
mijn zwanenzang met het zwart misprijzen van hun
goddeloosheid dood te verven ...
IX
Ach, Liefste, van de sterrenhemel uit waar je thans in
mijn hart leeft, speel toch met mij het lichtende Spel
van aile verheerlijkingen mee ...
En tracht voor eeuwig, in mijn ogen, als de Maagd
van aile Bruiloften met het koraal der hoogste vreugden
hoven mijn liefde te leven ...
Ja, 'n glimlach van je trouw in Vreugde is voldoende
opdat ik voor jou eeuwig in de blakerende Tuin des
Heren zou blijven bloeien ...
Daarom, o Liefste, gun me in dit lied van zo hoofse
minne dat ik me heel en al in het sacrale Spel van jouw
Lief de zou inleven ...
X
'k Berust thans in en om je leven, o zo rein ... en met de
diafane tekening van je ziel voor mijn nog immer door
je zon verblinde ogen ...
En 'k voel je eveneens in en om mij leven, als 'n be-
stendige aanwezigheid in poesis die 'k hoven mezelf in
heerlijkheid draag ...
'n Echte vita nuova is uit die heerlijkheid in poesis
opgeklaard, zodat we thans, wij ruisend-ranke riet, tot
'n andere wereld worden geboren ...
Een elyzees veld heet het te zijn, dit oord van onze
extazen, waar we thans onder de zaligmakende wind van
onze minnegoden als eolusharpen om elkaar weten te
trillen ...
XI
Een elyzees veld voor de zielerust van die verscheur-
de Orpheus en de zalvende hand van de hervonden
Eurudike onder de pijnbomen van mijn lustwarande
in poesis ...
De geest van de verscheurde Orpheus waaiend hoven
de bespottingen en de moorddaden der Mainaden, o
het wonder van de zing en de geest in poesis ...
En jij, o mijn stille orante ter vereeuwiging van al het
wondere dat in het zwevende van mijn orphische genade
opbloeit ...
Jij, mijn lied ter minne en het biddend thema van dit
lied ... 'k zoen je over al de zeeen van je lichaam en ik
zucht, ik je verscheurde Orpheus ...
XII
Doch 'k ben thans in licht herrezen en mijn al te
werelds stof, in de tempel van de gaatste oranten ge-
horgen, heh ik voor eeuwig om jou verlaten ...
En thans genaak ik de cella van je waarste aanzijn in
Mione, o mijn verre Eurudike I 'k Betreed ze als geruis-
loos en met al de ootmoedigheid van de ons zo dierhare
stilte ...
Ach die stilte hoven de eolusharpen van ons weten,
die stilte als van de bestendige ontginning der Minne-
goden in de na-wereldse zang van ons zijn ...
De stilte van de verzakende Minne in ons, en als de
verre echo van die eindeloze zang, o jij, mijn zang ...
zonder eind ... o goddelijke poesis in het goddelijke van
ons zingende zijn ...
en Eros-Thanatos ...
Midzomer 1948.
COLOPHON
In opdracht van de Colihrant-uitgaven, te Lier,
werd dit hoek gezet uit de Garamond-letter
10 punts romein en cursief, en gedrukt op de
persen van de drukkerij Erasmus, te Ledeherg
hij Gent. Deze eerste oplage, verlucht met acht
tekeningen van de schrijver, verschenen in octo-
ber 1956, hedraagt 300 exemplaren op houtvrij
editie-papier, genummerd van 1 tot 300.
Dit is nummer
lh3
-
- - ~ T ~
-
i!
I!\
II
,,,
!
It
;:
I
I
I
I
- -
____ d ~ ~